In de eredienst gevormd voor de samenleving

In de eredienst gevormd voor de samenleving
Recensie van James K.A. Smith – Awaiting the King (2017)

Wat is de plek van christenen in de samenleving? Dat is een vraag die christenen al vanaf de 19e eeuw bezig houdt, toen niet meer het christendom, maar het liberalisme de bepalende factor in de maatschappij werd en de bestuursvorm democratie werd. De vraag werd nog acuter in de afgelopen decennia door de opkomende secularisatie en de toenemende marginalisering van de kerk.

Moet je je als christen afzijdig houden? Moet je je plek bevechten om de maatschappij om de negatieve gevolgen van de seculiere maatschappij tegen te gaan? Moet je daarvoor de politiek gebruiken? Moet je als christen juist positief in deze maatschappij staan? Voor veel christenen is het een zoektocht.
51Jr8BZaqRL._SX331_BO1,204,203,200_

Neocalvinisme
In het werk van de van oorsprong Canadese filosoof James K.A. Smith is die zoektocht te zien. Hij groeide op in een piëtistische gemeenschap, die meer afzijdig stond van de maatschappij. Tijdens het studeren ontdekte hij dat de neocalvinistische traditie, waarin hij opgegroeid was, met Kuyper en Bavinck juist een maatschappelijke betrokkenheid van christenen wilde stimuleren.

hauerwas-stanley-2
Stanley Hauerwas

Hauerwas
Nadat hij kennis maakte met de kritische visie van Stanley Hauerwas ontdekte hij dat zijn neocalvinistische traditie wel heel optimistisch en naïef was in hun houding naar de cultuur toe. Hauerwas is van mening dat de kerk een contrastsamenleving moet vormen vanuit het evangelie. De gelovige leeft wel in deze wereld, maar kan niet volop meedoen, omdat veel facetten in de maatschappij, en zeker in de politiek, botsen met de normen van het evangelie. In een tijd waarin veel evangelicale christenen zich in de VS verbonden aan de conservatieve stroming binnen de Republikeinse partij werd Hauerwas als kritische stem belangrijker.

Smith wilde een boek schrijven waarin hij wilde aangeven hoe zijn eigen neocalvinstische traditie, die optimistisch is over de rol van christenen in de samenleving, gecorrigeerd diende te worden vanuit de gedachten van Hauerwas. Hauerwas heeft er geen bezwaar tegen als christenen in de samenleving actief zijn. Hij wil vooral de kerk a-politiek houden. Wanneer de kerk in aanraking komt met politiek komt er een conflict met de normen van het evangelie.

Toch kon Smith het bij Hauerwas niet helemaal vinden. Smith vond dat Hauerwas, ondanks dat hij pleit voor gelovigen die een contrastsamenleving vormen, geen werkbare visie op de kerk in deze samenleving heeft.

maxresdefault (1)
Oliver O’Donovan

O’Donovan
Bovendien leerde door de Britse theoloog Oliver O’Donovan kennen. O’Donovan is, op basis van zijn studie van Augustinus, veel positiever over de huidige samenleving. Op allerlei manieren wordt onze moderne samenleving nog gestempeld door het christendom. Al willen velen dat niet meer zien, de christelijke wortels blijven onmiskenbaar.

2003spring_augustine_a_giant_out_of_his_time_1280x720
Augustinus
Door O’Donovan leert Smith Augustinus waarderen. Augustinus helpt Smith bij een visie die christenen niet stimuleert om zich terug te trekken van de samenleving en de politiek en zich alleen op de kerk te richten en de samenleving en de politiek alleen aan niet-christenen over te laten. Augustinus beschrijft in zijn boek De stad van God twee steden: een aardse en een hemelse stad. In de visie van Augustinus gaat het om twee samenlevingen, die tegenovergesteld van elkaar zijn en botsen. Het luistert wel nauw hoe deze visie van Augustinus wordt weergegeven.

Nogal eens wordt de visie van Augustinus zo weergegeven dat de stad van God niet van deze wereld is en dat christenen zich daarom niet met de maatschappij en zeker niet met de politiek moeten inlaten. Dat is echter niet wat Augustinus beoogde, volgens Smith. Het gaat om twee botsende visies over hoe een samenleving moet worden ingericht, over wat van burgers verwacht mag worden en wat toekomstige burgers in hun onderwijs en vorming moeten meekrijgen. Deze twee visies concurreren, omdat ze allebei een andere godsdienstige achtergrond hebben, die doorwerkt in de normen voor burgers en de normen voor onderwijs en vorming.

Liberale democratie
Ook al is onze liberale democratie seculier geworden, ze heeft wel een visie op wat van burgers verwacht mag worden en wat voor burgers nodig is. Net als het christendom heeft de liberale democratie daar rituelen voor om burgers te beïnvloeden met die visie en die normen. Daardoor zijn in zekere zin liberale democratie en christendom als concurrenten, omdat de liberale democratie de liberale normen en waarden wil meegeven. Die liberale normen en waarden komen niet altijd overeen met christelijke normen en waarden. De liberale democratie heeft daarom steeds moeite om het onderwijs en de vorming door de christelijke traditie.

Het christendom, en zeker de neocalvinistische traditie, is volgens Smith meer dan de liberale democratie in staat om ruimte te bieden aan andersdenkenden. Het neocalvinisme is ook opgekomen als een beweging die binnen de eenvormigheid van de liberale democratie de eigen stem te laten klinken.

Kritiekloos
Het zwakke punt van het neocalvinisme was, volgens hem, dat men tevreden was als men een plek aan tafel had gekregen. Had men eenmaal een plek aan tafel gekregen, dan liet men het specifieke christelijke geluid achterwege, omdat men teveel onder de indruk was van de seculiere wereld en accepteerde men die kritiekloos. Begonnen als een beweging om het specifiek christelijke geluid te laten horen, eindigde het als een beweging die Christus onbedoeld buiten de politiek hield.

Eigen geluid
Volgens Smith doet de overheid er in een liberale democratie er goed aan om verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen de ruimte geven dat eigen geluid te laten horen. Juist ten dienste van de democratie en de samenleving. Godsdienstige stromingen zijn beter dan het liberalisme in staat om de diversiteit van de multiculturele samenleving recht te doen en zijn beter in staat om tolerantie te waarborgen dan het liberalisme, is de mening van Smith.

De rol van de kerk
De rol van de kerk is om de christenen te vormen voor hun taak in de samenleving. Dat gebeurt onder andere in de eredienst. Die vorming is wel kritisch, omdat in de eredienst de christen belijdt dat Christus Koning is. De christen kijkt uit naar de wederkomst van die Koning. Zolang die Koning nog niet gearriveerd is, is elke samenleving voorlopig en geen enkele regeringsvorm of politiek perfect. Vanuit die relativering van het politieke kan de christen een constructieve bijdrage leveren aan samenleving en politiek.

Correctie van het neocalvinisme
Dat de taak van de kerk is om christenen te vormen ziet Smith als zijn eigen correctie op het neocalvinisme. In de strijd voor de eigen plek in de samenleving vergaten neocalvinisten dat het wezenlijk is hoe de christenen zich in de samenleving gedragen. De kerk is er om christenen te vormen als christenen, met christelijke deugden. Om zo als christen gevormd de plek in te nemen.

James K.A. Smith – Awaiting the King. Reforming Public Theology. Cultural Liturgies 3 (Grand Rapids, Michigan: Baker Academic, 2017).

De terugblikken van ds. P.L. (Piet) de Jong en prof. dr. W(im) Verboom

De terugblikken van ds. P.L. (Piet) de Jong en prof. dr. W(im) Verboom

In 2018 publiceerden zowel Piet de Jong als Wim Verboom hun terugblik op hun werkzame leven als predikant en theoloog. De Jong doet dat in de vorm van memoires. Verboom schrijft een persoonlijke verantwoording.

De Jong en Verboom hebben gemeenschappelijk dat zij beiden van oorsprong van buiten de Nederlandse Hervormde Kerk hebben*. De Jong groeide op in de Gereformeerde Gemeente van Zoutelande en later van Middelburg. Verboom heeft zijn wortels in de evangelisatie van Kollum. Verboom werd lid van de Gereformeerde Bond en werd later bijzonder hoogleraar verbonden aan de leerstoel die de Gereformeerde Bond in Leiden had. De Jong hield afstand; hijwerd geen lid. Hij hield  juist wat afstand tot de Gereformeerde Bond en is in zijn terugblik vrij kritisch over de rol van de Gereformeerde Bond tijdens het fusieproces op weg naar de Protestantse Kerk in Nederland.

Beiden beschrijven hun ontwikkeling. Bij Verboom is het een weg van verdieping, met name als het gaat om thema’s als verbond en volkskerk. Toch was het bij hem ook een zoeken naar zijn positie tussen de twee stromingen binnen de Gereformeerde Bond: paste hij meer bij de verbondsmatige visie van dr. J.G. Woelderink of bij de meer bevindelijke insteek van ds. I. Kievit.
De Jong beschrijft meer ontwikkeling: hij begint als Kohlbruggiaan, maar groeit toch wat weg bij Kohlbrugge. De Jong ontwikkelt zich van dorpsdominee tot stadsdominee. Hij beschrijft hoe omstandigheden in zijn gezin hem vormen. Ook het pastoraat vormt hem: De ervaringen van de oorlog in zijn eerste gemeente in het Duitse Laar. De ervaring in Rotterdam met homo’s, met het missionaire werk en met de gevolgen van de slavernij. De ervaring van het werk van de Commissie van Bijzondere Zorg na de afsplitsing van de Hersteld Hervomde Kerk. Samen met anderen staat De Jong aan het begin van Kontekstueel.

Welk belang hebben deze memoires voor de beschrijving van de Nederlandse kerkgeschiedenis? Deze memoires bieden op zichzelf weinig nieuwe gegevens, maar dagen wel uit om naar een breder perspectief te kijken.

Wat bijvoorbeeld de aandacht trekt is dat bij beiden hun wortels buiten de Nederlandse Hervormde Kerk hebben. Hoe breed kwam dat verschijnsel voor? Waarom was deze kerk zo aantrekkelijk? Wat was er nodig om een plek binnen deze kerk te vinden? Wat namen ze mee en wat lieten ze achter? Welke bijdrage hebben zij gehad aan de ontwikkeling van de Nederlandse Hervormde Kerk? In de memoires worden deze vragen niet direct beantwoord. Toch kunnen ze ook van belang zijn voor de (voor)geschiedenis van de Protestantse Kerk in Nederland en vanwege de overgang van de ene naar het andere kerkverband de kerkgeschiedenis in het algemeen. De terugblikken van beiden kunnen ook benut worden om de rol van de Gereformeerde Bond binnen de Nederlandse Hervormde Kerk te beschrijven.

Benieuwd na het lezen van de beide terugblikken ben ik ook naar de betekenis van Kohlbrugge voor de Nederlandse theologiegeschiedenis. Mijn indruk is dat zijn betekenis voor een groot deel is uitgespeeld. Klopt deze constatering? Wat maakte hem voor eerdere generaties aantrekkelijk en waarom is zijn rol nu uitgespeeld? Tot slot zou er aandacht mogen zijn voor de betekenis van beiden op de Nederlandse theologiegeschiedenis.

N.a.v.
dominee Piet de Jong, Sores en zegen. Mijn verhaal met de kerk (Utrecht: Boekencentrum. 2018)
dr. Wim Verboom, Gouden oogst. Een halve eeuw theoloog in pastorie en universiteit (Utrecht: uitgeverij Boekencentrum, 2018).

Recensie voor het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis

*) In deze recensie stel ik dat Verboom van buiten de NHK komt. De vraag is in hoeverre dat terecht is, omdat de evangelisatie van Kollum wel op de NHK was georiënteerd. Toch denk ik dat het voor deze recensie een te onderbouwen typering is: (1) de evangelisatie was dan wel georiënteerd op de NHK, maar stond er toch wel los van, (2) in zijn boek is te merken dat Verboom zijn plek zoekt binnen de NHK (en GB), wat voor mij duidelijk maakt dat hij zijn plek niet van huis uit heeft meegekregen maar zelf heeft moeten zoeken.

Als christen toegerust voor een taak in de wereld

Als christen toegerust voor een taak in de wereld
Proefschrift van Marinus de Jong over de visie van Klaas Schilder op kerk & wereld

Hebben christenen nog iets te zoeken in deze samenleving? Of is bijdragen aan de samenleving juist hun opdracht? Voor Klaas Schilder – bekend dan wel berucht van de vrijmaking in 1944, maar ook in vergetelheid geraakt – was dat geen vraag. Zijn visie op kerk, cultuur en maatschappij was onderwerp van promotieonderzoek.

Nederlandse christenen zijn onderdeel van een multireligieuze samenleving: er zijn nog meer religies. Daarnaast is de invloed van het christelijk geloof op de samenleving veel minder groot dan vroeger. Daarom kunnen we ook spreken van een postchristelijke samenleving. 

Dat roept vragen op naar de plek en de rol van de kerk in deze multireligieuze, postchristelijke samenleving: Moet de kerk zich volop inzetten in deze samenleving om zo het christelijk geluid te laten horen of moet de kerk zich juist afzonderen omdat de ontwikkelingen in de samenleving haaks staan op het evangelie? Moeten christenen maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid nemen of brengen ze zich dan in situaties, waarin ze maatregelen moeten nemen die afbreuk doen aan het christelijk geluid in de samenleving?

Marinus de Jong, sinds kort predikant van de gereformeerd-vrijgemaakte Oosterparkkerk in Amsterdam-West, promoveerde op 6 juni aan de Theologische Universiteit Kampen op deze vraagstelling. Hij deed in de afgelopen jaren onderzoek naar de theologie van Klaas Schilder (1890-1952), waarbij hij de visie van Schilder vruchtbaar wilde maken voor het heden.
D8Y-schXoAEfK1-

Dat hij Klaas Schilder als inspiratiebron nam, is verrassend. Zelfs voor iemand die onderzoek deed in Kampen. Want Schilder is een theoloog, die in de vergetelheid is geraakt. Zelfs in Kampen. 

Polemisch
De erfenis van Schilder in de Vrijmaking riep in de afgelopen decennia – zeker na de opening van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt – vooral verlegenheid op, omdat de theologie van Schilder vaak erg polemisch was.

Dat Schilder niet meer gelezen wordt, kan ook te maken hebben met een bepaald beeld van Schilder, dat werd doorgegeven. Dat was een beeld waarin alle spanning was weggehaald, en een beeld dat bepaalde Vrijgemaakten goed uitkwam.

Toen zijn leerlingen en volgelingen artikelen gingen heruitgeven, lieten ze ook wel artikelen weg die niet goed pasten bij het beeld van Schilder dat ze wilden doorgeven.

De Jong gaat achter dat beeld terug en wil laten zien dat Schilder soms moest zoeken naar zijn weg. Dat zijn theologie veel meer spanningen kende dan leerlingen wilden toegeven. Door die spanningen wordt de theologie van Schilder weer boeiender.

Schilder is zijn hele leven bezig geweest met de vraag, hoe de kerk zich moest opstellen in de wereld. Zelf afkomstig uit een arm arbeidersmilieu, ontwikkelde hij zich en klom zelf op tot professor. Voortdurend was hij bezig om in zijn eigen achterban te benadrukken, dat de kerk zich niet afzijdig moest houden van de wereld, maar daar haar plaats moest innemen.
Kaft-K-Schilder
Schilder stelde dat de mens een medewerker van God is en door God wordt gebruikt om Zijn weg in deze wereld te gaan. Voor Schilder was het ‘ambt van alle gelovigen’ van groot belang. Gelovigen waren vrijgekocht uit de zonde en waren nieuwe mensen geworden, die Gods gebod in praktijk konden brengen. Niet alleen de mensen aan de top zoals ambtsdragers en hoogleraren moesten hun bijdrage leveren, maar ook het gewone gemeentelid.

Vanuit de zondagse eredienst – voor Schilder het startpunt van het ambt van alle gelovigen – werden ook de gewone gemeenteleden in staat gesteld om hun bijdrage te leveren in de wereld: op hun werk, in het vrijwilligerswerk, in kunst en cultuur.

Zo’n bijdrage leveren, was volgens Schilder een goddelijk gebod. Wie zich daaraan onttrok, was ongehoorzaam aan Gods gebod. De Jong noemt deze lijn ‘kerk in de breedte’.
the-church-is-the-means-the-world-is-the-end-215x300
Cultuur
In de ogen van Schilder was de aarde niet een voorspel van de hemel (of van de hel), maar had de tijd hier op aarde een eigen waarde voor God. In deze tijd werkt God. Volgens De Jong is het handelen van God in de tijd hier op aarde de belangrijkste kern van Schilders theologie.

Dat handelen van God gaat al terug op de schepping. Bij de schepping van de mens kreeg de mens de opdracht om in de cultuur te werken. In het paradijs was er een eenheid van geloof en cultuur. Bij de zondeval raakte die eenheid versplinterd en koos de gelovige voor geloof en de ongelovige voor cultuur.

Zonder geloof is de cultuur echter onvolledig, hoe indrukwekkend de cultuuruiting ook kunnen zijn. Met de komst van Christus werd de eenheid van cultuur en geloof weer hersteld.

De nieuwe mensen, die door Christus zijn vrijgekocht, geven de cultuur een waarde, die een ongelovige niet kan geven.

Deze visie had wel nadelen. Hervormde theologen als Noordmans en Miskotte zagen deze opvatting leiden tot arrogante christenen, die wel weten hoe het zit. Daarnaast vonden ze dat deze visie te weinig kritisch was op de cultuur en daarmee een wereldgelijkvormigheid in huis haalde.

Noordmans en Miskotte hadden echter geen oog voor de sociale achtergrond van Schilder en zagen niet dat Schilder zijn eigen achterban wilde laten emanciperen.

Ware kerk
Een ander nadeel van deze visie is dat de nieuwe mensheid samenvalt met de concrete kerk. Het is dan een kleine stap om te zeggen dat je eigen kerk de ware kerk is. Schilder heeft dat nooit willen beweren en na de Vrijmaking in 1944 streed hij tevergeefs tegen die duidelijke koppeling die bepaalde Vrijgemaakten wel maakten.

Helemaal ongelijk hadden ze niet, omdat Schilder met zijn koppeling tussen de nieuwe mensheid en de concrete kerk wel die suggestie wekte.

Schilder streed echter niet voor de ware kerk. Hij was realistisch genoeg om te beseffen dat een kerkgenootschap nooit een ware kerk kon zijn, omdat het leven hier op deze aarde per definitie onaf is. Het gaat alleen om de wettige kerk. Daar zette hij zich voor in.

Om die reden polemiseerde hij met de Nederlands Hervormde Kerk, die door het kwijtraken van de binding aan de belijdenis volgens hem geen wettige kerk meer was. Omdat Schilder zich inzette voor een wettige kerk, hield hij zich veel bezig met de belijdenis en met de formele kant van kerkzijn, zoals de kerkorde en de vraag hoeveel pluriformiteit een kerk aankon.

Juist omdat het nadenken over de wettige kerk hem zo bezig hield, raakte het conflict in 1944 – dat uitliep op de Vrijmaking – hem diep. Vanwege meningsverschillen over de leer, die voor de oorlog hoop opliepen, wilde men in de oorlog duidelijke keuzes maken. Om vaart te maken, verlengde de synode de eigen zittingstermijn.

In Schilders ogen verloor de synode daarmee het gezag. Zeker toen de synode keuzes maakten, die tegen zijn visie inging, verzette hij zich tegen deze in zijn ogen niet-rechtsgeldige synode. 

Toen deze synode hem schorste, raakte dat hem persoonlijk diep. Naar zijn idee was hij aangepakt op de kern van zijn theologie. De schorsing door de synode was een traumatische ervaring voor hem.

De gevolgen waren echter paradoxaal. De groep die meegingen in de Vrijmaking begonnen vol bewijsdrang een nieuwe zuil op te bouwen. Soms tegen de zin van Schilder in.

De ‘synodalen’ (in de termen van Schilder: ‘synodocratischen’) bleven verdoofd achter. De Vrijmaking is een van de grote raadsels van de Nederlandse kerkgeschiedenis.

Eigenheid
Voor De Jong is het nadenken over de wettige kerk en het staan op Schrift en belijdenis de kerk in de diepte. In zijn proefschrift wil hij beide lijnen van Schilder combineren: een robuuste kerk die betrokken is op een wereld die op veel punten van haar afwijkt. Daarbij waakt de kerk steeds voor haar eigenheid en laat ze zich niet teveel beïnvloeden door wat de wereld wil.

Tegelijkertijd betekent de eigenheid van de kerk niet een terugtrekken van de wereld. Juist die eigenheid krijgt gestalte in de samenleving. Het publieke karakter van de kerk, haar staan in de wereld, is wezenlijk voor haar geloofwaardigheid.

Een goed proefschrift roept altijd vragen op, die uitdagen om verder op onderzoek te gaan. Een van de vragen die zijn proefschrift oproept, gaat over Schilder zelf. Er gebeurt iets in de jaren ‘30, waardoor de wind die Schilder eerst in de zeilen blies, zich tegen hem keerde en zelfs leidde tot zijn schorsing. Toen A.G. Honig als hoogleraar Dogmatiek aan de Theologische Universiteit Kampen moest worden opgevolgd, was Schilder de gedoodverfde opvolger. Als vanzelfsprekend werd hij het. Tien jaar later werd hij geschorst. Waren de verwachtingen die men had niet uitgekomen? Had hij zijn hand overspeeld?

Een andere vraag gaat over de praktische uitwerking van de kerkvisie die De Jong hier op basis van Schilders theologie neerlegt. De Jong pleit voor een kerk in de breedte en de diepte, een kerk die haar eigenheid bewaakt en tegelijkertijd volop haar rol heeft in de samenleving.

Mij werd alleen niet goed duidelijk hoe De Jong dat voor zich ziet. Bij Schilder – en ik vermoed dat De Jong hem hier volgt – gaat het via de gemeenteleden die op zondag in de kerk geweest zijn en daar aangevuurd zijn om hun taak op te nemen. Dan word ik nieuwsgierig: Wat voor soort kerkdienst is dat? Wat vraagt dat van de liturgie en de preek?

Naast deze vragen wil ik stellen dat De Jong Schilder terecht weer onder het stof vandaan haalt. Ontdaan van alle polemiek is Schilders theologie een waardevolle bijdrage om het gewone, dagelijkse leven als christen serieus te nemen. Dat dagelijks leven is niet alleen gezin of ethiek, maar ook werk, vrijwilligerswerk, kunst en cultuur.

Schilder daagt de gelovige uit om die terreinen niet te mijden. Persoonlijk zou ik iets voorzichtiger zijn met de identificatie van de gelovigen met de nieuwe mensheid, omdat de gevolgen van de zonde niet hier in het aardse bestaan al hersteld worden. Maar ook met die correctie biedt Schilder genoeg uitdaging om de roeping van God in onze samenleving als christen serieus gestalte te geven.

N.a.v. Marinus de Jong, The Church is the Means, the World is the End. The Development of Klaas Schilder’s Thought on the Relationship between the Church and the World (Uitgave: Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen).

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad

Gesprekskring Eugene H. Peterson

Gesprekskring Eugene H. Peterson
Eugene-Peterson-04
Eugene Peterson werd een pastor voor predikanten genoemd. Zijn boeken zijn een bemoediging en een aanscherping voor predikanten. In zijn boeken vraagt hij aandacht voor de ‘gewone’ taken van de predikant: lezen in de Schrift, preken, wonen op een plek om daar het evangelie zichtbaar en hoorbaar te maken. Tegelijkertijd is hij kritisch op de consumptiementaliteit die er onder christenen (en ook onder predikanten) kan zijn. Het aardige van Peterson is dat hij naast aandacht voor spiritualiteit ook steeds aandacht vraagt voor het gewone, alledaagse. Voor Peterson zijn dat geen gescheiden werelden, maar horen ze bij elkaar.


In de jaren-’90 werd Peterson even bekend in Nederland. Boeken als Dragende delenOnder de wonderboomDavid en GodGesprek tussen vriendenLaatste woordenEen zaak van lange adem werden vertaald. Daarna verdween de aandacht voor Peterson, terwijl hij toen nog het meeste moest schrijven. Boeken als Tell It SlantRun with the HorsesPractice ResurrectionChrist Plays in 10.000 Plays, The Pastor kwamen uit zonder in Nederland veel aandacht te krijgen.


Het is de moeite waard om met collega’s eens wat van Peterson te lezen. Wil je meedoen? Laat het weten! (dsschuurman [at] hervormdoldebroek [punt] nl of via Twitter of Facebook).
Geef dan gelijk aan welk dagdeel het beste uitkomt en welk boek je graag zou willen bespreken met elkaar.

O ja, geef ook aan welke locatie. Het kan hier bijvoorbeeld in Oldebroek. Maar mag ook elders.

P.s. Mogelijk…  mogelijk… gaan er meer boeken van Peterson vertaald worden

De Gewone Catechismus – blog 1: Een catechismus-variant en het gewone

De Gewone Catechismus – blog 1: Een catechismus-variant en het gewone

Stel dat je iemand, die niet zo bekend is met het christelijk geloof, iets wil geven om kennis te maken met het christelijk geloof. Of stel dat je zelf met elkaar als gemeenteleden bij elkaar wilt komen, om niet alleen maar te vertellen hoe jij tegen het geloof aankijkt of het geloof beleeft, maar uitgedaagd wil worden door de inhoud van het christelijk geloof. Of stel dat er iemand is die jou vragen stelt over het geloof. Waar kun je dan terecht?

Een boekje is al snel veel leeswerk en bovendien nogal persoonlijk gekleurd. Er zullen weinigen zijn die naar een kerkelijk document zullen grijpen, bijvoorbeeld een handreiking voor gesprekken over het geloof die door een synode of een kerkelijk bureau zijn uitgegeven. Een geloofsbelijdenis als de Heidelbergse Catechismus zal al helemaal niet in beeld komen.

Uitdagend
Nu is er de Gewone Catechismus. Dat zou wel eens iets kunnen zijn, waar je iemand die meer zou willen weten kunt geven. Of als je verdieping zoekt met elkaar de vragen en antwoorden bespreken en na kunt gaan waarom het antwoord op deze manier is geformuleerd en op welke Bijbelteksten dit antwoord is gebaseerd. De Gewone Catechismus zou je kunnen helpen om antwoorden te vinden als je wordt bevraagd op waarom en hoe je gelooft. Mooi dat collega’s Theo Pleizier, Arnold Huijgen en Dolf te Velde, samen met de meelezers zoveel tijd in dit project hebben gestoken en iets hebben willen bieden dat uitdagend genoeg is.

Iets stevigs en iets relativerends
De uitdaging zit gelijk al in de titel: Gewone Catechismus. Daar zit bewust de spanning in van iets stevigs en toch iets relativerends. Catechismus staat voor iets kerkelijks, voor meer dan je eigen mening. Toch is het maar een gewone catechismus: deze catechismus is niet bedoeld als vervanging van de Heidelbergse Catechismus. Het zijn gewone antwoorden voor gewone gelovigen, die vaak minder gewone vragen hebben. Of gewone gelovigen, die zich niet altijd bewust zijn dat achter gewone geloofsuitspraken een hele wereld zit aan nadenken over God. Dat door de eeuwen heen andere gewone gelovigen hebben gezocht om Gods stem te horen en Hem te gehoorzamen en dat die antwoorden als ervaringen zijn doorgegeven om degenen die later komen te helpen in hun zoektocht naar God.

Niet vrijblijvend
Hoe gewoon ook, deze antwoorden zijn niet vrijblijvend. Willen uitdagen tot nadenken over God en liefst meer nog: tot vertrouwen en volgen van Christus. In een tijd waarin veel gerelativeerd wordt, mag er best iets stevigs en iets ongewoons neergezet worden dat je uitdaagt om verder te gaan dan het gewone.

Ambivalentie
Het zou mooi zijn als de Gewone Catechismus in de vragen en antwoorden iets van dat uitdagende blijft houden. Want als er iets in onze tijd nodig is, is dat iets dat uitdaagt, provoceert, iets speels en plagerigs houdt zonder scherp of banaal te worden. Bij alle waardering die ik heb voor het project, de inzet en het doel, weet ik nog niet of dat gelukt is. Naar mijn idee wordt de Gewone Catechismus gekenmerkt door een ambivalentie, die reeds inherent aan de naam is: de ambivalentie tussen het gewone en de catechismus.

Kerkelijke norm en persoonlijk geloof
In de praktische theologie is het gangbaar om te spreken van verschillende vormen van geloof: persoonlijk, kerkelijk en publiek. Dit is een onderscheid van Dietrich Rössler. Dit onderscheid geeft aan, dat er een verschil is tussen hoe de kerkelijke normen zijn en de opvattingen en de belevingen van de (alweer) gewone gelovigen. Gewone gelovigen denken lang niet altijd hetzelfde als de kerk het verwoordt in de officiële stukken als kerkordes en belijdenisgeschriften. Ik ga ervan uit dat deze drie auteurs (en de meelezers) dit onderscheid kennen. In ieder geval proberen ze daar iets mee te doen door het officiële kerkelijke accent wat te relativeren: de catechismus en de antwoorden zijn maar gewoon.
Ook proberen ze aansluiting te vinden bij wat gewone gelovigen zouden kunnen denken en beleven. Alleen daar begint wel de ambivalentie voor mij. Allereerst is het niet duidelijk wie er in het antwoord en wie er in de vragen aan het woord zijn. Je zou verwachten dat in de vragen een gewone gelovige aan het woord is, die meer wil weten over de inhoud van het christelijk geloof en niet tevreden is met zijn persoonlijke antwoord.

Alleen zijn daarvoor de opeenvolgende vragen niet altijd even logisch. In ieder geval voor mij niet. (Dat zegt niet alles, want als onze dominee in de preek vroeger zei: ‘Nu zult u wel denken…’, keek ik altijd verrast op. Want er kwam een vraag op, die helemaal niet bij mij leefde.) Als je de vragen volgt, dan is de vraag eerder afkomstig uit de kerkelijke norm dan uit het persoonlijk, geleefd geloof.

Verwarrends
Ook bij het antwoord is trouwens niet duidelijk wie hier aan het woord is. Is hier een gelovige aan het woord, die vanuit persoonlijke ervaring vertelt? Is hier een gelovige aan het woord, die thuis is in de kerkelijke traditie en vanuit die traditie een antwoord weet te formuleren waar je nu in je gewone bestaan ook iets aan hebt. De vraag wie er bij de vraag en het antwoord aan het woord zijn, worden helaas niet in de inleiding aan de orde gesteld. Daarmee krijgt de
Gewone Catechismus ook iets verwarrends, waarbij ik steeds even moet zoeken wie hier aan het woord is. Dat is weer het nadeel van de werkvorm van vraag en antwoord.

Eigen maken
Nu is er bewust gekozen voor de vorm van vraag en antwoord, omdat vraag en antwoord helpen om geloofsinhoud eigen te maken. Dat werkt natuurlijk alleen als het werkelijke vragen en werkelijke antwoorden zijn. Antwoord geven vraagt om innerlijke betrokkenheid. Dat werkt natuurlijk vooral als er ruimte is om jezelf in het antwoord te herkennen. Of als het antwoord uitdagend genoeg is om nieuwe deuren te laten opengaan waarvan je het bestaan nog niet had vermoed.

Geluk
De allereerste vragen zijn eerder afkomstig uit de kerkelijke norm dan uit het persoonlijk, geleefd geloof. De vragen lijken de schijn te hebben van aansluiting te zoeken bij het persoonlijk, geleefd geloof, maar doen dat niet. De eerste vraag is gaat over de vraag naar waarin ik mijn geluk vind. Daar is voor gekozen, omdat dit een vraag is, die voor bijna iedereen geldt.
Dat is echter maar de vraag. In het missionaire werk is tegenwoordig aandacht gekomen voor het verschil in sociale milieu’s. Er zijn mensen, die het goed voor elkaar hebben. De hogere middenklasse en de rijken. Zij kunnen de vraag naar geluk stellen. De lagere middenklasse en de minderbedeelden komen niet altijd aan die vraag toe. Geluk is dan eerder een wensdroom, een onbereikbaar ideaal. Geluk is dan dat je je huur kunt betalen. Dat als je straks als je stopt met werken genoeg te besteden hebt. Dat je kinderen het beter krijgen dan jij. Onder de schijn van gelukkig te zijn, zijn er veel mensen niet gelukkig door financiële zorg, mantelzorg, spanning in de familie. Zulke mensen realiseren zich maar al te goed dat ze er zelf niet over gaan. Maar of ze daar gelukkig mee zijn dat ze er zelf niet over gaan?


Nu relativeert het antwoord de zoektocht naar geluk juist. Vooral echter voor degenen die wel op zoek zijn naar geluk en denken het geluk zelf in de hand te kunnen hebben. Dat deze catechismus de confrontatie aangaat met degenen die het goed hebben, is te prijzen. Of het een antwoord biedt voor degenen voor wie het bestaan een strijd is om het hoofd boven water te houden, vraag ik me af.

Plompverloren
Het antwoord op de vraag waarin mijn geluk ligt heeft ook iets merkwaardigs. Mijn geluk is dat ik gevonden ben door Christus. Dat is wel net zo plompverloren als de vraag naar geluk. Dat heeft antwoord 1 van de HC ook wel: dat ik eigen(dom) ben van mijn getrouwe Heiland. Maar het veronderstelt dat degene die het antwoord geeft ook beseft ooit het thuis in God kwijt te zijn geweest en in verloren toestand te zijn geweest. Kun je dat nog wel veronderstellen? Kost dat toch niet meer moeite tegenwoordig om dat inzichtelijk te maken? Ook in het antwoord zit te vanzelfsprekend dat we niet in staat zijn om goede keuzes te maken.

De ambivalentie duikt weer op
Persoonlijk zou ik trouwens in het antwoord op deze vraag beginnen met ons geschapen zijn. Mijn eerste vraag zou ook niet zijn naar mijn geluk, maar naar waarom ik hier op aarde ben. Als je dan toch bij geluk begint, aansluiting wil zoeken en de confrontatie aan wil gaan, zou mijn vervolgvraag zijn: kun je dat bereiken? Of: hoe weet je dat je gelukkig bent. Vraag 2 gaat verder met geluk, maar naar mijn idee is dat niet correct en zet dat op het verkeerde been. Het was beter geweest als in de vraag iets van het antwoord zat. Hier duikt voor mij de ambivalentie tussen het gewone en de catechismus gelijk weer op.

Als ik zo deze Gewone Catechismus doorblader, zie ik dat die ambivalentie vooral opduiken in de eerste 5 vragen en antwoorden. In de gedeelten over de doop en het vertrouwen op God speelt dat minder, omdat er – gelukkig! – duidelijker gekozen is voor de catechismus-poot dan voor het gewone. Die gedeelten zijn naar mijn idee sterker. Later zal ik nog eens terugkomen op de vraag hoe het komt, dat juist in deze eerste vragen die ambivalentie een rol speelt.

Richard Mouw houdt de evangelicale beweging in de VS een spiegel voor

Richard Mouw houdt de evangelicale beweging in de VS een spiegel voor

De evangicale wereld in de VS is in crisis. Jongeren, maar ook ouderen, nemen afscheid van deze beweging. Zij kunnen de zeer conservatieve normen en waarden niet meer onderschrijven. Ze breken stuk op het gebrek aan bereidheid om andersdenkenden serieus te nemen. Ook de steun van veel evangelicals voor president Trump is reden om de evangicale beweging vaarwel te zeggen.

De toonaangevende evangelical Richard J. Mouw (*1940) ziet zich, nu vrienden en oud-studenten van hem afscheid nemen van de evangelicale beweging voor de vraag of hij zichzelf nog wel als evangical kan zien. In zijn boek Restless Faith geeft hij aan, dat hij geen afscheid kan nemen, omdat hij met hart en ziel verbonden is aan waar de evangelicale beweging voor stond.
d5df152e20908e75d0017d93f2a154f3_XL
Bovendien heeft hij decennialang studenten opgeleid in de evangelicale wereld- en levensbeschouwing. Wanneer hij afscheid neemt van deze beweging laat hij hen zonder oriëntatie achter. Mouw is er niet gerust op dat evangelicalen trouw blijven aan hun oorspronkelijke uitgangspunten. Zijn boek is niet alleen een verdediging waarom hij zichzelf nog als evangelical ziet, maar ook een herinnering aan wat een evangelical zou moeten zijn.

Bebbingtons kenmerken
Om aan te geven waar een evangelical voor staat, sluit Mouw zich aan bij de historicus David Bebbington, die onderzoek deed naar de evangelicale beweging. Bebbington constateerde 4 bijzonderheden, die kenmerkend zijn voor deze beweging: (1) het geloof in noodzaak van bekering, (2) geloof in het gezag van de Bijbel, (3) een theologie die de kern ziet in Christus die aan het kruis stierf, (4) een actief geloof, dat niet beperkt is tot de zondagse eredienst, maar dagelijkse discipelschap.
68101

Nu zullen christenen uit andere stromingen deze uitgangspunten kunnen onderschrijven. Het kenmerkende van de evangelical is dat hij hier de nadruk op legt. Het is volgens Mouw niet voldoende is om jezelf te beschrijven als ‘gewoon christen’. Elke christen uit een bepaalde stroming heeft kenmerken, die afwijkend zijn ten opzichte van andere stromingen.

Mormonen
Nu voldoet Mouw niet aan het standaardbeeld van de evangelical. Al vroeg in zijn studie ontwikkelt hij een openheid voor andere christelijke stromingen. Hij raakt tijdens zijn studie bevriend met rooms-katholieke en oosters-orthodoxe leeftijdsgenoten. Hij ontdekt dat wat zijn hoogleraren hem vertellen over deze andere stromingen niet kloppen. Daardoor raakt hij overtuigd van de noodzaak om niet over anderen te praten, maar met anderen. Hij veroorzaakt opschudding door bij een toespraak voor Mormomen in Salt Lake City vergeving te vragen voor hoe evangelicalen met Mormonen zijn omgegaan. Als hij ergens gevraagd wordt om een lezing te geven over de dialoog met Mormonen staat hij erop dat er ook Mormonen uitgenodigd worden om met hen de dialoog aan te gaan. Hij geeft ook voorbeelden hoe je als evangelical met moslims in dialoog kunt gaan.

Burgerrechtenbeweging
In de jaren-’60 raakt hij door zijn verzet tegen de Viëtnamoorlog en geïnspireerd door Martin Luther King betrokken bij de burgerrechtenbeweging. Tot dan toe is de evangelicale beweging a-politiek en niet betrokken op de maatschappij. Hij verkeert in progressievere kringen, maar kan zich door een andere geloofsbeleving niet aansluiten. Samen met anderen werken ze aan maatschappelijk engagement onder evangelicalen. Samen met anderen komen ze in 1973 in Chicago bij elkaar en publiceren The Chicago Declaration of Evangelical Social Concerns.

Neocalvinistische traditie
Mouw, die opgroeit binnen de Dutch Reformed traditie ontdekt dat zijn eigen neocalvinistische traditie van Calvijn, A.  Kuyper en H. Bavinck volop nadenkt over de maatschappelijke betrokkenheid van christenen.
Mouw is geen relativist. Hij waardeert het robuuste van het evangelicale geloof, zodat bijvoorbeeld duidelijk is over zonde en genade. (Restless in de titel staat niet voor rusteloos, maar voor robuust, geworteld op een fundament.) Hij is wel leergierig en ziet overal om zich heen uitdaging om als evangelicaal theoloog over na te denken. Zijn calvinistische achtergrond geeft hem in zijn ogen een ontspannen houding naar andersdenkenden: hij kan hen het geloof niet geven en de (neo)calvinisten hebben via de gedachte van de algemene genade oog voor Gods werk onder andersgelovigen.

Geen afgeronde theologie
Hij wil niemand bij voorbaat uitsluiten of afschrijven. Wanneer Rob Bell de evangelicale wereld in beroering brengt door afscheid te nemen van de hel, geeft Mouw aan dat Bell belangrijke vragen stelt. Hij houdt niet van een afgeronde theologie. Zijn eigen theologie heeft iets rommeligs, een openheid voor het mysterie, dat God vaak via verrassende wegen werkt. In de loop van jaren heeft hij geleerd dat de boodschap met oog voor de context waarin mensen leven gebracht moet worden. In dat kader kan hij verrassend positief zijn over de tv-predikant Robert Schuller, die aansluiting wist te vinden vanuit het christelijk geloof met de populaire therapeutische cultuur, die in de jaren-’70 ontstond. Mouw heeft geleerd om door te vragen naar de diepste verlangens van mensen en daar vanuit het christelijk geloof bij aan te sluiten.
download (6)
Geen profetische kritiek
Hoewel Mouw kritisch is op de recente ontwikkelingen binnen de evangelicale beweging, voelt hij niets voor profetische kritiek. Hij vindt dat te vrijblijvend. Liever besteedt hij tijd aan goed onderwijs om studenten een robuuste levensbeschouwing en toch een open, betrokken en nieuwsgierige houding naar andersdenkenden, een houding om kritisch op de eigen ontwikkeling te kunnen reflecteren en met die kritische reflectie een onbevangen houding naar de eigen uitgangspunten en die van anderen te ontwikkelen. Alleen op die manier kan de evangelicale beweging bestand zijn tegen hen, die de beweging willen kapen voor hun conservatieve of politieke belangen. Dan hoeft er ook geen afscheid genomen te worden van de evangelicale beweging, maar kan juist het waardevolle van deze beweging ingezet worden in kerk en maatschappij.

N.a.v. Richard. J. Mouw, Restless Faith. Holding Evangelical Beliefs in a World of Contested Labels (Grand Rapids, Michigan: Brazos Press, 2019).

Gepubliceerd in het Friesch Dagblad op 22 mei 2019

Iedere christen monnik

Iedere christen monnik

Voor veel christenen is het geloof meer dan ’s zondags naar de kerk gaan. Zij vinden dat je als gelovige om in woord en daad je geloof moet uitdragen en vanuit je geloof je moet inzetten voor de kerk en de maatschappij. Deze christenen zeggen dan: iedere christen is ook discipel. Zelf heb ik altijd mijn aarzelingen gehad bij het benadrukken van discipelschap. Naar mijn idee komt de nadruk te liggen op de activiteiten die je doet vanuit je geloof, je inzet voor kerk en maatschappij. Greg Peters vervangt het woord discipel door monnik en stelt dat iedere gelovige een monnik is.
220px-Trappist_praying_2007-08-20_dti
Ik vind dat wel een mooi idee, omdat bij de gedachte dat elke gelovige monnik is de nadruk niet ligt op het doen, maar op het ergens zijn. Als discipel draag je bij aan de samenleving en de kerk, liefst nog om de samenleving te veranderen. Als monnik ben je aanwezig, wortel je je op de plek waar je woont. Meer dan bij het discipelschap gaat het bij het bestaan als monnik erom, dat dagelijks leven en geloof worden geïntegreerd. Daarbij vind ik het mooie dat bij de gedachte dat elke gelovige monnik is ook het contemplatieve, het dagelijks gebed, geduld en volharding wezenlijk onderdeel zijn van het dagelijks bestaan.
51fGCamCAnL._SX331_BO1,204,203,200_
Peters zal de discussie over discipelschap kennen. Hij groeide op als baptist, maar ging over naar de Episcopale (Anglicaanse) kerk en is nu hoofddocent Middeleeuwse en Spirituele theologie aan de Biola Universiteit (Californië). Met zijn boek
The Monkhood of All Believers wil hij het waardevolle van monastieke leven als protestant doordenken. Voor Peters is het monastieke leven niet een uitzondering op hoe christenen leven, maar juist een manier van leven dat laat zien hoe de roeping als christen in het dagelijks leven gestalte krijgt en hoe geloof en dagelijks leven geen twee aparte werelden zijn, maar één zijn.

Eén gerichtheid
Bij de gedachte dat iedere gelovige monnik is, zal de eerste vraag zijn: moet iedere gelovige dan celibatair leven? Volgens Peters is het celibataire leven niet kenmerkend voor het bestaan als monnik. Kenmerkend voor het bestaan als monnik is dat het hart helemaal gericht is op God. Het hart is één in deze gerichtheid op God en is niet verdeeld door ook uit te gaan naar de wereld. Monnik komt van monachos. Met dat woord wordt niet het eenzame bestaan uitgedrukt, maar die ene gerichtheid van het hart op God.
9144508-large
Men kan daarbij denken aan de eerste gemeenten die één van hart zijn (Handelingen 4:32). Of aan de Bergrede waarin Christus aangeeft, dat een volgeling van Hem volmaakt moet zijn (Mattheüs 5:48). Dat volmaakte van het hart heeft ook te maken met die éne gerichtheid op God. In beide teksten komt het woord
monachos niet voor, maar zijn wel van belang om te begrijpen waar het in het monastieke leven om gaat. Vanaf het ontstaan van de kerk hebben gelovigen gestreefd om die volmaaktheid en die éne gerichtheid in praktijk te brengen. Daarvoor zonderden ze zich geregeld af en trokken ze zich terug.

Oefenen
Voor Peters is het van belang dat wat voor een monnik geldt ook voor een gelovige geldt. Ook een gelovige heeft dagelijks te bidden, de Bijbel te overdenken en zich te oefenen in die éne gerichtheid van het hart, te streven naar een heilig leven en te strijden tegen verleidingen, die de wereld biedt. Als er een verschil valt aan te geven, zou je kunnen denken aan de vormen van het geloof, zoals dagelijks gebed, waardoor het geloofsleven van een monnik meer gestructureerd is dan van een ‘gewone’ gelovige.

Structuur
Juist in dat meer structuur hebben zit de waarde van het bestaan als monnik voor gewone gelovigen. Ik merk bij mijzelf en bij mijn generatie dat geloof en dagelijks leven twee werelden dreigen te worden, omdat het dagelijks leven zoveel vraagt dat je aan het structureel onderhouden van je band met God niet toekomt. Er is wel een verlangen om meer uit het geloof te leven, maar in de praktijk verzandt het. Juist in dat meer structuur hebben zit de waarde van het bestaan als monnik voor gewone gelovigen.
download (3)
Streven naar een heilig leven
In de loop van de traditie hebben monniken zelf ook veel nagedacht over hun manier van leven. Soms komen ze erop uit dat hun manier van leven superieur is aan dat van ‘gewone’ gelovigen. In veel gevallen vinden zij echter dat het leven als monnik niet hoogstaander is, maar een van de vormen om christen te zijn naast andere vormen. De monnik levert alleen een voorbeeld voor andere gelovigen, hoe zij in hun eigen bestaan kunnen streven naar een heilig leven.

images (2)
Paul Endokimov

Endokimov
Peters sluit aan bij Paul Evdokimov (1901-1970), een Russisch-orthodoxe theoloog, die na de Russische revolutie naar Frankrijk vluchtte en daar in een nieuwe context moest nadenken over de waarde van zijn eigen traditie. Hij sprak over ‘het verinnerlijkte monnikendom’: de uiterlijke kenmerken van een monnik zijn niet het wezen van het monnikendom, maar hoe je innerlijk op God bent afgestemd. De drie monastieke geloften zijn in zijn ogen na te leven door elke gelovige: de gelofte van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Evdokimov was van mening dat deze geloften bevrijdend werkten. Zijn gedachten werden opgepikt door Alexander Schmemann (1921-1983), die in de Amerikaanse context de waarde van de Russisch-orthodoxe traditie moest doordenken.
Alexander_Schmemann
Alexander Schemann

Richtlijnen
In alle hoofdstromen van het christendom is er een monastiek leven ontwikkeld. In al die vormen komt met uit op een ascetisch leven. In een ascetisch leven gaat het niet om de regels, maar gaat het allereerst om leven in de werkelijkheid van Christus. De richtlijnen voor het ascetische leven moeten daar dienstbaar aan zijn. De richtlijnen en praktijken mogen voor ‘gewone’ gelovige anders zijn, de roeping is hetzelfde: leven in de werkelijkheid van Christus, tot eer van God en in dienst van de naaste. Dat leven in de werkelijkheid en volgens die roeping wordt gevoed door het voortdurend gebed, dat geïntegreerd is in het dagelijks bestaan.

N.a.v. Greg Peters, The Monkhood of All Believers. The Monastic Foundation of Christian Spirituality (Grand Rapids, Michigan: Baker Academic, 2018).

Gepubliceerd in CW Opinie van 3 mei 2019