Preken met het oog op jongeren (3)

Preken met het oog op jongeren (3):
de consequenties van de mediacultuur voor de vorm en inhoud van de preek

De cultuur waarin de jongeren zich bevinden is vol media: sociale media, film, clips, games, internet. De preek is dan het tegenovergestelde van deze fenomenen: geen interactie maar een monoloog, geen of nauwelijks beelden tegenover een stortvloed aan beelden. Op welke manier kan de preek jongeren die in een mediacultuur leven toch bereiken? Moet de preek elementen uit deze mediacultuur overnemen? Dat zijn belangrijke vragen als het gaat om preken met het oog op jongeren, die – in deel 1 genoemde boek – worden gethematiseerd door Johann Pock (hoogleraar voor Pastoraaltheologie in Bonn).
Pock merkt op dat deze mediacultuur volop religieus is. In de Nederlandse situatie zouden wij als recent voorbeeld het Koningslied kunnen nemen. Dit lied heeft een volop religieuze lading: een refrein dat sterk doet denken aan beelden uit Psalm 121, het zingen over een levenstaak, het warme wij-gevoel. In deze mediacultuur zijn dus veel aanknopingspunten te vinden voor een preek.

Hoe moet er gepreekt worden voor jongeren die zich middenin een mediacultuur bevinden? Allereerst moet een preek jongeren wel iets te bieden hebben en daarom inhoud hebben. Bijvoorbeeld door ervaringen van jongeren te verwoorden. Daarbij kan ook aan jongeren de gelegenheid gegeven worden zelf deze ervaringen te verwoorden. Bij de voorbereiding dient overwogen te worden wat de brandende vragen van jongeren zijn en op welke manier het christelijk geloof hen kan helpen bij het vinden van een antwoord. Daarbij hoeft dat antwoord niet alleen bevestigend te zijn, maar kan het antwoord dat vanuit het christelijk geloof gegeven wordt een kritische vraag aan hen zijn. Deze antwoorden zijn vaak onbekend, omdat woorden en beelden onbekend zijn. Voor een predikant is het een uitdaging om nieuwe, hedendaagse beelden en gelijkenissen te vinden voor de ‘oude’ geloofswaarheden.
Inhoud krijgt een preek ook door uit te leggen waar het christelijk geloof voor staat. De denk- en leefwereld van jongeren staat vaak haaks op de officiële leer van de kerk (relaties, seksualiteit, moraal). Jongeren verlangen niet altijd dat zij goedkeuring ontvangen voor hun levensstijl. Zij verlangen ook duidelijke regels en grenzen. Het is een kans om aan jongeren uit te leggen waarom de christelijke leer of ethiek anders is. Dat vraagt wel van de gemeente en de predikant om een authentieke en oprechte levensstijl volgens de normen van het christelijk geloof.
De mediacultuur is alomtegenwoordig omdat in films, clips, reclames, songs e.d. de emoties geraakt worden. Het is mogelijk om uitingen uit de mediacultuur als voorbeeld te nemen bij het maken van de preek. Een fascinerend voorbeeld is de dramaturgische homiletiek van Martin Nicol. Nicol gaat in de leer bij filmregisseurs, schrijvers en componisten. Het mooie van Nicols model is dat de Bijbel en de dogmatiek een heel belangrijke rol krijgen in de preekvoorbereiding.
De mediacultuur heeft ook een negatieve kant: beelden en belevingen gaan zo snel dat men er geen tijd heeft om erbij stil te staan op welke manier men geraakt wordt. En daar liggen juist kansen voor de preek. In de preek kan een bewust tegenaccent gegeven worden. Door bijvoorbeeld jongeren mee te nemen in een concentratie op één beeld en daarmee de diepte in te gaan.

Een laatste boeiende constatering van Pock die ik wil doorgeven is de leeftijd van de predikant. Veelal is het preken voor jongeren uitbesteed aan jonge voorgangers. Dat gebeurt vanuit de gedachte dat zij makkelijker aansluiting hebben bij jongeren en hun leefwereld. Pock wijst erop dat jongeren juist heel enthousiast kunnen worden van een oude(re) spreker. Voor katholieke jongeren waren moeder Theresa en paus Benedictus aansprekende voorbeeldfiguren. Zij hadden door hun woord of daad hen iets te zeggen. En dat geldt ook voor reformatorische jongeren, die graag afkomen op een oude predikant die hen iets te zeggen heeft. Preken met het oog op jongeren is volgens Pock geen kwestie van leeftijd. Er speelt een andere vraag: is deze spreker of predikant in staat om jongeren enthousiast te maken?

N.a.v. Johann Pock, ‘Zwischen Videoclips und SMS. Jugendpredigt unter den Bedingen der Medienkultur’, in: Michael Meyer-Blanck / Ursula Roth / Jörg Seip (Hg.), Jugend und Predigt: Zwei fremde Welten? ÖSP 6 (München: Don Bosco Verlag 2008) 159-169.

Interview dr. Bert de Leede

‘In de verkondiging moet er veel sterker geïdentificeerd worden met het Woord van God, met de stem van Jezus’
Interview met dr. Bert de Leede over preken over Christus

Zo’n 5 jaar maak ik nu preken. Ik heb in die tijd gemerkt dat het niet gemakkelijk is om te preken over Christus. De vraag waarom Hij voor mij gestorven is, kan ik in een preek niet goed verwoorden. Terwijl dat wel de basis van mijn geloof is. Hoe kan ik leren om te preken over Christus? Ik heb deze vraag voorgelegd aan dr. Bert de Leede.

De Leede is betrokken bij de nascholing voor predikanten in de Protestantse Kerk in Nederland op Hydepark. De vragen rondom de prediking hebben zijn hart. Hij herkent de moeite: ‘Ik vraag het mij zelf ook steeds af. Christus is voor ons gestorven, maar raken wij die kern zelf nog wel in de verkondiging?’

Ontwikkelingen
Volgens de Leede zijn er in de afgelopen decennia ontwikkelingen geweest, waardoor de noodzaak van Christus’ sterven steeds minder beleefd wordt. Deze ontwikkeling signaleert hij ook onder orthodoxe gelovigen: ‘Als reformatorische kerken kennen wij geen boetepraktijk meer. In de leer zullen orthodoxe gelovigen nog wel zeggen dat Christus voor hun zonden gestorven is. In hun leven is die noodzaak vaak verdwenen. Ook in die kringen is niet meer helder dat wij nood aan Hem hebben.’
Hoe komt dat? ‘In de overgang van de  20e naar de 21e eeuw is er iets gebeurd, waardoor die noodzaak verdwenen is.’ De Leede wijst op hedendaagse godsbeeld: ‘Ons denken en ons wereldbeeld is geseculariseerd. Dat mist zijn uitwerking in de godsleer niet. Men beleeft God vandaag de dag veel meer als de grond van het bestaan. Daardoor gaat het in de verkondiging niet meer om Christus die in onze plaats gestaan heeft, maar over Jezus die ons tot onze bestemming brengt. Jezus die ons tot voorbeeld is. God wordt veel minder als een persoon gezien. Niet meer als de heilige God, als een tegenover, als degene die ons roept tot onze bestemming, die ons oordeelt, voor wie wij schuldig staan, die in Christus onze Vader is. Die spanning is uit het geloofsbewustzijn weggevloeid. Wij zijn iets gaan missen door steeds te bevestigen. Dan was de boodschap: “Je mag er zijn!” “Je mag groeien naar je bestemming.” De groei naar bestemming heeft ook met die breuk tussen God en mens te maken.’

Waagstuk
Deze ontwikkeling heeft gevolgen: ‘Onderzoek laat ook zien dat als het gaat over Christus de gedachten afdwalen. De klassieke verzoeningsleer is uitgewoond. Men weet het wel. Of het raakt de gelovigen niet meer.’  Dat ligt niet alleen aan de gemeenteleden. ‘Preken over de verzoening is niet uitleggen wat de leer van de verzoening inhoudt. Die leer is wel de noodzakelijke basis. Een prediker dient vanuit de verzoening te preken en niet over de verzoening. De preek grijpt in op onze relatie tot God. De prediking gaat met ons het geding aan. Het gaat om de ik-Gij-relatie.’
Preken wordt er niet gemakkelijker op. De Leede zoekt naar woorden: ‘Preken is een waagstuk. Een roeping. Dat raakt aan de ernst, die de verkondiging heeft: de verantwoordelijkheid die de prediker met het oog op zijn luisteraars naar God toe heeft ‘De prediker is bemiddelaar tussen God en mens. Prediking is dus geen mededeling van een stand van zaken. De levens van gemeenteleden dienen in de verhouding tot God te worden geplaatst, zodat men Christus ontmoet en ingewijd wordt in de vergeving, in de navolging.’

Aanwezigheid van Christus
Volgens De Leede kan er krachtiger ingezet worden op de relatie tussen het gemeentelid en God. ‘In de reformatorische traditie is heeft de preek sacramentele werking. Net zoals men in het avondmaal Christus ontmoet, gaat het in de verkondiging om een werkelijke presentie van Christus.’ De Leede vraagt zich af, of gemeenteleden zich nog wel van die aanwezigheid van Christus in de verkondiging bewust zijn. ‘In de verkondiging moet er veel sterker geïdentificeerd worden met het Woord van God, met de stem van Jezus. Zodat de hoorder de ervaring opdoet: Christus staat in ons midden. Hij staat midden in mijn leven. En Hij spreekt ons aan: “Sta op, o mens!” “Zweer de duivel en de zonde af!” “Ik veroordeel u niet!” Het christelijke karakter van de gemeente wordt nogal eens onderschat. Gemeenteleden willen ook aangesproken worden op navolging. In de prediking kan de insteek genomen worden bij de toewijding, het discipelschap, het verschil dat gemaakt wordt, de strijd tegen de duivel en zijn ganse rijk.’
Die aanspraak vanuit Christus kan ook op een kritische manier gebeuren. ‘Christologie is crisis. Er is sprake van een breuk tussen God en mens. Verkondiging maakt scheiding. Als het voor hen geldt, moeten gemeenteleden ook kunnen zeggen: “Ik zit hier zonder bruiloftskleed. Ik sta er buiten!” Dit moet niet afgezwakt worden. Het wordt immers gezegd binnen de gemeente, het lichaam van Christus? Het wordt gezegd vanuit het besef, dat elke kerkgang vernieuwing van het verbond is. Dat de gemeente met Christus is gestorven en dat zij daar ook op wordt aangesproken: “Leef met Hem!” “Doe weg wat u weerhoudt!” Vanuit het besef dat we zonder Christus niet voor God kunnen bestaan. Jezus kan zeggen: ‘Dan zij hij u als de tollenaar’. Met als doel dat het lichaam van Christus hersteld wordt. Als de tollenaar uit Mattheüs 18 de tollenaar uit Lucas 18 wordt, die zich in berouw op de borst slaat, is hij natuurlijk weer van harte welkom. Het lichaam van Christus is ook  de ruimte van de verzoening.’ Wat dat van ons als predikers vraagt? ‘Dat wij als predikers de boete ook zelf in praktijk brengen.’
Voor De Leede is die identificatie met het Woord van God, met de stem van Jezus ook een nieuwe zoektocht. In die zoektocht heeft hij de waarde van het gebed om de Heilige Geest herontdekt, die de ontmoeting met Christus in de verkondiging bewerkstelligt.

Ambacht
‘Tegelijkertijd is preken ook gewoon ambacht. Ambachtelijkheid om de levensvragen van de gemeenteleden in verbinding te brengen met Christus. Ook een zoektocht naar een nieuwe taal, waarin wij aangesproken worden door Christus. Zo eenvoudig is dat niet. Ook dit is een nieuw oefenen. Het valt mij op hoe vaak wij predikers in beschrijvende taal spreken en vanuit de aanspraak.’
Tot die ambachtelijkheid behoort ook de identificatie. ‘De verzoening kan niet als een raamwerk over de tekst of over het leven heen gelegd worden Dat is dodelijk. Dé verzoening kun je niet preken.’
De Leede pleit ervoor om verzoening en boete bij verhalen in te brengen, waar de gemeenteleden het niet verwachten. ‘Een oefening in boete die verrassend opkomt. Preek over de rijke jongeling zo, dat het gemeentelid verdriet ervaart, maar niet wegloopt. Dat het gemeentelid verlangt naar een woord van Jezus. Misschien zijn wij wel de rijke jongeling en kunnen wij ons gevangen voelen in het economisch bestel, onmachtig, hebben wij het gevoel: “Ik maak vuile handen.”  “Ik heb mij verrijkt ten koste van anderen.” “Mijn geld is mijn god geworden. Ik kan alleen uit de gevangenschap van mijn geld uitgeleid worden als ik het aan de armen geef.” Dan kan het lichaam van Christus een plaats van ontferming zijn. Niet iedereen hoeft zich hierin te herkennen. Ik kan ook rijk zijn zonder dat ik mij hoef te identificeren met de rijke jongeling.’

Risico
De Leede is zich bewust van het risico. Hij benadrukt de gevaren. ‘De gemeente aanspreken op de navolging heeft wel het risico van het moraliseren. De prediking wordt dan dwingend.’ Het is een vraag die hem bezighoudt: ‘Hoe kunnen wij met de prediking insteek nemen bij de navolging zonder wettisch of moralistisch te worden? Het gemeentelid moet de kerk uitgaan met de ervaring: ik ben dieper ingewijd in het discipelschap. Dat kan alleen als de navolging verankerd is in werkelijke verzoening, die in het leven een plaats gekregen heeft. Daarvoor is een vernieuwing van de boetepraktijk nodig. De erkenning dat het ons bij de handen afbreekt, dat we tekortschieten in discipelschap. En dat van God uit wegen geopend worden.’
Matthijs Schuurman
 

 

Preek oudjaar 2010 (Joh 12:46)

Preek oudjaarsavond (voorlopige versie)
Johannes 12:37-50

Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve. (vers 46)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Als de Here Jezus over zichzelf: “Ik ben als licht in deze wereld gekomen”,
laat Hij nog één keer zien, waarom Hij naar deze aarde is gekomen.
Tot dan toe was Zijn optreden openbaar, voor iedereen zichtbaar.
Iedereen kon Zijn woorden horen,
iedereen had de mogelijkheid om zich in geloof bij de Here Jezus aan te sluiten.
Nu staat Hij op een grens: het openbare optreden is voorbij.
Nu zal Hij zich terugtrekken
om in het verborgen Zich voor te bereiden op Zijn weg naar Golgotha.
De Here Jezus neemt afscheid.
Op dit moment van afscheid roept Hij voor de laatste keer
het volk op om Hem te gehoorzamen en te dienen.
Hij toont zich nog één keer als het licht.

Christus zegt van Zichzelf: Ik ben gekomen als een licht.
Maar niet zomaar als een licht,
als het licht, dat het duister verdrijft.
Het duister van het licht scheiden – dat was ook het eerste dat God deed bij de schepping.
Daarmee gaf de Here aan: Ik wil niet dat de wereld, die ik schep door het duister wordt bedreigd.
Want het duister is namelijk een bedreigende macht.
Het duister is in de Bijbel een wereld van chaos,
een wereld die het leven en die God niet kan verdragen.
Het is een van de meest ernstige woorden van de Bijbel,
omdat het duister ook kan staan voor een wereld die God niet wil,
die de Here het liefste buiten de deur houdt.
daarmee is het duister het tegenbeeld van het leven, van God.
Een wereld die angstvallig het licht buiten houdt

Christus zegt: Ik ben gekomen als een licht om het duister te verdrijven.
Op de grens van dit jaar en het volgende jaar, het moment waarop wij terug kijken
en voor onszelf de balans opmaken,
de geslaagde momenten scheiden van de minder geslaagde momenten,
de goede herinneringen scheiden van de herinneringen die ons dwars zitten
om die achter ons te laten,
is er Iemand die ook de balans over ons leven opmaakt,
meer nog die een scheiding maakt
een scheiding tussen licht en donker.
Alles wat wij hebben gedaan in het afgelopen jaar wordt aan deze scheiding onderworpen.
dat daarmee deze woorden een ernst krijgen, hoef ik u niet te vertellen.
Ik denk aan mijn bezigheden in het afgelopen jaar:
Als man en vader in ons gezin,
de momenten dat ik er was en de momenten dat ik er niet was.
als predikant van uw gemeente,
in de bezoeken die ik heb gedaan,
de preken die ik heb voorbereid en gehouden heb ik uw midden,
heb ik genoeg geluisterd naar de stem van de Here,
heb ik u wel de enige boodschap voorgehouden die u redding brengt?
als bewoner van dit dorp.
Heb ik mij niet mij teveel opgesloten in mijn eigen wereld
en de kansen die de Here mij bood laten verschieten?
Heeft, ondanks alle goede bedoelingen, de duisternis niet geregeld over mij en mijn werk geheerst?
Christus die scheiding brengt tussen licht en duisternis.
Terugdenkend aan het begin van het jaar,
toen wij startten met het gebed om de zegen van e Here over het jaar 2010,
heeft de Here toen iets voor ons achter gehouden?
In een avondlied dat ik onlangs tegenkwam, wordt gezongen en gebeden:

Mijn nederlagen komen.
Als geheel heb ik de dag ontvangen
Hij viel ons uit handen.
Aan die kan ik de scherven overgeven
als mijn hart mij alleen nog maar aanklaagt
?

Maar voor wij ons overgeven aan ons zelfbeklag,
Voor wij de balans voor God opmaken
en daarbij het risico lopen het duister wat te verdoezelen,
zo onschuldig was het niet,
Voor wij aan onszelf overgeleverd zijn
met de last van het verleden en niet in dat licht durven kijken,
roept Christus ons.
Voor wij op de grens van oud en nieuw onze Here tegen komen,
die ons op deze grens dreigend tegemoet treedt en ons met onze schuld en tekorten confronteert,
roept Hij over ons uit, dat Hij gekomen is als een licht.
Wij kunnen het duister niet uit ons leven verdrijven,
Dat doet Hij in ons leven.
Bij ons houdt de dag op om middernacht.
Ook ons jaar houdt vannacht om middernacht op.
Bij de schepping is dat anders.
De dag begint met de nacht en eindigt met het licht, de dag van Godswege gezonden.
Christus is gekomen om aan te kondigen dat het duister over ons leven
niet het laatste woord heeft.
Als de morgenster gaat Hij op in ons duister.
Hij roept een ieder tot Zijn licht.
Het is een oproep om niet in onszelf gekeerd te blijven,
niet alleen te blijven met onze last,
Maar een uitnodiging en bevel tegelijk.
Een uitnodiging omdat de Here ons niet wil dwingen
Een bevel, omdat Hij niet wil dat wij in het duister rond blijven lopen
De machten die tegen ons leven zijn en ons van het leven afhouden.
Een hartstochtelijke roep om ons leven aan Hem toe te vertrouwen.
Niet morgen, niet als goede voornemen.

Jezus roept hier niet degenen die reeds tot geloof gekomen zijn.

Niet die het leven in hem al gevonden hebben.
Dat zijn er trouwens niet zo veel op dat moment, de meesten hadden zich van Hem afgewend.
De Here Jezus zegt niet: als je gelooft, maak ik de drempel nog eens hoger.
Maar het is de laatste poging van de Here Jezus om Zijn volk nog eens te winnen.
Jullie beseffen niet wie ik ben en wat ik kom doen.
Ik kom jullie tot een nieuwe schepping maken.
Beseffen wat jullie mislopen?

Christian Möller vertelt over een doopbezoek.
Hij kwam bij de ouders thuis.
Vol trots liet de vader zien, welke levensloopregelingen de vader allemaal had geregeld.
Zijn dochter zou een onbezorgde jeugd kunnen hebben.
Er was al een heel plan opgesteld, zodat zijn dochter kon studeren.
Möller hoorde dat eens aan
na een tijdje vroeg hij aan de man:
is het wel verstandig om je kind te laten dopen?
De man, verbaasd: hoezo?
Als je je kind laat dopen krijg je de hemelse Vader erbij als concurrent.
De man hield verbluft zijn mond.
Daarop begon de vrouw te spreken: Wilt u asltublieft ons kind dopen.
Dit is een voorbeeld van hoe mensen teruggekomen worden.
Hoe er goed gekeken is naar de werkwijze van de Here Jezus.
Want deze man had niet alleen voor zijn kind een keurslijf klaarliggen,
hij had ook nog eens buiten de zorg van de hemele Vader gerekend.
Alsof alleen hij als vader voorzijn kind zou zorgen.
Alsof er geen Vader in de hemel is.

De roep van de Here Jezus ontregeld onze vanzelfsprekende zekerheden.
Hij komt in ons leven – liefdevol en vragend.
Ik bied je het leven aan.
Ik verdrijf het duister (dat jij alleen degene bent die voor je kind kunt zorgen, want als het eigen wegen kiest, wat dan?)

Heel het werk van de Here Jezus dreigt op een mislukking uit te lopen.
Slechts een handjevol mensen heeft Hij gewonnen.
Die hebben ontdekt dat in Hem het leven.
Zo heeft Hij tijdens Zijn rondwandeling op aarde voortdurend hartstochtelijk
geworven om het hart en het leven van Zijn volk.
Wijs het leven niet af, want dan blijf je in de duisternis.
Wat komt er dan van je terecht?

Maar zover is het nog niet.
Jezus is gekomen als licht om het duister te verdrijven.
Zodat wij niet onder het oordeel vallen.
Hij is gekomen om ons uit het duister mee te nemen naar het licht.

Mijn vader is leraar op een school.
Aardrijkskunde gaf hij.
Ik heb een jaar bij hem in de klas gezeten.
Aardrijkskunde is niet voor iedereen het meest boeiende vak.
Het gebeurde wel eens dat iemand niet zat op te letten,
aan het knikkenbollen was.
Hij pakte dan een krijtje of een schoolborstel
en met een mooie boog wierp hij het precies op het tafeltje van degene die zat te slapen.
Diegene schrok natuurlijk wakker.
Hij deed dat natuurlijk niet omdat hij beledigd was, dat er iemand in zijn les in slaap viel.
Hij deed dat om degene die zat te knikkenbollen
bij de les te roepen.
Want met een overhoring zou hij of zij bepaalde informatie niet meer weten.

Hij roept ons tot Zijn licht,
zoals een herder een schaap roept dat te ver is afgedwaald.
Ga niet alleen door het leven, die last is u te zwaar.
Als we dat tegen elkaar zouden zeggen, zouden we het dan geloven?
Wellicht omdat het een lied is dat ons bekend is.
Daarom klinkt hier de stem van de goede Herder.
Aan Hem kunnen wij toch niet voorbij gaan?
Als Hij tegen ons zegt: Ga niet alleen door het leven.

Jezus geeft als waarschuwing aan Zijn woorden ook een ernst mee.
Nog ben ik niet gekomen met Mijn oordeel.
Nog steeds klinkt de genadige oproep
Om Zijn licht over ons leven te laten schijnen.
Ik treed u nodigend tegemoet.
Laat Mij in je leven zijn.
Want anders sta je er alleen voor.
Maar daarom ben ik niet gekomen
om je er alleen voor te laten staan.
Dan zijn wij alleen maar bezig met: of onze last
Of wij maken de last voor ons een beetje dragelijk maar houden ons voor de gek.

Vandaag werkt God nog.
Vandaag roept Hij ons tot Zijn dienst.
Vandaag houdt Hij ons het leven voor.

Zalig bent u, als u geroepen bent.
Als de Here ook over uw leven schijnt.
Herscheppend om ons Zijn heerlijkheid over ons te laten opgaan.
Dan mogen wij weten:
Ook over het afgelopen jaar heeft de duisternis niet het laatste woord.
Dat wordt ons verkondigd door onze Heiland zelf.
In Christus gaat de zon van Gods genade gaat over ons op.
Vlucht niet in het duister weg!
Amen

ds. C. Neele – Uit de schaduw (Boekbespreking)

ds. C. Neele – Uit de schaduw. Onbekende Bijbelse personen belicht (Boekbespreking)

Een preek lezen uit een andere stroming in de kerk is niet altijd even gemakkelijk. De weerstand en het vooroordeel kunnen er al zijn, voordat het boek ter hand genomen wordt. Toch kan ik het lezen van preken uit een andere stroming aanbevelenswaardig. Door het lezen van een preek kan men in aanraking komen met de geloofsbeleving binnen een ander kerkgenootschap. Voor de onderlinge verhoudingen en de oecumene is het opbouwend.

De Heidelberger praktische theoloog Christian Möller voerde een experiment uit. Hij deelde aan zijn studenten een preek uit van een moderne dominee en een heel behoudende dominee en liet zijn studenten deze preek lezen en bekritiseren. De studenten die een moderne inslag hadden, werden geboeid door de moderne dominee en hadden forse kritiek op de behoudende dominee. De behoudende studenten konden de fouten van de moderne dominee moeiteloos aangeven en vonden de behoudende preek erg mooi. Aan het einde van de discussie gaf Möller te kennen dat hij de beide preken had geschreven. Hij liet hen op die manier zien dat zij de preek bevooroordeeld lazen.
Het zou aardig zijn om dat met deze bundel ook eens uit te proberen. Vanuit mijn christelijk-gereformeerde opvoeding heb ik enkele vooroordelen over de Gereformeerde Gemeenten meegekregen. De prediking zou daar niet zo ruim zijn. Dat vooroordeel is tijdens het lezen van deze preken weggenomen. Wanneer er een preek van deze predikant gelezen zouden worden in de Christelijke Gereformeerde Kerken onder een andere naam (en dan bedoel ik niet een Bewaar-het-Pand-dominee) zouden de meeste luisteraars niets gemerkt hebben. De prekenbundel relativeert de inhoudelijke verschillen in de prediking. Vooral het slot van de preken bevatten mooie passages.

Door het lezen van preken uit een andere traditie wordt ook de spiegel voor gehouden. Het is gemakkelijker  om te zien, waar homiletische fouten gemaakt worden. Dat maakt bescheiden. Want die fouten maakt iedereen. Die zijn niet beperkt tot een stroming. Hooguit zorgt een stroming ervoor dat een predikant sneller in bepaalde valkuilen valt.
De preken zijn opgebouwd uit een herkenbare structuur: drie punten met in elk onderdeel van de preek een toepassing. De toepassingen gebeuren vaak ook op dezelfde manier. In de eerste twee punten wordt het Bijbelverhaal bepreekt als een voorbeeldverhaal.  De preek begint met een uitgebreide beschrijving van de tijd waarin de geschiedenis zich afspeelt. Wat er in de Bijbelse geschiedenis vermeld wordt, is een positief of negatief voorbeeld voor ons. De laatste toepassing is een vergelijking met het (verzoenend) werk van Christus.
Deze opzet heeft enkele nadelen. De preken krijgen een voorspelbaar karakter: schets van de tijd – wat het voor ons betekent – christologische toepassing. Bovendien past niet elke tekst in dit schema. De gebeurtenis van Rizpa is zo’n tekst volgens mij. Zeker bij de christologische toepassing heb ik mijn vragen. Ik zou het zelf in ieder geval zo niet doen. In de preek gaat het over de bloedschuld van Saul. Deze bloedschuld wordt veralgemeniseerd tot bloedschuld van ons allemaal. Op die manier wordt m.i. de tekst niet rechtgedaan. Ook de christologische uitleg wordt problematisch. In het gedeelte over de schuld van Saul wordt gezegd, dat de Heere dat alleen kan vergeven als Hij bloed ziet. Wanneer ds. Neele direct daarna over het verzoenend bloed van Christus spreekt, wekt hij de suggestie dat de Heere ook hier alleen kan vergeven nadat Hij bloed heeft gezien.
De preek start steeds in de schets van de Bijbelse tijd. Aan de ene kant is dat bewonderingswaardig: er is nog een cultuur waarin dat kan. Waarin er tijd en ruimte is om naar de Bijbel te luisteren. Ook naar de ernstige kanten, die het evangelie heeft. Met alle kritiek die er op de Gereformeerde Gemeenten kan zijn, moeten we dat ook constateren! De bereidheid om ook de ernst ter harte te nemen. Die ernst is in andere stromingen wel eens ondergesneeuwd.

Tegelijkertijd staat het gebeuren vaak op een afstand. De predikant moet de Bijbelse geschiedenis wel behandelen als een voorbeeldverhaal. De kloof tussen toen en nu wordt anders te groot. Het gevaar van de Bijbelse geschiedenis gebruiken als voorbeeld voor ons dagelijks leven heeft ook een gevaar. De toepassing kan ook moralistisch worden. Dan komt de mens teveel centraal te staan. En komt het handelen van God in de schaduw te staan van het menselijk handelen. Wellicht is dat bewust bedoeld om te laten zien dat wij als mensen het uiteindelijk niet kunnen vanuit onszelf.  In de preek over de Micha, de man uit het bergland van Efraïm krijgt de eerste toepassing enige onpastorale trekken. Vanuit de -terechte- ernst, dat  geloofsafval in één generatie kan optreden, laat hij het bij de toepassing:  “We mogen er wel van schrikken, en onderzoeken hoe dat bij ons is.” Dan denk ik: ook in de Gereformeerde Gemeenten zijn er ouders van wie de kinderen met het geloof hebben gebroken. Wat krijgen die hier te horen? Veronderstelt de predikant nu dat ouders het kind het geloof kunnen schenken of wil hij de gemeente waarschuwen voor de noodzaak van een liefdevolle en ernstige geloofsopvoeding? Ik vermoed het laatste.
Tot slot: een ander vooroordeel is ook weggenomen. Ik had altijd het beeld dat preken uit de Gereformeerde Gemeenten archaïsch zijn wat taalgebruik betreft. Dat is in deze prekenbundel niet het geval. Alleen in de Bijbelse citaten zijn archaïsch door het gebruik van de Statenvertaling. Wanneer deze preken op een intieme en rustige manier worden voorgedragen – als een liefdevolle dienst aan de Heere – zal de gemeente deze preken goed kunnen volgen.

N.a.v.  ds. C. Neele, Uit de schaduw. Onbekende Bijbelse personen belicht. Uitgeverij De Banier. ISBN: 978 90 336 0682 3. € 15,50

Deze prekenbundel gelezen vanwege een recensie voor Maandblad Réveil

Preek over Genesis 16 (voorbereiding Heilig Avondmaal)

Preek over Genesis 16 (voorbereiding Heilig Avondmaal)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1)  Het leed van Saraï
Het leven van Abram en Saraï is nog niet af. Aan hun leven ontbreekt nog iets belangrijks: Saraï heeft nog geen kind gekregen.
Iemand die geen kinderen heeft gekregen daar op hoge leeftijd nog verdriet over hebben. Een verlangen naar een kind – dat verlangen werd niet vervuld. Dat onvervulde verlangen is een lege plaats, een gemis. Het verdriet is een vorm van rouwen: afscheid nemen. Afscheid nemen  van een leven waarnaar iemand zo verlangd kan hebben en dat niet kwam. Terwijl de omstandigheden verder goed waren, is er toch dat verdriet.
Anderen zouden wellicht wensen dat ze iets van de rijkdom van Saraï mochten hebben. Rijkdom kan het verdriet niet wegnemen. Ze mogen dan rijk zijn: aan wie moeten ze hun bezittingen doorgeven?

Voor Saraï was het nog extra pijnlijk: want kinderen was haar taak, zogezegd. Wanneer een vrouw geen kinderen had gebaard, werd het haar aangerekend. ‘Saraï, de onvruchtbare’ – zo zullen de mensen haar wellicht hebben genoemd.  Ze zal gevoeld hebben hoe mensen op een bepaalde manier naar haar gekeken hebben. O ja, de vrouw die geen kinderen kon krijgen. Ze zal het uit de ogen van de mensen hebben kunnen lezen: Die Abram, dat zijn vrouw geen kinderen kan krijgen. Meewarige blikken soms; misschien soms wel de scherpe opmerkingen als er iets voorviel: ‘Zeker geen ervaring met kinderen.’

De mensen zullen ook wel verder hebben gedacht: ‘Hoe komt het dat zij geen kind gekregen heeft? Waarom liet God dat niet toe?’ Zo’n vraag wordt al heel snel: ‘Wat heeft iemand gedaan? Wat heeft iemand misdaan?’
Saraï zal die gedachten ook hebben overgenomen. Want zo gaat dat toch, dat wat je in de ogen van anderen leest, dat je dat ook overneemt. Dat je over jezelf gelooft, dat het ook zo is.
Op een dag zegt ze het ook tegen Abram, haar man: ‘De Here heeft het me niet vergund. De Here heeft het me niet vergund om een kind te dragen, te baren.’
Is het verdriet? Is het teleurstelling? Is het pijn? Is het berusting?  Het verdriet dat Saraï met zich meedraagt, dat haar zo eigen geworden is, wordt nog eens versterkt. Niet alleen pijn, niet alleen schande. Het slaat ook nog eens terug op God. De Here heeft het niet vergund. Dat is de conclusie van het wachten op een zoon voor haar man. Ze twijfelt niet aan de Here, maar aan zichzelf. Want de Here had een zoon beloofd aan Abram.  Na al die jaren van wachten komt ze tot de conclusie: als de Here dat aan Abram beloofd heeft, ben ik niet de juiste vrouw voor Abram. Ik ben niet de juiste man.
Hij zal uit mij geen zoon ontvangen.

(2) De oplossing van Saraï
Maar op die manier blijven Gods beloften onvervuld. Er moet iets gedaan worden, zodat Gods beloften in vervulling gaan. Er moet gehandeld worden; anders komt van het werk van de Here niets meer terecht. Hoe moeilijk ook te accepteren, ze besluit om een pas op de plaats te maken.
Ze stelt het haar man voor: ‘Neem Hagar erbij als je vrouw. Zij moet mijn plaats innemen.
Haar zoon zal echter wel als mijn zoon gerekend worden. Op die manier zal mijn schande van mij afgenomen worden.’
Voelt u hoe diep de pijn van Saraï zit. Dat wachten tot Gods beloften zijn vervuld, dat kan ze niet meer dragen. Ze is tot heel veel bereid om haar verlangen vervuld te krijgen. Ze twijfelt niet aan de Here, maar aan zichzelf.

Hoe begrijpelijk haar pijn en verdriet ook zijn, wat er gebeurt is: Zij gaat voor de Here denken.
Gods beloften kunnen niet onvervuld blijven,  dus moeten wij naar wegen op zoek om Gods beloften tot vervulling laten komen. Haar pijn is zo groot, dat ze vergeet dat ze dat als mens niet kan. Hoe kunnen wij Gods beloften laten uitkomen? Ze vergeet ook dat ze God niet is. Zijkan niet overzien wat er gaat gebeuren. Zij kan niet, zoals de HERE wel kan, het verloop van alles overzien. Dat is de les voor ons.
Hoe vaak willen wij niet voor God denken: Here als u nou eens dit deed… in ons eigen leven, of in de kerk. We stippelen dan uit, hoe God het beste kan handelen. Maar daarbij vergeten we één ding:
we vergeten dat God ons opgedragen heeft om te verwachten. Wij willen vaak resultaat zien, maar dat is niet het resultaat wat de Here ons wil leren.

We willen als het goed is allemaal groeien in geloof – toch? Groei in het geloof is vooral groeien in het kunnen afwachten. Groeien in de acceptatie dat wij het niet kunnen. En ook niet hoeven te doen, omdat God het zelf doet. De Here heeft niet aan ons gevraagd om Zijn beloften in vervulling te brengen.
Dat klinkt als een harde boodschap, als iets wat we niet gemakkelijk accepteren. Maar net als Saraï kunnen wij het geheel niet overzien. Wij kunnen de omstandigheden niet overzien.
Saraï heeft bijvoorbeeld over het hoofd gezien, wat Hagar gaat doen. Ze heeft er in ieder geval niet op gerekend wat Hagar gaat doen.
Wat Saraï had bedacht, dat past helemaal in de regels van die tijd. Alleen wat Saraï niet bedenkt, is dat God geen mensen gebruikt. De Here schakelt mensen in, maar Hij gebruikt ze niet. Hij spant ons niet voor Zijn karretje. Hier komt iets van het oude leven van Saraï de kop op steken, dat Babelse leven: mensen zijn er voor jou – om gebruikt te worden om jouw doel te bereiken. Zo werkt de God van Abraham, Izaäk en Jakob echter niet.

(3) Het verzet van Hagar
Ook Hagar is er niet van gediend, van wat Saraï bedacht heeft. In haar ogen bekokstoofd. Want zij wordt gebruikt. Zij is slechts slavin. Zij moet het plan van Saraï vervullen. De plaats van Saraï innemen.
Als ze zwanger is, voelt ze zich groeien. Ze is geen ondergeschikte, maar gelijk aan Saraï.  Vanaf dat moment is het gedaan met de rust in huize Abram. Saraï dacht dat zij zomaar even over het lichaam van haar slavin kon beschikken. De slavin schik zich niet in haar rol.
Dat conflict is echter terug te voeren op dat besluit van Saraï: om het heft zelf in handen te nemen.
Eén daad kan verstrekkende gevolgen hebben. Het  verlangen van Saraï is zo sterk geworden, dat het ten koste gaat van Hagar. En van haarzelf.
Nogmaals: dat verlangen is begrijpelijk. Dat afwachten, dat wachten op de Here, is niet gemakkelijk. Dat zien we op tal van plaatsen in de Bijbel. De Here laat ons wachten om ons te oefenen in het wachten, om ons te leren het uit handen te geven, om het niet zelf te doen.
De gevolgen zijn groot. De verhoudingen in het gezin raken verstoord. Hagar komt in opstand. In haar welt de trots op. Ze is niet meer slechts een slavin, nee zij draagt de opvolger. Het kind dat geboren moest worden, moest voor Saraï de eer zijn, Saraï gelukkig maken. Dat laat Hagar niet toe. Zij wil niet dat Saraï ten koste van haar gelukkig wordt. De trots in haar groeit. Zij neemt Saraï’s plaats over. Dat gaat zo niet langer.

 Er moet partij gekozen worden. Op hoge poten komt Saraï bij haar man: ‘Weet je wel wat je gedaan hebt bij Hagar? Doe er wat aan.’
Maar wat kan Abram? Hij heeft zelf het plan van Saraï ten uitvoer gebracht. En als hij iets doet, wat gebeurt er dan met zijn zoon? Hij kan zijn zoon toch niet zomaar laten gaan? Hij legt de bal terug bij zijn vrouw. Die verantwoordelijkheid wil hij niet dragen: ‘Doe jij zelf er maar iets aan.  Je mag doen wat je wilt.’ Hij schuift zijn eigen verantwoordelijkheid van zich af.
Zo ontstaat er in dit gezin een patroon dat de verkeerde kant op gaat.

Als er éénmaal een spoor is in geslagen, dan is er geen weg terug. Saraï moet de fout herstellen die ze bezig, door in te grijpen. Ze moet haar eigen inschattingsfouten herstellen.
Saraï grijpt hard in de orde weer gehandhaafd te krijgen: ze vernedert Hagar. Iemand anders vernederen doe je alleen als je geen grip meer hebt op de situatie. Het is een allerlaatste poging om weer de regie terug te krijgen.  En waarschijnlijk ook om haar verdriet en haar pijn af te reageren. Een reactie die alle perken te buiten gaat. Hagar mag er niet meer zijn. Saraï laat haar eigen plan mislukken. Deze verwijdering, dit elkaar pijn doen, dat langs elkaar heen leven – dat heeft die ene oorzaak: Saraï wil de beloften van de HERE uit laten komen. En dat is het resultaat: een uit elkaar gespatte familie:
 – Saraï, een verbitterde vrouw die al haar frustraties afreageert.
– Een slavin die gebruikt is, maar die desondanks haar trots heeft en niet wil buigen en haar kans grijpt om haar eigen positie veilig te stellen. Als ze vernedert wordt, vlucht ze weg. Terug naar Egypte.
– Abram, betrokken maar die zijn verantwoordelijkheid niet wil nemen; het gaat tenslotte ook om zijn toekomst.
En dan te bedenken dat het hier om een familie gaat die door de Here is uitgekozen. Uitgekozen is om anders te zijn. Anders dan de wereld, anders dan Babel. En waar Saraï dacht het plan van God te kunnen vervullen, daar lijkt de vervulling verder weg dan ooit. Hoe moet de HERE dit tot een goed einde brengen? Deze chaos die door mensen is aangericht?

(4) De HERE
Waar is de HERE zelf? De HERE grijpt op een verrassende manier in. En dat viel mij op, omdat we op deze zondag ook gaan voorbereiden op het Heilig Avondmaal. Want wat doet de HERE? Hij herstelt de verhoudingen. Niet op de manier waarop Abram dat doet, maar op een manier die alleen bij Hem past. Hij baant nieuwe wegen, waardoor Saraï, Hagar en Abram weer in vrede met elkaar kunnen leven: Verzoening.
Dat vieren we ook aan de avondmaalstafel: verzoening. Verzoening met God en met elkaar. Die beide kanten zijn nodig. Als de onderlinge verhoudingen verstoort zijn, wordt ook onze relatie met God verstoord. Het belemmert onze relatie met God. We nemen het mee in ons gebed. Vergeef ons onze schulden. Ja dat willen we wel.  Dat al onze fouten uitgewist worden. En dat geloven we toch ook, dat dat kan door de HERE Jezus? Doordat Hij Zijn leven gaf, Zijn bloed uitstortte, onze schuld droeg.
Alleen dat andere: zoals ook wij vergeven onze schuldenaren. Hebt u dat wel eens gedaan? En als we kijken naar Hagar, Saraï en Abram: wie moet wie vergeven? Alleen door verzoening kunnen deze drie mensen verder.
Alleen verzoening is niet gemakkelijk. En dat is wat God komt doen. Als het gaat om vergeving slaan wij echter vaak één stap over. Vergeving willen we wel graag ontvangen. Soms kan de last ook te zwaar zijn van wat we elkaar aandoen. Weten we niet hoe dat moet: elkaar toegeven dat we elkaar pijn hebben gedaan. Of voelen we nog steeds wat die ander ons heeft aangedaan – waardoor wij niet kunnen vergeven.
 Een patstelling – hoe moet het verder? Hoe kan onze onderlinge relatie weer hersteld worden? Hoe kunnen we weer bij elkaar komen? En wie neemt de last van ons af, de last die wij naar God toe hebben. Misschien heel onbewust?

(5) Genoegdoening
Moet u eens kijken in dit verhaal hoe dat gebeurd. Een bijzondere manier, zoals alleen de HERE doet.
Hij zoekt Hagar op.  Hij stuurt een bode naar Hagar toe. Hagar die haast weer terug is in Egypte. Die bode roept haar terug. Die bode, de engel die namens de HERE komt, spreekt Hagar aan op haar verantwoordelijkheid. ‘Hagar, wat doe je hier? Waar kom je vandaan? Waar ga je naar toe?’  Tegenover die bode van de HERE is ze eerlijk: ze is op de vlucht. Dan zegt de engel tegen haar: Ga weer terug. Neem je plaats onder Saraï weer in.
Als je dat voor het eerst leest, dan denk je: Hè? Wat doet de HERE hier?  Stuurt Hij Hagar zomaar weer terug onder het harde regime van Saraï?
Nee, de Here geeft Hagar iets mee, waardoor ze het kan volhouden:  Dat de HERE niet alleen Abram en Saraï gedenkt, maar ook haar. Dat Hij ook voor haar een zegen heeft. Dat haar zoon ook belangrijk wordt. Zij is geen verschoppeling. Zijn kinderen mogen zich bezondigd hebben aan haar, de Here laat haar niet vallen. Hij herstelt de fouten die Abram en Saraï hebben gemaakt.
De HERE heeft het gezien, wat er is gebeurd. Zo is onze HERE. Wat ons overkomt – de HERE blijft er niet onverschillig onder! De HERE ziet het! Mijn oog zal op u zijn. Dat is onze troost, als wij te maken hebben met die ander. De HERE geeft aan Hagar een naam voor haar zoon. Een naam die haast een provocatie is voor Abram en Saraï. Die Abram en Saraï weer op een plek zet en er ook weer doet herinneren dat de HERE zijn beloften vervuld en niet een mens.
De HERE hoort. Hij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen. Dàt is het avondmaal. Dat de HERE onze nood heeft gezien en daardoor kunnen wij volhouden. Dat de HERE naar ons toekomt, zoals Hij ook naar Hagar toekomt. Dat vieren we aan die tafel.
Dat het avondmaal net zo’n bron wordt als de put bij Hagar: tastbaar bewijs dat de HERE naar ons omziet. Dat Hij ons recht doet.

Er zit ook een andere kant aan. Als de HERE ons recht doet, als Hij ons uitnodigt aan Zijn tafel, doet Hij dat ook met die ander. Die ander die voor je gevoel zo op je neer kan kijken. En dan zit je aan de tafel…
We vieren verzoening. Met God. Maar we zitten daar niet alleen. Avondmaal is geen onderonsje. We vieren dat in een gemeenschap – met elkaar . God vergeeft onze fouten, maar ook die van de ander. Dat vieren we aan de tafel. Dat Christus ons broeder en zuster maakt. Niet door te pijn te negeren. Maar door een familiediner te organiseren, waar Christus zelf de gastheer is. Dat je zelf gaat, maar die ander…
Dat is het koninkrijk van God, dat je afleert: Gelukkig ben ik niet als die. Of: die ander is zou lauw. Of Here, eerst moet hij de eerste stap zetten. De Here nodigt ons uit. Terwijl wij Zijn regie overnamen en dachten dat Hij niets deed. Dat we het beter zelf konden doen, beter dan de HERE.
De Here ziet het, maar Hij ziet ook naar ons om. En nodigt ons om bij Hem te komen. Gelijk ook Hij vergeeft onze schulden. Gelijk ook Hij vergeeft die ons iets schuldig zijn. Die vergeving geldt ook voor de ander.
Dat is het heel wat. Dat zouden wij niet kunnen bedenken… Dat vieren we tijdens het Heilig Avondmaal: dat Hij een nieuwe weg baant, naar de Vader, naar elkaar.
Amends. M.J. Schuurman

 

De kerkdienst als multiculturele gebeurtenis

De kerkdienst als multiculturele gebeurtenis
Albrecht Grözinger over de prediking in een pluralistische maatschappij (2)

Wat kan de kerkdienst betekenen in een multireligieuze maatschappij? In zijn essay over de betekenis van de prediking komt Albrecht te spreken over de eredienst. De preek krijgt immers gestalte in een kerkdienst. In deze multiculturele samenleving is het goed om te bedenken dat de kerkdienst is door invloed uit verschillende culturen.

Het is niet vanzelfsprekend om de kerkdienst als een culturele gebeurtenis te zien. In de twintigste eeuw lag de nadruk op het gegeven dat de kerkdienst vooral haaks staat op de cultuur. Vanaf het begin is de christelijke eredienst ontstaan vanuit verschillende culturen.
De liturgische modewoorden van dit moment benadrukken niet het verschil van eredienst en maatschappij, maar in de overeenkomst: ritueel en enscenering. De ars liturgica is daarom de hoge kunst van syncretistische vormgeving.
In de multiculturele samenleving zijn rituelen en symbolen belangrijker geworden, omdat rituelen en symbolen helpen bij de vorming van identiteit. In een plurale samenleving is het juist ingewikkeld om een oriëntatie voor je leven te vinden. De eigen identiteit moet uitgevonden worden. In een risico-samenleving (Ulrich Beck) is ook de eigen levensweg een riskante onderneming. Rituelen en symbolen kunnen helpen bij overgangen en grenzen.
De eredienst is in de multiculturele samenleving een ritueel dat steeds meer verbleekt. De eigenheid van de eredienst kan wel worden herwonnen door:
* de eredienst te zien als ontmoeting met het heilige.
* de eredienst te zien als herinnering aan de Gottesgeschichte (God Story)
* de eredienst als actualisering van de Heilige Schrift.

Ontmoeting met het heilige
Manfred Josuttis heeft met zijn godsdienstfenomenologische wending het nadenken over het heilige weer ingevoerd. Zijn concept is kritisch ontvangen:
(1) Men vindt het heilige te vaag voor de God van de Bijbel. Volgens Grözinger klopt dit gedeeltelijk, want God heeft een Naam. De Here presenteert zich echter ook als de heilige God.
(2) Het begrip mist theologische correctheid. Volgens Grözinger ontnemen theologisch correcte begrippen vaak het zicht op de werkelijkheid.
Het heilige geeft het hedendaagse levensgevoel met betrekking tot religie goed weer: men is niet expliciet religieus, maar voelt zich zowel aangetrokken (fascinosum) als zeer onder de indruk (tremendum).

De hedendaagse eredienst richt zich vaak echter alleen op de aantrekkingskracht en vergeet de heimelijkheid. Daardoor wordt de kerkdienst vaak gekenmerkt door kleinburgerlijkheid. Het heilige is niet zo nabij dat het mij op de schouder klopt, maar geeft mij ook de ervaring van afstand en vreemdheid.
Als voorbeeld hiervan geeft Grözinger het gesprek weer met zijn kapper, toen hij zich vlak voor Kerst liet knippen. De kapper ging alleen naar de kerstnachtdienst. Dan moest hij het gevoel krijgen dat onze lieve Heer naast hem in de bank zat. ‘Hoe zou je daarop reageren?’ vroeg Grözinger nieuwsgierig. Zijn antwoord: ‘Ik zou me wild schrikken!’
Vandaag de dag is er behoefte aan ‘kardinale discretie’ met betrekking tot het heilige: heilig ontzag, het naderen met vrees en beven.

Rituele herinnering aan Gods geschiedenis
In de Schrift is de heilige een Persoon met een naam. Het ervaringsspoor van God in Jezus Christus moet merkbaar zijn in de eredienst. Enscenering van dit ervaringsspoor is daarom noodzakelijk. Maar nog meer de theologische reflectie op dit ervaringsspoor.
In de theologie wordt binnen de triniteitsleer (de leer over de drie-enige God) op deze geschiedenis gereflecteerd. De triniteitsleer verwoordt de veelvoud van de geschiedenis van God (God Story, Gottesgeschichte) in Oude en Nieuwe Testament. In de triniteitsleer gaat het om die levende geschiedenis. Het gaat om de trouw en betrouwbaarheid van God in zijn omgang met mensen. Deze leer verzandt echter vaak in speculatie.
In de eredienst wordt de triniteitsleer in rituelen vormgegeven. Vandaar de noodzaak tot enscenering. In elke kerkdienst gaat het om Gods handelen in de schepping, in zijn uitverkiezing van Israël (de triniteitsleer is bewust anti-marcionitisch), in Jezus Christus tot verlossing van schepping en mensheid.
De triniteitsleer biedt volgens Grözinger een goede basis voor de betekenis van de kerkdienst in onze plurale samenleving.
In deze samenleving hebben mensen vaak alleen via-via een indruk van een kerkdienst. In films ligt er vaak de nadruk op dat een kerkdienst iets van het verleden is. De eredienst is daarom van belang: het gaat om de actuele, levende geschiedenis van God. Het christendom is nog niet voorbij. Ook een kerkdienst is niet doods gebeuren, zoals het Latijn een dode taal is, maar wordt volop gepraktiseerd en volop doorontwikkeld.

Actualisatie van de Heilige Schrift
De verdere ontwikkeling van de eredienst  gebeurt binnen het protestantisme door de actualisering van de Schrift. In binding aan de Schrift ontstaat vrijheid voor verdere doordenking en ontwikkeling.
In de protestantse traditie is God zelf aan het woord in de verkondiging. Het gesproken woord is daarom het meest passend voor het woord van God. Voor de reformator Martin Luther gaat het in de preek om een actueel en publiekelijk woord van God:
* actueel: het woord gebeurt steeds weer opnieuw en wordt steeds weer opnieuw waargenomen.
* publiekelijk: het gaat niet om een privé-openbaring of een mysterieus gebeuren.
In de prediking gaat het dan om de actualisering van dit woord van God. Deze actualisering is door de nauwe binding tussen Godswoord en mensenwoord nooit zonder risico’s. Deze actualisering vindt plaats door middel van enscenering.
Dit woord enscenering (een woord uit de wereld van film en toneel) betekent: het materiaal is van een ander (het woord van God is van God), maar in de publieke vertoning heeft de uitvoerder een eigen verantwoordelijkheid (de prediker die de preek houdt). De liturg heeft dus oefening in enscenering nodig om de geschiedenis van God in de prediking en liturgie te kunnen ensceneren. Net als een interpretatie van een kunstwerk of de uitvoering van een muziekstuk is de opvoering van de God Story in de preek open.
Bij een enscenering is nagedacht hoe het ‘verhaal’ in een toneelstuk of een film het beste kan worden weergegeven. Een goede regisseur is in staat om een indruk achter te laten bij de luisteraar of kijker, al heeft hij het niet in eigen hand. Een bezoeker gaat naar huis met de ervaring dat er iets met hem gebeurde. Die analogie bedoelt Grözinger als hij de kerkdienst een gebeurtenis noemt. Door de opvoering van de geschiedenis van God gaat de luisteraar met een indruk naar huis. Er gebeurde iets, maar de prediker had dat niet in eigen hand

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. ALBRECHT GRÖZINGER, Toleranz und Leidenschaft. Über das Predigen in einer pluralistische Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2004) p. 37-57.

 

 

 
 
 
 

 

De preek als open kunstwerk

De preek als open kunstwerk
Albrecht Grözinger over de prediking in een pluralistische maatschappij (1)

Wat kan de prediking betekenen in een multireligieuze maatschappij? En hoe kun je dat als predikant aanpakken? Over deze vragen schreef de praktisch-theoloog Albrecht Grözinger in 2004 een uitgebreid essay: Tolerantie en hartstocht. Over de prediking in een pluralistische maatschappij.

Aan het begin van zijn essay signaleert Grözinger dat predikanten weinig vertrouwen hebben in de prediking. Tegelijkertijd merkt hij dat predikanten op zoek zijn naar de betekenis van de prediking in de hedendaagse samenleving. Om predikanten te helpen bij die zoektocht schreef Grözinger zijn boek.
Wie zich vandaag de dag wijdt aan de prediking dient afscheid te nemen van veel vanzelfsprekendheden. Het homiletische landschap is fundamenteel veranderd. De pluraliteit van onze samenleving kan niet meer ongedaan gemaakt worden. Aan de andere kant dient een prediker zich ook bewust te zijn van de hedendaagse gevaren en de oppervlakkigheden. Daarvoor is moed en vertrouwen nodig.
De huidige tijd wordt ook wel getypeerd als postmoderniteit. Grözinger vindt dat de postmoderniteit een positieve ontwikkeling is die veel nieuwe kansen en ruimten biedt voor de prediking. Om die kansen te laten zien, voert Grözinger een postmodern begrip in: het kwetsbare denken.
Dit begrip is afkomstig van de filosoof Gianni Vattimo. Het kwetsbare denken staat sceptisch tegenover ontologische claims en aannames. Wie op een kwetsbare manier denkt gaat niet uit van vast uitgangspunt, maar heeft een beweeglijke manier van denken. Interpretaties zijn principieel onaf. Een interpretatie is geen definitieve visie, maar opent een nieuw perspectief. Waarheid is geen bezit, maar wordt steeds weer opnieuw ontdekt.
Een essay is daarom bij uitstek geschikt om na te denken over de rol van de prediking in de postmoderniteit.

Als een kunstwerk
Als praktisch-theoloog heeft Grözinger veel nagedacht over het waarnemen (esthetiek). Volgens hem kan een preek op dezelfde manier worden waargenomen als een kunstwerk.
Tegenwoordig wordt een kunstwerk gezien als een autonoom object. Dat houdt in dat een kunstwerk niet hoeft te verwijzen naar een realiteit, maar zelf een werkelijk creëert. Een kunstwerk bevat niet een enkele boodschap, maar roept verhalen (story, Geschichte) op. Daarvoor bevat een kunstwerk bepaalde symbolen en codes. Die codes en symbolen vormen een eigen taal. Op basis van die codes, symbolen en taal ontvouwt een kunstwerk zijn werking.
Een kunstwerk is kwetsbaar. Doordat de gebruikte codes, symbolen en taal meerduidig zijn, kan iedereen zijn eigen verhaal ervan maken. Een kunstwerk is principieel open voor meerdere interpretaties. De definitieve interpretatie bestaat niet. Het kunstwerk ontvouwt zich voor wie zich openstelt voor (de werking van) het kunstwerk.
Wat voor een kunstwerk geldt, geldt ook voor de preek. Ook de preek is open voor meerdere interpretatie. Dat komt door de gebruikte codes, symbolen en taal. Hierdoor ontvouwt een preek zijn werking voorde luisteraar. Een preek verwijst wel naar de werkelijkheid: de werkelijkheid van God.
Toch is ook de preek autonoom. In een preek gaat het om wat de hoorder oppikt en niet wat de prediker eigenlijk bedoelde. Het effect van een preek kan niet afgedwongen worden. Een preek is vooral bedoeld als een uitnodiging om in de wereld van de preek binnen te stappen.

De impliciete luisteraar
De gemeente die bij elkaar komt, bestaat uit een gemengd publiek. Het open karakter van de preek doet recht aan de verscheidenheid van de gemeente en biedt voor al die verscheidene aanwezigen de mogelijkheid om de wereld van de preek binnen te stappen.
Als de preek vergelijkbaar is met een kunstwerk, kan men ook de preek als een kunstwerk bestuderen en analyseren. Net zoals Rudolf Bohren dat deed in zijn indrukwekkende Predigtlehre (1971), ontleent Grözinger inzichten aan de literatuurwetenschap. In de literatuurwetenschap is er sprake van de impliciete lezer.
Elk boek creëert zijn eigen lezer(s). Een schrijver heeft zijn boek voor deze lezer(s) geschreven. Volgens Grözinger is het een uitdaging om deze gedachte homiletisch (d.w.z. met het oog op de prediking) te doordenken: Is er een impliciete luisteraar? Welke luisteraar had de prediker op het oog toen hij deze preek voorbereidde? Welke signalen zendt hij uit naar deze impliciete luisteraar?
Grözinger wil de gedachte van de impliciete luisteraar uitbuiten. De prediker kan zich bewust gaan richten op die impliciete luisteraar. De onverwachte gast In deze multireligieuze samenleving is de impliciete luisteraar een onverwachte gast (Fremde Gast): iemand die voor eerst ergens komt, zomaar binnenstapt en er niet automatisch bijhoort, misschien wel verdwaald is en deze taal, symbolen en rituelen voor het eerst ondergaat.
In deze multireligieuze samenleving weten de luisteraars immers weinig van het christelijk geloof. Er is sprake van een breuk met de traditie.
Niets is meer vanzelfsprekend. Alle vanzelfsprekendheden zijn verdampt in het proces van individualisering en globalisering (Grözinger komt hier later op terug als hij de gedachte van Peter L. Berger over de gedwongen keuze verder uitwerkt). Het is niet meer vanzelfsprekend om christen te zijn. De samenleving is seculier geworden. De volkskerk bestaat niet meer.
We zijn vreemden geworden in wat eerst ons thuisland was. Daarbij zijn we vreemden voor onszelf geworden. Voor Grözinger is dat niet alleen negatief! Ook al is het leven als vreemde gast niet altijd even gemakkelijk, het kan wel veel vreugde bieden.
Een preek zou zich op deze onverwachte gast moeten richten: een gastvrije preek. Zodat die onvermoede gast ook de wereld van de preek binnen kan stappen en niet belemmerd wordt door een traditie waarmee hij niet vertrouwd is. Grözinger is niet tegen traditie, maar denkt vooral na hoe iemand die niet vertrouwd is met de traditie, toch kan deelnemen aan de preek. Zo’n gastvrije preek is volgens Grözinger ook geschikt voor iemand die zijn of haar thuis heeft in het kerkelijke milieu.

Kwetsbaar in een mediacultuur
Heeft de preek nog betekenis in een mediacultuur? Een preek is immers een kwetsbaar werk dat door de allerhande media gewoon verpulverd kan worden.
Grözinger denkt dat er ruimte is voor de prediking. De preek is een vreemde eend in de bijt. Door de vreemdheid kent de preek ook een zekere dwarsheid. Die vreemdheid en die dwarsheid bieden de preek een plaats in de postmoderne samenleving. De preek kan de luisteraar tijd geven. De preek kost niet alleen tijd, maar geeft ook tijd:
* De preek verbindt de luisteraar met een eeuwenoude traditie: godsdienstige en theologische kennis van generaties geleden worden op een eenvoudige manier doorgegeven. De luisteraar hoeft daar niet extreem veel moeite voor te doen.
* De preek kent een ernst, die in deze samenleving nauwelijks meer gevonden wordt. In de preek krijgt de luisteraar de tijd om na te denken over wat er in het leven echt toe doet. In de prediking moet aan ernst recht gedaan worden. Net zoals Martin Nicol wijst Grözinger erop dat schrijvers en journalisten, colleaga’s als het gaat om het gebruik van taal, vaak meer respect hebben voor de preek en aan de preek meer waarde aan de preek hechten dan predikanten.
* De luisteraar die naar de kerk komt, wil graag iets te weten komen. Over zichzelf of over God. De prediker spreekt voor een geïnformeerd publiek dat nog meer meegenomen en ingewijd wil worden. In de kwaliteit van de preek schuilt de aantrekkingskracht.
Wanneer de prediker weet waarover hij spreekt en ook concreet is, heeft de preek een niet te onderschatten waarde in deze multireligieuze en postmoderne samenleving.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. ALBRECHT GRÖZINGER, Toleranz und Leidenschaft. Über das Predigen in einer pluralistische Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2004) p. 9-33.