Preek zondagmorgen 19 mei 2019

Preek zondagmorgen 19 mei 2019
Schriftlezing: Lukas 15:11-32

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader.
Daarmee zegt hij hardop,
hoe er binnen het gezin en onder de knechten over de jongste zoon werd gedacht.
Dat hoeft niet eens hardop uitgesproken te zijn, toen die jongste zoon het erf verliet,
het ouderlijk huis achter zich liet en brak met zijn familie.
Het kan ook zijn, dat toen de jongste zoon wegtrok, zijn spullen ook weg waren.
Dat alles wat aan de jongste zoon herinnerde opeens weg was:
zijn plek aan tafel werd niet meer gedekt, zijn slaapkamer leeg, zijn kleren verdwenen.
Op de dag dat hij jarig was, werd er geen aandacht aan besteed.
Er werd gedaan alsof die dag niets bijzonders had.
Alsof hij nooit onderdeel had uitgemaakt van dit gezin.
Alsof hij nooit bestaan heeft.
Of het is een uitspraak geweest, die gedaan werd toen over de jongste werd gepraat.
‘Mijn broer? Die bestaat niet meer voor mij!’

Het vertrek van de jongste was pijnlijk geweest.
Allereerst voor de vader: de jongste zoon die met zijn vraag om de erfenis te krijgen,
deed alsof zijn vader al overleden was en voor hem niet meer bestond.
Na het vertrek van zijn jongste zoon had de vader geen leven meer,
Want niemand in het dorp kon hem nog serieus nemen,
met die zoon van hem die hem zo openlijk de grond in getrapt had.

Pijnlijk was het geweest voor zijn oudere broer.
Wellicht niet eens omdat hij een deel van de boerderij opgeëist had
(Als tweede zoon zou de jongste ⅓ krijgen) en dat verkocht had,
maar omdat die jongste zoon vertrek en zijn oudere broer in de steek liet.
Hem alleen achterliet met die vader.
Als broers kun je onderling bespreken hoe je ouders zijn.
Dat kun je niet met iemand van buiten het gezin bespreken.
Wanneer zijn vader er niet meer zou zijn, zou zijn jongere broer een belangrijke steun zijn
om het bedrijf over te nemen en verder uit te bouwen.
Nu die broer van hem vertrokken is,
heeft niet alleen het bedrijf een behoorlijke financiële klap gekregen,
Waarbij je hard moet werken om het bedrijf weer enigszins rendabel te maken.
Teleurgesteld in zijn broer, die hem hier alleen achter laat met zijn vader en het bedrijf
En egoïstisch alleen maar denkt aan zijn eigen verlangens
en niet in staat is geweest om zijn eigen wensen ondergeschikt te maken
aan de belangen van de familie
en met zijn wens om de erfenis te krijgen, zijn deel te verkopen en weg te trekken
aangeeft dat zijn familie niet meer voor hem bestaat, voorgoed met hen breekt
en hen met de schande en de schade achterlaat, die hij heeft aangericht.
Wanneer dat zoveel pijn geeft, als je denkt aan wat je broer heeft gedaan
en als je je ervoor schaamt dat hij is weggegaan en daar niet over durft te vertellen,
dan kun je er maar beter over zwijgen. Net doen of hij niet meer bestaat.

In dit verhaal dat de Heere Jezus vertelt
gaat het niet alleen over hoe het er in gezinnen aan toe gaat,
Maar hoe iemand zich van God verwijdert
en ook hoe degenen die wel bij God blijven daarmee omgaan,
Hoe ze naar iemand kijken.
Of ze iemand afschrijven of de deur open houden om terug te komen.
Om ons een spiegel voor te houden vertelt Jezus de meest extreme vorm:
iemand die weggaat, de deur achter zich dicht trekt
en een deel van de achterblijvers die ook de deur op geen enkel moment willen opendoen.
Lekker makkelijk om er zo op los te leven
en dan als je wilt veranderen, kun je nog bij God terecht en vergeeft Hij je helemaal.
En jij gaat maar elke zondag naar de kerk.
Als je uitgenodigd wordt voor een feestje op zondag, zeg je dat je niet kunt
en wanneer je zaterdagavond iets hebt, zorg je ervoor dat je bijtijds thuis bent,
zodat je op zondagmorgen er toch nog redelijk fris bij zit in de kerk.
Je houdt je aan de regels van het geloof en het kost je moeite,  elke dag weer opnieuw,
omdat je ook wel eens wat moet laten schieten,
wat je eigenlijk wel zou willen, maar wat niet kan volgens je geloof.
Je zet een film af, omdat er iets in gebeurt dat je niet kunt rijmen met je geloof.
Je helpt je broer, hoewel hij je nooit bedankt en nooit iets voor jou doet,
maar vind dat je hem niet kan laten vallen, omdat Jezus daar iets over gezegd heeft.
En als je dan eens kijkt naar mensen, die niet geloven, hebben die het soms maar makkelijk.
Voor jou is geloven zwoegen, veel ontzeggen, omdat het botst met het leven met God.
Dan leven ze eerst heel gemakkelijk, dan kunnen ze toch nog aankloppen bij God
en Hij doet voor hen open en zegt niet dat ze eerst hun leven op orde moeten hebben.

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader tegen zijn knechten
en zegt het later als zijn oudste zoon weigert om met het feest mee te doen,
het feest dat gegeven wordt omdat de jongste zoon thuisgekomen is:
Jouw broer – na alles blijft het je broer, je kunt die band niet wegpoetsen – was dood,
maar hij is weer levend geworden.
Het is niet minder dan een opstanding uit de dood, dat deze zoon, jouw broer gekomen is.

Zou de jongste zoon dat ook zo gevoeld hebben, dat hij voor zijn familie als een dode was
en vast ook voor degenen die in het dorp wonen
en wisten welke schande die jongste zoon over zijn familie uitstortte?
De vader zegt het niet tegen hem, dat hij dood was.
Hij zegt het alleen tegen de knechten en tegen zijn oudste zoon.
Zou hij het ook zo ervaren hebben?
Hij zal in het begin er zijn schouders over opgehaald hebben:
Hoezo dood? Nu leef ik pas! Eindelijk los van mijn familie en opnieuw beginnen,
het leven zoals ik altijd gewild heb. Geen druk, geen regels – mijn eigen leven.
Dat hij met zijn uitbundige levensstijl een leegte verbloemde, heeft hij nooit beseft.
Aan het opbouwen van contacten dacht hij niet, want hij leefde alleen voor zichzelf.
Aan anderen denken, investeren in relaties – dat was iets van zijn familie.
Totdat hij niets meer had en er alleen voor stond:
Zijn feesten, zijn uitgavepatroon, zijn levensstijl lieten hem met lege handen staan.
Een destructieve manier van leven, dat alles kapot maakt:
Eerst zijn familie en daarna het geld dat van zijn familie is
en er is niets voor in de plek gekomen.
Wie had dat gedacht: van shoppen in Parijs, naar shoppen voor de laagste prijs?

Denk je dat hij tot inkeer komt?
Dat er een moment is waarop hij nadenkt over wat hij gedaan heeft?
Wanneer hij helemaal failliet is en niets meer heeft en bij niemand kan aankloppen
is er nog geen zelfreflectie bij deze jongste zoon.
Nog steeds probeert hij zichzelf te redden, zich staande te houden.
Hij is van huis gegaan en heeft daar de deur dicht gedaan. Dus die weg is afgesloten.
Pas als hij geen eten meer heeft
en hij toekijkt naar de varkens, waar hij voor zorgt, die wel te eten hebben en hij niet,
dan komen de eerste gedachten aan thuis toe.
Als hij helemaal aan de grond zit, dan moet hij opeens aan zijn vader denken
En komt zijn vader hem voor de geest.
Zijn vader, waar hij mee gebroken heeft, bij wie hij het niet uithoudt,
zou zijn knechten niet zo slecht behandelen als deze baas,
Die hem bij de beesten af behandelt.
Hoe negatief hij ook altijd over zijn vader heeft gedacht,
of gewoon niet aan hem heeft willen denken,
nu beseft hij dat zijn vader toch een goede kant heeft, die hem in het leven kan houden.

Je broer was dood, zegt de vader
en hij bedoelt misschien wel hetzelfde als die oudste zoon zegt,
dat zijn jongere broer het geld er doorheen gejast heeft door naar de hoeren te gaan.
Maar er is wel een verschil in toon:
de oudere broer kan alleen maar vanuit verbittering kijken naar zijn jongere broer,
zijn eigen pijn en teleurstelling is zo diep dat hij niet kan zien
hoe zijn jongere broer ook een pijn en teleurstelling met zich mee droeg
en dat hij niet in staat was ook maar iets goed te maken van de pijn die hij veroorzaakte.
Hoe hard die jongste zoon ook werkte, de zoon kon het niet meer goed maken.
Ja, dat geld kon er wellicht komen.
Maar het zou nooit meer worden wat het was
En als het toch goed zou komen, dan zouden er nog de jaren zijn van gemis,
waarop ze niet bij elkaar waren.

De vader heeft ook pijn gehad, elke dag heeft hij de leegte gevoeld,
geleden, niet door beledigde trots, maar er aan geleden dat zijn zoon er niet was,
dat zijn plek leeg bleef.
Dat hij er niet bij was met de maaltijden, dat hij niet meewerkte op de boerderij,
dat hij er niet bij was als er feest gevierd werd.
Het leven ging door en die jongste zoon die miste zoveel van het gezinsleven.
Wat zal hij allemaal niet gemist hebben: bruiloften, geboorten, uitbreiding van het bedrijf.
Elke dag heeft deze vader uitgekeken, de horizon afgespeurd,
alsof hij niet kon geloven dat zijn jongste zoon voorgoed zou wegblijven
en dat er een moment moest zijn, waarop zijn gestalte in de verte zichtbaar zou zijn.
Toen het bericht van hongersnood kwam, heeft hij wellicht gedacht:
Als hij nog leeft, dan komt hij wel terug – want hij moet toch ergens van leven.
Hij heeft gewacht en gewacht en gewacht – en steeds was er niets te zien in de verte.
Hij wacht alleen nog maar totdat je komt.
En wat je nu ook doet, Zijn liefde blijft bestaan.
Ook niets wat jij ooit deed verandert daar iets aan.
Omdat Hij van je houdt gaf hij zijn eigen Zoon.
En nu is alles klaar wanneer jij komt.

Kom tot de Vader, kom zoals je bent.
Heel je hart, al je pijn
is bij Hem bekend.
De liefde die Hij geeft, de woorden die Hij spreekt.
Daarmee is alles klaar wanneer jij komt.

Terwijl voor de oudste broer elke dag dat zijn broer niet kwam opdagen een opluchting was
of niet meers meer aan de mogelijkheid heeft gedacht dat zijn broer nog terug kon komen,
wacht de vader.
Waarmee Jezus wil zeggen: besef je niet dat Mijn Vader op jou wacht?
Op de uitkijk staat.
Ik kwam wel eens bij een gemeentelid, waarin de kamer tegenover de stoel waar ze altijd zat
er een geborduurde schilderij van de verloren zoon hing die thuiskwam,
waarbij de vader steeds de armen wijd houdt.
Alsof ze dat steeds nodig had om daarnaar te kijken, om eraan herinnerd te worden:
dit is mijn hemelse Vader. Hij staat met de armen wijd, totdat ik ook kom.

Jezus vertelt die gelijkenis niet alleen voor degenen die ver weg getrokken zijn,
die afscheid namen van God en van het leven met God,
er op uit trokken om hun eigen leven te leven, van God los.
Ook voor degenen die achterblijven, die hun hele leven bij de vader thuis bleven wonen
en niet de wijde wereld in trokken, maar thuis hun bijdrage leverden
en zo hard werkten dat er geen tijd was voor een feest met de eigen vrienden.
En als de jongste zoon dan thuis komt, wil hij niet mee doen met het feest.
Dat gunt hij zijn jongste broer niet
en waar de jongste broer uit eigen beweging thuis komt,
moet de oudste zoon gehaald worden.
Ook met hem zit het niet goed.
Hij is wel voortdurend bij zijn vader, maar ook voor hem is er een afstand tot de vader.
Heel subtiel en alleen zichtbaar voor wie in staat is
om familepatronen te doorzien, die de schone schijn ophouden van een perfecte familie.
De oudste zoon is op het veld. Ook hij is weg, net als de jongste zoon.
Alleen hij kan het maskeren door te doen alsof hij plichtsgetrouw is.
Ook hij wil erop uit trekken, een leven zonder de vader,
want hij verlangt naar een feest met zijn vrienden, waar hij zonder zijn vader is.
maar hij doet het niet – te kiezen voor een leven zonder zijn vader.
Of omdat plicht hem weerhoudt, of omdat hij niet durft.
Bang is om dood verklaard te worden en alles kwijt te raken.
Hij is altijd bij de vader gebleven, maar heeft nooit ingezien hoe waardevol dat was
en hij heeft ook niet gezien hoe zijn vader was.
Nooit het hart gezien van deze vader. Nooit zijn pijn om de zoon,
nooit willen zien dat zijn vader getroost moest worden, omdat er één weg was.
Zou dat ook voor God gelden? Dat Hij getroost moet worden, als Hij er één mist,
een van Zijn kinderen, die erop uit getrokken zijn?
Wij kunnen God wellicht niet troosten, maar als er mensen erop uit trekken,
de wijde wereld in en Hem niet nodig hebben, zal het Hem zeker iets doen
en staat Hij op de uitkijk, te wachten of ze al komen.

Die liefde is er ook voor de oudste zoon.
Want er is feest om de terugkeer van de jongste zoon,
maar het feest is incompleet als de oudste zoon, die er altijd is geweest, weg blijft.
Ook hij hoort erbij
en als hij niet uit eigen beweging komt, dan haalt de vader hem op
en legt hem uit, waarom dat feest noodzakelijk was,

waarom zo groots uitgepakt moest worden:
dat zijn jongste zoon toch terug durfde te komen, al was hij platzak
en was hij op geen enkele manier in staat om het goed te maken,
dat hij kwam, deed hem als vader goed.
Zo is God! Natuurlijk is hij ook streng en rechtvaardig,
maar als je aanklopt bij God, dan zal de Heere je niet laten staan.

Maar ook die oudste zoon mag van de vader niet buiten blijven staan.
Ook hij hoort op het feest.
De vader had twee zonen – een oudste en een jongste.
Hij is de vader van hen beiden en wil hen allebei op het feest.
Wanneer de oudste wegblijft, gaat er iets van de feestvreugde weg.

Het verhaal blijft open. Je kunt dan invullen hoe het is gegaan.
Hoe die oudste zoon zicht toch mee liet nemen naar het feestgedruis,
daar eerst boos zat en onwennig – hij was niet gewend om feest te vieren.
Maar als hij zich langzaam overgeeft, als zijn hart ontdooit,
komt er ook ruimte voor de vreugde: mijn broer was dood. Inderdaad, nu besef ik dat.
En wellicht was ik dat zelf ook dood – maar de liefde van onze Vader maakt levend.

Het verhaal van Jezus blijft open. We weten niet hoe de oudste zoon reageert.
Dat is bewust. Want bij een open einde zijn wij aan de beurt.
Wat zouden wij doen? Zouden wij thuiskomen?
Zijn wij in staat om onze boosheid op te geven en mee te vieren,
omdat we beseffen hoe bijzonder het is dat iemand weer thuis komt,
levend geworden is, door de liefde die onze hemelse Vader heeft.
Wat zou u doen?
Amen

Preek zondag 28 april 2019 – morgendienst

Preek zondag 28 april 2019 – morgendienst
Schriftlezing: Lukas 24:13-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ze wilden naar huis gaan om van het gedoe af te zijn.
Om geen verhalen meer te hoeven horen over Jezus die zou zijn opgestaan.
Het was al erg genoeg dat ze Jezus hadden opgepakt en aan het kruis hadden geslagen.
Daar hadden ze al genoeg mee te stellen.
Ze dachten dat Hij door God gezonden was om Israël te verlossen,
maar toen Jezus was opgepakt en ter dood veroordeeld,
konden ze niet opbrengen om bij Jezus aan het kruis te staan,
maar stonden ze op een afstand, net als de vrouwen die Jezus hadden gevolgd.
Ze waren nog in Jeruzalem gebleven.
Ze konden het nog niet opbrengen om naar huis te gaan.
Zo bleven ze die sabbat bij de leerlingen
en met elkaar zaten ze verslagen bij elkaar en niemand wist eigenlijk goed wat te doen.
Die sabbat, waarop ze bij de andere leerlingen waren, konden ze gebruiken
om na te denken hoe ze verder met hun leven zouden gaan,
het leven oppakken van de tijd voordat ze Jezus kenden.
Veel moed hadden ze nog niet.
Ook de volgende dag, de eerste dag van de nieuwe week,
de eerste week van een leven zonder Jezus, bleven ze nog dralen
en in Jeruzalem bij de andere leerlingen van Jezus,
die net zo verslagen waren als zij.
Toen kwamen die vrouwen met dat verhaal, dat ongeloofwaardige verhaal,
dat ze beter maar niet hadden kunnen vertellen,
omdat ze daarmee geen respect toonden voor hun Heer die was overleden,
geen respect hadden voor het verdriet en de verslagenheid die bij hen was.
De vrouwen die hun fantasie lieten gaan en zich inbeeldden dat Jezus weer leefde.
Dat was voor hen het moment om hun spullen bij elkaar te gaan rapen
en terug te gaan naar huis.
Ze zouden thuis, in afzondering, wel het gemis van Jezus verwerken.
Zo gaan ze op weg naar huis, definitief einde van het volgen van Jezus.
Hooguit dat ze daar in hun eigen omgeving nog aan Jezus konden blijven denken,
Hem herinneren, zoals ze Hem gezien hebben, voor altijd in ons hart.
Een vastomlijnd plan hebben ze nog niet.
Als ze thuis zijn, zullen ze wel zien.

Voordat ze thuiskomen, gebeurt er onderweg iets, waardoor hun hart langzaam open gaat

voor het goede nieuws dat Jezus is opgestaan, dat Hij werkelijk leeft.
Jezus zelf loopt met hen mee, gaat met hen het gesprek aan,
luistert naar hun teleurstelling en legt hen uit hoe het zit.
Al die tijd dat ze in gesprek zijn, hebben ze geen idee dat het Jezus zelf is,
die met hen mee loopt op weg naar huis, weg van de gemeenschap in Jeruzalem.
Hun ogen worden gesloten – waarbij Lukas wil aangeven: het is de hand van God,
die hen met gesloten ogen eerst wat wil leren, voordat ze Jezus kunnen zien.
Onderweg gebeurt er al wel iets, waardoor hun hart geopend wordt,
het verdriet en de teleurstelling plaatsmaken voor verlangen: zou het echt zo zijn?
Ik las een mooie uitspraak in de uitleg, die ook op andere momenten van toepassing is:
Mensen merken vaak iets op van de aanwezigheid van God, voordat ze God herkennen
of onder woorden kunnen brengen dat God in hun leven gekomen is.
Het is het zoeken van God, de opzoekende liefde van God, die Lukas ons wil vertellen:
Nog voordat je zelf je hart voor God opent, is Hij al bezig om je hart te openen,
zodat Christus er in kan gaan wonen, je hart van Hem wordt.
Lukas vertelt de verhalen om aan ons te laten zien hoe dat gebeurt:
dat ook ons hart voor de opgestane Heer opengaat en Jezus de levende in ons woont,?

Hoe de opgestane in ons leven kan verschijnen
– zonder dat we Hem daadwerkelijk zien wellicht,
maar Hem wel ontmoeten, ervaren, in ons hebben wonen.

Dat Jezus in je hart komt wonen, zodat je gaat geloven, gebeurt vaak geleidelijk aan.
Daar is vaak een hele tijd voor nodig.
Een tijd waarin je de verhalen over Jezus hoort vertellen:
ouders die je erover vertellen, op school, zondagsschool, in de kerk.
Of als je er niet mee opgegroeid bent hoor je erover door een vriend of vriendin.
Zeker als je er niet mee opgegroeid bent, zul je allerlei vragen hebben.
En ook als je er wel als kind al over gehoord hebt, dan zul kun je allerlei vragen hebben,
waarop je een antwoord nodig hebt voordat je kunt geloven.
Voordat jijzelf de deur van je hart open kunt zetten.
Voor deze twee mensen op weg naar Emmaüs is het de vraag
hoe het mogelijk kan zijn dat de door God gezonden messias in de dood kon gaan.
Wat Jezus dan toch niet de door God gezonden verlosser?
Hoe kon Hij dan sterven aan het kruis als Hij wel door God gestuurd was?
Het is niet alleen een vraag van het verstand.
Door teleurstelling is hun hart voor Jezus dicht gegaan.
Hadden ze achter de verkeerde aangelopen?
Was Jezus niet die Hij zei te zijn?
Nog steeds is teleurstelling een manier waarop bij ons het hart dicht kan gaan.
Dat kan bij u of bij jou zo zijn, dat er geen ruimte in je hart is voor Jezus,
omdat er bitterheid is, je bent teleurgesteld
En die teleurstelling, die bitterheid moet eerst uit je hart, eerst moet je hart genezen
voordat je de deur kan opendoen.
Het hoopvolle in dit verhaal is, dat we kunnen zien, dat Jezus al bezig is
om hun hart te genezen, om voorzichtig aan, behoedzaam hun hart te openen voor Hem.

Voor niet iedereen gaat het even gemakkelijk om het hart te openen voor Hem.
Hier in de gemeente kunnen er zijn, die net als de vrouwen zijn,
die over Jezus hebben gehoord dat Hij is opgestaan, dat geloven en blij zijn.
Hun hart is open – zo kan uw of jouw hart allang zijn geopend voor Hem.
Maar bij anderen gaat het veel moeizamer, is er veel meer voor nodig,
net als bij Kleopas en zijn metgezel op weg naar huis.
Er kunnen momenten zijn, waarop je iets verneemt, dat God aan het werk is.
Je herkent Hem nog niet, maar je merkt in je wel dat er iets gebeurt,
dat je verandert, dat de deur van je hart langzaam open gaat en er een lichtstraal binnenvalt.
Er kunnen ook momenten zijn, waarop de wegen uit elkaar lijken te gaan,
net als bij de Emmaüsgangers, die als ze aangekomen zijn bij hun huis,
merken dat Jezus hen wil verlaten en Zijn eigen weg wil vervolgen.

Jezus doet of Hij verder wil reizen.
Ik heb me altijd wat verwonderd over dit detail:
Jezus die doet of Hij verder wil reizen en deze twee leerlingen wil achterlaten,
terwijl ze wel een idee hebben van wat er gebeurd is
en wel er iets van merken dat God in hen werkt omdat ze een verlangen op voelen komen,
een vreugde die ze ergens in zich waarnemen,
maar waarvan ze nog niet helder hebben waar die vandaan komt, of waar dat op duidt.
En toch is het volle licht nog niet doorgebroken en zijn hun ogen nog niet open gegaan
en Jezus wil doorgaan en hen achterlaten met raadsels.
Lukas vertelt steeds hoe Jezus onderweg is,
maar dat is nog van voor de tijd dat Jezus in Jeruzalem aankwam
en zijn doel bereikte toen Hij aan het kruis ging en opstond uit het graf.
Door net te doen of Hij verder wil gaan, wil Jezus hen uittesten:
Is er voor jullie nog iets veranderd of is alles bij het oude gebleven?
Is Mijn werk ook in jullie ogen voltooid? Of moet Ik nog onderweg om iets af te maken?
Ben Ik iets vergeten om te vervullen?
Zo zullen de twee leerlingen die thuisgekomen zijn er vast niet over nagedacht hebben.
Voor hen was het dat ze thuisgekomen zijn
en dat ze deze gast, die met hen is meegelopen niet nu al kwijt willen.
Ze willen nog meer, nog langer in Zijn aanwezigheid verkeren.
Ze openen hun huis voor Hem en zonder dat ze het doorhebben,
stapt Jezus over de drempel van hun huis om er te zijn.
Zo zei Hij dat tegen Zacheüs: Ik moet heden in je huis zijn, daar voor altijd blijven,
al trek ik verder.
Hier zeggen deze twee leerlingen, zonder dat ze het beseffen: Kom in ons huis.
Neem intrek. Blijf hier voor altijd.
Al weten we nog niet wie je bent, maar we kunnen niet zonder je aanwezigheid.

Mensen merken vaak iets op van de aanwezigheid van God, voordat ze God herkennen
of onder woorden kunnen brengen dat God in hun leven gekomen is.
Ze zijn zich er nog niet van bewust, al begint er wel iets te dagen.
Ze kunnen Jezus niet laten gaan – al weten ze nog niet dat Hij het is.
Hij brengt teveel vreugde in hun leven om Hem zo te laten gaan.
Hij legt hen zoveel uit over de Bijbel en over de weg die Christus is gegaan,
dat ze niet meer zonder deze uitleg willen.
Zoals Jezus dat tegen Zacheüs zei: Ik moet in je huis zijn,
zo zeggen de twee mensen in Emmaüs: Wij willen dat U in ons huis komt en blijft.
Ze dringen er stevig bij Hem op aan. Ze overreden Hem.
Ze willen niet tegengesproken worden: U kunt nu niet meer verder gaan.

Als Jezus binnenkomt in hun huis, neemt Hij de regie over.
Het is niet meer hun huis, waar Hij te gast is,
maar Hij is zelf de gastheer en zij zijn – in hun eigen huis – te gast bij Jezus.
Het is eigenlijk maar een gewone maaltijd, gewoon brood,
maar het wordt een bijzondere maaltijd, omdat Jezus bij hen in huis is.
Zijn aanwezigheid maakt hun gewone huis bijzonder.
Zijn handen die het brood breken maken dat deze maaltijd geen gewone maaltijd is,
maar een vieren van de opstanding van Christus.
Wordt hier in dit huis het heilig avondmaal gevierd?
Of zien we er dan teveel in?
Een reden om niet aan het avondmaal te denken is het ontbreken van de wijn.
Tegelijkertijd is de kern van deze maaltijd dat de opgestane Heer er is
En met hen beiden de maaltijd viert.
Elke keer als we avondmaal vieren is dat ook in aanwezigheid van de opgestane Heer.
Hij, onze Heer, gestorven, begraven en weer opgestaan is er dan bij
en Hij is dan de gastheer die ons het brood aanreikt, zoals Hij hier het brood deelt.
Hier zit Hij aan een gewone keukentafel
en het mooie is dat Hij zomaar bij u of bij jou aan de keukentafel kan zitten.
Hij liep mee onderweg.
Je kon je hart bij Hem uitstorten, je hart luchten bij Hem.
Je verdriet en je pijn, de teleurstelling aan Hem kwijt en Hij luisterde.
Hij vertelde ook hoe het zat, hoe God in jouw leven werkt
en zo schuift Hij bij jou aan aan de keukentafel of op de bank
om je te laten weten: Ik ben in je leven gekomen en vanaf nu wordt je hart van Mij.
Zonder dat je er bewust van bent
En dan gaan opeens je ogen open: je beseft dat Hij het is,
binnengekomen in je hart, ongemerkt.
Voor hen is dat bij het breken van het brood: een alledaagse gebeurtenis
eigenlijk niets bijzonders, maar wel bijzonder omdat Jezus de gastheer wordt
en de beide anderen gast worden in hun eigen huis.
Zo kun je zelf ook gast in je eigen leven worden, omdat Jezus voor jou het brood breekt
en het brood aanreikt, dat door Hem gezegend is.
In het evangelie van Lukas hebben de maaltijden waar Jezus aan deelneemt iets bijzonders:
in de meeste gevallen gaan degenen die aan de maaltijd deelnemen bij Jezus horen.
En dat zijn vaak niet degenen die hun leven op orde hebben.
Dat kunnen degenen zijn, die op een verkeerde manier leven.
Of hier degenen die maar moeilijk kunnen geloven dat Jezus is opgestaan.
Als herder zoekt Hij deze verloren schapen op en brengt hen thuis.
En hun thuis wordt Zijn thuis.
Al vertrekt Hij wel direct, het huis is voortaan gevuld met Zijn aanwezigheid.
Ze kunnen het nu verder zonder dat Jezus zichtbaar aanwezig is,
want in het geloof is Hij voortaan in hun huis en is hun huis Zijn huis geworden.

Dat heeft uitwerking op hen.
Allereerst in henzelf: ze begrijpen nu wat er onderweg is gebeurd.
Dat in het gesprek de woorden van Jezus een uitwerking op hen hadden.
Vreugde en geloof, Gods woord die voor je open gaat.
Je begrijpt wie God is, je begrijpt de weg die Hij met je gaat.
Hun houding verandert ook: in plaats weg te blijven bij de anderen
komen ze in beweging en gaan ze weer terug naar Jeruzalem.
Ze vonden het niet verstandig dat Jezus verder zou reizen, want het was avond.
Nu kunnen ze niet anders dan in het donker, als de nacht gevallen is,
alles weer bij elkaar rapen en hun broeders en zusters opzoeken.
Vreugde over God die in je leven komt wil je delen.
Je zoekt anderen op om met de vreugde die in jouw leven gekomen is
anderen weer te bemoedigen en anderen te helpen om te zien
hoe zij Christus kunnen ontmoeten en hoe hun hart kan open gaan voor Hem.
Christus laat zich zien, op de meest onverwachte momenten,
zelfs op de weg, waarop je nergens meer mee te maken wilt hebben
en de weg die bij Hem en Zijn gemeenschap vandaan ging,
wordt een weg waarop je Hem weer vindt, omdat Hij er komt en zich laat zien.
Amen

Preek biddag 2019 avonddienst

Preek biddag 2019 avonddienst
Lukas 18:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We lezen twee verhalen van de Heere Jezus, waarin Hij aangeeft
dat bidden voor ons niet makkelijk is.
Het eerste verhaal dat onze Heere vertelt heeft een speciale groep mensen op het oog,
namelijk de mensen die gestopt zijn met bidden
en in het tweede verhaal komt een man voor, wel bidt,
maar dat met zo’n grote aarzeling doet, dat je proeft: komt mijn gebed wel in de hemel aan?
Bidden is niet makkelijk, dat is wat Jezus bij Zijn volgelingen tegenkomt.
Wat de overeenkomst is in de beide verhalen, is de stilte die volgt op het gebed.
Je spreekt je gebed uit naar God toe, je brengt bij Hem wat er in je hart leeft,

maar van de andere kant komt er geen reactie.
Je gaat ervan uit dat je gebed bij God in de hemel aankomt,
want je gelooft dat God je hoort als je bidt.
En er kunnen ook momenten zijn, dat je ervaart dat je gebed bij de Heere aankomt,
Dat je tijdens het bidden merkt dat je bij Hem bent, dat Hij heel dichtbij is.
Dan heb je geen stilte of dan is de stilte om je heen de manier waarop God tot je komt.
Of je ontdekt enige tijd later dat de Heere je gebed verhoord heeft.
Dat zijn tijden, waarin je verbaast opkijkt als iemand zegt dat bidden niet makkelijk is.
Jouw ervaring is op dat moment heel anders.
Onze Heere kent ons echter goed genoeg om te weten
dat zulke momenten waarop je in je gebed heel dicht bij Hem bent vaak maar tijdelijk zijn.
Wat Hij meer tegenkomt, is dat Zijn volgelingen worstelen met gebed.

Dat moet voor Hem zelf een vreemde ervaring zijn geweest,
dat het bidden voor Zijn volgelingen niet zo eenvoudig is geweest.
De evangelist Lukas, die ons deze twee verhalen van onze Heer aan ons vertelt,
laat steeds zien hoe de Heere Jezus zich afzondert om te bidden,
om het contact met Zijn Vader in de hemel te zoeken,
om Zijn leven in de hand van Zijn Vader te leggen.
Hij komt aan bij Zijn Vader: Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.
Dan treft Hij bij Zijn leerlingen moeite met bidden aan en meer dan moeite:
want Hij merkt dat Zijn leerlingen vaak het bidden opgeven,
niet meer doen, omdat ze er geen verwachting meer van hebben.
Ze hebben het een aantal keer geprobeerd, maar het hielp niets.
In de stilte die volgde op hun gebed volgde niet de stem van God,
maar een irritante stem, die je het zwijgen zou willen opleggen,
omdat die stem het geloof en vertrouwen ondermijnde: Waar blijft God?
Het is de vraag van Psalm 42: Waar is dan je God?
En als je die vraag steeds hoort tijdens je gebed of in de stilte na je gebed
dan kan het op een gegeven moment je eigen vraag worden: Waar is mijn God dan?
Als die vraag sterker en sterker wordt, dan ga je je afvragen wat de zin van bidden nog is
en je gaat het nalaten. Je laat het erbij.
Bidden is noodzakelijk, zegt Jezus met dat eerste verhaal:
Noodzakelijk voor onszelf en ook voor God.
Niet dat God afhankelijk is van ons gebed en Hij niets meer doet als wij stoppen met bidden.
Op de een of andere manier is ons gebed een onderdeel van Gods plan met deze wereld.
Als wij stoppen met bidden, valt er een cruciale schakel van ons gebed weg.
Daarmee hoeft het werk van God niet stil te vallen.
Hij kan andere wegen vinden om Zijn werk hier in deze wereld ten uitvoer te brengen.
Ons gebed kan niet gemist worden en daarom kan de Heere Jezus het er niet bij laten
als wij het bidden opgeven.
Daarom vertelt Hij een verhaal, om ons zover te krijgen dat we het bidden weer oppakken
en dat als we het bidden weer hebben opgepakt vol blijven houden met bidden
en niet meer denken dat de stilte die op ons bidden volgt Zijn afwezigheid is,
maar dat de stilte die volgt op ons bidden de tijd aangeeft waarin God werkzaam is.

Het is een verhaal over een onverschillige rechter, die zich nergens van aantrekt.
Van God niet en van de mensen om zich heen niet.
Een onverschillige man, een koud hart.
Juist die onverschilligheid en zijn koude hart brengen hem veel.
Want als hij een beslissing neemt, dan weet hij dat er niemand komt,
die verhaal komt halen, want ze weten allemaal dat het geen zin heeft
om met hem in gesprek te gaan, om een klacht bij hem in te dienen.
Hij komt nooit op zijn standpunt terug.
Op een keer krijgt hij een zaak onder zijn hoede van een weduwvrouw.
Haar man is gestorven en ze is kwetsbaar in financieel en maatschappelijk opzicht.
Ze heeft niemand die in haar levensonderhoud voorziet en niemand die voor haar opkomt.
Ze staat er helemaal alleen voor.
Wellicht heeft de zaak ook met het geld of het land van haar man te maken
en is dat van haar afgenomen.
Misschien hebben ze haar zoon weggehaald en staat ze nu helemaal alleen op de wereld.
In ieder geval is ze oneerlijk behandeld en is ze gedupeerd.
Ze kaart het bij deze rechter aan, maar de rechter heeft geen zin om haar gelijk te geven.
Hij denkt er mooi vanaf te zijn.
Hij heeft immers een reputatie opgebouwd een hardvochtig en onbuigzaam man te zijn.
Iemand die nooit toegeeft, nooit een knieval maakt, nooit zijn fouten erkent.
Maar dan kent hij deze vrouw nog niet.
Bij elke rechtszaak is ze aanwezig.
En bij elke rechtszaak gilt ze boven alle andere aanwezigen uit,
zodat hij ‘s nachts over haar gaat dromen en elke keer als hij een rechtszaak heeft
en het publiek nadrukkelijk aanwezig is en instemming of afkeur laat horen
hoort hij boven al het andere geschreeuw nog haar stem.
Voordat hij aan een rechtszaak begint, staat ze hem op te wachten.
Ze volgt hem als hij klaar is met zijn rechtszaak.
Hoe meer hij wil negeren, hoe luidruchtiger en aanweziger zij is.
Hoe meer hij haar uit de weg wil gaan, hoe meer ze zich aan hem opdringt.
Hoe meer hij haar van zich af wil duwen, hoe agressiever ze wordt.
Hij merkt dat hij, die voor niemand, zelfs voor God niet bang is, bang wordt voor haar.
Hij is bang geworden voor haar emotie, haar boosheid, die zich steeds agressiever toont,
boosheid die voortkomt uit de grove schending van haar recht.
De vrouw vliegt hem nog een keer aan en zal hem helemaal in elkaar slaan.
En hij merkt dat hij zijn reputatie begint kwijt te raken,
zijn reputatie als hardvochtige man, die zich nergens druk om maakt,
omdat de omstanders zien dat hij niet opgewassen is tegen deze vrouw.
Er komen barsten in zijn reputatie en hij merkt dat de mensen hem minder serieus nemen
En niet meer zo bang zijn als eerst voor hem
en dat de manier hoe hij met deze vrouw omgaat zich tegen hem gaat keren.
Hij kan haar beter gelijk geven en of ze gelijk heeft dat maakt niet uit.
Alleen dan is hij van haar af.

Als zo’n man al overstag gaat, die zijn hele bestaan baseerde op onverschilligheid,
niet luisteren naar de werkelijke nood.
Als zo’n man al gaat luisteren en gaat helpen,
dan moet de hemelse Vader dat toch helemaal doen?
Want onze hemelse Vader is totaal anders – radicaal anders, helemaal het tegenovergesteld:
Onze hemelse Vader is niet hardvochtig en onverschillig.
Hij stopt Zijn oren niet voor ons roepen en loopt niet weg als we voor Hem verschijnen.
Hij slaat de deur niet met een klap dicht als we aankloppen.
Dit is Gods karakter, zo is God ten diepste, dat Hij geen bidder laat staan.

Maar waarom dan ophouden met bidden?
Omdat we niet zien dat God iets voor ons doet.
Omdat we niet merken dat God ons hoort en verhoort.
Je bidt voor de christenen in Noord-Korea en je blijft alleen maar verhalen horen
hoe moeilijk het is om christen te zijn
en al jaren staat dit land op nummer 1 van de ranglijst van christenvervolging.
Je bidt voor Noord-Korea, maar het blijft stil na je gebed
En na een tijd begin je die stem te horen: Waar is je God?
Je bidt al jaren voor vrede in Jemen, de burgeroorlog begon al 4 jaar geleden
en al enkele jaren geleden was de situatie voor de mensen daar echt schrijnend
En de oorlog gaat maar door, zonder aandacht voor de mensen daar.
De beelden van uitgehongerde kinderen en volwassenen blijven maar komen.
Je bidt dat er vrede mag komen, de wapens zullen zwijgen, de mensen worden geholpen
en je bidt en je bidt en het blijft stil, op die stem na die je hoort: Waarom?
Waarom doet God er niets aan?
Is dat zo? Doet God er niets aan?
We geloven toch dat Hij eens terugkomt om te oordelen de levenden en de doden?
Als Jezus ons opdraagt om niet te stoppen met bidden,
bedoelt Hij hier allereerst het bidden dat Gods koninkrijk komt,
de Zoon des mensen die komen zal om met spoed recht te verschaffen,
Zegt Jezus na het eerste verhaal.
Doet God niets? Vandaag kwam ik een bericht tegen over Jemen:
Daarin stond dat christenen in Jemen het niet makkelijk hebben
en dat er toch, desondanks, in die moeilijke jaren moslims hun geloof vaarwel zeggen
omdat ze Jezus hebben leren kennen.
De schatting is 5.000-10.000.
Ze kunnen niet bij elkaar komen als gemeente, maar hebben via social media contact.
Doet God niets? Waar is dan je God?
En dat er nog steeds christenen zijn in Noord-Korea en dat ze het volhouden in de kampen:
Doet God niets? Waar God is?
Alleen daarom al is ons gebed nodig, om hen niet in de steek te laten.
Wij voor wie het bidden niet makkelijk is, omdat we de stilte van God ervaren
als een beklemming, als afwezigheid, als God die deze wereld heeft losgelaten.
Als dat zo zou zijn, dan horen we als christenen niet het bidden op te geven, zegt Jezus,
maar dan moeten we met elkaar naar God gaan, om te roepen, net als die weduwe
roepen en roepen en roepen, God steeds voor de voeten lopen, op het oneerbiedige af.
Het is niet oneerbiedig – het is God aan Zijn woord houden: U hebt het beloofd.

Er is nog een reden, waarom bidden niet eenvoudig is.
Dat is het tweede verhaal.
Dat gaat over een andere stem die je tijdens of na je gebed kunt horen
En als je die stem vaak hoort, kun je ook je gebed opgeven, stoppen met bidden.
Het is een stem, waardoor je op afstand blijft staan,
omdat de stem tegen je zegt: Dit mag je niet doen. Je mag hier niet komen.
Je kunt de stem niet onderscheiden: Is het de duivel, die je tegenhoudt om te komen
of is het God zelf, die je wil laten weten wat er mis is in je leven.
Is het bidden wat die tollenaar doet?
Eerder een soort mompelen, als iemand die zijn excuus moet aanbieden
omdat hij iets verkeerd heeft gedaan maar de ander niet recht in het gezicht durft te kijken.
Hij kijkt bij God weg.
Hij is hier wel, maar blijft zover mogelijk op een afstand staan.
Wel een soort verlangen om te komen, maar tegelijkertijd een drempel.
Toen hij nog thuis was en nog niet zo dicht bij God, dacht hij dat hij wel kon gaan,
als de verloren zoon, die wist dat het bij de vader beter was dan in dat verre land.
Hij trekt de stoute schoenen aan, maar hoe dichter hij bij God komt,
Hoe meer schroom, hoe meer besef dat hij er zoveel aan verkeerd heeft gedaan.
Wat hij wilde bidden, lukt niet meer, alleen maar een verzuchting:
Als ik straks voor Uw troon kom te staan, heilige God, dan kan ik daar niet staan.
Ik kan niet voor U verschijnen, omdat U mij wel moet veroordelen, voor eeuwig verloren.
Ik kan alleen maar bidden: Heer, doe het niet.
Laat er genade voor mij zijn.
Hij zal de volgende keer, als hij weer het verlangen in zich voelt om naar God te gaan,
tegen zichzelf zeggen: ga maar niet, daar hoor je niet.
Hij zal thuisblijven en zich schamen dat hij toen wel ging.
Hoe kon ik dat in mijn hoofd halen?
Bijzonder dat juist de tollenaar als hij in de tempel komt, tot een ander inzicht komt,
een appèl doet op Gods barmhartigheid: Heer, hier ben ik.
Ik weet zelf eigenlijk niet wat ik hier doe. Ik ben hier zomaar verzeild geraakt.
Ik leg mijn leven in Uw hand, wat U beslist is goed.
Maar, Heer, stuur mij niet weg, ondanks mijn zonden.
Opvallend trouwens in deze gelijkenis: de man die wel kan bidden,
omdat hij weet wat bidden is – althans dat denkt hij – hij blijft dezelfde, onveranderd.
De man die niet bidden kan, wordt veranderd.
Beiden komen ze in de eredienst: de een blijft dezelfde, komt onaangedaan thuis
de ander komt, haast tot zijn eigen verrassing, verdwaald in de tempel,
zoals je dat wel kunt hebben: je zit opeens in de kerk, opeens lees je in de Bijbel, bid je.
Voor beiden komt de stilte na hun gebed.
De man die weet hoe het geloof werkt, die zich daaraan overgeeft
hoort in de stilte een schouderklopje van God: Goed gedaan, mijn zoon.
De man die komt met zijn schuld, durft niet te horen wat het antwoord van God is.
Hij zou er niet raar van opkijken als God tegen hem uitvaart en zegt: Ga weg jij, zondaar!
Ze hebben geen van beiden gelijk.
Bidden is niet jezelf etaleren voor God, niet jezelf verheffen boven een ander.
Bidden is ook niet de schuld die op je leven ligt nog eens bevestigd horen door God.

Nee, bidden is niet makkelijk. Je zit gauw mis en je geeft gauw op.
Maar het is Jezus zelf, die onze moeite met bidden aankaart,
zodat we er ook vanaf komen en vandaag en morgen en heel ons leven kunnen bidden.
Amen

Preek zondagmorgen 10 december 2017

Preek zondagmorgen 10 december 2017
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Lukas 1:26-38

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als de engel Gabriël Maria ontmoet, bevinden we ons op heilige grond.
We kunnen alleen maar met de diepste eerbied dit verhaal lezen
en deze gebeurtenis op ons laten inwerken,
omdat in de ontmoeting van Gabriël met Maria Gods belofte gaat uitkomen.
Alle engelen in de hemel zullen naar dit moment hebben uitgekeken,
het moment dat Gabriël de hemel mocht verlaten
en met deze boodschap naar Maria mocht gaan,
die door God was uitgekozen om de Zoon van God te dragen.
De hemel zal vol vreugde geweest zijn toen Gabriël ging:
Nu is het moment aangebroken, waar zo lang naar uitgekeken is.
We zijn op heilige grond, omdat Gabriël niet zomaar een engel is,
maar één van de belangrijkste engelen van God is,
de engel die dicht bij de troon van God staat.
Een van de belangrijkste engelen werd gestuurd
om aan te geven welk groot belang de Heere zelf aan deze aankondiging hechtte.
Je kunt er alleen maar met eerbied naar kijken en met geloof,
hoe Gabriël aankondigt dat God zelf mens gaat worden
en geboren gaat worden als Zoon van de Allerhoogste uit Maria.

Heilige grond, maar het toneel is heel gewoon,
haast te gewoon voor een gebeurtenis die net zo groots gaat worden als de schepping.
Maar voor deze grootse gebeurtenis dat God uit een mens geboren gaat worden,
het begin van de lijdensweg die onze redding zal zijn,
hoeft God niet te kiezen voor iets spectaculairs dat de aandacht trekt.
Heilige grond, maar het toneel is heel alledaags:
Een jonge vrouw, eigenlijk een meisje nog, maagd,
die in een dorp woont dat zo onbekend en onbetekenend is dat het nergens werd genoemd.
Nazareth, het is een soort Nergenshuizen, the middle of nowhere.
De plek is onbetekenend, maar de jonge vrouw is door God uitgekozen
voor een bijzondere opdracht, zo bijzonder als er nooit meer zal zijn:
De gezegende onder de vrouwen is zij, Maria, die nog geen vrouw is, maar maagd.
Maagd is zij, omdat zij de tweede Eva is,
omdat zij de taak krijgt de moeder van alle levenden te worden, (de naam die Eva kreeg)
omdat haar Zoon aan iedereen het leven zal terugkrijgen.

Heilige grond – ook vanmorgen zijn we op heilige grond,
Waar wij net als Maria de heilige God mogen ontmoeten.
Zoals de engel Gabriël binnenwandelde bij Maria, zo kwam de Heere vanmorgen Zelf
hier in dit kerkgebouw binnen toen Hij Zelf tegen ons zei:
Genade, barmhartigheid en vrede, zij u van God de Vader,
van onze Jezus Christus, Zijn Zoon, door de Geest.
Heilige grond omdat God zelf bij ons binnenkomt en ons aanspreekt, onze ruimte vult
en net als Gabriël uit de hemel neerdaalt in ons midden.
Het lijkt gewoon, een groep mensen op zondagmorgen bij elkaar,
maar het is zo bijzonder omdat God zelf hier in ons midden is
en ons Zijn genade meedeelt en meedeelt dat Hij ons op het oog heeft.
Heilige grond, omdat vanmorgen ook de doop is bediend,
waarin we weer hebben mogen zien hoe God ons mensen in Zijn gemeenschap wil hebben.
Het lijkt zo gewoon: een kind binnengebracht en de doop ontvangen.
Maar wat is gewoon als je beseft dat over dit kind is gesproken
dat het mag behoren tot de gemeenschap van God,
zoals over de meesten van ons de naam van Vader, Zoon en Geest is uitgesproken.
Als je niet de doop ontvangen hebt, is deze doop vanmorgen een uitnodiging
om tot de gemeenschap van Christus toe te treden, om de doop te ontvangen.

Het is haast gewoontjes hoe Gabriël, die voorname engel, binnentreedt,
niet een indrukwekkend neerdalen uit de hemel, geen gewapper van engelenvleugels,
maar een binnenwandelen, zoals iemand zich als gast aandient.
Wat deze engel aankondigt is dat God met haar zal zijn,
maar dan op een manier zoals God er nog nooit eerder was,
niet aan haar zijde, maar in haar baarmoeder,
De Zoon die zelf bij de schepping betrokken was,
door Wie God de wereld geschapen heeft, wordt zelf een schepsel,
De Zoon van de Allerhoogste wordt een klein kind,
een weg van kwetsbaarheid, omdat een zwangerschap niet de zekerheid geeft
dat een kind gezond en levend geboren wordt.
Dat was toen niet en nu ook niet.
Voor de meeste moeders is de zwangerschap niet alleen een tijd van blijdschap,
maar ook een tijd van spanning, van vrees: zal het goed gaan.
Ook nu nog maken we mee dat een zwangerschap anders eindigt
en dat er afscheid genomen moet worden.
Voor Maria zal die spanning niet minder zijn,
niet alleen om het vreemde van haar zwangerschap
(in heel de weg van God met Israël niet eerder vertoond)
maar ook om het bijzondere van het Kind dat zij draagt.
Het Kind dat zij zal dragen, dat zal niet van haar zijn, ook al is zij de moeder.
Het Kind dat zij zal dragen is van God.
Dat blijkt ook uit de naamgeving.
De naam wordt niet door moeder Maria uitgekozen en ook niet door Jozef,
maar God geeft de naam: Jezus
en in de naam die van God komt, die door God gegeven wordt,
geeft de Heere te kennen: dit Kind is van Mij.
In de naam die van God komt, legt God Zijn hand op dit Kind.

Gebeurt dat in de doop ook niet?
Dat God Zijn hand legt op jullie kind
en dat Hij daarmee zegt: Jullie kind is allereerst Mijn kind.
Dopen betekent dat je je kind uit handen geeft
en dat je belijdt: dit kind hebt U aan ons toevertrouwd.
Het is aan ons gegeven, maar het blijft allereerst van U.
Zoals dat ook met jullie zelf gebeurd is en voor ons allemaal geldt:
We zijn niet van onszelf, we zijn niet van onze ouders,
maar we zijn allereerst van God.
Het verschil met Maria is dat jullie je kind terug mogen krijgen.
Maria, zij moet meer afstand doen van haar Kind Jezus.

Maria is daarmee beeld voor de kerk, of voor de gelovige.
Wil je uitleggen wat het betekent om te geloven, dan kun je naar Maria kijken
en wil je weten wat de kerk is, dan heb je Maria als voorbeeld.
Maria draagt Jezus in zich, maar Jezus wordt nooit helemaal van haar.
Als ze Hem in de tempel wil toewijden aan de Heere
wordt Hij uit haar handen genomen door Simeon de profeet.
Maria’s kind is ook van Simeon, geboren voor Simeon,
de vervulling van de belofte die hij in een goddelijke openbaring heeft gekregen.
En als ze twaalf jaar later opnieuw in de tempel komen,
blijft Jezus achter om aan te geven dat Hij allereerst van God is
en dat Hij bezig moest zijn met de dingen van Zijn Vader.
Dat ze haar Zoon steeds weer moet afstaan, blijkt wel in de rest van het evangelie.
Ze wordt verder niet meer bij name genoemd.
Ze wordt niet genoemd bij de kruisiging, niet bij de opstanding.
Pas na de hemelvaart wordt ze weer met name genoemd,
als de leerlingen wachten op de Heilige Geest, dan is zij ook aanwezig.
Ja, een keer eerder vertelt Lukas iets over de moeder van Jezus,
zonder dat haar naam wordt genoemd
als er gemeld wordt dat Zijn moeder en Zijn broers Jezus willen ontmoeten,
dan wijst Jezus die ontmoeting af
en zegt Hij: Iedereen die Mijn woorden doet, die is Mijn moeder.
Maria, wat moet je dienen!
Je hebt de Zoon van de Allerhoogste gedragen
en toch, Hij is niet van jou.
En dat is nu wat de gelovige ook is en wat de kerk is.
Geloven is dat je Jezus in je draagt, zonder dat Jezus helemaal van jou wordt.
Eerder omgekeerd: je wordt van Hem.

Zoals Jezus niet van Maria werd, maar Maria uiteindelijk wel van Hem
en een ereplaats kreeg in de gemeente, als de moeder van God.
Dat is de kerk: we hebben Christus in ons midden,
maar dan zonder dat we kunnen zeggen: Hij is van ons
nee, we zijn van Hem geworden.
En daarom de doop,  waarmee aangegeven wordt: we zijn niet van onszelf
en dat gebeurt al voor wij daar nog iets besef van hebben.
Zoals dat ook bij het avondmaal klonk: We zoeken het leven buiten onszelf,
in Jezus Christus.
Zo mogen we gemeenschap van Christus zijn, met Christus in ons midden
omdat we zelf van Christus geworden zijn
en het Maria meezeggen: Mij geschiedde naar Uw woord.

Ik heb een plekje voor Jezus. Hier in mijn hart mag Hij wonen.
Dat is het verlangen van jullie voor jullie dochter
en dat is wat jullie in de opvoeding mee willen geven
dat je je hart voor Jezus mag openen en dat Hij daar wil wonen.
Vorige week klonk het ook bij het avondmaal: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.
Opvoeden in het geloof houdt in dat je uitlegt
hoe jullie dochter haar hart kan openen voor Jezus
en hoe zij net als Maria kan zeggen: Mij geschiedde naar Uw woord.
Heel mijn leven is aan U gewijd.
Ik ben niet van mijzelf, maar van U.

Bijzonder zal het Kind zijn dat Maria zal dragen.
Niet alleen maar mens, maar ook God, Zoon van de Allerhoogste.
Hij zal zitten op de troon van David en regeren over het huis van Jakob,
Koning voor altijd, tot in eeuwigheid.
Simeon zal later aanvullen op welke manier dat zal gebeuren:
Een weg naar Jeruzalem, naar dit Koningschap dat niet zonder lijden zal zijn,
waarbij er ook voor Maria lijden zal zijn: een zwaard zal door haar ziel gaan.

Maar hoe kan dat nu, dat zij de moeder zal worden van dit bijzondere Kind.
Zij leeft nog niet samen met haar man.
Maar God heeft om Zijn doel te bereiken niet altijd mensen nodig
en ook niet de manier van mensen.
De wording van het Kind in haar schoot zal een unieke schepping zijn,
het begin van de herschepping van de in zonde gevallen wereld.
De Heilige Geest zal over haar komen, zoals de profeten vol waren van de Geest,
zo zal Maria vol zijn van de Heilige Geest
en de kracht van de Allerhoogste, voor Wie niets onmogelijk is,
die deze wereld geschapen heeft en nu een weg maakt voor Zijn Zoon
om de weg van mensen te kunnen gaan, van het allereerste begin tot het einde.
Dat overschaduwen is geen biologie, geen seksualiteit,
maar een neerdalen van Gods aanwezigheid in haar,
zoals dat ook gebeurde bij de tabernakel: de wolk die over de tabernakel kwam
en ook hier laat Maria zien wat de gelovige zal zijn en wat de kerk zal zijn:
een levende tempel, zoals Paulus dat later als vraag aan Korinthe stelt:
Weet u niet dat u Gods tempel bent
en dat de Geest van God in u woont?
Maria gaat ons hier voor.
De Geest komt over haar en de kracht van de Allerhoogste
om ruimte te maken voor de Zoon van de Allerhoogste, zodat Hij in haar kan zijn.
Zo kan de Geest over ons komen en Gods kracht in ons ruimte maken
voor Christus, zodat Hij niet alleen in Bethlehem geboren is,
maar ook in ons hart geboren kan worden en in het midden van de gemeente
en kan opgroeien en Zijn weg kan gaan en Zijn werk kan doen.

Mij geschiedde naar Uw woord.
Maria neemt de taak die zij van God krijgt op zich.
Ze gehoorzaamt. Ook hier, in haar toewijding, in haar ja tegen Gods taak
is ze een voorbeeld voor de gelovige, voor de kerk
om als God een taak voor je bestemd hebt niet gelijk te zeggen: Ik kan niet.
Nee, wat voor God onmogelijk is, dat is mogelijk voor God.

Laat mij gebeuren overeenkomstig Uw Woord.
Dat is toegepast op de doop vanmorgen:

Als wij gedoopt worden in de naam van de Zoon verzegelt ons de Zoon dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden en dat Hij ons inlijft in de gemeenschap van Zijn dood en opstanding. Zo worden wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend.

Als wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest verzekert ons de Heilige Geest dat Hij in ons zal wonen en dat Hij ons tot leden van Christus zal heiligen. Zo wil de Heilige Geest aan ons schenken wat wat in Christus hebben: de afwassing van onze zonde en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij uiteindelijk in de gemeente van de uitverkoren in het eeuwige leven geheel rein een plaats zullen ontvangen.

Mij geschiedde naar uw Woord.
De engel gaat weer weg, maar de Heer blijft.
De engel gaat terug naar de hemel, naar de troon van God,
maar God gaat de omgekeerde weg: Hij daalt neer in de schoot van Maria,
Hij daalt neer in ons midden, in de kerk, in ons hart.

Wat heil, een Kind is ons geboren,
een Zoon gegeven door uw kracht!
De heerschappij zal Hem behoren,
zijn last is licht, zijn juk is zacht.
Zijn naam is “wonderbaar”, zijn daden
zijn wond’ren van genaad’ alleen.
Hij doet ons, hoe met schuld beladen,
verzoend voor ’t oog des Vaders treen.
Amen

Vragen bij Lukas 20:9-18

Vragen bij Lukas 20:9-18

1) Met deze gelijkenis wil Jezus de Schriftgeleerden confronteren met hun ongeloof. Waarom doet Hij dat niet met een directe beschuldiging, maar door middel van een verhaal?

2) Waarom zouden de pachters weigeren om de verschuldigde pacht te betalen?

3) Wie bedoelde Jezus met de knechten in de gelijkenis?


4) Er is een climax in de behandeling van de knechten:
1) met lege handen wegsturen,
2) te schande maken,
3) verwonden.
Waarom zou de eigenaar verwachten dat ze zijn zoon wel goed behandelen? Waarom doen ze dat niet?


5) Waarom laat Lukas het gedeelte weg, waarin de eigenaar komt om de pachters te doden? (vgl Mt 21:40-41) Hoe past dit in de theologie van Lukas?


6) Waarom spreekt Jezus over de hoeksteen die weggeworpen wordt? Wat bedoelt Jezus daarmee? Deze tekst komt in Handelingen 4:11 terug. Waarom?


7) Deze gelijkenis gaat over de reactie van de Joodse leiders. Kan deze gelijkenis ook over ons gaan?


8) Wat is de boodschap van deze gelijkenis? Wat wil de gelijkenis bij ons bereiken?

Preek Eerste Kerstdag 2016

Preek Eerste Kerstdag  2016 (Kerstnachtdienst Westerkerk Kampen)
Lukas 2:6-20
Tekst: Wees niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor heel het volk wezen zal  (Lukas 2:10)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Zomaar, opeens is daar de engel die de herders opschrikt met zijn verschijning.
Zomaar, opeens is hij daar – met goed nieuws.

Als je in je dagelijkse bezigheden wordt opgeschrikt,
is dat juist meestal geen goed nieuws.
Dan is het vaak een bericht dat je leven  op de kop zet:
bericht van een ontslag, boodschap dat je ziek bent of iemand onverwacht overleden.

Het bericht waarmee de engel zo onverwachts komt is goed nieuws.
Goed nieuws zonder dat ze er op bedacht waren of rekening mee hielden.
En dat goede nieuws zal niet alleen hen blij maken,
maar de boodschap is voor iedereen een grote vreugde.
Niemand zal er bij deze vreugde buiten staan.
Niemand zal zich een buitenstaander voelen
omdat hij of zij door een heel andere stemming beheerst wordt,
zoals verbittering, jaloezie of verslagenheid.

Als ik nadenk over goed nieuws en hoe ik zelf zou reageren
merk ik dat ik vooral sceptisch reageer:
Eerst zien dan geloven.
Het moet eerst maar eens zover zijn.
De engel die het goede nieuws komt vertellen is een boodschapper van God.
God kondigt het goede nieuws aan.
God wil dat die blijdschap iedereen bereikt
en zal er ook voor zorgen dat iedereen door deze blijdschap bereikt wordt
en vol van deze blijdschap wordt.
Dat ook ikzelf vol van die blijdschap word – en u en jij.
Want wat de engel vertelt is een persoonlijke boodschap
die God voor de herders heeft
en niet alleen voor de herders, maar voor alle mensen.
Ook voor u, nu u hier in de kerk zit en voor jou.
En misschien bent u of ben jij er daarom wel in de kerk
om iets van de blijdschap te krijgen, omdat je die nu niet hebt.

In de afgelopen weken heb ik dat aan enkele mensen gevraagd.
of ze uit keken naar het kerstfeest of dat ze er juist tegenop zagen.
In mijn werk spreek ik veel mensen, die nogal wat tegenslag krijgen,
juist van die berichten die je leven op z’n kop zetten en waar je niet blij van wordt.
‘Ik ben blij als het januari is en de feesten achter de rug zijn,’ zei er een,
‘Juist met kerst is het gemis zo sterk. De glans is er toch wel van af.’
Kan de engel dan nog wel zeggen dat de vreugde er voor iedereen zal zijn?
En dan nog wel een grote vreugde?
Of is die vreugde er alleen voor de mensen die zonder zorgen zijn,
die zich in de afgelopen dagen hebben voorbereid met de kerstinkopen,
de afspraken op welke dagen ze waar zijn en met wie het gevierd worden.

De engel zegt niet dat er in iedereen de vreugde, de blijdschap komt boven borrelen
als een gevoel dat je helemaal in beslag neemt
en alle andere zorgen overstemt.
Dan kan overigens wel, dat je even opgetild wordt boven alles uit.
Maar als de stemming weg is, of misschien als u al weer thuis komt,
dan kan het stil zijn, leeg, de stemming weg.

De blijdschap wordt verkondigd.
Dat wil zeggen: die blijdschap zit niet in onszelf, niet een gevoel van binnen,
maar de vreugde komt bij God vandaan.
Het is een vreugde die iedereen bereikt,
omdat het iets van God laat merken die iedereen bereikt.
Het is de blijdschap die er is,
omdat God zelf naar de aarde gekomen is,
de blijdschap die te maken heeft met dat kind, in doeken gewikkeld, liggend in de kribbe.
Omdat dit kind geboren is, is er voor iedereen vreugde, heel persoonlijk.
Voor de één is de vreugde veel makkelijker te aanvaarden dan voor de ander.
Het kan best zijn dat u of jij jezelf in die herders herkent,
die als ze de boodschap van de engel gehoord hebben, gelijk ook die blijdschap ervaren en nieuwsgierig worden naar het kind,
dat van Godswege uit de hemel komt
en dat u daarom in de afgelopen dagen zo druk was met de voorbereidingen
omdat het Kerstfeest voor u niet alleen een feest van gezelligheid is
van met elkaar als familie – dat ook,
maar vooral het feest is van de komst van Christus op aarde, de Zoon van God.

Toen ik het in de afgelopen weken vroeg, zei er iemand:
‘Ik kijk er ook weer naar uit, juist vanwege de betekenis.’
Want Kerst betekent wel wat, namelijk dat God afdaalt in ons gewone bestaan.
De engel spreekt daarover, als de reden van de vreugde:
dat kind dat in doeken gewikkeld is en in een voerbak ligt.
In doeken gewikkeld, dat is niet bijzonder, dat gebeurde met elk kind dat geboren werd.
Jezus, de Zoon van God, wordt op dezelfde manier als wij geboren
Met Hem wordt op dezelfde manier omgegaan als met ons na onze geboorte.
Het zijn vaak de gewone dingen die iets bijzonders laat zien.
De zon die elke morgen opkomt, zo heel gewoon, is een teken van Gods trouw
dat Hij weer een nieuwe dag geeft,
Een teken dat Hij onze wereld niet vergeten is, en dat Hij ons nooit loslaat
maar altijd voor ons zorgt.
Het brood en de wijn bij het avondmaal, geen bijzonder brood en ook geen bijzondere wijn en toch wijzen ze op iets bijzonders, namelijk de liefde die Christus in zich droeg
toen Hij naar de aarde kwam en toen Zijn leven eindigde aan het kruis.
Zo ook in de kribbe: een kind in een gewone nacht,
gewoon en toch zo heel bijzonder: Christus de Heer, de messias, de Heer.
Zo komt God in deze wereld: in het gewone, Hij wordt zoals wij.
En daarom die vreugde, omdat Christus op aarde geboren wordt.
Ga maar kijken, zegt de engel. Zie, ik verkondig u grote blijdschap.’
Die blijdschap is te zien, in de kribbe, waar dat kind in doeken gewikkeld ligt,
dat gewone kind, baby Jezus en toch zo bijzonder: Christus de Heer.
De vreugde, de blijdschap die de engel aankondigt, verkondigt
heeft met dit kind te maken dat geboren is
en een bijzondere afkomst heeft, uit de hemel
en een bijzondere weg zal kennen: naar het kruis van Golgotha.

Jezus, die de de Redder zal zijn, de zaligmaker, die mensen weer terugbrengt bij God,
kiest ervoor om dezelfde weg te gaan als ieder ander mens.
9 maanden van zwangerschap, een tijd van hoop én spanning,
van uitzien en toch ook vrees hebben of het allemaal goed zal gaan,
zoals bij elke zwangerschap en geboorte.
Hoe zal dit Kind zijn als het geboren is
en in wat voor een tijd zal dit Kind opgroeien?
Zal het een veilige jeugd hebben.
Christus deelde niet alleen in de mooie momenten van het menselijk bestaan,
maar ook in de spanning, de zorg.
Hij daalde van de hemel af om diep af te dalen,
zelfs in het rijk van de dood, in de hel daalde Hij af.
Als je niet blij kunt zijn, omdat je iemand die veel voor je betekent mist,
of omdat je eigen leven zo’n chaos is,
dan heb je in dit Kind iemand gekregen die in je bestaan deelt
en niet zomaar iemand maar Gods eigen Zoon,
die niet alleen je bestaan deelt en met je meeleeft,
maar je Zijn hand op je legt, die je optilt en meeneemt naar God toe.
Zelfs als je niet zoveel met God hebt
en zelfs als je God kwijt bent geraakt, dan ben je niet onbereikbaar voor dit Kind
en komt Hij naar je toe
en zegt tegen je: in de kribbe begon Mijn weg om jou weer bij God te brengen.
Ik liet de hemel achter, om speciaal voor jou
en voor alle andere mensen naar de aarde te komen, om mens te worden.
Om ook jou te laten delen in die vreugde,
die bij God vandaan komt, omdat God zelf de vreugde is en Zich aan jou bekend maakt.
Dit Kind laat Gods zorg voor jou, voor u zien.
Het is heel persoonlijk deze geboorte, zoals de engel dat zegt:
Hij is voor jou, voor u geboren.
Ik had dit voor jou over, zegt Jezus
om ervoor te zorgen dat jij, dat u weer terug kan komen bij God.
Daarom vreugde: omdat de redder geboren is, die je weer terugbrengt bij God.
Je hoeft niet bang te zijn, dat wat Jezus geeft niet voor jou is
Of dat je er buiten staat, omdat je vanuit niet gelovig bent opgevoed.
Of dat je er buiten komt te staan, omdat je de laatste tijd zo weinig met Hem gedaan hebt.
God komt nu naar je toe, vandaag.
Hij is heden geboren, zegt de engel. Vandaag in de stad van David.
Dat was eeuwen geleden, heel lang terug.
Toen konden de herders naar de stal gaan, om dit Kind te zien.
Nu is dit Kind niet meer op aarde, maar in de hemel.
En toch kunnen wij Hem ontmoeten,
als we over Hem nadenken, als we tot Hem bidden, over Hem zingen
als we met anderen over Hem spreken.
Als je dat kan beamen, als je dat gelooft,
dan valt datzelfde licht over jouw, over uw leven, dat de engel bracht:
de glans, de heerlijkheid van God uit de hemel
waarmee de Heere zegt: Ik kom naar je toe,
om jou, om u bij Mij te brengen.
Ook nu nog kun je Mij vinden. Amen

Preek zondag 24 januari 2016

Preek zondag 24 januari 2016
Lukas 7:18-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Je moet maar durven: je twijfel over Jezus openlijk te verwoorden.
Zou u dat doen?
Onlangs hebben we als kerkenraad besloten
om meer aandacht te vragen voor kwetsbaar opstellen.
Johannes stelt zich hier wel heel kwetsbaar op.
Zo kwetsbaar, waarbij je hardop je vragen bij Jezus hardop stelt,
zullen we ons binnen een kerkenraad niet zo snel opstellen.
Hoe zou de andere kerkenraadsleden reageren
als u de vraag die Johannes  aan Jezus stellen ook eens hardop stelde
tijdens een kerkenraadsvergadering:
‘Is Jezus wel de ware? Is Hij wel degene die door God gestuurd is?
Of moeten we op zoek gaan naar iemand anders?’
En hoe zou u als gemeente reageren
als u zou horen dat deze vraag serieus tijdens een kerkenraadsvergadering werd gesteld,
Waarbij duidelijk werd dat een van de kerkenraadsleden openlijk twijfelt?

De een zal zich zorgen maken.
Als een ambtsdrager twijfelt en die twijfel ook nog eens openlijk verwoordt,
hoe kan zo iemand dan nog geloofwaardig ambtsdrager zijn?
Dan hoor je toch voor de waarheid te staan?
Een ander zal zeggen:
‘Gelukkig. Eindelijk iemand in de kerk die ook eens durft te zeggen wat ik ook heb.
Ik ben niet de enige met mijn twijfels.’

Johannes de Doper is nog wel meer dan de gemiddelde ambtsdrager.
Er zullen weinig ambtsdragers zijn
die zichzelf met Johannes de Doper zullen vergelijken.
Deze Johannes is niet de minste:
de belangrijkste van iedereen die uit een vrouw geboren is.
Er is in heel onze geschiedenis niemand die belangrijker is dan hij, zegt de Heere Jezus.
Nou, ga dan jezelf maar eens met deze Johannes vergelijken.
Johannes met zijn indringende boodschap
dat Gods tijd gekomen is om van iedereen rekenschap te vragen
wat iedereen met zijn leven heeft gedaan
en Johannes was van mening dat er maar weinigen waren
die zomaar door dat oordeel heenkonden:
De bijl ligt al aan de wortel.
Het is al bijna de tijd dat de boom van uw, van jouw leven zal worden omgehakt.
Er is maar één manier om jezelf te redden:
dat je je omkeert naar God toe en je leven verandert.
Johannes zou een prediker zijn die in Oldebroek zou worden gewaardeerd:
een prediker die zei waar het op stond,
die er niet omheen draaide en je aan durfde te spreken
en daarbij ook heel concreet zei, wat je moest doen.
Profetische prediking: de boel op scherp stellen.

Als mensen dan bij hem kwamen voor een makkelijke bekering,
een bekering zonder al te veel consequenties voor het dagelijks leven
schudde hij zijn hoofd en riep verontwaardigd:
‘Wie heeft jullie wijsgemaakt dat je zomaar aan het oordeel van God kunt ontsnappen?’
Zeker als ze bij hem kwamen om zich te laten dopen
als die doop alleen maar betekende dat hun zonden afgewassen worden.
Nee, als hij de mensen liet dopen betekende dat een heel nieuw leven,
waarbij je brak met het oude leven.
Als je meer had dan je kon gebruiken, moest je dat delen:
als je twee mantels had, moest je de ene geven aan wie niets had.
Als je met geld werkte, moest je eerlijk zijn.
Hij besefte dat zijn werk slechts voorlopig was: Ik doop maar met water.
Maar er zal Iemand komen die jullie zal dopen met vuur.
Ik mag dan scherp zijn in mijn woorden, maar er is bij mij nog een omkeer mogelijk.
Degene die nu mij komt, zal jullie het vuur van Gods oordeel laten ondergaan.

Opeens is daar twijfel gekomen bij Johannes de Doper.
Geen twijfel over zijn eigen boodschap die hij bracht, maar twijfel over Jezus.
Wat is er terecht gekomen van die man die het vuur zou brengen?
Het vuur van Gods toorn en oordeel: louterend en zuiverend,

Gij zult hen, daar G’ in glans verschijnt,
Als rook en damp, die ras verdwijnt,
Verdrijven en doen dolen.
’t Goddloze volk wordt haast tot as,
’t Zal voor Uw oog vergaan als was,
Dat smelt voor gloende kolen.

Wat komt daarvan terecht in het optreden van Jezus?

Het gaat er wel erg makkelijk aan toe, bij Jezus:
Genezingen en wonderen, dat wel, bijzondere verhalen om je over te verbazen,
maar geen oordeel dat voltrokken wordt, geen vuur
geen enkele goddeloze is verdwenen,
degenen die zich tegen God keren en de gelovigen onderdrukken gaan gewoon door
met hun praktijken, hun macht wordt niet gebroken.
Kan Jezus dan wel degene zijn die verwacht wordt?
Het zit Johannes hoog: hij stuurt een delegatie naar Jezus toe,
om hem rekenschap te vragen. Leg maar verantwoording af van wie je werkelijk bent.

In onze tijd kan twijfelen een mode zijn.
De twijfel waar ik over heb is dan een soort vrijblijvendheid
om niet alles te hoeven te doordenken
om jezelf niet helemaal te geven.
Dat is niet de twijfel die Johannes heeft.
Voor Johannes staat er echt wat op het spel.
God zelf staat op het spel en ook zijn eigen missie hier op aarde.
Promoot Jezus niet een bepaalde vrijblijvendheid,
een soort geloof waar je je goed bij voelt, dat niet teveel kost?
Waar blijft de strijd tegen de zonde en het ongeloof, tegen de vijandschap richting God?
Het gaat wel erg makkelijk bij Jezus.
Je kunt zomaar de hemel binnenlopen, zomaar het Koninkrijk van God in.
Bent U wel degene die we verwachten? Die komen zou?
Of wachten we op iemand anders, die wel komt doen wat U nalaat?

Mooi is het dat de twijfel, de kritiek van Johannes vermeld wordt
in het evangelie over Jezus Christus.
Deze kritiek doet ertoe, de vraag van Johannes is niet zomaar een vraag,
van een kritisch iemand die overal wel wat op aan te merken heeft.
Op de rand van het ongeloof,
en toch anders dan de openlijke twijfel van de Farizeeën en de Schriftgeleerden.
Wat is eigenlijk het verschil?
Is de kritiek van Johannes eigenlijk niet net zo scherp als die van hen?
Mooi is het dat Jezus deze openlijke kritiek, deze twijfel toelaat.
Hij wordt er ook niet zenuwachtig van. Jezus schiet niet in de verdediging.
Mooi is ook dat Johannes zijn twijfel en kritiek bij Jezus brengt,
de dialoog aangaat – net als in de klaagpsalmen wordt geworsteld met God:
niet klagen over Jezus, maar worstelen met Jezus,
een gebed waarin er een appèl gedaan wordt op Jezus, zoals in de psalmen:
Doe er wat aan, aan dat onrecht, aan die goddeloosheid,
aan degenen die Gods werk en Gods kinderen dwarszitten en tegenwerken.
Zo kan het toch niet langer, dat Gods volk verloren gaat,
door de verkeerde wegen die voorgehouden worden door de leiders.
Heer, uw volk gaat verloren!
Johannes brengt zijn twijfel bij Jezus
en geeft Jezus de mogelijkheid om te reageren,
om te laten zien dat Hij wel degelijk de verwachte is.
Dat Johannes niet tevergeefs zijn hoop op Jezus heeft gesteld.

Als de boden bij Jezus komen, is Jezus bezig met zijn werk, zijn missie:
Genezing van zieken, verlamden die kunnen lopen,
boze geesten die verdreven worden, blinden die zien
Hij voegt er nog aan toe:
doden worden opgewekt en armen krijgen het evangelie te horen.

Kijk en luister – laat het op je inwerken wat er gebeurt.
Dat is het antwoord aan Johannes.
Wat is dat nu voor een antwoord?
Waarom zegt Jezus niet gewoon: “Ik ben het!”?
Waarom een antwoord door middel van de daden?
Omdat Jezus uit zijn daden is te kennen.
Zijn daden zijn het teken dat Hij het is.

Die genezingen niet zomaar zijn, niet zomaar wonderen.
Uit het Oude Testament is bekend dat men een ziekte kon ervaren als een oordeel,
waarbij God afwezig is en men een grote afstand tot God ervaart.
Nu zullen we dat niet zo snel meer zeggen, gelukkig,
maar ook vandaag de dag kan iemand die ziek is een grote afstand ervaren,
overvallen worden door vragen: waarom moest dit zo
en God op een grote afstand ervaren worden.
Kan de twijfel je overvallen: is dit nu Gods weg die ik moet gaan. Waar is Hij?

Wat zei diezelfde profeet die Johannes als wegbereider aankondigde?
Onze ziekten heeft hij op zich genomen, ons leed heeft hij gedragen.
Het klassieke avondmaalsformulier geeft daar een betekenis aan,
die de diepte raakt van wat Jezus als antwoord aan Johannes meegeeft:
Hij heeft de oorzaak van onze eeuwige armoede en honger op zicht genomen.
Het is niet de tijd van Gods oordeel, maar de tijd van Zijn heil,
waarbij al het verbrokene wordt geheeld,
waarbij de zonde vergeven wordt
en het oordeel van God gedragen – door Jezus zelf.
ezus’ weg op aarde anders dan verwacht: degene die gekomen is:
God komt in
Christus niet om aan onze verwachtingen te voldoen,
maar om vergeving van zonden te brengen en Gods wil te doen.

Het gaat wel erg makkelijk bij Jezus.
Ja, omdat Hijzelf in dat oordeel gaat, dat oordeel draagt,
gedoopt wordt in het vuur van Gods oordeel.
Later zal Jezus het zeggen, als Hij op weg is naar Jeruzalem:
dat Hij gekomen is om het vuur op aarde te brengen.
Dat oordeel is niet weg,
maar Hij voegt er aan toe: ik moet met een doop gedoopt worden
en die doop beklemt mij, totdat die is volbracht.
Jezus valt Johannes ook niet af.
Ook al waarschuwt hij Johannes, dat hij niet over Jezus moet vallen.
Dat werk van Johannes is een belangrijk werk geweest.
Een nieuwe Mozes was Johannes, die het volk uit de slavernij van de zonde moest leiden:
Een engel, een bode die voor jullie uitgezonden is,
zoals in de woestijn de weg gewezen werd voor het volk om in Kanaän te komen.
Een Elia, die eerst komt.
Johannes erfde de staf van Mozes en de mantel van Elia.
Zo wees Johannes jullie de weg naar God.

Het gaat bij Jezus wel gemakkelijk, zou je kunnen denken.
Maar of nu het oordeel aangekondigd wordt of de genade ruimhartig uitgedeeld
beiden zijn geen garantie voor geloof.
Het is niet zo, een sterke oordeelsprediking de mensen sneller bij God brengt.
Want ook bij een oordeelsprediking kunnen mensen voor de vorm geraakt zijn,
zoals de mensen bij Johannes kwamen om zich te laten dopen
en toen wel dachten dat ze klaar waren.
En ook de boodschap van de liefde van Jezus, van Zijn genade,
Daar kunnen de mensen aan voorbij gaan.
In beide gevallen kun je op een afstand blijven staan,
niet aangeraakt, onveranderd blijven.


Net als bij de kinderen, die een spel spelen.
Daar hoor je bij mee te doen.
Zoals mijn zoon elke dag komt vragen: een potje stratego, een potje rummikub?
Zoals een van mijn dochters naar mij toekomt en met me wil dansen.
Kinderen willen dat je in hun spel meedoet
en als je niet meedoet, ben je spelbreker.
Het is niet leuk als ik als vader niet meedans,
de kans op een potje stratego afsla.
Waarom blijf je bij een spel op een afstand? Waarom doe je niet mee?
Het is niets voor mij. Geen tijd. Nu niet, later.
We hebben op de fluit gespeeld en je hebt niet gedanst.
We hebben een klaaglied gezongen, maar je wilde niet verdrietig zijn.

Dat is het menselijk hart: dat kan onbewogen blijven bij wat God doet.
Of dat nu een scherpe oordeelsaankondiging is,
een krasse oproep je leven te radicaal te veranderen
of een vreugdevolle uitnodiging om mee te doen – je kan onbewogen blijven.
Maar dan doe je niet mee: niet mee met Jezus en deel je niet in Zijn redding,
dan is je oordeel niet weggedragen.

Zalig die aan Jezus geen aanstoot neemt,
Zalig die niet op een afstand blijft staan, maar gaat
Het is gemakkelijk om te blijven staan, op een afstand,
als een volwassene die geen zin heeft in kinderspelletjes,
als een mens onbewogen onder Gods oordeel,
onaangedaan door zijn blijk van liefde in zijn zoon Jezus Christus.
Zalig wie gehoor geeft en meedoet,
in Jezus een nieuw leven begint. Werkelijk nieuw, weggeroepen uit de zonde
en vergeven en de weg van Jezus gaat
ook in je dagelijkse bezigheden –  net zo concreet als Johannes deed.
Amen