In gesprek over de prediking – deel 2

In gesprek over de prediking – deel 2

1) Welke boodschap hebt u  meegekregen in deze preek? Veranderde die boodschap door het lezen van de preek?

2) Wat hebt u beleefd tijdens de preek? Wat raakte u?

3) Wat hebt u geleerd tijdens de preek?

4) Wat zegt de preek over u (of uw dagelijks leven)?

5) Wat kan deze preek bijdragen aan uw relatie met God?

6) Wat wilde deze preek bij u (en de gemeente) bereiken?

7) Wat in de preek heeft u aan het denken gezet?

8) Wat riep herkenning op? En riep vervreemding op?

Voor wie meer wil lezen over de preek:

Areopagus-magazine (aanmelding via www.izb.nl)

In gesprek over de preek. Een handreiking voor het gesprek over de preek in de gemeente en in de kerkenraad. http://www.pkn.nl/5/site/uploadedDocs/Ingesprekoverdepreek.pdf

Henk van der Meulen (red.), Als een leerling preken. Preekvoorbereiding stapsgewijs (Zoetermeer: Boekencentrum, 2008).

In gesprek over de prediking – deel 1

In gesprek over de prediking – deel 1

Wat is een preek?

a) Probeer voor uzelf onder woorden te brengen wat de preek betekent. b) Waar baseert u dat op?

a) Wat moet de preek volgens u bevatten? b) Waar baseert u dat op?

Kunt u een voorbeeld geven van een preek die belangrijk voor u was?

Voorafgaande aan de kerkdienst

Met welke verwachting komt u naar een kerkdienst? Hoe komt u aan die verwachting?

Hoe bereidt u zich voor op de kerkdienst?

De kerkdienst als zodanig

Hoe belangrijk is voor u de preek?

Welke andere onderdelen van de kerkdienst zijn voor u belangrijk?

Op welke manier ervaart u Gods aanwezigheid tijdens de kerkdienst?

Tijdens welke onderdelen ervaart u Zijn aanwezigheid het sterkst?

Wat zijn belemmeringen om Zijn aanwezigheid op te merken?

Na afloop

Wat doet u na afloop met de preek?

Welke invloed heeft de preek op uw leven/geloofsleven in de week die op de zondag volgt?

Wat doet u met het bijbelgedeelte waar de preek over ging?

Preek over Genesis 14:1

Preek over Genesis 14
(tevens bevestiging ambtsdragers)

Het gebeurde in de dagen van Amrafel, koning van Sinear… (vers 1)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1) Introductie: geen gemakkelijk hoofdstuk
Wat is dit voor een hoofdstuk? Dit is één van die hoofdstukken uit de Bijbel, waar wij niet zoveel mee kunnen.
Ik weet niet op welk moment van de dag u voor uzelf leest uit de Bijbel.
Wellicht leest u ’s morgens met als doel om aanwijzingen van de Here te ontvangen voor deze dag, of kracht te putten voor de komende dag. Ik vrees dat we dan niet veel met dit hoofdstuk kunnen.
Wellicht leest u ’s avonds uit de Bijbel. Om de dag nog eens te overdenken. Om al wat er gebeurd is de revue te laten passeren. Om de Here te danken voor de zegeningen die Hij deze dag gegeven heeft. Om het verkeerde van deze dag te belijden. Na een dag bezig zijn zal dit hoofdstuk langs ons heengegaan zijn. Wat er staat, dringt niet meer tot ons door en bereikt ons hart niet. Terwijl we de Bijbel dichtslaan, weten we nauwelijks nog wat we gelezen hebben gelezen.
En als er in deze dienst ook ambtsdragers bevestigd worden: welke boodschap, welke bemoediging of les kunnen we aan hen meegeven voor hun werkzaamheden in de gemeente?
(2) De Bijbel als hemels brood
Dat dit niet gemakkelijk gaat, heeft ook te maken met de Bijbel zelf. De Schrift, het Woord van God is voedsel voor onze ziel. Vaak gebruiken we de Bijbel vooral als tussendoortje. Net zoals we om 4 uur ook een cup-a-soup nemen. Een opkikker en dan kunnen we er weer tegen aan. Zo lezen we vaak in de Bijbel om ons geloof een opzwieper te geven. Ons lichaam kan echter niet alleen op tussendoortjes functioneren. Zo kan ook ons geloof niet alleen op opzwiepers functioneren. Als we de Bijbel lezen, gaat het erom dat we wat de Bijbel zegt goed tot ons moeten laten doordringen. Kauwen en herkauwen. Alleen op deze manier kan de Bijbel ons voeden en sterken in het geloof.
Wie wil groeien in geloof, kan zich niet beperken tot de makkelijkere gedeelten. Vooral de verhalen die we voor ons eerste gevoel van ons afglijden, zijn stevige kost waar we tijden op kunnen teren.
Dit verhaal over al die koningen maakt het ons niet gemakkelijk. Soms kunnen we voedsel laten liggen, omdat we niet weten, hoe we dat moeten eten. Ook al is het nog zo gezond. Wat de boer niet kent… Hoe kunnen we van dit stevige brood een plak afsnijden, zodat we onze ziel hiermee kunnen voeden?
Om in het beeld te blijven – ik zet het mes in vers 1: Het gebeurde in de dagen van Amrafel, koning van Sinear… Dan worden er nog heel wat koningen genoemd. Om die Amrafel gaat het. Of beter gezegd: om het gebied war hij koning over is: Sinear. Kedorlaomer blijkt de hoofdpersoon te zijn, maar aan Amrafel kunnen we zien uit welk hout al deze koningen zijn gesneden. Met welk slag we te maken hebben.

(3) Sinear = Babel
Dat koninkrijk Sinear gaat terug op Nimrod. Hebt u wel eens van Nimrod gehoord?
In die tijd was er een spreekwoord over deze man. Als de mensen onder de indruk waren van wat iemand had gepresteerd, bewonderend opkeken naar wat iemand had bereikt zeiden ze: ‘Een echte Nimrod!’ Een geweldig jager voor het aangezicht van de Here. Dat klinkt toch vroom? Om in de prestaties die iemand bereikt heeft de hand van de Here te zien?
De Bijbel kent de keerzijde van deze man. De Bijbel onthult wie deze man werkelijk is: de eerste machthebber op aarde.
Je zou zo maar te boek staan. Als de eerste despoot. Als degene die de dictatuur heeft uitgevonden. Als degene ontdekt heeft wat men met macht kan doen: heersen over de ander. Een rijk dat draait op eigenbelang. Waar je eigen ik het middelpunt is. Macht om de hele wereld om je eigen ik te laten draaien.
Als we de Bijbel vluchtig zouden lezen, zouden we onder de indruk zijn van Nimrod. Zouden we denken: ‘Zo wil ik ook zijn! Zo gezegend door de Here!’ Wie de Bijbel al kauwend en herkauwend leest, denkt nog eens na over het feit dat Nimrod een jager genoemd wordt.
Waar komt de jager nog meer voor in de Bijbel?
In de psalmen:
8 hij ligt in hinderlaag bij de gehuchten,
in het verborgene doodt hij de onschuldige.
Zijn ogen bespieden de zwakke,
9 hij loert in het verborgene als een leeuw in de struiken;
hij loert om de ellendige te vangen,
hij vangt de ellendige, hem trekkend in zijn net.
10 Hij bukt, duikt ineen,
en de zwakken vallen in zijn sterke klauwen.
(Psalm 10)

In deze psalm komt de ware aard van de jager naar boven:
11 Hij zegt in zijn hart: God vergeet het,
Hij verbergt zijn aangezicht, Hij ziet het in eeuwigheid niet.

Het gebeurde in de tijd van de jager, in de tijd waarin de machthebbers zeiden: ‘God? Die knijpt een oogje toe! Hij ziet het toch niet, dus kunnen wij onze gang gaan.’ Het gebeurde in de tijd, waarin men zei: op God hoef je niet te rekenen! Hij speelt verstoppertje! Hij ziet het niet!
Dat was voor de Israëliet de diepste aanvechting: dat je gaat geloven, wat die spotters over de Here zeiden. Dat je gaat geloven dat de Here het niet ziet. Dat Hij niet komt als je Hem nodig hebt. Dat de Here onverschillig blijft bij al het leed dat je treft.
1 Waarom, HERE, staat Gij van verre,
verbergt Gij U in tijden van nood?
12 Sta op, HERE! o God, hef uw hand op,
vergeet de ellendigen niet.
13 Waarom smaadt de goddeloze God,
spreekt hij in zijn hart: Gij vraagt geen rekenschap.

Alsof onrecht, dat mij treft, aan U voorbij gaat? Alsof U er niets aan doet! In de dagen van Amrafel: een wereld waarin geen plaats is voor God. In heel de wereld geldt de wet van Sinear. Vanuit alle windstreken komt deze machtswellust.
In de dagen van Amrafel, waarin geen plaats voor God lijkt te zijn. Dat is alleen maar lastig, want God en streven naar eigenbelang gaat niet samen. Wanneer enkele steden in opstand komen, omdat ze vinden dat ze genoeg geknecht zijn, wordt deze opstand genadeloos neergeslagen. Alsof men met bulldozers en sloopwerktuigen komt. Onderweg verpletterd men nog enkele volkeren, die men op de weg tegenkomt. Niets kan deze machtswellust indammen. Zelfs de Here niet, lijkt het. In dat geweld wordt ook Lot meegenomen.

(4) God
Abram is een Hebreeër. ‘Vreemdeling’ betekent dat. Abram is vreemdeling. Niet alleen omdat zijn wortels elders liggen, maar ook omdat zijn hart een andere schat heeft. Kwam Abram niet uit Sinear? Hadden die koningen daarom Abram gespaard, omdat ze dachten dat hij hun bondgenoot, hun broeder was, één van hun?
Abram is vreemdeling omdat hij het jagen heeft afgeleerd.Het jagen naar eigen eer en glorie, naar succes.  Hij leeft niet meer voor zichzelf alleen. Hij is broeder van Lot, niet van de geweldenaars. Met een handjevol verslaat hij de vijand. Een gideonsbende: 318 man.
Hierin kunnen we zien hoe God werkt. Voor de koningen telt een enkeling niet. Alleen legers en massa’s slaven zijn interessant. Temidden die machtige legers zet God de wereld op z’n kop. Een enkeling is voor de Here genoeg om in te grijpen. Maar de Here kiest daarvoor niet de macht, waarmee die koningen kwamen. Als ik zwak ben, dan ben ik machtig door Hem die mij kracht geeft.
Temidden van die macht en al dat geweld laat de Here zien dat het ook anders kan. De spotter zegt: de Here verbergt zich. De gelovige zegt: de Here handelt anders. Niet door middel van macht of geweld, maar juist via de zwakke, de enkeling. Hij gebruikt mensen die voor deze wereld niet tellen, omdat ze niet meer mee kunnen jagen naar eigen eer en roem.

De gemeente bestaat uit mensen die uit die wereld zijn gered. Uit de wereld van Nimrod en Sinear, de wereld van het eigenbelang.
Paulus wist wat jagen was. Hij joeg op de christenen. Iedereen om hem prees hem om zijn jagen voor God en zelf dacht hij ook dat hij Gods wil ten uitvoer bracht. Toen kwam Christus in zijn leven: niet meer een leven waarin hij anderen de dood injoeg. De dood heerst niet meer in mij.
Abram is een vreemdeling, omdat hij net als Paulus is geroepen. Net als wij. Paulus zegt tegen de gemeente: u bent anders (Romeinen 8). Klopt dat? Of geldt voor ons wat Paulus de gemeente van Rome ook voorhoudt: stel u w leven niet in dienst van de ongerechtigheid en de zonde. Een ander leven. Vandaag de dag wordt er nagedacht over hoe christenen in onze samenleving anders kunnen zijn: een contrastgemeenschap. Dan geldt dat op dit punt: dat wij gered zijn van Babel.
Het gaat niet om indrukwekkende daden, maar om een houding. De ander is er niet meer om mij te dienen. Ik dien de ander, omdat Christus gekomen is om te dienen.Uit de nacht zijn wij ontkomen – uit de nacht van Babel.

(5) Brood en wijn
Niet alleen door de overwinning van die vreemdeling,van Abram, laat God merken dat Hij er is.
Er komt een koning-priester Melchizedek. Geen jager, maar een koning-knecht. Niet een koning die zegt: dat volk heb ik van God gekregen, zij moeten mij dienen. Nee, als priester dient hij zijn volk. Deze koning komt met brood en wijn.Gewoon voedsel in die tijd. Abram krijgt dit uitgereikt van de koning van de vrede. In een wereld die zo gemakkelijk verwordt tot Babel, waarin we ons eerder in Sinear wanen, vieren wij aan de tafel des Heren dat wij anders zijn: mensen die uit die wereld zijn weggeroepen en daardoor vrij van een wereld die leidt tot de dood. Temidden van hemelbestormers vieren wij dat onze God tot ons is afgedaald. In een wereld die niet meer van God wil weten, omdat God dienen niet past bij eigenbelang, gedenken wij dat God er is en ons tot Zijn gemeenschap maakt. De taak van ambtsdragers is om de gemeente te bewaren bij dat geheim. Om de gemeente eraan te herinneren waar ze vandaan komt: uit de wereld die Sinear/Babel heet. Dat is jullie enige taak. Om de gemeente eraan te herinneren wat die bevrijding heeft gekost (het offer van Christus). Om de gemeente voor te houden: niet meerstreven naar meer en meer, maar om de harten opwaarts te heffen in de hemel, waar Christus is – onze voorspraak bij de hemelse Vader. Als we als gemeente toch gaan jagen naar meer – meer van ons – ons af te remmen en te zeggen: zoek het leven buiten onszelf in Christus. God doet grote dingen: in brood en wijn laat Hij dat zien. Een gemeenschap die niet alleen het jagen heeft afgeleerd, maar ook verzoend zijn met God. Amends. M.J. Schuurman

Spreek slechts één woord, één woord met macht

Spreek slechts één woord, één woord met macht

Enige tijd geleden preekte ik over Ezechiël 1. Tijdens de lezing van dit Schriftgedeelte keek ik naar de gezichten van de luisteraars. Ik merkte dat de gemeente niet alleen aandachtig luisterde naar dit gedeelte, maar echt ook gegrepen werd door deze tekst en gefascineerd werd door wat er in deze tekst beschreven werd. Er gebeurde gewoon waar de tekst over spreekt: de hemel opende zich en iets van de heerlijkheid des Heren werd zichtbaar.’

Zo begint Jean-Marcel Vincent zijn boek over De ervaarbaarheid van God in het Oude Testament. In een voetnoot voegt hij eraan toe: ‘Ik hoef niet te vertellen dat mijn preek, die erop volgde, in vergelijking daarmee erg vlak was en geen recht deed aan de tekst.’ 
Sinds mijn afstudeerscriptie, die gewijd was aan het zien van Gods aangezicht in het Oude Testament, ben ik geïnteresseerd in de manier waarop de Bijbel schrijft over ervaringen met God. Tijdens het lezen let ik er vooral op, hoe God aanwezig is. Wanneer er sprake is van een theofanie of een stem van God. En ook wanneer er omgekeerd sprake is van het zoeken van contact met God lees ik aandachtig. Zelfs als zijn aanwezigheid niet beschreven wordt heeft dat altijd betekenis. Elk bijbelgedeelte heeft een sacramentele dimensie. Dat wil zeggen: elk bijbelgedeelte opent de weg naar God. Door iets van God te laten zien. Zelfs door de afwezigheid van de Here te laten zien. De preken die ik gehoord heb, hebben deze sacramentele dimensie vaak over het hoofd gezien. Naar mijn idee is de oorzaak daarvan dat de predikanten bij het bestuderen van het betreffende gedeelte deze dimensie niet hebben opgemerkt. Over het gebrek aan sacramentele dimensie in de eredienst schrijft De Leede in Is God in de VS dichterbij?

Dit zijn artikelen waar ik erg van houd en veel van leer. De Leede neemt ons mee langs ervaringen, die hij opdeed. Wat mij het meeste raakte, was de opmerking van de zwarte onderzoekster. Dat black preachers tenminste nog in God geloven. Dat hield mij opnieuw de spiegel voor. Dat was al eerder gebeurd toen ik begon in de Predigtlehre van Rudolf Bohren. Volgens hem heeft de prediker te maken met een verlegenheid die hij typeert als sprakeloosheid. De prediker vindt de woorden niet meer, omdat God zelf niet aan het woord komt in de prediking. De prediker heeft een belangrijke stap overgeslagen: namelijk de verwondering en het overdenken van Gods tegenwoordigheid (Staunen). Het overslaan van deze stap heeft twee fatale gevolgen:

(1) De prediker denkt te kunnen beschikken over Gods Woord. De Here is gedegradeerd tot een afgod. De Schrift laat echter zien dat waar mensen denken te kunnen beschikken over God Hij zich terugtrekt en in stilzwijgen hult. 
(2) Omdat de Here zich teruggetrokken heeft, wordt Zijn aanwezigheid en Zijn handelen niet opgemerkt. Daardoor denkt de prediker dat hij het handelen van God moet overnemen. Om in de termen van Bohren te blijven: ik vergat zelf eerste hoorder te zijn. Ik vergat, dat ik als predikant geneigd ben God en mijn gemeente te haten. Ik sloeg mijzelf over en luisterde – ondanks mijn interesse voor de sacramentele dimensie van de tekst – vaak vooral met het oog op de gemeente. 
Maar als ik kijk in de spiegel die Bohren mij voor houdt, besef ik dat ik in de praktijk van mijn werk maar weinig rekening gehouden heb met het gegeven dat God vandaag de dag werkt. Omdat ik twijfel of God wel handelt, denk ik te kunnen handelen in Zijn plaats. Van Eberhard Jüngel heb ik geleerd om deze houding als zonde typeren. Ik beroof God van Zijn God-zijn, ik op mijzelf gericht, in mijzelf gekeerd en belast mijzelf met een last waaraan ik onderdoor ga (homo incurvatus in se). 

Daardoor herken ik het citaat van de collega, die door De Leede wordt aangehaald: ‘Het is net of er bij ons iets tussen staat, iets onzichtbaars, een soort glazen wand.’ Dit is de taal van de aanvechting. We kunnen als gelovige en ook als predikant alleen maar uit de aanvechting komen, wanneer we weer geloven in de werkzaamheden van onze Heer. U hebt het heden, het vandaag te verkondigen, hield Hans-Joachim Iwand zijn studenten in de jaren ’30 voor en verwees naar 2 Kor. 6:1-3 en Hebr. 3:7-19. ‘Wat daaruit worden zal, mag u aan God over laten. Hij kan de gemeente ook in dwaalleer laten verkeren. Dank God, dat u vandaag de dag de gemeente nog mag verkondigen!’ 
Iwand zei dit midden in de strijd tussen de Deutsche Christen en de Bekennende Kirche (wat die opmerking over de dwaalleer een spannend gegeven laat zijn). Eerder had hij al tegen zijn studenten gezegd: ‘Tussen u en uw gemeente staat God. Een zegen en een troost als u deze grens respecteert, maar een scherp zwaard voor wie deze grens negeert. Op het moment dat u als verkondiger wilt heersen over de harten, loopt u in Gods zwaard.’ Dit citaat van Iwand was ik al eens tegengekomen. Alleen de eerste zin bleef mij bij. Door het bezigzijn met het artikel van De Leede drong de consequentie hiervan door in wat Iwand in de daaropvolgende zinnen schreef. Ik negeerde de grens. Ik als homo incurvatus in se kon alleen uit mijn in-mijzelf-gekeerd-zijn gered worden door de kracht van Christus of Gods Woord. Dat woord, gesproken met macht, doorbrak mijn ongeloof en liet mij op God zien. Zoals ook Abram onderbroken wordt in zijn klacht en van God de opdracht krijgt om omhoog te kijken naar de sterren. Deze bevrijding kan extra kracht hebben als de aangevochtene door anderen met een gezagvol woord op Christus gewezen wordt. Spreek slechts één woord, één woord met macht, dan krijgt ons leven nieuwe kracht (Gez. 170, al kies ik liever voor de versie uit de Bundel-’38:) dan is voorbij der zonde nacht. Dat kan alleen het Woord doen, als het Woord ons stoort in onze in-onszelf-gekeerd-zijn. 

Het Woord van God plaatst haalt ons weg en plaatst ons onder de macht van Christus. Want mijn leven is onder de macht gesteld, van mijn Heer die mijn dagen en nachten telt. Wat verkondigen in de werkelijke aanwezigheid van Christus betekent, laat Handelingen 8:35: en hij predikte hem Christus. Hier wordt niet uitgelegd wie Christus is. Het woord dat Filippus sprak was dat woord van macht, waardoor de kamerling onder de macht van Christus werd gesteld. Met als gevolg dat hij zijn oude leven aflegde en bekleed werd met Christus.

Matthijs Schuurman
predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam-Watergang.

Gepubliceerd op de website van de IZB – als reactie op dr. H. de Leede, ‘Is God dichterbij in deVS?’ http://www.izb.nl/index.php?cId=284&aId=1393

Enkele opmerkingen à la De Leede:
* Presentia realis kunnen wij niet realiseren, wel blokkeren.
* Wanneer De Leede de oceaan oversteekt, laat hij daarbij onze oosterburen niet vergeten. Manfred Josuttis heeft op een eigenzinnige, soms esoterische manier de presentia realis doordacht. Hij hielp mij om van theoloog geestelijke te worden. Martin Nicol schreef een boeiende homiletiek, die helpt om de presentia realis in de prediking praktijk te brengen.
* Het wordt tijd, dat we Van der Leeuw eindelijk eens serieusnemen. Het verwijt van magie is volgens Josuttis een protestants vooroordeel. Of liever een protestantse projectie. Zij hebben graag zelf de macht over het woord, ipv dat het woord macht over hen heeft.
* Een kerkdienst die uitgaat van de presentia realis, neemt Romeinen 6 als uitgangspunt. De kracht van het evangelie (Romeinen 1:17) is geen inwendige kracht, maar een kracht die ons van gebied en eigenaar verwisselt. (Herrschaftswechsel) De aarzelingen rondom Stanley Hauerwas laat zien, dat men binnen de Protestantse Kerk in Nederland de consequenties van de sacramentele dimensie van de eredienst niet ten volle beseft.
* Er moet een verbinding zijn tussen spiritualiteit, dogmatiek en kerkelijke praktijk. De rechtvaardigingsleer en zondeleer worden dogmatisch keurig behandeld, maar werken in de praktijk van de prediking nauwelijks door.
* Wanneer de presentia realis uitgangspunt is, is het niet verwonderlijk wanneer men zich ervaart als een concreet bestaan in ruimte en tijd ervaart. Christus redt niet alleen onze ziel, maar heel ons bestaan. Wanneer we onder de macht van Christus geplaatst worden, wanneer we verschijnen voor het aangezicht van God verschijnen wij daarmee als persoon.
* Wie spreekt over de ontmoeting met de/het heilige kan er niet omheen dat er sprake is van fascinans én tremendum. Niet alleen de schoonheid,maar ook de huiver en distantie dient gerealiseerd te worden.
* Volgens de liturgiewetenschapper Wolfgang Ratzmann is de sacramentele dimensie van de eredienst de enige voorwaarde voor missionaire kerkdiensten: namelijk dat in de dienst de weg tot God wordt geopend.
* De oud-oosterse visie op de tempel kan ons verder helpen in de doordenking van de sacramentele dimensie van de eredienst (denk aan de artikelen van Bernd Janowski op dit punt).
* Tegelijkertijd met het artikel van De Leede las ik het afscheidscollege van Christian Link, waarin hij aan gaf juist voorzichtiger geworden is met het spreken over het heden van Gods handelen. De actualisatie is niet zonder risico’s (denk aan de predikanten die in het enthousiasme voor de Eerste Wereldoorlog zagen als een nieuwe uitstorting van de Geest)
* Bij het nadenken over de aanwezigheid en het hedendaags handelen van God zijn de christologie (en de sacramentsleer als onderdeel van de christologie) de norm.
* Het onderscheid sacramentum-exemplum geldt niet alleen voor de christologie, maar voor elk bijbelgedeelte en voorkomt dat men naar de moralisering grijpt als brug naar het heden. 
* Hemelvaartsdag dient weer in ere hersteld te worden als belangrijkste feest van het jaar. Presentia realis gaat om de aanwezigheid van de verhoogde Heer. De viering van het Kerstfeest kan alleen in dat kader ook gevierd worden: de Redder die heilsbrengend is verschenen. Zoals ook de evangeliën in dat kader staan: niet alleen geschreven vanuit Pasen, maar vooral vanuit het geloof en de ervaring van Zijn verhoging – ter rechterhand Gods.

Een hoopvolle toekomst? – Preek Startzondag

Een hoopvolle toekomst? – Preek Startzondag 17 sept 2010
Genesis 15

 
(1) Een hoopvolle toekomst – die verwachten we van de Here. Toch? Daarvoor zijn we hier bij elkaar. Of het nu om onze eigen toekomst gaat of de toekomst van de kerk, we beseffen: de toekomst ligt niet in onze hand. We zouden er achteraan denken: gelukkig maar! Stel je voor dat de toekomst van ons zou afhangen? Stel je voor dat we zelf zouden moeten zorgen voor het slagen van de toekomst… Of voor de toekomst van de kerk…
Bij alles wat ons bezig houdt, onze plannen, onze beslommeringen, weten we: ons leven is in Gods hand. Onze toekomst dus ook. Morgen, overmorgen.
Het zou toch raar zijn als we tegen elkaar zouden zeggen: ‘Eigenlijk, als ik heel eerlijk ben, heb ik er niet zo veel fiducie meer in! Als ik kijk naar de opkomst van het kerkbezoek, de betrokkenheid bij de bijbelkringen of de opkomst bij de activiteiten die worden georganiseerd. Het zou toch raar zijn als we elkaar zouden aanstoten: ‘Een hoopvolle toekomst? Eigenlijk ben ik heel somber over onze gemeente(n)! Daarom hoop ik maar dat de opkomst goed is, want dan hoef ik even geen zorgen te hebben. Dan word ik niet afgeleid door die lege plaatsen in de kerk en kan ik mij openstellen voor wat de Here tegen mij te zeggen heeft. Zo’n lege kerk ontneemt me de vreugde van de boodschap.’

(2) Maar is dat wel zo raar? Want we kunnen over een hoopvolle toekomst spreken, maar overschreeuwen wij daarmee niet onze zorgen? Onze zorgen over de toekomst van de gemeente(n)? Dat we met elkaar vinden dat er zo’n lauwheid is? Kijk maar naar de opkomst als er iets georganiseerd wordt. Die lauwheid werkt belemmerend voor mijn eigen geloof. Ik doe met activiteiten mee, omdat er anders toch niemand komt. Door die lauwheid ga ik met tegenzin naar de kerk of ga ik helemaal niet.
Zonder dat je er erg in hebt, kun je gevangen raken. Dan hoor je nog zo’n mooie boodschap, het evangelie, de boodschap die je zou moeten opwekken, die je boven al je zorgen uit zou moeten tillen. Wat er gebeurt, is echter dat het langs je heen gaat. Het raakt je niet – hoe mooi de boodschap ook is. De pijn, de teleurstelling van wat je om je heen ziet, daar kun je je ogen niet voor sluiten. Al zou je het misschien wel willen. De zorgen kunnen toch niet ontkend worden?
Wat moeten we er aan doen? Iets organiseren? Dat hebben we al geprobeerd. Het werkte net. Wat we ook probeerden, het is op niets uitgelopen. Helemaal niets? In ieder geval was het heel weinig. Een hoopvolle toekomst? Maar wat moet de Here ons dan geven?
Dat is ook wat Abram aan de Here vraagt.

(3) Dat is ook wat Abram aan de Here vraagt. Het is de Bijbel, dus het staat er netjes. Zegt Abram niet tegen de Here: ‘Houd u mij alstublieft geen worst voor! Maak mij niet blij met een dode mus!’ Het komt op mij over, alsof Abram niet eens op Gods belofte zit te wachten. Wat heeft hij aan een hoopvolle toekomst? Hij is toch al bijna dood. Nu heeft het geen zin meer. De enige vraag die nu nog telt is: wie neemt het stokje over? Het werk van God loopt op dit moment dood. Wat heeft het nog voor zin dat de Here hem beschermt tegen zijn vijanden en dat de Here hem zegent? Het is alsof Abram tegen de Here zegt: ‘Laat me maar met rust. Het is toch al bijna afgelopen.’ Abram kan alleen nog maar klagen.
Wie zou hem ongelijk geven? Hij ziet het al voor zich: zijn slaaf, zijn vertrouweling Eliëzer moet met de zaak verder gaan. Afgelopen. De naam van Abram zal uit de geschiedenis worden gewist. Net als de naam van de Here.
Dat staat toch op het spel als de kerk zou verdwijnen? Namelijk de mogelijkheid om hier in Ilpendam en Watergang, in de regio Waterland in contact te komen met God en zijn woord?

Aan wie ligt dat? Abram weet het en zegt het ook ronduit: dat ligt aan U, Here! Als U mij een zoon gegeven had, had ik hier niet zo vol twijfel en teleurstelling gezeten!
Alle bitterheid komt eruit.

(4) Nu de Here zelf aan hem verschijnt, zegt hij het tegen God. Ronduit. Nú komt hij met zijn verhaal. Nu raakt hij in gesprek met de Here. Eindelijk.
Dat was al even geleden. Wat had hem weerhouden om het gesprek met de Here te zoeken? Om de Here te zoeken in gebed? Was het twijfel of God nog wel zijn belofte zou vervullen? Was het drukte vanwege de strijd die gevoerd moest worden?
Nu komt de Here hem voor de voeten lopen. ‘Abram, vergeet je niet iets?’ De Here komt op een ongelukkig moment. Abram heeft net met een indrukwekkend gebaar afstand gedaan van de buit. Geen salaris of honorarium, want de Here zou hem zegenen.
Abram, ben je niet iets vergeten met dat grootse gebaar van je? Ik had gezegd dat
Ik je zou zegenen. Geloof je dat nog wel? Abram, nu ben Ik er. Voor jou. Je hoeft het niet meer zonder mij te doen.
Dit zijn geen loze woorden, maar woorden met kracht. Zoals de Here later zijn profeten zou sturen naar zijn volk: het woord geschiedde…Deze woorden van de Here storen Abram, onderbreken hem. God komt niet gelegen. Ondanks zijn belofte. Wat doet u hier? Waarom komt u ons hinderen?

(5) Als de Here ‘Ik’ zegt, kan Abram dat ook. Ik. Hij heeft ook wat te zeggen. Vol zelfbeklag staat hij daar. Nu U er toch bent, kijk eens hoe het mij vergaat?
Gemeente, weet u wat het mooie is? Zo werkt God. Als Abram vastzit in de teleurstelling, gevangen zit, als Abram niets meer gelooft van die belofte, want wat ziet hij ervan? – dan zegt de Here tegen Abram: Kijk eens omhoog. Kijk eens goed. Zie je die sterren? Zo groot wordt jouw nageslacht. Abram, die zorgen drukken je terneer. Je denkt teveel aan de toekomst. Je waant jezelf al haast dood. Je ziet Mij niet. Kijk dan!
Weet u, de Here Jezus sprak ook over zorgen. Weet u wie zich volgens Hem zorgen maken? Dat zijn de heidenen. Die gaan gebukt onder een last, want zij geloven ten diepste niet dat God werkt en dat zij het dus zelf moeten doen. Daardoor rennen de heidenen aan zichzelf voorbij. Ze zijn zo druk met het voor elkaar krijgen. Dat moeten jullie als Mijn volgelingen niet doen! Weet je wat je moet doen? Kijk naar de vogels en de bloemen. Zo zal de Here voor jullie zorgen.
Je kunt je zorgen maken over de kerk van 2050. Of onze kinderen en kleinkinderen nog wel naar de kerk gaan. Kunnen wij die toekomst dichterbij halen? De toekomst komt uit Mijn hand, zegt Christus. Je hoeft alleen maar te ontvangen. Kijk maar naar wat ik doe.
Met al onze activiteiten liep Abram de Here voor de voeten. Hij liep zelfs bij de Here vandaan! En wij, met onze activiteiten? Lopen wij de Here daarmee niet voor de voeten? Zijn wij niet te veel bezig met wat anderen niet doen, te weinig doen, te laks doen? Kijk om je heen om te zien, naar het werk van God in het leven van anderen, in je eigen leven…

(6) Wat zag Abram dan? De sterren. Terwijl Abram de nacht inging, de eenzaamheid, moest hij van de Here opkijken. De sterren! In het plotseling opkomende donker flonkerden miljoenen sterren. Terwijl Abram voor zijn gevoel er alleen voorstond, liet de Here zien dat Zijn werk nog doorgaat. We hebben met elkaar beleden over Christus: Zijn koninkrijk kent geen einde!
We zijn nu in aanwezigheid van de Here. Voor zijn troon, voor zijn aangezicht. In aanwezigheid van Hem die alles regeert en de engelen voor zijn troon. Staan we er alleen voor? Is het bijna afgelopen? Kijk omhoog! Naar de heerlijkheid des Heren. Als we anderen hierover vertellen, is dat niet omdat dat moet, maar omdat wij Gods heerlijkheid hebben gezien! Omdat we overweldigd zijn, dat wij voor zijn aangezicht staan. We zijn in aanwezigheid van de Here! Nu op dit moment. De hemel is open en wij mogen Hem aanschouwen! Kijk omhoog! Naar Zijn macht en heerlijkheid. We zijn in zijn aanwezigheid!
Amends. M.J. Schuurman

De tovenaar en de dominee – leeservaring 3

‘De tovenaar en de dominee’ – leeservaring 3

Vanwege dat niet kunnen beschikken over de God van Israël is Vreekamp waarschijnlijk zo in de weer met magie: macht over een ander willen hebben.
Ik vraag me af in hoeverre magie in dat opzicht wel religieus te noemen valt. Van Manfred Josuttis (Religion als Handwerk, p48-61) heb ik geleerd dat deze typering van magie een protestantse karikatuur is. Deze definiëring van magie suggereert dat men met behulp van magie over God wil beschikken, maar dat geloof (Religion) betekent dat je beseft niet over God te kunnen beschikken. ‘Die Unterscheidung zwischen Magie und Religion soll also der Selbstdefinition des religiösen Repräsentanten dienen. (…) Schon immer ist Magie eine Kampfvokabel gewesen, mit der man das Fremde Verhalten denunziert und die eigene Praxis aufgewertet hat.’ (55) Een mengeling van Selbstaufwertung en Fremdverfemdung dus. (Dat zelfde geldt voor de aanduiding van bijgeloof. Deze typering houdt een afkeuring in, die niet doorvraagt naar andere mogelijke verklaringen.)

Daarbij: wat doet Vreekamp met alle magische praktijken die er vanaf het Oude Testament tot nu toe in het Jodendom aanwezig zijn?

M.J. Schuurman

N.a.v. Henk Vreekamp, De tovenaar en de dominee. Over het verschijnen van God

‘De tovenaar en de dominee’ – leeservaring 2

‘De tovenaar en de dominee’ – leeservaring 2

Wanneer Vreekamp over de Joden schrijft, wordt de toon anders. En dit keer jammer genoeg ook de lengte. In een kort hoofdstuk laat Vreekamp enkele Joodse dominees zien, die weer teruggingen naar de synagoge. Daarmee wil hij impliciet zijn stelling verdedigen, dat de christenen eigenlijk gewoon maar heidenchristenen zijn en wellicht gewoon heidenen. Inclusief de aanmatiging die heidenen hebben. Of is Monshouwer dan toch iemand in wie het kan: de verbinding tussen heiden en christen omdat hij luisterde naar de Schrift en de Torah in het midden plaatste?
Ook de toon wordt anders. Vreekamp, de heiden-christen die ontdekt heeft dat hij vooral heiden is, heeft dat ontdekt in het gesprek. Dat gesprek werd steeds meer een luisteren.Vooral ook omdat de Joden zich niet thuisvoelden in de kerk. De kerk die Jezus acceptabel maakte en daarmee onacceptabel voor Joden. De kerk die wel het geloof wilde, maar niet de daad.
Achter de woorden van dit boek proef je een schuld, die gedragen moet worden en die Vreekamp wil en (als heiden zijns ondanks) moet dragen. Een dubbele schuld. Een schuld naar God toe, omdat de heiden de God van Israël niet wil erkennen. En dat afwijzen van deze God bleek in een vergermaniseren van Jezus en liep uit op dat drama van onze tijd: de shoah. Daarin komen de schuld naar God en naar het Joodse volk samen. Is die schuld nog te dragen? Achter de woorden van Vreekamp is de verbijstering en de schroom te voelen.

Zelf heb ik ds. Henk Vreekamp nooit horen preken. Mijn vrouw wel één keer. En ik denk dat ze de dominee goed begrepen heeft. ‘Wij hebben God niet tot onze beschikking.’ Dát is wat Vreekamp heeft geleerd. Hoe deze God, de God van Israël, en waar Hij verschijnt, verkiest te verschijnen: dat hebben wij niet in onze macht. Zijn het voetstappen, die zo uitgewist kunnen worden? Is het een theofanie? Wordt er daarom zo weinig over God (en alleen over ervaringen van God) gesproken, omdat Vreekamp niet kan aanwijzen waar Hij is en was en zal zijn?

Verschijn blinkende – staat er in het motto. Als ik Vreekamp goed beluister, is dit een uitroep die onze onmacht laat zien: Wij kunnen de HERE hiertoe niet dwingen. Dit is een gebed, een ootmoedig gebed, dat alleen maar met eerbied en ontzag gebeden kan worden. In de vreze des HEREN.

M.J. Schuurman

N.a.v.:  Henk Vreekamp, De tovenaar en de dominee. Over het verschijnen van God

De tovenaar en de dominee – leeservaring deel 1

De tovenaar en de dominee (H. Vreekamp) – leeservaring deel 1

Vol scepsis begin ik aan De tovenaar en de dominee, het nieuwe boek van Henk Vreekamp (http://www.vreekamp.nl/ ). Zijn vorige boek Zwijgen bij volle maan heb ik met ambivalentie gelezen. Onder de indruk van zijn wandelingen en zijn ontmoeting met Israël in de persoon van een Joodse vrouw. Bizar vanwege zijn aanname, dat de heiden in ons nog steeds aanwezig is en het voortdurend wint van de christen.Dat ik toch weer aan Vreekamp begin, heeft te maken met de ondertitel van het boek: Over de verschijning van God. En ook, omdat Vreekamp meldt dat zijn voorvader zelf ook tovenaar was. Zou de stelling van Vreekamp over het nog steeds aanwezige heidendom dan toch kloppen?

Waarom heb ik zo’n scepsis ten opzichte van wat Vreekamp beweert? Ik ben erachter gekomen dat ik moeite heb met metahistorie. Metahistorie wil zeggen: in de geschiedenis wordt een bepaald patroon ontwaard, dat heel ver teruggaat. Metahistorie benadert de geschiedenis vanuit archetypen. Vreekamp sprak in zijn vorige boek vooral over de heiden en de Jood. De derde gestalte kwam er bekaaid vanaf: de christen. Vreekamp zag zichzelf meer als heiden. Mijn ervaring is dat metahistorie botst met een historische kijk. Kijk maar naar de reactie van de historicus Fred van Lieburg, die (ook) grote moeite had met de lijnen die Vreekamp in Zwijgen bij volle maan trok (http://www.kerknieuws.nl/nieuws.asp?1=1&oId=8435). Vanuit mijn eigen ervaring (biografisch en vanuit het pastoraat) herken ik de kritiek van Van Lieburg. Dit zijn wellicht pietluttigheden:


* Zelf kom ik uit een familie, waarvan men nauwelijks meer dan twee generaties op dezelfde plaats woont. Vanuit het pastoraat herken ik ook de verhalen over verhuizen. Bijna alle gemeenteleden komen van elders. Zelfs de boeren hier zijn meerdere keren verhuisd. Zou dat op de Veluwe anders zijn? Een positief antwoord is voor Vreekamps verhaal noodzakelijk. 
* Het zou best kunnen kloppen dat op de Veluwe geslachten langer op dezelfde plaats wonen. De Veluwe is echter geen toonbeeld van rust geweest. Vanaf de Hoekse en Kabeljauwse twisten is de Veluwe door verschillende legers aangedaan. Denk aan de tocht van de Spanjaarden in 1572-1574. Denk aan het Rampjaar 1672, toen een deel van de bevolking vluchtte voor de Fransen. Los van de vluchtelingenstromen zal ook de Veluwe te maken hebben gehad met wisseling in bevolking ivm werkgelegenheid (of juist het gebrek ervan).
* De Reformatie kwam laat op de Veluwe, schrijft Vreekamp: in 1594. Niet veel later dan in Veenendaal (1590). Deventer is er vroeg bij (vanaf 1566). Rijssen (1598) en Ommen (1603) zijn later. In het gewest Holland is met er veel eerder bij. Veel plaatsen vanaf 1583. Zou de komst van de Reformatie te maken kunnen met het terugdringen van de invloed van de Spanjaarden? Ook in de Bommelerwaard en Land van Heusden en Altena is dat zo (vanaf 1600-1610).
Aanvechtbaar wordt het als Vreekamp schrijft: ‘In welke wereld zijn we terechtgekomen? In een heel oude wereld. Hoever in de geschiedenis moeten we terug?’
Met een metahistorische blik hoeft hier geen verdere uitleg gegeven worden; deze geschiedenis gaat terug tot de prehistorie. Toch zou ik eerst de vraag beantwoord willen hebben: klopt deze stelling wel?
Mijn kritische vraag wordt versterkt door het verhaal over de overgrootvader die tovenaar zou zijn. Vreekamp kan hier geen bewijzen voor aanvoeren. Ja, het wordt gezegd. De volksmond. De volksverhalen. Maar hoe betrouwbaar zijn die?
Vreekamp haalt Mircea Eliade aan, die in de boerenbevolking van zijn tijd de band met het verre verleden veronderstelde. Dat herkende Vreekamp bij de mensen in zijn omgeving: weliswaar christendom, maar ahistorisch en kosmisch. (Wat voor een kijk had Mircea Eliade op deze boeren? Zit er niet een overblijfsel van een evolutionistische en/of archetypische godsdienstwetenschappelijke benadering? M.a.w.: hoe betrouwbaar is deze aanname van Eliade?)
Wat hier ook nog een rol speelt is Vreekamps visie op magie en toverkunst. Dat heeft niets met God te maken. Magie is een vorm van macht willen hebben. Een tovenaar was iemand die meer kan dan anderen. In de trant van bepaalde dingen sneller doen. Ronduit tragisch is het te vernemen dat deze overgrootvader als tovenaar wordt gezien als zijn vrouw overlijdt. Tragisch hoe zo’n man boven het leed dat hij al heeft in het verliezen van zijn vrouw ook nog eens door de eigen gemeenschap wordt buitengesloten. Is het een wonder als deze man zich verzet tegen de benoeming van zijn zoon als ouderling binnen diezelfde gemeenschap? Er is een belangrijke reden om deze man niet als tovenaar te beschouwen. De doop. Deze man is zelf gedoopt en laat zijn kind dopen. Wat betekent het om gedoopt te zijn in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest? De doop speelt nauwelijks een rol. Ja, in het kader van het verbond en het je houden aan bepaalde regels: ‘Jongedochters zouden niet zo gauw trouwen als ze beseften wat de doop inhield.’ Als men op de Veluwe besefte wat de doop inhield, had men minder last van tovenaars en heksen. 
 
 

 

Wat me nog het meest verbaast is de ondertitel: De verschijning van God. In het boek gaat het vooral over ervaringen. Is het spoor van God dan alleen in ervaringen te kennen? Vreekamp spreekt plastisch over de voetstappen van God, die zomaar weer door de zandstormen weggevaagd kunnen worden. Moeten we bij de kerstening van Nederland denken aan een vluchtige theofanie van God? Is de betekenis van de doop zo mager dat ze slechts het verbond sticht?

Tussen deze dingen vond ik de biografische gegevens wel mooi. Maar kun je dat zomaar doen wat Vreekamp ook deed in Zwijgen bij volle maan, namelijk je eigen ervaringen en biografie projecteren op de hele historische ontwikkeling? Een metahistoricus kan dat blijkbaar wel…

Eigenlijk vind ik dit heel jammer. Want het gesprek met Israël is heel wezenlijk (wat Vreekamp in Zwijgen bij volle maan op een manier doet die tot nadenken stemt). Ik kom dat tot nu toe alleen op metahistorische manier tegen. Dan denk ik: laat maar.

M.J. Schuurman
 

 

Moralisme in de prediking

Moralisme in de prediking

Uit een onderzoek naar politieke preken (Christiane Burbach) kwam naar voren dat het ‘heden’ vaak ontbreekt.  De politieke preken gingen bovendien niet in op het alledaagse (de microcontext) maar richtten zich vaak op de structuren in de samenleving (de macrocontext). Deze macrocontext werd onder kritiek gesteld.
De gemeente, die zich bevond in deze context werd ook op een kritische manier behandeld. Tegelijkertijd bood de prediker zichzelf aan als identificatiefiguur om te laten zien, hoe een gelovige zich in deze cultuur anders diende op te stellen.
Ook al zullen predikanten in de gereformeerde gezindte hun preken niet typeren als politiek, hun preken zijn vaak wel maatschappijkritisch en laten vaak ook een bepaalde mening zien over politieke ontwikkelingen. Een gewone gelovige heeft echter weinig invloed op deze ontwikkelingen. In preken komt dat tot uitdrukking door passiefmakend taalgebruik: uitroepen of klachten.
Geen wonder dat deze preken geregeld zonder effect zijn: er wordt iets van gemeenteleden gevraagd, wat boven hun macht gaat. In deze preken gaat het dan ook niet alleen om het maken van een andere keuze, maar ook om het benadrukken van de antithese: het gemeentelid dient anders te zijn dan de wereld.
Het is goed bij een preek, waarin gewaarschuwd wordt tegen wereldgelijkvormigheid, de resultaten van dit onderzoek mbt politieke preken niet te vergeten. Het gevaar van deze vorm van prediking is dat een predikant zichzelf niet als eerste hoorder beschouwd, maar deze stap overslaat en de tekst beluistert op wat de gemeente in zijn ogen nodig heeft. Het effect is, dat gemeenteleden ook niet voor zichzelf zullen luisteren.

Tijdens een preekvoorbereiding met gemeenteleden over Genesis 13 wisten sommige gemeenteleden al bij voorbaat wat de boodschap van dit bijbelgedeelte was: de gemeente moest gewaarschuwd worden om niet voor de wereld te kiezen. Daarop vroeg ik: ‘Waarom is dat belangrijk?’ ‘De gemeente moet zich dat goed realiseren.’ Mijn antwoord was: ‘Dat ga ik niet doen, want dan zegt iedereen: “Dat is weer eens goed gezegd!” Iedereen heeft dan voor een ander geluisterd. Ik wil dat u en dat iedereen voor zichzelf luistert en niet voor een ander.’
Iemand die voor een ander luistert, vindt dat hij het beter doet in het geloof dan die ander. Is dat niet wat de Heidelbergse Catechismus bedoelde met het antwoord 5? Predikanten hebben nogal eens de neiging om als het om ethiek in de verkondiging gaat de neiging om het tegenover van de gemeente te zijn. De zonde moet ontmaskerd worden. Luisteren zij op die manier niet voor anderen en houden zij zichzelf niet buiten schot? Ook voor een predikant geldt dat hij van nature geneigd is om God en Zijn gemeente te haten. De zonde ‘houdt zich namelijk schuil waar we het allerminst zouden verwachten: in het goede dat wij doen!’ Wie dit vergeet, gaat uit van zijn eigen norm en rekent de gemeente af op de norm die hij aan de gemeente stelt. Omdat de gemeente niet aan deze normen voldoet of zal voldoen, kan de preek doortrokken zijn van sarcasme en ironie. Ironie en sarcasme staan voor een gebrek aan authenticiteit. Het effect is dat deze prediking mensen terneer drukt. Omdat de prediker over het hoofd ziet, dat hij net als zijn gemeenteleden een homo incurvatus in se is, legt hij de last bij de gemeenteleden neer.

In een bevindelijke preek kom ik de volgende passage tegen: ‘En toch… binnen één generatie treedt het verval in. Is het niet om te schrikken? Zó snel kan het dus gaan bij mensen die leven in dienst van de Heere. De ouders kennen de werken van God nog. Maar de kinderen en kleinkinderen wijken af van de Heere en Zijn dienst.’
Tot hier toe kan ik de preek nog volgen. In de zin, die erop volgt, gaat naar mij een theologische wissel om: ‘We mogen er wel van schrikken, en onderzoeken of hoe dat bij ons is.’ Hier wordt een theologische fout gemaakt, die de predikant in zijn dogmatiek zal bestrijden.
Hier wordt namelijk gesuggereerd, dat het in menselijke macht ligt om het geloof te bewerken. Is dit niet het (semi)pelagianisme waar men in de gereformeerde gezindte zovoor waarschuwt? Hier wordt het evangelie verandert in een wet (W. Engemann). Het werk van God, namelijk het geloof schenken aan een mensenkind, wordt geprojecteerd op de mens. De gemeentelid wordt op de stoel van God geplaatst.
Geen wonder dat predikanten zich afvragen of preken effect hebben? Hoe kan hij van gemeenteleden verlangen dat zij Gods werk doen? De verandering van evangelie in een wet is ten diepste onpastoraal. Deze preken leiden niet tot geloof, maar vormen zelfs een blokkade voor de gemeenschap met God. Was het niet veel pastoraler geweest als de predikant zijn toehoorders had erop gewezen, dat aan het geloof de verkiezing van God ten grondslag ligt en zo zijn luisteraars had aangemoedigd om het heil van hun kinderen van God te verwachten? D
aarom moet de kritiek, die Berkhof had op de prediking in de kring van de Gereformeerde Bond, namelijk dat de mens eerst door de wet verbrijzeld wordt om dan pas op de belofte van Christus te mogen zien, niet voor achterhaald worden verklaard. Binnen de gereformeerde gezindte moeten we ons afvragen of onze reformatorische dogmatiek wel doorwerkt in de prediking.
Met name het kerugmatische karakter van de verkondiging is te weinig doordacht. Anders kan ik niet verklaren, waarom de preken in de gereformeerde gezindte zo vatbaar voor moralisme. Moralisme duikt op, wanneer de prediker niet weet hoe God in het heden handelt en deze aanvechting negeert óf als de predikant te duidelijk weet aan te geven waar en hoe God handelt.

ds. M.J. Schuurman

P.s. in bevindelijke kring hebben moralistische preken een (andere) naam: Wettische of wetticistische prediking.

Preek over Genesis 13

Preek over Genesis 13
Preek 4 in de serie over de Abrahamsverhalen

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1) Introductie
Laat mij niet mijn lot beslissen,
zo ik mocht, ik durfde niet

Beseft u wat we gezongen hebben? We hebben de regie van ons leven uit handen gegeven. Liever dat de Here ons leven leidt, liever dat Hij ons leidt op wegen die voor ons onbegrijpelijk zijn, dan dat wij zelf onze wegen kiezen. Voelt u aan wat wij daarmee zeggen? We doen afstand van de troon. In ons leven zijn er geen twee kapiteins op een schip.

Laat mij niet mijn lot beslissen,
zo ik mocht…

Wat een woorden! Woorden die we vol overgave, vol geloof kunnen zingen. Zou u deze woorden voor uw rekening kunnen nemen? Of zijn de woorden die volgen meer uw woorden?

Ach, hoe zou ik mij vergissen,
als Gij mij de keuze liet
.

Wat een zelfkennis. Er is moed voor nodig om dat te erkennen. Moed om dat onder ogen te zien: de wegen die wij kozen, zijn wegen waarin wij ons kunnen vergissen. Er is moed voor nodig om dat aan de Here te belijden: ‘Here, de wegen die gingen, waren onze eigen wegen en niet de wegen die u voor ons bestemd had.’ Vaak worden we door schade en schande wijs. Net als Abram.

(2) Heeft Abram iets geleerd?
Daar staat Abram. Hij is door de soldaten van de farao de grens overgezet en die soldaten wachten net zo lang tot ze er zeker van zijn dat Abram de weg naar Kanaän kiest en niet de weg terug naar Egypte.
Wat zou Abram hebben geleerd van wat er in Egypte gebeurde? Zou hij iets hebben geleerd?

Ach, hoe zou ik mij vergissen,
als Gij mij de keuze liet
.

Zou hij wat hebben geleerd? Over de Here? Over zijn eigen leven? Of zal hij de spottende, cynische, trotse woorden van de schrijver Nescio beamen: Niets heb ik, goddank niets, geleerd van het leven.
De dichter Jan Willem Schulte Nordholt bleef haken bij deze regel. Als dat zo is, dat je niets leert in dit leven, dat klinkt te mooi om waar te zijn. Hunkerend naar wat leren onderweg schreef hij:

Sommigen worden wijzer met de dag.
Verlangend om het leven af te leren
strijken zij voor zijn overmacht de vlag,
berustend sprekend over de wil des Heren.

Hij ziet het voor zich hoe deze mensen een zorgeloze avond hebben. Hij voelt de pijn als hij hierover nadenkt: dit geloof is voor hem te hoog gegrepen.

Elke keer als ik mij verdiep in de verhalen rondom Abram ervaar ik dat hij op een tweesprong staat. Voortdurend staat Abram op een tweesprong. Hier: heeft hij iets geleerd van het leven of niet? Is het: leer mij volgen zonder vragen of: niets heb ik, goddank niets, geleerd van het leven? Op deze tweesprong net over de grens van Egypte is déze keuze van belang. Daarom moeten we ook niet te snel vooruitgrijpen op die andere tweesprong: de keuze van Abram en Lot. Eerst: heeft Abram iets geleerd onderweg?

(3) Reisverslag
Om erachter te komen of Abram iets heeft geleerd onderweg, dienen we het begin van het hoofdstuk te lezen. Want daar kunnen we het uit opmaken. Wellicht zou u er over heen lezen, over dat verslag van de reis. Uit dat reisverslag kunnen we wel opmaken dat Abram iets geleerd heeft, maar nog niet alles. Pas als hij met Lot op de berg staat, heeft hij het begrepen. Nu nog niet helemaal; al heeft hij wel een bepaald vermoeden. De tocht die Abram gaat, die beschreven wordt in het reisverslag, laat hem langzaam de ogen opengaan. Zijn ogen gaan open voor hoe het er met hem voorstaat, met zijn geloof, zijn band met de Here.
Herkenbaar is het leven van Abram, vindt u niet? Gaat het in ons leven ook niet zo, dat we op het spoor van God zijn, een vermoeden van God hebben? Dat door het spoor terug onze ogen werkelijk opengaan voor wat de Here ons duidelijk wil maken?
Want dat doet Abram: hij volgt het spoor terug. Dat wordt er beschreven in het reisverslag: Abram gaat terug. Hij neemt exact dezelfde weg als hij heen naar Egypte is gegaan. Exact dezelfde weg terug. Als iemand die onderweg iets belangrijks is kwijtgeraakt, een sleutelbos of een portemonnee. Speurend de weg terug om het verlorene te vinden. Zo gaat Abram de weg terug om te zien waar hij God is kwijtgeraakt.
Abram blijft niet mokkend aan de grens zitten. Hij verzet zich niet tegen de manier waarop het leven met hem omgaat, waarop God hem behandeld. Hij blijft ook niet aan de grens zitten wachten op een bijzonder teken van God, een stem, een boodschap, een signaal. Hij gaat exatc dezelfde weg terug. En zo komt hij weer bij de Here uit.

(4) Thuis bij God
Lees maar: als Abram daar aankomt in de buurt van Bethel en Ai, staat er een altaar. Hij is er eerder geweest. Een altaar: tastbare herinnering aan een leven met de Here. Een leven in nauwe verbondenheid met God. Zoals dat bij ons ook kan zijn in een belijdenisdienst of een dienst waarin je je kind liet dopen. Wanneer we in ons leven God zijn kwijtgeraakt, gaan we ook wel eens naar zo’n bijzonder moment terug, waarop God tastbaar aanwezig was. Een moment waarop de Here nabij was.
Daar, bij dat altaar, de tastbare herinnering aan de Here, slaat Abram zijn tenten op. Moe van de reis. Moe van het zwerven. Want uiteindelijk kost de weg bij God vandaan veel, zeker om de weg weer terug te vinden. Eindelijk tuis. Thuis bij God. Hij zal mij geleiden naar grazige weiden, Hij voert mij al zachtkens aan waat’ren der rust. Daar op die plaats welt de dankbaarheid in hem op: ‘Here, ik was U kwijt. Ik verkoos het duister meer dan het licht door U geschapen. Wij dwaalden weg van onze Heer als redeloze schapen. Maar Here, nu heb ik U weer gevonden.’ Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U, o Heer.
Terug in het beloofde land! Terug in Gods aanwezigheid. Daar, in Gods aanwezigheid, is het goed. Daar geeft de Here zijn zegen. De kudden van Abram gedijen goed. Er worden lammeren en kalveren geboren. Er worden knechten in dienst genomen om het werk aan te kunnen. Abram zal bij het groter worden van zijn bedrijf hebben teruggedacht aan de belofte van de Here. De Here vervult nu zijn belofte. Hij heeft land. Zijn naam en faam groeit. De Here zou hem zegenen. Hier vervult de Here zijn beloften!

Totdat…

(5) Nieuwe levensles
Totdat het tot Abram doordringt. Niet dit is het leven dat de Here beloofd heeft. Dit is niet de zegen die de Here hem wilde geven. Dit is het leven dat hij zelf heeft opgebouwd. Zie, het beloofde land dat ík heb gebouwd. Zo succesvol. Dat moest wel van God komen.
Maar juist zijn bezit laat hem merken dat hij er nog niet is. Dat de Here hem niet hier wilde brengen. Abram en Lot worden zo rijk, dat ze elkaars concurrenten worden. Als de spanningen onder de herders toenemen en de conflicten aan Abram en Lot worden meegedeeld, gaan bij Abram de ogen open: Lot kan hier niet blijven! Had hij gedacht dat Lot de erfgenaam zou zijn?
Moet ik aan mijzelf denken, aan de belofte die de Here mij – Abram – gegeven heeft? Moet ik zorgen dat ik zelf de belofte vervul? Is het land van mij alleen? Lot was onder mijn hoede. Waarom heb ik hem uit Haran meegenomen? Had ik hem niet in Haran achter moeten laten? Ik moest mijn maagschap, mijn naaste verwanten verlaten. Vertrouwde ik er niet op dat de Here voor Lot zou zorgen? Bedoelde de Here te zeggen: wat er met Lot gebeurt, gaat Mij aan en niet jou, Abram? Wat er gebeurt: Abram zegt: Ik heb geleerd van het leven, goddank. Schijnen mij uw wegen duister. Een weg die ik moest gaan. Wat leren onderweg: niet de rust die ík kies, niet mijn geborgenheid, niet waar ik mij goed bij voel. De Here zal voorzien. Als de Here iets beloofd heeft, komt Hij zijn belofte na.

(6) Lot heeft niet geleerd
Abram heeft geleerd. Lot niet. Was Lot naïef? Ging de levensweg van Abram aan hem voorbij? Abrams ogen waren opengegaan. Voor Gods trouw, voor Gods weg. Lots ogen waren ook opengegaan. Alleen ziet hij iets anders: een prachtige oase, een paradijs op aarde. Zo mooi als Egypte, waar zij net vandaan kwamen, de zwarte bladzijde in het leven van Abram, waar Abram tot zijn schade en schande zijn levensles leerde. De ellende van Abram heeft Lot niet gezien. Lot had geen oog voor de schaduwkanten van Egypte; alleen de schoonheid van Egypte zag hij, de weelde. Dat was pas een land! Lots ogen gaan open: voor wat er in de wereld te koop is.
Dat onze ogen opengaan is niet alleen positief. In het paradijs gingen onze ogen ook open. Voordat er van de vrucht gegeten werd! De boom was goed om van te eten, een lust voor het oog, begeerlijk om er verstandig van te worden. (Genesis 3:6) Als een begeerlijke vrucht, rijp om te plukken ligt de oase voor de ogen van Lot. Zijn ogen gaan open voor de schoonheid. Omdat hij niets geleerd heeft van het leven. Of wilde leren. Daarom maakt hij een keuze met ingrijpende gevolgen.
Een begrijpelijke keuze: een leven vrij van zorgen, een goed leven. Het beste dat je aan je kinderen kunt geven. Je moet het beste uit het leven grijpen. Zo’n kans komt maar één keer in je leven voorbij. Dan ga je er toch voor?
Schijnen mij uw wegen duister. Zal Lot, als hij daar in Sodom zit, zich niet afvragen waarom de Here hem hier in Sodom bracht? Wat zijn doel was met Lot in Sodom? Waarom wilde God mij hier hebben?

(7) Opnieuw de belofte
Zover is het nog niet. Abram mag Lot laten gaan. Wat er met Lot zal gebeuren, dat is van later zorg. Of beter: zorg van de Here.
Als Lot gaat, gaat Abram ook zijnsweegs. En dan, pas dan, begrijpt Abram waar het naar toe moest in zijn leven. Als de Here met hem spreekt. Na al die omzwervingen, is daar de Here. Eindelijk. Maar Hij is er. Echt. Dan begrijpt Abram: Lot moest weg. Niet dat Lot aan zijn lot wordt overgelaten. Alleen: in het grote plan van de Here met Abram komt Lot niet voor. Pas als Lot is gegaan, komt er ruimte voor de Here. Zo kan het ook in ons leven gaan.
De scheiding tussen Abram en Lot was tragisch, tegen Gods wil. En toch, de Here kan ook wat tegen zijn wil ingaat, uiteindelijk tot een goed einde brengen. Eenmaal zie ik al uw luister.
Abram had een weg nodig. Dat moeten wij ook bedenken. Als de Here ons iets wil leren, gaat Hij met ons een weg. Die weg is geen Route du Soleil, een snelweg op weg naar onze vakantiebestemming. Maar de Here wil ons wat leren onderweg. Op reis naar het hemels Jeruzalem, naar de eeuwigheid, dienen we van dag tot dag te leven om te zien of we niets van God missen. Betekent soms ook dat we moeten omkeren, soms een lange weg terug totdat we de Here weer vinden.
Een weg waarvoor de Here onze ogen wil openen voor zijn zorg. Zelfs in de meest moeitevolle omstandigheden en ook in spanningen in de familie, het uit elkaar gaan, een weg door de diepte heen, kan Hij onze ogen openen. Ook Lots ogen gingen open. Hij zag zijn eigen toekomst voor zich. Niets geleerd van het leven. Net als Abram voorheen.
Laat mij niet mijn lot beslissen. Kunnen wij zo in het leven staan? Ach, hoe zou ik mij vergissen als Gij mij de keuze liet.
Maar er moet toch gekozen worden in ons leven? Voor een man of vrouw,voor een baan, een carrière? Dat klopt. Gods handelen kan ook door ons handelen heen gebeuren. Zelfs wanneer wij kiezen voor de uiterlijke schoonheid van Sodom, zelfs als wij kiezen voor de macht van Babel, die bedoeld is voor onze eigen eer en glorie. Een leven waarin wij ons laten leiden door de Here is bovendien geen gemakkelijk leven. Vaak denken we dat we er al zijn. En slaan we als Terach (die halverwege op weg naar Kanaän in Haran bleef steken) onze tenten vroegtijdig op. Of zwerven we als Abram rond op zoek naar onszelf een plaats te geven, de beloften die wij hebben ontvangen zelf tot vervulling te laten komen. Zelfs door die wegen heen, wegen die wij kiezen omdat die naar ons gevoel ons tot zegen zullen zijn, zelfs daardoorheen kan God zijn wil ten uitvoer brengen.
Dat God met ons een weg gaat, betekent dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God die er is in Christus Jezus. Niets. Zelfs niet ons dwalen. Zelfs niet ons ongeloof. Dwars daardoor heen kan God zijn wil ten uitvoer brengen: ons tot Hem leiden, op zijn weg brengen. Zalig hij, die durft geloven, ook wanneer het oog niet ziet.
Amen

ds. M.J. Schuurman
WAT LEREN ONDERWEG

Sommigen worden wijzer met de dag.
Verlangend om het leven af te leren
strijken zij voor zijn overmacht de vlag,
berustend sprekend over de wil des Heren.

Hun avond is een landschap wit en mild
met lange schaduwen tot aan de kusten,
hun liefde zo gelenigd en verstild
dat er niets rest dan bij elkaar te rusten

zoals bij God. Zo zou ik willen zijn
en niet als Nescio die heeft geschreven:
Niets heb ik, goddank niets, geleerd van ’t leven.
Dat is wel prachtig maar het doet zo’n pijn.

Trots doet zo’n pijn, wie kan er zo bestaan?
Wij zijn maar mensen die ten onder gaan.

                        Jan Willem Schulte Nordholt