Les 7 Wederkomst en Laatste oordeel

Les 7 Wederkomst en Laatste oordeel

Anja is 25 als haar moeder overlijdt. Na het overlijden komt er bij haar een sterk verlangen naar de Wederkomst. ‘Wat zal de wereld mooi zijn zonder verdriet en pijn. Dan zal er een weerzien met mijn moeder zijn en zullen we samen de Heere kunnen dienen.’ Na enkele jaren trouwt Anja en krijgt ze een gezin. Na de geboorte van haar eerste kind merkt ze dat het verlangen naar de Wederkomst veel minder is. Ze wil nog zoveel meemaken van haar kind. Ze mist haar moeder enorm, zeker nu ze zelf moeder geworden is en ze weet dat de Wederkomst een keer zal gebeuren. Maar eerst wil ze nog meemaken dat haar kind op mag groeien.

Lisa is behoorlijk perfectionistisch aangelegd. Wat ze doet wil ze goed doen. Ze is daarin heel precies. Ze is ook heel streng voor zichzelf. Als iets niet goed geregeld is, neemt ze dat zichzelf kwalijk. Lisa is heel serieus, maar ze zou zichzelf niet gelovig durven noemen. Er is nog zoveel aan haar geloof en manier van leven aan te merken. Ze denkt er wel over na: Wat zal God van haar vinden? En straks, als ze overlijdt, dan komt ze voor Gods troon en dan? Hoe zal Hij over haar leven oordelen? Ze moet daar niet over nadenken.
Onlangs was ze op een Bijbelkring waar Mark ook was. Mark is heel anders: veel spontaner dan zij en wat laconieker. Tijdens deze Bijbelkring vertelde Mark dat hij geregeld naar de Wederkomst uitkijkt. Het lijkt hem heel mooi om de Heere Jezus terug te zien komen. Ze wist niet wat ze ervan moest denken. Waarom ziet hij niet tegen de Wederkomst van Christus op? Denkt hij dat hij zomaar de hemel in kan komen?

Vraag 1: Verlang jij naar de Wederkomst? Waarom wel / niet?




Vraag 2: Op welke momenten verlang je naar de Wederkomst? Op welke momenten hoop je dat de Wederkomst nog wel even duurt?



Vraag 3: Welk oordeel zal God over jouw leven vellen? Hoe weet je dat?




Vraag 4: Kun je zomaar in de hemel komen? Of is daar iets voor nodig?


Uitleg – Wederkomst
De Heere Jezus heeft verschillende keren vertelt dat Hij uit de hemel zal terugkomen op aarde. We noemen dat de Wederkomst. Hij vertelde over Zijn Wederkomst vlak voor Zijn sterven en ook vlak voordat Hij naar de hemel ging.
Als kerk kijken we dus uit naar het moment dat Christus weer op aarde verschijnt. Dat wil niet zeggen dat Hij helemaal weg is. Ook nu kan Hij door de Heilige Geest bij ons zijn. Bijvoorbeeld als we met elkaar spreken over God. Als we in de kerk zijn. Als we lezen uit de Bijbel. Of als we zingen. Maar bij de Wederkomst zal Christus helemaal op aarde zijn.
Vanaf dat moment zal de duivel geen macht meer hebben op aarde. Vanaf dat moment zal er geen zonde meer zijn. Dan zal er niemand meer ziek of gehandicapt zijn. Degenen die gestorven zijn zullen opstaan. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Nu al regeert Christus vanuit de hemel op aarde. Er zijn nog steeds kwade machten en slechte mensen. Maar als Christus dat wil, dan moeten ze hun macht inleveren en worden ze gestopt.
De tijd tot aan de Wederkomst zal geen makkelijke tijd zijn. Er zullen oorlogen zijn en ruzie. Er zal verzet tegen Gods werk zijn. Als kerk mogen we weten dat al die oorlogen en alle ellende voorbij zullen zijn als Christus terugkomt. Dan zal het definitief goed zijn.

Uitleg – het laatste oordeel
Als Christus terugkomt, zal er ook het laatste oordeel zijn. Dat oordeel zal gaan over hoe wij hebben geleefd. Als je gelooft in de Heere Jezus hoef je daar niet bang voor te zijn, want dan heeft Christus dat oordeel al gedragen en mag je de hemel ingaan. In Zijn oordeel is God veel barmhartiger dan wij. Zelfs de moordenaar aan het kruis mocht enkele minuten voor zijn dood toch weten dat de hemel ook voor hem openging, omdat hij geloofde in Christus.
Voor wie niet gelooft is er geen plek in de hemel. Toch moeten we hier voorzichtig. Want wij zijn het niet die oordelen. Christus spreekt dat oordeel uit. Hij zal dat eerlijk en rechtvaardig uitspreken. Hij zal dat ook barmhartig doen.
Dat God oordeelt is een troost voor iedereen die hier op aarde slecht behandeld is. Als mensen geen recht gedaan is, dan zal God rechtspreken.
Als je gelooft, heb je er wel naar te leven. Je kunt niet zeggen: Ik geloof wel, maar ik hoef er niet naar te leven. De Heere Jezus vertelt over het laatste oordeel dat er ook gekeken wordt of je iemand een beker water aanbiedt, te eten geeft, opzoekt en van onderdak voorziet. (Mattheüs 25: 31-46) De Heere Jezus vertelt over 6 daden die we kunnen verrichten. Later komt er een zevende bij: het begraven van de overledenen. Deze zeven daden worden de 7 werken van barmhartigheid genoemd.

Bijbelstudie – Lees Mattheüs 25:31-46

Vraag 5:  Denk na over een situatie waarin je één van deze 6 daden hebt verricht. Kun je er een vertellen?



Vraag 6: Kun je ook vertellen over een situatie waarin je iets niet hebt gedaan?


Vraag 7: Waarom zouden we zoiets voor de Heere Jezus hebben gedaan?


Preek zondagmorgen 26 november 2017

Preek zondagmorgen 26 november 2017

Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Openbaring 3:14-22
Tekst: Openbaring 3:17-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In onze Bijbel hebben we het Bijbelboek dat we gelezen hebben de naam gegeven:
(de) Openbaring van Johannes.
In de tijd waarin het boek geschreven werd, waren de eerste woorden van een boek de titel.
Het boek heet dan: Openbaring van Jezus Christus.
Jezus Christus, die nu in de hemel is, maakt zichzelf bekend aan de gemeente.
Hij, Jezus Christus, maakt Zich bekend aan de gemeenten hier op aarde
om hen te laten weten: Vanuit de hemel ben Ik met jullie bezig.
En Ik ben ook bezig met de wereld waarin jullie leven.
Hoe jij deze wereld ook ervaart, het is een wereld waarover Ik regeer.
De kerk, die in deze wereld is, wordt door Mij bewaard.
Het Bijbelboek Openbaring moeten we dan ook niet horen als woorden van lang geleden,
maar lezend in dit Bijbelboek en deze woorden overdenkend,
gaat het erom dat we horen dat Christus die nu in de hemel is ook ons hier aanspreekt.
Hij zoekt ons op – om ons aan te spreken.
Hij wil iets van ons.
De brief die gericht is aan de gemeenten van Laodicea is niet alleen maar
voor die gemeente bedoeld, die daar vele eeuwen geleden in Klein-Azië was.

Schrijf aan de engel van de gemeente van Oldebroek.
Dat woord engel waar de brief mee begint,
betekent niet dat elke gemeente een eigen engel heeft – een soort beschermengel.
Het gaat hier om iemand die in de gemeente gezonden is, een gezonde,
om de woorden van Christus te laten klinken.
Het gaat er om – net als bij elke zondag – dat de woorden van Christus worden gesproken
en dat u als gemeente deze woorden hoort die Christus tegen u zegt.
Dat u deze woorden tot u neemt als Christus die ons als gemeente aanspreekt.
Dat is elke zondag en elke dag van belang,
en zeker vandaag en komende week, nu we ons voorbereiden op het Avondmaal
en we ons gereed maken om aan de tafel van Christus te komen.

Wat zou Christus ons als gemeente hier in Oldebroek te zeggen hebben?
Hij zou het kunnen hebben over de mooie dingen hier in de gemeente.
Hij zou het kunnen hebben over wat in Zijn ogen niet goed hier in de gemeente gaat.

De brief begint ermee dat Christus zichzelf voorstelt:
Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige.
Christus die ons aanspreekt, die wij dienen, die Heer is van de kerk en ook van onze wereld
maakt zichzelf bekend als de Amen.
Amen kennen wij als antwoord op ons gebed,
Als wij Amen op ons gebed zeggen, dan spreken wij ons vertrouwen in God uit:
Ik weet dat God mijn gebed gehoord heeft en dat wat ik vraag bij Hem in goede handen is,
ik kan Hem vertrouwen, ik kan mijn hele leven op Hem bouwen.
Jezus zegt: Ik ben de Amen – je kunt jouw leven met een gerust hart in Mijn handen leggen.
Je kunt je leven op Mij bouwen, want Ik draag de hele wereld en ook jouw leven.
Ik ben het fundament, waarop de schepping is gebouwd.
Als u volgende week aan de tafel aangaat, dan zegt u:
Ja, Heere, U bent de Amen – ik kan mijn leven in Uw hand leggen, ik bouw op U.
In een wereld waarin zoveel onzeker is,
Ik weet niet eens wat er over een uur gaat gebeuren,
bent U mijn zekerheid, het fundament in Mijn leven.
Hoeveel mensen er ook tegenvallen – U niet. U bent de Betrouwbaarheid Zelve!

Die betrouwbaarheid werkt twee kanten uit:
Zijn woorden die uit het Bijbelboek Openbaring tot ons komen, zijn betrouwbare woorden.
Hij, Christus onze Heer, is betrokken bij het bestuur van Zijn Vader over deze wereld.
Er wordt heel wat meegedeeld over wat er zal gebeuren
– allerlei ellende die er op aarde zal gebeuren, de eindtijd,
maar veel belangrijker nog: waar het volgende hoofdstuk mee begint: Het Lam op de troon,
Het Lam die tegelijkertijd de Leeuw van Juda is.
Die met Zijn macht regeert – niets gaat buiten Hem om.
Wat er ook in de wereld gebeurt, wat er ook tegen de kerk gebeurt – Hij regeert: het Lam!
Het begin van de schepping – kan ook weergegeven worden
als de heerser van de schepping – Hij die alles in de schepping bepaalt.
Een belangrijk thema in Openbaring, het Bijbelboek, is de machten die er op deze aarde zijn:
de macht van de satan, van de antichrist en andere machten
die de gemeente en de gelovige bestrijden en bij Christus vandaan trekken,
machten die ook in de gemeente invloed hebben.
Welke macht ook heerst, welke macht ook invloed heeft of denkt te hebben,
De echte macht berust bij Christus.
Als we volgende week aan het avondmaal gaan,
dan delen we de maaltijd met de Heer van het Universum, die alles schiep,
die alles in het leven riep en nu nog steeds alles bepaalt
en deze wereld leidt naar Zijn doel, het doel dat zichtbaar wordt met de Wederkomst:
Alleen Gods macht op aarde – de machten die tegen God ingingen verslagen en verdreven.

Wat ook betrouwbaar is, is wat Hij in onze gemeente signaleert.
Als Hij ons als gemeente, en u als lid van deze gemeente persoonlijk aanspreekt,
dan hebt u te luisteren, want wat Hij ziet, wat Hij opmerkt, dat is waar.
Als Christus vindt dat die andere machten teveel invloed hebben, dan is dat waar.
Als onze Heer vindt dat we ons teveel laten meeslepen
in de machten die er in deze wereld zijn en die ons bij Christus wegdrijven, dan klopt dat
en dan hebben we naar Hem te luisteren.
Dan kunnen we niet aankomen met allerlei excuses of ja-maars.

Nu kunnen we niet de brief aan Loadicea zomaar overnemen,
alsof juist deze brief van de zeven brieven het meest van toepassing is op onze gemeente.
Ik denk dat die 7 brieven aan de 7 gemeenten bij elkaar horen
En met elkaar, als geheel, ons als gemeente in 2017 een spiegel willen voorhouden,
Een spiegel die Christus, onze Heer, ons voorhoudt.
De spiegel die ons voorgehouden wordt, kan alleen maar de spiegel van Christus zijn,
niet een persoonlijke mening van een predikant, of een mening van een kerkenraad.
Een predikant, een kerkenraad, een gemeentelid kan zich niet zomaar
aan de zijde van Christus scharen, alsof wij weten
wat Christus nu over onze gemeente, tegen ons zou zeggen.
In deze week van voorbereiding zeggen we als gemeente, als kerkenraad, als predikant:
Heere, leer mij te luisteren naar Uw woorden,
en leer mij niet al van te voren in te vullen wat U zult gaan zeggen.

Ik ken uw werken, zegt Christus – Ik weet wat je doet,
Ik weet wat er uit je handen komt, Ik weet hoe hard je ervoor werkt,
wat je er allemaal voor doet, wat je er voor nalaat.
Wat hier op aarde binnen de gemeente gebeurt, het effect van wat er gedaan wordt,
dat is zichtbaar voor onze Heer. Dat wordt in de hemel opgemerkt.
En toch – voor de gemeente van Laodicea is dat geen compliment.
Er is iets in de gemeente, in wat de gemeente doet, wat uit de handen komt.
Van die werken die jullie doen, zegt Christus tegen de gemeente in Laodicea,
Wat ik daarvan zie, is dat die werken niet warm of koud zijn, maar lauw.
Zo lauw, dat ik je uit mijn mond uitspuugt.
Ik kom wel eens mensen tegen – niet persé gemeenteleden van déze gemeente –  
die dat over hun eigen gemeente zeggen: Onze gemeente is een lauwe gemeente.
Dan denk ik altijd: dat oordeel komt ons niet toe. Dat is het oordeel van Christus.
Want anders meten wij met onze eigen maatstaven.
Dan hebben we ons eigen ideale beeld van een gemeente
en bovendien denken we dan al gauw dat wij het wel goed doen
en dan wij die correctie van Christus niet nodig hebben.

Er is een mooie verklaring van dat warm en dat koud.
Het was de gewoonte om bij maaltijden wijn te koken samen met water.
Ik denk dat we dat dan moeten vergelijken met onze koffie, of thee, of soep.
Die gekookte wijn had dan een lekkere smaak, een genot om te drinken.
Die wijn is niet zomaar gekookt.
Als je die gekookte wijn laat staan, dan koelt het af, tot het lauw geworden is
en dan is het niet meer te drinken, dan is het lekkere er af.
Wijn kon je juist ook koelen, met sneeuw en ijs, net als bij ons een biertje of cola.
Dat koelen van de wijn was wellicht nog meer werk dan het opwarmen van wijn,
zeker in het klimaat van Laodicea.
Wanneer er geen ijs en sneeuw meer was om de wijn te koelen, dan werd de wijn lauw,
en dan was het niet meer te drinken, dan is het lekkere er af.
Lauwe wijn is wijn die de temperatuur van de omgeving aanneemt.
Een lauwe christen is een christen die niet meer afwijkt van de omgeving waarin je leeft.
Een lauwe gemeente is een gemeente die niet meer afwijkt van wat anderen doen.
Wijn verwarmen kost moeite, daar moet je ook iets voor doen
en juist omdat het verschil maakt met de omgeving geniet je er van en heb je er wat aan.
Een gemeente die anders is, die verschil maakt, die niet gelijk is aan de wereld,
die moet daar iets voor doen – net zoals wijn gekookt moet worden: dat kost tijd, kracht.
En die gekoelde wijn, dat is niet iemand die onverschillig is, die niet gelooft,
maar iemand die heel bewust streeft om Christus te dienen,
Hij is mijn Heer en heeft alle gezag in mijn leven.
Dat dienen gebeurt door een sober leven waarin je niet meegaat in de luxe van deze wereld.
Je laat iets na, wat anderen wel doen, dat gaat niet zomaar,
net zo intensief als het koelen van wijn in een warm klimaat.

En dan zegt Christus tegen de gemeente van Laodicea: Ik mis het verschil.
Als Ik naar jullie werken kijk, als Ik kijk naar wat jullie doen,
dan zie ik geen verschil met wat er in de wereld om je heen, in diezelfde plaats, gebeurt.
Het verschil is weg. Het dienen van Mij maakt geen verschil meer
En daaruit moet ik concluderen dat je Mij helemaal niet meer dient – alleen met woorden.
En waar zit dat dan in, dat gelijk aan de wereld zijn, dat geen verschil maken?
Die lauwheid, dat gelijk aan de wereld zijn, heeft te maken met de gemeente die zegt:
Wij hebben alles al. We komen niets meer tekort. Alles wat ons hartje begeert.
Ons leven hier op aarde is af.
Hier is een gemeente aan het woord die nog wel aan God doet,
die nog wel bij elkaar komt, uit de Bijbel leest en bidt, omziet naar elkaar,
maar zonder dat ze er erg in hebben Christus hebben buiten gesloten.
Ze missen Hem niet, want ze hebben alles al.
Want u zegt: Ik ben rijk en steeds rijker geworden en heb aan niets gebrek
Dat is heel wat, als je dat kunt zeggen:
(1) Ik ben rijk, (2) Ik ben steeds rijker geworden, (3) Ik heb aan niets gebrek.
Drie keer meer dan genoeg hebben, dan ben je er toch wel.
Het oordeel van Christus is anders: je hebt helemaal niets.
En je bent er veel erger aan toe dan je doorhebt.
Tegenover 3 keer meer dan genoeg in de gemeente plaatst Christus 5 zaken van gebrek:
u bent ellendig, u bent beklagenswaardig, u bent arm, blind en naakt.
Je bent een bedelaar en je hebt helemaal niets,
je ziet het zelf niet eens en je hebt niets om je sores te verbergen.
Je staat in je hemd, of nog sterker: je staat naakt voor God,
zoals Adam en Eva nadat ze hadden gegeven van de boom van kennis van goed en kwaad.
Hier is Christus die Zijn gemeente wil wakker schudden:
Besef je dan niet hoe slecht het met je gesteld is? Dat je zonder Mij bent?
En die leegte, dat gemis aan Mij heb je gecompenseerd met geld, aardse rijkdom.
In het Bijbelboek is dat geld, is aardse rijkdom één van die machten
Die de gemeente van Christus afhoudt, één van de machten die de gemeente verwoest.
Die machten worden in 11:18 vernietigers van de wereld genoemd
En die aardse welvaart, het goed hebben en daarom God niet nodig hebben, is er één van
van die machten die de wereld vernietigen.
De Bijbel zegt dat God een verterend vuur is, maar dat is die aardse rijkdom ook.
Dat leidt je op de verkeerde weg, dat verteert je uiteindelijk.
Je denkt alles te hebben, maar je hebt helemaal niets.
Niets als je voor God komt. Je kunt als je deze aarde verlaat helemaal niets meenemen.
Hoe vol je zakken ook zijn hier op deze aarde, voor God sta je met lege handen.
Hoezeer je ook kunt pronken met de kleren die je hebt, voor God sta je naakt.
Hoezeer andere mensen jaloers zijn op je inzicht, op je handigheid om geld te vergaren,
in geestelijk opzicht ben je blind, want je ziet niet eens dat je het allerbelangrijkste mist.

Zolang zij zich aan zulke zonden vasthouden moeten zij zich onthouden van dit brood en deze wijn die Christus allen voor de gelovigen heeft bestemd.
Zij komen met lege handen: Doe uw mond open en Ik zal hem vullen.

En dan komt Christus met Zijn raad, Zijn aansporing:
Zorg dat je krijgt wat Ik in de aanbieding heb.
Neem van Mij aan wat ik je allang heb willen geven.
Ook al heb je Mij buiten gesloten, Ik sta hier bij je, bij je hart, en Ik klop aan: laat Mij binnen.
Zeg niet meer: Ik ben voorzien, Ik heb alles,
Maar zeg: Heere, kom binnen, ik heb me vergist, mooier voorgedaan dan ik kon.
Ik heb helemaal niets. Mag ik Uw genade ontvangen?
En dit is dan het geschenk van Christus:
Goud – niet zomaar goud, maar gelouterd, gezuiverd in het vuur,
Gelouterd in het vuur – beeld van reiniging van onze zonden, zoals vuur het goud zuivert,
en het wijst vooruit naar het hemelse Jeruzalem waar de straten van goud zijn.
Neem hier al aan wat je daar zult hebben.
LAat alleen dat voor je waarde hebben wat in de hemel ook waarde heeft.
Het is een geschenk dat Christus wil aanbieden.
Neem die witte mantel aan, beeld van degenen die gereinigd zijn door Christus’ bloed,
de verlosten die in de hemel staan en net als de engelen de witte kleren mogen dragen,
bekleed met de heiligheid, de reinheid, de hemelse glans van Christus.
Het is een geschenk dat Christus wil aanbieden.
En zalf voor de ogen, waarmee onze geestelijke blindheid genezen wordt
en we niet meer zeggen hoe rijk we zijn zonder Christus maar hoe arm
en dat we in onze armoede alleen maar kunnen aankloppen bij Christus.
Het is een geschenk dat Christus wil aanbieden.

Ik zeg dat niet zomaar, zegt Christus, en ook niet om je eens flink de waarheid te zeggen,
maar omdat Ik van je houd, om je geef, Mijn leven voor u gegeven heb
en Ik wil dat je wordt gered.
Omdat Ik om je geef, van je houd, daarom spreek Ik je zo streng aan,
omdat Ik niet kan zien, dat je zonder Mij bent.
Keer je om, zoals je dat deed toen je ging geloven.
Voorbereiding avondmaal is je omkeren, terug naar die eerste liefde.
Voorbereiding avondmaal is die geschenken aannemen, die de Heere ons aanbiedt:
Zijn goud, hemelse rijkdom, Zijn kleding waarmee Hij onze schande wil bedekken,
Zijn zalf, waardoor onze ogen opengaan
en wij maar één ding zien: Christus die voor de deur van ons hart staat
om bij ons binnen te komen.

Aan de deur van ’s harten woning
klopt des hemels Bruidegom:
“Op, ontwaakt, de nacht is om.
Buiten wacht uw Heer en Koning:
kom mijn bruid, die ik bemin,
doe mij open, laat mij in!”

Christus, van zo ver gekomen,
wist, hoe Hij u vinden zou.
Geef u over aan zijn trouw;
klopt Hij nog, verwin uw schromen.
Schoon gij aarzelt, Hij houdt aan,
Hij zoekt bij u in te gaan.
Amen

Les 6 Gekruisigd en opgestaan


Dominee Langeraar is op bezoek bij de familie Diepeveen. Tijdens het gesprek vertelt mevrouw Diepeveen dat zij veel last van reuma heeft. Geregeld heeft ze pijnaanvallen. Toch wil ze niet bij de pakken neerzitten. Ze zegt: ‘Dan denk ik aan de Heere Jezus en hoeveel Hij voor ons geleden heeft. Hij heeft meer geleden dan ik.’

Anja de Bruin bezoekt met haar kinderen de begraafplaats. Ze gaan naar het graf van opa De Bruin. Bij het graf kijken ze naar de steen. Op de steen staat: Hier ligt mijn lieve man en en onze lieve vader Jan de Bruin. Er staat ook een Bijbeltekst op: ‘Johannes 11:25: Jezus zegt: Ik ben de opstanding en het leven.’ Zoon Maarten kijkt aandachtig naar de steen. Dan vraagt hij: ‘Ik heb opa nooit gekend. Zal ik hem ooit zien?’

Vraag 1: Wat betekent het voor jou dat Jezus is gestorven aan het kruis?



Vraag 2: Welk antwoord geef jij aan Maarten? Is het mogelijk dat hij zijn opa weer ziet?


Uitleg – kruis
In de vorige les ging het over zonde. Vandaag gaat het erover hoe God alles goed gemaakt heeft. God maakte de breuk die er tussen Hem en mensen gekomen is goed door Zijn eigen Zoon naar de aarde te sturen. Gods Zoon werd mens. Tegelijkertijd bleef Hij God. Hij was het allebei tegelijk: God én mens. Zijn komst had een doel: om te sterven en op de staan.
Het sterven van Jezus heeft verschillende betekenissen (die wel op elkaar lijken):

  • Jezus stierf vanwege onze zonde. Hij droeg in onze plaats onze schuld naar God toe. Daardoor is nu onze schuld weg en kan het weer goed worden tussen ons en God.
  • Het sterven Jezus heeft ons bevrijd uit de macht van de zonde en de duivel.
  • Het sterven en opstaan van Jezus is een overwinning op de dood.

In het Nieuwe Testament wordt de gebeurtenis van het kruis verteld in de vier evangeliën. In de brieven die in het Nieuwe Testament wordt vaak de betekenis uitgelegd. In het Nieuwe Testament kunnen we zien dat de christenen dit lijden en sterven van Jezus reeds in het Oude Testament zien aangekondigd.

 

Om de betekenis van het kruis goed te begrijpen, moeten we vasthouden dat Jezus niet alleen mens was, maar ook God bleef. God werd Zelf mens, net als wij. Alleen dan zonder zonde. Als Jezus aan het kruis sterft, betekent dat niets anders dan dat God Zelf onze schuld op zich neemt en onze zonde wegdraagt. Daardoor kunnen wij weer bij God komen en met Hem leven. Je zou kunnen zeggen: er is sprake van een ruil. Jezus neemt onze zonde op zich en ook onze dood. Hij geeft aan ons het eeuwige leven, een nieuw en heilig leven. Wanneer je gaat geloven, dan gaat deze ruil voor jou gelden: Jezus neemt jouw zonden over en jij mag vergeving krijgen en dat nieuwe leven.

De dood aan het kruis was niet zomaar een dood. Het was de meest verachte vorm van sterven. Jezus sterft de ergste vorm van sterven. Dat was bewust om aan te geven, dat hoe diep wij als mensen ook zinken: Jezus is nog dieper gegaan.
In het formulier van het avondmaal staat: Daar werd Hij gebonden opdat Hij ons zou ontbinden. Daarna heeft Hij onnoemelijk veel smaad geleden, opdat wij nooit meer te schande zouden worden. Hij is onschuldig ter dood veroordeeld, opdat wij in Gods gericht vrijgesproken zouden worden. Hij heeft zelfs Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten vastspijkeren, opdat Hij de schuldbrief van onze zonden daaraan zou hechten. Zo heeft Hij de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegen zou vervullen. Hij heeft Zich met lichaam en ziel aan het kruishout vernederd tot in de allerdiepste smaad en angst der hel, toen Hij met luide stem riep: ‘Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?’ opdat wij door God aangenomen en nooit meer door Hem verlaten zouden worden.

Lees: Lukas 23:33-48

Vraag 3: Jezus wordt tussen twee misdadigers geplaatst. Waarom? Wat is de misdaad die Jezus zou hebben begaan?




Vraag 4: ‘Verlos uzelf’, wordt er gezegd (vers 39), ‘Want dan geloven wij dat je de Christus bent’. Waarom verlost Jezus zichzelf niet?




Vraag 5: Er zijn twee reacties: spot en geloof. Welke mensen spotten er? Wie zijn degenen die geloven?




Vraag 6: Kun jij zeggen: “Jezus is voor mij gestorven?” Waarom wel/niet?


Uitleg – Opstanding
Ook de opstanding van Christus heeft verschillende betekenissen:

  • Het sterven van Jezus aan het kruis was geen mislukking, maar een weg die God bewust had gekozen voor Christus.
  • De dood is overwonnen.
  • Eens zullen wij ook opstaan. Als Jezus terugkomt.

De dood is een sterke macht. Geen mens is sterker dan de dood. Maar God wel! En dat is het bijzondere van de opstanding van Christus. Dan is sterven wel een verdrietig gebeuren, omdat je afscheid moet nemen. Tegelijkertijd is er hoop: er is na de dood een eeuwig leven met God. Als Christus terugkomt, zullen al degenen die overleden zijn, opstaan. Wie gelooft mag de hemel in en voor altijd bij Christus zijn. Als christen mag je leven op deze hoop gebaseerd zijn. Hoe mooi of hoe moeilijk dit leven ook is, we weten dat we het later beter krijgen: vrij van zorg en verdriet, vrij van de zonde en de duivel en voor altijd bij Christus. Dat is een leven om naar uit te kijken!


Lees 24:1-12

Vraag 7: De vrouwen gaan naar het graf. Wat is de reden dat zij gaan?



Vraag 8: Wat is het verwijt van de engel aan de vrouwen?







Heidelberger Catechismus Zondag 17 – vraag en antwoord 45
Vraag: Wat betekent de opstanding van Christus voor ons?
(1) Ten eerste heeft Hij door zijn opstanding de dood overwonnen, om ons in in de gerechtigheid* te doen delen, die Hij voor ons door Zijn dood verworven heeft.
(2) Ten tweede worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven.
(3) Ten derde is voor ons de opstanding van Christus een zeker onderpand** van onze eigen opstanding in heerlijkheid.

* Gerechtigheid: Dat het weer goed zit tussen ons en God; dat wij weer voor God kunnen verschijnen.
** zeker onderpand: onderpand is een soort voorschot, een soort bewijs vooraf. Dat onderpand is zeker, dat wil zeggen: de opstanding van Christus laat zien dat we er zeker van mogen zijn dat ook wij zullen opstaan en een nieuw, verheerlijkt lichaam krijgen.

Preek zondag 19 november

Preek zondag 19 november
Psalm 68:5-21 en Romeinen 8:18-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ik zal in dit vertrouwen leven – zongen we net.
Doet u dat eigenlijk?
Leven in het vertrouwen dat God uitkomst kan geven?
Dat dit geloof, dat God er zal zijn en redding zal brengen, u, jou overeind houdt
zelfs als het er niet op lijkt,
als het om je heen donker is, zo duister dat je er zelf niet meer uitkomt
en zo dreigend dat je zelf niet meer verder kan,
dat je niet de moed verliest en dat je daarom kunt zingen,
zelfs in de nacht, waarin alle licht om je heen weg is,
wanneer je wakker ligt van alle zorgen en allerlei piekergedachten in je rondspoken,
dat je kunt zingen van God, die er is,
in dat donker, terwijl je die zorgen hebt en niet kunt slapen
en zelf niet meer weet hoe het verder moet,
maar dat je weet: God zal zorgen dat het goed komt.
Leeft u wel uit dat vertrouwen?
Is dat wat jou opbeurt als je het moeilijk hebt?

Ik heb altijd bewondering als mensen zo kunnen leven,
zo op de Heere kunnen vertrouwen, dat ze altijd op Hem rekenen, in alle omstandigheden.
Ook je om je heen kijkt en zo weinig van God lijkt te merken.
Als het nieuws vol is van allerlei ellende, waarbij je denkt als je dat ziet:
Kan de Heere dat niet tegenhouden?
Je gaat haast denken dat er geen God meer is.
je hebt al je handen vol aan je eigen leven en je hebt tegenslag op tegenslag te verwerken.
Zingen? Dat kan ik niet meer, laat staan in de nacht, want die nacht is zo donker,
Ik zie zelf geen uitkomst meer – en waar is dan God?

En toch, het christelijk geloof is een geloof van hoop
– hoop dat God er is, dat de Heere ingrijpt, verandering brengt.
En dan niet in de vorm van een wens, waarvan je aanvoelt dat het onmogelijk is,
maar een overtuiging, rotsvast, omdat je weet dat God dat beloofd heeft
en die belofte zal waarmaken.

Van die hoop getuigen de beide Schriftlezingen:
Zing voor God, houdt Psalm 68 ons voor, want Hij blijft niet stil in de hemel zitten wachten
en zelfs als je het hier in deze wereld niet voor het zeggen hebt
en door veel mensen niet wordt gezien, voorbijgelopen wordt,
omdat je een weduwe bent, geen ouders meer hebt,
dan is er God die je ziet, die niet aan je voorbijgaat,
maar die voor jou, voor u uit de hemel neerdaalt en in actie komt.
Als niemand je ziet en je eenzaam bent,
Dan is God er die je eenzaamheid opheft omdat Hij mensen om je heen geeft,
bij wie je in huis mag komen, onderdeel mag worden van het huisgezin.
En tegelijkertijd de mensen die denken dat ze zich alles kunnen permitteren
en door niemand een strobreed in de weg gelegd worden
en hun gang maar lijken te kunnen gaan, die zich verrijken ten koste van anderen,
zij komen God op hun pad tegen en God stopt hun praktijken.
En berg je je maar als God niet vóór je opkomt, maar je tegenstander is,
want ontzagwekkend is God, krachtdadig en niet te stoppen, door niemand.
En toch wéér niet té groot voor een klein, eenvoudig mens die op de Heere vertrouwt.
Juist dan is er de Heere voor u, die voor u strijdt
Juist dan is God er die je niet alleen laat.
De sterkste macht zal verliezen van God, het onderspit delven
en God zal overwinnen.
Zelfs de dood, waar wij niet tegenop kunnen, waar wij ons gewonnen moeten geven,
Zelfs de dood, die machtige laatste vijand kan niet tegen God op.
Die God is een God van volkomen zaligheid (uitredding)
Bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.
Je kunt er van zingen, ook als je zelf de dood in de ogen kijkt.
Ook als je weet dat je zelf niet meer lang te leven hebt.
Hij kan, en wil en zal zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven.

Gelooft u dat ook?
Daarom zingen we erover, steeds weer opnieuw,
zodat we daar ook uit leven, dat God bij het naderen van de dood uitkomst geeft,
volkomen uitkomst.
Niet dat we onsterfelijk worden, of dat ons niets zal overkomen
of dat we geen angst meer hoeven te hebben,
maar wel dat we weten dat in het rumoer van de strijd,
als we de dood in de ogen zien,
als je weet dat je niet lang meer te leven hebt,
dat je weet dat God sterker is, sterker dan deze voor ons zo machtige vijand.
De dood en de angst voor de dood – dat wordt niet weggeduwd,
maar er wordt wel een weg gewezen naar God die ons kan beschermen, zal dragen,
die zelfs in de dood en door de dood heen een weg zal wijzen
naar een nieuw leven met Hem.

Die hoop op dat nieuwe leven dat God ons geeft ná de dood
Zien we ook in Romeinen 8.
Zoals Psalm 68 opkijkt naar de hemel en daar God verwacht,
die uit de hemel neerdaalt om te strijden, die komt,
ZO kijkt Romeinen 8 ook vooruit, naar Christus die komt, op de laatste dag,
de dag dat Christus wederkomt en er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen
de wereld die nieuw geschapen wordt.
Op die dag zal Gods heerlijkheid geopenbaard worden
en mag wie gelooft die heerlijkheid zien en zelf ook ontvangen,
Bekleed worden met deze heerlijkheid
en leven in deze heerlijkheid, de glans en glorie van God in de hemel.
Het is nog niet zover, maar het komt wel, we kijken er naar uit!
Dat is nu hoop, zegt Paulus, het is er nu nog niet.
Je ziet er om je heen nog niet veel van, maar je weet dat het zal komen,
Je weet dat Christus zal komen, dat die nieuwe hemel en die nieuwe aarde zullen komen.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde.
Ja, stil maar, wacht maar,
Dat is niet met de armen over elkaar zitten, maar dat is uitkijken naar Zijn komst.
Dat is op Hem je hoop vestigen, je leven bouwen.
Ook in tijden waarin je er weinig van ziet.
Als je alleen maar – zoals Paulus dat noemt – het lijden van je eigen tijd kunt zien.
Lijden, omdat deze wereld niet meer is zoals God die bedoelde bij de Schepping.
Je hoeft maar je ogen ervoor open te doen om het lijden te zien.
Ver weg, de ellende die door het nieuws, door internet of door een krant wordt gedeeld:
Oorlog, geweld, natuurrampen, klimaatverandering
of dichtbij iemand die ziek wordt, onverwacht overlijdt,
Heel de schepping zucht, want lijdt ook aan de zonde
en heel de schepping kijkt uit naar die dag waarop de schepping vrij mag zijn.
En toch – ook al is het nog niet zo ver: toch kan er nu al van gezongen worden,
Alsof het al zover is. Alsof die nieuwe wereld er al is,
omdat we weten dat die er – door God – zál komen.
Ook al zuchten we onder dat juk van de zonde, ook al kunnen wij onszelf niet bevrijden,
we weten dat Christus onze bevrijder is en zal zijn.
Naar Hem kijken we uit als het leven te zwaar wordt.
Daar is geen dood, geen rouw, geen leed, geen zielsangst meer,

maar eeuw’ge blijdschap wacht de ziel, daarboven bij de Heer.
We krijgen het alleen maar beter.
Ook al is ons leven nog zo mooi hier,
En soms kan dat ook zo zijn, maar dat is maar kwetsbaar,
het valt mij op in gesprekken
dat er altijd wel iets valt te delen van verdriet, van zorg, spanning.
Voor de buitenwereld lijkt iemand een mooi leven te hebben, zonder problemen,
maar als je bij iemand in huis stapt en zijn of haar verhaal hoort,
Dan weet je dat de uitdrukking: Ieder huis heeft zijn kruis niet zomaar is.
Maar ook als je het wel goed hebt, geldt: Je krijgt het alleen maar beter.
Het is niet alleen iets om naar uit te kijken als je diep in problemen zit,
maar een toekomst voor iedereen om naar uit te kijken, te grijpen.
Doe je dat ook? Doet u dat ook?
Wij verwachten het met volharding, zegt Paulus.
We zien het nog niet gebeuren, maar houden er wel rekening mee.
Heel ons leven is daarop afgestemd – op God die komt.
Het is een lied dat met je meegaat, dat je leven begeleidt, kleur geeft:
Die God is ons een God van heil;

Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,

Ons ’t eeuwig, zalig leven;
Amen

Les 5 zonde en schuld

Les 5 zonde en schuld

Intro
Marieke zit in de kerk en luistert naar de preek. De dominee gebruikt geregeld het woord zonde. Ergens weet ze wel wat het betekent, namelijk dat er iets niet goed zit bij haar. Toch blijft ze er over nadenken: Wat zit er eigenlijk niet goed bij haar? Moet ze zich ergens schuldig over voelen? Waar zou ze zich schuldig over moeten voelen? En hoe moet ze daarmee verder? Deze vragen worden in de preek niet echt behandeld. Het lijkt wel alsof de predikant ervan uitgaat dat iedereen weet wat zonde is. Ze gaat met meer vragen de kerk uit dan ze binnen kwam.

De familie Jansen is – zoals elke zondagmorgen – na kerktijd op bezoek bij oma Jansen. In de afgelopen week is er iets heftigs gebeurd. Twee mannen hebben een winkel overvallen en daarbij de eigenaar doodgeschoten. Deze gebeurtenis zorgt voor veel gespreksstof. Iedereen is verontwaardigd over wat er gebeurd is. ‘Ze moeten de doodstraf weer invoeren,’ zegt een van de familieleden. Dan zegt oma Jansen: ‘Het is erg wat er gebeurd is, maar niemand van ons is een haar beter. Wij zijn ook in staat om zoiets ergs te doen. Alleen bewaart de Heere ons er gelukkig voor om zoiets ergs te doen.’

Vraag 1: Marieke weet niet goed wat zonde betekent. Heb jij wel een idee wat zonde is?




Vraag 2: Welke vragen heb jij bij het thema ‘zonde’?



Vraag 3: Stel jij was bij de familie Jansen aanwezig geweest, hoe zou jij reageren op oma Jansen?


Uitleg
In de Bijbel wordt op twee manieren gesproken over zonde: (1) Zonde kan een concrete daad zijn, iets wat je doelbewust verkeerd doet, (2) Zonde wordt ook gezien als een macht, die je leven gaat beheersen. Daardoor heb je niet meer zelf de regie over je leven, maar stuurt de zonde jou aan: de zonde bepaalt wat je denkt, wat je voelt, wat je doet of wat je nalaat. Zonde heeft altijd effect op anderen: God of de mensen om je heen worden beschadigd of pijn gedaan. Daarom neemt God de zonde altijd serieus.

 

  • Doel missen: Wij zijn als mensen geschapen om God te eren. Dat was het doel waarvoor God ons schiep. Door onze zonde voeren we deze taak niet uit.
  • Misdaad: een daad die niet goed was, waarmee iemand God of een ander mens tekort doet of beschadigt. Meestal gebeurt dat doelbewust.
  • Contractbreuk: er is een contract of verbond dat niet gehouden wordt en bewust verbroken wordt. Dat verbond kan het verbond met God zijn of een contract tussen mensen onderling.

 

In het Oude Testament wordt steeds verteld hoe het volk Israël steeds bij God vandaan ging door andere goden te eren. Daarnaast kwam het geregeld voor dat de koning of andere leiders van het volk geen zorg droegen voor de kwetsbare mensen, maar de armen, de weduwen, wezen en rechtelozen uitbuitten. Dan stuurt de Heere profeten om deze misstanden aan te kaarten bij de leiders.
In het Nieuwe Testament vertelt de Heere Jezus dat zonde zich ook verborgen kan houden in je innerlijk, in je hart. Aan de buitenkant is dat niet te zien. Je kunt aan de buitenkant heel vroom overkomen, maar van binnen een minder vrome bedoeling hebben. Je kunt ogenschijnlijk heel eerlijk zijn, maar het van binnen een heel oneerlijke intentie hebben. Zonde heeft te maken met je hart: wat leeft daar?

Vraag 4: Stel dat je iets verkeerds doe: hoe weet je dat het verkeerd is?



Vraag 5: De zonde kan een macht zijn die je beheerst. Dan doe je niet wat je zelf wil, maar dan neemt de zonde de regie als het ware in je over. Wanneer merk je iets van dat de zonde de regie in je over neemt?


God heeft de wereld zonder zonde geschapen. De zonde is in de wereld gekomen nadat Adam en Eva van de vrucht hadden gegeten, waarvan ze niet mochten eten. Dat lijkt een onschuldig vergrijp van Adam en Eva. Toch is het heel ernstig geweest. Wanneer Adam en Eva van de boom van kennis van goed en kwaad zouden eten, zouden ze ook weten wat slecht is. Dan zouden ze gemeen kunnen zijn, oneerlijk, niet meer integer. Sindsdien zijn de mensen anders geworden dan God heeft geschapen.
De gevolgen zijn groot: niet alleen in het omgaan met elkaar is er veel slechtheid gekomen, maar met onze zonde kunnen wij niet met God leven. Zonde betekent dat wij ons losgemaakt hebben van God en dat wij tegenover God zijn komen te staan, als vijanden van God. Zonder God kunnen we echter niet leven en gaan we verloren.
De Heere had alle reden om ons weg te sturen bij Hem vandaan. Maar Hij wilde niet dat wij verloren zouden gaan. Daarom vertelt Hij direct nadat de mensen gezondigd hebben, dat er Iemand komt om ons te bevrijden van de zonde.
Zonde was geen vergissing. Dat gebeurde niet per ongeluk. Maar het was een bewuste daad tegen God, vanuit wantrouwen tegenover God. Ieder mens is sinds Adam en Eva daarom schuldig tegenover God. Daarnaast kan er een schuld zijn die we hebben naar God of andere mensen toe, omdat we bewust iets verkeerd deden.

Zonde heeft de neiging om te zeggen: het valt wel mee. Zo verkeerd is het niet. Zie bijvoorbeeld in het paradijs: ‘Het is niet zo erg om van die boom te eten. Sterker nog, je wordt er wijzer van.’ De zonde zaait echter wantrouwen en het gevolg is dat je God niet meer vertrouwt. Omdat je Hem niet meer vertrouwt, bouw je je leven niet meer op Hem. Je zoekt ergens anders raad. Je zoekt iets of iemand anders dat je gelukkig maakt. Daarbij laat je God in de steek. Zo gebeurde dat in het paradijs. Zo gebeurde dat steeds met het volk Israël.

Lees Genesis 3

Vraag 6: Wat de slang zegt, klopt niet (vers 1). Wat klopt er niet? (Zie vers 2 en 2:16-17)



Vraag 7: Waarom gaat Eva toch van de vrucht eten?



Vraag 8: Wat is het gevolg?



Vraag 9: Waarom verstoppen Adam en Eva zich voor God?



Vraag 10: Welke straf krijgen Adam en Eva?



Vraag 11: Welke belofte krijgen Adam en Eva?


Geloofsbelijdenis – Heidelberger Catechisms
Zondag 1, vraag 2: Wat moet u noodzakelijk weten om in deze troost godvruchtig te leven en te sterven?
Drie dingen: (1) Hoe groot mijn zonde en ellende zijn, (2) Hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost wordt, (3) Hoe ik God dankbaar kan zijn voor deze verlossing.

Zondag 3, vraag 8:  Zijn wij dan zo verdorven dat wij geheel en al bekwaam zijn tot iets goeds en geneigd tot alle kwaad?
Ja, tenzij wij door de Geest van God wedergeboren worden.

Vragen bij Romeinen 7

Vragen bij Romeinen 7

1) In de preek zijn twee mogelijkheden om het ‘ik’ te duiden: hier spreekt (a) of de oude mens buiten Christus (Adam en zijn nakomelingen) of (b) hier spreekt de mens die reeds met Christus verbonden is. Welk ‘ik’ is volgens jou aan het woord? Waarom?

2) In de preek wordt een gedeelte van zondag 1 van de Heidelberger Catechismus geciteerd: mijn troost is dat ik eigendom ben van Christus, verlost uit de heerschappij van de duivel. Zou je dat van jezelf kunnen zeggen? Waarom wel / niet?

3) In de preek wordt gekozen voor de visie dat het ‘ik’ de oude mens is. Tegelijkertijd wordt er gezegd: dat oude leven ligt nog op de loer. Door veronachtzaming van de bevrijding kan de zonde weer macht over je krijgen. Wanneer gebeurt dat? Maak dat eens praktisch!

4) In de preek wordt de herinnering van het door Christus bevrijd zijn gekoppeld aan de herinnering aan de doop en aan de voorbereiding van het avondmaal. Op welke manier ben je bezig met je doop? Houd je je doopdag in herinnering? Welke andere vormen heb je om het besef levend te houden dat je gedoopt bent?

5) En hoe ga je om met het avondmaal? Hoe bereid je je voor? Waar ligt het accent op: op de zonde, op de verlossing of op de dankbaarheid? Waar blijkt dat uit?

6) In de preek wordt wel heel stellig gezegd dat het nieuwe leven voor mij is. Is dat terecht? Moet daar het accent op liggen? Of meer op de waarschuwing? Op welke manier zou een waarschuwing kunnen klinken, die mensen echt aan het nadenken zet en bij Christus brengt?

7) In de preek wordt gezegd dat je je ellende alleen door God (of door Zijn wet) kunt kennen. Ben je het daarmee eens? Hoe is dat bij jouzelf gegaan?

 

Preek zondag 12 november 2017

Preek zondag 12 november 2017
Schriftlezing: Genesis 3:1-6; Romeinen 7:14-26
Tekst: vers 20-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wie is die ‘ik’ waar Paulus over spreekt?
De ik die zegt: Want het goede dat ik wil, doe ik niet,
maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

Er zijn twee mogelijkheden:
De ‘Ik’ die hier spreekt is de oude mens, degene die niet van Christus is.
Of: de ‘ik’ is de gelovige, die reeds van Christus is, bij Hem hoort
en nog steeds – ondanks de band met Christus – een innerlijke worsteling in zich herkent:
de worsteling dat je in jezelf nog steeds een neiging hebt
om precies het tegenovergestelde te doen: het goede niet te doen en het kwade wel.
Wie is die ‘ik’ die hier aan het woord is?

Ik heb altijd meegekregen dat de ‘ik’ die hier aan het woord is
de gelovige is, die na verbonden te zijn met Christus
nog steeds in zich heeft om voor het verkeerde te kiezen.
Ook als je in Christus bent gaan geloven, ben je nog niet los
van die neiging die voor het verkeerde kiest.
Binnen in jezelf weet je dat je het niet moet doen,
maar je doet het toch, omdat er iets in jezelf sterker is waardoor je het toch doet.
Je weet dat je niet mag roddelen, maar toch is er die neiging
om dat verhaal toch door te vertellen – ook al ben je met Christus verbonden.
Je weet dat je iemand niet mag haten, en toch je hebt zo’n sterk gevoel
dat je iemand echt niet mag – ook al behoor je Christus toe.
Ook nadat we bij Christus zijn gekomen, aan Hem toebehoren,
heeft ons eigen ‘ik’ een neiging in zich die destructief is, die kapot kan maken,
dat ondanks alle waarschuwingen die je in de wet van God hoort, je er toch voor te kiest
omdat er in jezelf een neiging is die sterker is, die niet van God komt.
En al wil je het zelf niet, je doet het toch.
Een wil, een verkeerde wil, zondig en vijandig tegenover God, die de macht in je overneemt.

De vraag is alleen of deze uitleg wel helemaal recht doet
aan wat Paulus hier schrijft in zijn brief aan de gemeente in Rome.
Paulus is hier namelijk een verschil aan het uitleggen tussen vroeger en nu:
Vroeger in de tijd zonder Christus,
toen je Hem nog niet kende, toen je nog niet aan Hem verbonden was,
Toen je nog leefde in de macht van de zonde,
was je niet jezelf en kon je niet je eigen gang gaan,
maar was er een ander die over je heerste: de zonde was je te sterk.
Er is echter iets veranderd: een nieuw leven, een leven waarin die macht verbroken is.
Dat andere leven is ook zichtbaar gemaakt, gemarkeerd: door de doop.
De doop – ondergegaan in het water – betekent dat je een nieuw leven bent ingestapt.
De doop en ingaan in dat nieuwe leven betekent ook,
dat er ook een Ander gekomen is, die over uw leven heerst.
Niet meer de zonde die alle macht heeft in je leven,
die macht is verbroken en je hebt een andere Heer gekregen: Jezus Christus.
Je bent bevrijd!
Het is de troost waar zondag 1 van de Heidelberger Catechismus over spreekt:
Mijn enige troost in leven en sterven is, dat ik eigendom ben
van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus.
Hij heeft mij uit de heerschappij van de duivel verlost.
Geworden van een ander, de eigendom van een ander.
Ik behoor niet meer de zonde toe, maar Christus die voor mij stierf aan het kruis.

Ooit sprak iemand mij aan na een kerkdienst.
In de dienst had ik die eerste zondag van de Catechismus gebruikt als geloofsbelijdenis
en het had geklonken dat het een troost is, dat ik nu eigendom ben van mijn Heer.
Ze sprak mij aan, omdat ze zich stoorde aan het woord eigendom.
Het gaf haar helemaal geen troost dat ze eigendom geworden was van Christus.
Dat benauwde haar.
En toen vertelde ze haar levensverhaal.
Hoe ze vastgelopen was in haar relatie,
en dat ze in die relatie steeds meer zichzelf was kwijtgeraakt.
Ze had het gevoel dat ze steeds meer eigendom werd van haar man.
Die relatie was gesprongen, de breuk was heftig geweest
en nu ze op zichzelf woonde, kon ze weer zichzelf worden, vrij zijn, ademen, opleven.
Dat woord eigendom deed haar denken aan die relatie, waar ze juist net uit was.
Eigendom van Christus – dat gaf haar een benauwd gevoel.

Juist die bevrijding uit een band die knelt, waarin je niet meer jezelf kunt zijn,
maar gedwongen om anders te zijn dan je bent
En anders te doen dat je vanuit jezelf zou willen,
de ervaring van die bevrijding dat is juist wat Paulus hier wil aangeven}
en ook wat de Catechismus in het antwoord op zondag 1 aangeeft.
Nog intenser bij Paulus, bij de Catechismus,
Een echte bevrijding, omdat het oude leven, waarin er een macht over je heerst
verbroken is, de gevangenis van de zonde is opengegaan
En het mogelijk is dat die neiging die in ons is, gestopt wordt,
het niet meer voor het zeggen heeft
en dat het patroon om steeds het verkeerde te doen, het verkeerde dat God verboden heeft,
om dat toch te doen – dat het patroon verbroken is.
Romeinen 7 gaat over het oude leven, het schrikbeeld van een leven zonder Christus,
overgeleverd aan die destructieve macht die over ons wil heersen
en ons tegen God wil laten ingaan.
Zo was het vroeger – nu is het anders; God zij dank.
Dat was het oude leven – nu hebben we een nieuw leven ontvangen.
Door Christus onze redder, die ons bevrijdde uit die macht.
Waarom dan nog aandacht voor dat oude leven?
Waarom nog zo vertellen over dat oude leven, op zo’n levendige manier
waardoor je als gelovige, bevrijd en verbonden aan Christus,
jezelf nog kunt herkennen in wat Paulus hier in Romeinen 7 beschrijft?
Omdat dit oude leven nog op de loer ligt om je terug te trekken,
omdat de zonde je niet zomaar wilt laten gaan.

Onlangs was ik samen met Rianne in het Bevrijdingsmuseum in Groesbeek.
Toen we binnenkwamen, zei de mevrouw die bij de kassa zat:
Dit is een Bevrijdingsmuseum, geen oorlogsmuseum.
Er wordt wel over de oorlog verteld en dat maakte ook wel indruk.
De strijd die geleverd is in vanaf september 1944 tot in het voorjaar van 1945 in die regio
door de parachutisten en de grondtroepen, de vele soldaten die gesneuveld zijn.
(We zijn later ook bij een grote Canadese begraafplaats geweest,
indrukwekkend om daar te lopen, de leeftijden te zien
en ook te zien dat een aantal na de oorlog is overleden, waarschijnlijk aan verwondingen).
Het museum was een Bevrijdingsmuseum:
Het verhaal van de oorlog wordt verteld om aan de bezoeker te laten weten:
Je vrijheid is bijzonder. Daar is heel wat aan vooraf gegaan.
Er is een groot offer voor gebracht, door soldaten van ver weg,
die hier meestal vrijwillig kwamen om te strijden, om ons te bevrijden van een vijand.
Te bevrijden van een dictatuur.
Hoe ga je met die vrijheid om? Hoe waardeer je die vrijheid? Hoe vul je die in?
Dat de oorlog veel gekost heeft, dat was mij wel bekend.
Ook in Veenendaal, waar ik opgroeide, was dat besef er.
Omdat dit strijdtoneel geweest is, in de meidagen van 1940
en laat bevrijd als een van de laatste plaatsen.
Daar in dat museum en daar lopend in die regio van Groesbeek
maakte het weer indruk, welk offer er gegeven is.
En kun je het voorstellen hoe het leven er ongeveer uit zal zien
als we die vrijheid verkwanselen.
In een dictatuur terechtkomen zal niet snel gebeuren, daarvoor zit de vrijheid te diep.
Maar ook door onverschilligheid voor anderen, of door gemakzuchtig leven
zonder er bij stil te staan hoe bijzonder het is om in vrijheid te leven
dat we onze bevrijding te danken hebben aan dat offer dat gebracht is.

Zo schrijft ook Paulus over dat offer, dat Christus bracht voor onze bevrijding.
Een groot offer, we zijn bevrijd, we mogen in vrijheid leven.
Waar Paulus over schrijft, die macht die ons beheerste is verleden tijd, voorbij.
Maar pas op. Je moet er niet achteloos van worden.
Je moet scherp blijven, want die onvrijheid kan weer terug komen.
We kunnen onze vrijheid weer kwijtraken, weer in die gevangenschap van de zonde komen.
Daarom spreekt Paulus over deze ‘ik’.
Het is de ik van Adam, en niet alleen van de Adam die uit het paradijs is gestuurd,
maar van elke Adam die sindsdien leefde,
die erachter kwamen welke verwoestende gevolgen de zonde heeft gehad,
niet alleen op onze band met God, maar ook op ons innerlijk, op wat ons aanstuurt, aandrijft.

Hoe kom je er eigenlijk achter, dat de zonde verwoestend is.
Dat die verkeerde neiging er is, dat een ander in jou het stuur heeft overgenomen?
Ontdek je dat zelf? Kom je daar zelf achter, omdat je de negatieve gevolgen ervaart?
Nee, dat de zonde verwoestend werkt, daar kom je niet zelf achter.
Dat ontdek je door de wet.
De wet van God heeft verschillende betekenissen voor een christen.
Een van die betekenissen, een van de functies is dat de wet aanwijst  wat zonde is.
Het is de wet van God die de zonde ontmaskert, die de zonde onthult.
De wet, dat is Gods wil. De wet is heilig en komt bij God vandaan.
In dit gedeelte moet Paulus uitleggen waarom de wet goed is,
want hij heeft gezegd dat de zonde van de wet gebruik maakt om juist de zonde te doen.
Dat werkte aanlokkelijk: Wat je niet mag, dat ga je juist doen.
Wat God in Zijn wet verbood, dat ga je juist opzoeken, dat wil je doen.
Is de wet dan verkeerd, nee: de wet komt bij God vandaan.
Het zijn Gods woorden.
Maar de zonde is er mee aan de haal gegaan.
Toen God Adam verbood in het paradijs om niet van die ene boom te eten
liet God weten dat het niet goed is om te begeren,
dat het niet goed is om iets te pakken wat niet van jezelf is, wat God verboden heeft.
Maar juist daardoor werd die ene vrucht zo aantrekkelijk,
terwijl er duizenden andere vruchten waren, werd juist deze ene vrucht gegeten.
Als je niet mag roken of drinken, dan is het stoer om het wel te doen.
Als je niet veel te hard hard mag rijden of niet zonder licht mag rijden,
dan ga je dat juist wel doen. Om uit te dagen, te provoceren,
om zelf erachter te komen wat er zo slecht is
en dan valt het eerst vaak nog wel mee.
Zo maakt de zonde gebruik van de wet. Provocerend: Kijk mij eens doen wat verboden is
en het valt toch wel mee.

Nee, zegt Paulus het valt niet mee.
Het zorgt ervoor dat je niet meer jezelf bent, je vrijheid kwijt bent,
net als met een verslaving, dat je er niet tegenop gewassen bent, dat je het wel moet doen.
Het kwade dat ik niet wil, dat doe ik toch. Ik kan niet anders, die macht in mij.
Die macht in mij, die tegen God was, die ik in mijn leven heb toegelaten.
Die zorgt ervoor dat ik Gods wet niet meer kan houden.
Die zorgt voor een verscheurd ik, in mijzelf:

Mijn God, gewapend tot de tanden, voeren twee mannen in mij strijd:
één wil dat ik te rechter tijd voor U in liefde zal ontbranden,
de ander wil uw recht aanranden en drijft mij tot opstandigheid.

Ik zoek vrede, maar oorlog maak ik, roep vrede, en pleeg snood verraad.
Het goede willen geeft geen baat. Naar werken van vrede haak ik,
maar ‘t goede dat ik wil verzaak ik, en doe het kwade dat ik haak.

Kom mijn verscheurde hart genezen, o Heer, door uw genade groot;
Ik ben het zelf die weerstand bood. Herstel de eenheid van mijn wezen
en laat U dienen en U vrezen wie eens slaaf was van de dood.

Christus is gekomen, zegt Paulus – God zij dank.
Die verscheurdheid is niet het enige verhaal meer voor wie gelooft,
Die macht over je, die heeft niet meer het laatste woord over jou.

En toch is het goed om dat verleden, dat wat eens was, niet te vergeten,
omdat je er nog mee kunt worstelen,
Zoals er na de oorlog niet gelijk een nieuw bestaan was,
maar de schade hersteld moest worden van de steden die vernield waren,
huizen die bijgebouwd moesten worden, een woningnood die lang aanhield
En in Duitsland degenen die in Hitler en het nationaal-socialisme hadden geloofd
dat gedachtengoed uit hun hoofd moesten krijgen en anders moesten gaan denken,
anders leven, anders handelen, nu gericht op vrede en democratie.
Een nieuw leven, maar niet door dat oude leven te vergeten,
maar te herinneren als het verleden waar we vandaan kwamen, wat achter ons ligt
en wat ons steeds weer kan bedreigen als we losraken van Christus.

Ik kwam tegen dat dit gedeelte gelezen zou kunnen worden
bij een voorbereiding van het avondmaal.
Om weer helder te hebben waarom Christus moest komen, moest lijden, moest sterven
voor onze zonde die over ons leven gekomen was, omdat wij God inruilden
voor die andere macht, meer luisterden naar de slang dan naar God.
En dan dit gedeelte als verootmoediging.

Dit gedeelte zou ook gelezen kunnen worden als herinnering aan onze doop.
Meestal doen we niet zoveel met onze doop. Wellicht als er een doopdienst is.
Maar je zou op de dag waarop je gedoopt bent, dit gedeelte kunnen lezen.
Dat wat ik lees was mijn oude leven. Ik mag nu een nieuw leven hebben.
Maar ik moet wel waakzaam blijven.
Niet denken dat ik dat oude leven heb overwonnen,
maar dat ik dat nieuwe leven heb gekregen – genade van God, door Christus.
Dan lezen we dit gedeelte ook vanuit dankbaarheid.
zoals Paulus eindigt met dankbaarheid:
Ik ellendig mens, wie zou mij kunnen verlossen? Ik dank God, door Jezus Christus.
Ook bij de kinderdoop gaat het om dat verleden, dat wat eens was, dat oude leven
en het nieuwe leven dat gegeven wordt.
Belijd u dat deze kinderen, hoewel ze in zonde ontvangen en geboren zijn,
toch in Christus geheiligd zijn en daarom gedoopt horen te worden.
Ook voor onze kinderen mag het gelden: de macht van de zonde is al verbroken.
Dat nieuwe leven is er ook voor hen.
Ze zullen die strijd wellicht herkennen, maar ze hoeven niet hopeloos te zijn
als ze weer een nederlaag lijden, en toch weer een verkeerde keuze maken
en gehoor geven aan die neiging.
De zonde heeft de macht verloren – die neiging kan soms weer opvlammen,
die innerlijke strijd kan er zijn, je kunt er moedeloos van worden.
En toch, je mag danken, ook al lijkt het voor jezelf moedeloos,
Ik dank God, in Christus. Ons staat een sterke held terzij, die God ons heeft verkoren.
De strijd is reeds gestreden, de overwinning reeds behaald
en het is mogelijk om daar reeds in te delen,
maar dan moet je er wel naar leven.
Het verbond, dat ook met de doop twee kanten heeft: een leven in gehoorzaamheid.
Dat kan – ook al voel je vaak die neiging van de zonde.
Het kan, omdat Christus gekomen is, overwonnen heeft
en jou, u bevrijd heeft en Zijn Geest geeft om het goede te leren,
het goede te doen, te leven naar de richtlijnen en de geboden van God.
Dan wordt de wet niet alleen maar iets wat aanwijst waar het fout gaat
en de zonde onthult, ontmaskert, maar ook een aanwijzing voor hoe wij
moeten en ook kunnen leven – tot eer van God.
Ik kan dat niet uit mijzelf – ik was ten dode opgeschreven,
maar God kwam, in Christus, om mij te bevrijden en dat nieuwe leven te geven.

We vieren onze bevrijding door Christus:

W’ ontkwamen haast des vogelvangers net,

Den lozen strik, tot ons bederf gezet:

De strik brak los, en wij zijn vrij geraakt.

De Heer’ is ons tot hulp op ons gebed;

Die God, die aard’ en hemel heeft gemaakt.


Amen