Preek zondag 13 september 2020 morgendienst

Preek zondag 13 september 2020 morgendienst
Schriftlezing: Genesis 14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat zou u doen als u het voor het zeggen zou hebben in deze wereld?
Wat zou jij doen als je de baas was over alles?
Daar kun je wel eens over nagedacht hebben:
Als ik premier was in ons land, dan zou ik…
Als ik het voor het zeggen had in de wereld, dan zou alles heel anders zijn.
Ik zou beginnen met het aanpakken van…
… noem maar een thema dat je bezig houdt:
– Je maakt je zorgen over het milieu en als je het voor het zeggen hebt,
zou je bezig zijn met allerlei maatregelen om het milieu te sparen.
– Of je bent begaan met mensen die op de vlucht zijn en alles achter moesten laten.
Als jij, als u het voor het zeggen zou hebben,
zou u, zou jij ervoor zorgen dat ze ergens zouden kunnen wonen, werk zouden krijgen.
– Of je weet van kinderen in gezinnen die geen geld hebben:
Geen geld voor kleren of eten, niet op vakantie kunnen gaan, geen uitje.
Voor hen zou je er willen zijn, om te zorgen dat ze er op vooruit gaan.
Dat ze goed onderwijs kunnen krijgen, waardoor ze later niet meer arm hoeven te zijn.
Zo kunnen er heel wat onderwerpen zijn, waar u, waar jij mee bezig bent
en waarvan je graag zou zien dat het er heel anders aan toe zou gaan in deze wereld.
Dit zijn allemaal nobele doelen:
zorg voor het milieu, voor vluchtelingen, bestrijding van armoede.
Niet iedereen zou als hij of zij de baas zou worden in een land of de wereld
Aan anderen denken, om hen te helpen, om anderen een beter leven te geven.
Er zullen er ook heel wat zijn die alleen aan zichzelf denken:
Als zij maar rijk worden en het goed hebben, als zij maar de macht hebben.
Dan maakt het niet uit hoe het met anderen gaat.
Wie het nieuws in de afgelopen weken heeft gevolgd,
weet dat er in Wit-Rusland iemand aan de macht is, die deze macht wil behouden
En de protesten die er tegen zijn regering zijn met geweld bestrijdt:
Een speciale soort politie, leger, knokploegen
– alles zet deze dictator in om te zorgen dat hij zijn macht niet kwijtraakt.
Hij heeft het voor het zeggen en hij geeft zijn macht niet zomaar op.
Dat hij daarvoor hard moet zijn tegen de mensen zijn van zijn eigen volk
dat deert hem blijkbaar niet – hij moet zijn land blijven leiden, koste wat kost.

De macht hebben en de macht houden, daar gaat het in het begin van Genesis 14 om.
We lazen over vier koningen: Amrafel, Arioch, Kedorlaomer en Tidal.
Zij beginnen een oorlog tegen 5 andere koningen.
Er komen allemaal namen voorbij van koningen, volken en landen
en de meesten van die koningen, volken en landen zijn moeilijk thuis te brengen.
Als u er weinig van begreep van dit gedeelte bent u in goed gezelschap.
Bij de voorbereiding kwam ik een aantal keer de verzuchting tegen:
Wat doet dit verhaal tussen al die andere verhalen van Abram?
De gebeurtenissen in dit hoofdstuk hebben nauwelijks met zijn leven te maken.
Hij komt alleen in actie omdat zijn neef Lot is meegenomen door dat leger.
Bovendien komt hier een heel andere Abram naar voren dan in de andere verhalen.
Abram is hier een strijder, iemand die oorlog voert.
En als je hier een mooi geestelijk verhaal verwacht op een zondag,
die eigenlijk in het oorspronkelijke rooster een avondmaalszondag had geweest,
Dan zal er een teleurstelling zijn: in deze gebeurtenis gaat het nauwelijks over God.
Alleen aan het einde als de koning die ook priester is, Melchizedek komt,
om Abram namens de God van hemel en aarde de zegen te geven.
Daardoor weet je dat het een verhaal uit de Bijbel is
en niet zomaar een verhaal dat in een geschiedenisboek had kunnen staan.
Toch staat dit verhaal niet zomaar in de Bijbel en is het ook een verhaal over God,
Een verhaal waarmee de Bijbel ons iets wil duidelijk maken
over de wereld waarin wij leven en hoe God daarin Zijn plan uitvoert.
Dit verhaal is een voorbeeld van Bijbelse vertelkunst
en met Bijbelse vertelkunst bedoel ik een speciale manier van vertellen
zoals dat in de Bijbel gebeurt in een bepaalde gebeurtenis te zien wat God doet.
Bij de Bijbelse vertelkunst is het belangrijk om erop te letten hoe er verteld wordt.
Het woord dat het meeste voorkomt is het woord koning.
In een groot deel van het Oude Testament heeft een koning geen beste reputatie.
Dat komt omdat de koningen meestal niet doen waarvoor ze bedoeld zijn.
Een koning is bedoeld om als een herder voor zijn volk te zijn:
zijn volk te leiden als een eerlijke leider, met wijsheid en rechtvaardigheid.
Een goede koning laat in zijn manier van regeren iets doorschemeren
van hoe God de wereld als koning regeert.
Maar meestal houdt een koning zich niet zo met God bezig
en heeft hij zijn eigen regels en gewoonten.
Geen wonder dat als het volk Israël een koning wil Samuël verdrietig regeert.
Van een koning word je niet gelukkig is zijn mening
en bovendien: het volk heeft een koning: de Heere is de Koning van Israël.
In deze voor ons vreemde episode uit het leven van Abram zien we 10 koningen,
waarvan er 9 koningen zijn waar de Bijbel zo kritisch op is.
Vier koningen zijn er van vier grote volken: vier wereldmachten.
Deze koningen zijn oorlogszuchtige monsters.
Als ze al regels kennen, is dat het recht van de sterkste.
Wie het sterkst is heeft gelijk. Die mag alles bepalen.
En je moet het niet proberen om met deze koningen oneens te zijn,
want dan wordt je uit de weg geruimd met grof geweld.
Oorlog voeren betekent dat er een oorlogsmachine op je af komt.
Een leger waarvan de soldaten huishouden: de mannen worden gedood,
vrouwen en meisjes als seksslavinnen meegenomen, al het vee geroofd,
de bezittingen worden op transport naar het vaderland gebracht
en wat niet mee kan wordt in brand gestoken.
Deze oorlogsmachine, die door niets te stoppen is, struinde de hele wereld af.
Niet voor niets wordt dat  in de Bijbel vergeleken met een zwerm sprinkhanen.
Er is niets veilig voor hen.
God bestaat niet voor hen. Ja, ze hebben wel hun eigen goden,
maar zolang zij blijven winnen geloven ze dat ze gelijk hebben
en gaan ze door, omdat ze door niemand worden tegengehouden.
Dit is een wereld waarin de leiders niet om God geven, wil dit verhaal ons vertellen.
Ze hebben geen geweten en als ze over God horen, kunnen ze Hem alleen maar bespotten.
Dit is een wereld waarin leiders geen geweten hebben
En alleen maar bezig zijn met hun eigen macht en om hun macht groter te maken.
Totaal geen besef, dat je op aarde kunt zijn met een roeping die Abram kreeg:
Een zegen te zijn voor alle andere volkeren op aarde die er zijn.
Die andere volkeren zijn er alleen maar om hun macht en rijkdom groter te maken.
Goed genoeg om als slaven te dienen, om als dwangarbeiders te werken.
Een tijd terug is deze legermacht ook in Kanaän geweest en heeft alles verpletterd.
Verschillende steden hebben zich gewonnen moeten geven aan deze bruutheid.
Ze waren niet opgewassen tegen die overmacht.
Jaar in jaar uit moesten ze laten zien dat ze bleven buigen voor deze koningen
door een deel van de oogst en een deel van het inkomen aan hen af te staan.
Na twaalf jaar zijn ze het zat en weigeren ze die belasting nog te betalen
en schudden ze het juk van zich af. Ze willen vrijheid voor zichzelf.
Of hun motieven nobel zijn, wordt niet verteld.
De koning van Sodom blijkt later een koning als alle andere koningen te zijn,
Die zomaar even over het leven van anderen en bezittingen van anderen kan bepalen.
Even kunnen ze van hun vrijheid genieten,
maar zodra het bericht is gekomen daar in het verre Elam trekt het leger op.
Kedorlaomer wil zijn gram halen. Hij laat dat niet over zijn kant gaan.
Geen enkel besef dat je als God kunt zijn, die Zoon gaf
voor mensen die tegen hem in opstand waren gekomen.
Toen wij nog vijanden waren, zegt het formulier voor het avondmaal Paulus achterna,
toen wij nog in opstand waren, vijanden van God,
net als de koningen van die vijf steden die genoemd werden, die in opstand komen.
Onderweg pakt dit leger ook nog een aantal volkeren aan, die in de weg zitten.
Niet zomaar volkeren, maar volkeren waar Israël het later mee te stellen krijgen.
Nietsontziend is deze Kedorlaomer. Alles wat in de weg zit, wordt weggevaagd.
Een mensenleven telt niet.
En daar komt het bijzondere van de Bijbelse vertelkunst,
want voor God telt een mensenleven wel.
God is anders dan Kedorlaomer.
De koning van Elam zal zich niet druk gemaakt hebben over hoe die gevangenen heetten
en zal zijn schouders opgehaald hebben als er gevraagd zou worden naar Lot.
Hoe kan hij nu weten wie er allemaal buitgemaakt zijn en zijn weggevoerd.
En al is het Lot zelf, die ervoor gekozen heeft om daar bij of zelfs in Sodom te gaan wonen
en daarmee zijn eigen leven in gevaar heeft gebracht,
omdat hij alleen maar oog had voor het mooie van de omgeving en geen gevaren zag,
Lot wordt door de Heere gered
en alleen vanwege Lot wordt de hele geschiedenis omgegooid
en krijgen die grootmachten te maken met een macht die sterker is dan zij,
met Iemand die hen de baas is: de God die hemel en aarde schiep.
Alleen omdat in die mensenmassa die werd afgevoerd Lot mee liep.
Als op het oorspronkelijke rooster niet had gestaan dat we avondmaal zouden vieren,
had ik niet aan die overeenkomst gedacht, maar nu zie ik wel een overeenkomst.
God die bereid is om heel wat overhoop te halen om er één te redden.
De God van hemel en aarde is als een herder, die de kudde achter laat
om één schaap, die op de verkeerde weg is, die verdwaald is, op te zoeken en te redden.
Hij stuurde geen strafexpeditie naar de aarde, toen Adam en Eva afvallig werden,
maar beloofde hen redding.
Ook hier bij Lot geen onverschilligheid van de God die hemel en aarde schiep.
God draait hem niet de rug toe en zegt niet: zoek het zelf maar uit,
want je hebt het er naar gemaakt.
Vreugde over één zondaar die wordt gered.
Bevrijding uit de macht  van een boze macht, die Lot gevangen hield.
En die bevrijding gebeurt, net als aan het kruis met het sterven van Christus,
niet op een spectaculaire manier, niet met groots vertoon van macht.
Een kleine legermacht: 318 soldaten.
Normaal gesproken geen partij voor zo’n machtig leger.
Dat had Abram nooit op zichzelf gewonnen. Hoeveel tactisch inzicht hij ook zou hebben.
Een klein leger, net zoals Gideon met een klein leger de vijand in de nacht verslaat.
De vier grootste koningen die er op aarde zijn, die heel wat volken verslagen hebben,
die net 5 andere koningen hebben uitgeschakeld en gekleineerd,
worden verslagen door iemand die geen koning is,
nooit koning genoemd is en zich ook nooit als koning gevoeld of gedragen heeft.
Abram, die als hij meer is dan een knecht van God is een priester is of profeet.
Een priester, omdat hij offert aan de Heere.
Een profeet, omdat hij laat zien dat de Heere op een andere manier regeert
dan de koningen die met hun eigen macht bezig zijn.
De HEER zal opstaan tot de strijd. Hij zal Zijn haters wijd en zijd,
verjaagd, verstrooid doen zuchten
.
Maar dan wel op een speciale manier: met een handjevol mannen,
een legertje dat niet in tel is, niet als gevaar zou worden gezien.
En ook met een speciaal doel: om Lot te redden en terug te brengen.
De Heere heeft als God van hemel en aarde daar geen grootse macht voor nodig.
Hij gebruikt Abram en die paar mannen die hij bij zich heeft
om te laten zien wie met de God van hemel en aarde rekening houdt,
door Hem bijgestaan wordt en gezegend wordt.
Abram wordt een bevrijder, in Gods naam.
Daarmee laat hij iets zien van zijn verre nakomeling, die bijzondere nakomeling,
die uit de hemel kwam en mens werd om de strijd aan te gaan en bevrijding te brengen,
De strijd tegen de satan en bevrijding uit de macht van de zonde.
Tot dan toe is er van God nog geen sprake geweest.
Niet in de tijd van die koningen, niet in de strijd die er was, niet als Abram optrekt.
Zelfs niet als hij wint en met de mensen en de buit terugkomt.
Bij terugkomst wordt het duidelijk dat het niet zomaar een strijd was die Abram voerde,
maar dat er een God boven hem stond, de God van hemel en aarde,
Die alles geschapen heeft, die alles bestuurt naar Zijn raad, die alles in Zijn hand heeft.
Als deze God bepaalt, dan gebeurt het zoals Hij dat wil.
Een God die uitredding brengt, die bevrijdt, die Zijn zegen wil geven.
Die zegen is een leven met de Heere,
Een leven met de Heere is een leven onder Zijn bescherming, zoals Lot mocht merken.
Een leven met de Heere is een leven uit genade, bevrijd worden.
Ook dat mocht Lot meemaken: een nieuwe kans die hij krijgt van de Heere.
Abram krijgt de zegen.
Eeuwen later zal uit Abram die hier gezegend wordt Christus komen,
die voor ons de zegen wil zijn, die ons heeft bevrijd.
Vandaag hadden wij aan de tafel willen vieren hoe Christus voor ons die zegen is,
hoe Hij tot ons kwam en ons brood en wijn gaf.
Abram kreeg van Melchizedek brood en wijn:
waarschijnlijk het teken van vriendschap. Abram, je hoort er nu bij.
Abram, je bent geen vreemde meer,
maar je hoort bij mij. Meer nog: je hoort bij de God die ik dien,
de God van hemel en aarde wiens priester ik ben.
Het brood en de wijn van het avondmaal laten ons zien
dat God ons zijn teken van vriendschap biedt.
Je hoort nu bij Mij. Je bent geen vreemde meer. Geen vijand meer.
Maar mijn kind. Thuisgebracht. De schuld is weg, de zonde vergeven.
Je mag nu in vrijheid leven en net als Abram tot zegen zijn.
Met deze God kan ik het wagen.
In de strijd die ik heb te voeren, sta ik niet alleen.
En als ik verlies en meegenomen wordt, redt Hij mij eruit en bevrijdt Hij mij.
Hij is een schild en schutsheer voor den vrome,
Voor wie tot Hem de toevlucht heeft genomen,
Wie is een God, als Hij, in tegenheen?Wie is een rots, dan onze God alleen?

De komst van Melchizedek houdt een belofte in:
Er komt een andere wereld, waarin niet de Kedorlaomers het voor het zeggen hebben.
Geen wereld vol geweld en dreiging,
maar een rijk van vrede, met een bijzondere koning.
Een koning die in rechtvaardigheid regeert, zoals de naam Melchizedek betekent.
Een koninkrijk waar Christus koning is.
Daar is al het onrecht uitgebannen, de strijd gestreden, de vrede voor altijd.
Daar is ook geen opstand, maar een samenleven met God, verzoening met Hem.
Amen

Preek zondag 6 september 2020

Preek zondag 6 september 2020
Schriftlezing: Genesis 13

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Volgens de oorspronkelijke planning zouden we volgende week avondmaal hebben
en zouden we ons vandaag voorbereiding op die viering volgende week.
Dit is al de tweede keer dat de viering van het heilig avondmaal niet doorgaat.
In juni kon de viering niet doorgaan, omdat we maar met 30 man samen konden komen.
Dit keer gaat het niet door, omdat we nog niet helder hebben hoe we dat moeten vieren,
niet alleen omdat we de richtlijnen van het RIVM in de gaten moeten houden,
maar ook omdat een deel van de gemeente nog niet naar de kerk komt.
Dat zou betekenen dat, als we wel een vorm gevonden zouden hebben,
avondmaal zouden vieren zonder dat deel van onze gemeente dat nog niet komt.

Al twee keer geen avondmaal dus.
Twee keer dat we niet met de viering van het heilig avondmaal
konden stilstaan bij het  de kruisdood van onze Heere en Heiland voor ons.
Misschien hebt u, heb jij dat ook wel gemist,
omdat je het nodig hebt om zo heel nadrukkelijk bepaald te worden bij Zijn sterven.
Of omdat dat viering van het avondmaal en de week van voorbereiding
je helpt om na te denken hoe je band met Christus is,
Een tijd van intensief leven met Christus en ook weer naar Hem terugkeren
als je merkt dat je van Hem afgedwaald bent.
Door de tijd te nemen om na te denken over jezelf en je band met de Heere
kom je er dan achter dat je Hem tekort hebt gedaan.
Zo’n week van voorbereiding is dan ook een week waarin je belijdt aan de Heere:
Ik heb het niet goed gedaan. Ik was teveel met mijn eigen dingen bezig
en heb te weinig tijd aan U besteed, te weinig vertrouwen gehad.
Dan kan de viering van het avondmaal en de week van voorbereiding
ook een moment zijn van vernieuwing van je geloof,
Van weer terugkeren naar de Heere en opnieuw met de Heere beginnen
En je weer voornemen met de Heere verder te gaan.

Dat is de reden waarom ik voor deze zondag gekozen heb voor Genesis 13,
het verhaal van Abram en Lot, die uit Egypte komen
en terug in het land Kanaän elkaar in de weg gaan zitten.
Ik kan me voorstellen dat u, dat jij bij het lezen van dit gedeelte dacht:
Wat moet ik hier mee? 

Een beschrijving van de reis die Abram maakt en een conflict tussen de herders.
Op het einde komt er weer een ontmoeting met de Heere,
maar daarin klinkt dezelfde belofte als Abram al eerder ontvangen had.

We moeten naar mijn idee dit gedeelte lezen als Abrams poging
om zijn geloof te vernieuwen, om weer terug te keren op Gods spoor,
nadat hij er eerder van afgeweken was van de opdracht van God,
omdat hij niet binnen de grenzen van Kanaän bleef,
maar de grens weer overstak en uiteindelijk in Egypte kwam.
Hoe doe je dat: je geloof weer vernieuwen, weer een nieuwe start maken met God?
Voor ons kan dat met de viering van het avondmaal en de voorbereiding,
of met een kerkdienst, met een voornemen om meer tijd te nemen voor gebed en lezen,
of met iemand afspreken om samen te zoeken naar wat de Heere in je leven doet.
Voor Abram is dat terug gaan naar de plek waar hij de Heere voor het laatst ontmoette,
Waar ook iets tastbaars te vinden is van die ontmoeting:
tussen Bethel en Ai, waar eerder zijn tent heeft gestaan en waar hij een altaar bouwde.
Dat Abram daar naar terugkeerde is niet zomaar,
dat is een bewust zoeken om de Heere terug in zijn leven te krijgen.
Hij zoekt ook het contact met de Heere: Hij roept de naam van de Heere aan.
Hij gaat in gebed
en dat gebed kan een lofprijs zijn waarin hij de Heere dankt:
Dankuwel dat U mij weer terug brengt op deze plaats, het land dat U mij beloofde.
Al dwaal ik zelf, U leidt mijn leven en brengt mij weer terug bij U.
Daar op het altaar kan ook een offer gebracht worden voor zijn zonden,
Waarmee hij de Heere vraagt om zijn zonden weg te doen en hem te reinigen
en met hem opnieuw te beginnen.
Misschien moeten we daarbij zeggen, dat Abram het niet uit zichzelf zag
dat hij op de verkeerde weg was en Egypte niet goed zat
en dat hij pas toen hij Egypte moest verlaten inzag dat hij er niet goed aan had gedaan.
Ik bedoel niet om een makkelijk oordeel over Abram te vellen,
maar tegen elkaar te zeggen dat wij vaak pas achteraf zien dat we niet goed zaten
en dat we dat door hebben omdat de Heere ons terug brengt,
net zoals het voor Abram niet zijn eigen keuze was om terug te gaan naar dat altaar,
maar hij moest noodgedwongen Egypte verlaten, omdat farao hem eruit zette.
Zo kan er bij ons ook iets gebeuren, waardoor je opeens beseft: dit is niet zomaar.
Nu zet de Heere mij stil.
Ik heb in pastorale gesprekken gemerkt dat gemeenteleden dat kunnen ervaren
als ze ziek worden, of als ze hun baan kwijt raken, of hun huwelijk in een crisis komt.
Dat geldt niet voor iedereen en ik zeg ook niet dat het voor iedereen zo moet zijn,
maar ik zeg wel, dat als u, als jij merkt dat de Heere je stil zet,
Dat je dat serieus moet nemen, een roepstem die in je leven klinkt.
Een aanwijzing dat de Heere het mist dat je Hem zoekt, dat je naar Hem luistert.

Als je weer op zoek gaat naar de Heere neem je wel jezelf mee.
Een nieuwe start maken met de Heere, van Hem een nieuw begin ontvangen,
omdat Hij met je verder wil en het verkeerde ook echt wil weg doen,
kan betekenen dat je niet dezelfde blijft.
Dat je geleerd hebt van de verkeerde weg die je koos
en dat je een voornemen hebt om nu dan wel met de Heere verder te gaan.
Het mooie en het troostvolle van het avondmaalsformulier vind ik
dat dit voornemen om opnieuw te willen beginnen en nu wel in gehoorzaamheid te gaan
genoeg is om aan de tafel aan te gaan, genoeg is om brood en wijn te ontvangen,
genoeg om die tekenen van vergeving, van het sterven van Christus ook voor mijn zonden
te mogen ontvangen en dat het niet eerst heb moeten bewijzen,
eerst heb moeten laten zien, maar dat ik ook mag komen als ik anders wil,
al breng ik daar niet gelijk iets van terecht.
Ook bij Abram is er een poging om opnieuw te beginnen
en tegelijkertijd zit er bij Abram nog iets van de oude mens,
die ook ons steeds weer parten speelt als we opnieuw willen beginnen
en ervoor zorgt dat we toch weer terugvallen, ook al nemen we ons nog zo voor
om het anders te doen dan voorheen.
Die oude mens van Abram zit in een klein detail van het verhaal:
Abram die rijk uit Egypte weg komt.
Is dat nou zo opvallend?
En kan ik het wel maken om dat te koppelen aan de oude mens van Abram,
Want daarmee zeg ik toch dat hij vasthoudt aan de zonde?
Die rijkdom heeft Abram wel verkregen in ruil voor Saraï,
waarmee de farao Saraï gekocht heeft van Abram.
En het is die rijkdom die gaat zorgen voor de spanningen tussen Abram en Lot.
Het is het vee, waarvan Abram dus een deel uit Egypte heeft meegenomen,
dat er voor zorgt dat er geen ruimte is voor hem en Lot allebei.
Het is nog niet een conflict tussen Lot en Abram, maar wel tussen hun herders,
die elkaar blijkbaar in de weg zitten en vinden dat zij recht hebben op het land.
Abram merkt de spanning op die er onder de herders gekomen is.
Ook dat is een onderdeel van het avondmaal: de onderlinge band waar je om denkt.
Zo zullen wij allen, die door het waarachtige geloof in Christus ingelijfd zijn,
door broederlijke liefde samen één lichaam vormen, omwille van Christus,
onze geliefde Zaligmaker, die ons tevoren zo bijzonder heeft liefgehad. Dit zullen wij niet alleen met woorden, maar ook met daden aan elkaar bewijzen.
Het doet ertoe hoe je met elkaar omgaat als christen.
Conflicten kun je niet altijd vermijden en dat is ook niet altijd gezond,
maar het is wel belangrijk hoe je met conflicten omgaat
en dat ze niet uit de hand gaan lopen, waardoor je elkaar niet meer kunt zien als broeders.
Dat is ook wat Abram tegen Lot zegt: Wij zijn broeders. Wij horen bij elkaar.
We moeten voorkomen dat we uit elkaar gedreven worden
En dat er allerlei verwijten tussen ons in komen te staan,
waardoor die broederschap verloren gaat.
Nu kwam ik in de uitleg tegen, dat je soms maar beter uit elkaar kunt gaan,
dat broederschap ook betekent dat je elkaar de ruimte gunt,
dat je elkaar moet los laten, omdat het anders te hoog oploopt.
Maar ik denk dat er voor ons hier een andere boodschap is:
dat we Abram en Lot hier voor ons een voorbeeld zijn in de keuzes die ze maken.
Abram laat zijn neef Lot de eerste keuze.
Hij als oudere had waarschijnlijk het recht om als eerste te kiezen,
maar hij doet een stap op zij om zijn neef een goede toekomst te gunnen.
Hij mag als eerste kiezen. Abram wil hem niet zomaar afschepen.
Als jij de ene kant kiest, dan ga ik de andere kant op. Jij mag eerst.
Ik had dat er niet uitgehaald, maar er is iets met de manier waarop Lot kiest.
Abram laat Lot kiezen tussen links en rechts.
Dan maakt het uit hoe je staat.
Wat ik begreep was dat links en rechts hetzelfde is als noord en zuid.
En dat is niet waar Lot zijn ogen naar toewendt.
Zijn oog wordt getrokken door een heel ander deel van het land: het oosten.
Dat klinkt voor ons als een onschuldige aanduiding, maar dat is het niet.
Het oosten, dat is de kant waar Kaïn naar toe gaat
en als na de zondvloed de mensen elkaar opzoeken om een toren te bouwen in Babel
wordt er op dezelfde manier over de tocht verteld: Toen zij naar het oosten trokken.
Het is niet zomaar een keuze voor een mooi stukje land.
De Bijbel zegt er net even iets meer over:
Een mooi stukje land dat oogt als het paradijs.
Maar de Bijbel vertelt ook een paar waarschuwingen:
Het is er net als Egypte, dat land waar ze vandaan kwamen en waar ze gevaar liepen.
Ze zochten daar hun toevlucht om zich in leven te kunnen behouden,
maar liepen op een andere manier gevaar voor hun leven.
En het zijn de plaatsen Sodom en Gomorra.
Geen fijne plaatsen om er te wonen : slechte mensen en grote zondaars.
Een kwaadaardige plek waar je als buitenstaander niet veilig bent,
Waar een mensenleven niet telt.
Ik zag een keer een promotiefilmpje van Syrië: propaganda van de regering van Assad.
Een mooi strand, een mooie zee, en iemand die met een waterscooter over dat water ging.
Een ideale vakantiebestemming.
Maar wat het filmpje niet liet zien, was dat er iets verderop in het land hard gevochten werd,
dat er martelkamers waren waar tegenstanders wreed werden gemarteld,
dat er een gruwelijke burgeroorlog werd uitgevochten, een wreed regime.
Zo’n plek is dat gebied bij Sodom ook: voor het oog een mooie plek.
Als je daar bent, hoef je niet bang te zijn voor hongersnood,
dan hoef je niet af te vragen of er geld te verdienen is.
Wat Lot alleen niet overziet, is dat het een riskante plek is.
Een riskante plek is voor zijn geloof en voor zijn kinderen,
maar ook riskant voor zijn bestaan. Hij zal daar met dreigingen moeten leven.
Zowel dreigingen als verleidingen.
Heb je dat er voor over, Lot?
Maar zijn ogen worden er naar getrokken.
Van heel het land dat hij kan overzien, valt zijn oog juist daarop.
Bewaar mijn oog, dat niet de valse schijn,
dat niet de lege vreugd mijn hart bewege (vers 14)

Geef mij een hart dat U met vreugde groet,
geef mij verstand, daar zal ik wel bij varen,
dat ik niet haak naar zilver, goud en goed,
niet gretig schatten om mij heen vergare.

Daar gaat Lot. Het gebied trekt hem toch aan.

Abram blijft alleen achter, met Saraï en zijn enorme bezit,
maar geen opvolger.
Dan komt opnieuw de stem van God.
Die had nog niet geklonken toen Abram uit Egypte was terug gekomen.
Abram had wel de Heere gezocht, gebeden, gedankt.
Maar nu hoort hij ook iets van de Heere.
En zoals Abram Lot liet kijken, laat de Heere Abram kijken.
Met een oude benaming kan avondmaal ook wel teerkost onderweg genoemd worden.
Proviand voor als je onderweg bent.
Iets te eten zodat je geen honger hoeft te lijden en weer op krachten komt.
Abram blijft alleen achter en moet alleen zijn weg verder zoeken in dat land.
Maar alleen is hij niet.
Hij hoeft er niet aan te twijfelen: God wil voor eeuwig zijn hemelse Vader zijn
die hem alles geeft wat hij nodig heeft.
en dat is niet alleen een veilig bestaan, een land waar hij kan leven.
Al geldt het wel voor hem:
Getrouwe Heer, Gij wilt mijn goed, mijn God, mijn erfenis en ‘t deel mijns bekers wezen.
Gij onderhoudt gestaag het heuglijk lot, dat Gij zo mild voor mij hebt uitgekozen.
In het avondmaal zien we dat het niet alleen gaat om het aards bestaan,
maar ook om het leven met de Heere.
Lot maakt de verkeerde keuze, brengt zichzelf in gevaar. Ook geestelijk.
De brede weg, waar de Heere Jezus later over zal spreken.
In de week van voorbereiding gaan wij na op welke weg wij zijn:
op de brede weg van Lot: een makkelijk leven met een bepaalde toekomst,
met zijn verleidingen en bedreigingen voor ons,
een paradijsje, maar wel met een enorm risico God kwijt te raken.
Of het land dat Abram ontvangt van de Heere.
Waarbij hij de Heere zelf ontvangt en ook de belofte van de Heere:
Ik wil je God zijn. Ook nu is de stap naar het avondmaal niet groot.
Ook daarin zegt de Heere ons: Ik wil je God zijn en wil met je mee optrekken.

We kunnen volgende week geen brood en wijn tot ons nemen,
en toch mogen we geloven dat de Heilige Geest zo in ons wil werken
dat we net als met het avondmaal worden gevoed en gekwikt
en zoals het anders zou klinken bij het breken van het brood

de gemeenschap met het lichaam van Christus hebben.


We gaan nog even terug naar het altaar dat Abram terugvond daar bij Bethel,
waar hij weer met God wilde beginnen.
laat ieder zijn of haar hart onderzoeken of u de betrouwbare belofte van God gelooft, dat u al uw zonden alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus vergeven zijn en dat de volkomen gerechtigheid van Christus u als uw eigendom toegerekend en geschonken is. Ja, zo volkomen alsof uzelf, in eigen persoon, voor al uw zonden betaald en alle gerechtigheid volbracht had.
laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of u, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met uw naaste te leven.

Amen

Preek zondag 30 augustus 2020

Preek zondag 30 augustus 2020
Schriftlezing: Genesis 11:27 – 12:20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat zou jij doen als je 75 bent geworden?
Daar heb je vast nog nooit over nagedacht. Je wilt eerst maar eens volwassen worden.
En als je nadenkt over later, dan denk je aan wat voor werk je zult doen,
of je getrouwd zult zijn en met wie.
Maar je zult niet snel nadenken over wat je doet als het grootste deel van je leven voorbij is.

Als je volwassen bent, wil je ook niet dat je 75 bent.
Want dat betekent toch dat je in een levensfase gaat komen waarin je gaat afbouwen.
Je bent gestopt met werken.
Als je nog bezig kunt zijn, is dat vrijwilligerswerk, of werk dat je voor je kinderen doet.
In deze tijd val je als 75jarige ook nog eens in de risicogroep.

75 jaar: dat was de leeftijd waarop Abram van God te horen kreeg
dat hij moest wegtrekken uit zijn land, bij zijn stam en familie vandaan.
Er zullen er maar weinig zijn die op die leeftijd helemaal opnieuw willen beginnen.
De meesten willen juist dicht bij de kinderen zijn, of bij andere familie.
Zou je op die leeftijd nog helemaal opnieuw willen beginnen
en de band met je vaderland doorsnijden en een andere nationaliteit aannemen?
Zou je willen wegtrekken uit het dorp waar je de mensen kent
en zover bij je familie weggaan, zodat je helemaal geen contact meer met hen hebt?

Dat is wel de opdracht van de Heere voor Abram:  Laat alles achter.
Het land dat je zo vertrouwd is, waar je de weg kent
en weet waar de goede graslanden zijn waar je je kudde kunt laten grazen,
waar je weet wat je positie is en waar je weet wat je van anderen kunt verwachten.
Als je 75 bent, zal daar niet veel meer aan veranderen,
of het moet zijn dat je voelt dat je plaats moet maken voor een opvolger,
iemand die je taken overneemt, zodat je zelf wat rustiger aan kunt gaan doen.
Een opvolger had Abram nog niet, want hij had geen zoon.
Maar met zoveel familie in de buurt zal er vast iemand aangewezen kunnen worden
die het bedrijf van Abram zou kunnen overnemen.
Dan klinkt de stem van de Heere: Abram, ga hier vandaan.
We lezen niets over de reactie van Abram, en ook niet over de reactie van Sara trouwens.
Zou u gaan, als u zo op uw 75ste deze opdracht van de Heere zou krijgen?
Misschien zou er eerst van schrikken en dan denken: Is dit wel de stem van de Heere?
Of heb ik mijzelf iets ingebeeld en moet ik gewoon hier blijven bij het vertrouwde?
Dit is een heel ingrijpende opdracht, waarvan we kunnen zeggen:
Gelukkig wordt dat niet van ons gevraagd om op te breken en ver weg opnieuw te beginnen.
Vanmorgen kunt u, kun je dus makkelijk achterover leunen en kijken hoe Abram wegtrekt.
Maar is wat de Heere Jezus zegt niet net zo radicaal:
Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard;
en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard.

Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard;
en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard.
Net als een discipel van Jezus moet Abram helemaal opnieuw beginnen.
Voor hem betekent dat helemaal opnieuw beginnen: wegtrekken naar een ander land.
Abraham, Abraham, verlaat je land, verlaat je stam.
En zelfs ook je familie nog.
Ik weet nog dat toen wij verhuisden vanuit Veenendaal naar Noord-Holland
En ook van Noord-Holland naar hier hoe lastig het is als je geen familie in de buurt hebt.
Je bent dan voor bijvoorbeeld oppas aangewezen op de mensen in de buurt.
Als je alles achter je moet laten, kun je ook niet meer op hen terugvallen
als je even in een moeilijke periode zit.
Want je klopt dan niet snel bij vreemden aan
en vreemden zullen het ook niet snel zien als je niet goed in je vel zit.
Waarom moet Abram alles achter laten en alleen met zijn vrouw en eigen groep weggaan?
Dat hier niet zo direct verteld, maar als je het geheel van Genesis leest,
dan heeft dat wegtrekken de betekenis van wegtrekken uit een verkeerde wereld,
de wereld van Ur der Chaldeeën en Haran,
of om bekendere namen te gebruiken: de wereld van Babel en Assyrië.
In de Bijbel zijn dat nooit alleen maar aardrijkskundige namen,
maar wordt daarmee een harde, wrede wereld aangeduid:
wereldrijken die alles kunnen doen omdat ze sterk zijn, die op oorlog uit gaan
om hun gebied uit te breiden, andere volken met geweld onderwerpen.
Waar geen respect is voor het menselijk leven, waar individuen niet tellen.
Dat is geen plek waar God kan zijn
en als je daar woont en verblijft, is het moeilijk om je geweten schoon te houden,
om integer en oprecht te blijven, om wel respectvol te zijn
en meer nog iemand te zijn die als gelovige laat zien wie de Heere is.
Geen plek waar God kan zijn en daarom een wereld vol afgoden
en omdat God er niet kan zijn, een wereld waarin dat respect voor elkaar niet is.
Dat hangt in de Bijbel nauw samen:
Een plek waar God is, daar ben je als mens tot zegen voor anderen.
Maar als het een plek is waar God niet kan zijn, is jouw leven vooral ten koste van anderen.
Dat is belangrijk om dit hoofdstuk te begrijpen: is de plek waar je bent een plek waar God is.
Waar de mensen leven, zoals God dat heeft bedoeld.
Waar mensen hun ouders eren, waar niet gestolen wordt, waar men zuinig is op huwelijken,
waar anderen niet onderdrukt worden of het loodje leggen omdat ze in de weg zitten,
omdat ze alleen maar dor hout zijn, een sta in de weg, een blokkade om vooruit te kunnen.
Een wereld waarin je op de ander aan kunt, omdat hij of zij betrouwbaar is.
Abram wordt door God uit die wereld weggeroepen om te laten zien dat het anders kan.
God belooft hem een stukje aarde, waar hij kan leven, waar hij ook tot Gods eer kan leven.
Een gebied dat hij krijgt en dat hij niet met geweld neemt, omdat hij dat nu zo mooi vindt.
God belooft hem tot een groot volk te maken.
Die grootheid zit misschien niet in het aantal, niet in de sterkte van zijn legers,
niet in de omvang van zijn gebied
– zijn nakomelingen zullen nooit een wereldrijk vormen, zoals Babel en Assyrië.
De grootheid van een gelovige zit niet in met hoeveel je bent en hoe goed je het doet,
maar zit van binnen in het hart en werkt door in hoe je naar anderen doet,
hoe je naar anderen kijkt, hoe met anderen omgaat en over hen spreekt.
Of daar liefde en bewogenheid in doorklinkt,
of daarin iets merkbaar wordt van hoe God naar mensen kijkt en met hen omgaat.
Alles wat Abram van de Heere zal ontvangen:
het land, een groot volk, de zegen, een grote naam
heeft vooral één doel: dat Abram daarmee voor anderen tot zegen is,
voor de mensen die God niet kennen, voor de buitenstaanders,
om te laten zien hoe je ook als mens kunt zijn, dat je wel met God kunt leven,
Dat je wel je aan de geboden van de Heere kunt houden en zo niet alleen aan jezelf denkt,
maar omdat je God wil dienen tot zegen van anderen bent.

In dit hoofdstuk wordt dat dienen van God, tot zegen van anderen zijn
gekoppeld aan een stuk land dat God zal aanwijzen en waar Abram naar toe moet gaan.
Die oude wereld, waar God niet kon zijn, waar mensen Hem niet wilden hebben,
omdat Hij hen in de weg zat voor hun eigen plannen, voor hun eigen grootheid,
daar moet Abram uit weg, naar een ander land.
Maar voordat je gaat denken dat er hier op deze wereld een plek is
waar je weg bent van de invloed van Babel en Assyrië,
waar je onbekommerd God kunnen dienen en ongestoord tot zegen kunt zijn,
een paradijs op aarde, een ideale samenleving
wordt ons tussen neus en lippen, zo even in het voorbijgaan gemeld
bij de aankomst van Abram in het land dat God hem wil tonen:
De Kanaänieten zijn er.
Ook dat is meer dan alleen maar een aardrijkskundige benaming
en betekent ook meer dan dat het land reeds een bevolking heeft.
Het gaat om wat voor een bevolking daar leeft.
De Kanaänieten – wie op de Bijbelkring het boek over Richteren heeft gevolgd
weet wellicht nog wat er met Kanaänieten wordt bedoeld.
Het is geen andere wereld dan Babel en Assyrië.
Ook binnen het land van God is er het gevaar om die andere levensstijl over te nemen.
Het gaat hier niet zozeer om de mensen, maar vooral om hoe ze leven,
hoe ze met elkaar omgaan en dat ze God geen plek in hun leven willen geven.
Deze mensen bewonen Sodom en Gomorra, waar je als vreemdeling niet veilig bent,
het zijn de koningen die in hoofdstuk 14 ten strijde trekken.
Door naar een ander gebied te trekken ben je nog niet van die wereld af.
Die ligt steeds op de loer.
Ook binnen het land dat God wijst kun je net als Kaïn worden,
die zijn broer dood slaat en als God vraagt waar hij is
zich niet verantwoordelijk voelt voor het lot van zijn broer.
Een land waar Nimrod kan opstaan, waarvan hoofdstuk 10 zegt
dat hij de eerste machthebber op aarde is, een geweldig jager, een krachtpatser.
Dat is niet een wereld ver weg, dat zijn niet anderen op een heel grote afstand,
maar het is dichtbij, het kan ook in je eigen kring gebeuren,
het kan de sfeer worden waarin je leeft en als je niet sterk bent, wordt je zelf zo.
Maar de Heere zet daar wel iets tegenover.
Hij verschijnt aan Abram. Hij laat zichzelf zien in dat land waar de Kanaänieten wonen.
Abram, je staat er niet alleen voor. Ik ben er ook niet. Ik sta je bij in dit land.
Abram, Ik zal je de weg wijzen die je moet gaan. Ik geef je raad, Mijn oog zal op je zijn.
Heel mooi wat er gebeurt, verrassend ook: God belooft Abram een land te laten zien,
maar als Abram in dat land komt, dan krijgt hij allereerst de Heere zelf te zien.
Als aanwijzing dat hij op de goede weg zit, een teken dat hij niet alleen gaat.
Abram krijgt ook een belofte: Abram, dat land waar nu de Kanaänieten nog zijn,
dat wordt eens een land waar jouw nageslacht een thuis heeft, grond onder de voeten.
Waar ze mogen zijn en dat niet alleen, waar ze kunnen leven tot eer van Mij,
een voorbeeld voor de volken hoe het kan en zo zullen ze tot zegen zijn voor alle volken.
Je ziet dat de genegenheid wederzijds is. Abram bouwt een altaar voor de Heere.
In dit land waar de Kanaänieten nog zijn,
wordt een eerste steen gelegd voor de dienst aan God: Abram bouwt een altaar.
Dit land zal eens, zoals Psalm 24 dat bezingt, vol zijn van de heerlijkheid van de Heere.
Dit zal Gods land zijn, niet alleen in naam, maar ook echt, van binnen,
omdat de mensen die er leven, het nageslacht van Abram God in hun hart hebben.
Mensen met een nieuw hart, gevuld met de Heilige Geest.

Een mooi slot van een preek: Abram wordt geroepen en gaat, gehoorzaam
en er komt een nieuwe toekomst voor Abram en eindelijk iemand die God trouw is,
na het optreden van Nimrod, na de torenbouw van Babel, eindelijk weer iemand als Noach.
Eindelijk iemand die God kent en wil leven tot Gods eer.
Maar dit is het einde niet, maar het begin.
Want Abram blijft niet op de plek waar hij het altaar bouwde.
Of hij onrustig is geworden door de aanwezigheid van de Kanaänieten
en toch zich wil afzonderen om trouw te kunnen blijven,
of dat hij toch meer wil weten van het land dat God hem wilde laten zien,
We weten het niet, maar Abram krijgt wel een zekere onrust.
Hij gaat verder op pad. Eerst bouwt hij nog een altaar, maar hij reist steeds verder.
Eerst in de buurt van Bethel en dan nog verder, tot Abram aankomt in het Zuiderland.
Dat is ook weer niet zomaar een aardrijkskundige aanduiding.
Wat er gebeurt is dat Abram hier de grens passeert.
Hij verlaat het land. Dit is niet meer het land dat God hem gewezen heeft.
Het Zuiderland is ook niet zo vruchtbaar. In het Hebreeuws de Negev: meer een woestijn.
Blijkbaar is het niet zo makkelijk om te blijven in het land dat God wijst,
omdat er van binnen een onrust is: is dit het bestaan nu dat God wil?
Wordt er van mij niet een groots meeslepend leven verwacht?
Of misschien juist heel vroom: ik moet me niet teveel in de wereld begeven,
Want daar zijn de Kanaänieten, daar kom ik teveel van Babel en Assyrië tegen.
Maar Abram is hier wel ver van huis.
En het is nooit onschuldig waar je je bevindt. Het doet ertoe waar je bent.
Want in dat woestijnachtige gebied, de Negev, dat land net buiten Israël, daar komt honger
en niet zomaar een hongersnood, maar een ernstige hongersnood.
Dat is in de Bijbel nooit toeval: God belooft een land en belooft zegen,
maar het land waar je bent brengt niets op.
Abram zou moeten gaan nadenken waar hij is. Zit hij nog op de goede plek?
Is dit de plek waar God hem wil hebben? Is hier de zegen te vinden?
Door de honger merkt Abram dat hij hier niet kan zijn. Hij moet hier weg.
Hier is het leven niet te vinden. Dit is niet wat God wil.
En hij gaat nog verder. Hij zakt af naar Egypte.
Er zijn er die zeggen: ook geestelijk zakt hij af naar het niveau van Egypte.
Egypte: het land van de slavernij, het diensthuis,
geen vooruitgang ten opzichte van Assyrië en Babel of de Kanaänieten.
Hoe zal het daar gaan? Zal hij daar in Egypte kunnen zijn zoals God bedoelde?
Zal hij daar kunnen leven tot Gods eer? Zich aan Gods geboden houden?
Hij heeft wel het voornemen: hij wil daar niet wortelen. Dat is niet zijn land.
Hoe ze leven, dat hoort niet bij hem, bij zijn roeping om God te dienen.
Dit is Egypte!
Als het maar even kan, zal hij hier weg zijn.
Hij wil vreemdeling blijven. Zijn hart ligt bij God, bij de dienst aan Hem.
Maar zal dat lukken, daar in Egypte? Of zal hij net als de Egyptenaren worden?
Toen ik er afgelopen week mee bezig was, viel het me op
dat Abram als een Egyptenaar gaat kijken:
hij en Saraï lopen beiden gevaar, maar de belofte is voor hem.
Hij moet blijven leven, want met hem zal de belofte van God doorgaan.
Als hij het niet overleeft, is het met de weg van God weer gedaan
nog voor het goed en wel begonnen is.
Het loopt uiteindelijk goed af voor Abram en Saraï, maar niet doordat zij zo handig zijn,
maar omdat God er nog is en hen redt uit de macht van de farao.
Daar in dat andere land, dat diensthuis, dat land van de latere slavernij,
ook daar is God en bevrijdt hen en brengt hen terug naar het land dat Hij hen beloofd heeft.
Het is niet altijd makkelijk om op de weg van God te blijven. Je gaat er zo makkelijk van af.
Maar God brengt je wel weer terug, waar Hij je hebben wilt.
Het zal voor Abram een hele weg zijn, een heel proces om te begrijpen
wat Gods bedoeling met hem is.
Hoe hij voor de andere volken tot zegen kan zijn,
hoe andere volken dankzij hem gezegend kunnen worden.
Je zou kunnen zeggen: dat gebeurt met vallen en opstaan.
Abram zit eerst goed, maar gaat al snel weer dwalen. En toch: God brengt hem weer terug.
Dat is onze God, de God van Abram, die hem riep om weg te trekken.
Die ook ons roept om in Zijn dienst te leven, Zijn weg te gaan.
Ook wij hebben die weg niet altijd direct door en moeten zoeken
en als we er zijn kunnen ook wij weer gaan dwalen.
Soms hebben we net als Abram een moment waarop we God ervaren,
Waarop Hij aan ons verschijnt en wij voor Hem ons altaar kunnen bouwen
om Hem te danken voor Zijn aanwezigheid.
Dan weer gaan we zonder Hem verder en gaan wij op onze eigen weg.
en dan toch is de Heere er weer om ons terug te brengen.
Mijn hulp is van de Heere alleen. Hij zal u steeds gadeslaan, Opdat Hij in gevaar,

Uw ziel voor ramp bewaar’. De Heer’, ’t zij g’ in of uit moogt gaan,
En waar g’ u heen moogt spoeden, Zal eeuwig u behoeden.
Amen



Exegese van Genesis 12

Exegese van Genesis 12

In de komende maanden hoop ik bezig te zijn met de verhalen over Abr(ah)am. Ik kreeg te horen dat een aantal mensen benieuwd waren naar mijn exegese van deze verhalen. Daarom probeer ik in de komende tijd de exegese over deze hoofdstukken uit Genesis uit te werken.

De exegese van de Pentateuch is erg ingewikkeld vanwege allerlei theorieën over bronnen die eraan ten grondslag zouden liggen en in de loop van de eeuwen zou zijn ontwikkeld tot de huidige versie. Elke exegeet heeft een eigen versie op de ontstaansgeschiedenis en reconstrueert een eigen indeling.  Daardoor is de exegese erg onoverzichtelijk geworden. In dit blog komt de uitleg van hoofdstuk 12.

Haran
Het verhaal van Abram begint niet in Genesis 12 maar in Genesis 11. Na de torenbouw van Babel volgt een genealogie en dan het vertrek van Abrams vader Terach uit Ur naar Haran. Er zijn exegeten die de reis van Abram zien als voltooiing van zijn vaders halfslachtig wegtrekken. Terach trekt wel weg uit Ur, maar blijft in Haran steken. In hoofdstuk 11 wordt de familie geschetst en ook de onvruchtbaarheid van Saraï. Onvruchtbaarheid betekent dat het einde nabij is: de familie gaat uitsterven.



De HEER spreekt tot Abram
Nadat vader Terach is gestorven (hoewel: als de leeftijden worden gereconstrueerd blijkt Terach nog in leven te zijn) spreekt de HEER tot Abram. Dit is de eerste keer nadat Hij tot Noach sprak dat Hij weer tot een mens sprak. Abram moet op reis. Naar mijn idee zijn er exegeten, zoals Jagersma en Brueggemann, die teveel nadruk leggen op het onderweg zijn. Het reizen is geen doel maar middel om aan te komen in het beloofde land.
Meer nadruk ligt op het wegtrekken uit land, clan en familie. Abram vertrekt uit Haran.

Verleidelijk om hierin een connectie te zien met Babel en de Babylonische ballingschap. Maar Haran is maar tijdelijk Babylonisch geweest. Veel langer Assyrisch. In de exegese wordt ook de koppeling met een exodus gemaakt. Op basis van het woord “gaan”. Meer dan een associatie kan dat niet zijn. Belangrijker is dat Abram weg moet gaan uit land, clan en familie. Daar wordt in de exegese verrassend weinig mee gedaan.

(Laten) zien
Vaak wordt de nadruk gelegd op het geloof en vertrouwen van Abram. Dat woord komt in deze perikoop niet voor. Hooguit impliciet omdat Abram op weg gaat. De opmerking dat hij dat zonder commentaar doet zegt meer iets over hedendaags lezers. Belangrijker is dat Abram moet gaan omdat de HEER een ander land zal laten zien. ‘(Laten) zien’ is een belangrijk woord in deze perikoop. Trouwens in de gehele cyclus van Abraham-verhalen. Maar de HEER laat bij aankomst niet het land zien maar Zichzelf.



Beloften
De opdracht van de HEER wordt uitgewerkt in 7 regels. Eerst drie beloften: een groot volk worden, door de HEER gezegend worden, een grote naam krijgen. Deze drie beloften werden in het OT vaak aan een koning gegeven. Is de eerste zegen de belangrijkste of de middelste? Deze beloften staan in ieder geval in contrast tot de bouwers van de toren die zelf hun naam groot willen maken. Deze beloften kunnen alleen maar ontvangen worden. Alleen van de HEER natuurlijk. 

Opdracht om tot zegen te zijn
Abram krijgt daarna de opdracht om tot zegen te zijn. Is Abram de belichaming van de zegen? Is Abrams zegen een bron van zegen voor de andere volken? Wie Abram zegent wordt gezegend. Wie Abram minacht wordt vervloekt. De zegen krijgt de nadruk. De vloek is er echter ook. De straf cq vloek is sterker en groter dan wat men Abram aandoet. Er wordt trouwens niet uitgelegd hoe de zegen en vloek uitgewerkt worden. In de loop van de verhalen zal dat naar voren komen.



Lot gaat mee
Abram gaat als hij 75 jaar oud is. In Genesis komen nog hoge leeftijden voor. Op markante momenten worden die leeftijden genoemd.
Abram gaat. Eerst wordt gemeld dat Lot meegaat. Nog voordat Saraï wordt genoemd. Wordt Lot gezien als de erfgenaam? Lot gaat eerst op eigen initiatief mee (vers 4) maar later wordt hij door Abram meegenomen (vers 5). Abram neemt Saraï mee die in dit hoofdstuk geregeld zijn vrouw wordt genoemd (zie vers 10-20). Ook Lot wordt meegenomen net als een aantal mensen uit Haran. Had Abram hen niet achter moeten laten?

Kanaänieten
Dan blijkt dat de nadruk op het zwerven van Abram overdreven is. We moeten oppassen om van Abram een nomade of bedoeïene te maken. De gedachte dat hij hier kwam om als vreemdeling te verblijven (Hebr 11) zet ons niet op het goede spoor. Dat komt pas in Egypte (vers 10). De eerste plaats waar Abram aankomt is Sichem. Later als Jakob terugkomt stopt hij ook bij Sichem. In dat land zijn al anderen: de Kanaänieten. Is het land van hen? Of niet? Kanaänieten zijn nooit zomaar een naam. Ze staan voor een af te keuren hardvochtige levensstijl.

Verschijning van de HEER
Na de melding over de Kanaänieten wordt er gesproken over een verschijning van de HEER. Opnieuw dat woord “(laten) zien”. Abram krijgt niet het land te zien maar zijn God. Op die plek bouwt Abram een altaar. Op een cultusplaats van de Kanaänieten. Gaat Abram de concurrentie aan? Wil hij daarmee aangeven dat hij dit land accepteert? Houdt dat in dat Abram daar langere tijd blijft?

Abram trekt verder
Abram blijft er echter niet. Hij gaat naar het zuiden. Tussen Bethel en Ai. Volgens Deurloo is dit de grens tussen het Noordrijk en het Zuidrijk. Ik vraag me af of dat de bedoeling was. Ook nu weer een altaar. Maar ook hier blijft Abram niet. Abram komt in het Zuiderland (de Negev). Dit is buiten de grenzen van Kanaän. Er is een boeiende serie meditaties van Okke Jager over deze tekst. De associatie is: dor, droog. Als Terach halverwege blijft steken, schiet Abram door. De opmaat voor vers 10-20.

Geen tegenspeler
Genesis 12:10-20 horen bij vers 1-9. In Genesis gaat het steeds om de tegenstelling van goed en kwaad: Abel vs Kaïn, Izaäk vs Ismaël, Jakob vs Ezau. Dat is niet zomaar een algemene tegenstelling, maar de tegenstelling van Psalm 1: de rechtvaardige die Gods weg gaat en de zondaar die van Gods weg afwijkt. Net als Noach heeft Abram geen tegenspeler. Of is Lot dat? Zijn de Kanaänieten samen met de andere volken dat? Of herbergt Abram beide aspecten in zich? Het zou aardig zijn om de verbanden met Noach eens verder uit te werken om te zien of op die manier iets meer helderheid komt over de structuur van Genesis.

Abram mag geen Kaïn of Nimrod worden
Alleen op de weg van de HEER kan hij tot zegen zijn. Kan hij de verleiding de baas om geen Kaïn of Nimrod te worden, geen Ismaël of Ezau? Want alleen dan kan hij tot zegen van andere volken zijn. Als hij toch de verkeerde weg inslaat, gaat de HEER dan wel mee? Maar als Abram dan wel faalt, wat voor zin had het dan weg te gaan uit land, clan en familie en net als Jezus’ volgelingen alles op te geven voor de juiste weg? Net als het nieuwe leven na de zondvloed voor Noach een klus was lijkt Abram het nieuwe leven nauwelijks aan te kunnen.

Hongersnood
Nadat Abram in het Zuiderland (de Negev) is aangekomen, breekt er een hongersnood uit. Niet zomaar een hongersnood, maar een zware hongersnood. Wanneer er hongersnood uitbreekt, is het altijd de vraag: is dat een noodlot? Of is dat de hand van God? Is het land dat Abram is beloofd niet het ideale land? Of heeft die hongersnood ermee te maken dat hij in de Negev terecht gekomen is? Abram gaat niet (terug) naar het land waar God hem verscheen, maar zakt af naar Egypte. Net als “Kanaänieten” is Egypte niet zomaar een naam. Gebeurde het vertrek uit Haran op Gods bevel, het vertrek naar Egypte gebeurt op eigen initiatief. Hij wil daar in Egypte (nogmaals: de betekenis is ook symbolisch!) als vreemdeling gaan wonen.

In Egypte vreemdeling blijven
Kun je wel in een gebied vreemdeling blijven? Neem je de cultuur niet vrij snel over?  Of moet je zeggen dat Abram de Egyptische manier van kijken gaat overnemen? Kijken, (laten) zien is een sleutelwoord in Genesis 12. Abram zou een land te zien krijgen. Abram krijgt de HEER te zien. Als hij Egypte binnen gaat, begint hij met Saraï te praten over kijken. De Egyptenaren zullen haar als vrouw zien, zegt Abram tegen zijn vrouw. Niet als de vrouw van Abram, maar als een aantrekkelijke vrouw, waarbij de relatie met Abram niet zal tellen. Abram zal het niet overleven en Saraï zal ‘geschaakt’ worden.

Kijken als een Egyptenaar
Zo komt hij aan Egypte. Het kijken naar de HEER wordt ingeruild voor het kijken als een Egyptenaar. Betekent dat dan dat Abram als Egyptenaar gaat denken? Zijn aankomen in Egypte is dan minder onschuldig dan het lijkt. Maw: begeef je niet zomaar buiten het land dat God je laat zien. Ook al lijkt dat leven buiten het door God beloofde land meer te bieden. Egypte heeft een aantrekkingskracht, zoals later de afgoden aantrekkingskracht op Israël zullen hebben. Dat is geen onschuldige aantrekkingskracht: je neemt hun manier van zien (en dus ook leven) over.

Gevaar
Abram heeft in ieder geval gelijk als het gaat om dat zien van de Egyptenaren, want ze zijn nog niet de grens gepasseerd of de Egyptenaren zien dat ze een mooie vrouw is. Ze kunnen alleen maar over Saraï spreken (en vergeten haar clan). Abram heeft gelijk, maar zit hij goed daar? Net zoals de engelen in Sodom niet veilig zijn (Genesis 19) en de Judese bijvrouw in Gibea een prooi blijkt te zijn (Richteren 17vv), is Saraï als vrouw niet veilig in Egypte. Abram had dit van tevoren aangevoeld. Maar ja, die hongersnood… Zonder eten red je het niet. Toch?



Prijs
Waarom gaat Abram naar Egypte als hij weet dat zijn vrouw daar gevaar loopt? Heeft hij het idee dat hij naar Egypte moet om zichzelf te redden? Niet zozeer uit egoïsme en lijfsbehoud, maar om de opdracht om tot zegen te zijn niet al snel verloren te laten gaan? Abram hoeft zich om zijn voortbestaan geen zorgen te maken. Hij raakt Saraï weliswaar kwijt, maar krijgt daarvoor genoeg middelen om voort te blijven bestaan. Hij kan de hongersnood wel overleven. Wel overleven in Egypte. Dat wel. Is de prijs voor het overleven niet te hoog?

Niet goedkoop
Niet alleen omdat hij Saraï kwijt raakt, zijn vrouw die later de zoon zal baren die belofte, verbond en zegen mag voortzetten, maar omdat Abram zelf ook Egyptische trekken krijgt. Het is nooit onschuldig als je je buiten het gebied van God begeeft, als je Gods weg verlaat. Saraï is trouwens niet goedkoop: Abram krijgt schapen, geiten, runderen, slaven en slavinnen en kamelen. Is er nog een categorie waarvan Abram niets krijgt? Als een god kan Farao daarover beschikken. Abram lijkt te gehoorzamen, zoals in vers 1-4.
 
God
In het OT is er maar één echte God, één echte Heer van hemel en aarde. Farao die zoveel ter beschikking heeft en lijkt te kunnen doen en laten wat hij wil – als een god in Egypte – krijgt, net als zijn latere opvolger met God te maken. Hij wordt getroffen door zware plagen. Een Farao die maar neemt, die maar beschikt, voor wie een enkele vrouw die het land binnenkomt niet veilig is, krijgt met de HEER te maken. Blijkbaar telt dat zwaarder dan de leugen-om-bestwil, die Abram moet vertellen om zijn leven veilig te stellen.  Abram zou tot zegen zijn van de volken. Als hij in Egypte komt en hun stijl overneemt, zorgt hij ervoor dat de Farao en zijn huis met plagen getroffen worden. Is dat de zegen die God voor de volken in petto heeft? Dan zou die zegen het indammen van Farao’s macht kunnen zijn. 

Het land verlaten
De Farao roept tot Abram, zoals de bidders normaal gesproken tot de HEER bidden. Hij moet dus de meerdere in Abram erkennen. Tegelijkertijd komt het bevel van de Farao voor Abram om het land te verlaten. Thema van v1 wordt opgenomen. Abram gaat echter naar de Negev ipv Kanaän. De Negev is de tussenhalte, voor Abram naar Bethel trekt. Dat is weer de volgende episode, die draait om het verschil tussen Abram en Lot. Vandaar dat Lot wel bij vertrek maar niet bij binnenkomst van Egypte wordt gemeld.

Meditatie Psalm 91

Meditatie Psalm 91
(Zondag 19 juli 2020 – avonddienst)

Van tevoren kreeg ik de tekst van de liederen aangeleverd.
Bij de versie van Psalm 91, die voor de Schriftlezing gezongen wordt
stond er bij de laatste zin iets tussen haakjes bijgeschreven: en dan de mooiste zin.
U zult mij Uw heil doen zien. Dat is de mooiste zin van Psalm 91.
Een stellige overtuiging: U zult mij dat laten zien.
God houdt Zijn heil niet voor mij verborgen, maar ik mag het met eigen ogen zien.
De laatste zin, dat is vaak de climax, in de muziek de finale,
waarin alle thema’s nog eens samenkomen
en vaak op een grootse, indrukwekkende manier wordt uitgepakt.
U zult mij Uw heil doen zien – dat is het slotakkoord van deze versie.
In de onberijmde Psalm, zoals die in de Bijbel staat, is het een uitspraak van God.
Ik zal hem Mijn heil doen zien.
Ook daar de climax, de finale.
We zouden kunnen zeggen: de hele psalm werkt daar naar toe.
De psalm begint ook met een stelligheid, die trouwens de hele psalm voortduurt.
Een rotsvaste overtuiging: dat je veilig bent bij de Heere.
Als je die schuilplaats kent, dan ben je in goede handen als er dreiging komt.
De Psalm maakt een rondgang langs heel wat dreigingen die er kunnen zijn in een leven.
De allereerste dreiging is de van de nacht, het donker, het duister.
Als het licht van God er niet is, als het donker in je eigen ziel kan zijn.
Als je op dat moment in Gods schuilplaats bent, heb je geen gevaar te vrezen.
Hoe donker het ook wordt in je leven.
Misschien is die climax van de psalm,
die finale met die ene zin Ik zal hem Mijn heil doen zien
wel zo bijzonder, omdat we die moeilijkheden, die dreiging vaak duidelijker zien
dan de uitredding die God biedt.
Deze psalm noemt naast een aantal dreigingen ook uitreddingen:
Redden van de strik van de vogelvanger.
Het was in die tijd niet ongebruikelijk om vogels te vangen,
voor voedsel of om een siervogel in huis te hebben.
Ik weet nog dat mijn opa ooit een kauwtje gevangen had, die hij in een kooi had.
Hij had dat dier maar even en liet het dan weer los.
Een vogelvanger is hier in deze psalm een dreiging: iemand die je de vrijheid niet gunt,
maar op een heimelijke manier gevangen wil maken en je nooit meer los wil laten.
Die vogelvanger kan van alles zijn.
Het kan ook de zonde zijn, de duivel zijn, die ons in de greep wil krijgen.
Dan mogen we de uitredding zien bij het kruis op Golgotha.
Vrijheid die God ons in Christus geeft.
Als een besmettelijke ziekte rondgaat, die vele levens kan bedreigen,
zijn we veilig bij God.
Angst is niet nodig, omdat we een schuilplaats hebben in God.
Veilig tegen die pest die in het donker rondgaat.
Ook veilig als er oorlog komt, vliegtuigen overvliegen, tanks en vrachtwagens langsrijden.
Al sneuvelen er heel wat aan je zijde – je zult het overleven, omdat je een schuilplaats hebt.
Met zulke ervaringen is die finale, waar deze Psalm naar toe gaat, begrijpelijk.
Alle gevaren die er zijn, gaan langs je heen.
Er zijn engelen die vanuit de hemel komen, die met je meegaan om te bewaren,
die ervoor zorgen dat je je voet aan geen steen stoot.

Nu is heel verleidelijk en ook heel begrijpelijk om te gaan tegensputteren.
zo stellig als het in deze psalm verwoord wordt gaat het niet altijd.
Integendeel: het onheil kan ons wel degelijk overkomen.
Er kan wel degelijk een plaag bij ons in ons leven, bij ons in huis komen.
Ook in de afgelopen maanden hebben we gemeenteleden verloren,
die ziek geworden zijn. Soms door het coronavirus, soms door een vorm van kanker.
Is deze psalm dan niet te stellig?
Ik denk het toch niet. Want deze psalm kijkt met de ogen van het geloof.
Die dreiging en die gevaren worden wel gezien.
Die worden niet ontkend.
Ook het verdriet dat er kan komen, de pijn die er kan zijn,
de teleurstelling die je beet kan krijgen worden met deze psalm niet ontkent.
Er wordt alleen een adres gewezen waar je heen kunt gaan.
Waar je ook veilig bent, al wordt je wel ziek.
Waar je een uitredding hebt, al ben je wel in gevaar en ziet het er niet goed uit.
Ik zal hem Mijn heil doen zien.
Dat is niet alleen een heil voor het leven op aarde alleen,
maar kan ook een diepere betekenis hebben.
Het Hebreeuwse woord is vaak een naam geworden:
Jozua, Josia, Jezus.
Ik zal hem Mijn heil – ik zal hem Mijn Jezus doen laten zien.
Die op aarde kwam, mensen genas van ziekte, bevrijdde uit de macht van demonen,
vertelde over het koninkrijk van God en hoe wij dat koninkrijk kunnen binnen gaan.
Die de weg naar Jeruzalem ging, naar het kruis,
neerdaalde in de hel, in het rijk van de dood,
maar ook weer opstond, op de derde dag, als overwinnaar uit het graf.
Nu in de hemel is aan de rechterhand van God.
Ik zal Hem Mijn Jezus doen zien.
Hij is onze hulp. Onze uitredding. Het heil dat God ons doet zien.
Gelukkig ben je als je deze Jezus mag zien en dit heil mag ontvangen.
Amen

Preek zondag 19 juli 2020 morgendienst

Preek zondag 19 juli 2020 morgendienst
Schriftlezing: Genesis 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Bijzonder dat er weer een doopdienst kan zijn!
In de tijd dat jullie kinderen waren geboren, was het niet duidelijk wanneer dit zou kunnen.
De kraamtijd is voor jullie ook anders verlopen dan je van tevoren had gedacht.
Geen kraamvisite, maar visite die voor het raam je zoon kwam bewonderen.
Pas na een aantal dagen, of misschien wel weken, was bezoek weer mogelijk.
In die tijd was het ook onzeker wanneer er weer gedoopt kon worden.
Nu is het zover: de zoon die je van de Heere mocht ontvangen is gedoopt.
Als het onzeker is wanneer er weer gedoopt gaat worden,
ontdek je opeens dat dopen niet vanzelfsprekend is
en dan ga je nadenken over de betekenis van de doop:
Waarom wil ik zo graag dat mijn zoon wordt gedoopt?
Als je daarover nagedacht hebt, zul je ook ontdekt hebben,
dat het helemaal niet zo makkelijk is om onder woorden te brengen
waarom de doop voor jou en voor je kind belangrijk is.
Het is misschien meer een gevoel: dat je kind bij de Heere mag horen, bij de kerk,
dat hij is opgenomen in het verbond dat de Heere gesloten heeft.
Zoals de Heere met de belofte naar Abraham kwam:
Ik zal Mijn verbond oprichten met jou, Abraham, met jouw kinderen
en ook met alle generaties die na jou komen, een eeuwig verbond.
In het doopformulier wordt deze tekst genoemd als reden om ook kinderen te dopen.
Het verbond dat de Heere sloot gaat verder van de ene generatie op de andere generatie.
Toen jullie zelf gedoopt werden, hebben je ouders bij een doopvont gestaand,
hier of in een andere kant en kregen jullie het teken van het verbond.
Nu mogen jullie zelf hier staan om dat teken,
dat de Heere in Zijn verbond ook met jullie kinderen verder gaat.
Zo werkt de Heere: je kreeg het zelf mee van je ouders
en je mag het op jouw beurt weer doorgeven aan je kinderen.
Diezelfde God die bij Abram kwam, aan hem verscheen,
komt ook vanmorgen hier in de kerk om ook weer die belofte te geven:
Ik wil jouw God zijn. Dat zegt Hij ook tegen jullie kinderen, die hier in de kerk waren.
En die met de doop het teken van dat verbond meekregen.
Tegen Abraham spreekt de Heere over het verbond,
dat niet alleen maar zijn eigen familie aangaat, maar breder is:
Er zal een menigte van volken horen die bij dat verbond dat de Heere met Abram sloot.
Een verbond dat via de generaties uitloopt op de geboorte van de Heere Jezus.
Door Christus mogen wij bij het verbond horen en mag je weten
dat ook je kinderen in dat verbond opgenomen zijn.
Dat is bijzonder om te weten en mooi om te geloven:
Ook mijn kind is opgenomen in het verbond.
Mijn kind mag delen in de band die ik zelf met de Heere heb
en ook met hem heeft de Heere een band, omdat Hij bij het verbond hoort.
Bij al het mooie beginnen daar ook de vragen: Wat betekent dat verbond?
Betekent dat mijn kind gelovig zal zijn en nooit een weg zal gaan zonder de Heere?
Betekent dat aan het einde van het leven mijn kind de hemel mag ingaan,
omdat hij bij het verbond behoort dat God gesloten heeft?
Ik denk dat het voor heel veel ouders een belangrijke vraag is:
Zal mijn zoon, zal mijn dochter met de Heere door het leven gaan?
Of komt er een moment dat de wegen uit elkaar gaan en dat ze eigen wegen gaan
en dat ze niet verder gaan op in de weg van het verbond,
terwijl ik ze als ouder daar wel gebracht heb toen ik mijn zoon, mijn dochter liet dopen.
Je zou die zekerheid willen hebben, dat het goed komt
en goed komen betekent in dit geval een leven met de Heere.
Moet je dan niet wachten met de doop, tot je zeker weet dat ze geloven?
Moet je dan niet wachten als kerk met dopen, want de doop is toch geen garantie
dat de kinderen zullen gaan geloven?
Een doopdienst kan bij ouders, van wie de kinderen nergens meer aan doen,
ook pijn oproepen, want zij hebben daar gestaan en de belofte van God gekregen,
maar zien dat die belofte niets heeft uitgewerkt in het leven van hun kinderen.
Wat betekent dan die belofte, als die belofte ook niet kan uitkomen?
Dat is ook de vraag die Abram zou kunnen hebben.
Lang geleden heeft God een verbond met hem gesloten, jaren en jaren terug,
maar al die jaren is er niets van gebleken dat de Heere die belofte ook maar vervult.
Dertien jaar geleden hadden Abram en Saraï gedacht om zelf die belofte maar te vervullen
door zelf voor een zoon te zorgen, niet van Saraï, maar van slavin Hagar.
God bleef echter stil. Wel verscheen Hij aan Hagar om haar te helpen
én ook om haar terug te sturen naar haar meester en meesteres.
Meer dan die dertien jaar was het stil voor Abram en was God niet aan hem verschenen.
Had hij hiervoor die grote reis gemaakt en zijn familie achterlaten?
Zou hij nooit gaan twijfelen aan die belofte, die de Heere gegeven heeft?
Of zou die stem die hij hoorde toen hij 75 jaar was krachtig genoeg zijn
om in die tijd dat hij niets van de Heere vernam het vol te houden met alleen die belofte?
Dan opeens, zomaar uit het niets, komt de Heere bij Abram.
Het zal een bijzondere gebeurtenis zijn geweest,
maar de aandacht gaat niet uit naar het bijzondere van Gods komst,
maar naar wat de Heere te zeggen heeft.
Het eerste wat Abram merkt van de Heere is dat de Heere van zichzelf zegt wie Hij is.
Dat doet de Heere niet, omdat het na meer dan 13 jaar tijd nodig is
om zichzelf weer voor te stellen, omdat Abram niet meer weet wie de Heere is.
De Heere maakt Zijn naam bekend vanwege de belofte die de Heere gaat doen,
een belofte die Abram al eerder hoorde, maar die nog steeds niet is uitgekomen.
Voordat Abram gaat denken dat de Heere alleen maar met een belofte komt
en niet in staat is om te doen wat Hij steeds tegen Abram zegt,
maakt de Heere Zijn naam bekend: God de Almachtige.
Met die naam wil de Heere aan Abram laten weten:
Je ziet nu nog helemaal niets van die belofte
en die belofte lijkt alleen maar steeds minder waar te zijn,
steeds minder tijd die er overblijft voor de Heere om die belofte in vervulling te brengen.
Zo komt de Heere naar Abram toe: Abram, Ik ben niet zomaar iemand,
maar de almachtige God – er is niemand die de macht heeft die Ik heb.
Als er iemand is die de belofte kan vervullen, ben ik wel.
Het onmogelijke kan ik waar maken.
Die God komt vanmorgen ook naar jullie als ouders toe en naar jullie kinderen.
De beloften die ik in de doop aan jullie geef, kan ik ook echt waarmaken:
Ik kan als hemelse Vader voor jou zorgen, op heel je levenspad.
Ik ben in staat om je te beschermen tegen welk gevaar er ook komt.
En als dat kwaad toch in je leven komt, ben Ik in staat om je daarin zo bij te staan,
dat je dan ook nog trouw blijft aan Mij en merkt dat je gedragen wordt.
God de Almachtige – dat geldt ook voor de tweede belofte in de doop:
Dat Christus voor de zonden gestorven is.
Ook jullie en hun zonden kunnen vergeven worden.
We weten niet wat hun leven brengen zal. We weten niet welke weg zij zullen gaan.
We weten ook niet welke fouten en zonden ze zullen gaan doen.
Ze kunnen ook God uit het oog verliezen of pijn doen, tegen Hem in gaan.
Toch weten we: hun zonden kunnen vergeven worden,
want ook voor hen is Christus aan het kruis gegaan.
Ook die derde belofte, die de Heilige Geest doet kan in vervulling gaan,
omdat God de Almachtige is – de belofte dat in het hart van je zoon Christus zal wonen.
Zoals Hij in het hart van Abram kon komen, van David, van Petrus, van Paulus,
zo kan de Heere ook komen wonen in het hart van je kind dat nu gedoopt is.
Dit staat boven hun leven geschreven: Ik ben God de Almachtige.
En in de doop zegt God: Ik ben ook jouw God, voor jou God de Almachtige,
Vader, Zoon en Heilige Geest – zo aan je leven gebonden dat we bij elkaar horen.
Om voor jou een God te zijn, net zoals Ik dat voor je ouders ben, en je grootouders.
Dat is de belofte die God in de doop mee geeft: Ik wil jullie God zijn. Ik zal jullie God zijn!

Dat is wat God inbrengt in het verbond dat Hij sluit.
Hij verwacht aan onze kant, dat ook wij iets inbrengen in dat verbond.
Al zijn wij als partner in het verbond natuurlijk helemaal niet met God te vergelijken.
Dat er een verbond gesloten wordt, is het idee van de Heere en niet van ons.
Wij zouden niet op het idee komen en wij zijn als mensen niet aan God gelijkwaardig.
De Heere is groot en heilig, almachtig, zonder zonde, onze Schepper.
Dat er een verbond komt is wel Zijn idee, maar er wordt van ons ook inbreng gevraagd.
Tegen Abram zegt de Heere: Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht.
Wandel voor Mijn aangezicht – bedenk dat je bij alles wat je doet een God in de hemel hebt,
die jou het leven heeft gegeven, jou geschapen en jou hier gebracht heeft en jouw God is,
maar die ook vraagt dat je van Hem bent.
Dat je dat je kind leert: je leeft niet voor jezelf, maar voor de Heere.
Dat kun je soms al heel eenvoudig bijbrengen, door je kind te leren bidden,
bijvoorbeeld voor het eten.
Het eten dat op tafel staat, daar heeft mijn hemelse Vader voor gezorgd.
Hoeveel trek ik ook heb, ik neem eerst even de tijd om Hem een zegen te vragen.
Dat ze door te bidden voor de nacht leren om Hem te vertrouwen.
Dat ze over Hem horen in de verhalen van de Bijbel en de liederen die ze leren.
Dat is de Heere. Hij wil ook mijn God zijn.
Dat je ze alles aanreikt, waardoor ze als kind met de Heere bekend kunnen raken.
Dat ze op een kinderlijke manier kunnen geloven.
Daar kun je zelf als ouder ook weer van leren.
Dat is onze kant: Wandel voor Mijn aangezicht – zo je leven leiden, dat je weet van die God,
dat je je Hem bewust bent, dat je Hem gelooft, op Hem vertrouwt, elke dag weer opnieuw.
De Heere zegt er iets achter aan: Wees oprecht.
Dat heeft te maken met hoe je leeft. Dat je je aan Gods geboden houdt.
Dat je niet zomaar wat doet, of dat je jezelf het belangrijkste vindt, maar God boven alles.
dat wij Hem vertrouwen en liefhebben met heel ons hart, met heel onze ziel,
in heel ons denken en met al onze krachten.
Verder, dat wij ons van de wereld afkeren, onze oude natuur doden en in een nieuw, godvrezend leven wandelen.
De doop laat zien dat we anders moeten gaan leven: breken met de zonde,
breken met een leven zonder God en dat we ons moeten omkeren naar Hem toe.

Dat nieuwe leven wordt in de doop ook beloofd.
Dat is wat de Heere met het verbond zegt: dat nieuwe leven wil ik je geven.
Als teken van een nieuw leven krijgt Abram een nieuwe naam,
waarin iets van die belofte van God doorklinkt: er zullen vele volken uit je voortkomen.
Die allergrootste belofte, dat er veel later uit jou de Redder, de Messias geboren wordt.
Dat draag je mee in je nieuwe naam: Abraham.
Sommigen van de dopelingen hebben een andere naam dan de roepnaam.
Op catechisatie hoor ik catechisanten wel eens zeggen: Ik heb geen doopnaam.
Maar als je gedoopt ben heb je wel een doopnaam: die is dan dezelfde als je roepnaam.
Welke naam er klonk bij de doop – je roepnaam of een speciale doopnaam –
Die naam geeft aan: dat nieuwe leven kun jij ook krijgen.
Het nieuwe leven dat van Christus komt, door Zijn sterven op Golgotha.
Abraham krijgt nog iets dat herinnert aan het verbond: een teken.
Voor hem is dat de besnijdenis,
die hij moet uitvoeren alle mannen en jongens die bij hem horen.
Dat teken maakt je anders: je hoort nu bij God, je hoort niet meer bij deze wereld.
Dan is bij ons dat teken niet alleen maar voor jongens en mannen en minder pijnlijk.
Het is wel een teken dat zegt: je hoort nu bij de Heere
als een belofte en als een opdracht: de belofte dat God jouw God wil zijn en zal zijn
en tegelijk de opdracht om voor Gods aangezicht te leven, oprecht te zijn.
Opdat zij hun kruis in de dagelijkse navolging van Christus met vreugde mogen dragen. Opdat zij Hem toegewijd zijn met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde.
Een opdracht die zij kunnen gaan vervullen, omdat ze de belofte krijgen van de Geest.
de Heilige Geest, de Geest van God, schenkt ons wat Christus voor ons volbracht heeft aan het kruis. Hij belooft ons dat Hij in ons hart komt wonen, zodat wij de Heere Jezus gaan liefhebben en ons leven elke dag vernieuwd wordt. Dat doet de Heilige Geest tot op de dag, waarop de Heere Jezus weer terugkomt en wij met allen, die bij de Heere Jezus behoren, voor altijd bij Hem zullen zijn in Zijn koninkrijk.

Zo mag je je kind bij de Heere brengen in Zijn verbond,
met deze belofte en met deze opdracht.
Ik wens jullie Gods zegen bij die opdracht en vertrouwen op Zijn belofte. Amen

Preek zondagavond 14 juni 2020

Preek zondagavond 14 juni 2020
Schriftlezing: Psalm 42

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Nadat mijn schoonmoeder overleden was, liet ze een bijbel na.
In deze bijbel ontbraken enkele bladzijden van de berijmde psalmen.
Op die bladzijden die in deze bijbel ontbraken bevatte ook Psalm 42,
de lievelingspsalm van mijn schoonmoeder.
De bladzijden zullen uit de bijbel geraakt zijn
omdat deze psalm tijdens de kerkdiensten veel gezongen is
en waarschijnlijk ook omdat ze thuis deze psalm vaak opgezocht zal hebben.
Zeker toen ze, nog geen 50, met borstkanker te maken kreeg.
Ze zal het vijfde vers vaak opgezocht hebben, al kende ze die uit haar hoofd:
Maar de Heer zal uitkomst geven, Hij die ‘s daags Zijn gunst gebiedt
‘k Zal in dit vertrouwen leven en dat melden in mijn lied.
Dat vertrouwen heeft ze zo vaak gezocht, dat deze bladzijden losgeraakt zijn.
En niet alleen gezocht, maar ook gevonden:
Gods lof zingen in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht
en mijn hart, wat mij moog’ treffen, tot de God mijns levens heffen.

‘In de psalmen kijk je de heiligen in het hart.’ (Maarten Luther)
Hij zal daarmee niet alleen bedoeld hebben, dat je in de psalmen ziet
hoe er over het leven van gelovigen allerlei stormen heen kunnen gaan
en hoe zij ook door diepe dalen gaan en dat ze daarin God kwijt kunnen zijn
en moeten zoeken en roepen naar God,
maar ook de Heere gevonden wordt in de donkere nachten die er zijn,
temidden van alle stemmen die het aan je vragen waar God is.
Hier in deze psalm wordt God gevonden in de herinnering en in het lied.
Midden in de nacht klinkt er een lied,
op het moment dat de dreiging het sterkst gevoeld wordt
en de ervaring dat God afwezig is op je neerdrukt,
is het lied, is bijvoorbeeld deze psalm er die je herinnert dat God er ook is,
Zelfs midden in de nacht en dat je dat tegen jezelf moet zeggen:
Hij heeft mij nu ook niet verlaten, al ervaar ik Hem niet
en al ervaar ik vooral een donkerheid en een leegte,
ik mag weten, ik mag erop vertrouwen dat de Heere weer van Zich laten horen.

Ook de herinnering voert naar God.
Eerst is de herinnering vooral pijnlijk, omdat toen God wel ervaren werd
en nu het niet mogelijk is om bij God te zijn,
Een heimwee naar de tijd dat je nog met anderen naar de kerk kon gaan,
dat er gezongen werd en dat je in de vreugde die er was en de zang die er klonk,
dicht bij God was,
zo dicht dat je ervoer dat je voor Gods aangezicht naderde,
dat je in de nabijheid van God kwam en merkte dat Hij er was.
Een pijnlijke herinnering, omdat het nu zo anders is,
en toch, die herinnering van toen, van Gods nabijheid destijds brengt weer bij God terug.
Het begint met het roepen naar God,
zoals een hert roept dat geen water kan vinden en dorst heeft
en hoopt dat er een ander hert is dat hem mee kan nemen naar water,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.
Dat is geloven op bepaalde momenten: roepen tot God, omdat je Hem niet vindt
en je hoopt dat er iemand is, die je mee kan nemen, naar God toe,
die je kan laten zien hoe God toch in je leven aanwezig is, als jij Hem niet ziet.
Een dorst naar God.
Als je God mist, raakt dat je diep in je bestaan, maakt dat je van slag en kun je niet verder.
Er kunnen allerlei redenen zijn, waarom God er op dat moment niet is.
Het kan zijn door eigen onachtzaamheid: je hebt het leven met de Heere verwaarloosd.
Het kan zijn dat je door diepe dalen gaat, een crisis,
Waarin je niet gelijk de leiding van de Heere ervaart.
Maar nu wordt God wel gemist, als een dorst die niemand anders kan lessen,
dan God alleen met Zijn aanwezigheid.
En zolang Hij er niet is, moet je zoeken en als je Hem niet vindt en je zoekt tevergeefs
wordt het een roepen, tot iemand je meeneemt,
of in de hoop dat je roepen de hemel bereikt en God zelf naar je toekomt.
Juist in de afwezigheid van God, juist als je Hem niet ervaart, niet kunt vinden,
kun je erachter komen hoe belangrijk het is, dat je Hem in je leven hebt.
De levende God – de God van het leven.
De dorst is niet naar een willekeurige God, maar naar de enige God,
de enige die leven kan geven, de enige die er is, de enige die uw roepen kan horen.
Ik heb ooit eens gelezen dat in de bijbel over de levende God wordt gesproken
om het verschil met afgoden aan te geven.
Naar afgoden kun je roepen, maar ze horen je niet.
Je kunt ze voor je zien, maar ze zien jou niet.
Je kunt ze aanraken, maar ze blijven onbewogen bij de crisis die je doormaakt.
Je zoekt hen tevergeefs, ze kunnen je niet helpen, omdat ze niet bestaan.
De levende God kun je niet zien, maar je kunt Hem wel zoeken
en je kunt wel voor Hem komen, in Zijn nabijheid, in Zijn aanwezigheid,
verschijnen voor Gods aangezicht.
Zo God te hebben ervaren is in deze psalm een herinnering, een kostbare herinnering,
maar wel iets van vroeger.
Dat is nu niet meer. Nu is er alleen de dorst, nu is er alleen het verlangen dat onvervuld is.
Nu is er alleen die leegte, waarin je roept en niemand lijkt te horen.
Het wordt er niet makkelijker op, omdat er stemmen zijn, die je zwakke plek weten.
Die je raken, omdat je zoekt en God niet lijkt te vinden
en het tegen je zeggen, al spottend: waar is dan je God?
Je zoekt Hem en je vindt Hem niet. Wat zegt dat over jou?
Heeft God nog wel een plek voor jou? Is Hij je niet vergeten?
Heeft Hij je niet uit Zijn gedachten verdreven?
Nu je het zo moeilijk hebt en God er niet blijkt te zijn: Wat zegt dat over God?
Heb je tevergeefs op God gebouwd?
Kun je niet beter op zoek gaan naar een ander die je wel hoort?
Het kunnen mensen zijn die zelf weinig met geloof hebben
en niet kunnen begrijpen dat je het zoeken naar God niet opgeeft,
omdat zij geen idee hebben van hoe het is om bij God te zijn
en niet weten wat je mist als je God niet hebt.
Het kan een stem in jezelf zijn, een stem van iemand die tegen je zegt:
Dat is niet voor jou weggelegd. Beeld je maar niets in dat jij God gaat vinden.

Een herinnering aan vroeger, toen je onbezorgd kon zingen van Gods goedheid.
En er andere mensen om je heen waren in de kerk, met wie je samenzong.
Je zong mee met de gemeente die de lof op God bezong.
Je trok samen op, met in je hart Psalm 122:
Ik ben verblijd wanneer men mij, godvruchtig opwekt, zie wij staan
gereed om naar Gods huis te gaan.
Je kwam in Gods huis, daar was Hij te vinden.
Misschien was het wel een avondmaalszondag, waarop u God zo sterk hebt ervaren
toen u in de kerk was en ervoer hoe Christus voor uw zonden gestorven was
en wist: Hij is ook voor mij gegaan. Ook mijn zonden heeft Hij weggedragen op Golgotha.

Als dat toen kon, waarom nu niet meer?
Natuurlijk, er wordt veel gemist als je weinig andere kerkgangers ziet
en je zit alleen op de bank of met je gezin, zonder dat je de anderen kunt zien vanavond.
Maar als God toen kon werken, als je toen Zijn aanwezigheid kon ervaren,
Waarom nu dan niet? Dat is toch niet afhankelijk van een kerkgebouw,
al helpt het wel om in een kerkgebouw te zijn, samen te kunnen zingen,
het orgel te horen, met andere kerkgangers even te kunnen spreken.
Maar ook nu we als gemeente niet samen komen, kan God er zijn.
Er zijn momenten dat je als gelovige jezelf ook weer tot de orde moet roepen.
Dat je jezelf moet wijzen op God,
jezelf eraan moet herinneren dat wat de Heere toen kon doen, dat Hij dat net zo kan doen.
Waarom dan die onrust? Geloof je niet dat God de wereld leidt?
Geloof je dan niet, dat de Heere u ziet?
Denk je nu echt dat je aan de aandacht van de Heere ontsnapt,
dat je uit Zijn hand gevallen bent en dat er niemand is die je opvangt.
Wat buigt u zich neer mijn ziel en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
Het bijzondere van deze psalm is dat het een tweegesprek is,
een dialoog van binnen, die je als mens met jezelf voert.
Aan de ene kant de twijfel die er soms kan zijn, het kwijt zijn van God,
die ervaring van vroeger zo missen, toen je zo dicht bij God was en nu niet meer
en tegelijkertijd aan de andere kant jezelf aanspreken, toespreken:
Hoe diep ik ook ga, God is aan mijn zijde
en ik mag op Hem hopen. Hij zal mij kracht geven, Hij zal mij uitredden.
Ik ken God en ik weet dat Hij mij niet laat zitten, want dat heeft Hij nooit gedaan.
Als ik aan de bijbel van mijn schoonmoeder denk,
dan is dat een tastbare herinnering dat ze zo de Heere steeds heeft gezocht en gevonden,
niet alleen omdat er bladzijden ontbreken, maar ook omdat je ziet dat hij veel gebruikt is.
Zo zal ze de Heere hebben gezocht en gevonden, als ze weer voor een chemokuur stond,
of als ze weer een boodschap kreeg dat het niet goed ging
en ze wist dat er een moment zou aanbreken dat ze afscheid moest nemen
van haar man, van haar kinderen en kleinkinderen.
Hoop op God – ook dan, want dan zal Hij ook voor hen zorgen en hen dragen,
zoals ze zichzelf gedragen wist door haar Heere.
Volkomen verlossing, misschien niet hier in dit leven,
maar wel in het leven in Gods heerlijkheid, omdat God Zijn Zoon had gezonden
die de schuld had betaald, een nieuw leven heeft verworven en toegang bood.
Ik zal Hem weer loven, omdat ik dat vooruitzicht heb.
Omdat ik weet dat als mijn leven hier ten einde gaat er een toekomst is,
een eeuwige toekomst bij de Heere,
waardoor ik mij kan overgeven in Zijn handen.
Hoe mijn leven verloopt, door welke dalen ik moet gaan, wat ik nog moet meemaken:
Het is goed zo, omdat het de Heere is Die mijn leven leidt.
Hij weet wat goed voor mij is.

Dat geloof hebben we niet altijd. We kunnen dat ook geregeld weer kwijtraken.
Zo is deze psalm heel realistisch in de verwoording
dat we geregeld heen en weer geslingerd kunnen worden:
De ene keer het vertrouwen en het geloof dat het goed komt en we geborgen zijn
en de andere kant weer dat gemis, de heimwee, God die ver weg lijkt.
Net of je een balling, ver bij God vandaan –
Ik denk aan u vanuit het land van de Jordaan: verder weg kan ik niet zijn.
Meer bij U vandaan kan niet. De uiterste grens.
De vraag is of ik nog ooit terug kom bij de Heere.
Weet Hij waar ik zit? Kan Hij mij hier vinden?
Hier lijken er andere machthebbers te zijn.
De duivel die je geloof aanvalt en die sterk je in de macht lijkt te krijgen.
De pijn die je doormaakt omdat je lichaam niet meer wil.
De zorg die je hebt omdat je weet dat je ziek bent geworden.
Die zorgen en die pijn, die worstelingen kunnen je doen lijken
dat andere machten sterker zijn dan God, als machtige bergen opdoemen.
De berg Hermon, de berg buiten Israël, die ook claimt een berg te zijn
waarop een god woont die de wereld lijkt te beheersen
en de Heere buitenspel lijkt te hebben gezet.
Als die zich sterk voordoet, lukt het niet om jezelf bij God terug te brengen,
om jezelf tot de orde te roepen en te herinneren dat God er zal zijn,
voor je zal zorgen en je zal dragen, dat wat er ook gebeurt het goed is,
omdat je in Gods hand bent.
Je ziet alleen maar wat anders. Je ziet jezelf heen en weer geslingerd.
Je ervaart niets van God, maar wel golven die over je heen slaan,
die op je leven inbeuken, die je alle houvast benemen.
Het kan er zelfs op gaan lijken dat God zich tegen je keert:
al Uw baren en Uw golven zijn over mij heen gegaan.
Hier wordt de ervaring verwoord dat de hele wereld vergaat,
de chaos de baas lijkt te zijn in de wereld,
of zelfs dat God je van Hem af wil duwen en je niet wilt redden,
Dat je weggedreven wordt op krachtige golven bij God vandaan.

Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij.
Maar de Heer’ zal uitkomst geven.
Het maar dat de gelovige houvast geeft en vertrouwen,
omdat je leven geen speelbal is van allerlei machten,
maar dat je leven geborgen is in de God die hemel en aarde schiep,
Die de machten die er zijn beheerst en in toom houdt.
Want Hij spreekt en het is er. Híj gebiedt en het staat er.
God zegt: tot hier toe. En dan heeft elke macht te gehoorzamen.
Ze kunnen niet over de grens die de Heere trekt.
Ik zal Zijn lof, zelfs in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht.
Zingen is iets bijzonders.
Zingen is geloven dat de stormen in je leven niet het laatste woord hebben,
maar dat er een God in de hemel is, de levende God, die alles in Zijn hand heeft.
Zelfs in de nacht, waarin je alles lijkt kwijt te raken, waarin er geen toekomst lijkt te zijn,
kun je van deze God zingen, omdat Hij uitkomst geeft.
Zijn gunst gebiedt, zingt de berijming die we zingen. Overdag genadig is.
Je niet los laat, je vergeeft, je in Zijn gemeenschap opneemt, bergt in Zijn trouw.
Dat geloof kan alleen de Heere je geven.
Maar je kunt er wel wat voor doen. Zeker op momenten dat het goed met je gaat.
In mijn eigen bijbel, waarin ik aantekeningen schrijf bij teksten,
kwam ik een aantekening tegen, wat ik eerder in een boek had gelezen:
In de nacht over en tot God zingen kan alleen diegene die zingt
en die in vroeger tijden heeft geleerd om de gemeenschappelijke ervaring met God
door zang en muziek uit te drukken.
Dat vertrouwen voeden hoeft niet pas als je het moeilijk hebt.
Het begint ermee dat je dat geloof en vertrouwen voedt op moment dat je daar tijd voor hebt
en niet pas als je midden in de crisis zit.
Dat je weet hoe je God kunt vinden en dat je die ervaring koestert en onderhoudt.
Dat is geen garantie dat je de Heere in een crisis gelijk vindt, maar het scheelt wel.
Het begint al heel klein: dat je elke dag bij het opstaan de tijd neemt,
al is het een minuut, om te beseffen dat je deze dag van de Heere krijgt,
de schepper van hemel en aarde, dat je ook deze dag, wat er ook komt, geborgen bent,
dat je deze hele dag die volgt met deze God te maken hebt,
zoals Hij je ook in de afgelopen nacht beschermd en behoed heeft.
Het is belangrijk dat je mensen om je heen hebt, die je dit voorleven,
Dat je soms heel tastbaar iets hebt, zoals een bijbel die laat zien
hoe iemand met de Heere heeft geleefd en de Heere steeds heeft gezocht.
Zodat je weet dat jij, dat u dat ook kunt: de Heere vinden in die nacht
en dat je kunt zien hoe die gunst, die genade er overdag is
en dat je weet, dat wat je overkomt, je weet dat je een God hebt.
En mijn hart, wat mij moog’ treffen, tot de God mijns levens heffen.
Amen

Preek zondag 10 mei 2020

Preek zondag 10 mei 2020
Schriftlezing: Romeinen 14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de afgelopen week was ik twee keer op de begraafplaats,
afgelopen maandag en afgelopen donderdag.
Als je dan achter de familie loopt die bij de kist loopt, laat dat je nooit onbewogen.
Je ziet het verdriet van de familie voor je.
Je proeft iets van de band die er is geweest en je voelt aan dat er een heel gemis zal zijn.
Je merkt het ook aan anderen die meelopen achter de kist
dat een begraafplaats je nooit onberoerd laat.
Er is er altijd wel iemand die opmerkt dat er weer een aantal graven bijgekomen zijn
en dat de begraafplaats alleen maar groter wordt.
Het is een groot contrast om daar als levende te lopen.

Toch is er een overeenkomst tussen de mensen die daar begraven liggen
en degenen die over de begraafplaats lopen.
En dan bedoel ik niet dat die mensen die begraven zijn, ook mensen zijn geweest,

een leven hier op aarde hebben gehad,
een geschiedenis, die de moeite waard is om te vertellen,
maar dan denk ik aan wat we lazen bij Paulus:
dat de doden en de levenden één en dezelfde Heer hebben, namelijk Christus.
Hij is gestorven en opgestaan om zowel over levenden en doden te heersen.
Hij  regeert over de mensen die nu nog leven en ook over degenen die reeds gestorven zijn.
Er zijn heel wat grafstenen op de Ekelenburg die daarvan getuigen:
Grafstenen waar niet alleen de namen op staan, maar ook bijbelteksten, psalmen, liederen.
Je weet dan dat het voor hen een vreugde is om bij hun Heer te zijn.
Daar zal ik mijn Heer ontmoeten, zongen we van de week, luisteren naar Zijn liefdessstem,
daar geen rouw meer en geen tranen in het nieuw Jeruzalem.
Dat is dan wel weer een troost die er mag zijn, als je op die stenen kunt lezen,
dat ze Christus hebben geleefd en nu bij Hem mogen zijn.
Er zijn ook stenen, waar wel de namen op staan, maar een tekst of een lied ontbreekt.
Daar kun je dan je vragen over hebben: hoe zit het met hen?
Op welke manier ontmoeten ze Christus?
Ook zij, zegt Paulus zullen Christus erkennen:
alle knie – ook van degenen die niet geloofd  hebben.
Maar dat zal dan gedwongen zijn.
Waar zij zullen zijn – in Gods heerlijkheid, of in de verlorenheid, daar gaat onze Heer over.
Hij is rechter. Hij beslist over hun leven. Dat is niet aan ons om te oordelen.
Eerder in deze brief schrijft hij aan de gemeente: Als je Christus kent,
als je door het geloof met Hem verbonden bent geraakt, van Hem bent geworden,
dan hoef je dat oordeel niet meer te vrezen. Dán is er nog wel het oordeel,
maar dan hoef je door dat oordeel, dat God over je leven velt, niet meer verloren te gaan.
Dat is wel het verschil met degenen die daar begraven zijn: zij zijn het oordeel al voorbij.
Dat is dan al over hun leven uitgesproken. Wij staan er nog voor.
Christus is gestorven om Heer te zijn over levenden en over de overledenen.
Hij is gestorven en ook opgestaan om uw Heer, om jouw Heer te worden, te zijn.
Al zijn we al weer een paar weken verder na Pasen,
dat Christus is gestorven en is opgestaan, mag nog steeds aan de orde komen.
Het is belangrijk om een aantal weken lang bij de opgestane Heer stil te staan
en te na te denken, op ons te laten inwerken wat Zijn opstanding voor ons betekent.
Die betekenis is, dat we van Hem is en van Hem hoort te zijn.
De opstanding heeft niet alleen maar betekenis voor degenen die we begraven hebben,
maar ook voor ons, die nog in leven zijn: In beide gevallen is Christus onze Heer
en heeft Hij recht op ons leven, heeft Hij er recht op dat wij Hem dienen en eren.
Niet alleen maar met onze mond, maar ook met onze manier van leven.
Dat we Hem dienen met hoe we met elkaar omgaan.

Paulus begint opeens over de opstanding van Christus
en over de betekenis van de opstanding voor zowel degenen die leven
als voor degenen die gestorven zijn.
Hij doet dat als hij een discussie aansnijdt, die binnen de gemeente voor grote onrust zorgt.
Het is voor ons niet zo eenvoudig om te begrijpen, waarom die discussie zo hoog oplaait
en waarom het voor beide groepen in de gemeente zo’n principieel punt is,
dat hun relatie met Christus op het spel staat.
Paulus noemt de ene groep de ‘sterken’, gemeenteleden die sterk in hun geloof staan.

Het is ook niet helemaal duidelijk of zij zichzelf zo noemen of aanduiden
of dat Paulus hen deze naam geeft.
Deze sterken hebben Christus als hun Heer leren kennen en leren belijden.
Ze zijn Hem gaan dienen en hebben ervaren dat Christus hen bevrijdt.
Ze hebben een vrijheid ontvangen, die ze voorheen niet kenden,
toen ze Romein waren of Jood waren – vrij van de satan, bevrijd van de duivel.
Omdat Christus hun Heer geworden is,
heeft de satan en heeft de zonde geen macht meer over hen.
Alleen hoe zij hun vrijheid beleven, hoe zij ermee omgaan,
roept in de gemeente spanning op, zorgt voor verdeeldheid.

Het gaat om het eten van vlees en het gaat om het houden van bepaalde dagen.
Degenen die sterk zijn, voelen een bepaalde vrijheid om vlees te eten.
Het kan om vlees gaan, dat afkomstig is van dieren die volgens Joods gebruik onrein waren.
Deze gemeenteleden zeggen: God heeft alles geschapen, ook de onreine dieren.
Nu ik van Christus ben en Hem als Heer dien,
hoef ik me niet meer druk te maken om of dieren wel rein, wel kosjer zijn om te eten.
Zij kunnen dat met hun geweten rijmen.
Voordat zij gaan eten, danken ze God voor het voedsel dat ze ontvangen.
Voor een ander deel van de gemeente is dat een hele schok: Hoe kunnen ze dat doen?
Weten ze niet dat onrein voedsel hen bij God vandaan houdt,
een obstakel is voor de gemeenschap met God en hen bij Christus wegdrijft?
Paulus noemt hen de zwakken: ze zijn nog niet zo ver. Hun geloof is niet zo sterk.
Ze nemen het zekere voor het onzekere: Stel je voor dat die regels nog wel gelden
en dat de Heere het nog steeds afkeurt, dat er onrein vlees gegeten wordt.
Ze maken zich zorgen over het geloof van die sterken: nemen ze niet teveel risico?
Omgekeerd wordt die andere groep kriegelig: waarom doen ze zo moeilijk?
Hebben ze dan niet de bevrijding van Christus ervaren?
Dat is toch zo’n sterke ervaring, zo’n geweldige vrijheid, dat je nooit terug wilt?
Die andere groep mag wel eens wat harder groeien in geloof, niet zo treuzelen,
het is een gebrek aan vertrouwen dat ze niet kunnen meedoen.
De spanningen lopen op, want de gemeente is gewend om bij elkaar te komen,
om elkaar te versterken in het geloof, elkaar vast te houden.
Om samen de tijd voor elkaar te nemen en samen te eten.
Als ze dan bij elkaar komen, komt er al vanuit de keuken de geur van gebraden vlees
en wordt op tafel ook vleesmessen klaargelegd.
Een aantal aanwezigen beginnen ongemakkelijk te schuifelen: kunnen ze wel blijven?
En die anderen irriteren zich eraan: waarom wijzen ze af wat God geschapen heeft?
Wat een manier had moeten zijn om de onderlinge band te versterken
en samen bezig te zijn met de toewijding aan de Heere loopt uit op een verwijdering.
De irritatie en de verontwaardiging blijven.
Als ze naar huis gaan, zijn ze niet met zichzelf bezig  en ook niet met Christus
en wat ze die avond van Hem ontvangen hebben door samen te zijn,
maar zijn ze vooral met die ander bezig. Geïrriteerd, verontwaardigd.
En ook bezorgd: bezorgd over hun heil. Gaan ze zo niet verloren?
Midden in die discussie, die hen van elkaar verwijdert, schrijft Paulus:
Jullie hebben beiden dezelfde Heer.
Dat oordeel over het geloof van die ander komt jou niet toe.
Hoe hij het doet en hoe zij het redt en kan rijmen met haar geloof – dat is niet aan jou.
Dat komt alleen maar onze Heer toe.

Zo’n oordeel over een ander vellen, gaat soms wel heel makkelijk,
zo makkelijk dat je het niet van jezelf door hebt dat je dat oordeel velt.
Stel dat we geen beperkingen hadden om bij elkaar te komen
en dat we een gemeentedag wilden organiseren net als in september
en dat we uitgekomen waren op moederdag.
Dan was er snel bezwaar gekomen binnen de groep die voorbereidt:
Het is dan moederdag. Dan mis je een aantal gemeenteleden.

Dan had de reactie kunnen zijn: dan stellen ze hun familie boven de kerk.
Dan is de familie belangrijker dan het leven met Christus en zijn gemeente.
Of er is besloten om een jongerendienst te organiseren met wat alternatieve muziek
en dat een aantal gemeenteleden, die deze muziek niet begrijpen, het ongepast vinden
om zulke muziek in een eredienst te hebben.
Hoe kun je de Heere, die een heilig God is, nu dienen met zulke wereldse muziek.
Je kunt als gemeentelid bezig zijn met de gebedskring of met een bijbelkring
en je vindt dat zelf zo waardevol, maar je bent maar met weinig.
Je vraagt je af of andere gemeenteleden wel radicaal durven te zijn
en alles willen geven voor hun Heer, die voor hen is gestorven en opgestaan,
die Zijn leven gaf om hen dat nieuwe leven te geven.
Met deze voorbeelden bedoel ik niemand persoonlijk – ik zeg het er toch maar bij.
Ik noem alleen voorbeelden, waarbij je heel makkelijk een oordeel velt over een ander,
waarbij je bij jezelf denkt: hoe kan hij dat rijmen met God?
Hij heeft toch belijdenis gedaan? Toch zie ik hem een krat bier halen.
Zij geeft toch clubwerk. Als je ziet hoe zij de zondag besteedt?
Wie ben jij, dat je je medechristen beoordeelt? Het is je broer, het is je zus!
Jij bent God niet. Jij hoeft geen oordeel te vellen over hun geloof,
over wat zij met hun geloof doen, over hoe zij leven.
Hij spreekt hier allereerst de sterken in het geloof aan.
Hij schaart zich tot deze groep trouwens.
Jullie moeten ruimte bieden voor diegenen die nog niet zo ver zijn.
Je moet ze niet buiten sluiten en ze daardoor dwingen je manier van doen over te nemen.
Want dan gaat het in je dienen van Christus helemaal niet om Christus,
maar om jezelf. Die ander moet dan net als jij gaan doen. Op dezelfde manier leven.
Net zo ruim denken, niet meer van die benauwende regeltjes, die alle vreugde wegnemen.
Als je dan gaat denken dat Paulus vooral conservatief is en geen vernieuwing wil,
zegt hij tegen de groep die niet mee kan komen en op de rem trapt:
Doe niet of die groep van de sterken de deur voor de wereld open zet
en zo Christus naar de achtergrond wegdrukken en hun geloof op het spel zetten.

Je moet jezelf niet als uitgangspunt nemen, geeft Paulus aan.
Want je bent niet meer dan die ander, niet geloviger, niet beter.
Voor God sta je op hetzelfde niveau. In het oordeel van God ben je gelijk.
Je verschijnt allebei voor God.
En dan zul je moeten uitleggen welke keuzes je maakte.
Heb je in de keuze die je maakte Christus betrokken? Ging het om Zijn eer?  Zijn wil?
Of ging het erom dat jij wel even liet zien hoe het moest?
Ging het erom, dat jij kon laten zien waar de grens lag of hoe ver je kon gaan?
Als dat zo is, dan heb je niet begrepen waar het in het geloof om gaat.
Waarom het zo geweldig nieuws is, dat Christus kwam om te sterven en op te staan.
Waarom die boodschap van Zijn kruis en opstanding een kracht is die je redt,
die je redt van verlorenzijn, voor eeuwig verloren gaan.
Dat je bevrijd wordt van de zonde, die zonde die in je de macht wil hebben
en je de verkeerde kant op wilt laten gaan, tegen Gods wil in – ook al wil jij anders.
Doordat Christus stierf aan het kruis en opstond uit de dood
ben je nu in staat om in gesprek met God, al biddend, af te stemmen met Hem,
wat goed voor jou is en hoe je Hem op de beste manier dient.
Paulus noemt dat het geweten. Je kunt weer zelf je afweging maken,
maar niet een keuze, waarbij het om jezelf draaide.
Dat was juist de zonde,
die je aanzette tot een manier van leven die alleen maar om jezelf draaide.
Daar ben je van bevrijd. Daar in je zit niet meer dat egoïsme,
daar zit niet meer die neiging om je oren dicht te stoppen als die ander wat zei,
en je ogen dicht te doen als je van die ander wat zou kunnen opvangen.
Daar zit niet meer een hart, in jezelf, dat alleen maar vol van jezelf kan zijn.
Nee, je leeft voor Christus. Heel je bestaan is nu van Hem.
Heel je hart en je leert ook te kijken, zoals Hij keek en te luisteren zoals Hij luisterde.
Oprecht, met aandacht voor de ander. Benieuwd waarom die keuze gemaakt wordt.
Liefde noemt Paulus dat: zelf een stapje opzij kunnen zetten,
om de ander de ruimte te gunnen zijn of haar verhaal te doen, te vertellen waarom.
Om vertellen hoe hij of zij God wil dienen met deze levensstijl.
Of het nu een voorzichtige levensstijl is of een vrije uitbundige.
Om te vertellen wat de aarzelingen en bezwaren zijn, waar die ander zorgen om maakt.

Paulus rekent zichzelf tot de sterken en voelt zich niet snel gewetensbezwaard.
Maar hij gooit de boel niet ongecontroleerd open.
Hij is geen voorstander dat alles maar mag en je niets meer van een ander mag zeggen.
Dat je met Christus afstemt en daarin oprecht bent, dat is voor Paulus wezenlijk.
Zijn criterium is: kun je er Christus ervoor danken?
Leidt jouw keuze je bij jezelf tot intense dankbaarheid naar God toe
omdat je weet dat jij daarmee God de eer mag toebrengen?
Met zonde kun je God niet eren, maar geef je je weer over aan de duisternis.
Tegen verleidingen moet je strijden.
Daarop mag je elkaar wel aanspreken, want dan gaat het om je leven met Christus,
dan gaat het om je heil, want als je Christus opgeeft, komt dat oordeel alsnog weer
en verlies je je redding weer. Daar mag je wel je zorgen over maken.
Als je dat gesprek uit de weg gaat, is het ook weer niet goed.
Dan ben je de liefde ook weer kwijt en bouw je elkaar als gemeente ook niet op.

Er zit in dit hele betoog, naast het scherpe aanspreken, ook een zekere onbezorgdheid.
Juist in die opmerking dat Jezus Christus Heer is over levenden en doden.
Christus regeert over jouw leven. Hij is met je bezig. Hij houdt je staande
En dat je mag ook verwachten dat Hij dat bij die ander doet waar jij je zorgen over maakt.
Hij laat jou niet los, maar ook hem of haar niet.
Jij kunt het geloof niet geven. Jij kunt het geloof ook niet laten groeien, ook niet versterken.
Je kunt het wel belemmeren en tegenwerken en in de weg zitten
door jezelf als uitgangspunt nemen. Jezelf als norm.
Nee, je leeft niet voor jezelf, maar je bent nu van Christus.
Dat is ook bevrijdend. Want Hij zorgt dat het met jou goed komt. Dat je staande blijft.
Dat je bij Hem blijft, met Hem verbonden, Hem kunt danken
en dat je Hem je keuzes voorlegt – maar dat mag je ook voor die ander verwachten.
In de kerk is het zelden: Ik alleen, maar veel vaker: samen,
maar dan wel samen in de naam van Jezus.
Hij is de norm. Hij is het uitgangspunt. In Zijn naam zijn we samen.
Wanneer je dat samen in Hem gevonden hebt, kun je samen een loflied aanheffen,
al doe je het verschillend en maak je andere keuzes, wel diezelfde lof voor diezelfde Heer.
Samen bidden, samen zingen, samen getuigen, samen leven tot Zijn eer.

 

Preek Goede Vrijdag 2020

Preek Goede Vrijdag 2020
Schriftlezing: Lukas 23:33-49

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het was een bijzondere dag, toen dat kruis op Golgotha stond.
Dat kruis op Golgotha, waaraan de Zoon van God hing, veranderde de wereld.
Dat het kruis met Christus eraan zo cruciaal was voor de geschiedenis van onze mensheid
was voor de meeste toeschouwers op die dag niet te zien.
Zij konden alleen maar de spot drijven met die Man,
die Zich had voorgedaan als de Zoon des mensen, die als koning der Joden werd gezien.
De leerlingen konden ook niet zien wat het kruis op Golgotha betekende
voor hen en voor de gehele wereld en alle mensen die ooit geleefd hebben of zullen leven.
Zij konden alleen maar het verschrikkelijke zien, het einde van hun samenzijn met Jezus,
het einde van het leven van hun Meester in wie zij geloofden.
Pas nadat hun Heer uit de dood was opgestaan, was opgewekt konden zij begrijpen
dat hun Heer aan het kruis op Golgotha de macht van de duisternis verbrak.
Daarom kan deze dag, waarop we het sterven van Christus gedenken,
Goede Vrijdag noemen: een dag die zoveel goeds voor ons als mensen bracht.
Geen dag bracht meer goeds voor ons.
Dit is geen dag om te treuren, al mogen we er bij stil staan hoe diep Jezus moest gaan,
hoeveel Hij moest lijden om de macht van de boze te breken.
Dat Hij die macht alleen maar kon verbreken, ons alleen maar kon bevrijden
door Zijn leven te geven, door te sterven, door af te dalen in het rijk van de dood.
Als Lukas vertelt over het gebeuren op Golgotha wil hij dat ons ook laten zien:
Christus’ overwinning op de macht van de boze,
zodat wij geloven in Christus, zodat wij ons ook laten bevrijden uit die macht van de boze
en weer bij God gaan horen, door Christus in Gods gemeenschap leven.

Eerst lijkt het erop dat de boze gaat winnen en de duisternis het gaat winnen.
De menigte riep dat Jezus aan het kruis moest worden geslagen
en Pilatus geeft zich gewonnen en laat Bar-Abbas gaan
en geeft Jezus mee om gekruisigd te worden.
Lukas beschrijft in slechts een enkele zin wat er gebeurde:
Als ze op de heuvel aankomen, waar veroordeelden werden gekruisigd,
dezen ze met Jezus precies hetzelfde: ze maken Hem aan het kruis vast,
door Zijn handen en voeten te binden, of door Zijn handen en voeten vast te nagelen
en daarna het kruis met Jezus op te richten, zodat Hij daar hing tussen hemel en aarde.
De aarde wilde Hem niet meer, verbande Hem van de aarde en de hemel nam Hem niet op.
Uitgestoten van zowel aarde en hemel, hangend in een niemandsland.
Het kruis: een ergere dood kon je niet sterven,
want deze dood aan het kruis nam alle menselijke waardigheid van de gekruisigde af.
Dat was de betekenis van het kruis: degene die hier aan hangt,
is het niet meer waard om een mens genoemd te worden.
Niet door ons als mensen en en ook niet door God.
Daar hangt Jezus, met aan beide kanten van Hem een misdadiger.
Terwijl Jezus daar aan het kruis gebracht wordt en het kruis omhoog getild wordt,
spreekt Hij woorden uit, die niet zozeer voor mensen bedoeld zijn, maar voor Zijn Vader.
Een eerste teken dat de duisternis het niet gaat winnen op die heuvel.
Zo is Jezus koning, ook aan het kruis. Hij regeert met Zijn woorden
en Zijn woorden, die altijd de kracht hadden om zieken te genezen,
blinden de ogen te openen, doven hun gehoor terug te geven, doden op te wekken,
Zijn woorden hebben nu ook nog kracht, nu Hij aan het kruis geslagen is,
als Hij aan het kruis bidt tot Zijn Vader: Vader vergeeft het hun.
Dat is de reactie van de Zoon van God als Hij wordt afgewezen, wordt verstoten.
Hij doet wat Zelf wat Hij Zijn leerlingen heeft voorgehouden:
Maar Ik zeg tegen u die dit hoort: Heb uw vijanden lief; doe goed aan hen die u haten.
Zegen hen die u vervloeken, en bid voor hen die u belasteren.
Zo was het al aangekondigd toen de profeet sprak over de Knecht des Heeren
die zal lijden voor het hele volk: Hij heeft voor de overtreders gebeden.
Terwijl het duister wordt op Golgotha, omdat een wrede executie wordt uitgevoerd
en alle omstanders alleen maar kunnen spotten met die Man die daar hangt,
wordt in die woorden zichtbaar hoe Christus aan het kruis de duisternis doorbreekt
en sterker blijkt te zijn dan de macht van de boze.
Jezus bidt voor degenen die Hem aan het kruis brengen.
Zijn woorden zijn niet maar een vrome wens, Jezus die hoopt dat Zijn gebed wordt gehoord.
Nee, Zijn woorden hebben kracht en komen in de hemel aan
En worden verhoord omdat Jezus ze uitsprak, de Zoon des mensen,
de hemelse Rechter die over mensen oordeelt: Vader, vergeef het hun.
Zo regeert God door Christus: door Zijn liefde die redt.
Zo laat Christus Zijn macht aan het kruis zien:
Niet als geweldenaar die degenen die Hem aan het kruis bracht neerslaat,
maar voor hen bidt, zodat ook zij bevrijd kunnen worden uit de macht van de zonde,
Die boze macht, die hen tot deze daad aanzet, waardoor ze niet weten wat ze doen.
Zij weten niet wat ze doen. Terwijl ze als beul zijn opgeleid
en heel goed weten hoe ze iemand aan het kruis moeten slaan
zegt Christus dat ze niet weten wat ze doen en bidt daarom om vergeving.
Bidt Jezus voor de soldaten? Of bidt Hij ook voor de omstanders die spotten?
Bidt Hij voor de leiders van het Joodse volk die Hem aan het kruis hebben gebracht?
Ze weten niet wat ze doen, omdat ze niet weten Wie Jezus is. Ze kunnen het niet geloven.
Ze weten niet wat ze doen, omdat ze niet weten van het doel van Jezus’ komst,
Zijn missie om naar de aarde te gaan, Zijn weg naar Jeruzalem om te lijden en te sterven.
Dat is de slag die Jezus terugslaat, Zijn manier om de duisternis te breken,
om te bidden dat de zonde die hen gevangen houdt hen moet laten gaan
en dat er vergeving is voor al degenen die betrokken zijn bij Zijn kruisiging.
Zonder dat er sprake is van berouw. Zonder dat ze inzien wat ze doen.
Hij heeft voor de overtreders gebeden – en zo vervult de Knecht des Heeren Zijn taak,
laat Hij zien waarom Hij op aarde gekomen is.
Vergeving van zonden – dat is dat je daden je niet meer aangerekend worden.
Dat betekent dat ze niet meer tussen jou en God in staan.
Dat ze niet meer in rekening worden gebracht.
Ook die concrete daad, dat ze Jezus de nagels door Zijn handen en voeten sloegen,
ook dat roepen om Zijn dood aan het kruis, hun afwijzing van de door God gezondene.
Ook de gevolgen die dat had voor de relatie met God, de breuk die er was.
Daarom staat het kruis op Golgotha en daarom hing Jezus daar en gaf Zijn leven.
Zodat die zonden vergeven konden worden.
Zodat ook onze zonden vergeven kunnen worden.
Dat is wat het kruis zo cruciaal maakt, zo alles bepalend voor onze geschiedenis,
voor alle mensen die leven en geleefd hebben:  dat dit gebed ook voor ons geldt,
omdat Jezus Zijn leven ook voor ons gegeven heeft,
zodat ook voor ons die vergeving, die Jezus gebracht heeft, kan gelden.
Vader, vergeef het hun.
Jezus die bij Zijn hemelse Vader aanklopt, een appèl doet, bidt om vergeving.
Dat is een gebed, waarmee Jezus bidt dat ook wij, die veel later leven
en via de verhalen over de Bijbel horen over de kruisiging, die vergeving mogen ontvangen
en dat ook voor ons geldt dat onze zonden en alles wat we verkeerd hebben gedaan,
van ons afgenomen kan worden, vergeven kan worden, ons niet meer aangerekend worden.
Jezus brengt de soldaten, de Joodse leiders, het volk, iedereen brengt Hij bij Zijn Vader.
Ook ons brengt Hij bij Zijn Vader in de hemel: Vader, vergeef het hun.
Jezus’ woorden hebben macht, nog steeds.
Zoals het kruis en Zijn dood daaraan nog steeds effect heeft.
Jezus’ woorden aan het kruis halen ons uit de macht van de zonde
en Jezus’ sterven, Zijn overgave aan het kruis, zorgt ervoor dat er voor ons vergeving is.
Vader, vergeef het hun, want Ik heb Mijn leven gegeven.

Het bijzondere van het gebed van Jezus aan het kruis is dat er geen sprake is van berouw.
Dat heeft in de exegese voor aarzeling gezorgd: gaat het niet te makkelijk?
In de Bijbel moet toch altijd besef zijn van wat je gedaan hebt,
om van je zonden bevrijd te kunnen worden, is het toch noodzakelijk dat je berouw hebt.
Net als de zoon in de gelijkenis: Vader, ik ben het niet waard uw zoon genoemd te worden.
Of als die tollenaar in de gelijkenis: O God, wees mij zondaar genadig.
Dat ontbreekt hier: geen enkel besef dat ze iets verkeerds doen.
Dat komt pas later, op het tempelplein als Petrus tegen de mensen zegt:
Jullie hebben de messias gekruisigd, de Zoon van God, de door God gezondene.
Hier nog geen enkel inzicht.
Alleen de hamerslagen van de soldaten, die de spijkers door de handen en voeten slaan.
De soldaten die alleen maar een misdadiger zien, die ze moeten kruisigen.
Alleen de spot van de omstanders: Hij kan zichzelf niet eens redden,
ook al heeft Hij in Zijn leven zoveel anderen gered.
Bartimeüs heeft Hij gered. Zacheüs heeft Hij gered. Waarom Zichzelf dan niet?
Ze weten niet wat ze doen: Ze kunnen alleen maar Jezus afwijzen en bespotten.
Ze kunnen nog niet zien dat Hij daar hangt voor hen,
om de duisternis die hen gevangen houdt voor hen te verbreken,
de macht van de boze, waardoor ze niet weten wat ze doen,
omdat hun ogen verblind zijn en hun hart verhard.
Gelukkig is dat niet het laatste woord, want na Pinksteren blijkt
dat ook van deze mensen het hart verbroken kan worden en open kan gaan,
er geloof en berouw komt, bekering tot Christus.
Hier al is het gebed dat wat ze doen aan Christus hen niet aangerekend wordt,
Dat ze de gevolgen niet hoeven te dragen en dat ze bevrijd kunnen worden.
Paulus schrijft er over in Romeinen 5: God bevestigt Zijn liefde voor ons
dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.
Toen die mensen bij het kruis het nog niet door hadden
was Christus al voor hen gestorven.
Voordat wij begrepen dat het nodig is dat wij van die macht bevrijd worden
en losgemaakt worden uit de klauwen van de zonde
en hun schuld heeft weggedragen, nog voordat ze door hadden wat ze deden.
Dat is het wonder van het kruis. Dat is de genade van God.
Dat Hij al met ons bezig is en voor ons bezig was, voordat wij beseften,
voordat wij door hadden dat onze zonde van ons afgenomen moest worden
en voordat wij begrepen dat wij weer thuisgebracht moeten worden.
Vader, vergeef het hun. Toen is er al voor ons gebeden.
Toen al is dat gebed van Jezus voor ons verhoord, zodat wij ook zouden geloven,
Zodat ook wij die redding zouden ontvangen, die Jezus Zichzelf ontzegde.
Zodat wij het gaan beamen: Daar hing Hij voor ons, ook al hadden we dat eerst niet door.
Dat we het geloven: Hij droeg mijn schuld weg en zorgde ervoor dat Zijn Vader
ook mijn Vader in de hemel weer kon worden
en wij net als Jezus onze geest in Gods handen kunnen leggen als we sterven,
omdat we mogen weten dat God ons in Zijn heerlijkheid opneemt
en niet meer zal veroordelen, omdat Zijn Zoon dat oordeel gedragen heeft.
Voor die moordenaar klinkt het niet veel later:
Heden zult u  met mij in het paradijs zijn.
Onbegrijpelijk: iemand die een moord op zijn geweten heeft,
niet terugdeinsde om een gruwelijke daad te verrichten,
een familie in het verdriet heeft gestort door het leven van iemand te benemen,
een daad die wordt vergolden met de dood aan het kruis,
krijgt van Jezus te horen dat hij mee mag naar het paradijs,
Terwijl nog niet duidelijk is dat zijn berouw ook echt is en beklijft
en bereid is om het goed te maken.
Wij kunnen onze verkeerde daden ook niet goed maken.
We kunnen iets terugdoen, iets repareren, maar het helemaal goed maken
lukt niet, omdat er altijd de gevolgen zijn van onze zonden.
We kunnen alleen maar verder als ons vergeven wordt.
Dat kan alleen maar als Jezus Zijn leven geeft aan het kruis,
Als Hij met het offer van Zijn leven de macht van de duisternis breekt en ons bevrijdt.
Er moet eerst iets rechtgezet worden naar God toe
En omdat wij dat niet kunnen, doet God dat zelf, door Zijn Zoon te zenden.
Met Zijn dood verbreekt Jezus die duisternis, de macht van de boze,
Met Zijn dood zet Jezus de gevolgen van onze daden recht:
Dat wij tegen God kozen, de spot die er was, de afwijzing bij het kruis.
Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
Zij weten niet wat ze doen, omdat dit Gods weg was met Jezus.
Zijn Zoon die gezonden is, naar de aarde kwam met dat doel: het kruis.

Zijn missie is geslaagd. De strijd gestreden. De overwinning behaald.
Jezus kan het nu overgeven in de handen van Zijn Vader.
Het is goed zo. Het is volbracht.
De uittocht kan beginnen uit het rijk van de duisternis, uit de macht van de boze,
uit de macht van de zonde en de dood.
Vader, Ik kan Mij nu overgeven aan U. In Uw handen beveel Ik Mijn Geest.
Hiervoor moest Jezus komen en het is gebeurd.
We kunnen er alleen maar gelovig amen op zeggen.
We kunnen alleen maar ons in diepe dankbaarheid, diepe ootmoed overgeven,
vol verwondering, dat God dat voor ons over had en dat Jezus wilde gaan
en Zich niet heeft laten weerhouden of afleiden.
We zien bij de menigte, bij de Romeinse hoofdman na de dood van Jezus
dat ze beseffen dat er iets bijzonders is gebeurd, dat ook hen raakt.
Dit is geen gewone dood. Voorzichtig begint er iets te dagen van wat ze hebben gedaan.
Straks op het Pinksterfeest wordt het duidelijk:
Als Petrus hen voorhoudt wat ze hebben gedaan.
Maar dan is er voor hen ook die vergeving, waar Jezus voor gebeden heeft aan het kruis.
Vergeving, ook voor ons.
Want u komt de belofte toe, en uw kinderen en allen die veraf zijn,
zovelen als de Heere onze God naar zich toeroepen zal.
Amen

Preek zondag 5 april 2020

Preek zondag 5 april 2020
Lukas 23:1-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er is een grote mensenmassa op de been.
Aan de kleren te zien zijn het vooral belangrijke mensen die daar door de straten gaan.
Hun gezichten staan boos en ze schreeuwen vol verontwaardiging.
Voor aan de menigte wordt één man meegesleurd.
De woede van de menigte richt zich op Hem.
Met wat deze Man gezegd heeft, heeft Hij hen op de ziel getrapt
en heeft een grote woede in hen boven geroepen die niet meer te beteugelen is.
Hij heeft zich vergrepen aan het meest heilige dat er bij hen is: de naam van God.
Hij heeft gezegd dat Hij uit de hemel gekomen is om over hen te oordelen
en dat het moment snel aanbreekt dat ze Hem in de hemel zullen zien
waar Hij over hun daden zal oordelen.
Deze man uit de hemel gekomen? Aan God gelijk? Zoon van God?
Dat had Hij niet moeten zeggen. Daarmee is Hij een grens overgegaan, te ver gegaan.
Dat Hij op een ezel de stad was binnengereden, hadden ze mooi gevonden
en ze hadden meegedaan met al die mensen die langs de kant stonden en Hem toezongen:
De Redder die door God wordt gezonden. Hosanna, Hij die komt in de naam des Heeren!
Dat had hoop gegeven: deze Man zou wel eens door God gestuurd kunnen zijn
om hun volk bij God terug te brengen en de beloofde verlossing te brengen.
Nou ja, niet iedereen was zo enthousiast over de manier waarop Hij de stad binnenkwam.
Er waren Farizeeën die hun bedenking hadden
en op Hem af stapten met de vraag of Hij de mensen niet het zwijgen op moest leggen.
Toen Hij in de tempel tekeer ging en de handelaars uit de tempel verjoeg
waren er leiders onder de priesters die op dat moment al vonden, dat Hij te ver ging
en een gevaar vormde voor de stad.
Er was maar een oplossing: deze Man moest dood voor Hij meer problemen veroorzaakte,
voordat de Romeinen zich door de onrust genoodzaakt zagen hard in de stad in te grijpen.
Ze moesten zich echter inhouden en Hem zijn gang laten gaan.
Zij hadden het gevaar al gezien toen Hij op die ezel de stad binnenkwam.
Zij moesten wachten tot die anderen, die nog wel iets in Hem zagen,
ook door hadden dat deze Man de messias niet kon zijn, maar een gevaarlijke bedrieger
die er niet alleen voor zou zorgen dat de Romeinen hard zouden ingrijpen
en een nog stevigere greep op het bestuur zouden krijgen dan ze al hadden,
maar ook dat deze Jezus er ook voor zou zorgen dat het volk bij God vandaan ging.
Teveel mensen zagen in deze Man een door God gezondene,
de Koning die aangekondigd was om weer namens God te gaan regeren in Jeruzalem.
Hoe konden ze die mensen uit de droom helpen en laten zien wie die Jezus werkelijk is?
Nu ze Jezus hebben horen spreken, hebben ze niets meer nodig.
Want Hij noemde zichzelf de hemelse Rechter die over hen zou oordelen,
de Zoon des mensen. Gods eigen Zoon die in de hemel Zijn plaats had.
Daar gaat de woedende menigte.
Groeperingen die normaal gesproken elkaar niet vertrouwden, zijn nu een eenheid:
Farizeeën en Schriftgeleerden, overpriesters en sadduceeën –
ze zijn allemaal eens in het oordeel: deze Mens mag niet blijven leven.
Ze zouden Hem het liefst zelf willen doden, als ze in de gelegenheid waren.
Dat kunnen ze echter niet zelf.
Ze hebben die bevoegdheid niet, omdat ze geen eigen koning hebben,
maar onderworpen zijn aan de macht uit dat verre Rome,
wiens soldaten hier de baas zijn en wiens gouverneur Pilatus bepaalt wat er gebeurt.
Deze menigte, van wie er wellicht heel wat de woorden van Jezus hebben gezien,
die hebben gezien wat voor wonderen Hij verrichtte:
zieken genas, blinden als Bartimeüs het zicht gaf, Zacheüs tot inkeer bracht,
deze menigte doet wat Jezus al aankondigde voor Hij naar Jeruzalem ging:
Ze zullen de Zoon des mensen in handen van de heidenen geven.
Ze zullen de Zoon des mensen, de door God gezonden hemelse Rechter van zich afstoten,
overdragen in handen van degenen die God niet kennen en dienen,
zodat zij, zijn eigen volk – Gods volk dat deelde in Gods verbond, van Hem af waren.
Dat is wat er gebeurt als de menigte al schreeuwend van woede door de straten trekt
tot ze bij het paleis van Pilatus eindigen, waarbij het geschreeuw niet ophoudt,
maar alleen maar toeneemt om Pilatus te laten weten dat het hen menens is.
Wil Pilatus er wat aan doen, dan moet hij beseffen hoe gevaarlijk deze Jezus is.
Pilatus krijgt de opgewonden menigte te zien, die een Man zijn paleis induwt
en hem allerlei heftige beschuldigingen voor de voeten werpt.
Deze Man? Hij trekt al drie jaar rond door ons land om dit volk wijs te maken
dat ze de keizer in Rome niet moeten dienen.
Hij vertelt over een koninkrijk dat botst met de macht van de keizer in Rome.
Zijn woorden hebben invloed. Er zijn er heel wat die in Hem geloven
En die hun hoofd op hol laten jagen door deze man.
U moet ingrijpen voor Hij aan het hoofd van een heel leger opstandelingen staat.
Dat is nog niet het enige dat Hij de mensen wijsmaakt.
Hij is ook heel scherp als het gaat om belasting betalen.
Waar Hij ook maar komt, vertelt Hij dat de mensen vooral geen belasting moeten betalen.
Hij is daar heel scherp in. Hij verbiedt het.
Het is tegen Zijn principes dat er geld naar het heidense Rome gaat.
Hij ziet zichzelf als de Messias, door God gestuurd om het volk te bevrijden.
Hij zegt van zichzelf dat Hij koning is, koning der Joden.

Terwijl die menigte voor het paleis van Pilatus staat te schreeuwen
en de geluiden wel binnen in het paleis moeten komen,
neemt Pilatus Jezus mee voor een verhoor.
Hij heeft voor Jezus maar één vraag: Zie jij jezelf als koning der Joden?
Dat is de enige vraag die Pilatus voor Jezus heeft.
Het antwoord van Jezus is niet heel duidelijk: u zegt het.
Pilatus kan er nog alle kanten mee op.
Het kan spottend bedoeld zijn: gelooft u nu echt wat zij zeggen?
Zie Ik er als een koning uit? Mooie koning die door zijn eigen onderdanen verraden wordt.
Het kan ook zijn dat Jezus het als bevestigend antwoord geeft: je hebt gelijk. Ik ben koning.
Voor Pilatus is het echter duidelijk. Met zijn ervaring ziet hij dat zo.
Deze Mens die hier voor hem gebracht wordt, daar heeft hij geen gevaar van te duchten.
Hoe ze ook tekeer gaan buiten en hun verontwaardiging het paleis inschreeuwen –
hij ziet geen enkele reden waarom hij deze Man zou berechten.
Zo gaat hij weer terug naar de menigte die Jezus bij hem bracht:
Ik zie geen enkele reden voor een proces. Ik vind geen schuld.
Jullie moeten Hem maar weer meenemen. Ik ben klaar met deze Man.
Daarvoor hebben ze Jezus niet bij Pilatus gebracht.
Pilatus moet wel wat gaan doen. Pilatus moet wel begrijpen met Wie hij te maken heeft.
Weet u dat dan niet, roepen ze Pilatus toe, doe deze Man al jaren rondtrekt.
Niet alleen hier in Judea, maar eerder al in Galilea heeft Hij rondgetrokken met Zijn verhaal.
Hij is gevaarlijker dan u denkt. Hoe kunt u Hem weer laten gaan?
Het was niet de bedoeling dat wij Jezus weer terug zouden krijgen en Jezus vrij kwam.
Er moet wel wat met Hem gebeuren!

Galilea! Dat Pilatus daar niet eerder aan gedacht heeft.
Deze Jezus hoort niet op zijn bordje, maar moet naar die man die denkt dat hij koning is,
die denkt dat hij als een halve Jood zeggenschap heeft over Joods gebied.
Laat Hem maar naar Herodes gaan.
Tot die tijd lag Pilatus met deze Herodes overhoop:
Twee rivalen die allebei in dat gebied streden om de macht.
Wie had het nu voor het zeggen daar in Israël: Pilatus de stadhouder in Jeruzalem,
of Herodes met zijn koninklijke bloed die over het noorden regeert.
Het kan zijn dat Pilatus het advies van zijn rivaal nodig heeft om een keuze te maken.
Wat zou jij doen als jij met deze Jezus van doen zou hebben?
Welk vonnis zou jij vellen? Is hij schuldig of niet? Moet ik wat? Of moet ik Hem laten gaan?
Wat moet ik met Jezus?
Herodes is blij met Jezus en zo blij met het gebaar van zijn rivaal dat hij vriendschap sluit.
Herodes laat zijn rivaliteit met Pilatus los, omdat hij blij is met deze unieke kans.
Nu krijgt hij die gelegenheid waar hij al zo lang op gehoopt had: Jezus zien.
Misschien kan hij Jezus wel zo ver krijgen dat hij een teken gaat doen.
De bijgelovige Herodes die geïnteresseerd is in tekenen die iets over God vertellen.
Nu kan hij uit eerste hand een teken krijgen van deze Jezus.
Voor zijn ogen zal het gebeuren. Dat hij dit mag meemaken. Dankjewel Pilatus!
Het loopt op een teleurstelling voor Herodes uit.
Jezus doet niets  en zegt geen woord.
Hoeveel vragen Herodes ook op Jezus afvuurt.
Hoe Herodes ook aandringt bij Jezus om iets bijzonders van Hem te mogen zien.
Geen enkele reactie.
Als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open (Jes. 53:7)
Hier kan Herodes niets mee beginnen.
Ook hier zijn priesters meegekomen en Schriftgeleerden. Zij zijn niet stil.
Zij schreeuwen de beschuldigingen naar Jezus toe. Maar Jezus blijft stil. Geen enkel woord.
Als Jezus niet meewerkt, kan Herodes maar een ding doen.
Als ze zeggen dat Hij koning van de Joden is, dan maken we maar een koning van Hem.
Ze nemen een koninklijke mantel en doen die Hem om.
Soldaten gaan voor Hem langs en begroeten Hem: Avé Caesar, gegroet Koning!
Zo gaat Jezus weer terug naar Pilatus en Pilatus is weinig opgeschoten.
Weer zegt hij het tegen die grote menigte die voor zijn paleis staat:
Ik zie geen enkele reden voor een proces. Ook Herodes ziet in Hem geen zaak.
Het enige dat ik met Hem kan doen, is Hem geselen. Dan laat ik Hem gaan.

Pilatus, die over leven en dood gaat, heeft nog een uitweg.
Er is een gewoonte om met Pesach een gevangene los te laten.
De menigte bij zijn paleis is hem echter al voor.
Wij willen niet dat deze Jezus wordt losgelaten. Weg met Hem.
Laat desnoods die Barabbas maar los, maar nooit die Jezus.
Als ze zelfs gaan roepen om de vrijlating van Barabbas,
zit de haat tegen deze Jezus wel heel diep bij de menigte.
Barabbas die in de stad had huisgehouden en onschuldige burgers had gedood,
eerder een criminele bendeleider, een bandiet dan een rebellenleider.
Nog steeds wil Pilatus Jezus loslaten, maar de menigte wil Hem niet laten gaan.
Dan beginnen ze te roepen om de ergste straf die er is,
die niet alleen berucht is om zijn wreedheid en het pijnlijke van de dood,
maar omdat er geen straf duidelijker aangeeft
dat deze Man niets met God te maken kan hebben: het kruis.
Het kruis is de meest inhumane manier van sterven.
totale ontmenselijking, totale schande, totale degradatie.
Jezus sterft niet de dood van een martelaar, maar de dood van een vervloekte, buitengesloten van de gemeenschap met God. Het kruis is totale godloosheid.
Duidelijker kunnen ze niet maken, dat ze in Jezus niet de Zoon des mensen zien,
niet Gods Zoon, geen messias, niet hun Koning.
Aan het kruis – door God vervloekt, uit het volk weggestoten.
Verbannen van de aarde en uitgestoten uit de hemel.

In de geloofsbelijdenis wordt ervan gezegd: Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus,
is gekruisigd, gestorven en begraven.
Onze traditie heeft daarin niet alleen het falen van de wereldlijke macht gezien.
Jezus die een ongelukkige slachtoffer was van een falende rechtspraak,
een stadhouder die niet tegen de woede van het volk durfde ingaan.
Wat daar gebeurt, heeft met mij te maken.
Dat kruis van Jezus is mijn kruis, dat oordeel over Jezus is mijn oordeel,
de vloek die over Hem uitgesproken wordt, als het volk roept om het kruis,
dat is de vloek die God over mij zou spreken.
De vernedering die Jezus ondergaat, om mij te verhogen.

Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?
Om ons, doordat Hij schuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld werd,
te bevrijden van het strenge oordeel van God, dat ons treffen zou.

Betekent het feit dat Hij gekruisigd is, meer dan dat Hij op een andere wijze sterven zou?
Ja, want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vloek die op mij rustte,
op Zich geladen heeft, want de dood aan het kruis was door God vervloekt.

Dat Jezus onschuldig werd bevonden en toch werd gedood als misdadiger,
heeft mij iets te zeggen. In mijn plaats, mijn vloek, het oordeel over mijn leven.
De Koning die de plek van Zijn onderdanen inneemt,
De hemelse Rechter die het vonnis draagt dat voor mij had gegolden.
De Messias, de Gezalfde die mijn weg gaat.

Is dat, is dat mijn Koning, dat aller vaad’ren wens,
is dat, is dat zijn kroning? Zie, zie, aanschouw de mens!
Moet Hij dat spotkleed dragen, dat riet, die doornenkroon,
lijdt Hij die spot, die slagen, Hij, God, uw eigen Zoon?

Ja, ik kost Hem die slagen, die smarten en die hoon;
ik doe dat kleed Hem dragen, dat riet, die doornenkroon;
ik sloeg Hem al die wonden, voor mij moet Hij daar staan;
ik deed door mijne zonden, Hem al die jamm’ren aan.

O Jezus, man van smarten, Gij aller vaad’ren wens,
herinner aller harten ’t aandoenlijk: “Zie den mens!”
Laat mij toch nooit vergeten die kroon, dat kleed, dat riet!
Dit trooste mijn geweten: ’t is al voor mij geschied!
Amen.