Preek zondagmorgen 1 juli 2018

Preek zondagmorgen 1 juli 2018
Schriftlezing: Handelingen 9:1-19.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen vrijdag ging ik naar een receptie van een bruiloft in de Fruittuin.
Ik was van plan om maar even te gaan,
om bijvoorbeeld het bruidspaar nog te spreken of de wederzijdse ouders.
Ik dacht: ik ga maar even, ik geen sleutels mee, ik ben zo terug.
Tijdens de avond raakte ik met verschillende aanwezigen aan de praat
waardoor ik de tijd vergat. Het was zelfs al donker.
En terwijl ik van de Fruittuin naar huis fietste, vroeg ik me af hoe ik in huis zou komen.
Want stel dat Rianne al op bed ligt al.
Als de deuren dicht zitten, kom ik zonder sleutel ons huis niet binnen.
We hebben dat wel een keer gehad. Toen hadden we de sleutels wel bij ons.
Het gebeurde in ons vorige huis. We kwamen op een zondag terug uit de kerk.
Nadat ik de sleutel in het slot gestoken had, draaide de sleutel door.
Ik kon blijven draaien en het slot ging niet open.
We stonden aan de buitenkant voor de voordeur. We konden er niet in.
Wat moest ik doen om binnen te komen? De deur openbreken? Het slot los schroeven?
Op een gegeven moment kwam de buurman, die zag dat ik wat aan het hannesen was.
Hij stelde voor om het wc-raampje los te schroeven,
zodat ik via dat raampje naar binnen zou kunnen gaan
en de deur van binnenuit zou kunnen openen.
De buurman kreeg het voor elkaar om dat raampje los te schroeven
en ik paste ook nog door het raampje en kwam via dat raampje binnen
en kon zo de voordeur van binnenuit openen.

De komende zondag zou ik over de bekering van Saulus preken.
In die week heb ik er vaak aan moeten denken hoe ik voor een gesloten deur stond
En de deur van ons huis niet kon openen
en ik bedacht me hoe Christus voor de deur van Saulus stond.
Wat was er nodig om bij Saulus binnen in zijn huis te komen?
Hij was erbij toen Stefanus werd gestenigd.
Hij was getuige van wat Stefanus zei en van de manier waarop Stefanus werd gedood.
Op dat moment stond Christus al aan de deur van zijn hart en belde aan.
Saulus weigerde echter open te doen.
Wat was er nodig om bij Saulus in het hart te komen?
Moest Christus de voordeur met geweld openbreken, met een koevoet?
Moest hij een onopvallende manier vinden,
zoals via dat wc-raampje, zonder al te veel schade voor het huis.
Wat is er nodig dat Christus in ons hart komt?
Wat was er voor u nodig?
Wat was er voor jou nodig? Deed jij de deur open toen Christus klopte?
Of liet je Hem lang staan en was er heel wat voor Hem nodig om bij je binnen te komen?
Caravaggio Bekering van Paulus


Bij Saulus was er heel wat nodig: een breekijzer om de voordeur open te breken.
Het gebeurt op weg naar Damaskus.
Saulus dan al een gevreesd persoon vanwege het geweld tegen de christenen.
Hij liet hen niet met rust, ging actief naar hen op zoek en haalde hen uit hun huizen
om hen in de gevangenis te brengen.
Het getuigenis en het gebed van Stefanus dat zijn schuld vergeven werd:
het was een vergeefse klop op de deur van zijn hart: Laat je Mij erin?
En dan de christenen die uit de huizen werden gehaald om gestraft te worden.
Steeds heeft Saulus gedacht dat hij daar de Heere een plezier mee deed
Hij was te verblind om te kunnen zien, dat hij zich tegen de Heere verzette.
Doordat ik zelf toen voor de deur stond en niet naar binnen ging,
Realiseerde ik mij dat ik zelf ook mijn hart voor Christus kan afsluiten
en dat ik daarin niet verschil van Saulus.
Dat is waar ik zelf op Saulus lijk:
Ook als predikant kan ik denken God te dienen met mijn daden, met mijn werk
terwijl ik ondertussen mijn hart afsluit voor Christus.
Daarom is het van belang te lezen in de Bijbel, naar de kerk te gaan, avondmaal te vieren,
te luisteren naar de Tien Geboden en over mijzelf en God na te denken
Niet om daar mijn eigen gedachten bevestigd te zien,
maar steeds weer gecorrigeerd te worden, teruggeroepen te worden,
om als mijn hart leeg blijkt te zijn, als Christus daar niet is en aanklopt
om weer binnen te komen, dat ik Hem niet buiten laat staan, maar Hem binnenlaat.
Merkt u het als Christus aan uw hart aanklopt om binnen te komen?
Merk jij het als Christus niet in je hart is?
Of als Hij niet meer in je hart is en Hij weer binnen in je leven wil komen?
showImage


Voor Saulus was er heel wat nodig om zijn hart open te krijgen voor Christus.
Het wordt eigenlijk maar heel kort verteld.
Veel woorden zijn er niet nodig voor zijn ingrijpende gebeurtenis.
Hij is op weg naar Damaskus om ook daar de christenen uit hun huizen te halen
en hen mee te nemen naar Jeruzalem om daar berecht te worden.
Saulus is bekend geworden: een man waar je voor moet vrezen.
Als hij vlak bij zijn doel komt, wordt hij tegengehouden.
Hoe kort ook beschreven, de gebeurtenis heeft wel indruk gemaakt.
De gebeurtenis van Saulus die ter aarde valt en hulpeloos en blind is,
is vaak geschilderd.
Het gaat steeds om een Saulus die van zijn paard geslingerd is,
je ziet nog dat als hij op het paard zat een imposante gestalte is,
iemand voor wie je onder de indruk moet zijn,
maar je ziet hem met liggen op de grond, met de armen omhoog, hulpeloos,
de ogen blind, waardoor hij moet tasten naar wat er om hem heen is.
Hij moet geholpen worden, eerst overeind geholpen en later op zijn paard.
Een licht uit de hemel.
Dat is niet zomaar een licht, dat is de goddelijke glans uit de hemel zelf,
de glans die aangeeft dat Saulus hier God zelf tegenkomt,
licht uit de hemel, de woonplaats van God.
Saulus wordt hier door God zelf, hoogstpersoonlijk uit zijn zadel geworpen.
Een stem die hem aanspreekt en hem, Saulus, ter verantwoording roept:
Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?
In die week, nadat bij ons de voordeur gesloten bleef, bedacht ik
dat bij Saulus de deur van zijn hart opengebroken wordt met een breekijzer, een koevoet.
Zijn deur moet open.
129361342843614134_f9f7d015-6def-461a-8374-ec744be257a0_256168_570


Dat is ook een manier waarop de Heere in je leven kan komen.
Het kan op een rustige manier zijn, achterom, via de achterdeur,
haast ongemerkt komt Hij in je leven. Hij schuift aan je keukentafel aan.
Hij is er in je leven. Hij neemt intrek in je huis.
Maar het kan ook zijn dat er een andere manier nodig is: confronterend,
een huis dat gesloten is, voor iedereen onbereikbaar met het evangelie.
En dan komt de Heere en weet het hart te openen.
Hoe confronterend het ook is, het is ook bemoedigend
als u zelf te maken hebt met mensen in uw omgeving, in uw eigen gezin
van wie u merkt dat ze het hart voor Christus op slot gedaan hebben.
Ze willen er niets over horen. Heb het er niet meer over, want anders komen we niet meer.
De Heere heeft allerlei manieren tot Zijn beschikking.
Het kan op een zachtaardige manier gebeuren, uitnodigend,
Het kan op een harde manier, de voordeur opengebroken.
Door een crisis heen om te merken dat je God mist en dat je Hem niet meer kunt weigeren.
Maar waarom dan?
Waarom moet Christus in het hart van Saulus komen
en waarom moet dat desnoods op een confronterende manier?
In die week dat ik toen met Saulus bezig was nadat ik voor de deur stond,
realiseerde ik dat Christus de rechtmatige eigenaar was
en daarom wel binnen moest komen.
Zoals ik toen het recht had om mijn voordeur open te breken, als ik niet binnen kwam.
Het was alleen zonde van die mooie voordeur, het geeft schade.
Maar schade is altijd beter dan nooit meer in het huis binnenkomen.
Daarom is de schade die Saulus hier oploopt, de nederlaag die hij leidt,
uiteindelijk niet zo groot, omdat zijn hart open gaat voor Christus,
de rechtmatige eigenaar, die Heer die recht heeft op het leven van Saulus,
komt weer in het hart van Saulus.
Saulus heeft dit altijd als een bevrijding gezien.
Op dat moment niet. Hij lag verslagen en gaf zich nog niet zomaar gewonnen.
Maar hij kon niet anders.
Saulus die mensen wilde meebrengen uit Damaskus naar Jeruzalem,
wordt zelf naar Jeruzalem gebracht, hulpeloos en blind.
Aan den lijve ervaart hij nu zijn eigen blindheid voor Christus.
Hij wordt naar Damaskus gebracht en daar zit hij 3 dagen lang in het donker,
net zo lang als de Heere Jezus in het graf verbleef,
alsof Saulus moest zelf ervaren wat het was om Christus te vervolgen.
Drie dagen waarin Saulus niets eet en drinkt:
Drie dagen waarin hij alleen maar nadenkt over wat verkeerd ging,
waarin hij boete doet, dat wil zeggen: hij erkent zijn schuld
en legt zijn leven in handen van de Christus die hij vervolgde.
Christus moet maar beslissen wat er met hem moet gebeuren.
Hij is niet meer baas over zijn eigen leven.
En dat zijn we ook niet meer als de Heere Jezus in ons leven komt.
DAn heeft Hij de regie over ons leven, dan bepaalt Hij hoe het gaat.
DAt ik van Hem ben, weer ben, mijn Heer, mijn God!

Een hele omkeer in zijn leven. We noemen dat een bekering:
Christus opent je hart om er in te gaan wonen
en daardoor ga je niet meer bij God vandaan, maar ga je naar Hem toe, ga je Zijn weg.
In het vervolg zien we wat zo’n bekering inhoudt
als Ananias in Damaskus de opdracht krijgt om naar Saulus toe te gaan.
Voor Christus is Saulus nu niet meer de tegenstander, de vervolger,
maar Saulus is een gelovige, iemand die zijn leven in handen van Christus legt.
Een herdefinitie: niet meer de oude Saulus,
niet meer zijn verleden, niet meer de angst die hij oproept, een instrument in Gods hand.
De Heere kiest lang niet altijd de meest voor de hand liggende personen
om Hem te dienen en over Hem te vertellen, om van Hem te getuigen.
De nieuwe Saulus is ook niet gelijk geaccepteerd.
Er moet heel wat vertrouwen weer groeien voordat Saulus zijn plek in de kerk heeft.
Zo kan het gebeuren dat er bij ons ook allerlei bedenkingen zijn
als iemand de gang naar de kerk weer oppakt, dat daar iets achter gezocht wordt.
Dat is om een kind te laten dopen, dat is omdat ze stil gezet zijn.
Waarom zou je er niet dankbaar voor zijn,
ervan genieten dat de Heere weer werkt en weer een hart geopend heeft
en misschien zien we wel over het hoofd wat het effect is van dit gebeuren
op het netwerk, het gezin, de vrienden van die gemeente
of welke betekenis diegene die de draad van het geloof oppakt voor de gemeente heeft.
‘Ga,’ zegt Christus tegen Ananias, die zijn bedenkingen heeft.
Ananias spartelt niet minder hard tegen dan Saulus.
Ook Ananias moet zich gewonnen geven, ondanks zijn naam:
God is genadig – en dat heeft hij voor zichzelf ervaren
maar hij moet er nog aan wennen dat er voor Saulus ook genade is
Genade, zo oneindig groot. Dat ik, die ’t niet verdien het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Dan gaat Ananias ook: Saulus, broeder, je hoort erbij.
Je bent onderdeel van de gemeente van Christus,
ik heb geen enkele reden meer om te twijfelen of je toegevoegd bent,
want de Heere heeft jezelf toegelaten en als Hij je toelaat tot de gemeente,
Wie ben ik dan om je te weigeren.
Dit slaat mijn trots, al mijn verdienste neder,
’t verlaagt mij diep, maar o, ’t verhoogt mij weder!
’t Meldt mij mijn heil, die van Gods tegenstander
in vriend verander.
Hebt u Hem ook al toegelaten in uw leven? en jij?
Aan het begin van de dienst hebben we kunnen horen,
dat ons leven  zomaar voorbij kan zijn en dat er geen tijd is
om je voor te bereiden om het einde van je leven.
wacht daarom niet en laat Hem niet steeds aan de deur staan.
Doe de deur open en nodig Hem binnen
en u zult zien, dat ook u een instrument kunt zijn in Gods hand.
Misschien niet zo invloedrijk als Saulus,
maar ook in kleine kring kan het van grote waarde zijn
en de Heere telt niet alleen het grote, maar weegt ook het kleine mee
en gebruikt ook dat om Zijn koninkrijk uit te breiden. Amen

Kerk, leer van het voetbal!

Kerk, leer van het voetbal!

Afgelopen zaterdag was mijn zoon pupil van de week bij Owios (OverWinnen Is Ons Streven). Hij mocht de wedstrijd van het eerste bijwonen en kreeg daarbij een speciale behandeling. Ik ging met hem mee. Net als mijn oudste dochter, die keepster is bij Owios. De wedstrijd was de finale van de nacompetitie. Bij winst zou Owios in de tweede klasse blijven; bij verlies was degradatie een feit. De wedstrijd had alles wat voetbal zo mooi maakt.  Al werd er gezegd dat ze deze keer niet zo goed voetbalden, de strijdlust was er. Een doelpunt in de eerste helft en Owios was de bovenliggende partij. Maar een rode kaart voor een verdediger liet de wedstrijd kantelen. Twee opgelegde kansen werden door de spits van Owios gemist en in de laatste minuut werd de gelijkmaker gescoord. In de tweede verlenging, vlak voordat de beslissing door penalty’s genomen zou worden, werd het beslissende doelpunt gescoord. De winst werd gevierd alsof er gepromoveerd werd.
Tijdens de wedstrijd genoot ik dacht ook aan wat er voor mij als predikant te leren valt. (Daar denk ik ook vaak over na als ik op zaterdagmorgen langs de lijn sta om te kijken naar het spel van mijn dochter of zoon.) Het eerste wat mij opviel, was dat je bij binnenkomst direct kon merken dat er iets op het spel stond. De volgende morgen mocht in in mijn oude gemeente voorgaan in een avondmaalsdienst. Ik vertelde over de wedstrijd van gisteren en vroeg hen of zij gemerkt hadden bij binnenkomst dat er iets op het spel staat. Zijn ze bereid om net als een elftal dat strijdt voor blijven in de tweede klasse de strijd van het geloof aan te gaan. Toen het voetbal ruim een eeuw geleden opkwam waren de kerken enthousiast over deze sport. Ze zagen er een parallel in met de strijd van het geloof. Zoals een team strijdt voor de overwinning, zo hoort de gelovige vol passie de strijd van het geloof aan te gaan. Op die zaterdagmiddag zag ik verschillende gemeenteleden op de tribune, waarvan ik wist dat zij de volgende morgen in de kerk zouden zitten. Ik zag hun passie voor hun club en een betrokkenheid op het spel. Ze leefden mee alsof zij zelf op het veld stonden. Ik zag een jongere uit onze gemeente op de tribune. Hij had zich eens aangemeld voor belijdeniscatechisatie, omdat hij op een festival iemand gepassioneerd hoorde spreken over Jezus. Dat raakte iets bij hem en dat wilde hij ook. Aan het einde van het seizoen deed hij geen belijdenis, omdat hij die passie was kwijtgeraakt. Van hem leerde ik hoe belangrijk enthousiasme (als beleving) is en dat het mijn taak als predikant is om de gemeente enthousiast te maken en te houden voor Jezus.
Tijdens de wedstrijd hoorde ik de namen van de spelers: ‘Bennie! Bennie!’ Er werd erbij geroepen dat hij beter kon dan hij liet zien. De spelers zijn jongens van het dorp. Ze zijn bekend. Liever een klasse lager spelen dan een team met allemaal vreemden. Ook dat is een les, een les die ik kerkenraden geregeld voorhoudt: benader niet alleen de mensen die nieuw in de gemeente gekomen zijn voor ambtsdrager, maar zoek ook bewust gemeenteleden die hier hun wortels hebben, die de mensen hier kennen en de gewoonten snappen. Zij zijn soms beter in staat om met de mensen hier over het geloof te praten, omdat er een band is, waardoor de kerk niet een vreemd gezicht wordt, maar één van hen is.
Elke maandag en woensdag worden mijn dochter en zoon getraind en elke keer leren ze meer over voetbal: positiespel, overspelen, waar ze moeten staan, hoe ze anderen in het veld aansturen, hoe ze door blijven gaan al is de tegenstander nog zo sterk. Die training krijgen ze niet alleen van volwassenen, maar ook van jeugdspelers. Ik dacht bij mijzelf: misschien moet ik de catechisatie ook gaan benaderen als een training en moet ik mijn catechisanten niet vertellen over wat van hen verwacht wordt, maar moet ik ze ‘opleiden’, zodat zij hun positie in de kerk en in de maatschappij als ‘spelers’ van Christus kunnen innemen.

Verschenen in het Nederlands Dagblad

Pleidooi om het publieke debat te voeren op basis van argumenten en niet op basis van morele appèls en gevoelsargumenten

Pleidooi om het publieke debat te voeren op basis van argumenten en niet op basis van morele appèls en gevoelsargumenten

De theoloog Ulrich Körtner maakt zich zorgen over het publieke debat. Politici, journalisten en burgers gebruiken gebruiken steeds vaker gevoelsargumenten en morele appèls als feiten.

download (1).jpg

Fake news & MSM
Na een onderzoek waarin vastgesteld werd dat 98% van de migranten zich aan de wet houdt, was de reactie de Duitse AfD-politicus Georg Pazderski: ‘Wat iemand voelt is ook een feit.’ Als er nieuws gebracht wordt dat in de eigen straat past, wordt dat afgedaan als fake news. Er wordt gesproken over MSM: MainStreamMedia. Daarmee wordt bedoeld dat de belangrijkste media bewust positieve verhalen over Trump en negatieve verhalen over migranten bewust verzwijgen.

Niet alleen bij populistisch-rechts
Körtner ziet dat niet alleen bij populistisch-rechts gebeuren. Links laat zich als het gaat om de complexe wereld van de geglobaliseerde economie liever door Thomas Piketty of door Yanis Varoufakis voorlichten dan door serieuze economen. Hij ziet het ook gebeuren als Merkel in de vluchtelingencrisis benadrukt dat Duitsland een cultuur van verwelkomen heeft.

Ortsschild_JiSign---Fotolia_6a00d13255

Zorgen
Het morele appèl verdringt de discussie over de gevolgen van haar beleid en over wat er allemaal komt kijken bij opvang en integratie van migranten.  Körtner maakt zich zorgen, omdat het debat binnen een democratie alleen maar goed gevoerd kan worden als het op basis van rationele argumenten en controleerbare feiten wordt gevoerd.

Körtner begrijpt wel waarom er vaak gevoelsargumenten gebruikt worden. Dat heeft te maken met bezorgdheid. Bezorgdheid over de instroom van migranten uit een andere cultuur. Of juist bezorgdheid dat bij het sluiten van de grenzen Europa de eigen normen en waarden verloochent. Die bezorgdheid is niet altijd hard te maken, maar is wel een reëel gevoel. Daarom worden gevoelens als feiten gebracht.

Wees bezorgd!
Körtner neemt in deze tijd een moreel gebod waar: wees bezorgd! Wie niet bezorgt is, krijgt het verwijt de kop in het zand te steken. Dat morele gebod dat zowel door links en rechts wordt benadrukt is een roep om moreel leiderschap. Hij ziet zowel bij rechts als bij links een populisme ontstaan, dat aansluit bij die bezorgdheid en die bezorgdheid uitvergroot om politieke winst te behalen.
demo_fuer_eine_menschliche_asylpolitik_-_30_-_hans_breuer_konvoi_aus_ungarn_1
Omdat politici op die morele trom slaan, is het moeilijk om een weerwoord te bieden. Want wat moet je antwoorden als iemand zegt: ‘Er zijn teveel vluchtelingen!’ Of bij het tegenovergestelde: ‘Wie barmhartig is, kan de grenzen niet sluiten voor vluchtelingen!’

Kerken
Wat Körtner ook ziet, is dat de kerken graag inhaken op het morele leiderschap dat gevraagd wordt. Körtner is daar kritisch op. In zijn ogen negeren de kerken daarmee dat hun positie marginaal in de maatschappij geworden is. De kerk moet niet in de valkuil trappen om het door secularisatie verloren terrein via dit morele leiderschap te willen winnen.

Met de manier waarop de kerken dat morele leiderschap tonen is Körtner ook niet gelukkig. Dat is slecht voor zowel de theologie als de maatschappij.In de theologie is bij velen de God die in deze wereld ingrijpt ingewisseld voor de mensen die Gods handen zijn geworden. Gods rol is daarmee uitgespeeld en de last licht bij mensen. Voor de samenleving is het nadelig, omdat de kerken politieke kwesties versimpelen, doordat ook de kerken de moraal als basis voor beleid benadrukken.

33ab5c15ea23dff3abfffe3697f26244

Elke vorm van kritiek op het vluchtelingenbeleid van Merkel wordt afgedaan als rechts-populisme, dat in strijd is met de christelijke waarden van barmhartigheid en naastenliefde.

Twee verschillende domeinen
Wat Körtner daarin stoort, is dat de kerken daarmee hun eigen traditie uit het oog verliezen. In de Lutherse traditie wordt er namelijk een onderscheid gemaakt tussen de taak op politiek terrein en de taak op kerkelijk terrein. Dat zijn twee verschillende domeinen die niet vermengd mogen worden.

2-reiche-lehre-730x400

Niet direct in politiek beleid te vertalen
De christelijke waarde van barmhartigheid en naastenliefde is niet direct in politiek beleid te vertalen, omdat de overheid volgens de christelijke traditie ook de taak heeft om voor de eigen burgers te zorgen en voor veiligheid te zorgen. In het domein van de politiek is het nodig om de juiste balans te vinden tussen barmhartigheid en veiligheid, naastenliefde en rechtvaardigheid.

Waarschuwen voor een teveel aan moreel appèl
Het is niet de taak van de kerk om een moreel appèl op de samenleving te doen, maar juist te waarschuwen voor een teveel aan moreel appèl in de samenleving, omdat daarmee in de politieke besluitvorming de argumentatie op basis van feiten wordt ingeruild op basis van gevoelens en morele appèls. In feite is dat het einde van het democratisch debat. Want op basis van gevoelens en morele appèls is geen beleid te maken.

WB_LH_Gesetz-und-Gnade-470x260

Agressiviteit van waarden
De protestantse theologie is trouwens niet zo gelukkig met een ethiek op basis van waarden. Ethiek op basis van waarden en christelijke ethos zijn vijanden van elkaar, stelt de theoloog Eberhard Jüngel. In zijn ogen hebben waarden altijd iets agressief, de wil om anderen te overwinnen. In die agressiviteit is er voor hem een verband tussen waarden en zonde in de mens. Waarden verbinden niet, maar waarden grenzen af en sluiten uit.

Visie en praktijk
Moraal vraagt om beleid en in praktijk te brengen visie. Wie stelt een land een cultuur van verwelkomen heeft, moet ook beleid ontwikkelen hoe dat verwelkomen in praktijk gebracht wordt. Er is een beleid nodig voor opvang, voor integratie, voor het vinden van banen voor deze nieuwkomers. Er is een visie nodig op wanneer die nieuwkomers hun eigenheid mogen bewaren en wanneer ze zich moeten aanpassen aan de nieuwe samenleving. Opvang van migranten moet ook gepaard gaan met het besef dat het land van herkomst aan opleidingsniveau inboet, omdat het de hoger opgeleiden zijn die wegtrekken naar Europa.

684714

Marginaal
Körtner is voorstander van een theologie die zich uit in het publieke debat. Als het maar gebeurt vanuit het besef dat de kerk zich in de diaspora bevindt en heel marginaal geworden is en in de multireligieuze samenleving slechts een van de vele stemmen is. In het debat kunnen de kerken zich ook niet op christelijke morele appèls beroepen, omdat er slechts een minderheid is die de onderliggende visie deelt. Deze visie kan alleen in het debat ingebracht te worden als de argumenten ook voor niet-gelovigen te begrijpen zijn.

cover_koertner_vernunft

N.a.v. Ulrich H.J. Körtner, Für die Vernunft. Wider Moralisierung und Emotionalisierung in Politik und Kirche. Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2017.

Preek zondagavond 24 juni 2018
Handelingen 8:4-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Heilige Geest laat Zich niet tegenhouden.
Net als het water in een beekje niet tegen te houden is.
Op vakantie hebben we dat vaak gedaan: proberen het water in een beek tegen te houden
door een dam te bouwen van hout en stenen.
Het lukt nooit om het water helemaal te stoppen.
Of het stroomt tussen de stenen gewoon door of het stroomt er na verloop van tijd overheen.
Ook de Heilige Geest is niet te stoppen.
Als in Jeruzalem geprobeerd wordt om het werk van de Geest tegen te houden,
stroomt de Geest naar een andere plaats verder, om daar Zijn werk te doen.
De Geest gebruikt daar juist de vervolging voor:
doordat het voor gewone gelovigen gevaarlijk wordt om in Jeruzalem te verblijven,
vertrekken ze naar elders, worden ze verspreid.
Het is de bedoeling dat het aantal volgelingen van Jezus minder wordt,
maar de acties tegen de kerk en tegen de gelovigen hebben juist het effect
dat de volgelingen van Jezus zich verspreiden en het evangelie op andere plaatsen brengen
waar ze niet naar toe zouden zijn gegaan als ze niet gedwongen werden.
De Geest laat Zich niet tegenhouden en gaat op een verrassende plaats aan het werk.
Samaria- het lijkt voor de hand te liggen om daar naar toe te gaan,
als gebied dat het dichtst bij Jeruzalem ligt,
een gebied ook waar de leiders van Jeruzalem minder over te zeggen hebben
dan bijvoorbeeld Galilea, het gebied waar Jezus rondtrok, vertelde en genas.
Toch ligt Samaria niet zo voor de hand.
Er stond dan niet letterlijk een hek om Samaria heen,
er was wel een onzichtbare muur, die de inwoners van Jeruzalem scheidde
van de mensen die in Samaria woonden.
Samaria was heel wat minder dan Jeruzalem, de stad die als heilig werd beschouwd,
omdat daar de tempel stond, het huis waar God op aarde woonde,
De stad van Gods heerlijkheid, waar Zijn naam op aarde was.
Samaria was ook geen Galilea,
waar de mensen in Jeruzalem al hun bedenkingen over hadden.
Galilea was al minder dan Jeruzalem, dat was al bijna heidens gebied.
Samaria was vanuit Jeruzalem gezien nog minder.
Daar dienden ze God op een verkeerde manier.
Je kon niet van hen zeggen dat ze volksgenoten waren. Ze waren anders.
Als je vanuit Jeruzalem kwam, kon je moeilijk aarden in dat gebied
en liep je het risico ontrouw te worden aan wat je in je opvoeding mee kreeg over God.
Als je daar komt, wordt je boodschap niet snel aangenomen.
De mensen zijn er óf vijandig, óf onverschillig.
Of ze moeten je niet en houden de deur van hun huis dicht voor je en hun hart gesloten
Of ze vinden het de moeite niet waard om naar je woorden te luisteren,
ze hebben hun eigen leven, ze willen niet lastig gevallen worden. Ze redden zich wel.
Er is heel wat nodig om de mensen die hier wonen te winnen.
Er is al heel wat nodig om hun aandacht te krijgen, om hen te interesseren.
Juist van dit gebied vertelt Lukas hoe de Geest hier ook aan het werk gaat
en geloof weet te wekken
De Geest doet dat via gelovigen, die daar voor langere tijd moeten zijn,
daar komen als immigrant, als vluchteling, gedwongen om een nieuw bestaan op te bouwen.
Ze brengen het evangelie met zich mee. Ze spreken over Christus.
Ze hebben Jeruzalem achter zich moeten laten vanwege deze Naam
En waar ze komen zijn ze net zo vol van deze Naam.
Ook hier wordt de kracht van Christus zichtbaar door de wonderen die gebeuren.
Ook hier in Samaria wordt het bevrijdende en helende van de naam van Christus merkbaar.

Wees stil, want de kracht van onze God daalt neer op dit moment.

De kracht van de God die vergeeft en ons genezing brengt;
niets is onmogelijk voor wie gelooft in Hem.
Wees stil, want de kracht van onze God, daalt neer op dit moment.

Ook in Samaria zijn er mensen met een verkeerde, een onreine geest in zich.
In de boodschap van Christus gaat het bij onreinheid om je hart,
om welke krachten je toelaat in je hart, wat de bron van je verlangens is
en het is onrein als de kracht die je hart leidt, als je verlangens niet van God komen.
Als er een andere macht is die je hart aanstuurt
en dat kan alleen dan macht zijn die je van God brengt
of je zelfs in de macht van de duivel brengt.
Als ze de boodschap over Jezus horen, vindt er een reiniging in hun hart plaats
en worden ze bevrijd van die verkeerde machten,
niet meer vatbaar voor die verlangens met een verkeerde oorsprong.
Misschien was er voordat er over Christus gesproken werd,
helemaal geen oog voor dat het menselijk hart ten prooi kan zijn aan verkeerde machten
en was er geen aandacht voor machten die je ziel schade kunnen berokkenen.
De naam van Christus heeft een helende en bevrijdende macht.
Dat is ook de reden waarom zending over de hele wereld gaat,
Niet alleen omdat je dan eeuwig behoud kunt vinden in Christus, toegang tot de heerlijkheid,
maar dat de verkeerde machten geen vrij spel meer hebben in je leven:
er wordt de strijd met hen aangegaan. Ze moeten je laten gaan.
De mensen in Samaria, eerst nog zo vijandig of onverschillig, zijn blij met het evangelie,
zijn dankbaar de gelovigen uit Jeruzalem gekomen zijn om hen te vertellen
over deze ene Naam, in wie redding te vinden is: Jezus Christus.
Een stad vol vreugde, vol blijdschap, dankbaar dat ze in aanraking kwamen met Christus.
Hebben wij die vreugde, die er in Samaria is?
Misschien is het een te bekend verhaal geworden,
Waardoor we af en toe, op momenten, wel die blijdschap hebben,
ervaren dat we opgetild worden boven onszelf uit, bevrijding mochten ontvangen,
vreugde om een gereinigd hart, intense dankbaarheid om Christus te mogen kennen.

Er is een onverwachte bekeerling. Ook hier weer verrassend hoe de Geest werkt.
Het is degene die het meest te verliezen heeft bij de komst van de christenen.
Hij was in aanzien, gevreesd misschien wel, vanwege zijn magische praktijken.
Magie heeft twee kanten:
Er is een bepaalde kracht in je, maar in plaats van je een instrument in Gods hand te weten
zoals Filippus en Stefanus dat zijn,
wil iemand die magie bedrijft die macht kunnen beheersen, kunnen manipuleren
En daarmee de God die beschikt over deze macht beheersen en willen manipuleren.
De magiër is niet een schepsel die zich ondergeschikt weet aan God,
maar een schepsel die denkt over God te kunnen heersen
en daarmee wordt de magische kracht, een gevaarlijke kracht,
Een kracht die losraakt van God en daarmee een occulte kracht, vatbaar voor de boze.
Dat is de ene gevaarlijke kant aan de magische praktijk.
De andere kant is dat het een macht waarmee je over mensen kunt heersen.
De macht gebruik je niet om anderen te dienen, maar over hen te heersen,
om hen in je macht te krijgen, hen angst aan te jagen, zodat ze niet tegen je op kunnen.
Magie is ten diepste manipulatie van God en van mensen.
Daarom was het onder Israël verboden
en dat Simon een goedlopende praktijk had in Samaria zegt ook iets
over de geestelijke toestand van Samaria.
De mensen daar kunnen geen onderscheid maken tussen de Geest van God
En de onreine geesten, die je juist van God afbrengen.
Als de christenen in Samaria komen en vertellen over Jezus raakt Simon zijn macht kwijt.
De mensen in Samaria komen nu niet meer naar hem toe,  maar naar Filippus
En Simon raakt ook onder de indruk van de kracht die in Filippus werkt,
Simon moet zijn meerdere erkennen, in Filippus, in de Heer die door Filippus werkt.
Ook Simon laat zich dopen. Ook hij wil van Jezus zijn.

Aan Simon kunnen we zien dat als ons hart gereinigd wordt, bevrijd wordt
geen garantie is dat ons hart vrij blijft.
De Heere Jezus had daar ook tegen gewaarschuwd:
Als een kwade geest uitgedreven wordt, bestaat de kans dat hij weer terugkeert.
Het volstaat niet met een gereinigd hart.
Ons hart moet ook beveiligd wordt, afgeschermd worden,
zodat de kwade geest niet meer terugkomt en nog dominanter wordt (Lukas 11:24-26).
Dat lijkt hier met Simon te gaan gebeuren:
Hij raakt onder de indruk van Petrus, die vanuit Jeruzalem gekomen is
afgevaardigd vanuit de moedergemeente, om te zien wat daar in Samaria gebeurt.
Simon staat vooraan, met zijn neus er bovenop, om te zien hoe deze collega het doet,
om de kunst af te kijken, om te weten hoe hijzelf ook die macht kan krijgen,
hoe hijzelf ook de beschikking kan krijgen over de Heilige Geest.
Simon heeft er veel voor over om de kracht van de Geest ook in zich te krijgen.
Er wordt niet vermeld of Simon er een verkeerde kant mee wil opgaan.
We weten niet of Simon een goede bedoeling had of juist een verkeerde.
Later in de kerkgeschiedenis werd de naam van Simon verbonden aan een praktijk
Waarin iemand met behulp van geld een bepaalde positie in de kerk wil kopen.
Simonie: dat betekent dat je er geld voor over hebt om leiding te krijgen in de kerk.
Het gaat ook verder: simonie is je positie binnen de kerk gebruiken
om er geld aan te verdienen, verdienen aan de Heilige Geest die je kreeg.
De fout daarvan is dat je dan als mens denkt boven de Geest te staan.
MAar zoals de Geest niet is tegen te houden, is de Geest niet te sturen.
Het is ook niet de menselijke handeling van Petrus en Johannes
waardoor de Geest wordt doorgegeven.
God bepaalt hoe de Geest werkt en wie de Geest krijgt.
Hier in Samaria wordt de Geest pas uitgestort nadat de apostelen gekomen zijn,
Terwijl de Samaritanen al wel de doop hebben ontvangen.
In andere gedeelten in Handelingen blijkt dat de Geest niet afhankelijk is
Van wat mensen doen, ook niet in het opleggen van de handen.
Daarom gaat in onze traditie aan het opleggen van de handen om de zegen te geven
eerst een gebed vooraf, waarin we bidden om de zegen.
Ook bij een trouwdienst (komende week heb ik weer een trouwdienst) is er
als het bruidspaar reeds geknield is, voor ze de zegen kriigen eerst een gebed
waarin we als gemeente en als familie de Heere vragen of Hij Zijn zegen wil geven.
God verhoort gebeden en daarom mogen we zeker zijn dat Hij de zegen wil geven.
We mogen zeker zijn van de gave van de Geest, omdat God die gave belooft,
beloofd heeft dat we de Geest kunnen, mogen ontvangen.
Simon moest dat leren, met een harde waarschuwing.
Simon moest leren dat de Geest niet te koop is
en dat Petrus ook de Geest niet als bezit heeft
en dat Petrus niet bepaalt aan wie hij de Geest kan doorgeven.
Petrus is alleen maar een instrument in de hand van de Geest.
Hier een instrument in Gods hand om Simon te waarschuwen
dat hij met vuur speelt door een geldbedrag aan te bieden voor de Geest.
Een serieuze waarschuwing: Simon, dat geld brengt je naar de ondergang.
God is niet te koop – ook Zijn Geest niet.
Denken dat je God kunt kopen is een belediging, een aantasting van Gods eer.
Met geld is zoveel moois te doen: je kunt er armen mee steunen,
je kunt het aan de kerk geven voor onderhoud van de gebouwen,
om de verkondiging van het evangelie mogelijk te maken,
maar het kan ook een verkeerde kracht zijn, die je gaat beheersen
en waardoor je je groter maakt dan je bent,
je wilt boven jezelf uitstijgen – niet omdat de Geest je tot bijzondere dingen in staat stelt,
maar hoger reiken, hoger willen komen, groter willen worden dan goed voor je is.
Je denkt heel wat te zijn en nog meer te kunnen worden,
maar het is maar lucht en leegte, inhoudsloos,
Een dam in een beekje gebouwd dat maar even standhoudt
en dat al verdwenen is als je de volgende dag gaat kijken.
Niets is hier blijvend, niets is hier blijvend, alles, hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan.
Je zult vergaan, Simon, jij en je geld met jou.
Het is de vraag of het hier om een vloek gaat, die door PEtrus uitgesproken wordt,
Een oordeel dat door God wordt overgenomen,
of om een welgemeende waarschuwing, om aan te geven hoezeer Simon met vuur speelt.
Je vernietigt jezelf, je gaat er aan onderdoor, je houdt het niet.
DAt wordt in het Oude Testament gezegd over iemand die voor de afgoden kiest:
Je kiest voor iets dat alleen maar een lege huls is, dat verwaaid in de wind,
weggespoeld wordt door de kracht van het water, het blijft niet overeind.
Zo zul je ook niet overeind blijven, Simon, Want de bron is onzuiver.
Het zit van binnen bij je mis.
Je was gedoopt, omdat je geloofde, omdat de Geest je hart had leeggemaakt
om daar plaats te maken voor Christus, maar nu val je weer terug.
Je kunt zo voor God niet bestaan.

De reactie van Simon is net als die van de luisteraars op het tempelplein
op de eerste Pinksterdag in Jeruzalem bij elkaar, toen de Geest werd uitgestort.
Simons reactie is er een van verslagenheid: nu raakt hij alles kwijt,
een afgrond die zich opent, door de verkeerde gedachte die hij had.
Dat wil hij niet. Bid voor mij. Simon klampt zich aan Petrus vast: Red mij.
Verwerp mij niet van voor uw aangezicht
Ontneem mij niet uw Heilge Geest o God (Psalm 51:5)
Zo leert Simon, wel op een confronterende manier, dat je om God moet vragen, mag vragen
en dat Hij dan Zich geeft aan wie bij Hem aanklopt met lege handen.
Ik heb niets, U hebt alles. Ik heb het nodig dat U Uzelf geeft.
Simon laat zich terugroepen, als een schaap dat de verkeerde kant op was gegaan,
Hij ziet in wat er mis gegaan is en dat hij vergeving nodig heeft,
dat hij het nodig heeft, dat er voor hem een beroep op God wordt gedaan.
Zo stroomt de Geest ook weer door, de Geest is niet tegen te houden,
zelfs niet door de dommigheid van Simon, bij wie zijn oude mens nog bovenkomt,
de magiër, die over Gods kracht denkt te kunnen beschikken.
Ook in het schuldbesef van Simon zien we dat de Geest doorgaat, niet te stoppen.
En wanneer wij soms uit zwakheid in zonde vallen, moeten wij niet aan Gods genade twijfelen en ook niet in de zonde blijven liggen. De doop is immers een zegel en ontwijfelbaar getuigenis dat wij een eeuwig verbond der genade hebben met God.

Dat we inzicht krijgen in onze zonde, is werk van de Geest
En dat we aankloppen bij Christus is ook de Geest.
Simon laat ons zien dat we niet alleen bij Christus moeten aankomen,
maar dat we ook bij Hem moeten blijven,
dat het niet genoeg is om bij Hem te arriveren, maar dat het net zo belangrijk is
dat Christus doorwerkt in ons hart, in onze gedachten, in onze daden,
dat ons hart, ons karakter gevormd wordt door Hem.
Niet meer van de verkeerde machten, maar verlost uit de macht van de satan
en door Christus bewaard.
Dat we van Hem zijn én van Hem blijven.
Laten we ons corrigeren als dat nodig is?
Zoals Simon de woorden van Petrus ter harte nam?
In die waarschuwing kunnen anderen instrument worden in Gods hand,
De stem van Christus, die we horen via iemand die mens is net als wij,
om ons te waarschuwen en terug te brengen bij Hem.
Ontneem mij niet uw Heilige Geest o God,
laat in uw heil mijn hart zich nu verblijve
n
en richt geheel mijn wil op uw gebod,
dan zal ik zondaars op uw wegen leiden.
Amen

Preek zondagmorgen 24 juni 2018

Preek zondagmorgen 24 juni 2018
Handelingen 6:8-15, 7:54-60

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je op zondagmorgen de drempel van de kerk overgaat,
besef je lang niet altijd wat er op het spel staat.
Of beseft u dat wel dat van u als christen gevraagd kan worden
om alles te geven, dat het zelfs uw leven kan kosten?
Hier in ons land zal dat niet zo’n vaart lopen en kunnen we ons geloof vrijuit beleven,
maar er zijn heel wat landen op deze wereld waarin het heel wat kost om christen te zijn.
Waar je in een strafkamp terecht kunt komen,
of lang in de gevangenis kunt verblijven zonder dat er uitzicht is op vrijlating.
Er zijn landen waar je als christen met de dood bedreigd kunt worden.
Hier hoeven we geen gevaar te vrezen.
En zolang we maar niet beginnen over wat de juiste kerk is,
hoeven we ook niet bang te zijn voor zo’n heftige discussie als waarin Stefanus is beland.
In een veilig Oldebroek, waar kerkgang en het dienen van Jezus ons niets hoeft te kosten
horen we over Stefanus die zijn trouw aan Jezus moet bekopen met de dood.

Stefanus heeft deze dood niet gezocht.
Hij is niet iemand die bewust het gevaar heeft opgezocht,
maar was alleen maar iemand die vol was Christus, gedreven door de Geest
en de aandacht trok door wat hij in de naam van Christus mocht doen:
Door Gods genade en kracht kon hij bijzondere dingen doen: wonderen en tekenen.
Wonderen, dat wil zeggen: het geloof in Jezus Christus heeft iets bevrijdends,
het bevrijd je uit de macht van de duivel, bevrijding uit banden die knellen.
Het geloof in Jezus Christus heeft iets helends:
het is mogelijk om door Christus genezing, heling te ontvangen.
Het optreden van Stefanus heeft dat bevrijdende, dat helende.
Hij had daarmee de aandacht op zichzelf kunnen vestigen
en laten zien hoe bijzonder hij is en welke bijzondere kracht hem gegeven is.
Als een dienaar van zijn Heer wijst hij echter van zichzelf af.
De wonderen die hij doet zijn ook tekenen: ze wijzen naar Jezus, naar zijn Heer,
naar het Koninkrijk van God dat met Christus gekomen is.
Niet iedereen ziet het mooie ervan, niet iedereen is God dankbaar voor de bijzondere kracht,
voor de genezing van zieken, voor de bevrijding van degenen die door de duivel bezeten zijn
van daden waardoor iedereen onder de indruk komt van Gods goedheid en liefde.
Stefanus heeft tegenstanders en door die tegenstanders wordt hij uiteindelijk gedood.
Kan dat ons ook overkomen?
Kan het ook ons gebeuren dat we onze passie voor Christus met de dood moeten bekopen?
Ja, dat kan ons ook overkomen.
Een van de redenen waarom het verhaal van Stefanus in de Bijbel is opgenomen
is om aan alle christenen te laten weten, dat de mogelijkheid bestaat
dat je gevraagd wordt om alles te geven voor je Heer.
Vraagt u zich dan niet af hoe u het er vanaf zou brengen als u in zo’n situatie zou komen?
Ik vraag het me geregeld af, zeker als ik weer verhalen over de vervolgde kerk hoor:
Hoe zou ik het er vanaf brengen? Zou ik de moed van Stefanus kunnen opbrengen?
Nou, daar gaat het net niet om, in dit gedeelte.
Het gaat niet om de moed van Stefanus, niet om hoe geweldig dapper hij is.
Stefanus is wel een voorbeeld voor ons, maar dan een voorbeeld van hoe de Geest werkt.
Als de Heilige Geest in je werkt, ben je tot verrassende dingen in staat.
Dan doe je iets, dat je niet van jezelf verwacht, dan kun je boven jezelf uitstijgen.
De Geest is in staat om een standvastigheid te geven, waardoor je trouw blijft, volhoudt.
Want met U ren ik door een legerbende, met mijn God spring ik over een muur,

zingt David in Psalm 18
en ook hier gaat het niet om het bijzondere wat David doet,
dat hij in zijn eentje de vijand kan verslaan en een geweldige sprong doet,
maar net als bij Stefanus zingt David ons voor, wat er kan gebeuren
als God aan je zijde staat, de uitredding die God biedt.
Hier bij Stefanus is de uitredding niet dat de dood bespaard blijft
En op een wonderlijke manier aan de dood kan ontkomen,
maar dat als hij gedood wordt, Christus reeds in de hemel op hem staat te wachten
met de armen wijd, om hem door de dood heen te dragen naar Zijn heerlijkheid.
Vrees niet voor degenen die het lichaam kunnen doden.
Dat is heel wat en ik denk dat Christus dat goed aanvoelde dat we bijna allemaal
wel zouden vrezen voor degenen die zoveel geweld kunnen gebruiken
dat we het er niet levend vanaf zouden brengen.
De garantie van Christus is dat er dan ook een uitweg is, een weg door de dood heen.
Hier bij Stefanus kunnen we dat zien:
in zijn laatste minuten ziet hij de hemel open, ziet hij in de hemel boven zich
zijn Heer, zijn Heiland staan.
Hij staat: klaar om Stefanus welkom te heten in de hemelse heerlijkheid.
Kom in, gij gezegende, over weinig ben je getrouw geweest, over veel zal Ik je zetten.

Over de vraag of wij ons leven kunnen geven, of we bereid zijn om te sterven voor Christus
hoeven we dan gelukkig niet na te denken, wel is de vraag aan ons:
Kunnen we die trouw opbrengen? Hebben we alles voor Hem over?
In deze dienst had de Heilige Doop bediend kunnen worden,
dat was ingepland voor deze dienst.
Bij de doop is er ook het besef dat het leven met Christus niet maar iets simpels is.
Opdat zij hun kruis in de dagelijkse navolging van Christus met vreugde mogen dragen. Opdat zij Hem toegewijd zijn met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde.
Opdat zij dit leven, dat toch niet anders is dan een voortdurend sterven,
door Uw genade getroost mogen verlaten en onbevreesd voor de rechterstoel van Uw Zoon, Jezus Christus, mogen verschijnen.
Er is door de gemeente gebeden, toen u, toen jij gedoopt werd,
dat alles wat je voor Christus doet, dat je dat met vreugde mag doen,
dat als je een kruis te dragen hebt, dat je dat met vreugde doet,
dat als je te maken hebt met tegenstand, omdat je gelooft,
Dat je dan niet moedeloos wordt of teleurgesteld, maar blij en dankbaar
omdat je dan beseft dat je gedragen wordt, dat God zich dan juist laat zien,
dat je dan in de voetsporen van Christus gaat, die ook het kruis gedragen heeft.
als we dopen, brengen we niet alleen kinderen bij Christus
en plaatsen we ze ook op de weg van Christus,
met alle risico’s die deze weg met zich meebrengt,
een weg waarop ze heel wat kunnen tegenkomen aan tegenstand, wellicht vervolging zelfs
en toch zetten we hen op deze weg en laten we hen
net als wijzelf die weg gaan, de weg van Christus gaan, achter hem aan,
een weg van kruisdragen en we vragen God aan het begin van deze weg
terwijl we weten dat het hen veel zal gaan kosten, dat ze met vreugde over deze weg gaan.
Vreugde als ze net als Stefanus bestreden worden,
een vreugde die niet eindigt als ze net als Stefanus weten, dat hun leven zal eindigen.
Het houvast dat we hebben en dat we onze kinderen kunnen meegeven,
dat we zo ook kunnen voorleven is dat we in leven en sterven eigendom zijn van Christus,
dat het sterven niet het laatste is en dat je zelfs dan nog een houvast en troost hebt.
Leeft u dat uw kinderen ook voor?
Kunnen ze aan u merken als vader of als moeder dat deze kracht u draagt,
dat deze troost het fundament onder uw leven is?
Dat je leeft met een open hemel, waar Christus is,
staande bij de troon van God, klaar om je op te wachten als je einde gekomen is
en ook klaar om in te grijpen, om als het Zijn wil is je te bewaren voor de dood.
Die Heer die in de hemel staat, bij de troon van God, in de heerlijkheid van God,

is zelf in de dood geweest en weer opgestaan.
Daar ging de discussie met de tegenstanders juist over,
Stefanus haalde een uitspraak van Jezus aan, die over Zichzelf gezegd had:
breek deze tempel af en Ik zal die tempel weer opbouwen.
Jezus had niet bedoeld dat Hij wilde dat de tempel afgebroken zou worden.
Hij had aangegeven dat het hen niet hielp als ze Hem zouden doden,
want net zoals de tempel die verwoest was weer opgebouwd was,
zou Jezus weer opkomen uit het graf, verrijzen.
Die Jezus die door hen is gedood, staat daar in de hemel, in een bijzondere gestalte:
Als de Zoon des mensen, Christus als rechter, die oordeelt over ons leven,
die bepaalt of wij in Zijn heerlijkheid kunnen komen, of dat we verloren gaan.
Het zijn niet mensen op aarde die over ons gaan,
maar Christus in de hemel die bepaalt wat er met ons gaat gebeuren.
Dat is ons houvast, dat is onze toekomst – ons lot is in Zijn handen.
Hij bepaalt wat ons te wachten staat.
aan Stefanus zien we dat we daar niet in onzekerheid over hoeven te verkeren.
Stefanus krijgt de zekerheid: Christus staat daar, klaar om recht te spreken.
Hij kan zich overgeven, Zijn leven in de handen van Christus leggen:
In uw handen beveel ik mijn geest.

Hiermee geeft Stefanus niet aan, dat zijn leven ten einde is, dat het nu voorbij is,
maar dat hij in Christus’ nabijheid verder leeft
en dat als Christus wil dat hij, Stefanus zal leven, dan zal hij leven.
Dat al wordt zijn leven nu afgebroken door de stenen die tegen hem aan gegooid worden,
hij zal weer opgebouwd worden, zoals Christus als afgebroken tempel herbouwd werd
in de opstanding – Pasen niet alleen voor Jezus, maar ook voor Zijn volgeling.
In uw handen beveel ik mijn geest
– het was het lied waarmee Joodse kinderen gingen slapen.
Ze vertrouwen zich toe in de handen van de Eeuwige, de Schepper.

Maak Uwe weldaan wonderbaar,
Gij, die Uw kindren wilt behoeden.
Voor ’s vijands macht en vreeslijk woeden,
En hen beschermt in ’t grootst gevaar.
Wil mij Uw bijstand niet onttrekken;
Uw zorg bewaak’ mij van omhoog;
Bewaar m’ als d’ appel van het oog;
Wil mij met Uwe vleuglen dekken.

In uw handen beveel ik mijn geest – al word ik afgebroken en vernietigd,
Gods werk wordt niet vernietigd, maar gaat door.
Al lijkt de kerk een slag te krijgen met de dood van deze Stefanus
die in woorden en daden zoveel voor de kerk mag betekenen:
Zijn opvolger staat al klaar.
Het is de meest onwaarschijnlijke opvolger die er is.
Het is degene in wie de haat tegen Christus oplaait, die instemt met de dood van Stefanus
En die het vonnis over Stefanus doortrekt naar andere volgelingen van Jezus.
Zij moeten ook gedood worden.
Saulus, die er bij staat, begint een vervolging van christenen zoals er nog niet was.
Zoals Stefanus gedood wordt, zo moet Christus’ gemeente vernietigd worden.
Juist hij is degene die gegrepen wordt, juist via hem werkt de Geest verder.
Hij is degene die door de Geest als opvolger van Stefanus bedoeld is.
Niet alleen voor mijzelf geldt dat ik in leven en sterven geborgen ben bij Christus,
dat geldt ook voor de kerk.
Totdat Christus terugkomt, zal er een kerk zijn, omdat Christus waakt over de kerk.
De kerk, dat is niet de gemeenschap van allemaal geweldenaars,
Voor al degenen die uit zichzelf wel even op een vijandelijk leger afstormen,
of zelf zo handig zijn, of krachtig om over een hoge muur te kunnen komen,
de kerk dat is de gemeenschap van degenen die hun kracht in Christus zoeken,
die het van Hem verwachten,
die een open hemel boven zich weten, juist als er op aarde geen uitweg meer is

Toen Jezus geboren was, kwam er een engel die het goede nieuws kwam brengen.
Hij bracht ook het licht mee: de heerlijkheid van God kwam over de herders.
Zij stonden in het licht van Gods heerlijkheid.
God kwam op aarde in al Zijn heerlijkheid en de herders mochten daar in delen,
zij werden daarin opgenomen.
Nu ziet Stefanus diezelfde heerlijkheid, niet op aarde maar in de hemel,
maar hij ziet ook dat die heerlijkheid toegankelijk is voor wie gelooft, benaderbaar,
een poort wijd open.
Stefanus wordt zelf een engel die het goede nieuws brengt aan de mensen
die hem zullen gaan doden.
Hij waarschuwt hen, maar geeft ook in zijn heengaan een getuigenis:
Reken hen deze zonde niet toe.
Hij weet, dat ook zij eens voor Christus moeten verschijnen. En dan?
Er staat wat op het spel: voor hem, Stefanus,
maar ook voor degenen die hem gaan doden.
Ook zij kunnen delen in Gods heerlijkheid, daarin opgenomen worden.
Ze kunnen het ook afwijzen, ook zijn boodschap die voor hen bedoeld is afwijzen,
zoals ze eerder steeds alle profeten hebben gedood.
Stefanus beseft dat ze die last niet kunnen dragen: Reken hen die zonde niet aan.
Zij kunnen daarmee niet voor U verschijnen. Dat kunnen ze niet.
Zou ik dat kunnen, dat gebed bidden dat Stefanus bidt,
de woorden van Jezus nasprekend die ook om vergeving bad
voor degenen die Hem aan het kruis brachten?
Kan ik die trouw opbrengen van Stefanus?
Gij wilt uw kinderen behoeden.
En tegelijkertijd, zolang we nog op aarde zijn, hoort het gebed er bij:
Wil mij Uw bijstand niet onttrekken;

Uw zorg bewaak’ mij van omhoog;

Bewaar m’ als d’ appel van het oog;

Wil mij met Uwe vleuglen dekken.
Amen

Geloof in praktijk

Geloof in praktijk

En de twaalf riepen de menigte van de discipelen bij zich en zeiden: Het is niet behoorlijk dat wij nalaten het Woord van God te verkondigen om de tafels te dienen. (Handelingen 6:2)

Onrust in de gemeente van Jeruzalem. Was er eerder een eenheid van hart en ziel, die eenheid staat nu op het spel. Er is namelijk een klacht dat vrouwen overgeslagen worden. Het gaat om vrouwen die niet het Hebreeuws of het Aramees machtig zijn, maar alleen Grieks spreken. Het is niet helemaal duidelijk waar ze bij worden overgeslagen. Krijgen ze minder dan de vrouwen die wel Hebreeuws of Aramees spreken? Of gaat het erom, dat ze niet betrokken worden bij het uitdelen van de gaven? Het wordt niet gemeld. Lang is gedacht dat het hier gaat om de organisatie bij het uitdelen niet op orde is en dat daarom bepaalde groepen overgeslagen worden. Tegenwoordig wordt er ook wel rekening mee gehouden, dat op een of andere reden deze vrouwen niet voor taken binnen de gemeente benaderd worden.
Er kunnen verschillende redenen zijn, waarom deze vrouwen niet gezien worden. Het kan zijn dat de organisatie inderdaad niet op orde is. De gemeente is zo gegroeid en de apostelen kunnen het niet meer behappen. Net als bij Mozes is het nodig dat er anderen betrokken worden in de organisatie en leiding van de gemeente. Het kan zijn dat de taal een barrière is. Als je een andere taal spreekt, kan dat een belemmering zijn. Dat lijkt echter niet voor de hand te liggen, omdat in die tijd veel Joden in Jeruzalem het Grieks goed beheersten. Het ligt dan meer voor de hand dat de weduwen die alleen Grieks spreken in het buitenland zijn opgegroeid, in de diaspora. Ze zijn dan later naar Israël getrokken. Mogelijk dat ze zich in eigen synagogen hebben georganiseerd, waar Grieks werd gesproken in de erediensten. In dat geval missen ze het netwerk dat anderen binnen de gemeente hebben. Ze worden minder gezien en daardoor sneller overgeslagen, bij zowel de taken die vervuld moeten worden als de gaven die verstrekt worden. In het geval van taken kan het ook zijn dat deze vrouwen niet benaderd worden, omdat ze een wat minder strikte levensstijl hebben. In het buitenland, waar veel minder gelovigen zijn, is het lastiger om een strikte levensstijl te houden dan in Israël. Net zoals het nu voor gelovigen in gebieden die minder kerkelijk zijn soms andere gewoonten hebben, bijvoorbeeld wat invulling van de zondag betreft. Deze vrouwen zouden dan een belemmering kunnen vormen voor de Joden die wel opgegroeid zijn met een strikte levensstijl en nadat ze christen zijn geworden die levensstijl willen behouden. Joden die christen werden bleven vaak Joden.
Het gaat voor de apostelen niet om een kleinigheid. Het is een zaak die de hele gemeente aangaat. Voor de apostelen staat of valt de kerk met deze kwestie. Wordt dit niet goed opgelost, dan is de kerk geen kerk meer, geen gemeente van Jezus Christus. Daarom wordt in het eerste vers ook gesproken over het aantal leerlingen dat toeneemt: gelovigen die leerling willen zijn van Jezus Christus. In hun handelen, in hun denken willen ze de woorden van Jezus in praktijk brengen. Geloven is niet alleen maar een innerlijk gebeuren, een gevoel. Geloven is niet alleen maar iets van het verstand. Wie leerling van Jezus is laat zijn of haar hele leven bepalen door de woorden van Christus.
In de gemeente van Jeruzalem gaat het op dat punt mis. Heel concreet: aan de tafel. Dat kan de gewone tafel zijn. Dat kan de avondmaalstafel zijn. Christenzijn komt tot uitdrukking aan de tafel: elke andere gelovige is een broeder of zuster. Je mag een broeder of zuster niet mijden. Je mag een broeder of zuster niet verwaarlozen of overslaan. De hele gemeente krijgt te horen dat het niet goed is als de apostelen zich met de kwestie van aan tafel gaan bezig houden. Niet dat de tafelkwestie minderwaardig is en daardoor door minder belangrijke personen afgedaan kan worden. Nee, juist omgekeerd: aan de tafel wordt zichtbaar of je je in je gedrag laat leiden door Christus. Aan de tafel wordt het zichtbaar dat Christus je Heer is.
Ik heb wel eens gelezen dat het nergens moeilijker is om te evangeliseren dan op een dorp, omdat op een dorp alles van je zichtbaar is. In de stad kun je je terugtrekken in je eigen wereld. Op een dorp niet, want ze zien alles van je. Ze zien niet alleen dat je naar de kerk gaat, maar ook wanneer je naar je werk gaat. De buren horen hoe je met je man of vrouw en je kinderen omgaat. Ze weten hoe je bent als je het terrein van de voetbalvereniging opstapt. De apostelen roepen de gemeente bij elkaar om aan te geven dat het juist daar aan de tafels zichtbaar wordt wat christenzijn inhoudt. Christenzijn wordt heel concreet. Als dat niet in praktijk gebracht wordt, heeft het voor de apostelen geen zin dat ze onderwijs geven en dat ze over Christus vertellen. Als harten niet veranderd worden en karakters niet bekeerd, wordt het leerling-zijn van Jezus wel heel vrijblijvend. Als je binnen de gemeente je eigen vriendenclubje houdt, ontstaat er een kerkje-binnen-de-kerk. Maar dat is dan geen kerk meer, maar een vereniging van ons-soort-mensen. Er moeten mannen gezocht worden die op toezien hoe het evangelie van Jezus Christus in het leven van alledag in praktijk gebracht wordt. Zeven mannen die betrouwbaar zijn. Mannen die ook het vertrouwen hebben van de Griekssprekende weduwen, die nu nog niet in beeld zijn. Mannen die wijs zijn: mannen die zien wat er tussen mensen gebeurt. Die merken wanneer er iemand – bewust of onbewust – buitengesloten worden. Mannen die in de manier waarop mensen aan tafel zitten kunnen zien wanneer er iemand buitengesloten is. Die de moed hebben en de tact om daar iets van te zeggen en aan te doen. Daarom hebben ze de Heilige Geest nodig: de Geest helpt om onderscheid te maken tussen een gemeenschap en kliekjesvorming, onderscheid tussen vriendschap die dienstbaar is aan de hele gemeenschap en vriendschap die alleen maar bondjes sluit. Daarom zijn er mannen nodig die zelf door de Goede Herder als verloren schapen zijn thuisgebracht, een ervaring die hen aanzet om andere verloren schapen op te zoeken en bij de kudde te brengen.
Wanneer deze mannen er niet zijn en hun werk niet doen, als de gemeente dit laat lopen, dan kunnen de apostelen wel verkondigen en bidden, maar dan is het allemaal zinloos. Het werk van deze 7 mannen is niet minderwaardig ten opzichte van de apostelen, maar is er dienstbaar aan. Het onderwijs van de apostelen wordt er geloofwaardiger van als het ook in praktijk gebracht wordt. Deze zeven mannen zien er op toe en helpen de gemeente erbij om hun geloof in praktijk te brengen. Daar groeit de gemeente ook weer van. Lukas zegt het heel specifiek: het Woord van God groeit. Het Woord van God bereikt harten en verandert die harten, vormt die harten naar het beeld van Christus. Een bekering niet alleen van hart, maar ook van karakter. Een geloof dat niet zonder daden blijft, maar heel concreet in praktijk gebracht wordt. Die praktijk maakt indruk op anderen. Maakt anderen nieuwsgierig, brengt ze over de streep. Zelfs priesters treden tot de gemeente toe, omdat ze zien hoe de Geest mensen veranderd in ware gelovigen, echte leerlingen van Christus.

Voetbal houdt de kerk en de maatschappij een spiegel voor

Voetbal houdt de kerk en de maatschappij een spiegel voor

Vele mensen zitten deze weken voor de buis om het WK voetbal in Rusland te volgen. Voetbal kan de kerk helpen om te ontdekken waar hedendaagse mensen door gegrepen worden en waar ze helemaal voor kunnen gaan, zo is te lezen in Leidenschaft und Fussball.

Recensie

DSCN4298

In de jaren dat Nederland meedeed met een WK of EK Voetbal zocht ik ruim van tevoren het speelschema op om de wedstrijden die Nederland moest spelen in mijn agenda te vullen. Daarmee kon ik voorkomen dat er een kerkelijke activiteit of een vergadering gepland zou zijn op een dag waarop Oranje zou moeten spelen. Niet eens omdat ik zelf alle wedstrijden wil kijken, maar om gemeenteleden niet voor een dilemma te plaatsen waar ze prioriteit aan zouden (moeten) geven.

Voetbal heeft zo’n impact dat mensen er kerkdiensten of andere belangrijke bijeenkomsten voor laten schieten om de wedstrijd te kunnen volgen. Waarom heeft voetbal eigenlijk zo’n impact? En wat kan de kerk daarvan leren? Op deze vragen promoveerde de Duitse rooms-katholieke theoloog dr. Thorsten Kapperer. Kapperer is kerkelijk werker (Pastoralreferent) voor het bisdom Würzburg en jeugdtrainer.

Onlangs vertelde ik iemand uit mijn gemeente in Oldebroek dat ik een boek aan het lezen was over wat de kerk van voetbal zou kunnen leren. ‘Niets!’, zei hij direct, met een grijns op zijn gezicht. Hij had mij immers aangesproken over de club die ik volgde. Ik was bij iemand op bezoek geweest die enthousiast fan van Vitesse was. Daarom had ik aangegeven welke club ik volgde. Dat was in de ogen van degene die ik sprak niet de juiste club geweest… Ik had de club van de regio moeten volgen: PEC Zwolle.

DSCN4431

Orgelles
Ik ben zelf opgevoed met een duidelijke tegenstelling tussen kerk en betaald voetbal. Wedstrijden kon ik niet kijken, omdat we geen televisie hadden en de dominees waarschuwden ’s zondags op de kansel tegen ‘voetbal als afgod’. Amateurvoetbal mocht wel: mijn vader had gevoetbald en een paar broers van mij voetbalden. Ik ben mijn oudste broer altijd dankbaar geweest: omdat hij voor voetbal koos en daarom van orgelles af moest, kreeg ik de kans om op orgelles te gaan.

Thorsten Kapperer laat zien dat de kerken vanaf de negentiende eeuw enthousiaste supporters van voetbal waren. Zowel de Rooms-Katholieke Kerk als de protestantse kerken in Europa zagen in voetbal een manier om arbeiders en kinderen uit achterstandswijken  verantwoorde ontspanning te bieden. Het was volgens de kerk ook ‘een manier om hun emoties te kanaliseren’. De sport bood bovendien een mogelijkheid om de arbeiders, die in te kleine en verloederde huizen woonden, en vaak ongezond werk, een gezonde levensstijl aan te leren. Vandaar ook dat in het Ruhrgebied, waar vroeger veel mijnbouw was, er clubs ontstonden als bijvoorbeeld FC Schalke 04 en VFL Bochum.

Nog steeds organiseert het Vaticaan verschillende voetbaltoernooien, zoals toernooien voor priesters of voor daklozen. Voetbal werd in Engeland halverwege de negentiende eeuw opnieuw uitgevonden. Dat was in de tijd waarin er een massale migratie van het platteland naar de stad was. De voetbalclubs, die overal uit de grond schoten, boden een gelegenheid om zich te identificeren met de plaats waar ze nieuw waren komen te wonen. Het gaf een onderlinge verbondenheid aan degenen die door de verhuizing naar de stad ontworteld waren geraakt.
Kapperer is vooral geïnteresseerd in de impact van voetbal op mensen. Er zijn veel verhalen te vertellen van fans, die nog heel goed weten hoe zij de eerste keer een voetbalstadion bezochten en gegrepen waren door de sfeer. Voetbal werd hun leven.

Als voetbal zo’n impact heeft op mensen, is het dan geen godsdienst? Nee, zegt Kapperer duidelijk. Voetbal verleent fans een identiteit en een levensinvulling, maar er ontbreekt duidelijk een link naar het hogere, naar God. Er wordt wel vaak religieuze taal gebezigd wanneer op de wedstrijd teruggekeken wordt, maar dat gebeurt vaak op een ironische wijze. Hooguit kun je spreken van sporen van het heilige: in een cultuur, waarin velen geen binding hebben met een religie, kun je in voetbal iets opmerken van de functies die godsdienst voor mensen kan hebben: in de levensinvulling, in de beleving, in de rituelen rondom de wedstrijd. De beleving van voetbal komt in de buurt van een spirituele ervaring.
In een cultuur waarin velen de band met godsdienst zijn kwijtgeraakt, is het van belang dat kerken op zoek gaan waar zij zich bevinden. Voetbal kan de kerk helpen om te ontdekken waar hedendaagse mensen door gegrepen worden en waar ze helemaal voor kunnen gaan. Voetbal houdt de kerk en de maatschappij een spiegel voor en heeft zelfs een theologische betekenis, stelde emerituspaus Benedictus eens. Het ensceneert dé ambivalentie die er in onze cultuur ingebakken zit: dat alles maakbaar is en tegelijkertijd de ervaring dat zoveel onberekenbaar is.

Door betrokken te raken bij voetbal, kan de kerk actief worden in de wereld buiten de kerk. Het is een stap om theologisch narcisme tegen te gaan, waarbij de kerk alleen maar in zichzelf gekeerd is. Kapperer geeft verschillende voorbeelden: Predikanten en priesters die betrokken zijn bij een fanclub. Het bisdom Würzburg dat een eigen elftal heeft. De kapel in  het stadion van FC Schalke in Gelsenkirchen. Een mooi voorbeeld is ook een kerkendag die wordt gehouden in het stadion van Borussia Mönchengladbach. Deze club ging bijna ten onder, maar werd gered door een plaatselijke mecenas. De wederopstanding leidde tot de bouw van een nieuw stadion.

De overstap naar dat nieuwe, moderne stadion, dat nog niet de sfeer had van het oude op de Bökelberg, leverde vragen op over de toekomst van de kerk. Wat laat je achter, omdat het niet meer voldoet, terwijl je met het loslaten mogelijk wel aan sfeer verliest? Wat is er nodig om  in de nieuwe situatie net zo’n thuisgevoel te creëren als in de oude situatie? Zulke vragen zouden niet gesteld worden als de kerkendag niet in een voetbalstadion gehouden was.
De kerk kan van voetbal leren om een kerk voor werkelijk iedereen te zijn, stelt Kapperer. Meer dan de kerk weet het voetbal verschillende lagen van de bevolking aan te spreken. Voetbal kan ook een voorbeeld zijn in hoe jongeren binnen de eigen club worden getraind en gecoacht. Voor hun taak op het veld. Voor hun rol binnen de vereniging, als trainer van pupillen of als scheidsrechter.

Als ik als vader langs de lijn sta om de wedstrijd te volgen, waarin mijn oudste dochter keept of mijn zoon voetbalt, staat mijn eigen theologische reflectie niet stil. Geregeld denk ik dan na over wat er nodig is om een team te coachen, om bij een achterstand ze aan te sturen, om bij tegenslag ze te troosten of moed in te spreken. Om ze de normen en waarden van het voetbal aan te leren. De beste les van voetbal kreeg ik ooit van een gemeentelid. Haar kinderen waren afgehaakt van catechisatie. Ze sprak mij daarop aan en hield de plaatselijke voetbalvereniging mij als voorbeeld voor: ‘Nadat mijn jongens stopten met voetbal was er de volgende morgen direct iemand van de club die vroeg waarom ze stopten. Van de kerk heb ik nooit iemand gezien en ze zijn er nooit op aangesproken dat ze gestopt zijn.’

N.a.v. Thorsten Kapperer, Leidenschaft und Fussball. Ein pastoral-theologisches Lernfeld. Würzburg: Echter Verlag. 42 euro

Gepubliceerd in het Friesch Dagblad