De kracht van film & de kracht van de preek

De kracht van film & de kracht van de preek
In De Filmkrant van oktober 2012 staat een interview met Mads Mikkelsen. Hij is een Deense acteur en in het nieuws, omdat hij de hoofdrol speel in de film Jagten. Deze film gaat over een leraar die wordt verdacht van kindermisbruik.


De kracht van film
In dat interview vertelt hij dat hij gefascineerd werd door Bruce Lee: ‘Ik was gefascineerd door zijn cool. Niet door die van James Bond trouwens, zoals anderen. Maar later ontdekte ik wat film echt kan doen. Taxi Driver had de grootste impact, dat was de eerste echte film die ik zag. Ik kwam de bioscoop uit en ik voelde me totaal verward over dat personage. Toen begreep ik waar de echte kracht van films ligt: niet dat ze je vertellen hoe je je moet voelen, maar dat ze je een vraag voorleggen die je zelf moet beantwoorden. Daarom houd ik ook meer van antihelden want die zijn meer dualistisch, meer complex. Het is saai om de goeierik te zijn.’

De kracht van een preek
Van Martin Nicol heb ik geleerd om zulke uitspraken te vertalen naar het maken en houden van een preek. In zijn Praktijkboek dramaturgische homiletiek doet hij voortdurend hetzelfde.
Wat is de kracht van een preek? Wat Mikkelsen zegt over film kan ook voor de preek gelden: niet dat ze je vertellen hoe je je moet voelen, maar dat ze je een vraag voorleggen die je zelf moet beantwoorden.

Beeldenstorm

Beeldenstorm
De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (7)

Het eerste gebod geeft aan, dat er maar één God is. In het tweede gebod betreft het dienen van deze ene, ware God. Kenmerkend voor de gereformeerde traditie is, dat men dit gebod voortdurend heeft uitgewerkt. Hierin verschilt de gereformeerde traditie bijvoorbeeld van de Lutherse. Voor Luther was het tweede gebod slechts voor de Joden bedoeld. Binnen de gereformeerde traditie werd dit tweede gebod van belang geacht, omdat de eer van God centraal stond. Het eren van God komt tot uitdrukking in gehoorzaamheid van wat de Here vraagt.

‘Vraag: Wat eist God in het tweede gebod? Antwoord: Dat wij God op geen enkele wijze afbeelden en op geen andere wijze vereren dan Hij in zijn Woord bevolen heeft.’ (HC, vr&a 96).
Dit antwoord uit de HC geeft aan, dat het gebod breder werd ingevuld dan het vervaardigen van stenen of houten beelden. Dit gebod raakt ook de manier waarop wij God vereren en waarop wij over Hem denken. Wij mogen Hem alleen vereren, zoals Hij in zijn Woord voorschrijft. Wij mogen alleen maar die beelden over Hem hebben, zoals Hij Zichzelf bekend maakt in zijn Woord.

Theologie vor jongeren
Op het eerste gezicht lijkt dit de botsen met de theologie die jongeren zelf hebben. De beelden die zij over God hebben zijn meestal juist niet ontleend aan de Bijbel, maar aan hun eigen ervarings- en denkwereld. Deze beelden kunnen ook haaks staan op wat God in zijn Woord over zichzelf te kennen geeft.
Toch kan dit gebod een belangrijke bijdrage leveren aan een theologie voor jongeren. Daarmee bedoel ik: dit tweede gebod (en vooral de uitwerking daarvan in de gereformeerde traditie) kan jongeren juist helpen in hun nadenken over God. Een theologie voor jongeren vraagt kritisch door op de godsbeelden die jongeren hebben. Om schadelijke godsbeelden te ontmaskeren. Om inconsequenties naar voren te halen. Om hen in te wijden in een andere manier van nadenken over God.

Mondig
Het beeldverbod wordt gedragen door het Bijbelse besef, dat mensen niet in staat zijn om geheel te doorgronden wie Hij is. Menselijke woorden en menselijke beelden zijn te beperkt om de grote en heilige God, onze Schepper, af te beelden. De uitwerking van het beeldverbod had in de gereformeerde traditie de intentie om de gewone gelovigen mondig te maken. De reformatoren waren humanistisch geschoolde geleerden, die zich er aan stoorden hoe beelden en godsbeelden de gelovigen van hun tijd onmondig gemaakt hadden. Vanuit het geloof dat het Woord van God de gelovigen bevrijdt van banden die onmondig maakten wezen zij de gelovigen erop, dat zij zich slechts hadden te houden aan de levende verkondiging van Gods Woord (HC, antw 98).

Beeldenvloed
Vandaag de dag stelt het beeldverbod een andere onmondigheid onder kritiek. Jongeren worden in alle media overladen met beelden. Deze beelden kunnen zo overweldigend zijn dat zij moeite krijgen met luisteren en lezen. Deze mediabeelden kunnen ook hun beeld van God beïnvloeden. Het tweede gebod nodigt uit tot een beeldenstorm en te meer tijd te nemen voor luisteren en reflectie op Gods spreken.

Beeldenstorm
In mijn gesprekken met jongeren kom ik verschillende beelden van God tegen. Jongeren die geen kerkelijke opvoeding hebben gehad voelen zich ontheemd. Zij willen net zo vertrouwd worden met God als hun vriend of vriendin die wel die opvoeding heeft gehad. Aan de hand van hoe God Zelf spreekt in zijn Woord mogen zij ontdekken dat God hen dat geestelijk thuis wil bieden.

Aan de andere kant kom ik jongeren tegen met een opvoeding, waarbij geloof vooral bestond uit regels. Of uit een God van Wie niets mocht. Zij lopen vast in hun beeld over God en slagen er met moeite in om een nieuw beeld van God te ontwikkelen, zoals Hij dat aangeeft in zijn Woord.
Deze jongeren kunnen aan de hand van de geschiedenis van Israël leren om de verkeerde beelden van God te verwijderen en te vernietigen. Een beeldenstorm, zoals Mozes , Gideon en Hizkia deden. In de lege ruimte krijgt de Heere ruimte om te onthullen wie Hij werkelijk is.

Geschreven voor HWConfessioneel

Waarom laat God dit toe?

Waarom laat God dit toe?
Een handreiking voor ouderlingen om tijdens huisbezoek te reageren op deze vraag

In het leven van mensen kan heel wat gebeuren: het overlijden van iemand die dierbaar is, – ziekte die naar voren komt, echtscheiding, ontslag of andere tegenslagen. Deze ervaringen kunnen heel ingrijpend zijn. Soms heeft iemand levenslang de gevolgen te dragen.

Zulke ingrijpende ervaringen hebben ook gevolgen voor het leven met de Heere. De een krijgt hierdoor een sterkere band met de Heere. Vanuit gelovig vertrouwen wordt het leed gedragen. Niet dat het leven dan gemakkelijk, maar er is ook de ervaring dat de Heere kracht geeft.
De ander is door de ingrijpende gebeurtenis uit het lood geslagen. Het geloof en vertrouwen dat er voorheen was, kan daarbij weggeslagen worden. Iemand kan daardoor teleurgesteld raken in God.

Twee reacties
Op huisbezoek zult u beide ervaringen tegenkomen. Het kan indruk maken als iemand het kruis, dat is opgelegd, vanuit een gelovig vertrouwen draagt. Door zo’n huisbezoek kunt u zelf bemoedigd worden. Wanneer iemand teleurgesteld is en boos is op God, kan het bezoek soms zwaar vallen. De boosheid en de teleurstelling, waar u in het gesprek op stuit, richt zich op de God, Die u van harte dient. Als u de Heere gaat verdedigen, zult u merken dat zulke gesprekken vaak nog moeizamer worden.
Hoe kan in pastorale gesprekken worden omgegaan met de vraag: ‘Waarom laat God dit toe?

Meerdere betekenissen
Allereerst is het goed om te kijken, wat iemand bedoelt, als hij vraagt: ‘Waarom laat God dit toe?’ Want deze vraag kan veel betekenissen hebben. Bijvoorbeeld
* Iemand kan deze vraag als verzuchting bedoelen. In dat geval wil iemand eigenlijk zeggen: ‘Kijk eens hoe veel ik heb meegemaakt in mijn leven.’
* Iemand kan met deze vraag zijn machteloosheid willen delen. ‘Niemand heeft mij dit leed kunnen besparen. Het leven is hard.’
* Het kan zijn dat iemand teleurgesteld is geraakt in God. De Heere heeft immers de macht om ons mensen bepaald lijden te besparen?
* Iemand is op zoek naar de zin van het lijden, dat hem overkomt. ‘Welke bedoeling heeft God hiermee voor mijn leven?’

Mogelijke reacties
Bij de vraag: ‘Waarom laat God dit toe?’ kan er de neiging zijn om God te verdedigen. De vraag kan ook gevoeld worden als een aanval op de Heere met wie u zo verbonden bent. Het kan verstandig zijn om de verdediging van God uit te stellen en eerst na te gaan, wat iemand met deze vraag ten diepste wil zeggen. De mogelijke manieren daarvoor zijn:

Door erkenning te geven, dat het inderdaad ingrijpend is wat iemand overkomt:
– ‘Het is zwaar kruis dat u te dragen hebt.’
– ‘Dat zou ik mij in uw geval ook afvragen.’
Door op een respectvolle manier door te vragen:
– ‘Zou u daar een antwoord op willen hebben?’
– ‘Heeft u zelf daar al een antwoord op gevonden?’
– ‘Ik sta er anders in. Kunt u er mij meer over vertellen wat het met u doet?

Geen contact meer met de Heere?
Geloven bestaat uit een leven met de Heere. Bidden, zingen, Schriftlezing veronderstellen dat er een gesprek is met God.
De vraag ‘Waarom laat God het toe’, kan betekenen dat het gesprek met God is verstomd. Het is namelijk een vraag over God en geen vraag aan God gericht.
Het kan zijn, dat iemand die deze vraag stelt, niet meer in staat is om te bidden. Of dat iemand geen vertrouwen meer heeft in de hulp van de Heere.

Hoe kan dat contact met de Heere hersteld worden?
Wanneer u op huisbezoek komt, komt u als ambtsdrager. U bent door de kerk en door God gezonden. Onderschat de betekenis hiervan niet.
Ik krijg zelf vaak de indruk, dat als mensen vertellen over al het lijden in hun leven, dat zij dat niet alleen tegen mij vertellen, maar ook (onbewust) tegen de Heere. Als u op huisbezoek gaat, neemt u de moeite om naar iemand toe te komen. U bent op dat moment als de herder, die op zoek is naar het schaap dat verloren is geraakt.
Daarnaast hebt u de mogelijkheid om als ambtsdrager te bidden voor degene bij wie u op bezoek bent. U brengt de ander en de nood van de ander voor Gods aangezicht.

Psalm 73
Ook in de Schrift wordt geworsteld met de vraag: ‘Waarom laat God het toe?’ Het is ook een vraag die Asaf (Psalm 73) heeft bezig gehouden. Asaf ziet dat hij als gelovige een moeizaam leven heeft. Anderen, die het niet zo nauw nemen met God, gaat het juist voor de wind. Die anderen bespotten hem ook nog eens. Asaf kon het niet begrijpen en was het geloof bijna kwijtgeraakt.
Totdat hij in de tempel kwam. Daar besefte hij hoe het met de spotters afliep. Voor hem de les om dicht bij God te leven.

Klaagpsalmen
De worsteling met Gods leiding komt vaker voor in de psalmen. Soms gaat die worsteling zelfs gepaard met een klacht: ‘Waarom hebt Gij mij verlaten?’ In deze klacht klinkt bitterheid door, maar ook diep geloof. Want er is er Eén, die alles kan veranderen en dat is de Heere. De klacht is ten diepste een dringende smeekbede aan God gericht.
In een gesprek over het waarom kan het zinvol zijn om een klaagpsalm als afsluiting van het huisbezoek te lezen. Om te laten zien dat de worsteling ook in de Schrift voorkomt én om te laten zien, hoe anderen de weg weer tot God hebben gevonden.

Dat gaat nooit van de een op andere dag. Er gaat een hele weg aan vooraf. Als ambstdrager mag u een gids zijn op deze weg.

Zwangerschap als een weg naar de doop

Zwangerschap als een weg naar de doop
Pleidooi van Jantine Nierop voor pastoraat aan zwangere vrouwen

Zwangerschap is tot nu toe nauwelijks een theologisch thema. Wellicht komt dat, omdat tot in de 20e eeuw vooral mannen de boventoon voerden. Maar ook nadat vrouwen gingen meedoen, bijvoorbeeld door middel van feministische theologie, werd het onderwerp niet opgepakt.

De reden hiervoor is waarschijnlijk, dat de wens om kinderen te krijgen tussen vrouwen in staat. Er is een groot verschil in denk- en leefwijze van degenen die wel moeder zijn of zouden willen zijn hebben en degenen die nooit moeder zouden willen worden. Zwangerschap en moederschap waren thema’s die op theologische conferenties alleen maar in de pauze werden besproken.


De laatste tijd verschijnen er belangrijke studies, die deze thematiek oppakken.[1] Alleen op het terrein van het pastoraat wordt het thema nog niet opgepakt. Vandaar dat Jantine Nierop pastoraat aan zwangere vrouwen heeft opgepakt als onderzoeksthema.

Veranderingen
Het is wel merkwaardig dat de thematiek van zwangerschap en het aankomende ouderschap nauwelijks aandacht krijgt in de literatuur over het pastoraat. Ouderschap brengt het nodige aan veranderingen mee. Terwijl de praktische theologie al decennialang reflecteert op de grensovergangen in de levensloop, wordt deze thematiek over het hoofd gezien.

Dood op een verborgen en gecompliceerdere manier aanwezig
Daarnaast is voor zwangere vrouwen vandaag de dag de dood en het sterven op een gecompliceerdere en meer verborgen manier aanwezig dan voorheen.
Door de toename van de echo-onderzoeken wordt een zwangere geconfronteerd er voortdurend aan herinnerd dat het in de zwangerschap ook mis kan gaan. Het kloppend hartje wordt gehoord. Dat is een ontroerende ervaring. Tegelijkertijd komt het besef op, dat een kloppend hart ook kan ophouden met kloppen.

Alles van een kind wordt gemeten. Maar dat houdt in dat een kindje in de baarmoeder ook afwijkingen kan hebben.

Meer spanning
Uit een onderzoek van de Universiteit van Klagenfurt onder zwangere vrouwen kwam naar voren dat de echo’s vaak meer spanning geven dan rust brengen. De toename van zwangerschapsonderzoeken komen voort uit de wens van aankomende ouders om een gezond kindje te krijgen. Alleen: meer kennis over het kindje dat gedragen wordt, betekent ook dat er nagedacht moet worden over ingrijpende beslissingen: wat te doen als een kindje een afwijking (b)lijkt te hebben?

Vrienden vertelden dat de echopraktijk aandrong op een echo in de 20e week. Als er na die tijd een echo zou plaatsvinden, mocht – in het geval van een afwijking – er geen abortus meer plaatsvinden. Ook door de mogelijkheid van een abortus na een echo is de dood dus op een verborgen en gecompliceerde wijze aanwezig tijdens de zwangerschap.

Pastoraat
In gesprekken met zwangere vrouwen (en aankomende vaders!) zijn er genoeg thema’s die in een gesprek aan de orde kunnen komen:
– de ongerustheid en de onzekerheid met betrekking tot de gezondheid van het kindje dat wordt verwacht
– de toekomst van dit kindje
– de verantwoordelijkheid die aankomende ouders krijgen
– de emotionele verandering die ouderschap met zich meebrengt.
   
Daarnaast kan het ook in de zwangerschap mis gaan: Kinderen kunnen te vroeg geboren worden. Er kan een miskraam zijn, die vaak een diepingrijpende ervaring is. Een kind dat geboren wordt kan te maken hebben met gezondheidsproblemen of beperkingen.

Aanknopen bij de doop
Nierop stelt voor om bij het pastoraat aan te sluiten bij de doop. Nadenken over de kinderdoop en het aandacht schenken aan de zwangerschap kan samen opgaan en een verrijkende ervaring zijn voor aankomende ouders. Nadenken over de zwangerschap kan een weg zijn naar de doop.
Een ongeboren kind heeft voor God een unieke waarde en een eigen persoonlijkheid. Aan deze waarde en persoonlijkheid wordt in een medische omgeving vaak voorbijgegaan. Zie alleen al de veronderstelde gedachte dat een abortus noodzakelijk zou zijn wanneer een kindje een bepaalde afwijking zou hebben.

Ruimte bij God
Nierop pleit ervoor om vanuit de doop na te denken. Allereerst als doopherinnering: op welke manier speelt de doop een rol in de huidige omstandigheid van zwangerschap? Volgens Romeinen 6:3-8 wordt er in de doop een nieuwe levensruimte geopend in het door de dood bedreigde leven. Zwangere vrouwen een aankomende ouders kunnen door herinnerd te worden aan hun eigen doop leren om deze nieuwe levensruimte in hun eigen biografie te ontdekken. De doop is een ‘ruimte bij God’, waarin zij een veilige woning hebben als zij merken dat de dood en het sterven hen bedreigend nabij komt.

Op weg naar de doop
Daarnaast kan ook vanuit de zwangerschap nagedacht worden over de weg naar de doop van het kind dat wordt verwacht. Daarbij gaat het volgens Nierop nog niet om de betekenis van de doop als zodanig. Want die ligt nog in de toekomst en vindt pas plaats als het kind geboren wordt. Als een kind niet (levend) ter wereld komt, zal dit kind ook niet gedoopt worden.
Zij pleit daarom ervoor om aandacht te geven aan de weg ernaar toe. Met andere woorden: welke eigen betekenis heeft de weg naar de doop die ouders met hun nog ongeboren kind kunnen gaan?

In de spanning van dood en leven
Nierop wijst op een onderzoek van Regine Sommer, die ouders interviewde over de doop van hun kind. Sommer ontdekte dat deze 15 ouders die zij interviewde de doop verbonden aan dood en sterven.
In de gesprekken kwam het op kinderen, familieleden en vrienden die waren overleden. Bovendien dachten deze ouders juist in het kader van de doop na over een mogelijk vroegtijdig overlijden van hun kind.
De angst voor het overlijden van hun kind is voor veel ouders een belangrijke reden om hun kind te laten dopen.

Sommer concludeert: in de uitspraken van de ouders over de doop vormt de dood een belangrijk aanknopingspunt – als tegenpool van het leven. In deze spanning van dood en leven krijgt de doop betekenis: het gedoopte kind wordt aan God toevertrouwd, wiens hulp over de grens van de dood heengaat. Sommer knoopt hierbij aan bij Romeinen 6.

Leven dat verwacht wordt
Hoewel deze visie op de doop heel dicht bij de ervaring en het leven staat van deze aankomende ouders, is Nierop van mening dat deze visie op de doop aangevuld moet worden.
Allereerst omdat er een verschil is tussen aankomend ouderschap en werkelijk ouderschap. Van tevoren nadenken over ouderschap is wat anders dan werkelijk ervaren wat het is om ouder te zijn. Bovendien, als ouders getroost worden met de gedachte dat er ook na de dood een leven bij God is, helpt deze gedachte aankomende ouders lang niet altijd. Het kind moet immers nog geboren worden.
Daarom is het volgens Nierop verstandiger om aandacht te schenken aan het leven dat wordt verwacht.

Schepper
Dit kwetsbare leven is in de hand van de Schepper, die dit leven heeft gewild. De Schepper heeft ook een bedoeling met het kind dat wordt verwacht: de doop van dit kind en daarmee zijn of haar bestemming als kind van God.
In het licht van geboorte en doop krijgt het scheppend handelen van God duidelijke contouren. Een kind wordt door Hem in de moederschoot gevormd om hem of haar later in de doop naar Zich toe te trekken en om hem of haar als Zijn kind aan te nemen. God schenkt, vraagt en beschermt het leven in de baarmoeder, omdat Hij het kind op wil nemen in het verbond van het leven. Op weg naar de doop kan dit scheppend handelen van God overdacht en liturgisch worden gevierd.

Meer dan object
In een omgeving van medische apparatuur en medisch personeel worden een zwangere vrouw, haar lichaam en het kind dat wordt verwacht object voor onderzoek. Pastoraat is zinvol, omdat daarin een zwangere vrouw (en haar kind!) als subject wordt waargenomen.

Verkiezend handelen
In het licht van de doop krijgt niet alleen Gods scheppend handelen bijzondere kleur, maar ook Zijn verkiezend handelen. Reeds Calvijn betrok het verkiezend handelen van God reeds op het leven voor de geboorte. God die een kind in de doop tot Zijn kind maakt heeft dat kind reeds in de baarmoeder verkozen. Het verkozen zijn in de baarmoeder kan aankomende ouders troost en kracht bieden.
Verkiezing gebeurt zonder voorwaarden, maar vraagt wel om navolging (van Christus).

Navolging
Wanneer pastoraat gezien wordt als begeleiding van mensen in het licht van het evangelie zal de pastor daarom ook aandacht schenken aan de vragen van ethische oriëntatie en de christelijke verantwoordelijkheid.

In de weg naar de doop loopt de doop het risico om te vervlakken tot vervulling van de wensen van aankomende ouders. Dat is niet wat Nierop beoogt. Zij wil dat nadenken over de zwangerschap en het overwegen van de doop van het kind dat wordt verwacht op elkaar betrekken, zodat aan beide zijden verdieping ontstaat. Pastoraat kan bij deze verdieping een zinvolle rol spelen.

N.a.v. Jantine Nierop, ‘Die Schwangerschaft als Weg zur Taufe? Überlegungen zur Seelsorge an Schwangeren’, Wege zum Menschen 64. Jg (2012) 358-369.

Zie voor de homepage van Jantine Nierop: http://www.theologie.uni-heidelberg.de/fakultaet/personen/nierop.html


[1] Nierop verwijst naar: Karin Ulrich – Eschemann, Vom Geborenwerden des Menschen. Theologische und philosophische Erkundungen (Münster, 2000) en Christiane Kohler – Weiβ, Schutz der Menschwerdung. Der Schwangerschaftsabbruch als Thema der evangelischen Ethik (Gütersoh, 2003).

Geen andere goden

Geen andere goden

De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (6)

In de reformatorische traditie speelt het eerste gebod een belangrijke rol. Als Luther zijn eerste catechismus aanvult, geeft hij vooral een uitgebreide uitleg van het eerste gebod. Daarin schrijft hij: ‘Een God noemt men dat, waarvan men alle goeds verwacht en waarheen men kan vluchten in alle noden. Daarom betekent ‘een God liefhebben’ niets anders, dan dat men van harte op Hem vertrouwt en in Hem gelooft, zoals ik al zo dikwijls gezegd heb, dat alleen het vertrouwen en het geloof van het hart beide God en afgod maakt. (…) Ik zeg u, dat waar uw hart aan hangt en op vertrouwt, dat is eigenlijk uw God.’
Voor kinderen en jongeren is het eerste gebod een abstract gebod. Het is niet gemakkelijk om hier een voorstelling bij te hebben of het in praktijk te brengen. Andere goden komen zij alleen tegen als zij andersgelovigen ontmoeten.
Er zijn pogingen ondernomen om dit gebod wat meer te laten spreken. De uitleg van Luther is er een voorbeeld van. Ik vrees dat het niet veel verder helpt. Is het niet meer iets voor volwassenen om je hart ergens aan te hangen? Bijvoorbeeld aan geld of macht? Mijn catechisanten van 14 en 15 zijn vaak net begonnen met een zaterdagbaantje of krijgen hooguit wat zakgeld. De verleiding om alles in het leven af te stemmen op het verdienen van zoveel mogelijk geld kennen ze nog niet echt.
Wat dichterbij komt het als jongeren zich vol overtuiging in laten met een politieke overtuiging. Een van de jongeren die ik vroeger als kind kende heeft op de lijst van de PVV gestaan. Toch ben ik ook hierin voorzichtig. In het verleden hebben christenen veel vaker gedacht dat bepaalde politieke voorkeuren te verenigen waren, waarvan wij nu ons afvragen of die combinatie met het christelijk geloof te maken is.
In een klein boekje over de Tien Geboden citeert de godsdienstpedagoog Fulbert Steffensky een preek uit de Tweede Wereldoorlog: ‘Voor ons is het vaderland heilig. Daarom offeren wij onze jeugd, onze gezondheid en onze levenskracht vol vreugde en van harte – zelfs in de voorste linie. Voor ons is het vaderland heilig. Wij eren Gods heilige wil in ons Duitser-zijn.’ Hij schrijft daar vervolgens achter aan, dat in dit citaat de natuurlijke liefde voor het vaderland tot een afgod wordt gemaakt. Ik stem van harte met zijn opmerking in, maar vraag mij wel af of wij dit door het ontzaglijke leed van de Tweede Wereldoorlog dit inzicht tot onze schande hebben moeten leren. Het is waar dat wij met de keuze voor een afgod ons leven verspelen. Maar voor ons is het vaak niet gemakkelijk aan te wijzen wat een afgod is.
Ook voor jongeren niet. Zij hebben vaak het idee, dat zij niet door de reclamefolders worden beïnvloed. Wanneer er een tv-spot komt, zappen ze naar eigen zeggen naar een andere zender.
In het eerste gebod gaat het om de eer van God. Eerder schreef ik dat de eer van God voor de reformatorische traditie een kernbegrip is. Voor Calvijn gaat de eer van God gepaard met het welbehagen dat God heeft in mensen. De eer van God maakt mensen zoals ze door God bedoeld zijn. Geen supermensen. Het eerste gebod is een relativering van alle menselijke grootheidswaanzin: wij zijn slechts schepsel en voor Gods aangezicht komen wij het beste tot ons recht. Het eerste gebod is ook een bescherming tegen vernedering: Voor Gods aangezicht staan wij allen op hetzelfde niveau. Niemand mag ons gehoorzaamheid afdwingen: een christen heeft alleen te buigen voor zijn hemelse Heer. Wanneer wij God alle eer geven, worden wij vol op mens.

Vergeven

Vergeven

Als we met elkaar nadenken over de betekenis en de mogelijkheid van vergeving doen we dat omdat de Heere Jezus ons opdraagt om elkaar te vergeven.

Op verschillende plaatsen in Zijn onderwijs komen wij de opdracht ook tegen om elkaar te vergeven. In de gelijkenis van de onbarmhartige knecht bijvoorbeeld. De Heere Jezus vertelt deze gelijkenis als antwoord op een vraag van Petrus: ‘Heere hoeveel keer zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe?’ (Mattheüs 18:21) Dan zegt de Heere Jezus: ‘Ik zeg u: niet to zevenmaal, maar tot zeventig maal zevenmaal.’
Een ander voorbeeld uit het onderwijs van de Heere Jezus is het gebed dat Hij ons heeft geleerd. In het Onze Vader bidden wij: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Elke keer als wij het Onze Vader bidden, geven wij aan de Heere aan
dat ook wij vergeven, die ons iets schuldig zijn.
Die gelijkenis en die bede uit het Onze Vader kunnen bij ons 3 reacties oproepen:
(1) Vergeven is voor een theoretische mogelijkheid. We weten dat we zouden moeten vergeven, maar we weten niet wie ons iets aangedaan heeft. We zijn ons ook niet bewust dat wij een ander iets hebben aangedaan.
(2) We weten dat een ander ons iets heeft aangedaan.  Wij worden opgeroepen om deze ander te vergeven.
(3) De rollen kunnen ook omgedraaid zijn. Niet een ander heeft ons iets aangedaan, maar wij hebben iemand anders iets aangedaan. Wij zijn afhankelijk van de vergeving die een ander aan ons wil schenken.

In onze maatschappij
Vergeving komt niet alleen in de Bijbel voor.  Ook in de wereld om ons heen kan over vergeving nagedacht worden. Vergeving is bijvoorbeeld een heel belangrijk begrip in de hulpverlening. Wanneer in de hulpverlening nagedacht wordt over vergeving
heeft dat tot doel om een relatie tussen twee personen, die beschadigd is geraakt of zelfs verbroken, te herstellen.
Wordt in beide gevallen hetzelfde bedoeld? Als er in de Bijbel gesproken wordt over vergeving, is dan hetzelfde als de hulpverlener zegt dat het beter is als u vergeeft?
Dat hoeft niet direct zo te zijn. Het verwarrende is dat beide soorten vergeving ook door elkaar heen gebruikt kunnen worden, maar dat er ook over en weer geleerd kan worden.
Naast het spreken van de hulpverlening over vergeving kunnen gebeurtenissen in onze maatschappij ons nadenken over vergeving inkleuren en beïnvloeden.
Ik geef twee voorbeelden:
(1) Enkele weken geleden kwam naar buiten dat Michele Martin de mogelijkheid kreeg om uit de gevangenis te komen, op voorwaarde dat zij opgenomen werd in een klooster. Michele Martin is de vrouw van Marc Dutroux, de man die verscheidene Belgische meisjes in zijn kelder gevangen hield, misbruikte en soms ook liet sterven. Martin was veroordeeld wegens medeplichtigheid. Een vrouwenklooster was bereid om haar voor de rest van haar leven op te nemen in haar gemeenschap. Een voorstel van vergevingsgezindheid dat veel verzet in de Belgische maatschappij opriep. Was het voorstel van dit Belgische vrouwenklooster een grootmoedige daad, die in lijn ligt met de opdracht van de Heere Jezus om te vergeven?
(2) Het omgekeerde kan ook. Ook wanneer iemand niet in staat is om te vergeven kan dat verontwaardiging oproepen. ‘Heeft zij dit nog steeds niet vergeven? Draagt zij dit hem nog steeds na?’

Nadenken over vergeving kan dus verwarrend zijn. Als wij met elkaar nadenken over vergeving gaat om de vraag: Wat bedoelde de Heere Jezus toen Hij de opdracht gaf dat wij elkaar moeten vergeven?

Schuld en zonde
Als we ons richten op wat de Heere Jezus bedoelde met vergeving, zullen wij het woord vergeving moeten aanvullen. De Heere Jezus sprak over: vergeving van schuld of vergeving van zonde.
Aan het begin van de lezing haalde ik de gelijkenis van de onbarmhartige knecht aan en de bede van het Onze Vader. In het Onze Vader bidden wij: ‘Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.’ Petrus komt naar de Heere Jezus toe met de vraag: als mijn broeder tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik hem dan vergeven?
Dat is van groot belang in bij ons nadenken over vergeving. De woorden schuld en zonde geven namelijk aan, dat vergeving niet alleen iets is tussen mensen onderling. Vergeving raakt ook onze verhouding met God. Wanneer wij vergeven, is daarmee ook de relatie met God in het geding. Dat komt alles wat er tussen mensen gebeurt ook de verhouding met God raakt. Heel ons leven speelt af voor Gods aangezicht. En God is niet alleen mijn God, maar ook de Schepper van de ander. Ieder mens is beeld van God. Niet alleen ik ben dat, maar ook u
en ook degene met wie het niet goed klikt is een beeld van God. Wanneer ik bijvoorbeeld mijn zus schade berokken door een naar bericht over haar de wereld in te helpen, beschadig ik niet alleen haar als persoon, maar ook haar als beeld van God. Ik zondig niet alleen tegen mijn zus, maar ook tegen (haar) God.

Gods bevoegdheid
Wij zijn door het Nieuwe Testament en door de boodschap van de Heere Jezus eraan gewend geraakt, dat wij kunnen vergeven. Toch is de mogelijkheid dat wij als mensen kunnen vergeven een unieke mogelijkheid die door de Heere Jezus aan ons wordt geschonken.
Denk maar aan die gebeurtenis met de verlamde man, die door zijn vrienden door het dak wordt gelaten. (Marcus 2) De man komt voor de voeten van de Heere Jezus terecht en dan zegt de Heere Jezus als eerste tegen hem: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’
Deze uitspraak van de Heere Jezus roept verontwaardiging bij enkele van de aanwezige Schriftgeleerden. Zij zijn van mening dat de Heere Jezus dat helemaal niet kan zeggen. Ze vinden het godslastering dat de Heere Jezus durft te spreken over vergeving van zonden. Daar heeft Hij helemaal niet de bevoegdheid voor. Alleen God kan de zonde vergeven.
Wanneer de Heere Jezus ons voorhoudt dat wij onze broeder of zuster moeten vergeven, geeft Hij aan ons een taak die normaal gesproken alleen voorbehouden is aan God Zelf. Alleen God Zelf heeft de volmacht om de schuld die Hem is aangedaan te vergeven.
Dat geldt niet alleen voor de zonden die wij Hem aandoen, maar ook de zonden die wij een ander aandoen. Een van de vragen die mij van tevoren is gegeven, was: moeten we altijd vergeven? Het eerste antwoord op deze vraag: Eigenlijk komt het ons niet toe om te vergeven. Dat is een zaak die God aangaat.

Koninkrijk van God
Toch spreekt de Heere Jezus over de mogelijkheid om elkaar te geven. Het is zelfs een opdracht om elkaar te vergeven. Waarom geeft de Heere Jezus aan Zijn discipelen – en aan Zijn kerk – de opdracht om te vergeven? De opdracht om te vergeven heeft te maken met Zijn boodschap over het Koninkrijk der hemelen. We hebben met elkaar een gedeelte gelezen uit Mattheüs 18.
Het gedeelte gaat over wat we moeten doen als een broeder zondigt. Aan het begin van het hoofdstuk spreekt de Heere Jezus over het Koninkrijk der hemelen. De Heere Jezus is naar de aarde gekomen om het Koninkrijk der hemelen te brengen. Om dat Koninkrijk dichterbij te brengen is Hij gestorven. Door te sterven aan het kruis biedt de Heere Jezus aan zondaren de mogelijkheid om dat Koninkrijk der hemelen binnen te gaan. Als de Heere Jezus Zijn discipelen opdraagt om te vergeven heeft dat te maken met het Koninkrijk der hemelen. De Heere Jezus geeft de volmacht om zonden te vergeven, zodat die zonden en schuld naar elkaar toe geen belemmering meer is om het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan.
Wij worden opgedragen om elkaar te vergeven – met als doel dat er ook voor de ander die tegen ons gezondigd heeft redding van verlorenheid mogelijk is. Voordat de Heere Jezus spreekt over de kerkelijke tucht komt de gelijkenis van het verloren schaap aan bod.
In het Mattheüsevangelie eindigt deze gelijkenis met de woorden van de Heere Jezus: Zo is het ook niet de wil van uw Vader, Die in de hemel is, dat een van deze kleinen verloren gaat. De opdracht om te vergeven is dus de opdracht om alles wat in onze macht ligt te doen om de ander, die tegen ons gezondigd heeft, te redden van de eeuwige verlorenheid.
Iemand die tegen ons gezondigd heeft, die ons gekwetst of beschadigd heeft of zelfs misbruikt, heeft iets met ons gemeenschappelijk: wij hebben geen recht om dat Koninkrijk binnen te gaan. De toegang wordt ons geschonken door de genade van de Heere Jezus. Het bijzondere van die genade is, dat wij daardoor ook veranderd worden. Net als de hemelse Vader willen wij niet dat de ander verloren gaat.

God doet recht
Vergeven is echter niet hetzelfde als vergeten. Vergeven is niet hetzelfde als met de mantel der liefde bedekken.  In het gedeelte over de kerkelijke tucht staat: ga naar hem toe en wijs hem terecht tussen u en hem alleen. Het woord dat hier gebruikt wordt met terechtwijzen (de ‘oude’ StatenVertaling heeft ‘bestraffen’) heeft de betekenis van ‘iemand overtuigen van zijn of haar schuld’.
De Heere Jezus zegt hier: ga naar iemand toe en zeg hem dat hij door de zonde die hij jou heeft aangedaan niet voor God kan komen.  Degene die gezondigd heeft, moet tot inkeer komen. Iemand die op deze manier naar zijn broeder of zuster toe stapt, is als een gezant van God om de ander op te roepen tot bekering. Zoals de profeet Nathan koning David bestrafte omdat hij zich vergrepen had aan Uria en aan Bathseba.
Een rode draad in het evangelie van Mattheüs is het laatste oordeel. Aan het einde van de tijden zal de Heere Jezus terugkomen als rechter. Iedereen zal rekenschap afleggen voor de Heere voor alles wat hij of zij in het leven heeft gedaan. En dan zal de Heere rechtspreken.
In datzelfde evangelie zegt de Heere Jezus ook, dat God in het verborgene ziet. God kent de harten, de intenties die voor ons verborgen zijn. De Vader in de hemel ziet de zonden in het verborgene.
Als ik mijn zus kwaad berokken zonder dat zij er erg in heeft, ziet God dat. Alle wonden, alle beschadigingen die zijn aangericht zullen dan aan het licht komen. Ons levensboek gaat open.
Wat een ander ons heeft aangedaan, komt aan het licht. Wat wij een ander hebben aangedaan, komt ook aan het licht.
Dat is een spannend gegeven. Veel misbruik, veel beschadigingen en zonden gebeuren immers in het verborgene, zonder dat iemand er weet van heeft. Maar God ziet het wel. Al grijpt Hij nu niet in, in het laatste oordeel komt Hij er wel op terug. God is een God die recht doet aan eenieder – zowel aan de slachtoffer als aan de dader.

Altijd vergeven?
Moeten wij altijd vergeven? Wanneer wij zouden zeggen dat iemand onder alle omstandigheden zou moeten vergeven, halen wij het evangelie onderuit. Vergeving is geen vanzelfsprekendheid, maar een genadig geschenk – de kracht van de Heilige Geest die aan een slachtoffer gegeven wordt.
Zoals wij niet automatisch vergeving krijgen van God wanneer wij er om vragen, zo krijgt een dader niet automatisch vergeving van een slachtoffer.
Wanneer wij zeggen dat wij onder alle omstandigheden moeten vergeven veranderen wij de genade die de Heere geeft aan een slachtoffer om te kunnen vergeven in een menselijke prestatie (waarmee wij onze zaligheid zouden verdienen of waarmee wij onze zaligheid in de weg zouden staan).[1]  
Dat is gevaarlijk, want daarmee zeggen we tegen een slachtoffer: als jij niet kunt vergeven, sta je in schuld bij God. Als we zeggen: “Je moet onder alle omstandigheden vergeven”, praten we een slachtoffer een schuld en een schuldgevoel aan.[2] Iemand is al beschadigd en krijgt ook nog eens de last erbij van het-niet-kunnen-vergeven. Het kan zijn dat iemand zo beschadigd is, dat hij of zij niet kan vergeven. Wie misbruikt is of thuis nooit liefde ontvangen heeft, heeft daar levenslang de last ervan te dragen. Wanneer ik kijk naar het optreden van de Heere Jezus, denk ik dat Hij er begrip voor heeft als iemand niet kan vergeven.
De opdracht om te vergeven raakt wel onze trots en zelfbehoud. Wanneer wij ons te goed voelen om de ander te vergeven, ons meer voelen dan degene die tegen ons gezondigd heeft, zondigen wij zelf. In dat geval vraagt de Heere Jezus van ons om onszelf te verloochenen. Het klassieke avondmaalsformulier kan ons hier verder helpen. In het avondmaalsformulier wordt gezegd
dat wij door de Heilige Geest een nieuw leven ontvangen. Wanneer wij wat beschreven wordt in het avondmaalsformulier toepassen op vergeven, gaat het erom dat wij de intentie hebben,
het voornemen om een ander te vergeven. Als christelijke gemeente moeten we er begrip voor hebben dat iemand wel de intentie heeft om te vergeven, maar door de beschadigingen niet in staat is om te vergeven.

Wraakpsalmen
Vergeving heeft te maken met wat anderen ons aandoen of wij anderen aandoen. Vaak wordt over vergeving nagedacht. Wat is echter niet de enige lijn, die in de Bijbel naar voren komt als het gaat om slachtoffers en daders.
Er is nog een andere lijn – en dat is in het kader van vergeving wellicht een verrassend inzicht – namelijk: de wraak van God.

O God, breek hun tanden in hun mond,
breek de hoektanden van de jonge leeuwen stuk, Heere
. (Psalm 58:7)

Soms kan het gebeuren dat iemand in je leven huishoudt, zoals een leeuw zijn prooi verscheurt. Is dat niet zo als iemand je misbruikt, dat hij je dan als een leeuw verscheurt?
Is dat niet zo als iemand je stalkt of voortdurend allerlei laster over je rondstrooit waartegen je weerloos bent?
Heeft de Heere Jezus met Zijn opdracht om te vergeven de wraakpsalmen niet buiten spel gezet? Nee. Met een wraakpsalm grijpen wij niet zelf naar de wraak. Wij zijn niet als Lamech die zichzelf wreekt – zelfs zevenvoudig. Maar wij leggen de wraak in Gods hand. Als wij onszelf zouden moeten wreken, zouden wij wellicht meer kapotmaken dan een ander bij ons kapot gemaakt heeft. Door de vragen of God ons wil wreken, leggen wij onze zaak in handen van de rechtvaardige God,  die rechtspreekt over ons en de ander.
De profeet Zacharia moet namens de Heere zeggen: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden. Deze tekst komt terug in Romeinen 12: Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen. Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe. Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
Manfred Josuttis vertelt bij deze tekst een verhaal dat hij hoorde van iemand van een telefonische hulpdienst. Deze vrijwilligster had een kerkelijke opvoeding gehad, maar had er mee gebroken. Op een avond kreeg zij een telefoontje van een vrouw, die op het punt stond haar man en zijn minnares te vermoorden. De vrijwilligster van de telefonische hulpdienst wist eerst niets te zeggen, maar zei (tot haar eigen verbazing) de tekst uit Zacharia tegen deze vrouw: ‘Mij komt de wraak toe. Ik zal het vergelden, spreekt de Heere.’ Aan de andere kant klonk een zucht van verlichting. De vrouw die zei dankbaar: ‘Dit is wat ik nodig heb. Bedankt!’

Niet willen inzien
Nu maakt het heel erg uit welk perspectief wij kiezen. Bij vergeving gaat vaak de aandacht uit naar het slachtoffer die moet of zou moeten vergeven. Wij zijn lang niet altijd slachtoffer. Soms kunnen wij ook dader zijn. Of slachtoffer én dader. Patronen van misbruik en verwaarlozing kunnen soms ook weer aan kinderen doorgegeven worden. Of dader kan zelf slachtoffer geweest zijn.
Het kan ook zijn dat een dader zich in een slachtofferrol plaatst. Een dader van seksueel misbruik kan bijvoorbeeld zeggen: ‘Dat meisje heeft mij in de verleiding gebracht.’ Een dader kan zo de schuld van zich afschuiven door niet verantwoordelijk te willen zijn voor zijn daad. Een dader kan zelfs misbruik maken van vrome taal of kerkpolitieke discussies om zijn eigen gelijk te bewijzen of een slachtoffer in zijn of haar greep te houden. De Heere Jezus zegt dat iemand terechtgewezen of bestraft moet worden. Met andere woorden: iemand blijft verantwoordelijk voor de daden die hij of zij doet.
Het schrijnende bij seksueel misbruik is dat een dader vaak niet wil inzien wat er verkeerd is aan zijn vergrijp. Zolang een dader niet inzien welke daad hij verricht heeft, welke psychische en lichamelijke schade hij heeft aangericht, welke levenslange ballast hij een ander heeft opgelegd, lijkt mij dat er van vergeving geen sprake kan zijn.
Het enige wat een slachtoffer kan doen is zijn of haar zaak in handen van God leggen, die rechtvaardig zal oordelen.

En als wij vergeving nodig hebben?
Niet iedereen zal te maken hebben met zulke schrijnende situaties van misbruik. Voor de meesten zal vergeving te maken hebben met de contacten met familie, buren, collega’s. We moeten ons dan voor waken te gemakkelijk in de slachtofferrol te kruipen. Hoe gemakkelijk is het niet om een ander te beschadigen?
Daarom is de vraag niet alleen: kunnen wij een ander vergeven? Maar ook: wat betekent het om te leven van de vergeving die een ander ons schenkt? Wat als wij vergeving moeten ontvangen voor wat wij een ander hebben aangedaan? Zondigen tegen een ander is niet iets dat ons overkomt, maar een daad waar wij verantwoordelijk voor zijn en gehouden zullen worden. (Kenmerk van de zondaar, dat hij dat wellicht niet waar wil hebben…)
In het Dienstboek (1998) staan enkele gebeden van toenadering en schuldbelijdenis, die voor de eredienst bedoeld zijn:

Zie ons aan zoals wij zijn: vol van onszelf
met de last van het verleden op onze schouders
Vergeef ons Heer….

Voor U belijden wij, almachtige God,
voor heel uw kerk en voor elkaar
belijden wij dat wij gezondigd hebben
in gedachte, woord en daad,
(naar een ander toe)
in het kwade dat wij gedaan hebben
in het goede dat wij hebben nagelaten
(naar een ander toe)
Vergeef ons Heer…

Wie kan onze schuld afnemen die wij naar elkaar hebben? Als we naar elkaar toe tekortgeschoten zijn of tegen elkaar gezondigd hebben? Laten wij ons aanspreken op wat wij een ander hebben aangedaan? Wat als wij afhankelijk zijn van de vergeving van onze dochter, onze buurvrouw, onze vriendin, onze collega, onze vijand? Ik laat het maar als vraag staan…

[Tot slot: Het einde van de lezing laat zien, dat de onderlinge vergeving niet kan zonder het zoeken van Gods wil in gebed. Vergeven gaat ook samen met het gebed om de Heilige Geest: wilt U mij leren om Christus na te volgen. Wilt U in mij komen om mij op deze weg te helpen. En gebed om Gods ontferming: Heere, ontferm U over iedereen die slachtoffer is en beschadigd is en breng daders tot inkeer.]

Lezing voor de regionale vrouwenverenigingen Noord-Oost-Veluwe

 


[1] In theologisch taalgebruik: het evangelie om elkaar te vergeven wordt veranderd in een wet om elkaar te vergeven. Het veranderen van evangelie in wet verandert het karakter van het evangelie (namelijk als genadig geschenk) in een moralistische boodschap. Deze moralistische boodschap staat juist haaks op wat het evangelie inhoudt. De opdracht om te vergeven gaat samen met het geschenk van de Heilige Geest (die de Geest van Christus is) om te kunnen vergeven. Wanneer het evangelie in een wet veranderd wordt, vergeet men dat de Heilige Geest geschonken wordt.

[2] Deze opmerking riep discussie op. Zegt de Heere Jezus niet dat wij 70 x 7 moeten vergeven? Ik wil van deze opdracht ook niets afdoen. Deze opdracht blijft gelden bij familieconflicten, kerkscheuringen, burenruzies. Wat ik wilde aangeven, is: sommige mensen kunnen door het misbruik dat hen is aangedaan niet meer vergeven. Hun wil is daarvoor te sterk beschadigd.

Die Reformatoriese Tradisie as ’n Teologie vir Jongmense

Die Reformatoriese Tradisie as ’n Teologie vir Jongmense

Die Gereformeerde Protestantisme het ontwikkel as ’n stroming naas ander strominge soos die Lutherane, Rooms-Katolieke en Anglikane. ’n Gereformeerde kerk is ’n Christelike Kerk, dit wil sê ’n kerk onder haar hoof, Jesus Christus. Christus is verhoog in die hemel, maar tegelyk by sy kerk op aarde aanwesig.

Gereformeede kerke was daarom van oorsprong af ekumenies ingestel: een van die belangrikste belydenisskrifte is vir ’n groot deel deur ’n Lutheraan opgestel (Die Heidelbergse Kategismus). Wanneer ’n nuwe geloofsbelydenis opgestel word, word daar nie gesoek om die eie kerk te verdedig nie, maar word daar saam met andersoortige kerke gesoek na die waarheid van die Evangelie. Dit gaan om die belydenis van Christus as Hoof van die kerk en as Heer.

Wat hou die terme reformatories of Gereformeerd in? Dié aanduiding beteken vernuwend en is ’n onderdeel van ’n langer sin: gereformeerd beteken vernuwend volgens en deur die Woord van God. Die Woord van God is die norm van die vernuwing, maar ook die veroorsaker van die vernuwing. Deur die Woord van God word die kerk geskape en deur dieselfde Woord word die kerk telkens weer nuutgemaak.

Die gereformeerde tradisie en vormgewing van die kerk kan daarom nie as afgehandel beskou word nie. Dit geld die geloofsbelydenis, die manier waarop die kerk bestuur word en die invulling van die erediens.. Die kerk moet telkens van voor af deur en ooreenkomstig die Woord nuutgemaak word.

Die Gereformeerde tradisie gaan daarvan uit dat God deur sy Woord tot ons praat. Die Skrif is daarom nie alleen ’n historiese dokument nie, maar die Woord waarmee die Here ook in die hede praat en waarmee Hy in sy gemeente en in die lewe van gelowiges werk. Die gelowiges het ontsag vir hierdie spreke van die Here en laat hulle daardeur in gehoorsaamheid lei.

Die reformatoriese tradisie is derhalwe by uitstek geskik as ’n teologie vir jongmense. Hierdie tradisie is naamlik nie gerig om die handhawing van homself nie, maar soek in elke tydsgewrig na die eer van God. Die inkleding van die erediens, die geloofsbelydenis, die riglyne vir die daaglikse lewe kan nie deur die tradisie bepaal word nie, maar moet telkens weer deur die eerbiedige luister na die spreke van God in sy Woord gesoek word. Die reformatoriese tradisie bied vir jongmense ’n geestelike tuiste by Christus en in die Skrif, maar leer tegelykertyd die jongmense om krities te bly ten opsigte van hulle eie tradisie en ten opsigte van die wêreld waarin hulle leef.

’n Bykomende voordeel is dat die gereformeerde tradisie reeds ervaring opgedoen het oor hoe om in ’n tyd van sekularisasie en kritiek op die Christelike geloof tog die Here te bly dien. Gereformeerdes word al vir ’n lang tyd vervolg en teen gediskrimineer. Van hulle oorsprong af is hulle gewoond om vanuit ’n gemarginaliseerde posisie terwyl hulle openlik bespot word, Christus te dien. Selfs al verloor hulle gereeld hulle poste of hulle lewens, bly hulle bereid om God en die samelewing te dien. Hierdie manier van doen help jongmense om in belangrike poste hulle werk getrou te doen sonder om verbitterd te raak oor die aanvalle op hulle Christelike geloof.

Met dank aan dr. Wouter van Wyk, Sekretaris: Toerusting, Inligting en Kommunikasie van de Nederduitsch Hervorme Kerk van Afrika – voor de vertaling en de publicatie in het kerkblad e-Hervormer