Preek hemelvaartsdag 2019

Preek hemelvaartsdag 2019
Daniël 7:7-14 en Mattheüs 28:16-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ze krijgen de opdracht om zich te melden in Galilea.
De laatste keer dat ze als groep bij elkaar waren, was in de tuin van Gethesemané,
toen Jezus opgepakt werd.
In plaats van Jezus bij te staan, zijn ze allemaal weggevlucht
en lieten ze Jezus in de steek.
En nu komt het verzoek om weer bij elkaar te komen.
Niet als voorstel van een van de andere leerlingen om als reünie bij elkaar te komen
en met elkaar te bespreken hoe ze de aanhouding en dood van Jezus kunnen verwerken,
maar een opdracht die tot hen komt van Jezus zelf. Hij is opgestaan!
De vrouwen kwamen het bericht brengen:
Ga naar Galilea en daar zullen jullie Hem ontmoeten.

Zo komen ze bij elkaar op die berg in Galilea.
Hier is het voor hen begonnen. Hier kwamen ze Jezus tegen en begonnen Hem te volgen.
Ze kijken elkaar onzeker aan.
De vorige keer dat ze bij elkaar waren, was Jezus er nog bij
en hadden ze hun mond vol over het bij Jezus blijven:
Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen, had Petrus gezegd
En de anderen hadden die uitspraak van Petrus beaamd:
Wij zullen U niet in de steek laten!
Nu ze zo bij elkaar zijn, herinneren ze zich dat ze zo overtuigd waren
van hun eigen moed en standvastigheid
en ze kijken elkaar beschaamd aan, omdat ze van elkaar weten:
We hebben dat niet waar kunnen maken. We zijn allemaal op de vlucht gegaan.
Allemaal hun eigen kant opgegaan.
Terwijl ze zich schamen over wat er is voorgevallen,
merken ze ook dat het een bijzondere situatie is: ze zijn weer als groep bij elkaar.
Er is iets dat hen samenbrengt: de kracht van de opgestane Heer.
Ze voelen aan dat er iets bijzonders gaat gebeuren: een nieuw begin.
Ze herinneren zich zijn woorden: Waar 2 of 3 in mijn Naam bij elkaar zijn,
ben Ik in hun midden.
Zou Jezus zelf komen? Of is Hij er al nu ze zo bij elkaar gekomen zijn?

Jezus is er inderdaad.
Hun Heer – opgestaan uit de dood.
Er is heel wat gebeurd nadat ze Hem voor de laatste keer zagen.
Ze hebben Hem de rug toegekeerd.
Ze hebben verhalen gehoord over hoe Jezus werd veroordeeld en gekruisigd.
Hoe Hij stierf en begraven werd.
En nu staat Hij weer in levende lijve voor hen.
Petrus, Johannes en Jakobus stoten elkaar aan.
Zoals Jezus aan hen verschijnt, dat komt hen bekend voor,
Toen ze met Jezus mee waren op een andere berg
en Jezus van gedaante veranderde: ze zagen Hem toen in Zijn hemelse heerlijkheid.
Toen bogen ze vol ontzag voor hem neer
en Petrus stelde enthousiast voor om een onderkomen te bouwen,
zodat ze Jezus samen met Elia en Mozes voor altijd bij zich konden houden
in die heerlijkheid, die hemelse glans en glorie die hen omstraalde.
Jezus wilde niet dat ze iets voor Hem en Mozes en Elia zouden bouwen.
Nu begint er iets te dagen, waarom ze dat toen niet mochten doen.
Jezus moest een andere weg gaan, die ze toen nog niet begrepen
en nu eigenlijk ook nog niet echt: de weg naar het kruis, de dood in.
Maar nu is Hij opgestaan en leeft en kunnen ze Hem hier ontmoeten.
Met z’n drieën ervaren ze weer dat bijzondere als toen op die berg
en nu gaan ze weer op de knieën, vol ontzag: U bent onze Heer.

Er zijn andere discipelen die nog niet zo ver zijn.
Ze zouden wel willen buigen, net als de andere discipelen al doen,
maar ze aarzelen.
Is dit wel de Jezus die ze kennen?
Er is een tweestrijd in hen: Ze voelen zich naar Hem toegetrokken en willen Hem aanbidden
Voor Hem op de knieën vallen
En toch is er iets in hen dat hen ervan weerhoudt.
Dit moment is te groots, om zo Jezus de opgestane Heer te ontmoeten.
Ze weten niet waar ze goed aan doen.
Kunnen ze wel voor Jezus buigen, nadat ze Hem de laatste keer in de steek lieten?
En met welke Jezus hebben ze te maken?
Wie is Hij? Toen ze in Caesarea Filippi waren, wisten ze het: U bent de Zoon van God!
Maar nu, nu Hij geleden heeft onder Pontius Pilatus, gekruisigd is, neergedaald in de hel,
opgestaan – Wie is Hij, die nu voor hen staat?
Wat is de gepaste reactie? Hoe ga je Jezus tegemoet?
Twijfel zorgt vaak voor innerlijke verwarring: Heb ik met Jezus te maken of niet?
Moet ik me neerbuigen Hem aanbidden? Of vergis ik me en heb ik niet met Jezus te maken?
Ze komen er niet uit. Wie helpt hen om te zien dat het echt om Jezus gaat?
Dat ook zij kunnen buigen voor Hem, net als de andere discipelen dat al wel kunnen.

Dan komt Jezus op hen toe.
Jezus, de opgestane, koning van hemel en aarde komt hun wereld binnen.

Niet met een heerlijkheid die hen verblindt,
of een macht die hen op een afstand houdt, of over hen heen walst.
Hij stapt op hen af. Hij stapt hun wereld in,
de wereld van de leerlingen, die niet goed raad weten met hun reactie,
die zich verscheurd voelen door de twijfel, waardoor ze niet kunnen buigen,
de wereld van de leerlingen, die weten dat ze de laatste keer dat ze bij Jezus waren
Er niet al te best voor de dag kwamen, die faalden als leerlingen van Jezus.
Zie ons voor U staan, zondig en onrein.

Vader, vol van vrees en schaamte,  buigen wij voor U.

Heel Uw werk, door ons vertreden, klaagt ons, mensheid aan bij U.
Christus maakt zich kleiner, zodat wij Hem kunnen ontmoeten,
zodat Hij bij ons kan zijn en wij Hem kunnen verdragen,
kunnen ontmoeten, kunnen aanbidden.
Hij treedt ook onze wereld binnen, onze kleine wereld, ons leven,
zodat wij Hem kunnen ontmoeten en aanbidden.
Dat is het enige antwoord op onze twijfel, op ons wel willen maar niet kunnen
dat Jezus zelf op ons toetreedt en zegt: Ik ben het, twijfel niet langer, geloof!
Waar er 2 of 3 in mijn naam bij elkaar zijn, daar ben Ik in het midden.
Zo treedt Jezus ons vanmorgen tegemoet,
Terwijl Hij in de hemel is, is Hij hier op aarde bij Zijn gemeente aanwezig.
Er is veel gediscussieerd over de vraag wat de hemelvaart betekent
voor Christus’ aanwezigheid op aarde.
Is Christus dan niet bij ons tot aan het einde van de wereld, zoals Hij ons beloofd heeft?
Wordt in de Heidelberger Catechismus gevraagd.
Dat is niet zomaar een theoretische vraag.
Dat is een vraag die ons geloof diep raakt: We kunnen niet zonder Zijn aanwezigheid.
En het raakt ook Jezus diep in Zijn wezen, in Wie Hij is.
Als Hij niet meer op aarde is, dan klopt de belofte niet die Hij gegeven heeft.
Dan kunnen we niet op Hem bouwen en staan we er alleen voor.
Daarom zegt de Catechismus: Zijn lichaam is in de hemel,
maar naar Zijn God-zijn, Zijn majesteit, Zijn genade, Zijn Geest is Hij hier op aarde.
Zo treedt Hij ook ons vanmorgen tegemoet.
Als Heer, die in de hemel woont en toch hier bij ons kan en wil Zijn,
als onze God en Heer, met Zijn macht en majesteit,
met Zijn genade, die Hij aan ons allemaal wil geven,
Aan ons, die net als de leerlingen zo vaak twijfelen en niet kunnen buigen,
al willen we soms wel, maar lukt het niet, of herkennen we Jezus niet.
Genade voor jou en mij, ons allemaal.
Zijn Geest die ons geloof geeft, leert geloven, helpt om Hem te beamen.
Zoals Jezus op de leerlingen afstapt en in hun wereld komt,
zo heel vertrouwd net als voorheen en toch zo anders, omdat Hij nu verheerlijkt is,
de hemelse Heer, die dood geweest is en zie: Hij leeft!

Zo komt Hij naar hen toe.
Hij heeft hen iets te zeggen, woorden die allereerst aangeven Wie Hij is.
Zijn woorden hebben gezag. Hier is niet een mens aan het woord, maar de Zoon van God.
Uit Zijn mond klinkt niet een veroordeling,
maar een bekendmaking die hen bemoedigt:
Aan mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Het zijn woorden die hen bekend voorkomen.
Niet dat Jezus al eerder, voordat Hij aan het kruis ging, zo gesproken heeft in die woorden,
maar nu begrijpen ze wel waarom Jezus steeds, toen Hij rondwandelde op aarde
sprak over de Zoon des mensen en dat Hij daarmee Zichzelf bedoelde.
De woorden van Christus die hen toespreekt herinneren hen aan Daniël 7,
Waarin aangekondigd wordt hoe iemand in de gestalte van een mens uit de hemel neerdaalt
namens God om God op aarde te brengen:
de persoon die uit de hemel komt wordt daarom ook wel Zoon des mensen genoemd.
Hun meester sprak er vaker over, toen Hij met hen optrok en onderwijs gaf.
Hij sprak toen over zichzelf:

Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap,

en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren.
Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden,

en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.

Die heerschappij is nu aan Mij gegeven, zegt Jezus om hen te bemoedigen
op dat moment dat sommigen nog niet goed weten wat ze moeten.
Geloof me maar! Je kunt Me vertrouwen! Je kunt je leven aan Mij geven!
Die macht om te heersen over heel de aarde heb ik gekregen.
Niet van de duivel, die aan het begin van Mijn optreden op aarde, na Mijn doop
Mij wilde verleiden, waarbij Ik dan voor hem zou moeten knielen.
De macht over heel deze aarde heb Ik ontvangen van Mijn hemelse Vader,
die Mij zond naar de aarde en ook jullie hemelse Vader is.
Hij heeft mij alle macht gegeven.
Ik heb jullie leren bidden: Uw wil geschiede in hemel en op aarde.
Nu Ik ben opgestaan uit de dood heb ik dat gezag ook gekregen
om te regeren, koning te zijn over hemel en aarde.
Bij Mijn geboorte kwamen wijzen uit het oosten om de pasgeboren koning te aanbidden,
om net als jullie te knielen, toen aan het begin van Mijn leven, knielden ze bij de kribbe.
Aan het kruis gaf Pilatus dat aan de mensen te kennen: Koning van Israël.
Hij wist niet dat Ik meer was: koning van de hele wereld, meer dan zijn heerser in Rome
en ook koning in de hemel.
Ik regeer en vanaf nu regeer ik vanuit de hemel ook over de aarde.
Waar Hij zit aan de rechterhand van de Vader.
De koning die aan het kruis hing en daar door iedereen bespot werd,
heeft de troon in de hemel bestegen.
Ieders oog zal Hem zien,ook degenen die Hem doorstoken hebben.

Tegen Zijn leerling zegt Hij: Jullie zijn nu mijn dienaren. Jullie staan in Mijn dienst.
Als koning van deze wereld, als jullie Heer heb Ik een opdracht voor jullie.
Ik heb jullie ooit een gelijkenis verteld over een koning, die zijn knechten erop uit zond
om gasten uit te nodigen voor de bruiloft van zijn zoon.
Zo stuur Ik jullie erop uit, over heel de wereld om zoveel mogelijk mensen te vertellen
over Mij: dat Ik over deze wereld regeer, dat de boze verdreven is, dat Ik heb overwonnen.
Houd het nieuws niet voor jezelf, maar vertel het overal waar je komt.
Laat iedereen het weten.
Nodig ze uit om naar het feest te komen.
Vertel zo over Mij, dat ze bij Mij willen horen, Mij willen dienen en volgen.
Zo verovert deze Koning de wereld: niet door geweld te gebruiken,
maar door Zijn dienaren, die net tevoren nog geaarzeld hebben of ze wel konden buigen,
die van binnen tweestrijd ervoeren.
Zij worden erop uit gestuurd om te vertellen, om uit te nodigen,
om anderen op te roepen Jezus te volgen, Zijn koninkrijk binnen te gaan.
Geen enkel volk is buitengesloten.
De Romeinen niet, die met hun bruut geweld de wereld veroverden niet.
Amerikanen en Russen niet.
De volken op de eilanden in Oceanië, voorbij Australië niet.
De volken uit Groenland en het noorden van Canada niet, de Inuït.
Degenen die op het verste puntje op deze wereld wonen niet.
Geen enkel volk wordt buitengesloten.
Of ze nu in tropische gebieden wonen of bij de poolcirkel.
Of ze nu in makkelijk bereikbare gebieden wonen, of dat ze moeilijk te bereiken zijn.
Ook hier zijn de zendelingen gekomen en hebben verteld.
Ook hier is over deze Heer verteld en zijn er volken gedoopt.
Vaak weten we niet zo veel van ons voorgeslacht, hooguit wat generaties terug.
Misschien komt u wel uit een familie, waar eeuw in eeuw uit al de kinderen werden gedoopt

in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Wellicht is dat nog niet zo lang geleden,
hebben je ouders zich als eersten van hun familie laten dopen.
Of ben je zelf de eerste, die de stap waagde om deze Jezus te volgen.

Als je bij Jezus hoort, ben je nooit uitgeleerd.
Steeds weer moet je ontdekken wat het betekent, dat Jezus over de aarde regeert.
Je raakt dat zo snel weer kwijt.
Vandaar dat die twijfel die de discipelen bezig houdt voor ons herkenbaar is.
We zeggen dan: gelukkig, ook zij waren niet de perfecte gelovigen.
Als zij hun zwakten hadden, soms ook faalden, dan is er ook voor ons hoop
en kunnen ook wij de weg van Jezus gaan.
Op de weg van Jezus leren we steeds weer wat het betekent om Zijn wil te doen.
Toen Jezus aan het begin van Zijn rondwandeling op aarde rondtrok
vertelde Hij al hoe Hij dat voor zich zag: Zijn leerlingen die Zijn wil deden.
Een licht in een donkere wereld door je manier van leven,
door hoe je je opstelt naar anderen toe.
Door je geloof, je hoop, je liefde het licht deze koning te verspreiden.
Als kerk als gemeenschap zo uit deze hoop te leven, zo te geloven, zo lief te hebben,
dat het zichtbaar wordt voor alle mensen, dat je van Christus bent.

Ja, dat laten zien, zo leven en getuigen. Wat brengen we ervan terecht?
En wie zijn wij, gelovigen die vaak wel willen, maar niet kunnen,
of die soms geen zin hebben, er niet op uit willen trekken. Of niet durven.
Nee, zegt Jezus, je moet niet naar jezelf kijken, naar wat jij te zeggen hebt, of durft.
Weet je niet dat Ik mee ga. Ik ben wel in de hemel, maar ook op aarde, bij jou.
Als jij in mijn naam ga, ga ik met je mee.
Er zal geen dag zijn zonder Mij. Alle dagen ben Ik bij je.
Ik geef je Mijn kracht, ik geef je Mijn aanwezigheid. Ik ben met je, alle dagen.
En eens zal deze wereld voorbij zijn. Zal de tijd erop zitten.
Het zal een tijd zijn, waarin heel wat gebeurt, met de aarde, met de kerk.
Als je die tijd meemaakt, zal het geen eenvoudige tijd zijn,
Niet eenvoudig zijn om vol te houden in geloof.
Maar je hoeft niet te wanhopen. Want ook dan ben Ik bij je.
Ik raak jou en deze wereld niet kwijt.
Voor altijd, tot deze wereld ten einde gaat,
dat is de dag waarop Ik terug kom op deze aarde. Houd moet en ga in mijn naam!
Amen

 

Richard Mouw houdt de evangelicale beweging in de VS een spiegel voor

Richard Mouw houdt de evangelicale beweging in de VS een spiegel voor

De evangicale wereld in de VS is in crisis. Jongeren, maar ook ouderen, nemen afscheid van deze beweging. Zij kunnen de zeer conservatieve normen en waarden niet meer onderschrijven. Ze breken stuk op het gebrek aan bereidheid om andersdenkenden serieus te nemen. Ook de steun van veel evangelicals voor president Trump is reden om de evangicale beweging vaarwel te zeggen.

De toonaangevende evangelical Richard J. Mouw (*1940) ziet zich, nu vrienden en oud-studenten van hem afscheid nemen van de evangelicale beweging voor de vraag of hij zichzelf nog wel als evangical kan zien. In zijn boek Restless Faith geeft hij aan, dat hij geen afscheid kan nemen, omdat hij met hart en ziel verbonden is aan waar de evangelicale beweging voor stond.
d5df152e20908e75d0017d93f2a154f3_XL
Bovendien heeft hij decennialang studenten opgeleid in de evangelicale wereld- en levensbeschouwing. Wanneer hij afscheid neemt van deze beweging laat hij hen zonder oriëntatie achter. Mouw is er niet gerust op dat evangelicalen trouw blijven aan hun oorspronkelijke uitgangspunten. Zijn boek is niet alleen een verdediging waarom hij zichzelf nog als evangelical ziet, maar ook een herinnering aan wat een evangelical zou moeten zijn.

Bebbingtons kenmerken
Om aan te geven waar een evangelical voor staat, sluit Mouw zich aan bij de historicus David Bebbington, die onderzoek deed naar de evangelicale beweging. Bebbington constateerde 4 bijzonderheden, die kenmerkend zijn voor deze beweging: (1) het geloof in noodzaak van bekering, (2) geloof in het gezag van de Bijbel, (3) een theologie die de kern ziet in Christus die aan het kruis stierf, (4) een actief geloof, dat niet beperkt is tot de zondagse eredienst, maar dagelijkse discipelschap.
68101

Nu zullen christenen uit andere stromingen deze uitgangspunten kunnen onderschrijven. Het kenmerkende van de evangelical is dat hij hier de nadruk op legt. Het is volgens Mouw niet voldoende is om jezelf te beschrijven als ‘gewoon christen’. Elke christen uit een bepaalde stroming heeft kenmerken, die afwijkend zijn ten opzichte van andere stromingen.

Mormonen
Nu voldoet Mouw niet aan het standaardbeeld van de evangelical. Al vroeg in zijn studie ontwikkelt hij een openheid voor andere christelijke stromingen. Hij raakt tijdens zijn studie bevriend met rooms-katholieke en oosters-orthodoxe leeftijdsgenoten. Hij ontdekt dat wat zijn hoogleraren hem vertellen over deze andere stromingen niet kloppen. Daardoor raakt hij overtuigd van de noodzaak om niet over anderen te praten, maar met anderen. Hij veroorzaakt opschudding door bij een toespraak voor Mormomen in Salt Lake City vergeving te vragen voor hoe evangelicalen met Mormonen zijn omgegaan. Als hij ergens gevraagd wordt om een lezing te geven over de dialoog met Mormonen staat hij erop dat er ook Mormonen uitgenodigd worden om met hen de dialoog aan te gaan. Hij geeft ook voorbeelden hoe je als evangelical met moslims in dialoog kunt gaan.

Burgerrechtenbeweging
In de jaren-’60 raakt hij door zijn verzet tegen de Viëtnamoorlog en geïnspireerd door Martin Luther King betrokken bij de burgerrechtenbeweging. Tot dan toe is de evangelicale beweging a-politiek en niet betrokken op de maatschappij. Hij verkeert in progressievere kringen, maar kan zich door een andere geloofsbeleving niet aansluiten. Samen met anderen werken ze aan maatschappelijk engagement onder evangelicalen. Samen met anderen komen ze in 1973 in Chicago bij elkaar en publiceren The Chicago Declaration of Evangelical Social Concerns.

Neocalvinistische traditie
Mouw, die opgroeit binnen de Dutch Reformed traditie ontdekt dat zijn eigen neocalvinistische traditie van Calvijn, A.  Kuyper en H. Bavinck volop nadenkt over de maatschappelijke betrokkenheid van christenen.
Mouw is geen relativist. Hij waardeert het robuuste van het evangelicale geloof, zodat bijvoorbeeld duidelijk is over zonde en genade. (Restless in de titel staat niet voor rusteloos, maar voor robuust, geworteld op een fundament.) Hij is wel leergierig en ziet overal om zich heen uitdaging om als evangelicaal theoloog over na te denken. Zijn calvinistische achtergrond geeft hem in zijn ogen een ontspannen houding naar andersdenkenden: hij kan hen het geloof niet geven en de (neo)calvinisten hebben via de gedachte van de algemene genade oog voor Gods werk onder andersgelovigen.

Geen afgeronde theologie
Hij wil niemand bij voorbaat uitsluiten of afschrijven. Wanneer Rob Bell de evangelicale wereld in beroering brengt door afscheid te nemen van de hel, geeft Mouw aan dat Bell belangrijke vragen stelt. Hij houdt niet van een afgeronde theologie. Zijn eigen theologie heeft iets rommeligs, een openheid voor het mysterie, dat God vaak via verrassende wegen werkt. In de loop van jaren heeft hij geleerd dat de boodschap met oog voor de context waarin mensen leven gebracht moet worden. In dat kader kan hij verrassend positief zijn over de tv-predikant Robert Schuller, die aansluiting wist te vinden vanuit het christelijk geloof met de populaire therapeutische cultuur, die in de jaren-’70 ontstond. Mouw heeft geleerd om door te vragen naar de diepste verlangens van mensen en daar vanuit het christelijk geloof bij aan te sluiten.
download (6)
Geen profetische kritiek
Hoewel Mouw kritisch is op de recente ontwikkelingen binnen de evangelicale beweging, voelt hij niets voor profetische kritiek. Hij vindt dat te vrijblijvend. Liever besteedt hij tijd aan goed onderwijs om studenten een robuuste levensbeschouwing en toch een open, betrokken en nieuwsgierige houding naar andersdenkenden, een houding om kritisch op de eigen ontwikkeling te kunnen reflecteren en met die kritische reflectie een onbevangen houding naar de eigen uitgangspunten en die van anderen te ontwikkelen. Alleen op die manier kan de evangelicale beweging bestand zijn tegen hen, die de beweging willen kapen voor hun conservatieve of politieke belangen. Dan hoeft er ook geen afscheid genomen te worden van de evangelicale beweging, maar kan juist het waardevolle van deze beweging ingezet worden in kerk en maatschappij.

N.a.v. Richard. J. Mouw, Restless Faith. Holding Evangelical Beliefs in a World of Contested Labels (Grand Rapids, Michigan: Brazos Press, 2019).

Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op 22 mei 2019

Preek zondagavond 19 mei 2019

Preek zondagavond 19 mei 2019
Romeinen 6:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn tijd op de middelbare school las ik een roman van de schrijver Gerard Walschap
over de verloren zoon, die na een tijd weggegaan was, weer was thuisgekomen.
In die roman was de verloren zoon, in het boek Gad uit Nazareth, weggegaan,
omdat het hem benauwde in het dorp waar hij opgevoed was.
Na enkele jaren keerde hij weer terug, om het leven van vroeger op te pakken.
Maar het lukte hem niet.
Hij liep tegen dezelfde bekrompenheid op, die hem eerder deden wegtrekken uit zijn dorp.
Hij vertrekt weer en zo gaat het in het boek eigenlijk steeds:
wegtrekken en weer in het dorp komen en in zijn plaats van herkomst niet kunnen aarden.

In Romeinen 6 gaat het er ook over hoe dat leven er uit ziet,
nadat je als verloren zoon (of verloren dochter) weer bent thuisgekomen met je doet.
Lukt het om te aarden in dat nieuwe leven,
waarin je weer bent aangenomen als zoon of dochter van God?
Heb je het naar je zin nu je thuisgekomen bent?
Geniet je om bij de hemelse Vader thuis te zijn?
En hoe ziet dat leven, nu je weer thuis bent bij God, er uit?
Mag je nog iets van dat oude leven hebben?
Van dat dwalen door de wereld, die losbandige levensstijl?

Paulus is blijkbaar mensen tegengekomen,
die vinden dat je best nog iets van die oude levensstijl mag hebben.
Als je nog iets van dat oude leven houdt, wordt de genade alleen maar groter.
Of misschien gaat het om mensen, die in geuren en kleuren vertellen over dat oude leven,
over wat ze allemaal wel niet verkeerd hebben gedaan,
net of ze er trots op zijn, wat ze allemaal hebben meegemaakt,
erop kunnen pochen hoe bijzonder het is dat zij door Christus gegrepen zijn.
Natuurlijk, het gaat om de eer van Christus,
Christus die zo genadig is en zo krachtig werkt en ook hen kon bekeren.
Maar het is net of dat bijzondere van Christus alleen maar zichtbaar wordt
als je zo kunt vertellen over wat er allemaal wel niet nodig was
om je tot inkeer te brengen.
Alsof ze net iets teveel van dat oude leven houden, teveel heimwee naar dat leven toen
En dat oude leven toch ergens nodig hebben om van Christus te genieten.
Of het voor hen niet genoeg is dat ze Christus hebben
en dat ze dat oude leven niet echt als een last ervaren.

Paulus is daar heel fel op: dat oude leven moet helemaal achter je liggen.
Je mag van dat oude leven niets in je overlaten.
Je moet er niet teveel aan terugdenken, niet te groots over zijn,
ook al is het je bedoeling om daarmee de genade van Christus groter te maken.
Want dat oude leven blijft bezig om je terug te winnen, om weer invloed op je te krijgen
en mee te nemen op de verkeerde weg, zodat je weer bij God vandaan gaat.
Als je teveel met dat oude leven bezig bent, ook al is dat om Christus’ genade te belichten,
voed je de kans om heimwee te krijgen, loop je het risico om de deur open te houden.
Het zijn begeerten, die in dat oude leven volop te kans kregen,
niet afgeremd werden, niet tegengehouden werden, niet bestreden werden,
Waarmee de zonde probeert in ons leven terug te komen.
Blijkbaar zijn die begeerten een zwakke plek van ons
En vormen ze voor de zonde een gemakkelijke en verborgen manier
om weer de macht in ons leven terug te krijgen.

We zijn bevrijd uit de macht van de zonde, omdat Christus gestorven is
en Hij in ons leven gekomen is
en toch blijft die zonde om ons heen cirkelen om bij ons weer binnen te dringen,
om ons te veroveren, zonder dat we dat door hebben.
Wat maakte het voor de verloren zoon zo aantrekkelijk om weg te gaan bij zijn vader,
naar een ver land af te reizen, waar hij kon leven, zoals hij dat wilde,
waar hij zich niet afgeremd werd door schaamte
of door mensen die naar hem toe kwamen en zeiden:
als je vader eens wist, waar je mee bezig bent, wat zou hij dan zeggen?
Als je moeder wist, dat je hier was, dan zou ze wel erg veel verdriet hebben.
De begeerte waar Paulus op doelt, is het verlangen in ons mensen
en dan vooral het verlangen naar wat verkeerd voor ons is, schadelijk voor ons is.
In Romeinen 13 noemt Paulus enkele van die begeerten:
zwelgpartijen en dronkenschappen, slaapkamers en losbandigheid, ruzie en jaloezie.
We hoeven dat niet eens uit te werken, omdat iedereen wel begrijpt waar het om gaat
en iedereen wel begrijpt, waarom dit begeerten zijn, waar we kwetsbaar voor zijn.
Je moet daar tegen strijden zegt Paulus, want die begeerten zijn sluiproutes
waardoor de zonde weer in je probeert te komen
En de zonde neemt geen genoegen met een klein plekje in je leven,
maar wil je hele leven hebben, je helemaal in dienst nemen.

Het is Paulus hier te doen om het conflict dat er is tussen Christus en de zonde.
De zonde, die aan het kruis het onderspit moest delven, zijn macht kwijtraakte.
Paulus zegt: u hebt zelf ervaren hoe u bevrijd bent van de macht.
Paulus dacht aan zijn gemeente, waarvan iedereen die er bij was een bekeerling was,
toegetreden was tot Christus en daarmee tot de gemeente
en in die gemeente met Christus opnieuw begonnen is.
Christus wil ook het liefst met u opnieuw beginnen
en hopelijk is Hij al met u, met jou begonnen
en zeg je: ja, ook voor mij is de macht van de zonde verbroken. Ik mag vrij zijn.
De zonde heeft over mij geen macht meer.
Ja, ik voel nog steeds wel de zonde aan mij trekken
en ik merk hoe de zonde in mij die begeerten aanwakkert, maar ik strijd ertegen.
Mijn enige troost is dat ik toebehoor aan Jezus Christus.
Ik ben niet meer van mijzelf, maar ben eigendom van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus,
die met Zijn eigen dood mij heeft vrijgekocht van uit deze macht en mij bevrijd heeft.

Of misschien moet je wel erkennen, dat je nog niet zover bent
En dat je, als je over jezelf nadenkt, merkt dat de zonde nog steeds macht over je heeft.
Dat Christus niet de enige in je leven is,
en dat je toch een deur openhoudt voor die begeerten, omdat ze je nog zoveel plezier geven
of omdat je zelf niet in staat bent om die invloed uit je leven weg te krijgen.
Je zou wel willen, maar je vecht nog steeds niet tegen de zonde, eerder tegen Christus,
om Hem nog niet alles in je leven te bepalen.
Dan wordt er om je gevochten, want Christus wil je niet in de macht van de zonde laten,
want Hij weet hoe nadelig die macht voor je is, hoezeer het een macht is die je kapot maakt,
in de greep houdt en je niet wilt laten gaan.

Of misschien merk je dat gevecht in jezelf wel: de strijd die geleverd,
Dat je aan de ene kant dat verkeerde aan je voelt trekken, maar dat je niet altijd wilt,
Dat je niet altijd mee wilt gaan en dat je voelt dat het niet meer kan op die manier,
maar toch ben je dan soms niet sterk genoeg en ga je toch onderuit.
De zonde laat je ook niet zomaar gaan.

Na een kerkdienst, waarin ik vraag 1 van de Heidelberger Catechismus voorlas,
werd ik door een van de aanwezigen aangesproken, een vrouw.
Ze vertelde dat ze geschrokken was van het antwoord van de Catechismus.
Dat antwoord had haar op een verkeerde manier geraakt.
Ze was vooral geschrokken van het woord ‘eigendom’ – je wordt eigendom van Christus.
Dat had voor haar heel beklemmend geklonken.
Wanneer er een woord verkeerd valt, is er vaak meer aan de hand
En raakt het aan een gevoeligheid die iemand heeft
en dat bleek ook bij deze vrouw te zijn.
Ze vertelde dat ze net gescheiden was, hoe haar huwelijk was vastgelopen,
omdat ze steeds meer van zichzelf kwijtraakte in het huwelijk,
hoe haar ex-man haar steeds minder van haarzelf in het huwelijk accepteerde.
Uiteindelijk zag ze maar één manier om zichzelf te redden: uit het huwelijk stappen.
Die jaren van haar huwelijk hadden echter zoveel invloed op haar gehad,
dat één woord genoeg was om haar weer even terug te brengen in die tijd,
waarin zij gevangen zat en alle vrijheid miste.

Ook dat oude leven in de zonde heeft iets beklemmends, waarin we onze vrijheid kwijtraken.
In een menselijke relatie kan iemand zijn slechte kant een tijd lang verborgen houden,
maar als het huwelijk eenmaal gesloten is, als je samen bent als man en vrouw
opeens die verkeerde kant laten zien, omdat je toch niet meer terug kunt.
Zo kan de zonde de slechte kant eerst verborgen houden
en het verkeerde eerst aanlokkelijk maken, dat je gek bent als je het laat lopen,
dat je toch heel wat mist, als je niet op die begeerten ingaat.
dat het geen kwaad kan om een keer op zo’n begeerte in te gaan.
En als je eenmaal binnen bent, in zijn greep, dan laat hij je niet meer gaan
hij heeft je wil heeft overgenomen:
in de macht van de zonde niet meer je zelf kunt bepalen wat je wilt doen,
En hij wakkert de strijd tegen Christus aan door te doen alsof je bij Hem je vrijheid kwijtraakt dat je bij Christus niets te zoeken hebt.
Zo maakt de zonde het je steeds moeilijk om van hem los te komen.
Hij is als een stalker, die je niet zomaar laat gaan, als je van hem bent geweest.

Zelfs als Christus voor je strijdt en in je leven wil komen,
zelfs als Christus de zonde in jouw leven, uw leven te sterk is,
geeft de zonde niet zich zomaar gewonnen.
De zonde heeft echter geen recht meer op je, zegt Paulus.
Je bent overgegaan naar een andere eigenaar:
van de macht van de zonde in Christus’ handen.
Het is de overgang van iemand die je geroofd heeft naar iemand die recht op je heeft.
Van iemand die je verleid heeft en meegenomen heeft op de verkeerde weg,
naar degene die je geschapen heeft en steeds op je wacht tot je weer thuis komt.
Die overgang naar Christus, weg uit de zonde gebeurde op een bijzondere manier:
Mee-gekruisigd met Christus – met Hem mee naar het kruis en het graf in.
Dat betekent dat de zonde je moest laten gaan en dat er een nieuw leven gekomen is.
Zo radicaal, dat je niets van je oude leven hebt kunnen meenemen.
Zoals je na een echtscheiding uit een moeizame relatie niets wilt meenemen,
niet de angst die je had, niet het gevoel van onvrijheid, niet het gevoel jezelf kwijt te raken,
zo mag er niets in dat nieuwe leven meekomen van dat oude leven.
Niet in de vorm van heimwee, niet in de vorm van grootse verhalen over hoe het toen was.
Je begint helemaal opnieuw.

In de uitleg wordt dit gedeelte nogal eens verbonden met de doop.
De doop, die voor de eerste christenen gebeurde met onderdompeling:
je gaat kopje onder: de oude mens sterft en je staat op als nieuw mens.
Of je zou het ook anders kunnen zeggen: je gaat helemaal onder in Christus,
zodat Hij je helemaal vervult, niet alleen je gedachten en je hart, maar ook je huid.
Heel je bestaan, heel je wezen, helemaal zoals je bent,
zodat alles van je, van top tot teen, binnenkant en buitenkant toegewijd wordt aan Christus
En er geen enkel stukje van je bestaan, van wie je bent, van je lichaam, je identiteit
nog aan de zonde toebehoort.
Want al zou er maar één stukje in de zonde zijn, dan zou er aan je getrokken worden
om je weer de verkeerde kant op te krijgen en zou je het risico lopen
weer terug te vallen in het oude bestaan en Christus ook de redding mis te lopen.
Daarmee zou ook onze redding op het spel staan en niet alleen onze redding,
maar ook de genade van God, de kracht van God,
die dan niet in staat zou zijn geweest om ons helemaal te redden.

Er is een nieuw leven, zegt Paulus, radicaal nieuw – geschonken in Christus:
In Zijn sterven en opstaan, waarin Hij ons meenam
en voor ons dat nieuwe leven gaf.
Dat vraagt ook van ons iets.
Dat vraagt ook van ons een strijd – een strijd tegen die begeerten,
waarmee de zonde ons wil heroveren.
Laat de zonde niet meer over u heersen – hij heeft er geen recht meer op.
Ga niet in de zonde mee, stel jezelf niet ter beschikking aan de zonde,
Want je hebt een nieuwe Heer, die je vrijkocht door zelf te sterven.
Stel je leven in dienst van God, want Hij heeft je levend gemaakt.
Amen

Preek zondagmorgen 19 mei 2019

Preek zondagmorgen 19 mei 2019
Schriftlezing: Lukas 15:11-32

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader.
Daarmee zegt hij hardop,
hoe er binnen het gezin en onder de knechten over de jongste zoon werd gedacht.
Dat hoeft niet eens hardop uitgesproken te zijn, toen die jongste zoon het erf verliet,
het ouderlijk huis achter zich liet en brak met zijn familie.
Het kan ook zijn, dat toen de jongste zoon wegtrok, zijn spullen ook weg waren.
Dat alles wat aan de jongste zoon herinnerde opeens weg was:
zijn plek aan tafel werd niet meer gedekt, zijn slaapkamer leeg, zijn kleren verdwenen.
Op de dag dat hij jarig was, werd er geen aandacht aan besteed.
Er werd gedaan alsof die dag niets bijzonders had.
Alsof hij nooit onderdeel had uitgemaakt van dit gezin.
Alsof hij nooit bestaan heeft.
Of het is een uitspraak geweest, die gedaan werd toen over de jongste werd gepraat.
‘Mijn broer? Die bestaat niet meer voor mij!’

Het vertrek van de jongste was pijnlijk geweest.
Allereerst voor de vader: de jongste zoon die met zijn vraag om de erfenis te krijgen,
deed alsof zijn vader al overleden was en voor hem niet meer bestond.
Na het vertrek van zijn jongste zoon had de vader geen leven meer,
Want niemand in het dorp kon hem nog serieus nemen,
met die zoon van hem die hem zo openlijk de grond in getrapt had.

Pijnlijk was het geweest voor zijn oudere broer.
Wellicht niet eens omdat hij een deel van de boerderij opgeëist had
(Als tweede zoon zou de jongste ⅓ krijgen) en dat verkocht had,
maar omdat die jongste zoon vertrek en zijn oudere broer in de steek liet.
Hem alleen achterliet met die vader.
Als broers kun je onderling bespreken hoe je ouders zijn.
Dat kun je niet met iemand van buiten het gezin bespreken.
Wanneer zijn vader er niet meer zou zijn, zou zijn jongere broer een belangrijke steun zijn
om het bedrijf over te nemen en verder uit te bouwen.
Nu die broer van hem vertrokken is,
heeft niet alleen het bedrijf een behoorlijke financiële klap gekregen,
Waarbij je hard moet werken om het bedrijf weer enigszins rendabel te maken.
Teleurgesteld in zijn broer, die hem hier alleen achter laat met zijn vader en het bedrijf
En egoïstisch alleen maar denkt aan zijn eigen verlangens
en niet in staat is geweest om zijn eigen wensen ondergeschikt te maken
aan de belangen van de familie
en met zijn wens om de erfenis te krijgen, zijn deel te verkopen en weg te trekken
aangeeft dat zijn familie niet meer voor hem bestaat, voorgoed met hen breekt
en hen met de schande en de schade achterlaat, die hij heeft aangericht.
Wanneer dat zoveel pijn geeft, als je denkt aan wat je broer heeft gedaan
en als je je ervoor schaamt dat hij is weggegaan en daar niet over durft te vertellen,
dan kun je er maar beter over zwijgen. Net doen of hij niet meer bestaat.

In dit verhaal dat de Heere Jezus vertelt
gaat het niet alleen over hoe het er in gezinnen aan toe gaat,
Maar hoe iemand zich van God verwijdert
en ook hoe degenen die wel bij God blijven daarmee omgaan,
Hoe ze naar iemand kijken.
Of ze iemand afschrijven of de deur open houden om terug te komen.
Om ons een spiegel voor te houden vertelt Jezus de meest extreme vorm:
iemand die weggaat, de deur achter zich dicht trekt
en een deel van de achterblijvers die ook de deur op geen enkel moment willen opendoen.
Lekker makkelijk om er zo op los te leven
en dan als je wilt veranderen, kun je nog bij God terecht en vergeeft Hij je helemaal.
En jij gaat maar elke zondag naar de kerk.
Als je uitgenodigd wordt voor een feestje op zondag, zeg je dat je niet kunt
en wanneer je zaterdagavond iets hebt, zorg je ervoor dat je bijtijds thuis bent,
zodat je op zondagmorgen er toch nog redelijk fris bij zit in de kerk.
Je houdt je aan de regels van het geloof en het kost je moeite,  elke dag weer opnieuw,
omdat je ook wel eens wat moet laten schieten,
wat je eigenlijk wel zou willen, maar wat niet kan volgens je geloof.
Je zet een film af, omdat er iets in gebeurt dat je niet kunt rijmen met je geloof.
Je helpt je broer, hoewel hij je nooit bedankt en nooit iets voor jou doet,
maar vind dat je hem niet kan laten vallen, omdat Jezus daar iets over gezegd heeft.
En als je dan eens kijkt naar mensen, die niet geloven, hebben die het soms maar makkelijk.
Voor jou is geloven zwoegen, veel ontzeggen, omdat het botst met het leven met God.
Dan leven ze eerst heel gemakkelijk, dan kunnen ze toch nog aankloppen bij God
en Hij doet voor hen open en zegt niet dat ze eerst hun leven op orde moeten hebben.

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader tegen zijn knechten
en zegt het later als zijn oudste zoon weigert om met het feest mee te doen,
het feest dat gegeven wordt omdat de jongste zoon thuisgekomen is:
Jouw broer – na alles blijft het je broer, je kunt die band niet wegpoetsen – was dood,
maar hij is weer levend geworden.
Het is niet minder dan een opstanding uit de dood, dat deze zoon, jouw broer gekomen is.

Zou de jongste zoon dat ook zo gevoeld hebben, dat hij voor zijn familie als een dode was
en vast ook voor degenen die in het dorp wonen
en wisten welke schande die jongste zoon over zijn familie uitstortte?
De vader zegt het niet tegen hem, dat hij dood was.
Hij zegt het alleen tegen de knechten en tegen zijn oudste zoon.
Zou hij het ook zo ervaren hebben?
Hij zal in het begin er zijn schouders over opgehaald hebben:
Hoezo dood? Nu leef ik pas! Eindelijk los van mijn familie en opnieuw beginnen,
het leven zoals ik altijd gewild heb. Geen druk, geen regels – mijn eigen leven.
Dat hij met zijn uitbundige levensstijl een leegte verbloemde, heeft hij nooit beseft.
Aan het opbouwen van contacten dacht hij niet, want hij leefde alleen voor zichzelf.
Aan anderen denken, investeren in relaties – dat was iets van zijn familie.
Totdat hij niets meer had en er alleen voor stond:
Zijn feesten, zijn uitgavepatroon, zijn levensstijl lieten hem met lege handen staan.
Een destructieve manier van leven, dat alles kapot maakt:
Eerst zijn familie en daarna het geld dat van zijn familie is
en er is niets voor in de plek gekomen.
Wie had dat gedacht: van shoppen in Parijs, naar shoppen voor de laagste prijs?

Denk je dat hij tot inkeer komt?
Dat er een moment is waarop hij nadenkt over wat hij gedaan heeft?
Wanneer hij helemaal failliet is en niets meer heeft en bij niemand kan aankloppen
is er nog geen zelfreflectie bij deze jongste zoon.
Nog steeds probeert hij zichzelf te redden, zich staande te houden.
Hij is van huis gegaan en heeft daar de deur dicht gedaan. Dus die weg is afgesloten.
Pas als hij geen eten meer heeft
en hij toekijkt naar de varkens, waar hij voor zorgt, die wel te eten hebben en hij niet,
dan komen de eerste gedachten aan thuis toe.
Als hij helemaal aan de grond zit, dan moet hij opeens aan zijn vader denken
En komt zijn vader hem voor de geest.
Zijn vader, waar hij mee gebroken heeft, bij wie hij het niet uithoudt,
zou zijn knechten niet zo slecht behandelen als deze baas,
Die hem bij de beesten af behandelt.
Hoe negatief hij ook altijd over zijn vader heeft gedacht,
of gewoon niet aan hem heeft willen denken,
nu beseft hij dat zijn vader toch een goede kant heeft, die hem in het leven kan houden.

Je broer was dood, zegt de vader
en hij bedoelt misschien wel hetzelfde als die oudste zoon zegt,
dat zijn jongere broer het geld er doorheen gejast heeft door naar de hoeren te gaan.
Maar er is wel een verschil in toon:
de oudere broer kan alleen maar vanuit verbittering kijken naar zijn jongere broer,
zijn eigen pijn en teleurstelling is zo diep dat hij niet kan zien
hoe zijn jongere broer ook een pijn en teleurstelling met zich mee droeg
en dat hij niet in staat was ook maar iets goed te maken van de pijn die hij veroorzaakte.
Hoe hard die jongste zoon ook werkte, de zoon kon het niet meer goed maken.
Ja, dat geld kon er wellicht komen.
Maar het zou nooit meer worden wat het was
En als het toch goed zou komen, dan zouden er nog de jaren zijn van gemis,
waarop ze niet bij elkaar waren.

De vader heeft ook pijn gehad, elke dag heeft hij de leegte gevoeld,
geleden, niet door beledigde trots, maar er aan geleden dat zijn zoon er niet was,
dat zijn plek leeg bleef.
Dat hij er niet bij was met de maaltijden, dat hij niet meewerkte op de boerderij,
dat hij er niet bij was als er feest gevierd werd.
Het leven ging door en die jongste zoon die miste zoveel van het gezinsleven.
Wat zal hij allemaal niet gemist hebben: bruiloften, geboorten, uitbreiding van het bedrijf.
Elke dag heeft deze vader uitgekeken, de horizon afgespeurd,
alsof hij niet kon geloven dat zijn jongste zoon voorgoed zou wegblijven
en dat er een moment moest zijn, waarop zijn gestalte in de verte zichtbaar zou zijn.
Toen het bericht van hongersnood kwam, heeft hij wellicht gedacht:
Als hij nog leeft, dan komt hij wel terug – want hij moet toch ergens van leven.
Hij heeft gewacht en gewacht en gewacht – en steeds was er niets te zien in de verte.
Hij wacht alleen nog maar totdat je komt.
En wat je nu ook doet, Zijn liefde blijft bestaan.
Ook niets wat jij ooit deed verandert daar iets aan.
Omdat Hij van je houdt gaf hij zijn eigen Zoon.
En nu is alles klaar wanneer jij komt.

Kom tot de Vader, kom zoals je bent.
Heel je hart, al je pijn
is bij Hem bekend.
De liefde die Hij geeft, de woorden die Hij spreekt.
Daarmee is alles klaar wanneer jij komt.

Terwijl voor de oudste broer elke dag dat zijn broer niet kwam opdagen een opluchting was
of niet meers meer aan de mogelijkheid heeft gedacht dat zijn broer nog terug kon komen,
wacht de vader.
Waarmee Jezus wil zeggen: besef je niet dat Mijn Vader op jou wacht?
Op de uitkijk staat.
Ik kwam wel eens bij een gemeentelid, waarin de kamer tegenover de stoel waar ze altijd zat
er een geborduurde schilderij van de verloren zoon hing die thuiskwam,
waarbij de vader steeds de armen wijd houdt.
Alsof ze dat steeds nodig had om daarnaar te kijken, om eraan herinnerd te worden:
dit is mijn hemelse Vader. Hij staat met de armen wijd, totdat ik ook kom.

Jezus vertelt die gelijkenis niet alleen voor degenen die ver weg getrokken zijn,
die afscheid namen van God en van het leven met God,
er op uit trokken om hun eigen leven te leven, van God los.
Ook voor degenen die achterblijven, die hun hele leven bij de vader thuis bleven wonen
en niet de wijde wereld in trokken, maar thuis hun bijdrage leverden
en zo hard werkten dat er geen tijd was voor een feest met de eigen vrienden.
En als de jongste zoon dan thuis komt, wil hij niet mee doen met het feest.
Dat gunt hij zijn jongste broer niet
en waar de jongste broer uit eigen beweging thuis komt,
moet de oudste zoon gehaald worden.
Ook met hem zit het niet goed.
Hij is wel voortdurend bij zijn vader, maar ook voor hem is er een afstand tot de vader.
Heel subtiel en alleen zichtbaar voor wie in staat is
om familepatronen te doorzien, die de schone schijn ophouden van een perfecte familie.
De oudste zoon is op het veld. Ook hij is weg, net als de jongste zoon.
Alleen hij kan het maskeren door te doen alsof hij plichtsgetrouw is.
Ook hij wil erop uit trekken, een leven zonder de vader,
want hij verlangt naar een feest met zijn vrienden, waar hij zonder zijn vader is.
maar hij doet het niet – te kiezen voor een leven zonder zijn vader.
Of omdat plicht hem weerhoudt, of omdat hij niet durft.
Bang is om dood verklaard te worden en alles kwijt te raken.
Hij is altijd bij de vader gebleven, maar heeft nooit ingezien hoe waardevol dat was
en hij heeft ook niet gezien hoe zijn vader was.
Nooit het hart gezien van deze vader. Nooit zijn pijn om de zoon,
nooit willen zien dat zijn vader getroost moest worden, omdat er één weg was.
Zou dat ook voor God gelden? Dat Hij getroost moet worden, als Hij er één mist,
een van Zijn kinderen, die erop uit getrokken zijn?
Wij kunnen God wellicht niet troosten, maar als er mensen erop uit trekken,
de wijde wereld in en Hem niet nodig hebben, zal het Hem zeker iets doen
en staat Hij op de uitkijk, te wachten of ze al komen.

Die liefde is er ook voor de oudste zoon.
Want er is feest om de terugkeer van de jongste zoon,
maar het feest is incompleet als de oudste zoon, die er altijd is geweest, weg blijft.
Ook hij hoort erbij
en als hij niet uit eigen beweging komt, dan haalt de vader hem op
en legt hem uit, waarom dat feest noodzakelijk was,

waarom zo groots uitgepakt moest worden:
dat zijn jongste zoon toch terug durfde te komen, al was hij platzak
en was hij op geen enkele manier in staat om het goed te maken,
dat hij kwam, deed hem als vader goed.
Zo is God! Natuurlijk is hij ook streng en rechtvaardig,
maar als je aanklopt bij God, dan zal de Heere je niet laten staan.

Maar ook die oudste zoon mag van de vader niet buiten blijven staan.
Ook hij hoort op het feest.
De vader had twee zonen – een oudste en een jongste.
Hij is de vader van hen beiden en wil hen allebei op het feest.
Wanneer de oudste wegblijft, gaat er iets van de feestvreugde weg.

Het verhaal blijft open. Je kunt dan invullen hoe het is gegaan.
Hoe die oudste zoon zicht toch mee liet nemen naar het feestgedruis,
daar eerst boos zat en onwennig – hij was niet gewend om feest te vieren.
Maar als hij zich langzaam overgeeft, als zijn hart ontdooit,
komt er ook ruimte voor de vreugde: mijn broer was dood. Inderdaad, nu besef ik dat.
En wellicht was ik dat zelf ook dood – maar de liefde van onze Vader maakt levend.

Het verhaal van Jezus blijft open. We weten niet hoe de oudste zoon reageert.
Dat is bewust. Want bij een open einde zijn wij aan de beurt.
Wat zouden wij doen? Zouden wij thuiskomen?
Zijn wij in staat om onze boosheid op te geven en mee te vieren,
omdat we beseffen hoe bijzonder het is dat iemand weer thuis komt,
levend geworden is, door de liefde die onze hemelse Vader heeft.
Wat zou u doen?
Amen

Preek zondag 12 mei 2019

Preek zondag 12 mei 2019
Schriftlezing: 2 Korinthe 4:7-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Met mislukkingen gaan we vaak anders om dan met succesverhalen.
Wanneer je als voetbalteam een knappe overwinning behaalt,
Wil je graag voor de camera’s komen en je succes uitschreeuwen en delen met anderen.
Wanneer je net voor tijd een belangrijke wedstrijd verliest,
zou je je het liefst willen verbergen, even niet voor de camera’s.
Je teleurstelling, je verdriet, je schaamte wil je op dat moment liever voor je houden.

Een huwelijk wordt ruim van tevoren aangekondigd en op de dag zelf gevierd.
Wanneer er sprake is van een scheiding, en lopen we daar liever niet mee te koop.
Er is geen aankondiging in de kerkbode.
Meestal wordt er over gezwegen en kom je het pas later achter en dan nog viavia.

Succes mag iedereen zien, iedereen horen.
Wanneer je dat meemaakt, dan doet dat je goed.
Wanneer het minder gaat, dan praat je daar liever niet over, je schaamt je ervoor.
Je zou willen dat niemand het weet
En als ze het dan te weten moeten komen, dan liever dat je het niet zelf hoeft te vertellen.

Ook in de kerk hebben we graag succesverhalen.
Wanneer een bepaalde activiteit in de kerk is georganiseerd, een speciale dienst of avond,
is de eerste vraag: hoe was het? en de tweede vraag: hoeveel mensen waren er?
Ik maakte een keer mee dat een ouderling van dienst,
nadat we de kerk binnengekomen waren en plaats hadden genomen in de kerkbank,
tegen mij fluisterde: O ja, ik had niet gezegd dat er ‘s avonds altijd zo weinig zijn.
Net of het nauwelijks de moeite was om de kerkdienst te beleggen.
Goed, we zaten in een vrij groot kerkgebouw, maar er waren toch wel zo’n 50 aanwezig,
die de moeite hadden genomen om te komen te luisteren naar Gods Woord.
Wat er in de kerk gebeurt, moet wel succes hebben, op grote belangstelling rekenen,
want anders zijn we er toch niet zo zeker meer van.

(2) Paulus: zichtbaar kwetsbaarheid (pagina 1)
Ook in de gemeente van Korinthe zijn ze gevoelig voor succesverhalen.
Zo vreemd is dat niet, want ze hadden een bijzondere boodschap gehoord
over Christus die was opgestaan uit de dood en de kracht van Zijn opstanding deelde
aan degenen die in Hem geloven.
Wanneer je met Christus verbonden bent, dan komt Zijn kracht, Zijn opstandingskracht in je.
Dat hadden ze van niemand minder dan van Paulus geleerd.
In een brief aan een andere gemeente, namelijk die van Filippi schrijft Paulus:
opdat ik Christus mag kennen en de kracht van Zijn opstanding.
Paulus bedoelde daarmee dat je die opstandingskracht ook zelf ervaart,
dat die in je komt, dat je door die kracht een nieuw mens gemaakt wordt,
Weggerukt uit de macht van de zonde en weer in staat om God te dienen.
Door die kracht van Christus die in je werkt, ga je er alleen maar op vooruit,
daar wordt je beter van,
want moet je maar voorstellen: de kracht waarmee Christus opstond uit de dood,
de heerlijkheid en glorie die bij God vandaan komt, die in je werkt.
Als die in je komt, wat kun je dan allemaal wel niet aan extra’s doen.
Je wordt er een supermens van:
als je ziek bent, geneest die kracht je.
Als je niet zoveel verstand hebt, maakt die kracht je tot een wijs persoon.
Je hebt geen kwetsbare kanten meer, maar je bent volmaakt en nieuw.
Dat zou je toch ook willen, als je zelf worstelt met je zwakke kanten, met je beperkingen.
Wat voor een getuigenis gaat er uit naar mensen die niet geloven,
als het geloof in Christus, Zijn kracht die in je woont, je echt veel beter en sterker maakt.
Als je nergens meer tegenop ziet, alles kan wat je gevraagd wordt,
geen last van ziekte meer hebt of vermoeidheid, niet meer angstig bent,
een boeiende spreker, die de kerk vol weet te krijgen en iedereen raakt met zijn woorden.
een krachtige persoonlijkheid, die Gods heerlijkheid zichtbaar uitstraalt,
Met zo’n voorganger kun je mensen, die nu nog niet naar de kerk gaan, werven
en hen de garantie geven dat als ze komen er ook echt iets met hen gebeurt.

Alleen hadden de mensen in Korinthe een verkeerde aan Paulus.
Want zo’n krachtige persoonlijkheid was Paulus niet.
Iemand die soms nogal bang aangelegd was, want hij had gezegd om te komen
maar stelde zijn komst steeds voor zich uit, net of hij niet durfde te komen.
Als hij er is, is hij verlegen en durft hij niets te zeggen,
maar als hij naar elders gegaan is
en de mensen uit de gemeente niet onder ogen hoeft te komen
schrijft hij een felle brief waarin hij aangeeft dat er van alles mis is.
Als hij het woord nam in de gemeente, had iedereen het eigenlijk met hem te doen.
Best een aardige man, maar geen spreker, niet iemand die je raakte,
eerder een kwetsbare, fragiele man.
Een man die zijn beperkingen had, en daarmee worstelde.
Hij noemt het zelf een doorn in het vlees
– er is veel gespeculeerd over wat die doorn in het vlees is:
een spraakgebrek, een bochel, een karakterzwakte –
Wat het ook is: in ieder geval duidelijk zichtbaar dat Paulus geen supermens is.
Zijn verschijning deed eerder afbreuk aan zijn boodschap
dat de kracht van Christus in je kon komen en je zo’n heel ander mens maakte.
Dan was er ook nog het verhaal, dat Paulus er bijna aan onderdoor was gegaan.
Geen spectaculair verhaal van iemand die voor de poorten van de dood was weggesleept,
dat je dankbaar en vol bewondering kon door vertellen om anderen jaloers te maken,
maar eerder een verhaal waar je je voor geneerde, omdat Paulus in een crisis terecht kwam,
door een diep dal moest gaan,
waarbij er voor zijn eigen gevoel helemaal niets van hem overbleef.
Je zou je eerder schamen voor zo’n voorganger.
(2) Onze eigen kwetsbaarheid (pagina 2)
Wij hebben zo onze eigen worstelingen met onze kwetsbaarheid.
Om een voorbeeld te geven:
maandag was ik bij een overleg van jeugdambtsdragers uit de kerken in deze regio.
Daar kwam aan de orde dat veel jongeren last hebben van depressieve gevoelens.
Het gevoel van neerslachtigheid kan je bijvoorbeeld bekruipen als het allemaal niet zo lukt.
Je ziet je medeleerlingen, die wel hoge cijfers halen, die de lesstof wel begrijpen,
die leuke vrienden hebben, die goed in de groep liggen.
Je vergelijkt jezelf met anderen en je komt er niet zo best af.
Of je vindt van jezelf dat je bepaalde dingen wel moet kunnen:
dat je op iemand af moet stappen en je niet moet laten blokkeren door je verlegenheid.
dat je niet zo onzeker moet zijn, maar zelfverzekerd,
dat je niet zo moet twijfelen en duidelijk een keuze moet kunnen maken
voor je profiel of voor de opleiding die je hierna wilt maken.
Of je vindt dat je alles uit de Bijbel moet begrijpen en dat je niet mag twijfelen.

Alleen je merkt bij jezelf: zo zelfverzekerd ben je niet, zo sterk in het geloof,
je stapt maar niet op iemand af omdat je het bij nader inzien toch niet durft.
Dan kun je vatbaar worden voor sombere gedachten:
het lukt niet en het wordt nooit wat met mij. Ik kan helemaal niets betekenen.
Ook niet in het geloof, want dan moet je toch iemand zijn die iets betekent,
Die wat te vertellen heeft, liefst uit eigen ervaring kan vertellen hoe God krachtig werkt.
En als je dat niet kunt, zo’n ervaring niet hebt,
als je over je alleen wat in het negatieve kunt vertellen over je zelf:
dat je nog niet zo sterk gelooft, dat je het allemaal nog niet weet,
kun je dan nog wel iets betekenen voor Christus?

(3) Christus werkt met Zijn opstandingskracht in kwetsbare mensen (pagina 3/4)
Ja, is het antwoord van Paulus. En hij zegt het nog sterker: juist dan.
Want de opstandingskracht van Christus maakt ons helemaal geen supermensen.
Ja, die boodschap dat Jezus is opgestaan uit de dood is een geweldige boodschap,
Een krachtige boodschap, die in je werkt en je een nieuw mens maakt,
maar geen supermens, waarbij je kunt opscheppen over wat je geestelijk allemaal kan.
Ja, waarover hij mag vertellen, de kracht die er in Christus is,
de kracht die in ons als mens kan werken en ons kan bevrijden en vernieuwen
is van enorme grote waarde – met niets te vergelijken.
Maar als we daarmee te maken krijgen, als die in ons werkt, blijven wij broos en kwetsbaar:
een schat in een aarden vat.
Zo’n aarden pot werd van klei gemaakt en was helemaal niet bijzonder
– gewoon, alledaags, dertien in een dozijn. Je kon zo’n pot gemakkelijk vervangen.
Kwetsbaar was zo’n pot ook – als je die liet vallen, viel hij in scherven uiteen.
Er zitten scheuren en barsten in, die er door gebruik in komen.
Je hoeft maar even tegen zo’n pot te stoten, of er zit al een deuk in.
Dat zijn wij – zo’n aarden vat: net zo kwetsbaar.
Ook bij ons kan er zomaar een scheur of een barst in komen.
Als het even niet gaat, kan dat soms er best diep in hakken en een deuk veroorzaken.
Een nare opmerking van een ander: een kras op je ziel, die niet zomaar weg gaat.
Als er iemand overlijdt, die je goed kent, kun je voor je gevoel op de grond vallen
en voelt het alsof je in stukken gebarsten bent en niemand die kan helen.
Voor Paulus is dat niet bedoeld om minderwaardig van onszelf te denken.
Ja, als we onszelf vergelijken met die kracht die in Christus woont en ook ons kan opwekken
Als we ons vergelijken met de heerlijkheid en de luister die God in de hemel heeft,
ja, dan zijn we maar gewoon en alledaags.
Paulus gebruikt het beeld om aan te geven, dat aan dat alledaagse niets verandert
Als Christus in je komt wonen.
Dat je kwetsbaarheid niet van je afgenomen wordt en ingeruild wordt voor iets krachtigs.
Maar die kwetsbaarheid, die je ook als gelovige blijft houden,
Dat je ook je scheuren en je barsten kunt meedragen, littekens in je ziel,
dat doet geen afbreuk aan de boodschap.
Dat betekent niet dat Christus je heeft overgeslagen.
Nee, je deelt op een bijzondere manier met Christus:
Wij dragen het sterven van onze Heere Jezus Christus met ons mee.
Moet u dat zich eens voorstellen:
Die krassen die je opgelopen hebt, je kwetsbaarheid die je soms maar al te goed voelt
Verbind je met het lijden van Christus.
Er gaat geen dag voorbij, zegt Paulus, of we worden aan Christus’ lijden herinnerd,
eraan herinnerd dat Hij voor ons leed, voor ons moest lijden en ook geleden heeft.
We dragen dat lijden in ons lichaam mee.
Dat houdt in dat het ons persoonlijk raakt, dat het niet buiten ons omgaat.
Dat het lijden van Christus niet iets dat we alleen maar overdenken, met onze gedachten,
maar zelf aan den lijve ervaren.
Natuurlijk niet in de mate en intensiteit waarmee Christus leed,
maar toch wel verbonden in het lijden van Hem.
Als predikant maak ik vaak de kwetsbaarheid van mensen mee,
Als ze ziek worden of als ze onverwacht iets krijgen.
Zeker als mensen het onverwacht overkomt, wordt er nogal eens gezegd:
Ik dacht niet dat het bij mij zou gebeuren.
Je weet dat het kan gebeuren, maar je denkt bij een ander.
Het leven is niet altijd makkelijk, niet altijd rozegeur en manenschijn,
het doopformulier zegt het zelfs heel stellig: dit leven is een voortdurend sterven.
En toch is het een troost – onze kwetsbaarheid gaat niet buiten God om
en als ons iets overkomt, dat ons diep raakt en uit het lood brengt,
is dat niet een teken dat God ons heeft losgelaten
– al is dat wel een aanvechting die in de Bijbel, vooral in de psalmen, gevoeld wordt.
Waar bent U, God?
Hij is aanwezig, ook in het lijden, in de ziekte,
ook in het overlijden van iemand van wie je zoveel houdt.
In je beperking, waar je zo graag van af zou willen.
Je draagt het sterven van Christus elke dag met je mee, ondervind je aan den lijve.

En toch heeft die kracht van Christus’ opstanding effect.
Niet dat je beschermd wordt tegen moeilijkheden, ervan gevrijwaard wordt.
Maar je wordt als gelovige beschermd in die moeilijkheden.
Je ontvangt de kracht om staande te blijven, om vol te houden.
Er kan sprake van verdrukking zijn, denk aan de aanslagen die onlangs in Sri Lanka waren,
spanning en dreiging die voor veel christenen op de wereld.
De tegenstand, die christenen ervaren, vaagt de kerk niet weg.
Steeds is God bezig om Zijn kerk te bewaren,om mensen tot Hem te brengen,
ondanks de moeilijke omstandigheden.

Wanneer het moeilijk is, door tegenslag, door vervolging, door pijn of ziekte,
Dan kan het best verwarrend zijn: waarom gebeurt dit? Waarom laat God dit toe?
Waar is God?
En toch, hoe groot de verliezen ook kunnen zijn, we zijn nooit verloren.
We vallen niet uit Gods hand.
God is er in die moeilijke omstandigheden – Hij geeft kracht – soms krijg je ook rust,
maar zelfs als die rust er niet komt, draagt de Heere en is Hij erbij.
Je kunt hard onderuitgaan, neergeworpen zegt Paulus,
maar toch is het geloof zo sterk, dat het niet weggevaagd wordt,
omdat het Gods band met je is, je in God verankerd bent,
niets ons kan scheiden van de liefde van God in Christus Jezus.
Dood niet, het leven niet, overheden niet, krachten niet – nu niet en in de toekomst niet,
hoe hoog je ook stijgt, hoe diep je ook neervalt, niemand op deze aarde.
Het is een hele opsomming, maar ik denk dat we moeten bedenken,
dat Paulus van die opsomming uit Romeine 8, dat zegelied, heel wat van heeft meegemaakt
en persoonlijk heeft ervaren, dat inderdaad niets scheiding maakt.

Die kwetsbaarheid, onze fragiliteit blijft, zolang we hier nog op aarde leven.
Heel de schepping lijdt eraan, zucht eronder en het gaat ons niet voorbij.
Toch is dat niet het laatste.
Nu, hier op deze aarde dragen we het sterven van Christus met ons mee, elke dag.
Maar er komt een moment, waarop er ook voor ons een andere tijd aanbreekt,
dat ook in ons de heerlijkheid van Christus, Zijn opstandingskracht zichtbaar wordt.
Hier op aarde wordt het zichtbaar als kracht in moeilijke omstandigheden,
maar dan, als we opgestaan zijn als Christus terugkomt, een nieuwe wereld komt
en wij door geloof een nieuwe wereld mogen binnen gaan,
Zullen ook wij door die opstandingskracht van Christus helemaal nieuw worden.
Dat wordt pas werkelijkheid als Christus terugkomt – nu nog toekomstmuziek,
maar wel een zekerheid om nu al naar uit te kijken
en hier op aarde op onze weg ons daar bemoedigd door te weten.
Wij weten immers dat Hij Die de Heere Jezus opgewekt heeft,
ook ons door Jezus zal opwekken
Amen



Preek zondag 5 mei 2019

Preek zondag 5 mei 2019
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Jesaja 54:1-10 en 1 Petrus 1:3-9.

Tekst: 1 Petrus 1:3-4

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Vandaag, 5 mei, is het Bevrijdingsdag. Deze dag is bedoeld om te vieren dat we hier in Nederland in vrijheid leven. Die vrijheid is niet vanzelfsprekend, want over 5 dagen is het 79 jaar geleden dat ons land werd binnengevallen en er 5 jaren van bezetting volgden. De meesten van ons hebben de oorlog niet zelf meegemaakt. Toch is het goed om daar elk jaar weer bij stil te staan. Allereerst voor degenen die de oorlog nog wel hebben meegemaakt
en voor degenen die de gevolgen van de oorlog hebben ondervonden in hun leven. Door er bij stil te staan zijn we ons er elk jaar weer van bewust, hoe bijzonder het is om te leven in een vrij land.

Binnen de kerk houden we ook een Bevrijdingsdag. Op Goede Vrijdag en op Pasen staan we er ook bij stil dat er voor ons bevrijding is. Door het sterven en opstaan van Christus is er bevrijding gekomen. We hebben in de Bijbel gelezen hoe God wordt gedankt voor die bevrijding: Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

De lof op God is niet zomaar. In deze lof op God komt naar voren dat we ons leven met de Heere aan Hem hebben te danken. Omdat God barmhartig is geweest, omdat Hij ons lot had aangetrokken,toen we als mensen in zonde leefden, daarom kunnen we bij God horen.
Toen we nog in de macht van de zonde leefden, waren we niet in staat om God te loven. Maar nu die bevrijding er gekomen is, kunnen we dat weer en doen we dat oprecht.

God heeft ons als mensen geschapen om Hem te loven, Hem groot te maken en als we weer in staat zijn – door die bevrijding in Christus – betekent dat dat we als mensen weer tot onze bestemming kunnen komen: God prijzen – met wat we zeggen, met wat we doen, met heel ons leven. Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

Steeds weer zijn er redenen om de Heere te loven. Het ontvangen van een kind is een reden om de Heere te loven. Dat laten jullie ook zien op het geboortekaartje: U bent het waard, HEERE, te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen en door Uw wil bestaan zij en zijn zij geschapen. Daarmee willen jullie aangeven, dat jullie kind op Gods tijd gekomen is. Of jullie gezin uitgebreid zou worden en wanneer dat de beste tijd daarvoor was, dat hebben jullie niet zelf willen beslissen, maar het in Gods handen gelegd en jullie hebben ervaren dat jullie zoon op Gods tijd in jullie leven gekomen. Gods wil en daarom is hij er in jullie leven – door de Heere geschapen, gekomen op Zijn tijd. Jullie hebben daarin ervaren dat de Heere betrokken is op jullie leven. Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

Dat prijzen van God is geen vanzelfsprekendheid. Er was eens een tijd, waarop er geen behoefte was om God te prijzen. Waarop wij als mensen de Heere de rug toegekeerd hadden. Het doopformulier zegt: de kinderen die geboren worden hebben dat met ons gemeen. Als de Heere niets zou doen, zouden we niet bij God horen, zouden we leven in de macht van de zonde, bij de boze horen. Maar de Heere heeft het niet zo gelaten en vandaar die grote dankbaarheid, de lof op onze God, de Vader van onze Heere Jezus Christus. Vanwege de ervaring van Gods barmhartigheid: God heeft ons niet in de zonde willen laten. Hij kon dat niet over Zijn hart verkrijgen. Dan zouden we verloren zijn. Daarom liet God Zijn hart spreken – en niet zo’n klein beetje ook.

Barmhartigheid – is de manier waarop God met ons omgaat. Barmhartigheid betekent dat onze keuze voor de zonde God in het hart raakte.Hij wist toen: als Ik niets doe, dan zijn de mensen voor altijd verloren, de mensen, die Ik geschapen heb, Mijn mensen. Barmhartigheid betekent dat de Heere niet werkloos kon toekijken in de hemel naar hoe wij hier op aarde als mensen de verkeerde weg kozen, de weg van de ondergang. Er moest wat gebeuren – onze Heere Jezus Christus moest afdalen naar de aarde, afdalen in de dood, in de hel – om redding te brengen. En dat afdalen in de dood, in de hel, die redding en bevrijding heeft met ons te maken. Ook dat is de reden waarom God geprezen wordt, omdat die barmhartigheid ervaren mag worden, omdat je gaat geloven. Omdat je betrokken wordt op Christus, omdat je van Hem wordt.

Als Hij in je leven komt, is dat niet minder dan opnieuw geboren worden. Een geboorte is niet makkelijk voor een moeder en ook niet voor een kind. Voor beiden een pijnlijk, vaak moeilijk gebeuren. Een pasgeboren baby is de geborgenheid van de baarmoeder kwijt,
komt een hele nieuwe wereld binnen, waar je kind van alles moet leren. Leren ademen, leren eten, de ouders leren kennen, leren kijken, lopen, praten. Met dat leren ben je als mens nooit klaar: levenslang leren zeggen we dan. Petrus gebruikt dit beeld om aan te geven dat wie bij Christus gaat horen een hele nieuwe wereld binnengaat, die zo radicaal anders is,  Dat je alles weer opnieuw moet leren over God, over jezelf, over de wereld,
helemaal opnieuw beginnen – de wereld achter je laten, je oude natuur doden zelfs.

Petrus zegt daarvan: dat doet God. Hij laat je helemaal opnieuw beginnen. Hij  laat je die nieuwe wereld binnengaan. Later in de brief zou Petrus trouwens zeggen dat de gelovigen niet genoeg groeien en maar blijven hangen en steken op dat allereerste beginnersniveau,
alsof ze pasgeboren kinderen zijn, die alleen nog maar moedermelk kunnen hebben en steviger voedsel nog niet aankunnen.

Hier gaat het nog om het bijzondere van die nieuwe wereld binnen gaan. Die nieuwe wereld waar je binnengaat is de wereld van de Vader en de Zoon, als je gaat geloven mag je van God zeggen: mijn God. Dan is Hij niet alleen maar de Vader van onze Heere Jezus Christus
maar dan mag je ook zeggen: mijn hemelse Vader. Vader en Zoon, God en Christus – ze zijn één en als je gelooft, dan mag je delen in die band en je kunt toetreden tot die band die de Vader en de Zoon hebben, omdat Jezus is opgestaan uit de dood. Met Zijn overwinning op de dood, met Zijn opstaan uit het graf ging voor ons de deur open en werd het mogelijk om toe te treden tot die wereld.

Helemaal opnieuw beginnen, maar dat is niet zomaar. Dat is het leven dat je kwijt was terugkrijgen en meer nog, want dan zou je nog leven hebben. Het gaat hier om weer tot leven komen, zelf uit het graf verrijzen, zelf levend worden, omdat Jezus is opgestaan uit de dood. Geldt dat nu voor jullie zoon ook dat, nu hij gedoopt is, levend geworden is? Mee opgestaan uit de dood? Of is dat teveel gezegd? Dat is toch ook de reden waarom we kinderen dopen: dat ze het leven in Christus vinden en dat ze uit de macht van de boze raken, bevrijd worden, mogen opstaan in een nieuw leven, tot eer van God? Ja en nee.

Elke keer weer word ik verrast door de stelligheid waarmee het doopformulier spreekt: Christus is aan het kruis gestorven, ook voor de kinderen die net worden gedoopt, die niet begrijpen dat ze gered moeten worden en moeten geloven. Ze begrijpen trouwens ook niet dat ze ook delen in de zonde, die door Adam in de wereld kwam, waarin ook wij als ouders delen en onze ouders. Door diezelfde ouders mogen ze ook delen in de bevrijding die Christus bracht. Dat gebeurt in het dagelijks leven ook: kinderen horen bij je, ze wonen in je huis. Ze delen in je ziektekostenverzekering en als ze een ongeluk veroorzaken of iets uithalen, word je als ouder aangesproken. Ze horen bij je en ze zijn van je afhankelijk. Zo is het ook in het geloof: God rekent ze met je mee. Als jij als ouder leeft met Christus en met Hem verbonden bent, zijn zij dat ook. Daarom ook de doop: om aan te geven dat ze ook delen in die band, die jij zelf met God en Christus hebt.

Je gunt het hen als ouders ook en daarom vertel je hen en lees je hen voor uit de Bijbel,
leg je aan je kinderen uit, wat het betekent om gedoopt te zijn. Je leest hen voor uit de kinderbijbel, je zingt met hen, je leeft hen voor, De sfeer in huis is een sfeer herinnert aan de relatie die de Vader en de Zoon hebben, een sfeer van vreugde om de redding,  maar ook van strijd tegen de zonde, die je ook nadat je bent gaan geloven niet los wil laten.


Als hij dan mag delen in jouw band met God, waarom is er dan ook een nee? Omdat dit niet betekent dat een kind dat gedoopt wordt er al is, dat hij achterover mag leunen en doen alsof hem niets meer kan gebeuren. Hij moet het zelf gaan beamen, zelf ook de keuze maken, Jezus als bevrijder in zijn eigen leven binnenhalen.

Laat ik dat uitleggen aan de hand van een gebeurtenis uit de meidagen van 1945. Op 5 mei werd in Wageningen duidelijk dat de Duitsers zich zouden overgeven. Niet elke plaats was toen echter bevrijd. Voor Veenendaal, vlakbij Wageningen, duurde het nog tot 9 mei voor de bevrijding kwam, toen de Engelsen opgehaald werden om Veenendaal te bevrijden. En voor Texel kwam de bevrijding pas op 20 mei, toen de Canadezen op het eiland kwamen. Tot die tijd kwamen er nog mensen in Veenendaal en Texel om door vuurgevechten. De bevrijding kwam pas echt toen de bevrijders het gebied binnen traden. De capitulatie was al getekend, de nederlaag was al definitief, de oorlog was al over.

Zo weten we dat met de opstanding van Christus de duivel definitief verloren heeft, maar Christus de Bevrijder moet wel in ons leven binnengelaten worden om daar de boze te verdrijven en ons te bevrijden van die macht van het kwaad. Christus is voor ons, voor u, voor jou, voor mij, voor de dopeling gestorven, maar we moeten Hem wel verwelkomen in ons leven, binnenlaten, binnenhalen als bevrijder.  Natuurlijk: het hangt niet van ons af. Het is God die het doet. Maar als we zeggen: voor ons hoeft het niet. Mooi dat het iets van mijn ouders is, maar het is echt iets van hen, laat het maar aan mij voorbij gaan. Dan mis je ook wat je krijgt als je opnieuw geboren wordt. Dan wijs je de barmhartigheid van God af, de betrokkenheid van God op jouw leven. De deur die voor jou open staat, het nieuwe leven dat God wil geven, bevrijding uit de zonde, uit de macht van de boze. Opnieuw geboren tot een levende hoop: je hebt toekomst, toekomst met God en bij God. Als je kind van deze Vader geworden bent, als je bij Christus hoort, mag je delen in wat van Christus is.

Als ouders regel je voor je kinderen allerlei zaken, waar ze nu wellicht niets aan hebben, maar waar ze later wel profijt van hebben: Een rekening, waarbij ze het geld krijgen als ze 18 zijn, bijvoorbeeld. Zo heeft God ook iets klaargemaakt, klaargelegd in de hemel. Je kunt daar zeker van zijn, want het is een erfenis die niet in waarde kan dalen, waar niemand bij kan, omdat het in de hemel is, niemand kan het beschadigen of afpakken. Onvergankelijk is het, helemaal zuiver, zonder zonde, helemaal van God, een erfenis die niet minder wordt in de loop van de jaren, of beschadigd kan raken: onverwelkbaar.

Dat onderstreept de doop ook: als God iets belooft, dan doet Hij dat ook. Als Hij je iets toezegt, dan krijg je dat ook. Je kunt er zeker van zijn, omdat je van God zeker kunt zijn. Veilig opgeborgen in de hemel. Nu is het zo, dat als je een rekening voor je kind opent, waar hij pas op z’n 18e bij kan er in die eerste 18 jaar niets aan heeft. Dat geldt voor die hemelse rijkdom, die overvloed die God in de hemel voor je heeft niet. Want die ligt veilig opgeborgen in de hemel. Dan zegt Petrus tegen ons: als je gelooft, ben je net zo veilig als die hemelse schat,Waar niemand bij kan, die niemand van God kan afpakken. Zo veilig ben je in Gods hand en niemand kan jou, kan je kind uit Gods hand rukken. Zoals God die hemelse schat voor je bewaart en bewaakt, zo word jezelf en wordt je kind door God bewaakt.

Het is, zoals de Jesaja 54:10: Want al zouden bergen wijken en heuvels wankelen, Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond met de HEERE zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer. De Ontfermer, uw, jullie ontfermer, die Zijn grote barmhartigheid laat spreken in de opstanding van Christus, die ook jullie opstanding mag zijn. Waardoor je mag binnentreden in die wereld die van God en van Christus is. Waar je veilig bent, voor altijd bewaard. Wat je zelf krijgt, mag je doorgeven aan je kind: Want ik ben ervan overtuigd, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus onze Heere. Amen

Psalm 82

Psalm 82

Psalm 82 is een bekende psalm in de uitleg van het Oude Testament, omdat er gesproken wordt over de raad van goden die in de hemel bij elkaar komt. Uit de omringende culturen is zo’n raad van goden bekend. Net als de aardse koning had de hemelse hoofdgod een hofhouding, waarbij allerlei lagere goden als adviseurs en uitvoerders aanwezig waren om de troon van deze god. In deze psalm wordt zichtbaar dat het Oude Testament oud-oosterse kenmerken heeft.

De vraag bij deze psalm is: gaat het om hetzelfde fenomeen: rondom God een raad van lagere goden? Dat is om twee redenen een vraag:
– Men geloofde in het oude Israël toch dat er maar één God is? Waarom kan men dan spreken over een raad van goden?
– Als dit bij andere, omringende goden bekend is, heeft het oude Israël dan iets van hen overgenomen? Met andere woorden: is men beïnvloed door de omringende Kanaänitische godsdiensten?

In de uitleg wordt er vaak gekozen voor 3 opties:

  1. In deze psalm gaat het om de dood van de goden, die hun plicht als goden niet nagekomen zijn.
  2. In de psalm gaat het om aardse rechters die geen recht spreken en aan hun einde komen.
  3. De keuze is een verkeerde, omdat bij onderdrukking door aardse machthebbers er altijd goden achter hen staan en bij goden die hun aardse plicht niet nakomen dat altijd tot uiting komt door middel van aardse machthebbers.

Wie is er in deze psalm aan het woord?
Een belangrijke vraag bij deze psalm is wie er aan het woord is. Duidelijk is dat in vers 8 een mens aan het woord is. Meestal wordt aangenomen dat in het begin de God van Israël aan het woord is. Het is echter ook mogelijk om er vanuit te gaan dat in de hele psalm er een mens aan het woord is.

Gaat deze psalm over de God van Israël?
Meestal wordt in het Oude Testament de God van Israël aangeduid als HE(E)R(E). In deze psalm ontbreekt deze naam. De vraag is of deze psalm wel over de God van Israël gaat. Omdat deze psalm in het boek van de Psalmen is opgenomen mag je daar toch vanuit gaan. Er zijn ook wel meer psalmen waar niet over HEER, maar over God gesproken wordt. Blijkbaar maakt dat in poëtische teksten als de psalmen niet uit.

Wat doet de God van Israël in deze psalm?
In deze psalm wordt niet verteld dat de God van Israël de raad van de goden voorzit. Dan zou hij zitten. Aangezien hij staat, heeft hij de rol van aanklager. Hij klaagt de andere goden aan dat zij hun taak niet nakomen. De God van Israël roept hen ter verantwoording.

Waarom wordt er over de raad van goden gesproken?
Het is vreemd dat er over een raad van goden gesproken wordt, omdat in veel gevallen het Oude Testament ervan uit gaat dat er maar één God is. De andere goden kunnen wel in de gedachten van mensen bestaan en worden wel vereerd, maar ze zijn lucht en leegte, hebben oren maar horen niet.
Hier wordt over de raad van goden gesproken omdat de andere goden worden aangeklaagd. Die goden staan symbool voor de landen om Israël heen, die allemaal hun eigen beschermgoden hebben. Deze goden worden door de God van Israël aangeklaagd voor hun onverschilligheid en wreedheid.
Het gaat hier niet om een abstract of leuk theorietje over goden in de hemel, maar het gaat hier wat er op aarde gebeurt. De psalm staat in de buurt van psalmen die spreken over de inval van andere volken in Israël (Psalm 74, 79, 80). Israël heeft te lijden onder het geweld van de andere goden, omdat hun onderdanen in Israël huishouden. Terwijl het de taak voor een god is om te zorgen voor de armen, de weduwen en andere kwetsbaren in het land (vers 3-4)
Doordat de goden hun taak niet nakomen is de gehele wereld in gevaar: het is duister en de fundamenten van de aarde wankelen. In het Oude Nabije Oosten was er een verband tussen het slechte gedrag van de mensen en het voortbestaan van de wereld: door slecht gedrag (onderdrukking, uitbuiting, oorlog, plundering) raken de fundamenten uit het lood en dreigt de wereld in te storten. De goden doen niets. Nu moet de God van Israël wel ingrijpen. met het einde voor die andere goden als gevolg. Zij stortten ter aarde. Zij verliezen hun macht en hun einde is nabij. Het einde van een god wordt zichtbaar in het einde van een rijk of dynastie. Hoe machtig de landen zich nu tonen (en daarmee hun goden), het einde van die wereldrijken komt er aan en wordt door de God van Israël bewerkstelligt.

Psalm 82 gaat dus over de val van de wereldrijken vanwege hun geweld. Dat wordt verteld in de vorm van goden die hun onsterfelijkheid kwijt raken. Het gaat dus om het tegenovergestelde van apotheose: hoe machtig een wereldrijk is, er komt een einde aan als de God van Israël dat bepaalt.

Een vergelijkbare tekst is: Jesaja 14, waar de val van het rijk van Babylon wordt verteld als een val van de god van Babylon uit de hemel. De zo onsterfelijk geachte god valt van zijn hemelse troon en komt in het dodenrijk terecht. Zijn we daar altijd zo bang voor geweest, vragen de anderen in het dodenrijk zich verbaasd af.