In gesprek over de prediking – deel 2

In gesprek over de prediking – deel 2

1) Welke boodschap hebt u  meegekregen in deze preek? Veranderde die boodschap door het lezen van de preek?

2) Wat hebt u beleefd tijdens de preek? Wat raakte u?

3) Wat hebt u geleerd tijdens de preek?

4) Wat zegt de preek over u (of uw dagelijks leven)?

5) Wat kan deze preek bijdragen aan uw relatie met God?

6) Wat wilde deze preek bij u (en de gemeente) bereiken?

7) Wat in de preek heeft u aan het denken gezet?

8) Wat riep herkenning op? En riep vervreemding op?

Voor wie meer wil lezen over de preek:

Areopagus-magazine (aanmelding via www.izb.nl)

In gesprek over de preek. Een handreiking voor het gesprek over de preek in de gemeente en in de kerkenraad. http://www.pkn.nl/5/site/uploadedDocs/Ingesprekoverdepreek.pdf

Henk van der Meulen (red.), Als een leerling preken. Preekvoorbereiding stapsgewijs (Zoetermeer: Boekencentrum, 2008).

Advertenties

In gesprek over de prediking – deel 1

In gesprek over de prediking – deel 1

Wat is een preek?

a) Probeer voor uzelf onder woorden te brengen wat de preek betekent. b) Waar baseert u dat op?

a) Wat moet de preek volgens u bevatten? b) Waar baseert u dat op?

Kunt u een voorbeeld geven van een preek die belangrijk voor u was?

Voorafgaande aan de kerkdienst

Met welke verwachting komt u naar een kerkdienst? Hoe komt u aan die verwachting?

Hoe bereidt u zich voor op de kerkdienst?

De kerkdienst als zodanig

Hoe belangrijk is voor u de preek?

Welke andere onderdelen van de kerkdienst zijn voor u belangrijk?

Op welke manier ervaart u Gods aanwezigheid tijdens de kerkdienst?

Tijdens welke onderdelen ervaart u Zijn aanwezigheid het sterkst?

Wat zijn belemmeringen om Zijn aanwezigheid op te merken?

Na afloop

Wat doet u na afloop met de preek?

Welke invloed heeft de preek op uw leven/geloofsleven in de week die op de zondag volgt?

Wat doet u met het bijbelgedeelte waar de preek over ging?

Preek over Genesis 14:1

Preek over Genesis 14
(tevens bevestiging ambtsdragers)

Het gebeurde in de dagen van Amrafel, koning van Sinear… (vers 1)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1) Introductie: geen gemakkelijk hoofdstuk
Wat is dit voor een hoofdstuk? Dit is één van die hoofdstukken uit de Bijbel, waar wij niet zoveel mee kunnen.
Ik weet niet op welk moment van de dag u voor uzelf leest uit de Bijbel.
Wellicht leest u ’s morgens met als doel om aanwijzingen van de Here te ontvangen voor deze dag, of kracht te putten voor de komende dag. Ik vrees dat we dan niet veel met dit hoofdstuk kunnen.
Wellicht leest u ’s avonds uit de Bijbel. Om de dag nog eens te overdenken. Om al wat er gebeurd is de revue te laten passeren. Om de Here te danken voor de zegeningen die Hij deze dag gegeven heeft. Om het verkeerde van deze dag te belijden. Na een dag bezig zijn zal dit hoofdstuk langs ons heengegaan zijn. Wat er staat, dringt niet meer tot ons door en bereikt ons hart niet. Terwijl we de Bijbel dichtslaan, weten we nauwelijks nog wat we gelezen hebben gelezen.
En als er in deze dienst ook ambtsdragers bevestigd worden: welke boodschap, welke bemoediging of les kunnen we aan hen meegeven voor hun werkzaamheden in de gemeente?
(2) De Bijbel als hemels brood
Dat dit niet gemakkelijk gaat, heeft ook te maken met de Bijbel zelf. De Schrift, het Woord van God is voedsel voor onze ziel. Vaak gebruiken we de Bijbel vooral als tussendoortje. Net zoals we om 4 uur ook een cup-a-soup nemen. Een opkikker en dan kunnen we er weer tegen aan. Zo lezen we vaak in de Bijbel om ons geloof een opzwieper te geven. Ons lichaam kan echter niet alleen op tussendoortjes functioneren. Zo kan ook ons geloof niet alleen op opzwiepers functioneren. Als we de Bijbel lezen, gaat het erom dat we wat de Bijbel zegt goed tot ons moeten laten doordringen. Kauwen en herkauwen. Alleen op deze manier kan de Bijbel ons voeden en sterken in het geloof.
Wie wil groeien in geloof, kan zich niet beperken tot de makkelijkere gedeelten. Vooral de verhalen die we voor ons eerste gevoel van ons afglijden, zijn stevige kost waar we tijden op kunnen teren.
Dit verhaal over al die koningen maakt het ons niet gemakkelijk. Soms kunnen we voedsel laten liggen, omdat we niet weten, hoe we dat moeten eten. Ook al is het nog zo gezond. Wat de boer niet kent… Hoe kunnen we van dit stevige brood een plak afsnijden, zodat we onze ziel hiermee kunnen voeden?
Om in het beeld te blijven – ik zet het mes in vers 1: Het gebeurde in de dagen van Amrafel, koning van Sinear… Dan worden er nog heel wat koningen genoemd. Om die Amrafel gaat het. Of beter gezegd: om het gebied war hij koning over is: Sinear. Kedorlaomer blijkt de hoofdpersoon te zijn, maar aan Amrafel kunnen we zien uit welk hout al deze koningen zijn gesneden. Met welk slag we te maken hebben.

(3) Sinear = Babel
Dat koninkrijk Sinear gaat terug op Nimrod. Hebt u wel eens van Nimrod gehoord?
In die tijd was er een spreekwoord over deze man. Als de mensen onder de indruk waren van wat iemand had gepresteerd, bewonderend opkeken naar wat iemand had bereikt zeiden ze: ‘Een echte Nimrod!’ Een geweldig jager voor het aangezicht van de Here. Dat klinkt toch vroom? Om in de prestaties die iemand bereikt heeft de hand van de Here te zien?
De Bijbel kent de keerzijde van deze man. De Bijbel onthult wie deze man werkelijk is: de eerste machthebber op aarde.
Je zou zo maar te boek staan. Als de eerste despoot. Als degene die de dictatuur heeft uitgevonden. Als degene ontdekt heeft wat men met macht kan doen: heersen over de ander. Een rijk dat draait op eigenbelang. Waar je eigen ik het middelpunt is. Macht om de hele wereld om je eigen ik te laten draaien.
Als we de Bijbel vluchtig zouden lezen, zouden we onder de indruk zijn van Nimrod. Zouden we denken: ‘Zo wil ik ook zijn! Zo gezegend door de Here!’ Wie de Bijbel al kauwend en herkauwend leest, denkt nog eens na over het feit dat Nimrod een jager genoemd wordt.
Waar komt de jager nog meer voor in de Bijbel?
In de psalmen:
8 hij ligt in hinderlaag bij de gehuchten,
in het verborgene doodt hij de onschuldige.
Zijn ogen bespieden de zwakke,
9 hij loert in het verborgene als een leeuw in de struiken;
hij loert om de ellendige te vangen,
hij vangt de ellendige, hem trekkend in zijn net.
10 Hij bukt, duikt ineen,
en de zwakken vallen in zijn sterke klauwen.
(Psalm 10)

In deze psalm komt de ware aard van de jager naar boven:
11 Hij zegt in zijn hart: God vergeet het,
Hij verbergt zijn aangezicht, Hij ziet het in eeuwigheid niet.

Het gebeurde in de tijd van de jager, in de tijd waarin de machthebbers zeiden: ‘God? Die knijpt een oogje toe! Hij ziet het toch niet, dus kunnen wij onze gang gaan.’ Het gebeurde in de tijd, waarin men zei: op God hoef je niet te rekenen! Hij speelt verstoppertje! Hij ziet het niet!
Dat was voor de Israëliet de diepste aanvechting: dat je gaat geloven, wat die spotters over de Here zeiden. Dat je gaat geloven dat de Here het niet ziet. Dat Hij niet komt als je Hem nodig hebt. Dat de Here onverschillig blijft bij al het leed dat je treft.
1 Waarom, HERE, staat Gij van verre,
verbergt Gij U in tijden van nood?
12 Sta op, HERE! o God, hef uw hand op,
vergeet de ellendigen niet.
13 Waarom smaadt de goddeloze God,
spreekt hij in zijn hart: Gij vraagt geen rekenschap.

Alsof onrecht, dat mij treft, aan U voorbij gaat? Alsof U er niets aan doet! In de dagen van Amrafel: een wereld waarin geen plaats is voor God. In heel de wereld geldt de wet van Sinear. Vanuit alle windstreken komt deze machtswellust.
In de dagen van Amrafel, waarin geen plaats voor God lijkt te zijn. Dat is alleen maar lastig, want God en streven naar eigenbelang gaat niet samen. Wanneer enkele steden in opstand komen, omdat ze vinden dat ze genoeg geknecht zijn, wordt deze opstand genadeloos neergeslagen. Alsof men met bulldozers en sloopwerktuigen komt. Onderweg verpletterd men nog enkele volkeren, die men op de weg tegenkomt. Niets kan deze machtswellust indammen. Zelfs de Here niet, lijkt het. In dat geweld wordt ook Lot meegenomen.

(4) God
Abram is een Hebreeër. ‘Vreemdeling’ betekent dat. Abram is vreemdeling. Niet alleen omdat zijn wortels elders liggen, maar ook omdat zijn hart een andere schat heeft. Kwam Abram niet uit Sinear? Hadden die koningen daarom Abram gespaard, omdat ze dachten dat hij hun bondgenoot, hun broeder was, één van hun?
Abram is vreemdeling omdat hij het jagen heeft afgeleerd.Het jagen naar eigen eer en glorie, naar succes.  Hij leeft niet meer voor zichzelf alleen. Hij is broeder van Lot, niet van de geweldenaars. Met een handjevol verslaat hij de vijand. Een gideonsbende: 318 man.
Hierin kunnen we zien hoe God werkt. Voor de koningen telt een enkeling niet. Alleen legers en massa’s slaven zijn interessant. Temidden die machtige legers zet God de wereld op z’n kop. Een enkeling is voor de Here genoeg om in te grijpen. Maar de Here kiest daarvoor niet de macht, waarmee die koningen kwamen. Als ik zwak ben, dan ben ik machtig door Hem die mij kracht geeft.
Temidden van die macht en al dat geweld laat de Here zien dat het ook anders kan. De spotter zegt: de Here verbergt zich. De gelovige zegt: de Here handelt anders. Niet door middel van macht of geweld, maar juist via de zwakke, de enkeling. Hij gebruikt mensen die voor deze wereld niet tellen, omdat ze niet meer mee kunnen jagen naar eigen eer en roem.

De gemeente bestaat uit mensen die uit die wereld zijn gered. Uit de wereld van Nimrod en Sinear, de wereld van het eigenbelang.
Paulus wist wat jagen was. Hij joeg op de christenen. Iedereen om hem prees hem om zijn jagen voor God en zelf dacht hij ook dat hij Gods wil ten uitvoer bracht. Toen kwam Christus in zijn leven: niet meer een leven waarin hij anderen de dood injoeg. De dood heerst niet meer in mij.
Abram is een vreemdeling, omdat hij net als Paulus is geroepen. Net als wij. Paulus zegt tegen de gemeente: u bent anders (Romeinen 8). Klopt dat? Of geldt voor ons wat Paulus de gemeente van Rome ook voorhoudt: stel u w leven niet in dienst van de ongerechtigheid en de zonde. Een ander leven. Vandaag de dag wordt er nagedacht over hoe christenen in onze samenleving anders kunnen zijn: een contrastgemeenschap. Dan geldt dat op dit punt: dat wij gered zijn van Babel.
Het gaat niet om indrukwekkende daden, maar om een houding. De ander is er niet meer om mij te dienen. Ik dien de ander, omdat Christus gekomen is om te dienen.Uit de nacht zijn wij ontkomen – uit de nacht van Babel.

(5) Brood en wijn
Niet alleen door de overwinning van die vreemdeling,van Abram, laat God merken dat Hij er is.
Er komt een koning-priester Melchizedek. Geen jager, maar een koning-knecht. Niet een koning die zegt: dat volk heb ik van God gekregen, zij moeten mij dienen. Nee, als priester dient hij zijn volk. Deze koning komt met brood en wijn.Gewoon voedsel in die tijd. Abram krijgt dit uitgereikt van de koning van de vrede. In een wereld die zo gemakkelijk verwordt tot Babel, waarin we ons eerder in Sinear wanen, vieren wij aan de tafel des Heren dat wij anders zijn: mensen die uit die wereld zijn weggeroepen en daardoor vrij van een wereld die leidt tot de dood. Temidden van hemelbestormers vieren wij dat onze God tot ons is afgedaald. In een wereld die niet meer van God wil weten, omdat God dienen niet past bij eigenbelang, gedenken wij dat God er is en ons tot Zijn gemeenschap maakt. De taak van ambtsdragers is om de gemeente te bewaren bij dat geheim. Om de gemeente eraan te herinneren waar ze vandaan komt: uit de wereld die Sinear/Babel heet. Dat is jullie enige taak. Om de gemeente eraan te herinneren wat die bevrijding heeft gekost (het offer van Christus). Om de gemeente voor te houden: niet meerstreven naar meer en meer, maar om de harten opwaarts te heffen in de hemel, waar Christus is – onze voorspraak bij de hemelse Vader. Als we als gemeente toch gaan jagen naar meer – meer van ons – ons af te remmen en te zeggen: zoek het leven buiten onszelf in Christus. God doet grote dingen: in brood en wijn laat Hij dat zien. Een gemeenschap die niet alleen het jagen heeft afgeleerd, maar ook verzoend zijn met God. Amends. M.J. Schuurman

Spreek slechts één woord, één woord met macht

Spreek slechts één woord, één woord met macht

Enige tijd geleden preekte ik over Ezechiël 1. Tijdens de lezing van dit Schriftgedeelte keek ik naar de gezichten van de luisteraars. Ik merkte dat de gemeente niet alleen aandachtig luisterde naar dit gedeelte, maar echt ook gegrepen werd door deze tekst en gefascineerd werd door wat er in deze tekst beschreven werd. Er gebeurde gewoon waar de tekst over spreekt: de hemel opende zich en iets van de heerlijkheid des Heren werd zichtbaar.’

Zo begint Jean-Marcel Vincent zijn boek over De ervaarbaarheid van God in het Oude Testament. In een voetnoot voegt hij eraan toe: ‘Ik hoef niet te vertellen dat mijn preek, die erop volgde, in vergelijking daarmee erg vlak was en geen recht deed aan de tekst.’ 
Sinds mijn afstudeerscriptie, die gewijd was aan het zien van Gods aangezicht in het Oude Testament, ben ik geïnteresseerd in de manier waarop de Bijbel schrijft over ervaringen met God. Tijdens het lezen let ik er vooral op, hoe God aanwezig is. Wanneer er sprake is van een theofanie of een stem van God. En ook wanneer er omgekeerd sprake is van het zoeken van contact met God lees ik aandachtig. Zelfs als zijn aanwezigheid niet beschreven wordt heeft dat altijd betekenis. Elk bijbelgedeelte heeft een sacramentele dimensie. Dat wil zeggen: elk bijbelgedeelte opent de weg naar God. Door iets van God te laten zien. Zelfs door de afwezigheid van de Here te laten zien. De preken die ik gehoord heb, hebben deze sacramentele dimensie vaak over het hoofd gezien. Naar mijn idee is de oorzaak daarvan dat de predikanten bij het bestuderen van het betreffende gedeelte deze dimensie niet hebben opgemerkt. Over het gebrek aan sacramentele dimensie in de eredienst schrijft De Leede in Is God in de VS dichterbij?

Dit zijn artikelen waar ik erg van houd en veel van leer. De Leede neemt ons mee langs ervaringen, die hij opdeed. Wat mij het meeste raakte, was de opmerking van de zwarte onderzoekster. Dat black preachers tenminste nog in God geloven. Dat hield mij opnieuw de spiegel voor. Dat was al eerder gebeurd toen ik begon in de Predigtlehre van Rudolf Bohren. Volgens hem heeft de prediker te maken met een verlegenheid die hij typeert als sprakeloosheid. De prediker vindt de woorden niet meer, omdat God zelf niet aan het woord komt in de prediking. De prediker heeft een belangrijke stap overgeslagen: namelijk de verwondering en het overdenken van Gods tegenwoordigheid (Staunen). Het overslaan van deze stap heeft twee fatale gevolgen:

(1) De prediker denkt te kunnen beschikken over Gods Woord. De Here is gedegradeerd tot een afgod. De Schrift laat echter zien dat waar mensen denken te kunnen beschikken over God Hij zich terugtrekt en in stilzwijgen hult. 
(2) Omdat de Here zich teruggetrokken heeft, wordt Zijn aanwezigheid en Zijn handelen niet opgemerkt. Daardoor denkt de prediker dat hij het handelen van God moet overnemen. Om in de termen van Bohren te blijven: ik vergat zelf eerste hoorder te zijn. Ik vergat, dat ik als predikant geneigd ben God en mijn gemeente te haten. Ik sloeg mijzelf over en luisterde – ondanks mijn interesse voor de sacramentele dimensie van de tekst – vaak vooral met het oog op de gemeente. 
Maar als ik kijk in de spiegel die Bohren mij voor houdt, besef ik dat ik in de praktijk van mijn werk maar weinig rekening gehouden heb met het gegeven dat God vandaag de dag werkt. Omdat ik twijfel of God wel handelt, denk ik te kunnen handelen in Zijn plaats. Van Eberhard Jüngel heb ik geleerd om deze houding als zonde typeren. Ik beroof God van Zijn God-zijn, ik op mijzelf gericht, in mijzelf gekeerd en belast mijzelf met een last waaraan ik onderdoor ga (homo incurvatus in se). 

Daardoor herken ik het citaat van de collega, die door De Leede wordt aangehaald: ‘Het is net of er bij ons iets tussen staat, iets onzichtbaars, een soort glazen wand.’ Dit is de taal van de aanvechting. We kunnen als gelovige en ook als predikant alleen maar uit de aanvechting komen, wanneer we weer geloven in de werkzaamheden van onze Heer. U hebt het heden, het vandaag te verkondigen, hield Hans-Joachim Iwand zijn studenten in de jaren ’30 voor en verwees naar 2 Kor. 6:1-3 en Hebr. 3:7-19. ‘Wat daaruit worden zal, mag u aan God over laten. Hij kan de gemeente ook in dwaalleer laten verkeren. Dank God, dat u vandaag de dag de gemeente nog mag verkondigen!’ 
Iwand zei dit midden in de strijd tussen de Deutsche Christen en de Bekennende Kirche (wat die opmerking over de dwaalleer een spannend gegeven laat zijn). Eerder had hij al tegen zijn studenten gezegd: ‘Tussen u en uw gemeente staat God. Een zegen en een troost als u deze grens respecteert, maar een scherp zwaard voor wie deze grens negeert. Op het moment dat u als verkondiger wilt heersen over de harten, loopt u in Gods zwaard.’ Dit citaat van Iwand was ik al eens tegengekomen. Alleen de eerste zin bleef mij bij. Door het bezigzijn met het artikel van De Leede drong de consequentie hiervan door in wat Iwand in de daaropvolgende zinnen schreef. Ik negeerde de grens. Ik als homo incurvatus in se kon alleen uit mijn in-mijzelf-gekeerd-zijn gered worden door de kracht van Christus of Gods Woord. Dat woord, gesproken met macht, doorbrak mijn ongeloof en liet mij op God zien. Zoals ook Abram onderbroken wordt in zijn klacht en van God de opdracht krijgt om omhoog te kijken naar de sterren. Deze bevrijding kan extra kracht hebben als de aangevochtene door anderen met een gezagvol woord op Christus gewezen wordt. Spreek slechts één woord, één woord met macht, dan krijgt ons leven nieuwe kracht (Gez. 170, al kies ik liever voor de versie uit de Bundel-’38:) dan is voorbij der zonde nacht. Dat kan alleen het Woord doen, als het Woord ons stoort in onze in-onszelf-gekeerd-zijn. 

Het Woord van God plaatst haalt ons weg en plaatst ons onder de macht van Christus. Want mijn leven is onder de macht gesteld, van mijn Heer die mijn dagen en nachten telt. Wat verkondigen in de werkelijke aanwezigheid van Christus betekent, laat Handelingen 8:35: en hij predikte hem Christus. Hier wordt niet uitgelegd wie Christus is. Het woord dat Filippus sprak was dat woord van macht, waardoor de kamerling onder de macht van Christus werd gesteld. Met als gevolg dat hij zijn oude leven aflegde en bekleed werd met Christus.

Matthijs Schuurman
predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam-Watergang.

Gepubliceerd op de website van de IZB – als reactie op dr. H. de Leede, ‘Is God dichterbij in deVS?’ http://www.izb.nl/index.php?cId=284&aId=1393

Enkele opmerkingen à la De Leede:
* Presentia realis kunnen wij niet realiseren, wel blokkeren.
* Wanneer De Leede de oceaan oversteekt, laat hij daarbij onze oosterburen niet vergeten. Manfred Josuttis heeft op een eigenzinnige, soms esoterische manier de presentia realis doordacht. Hij hielp mij om van theoloog geestelijke te worden. Martin Nicol schreef een boeiende homiletiek, die helpt om de presentia realis in de prediking praktijk te brengen.
* Het wordt tijd, dat we Van der Leeuw eindelijk eens serieusnemen. Het verwijt van magie is volgens Josuttis een protestants vooroordeel. Of liever een protestantse projectie. Zij hebben graag zelf de macht over het woord, ipv dat het woord macht over hen heeft.
* Een kerkdienst die uitgaat van de presentia realis, neemt Romeinen 6 als uitgangspunt. De kracht van het evangelie (Romeinen 1:17) is geen inwendige kracht, maar een kracht die ons van gebied en eigenaar verwisselt. (Herrschaftswechsel) De aarzelingen rondom Stanley Hauerwas laat zien, dat men binnen de Protestantse Kerk in Nederland de consequenties van de sacramentele dimensie van de eredienst niet ten volle beseft.
* Er moet een verbinding zijn tussen spiritualiteit, dogmatiek en kerkelijke praktijk. De rechtvaardigingsleer en zondeleer worden dogmatisch keurig behandeld, maar werken in de praktijk van de prediking nauwelijks door.
* Wanneer de presentia realis uitgangspunt is, is het niet verwonderlijk wanneer men zich ervaart als een concreet bestaan in ruimte en tijd ervaart. Christus redt niet alleen onze ziel, maar heel ons bestaan. Wanneer we onder de macht van Christus geplaatst worden, wanneer we verschijnen voor het aangezicht van God verschijnen wij daarmee als persoon.
* Wie spreekt over de ontmoeting met de/het heilige kan er niet omheen dat er sprake is van fascinans én tremendum. Niet alleen de schoonheid,maar ook de huiver en distantie dient gerealiseerd te worden.
* Volgens de liturgiewetenschapper Wolfgang Ratzmann is de sacramentele dimensie van de eredienst de enige voorwaarde voor missionaire kerkdiensten: namelijk dat in de dienst de weg tot God wordt geopend.
* De oud-oosterse visie op de tempel kan ons verder helpen in de doordenking van de sacramentele dimensie van de eredienst (denk aan de artikelen van Bernd Janowski op dit punt).
* Tegelijkertijd met het artikel van De Leede las ik het afscheidscollege van Christian Link, waarin hij aan gaf juist voorzichtiger geworden is met het spreken over het heden van Gods handelen. De actualisatie is niet zonder risico’s (denk aan de predikanten die in het enthousiasme voor de Eerste Wereldoorlog zagen als een nieuwe uitstorting van de Geest)
* Bij het nadenken over de aanwezigheid en het hedendaags handelen van God zijn de christologie (en de sacramentsleer als onderdeel van de christologie) de norm.
* Het onderscheid sacramentum-exemplum geldt niet alleen voor de christologie, maar voor elk bijbelgedeelte en voorkomt dat men naar de moralisering grijpt als brug naar het heden. 
* Hemelvaartsdag dient weer in ere hersteld te worden als belangrijkste feest van het jaar. Presentia realis gaat om de aanwezigheid van de verhoogde Heer. De viering van het Kerstfeest kan alleen in dat kader ook gevierd worden: de Redder die heilsbrengend is verschenen. Zoals ook de evangeliën in dat kader staan: niet alleen geschreven vanuit Pasen, maar vooral vanuit het geloof en de ervaring van Zijn verhoging – ter rechterhand Gods.

Een hoopvolle toekomst? – Preek Startzondag

Een hoopvolle toekomst? – Preek Startzondag 17 sept 2010
Genesis 15

 
(1) Een hoopvolle toekomst – die verwachten we van de Here. Toch? Daarvoor zijn we hier bij elkaar. Of het nu om onze eigen toekomst gaat of de toekomst van de kerk, we beseffen: de toekomst ligt niet in onze hand. We zouden er achteraan denken: gelukkig maar! Stel je voor dat de toekomst van ons zou afhangen? Stel je voor dat we zelf zouden moeten zorgen voor het slagen van de toekomst… Of voor de toekomst van de kerk…
Bij alles wat ons bezig houdt, onze plannen, onze beslommeringen, weten we: ons leven is in Gods hand. Onze toekomst dus ook. Morgen, overmorgen.
Het zou toch raar zijn als we tegen elkaar zouden zeggen: ‘Eigenlijk, als ik heel eerlijk ben, heb ik er niet zo veel fiducie meer in! Als ik kijk naar de opkomst van het kerkbezoek, de betrokkenheid bij de bijbelkringen of de opkomst bij de activiteiten die worden georganiseerd. Het zou toch raar zijn als we elkaar zouden aanstoten: ‘Een hoopvolle toekomst? Eigenlijk ben ik heel somber over onze gemeente(n)! Daarom hoop ik maar dat de opkomst goed is, want dan hoef ik even geen zorgen te hebben. Dan word ik niet afgeleid door die lege plaatsen in de kerk en kan ik mij openstellen voor wat de Here tegen mij te zeggen heeft. Zo’n lege kerk ontneemt me de vreugde van de boodschap.’

(2) Maar is dat wel zo raar? Want we kunnen over een hoopvolle toekomst spreken, maar overschreeuwen wij daarmee niet onze zorgen? Onze zorgen over de toekomst van de gemeente(n)? Dat we met elkaar vinden dat er zo’n lauwheid is? Kijk maar naar de opkomst als er iets georganiseerd wordt. Die lauwheid werkt belemmerend voor mijn eigen geloof. Ik doe met activiteiten mee, omdat er anders toch niemand komt. Door die lauwheid ga ik met tegenzin naar de kerk of ga ik helemaal niet.
Zonder dat je er erg in hebt, kun je gevangen raken. Dan hoor je nog zo’n mooie boodschap, het evangelie, de boodschap die je zou moeten opwekken, die je boven al je zorgen uit zou moeten tillen. Wat er gebeurt, is echter dat het langs je heen gaat. Het raakt je niet – hoe mooi de boodschap ook is. De pijn, de teleurstelling van wat je om je heen ziet, daar kun je je ogen niet voor sluiten. Al zou je het misschien wel willen. De zorgen kunnen toch niet ontkend worden?
Wat moeten we er aan doen? Iets organiseren? Dat hebben we al geprobeerd. Het werkte net. Wat we ook probeerden, het is op niets uitgelopen. Helemaal niets? In ieder geval was het heel weinig. Een hoopvolle toekomst? Maar wat moet de Here ons dan geven?
Dat is ook wat Abram aan de Here vraagt.

(3) Dat is ook wat Abram aan de Here vraagt. Het is de Bijbel, dus het staat er netjes. Zegt Abram niet tegen de Here: ‘Houd u mij alstublieft geen worst voor! Maak mij niet blij met een dode mus!’ Het komt op mij over, alsof Abram niet eens op Gods belofte zit te wachten. Wat heeft hij aan een hoopvolle toekomst? Hij is toch al bijna dood. Nu heeft het geen zin meer. De enige vraag die nu nog telt is: wie neemt het stokje over? Het werk van God loopt op dit moment dood. Wat heeft het nog voor zin dat de Here hem beschermt tegen zijn vijanden en dat de Here hem zegent? Het is alsof Abram tegen de Here zegt: ‘Laat me maar met rust. Het is toch al bijna afgelopen.’ Abram kan alleen nog maar klagen.
Wie zou hem ongelijk geven? Hij ziet het al voor zich: zijn slaaf, zijn vertrouweling Eliëzer moet met de zaak verder gaan. Afgelopen. De naam van Abram zal uit de geschiedenis worden gewist. Net als de naam van de Here.
Dat staat toch op het spel als de kerk zou verdwijnen? Namelijk de mogelijkheid om hier in Ilpendam en Watergang, in de regio Waterland in contact te komen met God en zijn woord?

Aan wie ligt dat? Abram weet het en zegt het ook ronduit: dat ligt aan U, Here! Als U mij een zoon gegeven had, had ik hier niet zo vol twijfel en teleurstelling gezeten!
Alle bitterheid komt eruit.

(4) Nu de Here zelf aan hem verschijnt, zegt hij het tegen God. Ronduit. Nú komt hij met zijn verhaal. Nu raakt hij in gesprek met de Here. Eindelijk.
Dat was al even geleden. Wat had hem weerhouden om het gesprek met de Here te zoeken? Om de Here te zoeken in gebed? Was het twijfel of God nog wel zijn belofte zou vervullen? Was het drukte vanwege de strijd die gevoerd moest worden?
Nu komt de Here hem voor de voeten lopen. ‘Abram, vergeet je niet iets?’ De Here komt op een ongelukkig moment. Abram heeft net met een indrukwekkend gebaar afstand gedaan van de buit. Geen salaris of honorarium, want de Here zou hem zegenen.
Abram, ben je niet iets vergeten met dat grootse gebaar van je? Ik had gezegd dat
Ik je zou zegenen. Geloof je dat nog wel? Abram, nu ben Ik er. Voor jou. Je hoeft het niet meer zonder mij te doen.
Dit zijn geen loze woorden, maar woorden met kracht. Zoals de Here later zijn profeten zou sturen naar zijn volk: het woord geschiedde…Deze woorden van de Here storen Abram, onderbreken hem. God komt niet gelegen. Ondanks zijn belofte. Wat doet u hier? Waarom komt u ons hinderen?

(5) Als de Here ‘Ik’ zegt, kan Abram dat ook. Ik. Hij heeft ook wat te zeggen. Vol zelfbeklag staat hij daar. Nu U er toch bent, kijk eens hoe het mij vergaat?
Gemeente, weet u wat het mooie is? Zo werkt God. Als Abram vastzit in de teleurstelling, gevangen zit, als Abram niets meer gelooft van die belofte, want wat ziet hij ervan? – dan zegt de Here tegen Abram: Kijk eens omhoog. Kijk eens goed. Zie je die sterren? Zo groot wordt jouw nageslacht. Abram, die zorgen drukken je terneer. Je denkt teveel aan de toekomst. Je waant jezelf al haast dood. Je ziet Mij niet. Kijk dan!
Weet u, de Here Jezus sprak ook over zorgen. Weet u wie zich volgens Hem zorgen maken? Dat zijn de heidenen. Die gaan gebukt onder een last, want zij geloven ten diepste niet dat God werkt en dat zij het dus zelf moeten doen. Daardoor rennen de heidenen aan zichzelf voorbij. Ze zijn zo druk met het voor elkaar krijgen. Dat moeten jullie als Mijn volgelingen niet doen! Weet je wat je moet doen? Kijk naar de vogels en de bloemen. Zo zal de Here voor jullie zorgen.
Je kunt je zorgen maken over de kerk van 2050. Of onze kinderen en kleinkinderen nog wel naar de kerk gaan. Kunnen wij die toekomst dichterbij halen? De toekomst komt uit Mijn hand, zegt Christus. Je hoeft alleen maar te ontvangen. Kijk maar naar wat ik doe.
Met al onze activiteiten liep Abram de Here voor de voeten. Hij liep zelfs bij de Here vandaan! En wij, met onze activiteiten? Lopen wij de Here daarmee niet voor de voeten? Zijn wij niet te veel bezig met wat anderen niet doen, te weinig doen, te laks doen? Kijk om je heen om te zien, naar het werk van God in het leven van anderen, in je eigen leven…

(6) Wat zag Abram dan? De sterren. Terwijl Abram de nacht inging, de eenzaamheid, moest hij van de Here opkijken. De sterren! In het plotseling opkomende donker flonkerden miljoenen sterren. Terwijl Abram voor zijn gevoel er alleen voorstond, liet de Here zien dat Zijn werk nog doorgaat. We hebben met elkaar beleden over Christus: Zijn koninkrijk kent geen einde!
We zijn nu in aanwezigheid van de Here. Voor zijn troon, voor zijn aangezicht. In aanwezigheid van Hem die alles regeert en de engelen voor zijn troon. Staan we er alleen voor? Is het bijna afgelopen? Kijk omhoog! Naar de heerlijkheid des Heren. Als we anderen hierover vertellen, is dat niet omdat dat moet, maar omdat wij Gods heerlijkheid hebben gezien! Omdat we overweldigd zijn, dat wij voor zijn aangezicht staan. We zijn in aanwezigheid van de Here! Nu op dit moment. De hemel is open en wij mogen Hem aanschouwen! Kijk omhoog! Naar Zijn macht en heerlijkheid. We zijn in zijn aanwezigheid!
Amends. M.J. Schuurman

De tovenaar en de dominee – leeservaring 3

‘De tovenaar en de dominee’ – leeservaring 3

Vanwege dat niet kunnen beschikken over de God van Israël is Vreekamp waarschijnlijk zo in de weer met magie: macht over een ander willen hebben.
Ik vraag me af in hoeverre magie in dat opzicht wel religieus te noemen valt. Van Manfred Josuttis (Religion als Handwerk, p48-61) heb ik geleerd dat deze typering van magie een protestantse karikatuur is. Deze definiëring van magie suggereert dat men met behulp van magie over God wil beschikken, maar dat geloof (Religion) betekent dat je beseft niet over God te kunnen beschikken. ‘Die Unterscheidung zwischen Magie und Religion soll also der Selbstdefinition des religiösen Repräsentanten dienen. (…) Schon immer ist Magie eine Kampfvokabel gewesen, mit der man das Fremde Verhalten denunziert und die eigene Praxis aufgewertet hat.’ (55) Een mengeling van Selbstaufwertung en Fremdverfemdung dus. (Dat zelfde geldt voor de aanduiding van bijgeloof. Deze typering houdt een afkeuring in, die niet doorvraagt naar andere mogelijke verklaringen.)

Daarbij: wat doet Vreekamp met alle magische praktijken die er vanaf het Oude Testament tot nu toe in het Jodendom aanwezig zijn?

M.J. Schuurman

N.a.v. Henk Vreekamp, De tovenaar en de dominee. Over het verschijnen van God

‘De tovenaar en de dominee’ – leeservaring 2

‘De tovenaar en de dominee’ – leeservaring 2

Wanneer Vreekamp over de Joden schrijft, wordt de toon anders. En dit keer jammer genoeg ook de lengte. In een kort hoofdstuk laat Vreekamp enkele Joodse dominees zien, die weer teruggingen naar de synagoge. Daarmee wil hij impliciet zijn stelling verdedigen, dat de christenen eigenlijk gewoon maar heidenchristenen zijn en wellicht gewoon heidenen. Inclusief de aanmatiging die heidenen hebben. Of is Monshouwer dan toch iemand in wie het kan: de verbinding tussen heiden en christen omdat hij luisterde naar de Schrift en de Torah in het midden plaatste?
Ook de toon wordt anders. Vreekamp, de heiden-christen die ontdekt heeft dat hij vooral heiden is, heeft dat ontdekt in het gesprek. Dat gesprek werd steeds meer een luisteren.Vooral ook omdat de Joden zich niet thuisvoelden in de kerk. De kerk die Jezus acceptabel maakte en daarmee onacceptabel voor Joden. De kerk die wel het geloof wilde, maar niet de daad.
Achter de woorden van dit boek proef je een schuld, die gedragen moet worden en die Vreekamp wil en (als heiden zijns ondanks) moet dragen. Een dubbele schuld. Een schuld naar God toe, omdat de heiden de God van Israël niet wil erkennen. En dat afwijzen van deze God bleek in een vergermaniseren van Jezus en liep uit op dat drama van onze tijd: de shoah. Daarin komen de schuld naar God en naar het Joodse volk samen. Is die schuld nog te dragen? Achter de woorden van Vreekamp is de verbijstering en de schroom te voelen.

Zelf heb ik ds. Henk Vreekamp nooit horen preken. Mijn vrouw wel één keer. En ik denk dat ze de dominee goed begrepen heeft. ‘Wij hebben God niet tot onze beschikking.’ Dát is wat Vreekamp heeft geleerd. Hoe deze God, de God van Israël, en waar Hij verschijnt, verkiest te verschijnen: dat hebben wij niet in onze macht. Zijn het voetstappen, die zo uitgewist kunnen worden? Is het een theofanie? Wordt er daarom zo weinig over God (en alleen over ervaringen van God) gesproken, omdat Vreekamp niet kan aanwijzen waar Hij is en was en zal zijn?

Verschijn blinkende – staat er in het motto. Als ik Vreekamp goed beluister, is dit een uitroep die onze onmacht laat zien: Wij kunnen de HERE hiertoe niet dwingen. Dit is een gebed, een ootmoedig gebed, dat alleen maar met eerbied en ontzag gebeden kan worden. In de vreze des HEREN.

M.J. Schuurman

N.a.v.:  Henk Vreekamp, De tovenaar en de dominee. Over het verschijnen van God