Preek Goede Vrijdag 2020

Preek Goede Vrijdag 2020
Schriftlezing: Lukas 23:33-49

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het was een bijzondere dag, toen dat kruis op Golgotha stond.
Dat kruis op Golgotha, waaraan de Zoon van God hing, veranderde de wereld.
Dat het kruis met Christus eraan zo cruciaal was voor de geschiedenis van onze mensheid
was voor de meeste toeschouwers op die dag niet te zien.
Zij konden alleen maar de spot drijven met die Man,
die Zich had voorgedaan als de Zoon des mensen, die als koning der Joden werd gezien.
De leerlingen konden ook niet zien wat het kruis op Golgotha betekende
voor hen en voor de gehele wereld en alle mensen die ooit geleefd hebben of zullen leven.
Zij konden alleen maar het verschrikkelijke zien, het einde van hun samenzijn met Jezus,
het einde van het leven van hun Meester in wie zij geloofden.
Pas nadat hun Heer uit de dood was opgestaan, was opgewekt konden zij begrijpen
dat hun Heer aan het kruis op Golgotha de macht van de duisternis verbrak.
Daarom kan deze dag, waarop we het sterven van Christus gedenken,
Goede Vrijdag noemen: een dag die zoveel goeds voor ons als mensen bracht.
Geen dag bracht meer goeds voor ons.
Dit is geen dag om te treuren, al mogen we er bij stil staan hoe diep Jezus moest gaan,
hoeveel Hij moest lijden om de macht van de boze te breken.
Dat Hij die macht alleen maar kon verbreken, ons alleen maar kon bevrijden
door Zijn leven te geven, door te sterven, door af te dalen in het rijk van de dood.
Als Lukas vertelt over het gebeuren op Golgotha wil hij dat ons ook laten zien:
Christus’ overwinning op de macht van de boze,
zodat wij geloven in Christus, zodat wij ons ook laten bevrijden uit die macht van de boze
en weer bij God gaan horen, door Christus in Gods gemeenschap leven.

Eerst lijkt het erop dat de boze gaat winnen en de duisternis het gaat winnen.
De menigte riep dat Jezus aan het kruis moest worden geslagen
en Pilatus geeft zich gewonnen en laat Bar-Abbas gaan
en geeft Jezus mee om gekruisigd te worden.
Lukas beschrijft in slechts een enkele zin wat er gebeurde:
Als ze op de heuvel aankomen, waar veroordeelden werden gekruisigd,
dezen ze met Jezus precies hetzelfde: ze maken Hem aan het kruis vast,
door Zijn handen en voeten te binden, of door Zijn handen en voeten vast te nagelen
en daarna het kruis met Jezus op te richten, zodat Hij daar hing tussen hemel en aarde.
De aarde wilde Hem niet meer, verbande Hem van de aarde en de hemel nam Hem niet op.
Uitgestoten van zowel aarde en hemel, hangend in een niemandsland.
Het kruis: een ergere dood kon je niet sterven,
want deze dood aan het kruis nam alle menselijke waardigheid van de gekruisigde af.
Dat was de betekenis van het kruis: degene die hier aan hangt,
is het niet meer waard om een mens genoemd te worden.
Niet door ons als mensen en en ook niet door God.
Daar hangt Jezus, met aan beide kanten van Hem een misdadiger.
Terwijl Jezus daar aan het kruis gebracht wordt en het kruis omhoog getild wordt,
spreekt Hij woorden uit, die niet zozeer voor mensen bedoeld zijn, maar voor Zijn Vader.
Een eerste teken dat de duisternis het niet gaat winnen op die heuvel.
Zo is Jezus koning, ook aan het kruis. Hij regeert met Zijn woorden
en Zijn woorden, die altijd de kracht hadden om zieken te genezen,
blinden de ogen te openen, doven hun gehoor terug te geven, doden op te wekken,
Zijn woorden hebben nu ook nog kracht, nu Hij aan het kruis geslagen is,
als Hij aan het kruis bidt tot Zijn Vader: Vader vergeeft het hun.
Dat is de reactie van de Zoon van God als Hij wordt afgewezen, wordt verstoten.
Hij doet wat Zelf wat Hij Zijn leerlingen heeft voorgehouden:
Maar Ik zeg tegen u die dit hoort: Heb uw vijanden lief; doe goed aan hen die u haten.
Zegen hen die u vervloeken, en bid voor hen die u belasteren.
Zo was het al aangekondigd toen de profeet sprak over de Knecht des Heeren
die zal lijden voor het hele volk: Hij heeft voor de overtreders gebeden.
Terwijl het duister wordt op Golgotha, omdat een wrede executie wordt uitgevoerd
en alle omstanders alleen maar kunnen spotten met die Man die daar hangt,
wordt in die woorden zichtbaar hoe Christus aan het kruis de duisternis doorbreekt
en sterker blijkt te zijn dan de macht van de boze.
Jezus bidt voor degenen die Hem aan het kruis brengen.
Zijn woorden zijn niet maar een vrome wens, Jezus die hoopt dat Zijn gebed wordt gehoord.
Nee, Zijn woorden hebben kracht en komen in de hemel aan
En worden verhoord omdat Jezus ze uitsprak, de Zoon des mensen,
de hemelse Rechter die over mensen oordeelt: Vader, vergeef het hun.
Zo regeert God door Christus: door Zijn liefde die redt.
Zo laat Christus Zijn macht aan het kruis zien:
Niet als geweldenaar die degenen die Hem aan het kruis bracht neerslaat,
maar voor hen bidt, zodat ook zij bevrijd kunnen worden uit de macht van de zonde,
Die boze macht, die hen tot deze daad aanzet, waardoor ze niet weten wat ze doen.
Zij weten niet wat ze doen. Terwijl ze als beul zijn opgeleid
en heel goed weten hoe ze iemand aan het kruis moeten slaan
zegt Christus dat ze niet weten wat ze doen en bidt daarom om vergeving.
Bidt Jezus voor de soldaten? Of bidt Hij ook voor de omstanders die spotten?
Bidt Hij voor de leiders van het Joodse volk die Hem aan het kruis hebben gebracht?
Ze weten niet wat ze doen, omdat ze niet weten Wie Jezus is. Ze kunnen het niet geloven.
Ze weten niet wat ze doen, omdat ze niet weten van het doel van Jezus’ komst,
Zijn missie om naar de aarde te gaan, Zijn weg naar Jeruzalem om te lijden en te sterven.
Dat is de slag die Jezus terugslaat, Zijn manier om de duisternis te breken,
om te bidden dat de zonde die hen gevangen houdt hen moet laten gaan
en dat er vergeving is voor al degenen die betrokken zijn bij Zijn kruisiging.
Zonder dat er sprake is van berouw. Zonder dat ze inzien wat ze doen.
Hij heeft voor de overtreders gebeden – en zo vervult de Knecht des Heeren Zijn taak,
laat Hij zien waarom Hij op aarde gekomen is.
Vergeving van zonden – dat is dat je daden je niet meer aangerekend worden.
Dat betekent dat ze niet meer tussen jou en God in staan.
Dat ze niet meer in rekening worden gebracht.
Ook die concrete daad, dat ze Jezus de nagels door Zijn handen en voeten sloegen,
ook dat roepen om Zijn dood aan het kruis, hun afwijzing van de door God gezondene.
Ook de gevolgen die dat had voor de relatie met God, de breuk die er was.
Daarom staat het kruis op Golgotha en daarom hing Jezus daar en gaf Zijn leven.
Zodat die zonden vergeven konden worden.
Zodat ook onze zonden vergeven kunnen worden.
Dat is wat het kruis zo cruciaal maakt, zo alles bepalend voor onze geschiedenis,
voor alle mensen die leven en geleefd hebben:  dat dit gebed ook voor ons geldt,
omdat Jezus Zijn leven ook voor ons gegeven heeft,
zodat ook voor ons die vergeving, die Jezus gebracht heeft, kan gelden.
Vader, vergeef het hun.
Jezus die bij Zijn hemelse Vader aanklopt, een appèl doet, bidt om vergeving.
Dat is een gebed, waarmee Jezus bidt dat ook wij, die veel later leven
en via de verhalen over de Bijbel horen over de kruisiging, die vergeving mogen ontvangen
en dat ook voor ons geldt dat onze zonden en alles wat we verkeerd hebben gedaan,
van ons afgenomen kan worden, vergeven kan worden, ons niet meer aangerekend worden.
Jezus brengt de soldaten, de Joodse leiders, het volk, iedereen brengt Hij bij Zijn Vader.
Ook ons brengt Hij bij Zijn Vader in de hemel: Vader, vergeef het hun.
Jezus’ woorden hebben macht, nog steeds.
Zoals het kruis en Zijn dood daaraan nog steeds effect heeft.
Jezus’ woorden aan het kruis halen ons uit de macht van de zonde
en Jezus’ sterven, Zijn overgave aan het kruis, zorgt ervoor dat er voor ons vergeving is.
Vader, vergeef het hun, want Ik heb Mijn leven gegeven.

Het bijzondere van het gebed van Jezus aan het kruis is dat er geen sprake is van berouw.
Dat heeft in de exegese voor aarzeling gezorgd: gaat het niet te makkelijk?
In de Bijbel moet toch altijd besef zijn van wat je gedaan hebt,
om van je zonden bevrijd te kunnen worden, is het toch noodzakelijk dat je berouw hebt.
Net als de zoon in de gelijkenis: Vader, ik ben het niet waard uw zoon genoemd te worden.
Of als die tollenaar in de gelijkenis: O God, wees mij zondaar genadig.
Dat ontbreekt hier: geen enkel besef dat ze iets verkeerds doen.
Dat komt pas later, op het tempelplein als Petrus tegen de mensen zegt:
Jullie hebben de messias gekruisigd, de Zoon van God, de door God gezondene.
Hier nog geen enkel inzicht.
Alleen de hamerslagen van de soldaten, die de spijkers door de handen en voeten slaan.
De soldaten die alleen maar een misdadiger zien, die ze moeten kruisigen.
Alleen de spot van de omstanders: Hij kan zichzelf niet eens redden,
ook al heeft Hij in Zijn leven zoveel anderen gered.
Bartimeüs heeft Hij gered. Zacheüs heeft Hij gered. Waarom Zichzelf dan niet?
Ze weten niet wat ze doen: Ze kunnen alleen maar Jezus afwijzen en bespotten.
Ze kunnen nog niet zien dat Hij daar hangt voor hen,
om de duisternis die hen gevangen houdt voor hen te verbreken,
de macht van de boze, waardoor ze niet weten wat ze doen,
omdat hun ogen verblind zijn en hun hart verhard.
Gelukkig is dat niet het laatste woord, want na Pinksteren blijkt
dat ook van deze mensen het hart verbroken kan worden en open kan gaan,
er geloof en berouw komt, bekering tot Christus.
Hier al is het gebed dat wat ze doen aan Christus hen niet aangerekend wordt,
Dat ze de gevolgen niet hoeven te dragen en dat ze bevrijd kunnen worden.
Paulus schrijft er over in Romeinen 5: God bevestigt Zijn liefde voor ons
dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.
Toen die mensen bij het kruis het nog niet door hadden
was Christus al voor hen gestorven.
Voordat wij begrepen dat het nodig is dat wij van die macht bevrijd worden
en losgemaakt worden uit de klauwen van de zonde
en hun schuld heeft weggedragen, nog voordat ze door hadden wat ze deden.
Dat is het wonder van het kruis. Dat is de genade van God.
Dat Hij al met ons bezig is en voor ons bezig was, voordat wij beseften,
voordat wij door hadden dat onze zonde van ons afgenomen moest worden
en voordat wij begrepen dat wij weer thuisgebracht moeten worden.
Vader, vergeef het hun. Toen is er al voor ons gebeden.
Toen al is dat gebed van Jezus voor ons verhoord, zodat wij ook zouden geloven,
Zodat ook wij die redding zouden ontvangen, die Jezus Zichzelf ontzegde.
Zodat wij het gaan beamen: Daar hing Hij voor ons, ook al hadden we dat eerst niet door.
Dat we het geloven: Hij droeg mijn schuld weg en zorgde ervoor dat Zijn Vader
ook mijn Vader in de hemel weer kon worden
en wij net als Jezus onze geest in Gods handen kunnen leggen als we sterven,
omdat we mogen weten dat God ons in Zijn heerlijkheid opneemt
en niet meer zal veroordelen, omdat Zijn Zoon dat oordeel gedragen heeft.
Voor die moordenaar klinkt het niet veel later:
Heden zult u  met mij in het paradijs zijn.
Onbegrijpelijk: iemand die een moord op zijn geweten heeft,
niet terugdeinsde om een gruwelijke daad te verrichten,
een familie in het verdriet heeft gestort door het leven van iemand te benemen,
een daad die wordt vergolden met de dood aan het kruis,
krijgt van Jezus te horen dat hij mee mag naar het paradijs,
Terwijl nog niet duidelijk is dat zijn berouw ook echt is en beklijft
en bereid is om het goed te maken.
Wij kunnen onze verkeerde daden ook niet goed maken.
We kunnen iets terugdoen, iets repareren, maar het helemaal goed maken
lukt niet, omdat er altijd de gevolgen zijn van onze zonden.
We kunnen alleen maar verder als ons vergeven wordt.
Dat kan alleen maar als Jezus Zijn leven geeft aan het kruis,
Als Hij met het offer van Zijn leven de macht van de duisternis breekt en ons bevrijdt.
Er moet eerst iets rechtgezet worden naar God toe
En omdat wij dat niet kunnen, doet God dat zelf, door Zijn Zoon te zenden.
Met Zijn dood verbreekt Jezus die duisternis, de macht van de boze,
Met Zijn dood zet Jezus de gevolgen van onze daden recht:
Dat wij tegen God kozen, de spot die er was, de afwijzing bij het kruis.
Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
Zij weten niet wat ze doen, omdat dit Gods weg was met Jezus.
Zijn Zoon die gezonden is, naar de aarde kwam met dat doel: het kruis.

Zijn missie is geslaagd. De strijd gestreden. De overwinning behaald.
Jezus kan het nu overgeven in de handen van Zijn Vader.
Het is goed zo. Het is volbracht.
De uittocht kan beginnen uit het rijk van de duisternis, uit de macht van de boze,
uit de macht van de zonde en de dood.
Vader, Ik kan Mij nu overgeven aan U. In Uw handen beveel Ik Mijn Geest.
Hiervoor moest Jezus komen en het is gebeurd.
We kunnen er alleen maar gelovig amen op zeggen.
We kunnen alleen maar ons in diepe dankbaarheid, diepe ootmoed overgeven,
vol verwondering, dat God dat voor ons over had en dat Jezus wilde gaan
en Zich niet heeft laten weerhouden of afleiden.
We zien bij de menigte, bij de Romeinse hoofdman na de dood van Jezus
dat ze beseffen dat er iets bijzonders is gebeurd, dat ook hen raakt.
Dit is geen gewone dood. Voorzichtig begint er iets te dagen van wat ze hebben gedaan.
Straks op het Pinksterfeest wordt het duidelijk:
Als Petrus hen voorhoudt wat ze hebben gedaan.
Maar dan is er voor hen ook die vergeving, waar Jezus voor gebeden heeft aan het kruis.
Vergeving, ook voor ons.
Want u komt de belofte toe, en uw kinderen en allen die veraf zijn,
zovelen als de Heere onze God naar zich toeroepen zal.
Amen

Preek zondag 5 april 2020

Preek zondag 5 april 2020
Lukas 23:1-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er is een grote mensenmassa op de been.
Aan de kleren te zien zijn het vooral belangrijke mensen die daar door de straten gaan.
Hun gezichten staan boos en ze schreeuwen vol verontwaardiging.
Voor aan de menigte wordt één man meegesleurd.
De woede van de menigte richt zich op Hem.
Met wat deze Man gezegd heeft, heeft Hij hen op de ziel getrapt
en heeft een grote woede in hen boven geroepen die niet meer te beteugelen is.
Hij heeft zich vergrepen aan het meest heilige dat er bij hen is: de naam van God.
Hij heeft gezegd dat Hij uit de hemel gekomen is om over hen te oordelen
en dat het moment snel aanbreekt dat ze Hem in de hemel zullen zien
waar Hij over hun daden zal oordelen.
Deze man uit de hemel gekomen? Aan God gelijk? Zoon van God?
Dat had Hij niet moeten zeggen. Daarmee is Hij een grens overgegaan, te ver gegaan.
Dat Hij op een ezel de stad was binnengereden, hadden ze mooi gevonden
en ze hadden meegedaan met al die mensen die langs de kant stonden en Hem toezongen:
De Redder die door God wordt gezonden. Hosanna, Hij die komt in de naam des Heeren!
Dat had hoop gegeven: deze Man zou wel eens door God gestuurd kunnen zijn
om hun volk bij God terug te brengen en de beloofde verlossing te brengen.
Nou ja, niet iedereen was zo enthousiast over de manier waarop Hij de stad binnenkwam.
Er waren Farizeeën die hun bedenking hadden
en op Hem af stapten met de vraag of Hij de mensen niet het zwijgen op moest leggen.
Toen Hij in de tempel tekeer ging en de handelaars uit de tempel verjoeg
waren er leiders onder de priesters die op dat moment al vonden, dat Hij te ver ging
en een gevaar vormde voor de stad.
Er was maar een oplossing: deze Man moest dood voor Hij meer problemen veroorzaakte,
voordat de Romeinen zich door de onrust genoodzaakt zagen hard in de stad in te grijpen.
Ze moesten zich echter inhouden en Hem zijn gang laten gaan.
Zij hadden het gevaar al gezien toen Hij op die ezel de stad binnenkwam.
Zij moesten wachten tot die anderen, die nog wel iets in Hem zagen,
ook door hadden dat deze Man de messias niet kon zijn, maar een gevaarlijke bedrieger
die er niet alleen voor zou zorgen dat de Romeinen hard zouden ingrijpen
en een nog stevigere greep op het bestuur zouden krijgen dan ze al hadden,
maar ook dat deze Jezus er ook voor zou zorgen dat het volk bij God vandaan ging.
Teveel mensen zagen in deze Man een door God gezondene,
de Koning die aangekondigd was om weer namens God te gaan regeren in Jeruzalem.
Hoe konden ze die mensen uit de droom helpen en laten zien wie die Jezus werkelijk is?
Nu ze Jezus hebben horen spreken, hebben ze niets meer nodig.
Want Hij noemde zichzelf de hemelse Rechter die over hen zou oordelen,
de Zoon des mensen. Gods eigen Zoon die in de hemel Zijn plaats had.
Daar gaat de woedende menigte.
Groeperingen die normaal gesproken elkaar niet vertrouwden, zijn nu een eenheid:
Farizeeën en Schriftgeleerden, overpriesters en sadduceeën –
ze zijn allemaal eens in het oordeel: deze Mens mag niet blijven leven.
Ze zouden Hem het liefst zelf willen doden, als ze in de gelegenheid waren.
Dat kunnen ze echter niet zelf.
Ze hebben die bevoegdheid niet, omdat ze geen eigen koning hebben,
maar onderworpen zijn aan de macht uit dat verre Rome,
wiens soldaten hier de baas zijn en wiens gouverneur Pilatus bepaalt wat er gebeurt.
Deze menigte, van wie er wellicht heel wat de woorden van Jezus hebben gezien,
die hebben gezien wat voor wonderen Hij verrichtte:
zieken genas, blinden als Bartimeüs het zicht gaf, Zacheüs tot inkeer bracht,
deze menigte doet wat Jezus al aankondigde voor Hij naar Jeruzalem ging:
Ze zullen de Zoon des mensen in handen van de heidenen geven.
Ze zullen de Zoon des mensen, de door God gezonden hemelse Rechter van zich afstoten,
overdragen in handen van degenen die God niet kennen en dienen,
zodat zij, zijn eigen volk – Gods volk dat deelde in Gods verbond, van Hem af waren.
Dat is wat er gebeurt als de menigte al schreeuwend van woede door de straten trekt
tot ze bij het paleis van Pilatus eindigen, waarbij het geschreeuw niet ophoudt,
maar alleen maar toeneemt om Pilatus te laten weten dat het hen menens is.
Wil Pilatus er wat aan doen, dan moet hij beseffen hoe gevaarlijk deze Jezus is.
Pilatus krijgt de opgewonden menigte te zien, die een Man zijn paleis induwt
en hem allerlei heftige beschuldigingen voor de voeten werpt.
Deze Man? Hij trekt al drie jaar rond door ons land om dit volk wijs te maken
dat ze de keizer in Rome niet moeten dienen.
Hij vertelt over een koninkrijk dat botst met de macht van de keizer in Rome.
Zijn woorden hebben invloed. Er zijn er heel wat die in Hem geloven
En die hun hoofd op hol laten jagen door deze man.
U moet ingrijpen voor Hij aan het hoofd van een heel leger opstandelingen staat.
Dat is nog niet het enige dat Hij de mensen wijsmaakt.
Hij is ook heel scherp als het gaat om belasting betalen.
Waar Hij ook maar komt, vertelt Hij dat de mensen vooral geen belasting moeten betalen.
Hij is daar heel scherp in. Hij verbiedt het.
Het is tegen Zijn principes dat er geld naar het heidense Rome gaat.
Hij ziet zichzelf als de Messias, door God gestuurd om het volk te bevrijden.
Hij zegt van zichzelf dat Hij koning is, koning der Joden.

Terwijl die menigte voor het paleis van Pilatus staat te schreeuwen
en de geluiden wel binnen in het paleis moeten komen,
neemt Pilatus Jezus mee voor een verhoor.
Hij heeft voor Jezus maar één vraag: Zie jij jezelf als koning der Joden?
Dat is de enige vraag die Pilatus voor Jezus heeft.
Het antwoord van Jezus is niet heel duidelijk: u zegt het.
Pilatus kan er nog alle kanten mee op.
Het kan spottend bedoeld zijn: gelooft u nu echt wat zij zeggen?
Zie Ik er als een koning uit? Mooie koning die door zijn eigen onderdanen verraden wordt.
Het kan ook zijn dat Jezus het als bevestigend antwoord geeft: je hebt gelijk. Ik ben koning.
Voor Pilatus is het echter duidelijk. Met zijn ervaring ziet hij dat zo.
Deze Mens die hier voor hem gebracht wordt, daar heeft hij geen gevaar van te duchten.
Hoe ze ook tekeer gaan buiten en hun verontwaardiging het paleis inschreeuwen –
hij ziet geen enkele reden waarom hij deze Man zou berechten.
Zo gaat hij weer terug naar de menigte die Jezus bij hem bracht:
Ik zie geen enkele reden voor een proces. Ik vind geen schuld.
Jullie moeten Hem maar weer meenemen. Ik ben klaar met deze Man.
Daarvoor hebben ze Jezus niet bij Pilatus gebracht.
Pilatus moet wel wat gaan doen. Pilatus moet wel begrijpen met Wie hij te maken heeft.
Weet u dat dan niet, roepen ze Pilatus toe, doe deze Man al jaren rondtrekt.
Niet alleen hier in Judea, maar eerder al in Galilea heeft Hij rondgetrokken met Zijn verhaal.
Hij is gevaarlijker dan u denkt. Hoe kunt u Hem weer laten gaan?
Het was niet de bedoeling dat wij Jezus weer terug zouden krijgen en Jezus vrij kwam.
Er moet wel wat met Hem gebeuren!

Galilea! Dat Pilatus daar niet eerder aan gedacht heeft.
Deze Jezus hoort niet op zijn bordje, maar moet naar die man die denkt dat hij koning is,
die denkt dat hij als een halve Jood zeggenschap heeft over Joods gebied.
Laat Hem maar naar Herodes gaan.
Tot die tijd lag Pilatus met deze Herodes overhoop:
Twee rivalen die allebei in dat gebied streden om de macht.
Wie had het nu voor het zeggen daar in Israël: Pilatus de stadhouder in Jeruzalem,
of Herodes met zijn koninklijke bloed die over het noorden regeert.
Het kan zijn dat Pilatus het advies van zijn rivaal nodig heeft om een keuze te maken.
Wat zou jij doen als jij met deze Jezus van doen zou hebben?
Welk vonnis zou jij vellen? Is hij schuldig of niet? Moet ik wat? Of moet ik Hem laten gaan?
Wat moet ik met Jezus?
Herodes is blij met Jezus en zo blij met het gebaar van zijn rivaal dat hij vriendschap sluit.
Herodes laat zijn rivaliteit met Pilatus los, omdat hij blij is met deze unieke kans.
Nu krijgt hij die gelegenheid waar hij al zo lang op gehoopt had: Jezus zien.
Misschien kan hij Jezus wel zo ver krijgen dat hij een teken gaat doen.
De bijgelovige Herodes die geïnteresseerd is in tekenen die iets over God vertellen.
Nu kan hij uit eerste hand een teken krijgen van deze Jezus.
Voor zijn ogen zal het gebeuren. Dat hij dit mag meemaken. Dankjewel Pilatus!
Het loopt op een teleurstelling voor Herodes uit.
Jezus doet niets  en zegt geen woord.
Hoeveel vragen Herodes ook op Jezus afvuurt.
Hoe Herodes ook aandringt bij Jezus om iets bijzonders van Hem te mogen zien.
Geen enkele reactie.
Als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open (Jes. 53:7)
Hier kan Herodes niets mee beginnen.
Ook hier zijn priesters meegekomen en Schriftgeleerden. Zij zijn niet stil.
Zij schreeuwen de beschuldigingen naar Jezus toe. Maar Jezus blijft stil. Geen enkel woord.
Als Jezus niet meewerkt, kan Herodes maar een ding doen.
Als ze zeggen dat Hij koning van de Joden is, dan maken we maar een koning van Hem.
Ze nemen een koninklijke mantel en doen die Hem om.
Soldaten gaan voor Hem langs en begroeten Hem: Avé Caesar, gegroet Koning!
Zo gaat Jezus weer terug naar Pilatus en Pilatus is weinig opgeschoten.
Weer zegt hij het tegen die grote menigte die voor zijn paleis staat:
Ik zie geen enkele reden voor een proces. Ook Herodes ziet in Hem geen zaak.
Het enige dat ik met Hem kan doen, is Hem geselen. Dan laat ik Hem gaan.

Pilatus, die over leven en dood gaat, heeft nog een uitweg.
Er is een gewoonte om met Pesach een gevangene los te laten.
De menigte bij zijn paleis is hem echter al voor.
Wij willen niet dat deze Jezus wordt losgelaten. Weg met Hem.
Laat desnoods die Barabbas maar los, maar nooit die Jezus.
Als ze zelfs gaan roepen om de vrijlating van Barabbas,
zit de haat tegen deze Jezus wel heel diep bij de menigte.
Barabbas die in de stad had huisgehouden en onschuldige burgers had gedood,
eerder een criminele bendeleider, een bandiet dan een rebellenleider.
Nog steeds wil Pilatus Jezus loslaten, maar de menigte wil Hem niet laten gaan.
Dan beginnen ze te roepen om de ergste straf die er is,
die niet alleen berucht is om zijn wreedheid en het pijnlijke van de dood,
maar omdat er geen straf duidelijker aangeeft
dat deze Man niets met God te maken kan hebben: het kruis.
Het kruis is de meest inhumane manier van sterven.
totale ontmenselijking, totale schande, totale degradatie.
Jezus sterft niet de dood van een martelaar, maar de dood van een vervloekte, buitengesloten van de gemeenschap met God. Het kruis is totale godloosheid.
Duidelijker kunnen ze niet maken, dat ze in Jezus niet de Zoon des mensen zien,
niet Gods Zoon, geen messias, niet hun Koning.
Aan het kruis – door God vervloekt, uit het volk weggestoten.
Verbannen van de aarde en uitgestoten uit de hemel.

In de geloofsbelijdenis wordt ervan gezegd: Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus,
is gekruisigd, gestorven en begraven.
Onze traditie heeft daarin niet alleen het falen van de wereldlijke macht gezien.
Jezus die een ongelukkige slachtoffer was van een falende rechtspraak,
een stadhouder die niet tegen de woede van het volk durfde ingaan.
Wat daar gebeurt, heeft met mij te maken.
Dat kruis van Jezus is mijn kruis, dat oordeel over Jezus is mijn oordeel,
de vloek die over Hem uitgesproken wordt, als het volk roept om het kruis,
dat is de vloek die God over mij zou spreken.
De vernedering die Jezus ondergaat, om mij te verhogen.

Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?
Om ons, doordat Hij schuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld werd,
te bevrijden van het strenge oordeel van God, dat ons treffen zou.

Betekent het feit dat Hij gekruisigd is, meer dan dat Hij op een andere wijze sterven zou?
Ja, want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vloek die op mij rustte,
op Zich geladen heeft, want de dood aan het kruis was door God vervloekt.

Dat Jezus onschuldig werd bevonden en toch werd gedood als misdadiger,
heeft mij iets te zeggen. In mijn plaats, mijn vloek, het oordeel over mijn leven.
De Koning die de plek van Zijn onderdanen inneemt,
De hemelse Rechter die het vonnis draagt dat voor mij had gegolden.
De Messias, de Gezalfde die mijn weg gaat.

Is dat, is dat mijn Koning, dat aller vaad’ren wens,
is dat, is dat zijn kroning? Zie, zie, aanschouw de mens!
Moet Hij dat spotkleed dragen, dat riet, die doornenkroon,
lijdt Hij die spot, die slagen, Hij, God, uw eigen Zoon?

Ja, ik kost Hem die slagen, die smarten en die hoon;
ik doe dat kleed Hem dragen, dat riet, die doornenkroon;
ik sloeg Hem al die wonden, voor mij moet Hij daar staan;
ik deed door mijne zonden, Hem al die jamm’ren aan.

O Jezus, man van smarten, Gij aller vaad’ren wens,
herinner aller harten ’t aandoenlijk: “Zie den mens!”
Laat mij toch nooit vergeten die kroon, dat kleed, dat riet!
Dit trooste mijn geweten: ’t is al voor mij geschied!
Amen.

Preek zondag 22 maart 2020

Preek zondag 22 maart 2020
Schriftlezing: Lukas 22:7-30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Veel dingen zijn in de afgelopen week niet doorgegaan.
School ging niet door en de kinderen en jongeren konden hun vrienden niet opzoeken.
Als je deze week een verjaardag had, kon je geen bezoek krijgen.
Het was niet mogelijk om iemand in een verzorgingstehuis.
Op De Hullen en op De Voord was geen bezoek mogelijk.
Ook wie iemand in een zorginstelling heeft kon niet op bezoek gaan.
En het lijkt erop dat de komende weken het zo doorgaat:
Geen school, geen verjaardag kunnen vieren, niet op bezoek gaan of bezoek ontvangen.
Je moet nu thuis je schoolwerk maken, als het kan met je werk thuiswerken.
Dat is vreemd om zo opeens niet meer naar school te kunnen, niet meer op bezoek,
niet meer spelen, niet meer naar je werk
en ook niet weten hoe lang het nog gaat duren.
Misschien ben je wel heel gespannen en merk je dat je zenuwachtig bent, of bang.
Of misschien heb je vooral last van verveling omdat je niet weet wat je moet doen.
We weten ook niet wat er komen gaat.
Blijft het rustig in Nederland en hier in Oldebroek
of staat ons net zo’n ingrijpende crisis te wachten als Italië?
We weten het niet.

In het Bijbelgedeelte dat we lezen, weet Jezus wel wat er komen gaat:
Waar wij ons schrap zetten voor de tijd die komen gaat:
de worsteling in Gethsemané, het verraad van Judas, het verhoor
en dan het kruis dat op zijn schouders wordt gelegd,
het kruis waaraan Hij gehangen wordt en waaraan Hij zal sterven.
De Heere Jezus weet dat het op Hem af komt. Hij kan daar niet aan ontkomen.
Nu viert Hij samen met Zijn leerlingen de Pesachmaaltijd.
Het is de laatste keer dat Hij deze maaltijd met Zijn leerlingen kan hebben.
Jullie hebben in de afgelopen week misschien ook wel iets bewust voor het laatst gedaan:
Toch nog even doen, omdat je niet weet wanneer je het weer kunt doen.
Wanneer er weer een tijd is dat je bij elkaar kunt komen.
Zo viert Jezus deze maaltijd van Pesach voor de laatste keer.
Er is trouwens ook een mogelijkheid dat voor Jezus het Pesach niet is doorgegaan.
Ik zal daar niet meer van eten, zegt Jezus,
en er zijn er die zeggen dat Jezus nu al niet meer aan deze maaltijd meedoet.
Niet eet van het brood of van de gerechten met de bittere kruiden, niet drinkt van de wijn.
Terwijl Jezus er wel naar uitgekeken heeft om dit feest nog met Zijn leerlingen te vieren.
Nog één keer samen zijn, zelfs met Judas erbij, de discipel die Hem zal verraden.
Ook met Petrus die niet veel later zal zeggen dat hij Jezus niet kent.
Samen met de leerlingen die allemaal op de vlucht zullen slaan
als Jezus wordt gevangengenomen en wordt meegenomen.
Nu nog een keer samen als groep, om Jezus heen verzameld.
Het is niet zomaar een feest: het is Pesach.
Pesach is het feest waarop gevierd wordt dat God redt.
Lange tijd zat het volk gevangen in Egypte, waar het hard moest werken, als slaven.
De jongetjes die geboren werden, werden met de dood bedreigd.
Een gevaarlijke tijd voor hen, omdat ze hun leven niet veilig waren.
Een harde tijd omdat ze hard moesten werken, zo hard dat ze bijna dood neervielen.
Als het zo door zou gaan, zou er van het volk Israël niets meer overblijven
En zou er niemand van dit volk hebben gehoord.
Ze riepen tot God om hulp, om bevrijding, om redding.
Mozes werd gestuurd om aan de Farao te vragen of het volk mocht gaan.
Op de avond, voordat het volk weg zou mogen gaan uit Egypte,
moest er een speciale maaltijd voorbereid worden,
een maaltijd waarmee ze afscheid namen van Egypte.
Ze waren nog niet bevrijd, nog niet gered – dat zou pas de volgende dag gebeuren.
En toch, die nacht vierden ze al dat God er was voor hen en hen zou redden
en een nieuw leven zou geven in hun eigen land.
Steeds weer moesten ze dat feest vieren – om te vieren dat ze bevrijd waren.
Om te vieren dat ze door God waren bevrijd
en bovenal om te weten, dat wanneer je zelf geen uitkomst ziet, God kan komen
om je te redden uit het gevaar dat je bedreigt.
Als ze Pesach vierden, was het alleen een terug denken aan vroeger,
maar als je Pesach vierde, dan deed je dat alsof je op dat moment zelf werd bevrijd.
Al leefde je in een tijd van vrede.
Maar ook als je leefde in een tijd van oorlog en onderdrukking,
dan vierde je dat God kan komen om uitredding te brengen
en dat je op dat moment gered wordt door God, al zie je op dat moment er nog niets van.

Dat zou je nu ook wel willen dat God redt, dat Hij bevrijding Zijn bevrijding nu laat zien.
Dat Hij ons land bewaart voor een ramp, die zou kunnen gebeuren.
Dat Hij jouw leven beschermt, die van je ouders, van je opa en oma en allen die bij je horen.
Dat Hij zorgt dat dit virus niet meer verder gaat en geen mensenlevens zal eisen.
We weten niet wat er op ons afkomt en juist dan kun je verlangen naar Gods redding.
Daarom hebben we kerk, als is het op een andere manier dan gebruikelijk.
Om de Heere God hierom te bidden,
om samen met elkaar te blijven geloven dat Hij het kan
Maar ook om sterk te blijven in het geloof als het allemaal spannend en moeilijk wordt.
Wij geloven in Jezus, die geleden heeft, die ook is opgestaan en de dood heeft overwonnen.
Maar voor Hij overwon moest Hij wel eerst een weg van lijden gaan.
Vlak voor Hij die weg van lijden daadwerkelijk inslaat, in de nacht waarop Hij verraden werd,
kwam Hij nog een keer met Zijn leerlingen bij elkaar, nog één keer samen
om dit feest van Gods redding te vieren:
God kan en wil en zal – zelfs bij het naderen van de dood – volkomen uitkomst geven.
Als Jezus aan tafel ligt met Zijn leerlingen, viert Hij nog eenmaal dat feest:
het feest dat God redt in de meest donkere tijd, dat Hij er is als je geen uitkomst ziet,
als je gevangen zit en geen enkele hoop, geen enkele uitzicht hebt.

Het wordt een bijzondere maaltijd, niet omdat deze maaltijd de laatste voor Jezus wordt,
maar om wat de Heere Jezus aan deze maaltijd laat zien.
Bij de eerste beker wijn die rondgaat, kijkt Jezus Zijn leerlingen, die bij hem aan tafel zijn
ernstig aan en zegt: ‘Denk bij deze beker niet alleen aan het verleden terug,
niet alleen hoe God onze voorvaderen bevrijdde uit Egypte.
Nemen jullie deze beker, drinken jullie deze beker leeg,
Want er komt een moeilijke tijd aan, waarop jullie het zonder Mij moeten doen,
maar wel aan Mij zullen denken.
Eerst moet ik een weg gaan en die weg zal pas voorbij zijn
Als Ik ervoor gezorgd heb dat het Koninkrijk van God is aangebroken.
Dat Gods macht weer zichtbaar wordt op aarde en God alleen over deze aarde heerst
en de macht van de duivel, de macht van de dood, de macht van de zonde is gebroken.’
Het is de vraag of de discipelen op dat moment begrepen wat Jezus bedoelde.
Eerst moest het Goede Vrijdag worden en Pasen.
Eerst moest Jezus sterven aan het kruis en weer opstaan,
Voordat ze konden begrijpen wat Jezus hier uitlegde.
Het gebeurt nogal eens dat je verder moet zijn
Voor je begrijpt welke kant het op gaat en wat de weg van God is,
wat Gods bedoeling is.

Als ze verder gaan met de viering van de Pesachmaaltijd,
vieren dat God hen bevrijd, ook uit de meest donkere periode die er kan zijn,
neemt Jezus het brood.
Hij breekt het brood en ook hierbij zegt Hij dat ze niet alleen aan vroeger moeten denken,
Aan hun voorouders en het harde leven in Egypte,
of aan de moeilijkheden die ze zelf hebben meegemaakt, hun eigen lijden.
Dit brood dat Ik hier nu breek, dat is Mijn lichaam
Zoals Ik jullie dit stukje brood geef dat ik van dit brood afbreek,
zo zal Ik ook Mijn lichaam geven.
In de komende weken zullen heel wat dokters en zusters zich volledig in moeten zetten
in het ziekenhuis, in de ambulance, in de thuiszorg wellicht
en vast ook wel meer werken dan ze anders doen
en daarbij ook nog met het risico dat ze zelf ziek kunnen worden.
Daar kunnen we iets zien van je volledig inzetten.
Dat is wat Jezus bedoelt, als Hij het brood breekt en het geeft en daarbij zegt
dat Hij ook zo Zijn lichaam geeft.
Hij zal niet achteruit deinzen als Hij moet gaan.
Jezus zal niet zeggen: laat het toch maar een ander doen.
Nee, Ik geef Mij voor jullie.
Een dokter of een zuster of broeder kan zich inzetten, maar moet bij tijden toch uitrusten.
Een dokter of een zuster of broeder kan zich helemaal inzetten en lang doorgaan
om iemand proberen te redden,
maar elke dokter en elke zuster or broeder zal de ervaring hebben
dat ze wel eens machteloos zijn, maar niemand kunnen redden.
Jezus geeft Zichzelf helemaal en zal niemand kwijtraken als Hij zich helemaal inzet.
Hij weet wel dat Hij zelf moet gaan sterven
en dat legt Hij nog een keer uit als Hij de beker rond laat gaan.
Dat is de beker die aangeeft dat Ik zal sterven.
Ik zal dat voor jullie doen: Mijn sterven zal voor jullie bevrijding zijn.
Zoals de maaltijd die Jezus had met Zijn leerlingen en het feest dat ze vierden
met de bevrijding uit Egypte te maken had,
zo geeft Jezus een nieuwe betekenis aan de maaltijd:
We gedenken en vieren dat Jezus wilde sterven voor ons.

Vandaag zouden er twee ouderlingen, een kerkrentmeester en een diaken worden bevestigd
maar doordat we vanwege het coronavirus niet bij elkaar mogen komen
is dat uitgesteld en zal hun bevestiging later plaats vinden.
Het leek mij mooi om aan de hand van deze maaltijd uit te leggen
wat hun taken binnen de kerk zijn en dan met de nieuwe maaltijd, het avondmaal,
De maaltijd om Jezus heen:
De kerkrentmeester die mogelijk maakt dat deze maaltijd gehouden kan worden:
Er moest een zaal zijn, het feestmaal moest worden voorbereid.
Ouderlingen helpen om gemeenteleden deel te laten nemen aan het avondmaal.
zodat de gemeenteleden net als de discipelen bij Jezus aan tafel zijn
en de tekenen van Zijn lichaam en Zijn bloed mogen ontvangen in brood en wijn.
Diakenen die laten zien in hun hulp dat Jezus kwam om te dienen
Om heel concreet in hulp zichtbaar te maken dat Jezus kwam om te dienen,
om in de hulp die geboden wordt de zegen van Christus heel concreet te maken.

Het lijkt een veilig eilandje in een wereld, waarin veel aan de hand is.
Misschien is het zo voor jullie in de afgelopen week ook geweest:
Je bent veilig thuis geweest, beschut, terwijl in de wereld heel veel aan de hand is.
Er kunnen ook, als je zoveel bij elkaar bent, irritaties komen,  dat je je aan elkaar ergert.
Ook hier bij de discipelen is dat zo.
Een van de leerlingen die er niet meer bij wil horen en zijn eigen gang gaat
en zelfs besluit om Jezus te verraden.
De andere leerlingen die ruzie hebben over de vraag wie nu de belangrijkste is
en dat aan de maaltijd, waar Jezus weer opnieuw aankondigt dat Hij zal lijden en sterven
en dat Hij dat zal doen voor hen en voor ons.
Je moet niet de baas willen spelen, zegt Hij.
Dat ga ik ook niet doen, al heb ik daar het recht wel toe.
Maar Ik ben gekomen om te dienen, om jullie namens God te dienen.
Dat zal op een bijzondere manier zijn.
Dat zal geen dienen zijn, zoals de leerkrachten gediend hebben
om het jullie mogelijk te maken dat jullie thuis jullie schoolwerk konden doen.
Ook geen dienen, zoals mensen bereid zijn om boodschappen te doen
voor hen die in deze dagen niet uit het huis kunnen.
Nee, het is een dienen aan het kruis, waar Hij onze zonden op zich nam.
Om ervoor te zorgen dat wij weer bij God mogen horen, aan God verbonden zijn.

Dat kan alleen als we aan Jezus verbonden zijn.
Nu zijn ze nog samen om Jezus en bij Jezus en met Hem verbonden.
Maar er komt een tijd, waarop ze Hem in de steek zullen laten.
Ze kunnen niet meer bij Hem horen.
Niet alleen omdat de weg voor hen te moeilijk is, maar ook omdat ze zelf niet willen.
Ze gaan zelf een andere kant op, bij Jezus vandaan.
Ze laten het leven met Jezus zo maar op.
Ze verbreken zomaar hun band met Jezus, uit teleurstelling.
Maar Jezus kijkt al verder, naar Zijn eigen weg: Ik blijf met jullie verbonden.
Jullie blijven bij Mij horen, al raak je Mij kwijt.
Ik ben gekomen om jullie te dienen.
Dat dienen van Jezus is het dragen van onze zonden aan het kruis.
Omdat Jezus stierf aan het kruis, kunnen wij bij God horen.
Dat heeft Hij voor ons voor elkaar gemaakt. Daar heeft Hij voor gezorgd.
En die band met God kunnen we niet meer kwijtraken.
Daardoor kunnen we deze tijd doorkomen, omdat we bij Jezus horen.
Voor de een betekent dat: dat je gezond en wel, beschermd er door heen komt.
Voor de ander dat je merkt dat hoe moeilijk het ook wordt je toch kracht krijgt
om verder te gaan.
We hopen dat we allemaal bewaard blijven en we geloven dat God dat kan.
We geloven, dat als onze tijd gekomen is om te gaan,
de Heere Jezus een weg gebaand heeft om bij God aan te komen in Zijn koninkrijk.
We hopen en bidden dat het voor ons allemaal nog een tijd mag duren

Deze bijzondere tijd helpt ons misschien wel om meer te begrijpen van de weg die Jezus moest gaan, voor ons, om voor ons te lijden en te sterven.

Leer mij, o Heer, uw lijden recht betrachten,
in deze zee verzinken mijn gedachten:
o Liefde, die, om zondaars te bevrijden,
zo zwaar woudt lijden!

‘k Zie U, God zelf, in eeuwigheid geprezen,
tot in de dood als mens gehoorzaam wezen,
in onze plaats gemarteld en geslagen.
de zonde dragen.
Amen





Preek biddag 2020 avonddienst

Preek biddag 2020 avonddienst
Schriftlezing: Lukas 18:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de Bijbel laat God zich vaak in Zijn hart kijken.
Hij laat zich kennen, ook in Zijn karakter.
Dat is bijzonder. Dat is mooi dat we ook weten hoe God is.
Stel dat we niet zouden weten hoe God was, zouden we dan nog kunnen bidden?
Dan richt je je tot God, maar dan weet je niet met wie je ten diepste te maken hebt.
Je komt tot God, maar je weet niet of je dichterbij kunt komen of dat je Hem moet vrezen.
Je weet dan niet of je van Hem kunt houden en of Hij werkelijk van jou houdt.
In de Bijbel laat God zich geregeld in Zijn hart kijken.

Wanneer iemand in zijn hart laat kijken, dan zie je hoe iemand werkelijk is.
In de gelijkenis over de rechter en die weduwe laat Jezus zien
hoe God werkelijk is, wat Gods karakter is.
Jezus doet dat met reden: met het oog daarop dat men altijd moet bidden
en niet de moed moet verliezen.
Dat is de reden waarom Jezus dat verhaal vertelt,
zodat we via dat verhaal God in Zijn hart kijken, waardoor wij steeds weer kunnen bidden,
het bidden niet opgeven en ook niet moedeloos worden,
omdat we God kennen en Zijn karakter kennen.
Het kennen van God, het weten van hoe God is, helpt ons bij het bidden
En die hulp kunnen we goed gebruiken, weet Jezus,
Want al hebben wij als volgelingen van Jezus geleerd om te bidden,
dat bidden brengen we niet altijd in praktijk.
Een belangrijke reden om ons gebed er maar bij te laten zitten is dat je de moed verliest.
Je hebt niet zoveel vertrouwen meer in God en daarom laat je het er maar wat bij zitten.
Je denkt: het heeft toch geen zin meer om ervoor te bidden,
want God doet er toch niets aan.
Biddag – mooi en aardig dat er een speciale dag is om te bidden
en om over bidden na te denken, maar je moet niet denken dat bidden zin heeft.
En de onderwerpen waarvoor gebeden wordt: belangrijk dat ze niet vergeten worden
en dat er aandacht aan geschonken wordt, maar geloof maar niet
dat er door er voor te bidden er iets aan veranderd wordt.

Zo zouden er best veel mensen kunnen denken, ook hier in de kerk.
Die nu nog wel in de kerk zitten, want je kunt niet zomaar je plek leeg laten,
maar dat ze er nu veel van verwachten? Nee, niet echt.

Als Jezus die moedeloosheid wil doorbreken en ons het geloof wil versterken
vertelt Hij een verhaal waarin Hij ons wil meenemen, ons iets wil laten zien.
Door dat verhaal wat Hij vertelt, wil Hij ons God in het hart laten kijken,
zodat we het weer weten: zo is God. Dat is Zijn karakter.
Tot die God kun je bidden en dat moet ik weer gaan oppakken.

In het verhaal dat Jezus vertelt gebruikt hij over een rechter die niets van God weg heeft.
Die rechter is totaal het tegenovergestelde van God:
Een rechter die God ook niet vreest, een heidense Romeinse rechter die het niet nodig vindt
om de regels van God toe te passen in zijn vonnissen.
Of een Joodse rechter die het maar overdreven vindt, voor wie het geloof niets zegt.
Daar houd je geen rekening mee, want je kunt niet overal rekening mee houden.

Die rechter maakt zich nergens druk om, behalve om zijn reputatie.
Want zijn reputatie is zijn wapen: daarmee kan hij de sterkste mensen klein krijgen
en de zwakste mensen bij voorbaat ontzag inboezemen en doen sidderen.
Hij moet zich niet laten raken door de persoonlijke omstandigheden.
Ook niet van deze vrouw.
Dat die vrouw daardoor geen eerlijk proces krijgt, deert hem niet.
Dat deze aardse rechter ooit voor de hoogste Rechter, de hemelse Rechter
rekenschap moet afleggen van welke vonnissen hij uitspreekt
deert hem niet: Hij vreest God niet.
Hij gelooft niet dat er eens een oordeel zou komen en dat hij voor God moet verschijnen.
Ook wat mensen over hem denken en welke verhalen over hem de ronde doen
– het doet hem niets en hij is er onverschillig onder.

Deze man is het tegenbeeld van God.
Stel dat onze God zo zou zijn als deze aardse rechter.
Stel dat je oneerlijk behandeld wordt – dan is het toch altijd een troost dat God het ziet
en dat Hij er later op terug komt en Zijn oordeel erover uitspreekt
en het recht zet als jij oneerlijk behandeld wordt.
In het laatste oordeel zet God alles recht.
Maar stel dat God als die aardse rechter zou zijn en dat de hemelse Rechter
net zo willekeurig en onbetrouwbaar, net zo doof en net zo onbewogen blijft
voor al onze appèls vanuit de aarde om recht gedaan te worden,
dan valt de basis van ons geloof weg.
Want die betrouwbaarheid van God en dat God uiteindelijk alles recht zet
dat is ons houvast en dat zorgt ervoor dat je bepaalde toestanden kunt uithouden,
ook als je oneerlijk behandeld bent, zonder dat er iemand voor je opkomt.
Ook als je met misbruik te maken hebt gehad, wat door anderen weggeduwd wordt.
Dan is het een troost en houvast dat je God nog hebt, die weet wat er met je gebeurde.
Jezus gebruikt juist deze onverschillige en harteloze rechter om ons te laten zien
hoe bijzonder God is en hoe bijzonder het is dat wij God mogen kennen
en in het hart mogen kijken.
God laat zich kennen en laat zich in het hart kijken.
Als wij van iemand zeggen: “Hij laat zich kennen!” dan kunnen we dat ook negatief bedoelen
Dan zijn we onaangenaam verrast, hebben we iemand van een kant leren kennen
die we niet verwacht hadden en die ons erg tegenvalt. Een teleurstelling.
Als God in Zijn hart laat kijken, dan is dat juist een bijzondere ervaring,
waardoor wij ons bemoedigd mogen weten om door te gaan met bidden.
Zo is God!
Die rechter dacht er mooi vanaf te zijn: een uitspraak en de vrouw verdwijnt.
De vrouw geeft echter niet op en blijft steeds komen.
Deze rechter die van mening is dat je je niet moet laten raken door de mensen,
Dat je niet onder de indruk moet zijn en niet moet buigen voor een bepaalde druk,
deze rechter heeft buiten deze vrouw geregeld.
Ze duikt elke dag op en steeds begint ze hem aan te spreken, tegen hem te roepen
en hem na te schreeuwen over de straat.
Deze vrouw begint hem op de zenuwen te werken, omdat ze hem steeds stalkt.
Ze dringt zich steeds agressiever op en roept hem steeds harder na.
Hij kan haar niet meer horen en toch hoort hij haar steeds,
Dat roepen kon hij nog wel verdragen, maar ze dringt zich steeds meer op.
Straks beheerst deze vrouw zich niet meer en dan valt ze hem aan
en dan loopt hij rond in de stad met allerlei blauwe plekken in zijn gezicht.
Dan zullen de praatjes over hem door de stad gaan:
Deze rechter, die zo koel en onbewogen kon zijn, had die vrouw niet in de hand.
Heel wat krachtige mensen kon hij voor zich laten buigen
en met hun zaak spelen, zoals het hem goeddacht,
maar tegen deze vrouw was hij niet opgewassen.
Hij zag het al voor zich hoe de mensen zouden gniffelen als hij langs kwam.
Hij maakte zich nooit druk om mensen en hoe er over hem gesproken werd.
Hij genoot er zelfs van zo’n reputatie te hebben.
Nu heeft hij een dilemma: als hij niets doet dan is het gedaan met zijn reputatie
omdat iedereen hem dan uitlacht, omdat hij niet tegen deze vrouw op kon.
Maar als hij wel overstag gaat, dan is het ook gedaan met zijn reputatie.
Want dan is hij toch gevoeliger voor wat mensen van hem vinden
en dan blijkt hij zich toch te laten raken door die vrouw die hem steeds lastig valt.
DAn maakt hij de afweging op welke manier hij de minste reputatieschade heeft:
Zich in het gezicht laten slaan en dan lange tijd de gevolgen op zijn gezicht meedragend
of deze vrouw gelijk geven.
Hij kiest voor het laatste in de hoop dat dit snel weer overwaait
en hem de minste reputatieschade berokkent.
Onder druk en om zijn eigen hachje te redden gaat hij overstap.
Het tegenbeeld van God – want zouden wij zo lang moeten roepen tot God?
Ja, dat staat in de Bijbel. Denk aan Psalm 13: Hoelang duurt het nog?
Hoelang zal die tijd duren dat U Uw aangezicht voor mij verbergt?
Of zoals in Openbaring de zielen onder het altaar roepen: hoe lang zal het nog duren?
Wat Christus hier leert is dat God ons niet lang laat wachten
en dat Hij maar overstag gaat om Zijn reputatie te redden
of om van het gezeur af te zijn.
Voor degenen die afgelopen zondagmiddag in de Maranathakerk waren:
Dit gedeelte is het vervolg: Jezus had uitgelegd dat Hij het Koninkrijk bracht.
We moeten niet vooruit kijken met de vraag of dat Koninkrijk nog komt,
maar wil gelooft is al in dat Koninkrijk.
Lang wachten en toch met spoed helpen – dat gaat bij God samen.
Zijn tijd is anders dan onze tijd.
Maar het is geen onverschilligheid.
Het is niet zo dat God de oren voor ons roepen afsluit en aan ons voorbij gaat.
God is niet als die rechter onbewogen en koel of afstandelijk.
We kijken God in het hart – via die rechter die laat zien hoe God niet is.
Dat betekent dat bidden zin heeft.
Altijd bidden en niet de moed opgeven – zegt Jezus.
Dat is de reden waarom Hij dit verhaal vertelt en waarom Hij dit over God deelt
en wij God in het hart mogen kijken en mogen leren kennen, zoals Hij is,
Zijn karakter: zodat we blijven bidden.
Zodat we weten dat het zin heeft, omdat de Heere wel degelijk naar onze gebeden luistert.
We kijken God in het hart – dat is er wat met bidden gebeurt.

En wij – laten wij ons ook in het hart kijken?
Het tweede verhaal dat Jezus vertelt geeft ons ook een tegenbeeld.
Zoals die Farizeeër horen we niet te zijn.
Het kan zijn dat Jezus bewust voor een Farizeeër kiest,
omdat die in die tijd bekend stonden als vroom en plichtsgetrouw.
Ook hier weer reputatie: de reputatie van een nauw en vroom leven.
Dan moeten we dat verhaal niet lezen als een sneer naar Farizeeën,
maar als een waarschuwing voor ons:
let er op, als je bidt dan kijk niet alleen jij in het hart van God,
maar dan kijkt God ook in ons hart.
Ik kan deze waarschuwing u niet voorhouden
zonder zelf ook die waarschuwing op mij te laten inwerken.
Anders zou ik net zo doen als die Farizeeër in de gelijkenis
en dan zou ik in ieder geval denken dat ik het goed doe
en dat ik geen verandering van mijn hart nodig heb.
In de Heidelberger Catechismus staat, dat alle goede werken met zonde zijn bevlekt.
In alle goede dingen die we doen zijn besmet met het virus van de zonde
en er is geen goede daad die onbesmet blijft.
Hoe zijn we als we bidden? Wat gaat er om in ons hart?
Als wij God in het hart kijken, dan krijgen we een ontroerend beeld dat ons goed doet
en dat ons bemoedigt om te blijven bidden.
Maar wat gebeurt er als Hij in ons hart kijkt? Wat ziet Hij dan?
Op zichzelf genomen is er vrij weinig mis met de Farizeeër.
Aan zijn houding kunnen we niets afleiden: dat hij staat is een normale gebedshouding.
Dat hij dat dankgebed uitspreekt hoeft ook niet verkeerd te zijn:
Het zou voor ons ook goed zijn als we de Heere danken
Dat we niet tot een crimineel geworden zijn, dat we niet oneerlijk handelen,
anderen niet benadelen. Dat mensen op ons kunnen bouwen.
Dat we onze relaties en ons huwelijk goed weten te houden.
De Farizeeër vergeet echter twee dingen
en dat zorgt ervoor dat zijn gebed laat zien wat er in zijn hart mis is.
Hij vergeet dat hij voor Gods aangezicht staat.
Alleen God bepaalt of wij anders zijn dan de crimineel die achter slot en grendels zit.
Alleen de Heere bepaalt of wij anders zijn dan de mensen die vreemd gaan
en daarmee hun huwelijk stuk maken en hun gezin en familie in verdriet achterlaten.
Zijn wij beter dan hen?
We zijn wel beter af, maar betekent het dat wij beter zijn?
De Farizeeër denkt dat hij het beter doet en daardoor beter is.
Hij doet meer dan nodig is: in plaats van één keer per jaar te vaste,
namelijk op Grote Verzoendag vast hij twee keer per week.
Hij doet het echter niet vanwege zijn eigen zonden en de zonden van de anderen,
maar om bonuspunten te hebben bij God: kijk mij het eens goed doen.
Dat is niet de reden om te vasten: vasten is nooit om jezelf te tonen, te showen,
maar is een vorm van verootmoediging: God, wees mij zondaar genadig.
Die Farizeeër staat voor Gods aangezicht – op gelijke hoogte van de tollenaar.

Wat de Farizeeër ook niet ziet, is waar hij staat en waar die tollenaar staat.
Beiden staan ze in de tempel: de ruimte waar God is en waar God werkt.
Al staat de tollenaar veraf en bijna op de grens, nog net binnen.
Hij staat wel binnen de tempel en ziet net als hij dat het offer wordt gebracht,
het offer dat de zonden moet wegnemen.

Wat de Farizeeër ook niet ziet dat wat hij is
hij dat aan de Heilige Geest heeft te danken.
Het is geen eigen prestatie, maar Gods Geest die in hem werkt
waar hij voor mag danken.
Hij kan alleen niet zien, dat in die tollenaar, die nog net in de tempel is,
ook diezelfde Heilige Geest werkt: o, God wees mij zondaar genadig.
Als wij bidden, kijkt God ons in het hart.
Omdat Hij wil weten met wie Hij te doen heeft.
Om te weten wie je echt bent en dat wat je bidt oprecht is.
Wij kunnen voor God geen vroom masker opdoen, geen mooie jas aantrekken,
niet onze reputatie bijwerken.
Als God ons echt wil hebben en ons hart wil zien zoals we werkelijk zijn,
is dat natuurlijk niet als excuus, zo van:
dit is het, mooier en beter kunnen wij het ook niet maken.
Op deze halfslachtige manier kunnen wij het alleen maar.
Hier zijn we – hiermee moet U het maar doen.
Nee, Hij wil dat we eerlijk onder ogen zien wat er met ons mis is,
Wat we nodig hebben.
Dat we niet zelf ervoor gezorgd hebben dat het eten op ons bord ligt,
dat het niet onze handigheid en vindingrijkheid is dat we werk hebben,
dat het niet onze verstandige levensstijl is dat we gezond zijn.
Dat mag allemaal meedoen, als we maar beseffen: het wordt ons gegeven.
Wij komen met lege handen, niet met een goede reputatie die we hoog willen houden.
We bidden niet om aan God te laten zien dat we het allemaal nog best doen,
maar dat we Zijn hulp, Zijn kracht, Zijn leiding en Zijn zegen nodig hebben.
Dat als God zich terugtrekt en Zijn zegen inhoudt er niets van dit alles overblijft
en we alleen nog maar kunnen roepen: hoe lang.
Dan is er van ons niets meer overgebleven dan dat onze ziel verlangt naar God
tot God zich weer laat zien.
Wij kunnen niet zonder gebed. Dat redden we niet.
We kunnen ook niet zonder geloof, dat God uitkomst zal geven.
Amen


Preek biddag 2020 morgendienst

Preek biddag 2020 morgendienst

Samen met de kinderen van CNS Looschool.
Thema: Vraag gerust!
Schriftlezing: Lukas 11:1-13 (Bijbel in Gewone Taal)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In februari was er een filmpje op Jeugdjournaal van een zekere Max.
Max is een jongen van 11 jaar die in Tilburg woont.
Al 2 jaar lang maakt hij de haven schoon van alle afval die daar rondslingert.
Hij kwam op het idee om de haven schoon te maken omdat hij tijdens het zwemmen
ontdekte hoeveel afval er in het water, in het riet en op de kant lag.
Nadat hij een tijdje bezig was, had hij een klein bootje gekregen,
zodat hij makkelijker het water op zou kunnen.
Die dag waarop het Jeugdjournaal langs komt om hem te filmen is voor een bijzondere dag:
Max weet dat er een belangrijk persoon langs komt om te kijken
hoe hij als 11jarige met dat bootje van hem de haven schoon maakt.
Hij weet niet wie er zal komen. Hij vermoedt dat de burgemeester zal komen
en dat is toch wel een belangrijk persoon: de baas van de gemeente.
Misschien heeft de burgemeester zelfs wel een minister meegenomen.
Dan komt een vrouw van de gemeente en zegt tegen Max:
‘We hebben een verrassing voor je. Weet je wie er echt komt?’
Max heeft geen idee wie er komt.
Dan vertelt de mevrouw van de gemeente: de koning komt.
Max het eerst niet geloven en dan als het nieuws tot hem doordringt
vraagt hij of hij zijn moeder mag bellen:
‘Mam, weet je wie er echt komt? De koning. Ja echt!’
Even later stapt komt de burgemeester eraan
en inderdaad de burgemeester heeft koning Willem-Alexander
en Max mag aan de koning uitleggen hoe hij met zijn bootje de haven schoonmaakt
door alle rommel uit het water te vissen.
Max had niet gevraagd om de komst van de koning.
Stel dat Max had gewild dat de koning zou komen om zijn opruimwerkzaamheden te zien
dan zou hij dat tegen zijn moeder gezegd hebben en zijn moeder zou gelachen hebben:
‘Het is belangrijk werk wat je doet, maar denk maar niet dat de koning zomaar komt.’
Hij zou een brief naar de burgemeester kunnen schrijven of naar de van de koning.
Hoeveel brieven hij ook zou schrijven en hoe hij ook actie zou voeren,
de kans was maar heel klein dat de koning zou komen als Max dat graag wilde.
Omdat het zo bijzonder is, had Max dat vast zelf niet maar niet in zijn hoofd gehaald.
Dat gaat echt niet gebeuren: dat de koning speciaal naar hem zou komen.

Dat kan de ervaring van jullie als kinderen zijn:
JeJe kunt heel wat willen en heel wat vragen,
maar zeker als kind krijg je niet altijd wat je zou willen.
Als er een bal op het dak geschoten is dan legt niet elke vader zijn werk neer
om een ladder te pakken en de bal van het dak te halen omdat jij dat vraagt.
Grote kans dat je vader zegt: ‘Even wachten.’ Of: ‘Ik kom als ik tijd heb.’
Of een juf zegt: ‘Even wachten. Ik kom zo, ik ben bezig.’
Of: ‘Eerst je vinger opsteken.’
Of je weet tijdens een training niet wat je moet doen en je loopt naar je trainer toe
en die zegt: ‘Nu even niet. Straks.’
Vraag gerust, zeggen volwassenen dan, maar als je dan iets wilt vragen,
hebben ze niet altijd de tijd om naar je vraag te luisteren.

En hoe zit het dan met de HEERE God?
Want vandaag zijn we bij elkaar in de kerk omdat het biddag is,
een speciale dag waarop we nadenken over het bidden en tijd nemen om te bidden.
Bidden is ook vragen aan God.
Wat doet de HEERE God als je een vraag aan Hem hebt?
Zal Hij zeggen: Nu even niet, want Ik heb het nu druk.
Of misschien denk je wel: Ik kan beter mijn vraag aan de HEERE God niet stellen,
want Hij is te druk voor mij.
Hij moet het Coronavirus stoppen en de zieke mensen beter maken.
Hij moet de oorlogen die er zijn beëindigen en vrede brengen.
Er is zoveel wat de HEERE God op deze wereld zou kunnen doen
en dan kom ik met mijn vraag bij Hem aan. Zou Hij naar mij willen luisteren?

Vraag gerust!
Als je een vraag hebt aan de HEERE God, die je Hem zou willen stellen,
stel die vraag dan aan Hem door te bidden, hardop of in je gedachten.
Vraag gerust, want Jezus houdt ons voor dat we alles mogen vragen.
Jezus kent Zijn hemelse Vader, kent onze Vader in de hemel,
omdat Hij zelf bij de Vader uit de hemel vandaan kwam en op aarde werd gestuurd.
Jezus geeft uitleg hoe wij kunnen bidden.
Dat is belangrijk dat je geleerd wordt om te bidden.
Bij jullie op school mogen kinderen ook zelf bidden, dan mag je naar voren komen in de klas
en dan mag je samen met andere kinderen een gebed bidden.
Als je het niet geleerd wordt om te bidden, dan weet je niet hoe je dat moet doen.
Ik sprak pas enkele jongeren over bidden.
Ik vroeg hen wat ze baden voordat ze ‘s avonds gingen slapen.
Ze gaven aan dat ze dan niet meer baden.
Als kind hadden ze dat wel gedaan.
Ze hadden een kindergebedje geleerd, een liedje, maar nu waren ze geen kind meer
en deden dat gebedje niet meer.
Ze hadden ook geen ander gebed en daarom lieten ze het maar achterwege.
Daarom is het belangrijk dat je leert om te bidden.
Dat je weet hoe je moet bidden en dat je weet wat je mag vragen aan de HEERE God.
Laat je niet tegen houden! Vraag gerust.

Jezus vertelt een verhaal om ons te leren dat je moet volhouden,
dat je niet zomaar moet opgeven, ook als je denkt dat God je niet hoort
en dat je helemaal niet moet denken: mijn vraag is niet belangrijk genoeg voor God.
Het verhaal gaat over een man, die midden in de nacht bezoek krijgt.
Dat zal niet zo vaak gebeuren dat je midden in de nacht bezoek krijgt
en dat bezoek is ook nog eens onverwacht, want de man heeft er niet op gerekend.
Anders had hij wel gezorgd dat er genoeg eten in huis is,
maar nu heeft hij een lege koelkast en voorraadkast en kan de gast niets aanbieden.
Dat is niet fijn als je een goede vriend of vriendin krijgt, die je niet vaak ziet
en dat je die vriend of vriendin niets kunt voorzetten.
Ook als het midden in de nacht is, dan maak je eten en drinken klaar
om je onverwachte gast goed te verzorgen en welkom te heten.
Het is al vervelend als je iemand mee naar huis neemt om samen te spelen
en je moeder of vader kijkt je aan en zegt: we hebben helemaal niets in huis.
Geen koek of snoep, geen eten of drinken.
En als je dan nog eens van ver komt, dan lust je wel wat.
Deze man moet daar midden in de nacht iets op verzinnen.
De winkels zijn niet open. Overal in het dorp zijn de huizen donker. Iedereen slaapt.
De man weet maar één oplossing. Hij moet naar een vriend dichtbij.
Hij gaat er gauw naar toe en staat aan de deur:
Hij doet zo zachtjes mogelijk om niet de kinderen wakker te maken.
Dan roept hij wat harder en gaat net zolang door tot zijn vriend wakker wordt
en het hoofd door het raam naar buiten steekt: Wat is er aan de hand?
Dan legt die vriend die aan de deur staat uit dat hij zijn hulp nodig heeft.
Hij heeft wat eten en drinken nodig vanwege die onverwachte gast.
Veel hoeft het niet te zijn. Als hij maar een eenvoudige maaltijd kan voorzetten.

Hoe zou die man die in zijn slaapkamer is reageren?
Zou hij zeggen: doe normaal? Weet je wel hoe laat het is? Hoe durf je?
Ik moet er morgen vroeg uit en ook mijn kinderen moeten morgen uitgeslapen zijn?
Zou hij zeggen: Sorry, ik kan je niet helpen, want ik heb alles al op slot gedaan?
Kom morgenochtend maar weer terug?
Nee, de man zal uit bed komen, naar beneden komen en de deur opendoen
en de man binnenlaten om hem wat te geven.
Een vriend laat je niet in de kou staan. Zeker niet als hij een gastheer moet zijn.
Die vriend doet open, omdat hij zijn vriend wil helpen.
Een vriend help je omdat je om hem geeft, hem niet in de steek wil laten,
niet voor schut wil laten zetten.
De man had ook om een andere reden kunnen helpen.
Hij had ook kunnen denken: Ik heb er geen zin in, maar als die vriend zo blijft roepen
is straks iedereen wakker, mijn kinderen, de buren, de hele buurt.
Wat zullen ze wel niet over mij denken als ik hem niet wilde helpen?
Nee, hij helpt omdat hij een goede vriend is.
Als wij als mensen elkaar al helpen, waarom zou God ons dan niet helpen?
Waarom zou God als we bidden (bij wijze van spreken)
de raam van Zijn slaapkamer dicht doen en zich nog eens omdraaien en zeggen:
Het komt nu niet uit. Ik heb er nu geen zin in om je te helpen, geen tijd voor.
Nee, zo zal God nooit reageren.
Altijd heeft Hij tijd. Altijd wil Hij helpen. Altijd zal Hij luisteren. Vraag gerust.

Stel dat je thuis aan het spelen bent en het is nog geen etenstijd
en je zegt tegen je vader of moeder: mag ik wat eten?
En je vader of moeder komt naar je toe en legt iets in je hand.
Je dacht dat hij of zij met een koekje of een snoepje zou komen, of iets gezonds,
maar het blijkt een steen te zijn. ‘Hier, eet maar op.’
Geen goede ouder zou dat serieus bedoelen.
Als je aan je moeder of vader vraagt als die aan het koken is: Wat eten we?
En je denkt dat er komt: lasagne, bami, bloemkool, of stiekem patat of pannenkoeken
en hij zou zeggen: chemisch afval, of iets anders giftig.
Dat zou een flauw grapje zijn en als je moeder of vader dat echt zou menen,
dan zouden we ons zorgen moeten maken over je vader of moeder.
Als je ouders al goed voor je zorgen, of in ieder geval proberen te zorgen,
dan zal de HEERE God helemaal goed voor ons zorgen.
Want wij als mensen kunnen nog wel eens iets oneerlijks hebben,
of zelfs iets gemeen, maar de HEERE is alleen maar goed
En dat zul je merken wanneer je aan Hem je vraag voorlegt.
Vraag gerust.

Op welke manier de HEERE God geeft en op welke manier Hij helpt,
dat kan anders zijn dan we zelf hadden gedacht.
Je bidt dat iemand beter mag worden en toch sterft iemand.
Je bidt dat er vrede mag komen en toch blijft er oorlog
en moeten mensen op de vlucht. Nog steeds.

Je bidt dat er overal eten en drinken zal zijn
en toch gebeuren op deze wereld rampen:
In bepaalde delen in Afrika zijn er zoveel sprinkhanen, een hele plaag.
Deze sprinkhanen eten alles op en er is straks niets meer voor de mensen over.
Er kunnen zoveel gebeden en vragen zijn, waarvan je denkt dat God ze niet hoort.
Doet Hij er niets mee. Dat weet ik niet. Ik weet alleen dat God wel onze gebeden hoort.
Op een keer waren we mijn kleine broertje vergeten toen we op vakantie waren.
We zouden naar het strand gaan,
maar hadden niet door dat hij in het vakantiehuis achterbleef.
Halverwege de rit naar het strand kwamen we erachter. We waren al een kwartier weg.
Toen we bij het huis terugkwamen, konden we hem horen.
Hij had ons wel zien weggegaan en had alleen maar kunnen roepen,
net zo lang tot er iemand hoorde.

Bij het gebed belooft God te luisteren en niet alleen te luisteren, maar ook te komen:
Denk nog even aan Max.
Hij vond het mooi dat er een burgemeester zou komen.
Daar had hij misschien ook wel aan gedacht.
Maar hij had nooit durven dromen dat de koning naar hem toe zou komen.
Zo kan de HEERE God ook naar jou toe komen en je helpen
op een onverwachte manier, een manier waarop je helemaal niet gerekend had,
Waar je helemaal niet om gevraagd had.
Zo kan God op een onverwachte manier komen. Je rekent er niet op,
je hebt er misschien niet eens om gevraagd,
of je vroeg het, maar je durfde niet geloven dat God zou luisteren en zou komen.
Jezus zegt: Vraag gerust. Want God hoort je bidden. Amen

Preek zondag 8 maart 2020

Preek zondag 8 maart 2020
Schriftlezing: Lukas 17:20-37

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De vraag die de Farizeeën aan de Heere Jezus stelt, is een herkenbare vraag.
Ik denk dat wij ook wel zouden willen weten wanneer dat Koninkrijk van God zal komen.
Dan weet je hoeveel tijd er nog aan ons gegeven wordt
en kunnen we ons er op instellen, zodat het je er niet door overvallen wordt.
Of hoeveel tijd je nog hebt om de mensen om je heen zover te brengen
dat zij ook in Christus gaan geloven.
Dan weet je ook dat je niet tevergeefs wacht op de komst van dit Koninkrijk
en dat het allemaal waar is wat Jezus over dat Koninkrijk verteld heeft.

We lezen geregeld in de evangeliën dat de Farizeeën Jezus op de proef willen stellen,
maar dat is hier niet het geval.
Hier wordt door de Farizeeën een serieuze vraag gesteld,
omdat zij zelf ook uitkijken naar het Koninkrijk van God.
Voor hen betekent het Koninkrijk van God dat het volk Israël weer trouw is aan God,
dat het hele volk weer bezig is met het dienen van God
en zich houdt aan de wetten die God gegeven heeft
en dat iedereen die in het verbond met God hoort ook God eert met woord en daad.
Ze beseffen dat er nog heel wat moet gebeuren,
omdat de meesten zijn afgedwaald en zich helemaal niet met God bezig houden
en leven op een manier die niet past bij het volk van God.
Ze houden hun hart vast: want wat zal er gebeuren als God terugkomt
en Hij Zijn volk aantreft met zo’n zondige levensstijl, zo afgedwaald van Gods wegen.
Ze geloven dat God alleen maar met Zijn oordeel zal komen.
Er is één manier om aan dat oordeel te ontkomen
en dat is het hele volk tot inkeer komt, inziet dat ze zonder God leven
en dat hun zondige levensstijl het oordeel van God over hen zal brengen.
Ze kijken uit naar de Messias die zal komen.
Hij zal het volk terug brengen.
Door de leiders aan te klagen, door net als Jona te vertellen dat Gods oordeel komt.
Alleen wie op dat moment trouw is aan de Heere, zal met de Messias mee mogen gaan
het Koninkrijk van God in.
Bijzonder zal het zijn: een volk dat trouw is aan de Heere
en God die in Jeruzalem als Koning regeert.
Daar kijken ze naar uit: naar dat moment dat God onder hen is
maar ook dat ze alleen nog maar omringd worden door mensen die werkelijk loyaal zijn
aan de Heere en Hem met hart en ziel, met mond en daad dienen.
Wanneer zal dat moment er zijn?
Zij keken er naar uit en letten of ze om zich heen reeds tekenen konden zien
die erop wezen dat het grote moment was aangekomen
dat de Messias kwam, dat het oordeel werd voltrokken en dat God naar Zijn volk kwam.
Zij keken er naar uit. Wanneer?

Laat komen, Heer, uw rijk, uw koninklijke dag,
toon ons uw majesteit, Messias, uw gezag!

Waar blijft dat overlang beloofde land van God,
waar liefd’ en lofgezang verdrijven leed en dood?

Dat land, het ons vanouds
vertrouwde Kanaän,
Waar God zijn stad herbouwt;
Sion, waar zijt ge dan?

Een begrijpelijke vraag van de Farizeeën: Wanneer komt dat koninkrijk dan?
Het kan zijn dat u ook op de tekenen van de tijd let:
Kan ik er al iets van zien dat Gods koninkrijk eraan komt?
Kan ik het zien aan wat er in deze wereld gebeurt aan oorlog, epidemieën, natuurrampen?

Dan is het antwoord dat Jezus geeft verrrassend:
Dat Koninkrijk van God, waar je zo naar uitkijkt, dat moment dat God er zal zijn,
dat er orde op zaken gesteld zal worden en er weer echt geloof zal zijn en trouw
– je kunt het niet op een zichtbare manier zien.
Je kunt het niet met je ogen waarnemen en je zult het ook niet kunnen aanwijzen.
Je kunt er geen mensen naar toenemen om aan te laten zien: hier is dat koninkrijk gekomen.
Dat maakt het niet makkelijk om dat Koninkrijk van God binnen te gaan.
Want dat is wel wat de Farizeeën willen
En daarin lijken de Farizeeën op de volgelingen van Jezus.
Want ook Jezus roept Zijn leerlingen op – ook ons – dat Koninkrijk binnen te gaan.
Hoe kan dat nu? Niet zichtbaar en toch moet je het binnengaan?
Dat is een belangrijke kwestie, want wij ook wij moeten binnengaan
en hoe doe je dat dan?
Het antwoord van Christus kunnen we op twee manieren opvatten.
Als u de tekst voor u heeft, kunt u ook zien dat er een tweede mogelijkheid wordt gegeven.
De vertaling kiest ervoor dat Jezus zegt: Het Koninkrijk is binnen in u.
Dat betekent: je hart is open gegaan voor Christus.
Hij is in je hart komen wonen, je bent in Hem gaan geloven
en je bent zo gaan leven, zoals Hij dat wil: trouw aan Hem, trouw aan Zijn richtlijnen.
Hoewel die mogelijkheid gekozen kan worden, is die andere optie beter:
Het Koninkrijk is in het midden van u.
De Farizeeën kijken nog uit naar de Messias, maar ze hebben niet door
dat ze hier al met de Messias in gesprek zijn
en dat met de komst van Christus op aarde dat Koninkrijk van God gekomen is.
Wil je meer weten over dat Koninkrijk van God dan moet je naar deze Messias kijken:
Jezus, geboren uit de maagd Maria, de Zoon van God op aarde gekomen met een missie,
een missie die Hij van Godswege zal gaan vervullen
en wil je dat Koninkrijk van God binnengaan, dan moet je bij deze Jezus zijn.
Hij is het Koninkrijk van God, Hij brengt dat Koninkrijk
En alleen Hij kan je dat Koninkrijk laten binnengaan.
Sinds Hij voet op aarde zet, is dat Koninkrijk van God begonnen.

Nu Zijn leerlingen nog bij Hem zijn, kunnen ze dat geloven,
maar er zal een tijd komen, waarop Hij van Zijn leerlingen gescheiden zal zijn.
Dat kunnen twee momenten zijn: het moment waarop Jezus wordt gearresteerd
en meegenomen wordt voor een verhoor en uiteindelijk gedood zal worden.
Dat zal een hard gelag zijn voor de leerlingen en ze zullen in de verleiding komen
om Jezus vaarwel te zeggen en bij Hem vandaan te gaan
en uit teleurstelling ergens anders op zoek gaan naar het Koninkrijk van God,
waarvan ze geloofden dat hun Meester die zou brengen.
Jezus kan hier ook doelen op de tijd na Zijn hemelvaart,
het moment dat Hij in de hemel de troon bestijgt
en vanaf de hemelse troon de wereld bestuurt.
Op beide momenten zullen de leerlingen van Christus kwetsbaar zijn,
omdat ze Jezus niet zichtbaar bij zich hebben.
Wellicht merkt u dat bij uzelf ook wel:
Natuurlijk, onze Heer is in de hemel en Hij regeert vandaaruit.
En toch, je zou juist soms van die tekenen willen hebben, dat het waar is,
dat het zichtbaar is dat Christus vanuit de hemel regeert.
Hoe kwetsbaar je ook bent om bij Hem vandaan te gaan, omdat je Hem niet ziet,
laat je niet in verleiding brengen om bij Hem weg te gaan,
omdat iemand anders je denkt dat Koninkrijk van God aan te wijzen.
Want dat Koninkrijk heeft vooral met één moment te maken,
dat voor Jezus nog moet komen: het kruis op Golgotha.
Dat moet eerst nog komen voor het Koninkrijk van God zal komen.

Als Jezus aan het kruis hangt, zegt Hij: dat Koninkrijk van God is nu gekomen.
Hij zegt dat tegen die moordenaar die op het allerlaatste moment van zijn leven
inziet wie die Man is die naast hem aan het kruis hangt.
Dat Hij de Messias is die toegang kan geven tot het Koninkrijk van God.
Denkt U aan mij, zegt hij dan ook tegen Jezus, als U in dat koninkrijk gekomen bent.
En het antwoord van Jezus is: Heden, nu.
Nu Hij aan het kruis hangt is dat koninkrijk gekomen.
Maar hoe wordt dat koninkrijk dan zichtbaar?
Want Jezus zegt toch dat het zo zichtbaar zal zijn, voor iedereen, net als de bliksem.
De bliksem ziet iedereen van de ene kant van de lucht naar de andere schieten.
Voor iedereen zichtbaar, je schrikt en je wacht benauwd af: hoe hard klinkt de klap?
Ja, wel zichtbaar, maar dan in een duisternis die drie uur duurt.
Dat is het oordeel waar de Farizeeën naar uitkeken, waarbij God alles recht zet.

Dag des oordeels, dag des Heren. Alles zal tot as verteren, zoals de profeten leren.

Dag van schrik die aan zal breken, als de Rechter recht zal spreken,
en het kwaad op aarde wreken.

Maar dan niet het oordeel dat God over Zijn eigen volk uitgiet
dat Hem bij Hem vandaan gegaan is, niet over de zondaars en de goddelozen,
maar over Zijn eigen Zoon, die daar hangt in onze plaats.

Stel dat je die dag zou meemaken en je zou gewoon maar doorgaan met je leven
alsof er niets was gebeurd,
alsof er niet die enorme dreiging van Gods oordeel was weggedragen.

Je gaat door met je gewone leventje:
door aan tafel te gaan, te eten op te scheppen en drinken in te schenken
Alsof het niet telt dat daar op die heuvel Golgotha
de deur van Gods koninkrijk is opgegaan en jij, u daar binnen mag gaan.
Dat het belangrijker is om je eigen gezin te stichten en je leven op te bouwen
Dan dat God de mogelijkheid geeft om gered te worden en niet verloren te gaan.
Of naar nu, dat je weet dat je de mogelijkheid hebt om dat koninkrijk in te gaan,
maar dat je daar niet druk om maakt, maar meer bezig bent
om wat je van de spulletjes die je hier verzameld hebt in veiligheid zou kunnen brengen
en je dit leven dat je nu hebt nog niet kwijt wilt.
Opnieuw klinkt het: Wie zijn leven zal proberen te behouden, zal het verliezen.
Als je net als de mogelijkheid geboden wordt om weg te komen
en een veilig heenkomen te vinden, omdat God je in veiligheid wilt brengen
voordat het oordeel van God alsnog over deze wereld wordt gebracht.
Maar je meer als de vrouw van Lot bent, die achterom keek:
het ging haar aan het hart om dat alles te verliezen: haar bezittingen, haar huis,
haar stad, haar vriendinnen en buren die achterbleven – dat was haar hele leven!
Als je net als Noach de mogelijkheid hebt om met Christus de ark in te stappen,
maar je bent als de mensen uit de tijd van Noach,
die schouderophalend aan Noach voorbij liepen, toen hij zijn ark bouwde.
Je kunt te laat zijn, omdat je je ogen ervoor sluit voor de tijd die komen gaat.
Omdat je je oren dichtstopte.

Je kunt te laat zijn, terwijl degene met wie je optrok wel meegaat,
zoals Lot meeging met de engelen die hem kwamen redden
en dat je achter blijft, zoals de mensen achter bleven de deur van de ark dicht ging.
Je kunt op aarde zo nauw met elkaar verbonden zijn:
samen tot een gezin behoren, of samen aan tafel aan de maaltijd liggen.
Samen aan het werk zijn en echt als collega’s een duo vormen,
op dezelfde plek aan het werk.
En toch moeten zien dat die ander wel meegaat,
omdat jij de oren dicht stopte toen de waarschuwing kwam,
en de oproep om je leven te veranderen naast je neerlegde.
Dan blijf je achter. Je hebt over het Koninkrijk van God gehoord,
je hebt de weg geweten, de poort ernaartoe gezien,
maar je bleef er onbewogen onder, omdat je leven hier te kostbaar was.
Je had hier zoveel en je dacht dat het niet zo’n vaart zal lopen
en je deed je ogen dicht, net als de discipelen in de Hof van Gethsemané
juist op het moment hun Meester hen opriep met Hem te waken,
om te voorkomen dat je in verzoeking raakt.

Wanneer komt dat Koninkrijk?
Nee, zegt Jezus, niet: wanneer. Want dan kijk je naar de toekomst
en dan zie je niet dat je nu in moet gaan om het leven te vinden.

Waar kom je dan terecht?
Dat is de vraag van de leerlingen.
Wat gebeurt er met je, als je net als Lot wordt meegenomen.
Waar blijf je als je de ark in stapt?
Wat staat je te wachten?
Waar kom je terecht als je die deur doorstapt het Koninkrijk van God in?
Hoe zal het daar zijn?
Zal er echt redding, behoud zijn? Ben je daar wel veilig?
Ben je daar ook veilig als het oordeel van God komt?

In de vertaling zoals we die hebben is het antwoord raadselachtig:
Waar het lichaam is, zullen de gieren zich verzamelen.
Het gaat hier echter niet om gieren, maar om adelaars, arenden.
Maar wie de Heere verwachten zullen hun kracht vernieuwen,
zij zullen hun vleugels uitslaan als arenden.
Indrukwekkende vogels, die hun vleugels kunnen uitslaan
en weg kunnen vliegen naar een bergtop waar ze veilig zijn.
De arend bouwt zijn nest in de hoogte, haast zelfs tussen de sterren:
onbereikbaar voor het kwaad dat komen zal, veilig.
Waar is die plek dan waar de arend zijn nest bouwt en veilig is?
Waar is die plek dan waar de gelovige veilig en bewaard is?
Waar het lichaam is.
Dat lichaam, dat aan het kruis gehangen heeft en in de dood geweest is
en levend uit het graf gekomen is, en is opgevaren naar de hoogte
zoals een arend, maar dan helemaal de hemel in.
Dat lichaam waarvan Jezus zal zeggen als ze bij elkaar zijn om het PAscha te vieren:
Dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt.
Neem, eet, gedenkt en gelooft dat het lichaam van onze Heere Jezus Christus
is verbroken tot volkomen verzoening van al onze zonden.
Dat lichaam dat gehangen heeft aan het kruis, dat in de duisternis heeft gehangen
en het oordeel heeft gedragen, dat in de dood geweest is.
Hij werd verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
Dat lichaam dat uit het graf kwam en voor ons de deur is naar het koninkrijk is.
Waar Hij, onze opgestane Heer, waar Hij, onze Heer die in de hemel aangekomen is,
Waar Hij is, daar zullen ook zij zijn, die door Hem zijn meegenomen
omdat zij wisten van die toegang, omdat zij zich lieten meenemen,
omdat zij gered wilden worden.

Om haar als bruid te werven, kwam Hij ten hemel af.
Hij was ‘t, die door zijn sterven aan haar het leven gaf.

Vergaard uit alle streken in heel de wereld een,

werd dit haar zalig teken, dat allen is gemeen:
Dat ze het leven in Hem vonden en zich aan Hem verloren.

 

Hier op aarde is er nog een strijd, maar er is wel de zekerheid,
wie de weg van Hem gaat, wie door die poort is gegaan,
is voor altijd veilig, ook voor het oordeel van God.

Geef dat in uw genade, o God, ook eenmaal wij
langs uwe lichte paden gaan tot der zaal’gen rei!
Amen

Vragen bij Lukas 22:39-53

Vragen bij Lukas 22:39-53
Christ-in-the-Garden-of-Gethsemanealso-known-as-Agony-in-the-Garden-Veronese-Oil-Painting-510x3901) De discipelen volgen Jezus. Bent u bereid om Jezus te volgen? Ook als het op kruisdragen aankomt?
2) Verkondiging is Jezus Christus voor ogen schilderen. Op welke manier doet Lukas dat in dit gedeelte?
3) Jezus verwijdert zich van zijn leerlingen. Dit is de eerste keer dat zijn leerlingen niet bij Hem kunnen zijn als Hij bidt. Waarom is dat niet mogelijk?
4) Jezus bidt of de drinkbeker aan Hem voorbij mag gaan. Wat is die drinkbeker? En op welke manier krijgt Hij antwoord?
5) Jezus waarschuwt de leerlingen dat ze niet in verzoeking moeten komen en daarom moeten waken. Wat is voor hen de verzoeking waar Jezus voor waarschuwt? En voor ons?
6) Waarom gebruikt Jezus bij uitstek de titel Mensenzoon / Zoon des mensen om Judas tot de orde te roepen? Wat is de rol van de Zoon des mensen?
7) Jezus wordt als misdadiger gevangen genomen. Waarom is dat belangrijk?
8) Dit is uw uur en het uur van de duisternis – wat bedoelt Jezus daarmee?

Preek zondag 1 maart 2020 middagdienst

Preek zondag 1 maart 2020 middagdienst
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Lukas 9:18-27

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Moet u zich eens indenken wat onze Heere Jezus Christus hier zegt.
Dat als je wakker wordt en je opstaat een kruis op je schouders neemt
en dat je dat kruis de hele dag meedraagt bij alles wat je doet.
Als je je aankleedt, als je ontbijt, als je naar je werk gaat of je kinderen naar school brengt,
tijdens de bezigheden die je hebt, heel de dag door bij alle gesprekken die je hebt,
draag je dit kruis bij je op de rug en tors je dat mee, omdat je Christus achteraan wilt gaan.
En ‘s avonds als je slapen gaat, leg je dit kruis van je af
of misschien draag je dit kruis ook wel in je slaap, omdat je het niet meer kunt afleggen
als je het eenmaal op je genomen hebt.
Als je het al ‘s avonds van je af kunt leggen, neem je het kruis de volgende morgen weer op
en draag je dat de hele dag door bij alle bezigheden.
Je neemt het zelf op je schouders.
Dat kruis is niet dat anderen op je schouders leggen, maar het is je eigen keuze,
want het hoort bij de weg die je wilt gaan: de weg achter Jezus aan.
Je hebt de keuze om dat kruis niet op te nemen,
maar dat is dan gelijk ook de keuze om niet achter Jezus aan te gaan,
om je leven te houden zoals het is, zonder dat God er een rol in speelt.
Dat je een kruis op je neemt, dat hoort bij het leven met Christus,
dat draag je uit eigen vrije wil, omdat je achter Christus aangaat, elke dag weer opnieuw.
Als je aan het avondmaal gaat, zeg je daarmee dat je bereid bent dit kruis te dragen,
omdat je achter Jezus aan wilt gaan en daarmee het kruis niet uit de weg wilt gaan,
dat je bereid was vandaag om je kruis op te nemen en dat morgen weer te doen
en steeds weer opnieuw, zoals je elke dag je bezigheden hebt ook dit kruis draagt.

Als Jezus over Zichzelf vertelt dat Hij een weg moet gaan van lijden,
een weg die zelfs eindigt in de dood aan het kruis,
voegt Hij eraan toe dat deze weg elke volgeling van Hem staat te wachten.
Zoals het brood vanmorgen gebroken werd
als heenwijzing naar hoe het lichaam van Christus werd verbroken,
zo heeft iedereen die gelooft ook een leven dat in het teken staat van het kruis.
Ook het leven van de gelovige wordt verbroken,
zoals dat aan het kruis ook met Christus gebeurde.
Dat verbroken worden heeft hier wel een hele speciale betekenis:
want Jezus betrekt het op zelfverloochening.
Elke dag je kruis op je nemen om achter Jezus aan te gaan betekent zelfverloochening.
Je kunt het ook omdraaien: zelfverloochening is elke dag je kruis op je nemen,
omdat je achter Jezus aan wilt gaan.
Want daar heeft het wel mee te maken: dat je achter Jezus aan wilt gaan, Hem volgen.
Dat kruis dat wij dragen is een ander kruis dan Jezus droeg.
Het kruis dat Hij droeg had een unieke betekenis: Hij droeg onze schuld
als de Knecht des Heeren uit Jesaja 53 die bereid was dit lijden te ondergaan in onze plaats.
Dat kruis kunnen wij niet dragen, omdat dat kruis voor ons is gedragen.
Ons kruis is een ander kruis, maar heeft wel iets gemeenschappelijk met dat andere kruis
dat er stond op Golgotha, dat door Jezus door Jeruzalem werd gedragen.
Namelijk de bereidheid om te dienen.
Christus was bereid om met Zijn leven anderen te dienen.
Zoals een liedje van Elly & Rikkert zingt:
Waarom bleef U zo stil  – toen ze U vroegen: bent U de koning der Joden
Waarom bleef U zo stil –  toen ze U sloegen en aan een kruis wilden doden
Dacht U aan ons?
Hij dacht niet aan Zichzelf.
Niet toen Hij in de hemel was en het duidelijk was dat Hij naar de aarde moest gaan.
Hij dacht niet aan Zichzelf toen Hij de Jordaan inging om gedoopt te worden.
Hij dacht niet aan Zichzelf toen Hij rondtrok door Galilea
en zelfs niet als Hij de eenzaamheid introk om in gebed te zijn.
Hij dacht niet aan Zichzelf in Gethsemané, toen Hij na Zijn worsteling toch besloot
om de drinkbeker die de Vader voor Hem bestemd had aan te nemen en leeg te drinken.
Hij had uit Gethsemané kunnen vluchten als Hij Zijn leven had willen behouden.
Hij had zelfs een heel leger aan engelen kunnen gebieden om Hem te beschermen

toen ze met stokken en zwaarden op Hem af kwamen om Hem gevangen te nemen.
Hij was bereid om deze weg te gaan, een weg van zelfopoffering, van zelfverloochening.
Door dat kruis te dragen uit eigen wil, liet Jezus zien dat Hij bereid was om te dienen,
om ons te dienen, om alles voor ons over te hebben.
En dat is wat Jezus ook bedoelt als Hij tegen ons zegt dat dit erbij hoort op Zijn weg:
dat je jezelf verloochent en elke dag weer je kruis opneemt.
Er gaat geen dag voorbij of je neemt dit kruis op.
Zelfverloochening betekent dat je niet jezelf op de eerste plaats zet,
maar dat je Christus op de eerste plaats zet – bereid om Hem te dienen
en dat je in navolging bereid bent om anderen te dienen.

Zo zullen wij allen, die door het waarachtige geloof in Christus ingelijfd zijn,
door broederlijke liefde samen één lichaam vormen,
omwille van Christus, onze geliefde Zaligmaker, die ons tevoren zo bijzonder heeft liefgehad. Dit zullen wij niet alleen met woorden, maar ook met daden aan elkaar bewijzen.

Jezelf verloochenen en elke dag je kruis op je nemen betekent dat je bereid bent
om God en je naaste dienen, bereid om dat te doen wat Christus deed.
Je volgt Hem na, je gaat dezelfde weg en je neemt die houding van Christus aan.
Dat is wat je beloofd hebt aan het avondmaal:
Wat ik van U, Heere, heb ontvangen, wil ik ook weer aan anderen geven.
Zoals U diende, wil ik ook dienen, zoals U zichzelf gaf wil ook ik mijzelf geven – in Uw dienst.

Hier in de gemeente zijn er heel wat die op die manier zichzelf verloochend hebben
en gediend hebben en zo iets van Christus hebben laten zien.
In de zorg voor een vader of een moeder, soms zelfs in huis genomen
in de zorg voor een oom of tante die geen kinderen had en op de familie was aangewezen.
Of in de zorg voor het gezin van je kinderen.
Vaak doe je op hen niet tevergeefs een beroep.
Als het moet, veranderen ze hun plannen voor die dag.
Ik kan genoeg verhalen vertellen van echtgenotes die hun eigen leven opgaven
omdat de zorg voor een zieke echtgenoot alles van hen vroeg.
Of een man die zijn eigen activiteiten en hobby’s beperkt,
omdat zijn vrouw het niet zo fijn vindt als hij van huis is omdat ze hem nodig heeft.
Het bijzondere is dat als je met hen in gesprek gaan, ze dit gewoon vinden.
Je hoort dat te doen. Dat heb je beloofd toen je trouwde.
Dat hoor je te doen als familie.
Wanneer je aan hen vraagt waarom ze dat doen zullen er niet veel zijn
die gelijk naar Christus verwijzen en zeggen dat Hij kwam om te dienen
en dat wij, omdat Hij ons diende met Zijn weg, wij ook geroepen zijn om te dienen.
Ze zullen zeggen: dat hoor je te doen.
En pas met doorvragen zullen ze aangeven dat ze op deze manier Christus dienen.
Zeg daarom niet te snel dat er te weinig zelfverloochening is
en zeker niet als we met elkaar avondmaal hebben gevierd.
Want daarin zijn de tekorten die we hebben, als we onszelf niet hebben verloochend,
als we alleen maar aan ons zelf hebben gedacht als hardnekkige egoïsten
op een wonderbaarlijke manier van ons afgenomen, omdat Jezus niet aan zichzelf dacht
maar Zijn leven gaf aan het kruis en Zijn bloed liet vloeien,
waardoor wij gereinigd kunnen worden van de zonde.
Avondmaal betekent dat als wij faalden in onze zelfverloochening,
op die dagen waarop we ons kruis niet op ons wilden nemen, omdat dat ons niet paste,
wij een nieuwe kans krijgen om weer die weg te gaan
en dat onze schuld van ons afgenomen is.
Avondmaal betekent ook dat als wij tekortgeschoten zijn in onze dienst aan anderen
dat de Geest in ons werkt, zodat we het verlangen krijgen ons leven in dienst te stellen
allereerst van Christus en voor Hem ook in dienst van onze naaste.
Wanneer Christus ons een opdracht geeft, geeft Hij daarbij ook altijd de kracht
om die opdracht in praktijk te brengen.
Als Hij ons opdraagt Zijn weg te gaan, laat Hij ons niet alleen gaan,
maar gaat Hij zelf mee, gaat Hij voorop en baant Hij de weg.
Bovendien geeft Hij de Heilige Geest, zodat we het volhouden op die weg.
Als Jezus ons opdraagt om onszelf te verloochenen,
dan hoeven we dat niet zonder de Geest te doen, die ons helpt om in te zien
wanneer wat we deden door egoïsme werd gedreven
en helpt de Geest ons in te zien wanneer ons leven alleen maar om onszelf draait.
Avondmaal versterkt ons in het geloof dat de Geest in ons aan het werk is
en niet stil zit om ons zover te brengen dat we bereid zijn om te dienen
en misschien moet u, moet jij niet te snel kijken naar hoe je gefaald hebt.
Al kan zo’n stevig woord als zelfverloochening je er wel toe brengen dat je denkt
dat je nog steeds niet genoeg doet, al heb geef je nog zoveel zorg aan anderen.
Zou je niet terug kijken naar hoe je gegroeid bent in je dienen
en dat je mag zien dat de Geest je inderdaad op de weg van Christus laat gaan.
Avondmaal is niet alleen bedoeld om de evaluatie op te maken,
Waarbij je alleen ziet wat er nog ontbreekt, op welke manier je nog faalt,
maar ook zien – in dankbaarheid – hoe je groeit in geloof
en hoe de Heere je aan de tafel heeft gevoed om deze reis verder te vervolgen
de reis achter je Heer aan, waarbij je Hem dient  en achter Hem aan gaat.
In het gebed bij het avondmaal vragen we aan God of we dagelijks mogen groeien
in de gemeenschap met Christus.
Dat is niet zo maar een formulering, maar dat is wat de Heilige Geest doet
en waarbij de Geest het avondmaal gebruikt: Om ons te laten groeien in die gemeenschap.
Dat je zo leeft, dat je leven niet alleen maar van jezelf is, maar van Christus
en dat je meer en meer voor Hem gaat leven.
Opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven,
maar voor Hem die voor hen is gestorven en opgewekt.
Schrijft Paulus in 2 Korinthe 5, een hoofdstuk waarin de verzoening aan de orde komt.
Niet meer voor jezelf leven, niet meer jezelf op de eerste plaats zetten, maar onze Heer,
geen egoïsme, maar zelfverloochening.
Eerder in de preek koppelde ik dat aan voor een ander zorgen.
Voor een ander zorgen is slechts een voorbeeld van hoe wij anderen kunnen dienen.
Waar Jezus het zelf over heeft, is het evangelie uitdragen, voor Zijn naam uitkomen,
Zijn verhaal doorvertellen, ook al kun je daardoor meewarig aangekeken worden
of zelfs met lijden te maken krijgen omdat je van Hem bent en voor Hem uit komt.
Als je dat overkomt, kun je de neiging hebben om het kruis maar te laten voor wat het is
en het een poosje niet op je te nemen, omdat je die weg niet wilt gaan.
Je schamen voor je Heer noemt Jezus: er niet voor uit willen komen,
omdat dit geen glorieuze weg omhoog is, maar een moeilijke weg
van lijden, van spot en tegenstand, van twijfel en aanvechting,
waarbij anderen tegen je zeggen: Is dit nu je God? Ben je daarom gelovig geworden?
Makkelijk is deze weg niet zegt Jezus,
maar Hij geeft wel aan dat er aan deze weg een einde komt
en dat is geen dooddoener, zoals mensen kunnen zeggen:
dat aan het einde van een tunnel wel licht zal zijn.
Hij zegt dat omdat Hij de weg kent die Hij vooruit gaat.
Want Hij kondigt niet alleen aan dat er een kruis zal zijn, lijden zal zijn,
Dat Hij verworpen zal worden, maar Hij kondigt ook aan dat er drie dagen later
iets bijzonders gaat gebeuren: Dat God handelt door Zijn Zoon uit de dood te roepen.
Op de derde dag zal Hij worden opgewekt.
Wie dat kruis op zich neemt, omdat je achter Jezus aangaat en Hem wilt volgen,
Is niet alleen verbonden met Christus in het dragen van het kruis,
maar ook in wat er volgt: de opstanding uit de dood.
De weg gaan van Jezus betekent dat je hier op aarde een moeizame weg kunt gaan,
maar het einde zal bijzonder zijn: dan wekt Christus ons op uit de dood,
wie zijn leven zal verliezen door het kruis op zich te nemen, elke dag, zal het behouden.
Wie achter Jezus aangaat, volgt niet alleen de lijdende Knecht des Heeren,
maar volgt ook de Heer machtiger is dan de dood, de God van het leven,
die de macht van de dood verbrak en eeuwig leven kan geven.

Dat is geen verre toekomst, want Jezus besluit met een raadselachtige spreuk:
Dat er zullen zijn die de dood niet zullen smaken voordat het Koninkrijk van God komt.
Tijdens hun leven zullen zij nog mogen meemaken dat dat Koninkrijk komt,
waarvan Christus Heer is.
Heeft Jezus zich dan vergist? Want waar is dat Koninkrijk dan?
Dat koninkrijk van God is toch nog niet gekomen, want we bidden er toch om?
Uw koninkrijk kome.
Maar Jezus doelt niet op Zijn wederkomst.
Want dan zou het een raadselachtige tekst zijn,
maar Jezus doelt op Zijn opstanding, waarmee het kruis waar bleek zijn
en waar Zijn macht over de dood zichtbaar werd.
Vanaf Golgotha en door het geopende graf is dat koninkrijk gekomen.
We bidden er om,omdat we uitkijken naar Christus’ komst
en tegelijkertijd is het al waar: dat het koninkrijk er nu al is.
Nog wel verborgen en nog niet volledig en toch niet helemaal toekomstmuziek
maar ook heden.
Het avondmaal wijst niet alleen vooruit naar het koninkrijk van God dat komen zal,
de maaltijd in de hemel van onze Heer met alle verlosten,
maar laat ook zien dat dit koninkrijk er nu al is en dat wie gelooft
reeds is binnengegaan in dat Koninkrijk.
Wie in dat koninkrijk is binnengegaan is veilig voor de macht van de boze,
al kun je nog wel lijden, en een kruis moeten dragen,
je leven is zeker, geborgen, behouden, omdat je het al een keer verloren hebt.
In dat geloof kunnen we achter Jezus aan gaan, wetend dat we op de goede weg lopen
kunnen we onszelf verloochenen, wetend dat Hij onze Heer is en over ons leven waakt,
kunnen we ons kruis dragen, omdat we ons verbonden weten met onze Heer
en omdat we mogen geloven dat Zijn opstanding ook onze opstanding is.

Gij Hebt aan ’t kruis voor ons den dood zijn macht ontnomen,
zo baandet G’ ons de weg, om weer tot God te komen.

Gij kocht ons met uw bloed, blijf, Heiland, ons regeren,
blijf ons, uw erfenis, door uwe macht bewaren,
wil met uw heil’gen ons voor uwe troon vergaren!
Amen

Preek zondag 26 januari 2020 middagdienst

Preek zondag 26 januari 2020 middagdienst
Lukas 8:22-39

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat kan er een chaos zijn in een mensenleven.
Heel wat mensen hebben stormen over hun leven zien heen gaan.
Ze hebben zoveel meegemaakt dat je als buitenstaander denkt:
hoe hebben ze dat allemaal volgehouden.
Denk aan degenen die in de Tweede Wereldoorlog een concentratiekamp
of zelfs een vernietigingskamp als Auschwitz hebben overleefd.
Morgen is het 75 jaar geleden dat dit kamp werd bevrijd door de Russen.
Voor velen was het daarna nog niet voorbij:
een warm onthaal was er in hun thuisland lang niet altijd
en vaak bleek later dat veel familieleden wel omgekomen waren.
Vaak hebben ze levenslang hun beschadigingen of trauma’s meegedragen
Waardoor hun eigen kinderen ook de gevolgen van de oorlog moesten dragen.
Hoe hebben ze dat kunnen doorstaan en hoe hebben ze dat volgehouden?
Alleen daarom al is het goed om er bij stil te staan wat er in de oorlog is gebeurd.
Hoeveel mensen geleden hebben en wat er allemaal voor leed is aangedaan.

Hoe hebben ze dat kunnen doorstaan en hoe hebben ze dat volgehouden?
Dat kan ook een vraag zijn als je hoort van een gezin met weer een tegenslag
of weer een ingrijpende gebeurtenis.
Een levensschip dat door de stormwind geteisterd wordt.
Dan kan het verhaal van de leerlingen bij Jezus in de boot herkenbaar zijn.
Als ze de storm hebben overleefd, omdat onze Heere de storm het zwijgen oplegde,
is het nog niet gedaan met de chaos.
Deze twee verhalen over de storm op het meer,
waar de leerlingen met Jezus doorheen gaan
en de man die ze ontmoeten aan de overkant van het meer,
die man door een heel leger van demonen in bezit genomen, horen bij elkaar.
Er zijn krachten die voor een mens te sterk zijn:
destructieve krachten, krachten die je als mens kapot willen maken
en naar de ondergang willen brengen.
Het moet aangrijpend en aandoenlijk zijn geweest om die man te zien:
Is dit nog een mens, die uitgemergelde man die hen schreeuwend tegemoet komt,
die geen kleren meer aan heeft en al jaren in de eenzaamheid verkeerd,
iemand die tussen de doden leeft en woont – leven kun je het bijna niet meer noemen.
Wat kan een mens afgetakeld worden, ontmenselijkt worden.
Hij is niet meer zichzelf en onbereikbaar.
Een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
Daarom kan hij niet meer onder de mensen wonen en leeft hij in afzondering.
Hij is te agressief om nog onder mensen te kunnen leven
en die agressie is met geen boeien of dwangbuis te beteugelen.
Een onrust die in hem huist en die hem wegdrijft uit de stad,
weg bij zijn medemensen vandaan die hij niet meer kan verdragen
en die hem niet meer kunnen verdragen.
Een onrust die een naam blijkt te hebben: Legio, legioen
– een heel leger leger aan demonen.
Is dit nog een mens: zo afgetakeld, zo zonder kleren en zo alleen.
Als hij daar in de graven onderuit zou gaan en iets zou breken,
zou het niemand opvallen.
Als hij zou overlijden, zou hij daar tijden liggen, zonder dat iemand hem mist
en zonder dat er nabestaanden komen om hem te begraven.
Levend begraven is hij als het ware, een levende dode.
Voor Lukas is die intense eenzaamheid, dat geweldige isolement
net zo aangrijpend en ontluisterend als die machten die in hem huizen.
Voor Lukas hoor je als mens onderdeel te zijn van een gemeenschap,
hoor je mensen om je heen te hebben die om je geven en er voor je te zijn
en raak je je menselijkheid kwijt als je nergens meer bij hoort
en geen contact meer hebt met andere levende mensen.
Hij is een man van de stad waar Jezus aan wal komt,
Een van hen is hij en toch hoort hij er niet meer bij en woont hij alleen.
Een Joodse exegete, die in bij de voorbereiding raadpleegde, zag hier iets in
van de verbanning van Adam en Eva uit Eden.
Zoals Adam en Eva niet meer in de tuin konden leven,
zo kan deze man niet meer leven in de stad.

Deze man laat zien wat er gebeurt als de destructieve krachten het voor het zeggen hebben
wat er gebeurt als de demonen vrij spel krijgen en een mensenleven kunnen beheersen.
Daarom moeten we voorzichtig zijn om wanneer het in de evangeliën om mensen gaat
die beheerst worden door demonen denken aan hedendaagse psychiatrische patiënten.
Daar wordt wel vaak aan gedacht, omdat wat de man laat zien in zijn gedrag
ook door mensen met een psychiatrische stoornis kan worden vertoond.
Ik denk dat we daar voorzichtig mee moeten zijn.
Niet alleen omdat je hedendaagse psychiatrische aandoeningen
niet kunt verbinden met wat in de bijbel wordt beschreven als bezeten door demonen.
Maar ook omdat je dan bepaalde facetten uit de bijbel niet ziet,
die wel van belang zijn om te begrijpen
wat hier in de confrontatie tussen Jezus en de demonen gebeurt.
Demonen die deze mens van elke gemeenschap met andere mensen
maar ook van de gemeenschap met God hebben beroofd
en Jezus die deze gemeenschap weer komt herstellen
en zorgt dat deze man, die niemand meer had, opgenomen wordt
in een nieuwe gemeenschap rondom Hem.
Wellicht is dat ook de reden voor Jezus om daar te komen en het meer over te steken,
de storm op het meer te trotseren en te laten zien wat Zijn macht is.
Het land van de Gerasenen, waar Jezus voet aan wal zet,
is een gebied waar een gewone Jood niet zou komen als het niet hoefde:
Heidens gebied, waar varkens werden gehoed,
waar men iemand tussen de doden liet wonen.
Als je in zo’n gebied komt, liep je het risico om onrein te worden
en wanneer je onrein was kon je de gemeenschap met God worden ontzegd.
Als Jezus in dat gebied voet aan wal zet, wordt Jezus niet bepaald welkom geheten.
De schreeuwende man die op hen afstormt, of eigenlijk zijn het die vele demonen
die bij deze man de regie hebben overgenomen en de man agressief laten zijn.
Maar verwonderlijk eigenlijk,
Want de demonen komen om Jezus tegen te houden,
maar halverwege hun schreeuwen verandert hun houding en hun taal.
Wat die demonen roepen is een soort lofprijzing:
lof uit de mond van de demonen voor Jezus die daar voet aan wal zet.
Denk aan wat Paulus schrijft in Filippenzen 2:
Opdat in de naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel en die op aarde en in het water onder de aarde zijn,
elke tong zal belijden dat Jezus Christus is de Heer.
Dat is wat hier ook gebeurt: In plaats van Jezus weg te kunnen jagen,
moeten ze hun meerdere erkennen in Jezus.
Er is geen sprake van strijd tussen Jezus en die demonen.
Ze merken bij aankomst al dat ze tegen Jezus niet opgewassen zijn.
Zoon van de allerhoogste God – ook al willen we niet, we moeten je gehoorzaam zijn.
Soms wordt het kruis, waar Jezus aan hing en de dood die Hij daar stierf,
gezien als het moment waarop Christus de macht van de boze en zijn handlangers verbrak,
maar in het evangelie van Lukas is dat al als Jezus erop uit trekt
en als overal het woord van God wordt verkondigd, door Hem of door Zijn leerlingen.
Als Hij zijn leerlingen erop uit stuurt, zegt Hij tegen hen bij hun terugkomst
dat Hij de satan uit de hemel zag vallen.
Hier moeten de demonen hun meerdere in Jezus erkennen.
Waar ze een mens in bezit kunnen nemen,
merken ze dat ze tegen Gods Zoon niet op kunnen.
Het krijgt iets kruiperigs wat die demonen doen: doe ons geen pijn.
Dat ze die mens waar ze in huizen pijn doen en vervreemden van zichzelf en anderen
houdt hen niet zo bezig, daar hebben ze geen moeite mee.
Maar zelf kunnen ze geen pijn verdragen: doe ons geen pijn, spaar ons alsjeblieft.
Ze merken dat ze echt niet tegen Jezus op kunnen,
Want ze moeten hun naam prijsgeven: Legio – legioen.
Ze moeten het gezag van Jezus wel erkennen.
Hij is inderdaad de Zoon van de allerhoogste God.
En Zoon van de allerhoogste God betekent niet dat Jezus minder is dan God,
maar de kracht van God en het gezag van God in zich draagt.
Die Man die nu voor hen staat is de hemelse rechter, die hen eens zal oordelen.
Ze beseffen met wie ze van doen hebben
en daarom nemen ze helemaal een onderdanige houding aan:
Stuur ons niet naar de afgrond.
Die afgrond is de onderwereld:
de plek waar de goddelozen en de kwade geesten zullen wonen
nadat Christus teruggekomen is en het oordeel heeft uitgesproken.
De demonen in de man voelen dat die tijd er aankomt,
maar hebben nog geen trek die straf nu al te ondergaan.
Ook de demonen willen genade.
Ook de demonen hebben er een hekel aan om voor altijd in de hel te wonen.
We zien hier de macht die Jezus heeft.
Wie is Hij naar wie de wind en de zee gehoorzamen?
Wie is Hij die de storm tot bedaren kan brengen?
Wie is Hij die de macht heeft over de demonen
en voor wie ze al op de knieën gaan als Hij in aantocht is.

Als de demonen uit de man weggegaan zijn, kan hij aan de voeten van Jezus zitten,
bevrijd van de machten die hem gevangen hielden, vrij om te doen wat hij zelf wil
en als een volgeling van Jezus die bij Jezus in de leer gaat
en in de gemeenschap van Jezus is opgenomen.
Opnieuw: waar U bent, zal de nacht verdwijnen.

Je zou denken dat iedereen, die er getuige van is, net zo blij en dankbaar is
als de man die de bevrijding heeft ontvangen,
dat ze hem weer willen opnemen in hun gemeenschap
omdat hij nu weer een van hen is en bij hen kan zijn
omdat die kwade geesten geen macht meer over hem hebben.
Net zo belangrijk voor Lukas als de bevrijding van de man door Jezus
en de macht van Jezus over de demonen is voor hem de reactie van de mensen uit de stad.
Ze willen dat Jezus weggaat.

Bij hen roept Jezus geen geloof op, maar angst.
Wie is Hij naar wie de wind en de zee gehoorzamen?
Wie is Hij die de storm tot bedaren kan brengen?
Wie is Hij die de macht heeft over de demonen
en voor wie ze al op de knieën gaan als Hij in aantocht is.
Dat is voor hen geen vraag van geloof, maar een manier om Jezus buiten te houden.
Hier zitten ze niet op te wachten: iemand die de strijd aangaat met de demonen onder hen.
Ze zitten te vast aan hun eigen demonen, ze willen geen schoon schip,
niet gereinigd worden vanbinnen, maar hun leventje leiden zoals ze deden.
Als ze konden verdienen aan het houden van varkens,
verboden voor Joden, omdat die onrein zijn, dan doen ze dat.
Liever iets meer verdienen, een goede baan, goed salaris, een goed leven
dan dat inleveren omdat je daardoor je op een hellend vlak begeeft
En je van God verwijdert.
Misschien dat ze Jezus ooit eens willen dienen, maar nu nog niet.
Ze maken een rekensom: redding van die ene die verloren was,
kost hen teveel, kost hen hun levensonderhoud en hun manier van leven.
Dat hebben ze er niet voor over.
De man die zijn gemeenschap weer terugkrijgt, weer mensen om zich heen,
blijft in feite alleen, omdat hij de enige is die met Jezus verbonden raakt.

Geen wonder dat hij mee terug wil met Jezus de boot in
en volgeling van Jezus wil zijn en hem volgen, zoals die vrouwen dat deden
die ook verlost zijn uit de macht van de boze. (begin hoofdstuk 8).
Jezus staat dat echter niet toe.
Hij heeft voor die man, die is gered, die is bevrijd een andere taak.
Blijven waar hij is, blijven bij de mensen die niet blij zijn met zijn redding,
bij de mensen zijn die zijn Redder hebben weggestuurd, omdat ze hem niet wilden
en het niet aankonden om de macht van Jezus in hun midden te hebben,
Voor wie als het er op aankomt de macht van de demonen misschien nog wel te verkiezen is
boven de macht en de bevrijding van Jezus.
Dat lijkt iets hards van Jezus, die hem weer de eenzaamheid instuurt
al mag hij nu wel onder de mensen zijn
– maar toch mist hij die diepe verbondenheid die er is als je samen een bent in Christus.
Toch is het een eervolle taak: hij is een levende getuige
het zichtbare bewijs dat Jezus in staat is om de boze te overwinnen,
de macht heeft om iemand weer terug te brengen in het leven
de liefde heeft om iemand weer tot een gemeenschap te brengen,
van mensen en van God.
Hij mag het vertellen, hij mag het uitzingen, het levende bewijs zijn
dat God werkt,
dat Christus sterker is dan alle chaosmachten die ons leven kunnen bedreigen.
Dankbaar geloofden, hoopten wij,
wat uw getuigen verkondden:
slechts onder uwe heerschappij
worden wij vrij van de zonde.
Daarom zoekt U elk mensenkind.
Amen

Preek zondag 19 januari 2020

Preek zondag 19 januari 2020
Schriftlezing: Lukas 5:1-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is druk op het strand van het meer van Genessaret.
Zo druk dat Jezus bijna onder de voet gelopen wordt en zijn verhaal niet meer kan doen.
Als Jezus zijn ogen over het strand laat gaan,
Dan ziet Hij iets verderop twee boten liggen
van vissers die geen tijd hebben om naar de woorden van Jezus te luisteren:
zij moeten hun netten schoonmaken.
Of wellicht vangen ze tijdens het schoonmaakwerk iets op van de woorden van Jezus,
maar het lijken toch vooral twee werelden:
daar die twee lege vissersboten en die netten die schoongemaakt worden
al valt er weinig schoon te maken omdat er niets gevangen is
en iets verderop een grote menigte van mensen die zich om Jezus verdringt.
Terwijl al die mensen die zich om Jezus verdrongen hebben
net als Maria later in hoofdstuk 10 hebben begrepen
dat het luisteren en het zitten aan de voeten van Jezus om naar Zijn woorden te luisteren
het beste is dat je kunt doen en dat je daarvoor best je werk kunt laten liggen,
gaan die vissers net als Martha door met hun werk,
al is het verschil dat Martha nog bedrijvig was voor haar Heer
en deze vissers bezig zijn met werk voor zichzelf – al hebben ze er weinig aan gehad.
Deze twee verschillende werelden,
de ene wereld van mensen die alles laten rusten om naar Jezus’ woorden te luisteren
en die andere van die vissers met hun werk
worden bij elkaar gebracht als Jezus Zijn ogen laat gaan over het strand
en deze twee boten ziet – die schoon en leeg zijn.
Dan lijkt het alsof het Jezus alleen maar te doen is om die twee boten:
een van die boten kan Jezus gebruiken om Zijn verhaal verder af te maken
en te vertellen over het Koninkrijk van God, uitleg geven over bidden, over discipelschap,
de gelijkenissen vertellen, zoals die over het verloren schaap of over de verloren zoon.
Dat kwam ik tegen als een van de boodschappen van dit gedeelte:
Dat de verkondiging, het vertellen over God en over Gods koninkrijk doorgaat,
al is dat van een wat ongebruikelijke plaats: namelijk vanuit een vissersboot.
Maar ik bleef nadenken over het zien van Jezus,
omdat ik dat steeds weer bijzonder vindt: dat zien van Jezus.
Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Jezus niet alleen die twee boten zit
en bij zichzelf denkt dat een van die boten een goed podium is voor zijn verhaal,
maar dat Hij naast die twee boten ook die vissers ziet van wie die boten zijn.
En dat Jezus niet alleen oog heeft voor al die mensen die voor Hem staan,
maar dat Hij ook dat handjevol vissers ziet,
die vissers die zich geen tijd gunnen om naar Jezus’ woorden te luisteren,
die bij zichzelf wellicht ook denken dat ze niet kunnen luisteren
omdat ze met die nacht vissen zonder vangst ook geen inkomsten hebben.
Van woorden alleen kun je niet leven; er moet ook betaald worden:
Voor de huur, voor het eten, voor kleren.
Ook al staat het er niet, ik moest er steeds aan denken hoe Jezus die mensen zag.
Niet omdat ze een boot hadden en daarmee voor Hem nuttig kunnen zijn
en ook niet omdat Hij iets in hen ziet, waardoor ze later voor Hem nuttig kunnen zijn
en door Hem op pad gestuurd kunnen worden om ergens anders
over Christus te vertellen.
Nee, als je door Jezus gezien wordt, dan wordt je gezien om wie je bent.
Niet omdat je iets voor Hem kunt betekenen, of voor Hem kunt doen.
Het is Jezus allereerst er om te doen om Petrus en die anderen te vangen,
zodat die afstand er niet meer is, er geen twee werelden zijn,
maar Petrus zijn eigen leven in verbinding kan brengen met Jezus.
Onze Heere doet hier wat een goede preek zou moeten doen:
het leven van iemand en het evangelie bij elkaar brengen,
zodat het geen twee aparte werelden zijn, maar bij elkaar gebracht worden
en het een wereld is: jouw leven van werk, school, relaties verbonden met onze Heere.
Dat is wat de Heere Jezus hier bij Petrus doet
en ik vind het wel mooi dat het gebeurt door middel van zien:
Jezus ziet de twee boten van Petrus,
die schoongemaakt worden terwijl er eigenlijk weinig te schoon te maken is.
Hard werken is zwaar, maar als het je wat oplevert, kun je er vaak tevreden over zijn.
Als je hard werkt, maar je staat aan het einde met lege handen is dat heel ontmoedigend.
Dat kan gelden voor een hele nacht bezig zijn met netten om vissen te vangen.
Dat kan gelden als je met je handen werkt en het blijkt voor niets te zijn.
Het kan ook zijn als je een hele dag leert voor een toets
en je ondanks dat een onvoldoende haalt.
Of als je tot diep in de nacht werkt aan de deadline van een paper of opdracht
en midden in de nacht je laptop uit wanhoop maar uitdoet,
omdat je toch niets voor elkaar krijgt.
Jezus ziet de twee boten liggen
en voor Hem zijn die twee boten meer dan een hulpmiddel voor Hem,
ze vertellen ook iets van de eigenaars en hun vergeefse nachtelijke arbeid.
Als je vol teleurstelling zit, of dat nu is over een nacht vergeefs vissen,
een dag voor niets leren, nachtenlang doorgaan met je paper,
dan sta je vaak niet open voor een opbeurend woord
en is er meer nodig dan iemand die tegen je zegt: kom op je, volgende keer weer een kans.
Je hebt dan nodig dat je gezien wordt, dat je ploeteren wordt gezien, je frustratie
die eraan vooraf gegaan is
en niet alleen dat witte scherm op je laptop of die onvoldoende in je cijferlijst.
Als Jezus de twee boten ziet liggen gaat het Hem om meer dan die boten,
gaat het Hem om Petrus en de andere vissers die hem niets kunnen aanbieden
Dan alleen die twee lege boten. Meer hebben ze op dat moment niet te bieden.
Maar het is Jezus om Petrus te doen.
Niet om zijn handigheid als visser, niet om de vissen die hij kan vangen,
ook niet om wat hij zou kunnen betekenen als discipel of als apostel.
Het is Jezus om Petrus te doen. Jezus is hier een visser van mensen die Petrus wil vangen.
En hoe kan Jezus Petrus vangen als Jezus Petrus niet ziet
en alleen op die menigte is gefocust die Zijn woorden wel lijken in te drinken,
die wel hun spullen neer kunnen leggen.
Nee, Hij ziet Petrus en dat is al een evangelie op zich dat Jezus deze visser ziet
daar bij zijn lege boot.
Evangelie, omdat Jezus’ aandacht niet alleen gericht is op de mensen die luisteren,
maar Jezus ook die mensen ziet die afzijdig zitten en geen aandacht kunnen hebben.
En ook omdat Jezus Petrus en de zijnen ziet om wie ze zijn.
Mijn oog zal op u zijn. – Deze regel uit Psalm 32 is nogal eens meegegeven aan bruidsparen
op hun trouwdag – wellicht is het ook uw trouwtekst geweest.
Deze tekst geeft aan dat we altijd in de aandacht van de Heere zijn,
ons leven zich altijd afspeelt in het blikveld van onze God.
En dat is ook wat bij Petrus gebeurt: Hij wordt door Jezus gezien.
Hoe kan Petrus gevangen worden voor Christus als Jezus niet in Zijn wereld komt.
Het is een les die steeds meer geleerd wordt in het nadenken over evangelisatie:
Dat je als kerk niet allerlei activiteiten moet organiseren om mensen naar je toe te krijgen,
al zien we aan de menigte die om Jezus vergaderd is dat dat ook een waarde heeft,
maar dat je naar de mensen toe moet gaan, in hun wereld moet komen.
Om Petrus te vangen voor het evangelie roept Jezus niet zomaar wat over dat strand,
maar stapt Hij in de wereld van Petrus
– heel concreet in dat bootje dat leeg gebleven is die nacht.
Waar U bent, zal de nacht verdwijnen.
Ook dat is evangelie: dat Jezus in onze wereld stapt.
Dat kan een wereld zijn, waar je je eigenlijk voor schaamt.
Je houdt je liever wat afzijdig om van een afstandje te kijken
naar de mensen die wel kunnen luisteren.
Blijkbaar hebben zij wel hun leven op orde en hoeven ze zich niet te schamen
als ze daar voor Jezus staan.
Hoe reageerde Petrus op het verzoek van Jezus om bij hem in de boot te komen?
We weten het niet.
Net zoals we niet weten hoe hij erbij zat toen de Heere Jezus Zijn verhaal af maakte.
Misschien wat onderuit gezakt, wegdommelend, om wat bij te komen van die nacht.
Zo kan Jezus opeens in je leven komen, zonder dat je erop berekend bent.
Je houdt je afzijdig, houdt wat afstand tot de mensen die wel met Hem bezig zijn
en opeens staat Hij voor je en wil Hij in je leven komen en is Hij er
zoals Hij bij Petrus in de boot stapte.
En misschien heb je wel net als Petrus niets te bieden
en weet je eigenlijk niet goed wat je ervan moet denken dat Jezus bij jou aan boord stapt.
Je laat Hem maar toe, want Hij zegt het je, maar je weet het niet zo.

Dan, een onverwachte wending: Petrus is niet klaar. Hij moet aan het werk.
Die Jezus die veel verstand heeft van het Koninkrijk van God
en zo over het werk van God kan vertellen dat God in je leven komt,
zonder dat je er echt op berekend bent en zonder dat je je daar tegen kunt verzetten.
Zonder dat je allerlei belemmeringen kunt opwerken om Hem tegen te houden.
Die Jezus heeft een opdracht, waarbij Petrus gelijk wakker wordt en opspringt:
Nee, Heer, het heeft geen zin om nu op dit tijdstip te gaan vissen.
Nee, Meester, we hebben het al een hele nacht geprobeerd. Hebt U dat dan niet gezien?
Petrus zegt er nog iets achteraan, waarvan je niet weet of het nu geloof is of ongeloof.
Wie is hier nu de kenner? Als U het beter denkt te weten, nou ja, dan ga ik wel.
Vooruit, omdat U het zegt.
Of hoort Petrus al in de stem en in de woorden van Jezus meer
en is het een begin van geloof dat Hij toch gaat, al heeft hij er zelf niet zoveel vertrouwen in.
Maar op Uw woord.
Als Jezus in je leven aan boord stapt, kun je dat ook denken:
Wie kent mijn leven nu het beste? Bent U dat of ben ik dat?
Wat U van mij vraagt, dat heeft toch geen enkele zin?
Maar op Uw woord.
Misschien is die Petrus, die eerst zo afzijdig stond en bezig was met zijn eigen dingen,
hier wel een voorbeeld voor al die mensen aan de oever van het meer staan
En de woorden van Jezus hebben gehoord.
Wat gaan zij met die woorden doen? Petrus gehoorzaamt en zij? Wat is hun reactie?
Petrus laat zien dat het erom gaat dat je luistert naar Jezus, dat je gaat als Hij je opdraagt.
Maar op Uw woord.
Makkelijk is het overigens niet.
Want Petrus moet zijn net in het diepe gooien.
Lukas geeft zijn woorden vaak een extra betekenis:
het diepe heeft in het Oude Testament altijd iets van dreiging, iets van de afgrond,
gevaarlijk om te komen, waar je leven op het spel staat.
En dat krijgt een straks een extra betekenis als Jezus uitlegt, wat Hij PEtrus wilde laten zien.
Maar daar vanuit het diepe worden – voor Petrus onverwacht –
ontzettend veel vissen omsloten en naar boven gehesen met het net.
zoveel dat het net van Petrus het niet aan kan.
Waar in die afgelopen nacht het net steeds even zwaar naar boven kwam
als Petrus het in het water gooide, kan hij het nu bijna niet naar boven krijgen
en niet alleen het net kan het niet aan, ook de boot die leeg bleef, kan de veelheid niet aan.
Er moet hulp komen van de anderen en die worden dan ook geroepen.
Maar op Uw woord – zei PEtrus. Of hij het nu echt meende of niet,
dat woord van Jezus heeft hem wel zoveel gegeven, meer dan hij aankan.
De volheid, de rijkdom die Jezus je geeft als je Hem gaat volgen.

Dan begint er iets bij Petrus te dagen. Die grote hoeveelheid is niet zomaar.
Daar waar PEtrus niets had en niets aan te bieden had,
Waar Hij met lege handen voor Jezus stond, daar laat deze Jezus iets zien,
iets zien van Zichzelf: de openbaring van Zijn heerlijkheid.
Jezus laat niet alleen aan de mensen die naar Hem luisterden zien Wie Hij is
door tegen hen de woorden van God te spreken,
maar voor die man die zo aan de zijlijn stond laat Jezus ook zien Wie Hij is,
spreekt Hij door een wonder dat goddelijke macht laat zien.
Wij hebben ’s Vaders Zoon aan boord.
Wat de herders in de velden van Efratha overkwam,
toen het licht van Gods heerlijkheid over hen viel
en wat Simeon ten deel viel, toen hij met de kleine Jezus in de armen stond,
namelijk dat ze iets van God mochten zien: de grote en heilige God,
schepper van hemel en aarde, dat overkomt Petrus nu ook:
Hier is God aan boord – Gods Zoon, de messias die zich in woorden en daden toont.
Dat kan dus: waar je met lege handen staat: daar kan God zich laten zien.
Aan jou laten zien wie Hij is.
Dat is meer dan Petrus aankan.
Hij heeft dat geleerd dat je God niet kunt zien zonder te sterven.
De heilige God bij hem aan boord.
Zijn eerste reactie is om Jezus van zich af te houden.
Zoveel genade, zoveel geluk verdien ik niet.
Ik ben de liefde van God niet waard.
Weet U dan niet wie ik ben?
Ik heb niet alleen niets aan te bieden als het om vangst gaat,
maar aan mijzelf hebt U ook niets: Ik ben een zondig mens.
Petrus’ reactie is precies het tegenovergestelde van wat Jezus wil:
JEzus wil niet dat we Hem op een afstand houden, maar dat we juist naar Hem toe gaan.
Zo is het spreken in de kerk over zonde altijd bedoeld.
Niet dat je alsnog een belemmering opwerpt als Jezus toch aan boord gekomen is
En dat je vraagt aan Jezus om uit je leven te vertrekken als Hij toch in je leven gekomen is.
Maar dat je naar Hem toe gaat, juist met je lege handen, met je leven dat leeg kan voelen.
Misschien wel tegen al je gevoelens in: dat je naar Hem toe gaat en knielt.
Heer, Ik kom tot U. Neem mijn hart, verander mij.
Jezus wil niet uit het leven van Petrus weggaan. Vrees niet!
Nu Jezus in het leven van Petrus gekomen is, heeft Hij een opdracht.
Of is het een belofte: Je zult voortaan mensen vangen.
Mensen die nu nog in de diepte van de zonde zitten,
die niet los kunnen komen van hun oude leven,
zullen nu in je net komen en je zult ze uit de verlorenheid omhoog moeten halen.
En waar je eerste vissen altijd het leven moesten laten, niet konden leven boven water
mag je aan deze ‘vissen’ die je nu vangt juist het leven geven
omdat je ze opvist uit de diepte van hun verlorenheid, verloren-zijn, uit de dood en zonde.
Wij zijn geen vissers.
Als je onderwijzer bent, mag je mensen vangen, kinderen of jongeren
door onderwijs te geven, naast je gewone lesstof soms ook iets van Christus doorgeven.
Als je apothekersassistente bent, mag je naast de gewone medicijnen die je klaarmaakt
ook het medicijn verstrekken dat eeuwig leven kan geven: de genade van Christus.
Als je chauffeur bent, rijd je niet alleen maar mensen naar het ziekenhuis,
maar mag je ze ook brengen naar de poorten van de plek waar geen ziekenhuis is.
Als je boekhouder bent, mag je allerlei posten inschrijven,
maar mag je ook dit leven inboeken in het boek des levens.
Als je kabels legt, of werkzaam bent in de communicatie,
mag je een schakel zijn om de communicatie van God naar anderen door te geven.
Het begint met zien, zoals Jezus zag: zoals Jezus zag dat jij ook ziet.
Maar dat je ook weet dat je gezien wordt.
Of je nu met een lege boot terug in de haven komt, of je haven volgeladen is
met vangst voor God, die je Hem mag aanbieden: Mijn oog zal op U zijn.
Het is de belofte van een grote overvloed die Jezus je voorhoudt,
die misschien niet door jouzelf alleen gevangen wordt,
maar waarbij je mag meehelpen om die te vangen.
Maar op Uw woord! Amen