De zeven werken van barmhartigheid

De zeven werken van barmhartigheid
N.a.v. Fulbert Steffensky, Orte des Glaubens. Die sieben Werke der Barmherzigkeit (Stuttgart: Radius Verlag, 2017)

In het jodendom, het christendom en de islam worden de gelovigen opgeroepen om barmhartig te zijn, omdat God barmhartig is. In hun houding en handelwijze dienen gelovigen Gods barmhartigheid uit te dragen. In het christendom is er de traditie gekomen van de zeven werken van de barmhartigheid.

Over deze werken van barmhartigheid heeft Fulbert Steffensky een meditatief boekje geschreven waarbij de strekking is: in deze werken ontmoeten we Christus. Dit boekje bestaat uit twee delen: het eerste deel gaat over de lichamelijke werken van barmhartigheid en het tweede deel over de geestelijke werken van barmhartigheid.

800px-Werken_van_Barmhartigheid,_Meester_van_Alkmaar_(1504)

DE ZEVEN LICHAMELIJKE WERKEN VAN BARMHARTIGHEID

(1) Het voeden van wie honger hebben
Het eerste werk is het voeden van degenen die honger hebben. Het gebrek aan voldoende voedsel is de meest radicale vorm van armoede. In evangelie worden degenen die honger hebben zalig geprezen, omdat ze zijn te arm om vroom te zijn: honger zorgt voor een harde strijd om het bestaan. Jezus zegt: als je die arme niet van voedsel voorziet, ga je aan Mij voorbij.

(2) Het lessen van de dorst
Het tweede werk is het lessen van de dorst. In Hamburg, waar Steffensky gewoond heeft, was er een kerk waarin een lezing werd gehouden met als titel: Wie profiteert van de privatisering van het drinkwater? Vanuit de kerk kwam protest: de kerk mengt zich in de politiek. Steffensky geeft aan: dit werk van barmhartigheid vraagt ook om zorg voor de bron van ons water. Ook vraagt het om aandacht voor het klimaat, om droogte elders tegen te gaan.

(3) Het herbergen van vreemden
Het derde werk is het herbergen van vreemden. Steffensky beschrijft hoe over het gezicht van een Sudanese vluchtelinge het gezicht van Christus schuift. In de vreemdeling ontmoeten we Christus. Als we de vreemdeling niet gastvrij ontvangen, dan missen we heel wat: We missen hoe verrijkend het is om gastrecht te verlenen. In de ontmoeting van de vreemdeling met een andere godsdienst of andere cultuur leren we onze eigen rijkdom kennen en leren we gelijk dat onze cultuur niet zaligmakend is.

900x450_2515

(4) Het kleden van wie naakt zijn
Het vierde werk is het aankleden van wie naakt zijn. Naaktheid is de diepste vorm van kwetsbaarheid en weerloosheid. Steffensky trekt dit werk breder. Om geborgen te zijn tegen de diepste vorm van weerloosheid kan een kind niet zonder godsdienst. Godsdienst leert kinderen om te leven. Wanneer kinderen geen godsdienstige taal of gebruiken leren, zijn ze sprakeloos als ze angstig zijn of dankbaar. Ze missen verhalen, gebruiken en liederen die hen vormen als mens en die hen helpen om te leven.

(5) Het verzorgen van zieken
Het vijfde werk is het verzorgen van de zieken. De zieken zijn degenen die zichzelf niet meer kunnen verzorgen omdat ze daar de kracht niet meer voor hebben. Vaak worden deze hulpelozen uitgestoten uit de maatschappij. Daarmee wordt hen hun menselijkheid ontnomen. In de kerkgeschiedenis zijn er steeds geestelijke orden geweest die het als hun taak zagen deze uitgestotenen te herbergen en te verplegen.

(6) Het bezoeken van gevangenen
Het zesde werk is het bezoeken van gevangenen. Jezus gaf daarbij niet aan of deze gevangenen terecht of onterecht vastzitten en ook niet of ze een gruwelijk misdrijf op hun geweten hebben. Jezus heeft steeds oog voor de mensen die geen eerbaar leven meer hebben en hun toekomst hebben vergooid. In het evangelie zien we steeds dat mensen vrij mogen komen van het verleden dat hen gevangen houdt. Ze mogen opnieuw beginnen, zonder dat God de gevolgen van hun verkeerde daden negeert. Met wat ze gedaan hebben, krijgen ze een plek terug in de gemeenschap.

(7) Het begraven van de overledenen
Vanaf de twaalfde eeuw wordt het begraven van de overledenen als zevende werk van barmhartigheid gezien. Het is de laatste vorm van ontmenselijking als je niemand hebt die je begraaft en niemand hebt die je herinnert. Daarom gaat dit werk niet alleen om het begraven als zodanig, maar ook om het langdurig herinneren van hoe iemand als mens geweest is. In onze maatschappij blijft niemand onbegraven, maar worden wel veel mensen vergeten.

DE ZEVEN GEESTELIJKE WERKEN VAN BARMHARTIGHEID

getimage

(1) Het onderwijzen van de onwetenden
Het eerste geestelijke werk is onderwijzen van de onwetenden. Het gaat hier niet om betweterij, maar om wat je tijdens je zoektocht door het leven hebt ontvangen, waar je gepassioneerd van geraakt bent. Je hebt iets ontdekt dat de moeite waard is om door te geven, zoals een geloofsweg.

(2) Het bemoedigen van de twijfelaars
Het tweede geestelijke werk is het bemoedigen van de twijfelaars. Twijfel kan er zijn aan de goedheid van het leven. Over God. Over zijn betrouwbaarheid. De goede raad voor twijfelaars is niet om hen een geloofssysteem aan te leren. Een beter advies is advies dat een abt aan een twijfelende monnik gaf, die aangaf niet meer te kunnen bidden. Deze abt zie: ‘Ga en kijk toe hoe je broeders bidden!’ De jonge monnik leerde te luisteren naar de stemmen van zijn broeders. Hij vergelijk zijn karig geloof met de kracht van anderen en merkte dat zijn geloof sterker werd.

(3) Het troosten van degenen die verdriet hebben
Het derde geestelijke werk is het troosten van degenen die verdriet hebben. Als Steffensky schrijft over het troosten van degenen die verdriet hebben, geeft hij iets weer van zijn eigen ervaring nadat zijn vrouw Dorothee Sölle was overleden. Er waren vrienden die hem probeerden te troosten door zijn verdriet te verminderen. De een wilde hem meenemen naar de film. Anderen zeiden: ‘Het leven gaat verder.’ De beste troosters waren degenen die kwamen en de rouw respecteerden. Troosten is: iemand in rouw niet alleen laten. Troost opent de ogen ervoor dat we ons leven niet in alles de baas kunnen zijn en dat de kwetsbaar zijn.

(4) Het terechtwijzen van de zondaars
Het vierde geestelijke werk is het terechtwijzen van de zondaars. Dat kan heel onbarmhartig klinken, zoals dit terechtwijzen in de kerkgeschiedenis ook vaak onbarmhartig gebeurde. De kerk in navolging van Jezus heeft echter ook een profetische taak in de strijd tegen onrecht. Vooral tegen het onrecht waarvan men niet meer bewust is dat het onrecht is, zoals luxe die gestolen is van anderen. Het terechtwijzen is een daad van barmhartigheid: het gebeurt vanuit het geloof dat iemand kan veranderen. Misschien is dat wel het grootste wat een mens kan verrichten, zo geeft Steffensky op basis van Psalm 51 aan, dat hij zich niet verbergt voor zijn eigen schuld maar weerloos wordt voor Gods oordeel en voor zijn eigen geweten.

(5) Het geduldig verdragen van de spotters
Het vijfde geestelijke werk is het geduldig verdragen van de spotters. Het vraagt al geloof en geduld om jezelf te verdragen. Als ik mijzelf kan verdragen, kan ik ook de mensen om mij heen verdragen: partner, ouders, kinderen. Net als ik zijn zij niet perfect. Dit verdragen is geen onverschilligheid, maar een diep geloof dat ook iemand met wie je een moeizame verhouding hebt kan veranderen.

41gPtYC34xL._SX300_BO1,204,203,200_

(6) Het van harte vergeven van hen die ons beledigd hebben
Het zesde werk is het van harte vergeven van hen die ons beledigd hebben. De schoonheid van dit werk is dat de beledigingen die je kunnen raken je niet beheersen. Het geeft een soevereiniteit om je niet door beledigingen te laten dicteren. Vergeven is niet iets wat zomaar voor handen is. Dat moet groeien. Vergeven is moeilijk genoeg, maar niet moeilijker dan jezelf te laten vergeven.

(7) Het bidden voor de levenden en overledenen
Het zevende werk is het bidden voor de levenden en de overledenen. Iemand gedenken betekent dat je deelneemt aan het leven van diegene. Je laat die ander niet alleen, maar schenkt hem of haar een gemeenschap. Iedereen heeft mensen om zich heen nodig die hoop voor je blijven houden en voor je bidden. In de katholieke traditie is er het gebruikelijk om de overledenen te gedenken in een vorm van gedachtenis en voorbede. Voor Steffensky is dit gebed niet bedoeld om God over te halen tot een gunstiger oordeel, maar eerder een vraag aan God om de overledenen niet te vergeten. De dood verbreekt niet de solidariteit, niet de liefde voor wie er eens was en ook niet het handelen van God.

N.a.v. Fulbert Steffensky, Orte des Glaubens. Die sieben Werke der Barmherzigkeit (Stuttgart: Radius Verlag, 207)

gastbeitrag_steffensky

Fulbert Steffensky (1933) was ooit benedictijner monnik, maar trad uit en werd protestants zonder zijn katholieke achtergrond helemaal op te geven. Naar beide tradities bleef hij kritisch. Hij was getrouwd met Dorothee Sölle, met wie hij van 1968-1972 politieke avondgebeden hield. Van 1972-1998 was hij hoogleraar pedagogiek en later godsdienstpedagogiek. In de afgelopen jaren gaf hij bij Radius Verlag verscheidene meditatieve boekjes uit.

Advertenties

De laatste Van de Beek – 1

De laatste Van de Beek – 1

Mijn Vader, uw Vader is de laatste Van de Beek. Tenminste in de serie Spreken over God. Ik hoop dat het hem gegeven blijft om te blijven schrijven. Dit laatste deel van deze serie gaat over het spreken over God de Vader. Als ik het voorwoord goed interpreteer is er bij het begin van deze serie wel een planmatige opzet geweest, maar is er een ontdekkingstocht afgelegd door de unieke insteek. De serie begin namelijk met een insteek in de christologie (Jezus Kurios, 1998). Over God kun je niet spreken zonder te beginnen bij Jezus, de eniggeboren God (Johannes 1:18, een kerntekst voor Van de Beek). Jezus is de Gekruisigde, de gekruisigde Here (vgl. 1 Korinthe 2:8).

Beginnen bij de Geest had gekund, maar dan was er het risico dat de Geest te weinig onderscheiden zou worden van onze eigen Geest. In 1987 had Van de Beek reeds over de pneumatologie gepubliceerd: De adem van God. Tijdens deze ontdekkingstocht corrigeert Van de Beek zijn eerdere pneumatologie.

Van de Beek eindigt deze serie met het spreken over God de Vader. Eerst moest heel wat andere onderdelen van het spreken over God aan de orde komen voordat er ingegaan kon worden op hoe we kunnen spreken over God als Vader. God is ons meer verborgen dan de Zoon, spreekt Van de Beek al in het begin Noordmans na. Alleen via de Zoon kunnen wij God leren kennen. De Zoon gaat ons voor in het spreken over God de Vader. Daarom is dit de juiste volgorde: Mijn Vader, uw Vader.

Dit spreken over God de Vader eindigt met het spreken tot God de Vader, in navolging van het gebed dat de Zoon ons geleerd heeft: Onze Vader die in de hemelen zijt. ‘Het Onze Vader is geen gebed waarmee alles begint,maar waarmee alles eindigt. Het is het gebed van de eucharistie: de gemeenschap met het eeuwige leven. Na de beden spreekt de kerk de lofprijzing: “Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid. Amen.” Jezus, wiens dood wij gedenken en met wie wij de beker delen, is opgestaan uit de dood.’

Apart spreken over God de Vader is niet gebruikelijk in de dogmatiek. Er is geen aanduiding voor dit onderdeel van de dogmatiek, zoals er wel een christologie en een pneumatologie is. Zo’n patrologie (spreken over God de Vader) is hard nodig vanwege de relatie tussen de Zoon en de Vader.

Er zijn redenen waarom zo’n patrologie zich niet in de dogmatiek heeft ontwikkeld:
– Spreken over God de Vader werd gezien als de eigenlijke theologie. Volgens Van de Beek gaat dit in tegen het Credo dat de Vader, de Zoon en de Geest op gelijke hoogte plaatst. Het is eerder een vorm van subordinatiaanse triniteitsleer: de Zoon en de Geest die aan de Vader ondergeschikt zijn.
– Het achterwege blijven van een patrologie kan ook te maken hebben met een scheiding tussen een algemene godsleer en een christelijke inkleuring. Eerst wordt er een algemene godsleer geschetst. Bijvoorbeeld met behulp van begrips- of taalanalyse. Of wordt het wezen van God afgeleid uit de ontwikkeling van de geschiedenis. Wanneer het begrip van God helder was, kon er nagedacht worden over een christelijke inkleuring. In het christelijk spreken over God kan er echter niet uitgegaan worden van eerst een algemene inkleuring en dan een christelijke specificering.

Dit ontbreken van een patrologie zet de dogmatiek op een dwaalspoor, omdat er aan voorbijgegaan wordt dat God bestaat uit Vader, Zoon en Geest. Deze drie-enige God is de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Deze drie-enige God kan niet afgeleid worden uit onze werkelijkheid. Er is maar één weg om Hem te kennen: Via de Zoon.

N.a.v. dr. A. van de Beek, Mijn Vader, uw Vader. Het spreken over God de Vader. Spreken over God 3.2 (Utrecht: Uitgeverij Meinema, 2017) 11-20 

Luther – zijn leven, zijn werk (recensie)

Luther – zijn leven, zijn werk (recensie)

Het is markant beeld: de monnik Maarten Luther die een vel papier op de deur van de Slotkapel van Wittenberg met een hamer vastspijkert, waarmee hij de startsein geeft voor een vernieuwing van de kerk. Geen wonder dat 31 oktober internationaal wordt gebruikt om 500 jaar Reformatie te vieren. Maar wie was die Luther? Waarom kwam hij in verzet en stond juist hij aan het begin van vernieuwing van de kerk?

In de afgelopen eeuwen is Luther heel wat keren herdacht als held van de Duitse nationale geschiedenis of de protestantse kerkgeschiedenis, zonder dat helder was wat de inhoud van zijn boodschap was. Bij deze Reformatieherdenking zijn er gelukkig heel wat publicaties, die de levensweg en de inhoud van deze reformator bekendheid willen geven.
9789043528054-luther-zijn-leven-zijn-werk-m-LQ-f
Een van die publicaties is het boek Luther, zijn leven, zijn werk onder redactie van Sabine Hiebsch en Martin L. van Wijngaarden (zie: hier). Het gaat om een derde druk van een boek dat al in 2007 verscheen en dat vanwege het Reformatiejubileum geactualiseerd is. Het doel van dit boek is om de erfenis van Luther door te geven. Om Luther voor een breed publiek toegankelijk te maken is er gekozen voor een heldere opzet: het lopende verhaal is de biografie van Luther. Tussendoor worden in kleine hoofdstukjes belangrijke thema’s uit Luthers leven en theologie uitgelegd.

Luther werd op 10 november 1483 geboren als Martin Luder, zoon van Hans Luder die via de kopermijnen maatschappelijk promotie had gemaakt. Zijn zoon Martin mocht studeren om maatschappelijk nog meer vooruit te komen. Deze plannen van vader Luder gaan niet door als Martin op 2 juli 1505 op reis naar zijn ouders wordt overvallen door onweer.

Het is niet duidelijk waarom hij die reis ondernam. Het zou kunnen dat hij zijn studie met zijn vader wilde bespreken of dat zijn vader hem gevraagd had om thuis te komen om huwelijksplannen te bespreken.

Als hij vlakbij het dorpje Stotternheim door heftig onweer wordt overvallen door heftig onweer, roept hij de heilige Anna aan en legt de gelofte af dat hij als hij het er levend van afbrengt monnik zal worden. Een jaar eerder overleefde Martin een levensbedreigende beenwond. Hij legde toen geen gelofte af. Zijn vader reageert fel op de voorgenomen wijziging van studie.

Op 17 juli doet hij intrede bij de augustijneremieten in Erfurt,  een kloosterorde waarin armoede, kuisheid en gehoorzaamheid een centrale rol speelde. Tijdens zijn rechtenstudie was hij al bezig met de vraag naar een genadige God. Door een strenge, ascetische levenswijze, waarbij zelfkastijding ook een rol speelde, probeerde hij Gods genade te ontvangen en daarmee rust voor zijn ziel en geweten. Hij liep daarin echter steeds meer vast. Daardoor konden zijn biechten steeds langer duren en konden uren in beslag nemen.

Tijdens zijn studie in Erfurt komt hij in aanraking met het nominalisme. Dit nomalisme is een vrij recente ontwikkeling in de Middeleeuwse theologie en werd daarom via moderna (de moderne weg) genoemd. Uitgangspunt van het nominalisme was algemene begrippen, die aan voorwerpen of (groepen) mensen toegeschreven niet zozeer werkelijk bestaande objecten waren, maar namen (nomina) die door mensen voor deze begrippen zijn bedacht.

Het effect van het nominalisme was dat mensen als zelfstandige individuen werden gezien in plaats van onderdeel van de ‘categorie mens’. Het nominalisme was bovendien van mening dat de werkelijkheid niet gekend kan worden zonder het verstand, de ervaring en de geest van degene die de werkelijkheid tracht te doorgronden. Het nominalisme was een stroming die ruimte bood aan nieuwe, revolutionaire ideeën. Deze ideeën moesten niet worden aangepast aan wat reeds bekend is. Voor het ontstaan van de Reformatie is het van grote betekenis geweest dat Luther in deze traditie werd onderwezen.

Zijn eigen ervaring dat hij geen genade van God kon krijgen door zichzelf hard aan te pakken was een van de factoren die leidde tot Luthers ontdekking dat deze genade niet verdiend wordt, maar door God geschonken wordt. Deze ontdekking doet Luther op tijdens de voorbereidingen van colleges over de Psalmen, de brief aan de Romeinen en de Hebreeënbrief.

Als in dezelfde tijd Tetzel op pad gaat om aflaten, die dienen vrijspraak in het oordeel van God te verkrijgen, te verkopen komt Luther in geweer. Hij vindt dat een misstand in de kerk, omdat op deze manier mensen God uit de weg gaan en geen echte boetedoening afleggen en daarmee ook niet de genade ontvangen. Hij verwoordt zijn bezwaren in 95 stellingen.

In het boek wordt wel betwijfeld of Luther daadwerkelijk deze stellingen heeft vastgespijkerd op de deur van de Slotkapel. De stellingen waren namelijk in het Latijn, bedoeld voor wetenschappelijke disputatie. Op 31 oktober 1517 verstuurt hij ze wel naar de bisschop van het gebied waarin Tetzel actief is. In deze brief gebruikt hij voor het eerst zijn nieuwe naam Luther, afgeleid van het Griekse Eleutherus (‘de bevrijdde’). Deze stellingen verspreiden zich snel, maar echt invloedrijk is pas zijn Preek over de aflaat en genade die hij een jaar later in het Duits publiceert.

Luthers intentie was niet om een nieuwe kerk te stichten, maar om de kerk te vernieuwen. Luther moet zijn theologie steeds verder blijven ontwikkelen, want radicale stromingen vinden dat hij niet ver genoeg gaat en boeren zien in Luthers optreden een legitimatie om in opstand te komen.

In het boek komen de belangrijkste thema’s uit Luthers werk op een begrijpende wijze aan de orde, zoals waarom het kruis van Christus zo belangrijk voor hem was, zijn visie op wet en evangelie, zijn visie op het avondmaal, op de praktijk van de gemeente, enzovoort.

Het boek is extra bijzonder door de vele afbeeldingen die opgenomen zijn, waarmee we een indruk krijgen van de betekenis van Luther door de eeuwen heen. Daarbij is ook veel materiaal in Nederland opgenomen. Naar mijn idee zijn de auteurs van dit boek erin geslaagd om de persoon en de betekenis van Luther op een begrijpelijke wijze te schetsen.

N.a.v. Sabine Hiebsch (tekstredactie), Martin L. van Wijngaarden (beeldredactie), Luther, zijn leven, zijn werk (Utrecht: Uitgeverij Kok, 2017)

Missionair jongerenwerk: doelen, uitgangspunten, dimensies

Missionair jongerenwerk: doelen, uitgangspunten, dimensies

Al enige tijd staat het missionaire werk op de agenda van de kerk. Daarbij is het het winnen van jongeren voor het evangelie weer een specifieke taak, omdat jongeren vaak zich in eigen leefwerelden bevinden én de afstand tot de kerk vaak groot is. Dat vraagt dan ook weer om een specifieke doordenking en een specifieke aanpak.

Florian Karcher en Germo Zimmermann, die beiden als docent betrokken zijn bij de CJVM-Hochschule (een particulier Duits missionair opleidingsinstituut dat ook door de staat is erkend), hebben een handboek Missionair jongerenwerk geredigeerd. In het eerste hoofdstuk geven zij een aftrap door de doelen, uitgangspunten en dimensies van het missionair jongerenwerk te schetsen.

c5c0f1c6-7c50-464a-9574-82dfeb5e661c
I. DOELEN

In het beleidsstuk van de EKD waarmee beoogd werd de missionaire uitdaging kerkbreed op te pakken wordt gesteld dat het aanspreken van mensen om hen tot geloof te wekken behoort tot alle terreinen van de kerk. Het missionair jongerenwerk wil dat aanspreken met als bedoeling met geloof in aanraking te brengen of tot geloof bewegen oppakken met het oog op jongeren. Missionair jongerenwerk heeft verschillende doelen:

1.1 Verwerkelijking van de zendingsopdracht van de kerk
Missionair jongerenwerk is afgeleid van het zendingsbevel (Mattheüs 28:16-20). Een missie houdt in dat je gezonden wordt door iemand. In het geval van missionair jongerenwerk door Christus (de missio Dei). Bij een missie wordt je ook naar iemand toe gestuurd. In het geval van missionair jongerenwerk: naar jongeren toe. Missionair houdt in dat er aandacht voor geloof is en dat jongeren uitgenodigd worden om te geloven. Het evangelie hoeft niet achterwege te blijven.

1.2 Sociaal-pedagogische verantwoordelijkheid
Missionair jongerenwerk vindt plaats in een maatschappij die het van groot belang vindt dat jongeren zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige volwassenen, die hun eigen keuzes kunnen maken en voor hun eigen leven verantwoordelijk zijn. Missionair jongerenwerk heeft tot taak de jongeren in dit proces van subjectwording te steunen en uit te dagen. In het missionair jongerenwerk gaat het niet alleen om aandacht voor het evangelie, maar ook om een bijdrage te leveren aan de persoonlijke vorming en ontwikkeling van jongeren.

1.3. Christelijke opdracht tot vorming en toerusting
In theologisch opzicht vormt vorming en toerusting van jongeren geen bijzaak. Ook voor het missionair jongerenwerk is vorming en toerusting geen bijzaak, maar is vorming en toerusting onlosmakelijk met missionair jongerenwerk verbonden. Die vorming en toerusting gebeurt op veel manieren: door te ervaren, door relaties, door kennisoverdracht, enz. Veelal gebeurt het op een informele manier.

kinder

II. UITGANGSPUNTEN
Jongerenwerk wordt gekenmerkt door een uitnodigende openheid en toegankelijkheid, door vrijwillige deelname, door participatie van jongeren. Missionair jongerenwerk vormt daar geen uitzondering op. In het missionair jongerenwerk zijn in ieder geval de volgende uitgangspunten van belang:

2.1 Respectvolle houding
Missionair jongerenwerk gebeurt in een pluralistische en multireligieuze samenleving. Dat vraagt om:
– een respectvolle benadering van elke jongere, ook van de jongeren die andersgelovig zijn.
– het tegengaan van manipulatie. Jongeren mogen nooit gemanipuleerd worden om gelovig te worden.
– het helpen van de jongeren om ook kritisch op het christelijk geloof te kunnen reflecteren.
– jongeren te zien als subject (dat wil zeggen dat zij over hun eigen leven hun eigen beslissing kunnen nemen en dat zij bepaalde verantwoordelijkheden kunnen dragen).
– een begeleiding naar een eigen, zelfstandig geloof.
– de keuze bij jongeren te laten over wat zij voor zichzelf plausibel en relevant voor hun eigen leven vinden.

2.2. Aandacht voor de verschillende sociale milieus
Missionair jongerenwerk heeft als doel om jongeren te bereiken in hun eigen leefwerelden. Daarbij dient er rekening mee gehouden worden, dat recent onderzoek naar de sociale milieus ervan uitgaat dat er verschillende sociale milieus zijn waartoe jongeren behoren. Er is niet één jongerencultuur. Deze sociale milieus worden inzichtelijk gemaakt aan de hand van demografische kenmerken.
Deze inzichten in de verschillende sociale milieus waartoe jongeren behoren zijn niet alleen belangrijk om hen te bereiken in hun sociale milieu. Het is ook van belang om voor de jongeren inzichtelijk te maken wat het evangelie concreet voor het dagelijkse leven in dat sociale milieu inhoudt.

zie voor meer informatie: hier

2.3. Mogelijk maken van democratische participatie
In het jongerenwerk – en dus ook in het missionaire jongerenwerk – is van belang dat jongeren zelf mee kunnen werken en mee kunnen denken en bepalen.

2.4 Resource-geörienteerd en YouthEmpowerment
Wanneer we ervan uit kunnen gaan dat elk mens van God gaven en talenten heeft ontvangen, gaat het er in het missionair jongerenwerk erom de bekende gaven en talenten in te zetten (resource-geörienteerd). Daarnaast gaat het erom op het spoor te komen wat een jongere in potentie in zich heeft en dat verder te helpen te ontwikkelen (YouthEmpowerment).

2.5 Relatiegericht
In het missionair jongerenwerk zijn draagkrachtige relaties van belang, waarbij leiders authentiek en betrouwbaar zijn. Vaak zijn degenen die zich inzetten in het missionair jongerenwerk gedreven. Ze hebben een persoonlijke motivatie om het geloof door te geven. Ook al doen zij dat vaak als vrijwilligers, het vraagt wel om een professionele inzet. Zeker met jongeren uit precaire sociale milieus is een professionele houding van belang.
Uit onderzoek is gebleven dat persoonlijke relaties, de ervaring onderdeel te zijn van een gemeenschap, betrokkenheid op sociale milieus en het inzichtelijk maken van wat het evangelie voor iemand persoonlijk kan betekenen een belangrijke bijdrage leveren als iemand tot geloof komt.

III DIMENSIES
Alle dimensies van de kerk kunnen hun bijdrage leveren aan het missionaire werk. Deze dimensies moeten niet behandeld worden als verschillende sectoren binnen de kerk, die niets met elkaar te maken hebben.

3.1 Martyria:
in het missionair jongerenwerk wordt het evangelie van Jezus doorgegeven
Een belangrijke manier om het evangelie door te geven is door erover te spreken. Bijvoorbeeld door een preek in een missionaire dienst, in een overdenking tijdens een jongerenvakantie, in een toespraak tijdens een georganiseerde avond. Er zijn echter veel meer manieren om het evangelie door te geven.
Het doorgeven van het evangelie door middel van een preek, een overdenking of een toespraak gebeurt vaak door leken. Het gevaar is een eenzijdige inhoud of een manipulatieve insteek. Het pluspunt is dat degenen die hier spreken vaak dicht bij de leefwereld van de jongeren staan, die niet bekend zijn met de kerk en het geloof. Het zou jammer zijn als daar geen gebruik van gemaakt wordt. Een (eenvoudige) toerusting door middel van een cursus zou kunnen bijdragen aan de kwaliteit. (zie bijvoorbeeld de Juleica bij 3.5)
In didactisch opzicht is de preek of de toespraak wel eenzijdig. Er zijn veel andere manieren om het evangelie ook door te geven, bijvoorbeeld te leren door te ervaren (in een viering bijvoorbeeld), door gesprekken, door ervaring van gemeenschap.

3.2 Koinonia
missionair jongerenwerk schept ruimte voor relatie en gemeenschap
Door mee te doen ervaren de jongeren een gemeenschap, waarin ze opgenomen zijn en er helemaal bij horen. Volgens de ontwikkelingspsychologie is het voor jongeren van groot belang om tot een gemeenschap te behoren. Ook al moet ieder individu zelf de keuze maken om al dan niet in te gaan op de uitnodiging vanuit het evangelie, geloof gebeurt altijd in een gemeenschap. Het evangelie kan ook doorgegeven worden doordat jongeren weten dat ze geaccepteerd zijn, dat ze er helemaal bijhoren. Het gaat hier om de ervaring van welkom te zijn en helemaal geaccepteerd te worden zoals ze zijn. Het gaat om contact en aandacht zonder dat het benauwend wordt. Het gaat om betrouwbare relaties waarbij jongeren een voorbeeld hebben van hoe geloof werkt en bij wie ze terechtkunnen voor vragen over zichzelf, over het geloof en deze wereld.

Juki

3.3 Leiturgia
Missionair jongerenwerk biedt ruimte voor geestelijke ervaringen
Jongeren leren het evangelie nooit echt kennen en het christelijk geloof nooit echt begrijpen als het bij alleen maar kennis over het evangelie en over God blijft. Het is van belang om jongeren te helpen bij het ervaren van God. De christelijke traditie kent volop vormen waarin dat mogelijk is: een kerkdienst, een viering. Dat vraagt om aandacht voor rituelen, symbolen, hoogtijdagen, enz. Een viering kan groots, maar ook klein en intiem. Dat kan in een kerkzaal, in een sportkantine, aan een tafel waar samen gegeten wordt, enz. In de godsdienstpedagogiek is er de laatste jaren veel aandacht voor het in aanraking brengen met het geloof door jongeren te laten ervaren. Jongerenkerken en praiseavonden steken volop in op de dimensie van de leiturgia.

M3351M-T013

3.4 Diakonia
Missionaire jongerenwerk stelt zich belangeloos in deze wereld op
Diakonia is de naastenliefde die Jezus vraagt in praktijk gebracht. Voorheen werden een diakonale insteek en een missionaire insteek als concurrenten gezien. Tegenwoordig wordt gezien dat ze elkaar kunnen aanvullen in het bereiken van mensen en in het zich opstellen ten dienste van deze wereld om daarmee iets van Christus te laten zien. In het missionair jongerenwerk kan de diakonale insteek genomen worden door jongeren uit precaire sociale milieus huiswerkcursussen of cursussen voor sociale vaardigheden aan te bieden. Er kan de insteek genomen worden om jongeren uit de precaire milieus te helpen om een baan te vinden. Er kunnen projecten ontwikkeld om kinderen en jongeren uit deze milieus meer zelfvertrouwen en eigenwaarde te geven.

3.5 Paideia
Missionair jongerenwerk stimuleert informele vormingsprocessen
De dimensie van vorming ontbreekt niet in de andere dimensies. ‘Spiritualiteit heeft altijd vorming nodig om zich te kunnen ontvouwen.’ (G. Fermor) Vorming kan er zijn voor de jongeren die niets of weinig over het geloof of de kerk weten, bijvoorbeeld door een missionaire cursus als YouthAlpha. Vorming kan er ook zijn voor de degenen die in het missionair jongerenwerk actief zijn. In Duitsland is het mogelijk dat degenen die in het jongerenwerk actief zijn via scholing of cursussen een certificaat behalen: de Jugendleiter-Card (Juleica, zie voor meer informatie: hier). Ook in het missionair jongerenwerk zijn zulke cursussen te volgen om een Juleica te ontvangen. Daarmee zijn ze gekwalificeerd voor hun taak en kunnen ze zich steeds verder ontwikkelen.

home_2015

3.6. Instrumentarium om te analyseren
Deze vijf dimensies zijn bedoeld om te kijken wat een bepaalde vorm van missionair jongerenwerk goed heeft opgepakt. Daarnaast kan gekeken worden welke dimensies over het hoofd worden gezien.

978-3-7615-6286-4

IV AANDACHTSPUNTEN
Het handboek Missionair jongerenwerk is bedoeld als stimulans om het missionaire jongerenwerk verder te ontwikkelen. Karcher en Zimmermann zien de volgende uitdagingen:
– Meer aandacht voor de dimensie van de diakonia in de concrete vormen van missionair jongerenwerk.
– Het vinden van effectief aanbod en effectieve werkvormen. Daarvoor is het nodig dat missionair jongerenwerk leert van de recente ontwikkelingen en onderzoeken binnen de godsdienstpedagogiek en en de sociaal-pedagogische vakken.
– Betrekken van de ervaring die (partner)organisaties elders op de wereld hebben opgedaan.

Missionair jongerenwerk is geen concept dat werkt als er maar de juiste methode gevonden wordt. Missionair jongerenwerk vraagt om passie en enthousiasme voor zowel het evangelie als voor jongeren.

csm_Florian_Portrait_web_01_aea8ce03f7  csm_Germo_Zimmermann_09-2015_09cbb1be4a
Florian Karcher          Germo Zimmermann

N.a.v. Florian Karcher / Germo Zimmermann, ‘Was ist missionarische Jugendarbeit? Ziele, Leitlinien und Dimensionen’, in: Idem (Hg), Handbuch missionarische Jugendarbeit. Beiträge zur missionarischen Jugendarbeit, Bd. 1 (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2016) 17-49.

Handboek missionair jongerenwerk (recensie)

Handboek missionair jongerenwerk (recensie)

In de laatste tijd zijn alle grote kerkverbanden in Europa zich bewust geworden van de missionaire uitdaging. Van degenen die de kerken zouden willen bereiken met is de bij de jongeren de uitdaging misschien wel het grootst. Alle onderzoeken geven aan dat de meeste jongeren vandaag de dag thuis of op school niets van het geloof meekrijgen. Op welke manier kunnen de kerken hen toch bereiken? Wat hebben de kerken jongeren, die niet of nauwelijks een godsdienstige achtergrond hebben, te bieden?

Om op die vragen een antwoord te kunnen bieden, is er in Duitsland een serie opgestart. Beiträge zur missionarischen Jugendarbeit. De eerste twee delen van deze serie zijn verschenen. Het eerste deel is een Handboek missionair jongerenwerk; in het tweede deel worden concepten en bijbehorende werkvormen uitgewerkt.

978-3-7615-6286-4

Persoonlijke geloofskeuze
Missionair jongerenwerk bestaat al vanaf de 19e eeuw, toen verschillende organisaties jongeren die van de kerk vervreemd waren probeerden te bereiken. Vaak waren het organisaties uit piëtistische hoek, waar de nadruk op een persoonlijke geloofskeuze voor Christus lag. Deze stroming heeft een theologische insteek en neemt het vertrekpunt in de zendingsopdracht die Jezus aan zijn discipelen gaf.

Maatschappelijk geëngageerd
Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde zich een nieuwe stroming. De jongeren die waren opgegroeid in het nazi-Duitsland moesten zich ontwikkelen tot vrije burgers, die van harte de democratische waarden konden onderschrijven. Deze meer maatschappelijk geëngageerde stroming heeft een meer sociaalpedagogische insteek: jongeren helpen bij hun ontwikkeling naar zelfstandige, mondige volwassenen.

Meerdere perspectieven
In het handboek worden beide stromingen samengebracht: missionair jeugdwerk is er op gericht om de jongeren te begeleiden tot worden van een zelfstandige, volwassen persoon, die vertrouwd geraakt  is met het christelijk geloof en mogelijk zelf ook leeft uit het geloof in Jezus Christus. Dit handboek beperkt zich niet tot één christelijke stroming, maar wil van betekenis zijn voor zowel het protestantse als het katholieke en het evangelische missionaire jeugdwerk.

Functies van de kerk
In het handboek wordt van het bijbelse spreken over zending en van de recente ontwikkelingen uitgewerkt wat dit betekent voor het missionair jeugdwerk. De eindredacteuren van het handboek zetten zelf wat lijnen uit. Zij gaan uit van 5 functies van de kerk: martyria (verkondiging), leiturgia (eredienst, vieren), koinonia (gemeenschap), diakonia (dienstverlening) en paideia (onderwijs, vorming en toerusting). Niet in elke vorm hoeft alle functies te hebben. Wel is het goed om aan de hand van deze functies te kijken of er niet iets over het hoofd gezien wordt.

Ontwikkeling
Geloven gebeurt vaak niet van de een op de andere dag. Pedagoge Martina Walter werkt uit met elke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden op persoonlijk vlak en op geloofsgebied bij een jongere. Walter werkt dat uit aan de hand van de fasen die Erikson en James W. Fowler reconstrueren.

Contact
Contact krijgen met deze doelgroep is ook niet altijd makkelijk. Nathanael Volke gaat in op de missionaire uitdaging van social media. Soms hebben kerken nog wel contact. De bekende godsdienstpedagoog Friedrich Schweitzer roept op ook de kerken die nog catechese hebben de catechese te zien als missionaire kans. Daniela Mailänder vraagt om de jongeren niet uit het oog te verliezen als ze volwassen geworden zijn.

Te druk
Een andere belemmering is het toenemende gebrek aan tijd bij jongeren. Kon het missionair jeugdwerk voorheen nog gebruik maken van de vrije tijd van jongeren, nu moet er geconcurreerd worden met een bijbaantje en activiteiten van school en sportclub die ook steeds meer in de vrije tijd wordt georganiseerd. Ook het vinden van leiding is lastiger geworden door de afname van vrije tijd. Dat vraagt om flexibele structuren en goede afstemming met andere verenigingen die ook voor deze doelgroep werken. Uitgewerkt wordt hoe men met scholen kan afstemmen of samenwerken.

Verschil in sociale milieus
Jongeren hebben niet allemaal dezelfde achtergrond. Dé jongerencultuur bestaat niet. In het missionaire werk wordt tegenwoordig rekening gehouden met verschillende sociale milieus. Heinzpeter Hempelmann werkt uit op welke manier het missionair jeugdwerk kan afstemmen op de verschillende milieus. Ernst-Ulrich Huster laat zien op welke manier er rekening gehouden kan worden met armoede. Sarah Koyyuru gaat in op missionair jeugdwerk met jongeren met een migrantenachtergrond. Karsten Jung laat de spanningen en de mogelijkheden zien van missionair jeugdwerk met jongeren die tot een andere godsdienst behoren.

Inhoud
Missionair werk is niet zonder inhoud. Daarom laat Jörg Kresse zien welke cursussen er voor jongeren zijn om hen met het geloof vertrouwd te maken. Steffen Kaupp gaat in op wat er nodig is om jongerendiensten een missionaire uitstraling te geven: voordat je een dienst organiseert moet je eerst de jongeren in beeld hebben. De missionaire kracht van een dienst neemt toe als je in vorm en inhoud kunt afstemmen op wat jongeren bezig houdt. Hoe meer ze wat er gezegd wordt in hun dagelijks leven herkennen en hoe meer de boodschap hen in hun dagelijks leven iets te zeggen heeft, des te zinvoller wordt zo’n dienst. Geloofsthema’s zeggen meer als ze verbonden worden met zingevingsthema’s. Deze zingevingsthema’s moeten niet als opstapje worden gebruikt om het alsnog over geloof te hebben, maar zinvol met elkaar verbonden worden.

978-3-7615-6395-3

Concepten en werkvormen
In het tweede deel worden concepten uiteengezet, die recent binnen de godsdienstpedagogiek zijn ontstaan, zoals jongerentheologie, creatieve bijbeldidactiek, biblioloog, Godly Play, performatieve godsdienstdidactiek, e.a.Daarbij worden werkvormen gegeven, waarbij heel concreet wordt uitgewerkt wat er nodig is om voor te bereiden, hoeveel tijd het kost en op welke manier zo’n vorm ingezet kan worden.

Conclusie
De beide boeken zijn een waardevolle bijdrage aan het missionaire debat. Ze bevatten genoeg uitdagingen, inzichten en praktische uitwerkingen  die ook in Nederland ingezet kunnen worden.

N.a.v. Florian Karcher / Gerco Zimmermann (Hg.), Handbuch missionarische Jugendarbeit (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2016).
Florian Kracher / Petra Freudenberger-Lötz / Gerco Zimmermann (Hg.), Selbst glauben. 50 religionspädagogische Methoden und Konzepte für Gemeinde, Jugendarbeit und Schule
(Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2017).

Een volwaardige plek voor het Oude Testament in de christelijke eredienst

Een volwaardige plek voor het Oude Testament in de christelijke eredienst

In de kerk moet het Oude Testament volop klinken. Daardoor wordt elke kerkdienst weer duidelijk dat God de God van Israël is. En daarvan mag de christelijke gemeente zich wel wat meer bewust zijn, schrijft Jürgen Ebach

Heeft het Oude Testament een minderwaardige plaats in het christelijk geloof? Nee! is het stellige antwoord van Jürgen Ebach, die tot 2010 hoogleraar Oude Testament aan de universiteit van Bochum was. In de christelijke eredienst komt het Oude Testament volop tot klinken. Daardoor wordt het elke kerkdienst weer duidelijk dat God de God van Israël is. Daar mag de christelijke gemeente zich wel meer bewust van zijn, vindt Ebach.

csm_DEKT_Juergen_Ebach_wide_90073f50b9

Concrete eredienst
In zijn boek gaat hij de zondagse liturgie stap voor stap door vanuit de vraag: waar en hoe klinkt het Oude Testament in de concrete eredienst? Haast elke stap en elke formulering in de eredienst is te herleiden op of te verdiepen vanuit het Oude Testament. Een belangrijke vraag daarbij is: hoe kunnen we in de christelijke eredienst woorden en zinsneden uit het Oude Testament opnemen, zonder daarbij het Oude Testament van Israël af te pakken? Het gaat hem er vooral om verdieping door inzicht, dat het Oude Testament zoveel betekent voor de concrete eredienst.

Vragen
Dat doet hij steeds weer door vragen te stellen, bij de antwoorden die christenen geven. Dat is de theologische stijl die hem kenmerkt. Deze stijl van steeds weer vragen stellen heeft hij geleerd in het gesprek met Israël.

62061103

Waar woont God?
Ebach start zijn uiteenzetting met het kerkgebouw. Hij doet dat vanuit de vraag: waar woont God? Kun je zeggen dat er ruimten zijn waarin God dichter bij ons is en ook ruimten waar Hij verder is? Hij wijst erop, dat er in het Oude Testament verschillende stemmen zijn, die naast elkaar klinken en die niet geharmoniseerd moeten worden.

Er is een tempel waar het volk een cultus heeft om God te eren. Die tempel is echter te klein om God te kunnen bevatten, want als de hemelen al te klein zijn om God te kunnen bevatten, is een aards gebouw dat zeker. Het volk heeft wel een plek nodig om God te kunnen dienen, om te weten dat God in hun midden is. Het kerkgebouw is er voor de gemeente, om een plek te hebben bij God te komen.

Als de gemeente bij elkaar is in de naam van de Heer dan betreedt ze de ruimte van Gods zegen en bescherming. Het is kenmerkend voor de God van Israël dat Hij zowel in de hemel woont als op de laagste plaatsen, bij de minsten op aarde. God is benaderbaar, maar Hij wordt geen bezit. Zelfs niet van Israël.

Genderneutraal
Ebach spreekt niet zomaar over Hij als het gaat om God, maar wisselt tussen Hij en Zij. Ebach streeft naar een genderneutraal spreken over God. Hij is ook betrokken geweest bij de Bibel in gerechter sprache. God is niet mannelijk of vrouwelijk en in het Oude Testament zijn er ook vrouwelijke beelden van God, zoals God die als een hen is, die de kuikens verzamelt. Daarom is God meer dan een vader. Aan het begin van een kerkdienst kan volgens Ebach beter klinken: Wij vieren deze eredienst in de naam van God, die voor ons Vader en moeder is. Dat is voor Ebach geen meewaaien met genderneutrale winden, maar een gevolg van nauwkeurig luisteren naar de Schrift.

Naam
Op de weergave van de naam van God met Heer is Ebach dan ook kritisch. Liever heeft Ebach de weergave van Adonaj. Uit respect voor de Joodse traditie en om vast te houden dat de naam van God onuitspreekbaar is.

Psalmen
Ongelukkig is Ebach met de manier waarop psalmen in het Evangelische Gesangbuch terechtgekomen zijn. De onderdelen die weggelaten zijn, zijn voor Ebach juist wat de psalmen maken tot liederen van Israël: de zinnen over achtervolgd worden, over de goddelozen. Daarmee spreekt de kerk impliciet uit, dat die frasen stammen uit een primitievere fase van geloven, die de kerk is ontgroeid en waarin het Jodendom nog is blijven steken.

Schriftlezing
Als het gaat om de Schriftlezing voert Ebach een pleidooi voor zowel een oudtestamentische als een nieuwtestamentische lezing. Hij is blij met voorstellen om meer aandacht te geven aan het Oude Testament, zoals de nieuwe perikopenordening die meer oudtestamentische lezingen voorstelt.

383_08242_168870

Geloofsbelijdenis
Ook de apostolische geloofsbelijdenis brengt Ebach in gesprek met het Oude Testament. Hij wil deze belijdenis niet aanpassen, maar wel vragen stellen bij de belijdenissen, vragen bij de antwoorden, die hem, mondig mens, helpen om zijn geloof te belijden.

Een bijzonder voorstel is om de almacht van God te doordenken vanuit het berouw van God. Hij snapt de moderne kritiek op de almacht van God en wil die ook serieus nemen, maar gaat niet zover om te spreken over de onmacht van God. De almacht van God bestaat voor Ebach hierin, dat God in staat is om zijn eerder aangekondigde oordeel uit te stellen of op te heffen. God hoeft zich niet krampachtig aan de macht vast te houden of zich te laten leiden door de regels van de macht. God heeft de macht over de macht. En dat is volgens Ebach juist almacht.

Collecte
Veel aandacht besteedt Ebach aan de collecte, omdat de collecte zichtbaar maakt dat het in het dienen van God om gerechtigheid gaat. De Bijbelse gerechtigheid is geen iustitia, waarbij iedereen het zijne krijgt. Gerechtigheid is z’daka: iemand die zich solidair toont met een lager geplaatst iemand, die voor hem of haar op komt en zorgt dat er hem of haar recht gedaan wordt. In de Bijbel kan gerechtigheid niet los gezien worden van recht krijgen of recht gedaan worden.

Verkondiging
Kort gaat Ebach ook in op de verkondiging vanuit het Oude Testament. Hij wijst een een manier van preken af, die in het Oude Testament iets voorlopigs ziet, iets dat minder is of alleen maar belofte is en dat in het Nieuwe Testament compleet gemaakt wordt of vervuld wordt. Het gaat om een nauwkeurig lezen van de Schrift. Om te ontdekken wat de Schrift in en over onze tijd te zeggen heeft. Het gaat niet om goedkope actualisering, maar om de eigen tijd te begrijpen in het licht van de tekst.

Gepubliceerd in het Friesch Dagblad van 12 augustus 2017

N.a.v. Jürgen Ebach,
Das Alte Testament als Klangraum des evangelischen Gottesdienstes. Gütersloher Verlagshaus, 2016.

Ook Augustinus was iemand met een dubbele culturele achtergrond

Ook Augustinus was iemand met een dubbele culturele achtergrond

Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in God. Het is een beroemde uitspraak van de kerkvader Augustinus (354-430). Volgens de Cubaans-Amerikaanse kerkhistoricus Justo L. Gonzalez is die onrust niet alleen een geestelijke onrust, maar laat die onrust ook een innerlijke worsteling tussen twee culturen zien.

augustinus (1)

Augustinus behoorde tot zowel de Romeinse als tot de Afrikaanse cultuur. De Romeinse cultuur kreeg hij van zijn vader Patricius mee en de Afrikaanse cultuur via zijn moeder Monica, die mogelijk van Berberse komaf was en christen was. Net als bij vele anderen, die ook een dubbele achtergrond hadden, zorgde de dubbele culturele achtergrond geregeld tot innerlijke botsingen. Die dubbele culturele achtergrond heeft de ontwikkeling van Augustinus bepaald en is ook terug te vinden in zijn theologische en kerkelijke stellingnames. Het heeft een tijd geduurd voordat Augustinus het christelijke geloof van zijn moeder kon verenigen met de cultuur van zijn vader. Hij moest een hele weg afleggen, via het Manicheïsme en het Neo-Platonisme, totdat hij bij bisschop Ambrosius in Milaan een vorm van christelijk geloof ontdekte dat gecombineerd was met de Romeinse cultuur. Toch bleef Augustinus ook Afrikaan. Hij keerde na zijn bekering terug naar zijn geboortegrond en werd daar uiteindelijk bisschop van Hippo.

3249333776

Elite en gewoon volk
In de strijd tegen de Donatisten opereerde hij als Romein. Augustinus had door zijn verworteling in de Romeinse cultuur niet door, dat de strijd met de Donatisten ook een vorm van verzet was tegen de Romeinse kolonisatie van Noord-Afrika. Het christendom was in Noord-Afrika kreeg namelijk allereerst vooral aanhang onder het gewone volk. Nadat de Romeinen Carthago en de rest van Noord-Afrika hadden veroverd, gingen ze zich steeds meer als kolonisator gedragen en gebruikten Noord-Afrika als wingewest om de grootsheid van Rome te onderhouden. Er kwam een tweedeling: een Romeinse elite, vaak uit Rome afkomstig, en het gewone volk van de Berbers. Omdat het christelijk geloof door de Romeinse overheid vervolgd werd, zag het gewone volk in het christelijk geloof een vorm van verzet tegen de Romeinse kolonisator.
De vervolgingen gingen echter door en het gewone volk in Noord-Afrika kreeg daar ook mee te maken. Er waren gelovigen die trouw bleven aan het geloof. Er waren er ook die het geloof vaarwel zeiden of op de vlucht gingen. Nadat de vervolgingen voorbij waren, gaf dat een geweldig probleem voor de kerk. Radicale christenen, die later Donatisten werden genoemd, vonden dat degenen die hun geloof afzworen of op de vlucht gingen, opnieuw gedoopt moesten worden. Deze radicale stroming was erg populair onder de Berbers en was op vele plaatsen invloedrijker dan de katholieke kerk.

Reputatie
Nadat de bisschop van Carthago was overleden, werd snel een gematigde bisschop Caecilianus aangesteld. Caecilianus werd echter niet erkend door de radicale christenen. Er was hier sprake van een botsing van culturen in de kerk. Caecilianus stond dichterbij de Romeinse overheid dan zijn tegenstanders. Caecilianus had ook een Romeinse opvatting over gezag en zijn tegenstanders een Afrikaanse opvatting. In een Romeinse visie op gezag bepaalt het ambt de waardigheid. Wanneer iemand niet het juiste charisma heeft of een twijfelachtige reputatie wordt dat gecorrigeerd door het ambt dat waardigheid verleent. In de Afrikaanse opvatting gaat het om de waardigheid van de persoon. Iemand komt pas in aanmerking voor een ambt als hij een goede reputatie heeft, bekend staat als een wijs persoon, charismatisch is en gezag uitstraalt. Iemand die op de vlucht is geslagen of het geloof vaarwel heeft gezegd, heeft zijn gezag verloren. Dat gezag kan niet door de officiële kerk worden teruggegeven, maar door toonaangevende personen uit de gemeenschap, die in de tijd van de vervolging op een indrukwekkende manier standhielden. Augustinus koos later als bisschop in zijn strijd tegen de Donatisten voor de Romeinse opvatting voor gezag en werkte zelfs samen met de Romeinse overheid in de strijd tegen de Donatisten. Tot aan de verovering door de Arabieren bleven de Donatisten volop aanwezig. Wel viel deze stroming steeds meer uiteen in radicalere en ook gewelddadige fracties.

Goed en kwaad
In zijn strijd tegen Pelagius toonde hij zich meer als Afrikaan. Zo werd hij ook door zijn tegenstanders bespot: als de Punische Exegeet of de Afrikaanse Aristoteles. Augstinus werd door Pelagius aangevallen, omdat volgens Augustinus de mens vanaf geboorte een zondaar was. Daarmee kreeg volgens Pelagius God de schuld van de zonde. Volgens hem was de mens in staat om heilig te leven door zich aan Gods wet te houden. Alleen dan kan God volgens Pelagius de mens straffen voor zijn zonden en belonen voor zijn goede daden. Er was niet alleen verschil in levensstijl: Pelagius leidde een voorbeeldig ascetisch leven, terwijl Augustinus een turbulente jeugd had. Ook hier speelde het verschil tussen Romeins en Afrikaans gezag. Alleen dan in de visie op God. Volgens de Pelagianen was ook God onderworpen aan de wetten voor wat goed en kwaad is. Volgens Augustinus is het God zelf die bepaalt wat goed en kwaad is.

5150

Geuzennaam
Om de dubbele culturele achtergrond te kenschetsen en vooral om te laten zien welke complexiteit een dubbele culturele achtergrond meegeeft, typeert Gonzalez Augustinus als mestizo. Aanvankelijk was dit een scheldwoord voor Mexicanen, die als halfbloed (en daarmee minderwaardig) werden gezien.  In 1925 ging de Mexicaanse wetenschapper en presidentskandidaat dit woord als een geuzennaam gebruiken. Een halve eeuw later introduceerde Vergilio Elizondo, een vriend van Gonzalez, deze term in de theologie en de kerk. Gonzalez zelf is als Cubaans Amerikaan een van de toonaangevende theologen met een latino achtergrond en een wereldwijd gerespecteerd kerkhistoricus. Dat een dubbele culturele achtergrond niet eenvoudig is, deelt hij met veel christenen in de VS met een Latijns-Amerikaanse achtergrond. Vanuit de vele gesprekken die hij met hen heeft gehad, heeft hij dit boek over de dubbele achtergrond van Augustinus geschreven om te laten zien dat zij niet de enige zijn die met een dubbele achtergrond worstelen. Daarom droeg hij het op ‘aan de vele Latina’s en Latino’s, wiens mestizaje mij hebben verrijkt’. Hij schreef het oorspronkelijk in het Spaans, waarna hij het in het Engels publiceerde.

Justo L. Gonzalez, The Mestizo Augustine. A Theologian Between Two Cultures (Downers Grove: IVPress, 2016)

7283