Meditatie Psalm 27 – Zo ik niet had geloofd

Meditatie Psalm 27 – Zo ik niet had geloofd

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 27 begint en eindigt met dezelfde woorden, met de naam van God:
De Heere is mijn licht en mijn heil, zo begint de Psalm
en de Psalm eindigt: ja, wacht op de Heere.
De Heere – het begin en het einde,
zoals Christus dat zei: Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde.
De psalm wordt omsloten door de naam van God,
net zoals ons leven omsloten wordt door de naam van God.
Aan het begin van ons leven, toen we geboren werden,
ja, zelfs toen we door de Heere gedacht zijn en Hij ons het leven schonk was Hij daar
De Heere is mijn licht en mijn heil.
en ook als het einde van ons leven komt, zal Hij daar zijn: ja, wacht op de Heere.
Aan het begin en aan het einde de naam van God. Heere is Zijn naam.
Die naam betekent: Ik zal zijn, Die Ik zijn zal, Ik zal er zijn, Ik sta klaar.
De naam die aangeeft: op Mij kun je aan, want Ik ben betrouwbaar.
Met Mij kun je leven, want Ik ben je God. Ik sloot een verbond met je
in de doop Mijn naam aan jouw leven verbonden werd,
zoals Mijn naam aan Israël verbonden was.
Mijn naam die zegt: Ik geef niet prijs wat Mijn hand begon.
Ook jou laat Ik niet vallen, al komt de hele wereld op je af
en wordt je omringd door tegenstanders die jij niet de baas kunt.

De Heere is mijn licht.
God is mijn licht – Zijn liefde en genade omstraalt mij,
zoals daar in de velden van Efratha het licht over de herders viel, het hemelse licht van God
en zij hoorden van het goede nieuws dat er voor hen een redder geboren was, de Christus
die in een kribbe lag, in doeken gewikkeld.
Als God er niet is, dan is het duister in mijn leven
en ben ik overgeleverd aan alle duistere machten die mijn leven kunnen verwoesten,
heb ik geen leven meer, omdat het leven van God komt.
Zoals de schepping n4iet zonder zon kan leven, kan de mens niet leven
zonder het licht van God.
Hoe diep die duisternis kan zijn horen we van mensen die niet meer de kracht hebben
om verder te leven, voor wie alles donker is, voor hun eigen gevoel zonder hoop,
in donkerheid gevangen.
God is niet alleen mijn licht, maar ook mijn behoud, die mijn leven redt.

Licht is nodig om de weg te wijzen:
zoals vliegtuigen niet zonder de lichten kunnen die de landingsbaan aangeven
of een schip in het donker een vuurtoren het licht nodig heeft
om niet op de rotsen te varen, vast te lopen en averij op te lopen,
zo hebben wij het licht van God nodig om ons de weg door het leven te lopen,
om mij thuis te brengen bij Hem.
Leid, vriend’lijk Licht, mij als een trouwe wacht, leid Gij mij voort!
‘k Ben ver van huis en donker is de nacht, leid Gij mij voort!
Schoon ook de toekomst mij verborgen zij, licht stap voor stap mij met uw schijnsel bij.

Als het licht weg is, is er een onheilspellende dreiging.
In deze psalm komt de dreiging van mensen, mensen die maar al te bekend zijn,
Waar je niet tegen opgewassen bent,
omdat hun scherpe woorden je steeds weer van binnen raken,
omdat hun blikken je laten weten dat je er toch niet bij hoort, wat je ook probeert,
Die wanneer je ze nodig hebt, je kunnen laten vallen
of wanneer je even niet oplet je plek overnemen.
Kwaadwillenden: ze hebben kwaad in de zin.
Kwaaddoeners: het kwaad dat ze aanrichten, blijft niet in hun hoofd,
maar je krijgt ermee te maken omdat hun slechtheid blijkt in wat ze doen.
Ze hebben het op je gemunt.
Tegenstanders, vijanden, die niets van je heel willen laten: ze willen je verslinden.
En steun is er niet, zo alleen, zegt David: mijn vader en moeder hebben mij verlaten.
Verrassend is dan de steun van God,
want gaat het eerder niet zo dat als de hele wereld tegen je is,
je ook gaat geloven dat God tegen je optrekt en je aanvalt?
Het zijn geen mooie woorden alleen over God als jouw licht, jouw behoud, jouw redding,
nee, ze zijn waar, zoals Zijn naam waar is: Ik zal er zijn, Ik zal er voor jou zijn,
Ik zal je uitredden bij het aanbreken van de morgen.
Omsingeld door vijanden en toch gaat er een deur open:
de deur van Gods heiligdom.
Nergens meer veilig, omdat overal gevaar dreigt en niemand meer te vertrouwen is
en God die je dan bij Hem verbergt, doet schuilen, bij wie je kunt onderduiken,
veilig tegen elk gevaar dat je zou kunnen bedreigen.

Dat heb je altijd al gewild. Het enige dat echt telt, een verlangen dat niet stopte:
Wonen bij God, bij Hem zijn, voor altijd.
Om Hem te mogen zien in al Zijn heerlijkheid,
niet alleen indrukwekkend en groots, maar ook in Zijn tederheid, Zijn schoonheid,
zoals de Heere is voor wie Hem liefhebben, voor wie bij Hem horen.
Zo kun je de Heere ontmoeten. Zo kun je bij Hem blijven.
Je raakt niet uitgekeken op Hem, niet op Zijn liefde, niet op wat Hij doet, niet op Wie Hij is.

Als je dan zo veilig bent bij God, als je dan elke dag bij Hem verkeren, je verdere leven lang
waarom dan dat hartstochtelijke appèl aan God,
een beroep op God om Zijn aangezicht niet te verbergen, om je niet te laten vallen?
Misschien is dat wel een van de grote vragen die een gelovige kan hebben:
Waarom kan er toch die angst je overvallen, terwijl je weet dat de Heere er is,
waarom moet je Hem zoeken, wanhopig zelfs, terwijl je bij Hem mag zijn.
Waarom kun je het gevoel hebben dat je alles kwijt raakt,
terwijl je weet dat je alles hebt, omdat je de Heere hebt.
Waarom net als Petrus, die naar de golven kijkt die om hem heen opspringen
en de wind die hem om de oren suist en als hij dan even Jezus niet meer ziet
naar beneden zakt, de diepte in en alleen maar gered kan worden als Jezus hem grijpt.
Zo ik niet had geloofd – dat geloven is niet iets dat wij zo maar even doen,
niet iets dat ons komt aanwaaien,
maar steeds weer aangevochten wordt, op de proef gesteld wordt
door alles wat ons overkomt.
Elke dreiging weer, elke verandering die het leven op de kop kan zetten,
kan als een rukwind voelen, die het geloof haast omver blaast
En je houdt je hart vast als je geloof het niet meer houdt,
je houdt je hart vast als God er deze keer niet blijkt te zijn,
Zo ik niet had geloofd – in de Psalm wordt het niet afgemaakt.
Daar moet je niet over nadenken, dat is te erg, dat kun je niet aan,
dan blijft er nog minder van je over dan wanneer die vijanden je verslinden.
Ik was vergaan – zo ik niet had geloofd.
Maar is de Heere niet de Alpha en de Omega, de God met wie alles begint
en ook met Wie alles eindigt
en die alles wat er in dit leven tussendoor gebeurt in Zijn hand houdt,
hoe diep ik ook moet gaan.
Als ik dat geloof niet had
en hoezeer de winden rukken aan het geloof,
Hoezeer de donkere wolken boven mijn leven kunnen komen, vol dreiging van noodweer,
als ik niet dat geloof had, niet mijn geloof, maar de Geest die dat vertrouwen wekt.
Wacht op de Heere, houdt moed, geloof dat Hij zal komen, op Zijn tijd.
Je moet dat steeds weer opnieuw tegen jezelf zeggen, jezelf aanspreken:
Wacht op de Heere, verlies niet alle moed, wees sterk,
want Hij is er, Hij zal er zijn. Hij zal je hart sterk maken
en zorgen dat je, wanneer je het zelf dreigt kwijt te raken, je weer geven.
Wacht op de Heere, wees sterk en Hij zal uw hart sterk maken, wacht op de Heere.
Hij die jouw licht is, jouw behoud, Hij is dat niet voor even maar voor altijd,
vanaf het begin van je leven totdat je einde nadert.
En hoe donker het kan worden – en het kan donker worden.
God is mijn licht, mijn behoud. Wacht op de Heere. Amen

Overdenking in de zangdienst van 15 juli 2018. Thema: Zo ik niet had geloofd

Advertenties

Geloof in praktijk

Geloof in praktijk

En de twaalf riepen de menigte van de discipelen bij zich en zeiden: Het is niet behoorlijk dat wij nalaten het Woord van God te verkondigen om de tafels te dienen. (Handelingen 6:2)

Onrust in de gemeente van Jeruzalem. Was er eerder een eenheid van hart en ziel, die eenheid staat nu op het spel. Er is namelijk een klacht dat vrouwen overgeslagen worden. Het gaat om vrouwen die niet het Hebreeuws of het Aramees machtig zijn, maar alleen Grieks spreken. Het is niet helemaal duidelijk waar ze bij worden overgeslagen. Krijgen ze minder dan de vrouwen die wel Hebreeuws of Aramees spreken? Of gaat het erom, dat ze niet betrokken worden bij het uitdelen van de gaven? Het wordt niet gemeld. Lang is gedacht dat het hier gaat om de organisatie bij het uitdelen niet op orde is en dat daarom bepaalde groepen overgeslagen worden. Tegenwoordig wordt er ook wel rekening mee gehouden, dat op een of andere reden deze vrouwen niet voor taken binnen de gemeente benaderd worden.
Er kunnen verschillende redenen zijn, waarom deze vrouwen niet gezien worden. Het kan zijn dat de organisatie inderdaad niet op orde is. De gemeente is zo gegroeid en de apostelen kunnen het niet meer behappen. Net als bij Mozes is het nodig dat er anderen betrokken worden in de organisatie en leiding van de gemeente. Het kan zijn dat de taal een barrière is. Als je een andere taal spreekt, kan dat een belemmering zijn. Dat lijkt echter niet voor de hand te liggen, omdat in die tijd veel Joden in Jeruzalem het Grieks goed beheersten. Het ligt dan meer voor de hand dat de weduwen die alleen Grieks spreken in het buitenland zijn opgegroeid, in de diaspora. Ze zijn dan later naar Israël getrokken. Mogelijk dat ze zich in eigen synagogen hebben georganiseerd, waar Grieks werd gesproken in de erediensten. In dat geval missen ze het netwerk dat anderen binnen de gemeente hebben. Ze worden minder gezien en daardoor sneller overgeslagen, bij zowel de taken die vervuld moeten worden als de gaven die verstrekt worden. In het geval van taken kan het ook zijn dat deze vrouwen niet benaderd worden, omdat ze een wat minder strikte levensstijl hebben. In het buitenland, waar veel minder gelovigen zijn, is het lastiger om een strikte levensstijl te houden dan in Israël. Net zoals het nu voor gelovigen in gebieden die minder kerkelijk zijn soms andere gewoonten hebben, bijvoorbeeld wat invulling van de zondag betreft. Deze vrouwen zouden dan een belemmering kunnen vormen voor de Joden die wel opgegroeid zijn met een strikte levensstijl en nadat ze christen zijn geworden die levensstijl willen behouden. Joden die christen werden bleven vaak Joden.
Het gaat voor de apostelen niet om een kleinigheid. Het is een zaak die de hele gemeente aangaat. Voor de apostelen staat of valt de kerk met deze kwestie. Wordt dit niet goed opgelost, dan is de kerk geen kerk meer, geen gemeente van Jezus Christus. Daarom wordt in het eerste vers ook gesproken over het aantal leerlingen dat toeneemt: gelovigen die leerling willen zijn van Jezus Christus. In hun handelen, in hun denken willen ze de woorden van Jezus in praktijk brengen. Geloven is niet alleen maar een innerlijk gebeuren, een gevoel. Geloven is niet alleen maar iets van het verstand. Wie leerling van Jezus is laat zijn of haar hele leven bepalen door de woorden van Christus.
In de gemeente van Jeruzalem gaat het op dat punt mis. Heel concreet: aan de tafel. Dat kan de gewone tafel zijn. Dat kan de avondmaalstafel zijn. Christenzijn komt tot uitdrukking aan de tafel: elke andere gelovige is een broeder of zuster. Je mag een broeder of zuster niet mijden. Je mag een broeder of zuster niet verwaarlozen of overslaan. De hele gemeente krijgt te horen dat het niet goed is als de apostelen zich met de kwestie van aan tafel gaan bezig houden. Niet dat de tafelkwestie minderwaardig is en daardoor door minder belangrijke personen afgedaan kan worden. Nee, juist omgekeerd: aan de tafel wordt zichtbaar of je je in je gedrag laat leiden door Christus. Aan de tafel wordt het zichtbaar dat Christus je Heer is.
Ik heb wel eens gelezen dat het nergens moeilijker is om te evangeliseren dan op een dorp, omdat op een dorp alles van je zichtbaar is. In de stad kun je je terugtrekken in je eigen wereld. Op een dorp niet, want ze zien alles van je. Ze zien niet alleen dat je naar de kerk gaat, maar ook wanneer je naar je werk gaat. De buren horen hoe je met je man of vrouw en je kinderen omgaat. Ze weten hoe je bent als je het terrein van de voetbalvereniging opstapt. De apostelen roepen de gemeente bij elkaar om aan te geven dat het juist daar aan de tafels zichtbaar wordt wat christenzijn inhoudt. Christenzijn wordt heel concreet. Als dat niet in praktijk gebracht wordt, heeft het voor de apostelen geen zin dat ze onderwijs geven en dat ze over Christus vertellen. Als harten niet veranderd worden en karakters niet bekeerd, wordt het leerling-zijn van Jezus wel heel vrijblijvend. Als je binnen de gemeente je eigen vriendenclubje houdt, ontstaat er een kerkje-binnen-de-kerk. Maar dat is dan geen kerk meer, maar een vereniging van ons-soort-mensen. Er moeten mannen gezocht worden die op toezien hoe het evangelie van Jezus Christus in het leven van alledag in praktijk gebracht wordt. Zeven mannen die betrouwbaar zijn. Mannen die ook het vertrouwen hebben van de Griekssprekende weduwen, die nu nog niet in beeld zijn. Mannen die wijs zijn: mannen die zien wat er tussen mensen gebeurt. Die merken wanneer er iemand – bewust of onbewust – buitengesloten worden. Mannen die in de manier waarop mensen aan tafel zitten kunnen zien wanneer er iemand buitengesloten is. Die de moed hebben en de tact om daar iets van te zeggen en aan te doen. Daarom hebben ze de Heilige Geest nodig: de Geest helpt om onderscheid te maken tussen een gemeenschap en kliekjesvorming, onderscheid tussen vriendschap die dienstbaar is aan de hele gemeenschap en vriendschap die alleen maar bondjes sluit. Daarom zijn er mannen nodig die zelf door de Goede Herder als verloren schapen zijn thuisgebracht, een ervaring die hen aanzet om andere verloren schapen op te zoeken en bij de kudde te brengen.
Wanneer deze mannen er niet zijn en hun werk niet doen, als de gemeente dit laat lopen, dan kunnen de apostelen wel verkondigen en bidden, maar dan is het allemaal zinloos. Het werk van deze 7 mannen is niet minderwaardig ten opzichte van de apostelen, maar is er dienstbaar aan. Het onderwijs van de apostelen wordt er geloofwaardiger van als het ook in praktijk gebracht wordt. Deze zeven mannen zien er op toe en helpen de gemeente erbij om hun geloof in praktijk te brengen. Daar groeit de gemeente ook weer van. Lukas zegt het heel specifiek: het Woord van God groeit. Het Woord van God bereikt harten en verandert die harten, vormt die harten naar het beeld van Christus. Een bekering niet alleen van hart, maar ook van karakter. Een geloof dat niet zonder daden blijft, maar heel concreet in praktijk gebracht wordt. Die praktijk maakt indruk op anderen. Maakt anderen nieuwsgierig, brengt ze over de streep. Zelfs priesters treden tot de gemeente toe, omdat ze zien hoe de Geest mensen veranderd in ware gelovigen, echte leerlingen van Christus.

Verleiding

Verleiding
Houd intussen uzelf in het oog, opdat ook u niet in verzoeking komt (Galaten 6:1b)

Enige tijd geleden stond ik op een weegschaal. Het was lang geleden dat ik op een weegschaal stond. We hebben er zelf geen. Bij familiebezoek kreeg ik een weegschaal in het oog en ik was benieuwd wat die weegschaal zou aangeven. Omdat ik lang niet meer op een weegschaal gestaan had, kon ik tegen mijzelf zeggen dat het wel meeviel met mijn overgewicht. De weegschaal haalde mij uit de droom. De wijzer gaf meer aan dan ik had gedacht. Daar schrok ik toch wel van en besloot dat ik mijn levensstijl moest veranderen: minder eten, meer bewegen.
Het is een gewoonte van mij om bij de dingen die ik in het dagelijks leven meemaak de vergelijking te maken met het geestelijk leven. Ik ging nadenken over verleidingen, omdat voor mij de overeenkomst opviel. Ik eet meer ongezonde dingen die goed voor me zijn. Dat wist ik wel, maar ik hield me voor dat het wel meeviel met het effect op mij. Verleidingen zijn ongezond voor ons. Voor ons geloof, maar ook voor ons dagelijks leven. Een verleiding is een verslaving, aan mijn mobiel, aan internet, social media. Het is ongezond voor mij als ik dat teveel doe. Mijn aandacht wordt in beslag genomen en dat gaat ten koste van tijd voor mijn gezin, voor God. Maar verleiding heeft ook de neiging om te zeggen dat het wel meevalt. Dat je het kunt hebben. Dat het ook een goede kant heeft. Daardoor ga ik door en stop ik niet met mijn ongezonde gedrag.
Sinds die weegschaal sla ik ook meer dingen af. Koek tijdens huisbezoek, de kroket tijdens kerkenraadsvergadering. Wat mij opvalt is dat als ik dat doe er dan verbaasd wordt gekeken. Ik krijg de vraag: ‘Waarom sla je af? Wat is er aan de hand?’ Of ik krijg de opmerking: ‘Je kunt het best nog hebben.’ Op een subtiele manier komt toch de verleiding naar mij toe iets te pakken, toch mee te doen, geen spelbreker te zijn. Je moet dan sterk in je schoenen staan. Of kijken naar waarom je afslaat. Zo is het ook met verleiding. Die komt vaak subtiel: ‘Deze keer kan geen kwaad!’ ‘Je kunt het nog hebben!’ ‘Wees nou geen spelbreker.’ Ook verleiding zegt tegen ons: ‘Kom, ga met ons en doe als wij!’ Op korte termijn geeft het ons iets plezierigs. Maar we moeten de lange termijn in de gaten houden: de band met Christus die bewaard blijft. Want verleiding weekt ons zachtjes aan van Christus los. Het gaat vaak heel subtiel. Net als een bootje dat niet vast ligt: het dobbert zachtjes weg, op de golven mee, weg van de kant.
In de afgelopen maanden ben ik meer gaan nadenken over verleiding en over de strijd tegen verleiding. Het valt mij op dat die strijd niet zo gemakkelijk is. We zitten in een wereld van verleidingen. We hebben niet altijd door dat die verleidingen slecht voor onze band met Christus zijn. Of we willen dat niet weten, omdat als we het beseffen van ons een andere manier van leven wordt gevraagd.
Dat probeer ik ook: een andere manier van leven. Onder andere door meer te bewegen. Minder achter de boeken, minder tijd achter de computer. Het valt niet mee. Elke week probeer ik een dagdeel in de week vrij te houden om te gaan hardlopen. Het lukt me helaas niet elke week. Maar die keren dat het me wel lukt heb ik er dagen plezier van. Ik voel me fitter en het geeft een positief gevoel dat ik toch in staat geweest ben om mijn leven voor één dagdeel die week anders in te vullen. Ook hier is een vergelijking te maken met het geestelijk leven. Namelijk in het mezelf tijd gunnen bezig te zijn met God. Ook dat is tijd die niet komt aanwaaien, net als tijd voor hardlopen. Het vraagt om een agendaplanning: die tijd bewust in te plannen. Tijd nemen voor God. Ook hiervoor geldt: als ik het doe, dan heb ik er die dag en dagen erna ‘plezier’ van. Ik leef dichter bij God.
Houd uzelf in het oog, schrijft Paulus. Hij heeft net ervoor geschreven over twee manieren van leven: leven uit de Geest van Christus of leven uit de geest van deze wereld. Die laatste geest is niets minder dan de geest van de zonde, die steeds weer probeert om invloed op ons te krijgen en ons wil wegdrijven van Christus. Geloven is niet alleen iets van ons hoofd of iets van alleen de zondag. Geloven is een manier van leven. Om in een wereld die vol is van verleidingen te strijden tegen die verleidingen. Daarbij moeten we niet alleen naar anderen kijken. We moeten onszelf niet vergeten: Houd uzelf in het oog. Want niemand van ons is een supergelovige. Dat kunnen we als troost zeggen. Maar ook als excuus , waarbij we aan verleidingen meer toegeven dan goed voor ons is. Om te voorkomen dat we toch meedoen met die verleidingen, die niet alleen ongezond zijn voor ons geloof, maar ook voor ons dagelijks bestaan. Want ruzie, jaloezie, egoïsme, onenigheid – zomaar wat minder geestelijke verleidingen die Paulus opsomt naast afgoderij en andere geestelijke verleidingen – zijn voor niemand goed. Daarom: Houd uzelf in het oog. Om dicht bij Christus te blijven.

Meditatie voor Hervormd Oldebroek  (plaatselijk kerkblad)

Eerherstel voor Elihu?

Eerherstel voor Elihu?
Hoor dit aan Job!
Blijf staan en let op de wonderen van God (Job 37:14)

Eigenlijk weet niemand raad met Elihu. Veel hedendaagse uitleggers zien de redevoeringen van Elihu (de hoofdstukken 32-37) als een latere toevoeging. Iemand die het boek Job later las, zou het slot van Jobs toespraken wel erg kras vinden en daarom de toespraken laten volgen door de woorden van Elihu, om de woorden van Job toch aan te passen. Zijn woorden eindigen met een aanklacht tegen God Zelf, omdat hij zich door de Almachtige verkeerd behandeld voelt. In Elihu zien we iemand, die tegen Job ingaat en Job corrigeert: ‘Job zo mag je niet over God denken!’
Elihu zit op een andere lijn dan de andere vrienden van Job. Voor hen heeft het lijden van Job te maken met een fout die hij beging. Dat hij alles kwijtraakte, zou te maken hebben met een zonde, die bij niemand bekend is. Alleen Job en God zouden van die zonde afweten. Voor Elihu heeft de rampspoed die Job overkomt niet te maken met een zonde aan Jobs kant. Voor hem heeft God een doel met Job in wat Job overkomt. God wil Job door het lijden leren. De Heere wil Job voorkomen dat Job een verkeerde weg in slaat en neemt Hem daarom alles af. Zo leert Job inzien, dat met geld en rijkdom niet alles te verkrijgen is. Zo leert Job dat God boven alles staat. Job moet niet vragen naar het verleden, niet naar het waarom. Job moet vragen naar het waartoe, naar het doel dat God ermee heeft. Als Job zich oneerlijk door God behandeld voelt, dan moet hij niet tegen God ingaan. Job is immers maar een mens. Hoe kan hij als klein en nietig mens de heilige God doorgronden en Zijn plannen kennen? Elihu is van mening dat wij bij een ziekte hebben te kijken naar wat de Heere ons wil leren: een les in vertrouwen, een waarschuwing tegen verkeerde wegen. Elihu is van mening dat als een ramp een land treft gekeken moet worden naar het doel.
Wat is dan het probleem met Elihu? Elihu heeft zijn theologie op orde, zo lijkt het. Want wat Elihu zegt komt overeen met wat de Heere in Zijn toespraken tegen Job zegt. Ook daarin gaat het over de grootheid van God en dat Job Gods wegen niet kan doorgronden. Elihu zegt ook dat zijn inzichten niet door hemzelf bedacht zijn, maar dat hij deze lessen zelf van de Heere heeft geleerd. Maar dat is juist voor veel uitleggers het probleem: Plaatst hij zich daarmee niet teveel op één lijn met God? Is Elihu uiteindelijk niet teveel bezig met het verdedigen van de Heere tegen de verwijten van Job en is Elihu daardoor niet in staat om te zien wat Job allemaal is overkomen? Heeft Elihu wel oog voor alles wat Job is kwijtgeraakt? Job is niet alleen zijn bezittingen en zijn bedrijf kwijtgeraakt maar voor zijn idee ook God. Nou, dat is in ieder geval wat Elihu tegenspreekt: ‘Job, je bent God niet kwijt. Hij is met je bezig. Zie het als Zijn vaderlijke zorg. Zelfs in het afnemen van je goed en je gezin kunnen we Gods liefdevolle handelen zien. Ik zie daarin Gods bewogenheid met jou.’
Ook al heeft Elihu zijn gedachten over God op orde, ze zijn wel ingewikkeld toe te passen. Want voor wie is de overstroming in de Amerikaanse stad Houston een les? Welke boodschap valt er te leren in de overstroming in Zuid-Oost-Azië? Geen wonder dat hedendaagse commentaren voorzichtig zijn met de toepassing van Elihu’s woorden. Een commentator schrijft: Elihu’s woorden kun je alleen maar overnemen voor zover ze overeenkomen met de rest van de Schrift. Deze commentator is geen eigenwijze geleerde, die zomaar ingaat tegen de Bijbel, maar vol eerbied en ontzag wil luisteren naar Gods Woord.
Enkele maanden voordat mijn schoonmoeder overleed had ik een kort gesprek met haar over de zin van haar ziekzijn en haar lijden. Ze was al meer dan 13 jaar ziek en zeker in de laatste maanden werd ze steeds meer afgebroken. Toen ik aangaf dat ik daarin Gods hand niet kon zien, antwoordde stellig: ‘Ik heb liever dat dit uit Gods hand komt dan uit de hand van de duivel. Want als dit uit Gods hand komt, weet ik dat het nog ergens goed voor is.’ Ik begreep deze woorden niet, omdat ik zelf in die tijd erg worstelde met God en vaak het idee had dat God er niet was. Juist in die tijd had ik college over het bijbelboek Job gehad en ook het aanklagen van God door Job behandeld. In die aanklagende Job kon ik mijzelf herkennen. Deze woorden van mijn schoonmoeder zijn me altijd bijgebleven. Hoe meer ik er over nadacht, hoe meer ik ze kon begrijpen. Ook omdat ik in haar een echt geloof zag in de leiding van God in haar ziekzijn. Dat God er een les mee had, was voor haar juist een bemoediging. Dat hield haar op de been. Door haar levende getuigenis heb ik meer waardering voor Elihu gekregen.
Is het tijd voor eerherstel van Elihu? Ik kan pleidooien om de andere drie vrienden van Job serieuzer te nemen, omdat zij eerst een week zwijgen en door te zwijgen delen in zijn leed. Ze gaan hun lijdende vriend niet uit de weg. Ze laten hem niet in de steek, ook al zijn ze niet met hem eens. En Elihu? Hij verdient nog meer respect, want hij heeft nog langer gezwegen, ook al was hij nog minder met Job eens dan de andere vrienden. Elihu heeft ook goed geluisterd naar Job, want hij gaat op alle verwijten van Job naar God toe in. Hij vraagt Job om te kijken vanuit Gods perspectief: Hoor dit aan Job! Blijf staan en let op de wonderen van God. Job, zie je dan niet Gods zorg voor deze wereld en zie je niet dat je opgenomen bent in Gods plan?
En toch ben ik voorzichtig met volledige eerherstel van Elihu. Want dat gelovigen kunnen lijden aan Gods wegen die voor ons mensen onbegrijpelijk zijn komt overal in de kerk voor. Nadat ik over Elihu gepreekt had, werd dat ook door sommige ambtsdragers gedeeld. Deze worstelingen en aanvechtingen zijn heel serieus te nemen. Waarom ik ook voorzichtig ben om Elihu gelijk te geven is dat Elihu Gods handelen alleen in Zijn grootheid kan zien, in de macht die zich toont in de schepping. Gods handelen is niet alleen indrukwekkend. God kan klein worden, zo klein als een Kind in de kribbe. God kan kwetsbaar worden: kwetsbaar en naakt aan het kruis, door iedereen verstoten en uitgelachen. Daar aan het kruis droeg Christus niet alleen onze zonde weg, maar deelde Hij ook in ons lijden, in onze nood. Enkele dagen na de aanslagen van 11 september 2001 vertelde onze hoogleraar Dogmatiek hoe wij in die aanslagen en in die gruwelijke beelden iets van God kunnen waarnemen. Bij de restanten van die torens, waarin de vliegtuigen waren ingeboord, was een kruis zichtbaar, Zo deelt Christus in ons bestaan. Ook dat is het wonder dat we niet mogen vergeten en waar we oog voor mogen hebben. Als we dan niet weten waarom ons iets overkomt en als we ook niet begrijpen waartoe het ons overkomt, mogen we zien op onze Heere en Heiland die niet ver van ons is, maar ons draagt als wij ons kruis moeten dragen.

Meditatie voor de Veluwse Kerkbode

HEER JEZUS, DUIZEND VRAGEN

Heer Jezus, duizend vragen
te veel om mee te dragen:
waarheen, waarom, waartoe?
Kunt Gij geen antwoord geven?
O God, dit is geen leven,
wij worden zoveel vragen moe.

Hoe kan een mens geloven
dat iemand hoort, daarboven,
dat Eén ons zeker ziet,
dat die ons zal bevrijden
van lasten en van lijden –
wil Hij of kan Hij dat dan niet?

Wie kan ooit zeker weten
dat God niet wil vergeten
het land, de zee, de zon,
de mensen niet zal haten,
niet eenmaal los zal laten
het werk dat eens zijn hand begon?

Heer Jezus, al die vragen,
Gij hebt ze meegedragen,
die last, was dát uw kruis?
Dat Gij de schuld verzoende
geeft ons geduld voldoende:
het laatste antwoord wacht ons thuis.

A.F. Troost, Zingende gezegend nr 282.

Zie Gods grootheid!

Zie Gods grootheid!
Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God!

(Job 37:14)

Hier is iemand aan het woord die zegt: Neem even de tijd om te kijken, te kijken om je heen naar wat er gebeurt in de schepping,  het mooie weer, de zon die zijn stralen uitzendt en voor warmte op aarde zorgt, de wolken die zich vormen in de lucht. De ene keer gaan ze snel voortgedreven door de wind, dan weer kan er een dreigende lucht zich opbouwen,  witte koppen op de wolken die onweer aankondigen. Je kunt met mooi weer weg gaan en halverwege slaat het weer om, zodat je met regen thuiskomt. Neem even de tijd om er naar te kijken, om te kijken wie daar de hand in heeft: God onze schepper. Daar moet je niet zomaar aan voorbij gaan! Je ziet daarin Zijn macht en grootheid, je ziet dat er een God is die zich actief met de wereld bemoeit, die wat er op de wereld gebeurt, niet zomaar aan zich voorbij laat gaan! En als je dat allemaal bedenkt, dan besef je dat je als mens tegen God niets in te brengen hebt. Wie zijn wij om te bedenken dat wij als mens het beter zouden doen dat God? God is voor ons te groot om echt te doorgronden, Hij is zo groot en wat Hij doet is zo indrukwekkend, wij kunnen God niet begrijpen, we kunnen niet overzien wat Hij allemaal doet.

In de zomervakantie zijn we in Oostenrijk in de bergen geweest. 
Het was wat regenachtig toen we onderaan de berg de kabelbaan naar boven pakten, bovenaan gekomen, zouden we verder gaan wandelen, meer naar de top toe. De zon brak door en het werd warmer. Rondom de top van de berg aan de overkant van het dal werd het donkerder en we hoorden de rommel van de donder en zagen wat bliksemflitsen. Gelukkig kwam dat onweer niet onze kant op. Het was allemaal indrukwekkend: de bergen, het onweer, het uitzicht over het dal, de wolken. Je ziet iets van Gods grootheid en toch, die ervaring gaat weer naar de achtergrond, als je weer thuis bent, waar het overigens ook mooi is en waar je Gods hand ook steeds in de schepping ziet. Sta er bij stil, je gaat er zo gemakkelijk aan voorbij, als je met je dagelijkse dingen bezig bent Vergeet je schepper niet te danken.

Ja, dat is waar, Elihu, je hebt helemaal gelijk: We kunnen God niet begrijpen, we zijn te klein om tegen God in te gaan of aan Hem rekenschap te vragen van wat Hij doet. Maar hoe zat het ook al weer met Job, die voor je zit? Al zijn bezittingen is hij kwijtgeraakt, van de een op de andere dag: al zijn schapen, zijn koeien, zijn kamelen, zijn hele bedrijf, misschien wel het grootste bedrijf dat er in die tijd was – helemaal weg. En dan  die tragedie met zijn kinderen, tien had hij er  en alle tien kwamen ze bij één gebeurtenis om het leven, nog niet zo heel lang geleden. Alles wat Job had was hij kwijtgeraakt, niet alleen zijn kinderen en zijn bedrijf, maar ook zijn vrouw misschien wel  en wat Job nog het meest raakte, was dat hij zijn God was kwijtgeraakt. In de gesprekken die Job met zijn vrienden had,  kwam dat elke keer weer naar voren, vol bitterheid: God heeft zich tegen mij gekeerd. Hij moet mij hebben, als een jager jaagt Hij op mij en ik heb geen moment rust, ik kan me nergens voor Hem verbergen.

Drie van zijn vrienden gaan er tegen in:  Job, wat heb je gedaan, dat God zo boos op je geworden is? Heb je misschien toch een zonde gedaan, waarvan wij niets afweten? Het zal een reden hebben, waarom God je straft. En die opmerkingen van zijn vrienden, hoe goedbedoeld ook, maakten Job wanhopiger: Is er dan niemand die voor mij opkomt? Ik zou wel een rechtszaak met God willen beginnen,  laat Hij maar aantonen dat ik mis zit en gezondigd heb; Hij zal niets kunnen aangeven. Hij zei het niet alleen tegen zijn vrienden, maar ook tegen God zelf:  Wat moet U van mij, waarom gaat U zo tegen mij tekeer? Wat heb ik U misdaan? Ik ben niet met andere vrouwen bezig geweest, voor de armen ben ik goed geweest, nooit heb ik iemand benadeelt – waarom toch God?

Al die tijd is Elihu stil geweest. als jongste heeft hij minder recht van spreken. Hij heeft minder wijsheid, minder levenservaring. Toch, als hij Job zo hoort, wordt het hem teveel. Er komt een boosheid in hem boven, een heilige woede, want Job, je hebt het wel over mijn God, over onze God, over de schepper van hemel en aarde, de hoogste God, de enige God die er is. Job, zo kun je niet tekeer gaan tegen God, besef je wel tegen Wie je het hebt? Job, je denkt dat God je wil straffen, maar dat kun je toch niet weten? Weet je, er is iets anders: God wil je wat leren. Door je alles af te nemen, wil Hij je laten weten dat je het met geld niet redt en dat je aan je bezit uiteindelijk niets hebt. Hij wil je waarschuwen tegen een verkeerde weg, Nu met deze weg, Job, met al je lijden, heeft Hij maar één doel: Jou dicht bij Hem houden. Het is een zorg van Hem, om je voor het verkeerde te behoeden. En moet je kijken hoe de schepping in elkaar steekt: de macht die God heeft! Over heel de schepping heeft Hij de macht, Hij regeert alles. Met Zijn macht kan Hij de rechtvaardigen, de gelovigen steunen en de mensen die oneerlijk zijn kan Hij onder de indruk laten komen, zodat ze stoppen en tot inkeer komen. Zie je God dan niet bezig in de schepping? Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God!

Wat Elihu over de schepping zegt, over verschijnselen die zich voordoen: 
regen en wind, ijs en storm, lichtflitsen en onweer, dat zijn niet zomaar verschijnselen, dat zijn verschijnselen in de natuur die aankondigen dat God zelf komt, op aarde. Ze kondigen Zijn komst aan, ze verkondigen het ons: maak je gereed, want God komt  om Zijn oordeel uit te spreken en het verkeerde, het zondige weg te doen en alles recht te zetten.

Het zijn mooie woorden over God. Het is een boodschap over God, die klopt.  En toch, in het boek Job is dat niet de laatste waarheid.  Job, de drie vrienden die steeds aan het  woord waren, ze hadden allemaal gelijk én ongelijk. Allemaal hadden ze een punt en toch niet de volle waarheid en daardoor zaten ze er allemaal naast, ook al is het niet helemaal onzin wat ze zeiden. Daarom moeten we goed kijken, op welke manier ze wel gelijk hadden. Elihu, hij had scherp gehoord wat Job aandroeg aan verwijten richting God, Elihu is een goede luisteraar, hij weet uit Jobs uitspraken te achterhalen, wat hem ten diepste beweegt. Elihu, hij is diep onder de indruk van Gods grootheid en er diep van overtuigd dat God deze wereld op een goede manier leidt,  zoals alleen God dat kan doen: eerlijk, rechtvaardig en betrouwbaar, heilig. Het leed van Job brengt hem niet van zijn stuk en gaat tegen Job in: Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God! Kijk je wel op de goede manier naar God?

Waarom is dat niet het goede antwoord? Omdat Elihu God zelf niet is.  Hij plaatst zichzelf op de lijn van God en plaatst zich daarmee tegen over Job.  En terecht, hij vraagt de aandacht voor Gods grootheid en toch: ziet hij Job zelf wel zitten? Elihu, hij heeft wel gelijk, als hij tegen Job zegt: Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God! Alleen kijkt hij puur naar de macht en de heerlijkheid van God, Gods grootheid. Maar God toont zich niet alleen in het grootse, in het indrukwekkende, maar soms juist heel stil en in het verborgen, God kan ook klein worden, klein als een kind in de kribbe, kwetsbaar en naakt aan het kruis, niet alleen toornend over het kwaad, maar juist ook de zonde dragend, delen in ons lijden, delen ook in onze verlorenheid, we begrijpen God niet, maar God is wel te vertrouwen. We zien God niet altijd en toch is Hij er, ook bij ons en voor ons. We hebben het idee dat Hij onze gebeden niet altijd hoort en toch, God is niet te groot voor onze gebeden. Zoals Hij voor de schepping zorgt, zorgt Hij ook voor ons. Al is dat niet altijd in zegen, wel in Zijn trouwe vaderlijke zorg.

Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden, waarlangs mijn voet kan gaan.

Uitleg Psalm 36

hoog als de hemel is uw liefde
Uitleg Psalm 36

Twee werelden die niet te verenigen zijn maar tegelijkertijd wel samen bestaan: het kleine wereldje van de goddeloze en de wereld van Gods trouw. De goddeloze is op zichzelf gericht; Gods liefde bestrijkt heel het heelal, de lengte, de breedte, de hoogte en de diepte (Efeze 3: 18).
In die allesomvattende trouw van God, die heel het heelal omvat, heeft de goddeloze zijn eigen kleine wereldje, niet geraakt door Gods liefde. Het enige dat de goddeloze met God heeft, is dat hij God brutaal in de ogen kijkt: ‘Wat maak je mij? Bang ben ik niet voor je.’ Dat blijkt ook wel uit wat hij doet. De goddeloze is iemand die zich in zijn doen en laten bewust negeert dat zijn daden ooit door God zullen worden geoordeeld. De goddeloze is van mening dat híj zich nooit voor God hoeft te verantwoorden. Zijn leven is daarom ook een totaal negeren van het goede van God.

Hij spreekt woorden van onheil en bedrog
en blijft ver van wat wijs en goed is,
op zijn bed bedenkt hij verderfelijke plannen
hij betreedt een verkeerde weg
en het kwade verwerpt hij niet.

Daarmee is de goddeloze het tegenbeeld van de rechtvaardige uit Psalm 1. Wat er met de goddeloze mis is, is dat zijn hart zich laat aanspreken door de zonde: de zonde spreekt tot de goddeloze, diep in zijn hart. Het hart is waaruit je leeft, waarvan uit je beslissingen neemt, de kern van je bestaan, je ziel ook. De goddeloze wil de stem van God niet horen. Hij hoort alleen maar de stem van de zonde, die hem gepersonifieerd als een souffleur influistert zijn verkeerde weg in te gaan en zijn kwade plannen uit te voeren. De zonde sust ook nog eens zijn geweten in slaap, waardoor hij geen besef van schuld heeft, geen afkeer van het kwaad. De goddeloze heeft daarmee het kwade in zijn hart, verdorven tot in de kern van zijn bestaan. Wat in je hart leeft, waar je hart vol van is, dat blijkt uit je daden.
Zonde, dat is een breuk met God en met je naaste. Zonde is niet meer solidair willen zijn met de mensen om je heen, geen rekening meer met hen willen houden, de mensen om je heen alleen maar zien is om jou te dienen, jou te plezieren, als slaaf, als lustobject. De zonde leidt tot een wereld die alleen maar om het ego draait. Om die wereld in stand te houden wordt gebruik gemaakt van de leugen, van afpersing of onderdrukking, van machinaties. Als er al een geweten is, wordt dat in slaap gesust. Deze wereld is het tegenbeeld van de schepping, van het Koninkrijk van God. Zo heeft God de mens niet bedoeld en zo zal de mens in de herschepping niet zijn.

En dan God. Over Gods volkomenheid kunnen wel alleen maar in een veelvoud van begrippen spreken en zingen.Ook al houdt de goddeloze geen rekening met God, met het oordeel van God, Hij is er wel. Een rechtvaardige rechter, strijdbaar voor het recht van de machteloze en kwetsbare. De machtige Heer, die koningen van de troon werpt en rijke mensen failliet kan laten gaan en armen kan oprichten uit het stof. Over God kan alleen maar in lyrische tonen gesproken worden. God kan alleen maar bezongen en aangeroepen worden: HEER, hoog als de hemel is uw liefde, tot in de wolken reikt uw trouw. Als er partij gekozen moet worden, dan weet David wel welke kant hij kiest: Van David, dienaar van de HEER. Zo hoog als de hemel is, zo hoog is uw liefde. De hemel die eerder dan de aarde werd geschapen, zodat deze aarde nooit zal zijn zonder de hemel erboven. Als ik omhoog kijk, is er niets dat de liefde van God kan overstijgen. De hemel toont ons niet hoe ver God van ons verwijderd is, maar hoe groot Zijn liefde voor ons is. Kijkend omhoog weet ik: Uit de hoge hemel daalde Hij neer. Het heelal is vol van Gods trouw en liefde. Het kwade is niet in staat om God een grens te stellen of een gebied te ontzeggen. Anders dan de goddeloze, die alleen maar erop gericht is alles naar zich toe te halen, deelt God uit. Het kwaad van de goddeloze gaat niet ongemerkt en ongestraft voorbij.
Waarom laat God dan toch ruimte in die wereld waarin Zijn liefde en trouw aanwezig is en heerst voor de goddeloze en zijn kwade wegen en plannen? Jezus zal er later over zeggen: Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Mattheüs 5:45) Laat God ruimte aan de goddeloze vanuit Zijn barmhartigheid ook voor hen, om hen ook de mogelijkheid te bieden Zijn weg te gaan. Om zich niet meer door de zonde te laten aanspreken, niet meer door hun egoïstische driften te laten beheersen? U, HEER, bent de redder van mens en dier. U redt mensen uit de hand van de goddelozen en de onrechtvaardigen. Maar ook de goddelozen en de onrechtvaardigen kunt U redden, uit de hand van de zonde.

Wat is er mooier dan die liefde te ontvangen? Wat is een mooiere plek dan te wonen bij God. Waar je gevoed wordt, waar je het water van het leven kunt drinken. In de schaduw van uw vleugels schuilen de mensen. Zo hoog als God woont, zo nabij kan Hij komen. Waar de goddeloze zich laat aanspreken door de zonde, leeft de mens die bij God woont uit God: door úw licht zien wij licht.

Wonen bij God en kijken vanuit het licht van God duwt het donker niet weg. Licht zal het pas helemaal zijn als God onder ons komt wonen. Als het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdaalt en er geen nacht meer zal zijn en ook geen zon, omdat God, ons licht, er dan altijd is. Zover is het nog niet. Nog steeds is er de worsteling en de aanvechting, de strijd tegen het kwade, waarin de mensen die God trouw zijn ook nog onderspit delven. Ook daarin wordt God aangesproken: Laat de voet van de hoogmoedigen mij niet vertrappen. De rechtvaardige kijkt al verder, in een lofzang die op het eerste gezicht vreemd aandoen: daar liggen zij die verderf zaaien – gevallen, neergestoten, zonder kracht om op te staan. Het is de lofzang van de kwetsbare die ziet dat de machtige die zijn leven kapot maakt, zijn macht moet afstaan en zelf kwetsbaar en machteloos wordt. Het is de lofzang van degenen die zijn leven lang geknecht is en uitgebuit, gemarginaliseerd ziet hoe God gerechtigheid brengt. Zo ver is het nog niet, maar geloof kijkt vooruit en legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien. Door het geloof komen we tot het inzicht dat de wereld door het woord van God is geordend, dat dus het zichtbare is ontstaan uit het niet-zichtbare (Hebreeën 11:1, 3). Dat het koninkrijk van God dat nu nog niet zichtbaar is dan wel zichtbaar zal zijn. Dan zal de stem van de zonde zwijgen en de goddeloze kan zijn weg niet meer vervolgen. Dan zal alleen het loflied nog klinken:

HEER, hoog als de hemel is uw liefde,
tot in de wolken reikt uw trouw,
uw gerechtigheid is als de machtige bergen,
uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan:
U, HEER, bent redder van mens en dier.
Hoe kostbaar is uw liefde, God!

Gods geduld (meditatie)

Gods geduld (meditatie)

Het geschiedde, toen de dagen van Zijn  opneming vervuld werden, dat Hij Zijn aangezicht naar Jeruzalem keerde om daarheen te reizen. (Lukas 9:51)

Toen de discipelen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook  Elia gedaan heeft? (Lukas 9:54)

En hij antwoordde en zei tegen hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar staan, totdat ik om hem heen gegraven en hem bemest heb (Lukas 13:8)

Jezus gaat op weg naar Jeruzalem. Hij kiest daarvoor wel een ongebruikelijke route: door Samaria. Samaria is ander gebied dan Galilea en Jeruzalem. Galilea was het gebied waar Hij rondtrok, verkondigde, onderwijs gaf, genas. Jeruzalem is de stad van de tempel, de stad waar God woning heeft op aarde, een heilige stad. Ook de stad van Golgotha, de plaats waar Jezus zal lijden en sterven. De stad van de Olijfberg waar vandaan Christus weer terug gaat naar de hemel.

Samaria is een gebied waar de mensen anders zijn: een ander geloof hebben, onverschillig zijn of zelfs vijandig. Op reis door Samaria vindt Jezus geen onderdak. De mensen in Samaria zijn ongastvrij, een grove belediging in die contreien. Zou onze tijd ook niet een soort Samaria zijn? Een tijd waarin mensen anders geloven? Waarin mensen mensen onverschillig zijn of zelfs vijandig zijn ten opzichte van Christus? Op zondag is er dan even een Galilea of een Jeruzalem, waar je samen met de gemeente bent, maar doordeweeks Samaria: kritische vragen van collega’s, schampere opmerkingen, schouderophalen. Opmerkingen als: ‘Dat moet jij zelf weten. Het boeit mij niet.’

Op de weg door Samaria doet Jezus iets bijzonders. Hij voert gesprekken. Hij vertelt verhalen over het gewone alledaagse leven, gelijkenissen die – zonder dat ze over God gaan – aan het nadenken zetten over God. Geen verkondiging of onderwijs, maar alledaagse gesprekken, alledaagse verhalen. Dat is wat we in Samaria kunnen doen. Niet prediken of betweterigheid, maar ruimhartige gesprekken met aandacht voor de vragen die mensen hebben. Ons laten bevragen op ons geloof. Verhalen vertellen die tot nadenken stemmen over God. Niet speciaal geestelijke verhalen, maar gewone alledaagse verhalen die toch iets onthullen over Gods liefde, Gods geduld en barmhartigheid, een uitnodiging zijn om ook kennis te maken met de Heere.

Het geestelijke en het alledaagse zijn niet gescheiden. Het geestelijke is alledaags en het alledaagse kan heel geestelijk zijn. Onze omgang met Christus vraagt dezelfde taal als onze omgang met onze vrienden. En omgekeerd: onze omgang met onze vrienden vraagt dezelfde taal als onze omgang met Christus. Onze gereformeerde traditie heeft altijd een grote waardering gehad voor het gewone alledaagse leven. Daar heeft God ons geplaatst. We leven niet alleen op de zondag. Niet alleen in Jeruzalem of Galilea, maar ook in Samaria. Ook op maandag tot zaterdag.

Op de reis door Samaria is er afwijzing en tegenstand. De zonen van Zebedeüs hebben daar wel een oplossing voor: weg ermee. Vuur uit de hemel. Religieuze ijver zoals Elia had.
In de kerk zijn er vaak zonen van Zebedeüs geweest, die tegenstand uit het evangelie met geweld uit de weg wilden ruimen. Soms letterlijk geweld, door mensen die anders denken en geloven om te brengen. Soms met verbaal geweld, door zulke mensen scherp te bestrijden. Door zulke mensen buiten de gemeenschap te plaatsen.

Jezus houdt ze tegen en houdt hen iets anders voor: geduld. Even later zal Hij een verhaal vertellen over een vijgenboom, die geen vrucht draagt. Al 3 jaar niet. De eigenaar wil de boom omhakken. De tuinman zegt: ‘Nee. Laat mij nog een jaar werken en deze boom voeden.’ Het voeden is geen gemakkelijk werk. Ook niet binnen de kerk. Voeden vraagt geduld en volharding, terwijl je niet weet of de boom nog vrucht kan dragen. Het tegendeel zal eerder het geval zijn: vruchteloos zwoegen.

Het is makkelijker om radicaal overnieuw te beginnen. Nee, zegt Jezus. Er zijn tijden waarin je alleen maar moet voeden en hoop moet houden, dat een boom zonder vrucht toch vrucht zal dragen. Is dat niet onze roeping als gemeente? In volharding en vol geduld voedsel geven. In de verwachting dat Gods zelfs het meest doodse tot leven kan wekken. Geen mens, hoe onverschillig of vijandig, is buitengesloten van de mogelijkheid om door God gevonden te worden.

(Nav de eerste hoofdstukken van: Eugene H. Peterson, Tell It Slant)