Preek zondagmorgen 1 februari 2015

Preek zondagmorgen 1 februari 2015
Voorbereiding Heilig Avondmaal

Markus 8:27-38

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Onlangs heb ik uitgelegd dat het in de preek gaat om een gesprek van de Heere Jezus met ons,
met u en met mij.
Vandaag is het een heel directe vraag, die Christus stelt aan u, aan jou, aan mij:
‘Wat zeg jij nou over Mij.’
Het gaat er niet om wat de kerk zegt, of de ouderling, of je ouders,
nee, wat is je eigen antwoord: ‘Hoe kijk je nou tegen Mij aan?
Wie ben Ik voor je?’

Ik weet niet hoe dat u vergaat,
maar ik vind het zelf nog niet zo gemakkelijk om op zo’n directe vraag
een antwoord te geven.
Want wat zeg je dan op die vraag: ‘Wie is Christus voor u?’
Ik moest bij deze vraag ook denken aan die keer toen ik zelf die vraag gesteld kreeg.
Tijdens de kennismakingsavond met de vorige gemeenten Ilpendam-Watergang.
Deze avond was iets maar dan 8 jaar geleden.
Op die avond moest ik mijzelf voorstellen en kreeg ik veel vragen te beantwoorden:
wat mijn gedachten over de gemeente waren, hoe ik wilde werken onder jongeren en ouderen.
Opeens werd die vraag gesteld door een jong en betrokken gemeentelid:
‘Wie is Jezus voor u, kunt u daar iets over vertellen?’
Het duurde een tijd voor ik een antwoord had geformuleerd op deze vraag
en dat viel me ergens ook weer tegen van mijzelf,
want als bijna-predikant zou ik toch wel kunnen vertellen wie Jezus voor mij is?
Wat het antwoord was, weet ik niet meer.
Ik zal verteld hebben dat Jezus mijn redder, mijn verlosser is.
Waarom was het voor mij zo moeilijk
om daar direct en zo klip en klaar en vrijuit een antwoord op te kunnen geven?
Ik denk aan de ene kant, omdat er in mij geregeld ook een twijfel rondgaat,
dat voor mij het geloof kan ondermijnen en de vreugde van het geloven kan wegnemen.
Dat is het ene.
Maar er is ook een andere kant.
Het is best moeilijk om onder woorden te brengen wie Jezus is
omdat het te groots is wat Hij heeft gedaan voor mij.
Hij heeft Zijn leven gegeven op Golgotha
en daarmee Gods oordeel gedragen,
maar hoe leg je dat in enkele zinnen uit?
Hoe leg ik uit dat wat er op Golgotha gebeurde mij aanging, over mij gaat?
In de afgelopen week dacht ik er door dit gedeelte weer over deze vraag na:
Wie is Jezus voor mij?
Als u van mij een antwoord zou willen op die vraag,
dan moet u volgende week eens komen in de dienst van avondmaal.
Daar, in die dienst, als het brood gebroken wordt,
als ik als predikant dat brood mag breken, om aan u te laten zien
hoe Christus verbroken werd,
als ik het brood mag uitreiken aan gemeenteleden
– het liefst zou ik dat aan iedereen afzonderlijk dat brood geven –
en als in de stilte de schaal rondgaat.
Dan kan ik aanwijzen wie Christus is.
Of nu, als u door mijn woorden heen, de stem van Christus hoort
en als u hoort dat Hij aan u die vraag stelt:
‘Hoe denk je over Mij?’
Dat is voor mij de Heere Jezus, die ons niet met rust laat
Voordat wij antwoord hebben gegeven op Zijn vraag
en dan niet een antwoord alleen met woorden,
maar ook een antwoord met ons hart.
tot we zeggen: ‘Heere, ik ben van U.’

Wie is Jezus?
Onze Heer die steeds naar ons toekomt,
met ons bezig is om ons te laten weten:
Ik kwam voor jou, voor u naar deze aarde
en ging de weg naar Golgotha.
Nog steeds komt Hij naar ons toe: in de kerkdienst, in het avondmaal,
in de vragen die mensen ons stellen, in de liederen die we zingen.
God zelf die naar ons toekomt, steeds weer op nieuw.

Wie is Jezus voor jou, voor u?
Naar mijn idee is er een groot verlangen om van elkaar te horen
wie Jezus voor ons is, wat Christus voor jou betekent, wie Hij voor u is.
Is dat niet het verlangen waarmee u vanmorgen naar de kerk gekomen bent,
omdat een antwoord op die vraag je zelf ook weer verder helpt
op je eigen weg in het geloof.
En het is misschien ook wel de reden waarom je meedoet met een Bijbelkring
om van anderen te horen, wie Jezus voor hen is, wat Hij voor hen betekent,
om in de gesprekken over de Bijbel ook iets van Jezus zelf te vernemen,
om zo gesterkt en gevoed te worden in je geloof.
We hebben er met z’n allen behoefte aan
en toch hebben we het niet zo snel over deze vraag
en kunnen we er om heen draaien of dichtslaan als deze vraag gesteld wordt.
En de vraag roept eerder verlegenheid op
Dan dat we er een kans zien om aan iemand anders iets te vertellen
hoe de Heere in ons leven werkt.

Nu is het Christus zelf die het aan u, aan jou vraagt:
‘Wie ben Ik voor je? Hoe sta je tegenover mij?’
Vandaag en in de komende week van voorbereiding komt die vraag naar u toe.
De vraag van Christus: Hoe kijk je tegen Mij aan? Wie ben ik voor je?

Waarom eigenlijk deze vraag?
Wat wil de Heere Jezus bij ons bereiken?
Wil Hij ons onzeker maken: Weet je het wel zeker dat je met Mij leeft?
Want zo’n vraag, zo’n directe vraag, kan je ook onzeker maken,
zodat je bij jezelf kunt nagaan: Wat is het juiste antwoord?
Is de week van voorbereiding daarvoor bedoeld: om je nog eens weer onzeker te maken
over je eigen band met Christus?
Dat is toch vaak zo, toch,
dat er in de week van voorbereiding een bepaalde onzekerheid boven komt?
Waar moet ik aan denken? Wat moet ik doen?

De vraag van de Heere Jezus aan de discipelen en aan u en mij, de vraag
over hoe wij denken over Hem, hoe wij naar Hem kijken
is bedoeld om ons te laten kijken naar wie Hij werkelijk is.
Wie is Jezus echt?
Wanneer hebben wij echt door wie Jezus is?
Volgende week als we zien dat het brood gebroken wordt
en we de woorden horen:
Neem, eet, gedenkt en gelooft
dat het lichaam van onze Heere Jezus Christus is verbroken
tot volkomen verzoening van al onze zonden
.
Dan weten we wie Jezus is.
Als het brood dat gebroken wordt ons meeneemt naar Golgotha
en als we daardoor heen de stem van Jezus zelf horen:
Daar ben ik voor jou gestorven, daar heb Ik Mij voor u gegeven in de dood.
Alleen dan weten we wie Jezus is,
als we beseffen en geloven dat Jezus voor ons, voor u en mij gestorven is.
Kennis over Jezus is nooit afstandelijk.
Van mensen kunnen we nog zeggen: Ik ken iemand, ik weet veel over iemand
zonder dat je echt een band met iemand heb.
Maar in het geloof kan dat niet.
Je kunt niet zeggen: Ik weet wie Jezus is
zonder dat je hart van Hem is, als je niet elke dag met Hem leeft,
als je niet gelooft dat Jezus daar op Golgotha ook voor uw, voor jouw zonden hing.
Dan ken je Hem niet.
Daarom die vraag – zodat je zegt: Heere, ik wil van U zijn.
Ik geloof dat U ook voor mij gestorven bent.
Mag ik bij U horen?
Daarom moet u in deze week niet bij deze vraag blijven hangen
alsof dit een vraag is waar u, waar jij niet uitkomt.
Je moet uitkomen bij dat kruis, je moet ernaar toe
dat je het brood van de schaal pakt en de wijn uit de beker drinkt,
omdat je niet anders kunt dan aannemen wat de Heere voor je deed.
Als er een goed antwoord zou zijn, is dat het goede antwoord:
Heere Jezus, dat sterven op Golgotha deed u voor mij
en ik mag het brood aannemen en van de wijn drinken.
Niet omdat ik het zo geweldig gedaan heb,
of omdat ik zo goed weet te vertellen wie U bent,
maar omdat ik in dat brood dat gebroken wordt,
zie hoe U voor mij verbroken werd.
Omdat ik bij het drinken van de wijn weer weet
dat uw bloed vergoten werd voor mij.
De vraag van Jezus schept geen afstand,
maar trekt mij naar Hem toe,
zodat ik niet anders kan
dan mij gewonnen geven
dan accepteren, geloven,
aannemen, liefhebben, knielen.
Zo bent U: de gekruisigde – voor mij, voor de gemeente, voor alle zondaars.

Misschien zegt u: Ik heb dat al zo vaak gedaan en zo vaak geprobeerd,
het is om moedeloos van te worden.
Ik raak Hem steeds weer kwijt,
het lukt me niet om Hem vast te houden, om bij Hem te blijven.
Ik ga nog te veel op in het leven hier,
zo in zo’n periode van voorbereiding ben ik er weer mee bezig,
maar anders dan dwaal ik zo weer af.
Kan ik het nog wel maken om opnieuw naar Hem toe te gaan?
Hij ziet me al aankomen.
Ik kan het niet, naar Hem toegaan, ik heb het weer helemaal verprutst.
Juist dan geldt die vraag van Christus:
‘Wie ben Ik voor je? Hoe kijk je tegen Mij aan?’
Zie je het kruis op een hoge heuvel staan, een heuvel waar je eerst helemaal op moet klimmen
met je schuld op je rug en als je daar helemaal gekomen bent,
dan kun je je schuld afleggen.
Zie je Golgotha als een hoge berg waar je zelf moeilijk op kunt, het kruis zo onbereikbaar hoog?
Dan staat u bijna in de schoenen van Petrus.
Petrus ziet in de Heere Jezus de messias, de Christus.
En dan denkt Hij aan Degene die het voortouw neemt
en op een onbereikbare positie staat, hoog boven iedereen uitstekend,
de leider die moet worden gevolgd op weg naar de overwinning.
Nee, zegt Jezus, Ik zal moeten lijden en sterven aan een kruis,
als een crimineel, een terrorist.
Ik zal verworpen worden.
Misschien hebt u, heb jij Jezus ook wel verworpen in je leven,
in de vorige keer van avondmaal vieren,
ga je Hem juist als het avondmaal is uit de weg,
omdat je geen antwoord hebt op de vraag van Jezus.
Maar Jezus torent niet hoog en onbereikbaar boven iedereen uit.
Eerder op een kleine heuvel
om aan te geven dat de aarde Hem niet moet hebben, verworpen,
maar ook de hemel Hem niet kan opnemen.
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten, zal het aan het kruis klinken.
Dat is Jezus.
Verworpen door de mensen, verlaten door God.
De strijd van Jezus als messias, als Christus is geen strijd van leven op dood,
geen strijd van alles of niets, niet de dood of de gladiolen,
maar een strijd die op niets uitloopt,
omdat niemand aan Zijn zijde wilde staan,
niemand met Hem mee wilde gaan,
alleen, verlaten en verworpen, afgeschreven en afgedankt.

Mijn Jezus, ik houd van U
, zullen we zingen.
Maar dat werd er niet gezongen rond het kruis,
maar pas erna, toen Hij opstond uit de dood.
Omdat Hij verworpen werd, door ons
en omdat Hij verlaten werd, door God,
stierf aan het kruis,
is er de weg voor ons open.

Neem, eet, gedenkt en gelooft
dat het lichaam van onze Heere Jezus Christus is verbroken
tot volkomen verzoening van al onze zonden
.
Amen

Advertenties

Preek zondagmorgen 25 januari 2015

Preek zondagmorgen 25 januari 2015
Afsluiting Themweek School & Kerk. Thema: Op reis met Paulus
Schriftlezing: 1 Korinthe 15:1-10.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Nu de preek is begonnen, kruip ik in de huid van Paulus.
Zolang de preek duurt ben ik even Paulus.
De kinderen in de kerk zijn met verhalen over mij, Paulus, bezig geweest.
Vooral over mijn reizen: op reis met Paulus.
Ik heb heel wat afgereisd en ik ben nog niet klaar met reizen.
daarom heb ik mijn wandelschoenen en rugzak meegenomen.
Pas als op alle plaatsen in de wereld over de Heere Jezus wordt verteld,  ben ik klaar met reizen.

Jullie hebben heel wat over mijn belevenissen gehoord.
Over het schip dat in de storm terecht kwam en in stukken brak.
Jullie hebben daarover een verwerking gemaakt.
En ook dat ik in de gevangenis werd gegooid,
een vieze, stinkende hol onder de grond met de voeten vast in een blok.
Kun je het nog herinneren, dat verhaal over mijn belevenissen in Filippi?
Je zou mijn rug eens moeten zien,
met alle littekenen, zo vaak als ik geslagen ben
omdat ik over de Heere Jezus vertelde.
Normaal gesproken zou ik daar niet over vertellen.
Ik hou niet van opscheppen.
en hoefde niemand dat te weten.
Dat de Heere Jezus het weet, is genoeg.
Maar we hebben met elkaar iets gelezen
uit mijn brief aan de gemeente van Korinthe.
Nou, daar in Korinthe houden ze wel van opscheppen.
Ze willen het beste van alles.
Ze hebben dat vaak tegen mij gezegd:
Paulus, waarom preek je niet wat beter.
we hebben liever Apollos,
dat is nog een jonge man en die kan tenminste preken; daar heb je wat aan!
Ze hebben het vaak aan mijn gevraagd:
Paulus, waarom doe je bij ons geen wonderen.
Hier in Korinthe houden ze wel van bijzondere dingen.
Spektakel, dat hebben ze het liefst.
Ik heb niets om over op te scheppen.
Ik kan alleen maar vertellen en laten zien wat ik heb meegemaakt.
Dat is geslagen ben, dat ik bijna gestorven was,
dat ik heb meegemaakt dat mijn schip in de storm bijna verging.
Ik vertel daar liever niet over.
Ik vertel liever over de Heere Jezus, die aan kruis werd geslagen.

Ik heb ook iets bij me.
Nee, het is geen tempeltje van zilver, zoals Demetrius maakte.
Weet je nog, daar in Efeze?
Demetrius die boos was, omdat ik over de Heere Jezus vertelde.
Demetrius die bang was dat hij geen tempeltjes meer zou verkopen
en dat hij veel geld zou verliezen.
Hij riep toen veel mannen bij elkaar en lang hebben ze daar in Efeze geroepen:
‘Groot is Diana, de godin van Efeze’.
Nee, zo’n klein zilveren tempeltje heb ik niet bij me.
Ik heb iets anders bij me.
Het is een kruis,
gemaakt door een plaatselijke timmerman.
Want daarom ga ik steeds op reis,
om hier over te vertellen.
Het liefst zou ik alleen maar hier over willen vertellen.
Je moet niet aan mij, Paulus, denken.
Ik ben alleen maar een knecht.
Je moet vooral aan de Heere Jezus vertellen.
Hij stierf aan een kruis.

Ik geloofde zelf eerst niet in de Heere Jezus.
Ook dat hebben jullie gehoord, toch?
Over mijn reis naar Damaskus?
Weet je waarom ik dat niet kon geloven, van dat kruis dat Jezus stierf aan het kruis?
Want weet je wie er stierven aan het kruis?
Weet je wat voor soort mensen de Romeinen aan een kruis lieten sterven?
Dat waren criminelen en terroristen.
Zij stierven aan een kruis.
Jezus stierf ook aan een kruis, dus moest die Jezus ook een crimineel zijn of een terrorist.
Je gaat toch geen crimineel of terrorist vereren?
En dan zeiden ze ook nog dat Jezus God was,
dat God zelf naar de aarde gekomen was,
dat God stierf aan het kruis als een terrorist of een crimineel.
Snap je dat ik dat niet kon geloven?
Ik had zo’n hekel aan de mensen die dat wel geloofden,
dat God stierf aan het kruis.
Ze blijven van mijn God af!
Mijn God is zo heilig, daar mag je niet aankomen.
Daar mag je niet zulke rare dingen over zeggen.
Ze moesten daarmee stoppen om zulke belachelijke dingen over de enige, echte God te zeggen.
Ze beledigden de Heere!
Maar toen ik naar Damaskus ging, jullie hebben het in de afgelopen week gehoord,
werd ik van mijn paard gegooid en zag ik een heel fel licht.
En hebben ze ook verteld wie ik zag in dat licht?
Jezus Christus in de hemel, bij de troon van God.
Jezus die gestorven was aan het kruis was dus toch wel God.
Ik moest wel geloven dat het waar was wat de christenen vertelden.
Ik heb Hem zelf gezien.
Vanaf dat moment ging ik in Hem geloven
en later ben ik overal naar toe gegaan om over Hem te vertellen.
Jezus Christus die gekruisigd is.
Je kent dat verhaal wel.
Op een van de scholen zei een kind: ‘Dat verhaal over het kruis is het mooiste verhaal uit de Bijbel.’
Ik heb dat kruis nu bij me.
Jezus hing daar aan het kruis,
maar weet je wie daar eigenlijk hoorde te hangen?
Ik.
Want ik lijk wel heel vroom en heel gelovig,
maar ook toen ik heel erg mijn best deed voor de Heere,
was ik een vijand,
voor God was ik een crimineel, een terrorist.
Ik deed helemaal niet Gods wil en Hij was helemaal niet blij met wat ik deed.
Maar weet je waarom dat verhaal aan het kruis zo bijzonder is?
Weet je waarom het zo bijzonder is dat God zelf sterft aan het kruis
als een crimineel en als een terrorist?
Hij deed dat in mijn plaats, in jouw plaats.
Eigenlijk hoorden wij daar aan het kruis te sterven,
maar omdat Jezus stierf, hoefden wij niet meer te sterven.
Hij stierf in mijn plaats, in onze plaats aan het kruis.

En bleef Jezus aan het kruis?
Nee, gelukkig niet.
Want dat zou betekenen dat de dood van Jezus alleen maar een mislukking was.
Ik dacht ook eerst dat Jezus aan het kruis een mislukking was.
Hij kon God niet zijn.
Maar ik heb Hem zelf gezien.
Ik weet dat Hij leeft en dat Hij is gestorven voor mijn zonden en mijn schuld.

Vanmorgen ben ik, Paulus, hier in de gemeente van Oldebroek gekomen.
Jullie hebben in de afgelopen week de verhalen over mij gehoord.
Ik ben gekomen om jullie over Jezus te vertellen,
zodat je zelf ook in Hem gaat geloven.
Amen

Preek zondagmiddag 25 januari 2015

Preek zondagmiddag 25 januari 2015
Schriftlezing: Markus 2:13-28

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het evangelie van Markus wordt er geregeld gewezen op Jezus die ziet.
Dat Jezus ziet komt bij Markus steeds weer terug
en dat is niet zomaar.
Want als de Heere Jezus ziet, gebeurt er wat.
Dan is dat zien het begin van een contact, zoals dat bij de eerste discipelen gebeurde:
Jezus zag Simon en Andreas.
Hij ziet dat ze bezig zijn met hun dagelijks werk: Jezus zag dat ze hun netten in zee wierpen.
Nadat Jezus hen dat ziet doen, roept Hij hen.
Als Jezus ziet, dan gebeurt er wat, wordt er contact gemaakt.
Hier de eerste stap in de navolging.
Aan het begin van hoofdstuk 2 wordt ook vermeld dat Jezus ziet.
Het is het verhaal van de man die door zijn vier vrienden door het dak gelaten wordt.
Als die vrienden de man naar beneden laten zakken voor de voeten van Jezus,
Dan ziet de Heere Jezus hun geloof.
Dan volgt er ook contact, namelijk Jezus die zegt: ‘Je zonden zijn je vergeven.’
Als Jezus het tolhuis voorbij loopt, ziet Hij Levi zitten, daar binnen in het tolhuis.
Jezus had ook vooruit kunnen kijken,
om zo degene die in het tolhuis zit niet te hoeven zien.
Jezus kijkt opzij en ziet Levi zitten
en omdat Jezus Levi ziet zitten, stopt Jezus om deze Levi te roepen: ‘Volg Mij!’
Hoevelen zouden Levi voorbij gelopen zijn zonder hem aan te kijken,
hem zoveel mogelijk negerend, omdat hij en het werk dat hij deed gehaat werden.
Zouden de meesten, als ze hem zouden zien zitten, beschouwen als een foute man,
die zo fout kon zijn dat hij dit werk aannam?
Als Jezus ziet, dan ziet hij het dagelijks leven waarin de mensen verkeren,
de omstandigheden,
Een scherpe observeerder, die maar weinig nodig heeft
om te zien hoe het er met iemand voorstaat,
die ziet wat anderen vaak niet zien, omdat ze er niet op letten.
en dan niet veroordelend, maar geraakt, bewogen, uit op ontmoeting, op contact,
om de ander die Hij ziet, op te kunnen nemen in het Koninkrijk van God.
U moet bij het leven van het evangelie van Markus maar eens opletten,
hoe vaak er sprake is van een ontmoeting van de Heere Jezus
en dat dan de bewogenheid, de innerlijke ontferming bij de Heere Jezus beschreven wordt.
Jezus ziet: een troostrijke gedachte, dat Jezus ook u en mij ziet
en ziet wat anderen niet zien.
Als we iets van de Heere Jezus kunnen leren wat betreft pastoraat, dan is dat wel dit zien,
Dat werkelijk ziet en liefdevol ziet, het begin van een contact, een ontmoeting,
een weg naar opgenomen worden in het Koninkrijk van God.

Ook de Farizeeën zien.
Dat is een heel ander zien.
Bij hen is het zien geen begin van contact,
maar blijft er afstand, distantie.
Zij stappen niet op Jezus zelf af, maar op Zijn discipelen, de afstand wordt niet overbrugd.
Hun zien is meer een beoordelen.
Als zij zien, dan zien zij iets dat bij hen vragen oproept:
‘Hoe kan Jezus dat nou doen?’
Zij zien iets dat niet in de haak is.
Als zij zien, dan vullen zij in.
Dat is er zo een.
Die kun je beter mijden.
Die daar uit de weg gaan.
Maar wat zij zien is dat Jezus met de mensen die slecht zijn eet.
En zij zien niet alleen een gezellige maaltijd,
maar zij zien ook dat die maaltijd een betekenis heeft,
want zij kennen hun Bijbel en weten wat er daar bij de maaltijd gebeurt.
Als het tenminste waar was, wat Jezus zei
toen die verlamde man die door het dak kwam genezen was.
Toen noemde Jezus zichzelf de Zoon des mensen.
Als dat zou kloppen dat Jezus de Zoon des mensen is, dan klopt dit tafereel
van Jezus met de tollenaars en de slechte mensen niet.
Want die tafel waar zij met z’n allen omzitten,
wijst vooruit de maaltijd die gevierd wordt in de hemel, in het koninkrijk van God.
Wat zij zien is dat Jezus bij Gods tafel in Gods heerlijkheid
een plaats inruimt voor de mensen die slecht geleefd hebben.
Die het door hun levenswijze niet verdienen om bij God in Zijn heerlijkheid te zijn.
Daar aan die tafel,
dat zijn degenen die in het laatste oordeel veroordeeld zouden worden
en voor eeuwig van God weggestuurd zouden worden.
Die mensen zitten bij Jezus aan tafel
en de farizesche Schriftgeleerden zien dat Jezus daarmee hen ook een plek in de hemel aanbiedt.
Ze zien dat Jezus hen voorhoudt dat er voor hen geen laatste oordeel meer is
waarbij hun verkeerde daden ervoor zorgen dat zij naar de hel toe gaan.

Hebt u dat ook niet
dat je soms ook als die Farizeeën kunt kijken
en denken, misschien wel terwijl je om je heen kijkt in de kerk:
Wie van ons zullen er allemaal komen in Gods heerlijkheid?
Zou die daar achteraan zit, zou die daar komen?
Wat had ik nou pas over haar gehoord? Dat ze hier in de kerk durft te zitten,
zoals zij omgaat met haar gezin.
En hij met zijn bedrijf. De meesten weten het niet,
maar ik ben er wel van op de hoogte dat het op zijn bedrijf niet eerlijk aan toe gaat.
Benieuwd dat als ze er naar vragen, op welke manier hij er om heen zal draaien.
Maar straks zal hij voor God verschijnen en dan kan hij geen mooi weer blijven spelen.
Dan komt alles boven tafel.
Hoe zal God daar over oordelen? Dat kan toch niet dat de Heere voor hem een plaats heeft?
Dat zou toch oneerlijk zijn?
Ik ontzeg me zoveel. Ik doe mijn best om heel mijn leven in te vullen volgens Gods geboden.
Je zou bijna zeggen dat we net als de Farizeeën kijken,
maar de farizeeën die zo thuis in de Schrift waren, zagen tenminste nog
dat Jezus met hen eet, om zo te laten zien dat zij het koninkrijk van God kunnen binnengaan.
Beseffen wij dat ook bij het rondkijken, als wij naar anderen kijken,
dat Jezus eet met zondaars en tollenaars, dat Hij hun gemeenschap opzoekt?
Daar is het Hem om te doen: om die zondaars en tollenaars weer terug bij God te krijgen.

Het is een spannende vraag, wat er gebeurt met de levensstijl van die zondaars, die slechten.
Gaat Jezus hen later alsnog aanspreken op hun levensstijl,
zodat ze anders gaan leven?
IS het de bedoeling dat ze zelf gaan ervaren hoe verkeerd ze leven?
Dat kan toch niet, dat Jezus de zonde zomaar goed keurt
en deze mensen uitnodigt zonder dat er wat met hun leven gebeurt?
Ze moeten toch veranderen?
Jezus neemt de zonde uiterst serieus
en beseft terdege dat deze mensen in het oordeel van God niet kunnen verschijnen
en als zij wel voor God komen, zullen ze worden veroordeeld, weggestuurd
en daarom zoekt Jezus hen op – om hen te redden.
Omdat ze ziek zijn.
Hij is gekomen om zondaars tot bekering te roepen.
Dat gebeurt op een bijzondere manier: door hen te zien, door te zien waar ze zijn
en waar ze mee bezig zijn, door te zien wie ze zijn en wat ze nodig hebben.
Hij roept hen tot bekering door zich onder hun soort te begeven.
En dat kunnen de Farizeeën juist niet begrijpen.
Zo wordt het heilige van de Heere met het onheilige vermengd.
Je kunt bij de zonde maar beter op een afstand blijven en ook bij een zondaar,
want voor je het weet raak je er ook mee besmet.
Wat Jezus op de farizeeën tegen heeft, is niet hun levensstijl, en ook niet hun regels,
want zij proberen integer te leven en oprecht trouw te zijn aan alles wat God van hen vraagt,
met hart en ziel, heel hun bestaan, elke dag weer op nieuw.
Wat Jezus op hun tegen heeft, is de hardheid van hun houding,
de afstand die zij bewaren.
Wat Jezus hen kwalijk neemt, is dat ze Gods heiligheid boven alles stellen
en belangrijker achten dan de redding van de verlorenen.
Als God werkelijk heilig is en als je werkelijk heilig moet leven om tot Gods eer te leven,
dan moet je er toch op uit om degenen die anders leven, onheilig, te redden, te genezen?
Daarvoor is God gekomen:
de Heilige die aan tafel zit bij de onheiligen, de God die zal oordelen en veroordelen,
bij degenen die het oordeel verdienen.
Dat zien de Farizeeën en dat zien ze goed,
maar in hun streven om Gods wil te doen, missen ze het ene: compassie, bewogenheid,
de keuze van God om niet de heiligheid boven alles te stellen,
als een muur die beschermt en de onheiligen op afstand houdt.
Jezus laat zien hoe God God is: heilig maar juist vanwege Zijn heiligheid bereid
om af te dalen en gemeenschap te hebben met de zondaars.
Gods heiligheid toont zich in liefde die opzoekt,
niet degenen die er al zijn, maar degenen die buiten zijn, in de verlorenheid liggen.
Gods rechtvaardigheid toont zich in het tot zich roepen van de zondaars.
Zo is God.
Zo is God?
Dat hebben de Farizeeën toch anders gezien
en dat hebben ze niet zelf bedacht,
maar vanuit een intensieve studie van Gods Woord
en ze wilden daar nauwgezet naar leven.
Zij leefden met de ernst van het komende oordeel,
leefden vanuit het besef dat eens iedereen voor God verschijnt.
Gelooft Jezus nog wel dat er een oordeel komt
of kan iedereen zomaar de hemel binnen komen, ook degenen die hun leven hebben vergooid?
En dan komen we bij het tweede verhaal, het verhaal over de discussie rondom het vasten.

Wat Jezus laat zien en wat de Farizeeën wel degelijk opmerken,
is dat het oordeel van God anders uitpakt dan wij mensen denken.
Want komt dat oordeel wel?
Dat is de vraag die de Farizeeën aan Jezus stellen in het tweede verhaal:
Het is een vraag over het vasten,
maar onder die vraag over het vasten schuilt die vraag over dat binnen komen in de hemel.
Zo gaat het vaak: onder de vragen die gesteld worden, kan een heel andere vraag schuilen.
Hier wordt de vraag gesteld naar het vasten:
Waarom vasten uw leerlingen niet.
Iedereen doet dat toch? Onze leerlingen doen dat en de leerlingen van Johannes de Doper?
Ook weer dat zien!
Ze nemen waar dat Jezus niet vast en zijn leerlingen ook niet.
Het doen en laten van Jezus wordt gezien en het roept vragen op.

Dat vasten was een gebruik om te wachten op Gods komst.
Wie vast, geeft aan: ik geloof dat God binnenkort komt.
Ik neem de tijd om mij voor te bereiden op Zijn komst.
Wie vast slaat maaltijden over om die tijd te gebruiken aan toewijding,
aan gebed, bezinning, bijbellezen.
En als God komt, dan komt het eindelijk goed,
want dan worden de kwaaddoeners, de zondaars gestraft
en degenen die nauwgezet leven, die er ernst mee hebben gemaakt,
Die geloven dat zij later voor Gods aangezicht rekenschap hebben af te leggen,
zij worden binnen gelaten in het Koninkrijk van God.
Daarom vastten de leerlingen van de Farizeeën en van Johannes de Doper.
Omdat zij uitzagen naar die dag: reikhalzend van verlangen.
En dan vast Jezus niet.
Gelooft Hij niet meer dat God nog komt?
Gelooft Hij niet meer dat het oordeel van God nog komt.
Het overslaan van het vasten roept nog meer vragen op
dan zijn omgang met de slechten en de zondaars.
Wat Jezus doet, is een onbetamelijke lichtzinnigheid.
Ongepast!
Ziet Jezus dan niet in welke tijd wij leven?
Dat het op het einde aankomt?
Het achterwege laten van het vasten versterkt de vragen die de Farizeeën hebben bij Jezus.
Bij Jezus is alles mogelijk.
Hij spot met elke regel
en niet alleen met elke regel, maar alles wat voor hen fundamenteel is,
de basis onder hun geloof, de praktijk van hun leven met God
dat haalt Jezus onderuit.
Maar Jezus is niet tegen vasten, zoals Hij niet tegen heiligheid is.
Het is niet zo dat Jezus alleen maar de regels onderuit haalt,
Want dan maken we het voor ons gemakkelijk: we hoeven alleen maar regeltjes los te laten
en die ander, die nog wel vast zit aan die regels, die is een hedendaagse Farizeeër.
En dan vullen we gelijk aan: een huichelaar
en dan moeten we oppassen dat we niet zoals de Farizeeër in de gelijkenis God danken:
Heere, ik dank u dat ik niet ben als die farizeeër.
Ik heb tenminste geen regels die anderen beperken.
Jezus is niet tegen vasten, want Hij geeft aan dat Zijn discipelen later zullen vasten,
Als Hij er niet meer is.
Jezus weet wel degelijk welke tijd het is, Hij kent de tijd.
Omdat Hij op aarde is, hoeven de leerlingen niet te vasten.
Later, als Hij weggenomen wordt, dan wordt tijd om te vasten voor de leerlingen van Jezus.
Jezus gebruikt het beeld van een bruiloft.
Een bruiloft in het Midden-Oosten van die tijd,
Waarbij een groot feest gevierd wordt en iedereen in het dorp deelt in de feestvreugde.
Wie niet deelneemt aan het feest, zegt dat de bruidegom en de bruid hem niets waard zijn.
Vrienden van de bruidegom doen natuurlijk volop mee in het feest.
Zij houden zich niet afzijdig, maar gaan voorop in het feestvieren.
Feestvieren op een bruiloft is toch geen lichtzinnigheid,
maar een delen in de vreugde rondom dat bruidspaar?
Wat wil Jezus daarmee aangeven?
Dat Hij de bruidegom is van Israël,
dat het tijd is om feest te vieren, omdat God Zijn volk weer tot bruid neemt.
Hosea: Ik noem u weer mijn volk, mijn beminde.
Die tijd is het: Jezus die gekomen is van Godswege, God zelf, gekomen
om het zondige volk, dat weg was en terug is, te nemen tot zijn bruid.
Israël is weer van God. Eigen, omdat het is vrijgekocht door het bloed van deze bruidegom
die zijn leven geeft.
Het oordeel is niet weg, het komt, maar dat wordt gedragen door deze Bruidegom
door God zelf.
Tijdens het feest, als de bruidegom er nog is, is het juist ongepast om te vasten,
omdat je dan laat zien dat je niets om God geeft
niets om Zijn aanbod en zijn offer geeft, niets om de ruil aan het kruis op Golgotha.
Zolang Jezus op aarde is, is het feest.

Maar, zegt Jezus, er is een tijd dat Hij er niet meer is.
Dan is Hij weggenomen.
Doelt Hij op Zijn kruis of op de hemelvaart?
Het is in ieder geval de tijd waarin wij nu leven.
Wij kijken vooruit tot de bruidegom weer komt.
Misschien is het juist voor ons de tijd om te vasten
omdat we daarmee aangeven
dat we niet zomaar ongestoord kunnen leven, omdat onze Heer nog niet teruggekomen is.
Wij zijn niet compleet.
Over elk feest dat we hier op aarde hebben
hangt de schaduw van Zijn afwezigheid, van Zijn sterven en dood, van Zijn heengaan.
Of moet ik zeggen: Boven elk feest en elke dag van ons leven
gloort het perspectief van zijn wederkomst.
Dan is vasten gepast, want het doet ons vooruitkijken,
vasten voedt het verlangen naar Zijn komst.
We zeggen daarmee: pas als Hij er is, zal het helemaal goed zijn.
Zolang Hij er nog niet is, kunnen we niet volop genieten en ons laten gaan,
maar we weten wel dat die dag komt,
de dag van feest, van het bruiloftsmaal, de bruiloft van het lam.
Daar zullen we vieren, samen met allen die van het oordeel zijn gered,
niet omdat ze zo rechtvaardig, vroom en zuiver leefden,
maar omdat ze vrijgekocht en gered zijn van de zonde, zoals een Levi en hopelijk ook u en ik
door Hem die Zijn leven gaf om zondaren te redden.
Amen

Diepe bewogenheid

Diepe bewogenheid

En Jezus, innerlijk met ontferming bewogen, stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei tegen hem: Ik wil het, word gereinigd!
(Markus 1:41)

Het is een ontroerend gebaar van de Heere Jezus: Hij steekt Zijn hand uit om de melaatse aan te raken. Het is een ontroerend gebaar, want dit gebaar laat zien dat onze Heere diep geraakt is door deze man. Het gebaar, het aanraken van de Heere Jezus laat het evangelie zien. Allereerst de bewogenheid van de Heere Jezus. De Heere Jezus is geraakt door wat deze man heeft. Hij wijst Hem niet af. Hij deinst niet achteruit, maar raakt Hem aan. Een gebaar van liefde en ontferming, van toenadering, van  contact zoeken. Door de melaatse man aan te raken laat Hij zien, dat Hij het écht wil: deze man reinigen van zijn ziekte.
Deze man mocht niet aangeraakt worden. Een melaatse is onrein. Dat houdt in dat wie een melaatse aanraakt, niet meer naar God mocht toegaan. Maar Christus laat zich daardoor niet tegenhouden. ‘Hij heeft onze ziekten gedragen’,  heeft Jesaja reeds aangekondigd. Door de man, die melaats is en door zijn melaatsheid onrein is, laat de Heere Jezus zien dat het Hem ernst is dat Hij onze ziekten gedragen heeft. Hij wil het zelf.
Een melaatse was niet alleen onrein, omdat men in die tijd dacht dat melaatsheid een besmettelijke ziekte was. Een melaatse was onrein, omdat de Heere aangegeven had dat elke melaatse onrein verklaard moest worden. Onreinheid was een vonnis van God, waarbij degene die ziek was niet meer bij het volk van God mocht horen. Een melaatse moet leven buiten de gemeenschap, verstoten.
Dat geeft een diepere achtergrond aan het gebaar van de Heere Jezus. Hij neemt niet alleen de  ziekte van deze man op. Hij heft ook de onreinheid van deze man op. Hij neemt het vonnis van deze man op zich. Ik wil het, zegt Hij tegen de man die naar Hem toekwam.
Dat laat zien dat in het hart van Jezus, als Hij deze man aanraakt, diepe bewogenheid is voor de man met zijn melaatsheid. De man wordt gereinigd door onze Heere. Jezus zegt daarbij: Ik wil het, word gereinigd. Het gebaar laat het evangelie aan ons zien. Jezus raakt deze man aan en neemt de man weer op in Gods gemeenschap. Het vonnis is voorbij. Dat neemt Jezus op Zich en draagt het mee tot Golgotha, waar ook dit vonnis weggedragen wordt.
Waarom deelt Markus ons deze ontmoeting mee? Om aan te geven dat ook wij elke ziekte als een oordeel van God moeten zien? Nee, om te laten zien wie de Heere Jezus is. Om te laten zien dat door de Heere Jezus iemand, die nu van God verwijderd is, weer opgenomen kan worden in Gods gemeenschap.

Preek zondag 18 januari 2015

Preek zondagmorgen 15 januari 2015
Marcus 1:14-28

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Elke preek is een gesprek van de Heere Jezus met u.
In de preek komt de Heere Jezus tot u
en door de woorden van de preek heen is Hij met u in gesprek.
Het is een ontmoeting van onze Heere,
die eens rondwandelde  door Israël
en nu in de hemel aan de rechterhand van de hemelse Vader is.

Kinderen kunnen daar wel eens over inzitten,
dat ze de stem van de Heere Jezus nog nooit hebben gehoord.
Dan bidden ze erom of ze die stem mogen horen,
net zoals in het verhaal van Samuël, die ook geroepen werd door de Heere.
Als je als ouder de vraag van je kind krijgt,
of je zelf de stem van de Heere Jezus wel eens hebt gehoord
of hoe de stem van de Heere Jezus klinkt
en hoe je kind die stem kan horen,
kun je verlegen zijn met het antwoord.
‘Ja, dat weet ik ook niet zo goed’.
En het kan door je heen gaan: als ze er maar niet in teleurgesteld raken.
Elke keer als er in de Bijbel gelezen wordt, vanmorgen in de dienst of thuis aan tafel of voor uzelf
komt de Heere Jezus naar u toe en spreekt u aan.
Elke keer als de preek er is, is het de stem van de Heere Jezus die tot u is gericht.

Het kan de vraag van uzelf zijn:
leefde ik maar in de tijd van de Heere Jezus,
kom ik Hem maar zien en kon ik Hem maar horen.
Dan was het voor mij gemakkelijker om te geloven.
Nu is het voor mij soms zo moeilijk, want ik merk zo weinig van Hem
en ik heb moeite om Hem zo voor me te zien.
Elke keer in  als de Bijbel opengaat
en tijdens elke preek staat Hij voor u en komt Hij naar u toe.

In elke preek gaat het om de relatie tussen de Heere en u.
Hij komt tot u en kijkt u indringend aan
en zegt: ‘Ik heb een boodschap voor je.
Ik heb je iets te zeggen.’
Of het is een vraag, die de Heere Jezus aan je stelt
en je voelt dat je er een antwoord op moet geven.
Of het is een oproep, zoals we met elkaar gelezen hebben,
een oproep die de Heere Jezus deed toen Hij rondwandelde door Galilea,
maar ook voor ons vandaag de dag geldt:
Kom tot inkeer, hecht geloof aan dit goede nieuws, kom, volg mij.
In ieder geval 4 opdrachten die ook vanmorgen naar ons toe komen.
We kunnen daarvan niet zeggen:
dat gold alleen voor de discipelen
en voor de tijd van de Heere Jezus.
Die oproepen komen ook vanmorgen naar u toe:
kom tot inkeer, hecht geloof aan dit goede nieuws, kom, volg mij.
Woorden waarmee de Heere Jezus u wil binnenhalen in het koninkrijk van God.
Hij gebruikt dat later als Hij de discipelen roept om achter Hem aan te gaan:
Ik zal jullie vissers van mensen maken.

De Heere Jezus wil iets van u gedaan krijgen,
namelijk dat u gelooft in het evangelie,
dat u gelooft dat de Heere Jezus gekomen is als Zoon van God,
vanuit de hemel op aarde
om voor u de weg te gaan naar Golgotha,
Zijn leven te geven om de losprijs te betalen.
Zodat u niet meer bij de Heere vandaan bent,
maar bij Hem hoort en van Hem bent.
Zijn komst op aarde betekende een verandering voor heel de wereld,
een keerpunt in de geschiedenis:
niets was meer hetzelfde als voorheen,
want het Koninkrijk van God is aangebroken
toen de Heere Jezus op aarde verscheen.
De heerschappij, het koningschap van God over heel de wereld,
dat heel de wereld van de Heere zal zijn
en iedereen op de wereld naar Jeruzalem zou komen om de God van Israël te aanbidden
is in vervulling gegaan
toen de Heere Jezus kwam op aarde.
Hij wil u daar ook krijgen, in dat koninkrijk van God.
Kom tot inkeer, hecht geloof aan dit goede nieuws.
Visser van mensen, daarin klinkt ook iets door van het reddingsteam van de kustwacht.
De speedboten van het reddingsteam die de zee opvaren
in de zomer als een van de strandgasten te ver in de zee is gegaan
en te maken heeft met de gevaarlijke onderstroom
waardoor de zwemmer zou verdrinken
als hij niet gered zou worden door het reddingsteam.
Zo verschijnt de Heere Jezus als redder om u eruit te trekken
en op het droge te brengen – in het Koninkrijk van God.
Kom tot inkeer, hecht geloof aan dit goede nieuws.
Elke keer als het net zich sluit om iemand
en iemand zich eruit laat vissen
en laat overbrengen wordt het koninkrijk van God steeds verder uitgebreid.
De tijd is vervuld, zegt Jezus, nu is het zover: het langverwachte koninkrijk breekt eindelijk aan.
Een mooie boodschap, vreugdevol, vol redding!
Gods tijd is aangebroken.

Er is alleen wel een merkwaardigheid aan het tijdstip,
in ieder geval aan het tijdstip waarop Jezus deze boodschap de wereld in bazuint.
Over de start van Jezus’ optreden hangt de schaduw
van het oppakken van Johannes de Doper.
Johannes wordt overgeleverd, zoals Jezus later door Judas wordt overgeleverd
wordt Johannes de Doper, die zoveel voor het volk heeft betekend
en de weg heeft gebaand overgeleverd.
Dat geeft de indruk dat het om verraad gaat,
om een machtsspel, iemand die niet van dat koninkrijk is gediend
waar Johannes de voorbereider van moest zijn.
Moeten we dan zien dat Jezus het werk van Johannes voortzet,
in de trant van: nu is er een aanslag gepleegd op het werk van Johannes
en nu is het tijd voor Jezus om naar buiten te treden,
een heldhaftige daad van verzet, van verontwaardiging wellicht?
Een merkwaardige aankondiging toch, dat juist als Johannes de Doper is opgepakt
Jezus aankondigt dat het koninkrijk van God nabijgekomen is?
Wil Jezus daarmee zeggen: wil je weten wat het koninkrijk van God is,
kijk dan naar wat er met Johannes gebeurt?
Dat is wel wat Markus steeds laat zien:
met dat koninkrijk van God gaat het anders aan toe
dan mensen zouden verwachten.
Je zou verwachten dat als Jezus het koninkrijk van God proclameert,
uitbazuint, zegt dat het er is, het er ook daadwerkelijk is.
Dat de gevangenis opengaat
en Johannes naar buiten mag gaan en aan de zijde van Jezus mag staan
uit dankbaarheid voor het werk dat hij voor Jezus heeft gedaan:
de voorloper die Israël op orde heeft gebracht,
klaar gemaakt om de Zoon van God te ontvangen.
Maar dat koninkrijk van God is geen koninkrijk van glorie.
Zijn wieg was een kribbe, zijn troon was een kruis.
Jezus zelf, die het koninkrijk van God komt brengen,
zal ook worden overgeleverd
en zal net als zijn voorloper gedood worden.
Wanneer Jezus spreekt over het koninkrijk van God
valt reeds de schaduw van het kruis over Zijn leven, Zijn werk.
Dat is het koninkrijk van God: dat Jezus gedood wordt aan het kruis.
Overgeleverd aan de spot: anderen heeft Hij gered, laat Hem nu ook eens zichzelf redden.
Hij die zijn mond vol had van het koninkrijk van God,
wat blijft er over van je mooie praatjes nu je daar aan het kruis hangt?
Is dat het goede nieuws waar we geloof aan moeten hechten?
Waarvoor we tot inkeer moeten komen?
Dat het koninkrijk van God dat gekomen is?

Wat mij opvalt, is dat Markus niets vertelt over enig respons.
Komen er mensen tot geloof? Komen mensen tot inkeer?
Of is Jezus hier een roepende in de woestijn,
Wiens boodschap niet gehoord wordt?
En is dat koninkrijk van God eigenlijk wel iets positiefs, iets om naar uit te kijken?
Toen ik begon met deze tekst, met de bestudering ervan
was ik er vanuit gegaan
dat het een hele positieve tekst, een samenvatting van Jezus’ prediking,
de mogelijkheid om tot inkeer te komen,
de royale mogelijkheid, omdat God Zijn eigen Zoon zendt
en degene met het hoogste gezag stuurt om te laten weten dat het ook voor u en voor jou is,
de mogelijkheid om dat koninkrijk van God in te gaan.
Maar in dat overleveren zit iets dat al er op duidt hoe het af zal lopen.
Johannes wordt overgeleverd en Jezus zal worden overgeleverd.
Bij Johannes is het niet bekend wie dat heeft gedaan,
maar bij Jezus is het Zijn eigen volk, zijn het de mensen die de Zoon van God
overgeven en er niets van moeten weten.
Dat is de positie van het koninkrijk van God op aarde.
Jezus die roept en de deur openzet,
maar waar je vanaf vraagt, of er wel iemand is
die zich wil laten redden?

Er zijn er een paar: enkele vissers,
die bereid zijn om voor dat koninkrijk hun hele bestaan op te geven:
Petrus en Andreas, Johannes en Jakobus.
Helemaal zonder effect is het niet.
Nu nog niet.
Straks bij het kruis is Jezus weer alleen.
De volgelingen van Jezus zijn gevlucht en de vrouwen durven alleen van een afstand te kijken.
Dat is het koninkrijk van God.
De vier mannen die hier geroepen worden,
krijgen  twee bijzondere taken.
Allereerst achter Jezus aan: zij mogen zien
wat er van dat koninkrijk terecht komt, ooggetuigen,
Jezus gaat het voor en zij lopen achter Hem aan.
Dat heeft iets van wat Psalm 23 verwoordt:
Hij leidt mij in rechte sporen om Zijns naams wil.
de weg is gebaand.
Wie achter Jezus aangaat, heeft een weg naar God.
Gebaand door Jezus.
Dat is onze plaats.
Dat kan inkeer voor nodig zijn. In ieder geval geloof,
dat wat Jezus kwam doen het goede nieuws is.
Zo komt de stem vanmorgen tot u, en roept u tot Zijn koninkrijk. Wat doet u?
Amen

Een lichtkring om het kruis. Over het nieuwe boek van dr. A. van de Beek

Een lichtkring om het kruis. Over het nieuwe boek van dr. A. van de Beek

In de afgelopen weken las ik de nieuwste Van de Beek: Een lichtkring om het kruis. Scheppingsleer in christologisch perspectief. In aanloop van en tijdens de kerstdagen en de jaarwisseling ging ik mee in zijn verwoording van de scheppingsleer.
Het bleek een goede combinatie te zijn: de voorbereiding op de preken rondom Kerst en  Oud & Nieuw en het lezen van dit boek. Christus die naar de aarde kwam is het Lam dat in de hemel staat als geslacht. Al voor Hij naar de aarde kwam, was Hij reeds de gekruisigde. De schepping is het met het oog op Hem geschapen: een lichtkring om het kruis.

Het boek een lichtkring om het kruis is een lang geformuleerd antwoord op de vraag: God, waarom lyk die wêreld só? (titel van een boek van de Zuid-Afrikaanse theoloog Adriano König, waarmee Van de Beek voortdurend in de weer is).
Het antwoord van Van de Beek – kort geformuleerd: Omdat God de wereld geschapen heeft met het oog op de Gekruisigde en omdat de Gekruisigde de wereld geschapen heeft. Er is nooit een ideale wereld geweest. Pas in de voltooiing als er rust is voor God en voor de verlosten, is de wereld volmaakt.
Van de Beek is ook niet geïnteresseerd in een ideaal oerbegin, een perfecte schepping. Dat leidt alleen maar tot een ideologie, een romantisch terugverlangen naar een wereld die er nooit is geweest. Het boek is een echte Van de Beek: het gaat om deze concrete wereld waarin wij leven. Deze wereld, zoals de wereld is, is door God geschapen. Geschapen met het oog op het kruis. Schepping is niet los van verlossing.
Deze wereld is ook zo, met lijden en zonde, omdat de Schepper geen andere is dan de Gekruisigde: het Lam, staande als geslacht, reeds voor de grondlegging der wereld. Zonde is niet bijkomend voor Van de Beek. Zodra de mens een besef had en kon kiezen, koos hij voor de zonde.

Had God geen andere wereld kunnen scheppen? Deze vraag grenst voor Van de Beek aan blasfemie of is voor hem misschien wel blasfemie, omdat het de vraag is naar een andere God. Christus heeft deze wereld geschapen en dit is onze wereld. Wanneer wij commentaar hebben op deze wereld, hebben wij commentaar op Gods handelen. Maar wie zijn wij, die God ter verantwoording kunnen roepen? Het is juist een kenmerk van de zonde dat wij een andere God willen dat de gekruisigde, die deze wereld schiep.
Maar is God dan de veroorzaker van de zonde? De zonde is wel opgenomen in Gods plan. Van de Beek grijpt terug op het verschil tussen eerste en tweede oorzaak, een onderscheid van de middeleeuwse en reformatorische theologie. God handelt vanuit zichzelf, zonder een andere oorzaak. Al het andere heeft een andere oorzaak.

Dat de zonde en het lijden, dat deze wereld de wereld is die door God geschapen is, is volgens Van de Beek een grote troost. Een grotere troost dan iets afdoen aan de almacht van God door te kiezen voor een God die het ook allemaal niet voorzien heeft. Het is beter te vallen in de handen van God dan in de handen van mensen.
Dat wil niet zeggen dat zijn theologie een theorie is die al het lijden verdringt. Integendeel. Uitvoerig is hij in de weer met de stem van de gekruisigde die opklinkt naar omhoog:  Waarom. Voor Hem is net zo wezenlijk dat Christus gekomen om het lijden te ondergaan. Om deze mensheid aan te nemen: de lijdende en de zondige mensheid.
Christenen lijden, omdat hun Heer geleden heeft. Voorzienigheid is bij Van de Beek een lijden met Christus, met schrijnende waaroms. Het is een leven op weg naar de heerlijkheid, die in dit leven door de dood heen gaat. Want om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood.
Deze wereld vol zonde en lijden is de wereld die God geschapen heeft. Het is ook de wereld die God heeft aangenomen in Christus. God laat deze wereld niet los, maar kwam juist. Ook al werd hij door het zijne verworpen. Er is in de huidige theologie vermoedelijk geen scherpere criticus van Marcion dan Van de Beek. Hij nam de mensheid aan in zonde en lijden. Door het oordeel en de dood heen.

‘Die Skepper van die maan en die sterre het in die sandale van die Timmerman van Nasaret deur ons stofstrate gestap. Ja wat is die mens tog dat God aan hom dink, en die mensekind dat Hy ons letterlik kom besoek het?’ (Flip Theron – geciteerd in Een lichtkring om het kruis)

Preek zondag 11 januari 2015

Preek zondag 11 januari 2015
Bediening Heilige Doop
Markus 10:13-31

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat kunnen wij als grote mensen van jullie, kinderen, leren?
Dat heb ik ook aan jullie gevraagd toen ik bij jullie op bezoek was:
Wat kunnen papa en mama van jullie leren?
En dan bedoel ik niet: springen op de trampoline, zoals een van jullie zei.
Aan een van onze kinderen vroeg ik:
Wat kunnen wij van jou leren. Ze dacht enige tijd na
en maakte duidelijk dat wij van haar wel konden leren om te drijven op onze rug.
Ze is net met zwemles bezig, namelijk.

Maar bij die vraag: wat kunnen wij als grote mensen van jullie, kinderen, leren,
dan bedoel ik:
Wat kunnen wij leren van jullie als het gaat om de Heere Jezus?
Misschien vind je dat wel een rare vraag.
Want meestal gaat het andersom, toch?
Dat jullie, kinderen, leren van de grote mensen.
Van papa of mama, die met jullie lezen uit de kinderbijbel
en met jullie erover praten.
Aan wie je vragen stelt als je iets niet begrijpt.
Of het is de juffrouw op school die je de verhalen uit de Bijbel vertelt
en de liederen over de Heere God aanleert.

De Heere Jezus zegt echter dat wij als grote mensen ook van jullie kunnen leren.
Hij zegt het nog sterker: wij moeten van jullie leren,
want anders kunnen wij het koninkrijk van God niet binnengaan.
Wat wij van jullie kunnen leren is dus heel belangrijk!
Want dit zegt de Heere Jezus: Wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind
kan er beslist niet binnengaan
.
Zoals een kind ontvangt.
Wat bedoelt de Heere Jezus daarmee: zoals een kind ontvangt?
Het gaat de Heere Jezus om de afhankelijkheid  van een kind.
Als een kind iets wil, vraagt het aan de ouders.
Een volwassene kan zelf iets voor elkaar krijgen,
maar als een kind iets wil hebben, heeft het de medewerking van de ouders nodig.
Als een van onze kinderen iets bij de Intertoys wil hebben,
omdat ze daar een bon van hebben of iets hebben gezien bij Intertoys,
zijn ze van ons als ouders afhankelijk.
Als wij hen meenemen in de auto naar Elburg of Wezep,
kunnen ze in die winkel iets kopen.
Maar als wij daar geen tijd voor hebben, geen zin in hebben,
kunnen onze kinderen net zo vaak vragen als ze willen,
maar ze krijgen het niet.
Ze kunnen er niet zelf naar toe.
Die afhankelijkheid van een kind laat zich ook op een andere manier zien.
Dat weten de kinderen vast ook wel.
Misschien houd je niet zo van fruit
en heb je liever een mars of een snicker als je uit school komt,
of een lekkere gevulde koek of een mergpijp.
Je komt uit school en je hebt er al zo’n zin in
en dan krijg je van je moeder of van je vader iets gezonds:
een mandarijn of een appel, een stuk komkommer.
Dan kun je wel tegen je moeder zeggen: ik wil iets ongezonds, maar dat helpt niet.
Je moeder zegt dan: ‘Je krijgt dit of niks.’
Of je wilt tussen de middag lekker een snee brood met pasta,
maar je moeder zegt: ‘Eerst iets gezonds.
Pas als je worst of kaas hebt gehad als beleg mag je iets anders.’
Wie het koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal er niet binnengaan.
Alleen als je het ontvangt en anders niet
en de Heere Jezus zegt daarbij: kinderen zijn daar beter in dan volwassenen.
Waarom eigenlijk?
Omdat ze niet meetellen en omdat ze geen andere keuze hebben.
Volwassenen bepalen.
En omdat volwassenen zelf kunnen bepalen,
denken ze ook dat zij kunnen bepalen hoe zij Gods koninkrijk binnen kunnen gaan.
Als ze er maar wat voor kunnen doen.

Hoe dat gaat, hoe volwassenen denken en hoe zij ermee omgaan
zien we in het gesprek met die man
die een vraag heeft, waar hij mee rondloopt, waar hij mee zit, mee worstelt.
We kennen deze man ook wel als de rijke jongeling.
Het is geen verkeerde man. Integendeel.
Eentje van het meest integere soort.
Beter kun je ze niet hebben.
Hij is zo goed voor anderen.
Want als je naar de wet van de Heere leeft,
Steel je niet, bedrieg je niet, licht je niemand op,
ben je zo betrouwbaar als de tempel van Jeruzalem.
Deze man houdt zich aan Gods wet
en dat betekent ook dat hij de arme mensen uit zijn stad helpt.
Dat vertelt Markus niet, maar daar moeten we wel vanuit gaan. Markus veronderstelt dat,
omdat deze man zich aan Gods wetten houdt.
Als hij hoort dat er gezinnen zijn, waar de vader van overleden is,
kunnen ze bij hem terecht voor steun.
Hij doneert een fors bedrag aan de voedselbank
en heeft misschien wel een fonds opgericht om armoede in zijn omgeving te bestrijden.
Dat is ook een onderdeel van Gods wet!
Ja, hij is rijk.
Maar niet op een achterbakse manier rijk geworden.
Zo eerlijk als wat. Er is niets op hem aan te merken. Eerlijk verdiend..
Het is ook geen opschepper, niet iemand die trots door de stad loopt,
maar iemand die nederig is gebleven, bescheiden,
omdat hij weet dat hij zijn rijkdom van de Heere heeft gekregen
en dat de Heere aan hem die rijkdom met een doel heeft gegeven: om armen bij te staan.
Zo eentje waarvan je zegt: een sieraad voor de stad
Hij is er een van wie de mensen zeggen: Hij komt wel in de hemel.
Die komt er wel.

Maar daar twijfelt hij juist zelf aan.
En niet zo’n beetje ook.
Hij ligt er wakker van, van die vraag: is er voor mij wel een plaats in de hemel?
Kom ik er wel?
Heb ik wel genoeg gedaan voor de Heere?
Daarom klampt hij de Heere Jezus aan en legt de vraag die hem zo intens bezig houdt.
Hij gelooft, dat de Heere Jezus hem verder kan helpen.
Want hij valt voor Jezus op de knieën.
Een riskant gebeuren, want overtreedt hij daarmee niet het gebod
dat zegt dat je alleen God eer mag geven en niet aan mensen?
Hij laat zien dat hij in Jezus meer ziet dan de mensen om hem heen.
Knielen is een gebaar van aanbidding, waarmee je zegt: mijn leven is van u, meester.
Alles wil hij wel doen om in de hemel te kunnen komen.
Wat moet ik doen?

Doen of ontvangen: Voor volwassenen lijkt dat hetzelfde.
Als je er iets voor doet, kun je het ontvangen.
Je salaris krijg je, omdat je er iets voor doet, namelijk: je werkt ervoor.
Waardering krijg je, omdat je er iets voor doet: vrijwilligerswerk, een bepaalde prestatie als sporter.
Zo denkt deze man, die bij de Heere Jezus komt, ook over God: ·als ik er wat voor doe, dan is het ook voor mij.
Vertel mij wat ik moet doen en ik doe het, want ik wil dat eeuwige leven beërven.
Vanuit oprecht verlangen!
Er is een klein detail, maar wel veelzeggend
en het vormt de verbinding met de ouders die hun kinderen bij de Heere Jezus brengen.
Vanaf mijn jeugd heb ik mij aan de geboden gehouden.
Met 12 jaar, bar mitzwa, ben je volwassen. Vanaf die tijd kun je er wat aan doen.
Als kind nog niet. Toen telde hij nog niet mee en stelde het niets voor wat hij deed.
Zoals volwassenen over kinderen kunnen praten: ach ja, het is nog maar een kind.
Het stelt nog niet zo veel voor.
Kinderen zijn vooral grappig en aandoenlijk.
Als zij een oplossing voor een wereldprobleem hebben, is dat ontroerend,
maar je bereikt er natuurlijk niets mee.
Kinderen hebben geen invloed.
Kinderen mogen ook niet meepraten. Als je wat groter bent, zal ik het je vertellen.
Wie het koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal er beslist niet binnengaan.
Daar wil de Heere Jezus die man ook krijgen.
Hoe kan deze man, die alles heeft en zich van alles kan permitteren,
wat hij wil kan hij kopen. Hij kan zelf bepalen wie hij kan bijstaan met zijn geld.
Hij is in de positie om voor anderen een goed woordje te doen:
‘Wil je die oudste jongen van dat gezin een goede baan geven? Want zijn vader leeft niet meer.’
‘Die man heeft een grote schuld. Hier heb je een bedrag,
maar ik wil niet dat je het hem vertelt van wie het komt.’
Hoe wordt deze man weer kind?
Niet zozeer van karakter, want dat kan hij misschien zijn,
maar als kind die niet alleen leeft van vertrouwen op de hemelse Vader,
maar het ook moet hebben van wat de hemelse Vader geeft.
Wat moet ik doen?

Jezus zegt: je mist maar één ding. Je bent er bijna. Je hebt al bijna alles.
Eén ding heb je nog niet: dat je weer afhankelijk wordt van wat God geeft,
van wat Hij op je pad brengt.
Verkoop alles wat je hebt.
Moet je voorstellen dat de Heere Jezus dat zegt uit liefde voor deze man!
Verkoop alles wat je hebt!
Je krijgt er wel wat voor terug: een schat in de hemel.
Dat betekent: God geeft je wanneer je nodig hebt, Hij bepaalt wanneer je iets krijgt.
Verkoop je huis en je bezittingen, doe afstand van je positie in de maatschappij,
van de mogelijkheden dat jij bepaalt wie er geholpen worden.
Wees bereid om een totale nobody te zijn voor de mensen,
want het is voldoende als je voor God telt.
Als je Jezus volgt, als Hij bepaalt welke kant je leven opgaat.
Zou u dat kunnen? Zou u dat doen?
Al uw bezittingen verkopen en dan niet aan de kinderen geven,
maar aan de armen?
Het levert de man een diepe crisis op, een shock.
Alles wil hij wel doen, alles heeft hij er voor over: behalve alles opgeven.
Hij kan niet meer kind worden.
En niet alleen voor deze rijke man, die alles heeft, is het moeilijk om weer kind te worden,
zo afhankelijk van God te worden, zoals kinderen afhankelijk zijn van hun ouders.
Voor iedereen is het moeilijk, zegt de Heere Jezus.
Als je Jezus volgt, als Hij bepaalt welke kant je leven opgaat.
En tot de bereidheid om te volgen behoort ook bereidheid om te lijden
En dan bedoel ik niet wat er in Parijs gebeurde, maar in Nigeria en Irak en Syrië.
Christenen die gedood worden, omdat ze bij de Heere Jezus horen.
Dat komt hierna, want dan legt Jezus zijn leerlingen uit dat lijden erbij hoort: kruisdagen.
Leer hen hun kruis vrolijk dragen.

Ik heb hier een naald bij me.
Je kunt de naald al nauwelijks zien, zeker de mensen die achter in de kerk zijn niet.
Boven op de naald zit een klein gaatje waar het garen doorheen moet.
Je kunt dat nog slechter zien dan de naald, nog kleiner.
Eigenlijk had ik ook een kameel mee moeten nemen,
je weet wel, zo’n groot dier, het grootste dier dat er bij de leerlingen van Jezus bekend is.
Zou dat door het gaatje van de naald gaan?
Het is makkelijker om hier door dit kleine gaatje een kameel te laten gaan
dan dat iemand in het koninkrijk van God binnengaat.

Maar dan komt er toch niemand?
Dan komen de discipelen er niet, dan komt u er niet, dan komen de dopelingen er niet.
Maar wacht even, God is er ook nog.
Bij God is alles mogelijk.
En bij God gaat het er niet om, dat wij het verdienen, dat wij presteren,
Dat wij onszelf op de een of andere manier zien te worstelen door dat kleine gaatje.
Want beide verhalen, beide ontmoetingen rondom de Heere Jezus,
de ouders die hun kinderen brengen en de man die ontzettend veel heeft,
gaan niet alleen over het binnengaan in het koninkrijk van God,  maar gaan over God zelf.
Er is er maar Eén goed en dat is God.
En weet je wat dat betekent?
Dat God geeft.
Daarom was het de opdracht in de wet om aan de armen te geven,
zodat mensen die arm zijn door de rijken iets ervaren van Gods goedheid
en bij de giften die ze krijgen zeggen: God is goed!
Het was een eer voor de rijke jongeling om zo op die manier Gods goedheid uit te dragen.
Wat zal hij ervan genoten hebben, dat de mensen die hij hielp,
niet zozeer hem dankbaar waren, maar God.
Geloofd zij God met diepst ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag met Zijne gunstbewijzen.
Wat die rijke man vergat, was dat hij ook zelf van het ontvangen moesten leven.

De ouders die hun kinderen bij de Heere Jezus brachten, hadden het begrepen.
Bij Hem moeten we zijn.
Wat Jezus aan mijn kind kan geven, dat kan niemand anders geven.
Wat Jezus geeft, daaraan heeft mijn kind genoeg.
Daarom, ouders, heb je vandaag voor je kind, het beste gedaan, wat je kon doen.
Je hebt je kind, je kinderen, bij de Heere Jezus gebracht.
Zodat de Heere Jezus kan laten zien dat God goed is.
Zodat de Heere Jezus tegen je kind, tegen jullie kan zeggen:
Ik leg mijn hand op je, je hoort bij Mij, je bent van Mij.
Wat heeft je kind gedaan, waardoor het recht heeft op de doop, op de liefde van Christus?
Niets en juist daarom is het voor hen.
Het koninkrijk van God is voor hen die naar Jezus toegaan
en zeggen: Zegen mij, want zonder U kan ik niet.
Zelf heb ik niets, maar U kunt alles.
Wat leren wij van kinderen?
Ontvangen – aannemen,
maar ook dat God zal geven.
Voor God is niets onmogelijk. Hij wil u, jou, jullie kind, Zijn koninkrijk geven.
Hij wil het zelf: Zijn koninkrijk, Zichzelf geven, want God is goed.
Voor jou, voor je kind.
Amen