Niet als wezen achtergelaten

Niet als wezen achtergelaten (nav Johannes 14:18)

Afscheid nemen van iemand, met wie je een goede band hebt, is vaak niet makkelijk.  Je voelt aan dat er een lege plek in je leven komt. Je weet dat je de gesprekken, die je samen had, zult gaan missen. Je mist het plezier, dat je samen had, wanneer je samen optrok. Zeker als afscheid gaat nemen van iemand, die veel voor je betekend heeft,  iemand op wie je toch wel steunde, kan dat het gevoel geven, dat je je heel wat kwijtraakt, dat je verweesd achter zult blijven.
In dit gedeelte kondigt de Heere Jezus Zijn afscheid aan en Hij voorziet dat Zijn afscheid heel wat met de leerlingen zal doen. Hij zal naar de hemel gaan en de leerlingen zullen op aarde achterblijven. Ze zullen Hem ontzettend missen. Het zal een gevoel van heimwee geven naar de tijd, waarin hun Meester bij hen was. Ze zullen zich verweesd voelen. Met hun geloof zullen ze het ook niet makkelijk krijgen, want ze steunden behoorlijk op Hem.
Daarom geeft Hij hen een belofte mee, waar ze zich aan kunnen optrekken: 
Ik zal jullie niet als wezen achterlaten. Je zult het moeilijk krijgen. Dat weet Ik vooruit. Maar je krijgt steun van Mij. De zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren wordt ook wel Wezenzondag genoemd, waarbij de naam ontleend is aan deze belofte die de Heere Jezus aan Zijn leerlingen gaf. We hebben gevierd dat de Christus naar de hemel is gegaan om daar plaats te nemen aan de rechterhand van God. We kijken uit naar het Pinksterfeest, waarop we vieren dat die andere Trooster, die onze Heere aankondigt gekomen is. Deze zondag van vandaag valt er wat tussenin en daardoor kan al snel het gevoel ontstaan dat we nog wachten op de Heilige Geest. Zo voelt u dat misschien ook, dat u nog op iets wacht tot er iets in uw leven gebeurd, waarvan u kunt zeggen: dat is de Heilige Geest die in mij persoonlijk wordt uitgestort.
Vroeger dacht ik vooral dat deze zondag een zondag van gemis is: Christus is al weg
opgenomen in de hemel en de Geest is er nog niet. En ik dacht daarbij: zoals op deze zondag voel ik mij zo vaak. Christus ervaar ik niet, omdat Hij ver weg in de hemel is en niets overbrugt voor mij die afstand naar de hemel. Die gedachte herkent u wellicht ook wel en je zou daarbij willen dat het anders zou zijn, dat u wel iets van Hem zou ervaren.  Net of we wel verweesd achtergelaten zijn.
Toch is dat niet de bedoeling van deze zondag. Wezenzondag wil ons niet het gemis  onder de aandacht brengen, maar ons leren dat we bij ons gemis aan die ervaring van Christus niet moeten blijven, omdat Christus ons een belofte geeft, dat Hij ons niet alleen achter laat. Het moeilijke voor ons, is dat die belofte vaak tegen onze ervaring ingaat
en dat we daarom die belofte moeilijk kunnen geloven. Op deze zondag moeten we tegen elkaar zeggen: We zijn niet alleen. 
Christus vult Zijn belofte ook nog aan. Nadat Hij zegt, dat Hij ons niet alleen achter laat, zegt Hij ook nog: Ik kom terug. We mogen dus uitkijken naar Zijn komst. Hij blijft niet weg.
Is Hij trouwens wel weg?  IS Hij met de andere Trooster, die zal komen, de Heilige Geest, niet ook meegekomen? Is Hij door de Heilige Geest niet hier in ons midden aanwezig? Hier bij mij en bij u, waar u ook bent? Al bent u onderweg met de auto, of ligt u nog in bed,of bent u zich aan het klaarmaken voor deze dag, of al een tijdje op: De Heilige Geest kan ervoor zorgen dat Christus ook bij u komt, waar u nu ook bent. Dat is de troost, die de Geest kan geven: Hij kan ervoor zorgen dat u Christus wel ervaart. Dan maakt de Heilige Geest deze belofte van Christus ook voor u waar en komt Christus ook naar  persoonlijk terug.
 Als Christus zegt dat Hij weer zal komen, doelt Hij ook op een ander moment: Zijn Wederkomst. Op deze zondag na hemelvaart mogen we ook vooruitkijken naar dat moment, dat Christus hier weer op aarde verschijnt en ons tot Zich neemt. Tot die tijd zijn we niet alleen – al voelen we dat wel soms. We moeten dat misschien wel geregeld tegen elkaar zeggen, omdat we dat geloof zo makkelijk kwijtraken. Daarom is het zo bijzonder dat Christus ons de Heilige Geest heeft gegeven. De Geest die ons het geloof geeft, dat Christus zal komen en er nu al is. Hij sterkt ons in het geloof en helpt ons te zien, te ervaren, waar Christus nu in ons leven is. Zodat we de belofte van Christus uit eigen ervaring kunnen beamen: Inderdaad, we wij niet alleen achtergelaten. Hij is hier bij ons.

Meditatie EO-programma Groot Nieuws, 2 juni 2019

Een nieuwe gemeenschap

Een nieuwe gemeenschap
Toen nu Jezus Zijn moeder zag en de discipel die Hij liefhad, bij haar zag staan, zei Hij tegen Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon (Johannes 19:27)

Onder aan het kruis, waaraan Jezus hangt, staat een aantal mensen die nauw bij Jezus betrokken zijn: Zijn moeder, de zuster van Zijn moeder, en Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena en de discipel van wie Jezus houdt. In dit uur laten ze Hem niet alleen. Ze staan daar bij het kruis en moeten wel beseffen dat het snel voorbij zal zijn met Jezus, met Zijn leven en met Zijn werk hier op aarde. Als Jezus er niet meer is, wat zal er dan nog overblijven?

Jezus zelf weet dat Zijn werk niet zal ophouden. Binnen enkele momenten zal Hij zeggen, dat alles is volbracht, zal Hij sterven en in het graf gelegd worden. Na Zijn dood houdt het niet op: Hij zal opstaan. Nadat Hij is opgestaan, zal Hij teruggaan naar Zijn Vader in de hemel. Ook dan zal Zijn werk niet ophouden.
Als Jezus aan het kruis hangt, valt Zijn oog op Maria en op de discipel die er ook staat. Hij gaat wat tegen hen zeggen. In de manier waarop Hij tegen Maria spreekt, komt er een herinnering boven aan die allereerste keer dat Jezus een wonder verrichtte: in Kana, toen het water in wijn werd veranderd. Opnieuw niet een tedere aanspraak van: ‘moeder!’, maar eerder wat afstand: ‘Vrouw!’ Maria staat hier voor Jezus namelijk niet als Zijn moeder bij het kruis, maar als voorbeeld van iedere gelovige die iets van Christus verwacht. Dat deed ze in ieder geval wel, toen in Kana bij die bruiloft de wijn op was en ze bij Jezus aanklopte om de bruiloft te redden. Toen gaf haar Zoon aan, die ook haar Heer is, dat de tijd van Jezus nog niet was gekomen. Nu aan het kruis is de tijd wel gekomen. Dit is Gods tijd.
Nu de tijd gekomen is, Gods tijd, om te sterven, geeft Jezus aan Maria een plek bij Johannes en zal Johannes de plek van Jezus als zoon overnemen. Johannes kan Jezus niet vervangen. Geen enkele levende kan iemand die gestorven is vervangen, laat staan dat een mens de Zoon van God kan vervangen. Het is hier Jezus ook niet te doen om Zijn vervanging, om te zorgen dat de zorg voor Maria verder gaat als Jezus er zo dadelijk niet meer is. Als Jezus Zijn aardse moeder een plek bij Johannes aanwijst, gaat het Hem er om te laten zien, welke betekenis Zijn sterven heeft aan het kruis: Het sterven van de Heere Jezus brengt een nieuwe gemeenschap. Allereerst gemeenschap met God. Het kruis verbindt hemel en aarde. Maar ook tussen mensen brengt de Here Jezus een nieuwe gemeenschap, die belangrijker wordt dan familiebanden en belangrijker dan vriendschap. Aan het kruis Jezus schenkt Zijn moeder aan Zijn vriend en Zijn vriend aan Zijn moeder. Ze vormen samen een gezin, maar niet zomaar een aardse familie. Nee, een nieuwe gemeenschap: de kerk, het gezin van Christus, verenigd om het kruis.

Daardoor kunnen we zien, wat het betekent om gemeente van Christus te zijn. Allereerst betekent dat een eenheid rondom het kruis. Maar het betekent ook dat we elkaar als gemeenschap hebben ontvangen van de Here Jezus. We hebben niet voor elkaar gekozen, zoals vrienden dat doen. Deze nieuwe eenheid moeten we niet te romantisch voorstellen: ook in de gemeente van Christus kan het zijn dat we niet met elkaar en niet zonder elkaar kunnen. Het gaat om een eenheid van andere orde: een eenheid die er komt, omdat de liefde van Christus in ons werkt. Wie gelooft in Christus, wordt lid van dat gezin van Maria en Johannes: het gezin dat één is om het kruis.

Meditatie Psalm 27 – Zo ik niet had geloofd

Meditatie Psalm 27 – Zo ik niet had geloofd

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 27 begint en eindigt met dezelfde woorden, met de naam van God:
De Heere is mijn licht en mijn heil, zo begint de Psalm
en de Psalm eindigt: ja, wacht op de Heere.
De Heere – het begin en het einde,
zoals Christus dat zei: Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde.
De psalm wordt omsloten door de naam van God,
net zoals ons leven omsloten wordt door de naam van God.
Aan het begin van ons leven, toen we geboren werden,
ja, zelfs toen we door de Heere gedacht zijn en Hij ons het leven schonk was Hij daar
De Heere is mijn licht en mijn heil.
en ook als het einde van ons leven komt, zal Hij daar zijn: ja, wacht op de Heere.
Aan het begin en aan het einde de naam van God. Heere is Zijn naam.
Die naam betekent: Ik zal zijn, Die Ik zijn zal, Ik zal er zijn, Ik sta klaar.
De naam die aangeeft: op Mij kun je aan, want Ik ben betrouwbaar.
Met Mij kun je leven, want Ik ben je God. Ik sloot een verbond met je
in de doop Mijn naam aan jouw leven verbonden werd,
zoals Mijn naam aan Israël verbonden was.
Mijn naam die zegt: Ik geef niet prijs wat Mijn hand begon.
Ook jou laat Ik niet vallen, al komt de hele wereld op je af
en wordt je omringd door tegenstanders die jij niet de baas kunt.

De Heere is mijn licht.
God is mijn licht – Zijn liefde en genade omstraalt mij,
zoals daar in de velden van Efratha het licht over de herders viel, het hemelse licht van God
en zij hoorden van het goede nieuws dat er voor hen een redder geboren was, de Christus
die in een kribbe lag, in doeken gewikkeld.
Als God er niet is, dan is het duister in mijn leven
en ben ik overgeleverd aan alle duistere machten die mijn leven kunnen verwoesten,
heb ik geen leven meer, omdat het leven van God komt.
Zoals de schepping n4iet zonder zon kan leven, kan de mens niet leven
zonder het licht van God.
Hoe diep die duisternis kan zijn horen we van mensen die niet meer de kracht hebben
om verder te leven, voor wie alles donker is, voor hun eigen gevoel zonder hoop,
in donkerheid gevangen.
God is niet alleen mijn licht, maar ook mijn behoud, die mijn leven redt.

Licht is nodig om de weg te wijzen:
zoals vliegtuigen niet zonder de lichten kunnen die de landingsbaan aangeven
of een schip in het donker een vuurtoren het licht nodig heeft
om niet op de rotsen te varen, vast te lopen en averij op te lopen,
zo hebben wij het licht van God nodig om ons de weg door het leven te lopen,
om mij thuis te brengen bij Hem.
Leid, vriend’lijk Licht, mij als een trouwe wacht, leid Gij mij voort!
‘k Ben ver van huis en donker is de nacht, leid Gij mij voort!
Schoon ook de toekomst mij verborgen zij, licht stap voor stap mij met uw schijnsel bij.

Als het licht weg is, is er een onheilspellende dreiging.
In deze psalm komt de dreiging van mensen, mensen die maar al te bekend zijn,
Waar je niet tegen opgewassen bent,
omdat hun scherpe woorden je steeds weer van binnen raken,
omdat hun blikken je laten weten dat je er toch niet bij hoort, wat je ook probeert,
Die wanneer je ze nodig hebt, je kunnen laten vallen
of wanneer je even niet oplet je plek overnemen.
Kwaadwillenden: ze hebben kwaad in de zin.
Kwaaddoeners: het kwaad dat ze aanrichten, blijft niet in hun hoofd,
maar je krijgt ermee te maken omdat hun slechtheid blijkt in wat ze doen.
Ze hebben het op je gemunt.
Tegenstanders, vijanden, die niets van je heel willen laten: ze willen je verslinden.
En steun is er niet, zo alleen, zegt David: mijn vader en moeder hebben mij verlaten.
Verrassend is dan de steun van God,
want gaat het eerder niet zo dat als de hele wereld tegen je is,
je ook gaat geloven dat God tegen je optrekt en je aanvalt?
Het zijn geen mooie woorden alleen over God als jouw licht, jouw behoud, jouw redding,
nee, ze zijn waar, zoals Zijn naam waar is: Ik zal er zijn, Ik zal er voor jou zijn,
Ik zal je uitredden bij het aanbreken van de morgen.
Omsingeld door vijanden en toch gaat er een deur open:
de deur van Gods heiligdom.
Nergens meer veilig, omdat overal gevaar dreigt en niemand meer te vertrouwen is
en God die je dan bij Hem verbergt, doet schuilen, bij wie je kunt onderduiken,
veilig tegen elk gevaar dat je zou kunnen bedreigen.

Dat heb je altijd al gewild. Het enige dat echt telt, een verlangen dat niet stopte:
Wonen bij God, bij Hem zijn, voor altijd.
Om Hem te mogen zien in al Zijn heerlijkheid,
niet alleen indrukwekkend en groots, maar ook in Zijn tederheid, Zijn schoonheid,
zoals de Heere is voor wie Hem liefhebben, voor wie bij Hem horen.
Zo kun je de Heere ontmoeten. Zo kun je bij Hem blijven.
Je raakt niet uitgekeken op Hem, niet op Zijn liefde, niet op wat Hij doet, niet op Wie Hij is.

Als je dan zo veilig bent bij God, als je dan elke dag bij Hem verkeren, je verdere leven lang
waarom dan dat hartstochtelijke appèl aan God,
een beroep op God om Zijn aangezicht niet te verbergen, om je niet te laten vallen?
Misschien is dat wel een van de grote vragen die een gelovige kan hebben:
Waarom kan er toch die angst je overvallen, terwijl je weet dat de Heere er is,
waarom moet je Hem zoeken, wanhopig zelfs, terwijl je bij Hem mag zijn.
Waarom kun je het gevoel hebben dat je alles kwijt raakt,
terwijl je weet dat je alles hebt, omdat je de Heere hebt.
Waarom net als Petrus, die naar de golven kijkt die om hem heen opspringen
en de wind die hem om de oren suist en als hij dan even Jezus niet meer ziet
naar beneden zakt, de diepte in en alleen maar gered kan worden als Jezus hem grijpt.
Zo ik niet had geloofd – dat geloven is niet iets dat wij zo maar even doen,
niet iets dat ons komt aanwaaien,
maar steeds weer aangevochten wordt, op de proef gesteld wordt
door alles wat ons overkomt.
Elke dreiging weer, elke verandering die het leven op de kop kan zetten,
kan als een rukwind voelen, die het geloof haast omver blaast
En je houdt je hart vast als je geloof het niet meer houdt,
je houdt je hart vast als God er deze keer niet blijkt te zijn,
Zo ik niet had geloofd – in de Psalm wordt het niet afgemaakt.
Daar moet je niet over nadenken, dat is te erg, dat kun je niet aan,
dan blijft er nog minder van je over dan wanneer die vijanden je verslinden.
Ik was vergaan – zo ik niet had geloofd.
Maar is de Heere niet de Alpha en de Omega, de God met wie alles begint
en ook met Wie alles eindigt
en die alles wat er in dit leven tussendoor gebeurt in Zijn hand houdt,
hoe diep ik ook moet gaan.
Als ik dat geloof niet had
en hoezeer de winden rukken aan het geloof,
Hoezeer de donkere wolken boven mijn leven kunnen komen, vol dreiging van noodweer,
als ik niet dat geloof had, niet mijn geloof, maar de Geest die dat vertrouwen wekt.
Wacht op de Heere, houdt moed, geloof dat Hij zal komen, op Zijn tijd.
Je moet dat steeds weer opnieuw tegen jezelf zeggen, jezelf aanspreken:
Wacht op de Heere, verlies niet alle moed, wees sterk,
want Hij is er, Hij zal er zijn. Hij zal je hart sterk maken
en zorgen dat je, wanneer je het zelf dreigt kwijt te raken, je weer geven.
Wacht op de Heere, wees sterk en Hij zal uw hart sterk maken, wacht op de Heere.
Hij die jouw licht is, jouw behoud, Hij is dat niet voor even maar voor altijd,
vanaf het begin van je leven totdat je einde nadert.
En hoe donker het kan worden – en het kan donker worden.
God is mijn licht, mijn behoud. Wacht op de Heere. Amen

Overdenking in de zangdienst van 15 juli 2018. Thema: Zo ik niet had geloofd

Geloof in praktijk

Geloof in praktijk

En de twaalf riepen de menigte van de discipelen bij zich en zeiden: Het is niet behoorlijk dat wij nalaten het Woord van God te verkondigen om de tafels te dienen. (Handelingen 6:2)

Onrust in de gemeente van Jeruzalem. Was er eerder een eenheid van hart en ziel, die eenheid staat nu op het spel. Er is namelijk een klacht dat vrouwen overgeslagen worden. Het gaat om vrouwen die niet het Hebreeuws of het Aramees machtig zijn, maar alleen Grieks spreken. Het is niet helemaal duidelijk waar ze bij worden overgeslagen. Krijgen ze minder dan de vrouwen die wel Hebreeuws of Aramees spreken? Of gaat het erom, dat ze niet betrokken worden bij het uitdelen van de gaven? Het wordt niet gemeld. Lang is gedacht dat het hier gaat om de organisatie bij het uitdelen niet op orde is en dat daarom bepaalde groepen overgeslagen worden. Tegenwoordig wordt er ook wel rekening mee gehouden, dat op een of andere reden deze vrouwen niet voor taken binnen de gemeente benaderd worden.
Er kunnen verschillende redenen zijn, waarom deze vrouwen niet gezien worden. Het kan zijn dat de organisatie inderdaad niet op orde is. De gemeente is zo gegroeid en de apostelen kunnen het niet meer behappen. Net als bij Mozes is het nodig dat er anderen betrokken worden in de organisatie en leiding van de gemeente. Het kan zijn dat de taal een barrière is. Als je een andere taal spreekt, kan dat een belemmering zijn. Dat lijkt echter niet voor de hand te liggen, omdat in die tijd veel Joden in Jeruzalem het Grieks goed beheersten. Het ligt dan meer voor de hand dat de weduwen die alleen Grieks spreken in het buitenland zijn opgegroeid, in de diaspora. Ze zijn dan later naar Israël getrokken. Mogelijk dat ze zich in eigen synagogen hebben georganiseerd, waar Grieks werd gesproken in de erediensten. In dat geval missen ze het netwerk dat anderen binnen de gemeente hebben. Ze worden minder gezien en daardoor sneller overgeslagen, bij zowel de taken die vervuld moeten worden als de gaven die verstrekt worden. In het geval van taken kan het ook zijn dat deze vrouwen niet benaderd worden, omdat ze een wat minder strikte levensstijl hebben. In het buitenland, waar veel minder gelovigen zijn, is het lastiger om een strikte levensstijl te houden dan in Israël. Net zoals het nu voor gelovigen in gebieden die minder kerkelijk zijn soms andere gewoonten hebben, bijvoorbeeld wat invulling van de zondag betreft. Deze vrouwen zouden dan een belemmering kunnen vormen voor de Joden die wel opgegroeid zijn met een strikte levensstijl en nadat ze christen zijn geworden die levensstijl willen behouden. Joden die christen werden bleven vaak Joden.
Het gaat voor de apostelen niet om een kleinigheid. Het is een zaak die de hele gemeente aangaat. Voor de apostelen staat of valt de kerk met deze kwestie. Wordt dit niet goed opgelost, dan is de kerk geen kerk meer, geen gemeente van Jezus Christus. Daarom wordt in het eerste vers ook gesproken over het aantal leerlingen dat toeneemt: gelovigen die leerling willen zijn van Jezus Christus. In hun handelen, in hun denken willen ze de woorden van Jezus in praktijk brengen. Geloven is niet alleen maar een innerlijk gebeuren, een gevoel. Geloven is niet alleen maar iets van het verstand. Wie leerling van Jezus is laat zijn of haar hele leven bepalen door de woorden van Christus.
In de gemeente van Jeruzalem gaat het op dat punt mis. Heel concreet: aan de tafel. Dat kan de gewone tafel zijn. Dat kan de avondmaalstafel zijn. Christenzijn komt tot uitdrukking aan de tafel: elke andere gelovige is een broeder of zuster. Je mag een broeder of zuster niet mijden. Je mag een broeder of zuster niet verwaarlozen of overslaan. De hele gemeente krijgt te horen dat het niet goed is als de apostelen zich met de kwestie van aan tafel gaan bezig houden. Niet dat de tafelkwestie minderwaardig is en daardoor door minder belangrijke personen afgedaan kan worden. Nee, juist omgekeerd: aan de tafel wordt zichtbaar of je je in je gedrag laat leiden door Christus. Aan de tafel wordt het zichtbaar dat Christus je Heer is.
Ik heb wel eens gelezen dat het nergens moeilijker is om te evangeliseren dan op een dorp, omdat op een dorp alles van je zichtbaar is. In de stad kun je je terugtrekken in je eigen wereld. Op een dorp niet, want ze zien alles van je. Ze zien niet alleen dat je naar de kerk gaat, maar ook wanneer je naar je werk gaat. De buren horen hoe je met je man of vrouw en je kinderen omgaat. Ze weten hoe je bent als je het terrein van de voetbalvereniging opstapt. De apostelen roepen de gemeente bij elkaar om aan te geven dat het juist daar aan de tafels zichtbaar wordt wat christenzijn inhoudt. Christenzijn wordt heel concreet. Als dat niet in praktijk gebracht wordt, heeft het voor de apostelen geen zin dat ze onderwijs geven en dat ze over Christus vertellen. Als harten niet veranderd worden en karakters niet bekeerd, wordt het leerling-zijn van Jezus wel heel vrijblijvend. Als je binnen de gemeente je eigen vriendenclubje houdt, ontstaat er een kerkje-binnen-de-kerk. Maar dat is dan geen kerk meer, maar een vereniging van ons-soort-mensen. Er moeten mannen gezocht worden die op toezien hoe het evangelie van Jezus Christus in het leven van alledag in praktijk gebracht wordt. Zeven mannen die betrouwbaar zijn. Mannen die ook het vertrouwen hebben van de Griekssprekende weduwen, die nu nog niet in beeld zijn. Mannen die wijs zijn: mannen die zien wat er tussen mensen gebeurt. Die merken wanneer er iemand – bewust of onbewust – buitengesloten worden. Mannen die in de manier waarop mensen aan tafel zitten kunnen zien wanneer er iemand buitengesloten is. Die de moed hebben en de tact om daar iets van te zeggen en aan te doen. Daarom hebben ze de Heilige Geest nodig: de Geest helpt om onderscheid te maken tussen een gemeenschap en kliekjesvorming, onderscheid tussen vriendschap die dienstbaar is aan de hele gemeenschap en vriendschap die alleen maar bondjes sluit. Daarom zijn er mannen nodig die zelf door de Goede Herder als verloren schapen zijn thuisgebracht, een ervaring die hen aanzet om andere verloren schapen op te zoeken en bij de kudde te brengen.
Wanneer deze mannen er niet zijn en hun werk niet doen, als de gemeente dit laat lopen, dan kunnen de apostelen wel verkondigen en bidden, maar dan is het allemaal zinloos. Het werk van deze 7 mannen is niet minderwaardig ten opzichte van de apostelen, maar is er dienstbaar aan. Het onderwijs van de apostelen wordt er geloofwaardiger van als het ook in praktijk gebracht wordt. Deze zeven mannen zien er op toe en helpen de gemeente erbij om hun geloof in praktijk te brengen. Daar groeit de gemeente ook weer van. Lukas zegt het heel specifiek: het Woord van God groeit. Het Woord van God bereikt harten en verandert die harten, vormt die harten naar het beeld van Christus. Een bekering niet alleen van hart, maar ook van karakter. Een geloof dat niet zonder daden blijft, maar heel concreet in praktijk gebracht wordt. Die praktijk maakt indruk op anderen. Maakt anderen nieuwsgierig, brengt ze over de streep. Zelfs priesters treden tot de gemeente toe, omdat ze zien hoe de Geest mensen veranderd in ware gelovigen, echte leerlingen van Christus.

Verleiding

Verleiding
Houd intussen uzelf in het oog, opdat ook u niet in verzoeking komt (Galaten 6:1b)

Enige tijd geleden stond ik op een weegschaal. Het was lang geleden dat ik op een weegschaal stond. We hebben er zelf geen. Bij familiebezoek kreeg ik een weegschaal in het oog en ik was benieuwd wat die weegschaal zou aangeven. Omdat ik lang niet meer op een weegschaal gestaan had, kon ik tegen mijzelf zeggen dat het wel meeviel met mijn overgewicht. De weegschaal haalde mij uit de droom. De wijzer gaf meer aan dan ik had gedacht. Daar schrok ik toch wel van en besloot dat ik mijn levensstijl moest veranderen: minder eten, meer bewegen.
Het is een gewoonte van mij om bij de dingen die ik in het dagelijks leven meemaak de vergelijking te maken met het geestelijk leven. Ik ging nadenken over verleidingen, omdat voor mij de overeenkomst opviel. Ik eet meer ongezonde dingen die goed voor me zijn. Dat wist ik wel, maar ik hield me voor dat het wel meeviel met het effect op mij. Verleidingen zijn ongezond voor ons. Voor ons geloof, maar ook voor ons dagelijks leven. Een verleiding is een verslaving, aan mijn mobiel, aan internet, social media. Het is ongezond voor mij als ik dat teveel doe. Mijn aandacht wordt in beslag genomen en dat gaat ten koste van tijd voor mijn gezin, voor God. Maar verleiding heeft ook de neiging om te zeggen dat het wel meevalt. Dat je het kunt hebben. Dat het ook een goede kant heeft. Daardoor ga ik door en stop ik niet met mijn ongezonde gedrag.
Sinds die weegschaal sla ik ook meer dingen af. Koek tijdens huisbezoek, de kroket tijdens kerkenraadsvergadering. Wat mij opvalt is dat als ik dat doe er dan verbaasd wordt gekeken. Ik krijg de vraag: ‘Waarom sla je af? Wat is er aan de hand?’ Of ik krijg de opmerking: ‘Je kunt het best nog hebben.’ Op een subtiele manier komt toch de verleiding naar mij toe iets te pakken, toch mee te doen, geen spelbreker te zijn. Je moet dan sterk in je schoenen staan. Of kijken naar waarom je afslaat. Zo is het ook met verleiding. Die komt vaak subtiel: ‘Deze keer kan geen kwaad!’ ‘Je kunt het nog hebben!’ ‘Wees nou geen spelbreker.’ Ook verleiding zegt tegen ons: ‘Kom, ga met ons en doe als wij!’ Op korte termijn geeft het ons iets plezierigs. Maar we moeten de lange termijn in de gaten houden: de band met Christus die bewaard blijft. Want verleiding weekt ons zachtjes aan van Christus los. Het gaat vaak heel subtiel. Net als een bootje dat niet vast ligt: het dobbert zachtjes weg, op de golven mee, weg van de kant.
In de afgelopen maanden ben ik meer gaan nadenken over verleiding en over de strijd tegen verleiding. Het valt mij op dat die strijd niet zo gemakkelijk is. We zitten in een wereld van verleidingen. We hebben niet altijd door dat die verleidingen slecht voor onze band met Christus zijn. Of we willen dat niet weten, omdat als we het beseffen van ons een andere manier van leven wordt gevraagd.
Dat probeer ik ook: een andere manier van leven. Onder andere door meer te bewegen. Minder achter de boeken, minder tijd achter de computer. Het valt niet mee. Elke week probeer ik een dagdeel in de week vrij te houden om te gaan hardlopen. Het lukt me helaas niet elke week. Maar die keren dat het me wel lukt heb ik er dagen plezier van. Ik voel me fitter en het geeft een positief gevoel dat ik toch in staat geweest ben om mijn leven voor één dagdeel die week anders in te vullen. Ook hier is een vergelijking te maken met het geestelijk leven. Namelijk in het mezelf tijd gunnen bezig te zijn met God. Ook dat is tijd die niet komt aanwaaien, net als tijd voor hardlopen. Het vraagt om een agendaplanning: die tijd bewust in te plannen. Tijd nemen voor God. Ook hiervoor geldt: als ik het doe, dan heb ik er die dag en dagen erna ‘plezier’ van. Ik leef dichter bij God.
Houd uzelf in het oog, schrijft Paulus. Hij heeft net ervoor geschreven over twee manieren van leven: leven uit de Geest van Christus of leven uit de geest van deze wereld. Die laatste geest is niets minder dan de geest van de zonde, die steeds weer probeert om invloed op ons te krijgen en ons wil wegdrijven van Christus. Geloven is niet alleen iets van ons hoofd of iets van alleen de zondag. Geloven is een manier van leven. Om in een wereld die vol is van verleidingen te strijden tegen die verleidingen. Daarbij moeten we niet alleen naar anderen kijken. We moeten onszelf niet vergeten: Houd uzelf in het oog. Want niemand van ons is een supergelovige. Dat kunnen we als troost zeggen. Maar ook als excuus , waarbij we aan verleidingen meer toegeven dan goed voor ons is. Om te voorkomen dat we toch meedoen met die verleidingen, die niet alleen ongezond zijn voor ons geloof, maar ook voor ons dagelijks bestaan. Want ruzie, jaloezie, egoïsme, onenigheid – zomaar wat minder geestelijke verleidingen die Paulus opsomt naast afgoderij en andere geestelijke verleidingen – zijn voor niemand goed. Daarom: Houd uzelf in het oog. Om dicht bij Christus te blijven.

Meditatie voor Hervormd Oldebroek  (plaatselijk kerkblad)

Eerherstel voor Elihu?

Eerherstel voor Elihu?
Hoor dit aan Job!
Blijf staan en let op de wonderen van God (Job 37:14)

Eigenlijk weet niemand raad met Elihu. Veel hedendaagse uitleggers zien de redevoeringen van Elihu (de hoofdstukken 32-37) als een latere toevoeging. Iemand die het boek Job later las, zou het slot van Jobs toespraken wel erg kras vinden en daarom de toespraken laten volgen door de woorden van Elihu, om de woorden van Job toch aan te passen. Zijn woorden eindigen met een aanklacht tegen God Zelf, omdat hij zich door de Almachtige verkeerd behandeld voelt. In Elihu zien we iemand, die tegen Job ingaat en Job corrigeert: ‘Job zo mag je niet over God denken!’
Elihu zit op een andere lijn dan de andere vrienden van Job. Voor hen heeft het lijden van Job te maken met een fout die hij beging. Dat hij alles kwijtraakte, zou te maken hebben met een zonde, die bij niemand bekend is. Alleen Job en God zouden van die zonde afweten. Voor Elihu heeft de rampspoed die Job overkomt niet te maken met een zonde aan Jobs kant. Voor hem heeft God een doel met Job in wat Job overkomt. God wil Job door het lijden leren. De Heere wil Job voorkomen dat Job een verkeerde weg in slaat en neemt Hem daarom alles af. Zo leert Job inzien, dat met geld en rijkdom niet alles te verkrijgen is. Zo leert Job dat God boven alles staat. Job moet niet vragen naar het verleden, niet naar het waarom. Job moet vragen naar het waartoe, naar het doel dat God ermee heeft. Als Job zich oneerlijk door God behandeld voelt, dan moet hij niet tegen God ingaan. Job is immers maar een mens. Hoe kan hij als klein en nietig mens de heilige God doorgronden en Zijn plannen kennen? Elihu is van mening dat wij bij een ziekte hebben te kijken naar wat de Heere ons wil leren: een les in vertrouwen, een waarschuwing tegen verkeerde wegen. Elihu is van mening dat als een ramp een land treft gekeken moet worden naar het doel.
Wat is dan het probleem met Elihu? Elihu heeft zijn theologie op orde, zo lijkt het. Want wat Elihu zegt komt overeen met wat de Heere in Zijn toespraken tegen Job zegt. Ook daarin gaat het over de grootheid van God en dat Job Gods wegen niet kan doorgronden. Elihu zegt ook dat zijn inzichten niet door hemzelf bedacht zijn, maar dat hij deze lessen zelf van de Heere heeft geleerd. Maar dat is juist voor veel uitleggers het probleem: Plaatst hij zich daarmee niet teveel op één lijn met God? Is Elihu uiteindelijk niet teveel bezig met het verdedigen van de Heere tegen de verwijten van Job en is Elihu daardoor niet in staat om te zien wat Job allemaal is overkomen? Heeft Elihu wel oog voor alles wat Job is kwijtgeraakt? Job is niet alleen zijn bezittingen en zijn bedrijf kwijtgeraakt maar voor zijn idee ook God. Nou, dat is in ieder geval wat Elihu tegenspreekt: ‘Job, je bent God niet kwijt. Hij is met je bezig. Zie het als Zijn vaderlijke zorg. Zelfs in het afnemen van je goed en je gezin kunnen we Gods liefdevolle handelen zien. Ik zie daarin Gods bewogenheid met jou.’
Ook al heeft Elihu zijn gedachten over God op orde, ze zijn wel ingewikkeld toe te passen. Want voor wie is de overstroming in de Amerikaanse stad Houston een les? Welke boodschap valt er te leren in de overstroming in Zuid-Oost-Azië? Geen wonder dat hedendaagse commentaren voorzichtig zijn met de toepassing van Elihu’s woorden. Een commentator schrijft: Elihu’s woorden kun je alleen maar overnemen voor zover ze overeenkomen met de rest van de Schrift. Deze commentator is geen eigenwijze geleerde, die zomaar ingaat tegen de Bijbel, maar vol eerbied en ontzag wil luisteren naar Gods Woord.
Enkele maanden voordat mijn schoonmoeder overleed had ik een kort gesprek met haar over de zin van haar ziekzijn en haar lijden. Ze was al meer dan 13 jaar ziek en zeker in de laatste maanden werd ze steeds meer afgebroken. Toen ik aangaf dat ik daarin Gods hand niet kon zien, antwoordde stellig: ‘Ik heb liever dat dit uit Gods hand komt dan uit de hand van de duivel. Want als dit uit Gods hand komt, weet ik dat het nog ergens goed voor is.’ Ik begreep deze woorden niet, omdat ik zelf in die tijd erg worstelde met God en vaak het idee had dat God er niet was. Juist in die tijd had ik college over het bijbelboek Job gehad en ook het aanklagen van God door Job behandeld. In die aanklagende Job kon ik mijzelf herkennen. Deze woorden van mijn schoonmoeder zijn me altijd bijgebleven. Hoe meer ik er over nadacht, hoe meer ik ze kon begrijpen. Ook omdat ik in haar een echt geloof zag in de leiding van God in haar ziekzijn. Dat God er een les mee had, was voor haar juist een bemoediging. Dat hield haar op de been. Door haar levende getuigenis heb ik meer waardering voor Elihu gekregen.
Is het tijd voor eerherstel van Elihu? Ik kan pleidooien om de andere drie vrienden van Job serieuzer te nemen, omdat zij eerst een week zwijgen en door te zwijgen delen in zijn leed. Ze gaan hun lijdende vriend niet uit de weg. Ze laten hem niet in de steek, ook al zijn ze niet met hem eens. En Elihu? Hij verdient nog meer respect, want hij heeft nog langer gezwegen, ook al was hij nog minder met Job eens dan de andere vrienden. Elihu heeft ook goed geluisterd naar Job, want hij gaat op alle verwijten van Job naar God toe in. Hij vraagt Job om te kijken vanuit Gods perspectief: Hoor dit aan Job! Blijf staan en let op de wonderen van God. Job, zie je dan niet Gods zorg voor deze wereld en zie je niet dat je opgenomen bent in Gods plan?
En toch ben ik voorzichtig met volledige eerherstel van Elihu. Want dat gelovigen kunnen lijden aan Gods wegen die voor ons mensen onbegrijpelijk zijn komt overal in de kerk voor. Nadat ik over Elihu gepreekt had, werd dat ook door sommige ambtsdragers gedeeld. Deze worstelingen en aanvechtingen zijn heel serieus te nemen. Waarom ik ook voorzichtig ben om Elihu gelijk te geven is dat Elihu Gods handelen alleen in Zijn grootheid kan zien, in de macht die zich toont in de schepping. Gods handelen is niet alleen indrukwekkend. God kan klein worden, zo klein als een Kind in de kribbe. God kan kwetsbaar worden: kwetsbaar en naakt aan het kruis, door iedereen verstoten en uitgelachen. Daar aan het kruis droeg Christus niet alleen onze zonde weg, maar deelde Hij ook in ons lijden, in onze nood. Enkele dagen na de aanslagen van 11 september 2001 vertelde onze hoogleraar Dogmatiek hoe wij in die aanslagen en in die gruwelijke beelden iets van God kunnen waarnemen. Bij de restanten van die torens, waarin de vliegtuigen waren ingeboord, was een kruis zichtbaar, Zo deelt Christus in ons bestaan. Ook dat is het wonder dat we niet mogen vergeten en waar we oog voor mogen hebben. Als we dan niet weten waarom ons iets overkomt en als we ook niet begrijpen waartoe het ons overkomt, mogen we zien op onze Heere en Heiland die niet ver van ons is, maar ons draagt als wij ons kruis moeten dragen.

Meditatie voor de Veluwse Kerkbode

HEER JEZUS, DUIZEND VRAGEN

Heer Jezus, duizend vragen
te veel om mee te dragen:
waarheen, waarom, waartoe?
Kunt Gij geen antwoord geven?
O God, dit is geen leven,
wij worden zoveel vragen moe.

Hoe kan een mens geloven
dat iemand hoort, daarboven,
dat Eén ons zeker ziet,
dat die ons zal bevrijden
van lasten en van lijden –
wil Hij of kan Hij dat dan niet?

Wie kan ooit zeker weten
dat God niet wil vergeten
het land, de zee, de zon,
de mensen niet zal haten,
niet eenmaal los zal laten
het werk dat eens zijn hand begon?

Heer Jezus, al die vragen,
Gij hebt ze meegedragen,
die last, was dát uw kruis?
Dat Gij de schuld verzoende
geeft ons geduld voldoende:
het laatste antwoord wacht ons thuis.

A.F. Troost, Zingende gezegend nr 282.

Zie Gods grootheid!

Zie Gods grootheid!
Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God!

(Job 37:14)

Hier is iemand aan het woord die zegt: Neem even de tijd om te kijken, te kijken om je heen naar wat er gebeurt in de schepping,  het mooie weer, de zon die zijn stralen uitzendt en voor warmte op aarde zorgt, de wolken die zich vormen in de lucht. De ene keer gaan ze snel voortgedreven door de wind, dan weer kan er een dreigende lucht zich opbouwen,  witte koppen op de wolken die onweer aankondigen. Je kunt met mooi weer weg gaan en halverwege slaat het weer om, zodat je met regen thuiskomt. Neem even de tijd om er naar te kijken, om te kijken wie daar de hand in heeft: God onze schepper. Daar moet je niet zomaar aan voorbij gaan! Je ziet daarin Zijn macht en grootheid, je ziet dat er een God is die zich actief met de wereld bemoeit, die wat er op de wereld gebeurt, niet zomaar aan zich voorbij laat gaan! En als je dat allemaal bedenkt, dan besef je dat je als mens tegen God niets in te brengen hebt. Wie zijn wij om te bedenken dat wij als mens het beter zouden doen dat God? God is voor ons te groot om echt te doorgronden, Hij is zo groot en wat Hij doet is zo indrukwekkend, wij kunnen God niet begrijpen, we kunnen niet overzien wat Hij allemaal doet.

In de zomervakantie zijn we in Oostenrijk in de bergen geweest. 
Het was wat regenachtig toen we onderaan de berg de kabelbaan naar boven pakten, bovenaan gekomen, zouden we verder gaan wandelen, meer naar de top toe. De zon brak door en het werd warmer. Rondom de top van de berg aan de overkant van het dal werd het donkerder en we hoorden de rommel van de donder en zagen wat bliksemflitsen. Gelukkig kwam dat onweer niet onze kant op. Het was allemaal indrukwekkend: de bergen, het onweer, het uitzicht over het dal, de wolken. Je ziet iets van Gods grootheid en toch, die ervaring gaat weer naar de achtergrond, als je weer thuis bent, waar het overigens ook mooi is en waar je Gods hand ook steeds in de schepping ziet. Sta er bij stil, je gaat er zo gemakkelijk aan voorbij, als je met je dagelijkse dingen bezig bent Vergeet je schepper niet te danken.

Ja, dat is waar, Elihu, je hebt helemaal gelijk: We kunnen God niet begrijpen, we zijn te klein om tegen God in te gaan of aan Hem rekenschap te vragen van wat Hij doet. Maar hoe zat het ook al weer met Job, die voor je zit? Al zijn bezittingen is hij kwijtgeraakt, van de een op de andere dag: al zijn schapen, zijn koeien, zijn kamelen, zijn hele bedrijf, misschien wel het grootste bedrijf dat er in die tijd was – helemaal weg. En dan  die tragedie met zijn kinderen, tien had hij er  en alle tien kwamen ze bij één gebeurtenis om het leven, nog niet zo heel lang geleden. Alles wat Job had was hij kwijtgeraakt, niet alleen zijn kinderen en zijn bedrijf, maar ook zijn vrouw misschien wel  en wat Job nog het meest raakte, was dat hij zijn God was kwijtgeraakt. In de gesprekken die Job met zijn vrienden had,  kwam dat elke keer weer naar voren, vol bitterheid: God heeft zich tegen mij gekeerd. Hij moet mij hebben, als een jager jaagt Hij op mij en ik heb geen moment rust, ik kan me nergens voor Hem verbergen.

Drie van zijn vrienden gaan er tegen in:  Job, wat heb je gedaan, dat God zo boos op je geworden is? Heb je misschien toch een zonde gedaan, waarvan wij niets afweten? Het zal een reden hebben, waarom God je straft. En die opmerkingen van zijn vrienden, hoe goedbedoeld ook, maakten Job wanhopiger: Is er dan niemand die voor mij opkomt? Ik zou wel een rechtszaak met God willen beginnen,  laat Hij maar aantonen dat ik mis zit en gezondigd heb; Hij zal niets kunnen aangeven. Hij zei het niet alleen tegen zijn vrienden, maar ook tegen God zelf:  Wat moet U van mij, waarom gaat U zo tegen mij tekeer? Wat heb ik U misdaan? Ik ben niet met andere vrouwen bezig geweest, voor de armen ben ik goed geweest, nooit heb ik iemand benadeelt – waarom toch God?

Al die tijd is Elihu stil geweest. als jongste heeft hij minder recht van spreken. Hij heeft minder wijsheid, minder levenservaring. Toch, als hij Job zo hoort, wordt het hem teveel. Er komt een boosheid in hem boven, een heilige woede, want Job, je hebt het wel over mijn God, over onze God, over de schepper van hemel en aarde, de hoogste God, de enige God die er is. Job, zo kun je niet tekeer gaan tegen God, besef je wel tegen Wie je het hebt? Job, je denkt dat God je wil straffen, maar dat kun je toch niet weten? Weet je, er is iets anders: God wil je wat leren. Door je alles af te nemen, wil Hij je laten weten dat je het met geld niet redt en dat je aan je bezit uiteindelijk niets hebt. Hij wil je waarschuwen tegen een verkeerde weg, Nu met deze weg, Job, met al je lijden, heeft Hij maar één doel: Jou dicht bij Hem houden. Het is een zorg van Hem, om je voor het verkeerde te behoeden. En moet je kijken hoe de schepping in elkaar steekt: de macht die God heeft! Over heel de schepping heeft Hij de macht, Hij regeert alles. Met Zijn macht kan Hij de rechtvaardigen, de gelovigen steunen en de mensen die oneerlijk zijn kan Hij onder de indruk laten komen, zodat ze stoppen en tot inkeer komen. Zie je God dan niet bezig in de schepping? Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God!

Wat Elihu over de schepping zegt, over verschijnselen die zich voordoen: 
regen en wind, ijs en storm, lichtflitsen en onweer, dat zijn niet zomaar verschijnselen, dat zijn verschijnselen in de natuur die aankondigen dat God zelf komt, op aarde. Ze kondigen Zijn komst aan, ze verkondigen het ons: maak je gereed, want God komt  om Zijn oordeel uit te spreken en het verkeerde, het zondige weg te doen en alles recht te zetten.

Het zijn mooie woorden over God. Het is een boodschap over God, die klopt.  En toch, in het boek Job is dat niet de laatste waarheid.  Job, de drie vrienden die steeds aan het  woord waren, ze hadden allemaal gelijk én ongelijk. Allemaal hadden ze een punt en toch niet de volle waarheid en daardoor zaten ze er allemaal naast, ook al is het niet helemaal onzin wat ze zeiden. Daarom moeten we goed kijken, op welke manier ze wel gelijk hadden. Elihu, hij had scherp gehoord wat Job aandroeg aan verwijten richting God, Elihu is een goede luisteraar, hij weet uit Jobs uitspraken te achterhalen, wat hem ten diepste beweegt. Elihu, hij is diep onder de indruk van Gods grootheid en er diep van overtuigd dat God deze wereld op een goede manier leidt,  zoals alleen God dat kan doen: eerlijk, rechtvaardig en betrouwbaar, heilig. Het leed van Job brengt hem niet van zijn stuk en gaat tegen Job in: Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God! Kijk je wel op de goede manier naar God?

Waarom is dat niet het goede antwoord? Omdat Elihu God zelf niet is.  Hij plaatst zichzelf op de lijn van God en plaatst zich daarmee tegen over Job.  En terecht, hij vraagt de aandacht voor Gods grootheid en toch: ziet hij Job zelf wel zitten? Elihu, hij heeft wel gelijk, als hij tegen Job zegt: Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God! Alleen kijkt hij puur naar de macht en de heerlijkheid van God, Gods grootheid. Maar God toont zich niet alleen in het grootse, in het indrukwekkende, maar soms juist heel stil en in het verborgen, God kan ook klein worden, klein als een kind in de kribbe, kwetsbaar en naakt aan het kruis, niet alleen toornend over het kwaad, maar juist ook de zonde dragend, delen in ons lijden, delen ook in onze verlorenheid, we begrijpen God niet, maar God is wel te vertrouwen. We zien God niet altijd en toch is Hij er, ook bij ons en voor ons. We hebben het idee dat Hij onze gebeden niet altijd hoort en toch, God is niet te groot voor onze gebeden. Zoals Hij voor de schepping zorgt, zorgt Hij ook voor ons. Al is dat niet altijd in zegen, wel in Zijn trouwe vaderlijke zorg.

Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden, waarlangs mijn voet kan gaan.