En als u aan de hemelpoort staat?

En als u aan de hemelpoort staat?

Een mevrouw, die na de scheiding niets meer heeft gehoord van haar 3 dochters. Als zij ernstig ziek is, wordt aan haar gevraagd of haar dochters ingelicht moeten worden. Zij durft het niet aan, want stel je voor dat ze niet willen komen. Vlak voor het einde, als er bijna geen tijd en geen kracht meer is, volgt er een gesprek:

‘Ik heb me niet veel van God aangetrokken’, zei ze stil. We zwegen.
‘Hoe zal dat gaan als u aan de hemelpoort staat?’ vroeg ik.
Ze zweeg mismoedig. ‘Die zal wel dicht blijven’, zei ze. ‘Ik  heb er niet erg naar geleefd.’
‘Daar ga ik niet over’, zei ik. ‘Ik vertel u maar een oud verhaal over God, een verhaal dat ik niet bedacht heb, een oud verhaal dat God over Zichzelf aan ons gegeven heeft om door te vertellen.’

Dit verhaal komt uit een mooi en ontroerend boek van een boek van Margriet van de Kooi. Zij is ziekenhuispredikant in Woerden en heeft in Pelgrims en zwervers een aantal gesprekken beschreven die zij meemaakte.
In die gesprekken komt voortdurend naar voren dat de genade van God voor niet-gelovigen iets vreemds is, dat zij nauwelijks kunnen en durven te geloven. Geloven is in hun ogen een prestatie. Dat doe je alleen als je goed leeft.
Wat heeft het Kerstevangelie dan een mooie en krachtige troost: de komst van Christus brengt genade, maar is ook genade! Door Hem gaat de hemelpoort open.

N.a.v. Margriet van der Kooi, Pelgrims en zwervers. Uitgeverij Boekencentrum € 13,90.

Advertenties

Er wordt voor God een weg gebaand (Jesaja 40:3)

Er wordt voor God een weg gebaand

Hoor, iemand roept: Bereidt in de woestijn de weg des HEREN, effent in de wildernis een baan voor onze God. (Jesaja 40:3)

Met Kerstfeest vieren wij dat God in ons midden is gekomen. Hij kwam in de gedaante van een kind en werd in de kribbe gelegd.
Zat de wereld op Hem te wachten? Een adventslied begint op die manier: Kom tot ons, de wereld wacht. Zou het? Er was voor Hem geen plaats in de herberg.  Hadden wij verwacht dat God op deze manier zou komen? En als wij dat geweten zouden hebben, hadden wij dan op Hem gewacht?
Bereidt een weg voor de HERE. Dat is de opdracht die Jesaja, de profeet, opvangt. Die oproep veronderstelt dat de weg naar God er niet is. Of niet begaanbaar is, omdat er allerlei puin op die weg ligt. Wat voor een puin kan er niet liggen: gedachteloos aan God voorbijgaan, of juist verdriet en verwijten. Dat puin moet aan de kant, zodat er een weg gebaand kan worden voor God.
Wie moet dat puin weghalen? Voor wie is deze oproep bedoelt? Voor ons? Dat lijkt er wel op. Toch denk ik dat geen oproep is die voor ons is bedoeld. Voor wie dan? Voor iemand die in Gods naam een weg baant. Omdat wij vanuit onszelf niet in staat zijn om in onze wildernis een weg te banen.
In deze week werkt de provincie bij ons aan de weg: de bushalte wordt verhoogd. Daar hebben wij als bewoners van de Zonneweg niet om gevraagd. We hebben er zelfs tijdelijk last van. Het wordt voor ons geregeld, zodat degenen die met een rolstoel of een kinderwagen komen gemakkelijker in de bus kunnen stappen.
De oproep, die Jesaja hoort, is niet voor óns bestemd! Maar voor Iemand anders, die ons leven op orde brengt. Puin ruimt. Een weg baant voor God. Christus zelf of de Heilige Geest (Dat maakt niet uit. Zij zijn één).

Die oproep die God laat klinken, dat is Gods onvoorwaardelijke liefde.
Dus geen: voor wat hoort wat. Dan zou God pas naar ons kunnen komen als wij ons leven op orde hebben. Zou ons dat lukken? God komt, zonder op ons te wachten. Om Zelf een weg naar Hem te banen. Dat is nou genade.
Dus ook niet: ik ben het niet waard dat God komt. Hij is gekomen! Moet u nog meer bewijzen hebben van Zijn trouw en liefde? Zijn wij het waard dat God komt? Hij is gekomen! Dat heeft Hij voor ons overgehad. Hij zegt niet eerst: Je moet het waard zijn! Nee, de Here zegt: Ik maak je waardig om Mij te ontvangen. Die weg leg ik aan. Die weg ben ik zelf. Zodat die weg nooit meer afgesloten kan worden.
Dat is steeds weer het adembenemende van Kerstfeest: God heeft niet gewacht tot wij eraan toe waren. Hij is gekomen en daardoor kunnen wij Hem ontvangen. Er wordt een weg gebaand voor God. God legt zelf die weg. Hij is die weg.

ds. M.J. Schuurman

Vragen voor een gesprek over het Heilig Avondmaal

Vraag 1
Een predikant die pas bevestigd was in een gemeente in Noord-Holland vroeg wanneer het avondmaal gevierd zou kunnen worden.  De reactie: “Avondmaal? Dat doen we al jaren niet meer.” Kunnen wij zonder viering van het avondmaal?

Vraag 2
Gedenken is meer dan een herinnering: wij zijn er zelf bij betrokken. Op welke manier zijn wij betrokken bij het avondmaal?

Vraag 3
‘Het is de viering in het heden van de gemeenschap met Christus en met elkaar’. Wat houdt die gemeenschap met Christus in? Beleef je die gemeenschap met Christus? Zo niet, hoe komt dat? Wat kan er aan veranderd worden?
Vraag 4
‘Geloof kan dwars tegen het gevoel in gaan.’ Wat heeft deze opmerking ons te zeggen?

Vraag 5
In de zelfbeproeving gaat het erom, dat wij oprecht van plan zijn om naar Gods wil te leven. Vraag 6
Bij het Heilig Avondmaal gaat het ook om vergeving van zonden. Die vergeving ontvangen wij van Christus, niet door het Avondmaal als zodanig. Welke rol heeft het Heilig Avondmaal dan bij de vergeving van onze zonden?
(Lees voor het antwoord ook eventueel een avondmaalsformulier door)

Vragen voor een gesprek over “het ambt van alle gelovigen”

Vraag 1
Geloven in Jezus Christus heeft effect op wat je doet.
a) Welke dingen doe ik als gelovige, die ik niet zou doen als ik niet zou geloven?
b) Voor wie doe je het?
c) Wordt je geloof er ook door opgebouwd? Waarom wel/niet?

Vraag 2

Stel: je spreekt iemand die iets voor de kerk doet, maar hij / zij ziet geen resultaat. Wat zeg je tegen diegene?

Vraag 3
Toen Piet Hein Donner gevraagd werd, waarom hij minister geworden was, zei hij: “Als de kerk of de staat je vraagt, moet je goede redenen hebben om ‘nee’ te zeggen.”
(a) Ben je het met hem eens?
(b) Is tijdgebrek een goede reden?
(c) En de gedachte: hier ben ik niet geschikt voor?

Vraag 4

Is iedere gelovige verplicht om wat voor de kerk te doen? Wat vind je van iemand die naar alleen de zondagse eredienst komt en verder geen enkele activiteit doet in de kerk?

Vraag 5
Wat is de roeping van onze gemeente? Op welke manier kan de kerkenraad de gemeente helpen bij de vervulling van deze roeping?

Vraag 6
“Veel christenen kennen wel iemand voor wie ze diep respect moeten hebben en op wie ze graag willen lijken.” Herken je dit? Welke gaven zou je willen hebben? Waarom? Is dit eigenlijk wel een goede manier van denken?

Vraag 7
De Reformatie (16e eeuw) ontdekte het algemeen priesterschap van alle gelovigen. De betekenis hiervan is: elke gelovige heeft een roeping om God te dienen. Volgens de Reformatie heeft dit algemeen priesterschap niet alleen betekenis voor het werk in de kerk, maar ook voor ons dagelijkse (betaalde) arbeid. Wat kan Romeinen 12:1-8 of 1 Petrus 2:1-10 betekenen voor ons dagelijks werk?

Vraag 8
Vandaag de dag wordt er veel nagedacht over de betekenis van de kerk voor onze samenleving. Op welke manier kan de kerk een voorbeeldfunctie hebben? Probeer aan de hand van Romeinen 12 (of 13) hier een antwoord op te vinden?

Vragen voor een gesprek over belijdenis

Vraag 1: U hebt allemaal belijdenis gedaan. Vertel aan elkaar, waarom u dat toen gedaan heeft.

Vraag 2: Wat betekent het nu voor u dat u belijdenis hebt gedaan?

Vraag 3: Wat weet u nog van uw belijdenisdienst? Wat werd er gezongen? Welke tekst kreeg u mee? Lees met elkaar die tekst en vertel aan elkaar hoe die tekst een rol gespeeld heeft in uw leven.

Vraag 4: ‘Het belijden van Christus’ naam bergt altijd u een risico met zich mee.’ Op welke manier lijdt u om Christus’ wil? Hebt u dat er voor over?

Vraag 5:  Vandaag de dag zeggen jongeren nogal eens: ‘Ik ben er nog niet aan toe om belijdenis te doen.’ Wat zou uw antwoord zijn?

Vraag 7: Doop en belijdenis horen bij elkaar. Een doop zonder belijdenis is niet ‘af’. Op welke manier kunnen wij als kerk vandaag de dag dit verband tussen doop en belijdenis weer in ere herstellen?

Vraag 8: Vraagt u wel eens aan de jongeren in onze gemeente(n) of zij belijdenis willen gaan doen? Wat zou u ervan weerhouden om deze vraag te stellen?

Vraag 9:  Veel christenen hebben behoefte om hun geloof te vernieuwen. De één doet dat door zich te laten overdopen. Anderen doen dat weer in de paasnacht. Heeft u die behoefte ook? Op welke manier zou dat kunnen? (Zou het Heilig Avondmaal daar een middel voor zijn?)

Mattheüs 21:1-11: Intocht in Jeruzalem

Vers:  1-11 Intocht in Jeruzalem. De verschijning van de Redder

Inleiding
Luz, Theology, p. 117: ‘With the entrance of Jesus into Jerusalem a new stage opens up in our story.’ Wilckens, Theologie NT I/2, p. 60: ‘Zu beachten ist, daß Jesus hier zum ersten Mal aus eigener Initiative als der verheißene Messias auftritt.’
Tegelijkertijd is deze gebeurtenis door niemand begrepen: door de menigte en zelfs voor de discipelen niet (Lohmeyer). ‘Dieser Sinn ist also das Geheimenis dessen, der hier einzieht.’ Waar gaat het om? Om de intocht van de Messias-koning in Zijn stad. Wij hoeven niet te komen tot Hem, maar het evangelie is dat Hij tot ons komt. Jezus is de beweging van God naar ons toe. Hij verandert door Zijn aankomst de omstandigheden van zijn koningsstad (H.J. Iwand). Deze intocht kan alleen door het geloof begrepen worden (Luther). Peter Brunner: Jezus richt een teken van vervulling op, maar dat teken is nog in de verborgenheid.
Volgens Witherington wordt deze koning door MtEv als de grotere Zoon van David dan Salomo was. Jezus rijdt dus als vredevorst de stad van de grote Koning binnen. Keener: This narrative both portrays Jesus as a king and reinterprets the significance of his kingship (een heerschappij van een totaal andere orde).
In het middelpunt van deze geschiedenis staat het geheimenis van de Koninklijke heerschappij van Christus. Dit geheimenis (en het paradoxale karakter dat deze gebeurtenis door niemand werkelijk begrepen werd) dient het onderwerp te zijn van de verkondiging en de prediking (Iwand). Deze messias-koning komt in ootmoed en nederigheid en brengt vrede. Iwand: ‘Dieser Einzug in die heilige Stad rist nach seiner demonstrativer Art zugleich das Gericht über alle, die die Gottesherrschaft machtpolitisch verstehen.’ Luther: alleen de in deemoed en nederigheid geklede macht verdient lof en aanbidding. (De antithese van wet en evangelie: de wet verscheen op Sinaï en boezemde ontzag in. Christus komt als ons evangelie.)
Luther: ‘Diser bettel König Christus hilft nicht allein wider eine sünd, sonder wider all meine sünd, und nicht allein wider meine sünd, sonder der ganzen welt sünd. Er kompt und will wegnemen nicht alleiun krankheyt, sonder den todt und nicht allein meinen todt, sonder der ganzen welt todt.’

In de oude Duitse perikopenordening (Jaar 1, de oud-kerkelijke evangeliën) komt deze perikoop twee keer voor: op de eerste zondag van advent (als vervulling van het eschatologische heil: de redder komt) en op palmzondag (diezelfde redder lijdt in Jeruzalem voor Zijn volk).
Iwand: Van belang voor de verkondiging is (1) Jezus komt in knechtsgestalte, (2) Daarom is het Woord onmisbaar, (3) Gehoorzaamheid, ontvankelijkheid en belijdenis als reactie van de gemeente.

Vers 1: En toen zij Jeruzalem naderden en te Bethfagé aan de olijfberg aankwamen, daar zond Jezus twee leerlingen uit.
Jeruzalem is het doel van de reis (20:17-18). Jeruzalem is de stad van de grote Koning (5:35); ook de stad waar Jezus veel moet lijden vanwege de Schriftgeleerden en de overpriesters (16:21)
Waarom wordt er gesproken over het naderen van Jeruzalem? Jes. 46:13Lxx: Ik breng Mijn gerechtigheid naderbij, d.w.z.: God komt met Zijn gerechtigheid naar Jeruzalem. Wordt hier gezinspeeld op de gedachte uit het Oude Testament dat God zelf (of Zijn gezant, Mal. 3:1) komt naar Jeruzalem en naar de tempel?
 Over Betfagé is niet veel bekend. In de Mishna wordt Betfagé als uiterste rand van Jeruzalem bedoeld.
Hier bedoeld als etappe op de weg vóór de aankomst in Jeruzalem.
Een berg is voor Jezus een plaats van verzoeking, van gebed en van verheerlijking. De Olijfberg speelt in het lijdensverhaal een belangrijke rol: daar wordt het einde aangekondigd en oordeel over Jeruzalem (24:3) en accepteert Jezus de weg van het lijden (26:30). In de tussentijd spreekt Jezus tot de menigte en zijn discipelen in gelijkenissen.
Was de Olijfberg de kant van Jeruzalem, waar de Messias vandaan kwam? De HEER zou verschijnen op de Olijfberg (Zach. 14:4).
Zenden van een bode duidt op gezag. In hoeverre is hier een toespeling op Jes. 52:6-7? Ook in Mattheüs 10 worden boden 2 aan 2 weggezonden.

Vers 2: Nadat hij tegen hen had gezegd: “Ga naar het dorp dat tegenover u is en onmiddellijk zult gij een ezelin, dat vastgebonden is, vinden samen met haar jong.” 
Blijkbaar is er iemand in dit dorp die het evangelie waard is (10:11).  De gebonden ezelin is terug te vinden in Genesis 49:11 – de spreuk over Juda. Volgens Gnilka is deze allusie bewust: om het Messiaanse karakter van Jezus en de komende gebeurtenis tot uitdrukking te brengen. En vooral ook de voorafgaande tekst over de komende heerser aan wie alle volken gehoorzaam zullen zijn.

Vers 3: Indien er iemand u daar iets over zegt, antwoordt dan: “De Heer heeft ze nodig. Hij zal ze onmiddellijk terugzenden.”
In de exegese wordt benadrukt dat rabbijnen het recht hadden om bij aanhangers rijdieren op te eisen. Als Jezus daar gebruik van maakt, laat hij de dieren na afloop in ieder geval weer bij de eigenaar terugkeren.

Vers 4: Dit is geschied opdat vervuld zou worden wat door de profeet gesproken werd, zeggende:
 In de exegese is er een discussie of en in hoeverre deze geschiedenis echt gebeurd is. De uitleg van de ‘noodzaak’ van dit gebeuren gaat vooraf aan het vervullen van de opdracht.
 Jezus is niet alleen de Koning van Israël, maar ook de vervuller van alle beloften, die God in het Oude Testament gegeven heeft (Schniewind). Gnilka: Een Reflexionzitat wijst op het belang van de opdracht en de vervulling van de opdracht.
Omdat het gebeuren voor zowel de menigte als voor de discipelen niet begrijpelijk was, is er een profetenwoord aan toegevoegd. Iwand wijst op het belang van dit profetenwoord: zonder dit Woord was deze geschiedenis niet te begrijpen. Dit profetenwoord is dus de (hermeneutische) sleutel voor deze gebeurtenis. De citaten geven aan wat er gebeurt: in Jezus komt God zelf naar de stad! In dit gedeelte gaat het niet alleen om het binnentrekken in Jeruzalem, maar ook om de verschijning van de Here zelf in Zijn stad.

Vers 5: Zeg tegen Dochter Sion: “Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezel, een veulenjong van een ezel.”
Een citaat uit Jesaja 62:11. Het citaat gaat verder. Iedereen die de Schrift kent, weet wat er op volgt (en dat dit dus op Jezus van toepassing is): Zie, uw Redder verschijnt. Zijn loon heeft Hij bij zich en Zijn beloning gaat voor Hem uit. In het voorafgaande hoofdstuk is het gaan om de beloning en in latere hoofdstukken komt dit thema terug!
Wat in vers 12 gezegd wordt, is ook van belang, omdat dit alles te maken heeft met wat Jezus in en voor Jeruzalem kwam doen: en men zal hen noemen: het heilig volk, dat losgemaakt is door de Heer. Ú zult worden genoemd: de stad die is opgezocht en niet is verlaten.
Wie wordt hier aangesproken? Iwand: de niet-verlaten stad; degenen die God trouw bleven en niet meededen met de afgodendienst; degenen die op de Here wachtten. ‘Die Gemeinde Gottes in der Welt wird nicht mehr ohne Haupt sein, sie soll nicht mehr preisgegeben sein allen bösen Mächten und falschen Hirten, die mit ihr ihr Spiel treiben.’
Wie niet van zichzelf te verwachten heeft en alles van God verwacht, die zal het ontvangen (Schniewind). Het juk van deze koning is zacht(moedig) (vgl. 11:29).
Peter Brunner: ‘”Zachtmoedigheid” is in de heilige Schrift iets anders dan wat in onze huidige gemeenten (onder invloed van het zwakke, sentimentele beeld van Jezus) voor zachtmoedig houdt. Zachtmoedig betekent niet iemand die naar zijn omgeving vriendelijk en toegeeflijk is. De zachtmoedige verkeert steeds in het dal, in de verdrukking, in de armoede en rechteloosheid. De zachtmoedige is identiek aan de armen, ellendigen en geringen, die geen middel hebben om zich te kunnen behelpen, om hun recht op te eisen. Hij heeft letterlijk buiten God niemand van wie hij hulp zou kunnen verwachten. Hij weet dat hij helemaal op God is aangewezen.”

Vers 6: Nadat de leerlingen waren heengegaan waren en deden zoals Jezus hen had opgedragen,
Gehoorzaamheid aan de messias-koning! Peter Brunner: “Deze arme en geringe is desondanks Koning en Heer, die zich begeven heeft in de sores van de armen en geringen, die zelf zijn koninklijke gestalte heeft afgelegd en de knechtsgestalte heeft aangenomen, maar die toch koning blijft en wiens koninklijke heerlijkheid publiekelijk laat worden door Hem, die de armen in hun verlatenheid niet verlaat, maar hen verhoogt op Zijn tijd.”

Vers 7
: brachten zij de ezel en het veulen en zij legden hun kleding op hen en hij ging erop zitten.
De handeling van het leggen van de kleding op de ezel wordt niet door Jezus opgedragen.

Schniewind: ‘Als de christelijke gemeente deze geschiedenis leest, heeft zij een dieper inzicht in deze roep dan de menigte die dit riep.
Iwand: Van belang voor de verkondiging is (1) Jezus komt in knechtsgestalte, (2) Daarom is het Woord onmisbaar, (3) Gehoorzaamheid, ontvankelijkheid en belijdenis als reactie van de gemeente.

Psalm 118: de intocht komt in het teken van Pesach te staan.

M.J. Schuurman

Gebruikte literatuur


Commentaren
Craig C. Keener, Ben Witherington III, Joachim Gnilka, Julius Schniewind.

Overige literatuur
Ulrich Luz, Theology of the Gospel of Matthew, Ulrich Wilckens, Theologie des Neuen Testaments Bd I/2.
Peter Brunner, ‘1. Sonntag im Advent. Matthäus 21,1-9’, Herr tue meine Lippen auf, Bd. 1. H-J. Iwand, Predigt-Meditationen.

Kerstfeest als missionaire kans

Kerstfeest als missionaire kans

De postmoderne religiositeit is ook een uitdaging voor de kerk. De nadruk op sfeer gaat weliswaar vaak ten koste van de inhoud. Toch kan sfeer iets in het christelijk geloof naar boven laten komen wat anders gemakkelijk verwaarloosd wordt.

Voor veel Nederlanders is het Kerstfeest feest bij uitstek. Ook voor degenen, die geen band meer hebben met een kerk. Kerst wordt desondanks gevierd. We zouden kunnen zeggen: Kerst is een sterk merk van de kerk.

Verlegen met Kerst
Toch zijn we binnen de kerk verlegen met dit feest. Want hoe gezellig en sfeervol het kerstfeest ook is, men heeft toch vaak de neiging om te zeggen dat Kerst niet het eigenlijke feest is. In de kerk zou het moeten gaan om Goede Vrijdag en Pasen. Men is in de kerk verlegen met dat feest. Men beseft aan de ene kant dat dit nog een van de weinige momenten is waarop Nederlanders een kerk van binnen zien. Aan de andere kant heeft men in de kerk nogal eens moeite met de sfeer én met de mensen die alleen rond Kerst in de kerk komen. Dat gemopper op de sfeer hoort ook bij de kerstsfeer. Net zoals de kerstboom tot de folklore rondom Kerst hoort, hoort ook het gemopper van theologen en dominees tot de folklore van dit feest.
Toch is de sfeer van Kerst nog een van de weinige mogelijkheden om de mogelijkheid om degenen, die normaal niet in de kerk komen, te bereiken. De postmoderne religiositeit is namelijk een vorm van geloven, die gevoelig is voor sfeer. Wanneer er minachtend gedaan wordt over de sfeer, wordt een belangrijke kans gemist om het evangelie onder de aandacht te brengen. Het is voor de meeste Nederlanders helemaal niet vanzelfsprekend meer om naar de kerk te gaan. Ook met Eerste Kerstdag of met een Kerstnachtdienst niet. 

Vieren van Gods handelen
In elke godsdienst zijn feesten van belang. Ook in het christelijk geloof. Goede Vrijdag en Pasen zijn belangrijke feesten, omdat deze feesten laten zien, hoe wij van Godswege het heil ontvangen. Namelijk door het sterven en opstaan van Christus. In de christelijke feesten gaat het om wat God voor het heil van de mens heeft gedaan.
In dat kader is de viering van het Kerstfeest ook van belang. Want laat het Kerstfeest niet zien, dat God Zijn Zoon naar deze aarde zond? Laat het Kerst niet zien, hoe belangrijk God onze redding vond? In Christus kwam Hij zelf naar onze aarde toe. Hij daalde tot ons af.
Soms heeft men moeite met het Kerstfeest, omdat dit feest eigenlijk een heidens feest is. Kerstfeest zou in plaats gekomen zijn van het Germaanse midwinterfeest. Dat is echter een mythe, die bedacht is door de Duitse sprookjesverzamelaar Grimm. Deze Grimm had een anti-christelijk motief. In de tijd dat hij leefde was Duitsland net ontstaan als een nieuw land. Hij wilde aan dit nieuwe land een identiteit geven, waarvoor hij het christendom niet nodig had. De folklore rondom Kerst, zoals de kerstboom, stamt niet af van de Germanen, maar zijn ontstaan uit vieringen van het Kerstfeest in de 16e eeuw. Kerst is geen vorm van natuurgodsdienst, zoals de zonnewende of de verandering van de seizoenen. Met Kerst vieren wij het handelen en ingrijpen van God: Hij zond Zijn Zoon. Dat is wezenlijk iets anders.

Ten koste van de inhoud?
Sfeer kan ten koste gaan van de inhoud. Zeker in bij postmoderne religiositeit. Postmoderne mensen halen overal iets vandaan voor hun geloof: een knip-en-plak-geloof. Toch hoeft dat bij de viering van het Kerstfeest niet te gebeuren. Onderschat de kracht niet van de kerstliederen, de verkondiging en de gebeden. De kerk heeft veel meer in huis om aan dit feest diepgang te geven dan wij beseffen.
Hoe belangrijk een goede viering van het Kerstfeest is, realiseerde ik mij na het lezen van een boek van Margriet van de Kooi. Zij is ziekenhuispredikant in Woerden en heeft in Pelgrims en zwervers een aantal gesprekken beschreven die zij meemaakte.
In die gesprekken komt voortdurend naar voren dat de genade van God voor niet-gelovigen iets vreemds is, dat zij nauwelijks kunnen en durven te geloven. Geloven is een prestatie. Dat doe je alleen als je goed leeft.

Een van de gesprekken gaat over een mevrouw, die na de scheiding niets meer heeft gehoord van haar 3 dochters. Als zij ernstig ziek is, wordt aan haar gevraagd of haar dochters ingelicht moeten worden. Zij durft het niet aan, want stel je voor dat ze niet willen komen. Vlak voor het einde, als er bijna geen tijd en geen kracht meer is, volgt er een gesprek:

‘Ik heb me niet veel van God aangetrokken’, zei ze stil. We zwegen.
‘Hoe zal dat gaan als u aan de hemelpoort staat?’ vroeg ik.
Ze zweeg mismoedig. ‘Die zal wel dicht blijven’, zei ze. ‘Ik  heb er niet erg naar geleefd.’
‘Daar ga ik niet over’, zei ik. ‘Ik vertel u maar een oud verhaal over God, een verhaal dat ik niet bedacht heb, een oud verhaal dat God over Zichzelf aan ons gegeven heeft om door te vertellen.’

(Uit: Margriet van der Kooi, Pelgrims en zwervers, p. 34-35)

Margriet van der Kooi vertelt hier de gelijkenis van de verloren zoon. Had zij hier ook niet het kerstevangelie kunnen vertellen?

Levensverhaal
Een levensverhaal, waarin iets van het evangelie duidelijk wordt, dat is een andere mogelijkheid om postmoderne mensen te bereiken. Geen verzonnen, maar echte, authentieke verhalen. Aan het ontstaan van veel kerstliederen is een bijzonder verhaal verbonden. Maar er zijn veel andere verhalen. Zijn de verhalen in het evangelie vanuit zichzelf al niet sterk genoeg?
Als er mensen, die normaliter niet in de kerk komen, moeten we niet direct resultaat verwachten. Het evangelie uitdragen is zaaien. Met Kerst is dat niet anders. Wat God met dat zaad, dat gestrooid is, doet, onttrekt zich vaak aan onze blik. Vergeten wij trouwens niet dat ook voor ons Kerst een verrassing is. Dat God naar deze aarde kwam en dat wij in Hem gingen geloven, dat hebben wij niet zelf bedacht. Dat geheim vieren wij met Kerst.

ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor Maandblad Réveil