Elkaar een tijd niet zien

Elkaar een tijd niet zien
Een korte tijd en u ziet Mij niet, en weer een korte tijd en u zult Mij zien, want Ik ga heen naar de Vader. (Johannes 16:16)

In bijzondere woorden kunnen vertrouwde woorden uit de Schrift opeens anders klinken. Nu ons aangeraden wordt om zoveel mogelijk thuis te blijven, betekent het dat we familie en vrienden een tijdje niet zien. Bezoek aan familie in verzorgingstehuizen is voor de meesten helemaal niet meer mogelijk. We hopen dan dat het een korte tijd is en dat we elkaar daarna weer snel kunnen zien en in de armen besluiten. Dan is het besef er hoe bijzonder het is om elkaar te kunnen ontmoeten en in de armen te sluiten. Als we niet weten hoe lang dit gaat duren, kan het een lange tijd van wachten zijn, een lange tijd van hopen dat deze crisis snel voorbij zal gaan en weinig slachtoffers zal maken.
De Heere Jezus kondigt aan dat Hij Zijn leerlingen enige tijd niet zal zien. Het zal een korte tijd zijn. Een korte tijd zal Hij van hen gescheiden zijn en zijn ze van Hem gescheiden. Op een dubbele manier zijn ze gescheiden: ze zien Hem niet meer, maar ze zijn ook niet meer bij Hem. Hij is niet meer bij hen, maar ze zijn ook de gemeenschap met Hem kwijt. Los van Hem geraakt.
Een korte tijd zal het zijn, zegt hun Heere. Op het moment dat Hij werd weggevoerd, leek die korte tijd een eeuwigheid te gaan duren. Op het moment dat Hij aan het kruis werd gehangen, was er weinig meer van het vertrouwen over dat die korte tijd eens voorbij zal zijn. Het was helemaal over. Zeker toen ze Hem gingen begraven. Was dat wat hun Meester bedoelde toen Hij aangaf dat Hij naar Zijn Vader ging?
Nee, het wonder gebeurde: Hij kwam terug uit de dood. De dood kon Hem niet in bedwang houden, maar moest Hem laten gaan en Hij liet Zich aan Zijn leerlingen zien. Inderdaad een korte tijd. Ze konden Hem weer zien. Wat een onvoorstelbare vreugde moet dat gegeven hebben: hun Heer weer terugzien nadat Hij uit de dood was teruggekeerd.
Hij bleef niet voorgoed op aarde. Hij keerde terug naar de hemel, naar Zijn Vader. Vandaar uit regeert Hij samen met de Vader over deze wereld. Ook nu in deze tijd regeert Hij. Wat er ook gebeurt: Jezus is bij de Vader in de hemel en bestuurt vandaar uit de wereld, de kerk, ons leven. We zijn veilig in Zijn handen. Ook nu in deze tijd. We kunnen Hem Zelf niet zien. Niet van aangezicht tot aangezicht. Wij kunnen wel Zijn daden zien, wat Hij doet: bescherming die Hij biedt. Troost en kracht in moeilijke tijden. Een eeuwig leven dat sterker is dan de dood. Daarin kunnen wij Hem ook zien. Dat geeft ons moed en houvast in deze tijd: we zijn in de handen van de Goede Herder, die de dood heeft overwonnen.

Op weg naar Jeruzalem

Op weg naar Jeruzalem
En Hij nam de twaalf bij Zich en zei tegen hen: Zie, wij gaan naar Jeruzalem en alles wat geschreven is door de profeten zal aan de Zoon des mensen volbracht worden. (Lukas 18:38)
100r12000000rkntaC8EA_C_750_350Zelf ben ik nog nooit in Jeruzalem geweest. Van degenen die wel in Jeruzalem geweest zijn, hoor ik dat het indrukwekkend is om daar te zijn: om te lopen op de plek waar Christus gelopen heeft. Om Gethsemané te zien, die Via Dolorosa te lopen, bij Golgotha te staan, de graftuin te bezoeken. Vooral Gethsemané maakt indruk: de tuin waar onze Heere in gebed geworsteld heeft en besloten heeft toch door te gaan en de drinkbeker leeg te drinken. Het is ook mogelijk om de Via Dolorosa te lopen: de weg die Christus afgelegd zou hebben van het paleis van Pilatus naar Golgotha, waar Hij liep met het kruis op Zijn rug. Onze Heere, schuldeloos en zonder zonde, liep daar met het kruis dat wij hadden verdiend. Dat moet indrukwekkend zijn om te lopen op de plek waar onze Heiland met onze schuld heeft gelopen. Een reis naar Jeruzalem kan een manier zijn om dicht bij de Heere te komen en nog meer te beseffen wat Hij voor ons heeft gedaan.
Nu kan niet iedereen naar Jeruzalem. Maar ook als je nooit in Jeruzalem geweest bent, is het belangrijk om stil te staan bij wat onze Heere in Jeruzalem heeft gedaan: hoe Hij geleden heeft, de pijn die er was toen Hij verworpen werd en veroordeeld, het kruis dat Hij heeft moeten dragen. In deze weken voor Goede Vrijdag staan we daar nog meer bij dan anders. Zeven weken lang duurt de Lijdenstijd. Zeven weken om mee te gaan, achter Jezus aan. Om te zien welke weg Hij ging. Wij gaan die weg niet als toeschouwer voor wie het geen enkele waarde heeft. We gaan in geloof. We zien daar hoe Christus in dat lijden onze schuld draagt. Met elke stap dichter naar Golgotha torst Hij onze zonden op zich en elke stap dichter naar het kruis brengt Hem dichter bij het oordeel van God. Dat oordeel zal Hij dragen in onze plaats.
Het is goed om in deze zeven weken de tijd te nemen om de verhalen te lezen in de evangeliën. Om psalmen en liederen te luisteren of te zingen die gaan over de weg naar Jeruzalem, over het kruis dat op Golgotha stond, over de liefde en de bereidwilligheid die onze Heere had. Het is goed om in het bidden de Heere te danken voor Zijn grote liefde, voor Zijn bereidheid om te gaan. Het is belangrijk om in deze weken tijd te nemen om erover na te denken hoe daar aan het kruis ook uw zonden zijn weggedragen.
‘Wij gaan naar Jeruzalem’, zegt de Heere Jezus. De discipelen gaan wel mee, maar als Jezus wordt opgepakt in Gethsemané laten ze Hem allen in de steek. Petrus verloochent zelfs zijn Meester. Toch moeten ze mee om getuige te zijn. Om te laten zien dat ook wij in geloof kunnen meelopen achter de Heere Jezus aan. Niet dat wij het beter zouden doen dan de leerlingen. Ook wij kunnen de weg achter Jezus niet volhouden. Hij ging die weg alleen e moest die weg ook alleen gaan. Op die eenzame weg ging Hij de weg die door God was opgedragen. De weg die voor Hem lijden en sterven betekende, maar voor ons bevrijding en vreugde. Ik hoop dat u deze weg mag kennen en dat u in geloof meeloopt om te zien hoe onze Heere voor ons ging.

Wedijveren met paarden

Wedijveren met paarden
Wanneer u met hardlopers meerent, en die maken u al moe, hoe moet u dan wedijveren met paarden? (Jeremia 12 vers 5a)


Eugene Peterson schreef eens voor zijn zoon Erik een boek over Jeremia. Erik werd net als zijn vader predikant. Peterson schreef voor zijn zoon dat boek om hem te bemoedigen. Wedijveren met paarden, noemde hij dat boek. Hij ontleende hij aan Jeremia 12 vers 5a. In de eerste zin van het boek laat Peterson weten dat het voor hem een groot raadsel is, waarom veel mensen oppervlakkig leven. Hij geeft aan dat er zo weinig mensen zijn, die bijzonder genoeg zijn om te bewonderen of na te volgen. Ze zijn er wel, zulke personen van wie je veel kunt leren en die je als voorbeeld kunt hebben. Ze vallen niet op.
Zulke mensen zijn wel nodig om binnen de christelijke gemeenschap te leren hoe je God kunt dienen met alles wat je in je hebt. Niet alleen met je verstand of met je handen, maar ook met je karakter. Peterson schrijft het boek voor zijn zoon om hem te helpen een leven te vinden dat boven het middelmatige uitstijgt.
Er zijn genoeg mensen die meerennen met de hardlopers. Hardlopers zijn mensen die zichzelf interessant vinden en zichzelf graag als voorbeeld stellen. Iedereen moet doen zoals zij. Iedereen kan van hen leren. Aan de buitenkant lijkt het alsof ze heel geslaagd zijn. Daarom vallen ze wel op en wil iedereen bij hen horen. Als je langer met hen optrekt, blijken ze echter tegen te vallen, omdat de wereld alleen maar om hen draait. Echt oog voor wat jou bezighoudt hebben ze niet. Ze doen zich vroom voor, maar een echt levend geloof hebben ze niet, omdat wat ze doen alleen maar erop gericht is om anderen te behagen. Waarbij ze God ten diepste vergeten. Het is hen te doen om hun eigen eer en niet om de eer van God.
Jeremia zegt over zulke mensen dat je met hen de oorlog niet wint. Ook niet de geestelijke strijd. Als ze zich vermoeien door op andere mensen te letten om te zien of zij wel opvallen, dan richten ze zich op de verkeerde dingen. Ze kunnen met de paarden niet wedijveren. Die paarden werden gebruikt in de oorlog. Als mens ben je hen niet de baas. Maar wel met Gods hulp. In Hem zijn we meer dan overwinnaars. Wanneer je in Gods kracht gaat, kun je verrassend veel en meer dan je denkt. Niet omdat je het zelf doet, maar omdat de Heilige Geest in je kan werken. In die hardlopers kan de Geest niet werken, omdat ze ten diepste vol zijn van zichzelf. Daarom kunnen ze de geestelijke strijd niet aan. Niet tegen de wereld, niet tegen de zonde, niet tegen zichzelf. Het zijn juist degenen die niet met zichzelf bezig zijn, maar open zijn voor de Heilige Geest die de strijd wel aan kunnen gaan. Niet omdat ze uit zichzelf winnen, maar omdat ze gesterkt worden. Zulke mensen zijn wel een voorbeeld, omdat ze laten zien hoe de Heilige Geest in je kan werken en hoe je als mens gebruikt kan worden in de dienst van Christus.
Zulke mensen zijn ook nodig. Peterson schrijft het boek om zijn zoon te leren hoe hij moet zijn als predikant. Tegelijkertijd schreef hij het breder, ook voor christenen die geen betaalde baan in een gemeente hebben, maar in de wereld hun betaalde baan hebben. Van ons allemaal wordt gevraagd niet de mensen te volgen die zichzelf interessant vinden, maar die zich leiden door de Geest van Christus.

Overdenking Kerstviering 2019

Overdenking Kerstviering 2019
Lukas 2:8-14
download (3)


Waar zou ik moeten beginnen met vertellen van die nacht?
Wat ik van die nacht nog herinner is hoe donker die nacht was.
Niet dat we dat door hadden toen we op de schapen pasten.

Hoe donker die nacht was, werd mij pas duidelijk toen het licht kwam
en uit dat licht een engel tevoorschijn stapte.
Dat licht was zo schoon, zo heerlijk. Ik zou het niet kunnen beschrijven.
Het was een hemels licht, alsof God zelf in dat licht naar ons toe kwam.
Dat hemelse licht, dat over ons viel, zat er iets van genezing in, en ook troost.
En toch, toen dat licht kwam, schrokken we allemaal.
Niet omdat er in de nacht zo onverwacht een licht kwam en alles helder verlicht werd.
Maar omdat licht iets heiligs had
en ook omdat het licht dat kwam liet zien hoe donker het bij ons was.
Niet alleen in de nacht om ons heen, maar ook in ons zelf.
Dat licht onthulde hoe duister het was in mijn eigen hart
en als ik om mij heen keek en de verschrikte gezichten van de andere herders zag
merkte ik dat zij dat ook hadden,
dat ze hun zondigheid beseften nu we zomaar onverwacht in Gods licht kwamen te staan.
We konden er niet voor weg kruipen.
Dat licht omscheen ons helemaal. We konden ons niet verbergen.
Toen klonk de stem van de engel
en de vrees die er was in ons hart, zakte weg en maakte plaats voor een blij gevoel.
De engel had bijzonder nieuws voor ons.
Na die nacht met dat licht is ons leven nooit meer hetzelfde geworden.
Hoe kan ik je uitleggen wat voor blijdschap er in mijn hart gekomen is?
Dat zou je zelf moeten ervaren hoe het is
dat je merkt dat de duisternis uit je hart verdreven wordt,
Dat je merkt dat de zondigheid die je neerdrukt van je afgenomen wordt.
Je zou zelf moeten ervaren wat de vrede van God is, waar de engel over sprak.
Ik hoop dat je zelf eens mag ervaren dat Gods welbehagen er ook voor u is,
dat God ook u op het oog heeft.
We zijn met z’n allen gaan kijken bij het Kind dat door de engel aangekondigd werd.
Over wat de schapen hebben we niet nagedacht, zo graag wilden we dat Kind ontmoeten.
Je had ons eens moeten zien: mannen die soms dagen en nachten lang buiten zijn,
wij met onze verweerde gezichten en ruwe handen,
stoere mannen die de tranen in de ogen hadden,
mannen die heel wat hebben meegemaakt die neerknielden,
mannen voor wie heel wat mensen in de stad bang zijn, die hun handen vouwden.
Aan het Kind dat in de kribbe lag, zagen we niets bijzonders.
Niet zo’n heerlijk licht als de engel meedroeg uit de hemel, of een glanzend gelaat,
maar een gewoon Kind, in doeken gewikkeld en liggend in de kribbe.
En toch, al terwijl we de stal al binnentraden, merkten we dat dit Kind
nog bijzonderder was dan de engel die uit de hemel kwam
en net zo heilig was als het licht dat over ons viel toen de engel kwam.
Het zag er gewoon uit en toch wisten we dat er niets groter was dan dit Kind,
hoe klein en kwetsbaar was zoals het daar in de kribbe lag:
de Koning van het heelal, de Heer van de hemel en de aarde.
Wij waren zo heel dicht bij Hem toen we daar knielden voor de kribbe.
Terwijl we daar zo eerbiedig knielden bij de kribbe,
wisten we nog niet wat er uit dat Kind zou worden.
De engel had het over vrede gehad en we geloofden dat dit Kind vrede zou brengen.
Al wisten we toen nog niet op welke manier dat Kind er voor zorgden.
Jaren later hoorden we wat er van dit Kind geworden is,
toen Zijn volgelingen door het land trokken en over Hem vertelden.
Over hoe Hij stierf aan het kruis, hoe Hij opgestaan was.

In die stal daar bij die kribbe konden we het nog niet bevroeden wat Gods weg was.
We wisten daar nog niet wat Gods weg zou zijn,
wel wisten we dat Gods weg begonnen was en dat Hij gekomen was in dat Kind.
De vreugde van dat moment daar in die stil ben ik nooit kwijt geraakt.
Ik heb dat altijd bij mij gedragen als een kostbare schat die ik koester.
Vaak denk ik nog terug aan die nacht dat wij bij de kudde weggeroepen werden.
Ik kan me alles zo voor de geest halen: het licht, de engel, zijn boodschap,
het Kind en Zijn ouders en wijzelf daar in de stal.
Vanaf dat moment was mijn leven niet meer van mijzelf maar van dat Kind,
van God die in dat Kind gekomen is en Zijn weg begonnen was om redding te brengen.
Dat Kind droeg ik altijd in mijn hart,
totdat ik hoorde van Zijn volgelingen hoe Hij was opgegroeid en wat Hij gedaan heeft.
Hoe Hij rondtrok om zieken te genezen, om te vertellen over Gods koninkrijk.
Ze vertelden hoe Hij naar Jeruzalem ging en hoe Zijn weg daar leek te eindigen
toen Hij werd opgepakt, veroordeeld, aan het kruis gebracht en stierf.
Het verhaal ging echter door. De weg naar het kruis was voor Hem geen eindpunt,
want Hij kwam terug uit de dood.
Zijn weg eindigde in de hemel, waar Hij vandaan kwam voor Hij als Kind geboren werd.
Nu draag ik in mijn hart niet alleen het beeld van dat Kind,
denk ik niet alleen aan de kribbe en hoe wij knielden,
maar probeer ik er ook steeds aan te denken hoe Hij daar hing aan het kruis.
Ik probeer mij dan voor te stellen hoe ik daar zou staan.
Zou ik blijven geloven, of zou ik ook zijn weggegaan zoals Zijn leerlingen deden?
Voor mij is het genoeg om te weten dat Hij gekomen is, voor mij.
Want dat zei de engel. Dat was ook voor ons de reden om te gaan kijken in de stal:
Hij is voor u geboren, de redder, de zaligmaker.
Nu heb ik u verteld over mijn verhaal, hoe ik bij de kribbe kwam door die engel.
Ik hoop dat u ook dat Kind kent en daarmee de vreugde dat Hij voor u geboren werd.
Dat uw hart van Hem is
en dat u ook mag ervaren wat er gebeurde in die nacht:
Dat het duister uit het hart verdreven werd en daar plaats kwam voor dit Kind:
Gods eigen Zoon die de hemel verliet om ook in uw leven te komen en in uw hart te wonen.

Niet als wezen achtergelaten

Niet als wezen achtergelaten (nav Johannes 14:18)

Afscheid nemen van iemand, met wie je een goede band hebt, is vaak niet makkelijk.  Je voelt aan dat er een lege plek in je leven komt. Je weet dat je de gesprekken, die je samen had, zult gaan missen. Je mist het plezier, dat je samen had, wanneer je samen optrok. Zeker als afscheid gaat nemen van iemand, die veel voor je betekend heeft,  iemand op wie je toch wel steunde, kan dat het gevoel geven, dat je je heel wat kwijtraakt, dat je verweesd achter zult blijven.
In dit gedeelte kondigt de Heere Jezus Zijn afscheid aan en Hij voorziet dat Zijn afscheid heel wat met de leerlingen zal doen. Hij zal naar de hemel gaan en de leerlingen zullen op aarde achterblijven. Ze zullen Hem ontzettend missen. Het zal een gevoel van heimwee geven naar de tijd, waarin hun Meester bij hen was. Ze zullen zich verweesd voelen. Met hun geloof zullen ze het ook niet makkelijk krijgen, want ze steunden behoorlijk op Hem.
Daarom geeft Hij hen een belofte mee, waar ze zich aan kunnen optrekken: 
Ik zal jullie niet als wezen achterlaten. Je zult het moeilijk krijgen. Dat weet Ik vooruit. Maar je krijgt steun van Mij. De zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren wordt ook wel Wezenzondag genoemd, waarbij de naam ontleend is aan deze belofte die de Heere Jezus aan Zijn leerlingen gaf. We hebben gevierd dat de Christus naar de hemel is gegaan om daar plaats te nemen aan de rechterhand van God. We kijken uit naar het Pinksterfeest, waarop we vieren dat die andere Trooster, die onze Heere aankondigt gekomen is. Deze zondag van vandaag valt er wat tussenin en daardoor kan al snel het gevoel ontstaan dat we nog wachten op de Heilige Geest. Zo voelt u dat misschien ook, dat u nog op iets wacht tot er iets in uw leven gebeurd, waarvan u kunt zeggen: dat is de Heilige Geest die in mij persoonlijk wordt uitgestort.
Vroeger dacht ik vooral dat deze zondag een zondag van gemis is: Christus is al weg
opgenomen in de hemel en de Geest is er nog niet. En ik dacht daarbij: zoals op deze zondag voel ik mij zo vaak. Christus ervaar ik niet, omdat Hij ver weg in de hemel is en niets overbrugt voor mij die afstand naar de hemel. Die gedachte herkent u wellicht ook wel en je zou daarbij willen dat het anders zou zijn, dat u wel iets van Hem zou ervaren.  Net of we wel verweesd achtergelaten zijn.
Toch is dat niet de bedoeling van deze zondag. Wezenzondag wil ons niet het gemis  onder de aandacht brengen, maar ons leren dat we bij ons gemis aan die ervaring van Christus niet moeten blijven, omdat Christus ons een belofte geeft, dat Hij ons niet alleen achter laat. Het moeilijke voor ons, is dat die belofte vaak tegen onze ervaring ingaat
en dat we daarom die belofte moeilijk kunnen geloven. Op deze zondag moeten we tegen elkaar zeggen: We zijn niet alleen. 
Christus vult Zijn belofte ook nog aan. Nadat Hij zegt, dat Hij ons niet alleen achter laat, zegt Hij ook nog: Ik kom terug. We mogen dus uitkijken naar Zijn komst. Hij blijft niet weg.
Is Hij trouwens wel weg?  IS Hij met de andere Trooster, die zal komen, de Heilige Geest, niet ook meegekomen? Is Hij door de Heilige Geest niet hier in ons midden aanwezig? Hier bij mij en bij u, waar u ook bent? Al bent u onderweg met de auto, of ligt u nog in bed,of bent u zich aan het klaarmaken voor deze dag, of al een tijdje op: De Heilige Geest kan ervoor zorgen dat Christus ook bij u komt, waar u nu ook bent. Dat is de troost, die de Geest kan geven: Hij kan ervoor zorgen dat u Christus wel ervaart. Dan maakt de Heilige Geest deze belofte van Christus ook voor u waar en komt Christus ook naar  persoonlijk terug.
 Als Christus zegt dat Hij weer zal komen, doelt Hij ook op een ander moment: Zijn Wederkomst. Op deze zondag na hemelvaart mogen we ook vooruitkijken naar dat moment, dat Christus hier weer op aarde verschijnt en ons tot Zich neemt. Tot die tijd zijn we niet alleen – al voelen we dat wel soms. We moeten dat misschien wel geregeld tegen elkaar zeggen, omdat we dat geloof zo makkelijk kwijtraken. Daarom is het zo bijzonder dat Christus ons de Heilige Geest heeft gegeven. De Geest die ons het geloof geeft, dat Christus zal komen en er nu al is. Hij sterkt ons in het geloof en helpt ons te zien, te ervaren, waar Christus nu in ons leven is. Zodat we de belofte van Christus uit eigen ervaring kunnen beamen: Inderdaad, we wij niet alleen achtergelaten. Hij is hier bij ons.

Meditatie EO-programma Groot Nieuws, 2 juni 2019

Een nieuwe gemeenschap

Een nieuwe gemeenschap
Toen nu Jezus Zijn moeder zag en de discipel die Hij liefhad, bij haar zag staan, zei Hij tegen Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon (Johannes 19:27)

Onder aan het kruis, waaraan Jezus hangt, staat een aantal mensen die nauw bij Jezus betrokken zijn: Zijn moeder, de zuster van Zijn moeder, en Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena en de discipel van wie Jezus houdt. In dit uur laten ze Hem niet alleen. Ze staan daar bij het kruis en moeten wel beseffen dat het snel voorbij zal zijn met Jezus, met Zijn leven en met Zijn werk hier op aarde. Als Jezus er niet meer is, wat zal er dan nog overblijven?

Jezus zelf weet dat Zijn werk niet zal ophouden. Binnen enkele momenten zal Hij zeggen, dat alles is volbracht, zal Hij sterven en in het graf gelegd worden. Na Zijn dood houdt het niet op: Hij zal opstaan. Nadat Hij is opgestaan, zal Hij teruggaan naar Zijn Vader in de hemel. Ook dan zal Zijn werk niet ophouden.
Als Jezus aan het kruis hangt, valt Zijn oog op Maria en op de discipel die er ook staat. Hij gaat wat tegen hen zeggen. In de manier waarop Hij tegen Maria spreekt, komt er een herinnering boven aan die allereerste keer dat Jezus een wonder verrichtte: in Kana, toen het water in wijn werd veranderd. Opnieuw niet een tedere aanspraak van: ‘moeder!’, maar eerder wat afstand: ‘Vrouw!’ Maria staat hier voor Jezus namelijk niet als Zijn moeder bij het kruis, maar als voorbeeld van iedere gelovige die iets van Christus verwacht. Dat deed ze in ieder geval wel, toen in Kana bij die bruiloft de wijn op was en ze bij Jezus aanklopte om de bruiloft te redden. Toen gaf haar Zoon aan, die ook haar Heer is, dat de tijd van Jezus nog niet was gekomen. Nu aan het kruis is de tijd wel gekomen. Dit is Gods tijd.
Nu de tijd gekomen is, Gods tijd, om te sterven, geeft Jezus aan Maria een plek bij Johannes en zal Johannes de plek van Jezus als zoon overnemen. Johannes kan Jezus niet vervangen. Geen enkele levende kan iemand die gestorven is vervangen, laat staan dat een mens de Zoon van God kan vervangen. Het is hier Jezus ook niet te doen om Zijn vervanging, om te zorgen dat de zorg voor Maria verder gaat als Jezus er zo dadelijk niet meer is. Als Jezus Zijn aardse moeder een plek bij Johannes aanwijst, gaat het Hem er om te laten zien, welke betekenis Zijn sterven heeft aan het kruis: Het sterven van de Heere Jezus brengt een nieuwe gemeenschap. Allereerst gemeenschap met God. Het kruis verbindt hemel en aarde. Maar ook tussen mensen brengt de Here Jezus een nieuwe gemeenschap, die belangrijker wordt dan familiebanden en belangrijker dan vriendschap. Aan het kruis Jezus schenkt Zijn moeder aan Zijn vriend en Zijn vriend aan Zijn moeder. Ze vormen samen een gezin, maar niet zomaar een aardse familie. Nee, een nieuwe gemeenschap: de kerk, het gezin van Christus, verenigd om het kruis.

Daardoor kunnen we zien, wat het betekent om gemeente van Christus te zijn. Allereerst betekent dat een eenheid rondom het kruis. Maar het betekent ook dat we elkaar als gemeenschap hebben ontvangen van de Here Jezus. We hebben niet voor elkaar gekozen, zoals vrienden dat doen. Deze nieuwe eenheid moeten we niet te romantisch voorstellen: ook in de gemeente van Christus kan het zijn dat we niet met elkaar en niet zonder elkaar kunnen. Het gaat om een eenheid van andere orde: een eenheid die er komt, omdat de liefde van Christus in ons werkt. Wie gelooft in Christus, wordt lid van dat gezin van Maria en Johannes: het gezin dat één is om het kruis.

Meditatie Psalm 27 – Zo ik niet had geloofd

Meditatie Psalm 27 – Zo ik niet had geloofd

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 27 begint en eindigt met dezelfde woorden, met de naam van God:
De Heere is mijn licht en mijn heil, zo begint de Psalm
en de Psalm eindigt: ja, wacht op de Heere.
De Heere – het begin en het einde,
zoals Christus dat zei: Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde.
De psalm wordt omsloten door de naam van God,
net zoals ons leven omsloten wordt door de naam van God.
Aan het begin van ons leven, toen we geboren werden,
ja, zelfs toen we door de Heere gedacht zijn en Hij ons het leven schonk was Hij daar
De Heere is mijn licht en mijn heil.
en ook als het einde van ons leven komt, zal Hij daar zijn: ja, wacht op de Heere.
Aan het begin en aan het einde de naam van God. Heere is Zijn naam.
Die naam betekent: Ik zal zijn, Die Ik zijn zal, Ik zal er zijn, Ik sta klaar.
De naam die aangeeft: op Mij kun je aan, want Ik ben betrouwbaar.
Met Mij kun je leven, want Ik ben je God. Ik sloot een verbond met je
in de doop Mijn naam aan jouw leven verbonden werd,
zoals Mijn naam aan Israël verbonden was.
Mijn naam die zegt: Ik geef niet prijs wat Mijn hand begon.
Ook jou laat Ik niet vallen, al komt de hele wereld op je af
en wordt je omringd door tegenstanders die jij niet de baas kunt.

De Heere is mijn licht.
God is mijn licht – Zijn liefde en genade omstraalt mij,
zoals daar in de velden van Efratha het licht over de herders viel, het hemelse licht van God
en zij hoorden van het goede nieuws dat er voor hen een redder geboren was, de Christus
die in een kribbe lag, in doeken gewikkeld.
Als God er niet is, dan is het duister in mijn leven
en ben ik overgeleverd aan alle duistere machten die mijn leven kunnen verwoesten,
heb ik geen leven meer, omdat het leven van God komt.
Zoals de schepping n4iet zonder zon kan leven, kan de mens niet leven
zonder het licht van God.
Hoe diep die duisternis kan zijn horen we van mensen die niet meer de kracht hebben
om verder te leven, voor wie alles donker is, voor hun eigen gevoel zonder hoop,
in donkerheid gevangen.
God is niet alleen mijn licht, maar ook mijn behoud, die mijn leven redt.

Licht is nodig om de weg te wijzen:
zoals vliegtuigen niet zonder de lichten kunnen die de landingsbaan aangeven
of een schip in het donker een vuurtoren het licht nodig heeft
om niet op de rotsen te varen, vast te lopen en averij op te lopen,
zo hebben wij het licht van God nodig om ons de weg door het leven te lopen,
om mij thuis te brengen bij Hem.
Leid, vriend’lijk Licht, mij als een trouwe wacht, leid Gij mij voort!
‘k Ben ver van huis en donker is de nacht, leid Gij mij voort!
Schoon ook de toekomst mij verborgen zij, licht stap voor stap mij met uw schijnsel bij.

Als het licht weg is, is er een onheilspellende dreiging.
In deze psalm komt de dreiging van mensen, mensen die maar al te bekend zijn,
Waar je niet tegen opgewassen bent,
omdat hun scherpe woorden je steeds weer van binnen raken,
omdat hun blikken je laten weten dat je er toch niet bij hoort, wat je ook probeert,
Die wanneer je ze nodig hebt, je kunnen laten vallen
of wanneer je even niet oplet je plek overnemen.
Kwaadwillenden: ze hebben kwaad in de zin.
Kwaaddoeners: het kwaad dat ze aanrichten, blijft niet in hun hoofd,
maar je krijgt ermee te maken omdat hun slechtheid blijkt in wat ze doen.
Ze hebben het op je gemunt.
Tegenstanders, vijanden, die niets van je heel willen laten: ze willen je verslinden.
En steun is er niet, zo alleen, zegt David: mijn vader en moeder hebben mij verlaten.
Verrassend is dan de steun van God,
want gaat het eerder niet zo dat als de hele wereld tegen je is,
je ook gaat geloven dat God tegen je optrekt en je aanvalt?
Het zijn geen mooie woorden alleen over God als jouw licht, jouw behoud, jouw redding,
nee, ze zijn waar, zoals Zijn naam waar is: Ik zal er zijn, Ik zal er voor jou zijn,
Ik zal je uitredden bij het aanbreken van de morgen.
Omsingeld door vijanden en toch gaat er een deur open:
de deur van Gods heiligdom.
Nergens meer veilig, omdat overal gevaar dreigt en niemand meer te vertrouwen is
en God die je dan bij Hem verbergt, doet schuilen, bij wie je kunt onderduiken,
veilig tegen elk gevaar dat je zou kunnen bedreigen.

Dat heb je altijd al gewild. Het enige dat echt telt, een verlangen dat niet stopte:
Wonen bij God, bij Hem zijn, voor altijd.
Om Hem te mogen zien in al Zijn heerlijkheid,
niet alleen indrukwekkend en groots, maar ook in Zijn tederheid, Zijn schoonheid,
zoals de Heere is voor wie Hem liefhebben, voor wie bij Hem horen.
Zo kun je de Heere ontmoeten. Zo kun je bij Hem blijven.
Je raakt niet uitgekeken op Hem, niet op Zijn liefde, niet op wat Hij doet, niet op Wie Hij is.

Als je dan zo veilig bent bij God, als je dan elke dag bij Hem verkeren, je verdere leven lang
waarom dan dat hartstochtelijke appèl aan God,
een beroep op God om Zijn aangezicht niet te verbergen, om je niet te laten vallen?
Misschien is dat wel een van de grote vragen die een gelovige kan hebben:
Waarom kan er toch die angst je overvallen, terwijl je weet dat de Heere er is,
waarom moet je Hem zoeken, wanhopig zelfs, terwijl je bij Hem mag zijn.
Waarom kun je het gevoel hebben dat je alles kwijt raakt,
terwijl je weet dat je alles hebt, omdat je de Heere hebt.
Waarom net als Petrus, die naar de golven kijkt die om hem heen opspringen
en de wind die hem om de oren suist en als hij dan even Jezus niet meer ziet
naar beneden zakt, de diepte in en alleen maar gered kan worden als Jezus hem grijpt.
Zo ik niet had geloofd – dat geloven is niet iets dat wij zo maar even doen,
niet iets dat ons komt aanwaaien,
maar steeds weer aangevochten wordt, op de proef gesteld wordt
door alles wat ons overkomt.
Elke dreiging weer, elke verandering die het leven op de kop kan zetten,
kan als een rukwind voelen, die het geloof haast omver blaast
En je houdt je hart vast als je geloof het niet meer houdt,
je houdt je hart vast als God er deze keer niet blijkt te zijn,
Zo ik niet had geloofd – in de Psalm wordt het niet afgemaakt.
Daar moet je niet over nadenken, dat is te erg, dat kun je niet aan,
dan blijft er nog minder van je over dan wanneer die vijanden je verslinden.
Ik was vergaan – zo ik niet had geloofd.
Maar is de Heere niet de Alpha en de Omega, de God met wie alles begint
en ook met Wie alles eindigt
en die alles wat er in dit leven tussendoor gebeurt in Zijn hand houdt,
hoe diep ik ook moet gaan.
Als ik dat geloof niet had
en hoezeer de winden rukken aan het geloof,
Hoezeer de donkere wolken boven mijn leven kunnen komen, vol dreiging van noodweer,
als ik niet dat geloof had, niet mijn geloof, maar de Geest die dat vertrouwen wekt.
Wacht op de Heere, houdt moed, geloof dat Hij zal komen, op Zijn tijd.
Je moet dat steeds weer opnieuw tegen jezelf zeggen, jezelf aanspreken:
Wacht op de Heere, verlies niet alle moed, wees sterk,
want Hij is er, Hij zal er zijn. Hij zal je hart sterk maken
en zorgen dat je, wanneer je het zelf dreigt kwijt te raken, je weer geven.
Wacht op de Heere, wees sterk en Hij zal uw hart sterk maken, wacht op de Heere.
Hij die jouw licht is, jouw behoud, Hij is dat niet voor even maar voor altijd,
vanaf het begin van je leven totdat je einde nadert.
En hoe donker het kan worden – en het kan donker worden.
God is mijn licht, mijn behoud. Wacht op de Heere. Amen

Overdenking in de zangdienst van 15 juli 2018. Thema: Zo ik niet had geloofd