Vragen bij Mattheüs 25:1-13

Vragen bij Mattheüs 25:1-13: De gelijkenis van de 5 wijze en 5 dwaze bruidsmeisjes
hb_14.81.21) Dit gedeelte gaat over de verwachting van Christus’ komst. Kijkt u uit naar de Wederkomst van Christus? Kunt u iets vertellen hoe dat uitkijken er voor u uitziet?

2) De gelijkenis gaat over het Koninkrijk der hemelen (of, zoals de Bijbel in Gewone Taal zegt: Gods nieuwe wereld). Wat weet u van dat Koninkrijk der hemelen? Waarom zou Jezus een gelijkenis vertellen om daar iets duidelijk over te maken?

3) De gelijkenis gaat over het opwachten van de bruidegom. Wat is de taak van de 10 meisjes?

4) De vijf meisjes zonder olie zijn niet aanwezig op het moment dat de bruidegom arriveert. Wat is daar erg aan? Hadden zij zich kunnen voorbereiden? Waarom noemt Jezus de ene groep wijs en de andere groep dwaas?

5) Aan het begin van de gelijkenis slapen alle 10 meisjes. Heeft dat betekenis? Of is dat een detail dat we kunnen overslaan in de uitleg?

6) De bruidegom laat de meisjes, die later komen op het feest niet meer toe tot heeft het feest. Wat heeft dat ons te zeggen?

7) De opdracht om waakzaam te zijn (vers 13) is de toepassing van de gelijkenis. Op welke manier kunnen wij waakzaam zijn?

Aanbevolen commentaren

Aanbevolen commentaren

Commentaren op een Bijbelboek kunnen een belangrijke bijdrage leveren tijdens het preekproces: ze kunnen een tekst helpen begrijpen en woorden aanreiken voor de preek. Daarom ben ik altijd benieuwd naar wat zinvolle commentaren zijn op een Bijbelboek.

Meestal plan ik een serie van diensten, waarin ik langere tijd bezig ben met één Bijbelboek. Vooraf steek ik tijd in het zoeken van de juiste commentaren. Ik schaf pas commentaren aan als ik langere tijd over een Bijbelboek preek. Ik heb het voordeel dat ik voor een enkele dienst naar de bibliotheek van de Theologische Universiteit Kampen kan gaan om materiaal te kopiëren.

Hieronder een lijst met aanbevolen commentaren (op alfabetische volgorde):

Genesis
– Victor P. Hamilton (NICOT)
– Bruce K. Waltke (with Cathi J. Fredericks), Genesis. A Commentary (Grand Rapids: Zondervan, 2001).
– Gordon J. Wenham, Genesis 16-50. (WBC)

Exodus
– Thomas B. Dozeman, Exodus. (Eerdmans Critical Commentary)
– dr. C. Houtman, Exodus. Deel 1-3 (COT)

Deuteronomium
– Daniel I. Block, Deuteronomy. (NIVAC)
– Walter Brueggemann, Deuteronomy. (Abingdon Old Testament Commentary)
– Jack R. Lundbom, Deuteronomy. A Commentary (Grand Rapids: Eerdmans, 2013).

Richteren
– Daniel I. Block, Jugdes, Ruth. (NAC)
– J. Clinton McCann, Judges. (Interpretation)
– dr. Magdel le Roux, Richteren. (POT)
– dr. K. Spronk, Rechters. (VHB)

1 & 2 Samuël
– Walter Brueggemann, First and Second Samuel. (Interpretation)
– Eugene H. Peterson, First and Second Samuel. Westminster Bible Commentary (Louisville: Westminster John Knox Press, 1999).
– David Toshio Tsumura, The First Book of Samuel. (NICOT)
– Johanna W.H. van Wijk – Bos, Reading Samuel. A Literary and Theological Commentary (Macon, Georgia: Smyth & Helwys, 2011).

1 & 2 Koningen
– Mordechai Cogan, I Kings. (AB)
– Mordechai Cogan / Hayim Tadmor, II Kings. Anchor Bible (1988)
– Lissa M. Wray Beal, 1 & 2 Kings. (AOTC)

Job
– Jürgen Ebach, Streiten mit Gott. (Kleine Biblische Bibliotheek)

Psalmen
– dr. Th Booij, Psalmen III (POT)
– Walter Brueggemann / William H. Bellinger, Psalms (New Cambridge Bible Commentary
– John Goldingay, Psalms I-III (Baker Commentary on the Old Testament)
– Bernd Janowski / Friedhelm Hartenstein, Psalmen (BKAT)
– Manfred Oeming, Psalmen (NSK.AT)
– Erich Zenger / Frank-Lothar Hossfeldt, Psalms 2-3 (Hermeneia) (de Engelse versie is stukken goedkoper dan het Duitse origineel)
– Erich Zenger, Die Psalmen. Auslegung in zwei Bänden.
(Voorheen uitgegeven als: (1)
Mit meinem Gott überspringe ich Mauern, (2) Ich will die Morgenröte wecken, (3) Dein Angesicht suche ich, (4) Ein Gott der Rache? Feindpsalmen verstehen

Extra voor bij de Psalmen
– Bernd Janowski, Konfliktgespräche mit Gott. Eine Anthropologie der Psalmen
– Kurt Marti, Die Psalmen
– dr. G.Th. Rothuizen, Landschap (3 delen)
– Robert Spaemann, Meditationen eines Christen über die Psalmen (2 delen).

Spreuken
– Michael F. Vox, Proverbs 1-9 (AB)
– dr. E.W. Tuinstra, Spreuken I (POT)

Jesaja 40-66
– W.A.M. Beuken, Jesaja 40-66. 3 delen (POT)
– J.L. Koole, Jesaja 40-66. 3 delen (COT)
– Shalom M. Paul, Isaiah 40-66 (Eerdmans Critical Commentary)

Jona
– Friedemann W. Golka, Jona (Calwer Bibelkommentare)

Mattheüs
– W.D. Davies / D.C. Allison (ICC)
– John Nolland (NIGTC)
– R.T. France (NICNT)
– Ben Witherington (Smyth & Helwys)

Markus
– R. Alan Culpepper (Smyth & Helwys)
– Francis J. Moloney, The Gospel of Mark. A Commentary (Grand Rapids: Baker Academic, 2002)
– R.T. France (NICNT)

Lukas
– James R. Edwards (Pillar NTC)
– David E. Garland (ZECNT)
– Michael Wolter (HNT)

Johannes
– J. Ramsey Michaels (NICNT)
– Marianne Meye Thompson (NTL)
– Udo Schnelle (ThHK)
– Hartwig Thyen (HNT)
– Ben Witherington, John’s Wisdom

Handelingen
– C.K. Barrett (ICC)
– David G. Peterson (Pillar NTC)
– Eckhard J. Schnabel (ZECNT)
– Matthew L. Skinner, Intrusive God, Disruptive Gospel. Encountering the Divine in the Book of Acts (2015)

Paulus
– James D.G. Dunn, The Theology of Paul the Apostle
– Friedrich W. Horn (H.g), Pauls Handbuch
– Eduard Lohse, Paulus. Eine Biographie
– Michael Wolter, Paulus. Ein Grundriss seiner Theologie
– Oda Wischmeyer (Hg.), Paulus. Leben – Umwelt – Werk – Briefe

Romeinen
– Eduard Lohse (Meyers KEK)
– Richard N. Longenecker (NIGTC)
– Eckhard J. Schnabel (HTA)
– dr. Herman Ridderbos (COT)

1 Korinte
– Andreas Lindemann (HNT)
– Anthony C. Thiselton (NIGTC)

2 Korinte
– Murray J. Harris (NIGTC)
– Frank J. Matera (NTL)

Efeze
– Stephen F. Fowl (NTL)
– Michael Gese (Botschaft des Neuen Testaments)
– Harold W. Hoehner, Ephesians. An Exegetical Commentary
– Eugene H. Peterson, Practice Resurrection. A Conversation on Growing Up in Christ
– Frank Thielman (BECNT)

Filippenzen
– Moises da Silva (BECNT)

Hebreeën
– Knut Backhaus (RNT)
– Luke Timothy Johnson (NTL)
– Craig R. Koester (AB)
– dr. H.C. van der Meulen, Met het oog op Jezus. De prediking van de brief aan de Hebreeën

1 Petrus
– John H. Elliot (AB)
– Reinhard Feldmeier (ThHK)

1,2,3 Johannes
– Karen H. Jobes (ZECNT)
– Judith M. Lieu

Openbaring
– G.K. Beale (NIGTC)
– Klaus Berger (Herder)
– Craig R. Koester (AB)
– Ben Witherington (The New Cambridge Bible Commentary)

Theologie Oude Testament
– Walter Brueggemann
– John Goldingay
– Jörg Jeremias

– Bernd Janowski, Anthropologie des Alten Testaments
Ein Gott der straft und tötet?
– Jürgen Ebach, Das Alte Testament als Klangraum des evangelischen Gottesdienstes

Theologie Nieuwe Testament
– Ferdinand Hahn
– Ulrich Wilckens

Serie van Kurt Erlemann over nieuwtestamentische thema’s: 

  1. Wer ist Gott? Antworten des Neuen Testaments (2008)
  2. Unfassbar. Der Heilige Geist im Neuen Testament (2010)
  3. Jesus der Christus. Provokationen des Glaubens (2011)
  4. Trinität. Eine faszinierende Geschichte (2012)
  5. Vision oder Illusion. Zukunftshoffnungen im Neuen Testament (2014)
  6. Kaum zu glauben. Wunder im Neuen Testament (2016)
  7. Fester zum Himmel. Gleichnisse im Neuen Testament (2017)




     

Preek zondag 17 november 2019

Preek zondag 17 november 2019
Schriftlezing: 1 Timotheüs 3

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Twee weken geleden werd na afloop van de kerkdienst aan u de zorg meegedeeld
dat de kerkenraad er niet in slaagde de vacatures voor de kerkenraad op te vullen.
Want het zijn toch belangrijke functies binnen de kerk:
de ouderlingen die de mensen thuis opzoeken om hen te stimuleren in het geloof,
de diaken die met het geld van onze gemeente verschillende doelen van geld voorzien.
Er zijn al wel veel meer gemeenten, die ermee te maken hebben
dat ze de vacatures in de kerkenraad moeilijk kunnen opvullen.
Daar hebben wij als wijk 2 ook mee te maken.
Afgelopen week hadden we een gemeenteavond, met een mooie opkomst
en waren we met elkaar in gesprek wat dit ons te zeggen heeft.

Een van de punten die naar voren kwam op die avond, was:
vertel ons wat de taak van een ouderling of een diaken is.
Nu wil ik vanmorgen in deze dienst niet bij de taken van de ouderling of diaken stilstaan,
maar wat er nodig is om ouderling, diaken of ouderling-kerkrentmeester te kunnen worden.
En dan vanuit de Bijbel: kunnen we in het Woord van God aanwijzingen vinden?

Voordat de rest denk: ‘Ik kan geen ouderling of diaken worden’. Of: ‘Ik wil het niet worden.’ –
Wat Timotheüs hier schrijft, geldt voor iedereen die een taak in de gemeente had,
Want in de tijd dat Timotheüs deze brief van Paulus ontving,
bestond de kerk nog niet zo lang
en waren de taken binnen de gemeente nog niet zo duidelijk verdeeld als in onze tijd.
Als Paulus aan Timotheüs schrijft over de ouderlingen of de oudsten binnen de gemeente
kan dat net zo goed gelden voor iemand die een bijbelkring leidt, of meewerkt met een club.
En ook als je geen taak hebt binnen de gemeente:
Wat Paulus hier schrijft over wat er nodig is om leiding te kunnen geven,
geldt bijna in zijn geheel voor alle gemeenteleden, voor jongeren net zo goed.
Want het gaat Paulus niet alleen om de regels die hij voorschrijft,
maar bij die regels die Paulus geeft gaat het om ons hart, om wie we zijn als gelovige.
De preek die ik ga houden kan als volgt worden samengevat:
God geeft aan de kerk leiders die zich een ander mens laten maken door de Heilige Geest.

Laten we eerst eens kijken hoe dat in het geval van Timotheüs gebeurt.

Timotheüs is iemand die al heel jong de Heere Jezus leerde kennen
En op jonge leeftijd met Paulus meeging op zijn reizen om Paulus te helpen
het evangelie te verkondigen op plaatsen waar ze nog niet over God hadden gehoord.
Paulus vertrouwen in deze jongen gekregen, die met hem meeging en hem meehielp
en stelde hem in een bepaalde gemeente aan voor de gemeente zorg te dragen.
Hij was nog vrij jong, want in het volgende hoofdstuk schrijft Paulus aan Timotheüs
dat Timotheüs zich niet te druk moet maken dat leden hem te jong vinden.
Paulus heeft gehoord over de zorgen die Timotheüs heeft als het om zijn gemeente gaat
en schrijft hem een brief om hem te steunen, een hart onder de riem, ook om hem te helpen.
Een van de zorgen, die Timotheüs heeft, betreft de taken binnen de gemeente.
Te merken is dat er niemand staat te springen om een taak op zich te nemen.
Als hij iemand op het oog heeft en vraagt om iets te doen binnen de gemeente,
krijgt hij te horen dat iemand het niet op zich kan nemen, of niet wil.
In de uitleg worden verschillende opties genoemd:
Er kan kritiek zijn op degenen die wel een taak op zich hebben genomen in de kerk,
waarbij ieder ander weet: als ik ook een taak op mij neem, krijg ik ook die kritiek.
Als je dat van tevoren weet dat je bij voorbaat al kritiek kunt krijgen, bedank je voor de eer.
Het kan ook zijn dat degenen die een taak hebben binnen de kerk dwaalleraars zijn:
ze vertellen de verkeerde dingen over God en brengen de gemeente in verwarring.
Ze vertellen niet meer waar het op staat,
ze draaien er om heen en halen de scherpe kantjes ervan af.
Moet je dan met zulke mensen samenwerken, met wie je voelt dat er geen band is,
omdat ze toch niet hetzelfde geloof hebben, maar een heel andere boodschap?
Een andere reden waarom gemeenteleden zouden kunnen bedanken
is dat het je wat kan kosten om een taak op je te nemen.
Niet zozeer in tijd of in geld, maar dat je de kans loopt om opgepakt te worden
En in de gevangenis gegooid te worden, bedreigd te worden omdat je gelooft in Christus.
Als er sprake is van vervolging zijn meestal de leiders van de kerk het eerst aan de beurt.
Je merkt aan wat Paulus schrijft, dat Timotheüs er niet meer uitkomt: wie moet hij vragen?

Het eerste wat Paulus uitlegt aan Timotheüs is
dat het gezond is als er binnen de gemeente wel een verlangen is,
dat gemeenteleden een taak op zich nemen, zich gaan inzetten.
Dat verlangen dat je dan hebt om iets binnen de gemeente te doen, is gezond verlangen.
Het is in je te prijzen als je iets wilt oppakken.
Paulus zegt het dubbelop: het is een gezond verlangen als je iets wilt doen,
want je voelt dan van binnen, in jezelf een drijfveer om iets van Christus te laten zien.
Paulus noemt een taak binnen de gemeente een goed werk.
In de woorden die hij gebruikt, kun je merken dat hij bedoelt:
Als je een taak op je neemt, dan wil je Christus zichtbaar laten zien.
Dan wil je aan anderen laten zien, dat Hij je Heer is en dat Hij ook Heer van anderen wil zijn.
Met dat verlangen laat je zien dat God in je werkt en dat de Heere je wil gebruiken.
Want over welke taak heeft Paulus het hier?
Bij hoe het vertaald is – ambt van opziener – kun je al snel denken
aan het traditionele beeld van de ouderling in zwart pak, die statig de kerk in komt schrijden.
Iemand die op bezoek komt en dan een hele preek afsteekt,
of als je geluk hebt eerst even vraagt hoe het met je gaat maar dan snel naar de kern wil,
nog voordat je zelf eraan toe bent omdat je niet goed weet wat je allemaal kunt vertellen.
Of je denkt aan ouderlingen aan een streng college waar je eerst toestemming moet vragen
En vrij snel op de rem trappen, omdat ze bang zijn dat het niet passend genoeg is.
Het is echter maar de vraag of Paulus dat bedoelt en of het al een duidelijke omschrijving is.
In het Griekse woord Episkopos (ambt is toegevoegd aan de vertaling) zit een woord
dat wij kennen: scopos. We kennen dat van:
– de telescoop: je kijkt door een kijker, waarmee je zo ver kunt zien dat je sterren kunt zien.
periscoop: een kijker op een onderzeeboot, waarmee onder water boven water de zee kan worden afgespeurd.
bioscoop: in de bioscoop zie je hoe het leven is.
Bij deze taak in de gemeente heeft Paulus iemand op het oog die kijkt naar anderen,
een ander een beetje in de gaten houdt
Zoals ik dat deed met de zus die een jaar jonger was dan ik.
Als we samen ergens naar toe gingen, zorgde ik dat ik met haar mee reed naar huis.
Of zoals een ouder even meekijkt met een van de kinderen bij het huiswerk.
Als een leraar die de kinderen in de gaten houdt of ze allemaal kunnen meekomen.
Hier heeft Paulus eerder iemand op het oog, die als een herder wil zijn,
de andere gemeenteleden in de gaten houdt of ze nog wel mee kunnen komen
in de gemeente, of ze nog wel leven met Christus, of ze wel groeien in geloof.
Iemand die hart voor de gemeente heeft, bij wie je terecht kunt.
De hedendaagse versie van de episkopos is de supervisor, of stagebegeleider.
Iemand die je meekijkt hoe je het doet,
met wie je in gesprek bent of je nog wel op de juiste weg bent.
Ik denk dat er vandaag de dag juist aan zulke supervisoren behoefte is:
als je een tiener bent, dat je iemand hebt bij wie je kunt vertellen waar je mee zit.
Als je vragen hebt over jezelf, over God dat je dan iemand hebt om te praten.
Als je jongvolwassen bent en net verkering hebt, iemand die je uitleg geeft
over relaties en hoe jij in je relatie samen met de dingen van de Heere bezig kunt zijn.
Als je geen relatie hebt en alleengaand bent heb je misschien wel juist behoefte
aan iemand binnen de gemeente om te delen wat je bezig houdt, iemand op wie je aan kan.
Of voor een jong gezin: op de gemeenteavond kwam het even ter sprake
dat niet voor elke gezinnen kerkgang en geloof nog vanzelfsprekend is.
Dan kun je er juist behoefte aan hebben dat je binnen je eigen gemeente gesterkt wordt.
Een episkopos is iemand die met je meeleeft, met je meekijkt en meedenkt.
Als je in je dat verlangen voelt om zo met anderen mee te leven, mee te denken en te kijken
is dat een mooi verlangen, waarin je merkt dat God in je bezig is
en ook een mooi verlangen omdat jij dan mag laten zien wie God is,
Die ook met ons meeleeft, meekijkt en meedenkt
– de wachter van Israël die ook over ons leven waakt.

Wat voor iemand moet je dan zijn als je deze taak op je wilt nemen?
In de afgelopen week las ik dit gedeelte bij de opening van de wijkjeugdraad
(we bespreken daar allerlei thema’s
die met de kinderen en de jongeren in onze kerk te maken hebben.)
en vroeg aan de anderen die er bij waren: hoe lezen jongeren dit gedeelte nu?
Hoe horen ze dit? Zullen ze denken: “Dat is toch niet voor mij. Ik ben toch geen leider!”?
Er was iemand aanwezig die in meerdere gemeenten betrokken is bij het jeugdwerk
En diegene vertelde dat er onder kinderen van ambtsdragers een grote nood is:
‘Er zijn heel wat kinderen van ambtsdragers die als ze dit gedeelte horen
in zichzelf een bepaalde boosheid voelen: je moest eens weten hoe mijn vader thuis is!
Hij zit geregeld voor in de kerk en heeft hij een vroom gezicht, maar thuis is hij een ander.
Voor anderen heeft hij aandacht, maar voor zijn gezin heeft hij geen tijd.’
Ik hoop niet dat het hier in de gemeente bij de jongeren ook zo beleefd wordt.
Het is in ieder geval niet wat Paulus vraagt.
Bij alle eigenschappen die Paulus opsomt gaat het erom, zoals ik al eerder zei,
dat je door de Heilige Geest een ander mens geworden bent
en dat ook je karakter door de Heilige Geest wordt gevormd, wordt vernieuwd.
Als je vroeger opvliegend en driftig was, dat je merkt dat de Geest je rustig maakte.
Als je vroeger snel een oordeel over iemand had, dat je merkt dat je mild geworden bent.
Want als je je karakter niet laat corrigeren, als je nog de oude bent gebleven,
hoe kun je dan aan anderen laten zien wie God is en hoe God werkt?
Hoe kun je dan vertellen over Gods genade, over de verandering in je leven
Als je zelf daar niet een voorbeeld van bent?
Hoe kun je de tieners van de TOVgroep meenemen, als je daar zelf niets van weet.
Want zij hebben er behoefte aan om het niet alleen te horen wat er in de Bijbel staat,
maar dat ook aan je te zien en zo via jou te kunnen zien hoe zij veranderd kunnen worden.
God geeft aan de kerk leiders die zich een ander mens laten maken door de Heilige Geest.

Maar Paulus legt de lat wel hoog: je moet onberispelijk zijn.
Er mag niets op je aan te merken zijn als je een taak op je neemt.
Daar kun je tegenaan hikken, want als je naar jezelf kijkt weet je: dat ben ik niet.
Er valt zoveel op mij aan te merken.
Maar dan moet je bedenken dat Paulus niet zoekt naar de meest perfecte christen,
Want iedereen weet dat je geen perfecte christen kunt zijn. Niemand kan dat zijn.
Waar Paulus naar op zoek is, is iemand die betrouwbaar is, op wie je kunt bouwen.
Iemand die als er vervolgingen komen, zijn functie neerlegt en als eerste weg is.
Of iemand die door te manipuleren zijn zin weet door te drijven binnen de kerk.
Of iemand die een duister verleden heeft, waarvan je weet dat dit kan opspelen.
Iemand die zich in relaties, zoals het eigen huwelijk, betrouwbaar heeft getoond.
Geloofwaardig als echtgenoot, als vader – want als je thuis niet geloofwaardig bent,
hoe kun je dan in de gemeente – die toch van God is – geloofwaardig zijn.
Wat wordt er nog meer gevraagd:
Iemand die in staat is om met een wijs oordeel, een wijs advies kan komen,
waarin je proeft dat iemand de Heere kent en niet de eigen belangen,
maar het geheel van de gemeente op het oog heeft.
Iemand van wie je het geloof afleest, aan alles proeft dat hij of zij integer wil zijn,
omdat je God wil dienen met alles wat je hebt.
Niet zozeer iemand die in alles strak de regie heeft,
maar iemand die in gebed gaat, de handen vouwt en geduldig luistert
naar wat de Heere in deze situatie heeft te geven.
Iemand die zichzelf kent, de eigen fouten en zwakten,
maar daar de strijd mee aangaat
en ze niet goedpraat door te zeggen dat iedereen zijn fouten heeft.
Nee, dat kun je niet uit eigen kracht.
Daarvoor heb je de Heilige Geest nodig, die in je werkt.
En zo, met de Heilige Geest die in je werkt, kun je een middel zijn in Gods hand,
Waarmee Hij ervoor zorgt dat Hij zichtbaar wordt,
door jou aan de kinderen van de zondagschool of de clubs,
door jou aan de tieners aan wie je leiding geeft of mentorcatechese, als je op bezoek gaat.
God geeft aan de kerk leiders die zich een ander mens laten maken door de Heilige Geest.
Het is niet je eigen kracht, maar de Heilige Geest.
Hij wekt in je het verlangen om iets te doen voor de Heer van je leven.
Die Geest leert je ook dat je niet perfect kunt zijn, zolang je hier op aarde leeft,
omdat je hier te maken hebt met je worstelingen, met je zwakten, met de duivel die verleidt.
Als God je een ander mens maakt, je hart en je karakter verandert,
zegt Hij je ook dat je niet zonder genade kan:
Die genade is aan de ene kant de Geest die gegeven wordt,
Aan de andere kant de vergeving die je ontvangt als je gaat naar het kruis
en belijd dat je het als mens, als gelovige zo vaak niet de maat haalt die God aanlegt.

Doorgrond mijn hart en ken mijn weg o Heer.
Beproef me en zie wat niet is tot Uw eer.
Is soms de weg niet goed voor mij:
Leid mij op de eeuwige weg, Heer, maakt mij vrij!

O Heer, heb dank, ’k mag de Uwe zijn.
Uw dierbaar bloed, was mij van zonden rein.
Doop mij met vuur, opdat ik mij niet meer schaam.
Ik wil leven, Heer, tot eer van Uwe naam.

Zie, Heer, hier ben ik. Maak mij een vat voor U.
Woon in mijn hart, vernieuw het, doe het nu!
Verbreek mijn wil, maak mij van hoogmoed vrij.
Ik wil in U blijven, Heer. Blijf Gij in mij.
Amen

Preek zondag 13 oktober 2019

Preek zondag 13 oktober 2019
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Genesis 28:10-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je vader of moeder wordt, verandert er veel in je leven.
Je ontvangt iets moois uit Gods hand: een zoon of een dochter,
Waar je gelijk al van houdt, waar je zo mee verbonden bent.
Net of je zoon of dochter er altijd is geweest. Niet meer weg te denken.
Dat je het bijzonder zou vinden om een zoon of dochter te ontvangen
had je van te voren wel kunnen bedenken, maar dat je zó gelukkig zou worden?

Als je een kind mag ontvangen, maakt je dat niet alleen heel gelukkig,
maar ook heel verantwoordelijk.
Dit kind, dat je van de Heere hebt gekregen, is van jou afhankelijk.
En jij als vader of moeder hebt de taak om je kind op te voeden.
Kun je dat wel?
Er komt een moment, waarop je zoon of dochter het huis uit zal gaan.
Je wilt er nu vast nog niet aan denken, zo klein als hij of zij is.
Je wilt eerst van je kind genieten, je kind zien opgroeien.
Dat is voor later pas.

Als je vader of moeder wordt, ga je wel over later nadenken is mijn ervaring.
Hoe zal het leven van je kind zijn? In welke tijd groeit het op?
Wat zul je er zelf als vader of moeder van meemaken?

Als je aan ouders vraagt, wat ze van hun kind willen meemaken,
is het antwoord meestal: Ik wil mijn zoon of dochter zien opgroeien.
Totdat hij of zij volwassen is.
Als ik maar kan meemaken dat hij of zij tot haar bestemming komt.
Niet dat je de tijd daarna niet wilt meemaken,
maar dan kunnen ze in ieder geval op eigen benen staan
En zijn ze niet meer van je afhankelijk
En weet je wat er van je kind terecht komt.

Weten wat er van je kind terecht komt: dat is er voor Izaäk en Rebekka niet bij.
Want ze sturen Jakob weg naar het gebied, aar zijn moeder Rebekka vandaan kwam.
Hij gaat terug over de weg die Abram gegaan was naar Kanaän toe,
op het bevel van de Heere.
Jakob gaat de weg, die Eliëzer de knecht eerder was gegaan,
om voor de vader van Jakob een vrouw te zoeken in het land waar Abram vandaan kwam.
Waarom gaat Jakob weg?
Het is niet zijn eigen idee. Zijn vader en moeder sturen hem op pad.
Rebekka stuurt haar zoon, de zoon van wie ze zoveel houdt, naar haar eigen familie,
omdat ze bang is dat Ezau Jakob zou doden.
Izaäk stuurt Jakob niet weg, omdat hij bang is dat Ezau hem zou doden
zodra Izaäk overleden zou zijn.
Izaäk stuurt Jakob weg, omdat hij bang is dat Jakob net als Ezau
een vrouw zou kiezen hier uit de buurt, een vrouw uit de Kanaänieten.
Blijkbaar zijn de ogen van Izaäk opengegaan voor dat de keuze die Ezau maakte,
geen goede keuze is geweest.
(Het hoofdstuk waarin Izaäk Jakob zegent, terwijl hij Ezau had willen zegenen,
heb ik overgeslagen, omdat ik het niet voor elkaar zou krijgen
een preek te maken in een doopdienst.
Ik ben wel met dat hoofdstuk bezig geweest.
Ik ontdekte de Joodse uitleg, die aangaf dat Izaäk blind geworden was,
omdat hij zo graag keek naar zijn zoon Ezau die steeds verkeerde keuzes maakte,
blindgeworden door de zonde van zijn zoon Ezau door de vingers te zien.)
Nu zijn Izaäk en Rebekka samen in hun besluit om Jakob weg te sturen,
Ze konden het nooit eens worden in de voorkeur voor hun zonen
en konden elkaar tegenwerken, maar nu zijn ze een.
Daar gaat Jakob.
Nu moet hij zijn eigen weg gaan, zonder dat hij weet of hij ooit nog bij zijn ouders terugkomt.
Hij heeft de zegen ontvangen en daarmee de belofte van God dat dit land van hem is.
Nu Jakob gaat, is daar weinig van over.
Veel heeft hij niet bij zich. Alleen gaat hij op pad.
Een eenzame reiziger, die zijn eigen weg moet gaan, zijn eigen bestemming moet vinden.
Een vluchteling misschien zelfs, die er gauw vandoor moet gaan, om zijn leven te redden.
Zo moeten zijn ouders hem laten gaan, zonder dat ze weten of ze hem nog eens zullen zien.
Daar gaat Jakob, een reis vol onzekerheid, zonder te weten wat hem brengt.
De eindbestemming weet hij wel, maar de weg is vol gevaren.
Zal hij komen op de plaats waar zijn ouders hem naar toe gestuurd hebben?

Gaat hij wel alleen? Als gelovigen zullen we toch zeggen dat de Heere meegaat
op de reis die hij gaat afleggen?
Zijn vader heeft hem toch gezegend voor hij weg ging.

De Heer zij voor u om u de juiste weg te wijzen.
De Heer zij achter u om u in de armen te sluiten en om u te beschermen tegen gevaar.
De Heer zij onder u om u op te vangen wanneer u dreigt te vallen. 

de Heer zij in u om u te troosten als u verdriet hebt. 

Hij omgeve u als een beschermende muur wanneer anderen over u heen vallen. 

De Heer zij boven u om u te zegenen.
Zo zegene u God vandaag morgen en in eeuwigheid.

De zegen is in het Oude Testament altijd meer dan een goede wens,
zo’n wens die je als ouders ook kunt hebben voor je kind:
Ik hoop dat mijn zoon of dochter gelukkig wordt, een goed, fijn leven heeft.
De zegen is meer dan zo’n wens.
Met de zegen vertrouw je iemand toe in Gods handen.
Je brengt iemand voor de Heere en zegt: neemt U de zorg voor Uw rekening!
Dat zullen jullie vanmorgen ook tegen de Heere zeggen als het om je kind gaat.
Alleen als we in die verhalen over Jakob lezen tot nu toe,
horen we niet zoveel over wat de Heere doet.
We denken vaak dat de mensen in de Bijbel elke dag Gods stem hoorden,
maar in het leven van Jakob was God aanwezig zoals bij ons.
Je weet dat Hij er is, er zijn momenten dat je Hem ervaart
op momenten van geluk, zoals wanneer je kind geboren wordt, of gedoopt wordt,
of op moeilijke momenten, wanneer je ervaart dat je gedragen wordt.
Jakob moet dat in geloof aannemen, zoals wij dat ook moeten doen,
omdat we over Hem gehoord, omdat je bij anderen en bij jezelf gezien hebt
dat God werkt, maar zonder God gezien te hebben.
Zo moet Jakob gaan, in het geloof dat God meegaat,
door de zegen van zijn vader aan de bescherming van God is opgedragen.

Na een dag reizen gaat de zon onder.
Dat is meer dan alleen een aanduiding van tijd, dat de dag bijna voorbij is.
Het zegt ook iets over hoe het leven van Jakob gaat verlopen.
Dat de zon in zijn leven ontbreekt, dat de tijd dat hij weg is uit het land,
doorbrengt in één lange nacht.
Want pas bij terugkeer in het door God beloofde land wordt verteld dat de zon weer opkomt.
Het is een grote, onzekere tijd voor Jakob, waarbij hij niet weet of God er zal zijn.
Zo legt Jakob zich te slapen als eenzame reiziger in het open veld,
waarbij hij zomaar overvallen kan worden door rovers of wilde dieren.
Misschien heeft hij toen hij daar in slaap viel, met een steen onder zijn hoofd,
wel gedacht aan de tijd dat hij een klein kind was en door zijn moeder ingestopt werd,
waarbij zijn moeder een gebedje voor hem zong:
Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide oogjes toe,
Heere houdt ook deze nacht, over mij getrouw de wacht.
Op bepaalde kritieke momenten in je leven kan zo boven komen
wat je als kind van je ouders hebt geleerd, zoals je in de nacht toevertrouwen aan God.
Ook dat weten we trouwens niet of hij gebeden heeft.
Het kan ook zijn dat hij te moe was van het reizen om te bidden en gelijk in slaap viel.

Het wordt wel een bijzondere nacht,
een nacht die hij nooit meer vergeten zal en een nacht die hij nooit meer wil vergeten.
In de Bijbel is geloof vaak niet iets dat je komt aanwaaien als het je voor de wind gaat,
maar dat je vindt als je op een dieptepunt bent aangekomen, op een nulpunt,
Als je zelf niet verder kunt.
Dat je dan geloof vindt, onverwachts. Of nog beter: dat God jou vindt.
Zo is het ook met Jakob.
Als hij daar slaapt in het open veld, als hij op zijn kwetsbaarst is, gaat de hemel open.
Deze plaats is een poort naar de hemel, zal Jakob later zeggen.
Het gebeurt in een droom, maar voor Jakob zo echt dat hij God zelf ontmoet in die droom.
Hij ziet een ladder, of een grote brede trap die uit de hemel naar de aarde wordt geschoven
En op die ladder gaan de engelen van boven naar beneden.
Het moet wel een heel bijzonder moment voor Jakob zijn geweest,
Een intens, een heilig moment,
waarop je alleen maar verbaasd kunt zijn dat je dit mag meemaken.
Of sterker nog, zoals Jakob dat overkomt, dat hij bevreesd is.
Een heilige plek, waar Jakob God zelf krijgt te zien.
Niet helemaal duidelijk waar God staat: of boven aan de trap of op aarde bij Jakob.
Maar wel dat Jakob, die alleen op reis is en al slapend heel kwetsbaar is,
geborgen is in Gods aanwezigheid, veilig in Gods heilige nabijheid.
Dat is ook wat je als ouders in de doop voor je kind op hoopt,
dat je kind zo geborgen is in de aanwezigheid van Vader, Zoon en Heilige Geest
En zo heel het leven door in Gods aanwezigheid mag leven,
Die in de hemel is, maar ook op aarde.
Dat Hij zo over je waakt.
In de afgelopen week hebben we weer hier in ons dorp kunnen merken,
dat hoe nodig we de bescherming van de Heere hebben.
Ik denk dat de ouders hier voor in de kerk en alle ouders in de kerk
een gebed in hun hart hebben, altijd weer, maar in deze weken helemaal:
Heere, bescherm mijn kind en verlies mijn kind nooit uit het oog.
Wij kunnen ons kind maar tot op zekere hoogte beschermen,
maar de geborgenheid die U biedt, de bescherming die U in de doop belooft:
Om als Vader te zorgen, het kwade te weren
en als dat kwade toch komt, dat doen meewerken ten goede.
Geborgen ook in de genade van Christus, die aan het kruis ging.
Geborgen in het werk van de Heilige Geest, die ervoor kan zorgen
Dat we zo in de nabijheid van God zijn, zoals Jakob daar ligt te slapen en zijn droom krijgt.

Je kunt van alles bedenken over de engelen, die op de ladder op en neer gaan.
Hemelse gezanten van God, die uitgezonden worden om Gods kinderen te begeleiden
op de weg die ze door het leven gaan.
In de uitleg wordt ook wel geopperd dat de engelen die in Kanaän zijn
Jakob overdragen aan de engelen die in Mesopotamië werken
En dat die engelen, die als het morgen wordt over Jakob moeten waken
kennis komen maken met het mensenkind dat aan hun hoede is toevertrouwd.

Ik leerde vroeger als kind dat er aan mijn bed een engel stond om over mij te waken.
Soms was dat een wat griezelige gedachte, als er iemand in je kamer staat die je niet ziet.
Soms was het juist ook een hele geruststellende gedachte,
dat er iemand is die je namens de Heere bewaakt
En als ik ‘s nachts wakker was als mijn ouders sliepen hoefde ik dan niet bang te zijn.
De engelen die bij Jakob zijn, zijn alleen maar een bevestiging dat God zelf
zich over Jakob ontfermt,
Jakob die met zijn moeder zelf ervoor zorgde
dat de zegen van God over hem werd uitgesproken.
Jakob die op weg is naar een ander land, waar hij de weg niet weet; de taal wellicht ook niet.
Waar hij maar moet afwachten hoe hij, vreemdeling, zal worden ontvangen.
En of er een weg naar huis voor hem zal zijn, weet hij niet.
Zoals hij ook niet weet of er wel een vrouw zal zijn en kinderen om de zegen door te geven.

Wat Jakob wel mag weten, is dat God meegaat op Zijn weg.
Ik ben met U – dat is nu het kenmerk van onze God,
zoals Hij zich aan Jakob bekend maakte en ook aan ons bekend maakt
en tegen de kinderen zegt die vanmorgen zijn gedoopt: Ik ben met U.
Het is de naam die Jezus ook moet krijgen: Immanuël – God is met jullie.
Je bent niet zonder God. Nooit, op geen enkel moment.
Als je net als Jakob een onbekende toekomst tegemoet gaat
en je niet weet wat je te wachten staat.
We hebben ons leven niet in de hand.
We kunnen onze plannen maken maar hoe ons leven verloopt, dat kan zo heel anders gaan.
Je kunt zo maar door een heel diep dal moeten gaan,
Waarbij je niet weet waarom het je overkomt.
Waarom jij deze weg moet gaan en je niet weet waar je uitkomt.
Eigenlijk zijn we maar heel kwetsbare mensen,
maar wel met een machtig God.
En het bijzondere is dat die machtige God, die hemel en aarde maakte,
Die aan ons en aan de kinderen die geboren zijn het leven gaf, hun leven wilde,
dat die God heel dicht bij ons komt, meegaat op onze weg.
Hoe die ook verloopt.
Dat mogen we geloven, dat hebben we te geloven.
Soms mag je een bijzondere ervaring hebben, zoals Jakob die had,
dat de hemel boven je open ging, juist als je niets meer hebt, als je alles kwijt bent.
En wanneer je zo’n ervaring niet hebt, heb je de verhalen over God,
die vertellen dat Hij er toch is.
Gisteren zag ik een theoloog, iemand die voor zijn beroep veel met de Bijbel bezig is
een kinderboek had geschreven met als titel De maan is rond.
Hij had dat boek geschreven, omdat hij met zijn zoon in het ziekenhuis was geweest
op bezoek bij zijn pas geboren zusje en bij zijn moeder.
Dat pasgeboren zusje overleed echter op dezelfde dag als het geboren werd
en het zoontje vroeg zich af, waarom dat zusje niet mee naar huis ging.
Je zusje is naar de Heere Jezus gegaan, legde zijn vader uit.
Wil mijn zusje dan niet bij ons zijn?
Jawel, zei zijn vader, ze wil heel graag bij ons zijn, maar nog veel liever bij de Heere Jezus.
Het was een heel gesprek dat deze vader had op de weg van het ziekenhuis naar huis.
Opeens vertelde de vader iets over de maan: de maan is altijd rond.
Je ziet niet altijd de ronde maan: soms is de maan een sikkel, dan weer half vol
en een enkele nacht helemaal rond.
Zo, vertelde de vader, is het ook met God.
God is altijd goed, maar je kunt de goedheid van God niet altijd zien.
Al zie je de goedheid van God niet, toch is God wel goed.
Er kunnen nachten zijn, waarin het heel donker is en toch is God goed
en zullen er weer momenten komen, waarop je die goedheid van God weer kunt zien.

Vanmorgen zijn er ook namen voorgelezen van degenen die verkozen zijn
als ouderling, als kerkrentmeester, diaken of jeugdouderling.
De meesten zullen er vast tegen opzien, dat is niet niks.
Ik zou vanmorgen willen zeggen: kijk er niet teveel tegen op.
Je hoeft als ouderling God niet te brengen in een huis,
Want de Heere is er al, zoals Hij bij Jakob stond, die daar in het open veld sliep.
Je hoeft alleen maar als een engel te zijn: te wijzen naar God die er is.
Of misschien helemaal niets zeggen, maar gewoon geloven en uitstralen
dat Hij er is,
al heb je de woorden niet als er iets ergs gebeurd is en kun je alleen maar zwijgen.
Of zoals de vader die steeds met zijn zoontje naar de maan keek,
zo steeds kijken of je de goedheid van God weer ziet.
Niet door het donker weg te praten, maar door te wachten tot God zich weer laat zien.
En samen geloven, dat als het donker is,
de zon als het ware is ondergegaan over iemands leven
dat je weet: er is een open hemel, een ladder naar God, wij zien die ladder nu niet,
maar de hemel is open en in die open hemel kijkt God naar beneden en ziet Hij ons
en zegt Hij, net zoals Hij tegen Jakob zei: Ik ga met je mee.

Ik breng je thuis, zegt God tegen Jakob.
Daar zongen we eerder in de dienst ook over.
Maar dan nog dieper: brengt Hij mij thuis, hoe heerlijk zal dat zijn.
Thuis gebracht worden heeft ook de diepe betekenis
van iemand die de weg met God kwijt was, God uit het oog verloren is,
door God weer gevonden wordt.
De doop geeft aan, dat God zo steeds op zoek is naar iedereen die Hem kwijtgeraakt is.
En zo onverwacht kan komen, dat een plek die heel gewoon lijkt,
een poort naar de hemel kan zijn.
Dat is ons gebed dat het ook met de kinderen die gedoopt zijn mag gebeuren
En met ons allemaal:

Herder, neem uw schaapje aan,
Hoofd, maak het één van uw leden.
Wees zijn weg, wijs het zijn baan.

Gij alleen kunt het behouden.
Schrijf de naam door ons gegeven
in het levensboek ten leven.
Amen

Jakob in Bethel (Genesis 28:10-22)

Jakob in Bethel (Genesis 28:10-22)

Jakob vertrekt vanuit Berseba naar Haran. Hij gaat de omgekeerde route die Abram eerder ging. Grootvader Abram vertrok op Gods bevel uit Haran weg en kwam uiteindelijk in Beseba terecht. Beseba is het zuidelijkste punt van het Beloofde Land (
van Dan tot Berseba).

Vluchteling of pelgrim?
Is Jakob een vluchteling? Daar wijst de moordzucht van Ezau op. Ook de steen die Jakob gebruikt voor zijn hoofd wijst erop dat hij zonder iets mee te nemen wegtrekt. Als vluchteling heeft Jakob geen enkele bescherming meer. Hij valt buiten alle sociale garanties. Is Jakob een pelgrim met een vast doel voor ogen? Volgens Bruce K. Waltke start hier de pelgrimage van Jacob om op een heel eigen manier patriarch te worden.

Omlijst door onmoeting met God
Aan het begin van de weg naar Haran is er een ontmoeting met God. Dan wel in een droom. Ook bij terugkomst is er een ontmoeting met God. De ontmoeting met God omlijst zijn vertrek naar Haran. In de voorafgaande gedeelten is trouwens weinig te merken van Gods directe ingrijpen. Alleen als Rebekka niet zwanger wordt en Izak in haar nabijzijn bidt en als Rebekka de strijd in haar baarmoeder ervaart en er haast aan onderdoor gaat en tot God bidt, is er melding van Gods ingrijpen. De overige gebeurtenissen staan in het kader van Gods verborgen handelen: de ruil van het eerstgeboorterecht voor de zegen en de zegen die Jakob in de plaats van Ezau ontvangt. Omdat God verborgen handelt, weten we niet of Hij het handelen van Jakob goedkeurt of juist afkeurt.
big_25324832
(bron: Hoschentaschenbibel)

De plaats
Jakob komt op een plaats waarvan de naam niet genoemd wordt. Later blijkt het Bethel te zijn. Het blijkt een bijzondere plaats te zijn, waar hij slaapt in de tegenwoordigheid van God en waar hij de belofte van God meekrijgt. In de exegese wordt nogal eens de link gelegd dat Jakob bij zijn vertrek uit het Beloofde Land de aanwezigheid van God toegezegd krijgt op zijn reis buiten dit land. Dat wordt verbonden aan de gedachte dat goden van lokaal karakter hebben. Deze link is overtrokken, omdat Bethel geen grensplaats is. Wel is er de belofte dat Jakob in dit land terugkeert door Gods toedoen en het land krijgt.
Deze plaats, die nu nog geen naam heeft en later Luz blijkt te heten, wordt door de komst getransformeerd in een cruciale plaats: namelijk de plaats waar God Zijn aanwezigheid laat zien en Zijn toezeggingen doet.

1280px-El_sueño_de_Jacob,_por_José_de_Ribera
(José de Ribera)

’s Nachts
Doordat het donker wordt, kan Jakob niet meer verder reizen. De nacht is gevaarlijk en akelig. In de nacht tijdens de slaap is een eenzame reiziger, een eenzame zwerver kwetsbaar. De zon is ondergegaan. Dat de zon opkomt, wordt pas weer bij terugkomst in het Beloofde Land aangegeven. Je zou kunnen zeggen dat heel de reis, die Jakob onderneemt en zijn verblijf in Paddan-Aram, zich in het donker afspeelt. Waltke: Met deze zonsondergang begint Jakobs duistere reis, waarin hoe moet strijden met medemensen en met God.

Giordano_Jacob_31-003_photographer-unknown.jpg
(Luca Giordano – Jacob’s Dream)

Steen
Kenmerk van dit verhaal is dat details niet helder zijn en steeds anders ingevuld kunnen worden. Bijvoorbeeld: bereikt Jakob Bethel toevallig? Stuit hij erop? Of komt hij er gewoon aan? Een ander voorbeeld is de steen. Gebruikt Jakob de steen als kussen? Of heeft de steen een beschermende functie? Slaapt Jakob trouwens in het open veld of heeft hij een beschutte plek? Later wordt de steen rechtop gezet en met olie ingewijd als een herinnering aan Gods aanwezigheid op die plek. Mogelijk zelfs met de gedachte om die steen de kern van een cultus te laten zijn.

jakobs-ladder-kijkbijbel
(Kees de Kort – Kijkbijbel)

Ladder
Op die plek droomt Jakob. Een droom is in Genesis vaker een manier van God om Zich te tonen. Dromen gebeuren in het Oude Nabije Oosten nogal eens op een heilige plaats, waar er een verbinding is tussen hemel en aarde. In zijn droom krijgt Jakob ook iets te zien dat hemel en aarde verbindt. Helemaal duidelijk is het niet wat hij te zien krijgt. Is het een ladder? Is het een brede trap? Is het een soort zikkurat, zoals in het Oude Nabije Oosten vaker werden gebouwd om de aarde met de hemel te verbinden? Wat Jakob in zijn droom te zien krijgt, is het tegenbeeld van de toren die in Babel werd gebouwd. Die toren werd van onderop gebouwd om de hemel te bereiken. Deze trap of ladder wordt vanuit de hemel op de aarde geplaatst.
Michael_Lukas_Leopold_Willmann_001
Michael Willmann – De Jakobsladder (ca. 1691) (in 1945 verloren gegaan)

Engelen
Op die trap gaan de boden van God op en neer. Gaat het om engelen, die de bescherming hebben voor een bepaald gebied, waarbij de engelen van Kanaän Jakob overdragen aan de engelen van Mesopotamië? Zijn het de boden van God die de weg banen waarover God naar Jakob toekomt? Laten de engelen zien dat Jakob op de reis die hij gaat begeleid wordt door de hemelse boodschappers van God?

Aanwezigheid van God
Jakob ziet God zelf. Ook hier is het niet duidelijk wat Jakob te zien krijgt. Staat God bovenaan de ladder? Staat God naast Jakob? Sommige exegeten leggen de nadruk erop, dat het bijzonder is dat God zich toont aan een bedrieger en zien in Gods toezegging aan Jakob om mee te gaan een groter wonder dan de verschijning van God op deze plaats. Het is de eerste keer dat Jakob zelf iets van de Heere verneemt.

Zelfvoorstelling
Zoals vaker wanneer de Heere Zich bekend maakt, begint Hij met een voorstelling van Zichzelf: Ik ben de Heere, de God van je vader Abraham en je vader Izak. Het is de God van (aarts)vaders, die ook de God van het verbond zal zijn. Hij is de soevereine God, die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij is niet de God van dit stukje land alleen, maar van heel de aarde. Overal waar Jakob zijn voet zal zetten, zal Hij God en Heer zijn.

Belofte aan Abraham
Nadat de Heere bekend maakt, WIe Hij is, zet God de belofte aan Abraham verder. De zegen die Jakob van Izaäk heeft ontvangen wordt door God bevestigd. Alleen ligt hij daar. En toch krijgt Jakob te horen dat hij een groot volk zal worden. Weg uit zijn land moet hij en toch krijgt hij te horen dat hij terug zal keren en dat het land aan zijn familie zal toebehoren. God zal Jakob beschermen en Hij zal Jakob niet verlaten.
the-jacob-s-dream-4.jpg!Large
(Marc Chagall – Jakobs Droom, ca. 1963)

Reactie van Jakob
Als Jakob wakker wordt, beseft hij wat er is gebeurd: hij heeft een ontmoeting met God gehad. Eerbied overvalt hem. Hij wist niet dat deze plek een plek was waar God is. Had hij ooit rekening gehouden met God? Hij groeide op met Gods verborgenheid. Wellicht voelde hij zich verantwoordelijk dat zijn familie zorgvuldig met de zegen van God omging en had hij daarom Ezau de zegen afhandig gemaakt. Nu ontmoet hij de God die hij dient. Jakob is trouwens de eerste van de aartsvaders die vrees kent als hij God ontmoet.

Opgerichte steen
Om Gods aanwezigheid op deze plek te markeren richt Jakob een steen op en zalft die steen. Dat is in het licht van de rest van de Bijbel een merkwaardige handeling, omdat deze handeling overeenkomt met de inwijding van heilige stenen die de aanwezigheid van God op een plek markeren. Met de zalving werd zo’n steen een representant van God zelf. In het verhaal is de steen echter een herinnering aan de aanwezigheid van God. We lezen niet dat de steen later het centrum van een cultus wordt en dat de Heere aanbeden wordt door middel van deze steen. Wel zal later een tempel worden gebouwd op deze plaats. Er is echter geen verbinding tussen de instelling van die tempel en dit verhaal. Dat dit verhaal dan de oorsprong van de cultus in Bethel vertelt lijkt me een niet voor de hand liggende uitleg.
Jacob's_Vow_at__Bethel_1178

Gelofte
Voor Jakob vertrekt, legt Jakob een gelofte af, waarin hij herhaalt wat God hem toezegt. Er zijn uitleggers die in die gelofte zien dat Jakob God niet onvoorwaardelijk vertrouwt en Hem eerst voorwaarden stelt. Ook dit lijkt mij overtrokken. Jakob begint klein: met de alledaagse zorg die hij als reiziger nodig heeft, namelijk eten en drinken en kleding. De allereerste levensbehoeften. Daarna komt de wens dat Jakob in vrede mag terugkeren. Pas als laatste spreekt Jakob over thuiskomen met bezit. Mocht Jakob terugkomen met bezittingen, die hij in dat duistere deel van zijn leven heeft ontvangen, zal dat voor een deel gebruikt worden om de herinnering aan Gods aanwezigheid op deze plaats levend te houden.

Vragen bij Mattheüs 5:1-16 (Bijbel in Gewone Taal)

Vragen bij Mattheüs 5:1-16 (Bijbel in Gewone Taal)

  1. Ik ben gelukkig als ik…………………………………..

  2. Kun je ook onecht geluk hebben? Kun je een voorbeeld geven?

  3. Jezus geeft uitleg over Gods nieuwe wereld. In andere vertalingen heet die nieuwe wereld van God het “koninkrijk van God”. Wat weet je over Gods nieuwe wereld / over het koninkrijk van God?

  4. Waarom geeft Jezus uitleg over die nieuwe wereld?

  5. Wat kan het je kosten als je nu al leeft volgens Gods nieuwe wereld? Heb jij dat er voor over?

  6. Als licht zul je opvallen, zegt Jezus. Waarom is dat nodig om op te vallen? Zou jij zo willen opvallen?

thumb
Afbeelding uit de Prentenbijbel van Marijke ten Cate

 

Als christen het Oud-Testamentische Bijbelboek Richteren lezen

Als christen het Oud-Testamentische Bijbelboek Richteren lezen

Het bijbelboek Richteren (Rechters) is voor de hedendaagse lezer van de Bijbel een behoorlijke opgave. Het begint met de verovering van het land, waarbij het volk van God de opdracht krijgt om met geweld de reeds aanwezige bewoners te verdrijven. Het eindigt met een bizar verhaal over een (bij)vrouw, die door haar man wordt opgeofferd om verkracht te worden, zodat hij een verkrachting kan ontlopen.

Na een gewelddadige groepsverkrachting blijft de man onverschillig over het lot van de vrouw en snijdt haar bij thuiskomst in stukken, waarbij het voor de lezer niet duidelijk is of de dan nog leeft of reeds overleden is. In de verhalen daartussendoor worden verteld ontbreken de nodige gruwelijke details niet: een koning wiens buik opengesneden wordt, waarbij zijn darmen en de inhoud van zijn darmen naar buiten komen, een legeraanvoerder die door een vrouw aan een tentpin aan de grond genageld wordt, een troonpretendent die zijn 70 halfbroers slacht op een offersteen, een vader die zijn dochter misschien wel letterlijk offert omdat hij dat God beloofd heeft.

Wat moet je als hedendaagse lezer met deze verhalen? Bevestigen deze verhalen niet het beeld dat de Bijbel een gewelddadig boek is? Kun je eigenlijk wel over deze verhalen preken?
Magdel le Roux 1
De Zuid-Afrikaanse hoogleraar Oude Testament Magdel le Roux publiceerde vorig jaar een commentaar op dit bijbelboek in een serie De Prediking van het Oude Testament. In haar uitleg zoekt ze steeds naar de christelijke boodschap van dit bijbelboek. Na elk hoofdstuk verwoordt ze ook wat in haar ogen dit bijbelboek ons als christenen vandaag de dag te zeggen heeft.

653f3698349e6d0dc9009b8f837a0db36d59d576

Het achterhalen van die boodschap moet een hele klus geweest zijn, want de verhalen roepen vaak in eerste instantie vooral verlegenheid op. Hebben bijvoorbeeld de oudere kinderbijbels al niet alle verhalen uit Richteren, in de huidige kinderbijbels komen de verhalen uit Richteren vaak al helemaal niet voor. Als er uit Richteren gepreekt is, zal het hooguit over Deborah, Gideon of Simson zijn geweest.

Verhaal van verval
In haar uitleg laat Le Roux zien dat om Richteren te begrijpen het belangrijk is om oog te hebben voor het geheel van het boek en voor de manier waarop er verteld wordt. Als een hoofdstuk geïsoleerd wordt van het geheel, wordt vaak niet duidelijk wat de bizarre onderdelen van het verhaal te zeggen hebben. Als de lezer geen oog heeft voor de manier waarop er verteld wordt, blijft hij of zij vaak vooral achter met een gevoel van verbijstering en vervreemding.

Volgens Le Roux moet Richteren gezien worden als een verhaal van verval: het volk Israël is bedoeld om een zegen te zijn voor de volken. De Israëlieten hebben de hoge roeping om in het land dat God hen geeft voorbeeldig gedrag te vertonen en zo te laten zien wie God is. Daarvoor moeten wel de Kanaänieten wijken. Daarom geeft God aan de stammen de opdracht om het land in bezit te nemen en de volkeren te verdrijven.

Geen opdracht tot genocide
Daarbij is het van belang om te zien dat het bij die opdracht niet gaat om het uitmoorden van mensen. Wie in die opdracht een oproep tot genocide of een rechtvaardiging van volkerenmoord ziet, mist de clou: het gaat om het uitbannen van de Kanaänitische levensstijl. Dat het niet om volkerenmoord gaat, blijkt wel uit de talloze niet-Israëlieten die de held of zijn of voorbeeldig voor de dag komen. En ook uit de afkeuring van de stam Dan die een vredelievend volk buiten het door God aangewezen gebied veroveren.

Kanaänitische levensstijl
Die afkeuring wordt niet verteld, maar in de narratieve opbouw van het verhaal bijna aan het einde van Richteren wordt duidelijk dat het optreden van Dan een nog erger dieptepunt is dan het optreden van Simson, die van alle richters al de meest ontspoorde richter was. De Kanaänitische levensstijl is een egoïstische, hardvochtige en onderdrukkende levensstijl, die zijn oorsprong vindt in de afgodendienst. Maar in plaats van voorbeeldig te leven en tot zegen van de volkeren te zijn, willen de Israëlieten dat niet.

De Kanaänitische levensstijl is aantrekkelijker dan het leven volgens Gods richtlijnen. Het begint al in hoofdstuk 1: de stammen volgen de opdracht slechts halfslachtig op, laten de Kanaänieten in hun midden en vermengen zich zelfs met hen.

Grote richters laten de neergang zien
Op de basisschool heb ik de namen van de richters uit mijn hoofd moeten leren. Daarbij leerde ik het onderscheid tussen kleine en grote richters. Le Roux laat echter zien, dat die benaming juist omgekeerd is. De verhalen over de zogenaamde ‘grote’ richters laten juist de neergang zien: Barak durft niet alleen op de vijand af. Gideon laat de 300 mannen die hij overhoudt niet alleen voor de Here strijden maar ook voor zichzelf. Als hij niet door de stad Pnuël geholpen wordt, keert hij na de overwinning terug om de stad met de grond gelijk te maken. Hij slaat weliswaar de koningstitel af, maar laat zich wel als koning behandelen en voert de afgodendienst weer in.

Jefta, die door zijn broers verbannen is, wil alleen helpen als hij de aanvoerder van het volk wil zijn. Zijn overwinning leidt zijn roekeloze belofte in, die uitloopt op het misschien wel letterlijk offeren van zijn enige dochter. Dat die belofte en dat offer door de verteller afgekeurd wordt, blijkt wel uit het vervolg, waarbij hij zijn conflict met de Efraïmieten laat uitlopen op een burgeroorlog.

De meest erge
De allerlaatste ‘grote’ richter is de meest erge. Hij wordt door God voorbestemd tot nazireeër, een aan God gewijd persoon. Simson lapt echter alle regels die bij een nazireeër horen aan zijn laars: ondanks dat hij geen wijn mag drinken, betreedt hij een wijngaard. De leeuw die hij daar tegenkomt, wordt door hem verscheurd. Ondanks dat hij als nazireeër geen dode dieren of dode mensen mag aanraken haalt hij honing uit de dode leeuw. Zijn kracht gebruikt hij om zichzelf te wreken. ‘De wijze van optreden van Simson deed denken aan een bedorven brok voedsel’, schrijft Le Roux. Niet Simson is de geloofsheld, maar zijn moeder is in die hoofdstukken het vrome voorbeeld.

Epiloog
Als je denkt als lezer dat je niet dieper kunt zinken, komt de epiloog van hoofdstuk 17-21: Micha die zijn eigen moeder besteelt en een eigen privéheiligdom bouwt en zijn eigen priester aanstelt. De privétempel van Micha wordt echter leeggeroofd door een groep Danieten die daarmee hun veroveringstocht van een gebied waarin mensen onbeschermd wonen van een vrome legitimering voorzien. Daarna worden de bladzijden nog zwarter: de Benjaminieten die weigeren om gastvrij te zijn naar een eigen volksgenoot en hem willen verkrachten en uiteindelijk maar hun gang gaan met zijn bijvrouw als ze hem niet te grazen kunnen nemen.

Vrouwen
Vrouwen spelen vaker een kenmerkende rol in dit bijbelboek. Een enkele keer gaan ze mee in de harde, wrede werkelijkheid, zoals de moeder van Sisera, die ervan uitgaat dat haar zoon nog niet thuiskomt omdat hij eerst enkele meisjes als oorlogsbuit moet uitzoeken. Soms komen de vrouwen voor als slachtoffer, zoals in de hoofdstukken 17-21. Geregeld komen ze juist verrassend daadkrachtig naar voren, zoals Achsa die haar erfenis opeist, Deborah die Barak aanzet tot de bevrijding, Jaël die zichzelf beschermt en daarmee Israël verlost van een onderdrukker, de naamloze moeder van Simson die de engel gelooft.

Falen van Gods volk
Richteren is het falen van Gods volk. Het lukt Israël niet om te leven zoals God vraagt. De wereld is aantrekkelijker: men kiest steeds weer voor de egoïstische, op genot en bevrediging gerichte levensstijl. Le Roux is realistisch genoeg om te beseffen dat christenen het niet beter doen. Ze leest Richteren vooral als christen. Ze ziet hoe door de ontrouw van het volk God steeds weer verrassend genadig is en Zijn volk redt.

Geregeld ziet ze in de afwijzing door het volk en de kwetsbare weg van God om met dit steeds weer ongehoorzame volk het kruis van Christus opdoemen. Aan dat kruis lijdt Christus voor de zonde, aan de onverschilligheid van de mensen en overwint Hij het kwade. Lezend in het commentaar van Le Roux besef ik: als christen moet ik Richteren niet aan de kant leggen, maar juist grondig bestuderen, omdat ik daar zie hoe God in deze wereld vol zonde, afwijzing, wreedheid en onrecht genadig Zijn weg gaat.

Verschenen in CW Opinie

N.a.v. dr. Magdel le Roux, Richteren. Serie: De Prediking van het Oude Testament (Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2018).