Geestelijke rijpheid nodig om predikant te zijn

Geestelijke rijpheid nodig om predikant te zijn

Zeventwintig was ik toen ik bevestigd werd als predikant. Een jaar eerder had ik mijn studie afgerond, in mijn geval een gecombineerde opleiding van de studie godgeleerdheid en de kerkelijke opleiding. De morgen na mijn bevestiging was er een overdracht met de pastoraal medewerker die in de vacante tijd het pastoraat voor zijn rekening had genomen. Vanaf dat moment was ik de predikant van twee kleine gemeenten in Noord-Holland: Ilpendam en Watergang.

Wist ik eigenlijk wel wat ik moest doen? Wist ik wat de rol van een predikant was en was ik daar genoeg op voorbereid? In de weken voorafgaande aan mijn bevestiging dacht ik wel dat ik het wist, maar toen de bevestiging achter de rug was en het werk moest beginnen, wist ik nauwelijks wat ik moest doen. Ik pakte de eerste dagen maar wat boeken uit de kast om te kijken wat ik moest doen.

Voorleven
Nu ik dertien jaar verder ben, besef ik dat ik op me tot dan toe voorbereid had op taken die ik had als predikant. Ik had me nooit gerealiseerd dat veel belangrijker dan de taken die ik zou gaan verrichten, was dat ik iemand was op die plek die het leven met Christus voorleefde en dat het mijn taak was om de gemeenteleden te helpen bij het ontdekken van Gods aanwezigheid in hun leven. Terwijl ik zelf nog niet helemaal klaar was met mijn geestelijke ontwikkeling moest ik wel geestelijk leiding geven aan deze twee kleine gemeenten.

Geestelijke rijpheid
Juist een bepaalde geestelijke rijpheid is belangrijk om als predikant in een gemeente vruchtbaar te zijn. Over die geestelijke rijpheid die nodig is, schreef Craig Barnes een boek. Barnes is rector van het Princeton Theological Seminary en heeft als hoogleraar de taak studenten voor te bereiden op hun latere rol als pastor in een gemeente. Barnes grijpt daarbij terug op gravitas, een term uit de traditie van de Puriteinen.
People-M-Craig-Barnes-2018
Met gravitas wordt bedoeld dat de predikant genoeg geestelijke ervaring en levenservaring heeft opgedaan om de aanwezigheid van God op te merken in het leven van gemeenteleden. Die gemeenteleden houden zich vaak niet bezig met diepgaande geestelijke zaken, maar lopen tegen allerlei alledaagse dingen op die nauwelijks iets geestelijks lijken te hebben.

God aanwezig
Het is de kunst van de predikant om waar te nemen hoe God daarin aanwezig is. Om met de ondertitel van het boek van Barnes te spreken: om de heilige momenten in de gemeente te ontdekken in die alledaagsheid. Tijdens het lezen van dit boek bedacht ik dat het me mij erg geholpen had als ik geweten had, dat dit mijn rol was als predikant van een gemeente. Het had mij enorm geholpen als ik geweten had, dat ik niet alleen met hart, maar ook met ziel pastor was: oog voor Gods werk in mijn eigen leven en in de levens van gemeenteleden. Natuurlijk wist ik dat wel als theorie, maar het duurde een behoorlijke tijd voordat ik ontdekte hoe belangrijk dat ook voor mijzelf was.
download (1)
Fictief dagboek
Met Diary of a Pastor’s Soul heeft Barnes een boek geschreven om beginnende en ervaren predikanten te helpen die geestelijke rijpheid te ontwikkelen. Hij heeft voor een bijzondere vorm gekozen: een fictief dagboek van een predikant die in zijn laatste jaar als predikant is. Voordat hij met emeritaat gaat, maakt hij nog één keer een cyclus van het kerkelijk jaar mee. Per maand beschrijft hij zo’n vijf voorvallen die hij meemaakt, waarbij hij er voor zichzelf op reflecteert.

Het eerste voorval dat hij beschrijft is het afscheid van een vrouwelijke kerkrentmeester, die na 22 jaar kerkrentmeesterschap haast denkt dat de kerk van haar is en erg gehecht is aan het gebouw. Het gebouw lijkt haast heiliger dan de missie van de kerk op die plek. Zijn ontdekking is dat de vrouw iets belangrijks vertegenwoordigt: de kerkelijke traditie die ook vorm gekregen heeft in stenen gebouwen. De kerk gaat verder terug dan onze persoonlijke ervaringen.

God houdt van routine
Een andere ontdekking die deze predikant heeft gedaan is Gods voorkeur voor het gewone, het alledaagse. God houdt van routine. Het predikantschap bestaat daarom niet uit het doen van spectaculaire bezigheden, maar uit kleine dingen, die wel zo geloofwaardig mogelijk gedaan moeten worden. Het is dan de taak van een predikant om te zien hoe God in dat alledaagse, in die routine aanwezig is en werkt. Een belangrijke rol van de predikant in een gemeente is die aanwezigheid in het gewone waar te nemen en te helpen waarnemen.
download
Slachtoffer van populaire illusie
Dat alledaagse is niet altijd fraai: een gemeentelid die meldt gekwetst te zijn, dominante ouders die voor hun zoon willen bepalen welke studie hij moet gaan doen, een jongvolwassene die overambitieus is, gemeenteleden die geen afscheid hebben kunnen nemen van de vorige cantor-organist en moeite hebben met de huidige cantor-organist. Een van de gemeenteleden is in zijn ogen slachtoffer van de populaire illusie dat je je als mens je eigen leven moet samenstellen en dat je dat het beste kunt doen door steeds te kiezen, ook als het gaat om geloof: jij als mens bepaalt wat goed voor je is.

Wij zijn echter geen Schepper en daarom is het waardevol om elke zondag de geloofsbelijdenis uit te spreken, waarin we geloven in God die groter is dan onze keuzes en waarin we ons scharen in een traditie die dieper is dan onze voorkeuren.
Dit mooie boek van Barnes is ook heel geschikt om met elkaar als predikanten onderling door te spreken over wat de rol van een predikant is en om elkaar te helpen het heilige in het alledaagse te ontdekken.

N.a.v. M. Craig Barnes, Diary of a Pastor’s Soul. The Holy Moments in a Life of Ministery (Grand Rapids: Brazos Press, 2020)

Blog 14: Gods handelen in de Bijbel

Blog 14: Gods handelen in de Bijbel

Met zijn preekmodel “De Vier Pagina’s van de Preek” heeft Paul Scott Wilson geen nieuw preekmodel willen ontwerpen. Wat hij zou willen, is dat er in de preek meer gesproken wordt over wat God in onze tijd doet. Met zijn model wil hij een vorm aanbieden die Gods handelen in het heden een plek geeft in de preek.

Hij constateert dat het handelen van God maar minimaal in preken gebeurd. In de ene preek is wat God doet helemaal niet aan de orde. In de andere preek komt dat met een enkele zin of met een korte alinea aan de orde, waarbij in de rest van de preek de last toch weer bij mensen komt te liggen. Daarom is deze Pagina 3 noodzakelijk: aandacht in de preek voor het handelen van God in het Bijbelgedeelte.

Het handelen van God plaatst onze ‘trouble’ in het perspectief voor het kruis van Christus. Op deze pagina 3 komt de onvoorwaardelijke liefde, het genadig handelen van God ter sprake, zoals het Bijbelgedeelte dat verwoordt. Als er geen aandacht is voor het handelen van God, hoe kan de preek dan pastoraal zijn en tot vreugde leiden?
maxresdefaultEen voorbeeld aan de hand van Jesaja 6:

  • In Jesaja 6 geeft God aan Jesaja een nieuwe identiteit. De titel van Pagina 3 kan daarom zijn: God schept voor Jesaja een nieuwe identiteit.
  • Op Pagina 4 wordt dat handelen van God aan Jesaja vertaald naar vandaag en toegepast op de luisteraars. Een boodschap op deze pagina kan dan zijn: God schept in Christus voor ons een nieuwe identiteit.
  • Als we deze boodschap omkeren, krijgen we helder wat ‘trouble’ in de Bijbel en in ons dagelijks leven is. Op Pagina 1 kan de boodschap zijn: Jesaja voelt zich onwaardig.
  • Die onwaardigheid kan ook in de gemeente worden gevoeld. Daarom kan op Pagina 2 aan de orde komen: Velen in de gemeente voelen zich onwaardig.
  • Daarmee hebben we gelijk een vraag die leeft bij de luisteraars: Hoe kan ik waardig voor God worden?

images (1)
Pagina 1: Jesaja voelt zich onwaardig
Pagina 2: Velen in de gemeente voelen zich onwaardig
Pagina 3: God schept Jesaja een nieuwe identiteit
Pagina 4: God schept ons in Christus een nieuwe identiteit
Vraag die leeft: Hoe kan ik waardig voor God worden?

De boodschap van Pagina 3 kan misschien te theologisch klinken. Op de volgende pagina (Pagina 4: over het handelen van God in onze tijd) wordt uitgewerkt wat het handelen van God concreet betekent in het alledaagse leven.

Problemen die op deze pagina kunnen optreden:

  1. Predikers stellen het handelen van God maar kort aan de orde en leggen de focus weer op wat de kerkgangers moeten doen.
  2. Predikers verwarren imperatieven met genade. Imperatieven zijn opdrachten en normen en gaan over het handelen van de mens. Imperatieven horen, als ze in de preek gebruikt worden, thuis op pagina 1 en 2.
  3. Predikers verwarren zwakke werkwoorden, die geen handelingen uitdrukken, met genade: God hoort, God zorgt, God is aanwezig. Deze werkwoorden kloppen op zichzelf genomen, maar zijn te vaag over het handelen van God, waardoor de genade niet duidelijk zichtbaar wordt.
  4. Predikers maken Gods genade afhankelijk van ons handelen. Bijvoorbeeld: God nodigt ons uit om te … God wil dat wij … Dan veronderstellen we dat wij mensen aan Gods verzoek gehoor geven. Maar door onze zonde kunnen we dat verzoek ook naast ons neerleggen. Verander ze in krachtige stellingen:
    – God roept ons om te worden vernieuwd.
    – Door de doop maakt God je tot een kind van het licht.
    – God werkt in jullie en in de gemeente een krachtige vernieuwing
  5. Predikers slagen er niet in om een verband te leggen tussen ‘trouble’ en genade. Ze leggen daardoor teveel nadruk op het een of op het ander.
  6. Predikers verwarren ‘trouble’ en genade met probleem en oplossing
  7. Predikers maken gebruik van een preekvorm die geen ruimte biedt aan genade.

511h28bhz5l._sx334_bo1,204,203,200_
Aanwijzingen voor Pagina 3:
Op deze pagina wordt de bijbeltekst herverteld, waarbij de focus ligt bij Gods handelen, waarmee Hij redding (Christus) brengt of kracht (Geest) geeft.

  1. Visualiseer Pagina 3: ‘film’ het bijbelgedeelte
  2. met daarbij de regels van het vertellen: show, don’t tell.
  3. Gebruik verbeelding om een tekst te ‘verfilmen’. Zorg dat de details in de vertelling passen qua geografie en tijd.
  4. Verwerk ideeën of thema’s van de geloofsleer in de vertelling. Een groot deel van de gemeente zal niet vatten als de boodschap ‘God is een mysterie’ maar een keer kort wordt gezegd. Werk uit hoe God een mysterie is en wat dat inhoudt.
  5. Probeer de bijbeltekst zo min mogelijk te verstoren. Als er over een menigte wordt gesproken, laat dan een menigte zien. Als we karakters inbrengen, die niet in de Bijbel worden gemeld, begeven we ons op glad ijs. 
  6. Verbeeld het bijbelgedeelte door de tekst te bidden.
  7. Predikers zijn klaar om deze pagina uit te werken als ze kunnen voorstellen dat ze zelf daar hebben gestaan en hebben gevoeld hoe de wind door hun haren blies, op de antieke grond hebben gestaan, gekeken naar de mensen die deze handeling hebben meegemaakt.
  8. Maak van de boodschap geen doctrine of leerstuk, maar laat de boodschap een ervaring worden.
  9. Probeer een achtergrond te creëren voor teksten die geen achtergrond lijken te hebben, zoals de psalmen en de brieven. Probeer te achterhalen welke werkelijke gebeurtenissen er aan deze psalm of deze brief ten grondslag hebben kunnen liggen.
  10. Laat handelingen in een enkele korte scène zien. Vertel de verhalen. Laat de tekst werkelijk leven en niet verworden tot een lijstje met taken. Beeld je in dat je daar was.
  11. Zorg dat je één bijbelgedeelte (T), één boodschap (T), één thema uit de christelijke geloofsleer (D), één vraag of één verlangen die bij de luisteraar leeft (N), één beeld (I), één missie (M): The Tiny Dog Now Is Mine.

N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon. A Guide to Biblical Preaching. Revised and Updated (Nashville: Abingdon Press, 2019), 147-163

God laat met Zich spreken. Calvijn over het gebed

God laat met Zich spreken. Calvijn over het gebed

Bidden betekent: spreken met God. God laat met Zich spreken. Zondige, onreine, sterfelijke mensen mogen met de heilige God spreken. Voor de reformator Johannes Calvijn speelt bidden een grote rol in zijn theologie en in zijn praktijk van geloven.

Volgens Calvijn-onderzoeker Eberhard Busch is er in het onderzoek naar Calvijns theologie weinig aandacht geweest voor de betekenis dat bidden voor Calvijn had. Terwijl het wel het wel een belangrijk thema voor Calvijn is geweest. Het grootste hoofdstuk uit de Institutie gaat over bidden.  Ook in zijn uitleg van Bijbelboeken komt Calvijn steeds over bidden te spreken. Voor Calvijn zijn de basiselementen van een eredienst: preek, avondmaal en gebed.

Calvijn spreekt in zijn gebeden God vaak aan als Almachtige. Daarmee bedoelt Calvijn niet zomaar dat God alles kan, maar wil hij aangeven dat God in Zijn genade de zondaar uitnodigt om met Hem in contact te komen en in gemeenschap te treden. Wij zijn op God, onze Schepper, aangewezen. God houdt rekening met onze gebeden.
calvijn
Calvijn

1. Bidden en geloven
Bidden veronderstelt geloven. Calvijn: ‘Wij kunnen niet tot God bidden zonder te geloven.’ Bidden is daarom geen zelfgesprek, maar een gesprek met God.

Is geloof dan een sleutel om in de hemel te komen? Nee, want wij hebben als mensen die sleutel niet in eigen hand. Door te geloven erkennen wij dat ook. Maar God maakt in Zijn Woord de deur van de hemel open. God heeft tot ons gesproken en daarom kunnen wij met God spreken.

Gods Geest maakt het ons mogelijk ons in geloof tot God te wenden. ‘Wie niet door Gods Geest wordt geregeerd, kan niet van harte bidden. Wij weten dat het deze bijzondere gave van de Geest is, die ons hart opwaarts in de hemel opheft. Want wij bidden tevergeefs als wij niet geloven en ons niet bekeren.’

Wij zouden niet kunnen bidden als de Heere niet zelf eerst gesproken had. Daarom gaat geloven aan bidden vooraf. Geloven is de moeder van het gebed, aldus Calvijn. Het spreken van God tot ons en ons geloven in God gaat aan ons bidden vooraf. Gods spreken opent ons oor en ons hart, waardoor wij antwoord kunnen geven. Gods spreken tot ons laat zien dat God bereid is om ons een luisterend oor te bieden. Ons geloven en ons luisteren naar Gods spreken vindt in ons bidden een antwoord: daarmee beamen wij Gods spreken.

Ons bidden als ons antwoord is het hoogste dat wij als mensen kunnen aanbieden: ‘Het voornaamste offer dat God van ons vraagt is het aanroepen van Zijn naam.’ ‘Het aanroepen van Gods naam is de beste oefening van ons geloven en ons hopen.’ ‘Het voornaamste werk van ons geloof is het aanroepen van Gods naam.’ ‘Het beste middel tegen ons vermoeid-worden in geloof is het volhouden in gebed.’ In ons bidden komt naar voren dat de Geest in ons werkt, Die ons tot kinderen van God maakt.

Bidden staat voor Calvijn niet tegenover handelen. Door te bidden ontvangen wij de kracht om moedig te handelen. Het juiste handelen is eerst in gebed gaan. Bidden is de eerste juiste handeling.

Bidden is geen individuele zaak. Bidden is iets gemeenschappelijks. We bidden met elkaar en we bidden voor elkaar. ‘De christenmens heeft zijn gebeden zo vorm te geven dat ze op de gemeenschap betrokken zijn en iedereen insluiten, die in Christus zijn broeder of zuster is. Daarmee sluit hij alle mensen in die op aarde leven.’
Eberhard Busch
Eberhard Busch

2. Het bidden van ons zondaars
De belangrijkste vraag is niet of wij willen bidden, maar of wij mogen bidden. Wij zijn immers zondaars. In geloof komen wij voor Gods aangezicht. Voor Gods aangezicht krijgen wij het juiste inzicht over onszelf: wij fabriceren onze eigen goden die bij ons passen, onze eigen uitvindingen, producten van onze eigen verbeelding. Dat is ongeloof. De ware God schudt ons wakker uit deze waan.

We hebben vergeving nodig voor deze zonde als wij met God willen verkeren. Daarom is voor Calvijn het eerste gebed, dat de gemeente bidt bij het samenkomen, een gebed om vergeving.  Ook onze gebeden zijn zondig, maar in Zijn oneindige goedheid en genade wil God onze gebeden toch aannemen.

De zonde wekt ook vaak in ons de indruk dat onze gebeden niet bij God aankomen en dat wij tevergeefs bij God op de deur kloppen. Dat is een sterke aanvechting, waardoor de drang om te bidden onder druk komt te staan. Volhouden in gebed is geen makkelijke deugd. Ons ongeloof maakt ons wijs dat ons bidden geen zin heeft. Met het verdwijnen van de hoop verdwijnt ook onze ijver om te bidden. Ons vertrouwen toont zich door vol te houden als het gaat om gebed, ondanks deze aanvechtingen.

3. Gebedsverhoring
In Calvijns tijd kon de gedachte geuit worden dat gebedsverhoring afhankelijk is van de reine staat van de bidder. De mens moet zijn bijdrage leveren, zodat God het gebed verhoort. Voor Calvijn is bidden reeds een begin van de gebedsverhoring: onder alle twijfel is er toch de zekerheid dat God hoort.

Voor Calvijn zijn er twee vormen van gebedsverhoring: een voorlopige gebedsverhoring en een toekomstige definitieve verhoring. Dit is de spanning van het reeds en het nog niet.
zusammenlebenVerhoort God verkeerde gebeden? Volgens Calvijn niet. God kan ons niet aanzetten tot egoïstische of tot kwaadwillende gebeden. Bidden gebeurt naar Gods wil. Wie door God verhoord wil worden, moet niet in de eigen zooi blijven steken. Toch laat God Zijn zon schijnen over goede en over slechte mensen.  Gods barmhartigheid is onze troost, want geen enkel gebed komt zuiver voor Gods troon. Zelfs ons stamelen verdraagt God. Daarom bidden we nooit tevergeefs en is ons bidden nooit zinloos. We bidden in hoopvolle verwachting.

Verhoring door God heeft altijd heilzame betekenis. In de uitleg van Psalm 77:10 schrijft Calvijn: ‘Gods goedheid is onlosmakelijk verbonden met Zijn wezen, zodat het voor God onmogelijk is om niet barmhartig te zijn.’

4. Aanwijzing tot het juiste bidden
Er zijn volgens Calvijn wel aanwijzingen nodig voor het juiste bidden. Die aanwijzingen betreffen niet zozeer de vorm als wel het besef tot Wie je bidt. We kunnen niet onze egoïstische wensen uiten die tegen Gods wil ingaan. Alles in ons leven en daarmee ook ons bidden hoort te zijn tot eer van God.
Voor Calvijn zijn dit de aanwijzingen:

  • Bid met een regelmaat. Zoals Daniël driemaal daags op de knieën ging. Wie met regelmaat bidt, vergeet het bidden niet. 
  • Bidden heeft iets gemeenschappelijks, zoals het Onze Vader laat zien. In de eredienst worden daarom psalmen gebeden om het gemeenschappelijke uit te drukken.
  • Calvijn wil dat we bidden met de juiste instelling. Hoe ons hart is, is het belangrijkste bij het bidden. Toch gaat het bidden met het hart niet ten koste van de uiterlijke vorm. Want het is nodig dat ons bidden uitgesproken wordt. Een hardop gebeden gebed laat zien dat de bidder in de gemeenschap van de kerk van alle tijden en plaatsen treedt. We bidden daarom met hart en mond. Het is de plicht van het hart, dat zich uit met behulp van de tong.
  • Mag je voor jezelf bidden? Bidden mag volgens Calvijn nooit iets egoïstisch hebben. Ons bidden moet tot eer van God zijn en naar Zijn wil. We mogen God nooit voor ons karretje spannen. 
  • Bidden voor onszelf mag ook niet ten koste gaan van het bidden voor een ander. In het bidden gaat het om het geheel van de kerk van alle tijden en alle plaatsen. We zijn in ons bidden ook verbonden met degenen die ver van ons af staan.


N.a.v. Eberhard Busch, ‘Gott lässt mit sich reden’, in: Idem, Zum Zusammenleben geboren. Johannes Calvin – Studien zur seiner Theologie (Zürich: Theologischer Verlag Zurich, 2016), p. 9-20.

Blog 13 – Checklist voor “Filmen” van “trouble” in de preek

Blog 13 – Checklist voor “Filmen” van “trouble” in de preek

In het preekmodel De Vier Pagina’s van de preek van Paul Scott Wilson is pagina 2 bestemd voor het “filmen” van “trouble” in de preek. Wilson geeft een checklist:
images (1)

  • Is er sprake van ontwikkeling van “trouble” in onze wereld op deze pagina?
  • Is het meeste van de “trouble” horizontaal?
  • Bevat de pagina 1 idee?
  • Wordt “trouble” theologisch uitgediept?
  • Is er een duidelijke link met Pagina 1?
  • Is deze pagina verwoordt als een film? Is duidelijk om welk onderdeel van de geloofsleer het draait?
  • Is er sprake van verdieping van theologische gedachten in de loop van deze pagina?
  • Zijn alledaagse issues op een adequate manier gethematiseerd als theologische issues?
    Uneasy_iPhone
  • Wordt er één behoefte, vraag of verlangen geïdentificeerd?
  • Helpt deze pagina de luisteraars na te denken over hun eigen worstelingen?
  • Weerspiegelt deze pagina de leefwereld van de luisteraars?
  • Kunnen de luisteraars mijn focus meemaken?
  • Laat ik pastorale zorg en verantwoordelijkheid zien bij de waarschuwingen tegen zonden en verkeerde keuzes?
  • Laat ik de personages voldoende spreken, terwijl ik zo min mogelijk hun gedachten verwoord?
  • Gebruik ik humor? Vermijd ik te heftige voorbeelden of te heftige taal?
  • Zijn de verhalen inclusief?
  • Laten ze een variëteit aan ervaringen zien?
  • Helpen zij om te bepalen wat goed moreel handelen is?
  • Zijn de voorbeelden en de gebruikte taal geschikt voor de kansel?
  • Wordt er één missie geïdentificeerd? Wordt er een belangrijke issue geïdentificeerd?
    preach_4pages
  • Vermijd ik details van geweld?
  • Komt het verhaal met de grootste emotionele of geestelijke impact aan het einde van deze pagina?
  • Vertel ik als prediker meer dan één verhaal, waarbij de camera op mij is gericht (in tegenstelling tot de verhalen die verteld worden vanuit het gezichtspunt van de prediker)?
  • Laat ik genoeg pastorale sensitiviteit en kwetsbaarheid zien in relatie tot de voorbeelden?
  • Heb ik empathie met de slechtste persoon die ik laat optreden?
  • Laat ik mijn eigen kwetsbaarheid ten opzichte van Gods Woord zien?
  • Spreek ik vanuit het geloofsperspectief? Ook als ik over (mijn) twijfel spreek?
  • Doet deze pagina een beroep op logos, pathos en ethos?
  • Laat ik de afzonderlijke delen van de preek goed op elkaar aansluiten? (Door herhaling van kernwoorden in de afzonderlijke delen. Door de volgende paragraaf duidelijk te laten aansluiten op de vorige.)


N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon. A Guide to Biblical Preaching. Revised and Updated (Nashville: Abingdon Press, 2018) 142-143.
511h28bhz5l._sx334_bo1,204,203,200_

Blog 12 – Filmen van ‘trouble’ in onze eigen wereld

Blog 12 – Filmen van ‘trouble’ in onze eigen wereld

Met dit blog wordt een oude serie over het preekmodel van Paul Scott Wilson opgepakt: De Vier Pagina’s van de Preek.

Hier blog 11.
preach_4pages
In het preekmodel van Paul Scott Wilson gaat pagina 2 over de ‘trouble’ in onze wereld. Wilson kiest voor het woord ‘trouble’ omdat het veel aspecten in zich heeft. Hij denkt onder andere aan:

  • Gods opdrachten en eisen aan mensen
  • Menselijke zonde(n)
  • Gebrokenheid
  • Lijden
  • Niet willen of kunnen handelen

Hoe kan die ‘trouble’ in een preek worden uitgewerkt? Door de ‘trouble’ op pagina 2 van de preek in woorden te ‘verfilmen’. Een korte (video)clip kan ook, maar de techniek mag niet meer meer aandacht vragen dan het evangelie.
511h28bhz5l._sx334_bo1,204,203,200_
Wilson ziet de volgende mogelijkheden om ‘trouble’ in een preek te ‘verfilmen’:

Vertel een verhaal van iemand die vergeving nodig heeft
Spreek op pagina 2 niet in het algemeen over de noodzaak van vergeving, maar vertel een verhaal  van iemand die vergeving nodig heeft. Door dat verhaal kunnen de luisteraars in zichzelf nadenken over het verlangen dat zij mogelijk zelf hebben dat ook zij vergeving kunnen ontvangen.

De accountant wist dat hij geld uit de zaak nam waardoor hij zijn baas ruïneerde, maar hij hoopte dat het niet zover zou komen dat hij …

Rachel bleef weg van het bed van haar moeder omdat ze haar nog steeds kwalijk nam hoe zij haar leven beïnvloed heeft. Nu komt ze eindelijk naar verpleeghuis om haar moeder te zien, maar het lijkt te laat om …

Jason heeft vier jaar vast gezeten voor hij hardop toegaf dat hij iets fout deed toen hij de winkeleigenaar doodschoot. Hij erkende dat omdat de gevangenispredikant …
images (1)Laat zien welk verlangen of welke behoefte er door de boodschap wordt beantwoord
Soms kan heel snel duidelijk worden welk verlangen of welke behoefte er door de boodschap van de preek wordt beantwoord. Een preek Chevis F. Horne heeft de boodschap hebben: Christus is ons voorgegaan in de dood. Een verlangen waar zijn preek op antwoordt is: Hoe leer ik om niet bang te zijn voor de dood?

Horne: Ik ben – net als mijn broeders en zusters – sterfelijk. Ik ben altijd aan de vooravond van mijn sterven. Ik zal eens overlijden en ik weet twee dingen over mijn dood: mijn dood komt sneller dan ik vermoed en ik zal er niet klaar voor zijn. De dood zal mij vinden terwijl ik nog bezig ben met een taak die ik niet heb afgerond. Elke avond leg ik mijn bezigheden opzij in de verwachting dat ik ze de volgende dag weer kan oppakken. Maar dan komt die morgen niet. Ik laat niet alleen mijn onvoltooide taak achter, maar ook mijn onvoltooide leven.

Op een zondag in 1989 preekt Ronald D. Sisk over Psalm 121 in San Francisco. De week ervoor is de stad getroffen door een aardbeving. Zijn boodschap: De Heer is onze hulp. In de tekst wordt reeds de vraag gesteld: Waar komt mijn hulp vandaan?

Sisk: Ze sloegen hun ogen op, net als wij deden afgelopen dinsdag toen we naar de plafonds boven ons keken die heen en weer schudden. Zo moesten de slachtoffers van Route 880 hebben gedaan in dat laatste afschuwelijke ogenblik van hun leven. Zij keken om zich heen zoals velen van ons hebben gedaan in de schok en het leed van de afgelopen week. Zij vroegen zich af wanneer het gevaar zich weer op hen zou storten. En schreeuwden het uit.
Waar komt mijn hulp vandaan? Hoe ga ik dit overleven? Hoe zorg ik dat ik veilig ben als het gevaar komt? Zal er iemand zijn die naar me omkijkt? Het is bemoedigend om te horen dat er zovelen waren die degenen die het meest waren getroffen wilden bijstaan. Buren hielpen buren. Vreemden hielpen vreemden. Velen deden iets bijzonders. Mensen brachten zichzelf in gevaar om anderen helpen als zij hulp nodig hadden. We kunnen elkaar helpen. Dat is een deel van het antwoord op de vraag van de psalmist. Maar de psalmist vroeg niet naar menselijke hulp. Hij vroeg de vraag die sommigen van ons in de Bay Area hebben gesteld en anderen sinds dinsdagmiddag 5:04 niet hebben aangedurfd te stellen. Hij vroeg: waar komt mijn hulp vandaan als er geen menselijke hulp meer mogelijk is.
Mijn hulp komt van de Heer.

Vertel een alledaagse gebeurtenis als een theologisch verhaal
Soms zien we de meest krachtige voorbeelden van horizontale ‘trouble’ als we het leven als een spiegel voorhouden en daarop reflecteren. Edmund Steimle deed dat in een preek:

Een leegstaand hotel, reeds lang rijp voor de sloop, wordt bewoond door een handjevol ouderen die daar leven, omdat ze nergens anders een plek hebben die zij zich kunnen veroorloven. Een bewoonster van 75 jaar, een vrouw bij wie de diagnose Parkinson is gesteld, die geen buren of vrienden had, vroeg om naar ‘huis’ gestuurd te worden naar gaar haveloze kamertje in dat vervallen hotel. Op haar nachtkastje stond een klein beeldje van de kerstman en naast haar bed was een door het vele knuffelen versleten knuffel. Wat als de bodem wegvalt? Wat dan?

Veel preken werden de ‘trouble’ niet theologisch uit. Barbara Brown Taylor vertelt een verhaal over een goede ober.

Ik herinner me de beste ober die ik ooit heb gehad nog als de dag van gisteren. Hij wist alles van de menu- en de wijnkaart. Hij vertelde daar alleen iets over als ik hem ernaar vroeg. Hij droeg zijn naam op een badge, maar noemde zijn naam geen enkele keer. Hij wilde niet dat ik mij hem zou herinneren. Hij wilde dat ik me de maaltijd zou herinneren. De maaltijd werd geserveerd onder een zilveren deksel.Toen hij het deksel optilde, zag ik een zalmfilet zoals ik die nog nooit had gezien. In mijn rechterhand had ik een vismes. Toen ik mijn vork liet vallen, hoefde ik niet eens op de grond te kijken omdat er naast mijn bord al een nieuwe vork lag. Het waterglas bleef steeds driekwart gevuld en de broodmand lag steeds vol met versgebakken brood, zonder dat ik merkte dat iemand iets deed. De bediening was voortreffelijk, omdat ze onzichtbaar gebeurde. Ik verliet het restaurant vol bewondering voor de vaardigheden van de ober. Hij gaf mij het gevoel een koningin te zijn, maar volgens Jezus was ik niet de ster van de avond, maar was de ober dat. ‘Want wie is belangrijker: hij die aanligt of hij die bedient? Is het niet hij die aanligt? Ik echter ben in uw midden als Iemand Die dient.’ (Lukas 22:27)

Werk de impact van ‘trouble’ uit
Predikanten zien het nogal eens niet zitten om de ‘trouble’ uit te werken. Zij noemen enkele aspecten van de ‘trouble’ en stappen dan gauw over op het goede nieuws. Zowel ‘trouble’ als ‘grace’ worden niet ervaren als zij elkaar verzwakken voordat de impact kan worden gevoeld. Elizabeth Achtemeier geeft een voorbeeld hoe (verticale) ‘trouble’ uitgewerkt kan worden. Zij benoemt het menselijk falen als het gaat om vrede sluiten en het falen te leven volgens Gods verwachtingen. Zij werkt dat uit. Niet om de luisteraar zich schuldig te laten voelen, maar als een manier om een belangrijk theologisch punt te maken: het probleem wortelt in de menselijke weigering te leven naar Gods wil.

We zijn het vergeten. Is dat niet zo? We hebben vergeten dat we niet begrepen kunnen worden of onszelf kunnen begrijpen buiten de relatie met God om. Nu hebben we onze eigen weg gekozen en hebben besloten onze eigen doelen na te volgen en de wereld te besturen volgens onze eigen concurrerende willen. De resultaten daarvan is de chaos die we elke morgen in de krant kunnen lezen.
We zijn zelf niet verantwoordelijk voor deze chaos, denken wij. Nee, het is het systeem. Het systeem is verkeerd. Als wij het systeem kunnen aanpakken door onze politiek te vernieuwen of onze economie of onze communicatie – kunnen we de vrede creëren waar we naar verlangen. En nu hebben we het ongemakkelijke gevoel dat we machteloos zijn om het goede te doen. Dat wij inderdaad een stel machteloze menselijke wezens zijn die onze sterkste wapens proberen te beheersen, zoals de historicus Raymond Aron eens zei. Een stelletje dat steeds weer met nieuwe en nog vindingrijkere manieren om onszelf te vernietigen. Toen captain Robert Lewis, co-piloot van de Enola Gay neerkeek op Hiroshima, vroeg hij verbijsterd: ‘Mijn God, wat hebben we gedaan?’ Natuurlijk, we deden wat we altijd deden als we ermee weg kunnen komen: een ander doden. Ondertussen maken we ons geen zorgen over wat God ervan vindt.
De Schriftlezing van vanmorgen vertelt ons dat we nooit vrede zullen hebben als we onze God verwerpen, omdat onze God geen genoegen neemt met minder dan Zijn overvloedige leven voor ons en Hij weet dat wij dat leven niet kunnen ontvangen tenzij we Hem gehoorzamen en vertrouwen.

In zijn preek over Lukas 14:25-33 voert Eric C. Kutzli de spanning naar het toppunt, terwijl hij ondertussen sensitief bezig is om te voorkomen dat de luisteraars in de verdediging schieten of afhaken.

Elke keer als ik deze tekst lees, struikel ik over dat moeilijke vers 26: ‘Wie niet HAAT … kan mijn discipel niet zijn.’ Het is verleidelijk om deze haat weg te redeneren, om alles goed te laten zijn. Maar de tekst zegt: Haat, Ontkenning, Verachting, Minachting.
Minacht je vader, je moeder. Veracht echtgenoot en kinderen, broers en zussen. Ontken jezelf.
Ik hou van mijn vrouw en kinderen, van mijn vrienden en familie. Dit kan ik niet doen. Maar er wordt nog meer gevraagd!
Neem het kruis op. Niet een klein gouden kruisje aan een ketting, maar een werkelijk zwaar houten kruis van de dood. Als je discipel wilt zijn, ga naar buiten en laat jezelf doden.
Dat is meer dan ik kan! Ik ben niet in staat om dit te doen.
Geef al je bezittingen op. Laat alles wat je hebt los. Geen geld, geen land, geen huis, geen kleren in je tas. Laat alles los, van je tennisracket tot je tandenborstel. Het moet gebeuren.
Ik zal je wat vertellen. Ik zal … als je wilt. Niemand van ons wil. Zouden we dit willen? Broeders en zusters, we hebben een probleem. Ontdekte je ooit bij de kassa dat je niet kunt betalen?
Ik zal u vertellen toen ik realiseerde wat de kosten zijn er voor mij geen enkele manier is waarop ik discipel zou kunnen worden. Hoe ik ook zou proberen. Als je discipel wordt, wordt de manier van betalen uit de oude wereld rechtstreeks in het hart getroffen. Het sterft en het kost moeite dat te erkennen.
Ik kan geen discipel zijn van de Heer Jezus Christus. Niemand kan discipel zijn. Hoe durven we onszelf christenen te noemen? We hebben geen enkel recht op dit privilege. Wat moeten we doen? [De preek gaat nu over naar pagina 3 en genade: Iemand anders heeft betaald.]

Let op de aaneenschakeling van woorden, gevormd door de herhaling van woorden als ontkenning, verachting, minachting, ik kan niet, jij kunt niet, loslaten, betalen, kosten, enz.

Vertel een voorbeeld uit je eigen leven
Als prediker kun je zelf te maken hebben met ‘trouble’. Predikers dienen echter voorzichtig te zijn met verhalen in de preek over zichzelf, vooral als de persoon van de prediker meer in de spotlights komt te staan dan God. Verhalen over ons eigen falen of over onze eigen gebrokenheid kunnen belangrijk zijn.
Joanna Adams vertelt een krachtig voorbeeld van gebrek aan vrede in haar eigen huis. De ‘trouble’ is horizontaal. Zij toont zich kwetsbaar naar de gemeente toe en naar het Woord toe:

Een jaar geleden zat ik in de kamer te kijken naar het journaal. Ik was alleen. Iedereen was weg, behalve onze puberzoon Sam. Sam en ik hadden net een discussie gehad die alleen een puber en een moeder kunnen hebben. Het was een stevige discussie over een van de brandende kwesties in deze tijd: wie de volle mand met kleren die in de was moeten mee naar boven neemt. We hadden ons verschil van inzicht niet bijgelegd en Sam verdween. De kat en ik hadden de kamer voor onszelf.
CBS News zond net die week een serie over de Tweede Wereldoorlog uit. Die avond lag de focus op de Sowjetunie. Het aantal omgekomenen en vermisten in de Sowjetunie bedroeg 20 miljoen.
De camera bracht eerst het krachtige, reusachtige oorlogsmonument, waar de Sowjets zo van leke te houden, in beeld. Daarna werd ingezoomd op een jong bruidspaar dat een bos rode tulpen aan de voet van de soldaat legde. Het leek de gewoonte van bruidsparen om zo hun huwelijk te beginnen. Bruid en bruidegom verschilden niet zoveel van Amerikaanse bruidsparen op hun trouwdag: dezelfde hoop, dezelfde dromen. Terwijl mij de tranen in de ogen sprongen en nadacht over de volgende bijeenkomst van de vredesbeweging, herinnerde ik de liefdesaffaire met oorlog in onze eigen wereld. Toen ik me dat herinnerde, werd ik bang. Net op dat moment kwam Sam de kamer binnen en ging hij zitten. Opeens bleek het belangrijkste in onze wereld te zijn dat we samen gingen praten om vrede te sluiten.

Zulke verhalen over een goed persoon vormen ons ethisch gedrag. Als je een verhaal volgt, is het het belangrijk om snel te focus weer terug te leggen bij de mensen die voor je zitten. Je zou kunne zeggen: ‘Er zullen er meer van ons zijn, die zo’n ervaring hebben, bijvoorbeeld als we …’

Ontwikkel een frisse blik op ‘trouble’
Predikers doen er goed aan om af en toe hun luisteraars te verrassen met wat origineels of creatiefs. Bijvoorbeeld een origineel of creatief idee, verhaal of voorbeeld. Richard Groves pakt het ingewikkelde en verrassende onderwerp Is seks altijd veilig? op. Het onderwerp zal op zichzelf de interesse wekken, maar let op de wending aan het begin van de tweede alinea om de aandacht te blijven trekken. Hij anticipeert op de reacties van de luisteraars. Het is niet zo moeilijk om de ‘trouble’ van dit onderwerp verticaal uit te werken, maar Groves blijft horizontaal:

Uiteindelijk zijn liefde en vertrouwen de enige voorzorgsmaatregelen die we kunnen treffen om seks in de diepste zin van het woord veilig te laten zijn. Voor liefde en vertrouwen scheppen we een omgeving waarin we vrij zijn om onszelf te kunnen zijn, om te ontspannen, om onze verdediging op te geven, om kwetsbaar te zijn.
‘O, ik zie het al aankomen’, hoor ik u zeggen. ‘Nu komt het deel over “alleen binnen het huwelijk”.’ Nee, dat is niet wat ik zeg. Ik zeg meer dan dat. Ik zeg dat zelfs binnen het huwelijk seks de potentie heeft om gevaarlijk te zijn. Praat maar met een echtgenote die misbruik binnen het huwelijk heeft ondervonden, als u mij niet geloofd. Zonde scheidt het fysieke van het geestelijke in het huwelijk net zo goed als daarbuiten. En seks wordt oppervlakking en dwingend, ondiep en bedreigend net zo goed binnen het huwelijk als daarbuiten. Liefde en vertrouwen, waardoor “naakt zonder schaamte” mogelijk wordt gemaakt, kan nooit voor lief genomen worden, zelfs niet binnen het huwelijk. Vooral binnen het huwelijk niet. Liefde en vertrouwen moeten gekweekt worden als de meest delicate bloemen. Als ze zo worden gekweekt, wordt er een tuin geschapen die geen Ede is, maar in zichzelf nog mooier is.

James Ayers geeft met verbeeldingskracht een frisse blik op de consequenties van menselijk handelen in Galaten 6:1-10. Hij denkt na over hoe karakter wordt ontwikkeld. Zijn verbeelding kan aangestoken zijn door Billy Sunday (1862-1935), die eens in een preek zei: ‘Niemand is ooit begonnen met de intentie om een dronkelap te worden.’

Welnu, we hebben allemaal onze keuzes te maken over wie we zijn. Ik zit vast in de handeling om te zijn wie ik ben. Ik zit vast in de handeling van zaaien – wilde haver? – zaaien, of planten, de soort persoon die ik ben en wat ik ga worden. Hou je niet voor de gek. God kan niet voor de gek worden gehouden. Wat we planten en kweken is de soort persoon die we willen zijn. Denk hier even over na. Hoe vaak ben je op iemand afgestapt die zei: ‘Toen ik opgroeide wilde ik een gemene, nare persoonlijkheid worden. Gierig, jaloers, hebzuchtig…’ Of naar iemand die zegt: ‘Ik zou wel een boos persoon willen zijn. Gemeen. Verkeerd. Ik zou wel iemand vol wrok willen zijn
Niemand vertelt dat hij zo zou willen worden. Maar een hoop van ons kunnen niet anders dan zo’n persoon te worden. Waarom zijn er boze mensen? Waarom zijn er jaloerse mensen? Waarom zijn er verbitterde mensen? Zij droomden van een leven gevuld met liefde, vreugde, vreugde, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtheid, zelfbeheersing. Daar droomden zij over. Maar dat waren niet de keuzes die zij maakten. Zij kwamen vast te zitten in een handeling of in het maken van keuzes. En wat zij bleven zaaien, groeide uit tot een oogst: zij werden de mensen die zij op deze manier zelf hadden gekweekt.tw

Kweek goed gedrag
Verhalen waarin goede morele keuzes worden gemaakt, zijn geschikt voor Pagina 2. Zij impliceren of stellen dat wat de luisteraars hebben te doen ingewikkelde of kostbare keuzes zijn waarin de last bij het individu of de gemeenschap terecht kom. Soms kan hetzelfde verhaal op Pagina 4 worden herverteld in het licht van Gods handelen, waardoor Hij mensen in staat stelt om het goede te doen. In zijn preek God verbeeld in schrammen en schoonheid vertelt John N. Jonsson het verhaal van zijn moeder, die in actie kwam tegen de Apartheid in Zuid-Afrika. In deze preek wordt op een bijzondere manier Christus als de Lijdende Christus getoond. Jonsson kwam thuis uit school en vond haar op de knieën in de Anglicaanse kerk achter hun huis. Toen hij haar vroeg waarom zij huilde, vertelde zij dat dat was vanwege de manier waarop de blanke buren haar vertelden dat de zwarten in hun eigen gebied behoorden te wonen.

In mijn jeugdige uitbundigheid antwoordde ik: ‘Maak je niet ongerust, mam. Op een dag zul je je beloning krijgen!’ Mijn moeder antwoordde: ‘Maar dat is niet waarvoor ik dit doe.’ Ik was een beetje verbaasd en wat van mijn a propos. ‘Maar waarom doe je dit dan allemaal en waarom laat je je raken door mensen die beter zouden weten?’ Mijn moeder antwoordde zacht maar beslist: ‘Wij deden dit allemaal, omdat we weten dat dit het juiste is om te doen.
Ik was op een bijeenkomst van predikanten. We discussieerden over de waarde van verschillende Bijbelvertalingen. We moesten allemaal vertellen wat onze favoriete vertaling van de Bijbel was. ‘Nou, wat is jouw favoriete Bijbelvertaling, John?’ vroeg iemand mij. Ik antwoordde: ‘Ik hou van mijn moeders vertaling.’

Vertel geen verhalen van lang, lang geleden. Behalve als je ze daarmee een fris perspectief kunt inbrengen, waarin er de gebeurtenissen naar het heden worden gehaald, zoals bij een recente documentaire.  Luisteraars vragen zich anders af of er geen verhalen uit de eigen tijd zijn. Jonsson vertelde iets uit zijn eigen jeugd. Een gouden regel: verhalen die dichter bij huis zijn in tijd en geografie lijken effectiever te zijn.

Stel ingewikkelde thema’s aan de orde
Grote sociale issues zijn niet gemakkelijk op een effectieve manier in een preek op een frisse manier theologisch aan de orde te stellen. Samuel D. Proctor hield een krachtige preek waarin gokken als een sociale zonde werd benoemd in plaats van als een individuele zonde.

In New Jersey, de staat waarin ik woon, kregen we te maken met bezuinigingen op budgetten. Zonder dat het veel rumoer gaf, lieten we casino’s openen in Atlantic City. Als je daar naar toe gaat – als je gelooft dat dit niet allereerst een sociaal probleem is, moet je maar eens gaan kijken wie daar gokken: oude mensen met hun Social Security gelden, arme mensen, vrouwen zonder echtgenotes en die alleen gaan, mensen met de bekende tekenen van onveiligheid. Daar zijn ze, om hun laatste kans te pakken hun levensomstandigheden te veranderen. We zouden eerder voor deze arme mensen moeten zorgen dan ons druk maken over de financiële situatie van onze staat. Ik heb mijn hele leven de auto’s van Brink zien rijden, maar ik had nog nooit een Brink-vrachtwagen met 14 wielen gezien tot ik in Atlantic City kwam die avond. Een vrachtwagen vol gevuld met het geld van arme mensen! Het budget van onze staat wordt de komende tijd aangevuld met dit geldt dat uit Atlantic City komt. Dat zegt niets over wat er uitgefilterd wordt uit Miami Beach en uit Las Vegas. We doen dit op de gebruikelijke manier: we lopen er met een grote boog omheen.
We hebben de pokken en de gele koorts kunnen overwinnen. We hebben polio en tuberculose kunnen uitbannen. We zijn in staat om afgescheurde ledematen te herstellen en kunnen huid transplanteren. Maar we zijn niet in staat om het morele klimaat van onze samenleving te veranderen. We kunnen niet de harten van mensen veranderen. We kunnen niet een zorgzame geest scheppen die omziet naar de mensen om ons heen.

Brian L. Harbour preekte over Clarence Jordan, die  in de jaren-’40 een boerderij stichtte in Americus (Georgia). Jordan noemde die boerderij Koinonia Farm. Arme blanken  en arme zwarten werkten en woonden hier samen. In 1954 stak de Ku Klux Klan het hele complex na een jaar van intimidatie en bedreiging in brand. Alleen het huis waar Jordan werd niet in brand gestoken. De KKK joeg alle gezinnen weg die niet weg wilden gaan. Jordan herkende de stem van een van de Klansmen toen de journalist van de lokale krant bij hem kwam kijken de volgende dag.

‘Ik hoorde het verschrikkelijke nieuws van jouw tragedie afgelopen nacht en ik ben gekomen om een verhaal te schrijven over je boerderij die voorbij is.’ Jordan ging door met schoffelen en planten. De journalist bleef bezig met prikkelen en porren, om iets uit de stille vastbesloten man te krijgen die meer bezig leek met plannen te maken dan met inpakken. Tenslotte zei de man met een schoolmeesterstoontje: ‘Nou, dr. Jordan, u bent twee keer gepromoveerd en u bent nu 14 jaar bezig met deze boerderij. Er is niets van overgebleven. Hoe succesvol bent u geweest, schat u in?’ Clarence stopte met schoffelen en draaide zich om naar de verslaggever en keek hem indringend aan en zij rustig maar duidelijk: ‘Meneer, ik denk niet dat u ons christenen begrijpt. Het gaat ons niet om succes. Het gaat ons om geloofwaardigheid.

Een klaagzang kan in elke preek worden opgenomen
Sharon E. Williams klaagt over het geweld binnen haar eigen gemeenschap. Haar horizontale ‘trouble’ ontwikkelt zich in toenemende mate tot een effectieve stellingname met betrekking tot vragen die binnen haar gemeenschap leven.

We weten in onze tijd dat vrede wordt verbroken door geweld. Zelfs op de christelijke reis. We zijn niet uitgezonderd van verkrachtingen, overvallen, moorden. Onze vrede met God, met familie en een ander zijn door geweld weggenomen. Eerder dit jaar begroef onze gemeente een moeder met twee kleine kinderen die wreed werden vermoord in hun eigen huis. Een kind van een ander gezin werd gearresteerd voor deze misdaad: de vreugde en de vrede van het gezin werden weggeroofd door geweld. Eenheid en liefde werden vervangen door verdeeldheid en verdriet.
Vanuit het niets valt het geweld het koninkrijk aan. Vanuit het niets – aanval! Vanachter gemaskerde gezichten – geweld en verwoesting! Vanuit de lucht en vanuit de aarde – lijden en dood. Het koninkrijk leidt. Het koninkrijk is weggenomen. Het lijkt niet eerlijk dat God ons geschapen heeft voor vrede en liefde en toch al dit geweld toestaat.
Het is niet eerlijk voor degene die geweld pleegt dat het toegestaan wordt dat het koninkrijk van ons genomen wordt. Is dat het koninkrijk van God: zo fragiel en kwetsbaar? Moeten wij dan, de zachtmoedigen en de armen – de wapens opnemen tegen dit geweld om voor onze eigen veiligheid te zorgen in deze gewelddadige wereld?

Laat is van de wereld zien
De meeste prekenbundels hebben slechts een enkele verwijzing naar een gebeurtenis elders op de wereld. Daarmee wordt God klein gemaakt. Als God irrelevant is voor de noden van de mensen die in het nieuws komen, hoe kunnen wij onze meer alledaagse ‘troubles’ met God verbinden? Die verwijzingen hoeven niet lang te zijn. John Killinger spreekt over deze wereld en geeft daarmee een krachtig getuigenis van Gods liefde. Hij heeft een lange opsomming van zinnen, die steeds beginnen met “God is betrokken bij…” Deze zinnen kunnen op Pagina 4 verwerkt worden. Maar de emotionele impact van deze paragraaf is het lijden. Het verlangen naar Gods handelen wordt duidelijk aan het einde van Pagina 2, waar hij overgaat naar Pagina 3.

Bovendien is God betrokken bij de pijn en het lijden van alle mensen. God is betrokken bij de honger van het kind van 7 jaar in Afrika dat gras eet om toch iets in zijn opgezwollen buik te hebben. God is betrokken bij de angst en de eenzaamheid van een tienermeisje dat net die morgen heeft ontdekt dat ze zwanger is. God is betrokken bij de wanhoop van een jong stel dat net hun kind heeft begraven. God is betrokken bij de zelfmoordgedachten van een oude man die wanhopig is door het gemis van zijn vrouw die een halve eeuw eerder overleed. God is betrokken in de pijn en verbijstering van een driejarig kind dat door de ouders doodgemarteld wordt. De woorden van de leerlingen spreken boekdelen: ‘Meester we vergaan! Bekommert u zich er niet om dat wij vergaan?’ Natuurlijk bekommert God zich erom. God is betrokken bij al onze problemen. God is betrokken bij al onze pijn.

Werk een onderdeel van het christelijk geloof uit
Expliciete reflectie op een onderdeel van de christelijke geloofsleer kan op elke pagina. In dit preekfragment werkte Paul Scott Wilson de verzoening uit om voor te bereiden op Pagina 3.

Niet alleen in Hollywood wordt gekozen voor geweld. U en ik kiezen ervoor als we blijven hangen in wrok, met haat gevuld zijn en degenen die ons iets hebben aangedaan allerlei ziekten toewensen. We hoeven niet ver te rijden op de Weg van de Wrok om de resultaten te zien van degenen die eerder deze route hebben genomen. De laatste bomaanslag. De jongste incident van godsdienstig of raciaal geweld. Op een bepaalde manier lijkt de haat tegen degenen die zulke daden doen gerechtvaardigd. Zij zouden moeten boeten voor hun daden. Degenen die over de Weg van de Wrok wandelen, voelen dat tot in hun botten.
Ieder van ons heeft er ervaring mee dat anderen verkeerd kunnen handelen. Bijvoorbeeld het bedrog van een echtgenoot. Of ontslag. Sommigen van ons ervoeren dat het lijkt of God je in de steek laat als je je gezondheid kwijtraakt of een partner moet verliezen. God zou dat nooit hebben mogen toelaten.
We moeten echter weten dat de Weg van de Wrok doodloopt. Deze weg loopt dood. Er is geen uitweg. Bewandel deze weg op eigen risico. Terwijl anderen de route in kaart hebben gebracht, het landschap hebben uitgegraven, de weg geplaveid, verkeersborden hebben geplaatst, de weg aangewezen en ons aangemoedigd – wij zijn degenen die ervoor kiezen om deze weg op te gaan. We zouden moeten stoppen voor we verder gaan. Ieder van ons heeft iets naar anderen toe verkeerd gedaan. Wij hebben anderen verraden. Wij zijn niet onschuldig. Wijzelf hebben anderen aangemoedigd deze Weg van de Wrok op te gaan. Als de waarheid wordt verteld is er aan het eind van deze weg een begraafplaats en in het midden een heuvel en op die heuvel staat het kruis waaraan Christus stierf. Wij misgunden anderen barmhartigheid. Als er geen genade voor onze vijanden is, is er ook voor ons geen genade.
[Pagina 3] Natuurlijk is er genade. Genade komt van God, die besloot dat iemand moest betalen voor het onrecht in de wereld, van God die zijn armen wijd aan het kruis uitspreidde, zodat iedereen Gods liefde zou kunnen ontvangen.

Gebruik punten desgewenst om één missie te ontwikkelen
In de preek gaat het om één missie. Niet alleen op Pagina 2. Maar die missie kan hier aan de orde worden gesteld. Als luisteraar beginnen we onze ‘trouble’ te kennen. De prediker kan een vraag aan de orde stellen. Wat kunnen wij doen? Gary W. Downing draagt punten aan om zijn argument op Pagina 2 te onderbouwen. Als hij racisme aan de orde stelt, identificeert hij drie punten die de gemeenteleden als hun missie zouden kunnen zien in de komende week: (1) inzicht, (2) geloof, (3) toewijding.

Wij moeten kiezen of wij de ander willen zien door natuurlijke, menselijke, racistische ogen of dat we elkaar willen zien als broeders en zusters. We kunnen met anderen op de vuist gaan of hen met een geweer tegemoet treden. Of we kunnen hen omarmen als kinderen van onze hemelse Vader. Dat zijn drie concrete stappen die we in antwoord op de Schrift kunnen nemen om de zonde van racisme in ons leven te overwinnen. Allereerst moeten we inzien dat racisme onder ons voorkomt. Hebben wij nooit een racistische mop verteld? Of ons op een racistische manier gedragen? Het tweede dat wij kunnen doen is geloven dat Jezus ons de kracht wil geven om racisme te overwinnen door zijn kracht in ons te laten werken. Het derde dat we kunnen doen om racisme te overwinnen is om ons met heel ons hart toe te wijden aan Christus voor de rest van ons leven.

Aan het einde van Pagina 2 zouden luisteraars moeten ervaren welke hulp zij dringend nodig hebben, omdat zij het zelf niet kunnen. Dat is het doel van Pagina 1 en 2. Onze boodschap is niet menselijke verantwoordelijkheid, maar Gods reddend handelen. Op Pagina 3, waar we nu naar toegaan, zullen we verkondigen wat God doet in relatie tot Pagina 1 en 2.

N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of a Sermon. A Guide to Biblical Preaching. Revised and Updated (Nashville: Abingdon Press, 2018), p. 129-143



Welke typen van kerkelijk actief betrokken jongeren kunnen onderscheiden worden?

Welke typen van kerkelijk actief betrokken jongeren kunnen onderscheiden worden?

Enkele jaren geleden het onderzoeksbureau Empirica in opdracht van de Arbeitsgemeinschaft der Evangelischen Jugend in Deutschland onderzoek naar kerkelijk actief betrokken jongeren. In dat onderzoek worden 8 verschillende typen aangewezen. Daarbij is gekeken naar de volgende dimensies:

  • Beschouwen ze hun geloof als exclusief of juist niet?
  • Hoe sterk is hun verbondenheid met de gemeente waartoe ze behoren?
  • Ondersteunt hun geloof hen in hun dagelijks bezig zijn?


(1) De toppresteerders
Onder de kerkelijk betrokken jongeren komt de toppresteerder het meeste voor. Kenmerken van de toppresteerder:

  • Zij zien het christelijk geloof als exclusief.
    Hij of zij beleeft het sterkst Gods invloed op het dagelijks leven.
  • Geen andere type kan zo goed zich uiten als het om geloof gaat als de toppresteerder.
  • Zij bidden veel vaker als andere type jongeren. Ook lezen zij meer in de Bijbel.
  • Zij zetten zich meer in binnen de eigen gemeente als andere type jongeren.
  • Zij kunnen zich van alle typen het meest voorstellen dat zij later predikant zouden worden.
  • Toppresteerders zetten zich twee keer zoveel bij het uitdragen van het geloof, bij zending en evangelisatie.
  • Zij hebben een duidelijk beeld van God.
  • Meer dan andere type jongeren wordt de toppresteerder gevoed door de preek, tijdens christelijke conferenties en door de inzet in de eigen gemeente.

De toppresteerder komt meer voor in ‘vrijere kerken’ als de pinkstergemeenten, charismatische gemeenten, bij Baptisten of bij een van de reformatorische kerken.

De toppresteerder heeft het liefst een kerkdienst, waarin het over God of de Heilige Geest gaat, waarin aanwijzingen worden gegeven voor het dagelijks leven, waarin je betrokken kunt zijn, gemeenschap ervaart en de vorm van de kerkdienst modern is.

De toppresteerder is ijverig en ambitieus, hecht aan regelgeving en orde, verlangt naar zekerheid.

(2) De ambivalenten
De ambivalenten hebben heel wat gemeen met de toppresteerders. Een groot verschil is dat zij hun geloof niet als ondersteunend ervaren. De ambivalenten komen veel minder voor onder de kerkelijk actief betrokken jongeren. Slechts twee typen komen minder vaak voor. Kenmerken:

  • Ambivalenten zien het christelijk geloof als exclusief. Van alle typen houden zij zich het minst bezig met andere godsdiensten.
  • Zij voelen zich nauw betrokken bij hun eigen gemeente.
  • Zij ervaren van hun geloof nauwelijks steun in het dagelijks leven. Zij ervaren minder dan anderen dat hun gebeden door God worden verhoord en voelen zich minder dan anderen bij God geborgen.
  • Toch geloven ze wel dat God kan ingrijpen in hun leven en een plan voor hun leven heeft. In hun geloof zijn ze alleen veel ambivalenter dan toppresteerders.
  • Van alle typen hebben zij het minste met kunst en cultuur. Ze lezen liever moeilijke en uitdagende boeken en denken liever inhoudelijk na.
  • Ook hebben ze minder dan andere typen iets met reflecteren. Ze zijn meer op zichzelf en ondanks hun enorme betrokkenheid op hun gemeente tot in een bepaald isolement.
  • Ambivalenten lezen en bidden vaker dan andere typen, maar niet zo vaak als toppresteerders en wedergeborenen.
  • Ze spreken met vrienden over het geloof, maar niet zo vaak als toppresteerders en wedergeborenen.
  • Ambivalenten zijn wel bovengemiddeld betrokken in de eigen gemeente, maar halen daar minder voldoening uit.

Samen met de belevenisgeoriënteerden zijn de ambivalenten degenen die het vaakst deel uit maken van de gemeente waarin zij zijn opgegroeid (75%). Driekwart van deze groep bezoekt wekelijks een kerkdienst. Er is geen type die zo vaak aangeeft door de preken in de kerkdienst in het geloof te worden versterkt.

(3) De wedergeborenen
De wedergeborenen behoren over het algemeen tot de oudere groep en zijn vaak jongvolwassen (20-29 jaar).

  • De wedergeborenen ervaren hun geloof als ondersteunend voor het dagelijks leven.
  • Ze zien het christelijk geloof als exclusief.
  • Zij hebben een duidelijk godsbeeld.
  • Het verschil met toppresteerders is dat zij zich minder verbonden voelen met de gemeente waartoe ze behoren. Zij voelen zich vaak meer thuis in pinkstergemeenten of bij charismatische gemeenten, maar behoren tot een traditionele gemeente.
  • Ook al voelen ze zich minder thuis, ze zijn wel betrokken in hun gemeente.
  • Meer dan andere typen kunnen wedergeborenen voorstellen dat ze later predikant worden of betrokken zijn bij het kerkelijk jongerenwerk.


(4) De onopvallenden
Ook de onopvallenden behoren tot de oudere groep en zijn vaak jongvolwassen. Kenmerken:

  • Zij lezen in de Bijbel en bidden, maar doen dat minder dan toppresteerders en wedergeborenen.
  • In hun godsbeeld is de straffend-controlerende dimensie relatief sterk ontwikkeld. Dit is de enige groep die bovengemiddeld vaak aangeeft zich te kunnen voorstellen dat God straft na overtreding van Zijn geboden.
  • Zij hebben niet veel op met andere godsdiensten.
  • Zij zijn niet echt goed in staat om te vertellen wat zij geloven.
  • Ze hebben een enigszins egoïstische instelling.
  • Hun band met de gemeente is over het algemeen vrij zwak.
  • Zij hebben geen behoefte aan moderne vormen in de kerkdienst. Ook hebben zij geen behoefte aan gemeenschap. Betrokkenheid bij de kerkdienst vinden ze vaak niet nodig.
  • Opvallend is wel dat zij als christelijke tijdschriften lezen en christelijke blogs volgen en preken op internet beluisteren. Net als toppresteerders bezoeken zij conferenties om hun geloof te versterken. Deze twee groepen zijn de enige groepen die aangeven bemoedigd te worden door conferenties.

 

(5) De holistischen
Kenmerken:

  • Deze type jongeren hebben wat trekken van toppresteerders: ze zijn bovengemiddeld geëngageerd, hebben een sterke band met de gemeente en ervaren hun geloof als ondersteunend in het dagelijks leven.
  • Zij verschillen van toppresteerdes, omdat zij het christelijk geloof niet als exclusief zien.
  • Zij hebben een progressievere moraal en een progressievere kijk op de Bijbel.
  • Bovengemiddeld meer vrouwen geven aan dat zij tot dit type behoren. Alleen de sociaal-politieken hebben meer vrouwen in hun gelederen.
  • Op de belevenisgeoriënteerden na is dit de jongste groep (14-19 jaar).
  • Zij willen kerkdiensten die modern zijn, waarin ruimte is voor spontaniteit, dicht bij het leven staat, waaraan ze kunnen meewerken.
  • Deze groep is als enige groep geïnteresseerd in kunst en cultuur.
  • Zij zetten zich in voor de eigen gemeente, met een duidelijke voorkeur voor jongerenwerk.
  • Zij vinden het belangrijk dat de kerk in gesprek is met (vertegenwoordigers van) andere godsdiensten.
  • Ze houden van spanning en actie.

 

(6) De belevenisgeoriënteerden
Kenmerken:

  • Deze type jongeren zijn de jongste groep (64% tussen de 14 en 19 jaar).
  • Deze type jongeren zijn het meest kerkelijk betrokken (74%).
  • Net als de holistischen houden zij van spanning en actie.
  • Zij beschouwen het christelijk geloof niet persé als exclusief.
  • Zij ervaren het geloof niet altijd als ondersteunend in het dagelijks leven.
  • Na de toppresteerders en de holistischen behoren de jongeren het meeste tot de belevenisgeoriënteerden.
  • Zij zijn niet zo intensief bezig met het geloof: ze bidden en lezen minder dan andere jongeren.
  • Zij willen kerkdiensten die modern zijn, waarin ruimte is voor spontaniteit, dicht bij het leven staat, waaraan ze kunnen meewerken.
  • Zij hebben behoefte aan onderlinge gemeenschap.
  • Tweederde van deze groep bezoekt vooral de kerkdiensten van de eigen gemeente.
  • Zij hebben een progressieve ethiek en een progressieve visie op de Bjbel. Voor hen hoeft de kerk ook niet met een ethische visie naar buiten te treden.
  • Zij praten met vrienden weinig over hun geloof.
  • Zij zetten zich zelden in voor de eigen gemeente. Als ze zich inzetten is dat in het kinder- en jongerenwerk.


(7) De sociaal-politieken
De sociaal-politieken lijken sterk op de holistischen. Kenmerken:

  • Zij ervaren het geloof als ondersteunend.
  • Zij zien hun geloof niet als exclusief.
  • Tot de sociaal-politieken behoren vooral vrouwen (71%).
  • Zij zijn niet zo betrokken op de eigen gemeente. Wellicht omdat de gemeenten waartoe ze behoren geen kerkdiensten hebben, waarin ze hun engagement kwijt kunnen.
  • Zij bezoeken slechts een enkele keer per maand een kerkdienst.
  • Een kerkdienst hoeft niet modern te zijn, maar moet wel over Jezus of over de Heilige Geest gaan.
  • Zij hebben een progressieve ethiek.
  • De sociaal-politieken komt als type het minste voor onder kerkelijk betrokken jongeren.


(8) De gereserveerden
De gereserveerden hebben veel overeenkomsten met de belevenisgeoriënteerden. Kenmerken: 

  • In hun opvoeding heeft het christelijk geloof niet zo’n grote rol gespeeld.
  • Zij lezen en bidden het minste van alle jongeren.
  • Anders dan de belevenisgeoriënteerden hebben zij een zwakke band met de kerk.
  • Zij gaan ook zelden naar een kerkdienst toe.
  • Voor hen hoeft een kerkdienst niet modern te zijn. Medewerking aan een kerkdienst is voor hen ook niet nodig.
  • Deze groep is het minst actief in christelijke context.
  • Deze groep kan zich het minste voorstellen later predikant te worden.
  • Bovengemiddeld horen jongeren uit de lagere sociale klassen tot dit type.
  • Deze type jongere komt nauwelijks voor bij pinkstergemeenten, maar is eerder in protestantse gemeenten te vinden.
  • Deze groep is geen kleine groep: ze komen op plek 3 qua omvang.


Bron: Tobias Faix / Tobias Künkler, Generation Lobpreis und die Zukunft der Kirche. Das Buch zur empirica Jugendstudie 2018 (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2018) 48-81.

De zorg voor zielen – 1: Leren van de boerderij

De zorg voor zielen – 1: Leren van de boerderij

Wat is een goed (voor)opleiding om predikant of pastor te worden? Harold Senkbeil, die jarenlang zelf predikant was en en nu jarenlang betrokken is bij de nascholing van predikant, was, heeft misschien wel het meeste geleerd op de boerderij van zijn vader. Senkbeil groeide op op een kleine boerderij in Minnesota (VS).
131520823-farm
Zonder dat hij het wist, kreeg hij van God belangrijke lessen, die later als predikant heel waardevol bleken te zijn. Zijn studie theologie was voor hem ook belangrijk en had hij niet willen missen. Kennis is echter te weinig als je ook niet de praktijk meekrijgt. Dat geldt op een boerderij. Dat geldt ook als je als herder de schapen van Christus mag hoeden en weiden.

Medium-landscape-Doxology1-@2x
Harold Senkbeil

Bereiden
Senkbeil publiceerde vorig jaar een boek: De zorg voor zielen. Het bereiden van het hart van het pastor. Dat woord ‘bereiden’ is misschien wat vreemd, maar naar mijn idee doelt Senkbeil op de lessen die hij als boerenzoon op de boerderij van zijn vader leerde. Zoals een boer de aarde bereidt, wordt het hart van de predikant bereid om voor de schapen van Christus te kunnen zorgen. Dit boek van Senkbeil won in het afgelopen jaren verschillende prijzen, omdat predikanten uit het werkveld blij waren met zijn boek. Omdat een conferentie niet mogelijk is in deze tijd, is er een leesschema opgesteld. Vanuit Nederland pik ik een graantje mee.
EXX4LXKUwAIGglw

Wachten
Wat leerde hij op de boerderij? Hij leerde allereerst wachten. Hij kan zich nog goed herinneren hoe zijn vader naging hoe de pas gezaaide gewassen groeiden. Met zijn ruwe, verweerde handen ging hij teder over de kiemlingen. Zijn vader moest hard werken om voor de boerderij te zorgen. Het belangrijkste kon zijn vader echter niet: zorgen voor de groei. De groei kwam van God. Op de boerderij leerde hij te wachten op de groei, die van God komt. De gewassen die in mei opschoten konden pas aan het einde van de zomer worden gemaaid. Daar moest je als boer en boerenzoon op wachten.

Ongeduld
Senkbeil merkt bij jongere predikanten veel ongeduld met hun gemeente: De gemeente luistert niet naar Gods Woord. De gemeente verkwanselt het evangelie door met elkaar te strijden over triviale zaken. Het zijn belangrijke thema’s voor iemand die is aangesteld om voor de zielen van de gemeenteleden te zorgen. Maar ongeduld is de grootste vijand van een predikant. Een predikant moet kunnen wachten op de groei die van God komt. Zoals zijn vader zich in mei al kon verheugen op de oogst in de nazomer mag een predikant zich al verheugen op de latere oogst.
Pastor-preaching
Illustratie uit het boek

Vreugde
Het was hard werken op de boerderij. Wat deze boerenzoon leerde, was dat deze zware arbeid in zichzelf al een bepaalde waarde en vreugde heeft. Dit werk geeft een voldoening. Het werk is nooit klaar. Altijd is er wel wat te doen. Maar het werk zelf geeft al volop vreugde. De boerenzoon Senkbeil betrekt dat op het werken in de gemeente: Je hoeft als predikant de vreugde niet pas te hebben als je kunt oogsten. Het werken in de gemeente geeft op zichzelf al voldoening. Ook al is dat hard werken en is het nooit klaar.
lightstock_207009_small_user_493488-1

De schapen van Christus hebben het nodig, dat de stem van de Herder hen door het leven heen leidt. Op dat punt komt de herder van de gemeente in beeld. Een predikant verkondigt en onderwijst, zodat de schapen de stem van de Goede Herder horen. Die schapen van de goede Herder zijn niet altijd makkelijk. Ze hebben hun eigen gedachten. Ze kunnen hun eigen wegen kiezen. Er is altijd wel rotzooi op te ruimen in de kerk, want de kerk blijft bestaan uit zondaars.

Toch heeft de Heer van de kerk in het dagelijkse werk van de predikant genoeg vreugde: de predikant mag op de eerste rij zitten als Christus laat zien hoe Zijn redding uitwerkt in mensenlevens. Zij mogen van dichtbij Christus’ genade aan het werk zien. Werken in de gemeente doet een predikant niet alleen voor de oogst. Het werk zelf is al een genade en vreugde, die Christus een predikant geeft. Als je als predikant blijft bedenken, dat je ploeteren in de gemeente een taak is die Christus opdraagt, kun je daar ook de schoonheid en de vreugde van gaan inzien.

Volgende week: Wat is een pastor? Het klassieke model.


N.a.v. Harold Senkbeil,
The Care of Souls. Cultivating a Pastor’s Heart (Lexham Press, 2019), p. 1-7
9200000104858242

Luke Timothy Johnson over de canonieke Paulus

Luke Timothy Johnson over de canonieke Paulus

Er zijn genoeg redenen om met de apostel Paulus bezig te zijn volgens de nieuwtestamenticus Luke Timothy Johnson: (1) Hij had een persoonlijke ervaring met de opgestane Heer. (2) Hij stichtte een aantal gemeenten in Klein-Azië, Macedonië en Achaje. (3) Hij was een belangrijke figuur in het brengen van de boodschap van de opgestane Heer aan de heidenen en verdedigde de legitimiteit van deze missie krachtig. (4) Hij was de eerste en de meest belangrijke interpreet van de geschiedenis van Jezus. (5) Zijn brieven vormde de basis van wat zou uitgroeien tot de canon van het Nieuwe Testament.

De eerste vier redenen zijn historisch van aard. De laatste reden is de belangrijkste reden voor de bestudering van de apostel Paulus: zijn brieven worden nog steeds hardop voorgelezen tijdens de liturgie als de christelijke gemeente samenkomt.

download (12)
Luke Timothy Johnson

Johnson, die zelf een kritische Rooms-katholieke gelovige is, heeft daarom steeds de rijke Rooms-katholieke traditie waarin Paulus werd gelezen bestudeerd: kerkvaders Origenes, Augustinus en Chrysostomus, theologen van Thomas van Aquino tot Karl Rahner, monastieke theologen en Rooms-katholieke nieuwtestamentici als Lucien Cerfaux, Jacques Dupont, John McKenzie en Joseph Fitzmyer.

Johnson geeft aan dat hij ook zich ook meer met die elementen die voor de Rooms-katholieke geloofsbeleving bezig heeft gehouden en zich meer op de sacramentele, ecclesiale en mystieke elementen in Paulus’ werk heeft gericht. De rechtvaardiging door geloof en de apocalyptiek in Paulus’ werk heeft minder zijn aandacht gehad. Naar zijn idee heeft de aandacht voor die rechtvaardiging en apocalyptiek geleid tot een selectieve bestudering van Paulus’ brieven, waarbij een enkele brief als de Romeinenbrief als dé kern van Paulus’ theologie werd gezien. Ook de discussie over het Nieuwe Perspectief op Paulus (NPP) vindt hij een onderdeel van die selectieve benadering. Johnson wil daarom aandacht voor de gehele Paulus en niet zozeer een enkele brief als kern naar voren schuiven.
images (2)
Voor Johnson heeft het benadrukken van een enkele brief (als de brief aan de Romeinen of aan de Galatenbrief) ertoe geleid dat niet elke brief die aan Paulus wordt toegeschreven niet erkend wordt als een brief van Paulus.

Tegenwoordig gelden voor veel nieuwtestamentici maar 7 brieven als authentiek van Paulus: Romeinen, 1 en 2 Korinthe, Galaten, 1 Thessalonicenzen, Filippenzen en Filemon. Johnson ziet reconstructies van Paulus’ theologie, waarbij de overige brieven niet eens meer verwerkt worden. Die overige brieven zouden door leerlingen of aanhangers van Paulus geschreven zijn, de zogenaamde Paulinische school.

Geen Paulinische school
Johnson wil niet van een Paulinische school weten: de enige reden om die school te veronderstellen is de ontkenning van Paulus’ auteurschap van de overige brieven. De hypothese waarom de 7 brieven wel als authentiek door Paulus geschreven zijn en de andere niet vindt Johnson gebaseerd op willekeur. Men neemt dan bijvoorbeeld een brief aan de Romeinen als norm en beoordeelt dan de overige brieven op thema’s die daarin aan de orde komen.

Hij brengt daar zelf tegen in dat veel brieven door medewerkers van Paulus mede geschreven en mede gefinancieerd zijn. Bovendien zijn het steeds brieven die geschreven zijn in een gemeente in een bepaalde situatie. Daardoor kunnen brieven afwijken van elkaar. Johnson gaat uit van clustering van brieven die met elkaar te maken hebben. Hij heeft de volgende clusters:

  • 1 en 2 Thessalonicenzen
  • Galaten en Romeinen
  • 1 en 2 Korinthe
  • Kolossenzen en Efeze (die gelijk met Filemon geschreven zijn)
  • De brieven aan de gedelegeerden van Paulus: 1 en 2 Timotheüs, Titus
  • Twee overige brieven: Filippenzen en Filemon

Johnson gaat uit van Paulus zoals de canon hem presenteert. Op basis van de gegevens die de canon aanreikt construeert hij Paulus’ leven en theologie. Vandaar ook de titel: Constructing Paul. The canonical Paul. Dit deel is het eerste deel. In dit deel neemt hij stelling in een aantal kenmerkende discussies over Paulus’ leven en werk.
download (13)

Over Paulus weten we alleen iets door wat de canon vertelt. Anders dan met Jezus en Jakobus zijn er geen contemporaine bronnen, die iets over Paulus vertellen. Veel biografische gegevens komen uit de brieven waarvan tegenwoordig de auteurschap van Paulus wordt ontkend. Ook Handelingen is nodig om het leven van Paulus te kunnen reconstrueren. Handelingen is voor Johnson ook een primaire bron voor het leven van Paulus, maar dan wel van een andere orde dan de brieven.
Als Jood uit de diaspora bestond zijn symbolische wereld uit, zoals Johnson dat noemt: ‘alle complexe elementen van de Mediterrane wereld van de eerste eeuw na Christus, waarin de Romeinse regels een rol spelen, de Hellenistische cultuur en – meest bepalend –  de Joodse erfenis’.

Paulus’ Joodse identiteit
Paulus-webIs het mogelijk te achterhalen wat voor Jood Paulus was? Zo eenvoudig is dat niet, want ook het Vroege Jodendom was een complex gebeuren met veel schakeringen. Joden konden onderling enorm verschillen in overtuigingen en praktijken. Ze konden elkaar ook om die reden bestrijden. Paulus geeft zelf aan dat hij een Joodse herkomst heeft en een Farizese opleiding heeft gehad. Uit Handelingen weten we dat hij uit Tarsus kwam en het Romeinse burgerrecht had. Hij was een Jood uit de diaspora. Anders dan Philo, die ook in de diaspora woonde, en anders dan de brief aan de Hebreeën probeerde Paulus niet het geloof in Christus te combineren met het Platonisme.

Wat we uit de brieven kunnen ontlenen over Paulus’ Joodse identiteit is bepaald door de persoonlijke ervaring die hij heeft gehad met de opgestane Heer. Verder weten we eigenlijk maar fragmenten over Paulus’ Joodse identiteit: dat hij buiten Jeruzalem geboren is en later naar Jeruzalem is gegaan. Uit zijn brieven blijkt dat hij een bepaalde kennis van de Hellenistische cultuur heeft. Wanneer hij zijn Farizese opleiding heeft gehad en of dat in Jeruzalem was of reeds in Tarsus weten we niet.

Een oud verwijt aan Paulus, die in de 19e eeuw begint te komen bij de aanvang van het historisch-kritische onderzoek, is dat Paulus aan de haal is gegaan met de woorden van en verhalen over Jezus. Paulus is dan de stichter van het christendom dat afwijkt van Jezus’ oorspronkelijke bedoeling. Voor Johnson is dat een onhoudbare gedachte. Hij ziet Paulus als een integere interpreet.
images
Profetische stem
Wat uit de aanhef van de brieven wel blijkt, is dat Paulus zichzelf als een profetische stem heeft gezien. Hij vergelijkt zichzelf ook enkele keren met Jeremia. Paulus leefde in de Schrift van het Oude Testament. Hij citeert niet altijd de Schrift, maar intensieve lezing van zijn brieven laat zien dat hij de kennis van de Schrift in zijn brieven tussen de regels door opneemt. Hij leest de Schrift wel vanuit zijn ervaring met de gekruisigde en opgestane Heer.

Persoonlijke ervaring
Uniek is Paulus volgens Johnson omdat hij in al zijn brieven spreekt over zijn persoonlijke ervaringen. In brieven van Paulus’ tijdgenoten zullen we die persoonlijke ervaringen niet tegen komen. Voor Johnson is de religieuze ervaring die in Paulus’ brieven verwoord wordt een verwaarloosd aspect in de nieuwtestamentische wetenschap. Hij heeft daar al in 1998 aandacht voor gevraagd: Religieus Experience in Earliest Christianity: A Missing Dimension in New Testament Study. Johnson verwijst in zijn boek geregeld naar dit boek.

De levende en ware God
Omdat Paulus’ ervaring zo’n centrale rol speelt, is het goed om Paulus’ overtuiging en de verwoording daarvan nauwkeurig te bestuderen en daarbij ook oog te hebben voor de symbolen en metaforen die Paulus gebruikt. Paulus gaat ervan uit dat er maar één God is. Deze God is anders dan de afgoden de lévende en ware God. Zijn aanwezigheid en kracht kan opgemerkt worden aan hoe de Schepping is vormgegeven.

De wereld leeft echter in opstand tegen God. Paulus gaat hier volgens Johnson wel verder dan het Oude Testament door ervan uit te gaan dat dit verzet tegen God het individuele overstijgt. Paulus heeft de reddende kracht door Christus ervaren en merkt in zichzelf het werk van de Heilige Geest. Hij draagt deze boodschap uit en ziet dat ook bij anderen. De volgelingen delen in Christus en daarmee ook in Zijn kruis. Het kruis verandert van een wrede en mensonterende martelwerktuig in een paradoxale manier waarop God Zijn macht laat zien.

Paulus’ eigen stem: Filemon
Paulus schreef brieven. Dat deed hij vaak samen met anderen. Is het mogelijk om Paulus’ eigen stem te vernemen? Johnson wil niet zijn uitgangspunt nemen in de Romeinenbrief, omdat deze brief juist afwijkt van de overige brieven: deze brief is geschreven aan een gemeente die niet door Paulus is gesticht. Johnson vindt het zinvoller om de stem van Paulus te  vernemen in de persoonlijke brief aan Filemon. Deze brief is tegelijkertijd met Efeze en Kolossenzen geschreven.

Johnson: ‘De brief aan Filemon laat zien dat Paulus stem persoonlijk, warm en subtiel is. De stem van iemand die thuis is in de sociale context van de Grieks-Romeinse cultuur. Iemand die de ingewikkelde manier begrijpt waarin sociale status en verplichting werden behandeld door noties als vriendschap, waarbij wederkerigheid van gaven en eerbewijzen een rol spelen.’
800px-Philemon_and_Onesimus
Middeleeuws schilderij: ontmoeting Onesimus en Filemon

In deze brief krijgen we iets te zien van het netwerk waarin Paulus’ missie zich afspeelt. Paulus werkt nauw samen met medewerkers. Paulus ziet zichzelf als een vader voor Onesimus en laat zijn broeder Filemon zien welke betekenis deze ‘zoon’ voor hem heeft. Paulus laat zien dat ‘in Christus zijn’ de sociale verhoudingen bekritiseert en relativeert, zonder die verhoudingen af te schaffen. Filemon stemt overeen met andere pastorale noties van Paulus’ andere brieven.

In het tweede deel dat Johnson over Paulus gaat schrijven, zal hij bij elke brief een diepteboring doen om het kenmerkende van Paulus te laten zien.

N.a.v. Luke Timothy Johnson, Constructing Paul: The Canonical Paul, Volume 1 (Grand Rapids: William B. Eerdmans Publishing Company, 2020).

Nieuw leven, levendiger dan ooit tevoren

Nieuw leven, levendiger dan ooit tevoren

De opstanding van Chriistus is altijd een belangrijk thema geweest voor theoloog Jürgen Moltmann. Nu hij 94 jaar is, schrijft hij er weer een essay over. 

Jürgen Moltmann is 38 jaar oud als hij zijn boek Theologie van de hoop publiceert, het boek dat hem beroemd maakt. In dat boek beschrijft hij wat voor hem de opstanding van Christus betekent, en de hoop op het eeuwige leven. Na dat boek schrijft hij geregeld over deze thematiek. 

Moltmann_pag20

Als in 2016 zijn vrouw Elisabeth Moltmann-Wendel overlijdt, ziet hij zichzelf genoodzaakt nog eens over de thematiek van Christus’ opstanding na te denken en zijn gedachten op te schrijven. Moltmann, die op 8 april 94 jaar geworden is, publiceerde onlangs als uitwerking een klein essay Auferstanden in das ewige Leben. Nu hij persoonlijk met rouw te maken heeft gekregen, wil hij hoop en troost bieden.

Moltmann gelooft dat wij onze dood niet meemaken. Op het moment dat we sterven, gaan we over in de volheid van het eeuwige leven. Degenen die achterblijven worden wel geconfronteerd met de dood van een geliefde. In de ervaring met de rouw probeert hij zich dat eeuwige leven in de volheid voor te stellen.

Hardvochtige gedachte
Moltmann kan zich niet voorstellen dat er na de dood niets is. Dat is voor hem een hardvochtige gedachte, omdat voor velen het leven hier op deze aarde fragmentarisch en onvoltooid is, en beperkingen kent. Moltmann stelt zich de nieuwe wereld – waarin de mens op het moment van het overlijden opstaat – voor als een onzichtbare wereld die ons omgeeft.
Het leven dat hier op aarde onvoltooid, fragmentarisch en beperkt is, krijgt in dat leven van de opstanding een voltooiing zoals we het ons hier niet kunnen voorstellen. Die voltooiing zal aan iedereen gebeuren. Ook aan een kind dat op jonge leeftijd verongelukt, of iemand met een beperking. 

8049

Dat nieuwe leven is een leven waarin de ziel levendiger is dan ooit tevoren. Daarom kan dat nieuwe leven van de opstanding geen verlenging van het aardse leven zijn. Het is een nieuw leven dat de overledene krijgt. Dat nieuwe leven mag in het leven op aarde al moed geven. In het aardse leven mogen we al ons instellen op het nieuwe leven dat wacht. Moltmann spreekt daarom liever van de kunst van het opstandingsleven dan van de kunst van het sterven.

Maria Magdalena
Het is bijzonder dat we de hoop op dat opstandingsleven hebben. We hebben dat aan Maria Magdalena te danken. Voor Moltmann is zij de belangrijkste volgeling van Jezus. Zij was tot het einde toe bij Jezus, ook op het moment van zijn dood. Zij was de eerste die getuige was van de opgestane Heer. Zij ontmoette hem al voordat de andere leerlingen geloofden dat hij was opgestaan.

Het is een geloof van hoop dat groeide uit de teleurstelling van Jezus’ dood. Pasen begint bij die teleurstelling. Het feit dat het graf leeg is, roept eerst ontzetting op. Zelfs de zekerheid van de dood is niet meer zeker. Alle vertrouwde kennis over leven en dood is onbetrouwbaar geworden.

Totdat Maria Jezus ontmoet in de hof. Hij is niet alleen de opgestane Heer, maar Hij is ook de Heer die reeds naar de hemel aan het teruggaan is. Haar vriendschap met de levende Jezus verandert zich in een gemeenschap met God met de opgestane Jezus.

Zij krijgt de opdracht om aan de apostelen de boodschap van de opstanding te brengen. Voor Moltmann hoort zij daarom in het centrum van het christelijk geloof. Voor de eerste christenen was Jezus’ opstanding geen individuele opstanding, maar net zo universeel als de dood universeel is.

Jezus is de eerste van degenen die opstaat en hij neemt de andere overledenen mee in het opstandingsleven. In zijn opstanding omvat hij het gehele mensheid, de gehele kosmos. De opstanding van Jezus is een kosmisch gebeuren: de herschepping van alle dingen.  De opstanding van Jezus is de overwinning op alle destructieve machten die er zijn, zoals de dood en de zonde maar ook onrecht en onderdrukking. De opstanding van Jezus geeft de gelovige moed om hier in het aardse al te strijden tegen onrecht en onderdrukking.

Individuele betekenis
Vanwege het betekenis van de herschepping van de kosmos door Christus’ opstanding had Moltmann had er lang moeite mee gehad om de opstanding in het nieuwe leven individueel te zien. Opstanding zou te individualistisch zijn en de solidariteit met de rest van de kosmos vergeten. Na het overlijden van zijn vrouw gaat hij die gedachte dat de opstanding ook een individuele betekenis heeft waarderen.
Moltmann gaat ervan uit dat we op het moment van ons overlijden opgewekt worden in dat nieuwe opstandingsleven. [ De eerste helft van deze zin moet wegHij begint niet met opwekking van het lichaam, maar] in dat nieuwe leven krijgt de ziel een levendigheid en voltooidheid zoals er hier op aarde niet was. In dat nieuwe leven ontvangt de ziel een nieuw lichaam.
9783641259549
Het aardse leven is wel de kiem van het nieuwe leven, net als bij het beeld van Paulus van het zaad dat gezaaid wordt (1 Korinthe 15:36). Bij het aardse leven is ook veel dat verkeerd is gegaan: de aarde heeft het bloed gedronken van broeders die elkaar in de oorlog doodden.

Laatste oordeel
Het moment van ons heengaan in dat nieuwe leven is ook meteen het moment van het laatste oordeel. Op het moment van zijn heengaan wordt de mens geconfronteerd met de waarheid van zijn leven. In het geloof in Christus zijn de zonden weliswaar vergeven, maar de gevolgen van de zonden niet uitgeboet. In dat eeuwige leven worden die herinneringen en ervaringen, ook van ons falen en zondigen, niet uitgewist. We dragen de gevolgen.

We gaan er echter niet aan onderdoor. Ook ons falen en zondigen brengt God in dat opstandingsleven tot voltooiing. Het is de gemeenschap met Christus die ons door de dood en het oordeel heen ons bewaart. Door die gemeenschap krijgen wij dat eeuwige leven in zijn volheid. In die gemeenschap kunnen wij zonder vrees heengaan.

N.a.v. Jürgen Moltmann, Auferstanden in das ewige Leben. Über das Sterben und Erwachen einer lebendigen Seele (Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus, 2020).

Eerder verschenen als recensie in Het Goede Leven en Friesch Dagblad

Rainer Riesner – Messias Jesus

Rainer Riesner – Jesus Messias (2019)

Wanneer er over de historische Jezus wordt geschreven, is de teneur nogal eens dat de berichten van de evangeliën afwijken van hoe de werkelijke Jezus moet zijn geweest. Volgens  Rainer Riesner, die tot 2013 Nieuwe Testament doceerde aan de TU Dortmund, is het een trend in de nieuwtestamentische wetenschap om aan de berichten uit het Nieuwe Testament meer geloofwaardigheid toe te kennen dan voorheen gebeurde. Vorig jaar publiceerde hij Messias Jesus. In dat boek wil hij laten zien dat Jezus zichzelf als messias heeft gezien.
229410_1
Om te laten zien dat Jezus zichzelf als messias heeft gezien, laat Riesner eerst zien welke messiasverwachtingen er waren in het toenmalige Jodendom. Bij de profeet Sacharja is het zelfs mogelijk om twee messiaanse gestalten te zien aangekondigd: een afstammeling van David en een hogepriester (Sach. 4:11-14). In de tijd tussen het Oude en het Nieuwe Testament ontwikkelt de messiasverwachting zich, waarbij elke stroming in het Vroege Jodendom weer een eigen visie heeft.

De Makkabeeërs plaatsen zichzelf in de messiasprofetie van Bileam (Numeri 24:17). Zij verdrijven Antiochus Epifanus uit het land, nadat hij een syncretistische godsdienstpolitiek wil opdringen aan de Joden. Aan de zijde van de Makkabeeën strijden de ‘vromen’ (chasidiem). Deze ‘vromen’ raken echter teleurgesteld in de Makkabeeën als een van de Makkabeeën zichzelf hogepriester maakt.
De Sadduceeën, een bepaalde bovenlaag van priesters en rijke families, nemen afscheid van het idee dat er een messias zou moeten komen, omdat zij door de messiasverwachtingen de politieke stabiliteit bedreigd zien.
De Essenen, die volgens Riesner mogelijk terug te voeren zijn op een hogepriester die door de Makkabeeën aan de kant geschoven is, komen buiten Jeruzalem terecht. Binnen de Esseense gemeenschap leeft de verwachting van de dubbele messias: zowel een afstammeling van David als een hogepriester. Een deel van de ‘vromen’ sluit zich aan bij de Essenen. Een deel gaat niet mee en vormt de eigen groep van de Farizeeën. Anders dan de Essenen braken de Farizeeën niet met de tempeldienst, maar bleven ze loyaal aan de tempel ook al waren ze kritisch op de Sadduceeën.
Toen de Romeinen het land in bezit namen, was er een groep binnen de Farizeeën die van mening waren dat de Romeinen met geweld verdreven moesten worden. Zij zijn de Zeloten.
Diametraal tegenover de Zeloten staan de aanhangers van Herodes. Deze Heriodianen zien in Herodes een messias, mede omdat Herodes de tempel op een indrukwekkende wijze laat verfraaien zodat de tempel als achtste wereldwonder kon worden beschouwd.

Jezus wordt geboren in een familie van de ‘vromen’, die zich niet bij de Essenen of de Farizeeën had aangesloten. Tegenwoordig wordt Nazareth nogal eens als geboorteplaats van Jezus aangenomen, maar volgens Riesner zijn er goede argumenten om aan te nemen dat Jezus in Bethlehem wordt geboren: in het Nieuwe Testament wordt er geen andere geboorteplaats aangenomen dan Bethlehem en zijn er tradities met betrekking tot Bethlehem als geboorteplaats onder de toenmalige Jodenchristenen, die mogelijk terug te voeren zijn op de familie van Jezus.

Jezus begint zijn openbare optreden rond het jaar 27/28. Dit jaar werd binnen verschillende Joodse stromingen gezien als het begin van de eindtijd, omdat dit jaar het tiende jubeljaar was. Zijn optreden wordt gemarkeerd met de doop door Johannes. Nadat Jezus in de woestijn is geweest en de verzoeking van de duivel heeft weerstaan, ziet Hij zichzelf als de Mensenzoon die in Daniël 7:13 wordt aangekondigd. Anders dan de Zeloten ziet Jezus niet de Romeinen als het grote kwaad dat bestreden moet worden, maar de macht van de boze. Daarin is Jezus gelijk aan Johannes de Doper. Johannes kondigde echter het oordeel aan, terwijl Jezus de aanbrekende heerschappij van God aankondigt.

Door zijn woorden en wonderen laat Jezus zien dat Hij het koninkrijk van God komt brengen. Jezus trekt ook rond om op te roepen tot bekering. Een belangrijk omslagpunt in het optreden van Jezus is volgens Riesner de Galilese crisis. Nadat de woorden van Jezus niet worden geloofd, spreekt Hij alsnog het oordeel uit over Galilea (Mattheüs 11:21-24).

Jezus treedt op in een spanningsvolle en onrustige tijd. Als Jezus in het derde jaar van zijn openbare optreden weer naar Jeruzalem gaat, weet Hij dat Hij gedood zal gaan worden. Uitvoerig staat Riesner stil bij de reconstructie van de laatste dagen van Jezus, omdat de berichten van Johannes afwijkt van die van de andere evangeliën: volgens Mattheüs, Markus en Lukas is Jezus op de 15de Nisan gedood, terwijl Johannes uitgaat van de 14de Nisan.
Volgens Riesner kan het verschil worden verklaard door het verschil in gebruik van kalenders. In het toenmalige Jodendom was er een verschil van inzicht of de oude priesterlijke zonnekalender gevolgd moest worden of de nieuwe maankalender. Johannes gaat uit van de maankalender, de kalender die officieel gehanteerd werd, terwijl de andere evangeliën uitgaan van de oude maankalender. Volgens Riesner moeten we ervan uitgaan dat er meer dan een nacht zit tussen de arrestatie van Jezus in Gethsemané en de dood op Golgotha. Een nacht is tekort om zowel een Joods als Romeins proces tegen Jezus aan te nemen.

Na zijn dood wordt Jezus op de derde dag opgewekt uit de dood. Direct na de opstanding wordt Jezus door zijn volgelingen vereerd als God. Al vrij snel zijn de verhalen over Jezus opgeschreven. Riesner gaat uit van de betrouwbaarheid van de overlevering. Riesner heeft zijn boek over Jezus vooral als historicus willen schrijven. Als archeoloog is hij betrokken geweest bij opgravingen en als kenner van het toenmalige Jodendom heeft hij zich verdiept in de Esseense gemeenschap. Deze kennis zet hij in dit boek in om Jezus beter te kunnen plaatsen in de Joodse context van zijn tijd.

N.a.v. Rainer Riesner, Messias Jesus. Seine Geschichte, seine Botschaft und ihre Überlieferung (Gießen: Brunnen Verlag, 2019).