Preek oudjaarsavond 2019

Preek oudjaarsavond 2019
Schriftlezing: Lukas 2:22-40

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Elke dag gaat Simeon naar de tempel en elke keer weer blijft het bijzonder.
Gewoon wordt het nooit om naar een plek in zijn eigen stad te gaan,
Waar hij de mogelijkheid heeft om bij God te komen.
De Heere van de legermachten, Die in de hemel troont en regeert
en toch daar in de stad een plek heeft binnen de muren van de tempel
Waar het mogelijk is voor hem als mens om deze God te ontmoeten,
om in Zijn aanwezigheid te zijn.
Wat is het toch steeds weer bijzonder dat hij vanuit zijn huis de tempelmuren kan zien
en weet dat achter die muren de heilige God, de Koning van de wereld woont,
in de stad waar hij, Simeon woont, een stad die vanwege de aanwezigheid van God
de heilige stad wordt genoemd en ook wel de stad van God.
Elke keer is het weer bijzonder voor hem om zijn huis te verlaten
en op weg te gaan naar de tempel en te weten: straks verschijn ik voor God.
Elke keer kan hij er weer naar uitkijken om voor God te komen.
Om naar de tempel te gaan met dat verlangen, die wetenschap dat hij voor God verschijnt.
Wat hij ook meemaakt in zijn leven, aan vreugde en verdriet, dankbaarheid en teleurstelling,
hoe de stad er aan toe is,
of er een economische crisis is, of de mensen juist veel kunnen besteden,
of er vrede in de stad is of er vreemde soldaten van het verre Rome door de stad marcheren
– er is voor hem, Simeon één rustpunt in de stad: God die woont achter de tempelmuren
in het heilige der heiligen, waar de ark als troon staat – vandaar regeert God over de wereld.
Elke keer als hij de poort van de tempel doorgaat
en zich moet wassen om zich rein te maken beseft hij:
ik kan mijn oude leven achter mij laten en mag God ontmoeten, in Zijn wereld komen.
Simeon weet dat God daar is in de tempel, onzichtbaar en toch aanwezig.
Hij gelooft dat er een dag zal komen, dat de Heere zelf naar deze stad zal komen,
een bijzondere dag zal dat zijn, omdat zijn volk weer hersteld wordt als volk van God,
weer de eer, de luister, de glorie zal dragen van God:
de heerlijkheid van de Heere die hen zal omschijnen.
Wat zou het mooi zijn als hij die dag mag meemaken,
dat zijn volk deze troost mag ontvangen.
Hij verwacht de HEERE en kijkt uit naar die dag,
zoals een wachter uitkijkt naar de morgen,
waarop de stad bevrijd wordt en er voor de stad uitredding zal zijn en het gevaar voorbij is.
Zo kijkt Simeon uit naar die dag.
Al jaren keek Simeon uit en elke keer als hij naar de tempel ging, vroeg hij zich af
hoe lang het nog moest duren voor die bijzondere dag, waarop God zou komen, er was.
Op een keer heeft Simeon een bijzondere ervaring gehad,
een ervaring die hij niet eerder had gehad: dat de Heilige Geest hem iets duidelijk maakte.
Hij kon niet uitleggen hoe hij wist dat het de Heilige Geest was.
Dat was voor hem duidelijk: Simeon, die dag waar je naar uitkijkt, mag je zelf meemaken,
de dag dat God naar Zijn stad komt
en zich laat zien in de tempel die jij elke dag bezoekt
en dan zul je weten: dit is de vertroosting van Israël.
Sindsdien gaat Simeon met nog meer verlangen naar de tempel
omdat hij weet dat er een dag komt, waarop God zal verschijnen in de tempel
en al de beloften die God eens deed over Israël zullen dan uitkomen.
Vanaf dat moment was zijn leven samen te vatten zoals Lukas dat deed: 

En zie, er was een man in Jeruzalem, van wie de naam Simeon was,
en die man was rechtvaardig en godvrezend.
Hij verwachtte de vertroosting van Israël en de Heilige Geest was op hem.

Op oudjaarsavond zullen we een verschillende broeders en zusters gedenken,
die in 2019 van ons zijn heengegaan.
Afgelopen jaar zijn er weer heel wat rouwkaarten gedrukt, in memoriams uitgesproken
waarin in een paar zinnen een typering van iemand is gegeven.
Vaak hoe iemand als vader, als opa of als moeder, als oma is geweest.
Verhalen die verteld werden, waarin kenmerkende karaktertrekken naar voren kwamen.
Geregeld klonk daar ook iets van dat godvrezende door,
De verwachting van de vertroosting van Israël.
Vaak door de (bijbel)teksten boven de kaart:

De Heer is mijn herder.

De kabel van Gods liefde is groter dan de zijden draad van ons geloof.
Uw genade is mij genoeg.

’t Is mij goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God.

Wie in de schuilplaats van de allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.

In zulke teksten boven een rouwkaart, die vaak gekozen zijn door de overledene zelf
of door degenen die achterbleven die met deze bijbeltekst iemand willen typeren.
Godvrezend, verwachtend de vertroosting van Israël.
Vanavond zijn we bij elkaar om hen te gedenken, om wie ze waren,
om wat ze hebben betekend, om wat ze van die verwachting hebben voorgeleefd.)
Weggenomen door onze Heere, op Zijn tijd, door de Heere thuisgehaald.
Een leven met de verwachting, die Simeon ook had, verwachting van de Heere.
Een verwachting die om Christus draait, om Hem te mogen kennen, met Hem te leven.
Al kunnen we hier, zolang we op aarde wonen, Christus niet zien, zoals Simeon dat kon
en gaat die belofte pas in vervulling als we in Zijn heerlijkheid mogen komen
en voor Hem komen te staan,
Dan mogen we Hem zien, naar Wie ons verlangen uitgaat: Christus.
Voor degenen die we hier vanavond gedenken is dat verlangen reeds in vervulling gegaan
en mogen ze nu al bij de Heere zijn
en mogen ze zien Wie als de vertroosting van Israël gekomen is,
naar wie Simeon mocht uitkijken.

Voor Simeon gaat het verlangen in vervulling
als de Heilige Geest het hem laat weten dat hij deze dag naar de tempel moet gaan
omdat Degene die door hem, Simeon, verwacht wordt, er vandaag zal zijn.
Daar gaat hij op weg naar de tempel. Dit moet een bijzondere dag zijn.
Naar deze dag heeft hij altijd uitgekeken en nu is het zover.
De vreugde die deze man, die rechtschapen en vroom is, op wie de Heilige Geest rust heeft
omdat hij nu zijn Heer mag ontmoeten.
Steeds mocht hij in de tempel al voor God verschijnen,
de Heere van de legermachten die onzichtbaar maar wel aanwezig woonde in Jeruzalem.
Nu mag hij deze Heer in persoon ontmoeten, met eigen ogen zien.
Zijn leven is niet meer van hemzelf maar van zijn Heer
en nu mag hij die Heer ontmoeten die hij zijn hele leven dient,
nu komt die Heer in zijn stad, in zijn tempel, in zijn leven.
Daar staat Simeon met dat Kind in zijn armen, dat die Heer is:
Christus de Heer, die geboren is in de stad van David.
Dat Kind Jezus dat gekomen is, om zich hier aan de hemelse Vader te presenteren
Zijn eigen Vader in de hemel, die Hem naar de aarde zond.
Simeon weet, gelooft, ervaart: dit Kind Jezus is de vervulling.
Op deze Jezus heeft hij zijn leven gewacht en nu heeft hij dat Kind in zijn armen.

Als Hij maar van mij is
en ik ben van Hem,
Als ik, tot de dood nabij is,
luister naar zijn trouwe stem,
heb ik niets te lijden,
leef ik in een vroom en stil verblijden.

Als Hij van maar mij is
laat ik alles staan,
wil ik enkel zijn waar Hij is,
volg ik Hem waar Hij zal gaan.
Mij is om het even
heel het lichte, luide, aardse leven.

Waar Hij maar van mij is,
is mijn vaderland.
Zie hoe Hij alom nabij is
met de gaven van zijn hand.
Broeders lang verloren,
vind ik weer in wie aan Hem toebehoren.

Daar staat hij met het Kind Jezus in zijn armen,
maar heeft ook dat Kind in zijn hart.
Hij ervaart: dit Kind dat gekomen is, kan alles vervullen.
Dat vult met Zijn aanwezigheid de tempel,
zijn eigen hart, deze hele wereld.
Hij ziet het al voor zich, nu met dit Kind in zijn armen,
hoe het verhaal over dit Kind over heel de wereld zal gaan
en harten zal openen en mensen zal brengen bij God.
Als een licht dat over de wereld gaat en overal het duister verdrijft,
Nu daagt het in het oosten,
het licht schijnt overal, het komt de volken troosten.
De vreugde die hij zelf nu heeft zal niet tot hem beperkt blijven hier in de tempel.
Er zullen velen zijn over heel de wereld, die dit Kind in hun hart zullen krijgen.
Nu hij met dat Kind in de armen staat en voor zich ziet, hoe Zijn licht over de wereld zal gaan
moet hij denken aan de woorden van de profeet Jesaja:
en Ik zal U stellen tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de heidenvolken.
Simeon kan wel dansen over het tempelplein.
Vanuit zijn hart borrelt een loflied op voor zijn God, die zou komen in de tempel,
Voor zijn Heer die hij nu in zijn armen houdt.
Woorden die allereerst voor God zijn bedoeld, voor zijn Heer in zijn armen:
‘Het wachten is voorbij. Mijn taak zit erop.
God heeft mijn verlangen in vervulling laten gaan.
Ik hoef niet meer uit te zien, want ik heb mijn Heer in mijn armen.

Nu laat Gij, Uw dienstknecht gaan in vrede, overeenkomstig Uw woord,
Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.’

Simeon heeft niet alleen voor zichzelf uitgekeken naar deze komst.
Hij dacht ook aan de anderen van zijn eigen volk
En aan de mensen die er over heel de wereld zijn,
mensen die hij niet kent, die een andere cultuur hebben, een andere taal,
Er heel anders uitzien, misschien wel helemaal aan het einde van de wereld wonen.
Hij zingt verder: ‘Alle volken op aarde zullen dit licht zien
en in dit Licht, in dit Kind God zelf herkennen.
Ze zullen over Hem horen en in Hem geloven,
Zelfs volken die nog nooit over God gehoord hebben
zullen door dit Kind dat ik in mijn armen houdt bij God gaan horen.

Simeon, dat hadden wij kunnen zijn, dat kunnen wij zijn.
Hij zong over ons en over al diegenen die over Jezus hebben gehoord
en dit Kind in hun hart hebben gesloten, koesteren, geloven,
omdat dit Kind God zelf is die op aarde kwam, voor ons.
Dat Hij ook ons licht wil zijn, door het leven heen:
We gedenken met oudjaar broeders en zusters die zich hebben laten leiden door dat licht.

Leid vriend’lijk licht mij als een trouwe wacht, leid Gij mij voort.

Jezus kwam in hun hart, de Jezus die Simeon in zijn armen hield,
maar dan niet meer alleen dat Kind, maar die Heer die aan het kruis gegaan is
en gestorven is, in een graf werd gelegd en opstond
en naar Zijn Vader in de hemel ging.

Een licht om de heidenen te verlichten
en  Uw volk Israël te verheerlijken.

Als dat licht over je leven schijnt, in je hart ontstoken wordt,
als je je weg met deze Jezus in je hart mag gaan.

Vraag er maar om….
Soms kan je nood zo hoog zijn,
je hart zo vol pijn.
Je zou God om hulp willen vragen
om een deel van jouw zorgen te dragen.
Maar zelfs daarvoor ontbreekt je soms de kracht,
ook al weet je van Zijn grote almacht!
Wat een troost is het om dan te weten dat je niet alleen hoeft te gaan.
Dat er mensen om je heen willen staan!
Zij mogen voor je bidden als jij het niet kan.
En als je dat wilt: Vráág het ze dan!
God vraagt dit in Zijn Woord aan ons allen,
zodat er niemand hoeft te vallen.

Als God dit licht in je hart ontsteekt, deze Jezus in je hart brengt.
Dat is niet alleen een voorrecht dat alleen aan Simeon is toebedeeld.
Dat kan ook bij ons gebeuren, al gebeurt dat op een andere manier dan bij Simeon,
Die een persoonlijke boodschap van de Heilige Geest hoorde,
Zodat hij naar de tempel ging en deze Jezus in zijn armen mocht sluiten
en zo zijn Heer mocht vinden.
Voor ons gaat het via de verhalen uit de Bijbel, de liederen die we zingen,
de mensen die het ons voorgeleefd hebben:
Een vader of een moeder, een opa of een oma, een broer of een zus.
Als je zo iemand gedenkt, die het geloof kon voorleven,
dan valt er heel wat weg, ook al mag je dankbaar zijn voor wat de Heere gegeven heeft.
Wij mogen zelf dat licht doorgeven, uitstralen, totdat onze taak erop zit
en ons verlangen in vervulling gaat en wij onze Heer,
over wie we gezongen hebben, tot wie wij gebeden hebben,
bij wie wij onze dankbaarheid en vreugde brachten mogen zien
van aangezicht tot aangezicht.
Amen

Preek nieuwjaarsdag 2020

Preek nieuwjaarsdag 2020
Schriftlezing: Lukas 3:1-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Opeens is hij daar: Johannes de Doper.
Tijden heeft hij in de woestijn geleefd,
waar het grote wereldgebeuren langs hem heen gegaan is.
Als je hem zou vragen wie er op dit moment de provincie Judea bestuurt,
zou hij je verbaasd aankijken en je zou in zijn ogen de vraag lezen: is dat belangrijk dan?
Als je hem zou vragen, welke keizer er in Rome over de wereld regeert,
zou hij zijn schouders ophalen en zeggen:
Er is er maar Eén, die regeert en dat is de hemelse Heer.
Dat is het enige dat telt.
Daar in de woestijn heeft hij de laatste nieuwtjes over keizer Tiberius niet meegekregen,
hoe deze keizer zo argwanend werd, dat hij niemand meer vertrouwde
en zijn tegenstanders stuk voor stuk liet oppakken en liet doden.
Daar in de woestijn was hij met andere dingen bezig.
Niet met de waan van de dag van de politiek,
ook niet met het nieuws dat je even bezig houdt, waar je je even druk om maakt,
maar waarvan je aan het einde van het jaar niet meer weet dat dit speelde.
Johannes was als kind niet opgegroeid tussen de mensen,
maar leefde in afzondering, ver weg van het gewoel van de mensen.
Om zich daar in alle eenzaamheid zich voor te bereiden op de taak die hij had.
Doordat hij op een afstand van de mensen opgroeide,
kon hij wellicht scherper zien wat er in een samenleving mis was.
En doordat hij in afzondering leefde, kon hij meer bezig zijn met de dingen van de Heere.

Denk niet dat het voor Johannes makkelijk was om in die afzondering te leven.
Je voelt Gods aanwezigheid echt niet sterker dan wanneer je wel onder de mensen bent.
En of je in de eenzaamheid de stem van God beter verstaat, is maar de vraag.
Want vaak hoor je die stem van God door wat mensen tegen je zeggen
En heb je anderen nodig om met de dingen van de Heere bezig te zijn.
Wat het leven in afzondering, in eenzaamheid, in de woestijn moeilijk maakt,
is dat je niet weet wat je weg zal zijn, waar de Heere je brengt.
In de woestijn ben je al het vertrouwde kwijt, alle oriëntatie, heb je geen richtingsgevoel.
afhankelijkheid van de elementen van de natuur:
of er water is, of je eten zult vinden, of je een plek hebt om te slapen,
De woestijn betekent: opnieuw beginnen.
Niet omdat je zelf daar voor kiest om opnieuw te beginnen, maar omdat God er voor kiest.
In het Oude Testament is de woestijn daarom het beeld van de crisis:
God die je opnieuw laat beginnen.
En wie wil dat nu: opnieuw beginnen,
al het vertrouwde dat je hebt, de zekerheden die je in je leven zijn missen:
de zekerheid van je gezondheid, van familie en vrienden om je heen,
De zekerheid dat God er voor je is en je leven leidt, je beschermt en bewaart.
Als je al die zekerheden kwijtraakt, dan raak in je in Bijbelse woorden in de woestijn.
Vaak is het dat God je dan in de woestijn brengt, als volk,
of als persoon, zoals dat met Johannes dat het geval kan zijn.
Om je opnieuw te laten beginnen.

 

Opnieuw beginnen, van vooraf aan.
Zoals Israël door de woestijn trok, op weg naar het beloofde land.
In de woestijn zijn, zoals Johannes dat was,
Betekent net als het volk Israël destijds niet in het beloofde land zijn
maar onderweg, een weg met veel ontberingen en moeilijkheden,
van honger en dorst, van zoeken naar de juiste weg, gevaren die er zijn.
Bij al die keren opnieuw moeten zoeken hoe de Heere in die momenten aanwezig is
en daardoor eerst niet zien dat Hij er is en met je meegaat
maar eerst vertwijfeld bent en je afvraagt wanneer de Heere van zich laat horen.
Een crisis, een diep dal, waardoor je heengaat
maar waarna je de Heere toch weer vindt, Hij er toch blijkt te zijn.

Johannes komt uit de woestijn om tegen de mensen van zijn eigen volk te zeggen
dat ze opnieuw moeten beginnen,
dat ze het vertrouwde moeten loslaten,
dat ze niet vast kunnen houden aan het leven zoals ze dat tot nu toe geleid hebben.
Stel dat Johannes hier vanmorgen zou zijn en dat tegen u zou zeggen,
of dat jou zou voor houden dat je opnieuw moet beginnen,
een nieuwe start moet maken, helemaal opnieuw beginnen.
Hoe zou jij, hoe zou u dan reageren?
Misschien denk je bij jezelf: zoals mijn leven nu is, ben ik eigenlijk wel gelukkig.
Als er iets zou moeten veranderen, liefst niet al te veel.
Of misschien zeg je: ik zou wel opnieuw willen beginnen.
Er zijn bepaalde patronen in mijn leven, waarmee ik zou willen breken.
Hoe we in ons huwelijk met elkaar omgaan, ik zou willen dat we er meer voor elkaar zijn,
elkaar begrijpen en aanvoelen, van elkaar kunnen genieten.
Of je denkt bij jezelf: ik zou mijn werk wel anders willen doen,
Want zoals het nu gaat op mijn werk is niet gezond. Dit houd ik niet vol.
Soms neem je het voor om een nieuwe start te maken,
bijvoorbeeld zo aan het begin van een nieuw jaar, of aan het einde van een vakantie
Om het helemaal anders te doen.
Vaak is dat een hele klus en zo eenvoudig nog niet
en als je dan weken of maanden verder bent, ben je weer in je oude patroon terug.

Nu is Johannes er op uit gestuurd om tegen de mensen zeggen
Dat ze opnieuw moeten beginnen
En dan niet zomaar met een nieuwe levensstijl, maar opnieuw beginnen met God.
Stel dat Johannes dat tegen ons zou zeggen:
Je moet niet zomaar opnieuw met je leven beginnen, een nieuwe start maken,
maar God echt toelaten in je leven en met Hem beginnen, een radicale verandering.
Dan zou je wellicht diezelfde ontwijkende reacties kunnen hebben,
die de volksgenoten van Johannes hadden, toen hij tegen sprak over dat nieuwe begin.
Je kunt zeggen: Hoezo opnieuw beginnen, want ik heb God toch in mijn leven?
Ik ben aan het begin van mijn leven gedoopt?
Ik ben toch door mijn ouders opgevoed met de verhalen van de Bijbel?
Ik heb van hen geleerd om naar de kerk te gaan, om te bidden.
Ze hebben mij liederen aangeleerd die ik in de kerk of ook thuis zing.
Johannes spreekt zijn volksgenoten erop aan:
Denk niet dat je er door je afkomst al bent.
Je zit niet automatisch goed, omdat je uit een gelovig gezin komt.
Als ze bij hem komen om een nieuwe start te maken door de doop van hem te ontvangen,
spreekt hij hen scherp aan:
Wat komen jullie hier doen? Denk je dat je door de doop het oordeel van God kunt ontlopen?
Hij zei tegen de menigte die uitliep om door hem gedoopt te worden: 

Adderengebroed, wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn?

Enige tijd geleden las ik een aantal preken die voor de tijd van advent waren gehouden.
Deze preken werden gehouden in de Episcopale kerk (de Anglicaanse kerk in de VS).
Deze kerk heeft een leesrooster, waarbij de verhalen over Johannes de Doper
een plaats krijgen in de lezingen van advent.
Deze predikante gaf in een van de preken aan de gemeente voor
dat zij een adventskalender zou ontwerpen,
zo’n kalender met van die schattige venstertjes.
En dat achter een van die venstertjes een afbeelding van Johannes de Doper zit,
die je na het openen van zo’n venstertje je streng aankijkt en zegt: ‘Addergebroed’.
In een andere preek stelt ze voor die regel op een kerstkaart te laten afdrukken
En iedereen een kerstkaart te sturen met daarop: ‘Jij addergebroed!’
Het was bedoeld als een humoristische plaagstoot richting de gemeente
En tegelijkertijd met een ondertoon van ernst.
Ik vermoedde dat ze de gemeente zo een vraag wilde meegeven
En door het op een humoristische manier te brengen de gemeente wilde laten nadenken
over een vraag die ze anders uit de weg zouden gaan:
Wat heb ik nodig om te veranderen? Door wie laat ik me gezeggen?
En dan niet in het algemeen, maar specifiek op God gericht:
Wie kan mij aanspreken, wie heeft over mij zoveel gezag dat ik naar hem of haar luister
als ik er op aangesproken wordt om mijn leven te veranderen, radicaal, een nieuw begin?
Een nieuwe weg die we inslaan, waar we niet meer van afwijken,
een nieuwe weg die niet even een bevlieging is, die we enkele weken volhouden,
maar radicaal, een totale nieuwe start, die de rest van ons leven bepaalt.
Johannes verkondigt zo’n nieuwe start met God op een speciale manier,
een manier om te laten zien hoe er een verschil is tussen het nieuwe leven
en het oude leven dat er tot dan toe was.
Johannes greep daarbij terug op een oud gebruik onder de Joden:
namelijk om jezelf met water te wassen voor je naar de tempel of de synagoge ging.
Om jezelf te reinigen voordat je God kon ontmoeten.
Voor Johannes was dat niet genoeg.
Wellicht had hij als buitenstaander, omdat hij zo in afzondering was opgegroeid
een scherp oog gekregen voor de afwijkingen in het volk
en gezien dat ze zich in het leven van God er wel makkelijk af maakten.
Elke keer als ze naar de synagoge of de tempel gingen, wasten ze zich,
maar het had geen effect op hun leven.
Ze bleven dezelfde mensen, die op dezelfde manier bleven leven.
In hun gedrag, in hun levensstijl veranderde niets.
Die reiniging was alleen maar iets voor de buitenkant.
Johannes moest met iets komen, dat ook de binnenkant veranderde,
zorgde dat het hart van de mensen die kwamen werd veranderd.
Dat ze ook echt andere mensen werden,
anders omdat ze nu wel God in hun hart hadden.
Daarom stond hij bij de Jordaan, om de mensen onder water te laten gaan.
Met het oude leven dat ze hadden,
Waarvan ze dachten dat het wel goed zat, dat ze er wel waren
omdat ze al aan deze kant van de Jordaan leefden,
en behoorden tot het volk dat God had uitgekozen.
Ze hielden alleen zichzelf buiten schot.
Ze dienden God wel, maar waren er met hun hart niet bij.
Dat is nu voorbij, zei Johannes en liet hen onder water gaan.

De Heidelberger Catechismus vraagt in zondag 33:
Uit hoeveel delen bestaat de bekering?
Antwoord: Uit twee delen: de afsterving van de oude mens
En de opstanding van de nieuwe mens.
Wat die afsterving betekent, en ook die opstanding:
We zien het in de doop die Johannes de mensen laat ondergaan.

Wat is de afsterving van de oude mens?
Het is een oprecht berouw hebben dat we God door onze zonden vertoornd hebben
En het steeds meer haten en mijden van de zonden.

Wat is de opstanding van de nieuwe mens?
Het is een innige blijdschap in God door Christus
en een lust en liefde om naar de wil van God alle goede werken te volbrengen.

Dat de mensen in de doop van Johannes niet alleen maar een scherpe kritiek hoorden
maar ook merkten dat daarin een nieuwe start met God te vinden was
blijkt wel dat ze met een grote menigte op Johannes afkomen om gedoopt te worden.
Voor Johannes is alleen de vraag: gebruiken ze de doop alsnog als uitvlucht
of grijpen ze de doop aan als werkelijk nieuw begin met God?
Zelf is Johannes er niet gerust op.
Zelfs zo’n radicaal ritueel dat aangeeft dat je opnieuw moet beginnen met God
kun je gebruiken om die radicale verandering die er in je hart nodig is,
buiten jezelf te houden en buiten schot te houden.

Maar dan is er nog steeds geen ruimte voor God en kan de Heere niet komen
in het leven, in het hart van de mensen die aangesproken zijn.
Het is Johannes’ taak om wegbereider te zijn,
om in de harten van de mensen, die voor hem komen en door hem gedoopt worden
ruimte te maken voor Christus.
Om de belemmeringen weg te halen, om de blokkades die er zijn uit de weg te ruimen
zodat er vrij ruimte voor de Heere komt om te komen in de harten.

Johannes is een bode van God, gestuurd om het volk klaar te maken voor Jezus,
om Christus te onthalen, in het hart te hebben,
en dan niet alleen voor de vorm, voor de buitenkant,
maar met Hem opnieuw te mogen beginnen, te kunnen beginnen.
God geeft een nieuw begin, door Johannes te sturen als wegbereider,
door Jezus te sturen die voor ons het nieuw begin is.
amen

Uitleg van Lukas 2:22-35

Uitleg van Lukas 2:22-35

Dit gedeelte vertelt over de komst van het kind Jezus met de ouders in de tempel. Via En (vers 22; Grieks: kaì) is dit gedeelte verbonden met de besnijdenis en naamgeving van Jezus, een gedeelte dat weer verbonden is met dat over de geboorte en de komst van de herders.
Om aan het voorschrift van de wet van de HEER (vers 23) of de wet van Mozes (vers 22) te voldoen, gaan de ouders (vers 27) naar Jeruzalem. Jeruzalem is niet zomaar een stad voor de Joden, maar de stad van God en de stad waar de tempel (vers 27) staat.
art for feb 2 DT8826 CROPStad en tempel
Jezus’ werk en Jezus’ leven is niet van de tempel los te maken. In het evangelie van Lukas is Jeruzalem het eindpunt van de reis, die ondernomen wordt door Jezus: daar zal Hij gearresteerd, verhoord en gekruisigd worden. Jeruzalem is ook de stad waar het graf zal zijn en waar de vrouwen merken dat Jezus is opgestaan. Vanaf de Olijfberg nabij Jeruzalem zal Jezus naar de hemel gaan. Een deel van het onderwijs van Jezus vindt plaats in de tempel. Wanneer Lukas vermeldt dat Jezus hier in de tempel aan de HEER wordt gepresenteerd is dat niet zonder betekenis. Temeer omdat het voorschrift, dat de eerstgeboren zoon in de tempel aan de HEER moet worden gepresenteerd, nergens in de Joodse wetten te vinden is.

De betekenis van Jezus’  komst naar de tempel is niet alleen dat Jozef en Maria als torah-trouwe Joden worden gepresenteerd. Het eerste openbare optreden na de geboorte is Zijn komst in de tempel. Mogelijk speelt op de achtergrond de tekst van Maleachi 3:1, dat de HEER zelf tot de tempel komt. Alleen is daar sprake van een ander woord voor de tempel: Lukas gebruikt het woord ieros (heiligdom, tempel), terwijl Maleachi het woord naos (paleis, tempel) heeft.

Reiniging
Er zijn twee redenen om in Jeruzalem de tempel te bezoeken. De eerste reden is dat op de veertigste dag na de bevalling van een zoon de onreinheid van een vrouw voorbij is. De overgang van de status van onreinheid naar reinheid kan alleen door een priester worden aangegeven en wordt gemarkeerd met een reinigingsoffer. Onreinheid houdt in dat iemand geen deel uitmaken de godsdienstige vieringen. Een vrouw die net bevallen is en een kind dat net geboren is zijn onrein, onder andere door het bloed dat vrijkomt bij de bevalling. De eerste fase van onreinheid is na 7 dagen voorbij. Daarom wordt een jongen op de 8e dag besneden. Met een reinigingsritueel (hier door middel van een offer) wordt een vrouw weer rein verklaard en kan ze weer deelnemen aan de godsdienstige rituelen.
PWI95117

In Leviticus 12:1-8 wordt de noodzaak van deze reiniging voorgeschreven. In Leviticus is dit ritueel alleen voor de moeder bestemd. Lukas vertelt echter dat ook Jezus gereinigd moet worden. Hij verschuift de aandacht van moeder naar kind, ook in het reinigingsritueel.

Presentatie
Een tweede reden waarom Jozef en Maria naar de tempel gaan, is om Jezus voor te stellen (vers 22), te presenteren als oudste zoon. Volgens Lukas is die presentatie een regel die in de wet van Mozes voorkomt. Dit voorschrift is echter niet in de wet van Mozes opgenomen, ook al citeert Lukas hier uit Exodus. Dit voorstellen van Jezus is bedoeld om Jezus in de presentie van de HEER te brengen, zoals ook Gabriël verkeert in de aanwezigheid van de HEER. Naast het in de tegenwoordigheid van God brengen, bij de heilige sfeer bij de HEER in Zijn heilige tempel, heeft deze voorstelling ook de betekenis van toewijding aan de HEER. Dit Kind is door de Heilige Geest geboren. De presentie van dit Kind in de tempel is een bevestiging van wat dit Kind al is: heilig voor de HEER (vers 23).

Godsnaam en Heilige Geest
In de eerste twee hoofdstukken gebruikt Lukas veelvuldig de naam HEER (Grieks: kurios) om God aan te geven. Ook in deze perikoop gebruikt Lukas deze Godsnaam veelvuldig. Daarnaast is de Heilige Geest een belangrijke actor: ‘Bij Lukas is de Heilige Geest de choreograaf van de gebeurtenissen’. De Geest is op (Grieks: epi) Simeon; door middel van (Grieks: hupo) de Geest weet Simeon dat de vertroosting van Israël aanstaande is; door (Grieks: en) de Geest komt Simeon in de tempel. Waar in het Oude Testament slechts een enkeling is op wie de Geest is, zijn de verhalen uit Lukas 1-2 vol met mensen in wie de Geest bezig is. De geboorte van Jezus markeert de nieuwe tijd van Joël 2, waarin aangekondigd wordt dat de Geest op ouderen en jongeren zal zijn.

witherington1
Simeon
Van Simeon weten we weinig. Ook zijn leeftijd weten we niet. Persoonlijke informatie wordt nauwelijks gegeven. Alleen zijn rechtschapenheid (dikaios) en zijn vroomheid (eulabès) worden gemeld als karaktereigenschappen. Verder wordt nog verteld dat Simeon uitkijkt naar de vertroosting van Israël: het eschatologische herstel van het volk Israël, zoals het in DeuteroJesaja is aangekondigd (Jesaja 40:1 bijvoorbeeld). Simeon is als een wachter, die uitkijkt naar de nieuwe morgen die de verlossing van Israël zal zijn (Psalm 130).

De belofte aan Simeon
Deze Simeon heeft de belofte gekregen dat hij de vertroosting van Israël zal zien met eigen ogen. Het woord zien (met eigen ogen) geeft aan dat de vervulling van die belofte een theofanie (verschijning van God) zal zijn. Dat Kind dat in de tempel gebracht gaat worden, zal de verschijning van God zijn en zal de vervulling van Gods belofte in persoon zijn. Lukas geeft door middel van een woordspel de belofte van de Geest door: nog voor Simeon de dood zou zien, zou hij de verlossing zien. Zoals de herders mogen zien wat de engel verkondigt, mag Simeon de vervulling van de belofte zien. Zien duidt op een directe vorm van openbaring, zoals Simeon al van de Heilige Geest door middel van  goddelijke communicatie (Grieks: kechrèmatisménon; vers 26) had te horen gekregen.

Lofzang
Als Simeon de ouders aantreft (ook al is Jozef niet de biologische vader), neemt hij het kind in de armen en looft hij God. Anders dan de lofzang van Maria en Zacharias is dit niet een lofzang over God, maar een lofzang tot God gericht. Simeon prijst God om wat Hij in dit Kind gaat doen. Allereerst looft Simeon God, omdat zijn diensttijd erop zit. Hij hoeft niet meer uit te zien als een wachter. Hij kan in vrede heengaan. Dat kan betekenen dat Simeon nu kan sterven. De uitdrukking kan ook betekenen dat zijn diensttijd erop zit, omdat de diensttijd van Jezus is aangebroken. Het wachten zit erop. De knecht (Grieks: doulos) mag afgelost worden door de Knecht des Heeren – zoals DeuteroJesaja aankondigde. DeuteroJesaja is een belangrijk gedeelte voor Lukas om de betekenis van Jezus aan te geven.

Voor alle volken

Lukas is een tweestemmig evangelie: aan de ene kant benadrukt hij de Joodse herkomst van Jezus; aan de andere kant geeft hij aan dat de verlossing niet alleen voor Israël is bedoeld, maar voor alle volken. Dat klinkt ook door in de lofprijzing van Simeon. Het bijzondere van deze lofprijzing is niet alleen dat de heidenvolken mogen delen in de verlossing en gelijk aan Israël zijn, maar ook dat zij vooropgeplaatst worden in de laatste regel van het Nunc Dimittis. Het verschil is dat de heidenvolken bekering nodig hebben en dat zij daarom het licht nodig hebben om het duister van de godloosheid te verdrijven, terwijl voor Israël de eer, glorie als volk van God wordt hersteld.  Ook in de verlossing van de heidenvolken deelt Lukas in de verwachting van DeuteroJesaja.

Tweedeling
De tweedeling van Israël en de heidenvolken wordt afgewisseld door een tweedeling in het volk. Jezus zal redding brengen aan Israël en zorgen dat er velen zullen zijn die nieuw leven zullen ontvangen. Tegelijkertijd zullen er velen zijn die dit nieuwe leven in Jezus zullen afwijzen. Zij zullen over Jezus heenvallen: Jezus is een val en een opstanding. Die tweedeling blijft tot aan het einde van Handelingen bewaard.

 

Preek Eerste Kerstdag – middagdienst

Preek Eerste Kerstdag – middagdienst
Schriftlezing: Mattheüs 1:18-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als we alleen het Evangelie van Mattheüs zouden hebben,
zou ons Kerstfeest er heel anders uit zien.
Dan zouden we geen reis van Jozef en Maria naar Bethlehem hebben,
omdat ze zich in Bethlehem zouden moeten inschrijven.
Dan zouden we geen stal en kribbe hebben
en zouden we het zonder de herders en de engelen moeten doen, geen Ere zij God.
Het verhaal dat Mattheüs ons vertelt is maar heel sober:
Jozef die merkt dat Maria, zijn Maria, zwanger blijkt te zijn
en daarom heimelijk bij haar weg wil gaan,
maar tegengehouden wordt door een engel die in een droom verschijnt.
Als we alleen Mattheüs zouden hebben,
zouden we niet de familie van Jezus gezellig en romantisch bij elkaar in een stal hebben,
maar zouden we een tafereel hebben, waarbij Jozef er heimelijk tussenuit knijpt
en tegengehouden wordt door een engel, die hem weer terugstuurt naar Maria.

Mattheüs vertelt zijn verhaal niet zomaar, niet zonder reden.
Hij heeft zijn verhaal zorgvuldig uitgezocht om een boodschap door te geven.
Net als Lukas dat trouwens heeft gedaan.
De boodschap die beide evangelisten willen doorgeven verschilt niet zoveel van elkaar.
De boodschap die Mattheüs wil doorgeven is: hier zie je God aan het werk.
Dat zou je ook van Lukas kunnen zeggen.
Waar ze in verschillen is vooral de reactie van de mensen die ervan horen.
Lukas vertelt over Maria en Jozef en herders die geloven.
Mattheüs laat zien dat het tijd kost om te geloven dat God aan het werk is.
In ieder geval voor Jozef kost het tijd om te geloven dat God in Maria aan het werk is.
Dat haar zwangerschap niet een normale zwangerschap is,
maar een bijzondere, omdat God er op een unieke manier bij betrokken is.
Nu is elke zwangerschap bijzonder en is bij elke zwangerschap God betrokken,
maar hier in de zwangerschap van Maria is geen enkele menselijke betrokkenheid.
Ja, of het moet Maria zijn, maar…
ook voor Maria geldt dat haar baarmoeder slechts een plek is waar God gevonden wordt.
Wat in haar groeit is meer dan een gewone schepping.
In haar groeit Degene die de wereld zal herscheppen, de Herschepper,
de Bevrijder uit de macht van de zonde.
Jozef ontdekt dat Maria zwanger wordt, maar uit de manier waarop Mattheüs vertelt
wordt niet duidelijk of hij ook door heeft
dat de zwangerschap van Maria met de Heilige Geest te maken heeft.
Hij wil bij haar weg gaan, omdat ze zwanger is.
Als verklaring waarom hij bij Maria weg gaat, wordt gezegd dat hij rechtvaardig is,
een eretitel
Een rechtvaardige is iemand die eerbied voor God heeft en daar ook naar leeft.
Vaak wordt daarbij gedacht dat Jozef ruimte maakt voor Maria, om haar eigen weg te gaan.
Rechtvaardig is iemand allereerst in de verhouding tot God.
Rechtvaardig ben je als je respect hebt voor God en Gods werk,
als je bereid bent om je leven in dienst van God te stellen,
ook al heeft dat consequenties.
Het is echter niet Gods plan dat Jozef bij Maria weg gaat en haar alleen laat.
Jozef heeft een plaats in het plan van God, naast Maria.
Als God aan het werk is, heeft Hij ons mensen er niet bij nodig,
maar Hij betrekt mensen er wel bij.
Jozef is niet de eerste, die door God betrokken wordt
om dat Kind, dat de redding zal brengen en Redder zal zijn, op aarde te brengen.
Aan Jozef gaat een hele geschiedenis vooraf
van mannen en vrouwen die een plek hebben in het plan van God.
De Heere is machtig genoeg om zonder deze mensen ook Zijn plan uit te voeren
en toch hebben ze allemaal stuk voor stuk hun plek in de geschiedenis
die uitmondt in de komst van Christus op aarde.
Al die namen, die in Mattheüs 1 genoemd worden, – het geslachtsregister –
zijn allemaal stuk voor stuk een getuigenis, dat God hier aan het werk is.
Jozef neemt zijn plek in de familie in, ook als iemand die God mag dienen.
In al die geschiedenissen van zijn familie en ook in die van Jozef zelf is Gods hand te zien:
Hier ben Ik aan het werk.
Mattheüs laat ons terugkijken,
niet alleen in de geschiedenis van Israël en in de geschiedenis van de gehele wereld
om ons te laten zien hoe de Heere in al die eeuwen, die vooraf gaan aan Christus,
God niet stil gezeten heeft, maar bezig geweest is, aan het werk geweest is
om Zijn Zoon hier op aarde te brengen.

Op welke manier God aan het werk is, kun je vaak pas achteraf zien
Als je vanuit later tijd terugkijkt op gebeurtenissen.
En dan blijkt in het geval van Jozef God al vanaf het begin van de schepping aan het werk
aan het werk in de wereld, aan het werk in zijn familie.
Er zijn momenten waarop het heel duidelijk is dat God aan het werk is:
Toen Adam werd geschapen, toen Abraham werd geroepen, David werd gezalfd.
Er zijn tijden waarin dat veel minder duidelijk was
of dat er afgevraagd werd of er nog wel een God in de hemel was
die Zich om deze wereld, die Zijn wereld is, bekommerde.
Toen Adam en Eva van de vrucht aten en de zonde in de wereld kwam.
In de eeuwen dat de nakomelingen van Jakob in Egypte verbleven
of in de tijd van de richters, toen de omringende volken steeds binnenvielen
om te plunderen en het volk tijdenlang kwam onderdrukken.
In al die tijden en door al die eeuwen heen was de Heere bezig met Zijn plan
en liet Hij niet los wat Zijn hand begon.
Er kwamen profeten die iets mochten laten zien van waar God mee bezig was
en waar het op uit liep: dat er eens een Kind geboren zou worden uit een jonge vrouw.
Niet zomaar een Kind, maar de Koning der wereld
En met die Koning zou er een heel nieuw begin gemaakt worden.
In een droom krijgt Jozef te horen dat zijn Maria die beloofde Koning in zich draagt.
Hij krijgt die droom als hij het plan opgevat heeft om Maria te verlaten,
als hij bij haar weg wil gaan.
Dan komt de engel in een droom naar Jozef toe om hem tegen te houden.
Jozef moet niet bij Maria weg gaan.
Want God wil hem gebruiken, zoals de Heere ook Maria inschakelde in Zijn plan.
God kan zonder mensen werken, maar Hij betrekt ze wel steeds om Zijn plan uit te voeren.

Waarom zou Jozef nodig geweest?
Waarschijnlijk om Maria en Jezus een goed thuis te bieden.
Om Maria en Jezus bij te kunnen staan als ze op de vlucht moeten voor Herodes
en een veilig onderkomen moeten vinden in Egypte.
Om Maria te kunnen steunen in haar rol als moeder van de Heere.
Want dat zal voor Maria vast geen eenvoudige taak zijn geweest.
Om voor het Kind dat geboren wordt een voorbeeld te zijn van rechtvaardigheid,
zodat de Koning die geboren zal worden opgroeit in een gezin van iemand die integer is.
Jozef biedt niet alleen een thuis aan dit kind, een een goed voorbeeld,
maar Jozef kan dit Kind dat geboren gaat worden ook een familiegeschiedenis aanbieden:
Een familie die teruggaat op het allereerste begin van de wereld: Adam.
Daar begon de geschiedenis van de mensen mee.
Het Kind dat geboren gaat worden zal niet een van de zoveelste in de rij zijn,
vergelijkbaar met al diegenen die in de familiegeschiedenis worden opgenoemd.
Het Kind dat Maria ter wereld zal brengen en opgenomen zal worden in Jozefs gezin
was er reeds voor hem en voor al diegenen die genoemd zijn
en zelfs betrokken bij de schepping van de allereerste mens.
Dat blijkt wel uit de tweede naam die de engel aan Jozef bekend maakt:
Immanuël – God met ons.

Normaal gesproken laat een naam die aan een kind gegeven wordt iets oplichten
van het werk dat God zal gaan doen in de tijd dat het kind opgroeit of zelfs door dit kind.
Die tweede naam die het Kind zal moeten krijgen, zo vertelt de engel,
betekent niet alleen dat God door dit Kind zal werken,
maar dat God zelf bij ons is met dat Kind.
God aan het werk – niet alleen maar in de hemel en vanuit de hemel op aarde,
maar God aan het werk op aarde, in de persoon van Jezus,
van dat Kindje dat groeit in de buik van Maria en dat op zo’n bijzondere manier is ontstaan.
Immanuël – dat betekent dat het Kind dat geboren wordt
ook de naam van God zal dragen en alles wat er met de naam van God wordt gezegd.
Zoals de naam van God een schuilplaats is waar je veilig bent,
– de naam des Heeren is een sterke toren.
zo kunnen we schuilen in Jezus, geborgen in Zijn naam.
Zoals de naam van God op de gemeente gelegd wordt in de zegen,
zo zal de naam van Jezus een naam zijn die voor ons tot een zegen is.
Immanuël: God is erbij, bij elke situatie die je overkomt.
Of je op school zit, of net begonnen bent met je werk, of je met pensioen bent,
of je alleen bent of een relatie hebt, of je gezond bent of juist niet.
Immanuël – Ik ben met je – zegt deze Heer: Jezus Christus.
Immanuël betekent niet zozeer dat Christus in alles met ons meegaat
om ons bij te staan en ons moed in te spreken, om ons op te vangen,
maar om het voor ons in orde te maken, wat er mis zit in ons leven.
Immanuël betekent dat Jezus in de naam van God en als God
het voor ons op orde maakt, voor ons werkt, zoals God de Vader voor ons werkt.
Mattheüs zal er in de loop van zijn evangelie meer over vertellen:
Hoe Jezus vertelt over het Koninkrijk van God, om ons te bewegen te geloven
en te komen tot Hem en door Hem het koninkrijk van God mogen binnengaan.
Hoe Jezus rondtrok door de steden en de dorpen om de zieken te genezen
en meer nog: de ziekten te dragen,
de ziekten die er zijn en de oorzaak ervan op zich te nemen:
Onze ziekten heeft Hij gedragen (Jesaja 53).
Omdat Hij de naam van God draagt – Immanuël – en God-met-ons is
heeft Hij ook de volmacht van Zijn hemelse Vader gekregen om te vergeven,
om de zonden van ons weg te nemen
en zo Zijn naam Jezus eer aan te doen: bevrijder van onze zonden.

De evangelist Mattheüs zet de familiegeschiedenis
en het bijzondere van Zijn geboorte en de namen die Jezus zal dragen
bewust voorop, zodat we elke keer als we over Jezus lezen
we bij het lezen bedenken dat deze Jezus onze Redder is
en dat deze Jezus die vertelt en rondgaat, die geneest en verkondigt
ook die tweede naam waarmaakt: God- met – ons.
Want waar de Mattheüs zijn evangelie mee begint,
daar eindigt hij zijn beschrijving van Jezus ook mee
om aan te geven dat de naam Immanuël niet alleen voor Jozef geldt,
maar voor ieder die gelooft of zal geloven.
Want dat is wat Jezus zegt als Hij Zijn leerlingen erop uit zendt:
Ik ben met jullie – alle dagen die er zijn. Tot aan de voleinding van de wereld.
De betekenis van de naam Immanuël zal dus nooit eindigen.
Ook voor ons, die nu vanmiddag bij elkaar zijn, geldt deze naam.
Als we geloven in deze Jezus, leven wij in Zijn naam,
en hebben we Jezus in ons midden, God-met-ons en God die voor ons werkt.
Waar twee of drie in Mijn naam bij elkaar zijn, daar ben ik ook.
De aanwezigheid van God op aarde, die in Jezus begonnen is, houdt niet op.
Ook als deze Jezus, die als Kind geboren werd uit Maria,
van de aarde is heengegaan, zijn we nog in de aanwezigheid van deze Immanuël.
Jezus is het beginpunt van God-met-ons,
als is dat ook niet iets nieuws, want wat Jezus doet
is een vervulling van de beloften uit het Oude Testament.
Wat Jezus doet, is die beloften vervullen. Hij maakt ze waar.
Hij laat zien dat het God menens is met Zijn belofte,
met Zijn belofte aan Adam en Eva, aan Abraham en Sara, aan het volk Israël,
de boodschap die Zijn profeet Jesaja kwam brengen.
God-met-ons, God aan het werk – de engel maakt het Jozef bekend,
zodat Jozef zijn plek kan innemen in het plan van God en er voor Maria is
en ook voor het Kind dat geboren wordt.
Jozef: een voorbeeld in geloof, die zich dienstbaar opstelt aan het Kind van Maria
en die ook zijn plek inneemt in het plan van God,
zodat God door hem heen kan werken om Zijn beloften te vervullen.
God werkt.
Wat God in Jezus begonnen is, dat is niet opgehouden en gaat nog steeds door.
Ook voor ons is Jezus God-met-ons, Immanuël,

de God die er voor ons is en met ons is.
Van het begin dat deze wereld geschapen is, totdat deze aarde voorbij zal zijn
is God aan het werk voor ons en is Hij met ons.
Ik heb het in deze preek nog niet gehad over het kruis dat op Golgotha staat,
maar dat is niet los te zien van de naam die Jezus krijgt.
Want ook daar is Jezus de Immanuël – God die met ons is en voor ons werkt.
Al moest Hij het zelf uitroepen dat Hij door God verlaten werd.
De Immanuël Zelf door God verlaten
die tegen ons zegt: Ik verlaat je nooit. Alle dagen van deze wereld,
totdat Ik terugkom, zal Ik er zo voor je zijn:
als Jezus – redder van de zonden, als Immanuël – God voor jou, u aan het werk.
Voor ons komt er geen engel om duidelijk te maken Wie Jezus is,
hoe bijzonder Hij is en hoe wij onze plek kunnen innemen in Gods plan,
net zoals Jozef zich dienstbaar opstelde aan Gods plan, een voorbeeld in geloof.
zo wordt van ons geloof gevraagd in deze God-met-ons en God voor ons aan het werk.
Amen

Preek Eerste Kerstdag 2019 – morgendienst

Preek Eerste Kerstdag 2019 – morgendienst
Schriftlezing: Lukas 2:1-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je familie of vrienden ontmoet, die je maar een enkele keer per jaar ziet,
kan het twee kanten opgaan tijdens die ontmoeting:
Of je gaat verder waar je de vorige keer gebleven bent
en de ontmoeting verdiept de relatie verder
en al zie je elkaar maar een enkele keer, dit contact, deze relatie voegt echt iets toe.
Je zou elkaar wat vaker willen ontmoeten, maar de agenda’s laten het niet toe.
Of het gesprek tijdens die ontmoeting blijft oppervlakkig
en je vertelt over jezelf precies hetzelfde als je de vorige keer hebt gedaan.
Als je dan weer naar huis gaat, bedenk je dat het op zich prima is om elkaar weer te zien,
maar je hebt niet de behoefte om hen vaker te zien, omdat de relatie niet verdiept.

Bij een preek met kerst is het gevaar van het laatste groot aanwezig.
Je bent weer in de kerk net als vorig jaar
en weer hoor je over het Kindje, over Maria en Jozef, over herders en wijzen, over Augustus,
En het doet met je wat het vorig jaar ook deed:
Het is op zich prima om weer over hen te horen, maar het verdiept niet echt.
Ik wilde voor de kerstpreken echter meer:
dat het meer is dan gewoon prima om in de kerk te zijn met kerst,
maar dat u, dat jij ook echt het gevoel hebt na afloop dat het goed was
om met kerst in de kerk te zijn, omdat het je wat deed,
Dat er gebeurde, waar u op hoopte, namelijk dat er een ontmoeting met God plaats vond
in de liederen die we in de kerk zongen, in wat je hoorde in de preek.
Zo zou je de kerk uit willen gaan: met een ontmoeting met God, een ervaring van God.
Alsof je zelf daar in die stal aanwezig was,
toen Maria het Kind vol eerbied en aanbidding in de kribbe legde,
dat u erbij was toen de herders geroepen werden en meeging op weg naar de stal
En daar aangekomen met hen ook in aanbidding neerknielde:
U bent ook voor mij gekomen. Voor mij verliet U de hemel en kwam U naar de aarde.
Ik ben nu vanmorgen gekomen om U te aanbidden.

Lukas vertelt trouwens niet dat de herders het Kind in de kribbe aanbidden.
Al is het niet vreemd en ook niet verkeerd om te bedenken dat ze geknield hebben
en dat ze het kind aanbeden hebben.
Want knielen en aanbidden zijn gepaste reacties als je God tegenkomt
en de herders ontmoeten daar in Kind dat geboren is, in Jezus die daar in de kribbe ligt,
ontmoeten ze de hemelse Heer, die boven de engelen staat:
God zelf ontmoeten ze daar, in de kwetsbare gestalte van een klein, pasgeboren Kind.
Lukas gebruikt andere woorden om de ontmoeting te beschrijven:
De herders vinden Maria, Jozef en het Kind in de kribbe en ze zien het Kind.
Daarmee kunnen we hun ontmoeting met de Heere beschrijven: met vinden en met zien.
Vinden heeft hier de betekenis van: ontdekken – het ontdekken van een bijzonder geheim,
of een kostbare schat, waar je opeens op stuit.
En bijzonder is het om dit geheim te mogen ontdekken:
Dat God uit de hemel is afgedaald om mens te worden,
dat Kindje dat daar ligt in de kribbe, kwetsbaar net als elk ander pasgeboren kind,
de Koning van het heelal, God de Zoon.
Zo maar midden in hun dagelijkse bezigheden – de wacht houden over hun kudde –
is er opeens een mogelijkheid om God te vinden; een positieve verrassing.
Er komt een engel uit de hemel, door God zelf gestuurd, om hen in te lichten,
Waardoor ze op weg gaan om de verlosser die gekomen is te zoeken.
En ze vinden Hem.
Het is geen ingewikkelde zoektocht. Ze hoeven niet ingewikkeld te doen.
God laat zich vinden, op Zijn eigen aanwijzing.
Dat is wat Kerst is: dat God zich laat vinden hier op onze aarde.
Dat Hij uit de hoge hemel is neergedaald om mens te worden net als wij.
Je moet er wel op uit trekken om Hem te vinden,
maar als je gaat om Hem te ontmoeten, dan zul je Hem ook vinden.
Dat is de belofte van Kerst: dat je God kunt vinden, zoals de herders Hem vinden
en met hun eigen mogen zien.

Daar in die stal, als de herders hun Heer vinden, is het even een rustpunt
in een chaotische wereld, een oase van rust in een wereld op drift.
De kribbe waarin dit Koningskind wordt neergelegd
staat in een wereld waarin veel landen hun eigen vrijheid zijn kwijtgeraakt,
Een wereld waarin veel mensen gedwongen worden op pad te gaan
om zich te laten registreren om later eventueel dienstbaar te kunnen zijn
aan dat verre Rome, hetzij om als soldaat te dienen, hetzij om belasting te bepalen.
Een wereld waarin veel mensen niet de regie over hun eigen leven hebben
en Jezus zelf heeft daarmee te maken,
omdat zijn wieg niet in de woonplaats van zijn ouders staat,
maar ergens anders, omdat zijn ouders op reis moesten gaan
in opdracht van een verre keizer die wel de regie over de wereld lijkt te hebben
en met één bevel een hele wereld in beweging kan brengen.
Zo deelt deze pasgeboren Koning in het leven van veel kinderen,
die onderweg geboren worden, omdat de ouders onderweg zijn:
op de vlucht of op zoek naar een beter bestaan,
of omdat iemand hen de opdracht heeft gegeven om weg te gaan.
Dat je in zo’n wereld God kunt vinden, dat je Hem aantreft, zoals de herders dat doen,
dat is een wonder, en dat is juist het wonder van Kerst,
Dat God in deze onrustige wereld afdaalt en mens wordt,
de almachtige God, heerser over hemel en aarde,
kwetsbaar als een baby, afhankelijk van een liefdevolle zorg van ouders,
God geeft de regie uit handen als Hij in Jezus mens wordt
en tegelijkertijd blijkt Hij de regie te hebben als Hij
de mens Augustus, die door zijn volksgenoten als een god wordt gezien,
gebruikt om dit onopvallende stel, Jozef en de zwangere Maria in Bethlehem te krijgen.
Zodat Hij daar geboren wordt, in de stad van David
en gevonden kan worden door de herders die de wacht hielden in het veld.
God laat zich vinden, ook door u en door jou.
Of je nu net als Maria en Jozef gerekend hebt op de aanwezigheid van Christus,
of dat je er niet op gerekend had Christus te vinden.
Of je leven nu op een alledaagse manier verloopt,
zoals de herders die bezig zijn met hun gewone werk,
of dat je je in een turbulente wereld bevindt, zoals Jozef en Maria
die geen regie hebben over hun eigen leven en gedwongen op reis zijn,
omdat iemand ver weg een bevel heeft uitgevaardigd heeft.
Zo kun je het gevoel hebben dat anderen je leven bepalen,
dat je werk zo’n druk geeft, of de regels van de overheid waar je tegenaan loopt,
gedoe binnen je familie.
De kribbe van onze Heere staat midden in deze turbulente wereld,
midden in jouw wereld en mijn wereld,
Waar het soms goed uit te houden is en waar het soms ook heel zwaar is.
De Koning die in de wereld van Zijn onderdanen stapt,
niet om even een kijkje te nemen en dan naar een paar uurtjes weer weg te zijn,
in zijn paleis, waar hij zich kan terugtrekken in een zorgeloos bestaan.
Nee, deze Koning wil alles meemaken, wat wij meemaken.
Ook Hij werd geboren, een kwetsbare en gevaarlijke gebeurtenis,
want niet elk kind dat in de moederschoot groeit wordt overleeft de bevalling.
Deze Koning zal zich niet afschermen van het leed van deze wereld,
maar tussen Zijn onderdanen opgroeien, omdat Hij voor hen gekomen is.
Dat zegt de engel ook tegen de herders: Hij is voor U geboren.
Deze Koning Jezus kwam niet voor zichzelf naar de aarde,
maar voor u, voor jou, voor mij.
Zijn geboorte zal grote vreugde geven, voor iedereen, voor u, voor jou, voor mij.
Want deze Koning zal de Redder zijn – de Bevrijder.
Hij komt om te verlossen, te redden, te bevrijden.
God zelf die uit de hemel komt om te redden, te verlossen.

Dit Koningskind, waar de engel over sprak en waar de herders naar op zoek gingen
is een Redder – Zaligmaker, Heiland.
Al die woorden hebben ermee te maken, dat dit Kind dat geboren is
de weg naar God weer vrij maakt en het mogelijk maakt dat wij weer bij God horen.
Dit Kind, God zelf die naar de aarde komt om ons weer bij Hem terug te brengen
en daarmee ons te genezen, te helen, te redden van de zonde – onze God!
Wat dit Kind ons kan brengen, kan geen enkel ander mens op aarde brengen.
Geen wereldleider, geen profeet, geen politicus, geen geestelijke.
Keizer Augustus, die met dat bevel de hele wereld op z’n kop zette
zag zichzelf ook als redder en werd door zijn aanhangers bejubeld als redder,
als heiland en zaligmaker, meer dan een mens, met goddelijke status.
Dit pasgeboren Kind, deze Zaligmaker, Jezus de Heer kan meer bieden
dan wie ook op aarde leeft of heeft geleefd of zal leven.
Lukas vertelt wat er van dit Kind terecht komt als het opgegroeid is.
Jezus bindt de strijd aan tegen duivel en zal die strijd winnen.
Hij brengt de heerschappij van God weer op de aarde terug,
door de wonderen die Hij verricht, door de verhalen die Hij vertelt,
door de mensen, die op de verkeerde manier leven, te zoeken en terug te brengen.
Jezus die in de kribbe gelegd wordt, dit Koningskind, blijft niet in Bethlehem wonen.
Daar begint Hij wel, om aan te geven dat met Zijn komst Gods beloften in vervulling gaan.
Dat God Zijn hart laat spreken, bewogen is met deze wereld, met ons, met u, met mij
en dat Hij zelf gekomen is om het weer goed te maken en ons terug te brengen.
De kribbe in de stal is geen eindpunt van de reis, maar juist begin.
Een reis die zal voeren naar Galilea en Judea, naar Jeruzalem,
waar een kruis zal staan, waar Hem een kroon van doornen zal wachten,
Waar een graf klaar gemaakt zal zijn om deze dode Koning in te leggen.
Dat zal de weg van dit Koningskind zijn om die redding te brengen
en daarmee de vreugde die de redding zal brengen.
De kribbe is het begin van die redding.

Geen wonder dat ze vol vreugde zijn als de herders dit Kind vinden
en mogen zien met eigen ogen, de stal kunnen binnentreden en op de knieën gaan.
Hier zijn wij Heere, onze redder, ons leven is van U voortaan.
Wij knielen voor u neer, wij wijden ons toe aan U, U bent onze Koning.
Voor ons is het om ook dat Kind te vinden, om te knielen bij de kribbe
en ons hart te openen voor Hem, in eerbied neer te knielen en te aanbidden.
Wij kunnen dat Kind niet vinden op de manier van de herders
en niet met eigen ogen zien, zoals de herders dat voorrecht wel hadden.
Hoe kunnen wij dit Kind dan vinden?
Hoe kunnen wij dan komen en aanbidden, zoals we deze dienst begonnen?
Door ons hart te openen en deze Heer binnen te laten.
Door in onze gedachten de stal binnen te stappen en in onze verbeelding te knielen.
Hier zijn wij Heere, onze redder, ons leven is van U voortaan.
Wij knielen voor u neer, wij wijden ons toe aan U, U bent onze Koning.
Over die herders wordt verteld, zodat ook wij deze Heer vinden en begroeten.
Dat Hij Zijn intrek in ons hart neemt
en zo ook onze, mijn Redder, mijn Heiland, mijn Zaligmaker wordt.
Ik kniel aan uwe kribbe neer,

o Jezus, Gij mijn leven!

Ik kom tot U en breng U, Heer,

wat Gij mij hebt gegeven.
Amen

Meditatie Kerstviering 2019

Meditatie Kerstviering 2019

Het was geen makkelijke tocht vanuit Nazareth naar Bethlehem.
Omdat Maria hoogzwanger was, duurde de reis langer.
Geregeld stopten ze om Maria de rust te geven die ze nodig had.
Het was een hele opgave om in deze omstandigheden op reis te zijn.
Dat was niet hun eigen keuze.
Ze moesten wel, vanwege een opdracht die ver weg in Rome was gegeven.
De keizer in Rome wilde dat iedereen in zijn uitgestrekte rijk ingeschreven werd.
Dan wist hij wat voor belasting hij kon innen
en hoeveel soldaten hij kon oproepen voor de oorlog.
Jozef en Maria wisten dat ze niet in Nazareth konden blijven.
Want hun familie komt van oorsprong uit een andere plaats.
Ze zouden naar Bethlehem moeten gaan, waar hun stamvader David vandaan kwam.
Zo gingen ze op weg. Ze hadden geen andere keuze.
Wellicht waren ze nog nooit eerder in Bethlehem geweest
en hadden ze de route moeten uitzoeken
of onderweg moeten vragen of ze in de juiste richting gingen.

Na een paar dagen reizen kwamen ze aan in de stad van hun bestemming: Bethlehem.
Hier lagen hun wortels, hier kwam hun beroemde voorvader David vandaan.
Er was echter niemand die hen kwam binnenhalen
als afstammelingen van deze beroemde Bethlehemiet.
Geen ontvangstcomité die blij was met hun komst.
Eerder het tegendeel.
Als ze langs de deuren gaan op zoek naar een plek om te kunnen overnachten
is alles vol – ook in de herberg is er geen plek.
Het zou kunnen zijn dat er meer mensen onderweg waren om zich in te schrijven.
Of wellicht zag de waard van de herberg het niet zitten
dat er een hoogzwangere vrouw in zijn herberg zou verblijven,
bang voor de consternatie die een bevalling zou kunnen geven bij de andere gasten.
Er was geen plaats voor haar in de herberg,
terwijl juist het moment gekomen is dat zij moet bevallen.
Het Kind dat geboren wordt, ziet er niet bijzonder uit. Net als alle andere baby’s.
En toch, als Maria haar eerstgeboren Zoon in de armen houdt,
Weet ze dat dit Kind bijzonder is.
Het is niet alleen haar Kind, maar ook Gods Zoon.
De engel had aangekondigd dat ze van Hem in verwachting zou raken.
En nu is Hij geboren, de aangekondigde Zoon,
die niet alleen voor haar een grote vreugde is, maar voor ieder die er over zal horen.
Vol eerbied wikkelt ze Hem in doeken en legt Hem in een kribbe.
Met deze handeling aanbidt ze haar Kind, die meer is dan een gewoon kind.
In dit Kind komen beloften uit, die God al eeuwen geleden gesproken had,
Tegen Eva over een Kind dat uit haar geboren zou worden
en de kop van de slang zou vermorzelen.
Beloften die door de profeet Jesaja uitgesproken werden:
Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons geboren
En men noemt Zijn naam: Wonderlijk, Raadsman, Sterke God Eeuwige Vader, Vredevorst.
Maria kan er niet over uit: God heeft Zijn beloften vervuld.

Op hetzelfde moment gebeurt er verderop, in de buurt van Bethlehem iets bijzonders.
Waar een groep herders bij elkaar is om de wacht te houden over de schapen,
verschijnt een engel en hij vertelt namens God dat dit bijzondere Kind geboren is.
Als de engel is uitgesproken, verschijnen er nog veel meer engelen:
Een grote menigte van engelen bezingt de eer van God:
Eer zij God in de hoge en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.
De herders zijn verbaasd over wat er gebeurt.
Hier hadden ze niet opgerekend.
Ze blijven echter niet achter bij de schapen.
Ze gaan op weg naar Bethlehem, op zoek naar de stal met de kribbe
waar ze dit Kind kunnen vinden.
Als ze de stal vinden, betreden zij het vol eerbied en ontzag.
Vol ontroering knielen ze neer bij de kribbe.
Ze kunnen niet uit over het wonder dat hier gebeurd is:
De Verlosser geboren, God die mens geworden is, net als zij.
Het begin van een lange weg om Zijn volk te redden van de zonden.
Ze vertellen Jozef en Maria wat hen overkomen is,
over hoe de engel vertelde van de geboorte van Jezus Christus de Heer
En dat ze Hem konden vinden in de kribbe, in doeken gewikkeld
En dat ze gekomen waren om Hem te aanbidden.
Een kleine gemeenschap is zo aanwezig om de kribbe waarin Gods Zoon ligt.
Vreugde en eerbied is er in de harten van allen die er aanwezig zijn.

Vandaag zijn wij bij elkaar om dit wonder te vieren.
Dat Christus naar de aarde kwam, dat Hij geboren werd, onze Redder.
Ook wij zijn geroepen om te aanbidden.
Al kunnen wij niet naar Bethlehem gaan, wij kunnen wel in ons hart knielen,
voor onze Heer die geboren werd en daarmee onze redding bracht.
Komt laten wij aanbidden, die Koning!

 

Preek zondag 15 december 2019

Preek zondag 15 december 2019
Schriftlezing: Mattheüs 25: 1-13 / Lukas 13 : 23-30
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het verhaal dat Jezus vertelt staat een feest centraal.
De komst van Christus, waar we als gemeente naar uitkijken, zal een feest zijn.
Zoals er op een feest vreugde is, er gevierd wordt,
zo zal de komst van Christus een grote vreugde zijn, zal er gevierd worden.
Het zal niet een zuinig gebeuren zijn.
Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed.
Die overvloed zal er zijn als Christus terugkomt:
rijk gedekte tafels, een groot feest, een intense vreugde.
Dat brengt de komst van Christus mee.
De komst van Christus is iets om naar uit te kijken:
Omdat Christus komt, maar ook om de vreugde en het feest dat er zal zijn.

Als je wilt weten wat de hemel zal zijn: dat zal één groot feest zijn,
een feest waarin onze Heere Jezus Christus in het middelpunt zal staan.
Iedereen die er is in de hemel mag delen in de vreugde van Christus.
Wie er is krijgt een plaatsje toegewezen aan het feestmaal.
Dan mag je weten dat onze God niet karig is, maar royaal, gul, uitbundig.

Ook het verhaal van Jezus dat we gelezen hebben,
is een verhaal waarmee Hij wil uitleggen dat Zijn komst grote vreugde zal geven.
Het is het verhaal van een bruidegom die komt om zijn bruid op te halen.
In het verhaal dat Christus vertelt staat niet de bruidegom centraal,
maar een tiental meisjes die een taak hebben in de ceremonie,

maar het verhaal laat genoeg ruimte om bij die bruidegom aan Christus te denken.
Dat is wat onze Heere wil aangeven aan degenen die bij Hem horen op aarde:
Zoals een bruidegom ernaar uit kijkt om naar zijn bruid toe te gaan,
zo kijkt Christus in de hemel uit om naar de aarde te komen
en Zijn gemeente als Zijn bruid op te halen en het grote bruiloftsfeest te hebben.
Christus kijkt uit naar de Wederkomst!

De vraag is alleen of wij als christenen op aarde klaar zijn om Hem te verwelkomen.
En daar gaat het verhaal over dat Jezus vertelt over die 10 meisjes.
Deze tien meisjes hebben een taak bij de bruiloft: zij moeten de bruidegom welkom heten.
Dat is natuurlijk een eervolle taak die deze meisjes gekregen hebben.
De Heere Jezus vertelt alleen maar over de avond waarop ze klaar moeten staan,
maar we kunnen ons voorstellen dat er een heel geregel aan vooraf is gegaan.
Ook voor die tien meisjes.
Het zijn nog jonge meisjes, nog niet oud genoeg om zelf te trouwen,
maar wel oud genoeg om een onderdeel van de ceremonie te mogen vervullen.
Zij krijgen de taak om als de bruidegom komt hem met een groot licht te onthalen,
zodat hij niet in het donker hoeft aan te komen.
Dat licht moet de luister laten zien die op de bruidegom afstraalt.
Hoe meer licht er straalt, hoe meer eer de bruidegom krijgt.
Hoe meer meisjes met fakkels er zijn, des te duidelijker wordt
het op welke manier de bruidegom wordt gewaardeerd.
Je voelt al aan: de Heere Jezus wil dat we Hem bij Zijn komst
vreugdevol onthalen, zoals die meisjes de bruidegom moeten opwachten
en de bruidegom groots onthalen met een lichtfestijn,
zo is het de bedoeling dat wij klaar staan om Christus op onze manier groots te onthalen.
Die tien meisjes zullen heel wat geoefend hebben
op de manier waarop ze de bruidegom moeten opwachten:
Waar ze moeten staan, wat ze met de fakkels moeten doen.
Zoiets laat je niet aan dat moment over waarop het gebeurt,
maar dat wordt zorgvuldig voorbereid, om de bruidegom niet voor schut te zetten.
Eindeloos geoefend..
De meisjes zullen trots geweest zijn dat ze uitgekozen zijn
en met plezier, en vast ook wel met spanning en met zenuwen, gerepeteerd hebben.
Met zorg zullen ze de lampen hebben uitgezocht,
met zorg de kleren uitgezocht of misschien wel zelf gemaakt.
’s Nachts zullen ze vast hebben gedroomd over hun rol tijdens het feest
en van het licht van hun lampen waarmee ze de bruidegom zullen eren en verwelkomen.

Ondanks al het gerepeteer en al het instuderen gaat er toch iets mis bij een aantal meisjes
en juist op dat punt wil Christus ons als gelovigen waarschuwen.
Vijf meisjes vergeten namelijk een belangrijk onderdeel dat nodig is voor hun rol: de olie.
Die vijf meisjes die de olie vergeten, worden dwaas (of dom – BGT) genoemd.
Die vertaling met dwaas (of dom) zet ons wel op het verkeerde been.
Want als je nu iemand dwaas noemt, geef je aan dat iemand raar of grappig is
of iemand zonder verstand, iemand die onverstandig is.
Onverstandig is het zeker wat de 5 meisjes doen als ze hun olie vergeten,
maar het woord dat Mattheüs gebruikt heeft een scherpere klank:
Het heeft meer de betekenis van hardleers zijn, niet willen luisteren, expres verkeerd doen.
Het kan de vijf meisjes niet schelen dat ze goed voorbereid moeten zijn.
Ze willen best met het hele spektakel meedoen en een leuke rol hebben,
maar die bruidegom zegt hen niet zoveel en dure olie hebben ze niet voor hem over.
Ze zijn niet zozeer vergeetachtig, maar onverschillig.
Ze denken: zo zonder olie kunnen wij prima meedoen met het gebeuren,
dan hebben wij toch het plezier en sparen we toch het geld uit van die olie.
Van twee walletjes eten, noemen we dat:
Meedoen met het mooie, het aangename en er toch niet teveel aan kwijt zijn.
En dat is juist waar Jezus Zijn leerlingen – ook ons – voor wil waarschuwen:
Van twee walletjes eten – dat kan niet als gelovige.
Want als je dat doet dan loop je het feest mis en mag je niet binnengaan.
Net als die vijf meisjes die de olie niet hebben meegenomen.
Dat is niet alleen onverstandig, maar ondanks alle voorbereidingen ook een provocatie.
Ondanks alle preken over de Wederkomst, ondanks alle keren dat je in de kinderbijbel las
of een lied zong waarin over de Wederkomst gezongen wordt,
ben je toch niet klaar, ben je niet berekend op Zijn komst.
Ook de meisjes zijn er niet op berekend. Al dat oefenen was alleen maar theorie.
Zo kan het voor een gelovige ook theorie zijn dat Christus wederkomt.
Je zingt er wel over. Je leest erover in de Bijbel. Je hoort er preken over.
En toch is het geen onderdeel van je geloof. Het leeft niet.
Als het zover is, waar ze al weken voor geoefend hebben, zijn ze er niet klaar voor.
In de tijd dat ze moeten wachten, gaat er geen lampje branden.
Ze kijken hun uitrusting niet na of ze niet iets vergeten zijn.
Ze zien wellicht de kruikjes maar vragen niet wat die vijf andere meisjes wel meenamen.
Ze hadden tijd genoeg om hun fout te herstellen, om alsnog olie mee te nemen.

Wat zou Jezus in dit verhaal bedoelen met de olie?
Staat de olie voor de liefde tot Christus en wil onze Heere ons waarschuwen
dat we moeten werken aan onze liefde voor Hem?
Bedoelt Hij met de olie de Heilige Geest en wil Jezus aangeven
Dat we in ons geloof toch echt niet kunnen zonder het werk van de Geest in ons
En zijn we als lampen die snel uitdoven als we niet de Geest als olie hebben
die de vlam van ons geloof, van onze liefde tot Christus aanvult?
Er is nog een plek in Mattheüs, waar de tegenstelling tussen dwaas – wijs voorkomt.
Het is een bekende tekst: een wijze bouwer en een dwaze bouwer.
Het huis van de wijze bouwer is op een rots gebouwd en blijft staan.
Het huis van de dwaze man is op het zand gebouwd en mist elk fundament
en zakt weg en stort in als er regen komt. Het mist elke vastigheid.
Daar gaat het om het doen van Jezus’ woorden.
En ook waar het staat ligt de nadruk op wat we doen.
In het einde van het vorige hoofdstuk vertelt Jezus
over iemand die zijn heer moet vervangen en dan zich slecht gaat gedragen.
Hij gaat zijn medeknechten slaan en gaat om met luiaards en dronkaards.
Voor die knecht die zijn heer vervangt is de afwezigheid de gelegenheid om los te gaan,
om de anderen die ook in dienst zijn te tiranniseren. De baas komt voorlopig toch niet.
In de twee verhalen erna gaat het ook om wat je doet als christen.
Dat je werkt met je talenten die je van Christus gekregen hebt.
En in het tweede verhaal wordt verteld over de Zoon des mensen
die terugkomt om de mensen te oordelen op wat ze hebben gedaan:
Heb je een beker koud water gegeven, heb je iemand opgezocht,
heb je iemand gastvrij onthaald?
En de Koning zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: 

voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt,
hebt u dat voor Mij gedaan.
Dan ligt het voor de hand dat Jezus met de olie ook doelt op wat je als christen doet.
Of je er naar leeft.
Is het maar voor de vorm dat je gelooft, of werkt het ook door in wat je doet?

Of het nu de liefde tot Christus is, de Heilige Geest, daden vanuit het geloof
– misschien is het wel bewust open gelaten zodat we het breed trekken
en er alles onder scharen wat wij nodig hebben om voorbereid te zijn
op de Wederkomst van Christus.
Dat als Hij komt we niet overvallen zijn en snel nog op zoek gaan naar wat nodig is
om Christus op de juiste wijze te kunnen onthalen.
Want dat kunnen die 5 meisjes niet, die zich niet goed hebben voorbereid.
Die wellicht hadden gedacht dat de olie niet nodig was en dat ze zonder kunnen.
Terwijl ze alle tijd hadden om hun fout te herstellen en te halen wat nodig was
hebben ze maar gewacht en zijn in slaap gevallen
– net als de andere 5, met het verschil dat die wijze meisjes wel voorbereid zijn.
Ze zijn klaar om de bruidegom in te halen.
Ze kijken uit naar de bruidegom en al duurt het langer dan ze verwachten:
ze verheugen zich op dat moment dat ze de bruidegom
in alle glorie en eer kunnen ontvangen: welkom Heer! We hebben naar u uitgekeken!
Al zijn ze in slaap gevallen, ze gaan direct aan de slag,
Want ze hebben alles om hem te ontmoeten.
Het doek dat om de fakkel zit dopen ze in de olie, zodat de fakkel een kwartier kan branden.
De vijf andere meisjes steken ook hun fakkel aan,
maar omdat de doeken om hun fakkels niet in olie zijn gedrenkt, gaan de lampen snel uit.
Zo kunnen ze niet meelopen met de optocht.
Hier hadden ze niet op gerekend en ze raken in paniek.
Ze komen naar de andere vijf meisjes toe om bij hen olie te vragen.
Die vijf meisjes, die er wel op voorbereid zijn, die al die tijd serieus waren,
geven aan dat ze de olie niet kunnen missen.
Stel je voor dat ze halverwege de optocht geen licht meer hebben
omdat de olie op is en alle fakkels uitgaan.
Dat kunnen ze niet maken. Dat zou een schande zijn voor de bruidegom. Een belediging!
Wijs worden ze genoemd, omdat ze de komst van de bruidegom serieus namen.
Omdat het hen om de bruidegom te doen was
En omdat ze beseften dat zij een belangrijke taak hadden in het geheel
om de eer van de bruidegom uit de dragen door hem met die lichtshow groots te onthalen.
Al dat oefenen zou voor niets geweest zijn als ze de olie zouden delen.
Dan helpen ze de andere meisjes wellicht, maar dan staat de bruidegom in zijn hemd.
Het hele feest zou een aanfluiting zijn.
Ze durven het risico niet aan de olie te delen.
Ze zien maar één oplossing: de andere meisjes moeten olie halen.
Was het een goed advies geweest van die wijze meisjes?
Het heeft in ieder geval grote consequenties, want de vijf meisjes zijn er niet
als de bruidegom arriveert. Ze missen zijn aankomst.
De laksheid, de onverschilligheid van die vijf meisjes breekt hen op:
Want ze missen het moment waar het om gaat: de aankomst van de bruidegom.
Ze zijn er niet.
Stel je voor dat Christus wederkomt uit de hemel op aarde
en dat een deel van de gemeente zich uit de voeten maakt, snel weg gaat
om nog even gauw iets op orde te brengen,
omdat je er niet op berekend bent dat Hij terug zal komen.
Je mist daarmee de feestelijke aankomst en je bent er niet als Hij wordt binnengehaald
en feestelijk en met alle eer wordt onthaald, omdat jij niet klaar was voor Hem.
We zien aan de meisjes wat er gebeurt.
Ze hebben lang nodig om de olie te vinden die ze nodig hebben.
Ze hebben zo lang nodig om de olie te vinden die ze nodig hebben voor hun taak,
dat ze niet alleen de aankomst van de bruidegom missen,
maar ook de huwelijksplechtigheid.
Ze hadden dus ook thuis geen olie klaar staan.
Ze hadden er helemaal niet op gerekend dat het een serieuze bezigheid was,
dat de bruidegom echt zou komen en dat ze die olie ook echt nodig hadden.
Ze komen pas aan als de bruiloft al goed en wel op gang is.
Ze missen alle formele plechtigheden. Bruid en bruidegom zijn al getrouwd.

Dan krijgt het verhaal waarbij alle luisteraars geschokt opkijken, 
en onrustig heen en weer gaan schuifelen.
Want er gebeurt iets, dat in die cultuur niet kan:
De deur zit dicht en gaat niet meer open.
In een cultuur waarin gastvrijheid hoog in het vaandel staat
en onverwachte gasten op een bruiloft alsnog een warm welkom krijgen.
Deze meisjes staan voor een dichte deur en die deur gaat niet meer open.
Hoe ze ook roepen naar de bruidegom en wat ze ook doen om binnen te komen,
Ze blijven buiten staan.
Er is voor hen geen plek op het feest, omdat de bruidegom zegt dat hij hen niet kent.
Dat is dus het gevaar als je niet berekend bent op de komst van Christus.
Dan ben je er niet als Hij komt, omdat je nog het een en ander op orde moet maken.
Als je aankomt nadat alle formaliteiten van de bruiloft is geweest,
Dan kom je er niet meer in. Dan gaat de deur niet meer open.
Hoe je je ook voor christen hebt uitgegeven,
hoe je ook hebt meegedaan in alle vormen en rituelen, kerkdiensten hebt afgelopen,
zolang het theorie is, ben je er niet op voorbereid.
Zonder liefde ben je als een lamp zonder olie, die snel uitdooft,
waarmee je Christus niet kunt onthalen en geen onderdeel kunt zijn
van die menigte die Christus enthousiast en met vreugde onthaalt
en wel mag ingaan om deel te nemen aan dat feest dat er zal zijn.

Nu is het de vraag waar wij staan.
Ben je een van die dwaze meisjes?
Of ben je een van die wijze meisjes, voor wie het ernst is dat Christus komt,
Die er naar uitkijken dat Christus komt
Die al van tevoren verheugd zijn op de komst van de bruidegom
en dromen van de manier waarop je Christus hier op aarde welkom mag heten
dat je kunt opgaan in de vreugde.
Als je nog niet klaar bent, dan heb je nu nog tijd.
Dan kun je er nog voor zorgen dat je de olie haalt en je klaar maakt.
Genadetijd – tijd om je om te keren en alsnog klaar te maken.
Om er naar te leven, om er serieus werk van te maken.
Om je liefde te voeden, om uit te zien, om dat verlangen te hebben dat Christus komt.

Sion hoort de wachter zingen,
zij voelt zich ’t hart van vreugde springen,
z’ ontwaakt met spoed, staat haastig op.
Uit de hemel daalt Hij neder,
in waarheid sterk, in liefde teder:
haar licht verschijnt, haar ster gaat op.
Kom Heiland, ’s aardrijks kroon,
Heer Jezus, ’s Vaders Zoon!
Zingt hosanna,
komt altemaal
ter bruiloftszaal.
Amen