Pleidooi om het publieke debat te voeren op basis van argumenten en niet op basis van morele appèls en gevoelsargumenten

Pleidooi om het publieke debat te voeren op basis van argumenten en niet op basis van morele appèls en gevoelsargumenten

De theoloog Ulrich Körtner maakt zich zorgen over het publieke debat. Politici, journalisten en burgers gebruiken gebruiken steeds vaker gevoelsargumenten en morele appèls als feiten.

download (1).jpg

Fake news & MSM
Na een onderzoek waarin vastgesteld werd dat 98% van de migranten zich aan de wet houdt, was de reactie de Duitse AfD-politicus Georg Pazderski: ‘Wat iemand voelt is ook een feit.’ Als er nieuws gebracht wordt dat in de eigen straat past, wordt dat afgedaan als fake news. Er wordt gesproken over MSM: MainStreamMedia. Daarmee wordt bedoeld dat de belangrijkste media bewust positieve verhalen over Trump en negatieve verhalen over migranten bewust verzwijgen.

Niet alleen bij populistisch-rechts
Körtner ziet dat niet alleen bij populistisch-rechts gebeuren. Links laat zich als het gaat om de complexe wereld van de geglobaliseerde economie liever door Thomas Piketty of door Yanis Varoufakis voorlichten dan door serieuze economen. Hij ziet het ook gebeuren als Merkel in de vluchtelingencrisis benadrukt dat Duitsland een cultuur van verwelkomen heeft.

Ortsschild_JiSign---Fotolia_6a00d13255

Zorgen
Het morele appèl verdringt de discussie over de gevolgen van haar beleid en over wat er allemaal komt kijken bij opvang en integratie van migranten.  Körtner maakt zich zorgen, omdat het debat binnen een democratie alleen maar goed gevoerd kan worden als het op basis van rationele argumenten en controleerbare feiten wordt gevoerd.

Körtner begrijpt wel waarom er vaak gevoelsargumenten gebruikt worden. Dat heeft te maken met bezorgdheid. Bezorgdheid over de instroom van migranten uit een andere cultuur. Of juist bezorgdheid dat bij het sluiten van de grenzen Europa de eigen normen en waarden verloochent. Die bezorgdheid is niet altijd hard te maken, maar is wel een reëel gevoel. Daarom worden gevoelens als feiten gebracht.

Wees bezorgd!
Körtner neemt in deze tijd een moreel gebod waar: wees bezorgd! Wie niet bezorgt is, krijgt het verwijt de kop in het zand te steken. Dat morele gebod dat zowel door links en rechts wordt benadrukt is een roep om moreel leiderschap. Hij ziet zowel bij rechts als bij links een populisme ontstaan, dat aansluit bij die bezorgdheid en die bezorgdheid uitvergroot om politieke winst te behalen.
demo_fuer_eine_menschliche_asylpolitik_-_30_-_hans_breuer_konvoi_aus_ungarn_1
Omdat politici op die morele trom slaan, is het moeilijk om een weerwoord te bieden. Want wat moet je antwoorden als iemand zegt: ‘Er zijn teveel vluchtelingen!’ Of bij het tegenovergestelde: ‘Wie barmhartig is, kan de grenzen niet sluiten voor vluchtelingen!’

Kerken
Wat Körtner ook ziet, is dat de kerken graag inhaken op het morele leiderschap dat gevraagd wordt. Körtner is daar kritisch op. In zijn ogen negeren de kerken daarmee dat hun positie marginaal in de maatschappij geworden is. De kerk moet niet in de valkuil trappen om het door secularisatie verloren terrein via dit morele leiderschap te willen winnen.

Met de manier waarop de kerken dat morele leiderschap tonen is Körtner ook niet gelukkig. Dat is slecht voor zowel de theologie als de maatschappij.In de theologie is bij velen de God die in deze wereld ingrijpt ingewisseld voor de mensen die Gods handen zijn geworden. Gods rol is daarmee uitgespeeld en de last licht bij mensen. Voor de samenleving is het nadelig, omdat de kerken politieke kwesties versimpelen, doordat ook de kerken de moraal als basis voor beleid benadrukken.

33ab5c15ea23dff3abfffe3697f26244

Elke vorm van kritiek op het vluchtelingenbeleid van Merkel wordt afgedaan als rechts-populisme, dat in strijd is met de christelijke waarden van barmhartigheid en naastenliefde.

Twee verschillende domeinen
Wat Körtner daarin stoort, is dat de kerken daarmee hun eigen traditie uit het oog verliezen. In de Lutherse traditie wordt er namelijk een onderscheid gemaakt tussen de taak op politiek terrein en de taak op kerkelijk terrein. Dat zijn twee verschillende domeinen die niet vermengd mogen worden.

2-reiche-lehre-730x400

Niet direct in politiek beleid te vertalen
De christelijke waarde van barmhartigheid en naastenliefde is niet direct in politiek beleid te vertalen, omdat de overheid volgens de christelijke traditie ook de taak heeft om voor de eigen burgers te zorgen en voor veiligheid te zorgen. In het domein van de politiek is het nodig om de juiste balans te vinden tussen barmhartigheid en veiligheid, naastenliefde en rechtvaardigheid.

Waarschuwen voor een teveel aan moreel appèl
Het is niet de taak van de kerk om een moreel appèl op de samenleving te doen, maar juist te waarschuwen voor een teveel aan moreel appèl in de samenleving, omdat daarmee in de politieke besluitvorming de argumentatie op basis van feiten wordt ingeruild op basis van gevoelens en morele appèls. In feite is dat het einde van het democratisch debat. Want op basis van gevoelens en morele appèls is geen beleid te maken.

WB_LH_Gesetz-und-Gnade-470x260

Agressiviteit van waarden
De protestantse theologie is trouwens niet zo gelukkig met een ethiek op basis van waarden. Ethiek op basis van waarden en christelijke ethos zijn vijanden van elkaar, stelt de theoloog Eberhard Jüngel. In zijn ogen hebben waarden altijd iets agressief, de wil om anderen te overwinnen. In die agressiviteit is er voor hem een verband tussen waarden en zonde in de mens. Waarden verbinden niet, maar waarden grenzen af en sluiten uit.

Visie en praktijk
Moraal vraagt om beleid en in praktijk te brengen visie. Wie stelt een land een cultuur van verwelkomen heeft, moet ook beleid ontwikkelen hoe dat verwelkomen in praktijk gebracht wordt. Er is een beleid nodig voor opvang, voor integratie, voor het vinden van banen voor deze nieuwkomers. Er is een visie nodig op wanneer die nieuwkomers hun eigenheid mogen bewaren en wanneer ze zich moeten aanpassen aan de nieuwe samenleving. Opvang van migranten moet ook gepaard gaan met het besef dat het land van herkomst aan opleidingsniveau inboet, omdat het de hoger opgeleiden zijn die wegtrekken naar Europa.

684714

Marginaal
Körtner is voorstander van een theologie die zich uit in het publieke debat. Als het maar gebeurt vanuit het besef dat de kerk zich in de diaspora bevindt en heel marginaal geworden is en in de multireligieuze samenleving slechts een van de vele stemmen is. In het debat kunnen de kerken zich ook niet op christelijke morele appèls beroepen, omdat er slechts een minderheid is die de onderliggende visie deelt. Deze visie kan alleen in het debat ingebracht te worden als de argumenten ook voor niet-gelovigen te begrijpen zijn.

cover_koertner_vernunft

N.a.v. Ulrich H.J. Körtner, Für die Vernunft. Wider Moralisierung und Emotionalisierung in Politik und Kirche. Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2017.

Advertenties

Voetbal houdt de kerk en de maatschappij een spiegel voor

Voetbal houdt de kerk en de maatschappij een spiegel voor

Vele mensen zitten deze weken voor de buis om het WK voetbal in Rusland te volgen. Voetbal kan de kerk helpen om te ontdekken waar hedendaagse mensen door gegrepen worden en waar ze helemaal voor kunnen gaan, zo is te lezen in Leidenschaft und Fussball.

Recensie

DSCN4298

In de jaren dat Nederland meedeed met een WK of EK Voetbal zocht ik ruim van tevoren het speelschema op om de wedstrijden die Nederland moest spelen in mijn agenda te vullen. Daarmee kon ik voorkomen dat er een kerkelijke activiteit of een vergadering gepland zou zijn op een dag waarop Oranje zou moeten spelen. Niet eens omdat ik zelf alle wedstrijden wil kijken, maar om gemeenteleden niet voor een dilemma te plaatsen waar ze prioriteit aan zouden (moeten) geven.

Voetbal heeft zo’n impact dat mensen er kerkdiensten of andere belangrijke bijeenkomsten voor laten schieten om de wedstrijd te kunnen volgen. Waarom heeft voetbal eigenlijk zo’n impact? En wat kan de kerk daarvan leren? Op deze vragen promoveerde de Duitse rooms-katholieke theoloog dr. Thorsten Kapperer. Kapperer is kerkelijk werker (Pastoralreferent) voor het bisdom Würzburg en jeugdtrainer.

Onlangs vertelde ik iemand uit mijn gemeente in Oldebroek dat ik een boek aan het lezen was over wat de kerk van voetbal zou kunnen leren. ‘Niets!’, zei hij direct, met een grijns op zijn gezicht. Hij had mij immers aangesproken over de club die ik volgde. Ik was bij iemand op bezoek geweest die enthousiast fan van Vitesse was. Daarom had ik aangegeven welke club ik volgde. Dat was in de ogen van degene die ik sprak niet de juiste club geweest… Ik had de club van de regio moeten volgen: PEC Zwolle.

DSCN4431

Orgelles
Ik ben zelf opgevoed met een duidelijke tegenstelling tussen kerk en betaald voetbal. Wedstrijden kon ik niet kijken, omdat we geen televisie hadden en de dominees waarschuwden ’s zondags op de kansel tegen ‘voetbal als afgod’. Amateurvoetbal mocht wel: mijn vader had gevoetbald en een paar broers van mij voetbalden. Ik ben mijn oudste broer altijd dankbaar geweest: omdat hij voor voetbal koos en daarom van orgelles af moest, kreeg ik de kans om op orgelles te gaan.

Thorsten Kapperer laat zien dat de kerken vanaf de negentiende eeuw enthousiaste supporters van voetbal waren. Zowel de Rooms-Katholieke Kerk als de protestantse kerken in Europa zagen in voetbal een manier om arbeiders en kinderen uit achterstandswijken  verantwoorde ontspanning te bieden. Het was volgens de kerk ook ‘een manier om hun emoties te kanaliseren’. De sport bood bovendien een mogelijkheid om de arbeiders, die in te kleine en verloederde huizen woonden, en vaak ongezond werk, een gezonde levensstijl aan te leren. Vandaar ook dat in het Ruhrgebied, waar vroeger veel mijnbouw was, er clubs ontstonden als bijvoorbeeld FC Schalke 04 en VFL Bochum.

Nog steeds organiseert het Vaticaan verschillende voetbaltoernooien, zoals toernooien voor priesters of voor daklozen. Voetbal werd in Engeland halverwege de negentiende eeuw opnieuw uitgevonden. Dat was in de tijd waarin er een massale migratie van het platteland naar de stad was. De voetbalclubs, die overal uit de grond schoten, boden een gelegenheid om zich te identificeren met de plaats waar ze nieuw waren komen te wonen. Het gaf een onderlinge verbondenheid aan degenen die door de verhuizing naar de stad ontworteld waren geraakt.
Kapperer is vooral geïnteresseerd in de impact van voetbal op mensen. Er zijn veel verhalen te vertellen van fans, die nog heel goed weten hoe zij de eerste keer een voetbalstadion bezochten en gegrepen waren door de sfeer. Voetbal werd hun leven.

Als voetbal zo’n impact heeft op mensen, is het dan geen godsdienst? Nee, zegt Kapperer duidelijk. Voetbal verleent fans een identiteit en een levensinvulling, maar er ontbreekt duidelijk een link naar het hogere, naar God. Er wordt wel vaak religieuze taal gebezigd wanneer op de wedstrijd teruggekeken wordt, maar dat gebeurt vaak op een ironische wijze. Hooguit kun je spreken van sporen van het heilige: in een cultuur, waarin velen geen binding hebben met een religie, kun je in voetbal iets opmerken van de functies die godsdienst voor mensen kan hebben: in de levensinvulling, in de beleving, in de rituelen rondom de wedstrijd. De beleving van voetbal komt in de buurt van een spirituele ervaring.
In een cultuur waarin velen de band met godsdienst zijn kwijtgeraakt, is het van belang dat kerken op zoek gaan waar zij zich bevinden. Voetbal kan de kerk helpen om te ontdekken waar hedendaagse mensen door gegrepen worden en waar ze helemaal voor kunnen gaan. Voetbal houdt de kerk en de maatschappij een spiegel voor en heeft zelfs een theologische betekenis, stelde emerituspaus Benedictus eens. Het ensceneert dé ambivalentie die er in onze cultuur ingebakken zit: dat alles maakbaar is en tegelijkertijd de ervaring dat zoveel onberekenbaar is.

Door betrokken te raken bij voetbal, kan de kerk actief worden in de wereld buiten de kerk. Het is een stap om theologisch narcisme tegen te gaan, waarbij de kerk alleen maar in zichzelf gekeerd is. Kapperer geeft verschillende voorbeelden: Predikanten en priesters die betrokken zijn bij een fanclub. Het bisdom Würzburg dat een eigen elftal heeft. De kapel in  het stadion van FC Schalke in Gelsenkirchen. Een mooi voorbeeld is ook een kerkendag die wordt gehouden in het stadion van Borussia Mönchengladbach. Deze club ging bijna ten onder, maar werd gered door een plaatselijke mecenas. De wederopstanding leidde tot de bouw van een nieuw stadion.

De overstap naar dat nieuwe, moderne stadion, dat nog niet de sfeer had van het oude op de Bökelberg, leverde vragen op over de toekomst van de kerk. Wat laat je achter, omdat het niet meer voldoet, terwijl je met het loslaten mogelijk wel aan sfeer verliest? Wat is er nodig om  in de nieuwe situatie net zo’n thuisgevoel te creëren als in de oude situatie? Zulke vragen zouden niet gesteld worden als de kerkendag niet in een voetbalstadion gehouden was.
De kerk kan van voetbal leren om een kerk voor werkelijk iedereen te zijn, stelt Kapperer. Meer dan de kerk weet het voetbal verschillende lagen van de bevolking aan te spreken. Voetbal kan ook een voorbeeld zijn in hoe jongeren binnen de eigen club worden getraind en gecoacht. Voor hun taak op het veld. Voor hun rol binnen de vereniging, als trainer van pupillen of als scheidsrechter.

Als ik als vader langs de lijn sta om de wedstrijd te volgen, waarin mijn oudste dochter keept of mijn zoon voetbalt, staat mijn eigen theologische reflectie niet stil. Geregeld denk ik dan na over wat er nodig is om een team te coachen, om bij een achterstand ze aan te sturen, om bij tegenslag ze te troosten of moed in te spreken. Om ze de normen en waarden van het voetbal aan te leren. De beste les van voetbal kreeg ik ooit van een gemeentelid. Haar kinderen waren afgehaakt van catechisatie. Ze sprak mij daarop aan en hield de plaatselijke voetbalvereniging mij als voorbeeld voor: ‘Nadat mijn jongens stopten met voetbal was er de volgende morgen direct iemand van de club die vroeg waarom ze stopten. Van de kerk heb ik nooit iemand gezien en ze zijn er nooit op aangesproken dat ze gestopt zijn.’

N.a.v. Thorsten Kapperer, Leidenschaft und Fussball. Ein pastoral-theologisches Lernfeld. Würzburg: Echter Verlag. 42 euro

Gepubliceerd in het Friesch Dagblad

Duitse “Kriegspfarrer” geloofden in de heilige strijd tegen het bolsjewisme

Duitse “Kriegspfarrer” geloofden in de heilige strijd tegen het bolsjewisme

Hitler voerde de oorlog aan het Oostfront met het motief het Slavische ras te vernietigen. Legerpredikanten en aalmoezeniers zagen er een heilige strijd in tussen het goddeloze bolsjewisme en het christendom.

In de nacht van 22 juni 1941 vielen 3,3 miljoen Duitse soldaten de Sovjet-Unie binnen. Het was een oorlog die vanaf het begin was bedoeld als om het slavische ras te vernietigen. Het was een oorlog die vanaf het begin was bedoeld als om het slavische ras te vernietigen. De oorlog aan het Oostfront was daarmee een andere oorlog dan de campagne in West-Europa.
Tussen die miljoenen soldaten trokken ook honderden legerpredikanten en aalmoezeniers mee. Waarom gingen zij mee? Na de nederlaag verklaarden de legerpredikanten en aalmoezeniers dat zij er slechts waren om de Duitse gewonden te troosten en de gesneuvelde soldaten te begraven.
Dagboeken en brieven uit die tijd laten echter een ander beeld zien: ze wisten dat deze strijd anders zou zijn. Dat was ook een van de redenen waarom ze meegingen: men verwachtte dat er een oorlog van apocalyptische omvang zou komen tussen twee wereldbeschouwingen: het goddeloze, antichristelijke, onmenselijke bolsjewisme en het gelovige, beschaafde christendom. Deze strijd zou hoe dan ook komen. Een preventieve aanval is dan ook de beste verdediging.

De Duitse dr. Dagmar Pöpping, verbonden als wetenschappelijk medewerker aan de Ludwig Maximilians-Universiteit in München, schreef over dit niet heel bekende verhaal uit de Tweede Wereldoorlog het boek Kriegspfarrer an der Ostfront. Evangelische und katholische Wehrmachtseelsorge im Vernichtungskrieg 1941-1945.   

Bevrijders

De oorlog aan het Oostfront was een andere oorlog dan de campagne in West-Europa. Legerpredikanten en aalmoezeniers zagen het als een manier om Rusland, dat ten prooi gevallen was aan een antichristelijke macht, te bevrijden en het christendom daar weer terug te brengen. In 1941 werden de Duitsers ook als bevrijders binnengehaald. De geestelijken die met het leger meekwamen richtten zich op de opbouw van de christelijke gemeente: ze herstelden verwaarloosde kerkgebouwen in ere, hielden kerkdiensten, doopten veel inwoners.

Zowel de Rooms-Katholieke Kerk als de protestantse kerk stond er niet goed voor in Duitsland. Rooms-Katholieken werden gewantrouwd, omdat hun uiteindelijke loyaliteit bij Rome lag. Door zich in de Tweede Wereldoorlog enthousiast in te zetten voor de Duitse zaak konden ze laten zien dat ook zij trouw aan het vaderland waren. De protestantse kerk had na de Eerste Wereldoorlog te maken met een aanzienlijke verlies van status en een enorme kerkverlating. Was deze kerk voorheen de volkskerk, nu was een groot deel van de hoger opgeleiden en van de stedelijke bevolking onkerkelijk geworden. Zowel protestantse als rooms-katholieke geestelijken gingen het leger dus in vanuit een missionaire intentie: het bereiken van mannen die vervreemd waren van de kerk en het evangelie.
De beide kerken stonden ambivalent tegenover het nazi-regime en de oorlog aan het Oostfront. In eerste instantie waren ze tégen de oorlog, omdat de verliezen van de Eerste Wereldoorlog nog sterk werden gevoeld. Aan de andere kant was er het besef van een onvermijdelijke confrontatie met het bolsjewisme. Toen de oorlog eenmaal begon, vonden de kerken dat de Duitse zaak en de verdediging van het christendom in Europa belangrijker was dan hun eigen conflict met het nazi-regime.

Degradatie
Het nazi-regime stelde zich steeds meer antikerkelijk op. Bezittingen van de Rooms-Katholieke Kerk werden onteigend. Het merendeel van de nazi-leiders, zoals Martin Bormann en Joseph Goebbels, wilden de legerpredikanten en aalmoezeniers uit het leger weren. Alleen führer Adolf Hitler vond daar de tijd niet rijp voor. Wel vond er een aanzienlijke degradatie plaats. Behoorden de pastores in de Eerste Wereldoorlog nog tot de officieren, in de Tweede Wereldoorlog hooguit tot de rang van onderofficier –  en ze moesten hun plek steeds meer bevechten. Ze waren afhankelijk van de steun van officieren, die positief tegenover de kerk stonden. Vanaf 1942 mochten er geen nieuwe legerpredikanten en aalmoezeniers meer worden opgeleid en aangesteld. Op 22 december 1943 kwam het besluit van Hitler om de legerpredikanten en de aalmoezeniers te vervangen door nazi-functionarissen. Hoe verder de oorlog vorderde, hoe meer de legerpredikanten en de aalmoezeniers uit het leger werden weggewerkt.

Voor de geestelijken gaf dat een loyaliteitsconflict: ze wilden trouw zijn aan de Duitse zaak, maar hoorden steeds meer dat de kerken in het vaderland steeds vaker werden tegengewerkt. Zij zagen hun taak echter als onmisbaar. Ze hielden korte, krachtige kerkdiensten in het veld, waarin ze de soldaten opriepen om het hoogste offer te brengen. Met als motto: wie dicht bij de dood is, is dicht bij God. Katholieken en protestanten werden vaker gedwongen om samen te werken. Soms ontstond er een bepaalde oecumene, maar geregeld was er ook sprake van concurrentie. Bij een gemeenschappelijke dienst werd er door de aalmoezenier na afloop nog een mis aangeboden.

Naast de kerkdiensten in het veld om het moreel van de soldaten hoog te houden, was het de taak van de geestelijke om gewonden en stervenden bij te staan. En natuurlijk om  gesneuvelde soldaten te begraven. In de hospitalen schreven ze voor de gewonden brieven naar het thuisfront. Eind 1941 had het Duitse leger al te maken met een collectieve burnout. Het werd voor de voorgangers ingewikkelder om preken te maken om het moreel hoog te houden. Steeds vaker vielen ze terug op het lijden van Christus. Ze hielden de lijdensweg van Christus voor als een voorbeeld voor de soldaten. De oorlog werd een test om te volharden in het geloof.

 

Dat moesten ze doen onder verschrikkelijke omstandigheden. De legerpredikanten waren getuige van de wreedheden van de Duitse soldaten. Slechts een enkele keer kwam een aalmoezenier of een predikant in verzet. Meestal zweeg men omdat men te geschokt was of beschouwde men het als onvermijdelijk. De begane wreedheden tegen de Joden werden gezien als een gevolg van de vloek die God over dit volk bracht en welke nu op een aangrijpende manier zichtbaar werd.

Het duurde wel even voor de Duitse kerk hier een andere visie op kreeg. De nederlaag bracht namelijk over het algemeen geen zelfreflectie op gang. Er werd niet gesproken over de schuld van de Duitsers, maar de nadruk kwam – ook nu weer –  te liggen op het lijden van de Duitse soldaten met de lijdende Christus als voorbeeld. Dat gaf ook weer hoop. Na het lijden en het sterven van Christus kwam immers de opstanding. Zo hoopten ze op de opstanding van het Duitse volk. Als ze al nadachten over schuld, dan kwam daar het nazi-regime voor in aanmerking. Dat bewind presenteerde zich immers steeds meer als antikerkelijk, waardoor de nederlaag als een goddelijk oordeel over dit bewind kwam. Slechts een enkele geestelijke kwam tot inzicht dat ze door deelname aan de oorlog de duivel van het bolsjewisme hadden uitgedreven met de duivel van het nationaal-socialisme.

N.a.v. Dagmar Pöpping, Kriegspfarrer an der Ostfront. Evangelische und katholische Wehrmachtseelsorge im Vernichtungskrieg 1941-1945. Arbeiten zur Kirchlichen Zeitgeschichte Serie B, Band 66. (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2017). 75 euro

Gepubliceerd in: Friesch Dagblad, dinsdag 1 mei 2018

Olie is de vloek voor de islam

Olie is de vloek voor de islam
De islam bevindt zich in een crisis door te veel geld en te weinig onderwijs

De Duitse godsdienstwetenschapper Michael Blume maakt zich grote zorgen om de islam. Volgens hem bevindt deze wereldgodsdienst zich in een grote crisis.  Zijn zorgen beschrijft hij in zijn boek “Islam in der Krise”.

Blume is getrouwd met een moslima van Duits-Turkse afkomst en werkt voor het staatsministerie van Baden-Württemberg als beleidsambtenaar voor interreligieuze zaken en is actief betrokken bij de dialoog tussen christenen en moslims. Vanaf 2014 was hij uitgezonden naar Irak om de Yezidi’s te ondersteunen. Onlangs is hij door dit staatsministerie benoemt om het antisemitisme in Baden-Württemberg te bestrijden.

Crisis
In zijn contacten ontdekte hij dat de islam zich in een diepe crisis bevindt. Deze crisis is er niet alleen in Europa. Blume kwam deze crisis ook tegen in het Midden-Oosten, zoals in de Koerdische gebieden in Irak, Syrië en Turkije en in de Palestijnse gebieden.

Naar beneden bijgesteld
Deze crisis blijft onopgemerkt, omdat het aantal moslims vaak veel te hoog wordt ingeschat. In 2016 schatte een Duits onderzoeksinstituut het islamitische aandeel van de Duitse bevolking op 2,6%. Na de instroom van de vluchtelingen werd dat naar boven gecorrigeerd naar 5,7%. Later werd het aandeel weer naar beneden bijgesteld: 4,4%.

Ex-moslims
Het probleem is namelijk dat iemand geen afscheid kan nemen van de islam. Wie als moslim geboren wordt, blijft dat de rest van zijn leven. Daardoor worden ex-moslims, atheïsten en zelfs bevolkingsgroepen die nooit tot de islam hebben behoord voor moslims aangezien. Dit tot frustratie van vluchtelingen, die aangaven: ‘Wij zijn voor de islam gevlucht en worden in Europa weer tot de moslims gerekend.’

Stille uittocht
Omdat het niet mogelijk is om uit de islam te treden, is er sprake van een stille uittocht: velen staan nog geregistreerd als moslim, maar beschouwen zich niet meer als moslim en houden zich ook niet meer aan de islamitische geloofspraktijken.
In 2009 gaf bij een onderzoek aan dat slechts 33,9% van degenen die voor moslim doorgingen dat zij elke dag een gebed uitspraken. 15,3% gaf aan dat zij enkele keren per jaar baden. 20% gaf aan dat zij nooit meer baden.
Van de Duitsers met een Turkse afkomst gaf 81,4% aan dat zij zich als moslim beschouwen. Van de Duitsers met een Iraanse achtergrond gaf 38% aan dat zij geen godsdienst hadden en 10% beschouwde zich als christen.
Het deel van de moslims dat zich verenigt in een organisatie is erg klein. Die organisaties zijn niet representatief, maar worden wel door de overheid en de media geraadpleegd.

Verbod op boekdrukkunst
De oorzaak van de crisis ligt volgens Blume in het verleden: in 1485 verbood sultan Bayasid II (1447-1512) de boekdrukkunst. Vanaf dat moment verstarde de islam en begon het verval. Het opleidingsniveau daalde, zodat rond 1800 slechts 2-3% in staat was om te lezen.

Onderontwikkeling
De onderontwikkeling is sindsdien gebleven. Doordat er nauwelijks boeken werden gedrukt en gelezen, was er in de islam geen ontwikkeling en wist de islam zich niet van binnenuit te moderniseren en te reformeren.

Staatsislam
Overheden in gebieden met een islamitisch meerderheid begonnen invloed uit te oefenen op de islam, waardoor er een staatsislam ontstond. Dissidente stromingen, vaak juist die stromingen die potentie hadden om de islam te reformeren en te moderniseren, werden door deze overheden verboden. De stromingen die weerstand kunnen bieden zijn vaak radicaliseringen, die gebruik maken van geweld. Het zijn deze gewelddadigheden en de invloed van de overheid op de islam die zorgen voor een (stil) afscheid van de islam.

Samenzweringstheorieën
Wanneer moslims geconfronteerd worden met de extremistische kant van de islam of met de neergang van de islam hebben ze vaak de neiging om de schuld bij anderen te leggen: het is de schuld van het Westen of van de Joden. De aanslagplegers zijn geen echte moslims. De berichten over aanslagen zijn verzonnen door westerse landen om de islam in diskrediet te brengen. Het geloof in samenzweringstheorieën is breed onder moslims verspreid.

Vloek van de olie
Een extra complicerende factor is ‘de vloek van de olie’: de welvaart die de olie opbrengt de prikkel tot democratische vernieuwing achterwege blijft. Doordat de westerse landen deze olie nodig hebben worden ze ook door deze landen niet aangesproken op de schending van de mensenrechten.

Dubbele moraal van westerse landen
Blume sprak veel moslims die vinden dat de westerse landen een dubbele moraal hanteren: de Islamitische Staat wordt door een coalitie bestreden, terwijl met een net zo fundamentalisch regime in Saudi-Arabië vriendschappelijk banden bestaan.

Neergang
Ondanks de vele signalen die wijzen op de neergang van de islam is er in de westerse wereld een angst voor islamisering. Door het grote aantal kinderen dat ze zouden krijgen zouden ze op termijn de meerderheid in het westen krijgen. De islam bevindt zich ook in demografisch opzicht in een neergang.

Daling geboortecijfer
Een van de oorzaken voor de daling van het geboortecijfer is het gebrek aan vrijheid voor organisaties die niet vanuit de overheid zijn opgericht. Daardoor kunnen eigen organisaties die gericht zijn op gezinnen niet tot bloei komen. Ook de emancipatie van vrouwen en de stijging van het opleidingsniveau is een oorzaak. Door emancipatie en de stijging van het opleidingsniveau daalt het geboortecijfer en stijgt de uittocht.

Modernisering
Wat kan er gedaan worden om deze crisis tot stilstand te brengen? Allereerst onze afhankelijkheid van olie afbouwen. Daarnaast het stimuleren van opleiding en leesonderwijs. Een reformatie en modernisering van de islam van overheidswege is geen optie, omdat dan de scheiding van moskee en staat wordt geschonden. Beter is het om moslims in staat te stellen en uit te dagen om van binnenuit de islam te hervormen en te moderniseren.

N.a.v. Michale Blume, Islam in der Krise. Eine Weltreligion zwischen Radikalisierung und stillem Rückzug (Ostfildern: Patmos Verlag, 2017).

Wat de kerk aan en van ouderen kan leren

Wat de kerk aan en van ouderen kan leren

In onze maatschappij neemt het aandeel van de ouderen toe. Oorzaken: Nederlanders worden gemiddeld genomen ouder en het aantal geboorten is kleiner dan het aantal overlijdens. De meeste kerken hebben ook te maken met deze trend dat het aandeel van de ouderen toeneemt. Wat betekent dat voor de kerk als geheel en voor de lokale kerkelijke gemeenschap?

Dat zijn vragen die Peter Bromkamp bezighouden. Bromkamp studeerde onder andere godsdienstpedagogiek en sociale gerontologie en werkt in de ouderenzorg. Met zijn studie Als praktische theologie het ouder-worden leert promoveerde hij op de combinatie van leren en ouder-worden.

Leren
Leren in de levensfase van het ouder-worden bevat volgens Bromkamp 3 aspecten: (1) leren tijdens het ouder-worden, (2) leren dat helpend is om het ouder-worden te verwerken, (3) leren voor al degenen vrijwillig of professioneel betrokken zijn van anderen die ouder-worden. Van belang is dat in het leren de ouderen als autonome personen serieus genomen worden en dat er ruimte is om hun wensen in te brengen.

s-l225

Vitaler
Vergeleken met vroeger zijn ouderen gemiddeld genomen steeds vitaler. De indeling in levensfasen van kindertijd en jeugd als eerste fase, van het werkzame leven als volwassene als tweede fase en de ouderdom als derde fase van het leven voldoet daarom niet meer. De fase na het werkzame leven wordt daarom tegenwoordig verdeeld in twee fasen: de derde fase van 65+ en de vierde fase van 80+.

Verkeerd beeld
Bromkamp is blij met de positieve waardering van deze derde levensfase. Het nadeel van deze indeling vindt hij dat nu de vierde levensfase vooral negatief getypeerd wordt vanuit de lichamelijke, geestelijke en sociale beperkingen die deze fase met zich meebrengt. Dat laat een verkeerd beeld van menszijn zien.
Met de negatieve typering van de vierde levensfase wordt de suggestie gewekt dat menszijn vooral inhoudt dat je actief bent en een bijdrage kunt leveren aan de maatschappij door werk of vrijwilligerswerk, dat je in staat bent om zelfstandig beslissingen te nemen en dat je niet zo afhankelijk van anderen bent.

91d803fcca
Peter Bromkamp

Nieuwe waardering
Alles achter wat de vierde fase kenmerkt, geldt ook voor andere levensfasen: ook als kind en jongere of als volwassene met een betaalde baan ben je afhankelijk van de hulp en zorg van anderen, heb je anderen die mee bepalen wat er in je leven gebeurt. Er is geen enkele reden om de levensfase, waarin mensen ouder worden, meer beperkingen krijgen en meer gezondheidsproblemen krijgen uitsluitend negatief te typeren. Er is binnen de kerk en in de maatschappij een nieuwe waardering nodig voor de fase van het ouder-worden.

Wat de kerk kan leren
De titel van Bromkamps proefschrift is daarom ook tweeledig: niet alleen de ouderen kunnen en willen nog volop leren, maar ook de praktische theologie (en daarmee de kerk) kan leren van het ouder-worden van deze gemeenteleden.

Pastoraalagogiek
In zijn proefschrift combineert Bromkamp twee wetenschappelijke disciplines: de pastoraaltheologie (de Rooms-Katholieke benaming voor praktische theologie) en de geragogiek. Geragogiek is zelf ook weer een combinatie van twee disciplines: gerontologie als de wetenschap van het ouder-worden en de agogiek als wetenschap die leerprocessen bestudeert en helpt ontwikkelen. Geragogiek heeft aandacht voor leerprocessen in de fase van het ouder-worden.

Perspectiefwisseling
Binnen de kerken hebben de leerprocessen van ouderen nauwelijks aandacht. Tegenwoordig gaat alle aandacht uit naar kinderen, jongeren en gezinnen. Ook in het wetenschappelijk onderzoek is er geen oog voor de ouderen. Daarom is er volgens Bromkamp een perspectiefwisseling nodig om meer oog te krijgen voor de gemeenteleden in de vierde levensfase en hun wens om te blijven leren en oog te hebben voor de grote individuele verschillen die er tussen ouderen kunnen zijn: de ene oudere is vermogend, de ander kwetsbaar voor ouderdomsarmoede. De een is vitaal, de ander sterk afhankelijk van hulp van anderen. De een is kerkelijk betrokken, de ander heeft geen binding meer.

Presentie
Als we tegenwoordig spreken van levenslang leren, moeten we dat ook echt als levenslang zien. Bij het ouder-worden neemt de wens om te leren niet af. Het is niet eenvoudig om deze leerprocessen ruimte te bieden, omdat mensen van 80 jaar en ouder niet altijd meer mobiel zijn. Als de praktische theologie en de kerk de roeping heeft om te zijn waar de mensen zijn, zoals de theorie van de presentie dat stelt, dienen de ouderen opgezocht te worden waar ze zijn.

Niet uitgeleerd
Ouderen zijn niet uitgeleerd. Zij hebben competenties nodig: om wat zich in hun leven aandient te verwerken, maar ook om hun interesses te kunnen uitbouwen. Doordat de huidige ouderen vaak weinig onderwijs hebben gehad, hebben ze een andere manier van leren nodig die aansluit bij hun levenservaring. Aandacht voor hun biografie en voor wat zij in hun leven hebben meegemaakt is een zinvolle manier voor hen om te leren. Deze levenservaring kunnen ze ook weer delen.

Doorgeven
De aandacht die er in de ‘gewone’ godsdienstpedagogiek is voor het leren tussen de generaties is ook in de ‘pastoraalagogiek’ waardevol: ouderen kunnen hun levenservaringen en hun levenswijsheid doorgeven aan andere generaties. Met het intergenerationeel leren wordt ook in praktijk gebracht dat het ouder-worden niet alleen een verantwoordelijkheid is voor degenen die zich in de vierde levensfase bevinden, maar een verantwoordelijkheid is voor de gehele kerkelijke gemeenschap.
De ontwikkeling van het eigen geloof is ook een levenslang leerproces. In de fase van het ouder-worden kan er een nieuwe zoektocht zijn naar zingeving en de waarde van het geloof. Ook al zijn er naar verhouding veel ouderen in de hedendaagse kerkelijke gemeenten, het wil niet zeggen dat elke oudere vanzelfsprekend aangesloten is bij een geloofsgemeenschap. Ook in deze levensfase is er sprake van individualisering en pluralisering: een klein deel van de ouderen is slechts aangesloten bij een geloofsgemeenschap en deelt de opvattingen binnen deze gemeenschap. Het is de uitdaging voor een kerkelijke gemeenschap deze ouderen een plek te geven die bij hen past. Het is daarnaast ook een uitdaging om degenen die geen verbinding hebben met de kerk in het oog te krijgen en van hen te horen wat de kerkelijke gemeenschap hen zou kunnen bieden.

N.a.v. Peter Bromkamp, “Wenn Pastoral Alter lernt”. Pastoralgeragische
Überlegungen zum Vierten Alter
. (Würzburg: Echter Verlag, 2015).

Geschreven voor het Friesch Dagblad, gepubliceerd op 6 maart 2018

De zeven werken van barmhartigheid

De zeven werken van barmhartigheid
N.a.v. Fulbert Steffensky, Orte des Glaubens. Die sieben Werke der Barmherzigkeit (Stuttgart: Radius Verlag, 2017)

In het jodendom, het christendom en de islam worden de gelovigen opgeroepen om barmhartig te zijn, omdat God barmhartig is. In hun houding en handelwijze dienen gelovigen Gods barmhartigheid uit te dragen. In het christendom is er de traditie gekomen van de zeven werken van de barmhartigheid.

Over deze werken van barmhartigheid heeft Fulbert Steffensky een meditatief boekje geschreven waarbij de strekking is: in deze werken ontmoeten we Christus. Dit boekje bestaat uit twee delen: het eerste deel gaat over de lichamelijke werken van barmhartigheid en het tweede deel over de geestelijke werken van barmhartigheid.

800px-Werken_van_Barmhartigheid,_Meester_van_Alkmaar_(1504)

DE ZEVEN LICHAMELIJKE WERKEN VAN BARMHARTIGHEID

(1) Het voeden van wie honger hebben
Het eerste werk is het voeden van degenen die honger hebben. Het gebrek aan voldoende voedsel is de meest radicale vorm van armoede. In evangelie worden degenen die honger hebben zalig geprezen, omdat ze zijn te arm om vroom te zijn: honger zorgt voor een harde strijd om het bestaan. Jezus zegt: als je die arme niet van voedsel voorziet, ga je aan Mij voorbij.

(2) Het lessen van de dorst
Het tweede werk is het lessen van de dorst. In Hamburg, waar Steffensky gewoond heeft, was er een kerk waarin een lezing werd gehouden met als titel: Wie profiteert van de privatisering van het drinkwater? Vanuit de kerk kwam protest: de kerk mengt zich in de politiek. Steffensky geeft aan: dit werk van barmhartigheid vraagt ook om zorg voor de bron van ons water. Ook vraagt het om aandacht voor het klimaat, om droogte elders tegen te gaan.

(3) Het herbergen van vreemden
Het derde werk is het herbergen van vreemden. Steffensky beschrijft hoe over het gezicht van een Sudanese vluchtelinge het gezicht van Christus schuift. In de vreemdeling ontmoeten we Christus. Als we de vreemdeling niet gastvrij ontvangen, dan missen we heel wat: We missen hoe verrijkend het is om gastrecht te verlenen. In de ontmoeting van de vreemdeling met een andere godsdienst of andere cultuur leren we onze eigen rijkdom kennen en leren we gelijk dat onze cultuur niet zaligmakend is.

900x450_2515

(4) Het kleden van wie naakt zijn
Het vierde werk is het aankleden van wie naakt zijn. Naaktheid is de diepste vorm van kwetsbaarheid en weerloosheid. Steffensky trekt dit werk breder. Om geborgen te zijn tegen de diepste vorm van weerloosheid kan een kind niet zonder godsdienst. Godsdienst leert kinderen om te leven. Wanneer kinderen geen godsdienstige taal of gebruiken leren, zijn ze sprakeloos als ze angstig zijn of dankbaar. Ze missen verhalen, gebruiken en liederen die hen vormen als mens en die hen helpen om te leven.

(5) Het verzorgen van zieken
Het vijfde werk is het verzorgen van de zieken. De zieken zijn degenen die zichzelf niet meer kunnen verzorgen omdat ze daar de kracht niet meer voor hebben. Vaak worden deze hulpelozen uitgestoten uit de maatschappij. Daarmee wordt hen hun menselijkheid ontnomen. In de kerkgeschiedenis zijn er steeds geestelijke orden geweest die het als hun taak zagen deze uitgestotenen te herbergen en te verplegen.

(6) Het bezoeken van gevangenen
Het zesde werk is het bezoeken van gevangenen. Jezus gaf daarbij niet aan of deze gevangenen terecht of onterecht vastzitten en ook niet of ze een gruwelijk misdrijf op hun geweten hebben. Jezus heeft steeds oog voor de mensen die geen eerbaar leven meer hebben en hun toekomst hebben vergooid. In het evangelie zien we steeds dat mensen vrij mogen komen van het verleden dat hen gevangen houdt. Ze mogen opnieuw beginnen, zonder dat God de gevolgen van hun verkeerde daden negeert. Met wat ze gedaan hebben, krijgen ze een plek terug in de gemeenschap.

(7) Het begraven van de overledenen
Vanaf de twaalfde eeuw wordt het begraven van de overledenen als zevende werk van barmhartigheid gezien. Het is de laatste vorm van ontmenselijking als je niemand hebt die je begraaft en niemand hebt die je herinnert. Daarom gaat dit werk niet alleen om het begraven als zodanig, maar ook om het langdurig herinneren van hoe iemand als mens geweest is. In onze maatschappij blijft niemand onbegraven, maar worden wel veel mensen vergeten.

DE ZEVEN GEESTELIJKE WERKEN VAN BARMHARTIGHEID

getimage

(1) Het onderwijzen van de onwetenden
Het eerste geestelijke werk is onderwijzen van de onwetenden. Het gaat hier niet om betweterij, maar om wat je tijdens je zoektocht door het leven hebt ontvangen, waar je gepassioneerd van geraakt bent. Je hebt iets ontdekt dat de moeite waard is om door te geven, zoals een geloofsweg.

(2) Het bemoedigen van de twijfelaars
Het tweede geestelijke werk is het bemoedigen van de twijfelaars. Twijfel kan er zijn aan de goedheid van het leven. Over God. Over zijn betrouwbaarheid. De goede raad voor twijfelaars is niet om hen een geloofssysteem aan te leren. Een beter advies is advies dat een abt aan een twijfelende monnik gaf, die aangaf niet meer te kunnen bidden. Deze abt zie: ‘Ga en kijk toe hoe je broeders bidden!’ De jonge monnik leerde te luisteren naar de stemmen van zijn broeders. Hij vergelijk zijn karig geloof met de kracht van anderen en merkte dat zijn geloof sterker werd.

(3) Het troosten van degenen die verdriet hebben
Het derde geestelijke werk is het troosten van degenen die verdriet hebben. Als Steffensky schrijft over het troosten van degenen die verdriet hebben, geeft hij iets weer van zijn eigen ervaring nadat zijn vrouw Dorothee Sölle was overleden. Er waren vrienden die hem probeerden te troosten door zijn verdriet te verminderen. De een wilde hem meenemen naar de film. Anderen zeiden: ‘Het leven gaat verder.’ De beste troosters waren degenen die kwamen en de rouw respecteerden. Troosten is: iemand in rouw niet alleen laten. Troost opent de ogen ervoor dat we ons leven niet in alles de baas kunnen zijn en dat de kwetsbaar zijn.

(4) Het terechtwijzen van de zondaars
Het vierde geestelijke werk is het terechtwijzen van de zondaars. Dat kan heel onbarmhartig klinken, zoals dit terechtwijzen in de kerkgeschiedenis ook vaak onbarmhartig gebeurde. De kerk in navolging van Jezus heeft echter ook een profetische taak in de strijd tegen onrecht. Vooral tegen het onrecht waarvan men niet meer bewust is dat het onrecht is, zoals luxe die gestolen is van anderen. Het terechtwijzen is een daad van barmhartigheid: het gebeurt vanuit het geloof dat iemand kan veranderen. Misschien is dat wel het grootste wat een mens kan verrichten, zo geeft Steffensky op basis van Psalm 51 aan, dat hij zich niet verbergt voor zijn eigen schuld maar weerloos wordt voor Gods oordeel en voor zijn eigen geweten.

(5) Het geduldig verdragen van de spotters
Het vijfde geestelijke werk is het geduldig verdragen van de spotters. Het vraagt al geloof en geduld om jezelf te verdragen. Als ik mijzelf kan verdragen, kan ik ook de mensen om mij heen verdragen: partner, ouders, kinderen. Net als ik zijn zij niet perfect. Dit verdragen is geen onverschilligheid, maar een diep geloof dat ook iemand met wie je een moeizame verhouding hebt kan veranderen.

41gPtYC34xL._SX300_BO1,204,203,200_

(6) Het van harte vergeven van hen die ons beledigd hebben
Het zesde werk is het van harte vergeven van hen die ons beledigd hebben. De schoonheid van dit werk is dat de beledigingen die je kunnen raken je niet beheersen. Het geeft een soevereiniteit om je niet door beledigingen te laten dicteren. Vergeven is niet iets wat zomaar voor handen is. Dat moet groeien. Vergeven is moeilijk genoeg, maar niet moeilijker dan jezelf te laten vergeven.

(7) Het bidden voor de levenden en overledenen
Het zevende werk is het bidden voor de levenden en de overledenen. Iemand gedenken betekent dat je deelneemt aan het leven van diegene. Je laat die ander niet alleen, maar schenkt hem of haar een gemeenschap. Iedereen heeft mensen om zich heen nodig die hoop voor je blijven houden en voor je bidden. In de katholieke traditie is er het gebruikelijk om de overledenen te gedenken in een vorm van gedachtenis en voorbede. Voor Steffensky is dit gebed niet bedoeld om God over te halen tot een gunstiger oordeel, maar eerder een vraag aan God om de overledenen niet te vergeten. De dood verbreekt niet de solidariteit, niet de liefde voor wie er eens was en ook niet het handelen van God.

N.a.v. Fulbert Steffensky, Orte des Glaubens. Die sieben Werke der Barmherzigkeit (Stuttgart: Radius Verlag, 207)

gastbeitrag_steffensky

Fulbert Steffensky (1933) was ooit benedictijner monnik, maar trad uit en werd protestants zonder zijn katholieke achtergrond helemaal op te geven. Naar beide tradities bleef hij kritisch. Hij was getrouwd met Dorothee Sölle, met wie hij van 1968-1972 politieke avondgebeden hield. Van 1972-1998 was hij hoogleraar pedagogiek en later godsdienstpedagogiek. In de afgelopen jaren gaf hij bij Radius Verlag verscheidene meditatieve boekjes uit.

Luther – zijn leven, zijn werk (recensie)

Luther – zijn leven, zijn werk (recensie)

Het is markant beeld: de monnik Maarten Luther die een vel papier op de deur van de Slotkapel van Wittenberg met een hamer vastspijkert, waarmee hij de startsein geeft voor een vernieuwing van de kerk. Geen wonder dat 31 oktober internationaal wordt gebruikt om 500 jaar Reformatie te vieren. Maar wie was die Luther? Waarom kwam hij in verzet en stond juist hij aan het begin van vernieuwing van de kerk?

In de afgelopen eeuwen is Luther heel wat keren herdacht als held van de Duitse nationale geschiedenis of de protestantse kerkgeschiedenis, zonder dat helder was wat de inhoud van zijn boodschap was. Bij deze Reformatieherdenking zijn er gelukkig heel wat publicaties, die de levensweg en de inhoud van deze reformator bekendheid willen geven.
9789043528054-luther-zijn-leven-zijn-werk-m-LQ-f
Een van die publicaties is het boek Luther, zijn leven, zijn werk onder redactie van Sabine Hiebsch en Martin L. van Wijngaarden (zie: hier). Het gaat om een derde druk van een boek dat al in 2007 verscheen en dat vanwege het Reformatiejubileum geactualiseerd is. Het doel van dit boek is om de erfenis van Luther door te geven. Om Luther voor een breed publiek toegankelijk te maken is er gekozen voor een heldere opzet: het lopende verhaal is de biografie van Luther. Tussendoor worden in kleine hoofdstukjes belangrijke thema’s uit Luthers leven en theologie uitgelegd.

Luther werd op 10 november 1483 geboren als Martin Luder, zoon van Hans Luder die via de kopermijnen maatschappelijk promotie had gemaakt. Zijn zoon Martin mocht studeren om maatschappelijk nog meer vooruit te komen. Deze plannen van vader Luder gaan niet door als Martin op 2 juli 1505 op reis naar zijn ouders wordt overvallen door onweer.

Het is niet duidelijk waarom hij die reis ondernam. Het zou kunnen dat hij zijn studie met zijn vader wilde bespreken of dat zijn vader hem gevraagd had om thuis te komen om huwelijksplannen te bespreken.

Als hij vlakbij het dorpje Stotternheim door heftig onweer wordt overvallen door heftig onweer, roept hij de heilige Anna aan en legt de gelofte af dat hij als hij het er levend van afbrengt monnik zal worden. Een jaar eerder overleefde Martin een levensbedreigende beenwond. Hij legde toen geen gelofte af. Zijn vader reageert fel op de voorgenomen wijziging van studie.

Op 17 juli doet hij intrede bij de augustijneremieten in Erfurt,  een kloosterorde waarin armoede, kuisheid en gehoorzaamheid een centrale rol speelde. Tijdens zijn rechtenstudie was hij al bezig met de vraag naar een genadige God. Door een strenge, ascetische levenswijze, waarbij zelfkastijding ook een rol speelde, probeerde hij Gods genade te ontvangen en daarmee rust voor zijn ziel en geweten. Hij liep daarin echter steeds meer vast. Daardoor konden zijn biechten steeds langer duren en konden uren in beslag nemen.

Tijdens zijn studie in Erfurt komt hij in aanraking met het nominalisme. Dit nomalisme is een vrij recente ontwikkeling in de Middeleeuwse theologie en werd daarom via moderna (de moderne weg) genoemd. Uitgangspunt van het nominalisme was algemene begrippen, die aan voorwerpen of (groepen) mensen toegeschreven niet zozeer werkelijk bestaande objecten waren, maar namen (nomina) die door mensen voor deze begrippen zijn bedacht.

Het effect van het nominalisme was dat mensen als zelfstandige individuen werden gezien in plaats van onderdeel van de ‘categorie mens’. Het nominalisme was bovendien van mening dat de werkelijkheid niet gekend kan worden zonder het verstand, de ervaring en de geest van degene die de werkelijkheid tracht te doorgronden. Het nominalisme was een stroming die ruimte bood aan nieuwe, revolutionaire ideeën. Deze ideeën moesten niet worden aangepast aan wat reeds bekend is. Voor het ontstaan van de Reformatie is het van grote betekenis geweest dat Luther in deze traditie werd onderwezen.

Zijn eigen ervaring dat hij geen genade van God kon krijgen door zichzelf hard aan te pakken was een van de factoren die leidde tot Luthers ontdekking dat deze genade niet verdiend wordt, maar door God geschonken wordt. Deze ontdekking doet Luther op tijdens de voorbereidingen van colleges over de Psalmen, de brief aan de Romeinen en de Hebreeënbrief.

Als in dezelfde tijd Tetzel op pad gaat om aflaten, die dienen vrijspraak in het oordeel van God te verkrijgen, te verkopen komt Luther in geweer. Hij vindt dat een misstand in de kerk, omdat op deze manier mensen God uit de weg gaan en geen echte boetedoening afleggen en daarmee ook niet de genade ontvangen. Hij verwoordt zijn bezwaren in 95 stellingen.

In het boek wordt wel betwijfeld of Luther daadwerkelijk deze stellingen heeft vastgespijkerd op de deur van de Slotkapel. De stellingen waren namelijk in het Latijn, bedoeld voor wetenschappelijke disputatie. Op 31 oktober 1517 verstuurt hij ze wel naar de bisschop van het gebied waarin Tetzel actief is. In deze brief gebruikt hij voor het eerst zijn nieuwe naam Luther, afgeleid van het Griekse Eleutherus (‘de bevrijdde’). Deze stellingen verspreiden zich snel, maar echt invloedrijk is pas zijn Preek over de aflaat en genade die hij een jaar later in het Duits publiceert.

Luthers intentie was niet om een nieuwe kerk te stichten, maar om de kerk te vernieuwen. Luther moet zijn theologie steeds verder blijven ontwikkelen, want radicale stromingen vinden dat hij niet ver genoeg gaat en boeren zien in Luthers optreden een legitimatie om in opstand te komen.

In het boek komen de belangrijkste thema’s uit Luthers werk op een begrijpende wijze aan de orde, zoals waarom het kruis van Christus zo belangrijk voor hem was, zijn visie op wet en evangelie, zijn visie op het avondmaal, op de praktijk van de gemeente, enzovoort.

Het boek is extra bijzonder door de vele afbeeldingen die opgenomen zijn, waarmee we een indruk krijgen van de betekenis van Luther door de eeuwen heen. Daarbij is ook veel materiaal in Nederland opgenomen. Naar mijn idee zijn de auteurs van dit boek erin geslaagd om de persoon en de betekenis van Luther op een begrijpelijke wijze te schetsen.

N.a.v. Sabine Hiebsch (tekstredactie), Martin L. van Wijngaarden (beeldredactie), Luther, zijn leven, zijn werk (Utrecht: Uitgeverij Kok, 2017)