Preek zondag 27 januari 2019 – middagdienst

Preek zondag 27 januari 2019 – middagdienst
Schriftlezing: Mattheüs 6:19-34
Tekst: Mattheüs 6:33

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Afgelopen zondag moest ik in een gemeente zijn,
waar ik al sinds ik predikant ben als gastpredikant in kerkdiensten voorga.
Het was er een stuk rustiger dan op de andere keren dat ik in die kerk voorging.
Na de kerkdienst ging het over de preek die ik gehouden had.
Niet over het aantal kerkgangers dat minder was dan anders.
Dat viel mij op, want meestal, als het minder kerkgangers zijn dan anders,
wordt er in de consistorie wel een verontschuldiging uitgesproken
of nagedacht over de oorzaken die er zijn.
(Dat vind ik eigenlijk ook meestal niet zo’n prettig gesprek,
omdat het tekort doet aan degenen die wél gekomen zijn.)
Op de weg naar huis dacht ik na over de kerkgang
en ging ik me toch wel zorgen maken over die gemeente, waar ik geregeld kom.
Zou het een incident zijn, of zouden er heel wat leden van die gemeente
niet meer komen uit onvrede of overgestapt op naar en andere gemeente in de buurt?
De volgende morgen las ik dit gedeelte, dat ik al enige tijd geleden had uitgekozen
en ik las hoe de Heere Jezus aangaf, dat we als ons geen zorgen moeten maken.

(2) We maken ons snel om dingen bezorgd
Als je je zorgen maakt, ben je een kleingelovige, zegt Jezus
En dat is in dit gedeelte geen compliment,
maar een duidelijke waarschuwing dat je je echt zorgen moet maken over je geloof,
want met een klein geloof heb je helemaal geen vertrouwen in God
En heb je eigenlijk geen geloof.
En wanneer je je om allerlei zaken zorgen maakt, verschil je niet van iemand
die geen geloof hebt, ben je eerder een heiden en een gelovige.
Je zou je toch zorgen maken als er te weinig geld is om eten te kopen,
als je bij de kassa staat en je kunt je boodschappen niet betalen,
omdat je saldo ontoereikend is.
Als je geen geld hebt om kleren te kopen, kun je er misschien nog lang mee doen
of ze krijgen van een ander, die ze niet meer nodig heeft,
maar als je in deze week niet genoeg kleding hebt om je te kleden tegen de kou,
dan is het toch terecht als je je zorgen maakt?

In onze tijd moet je toch wel vooruitkijken en je planning maken?
Je moet goed uitrekenen hoe je uitkomt met je pensioen,
om te voorkomen dat als je met pensioen gaat niet genoeg hebt voor een prettig leven.
Je moet wel een bepaald bedrag op de bank hebben
voor het geval je onverwacht een grote uitgave moet doen
als de wasmachine ermee ophoudt of als je kosten voor de auto maakt.
Het leven brengt toch zijn zorgen mee, als je een gezin hebt,
een hypotheek hebt af te lossen, als er rekeningen betaald moeten worden?
En hoe meer verantwoordelijkheid je hebt, hoe meer zorgen je met je meedraagt. Toch?
Als jouw onderneming veel zaken doet, en je weet niet wat de Brexit gaat brengen
en je zelfs het risico loopt dat je werknemers moet ontslaan,
die dan ook weer in een onzekere periode komen,
dan is het toch geen wonder dat je er soms slecht van slaapt en je humeurig wordt
omdat de zorgen op je drukken?
Hoe kan Jezus nu zeggen dat Zijn leerlingen zich geen zorgen mogen maken
en dat als ze dat wel doen, dat ze dan een klein geloof hebben
en lijken op mensen die helemaal geen band met God hebben?
Dan zijn we op zijn tijd toch allemaal mensen, die geen band hebben met God?
Want wie heeft er nooit zijn zorgen?
Een bestaan zonder zorgen is eigenlijk onmogelijk.
Geen wonder, dat Jezus verderop in de bergrede zegt,
dat het moeilijk is om te geloven: het is net als door een hele nauwe poort gaan,
over een smalle weg, een weg die door bijna niemand gekozen wordt,
omdat die weg die Jezus voorhoudt toch te ingewikkeld is om te gaan.

(3) We moeten de vogels en de bloemen als voorbeeld nemen
Jezus zegt echter: zo’n zorgeloos bestaan is wel mogelijk.
Kijk maar naar de vogels in de lucht.
Zij hebben een zorgeloos bestaan.
Zij hoeven zich niet druk te maken over eten, want ze krijgen dat van de hemelse Vader.
Neem maar eens de tijd om naar het zorgeloze van de vogels te kijken.
Kijk maar hoe ze steeds weer aan eten komen,
eten waar ze zelf niet voor gewerkt hebben en dat ze gewoon maar krijgen.
Daaraan kun je zien dat er een God in de hemel is,
God die voor Zijn schepping zorgt, zelfs die kleine vogeltjes ontvangen Gods zorg.
Nu kun je nog van vogels zeggen, dat ze zich druk maken.
Dat ze moeten door de lucht moeten vliegen om muggen en vliegjes te vangen,
zoals zwaluwen dat in de zomer doen.
De merels die op de grond prikken om de wormen boven te krijgen.
Andere vogels die vruchten moeten eten van de bomen.
Ook al leggen zij geen voorraad aan, zij moeten er wel wat voor doen.

De bloemen echter niet.
Zij ontvangen Gods liefde, zoals ze het zonlicht ontvangen.
Ze ontvangen Gods zorg, zoals ze de regen ontvangen.
Ze hoeven alleen maar hun bladeren naar de hemel op te heffen,
hun bloem naar omhoog te richten om Gods zorg en liefde te krijgen.
Moet je eens kijken hoe ze erbij staan.
De schoonheid van de bloemen, de kleurenpracht die ze hebben,
daar kon koning Salomo niet tegen op, de koning over wie verteld werd
dat hij de rijkste koning was en daarmee de mooiste kleding kon laten maken.
Alle rijkdom die je aan Salomo kon aflezen, tellen niet bij de kleurenpracht van de bloemen.
En de gratie van Salomo’s pracht en praal zijn niets vergeleken
met de gratie die de bloemen uitdragen.
Het is niet de kleurenpracht als zodanig, die zo schitteren en indruk maken,
het is hun openheid, hun gerichtheid op God,

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons hart naar U, o God van vrede.

zoals de vogels al zingen tot Gods eer als het nog donker is
vogels die hun geluid laten horen als de mensen bezig zijn met hun werk
om zo al kwetterend ons te vertellen dat we een Vader in de hemel hebben,
die ons nooit uit het oog verliest.

En dan zegt Jezus tegen ons dat we er bij stil moeten staan.
Er naar moeten kijken.
Even van je computer afkijken naar buiten en luisteren naar de vogels.
Even je boor uit doen om het geluid van de vogels te horen,
even stoppen voor je op een nieuw adres van de thuiszorg aanbelt
om naar een bloem die in de tuin staat te kijken
of samen met een oudere even naar buiten kijken,
om je eraan te herinneren, dat je een God hebt,
die het kleine, wat je zo makkelijk over het hoofd ziet
en waar je zo makkelijk aan voorbij gaat al met zoveel zorg bekleedt.

(3) Jezus wil ons leren om Gods zorg op te merken
Jezus wil ons leren om er de tijd voor te nemen, om er niet aan voorbij te gaan,
wat zo gewoon lijkt, maar wat de bijzondere zorg van God is,
waarmee Hij zich aan ons laat zien als onze Hemelse Vader.
Hij doet dat door ons te leren om te kijken in het nu, te leven in het nu.

Als je je zorgen maakt, dan denk je na over de toekomst.
En dan denk je vooral na over de vraag: hoe moet het gaan? Wie moet het doen?
Zulke vragen kunnen heel makkelijk steeds groter en groter worden.
Je wordt al somberder en somberder, je overziet het niet meer.
Het vertrouwen dat je in God had, is weg.
Niet dat het vertrouwen zegt, dat God al je problemen oplost.
Er is een uitspraak van Luther: God voert de vogels, maar Hij breekt het niet in brokjes.
Met andere woorden: ze moeten er wel wat voor doen.
Het is niet zo dat ze alleen maar hun snavel hoeven op te doen. Ze moeten wel zelf vliegen.
Maar als je zorgen en zorgen groter worden,
dan zie je niet meer hoe God nog wel zorgt.
Dan verdwijnt wat God doet achter een donkere wolk van alleen maar zorgen.
Daarom wil Jezus ons leren om niet vooruit te kijken, maar allereerst om ons heen,
om te zien, hoe God om ons heen is, in de gewone dingen:
De donkere nacht die voorbij gaat, het licht dat komt, vaak de zon die nog schijnt,
regen die er komt na een lange droge periode,
Gezondheid die je krijgt, moed om aan de dag te beginnen.
Aan die kleine dingen die je om je heen ziet, de krokusjes die straks komen,
de narcissen, de tulpen, die aankondigen dat het met de kou in de grond echt gedaan is
en dat er weer een lentetijd aankomt.
Zo moeten we om ons heen kijken, om te zien wat God doet, om ons vertrouwen te voeden.
Om op te merken wat God tegen ons zegt door te zorgen voor de vogels en de bloemen.
Door te horen wat God tegen ons zegt als de merel in het donker al begint te fluiten
en het is voor jou nog veel te vroeg om je bed uit te gaan.
De merel die op een vogelwijsje fluit: Ik stel mijn vertrouwen op de Heer mijn God
Want in Zijn hand ligt heel mijn levenslot.
Hij fluit het voor ons, zodat wij daar de dag mee beginnen
en de hele dag mee doorgaan, wat de dag ook brengen zal.
Het krokusje dat in de wintergrond de eerste sprieten de voorschijn laat schieten
en al snel een heel bloempje wordt en tegen ons zegt:
de kou is overwonnen, zo heeft de dood niet het laatste woord in de schepping,
maar heeft je hemelse Vader de macht niet alleen om de vorst uit de grond te drijven,
maar ook om de dood bij jou vandaan te houden
En al komt de dood, je hemelse Vader, die Christus uit de dood riep, is machtig
om ook jou uit de dood te roepen.
Dat zeggen de bloemen en de vogels tegen ons: God zorgt.

Gij hebt de bloemen op de velden
met koninklijke pracht bekleed.
De zorgeloze vogels melden
dat Gij uw schepping niet vergeet.

Dat gezang begint ermee dat de wereld aan God toebehoort:
Aan U behoort o Heer der heren, de aarde met haar wel en wee.
Ook ons wel en wee.

 

En Jezus zegt dat we bij de vogels en de bloemen in de leer moeten gaan.
Als leerlingen van Jezus in de leer bij de bloemen en de vogels.
Een discipel kan veel leren van de tulp en de narcis, van de merel en de mus.
Kijken, lering trekken, dat is wat een discipel hoort te doen.
Leerling van Jezus betekent dus zien en horen welke boodschap God tot ons spreekt
in de bloemen om ons heen en de vogels in de lucht:

Laat dan mijn hart U toebehoren
en laat mij door de wereld gaan
met open ogen, open oren
om al uw tekens te verstaan.
Dan is het aardse leven goed
omdat de hemel mij begroet.

(4) Aan onze zorgeloosheid gaat het gebed vooraf
En toch, en toch, en toch.
Geloven in de zorg van God en geloven dat we een Vader in de hemel hebben
in wiens hand we geborgen zijn
is soms moeilijk te geloven, omdat de zorgen zo echt zijn en onze kracht zo beperkt.
het is zo moeilijk om als discipel in de leer te gaan bij de bloemen,
omdat je weet dat die bloemen maar kwetsbaar zijn:
Ze kunnen over een week al in de container liggen.
Het gras dat vandaag groeit en morgen in de oven geworpen worden.
Is het menselijk leven niet zo kwetsbaar als dat gras dat er vandaag nog is
maar morgen afgemaaid is?

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

Gelijk een bloem, die op het veld verheven,

Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer;

Wanneer de wind zich over ’t land laat horen,

Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren;

Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

Ja, als er iets met je aan de hand is, je gaat naar de dokter en de dokter stuurt je door
en je moet een scan in en daarna wachten op de uitslag
en als de uitslag komt, blijkt het toch ernstig te zijn, dan ga je anders kijken
naar de dingen om je heen, dingen die je eerst nooit zag
en je vraagt je af: zal ik het nog een keer zien, zal ik de bloemen nog zien bloeien,
zal ik het lente zien worden, zal ik de jonge eendjes zien, de merel nog horen fluiten?
Dan opeens kun je wel tijd vrij maken, moet je vrij nemen,
terwijl je voorheen geen vrij wilde nemen, omdat er gewerkt moest worden.

De schilder Marius van Dokkum heeft veel humoristische schilderijen gemaakt,
die toch een boodschap hebben.
Een van die schilderijen, die hij maakte is: Hollen of stilstaan.
Er staan twee paarden in een wei en ze kijken verbaasd naar een dikke man,
met sportschoenen en een sportbroek, maar ook met overhemd en stropdas,
Een telefoon aan het oor en al rennend en bellend kijkt hij op zijn horloge
om te zien hoeveel tijd hij nog heeft.
Het weitje ligt er bij, zoals het er al lang bij ligt,
op de achtergrond is een file te zien en hoge kantoorgebouwen,
de lucht is blauw, de zon schijnt en er zijn wat wolken,
in de lucht zijn ook verschillende vliegtuigen te zien.
Marius van Dokkum, zelf gelovig, houdt een spiegel voor,
de spiegel die Jezus ook voorhoudt: waar gaat het nou om in het leven?
Je kunt door je druk te maken en overal bezorgd om te zijn
uit het oog verliezen wat echt belangrijk is en het daarmee ook kwijtraken.

Zoek eerst het Koninkrijk van God – dat is het allerbelangrijkste.
En wat er nog meer belangrijk is, dat zal onze hemelse Vader aan je geven.
Het is niet zo, dat Jezus zegt: stel je prioriteit – eerst met God bezig en dan mag het andere.
Nee, het is een scherp gebod – vooral het Koninkrijk van God zoeken
en dat andere – dat is niet belangrijk: je dagelijks bestaan, je werk, eten en drinken.
Juist die dingen die voor ons dagelijks bestaan nodig zijn, gewoon om te leven,
waar we echt niet zonder kunnen – Jezus zegt ervan:
als God je dat wil geven, dan komt het er.
Ik moet eerlijk zeggen, dat het moeilijk is om te begrijpen
en misschien kunnen we in deze tijd, tussen zondeval en wederkomst,
niet anders dan kleingelovigen zijn, kunnen we niet anders dan heiden zijn
en toch: zoveel mogelijk strijden tegen dat ongeloof, tegen de heiden in ons.

Zoek eerst het koninkrijk van God – we zeggen dat en zingen dat,
maar begrijpen we dat echt wat Jezus ermee bedoeld en doen we dat ook?
Het Koninkrijk van God zoeken houdt in: je helemaal overgeven in Gods handen.
U bestuurt, U bepaalt, Uw rijk.
Wat van belang is, is dat Jezus aan dit scherpe gebod om eerst Zijn koninkrijk te zoeken
en het scherpe gebod om ons geen zorgen te maken
eerst onderwijs geeft over het gebod.
Bidden is het koninkrijk van God zoeken, bidden is jezelf in Gods handen leggen:
Uw wil geschiede, uw koninkrijk kome.
Als je bidt, zeg je amen en geef je daarmee aan:
Nu ik gebeden heb, weet ik dat God ervan af weet,
kan ik er op vertrouwen dat het goed komt,
dat mijn leven geborgen is in Zijn hand en Hij onze hemelse Vader is die zorgt.
En toch is er een macht, die dat geloof, dat vertrouwen ondermijnt.
Jezus geeft die macht dezelfde naam als het amen: mammon en amen zijn hetzelfde woord.
De mammon, dat kan geld zijn, maar dat is alles waar je op vertrouwt
als je niet helemaal zeker bent van God,
als je toch wat zekerheid op aarde moet inbouwen voor het geval God niet thuisgeeft.
Mammon is dat je de dokter of de behandeling meer vertrouwt dan God,
dat je verwacht dat geld je meer gelukkiger maakt dan God,
dat je beter zelf de leiding kunt hebben over je leven, over de kerk, in deze wereld,
omdat als je het aan God overlaat, Hij wel eens op Zijn beloop zou laten.

Kijk eens wat de vogels doen: ze komen in de tuin aanhippen, of aangevlogen
ze halen het eten uit de tuin dat er voor hen is, ze moeten er zelf wat voor doen
maar hun zang is een eerbetoon aan de hemelse Vader
en let als discipel eens op de bloemen, neem hun vrolijkheid en zorgeloosheid in je op
en leer van hen net zo open te staan voor de zorg van God
en te ontvangen, zoals de bloemen ontvangen.
Ze weten, we zijn er maar even, maar dat korte moment is er geen moment
waarop God er niet is.
Al verdorren we, worden we vertrapt, worden we gemaaid – God heeft alles in de hand. Dat is een les voor ons, zodat we het niet ergens anders zoeken,
niet ergens anders onze steun zoeken, zegen verwachten,
op iets anders ons leven bouwen.

 

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons hart naar U, o God van vrede.

Amen

 

Preek zondag 27 januari 2019 – morgendienst

Preek zondag 27 januari 2019 – morgendienst
Afsluiting van de Themaweek van School & Kerk
Schriftlezing: Johannes 13:1-15 (Bijbel in Gewone Taal)

Gemeente
(1) Introductie
Myrthe is aan het spelen in de kamer als haar moeder haar roept.
‘Myrthe, kom eens!’
Ze kijkt op. Ze moet vast een klusje gaan doen,
maar daar heeft ze geen zin in, want ze is zo lekker aan het spelen.
Ze gaat naar haar moeder toe
en inderdaad haar moeder heeft een klusje voor haar om te doen.
‘Myrthe, jij moet voor mij het konijnenhok schoonmaken.’
‘Nee he,’ zegt Myrthe, ‘het zijn niet eens mijn konijnen, ze zijn van Simon!
Kan Simon het hok niet schoonmaken, hij wilde konijnen!’
‘Simon is er niet en het hok moet nodig schoongemaakt worden.’
Myrthe gaat naar buiten en maakt het konijnenhok open.
Het ruikt niet fris en ziet er niet fris uit, ze gaat dit echt mooi niet doen.
Dat moet Simon maar doen als hij thuis komt.
Als moeder later kijkt, blijkt het konijnenhok niet schoongemaakt te zijn.

In een ander gezin heeft een moeder ook een klusje te doen.
Mark krijgt van zijn moeder te horen dat hij de wc moet schoonmaken.
Hij reageert verontwaardigd: Weet je wel wat voor vies werk het is.
Je maakt zelf ook gebruik van de wc, zegt zijn moeder.
En toch ga ik het niet doen, zegt Mark, wc schoonmaken is vrouwenwerk.
Mark maakt de wc echt niet schoon en daarom blijft de wc zoals die is.

(2) Pagina 1: Petrus wil niet dat Jezus zijn voeten wast
Toen de discipelen met elkaar aan tafel gingen, dachten ze vast ook:
Er moet nog iets gedaan worden: de voeten van iedereen moeten gewassen worden.
Maar dat ga ik echt niet doen.
Stel je voor dat ik de voeten van Johannes moet wassen,
dan geef ik aan dat Johannes een belangrijkere discipel is dan mij
en Johannes trekt al zoveel met Jezus op.
Het lijkt wel alsof hij de discipel die door Jezus het meest geliefd wordt.
En denk je dat ik de voeten van Judas ga wassen?
Ik vertrouw die Judas niet. Hij voert iets in zijn schild.
Ik weet niet waar hij mee bezig is, maar hij is de laatste tijd zo anders.
Net of hij er niet meer helemaal bij hoort.
Als Jezus iets vertelt, kijkt hij bedenkelijk en als we met elkaar iets doen
is hij niet meer zo enthousiast als hij eerst was.
Denk je trouwens dat Jakobus míjn voeten ooit eens zal wassen.
Nou, dan moet hij niet denken dat ik zíjn voeten eens zal wassen. Mooi niet!
Uiteindelijk is er niemand die gezegd heeft: ik doe het wel.
Zo zitten alle leerlingen van Jezus aan tafel, zonder dat de voeten gewassen zijn.
Ze eten vaker met elkaar, maar vanavond is het een speciale maaltijd.
De leerlingen voelen dat er iets bijzonders gaat gebeuren.
Zou het eindelijk die bijzondere dag zijn waarop ze gehoopt hebben,
het moment waarvoor Jezus naar Jeruzalem zou komen?
Of zou er iets anders gebeuren? Iets waar ze liever niet aan willen denken.
Want steeds als ze in Jeruzalem komen, hangt er een spanning.
De mensen in Jeruzalem, ze mogen Jezus niet
en ze hebben al eerder gezegd dat ze Jezus willen doden.
Zou Jezus tijdens deze maaltijd vertellen wat Hij in Jeruzalem wil doen.
Maar ondertussen zitten ze daar, zonder dat iemand bereid was om de voeten te wassen.

Dan staat Jezus op. Zou Hij nu gaan vertellen wat ze moeten gaan doen?
Zou Hij zijn plan om in Jeruzalem iets te gaan doen vertellen?
Zou Hij iemand aanwijzen die aan de voeten moet gaan wassen van de anderen?
Nee, kijk eens wat Jezus doet.
Hij staat op van de maaltijd en loopt weg.
Hij doet zijn bovenkleren uit en doet een schort om.
Hij pakt een schaal en een linnen doek en loopt naar de plek waar je water kunt halen.
Dan komt Hij terug bij de kring van de leerlingen.
Het is stil geworden in de zaal. Niemand durft iets te zeggen.
Ze zwijgen als Jezus bij hen komt, bij hen neerknielt en de voeten beetpakt
en met water het vuil van de voeten wast.
Als hij nou was opgestaan, had Jezus hier niet bij mij hoeven te knielen.
Waarom zijn die andere discipelen nou nooit bereid om de minste te wezen.
Moet je zien: nu moet Jezus het doen, omdat anderen het niet willen doen.

Alleen Petrus kan niet stil blijven.
Hij springt op als Jezus bij hem komt en wil Jezus omhoog trekken.
Dat Jezus zijn voeten wast – dat gaat niet gebeuren! Nee, echt niet.
Petrus die ook opsprong in de boot, toen ze wisten dat geen spook was,
maar Jezus die over het water liep en Petrus die naar Jezus wilde toelopen.
PEtrus die eerst visser was, maar door Jezus geroepen werd
om een visser van mensen te worden.
(Op de Timotheüsschool hadden ze een net met vissen gemaakt,
ze zeiden: daar moeten eigenlijk mensen in en geen vissen)
Petrus springt op: nee, Jezus, u bent te belangrijk om mij de voeten te wassen.
Ik wil mij niet door u laten dienen.
Jezus laat zich niet zomaar tegen houden:
‘Petrus, je begrijpt niet waarom ik jouw voeten kom wassen.
Later, als ik mijn taak volbracht heb in Jeruzalem zul je het begrijpen.’

(2) Page 2: Zelf niet bereid om te dienen en je ook niet willen laten dienen
Zou jij opstaan om bij de anderen de voeten te wassen?
Er zullen kinderen zijn, die best bereid zijn om iets voor anderen te doen.
Niet ieder kind zal net als Myrthe gaan protesteren, als zij iets moet doen.

Ik weet zeker dat er best kinderen bereid zijn om te helpen,
Zelfs al is dat niet zo’n fijn klusje, zoals een konijnenhok of wc schoonmaken,
die zelfs bereid zijn om de vieze voeten van iemand anders te wassen,
voeten die door stof en door modder hebben gelopen,
waar misschien schrammen of korsten opzitten.
Je hebt dat vast ook meegekregen van je moeder of vader
of je hebt een vader of een moeder die in de zorg werkt en andere mensen wast
en dan niet alleen de voeten.

Wellicht hadden de discipelen het ook gedaan als Jezus het aan hen gevraagd had.
Maar nu keken ze naar elkaar en dachten bij zichzelf:
Je denkt toch niet, dat ik iets voor hem ga doen?
Dat kan bij jou ook in de klas gebeuren.
Je wilt best iemand helpen met een som uitleggen,
maar niet bij dat meisje uit de klas dat altijd zo irritant is.
En je wilt best samenwerken aan een werkstuk,
maar niet met die jongen, die altijd de baas wil spelen en altijd ruzie maakt.
Je wilt best met andere kinderen mee laten doen met je voetbalteam,
maar niet die jongen die zo’n sukkel is.
Als je dat toch moet doen, juist dat meisje dat zo irritant is helpen met de som,
of samen met die jongen die altijd de baas wil spelen een werkstuk maken
of die jongen die niets van voetballen snapt,
dan is de aardigheid er toch af, dan is er niets meer aan.
Als je één keer begint met helpen kun je altijd wel gaan helpen
en mag je altijd helpen en kunnen anderen achterover leunen.
Jij mag iets doen en zij doen lekker niets.

Bij Petrus is er nog iets: Hij weigert niet alleen om te helpen,
PEtrus die anders altijd zo snel iets doet, zo impulsief,
eerst iets doet en dan pas gaat nadenken of het wel zo verstandig was.
Petrus doet nu niets, ook hij wacht en kijkt naar de anderen.

Bij Petrus blijft niet alleen met de armen over elkaar zitten wachten op de anderen,
als Jezus bij hem komt, wil hij ook niet geholpen worden.
Snap je dat? Iemand wil je komen helpen en dan denk je: nee, dat wil ik zelf doen.
Ik wil me niet laten helpen.
Ik wil me niet laten helpen met mijn jas aan doen, met mijn veters strikken,
ik wil zelf mijn kleren uitzoeken en niet dat iemand anders mij daar bij helpt.
Als ik ruzie heb met iemand anders, wil ik niet dat de juf op school dat oplost,
als iets niet lukt, dan wil ik niet geholpen worden, ik wil het zelf proberen.

(3) Jezus is gekomen om te dienen
Petrus wil niet, dat Jezus bij hem komt zitten, door de knieën gaat en zich klein maakt,
alsof hij, Petrus, belangrijker zou zijn dan Jezus.
Dat moet niet gekker worden.
Maar Jezus zegt tegen hem: ‘Petrus, je snapt nog steeds niet,
Dat ik juist naar de aarde gekomen ben om jou te helpen, om jou te dienen.’
Waarmee moet Jezus Petrus helpen? Hoe kan Jezus Petrus dienen?
Moet het niet andersom: Petrus die Jezus helpt en Petrus die veel voor Jezus doet?
zo had Petrus zich dat vast voorgesteld.

Als je wilt begrijpen, hoe Jezus Petrus en de andere discipelen helpt,
dan moet je kijken naar wat Jezus doet, voordat Hij de voeten wast.
Hij doet Zijn kleren af.
En weet je wanneer dat nog een keer gebeurt, dat de kleren van Jezus uitgaan?
Als Hij aan het kruis gaat, dan doen de soldaten de kleren van Jezus uit.
Ze maken er zelfs een spelletje wie de kleren van Jezus mag hebben.
Net zoals je in de klas een getal moet raden als je de tractatie van de juf mag hebben..
Als Jezus zijn kleren uitdoet om de voeten te gaan wassen,
laat Hij zien dat Hij hen nog een keer wil helpen, nog een keer wil dienen,
als Hij voor hen aan het kruis gaat.
Als Jezus de voeten wast van de leerlingen, zegt Hij tegen hen:
Ik doe het voor jou, voor jou ga ik aan het kruis.
Als je niet wilt dat ik je voeten was, dan hoor je niet bij mij
en dan heb je er niets aan dat ik voor jou aan het kruis ga.
Jezus had kunnen zeggen: Ik houd mijn kleren aan en blijf liggen. Dan maar vieze voeten.
Hij had ook kunnen zeggen: Ik blijf in de hemel.
Maar wat zou er dan met de leerlingen gebeurd zijn en wat zou er met ons gebeurd zijn?

(4) Jezus kwam om ons te dienen.
Jezus is de allerhoogste die er is: de Zoon van God.
Hij woonde in de hemel, bij God en was God, en verliet toen de hemel
waar alles goed was, en mooi, zonder pijn en verdriet,
naar de aarde, waar mensen trots zijn en wachten tot iemand anders iets doet
om te helpen en zelf niet willen helpen.
Hij kwam naar mensen, die helemaal niet geholpen willen worden.
Wij kunnen allemaal die mensen zijn, die een ander niet willen helpen.
Wij kunnen ook iemand zijn, die tegen de Heere Jezus zegt:
Wij willen helemaal niet geholpen worden. U bent veel te belangrijk om mij te komen helpen.
Dat Jezus de voeten wast, dat betekent dat Jezus tegen zijn discipelen zegt: Je hoort bij mij.
Zou hij de voeten van Judas gewassen hebben? Hij zal die vast niet overgeslagen hebben.
Wij kennen dat niet: dat in de kerk de voeten gewassen worden.
Wij hebben iets anders, waardoor Jezus zegt: je hoort bij mij.
Dat is als je als kind wordt gedoopt. Dan zegt Jezus: Ik ga voor jou aan het kruis.
Dat lijkt op wat Jezus doet als Hij de voeten van de leerlingen wast.
Maar je kunt ook zeggen: dat ik gedoopt bent, ach, dat hoort,
maar verder doe ik daar niets mee.
Ik hoef niet te geloven en er hoeft met mij niets te gebeuren.
Dan ben je net als Petrus, die zegt: U hoeft mijn voeten niet te wassen.
Dat laat ik niet gebeuren. Alleen als je zegt: Ik wil door U geholpen worden,
Je laten helpen dat betekent: Heere Jezus, ik weet dat U ook voor mij aan het kruis moest.
Jezus maakt het dan voor mij goed met God.
Wat ik verkeerd gedaan heb, daar denkt God niet meer aan, het is vergeven.

Dan geeft Jezus ons wel er een opdracht bij: Wat ik gedaan heb, dat moeten jullie ook doen.
Dat klinkt gek. Want wij kunnen niet aan het kruis voor iemand anders.
Dat kunnen wij niet doen.
We hoeven straks ook niet bij elkaar de schoenen uit te doen om de voeten te wassen.
Wel elkaar helpen, niet trots zijn of denken: Hij moet eerst eens iets doen.
Nee, omdat Jezus bereid was om ons te helpen, om zijn kleren uit te doen,
de voeten te wassen, aan het kruis te gaan, zegt Hij tegen ons:
Ik verwacht dat je ook bereid bent, om iets voor een ander te doen.
Al is dat iets heel kleins. Want dan laat je iets van Jezus zien.
Amen

‘De vier pagina’s van de preek’ – 6: Het vinden van de kernboodschap

‘De vier pagina’s van de preek’ – 6: Het vinden van de kernboodschap

Het is verstandig om een preek te beperken tot één kernboodschap. Paul Scott Wilson noemt die kernboodschap van de preek:
theme sentence. Ik heb daar al eens eerder over geblogd.

In de preekvoorbereiding wordt de kernboodschap gevonden door te vragen: Wat doet God in of achter de tekst?
Om te ontdekken wat God doet, is het nodig om de tekst theologisch te lezen: gericht op het handelen van God dus.
Voor Paul Scott Wilson heeft de kernboodschap immers te maken met de verkondiging van het evangelie (gospel). En die verkondiging is voor Wilson: de menselijke nood, het verlangen, de zonde (trouble) in combinatie met het handelen van God (grace).

Onderdelen van de kernboodschap

  • Een van de personen van de Triniteit als onderwerp
  • een actief werkwoord
  • een handeling of actie, waarmee God redt of kracht geeft
  • een complete gedachte
  • een eenvoudige, korte zin (niet samengesteld)

Wat je moet vermijden:

  • Vermijd zwakke werkwoorden
  • Vermijd werkwoorden als ‘zegt’ of ‘vertelt’.
  • Vermijd vragen (maak van de vraag een stelling)
  • Vermijd het stellen van voorwaarden voor het goede nieuws
  • Vermijd samengestelde en ingewikkelde zinnen
  • Vermijd een kernboodschap, die niet zoveel zeggen.
    Zoals:
    – God schept het licht. Maak ervan: Christus verlicht ons leven
    – De vader is verkwistend in zijn liefde. Maak ervan: God is buitensporig in zijn liefde voor ons.


Een kernboodschap vinden:
(1)  vanuit waar de tekst over gaat
Een manier om de kernboodschap te vinden is om van waar de tekst over gaat (concern of the text) stelling te maken, die over Gods handelen in het heden gaat:

  • God wil dat Israël zich verandert => God geeft Israël (of: ons) een nieuwe identiteit
  • Jezus roept Israël op tot bekering => Jezus brengt ons tot berouw
  • De Heilige Geest overtuigt Paulus => De Heilige Geest werkt in Paulus (of: in ons).
  • God nodigt Jeremia uit om te handelen => God stelt Jeremia in staat om te handelen
  • Als Israël zich zal …, dan zal God … => Christus maakt in ons de voorwaarden voor Gods liefde compleet
  • God kan in je leven handelen => God handelt (of: heeft gehandeld) in je leven
  • Laat God in je leven handelen => God is niet tegen te houden

(2) Vanuit de nood / het verlangen / de zonde
De kernboodschap is een antwoord op de nood, het verlangen of de zonde. Daarom wordt de kernboodschap uitgewerkt in pagina 3 en 4 als antwoord op pagina 1 en 2.

  • Hoe kan ik opnieuw beginnen? => God betaalt de prijs
  • Wat heeft God met dit alles te maken => God heeft alles geschapen
  • Waarom zou ik gaan? => God koos Jeremia (of ons in Christus)
  • Wie kan dit begrijpen? => God weet alle dingen
  • Hoe kunnen we volhouden => God kan elk moment komen
  • Wat moet ik doen als ik geen werk kan vinden => Christus voorziet in alle noden
  • Wat zal er met onze kerk gebeuren? => Christus onderhoudt de kerk

(3) Vanuit de dogmatiek
De dogmatiek kan helpen om de kernboodschap te vinden:

  • Door te helpen bij de reflectie om welk handelen van God het gaat
  • Door te helpen om de ambivalenties, spanningen en aanvechtingen te vinden
  • Door te helpen bij het vinden van het antwoord op de nood, het verlangen, de zonde

Preek 20 januari 2019

Preek 20 januari 2019
Mattheüs 5:21-48
Tekst: vers 27-29

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De eerste vraag die boven komt, als je de uitspraak van Jezus hoort,
dat het beter is om je oog uit te rukken dan om door verleiding te struikelen, is:
moet je deze uitspraak letterlijk nemen?
Moet je echt je oog uitrukken om verleidingen tegen te gaan?
Als je deze uitspraak letterlijk neemt, zouden er toch heel wat mannen moeten zijn
zonder rechteroog en zonder rechterhand?
Mannen die weten dat ze kwetsbaar zijn voor verleiding.
En misschien zijn er wel vrouwen, die bij zichzelf denken:
Het is goed dat Jezus hier de mannen aanspreekt,
maar Hij had dit net zo goed tegen vrouwen kunnen zeggen,
Want als vrouw heb ik net zo goed last van die begeerte, die Jezus wil bestrijden.

Zou het helpen om als je zorgt dat je oog niet meer kan zien?
Ben je dan beter bestand tegen bepaalde verleidingen?
Kun je voorkomen dat je een verkeerde kant op gaat als je je hand onbruikbaar maakt?
Dan is je andere oog toch nog in staat om verkeerde dingen te zien?
En daarbij: zonder dat oog ben je nog in staat om je gedachten te laten gaan, te fantaseren.
Als je gevoelig bent voor een bepaalde verleiding,
zoals Jezus hier noemt: bij het zien van een vrouw een bepaalde begeerte voelen opkomen,
dan gaat het toch om een gevoeligheid, die er in jezelf is?
Ik denk dat we al snel tot de conclusie kunnen komen:
Dit kun je niet letterlijk nemen, want je ziet niemand om je heen,
die deze opdracht van Jezus ooit in praktijk gebracht heeft.
en het pakt de bron van waaruit de verleiding komt, ons hart in ons, niet aan.

Toch wil ik er even wat langer bij blijven stil staan:
Want het kan ons ook wel goed uitkomen,
als we deze regel van Jezus niet letterlijk hoeven te nemen,
als we zeggen: het gaat alleen maar om het idee dat je wat doet tegen verleiding.
Want als je tegen jezelf zegt: je hoeft dit niet letterlijk te nemen,
kun je toch, zonder dat je het wellicht zelf door hebt, de deur van je hart toch openzetten
en allerlei uitvluchten en excuses bedenken, waarom je bepaalde verleidingen toelaat.
Je kunt zeggen: iedereen heeft toch zijn zwakten?
We zijn allemaal menselijk? Mensen van vlees en bloed?
Je hebt je ogen toch niet in de zak?
Dat is juist het gevaarlijke van zonde en verleiding,
dat het de neiging heeft om zich kleiner te maken,
wat van het gevaarlijke van de zonde af te dingen en het wat onschuldiger te maken.
Ach, het valt wel mee, wat je doet. Zo erg is het toch niet? Dit moet toch kunnen?
Niemand die het merkt!
Zonde en verleiding heeft ook de neiging om de schuld bij een ander neer te leggen:
Ik kan er niets aan doen! Het is sterker dan ik!
Bovendien: die vrouw moet zich anders kleden, want nu zij die kleren aantrekt,
roept zij een begeerte in mij op, die ik niet kan onderdrukken.

Jezus zegt: ‘Nee!’
Hij zegt zowel tegen die excuus en de uitvluchten:
‘Nee! geen uitvlucht zoeken, geen excuus aandragen!
Trap er niet in als de verleiding zich voordoet als iets onschuldigs.’
Hij zegt ook: ‘Nee!’ als we de schuld bij een ander neerleggen
en zeggen dat wij er niet tegen bestand zijn, omdat het sterker is dan wij
en daarom niets aan kunnen doen.
Dan zegt Hij: ‘Je ontloopt je verantwoordelijkheid.
Jij laat je ogen gaan! Jij houdt je niet in toom!
Jij gaat de strijd niet aan tegen het verlangen dat in je hart leeft.
Je moet er voor zorgen, dat een bepaalde verleiding geen aanknopingspunt in je vindt.
En als je merkt dat je toch vatbaar bent voor een verleiding,
Dat het je niet lukt om de verleiding de baas te blijven,
Wees dan bereid om een radicale maatregel te nemen.
Want zo onschuldig is een verleiding niet:
En als je denkt dat het geen kwaad kan, ja wel degelijk: onderschat verleiding niet.
Het doet je struikelen, het brengt je op de verkeerde weg.
Een weg bij God vandaan, waarbij je je ondergang tegemoet gaat.
Jezus zegt zelfs dat als je de strijd niet aangaat, de verleiding je verloren doet gaan.
En alles beter dan dat, zelfs het leven met één oog, met één hand.

Dit zegt Jezus, die anders zo mild is,
die er niet in meegaat om een vrouw die op overspel betrapt is te stenigen,
die vrouwen, die geen al te beste reputatie hadden, niet negeert,
maar in hun gezelschap verkeert, met hen eet en feest viert,
zodat veel serieuze mensen uit die tijd er schande van spraken
en bij de discipelen hun verontwaardiging uitten over de mensen met wie Jezus omging.
Hier hebben we toch te maken met een andere Jezus,
die juist als het gaat om verleiding stevig stelling neemt.
En in plaats van ruimte te bieden om te vergoelijken, om te zeggen dat het zo erg nog niet is
en dat er voor elke zonde die je begaat ook vergeving is,
waarschuwt en zegt: denk er niet te licht over, neem je maatregel,
wees bereid om ver te gaan in de strijd tegen verleiding.

Je hebt gehoord, dat tegen het voorgeslacht gezegd is, zegt Jezus.
Het is één van de Tien Geboden, waar Jezus naar verwijst
en iedereen die aanwezig is bij de toespraak van Jezus kent de Tien Geboden.
Er zijn heel wat kerken waarin de Tien Geboden op zondagmorgen worden voorgelezen
En er zijn ook kerken, waarin de Tien Geboden zijn opgehangen aan de muur,

zodat iemand, die in de kerk zit, niet alleen deze geboden ook hoort,
maar ook ziet en ze op zich in kan laten werken, om ze niet te vergeten, en er naar te leven.
Zulke geboden geven duidelijkheid, geven houvast voor het dagelijks leven.
Ze laten zien wat je wel mag en wat je niet mag, hier heb je je aan te houden:
Pleeg geen overspel.
Dat is een duidelijke regel: Je mag het niet aanleggen met de vrouw van een ander,
ga geen relatie aan met een man, als hij al bij een andere vrouw hoort,
of als je zelf een man hebt.
Maar dan begint de discussie: wanneer is het overspel?
Is het overspel als je niet zo gelukkig bent in je huwelijk?
Is het verkeerd als je merkt dat je verliefd wordt op iemand die al bij een ander hoort?
Het is toch niet zo erg om bij iemand die niet erg gelukkig in de liefde is te denken:
als wij eens samen wat hadden?
Je kunt het ook nog eens heel geestelijk brengen: God wil toch dat iedereen gelukkig is?
Met regels ben je er niet, omdat het menselijk leven niet in regels te vangen is.
Bij elke regel kun je wel een uitzondering bedenken.
Daarom wil Jezus leren dat je er niet genoeg aan hebt om dit gebod als regel te zien.
Niet zozeer, omdat het samenleven van mensen te complex is om in regels te vangen,
maar als je de Tien Geboden als regels opvat – dit mag wel, dit mag niet,
dan houd je jezelf buiten schot.
Dan kun je altijd denken: het ligt niet aan mij. Het is zijn, haar schuld! Ik begon niet.
In de tijd van Jezus moest een vrouw zich zo kleden, dat ze niet de begeerte opwekte.
Het ligt aan haar.
Zoals je in de VS onder bepaalde christenen ook wel de regel hebt,
dat je nooit samen bent met een andere vrouw als man als je eigen vrouw er niet is.

Nee, zegt Jezus: je legt het probleem bij iemand anders neer, je moet met jezelf in de weer.
Naar de bron van de verleiding en dat is niet die ander, dat is je eigen hart
en dat moet je onder ogen zien.
Natuurlijk, dat geldt ook voor je buurman of buurvrouw,
dat is alleen hun verantwoordelijkheid en jij kunt alleen aan jezelf iets doen.
Je moet bereid zijn om een offer te brengen.
Ik hoorde een keer het voorbeeld van iemand die zijn computer weg deed,
omdat hij merkte dat hij niet in staat was, om de verleiding die hij via internet kon vinden,
tegen te houden en steeds weer verkeerde beelden opzocht.

Waarom is Jezus zo fel als het gaat om de begeerte?
Jezus heeft oog voor de zonde, die gebruik maakt van die begeerte
en wanneer zonde, wanneer de duivel, de grote verleider
begeerte voor zijn eigen doel gebruikt
dan wordt iets dat God aan de schepping heeft meegegeven, een scheppingsgave
op een verkeerde manier gebruikt en kom je door die verleiding op de verkeerde weg.
Jezus is niet tegen seksualiteit, dat is een gave, een geschenk van God
Hij is er ook niet op uit dat je elk gevoel uit je gedachten of lichaam uitbant.
Hij wil alleen laten zien, waarom God seksualiteit aan de mens gegeven heeft,
Wat het doel daarvan is.
Het doel is niet allereerst: de passie of het genot. Dat is niet het hoogste.
In de seksualiteit, het samen zijn als man en vrouw, gaat het om elkaar kennen.
In het Oude Testament wordt voor seksualiteit het woord bekennen gebruikt,
het is hetzelfde woord als elkaar kennen:
Je kent elkaar als man en vrouw, je kent elkaar intiem, niet alleen op lichamelijk gebied,
maar je kent ook elkaars karakter, elkaars mooie kanten en zwakten,
Je weet van elkaar wanneer de een dreigt te struikelen
en wanneer de ander een verkeerde weg in slaat.
Seksualiteit is dat je geen geheimen voor elkaar hebt, maar dat je elkaar kent door en door.

Dat geeft aan de ene kant het belang van de seksualiteit aan:
het is een bevestiging van het elkaar kennen, het verdiept je band als man en vrouw,
maar het relativeert ook: het is niet de enige manier om elkaar goed te kennen.
Het is een van de vormen om een relatie te hebben.
Ook vriendschap is een vorm, waarbij je elkaar goed kunt kennen, samen verbonden te zijn.
In de geschiedenis van de kerk is vriendschap daarom ook altijd een belangrijk thema
om degenen die nooit een relatie hebben gehad een volledige plek te geven in de kerk.

Wanneer er begeerte boven komt en zeker als die begeerte niet ingedamd, beteugeld wordt,
dan gaat het niet meer om dat kennen, dan gaat het om hebben, om bezitten.
Je bent dan op jezelf gericht.

Een tijdje geleden las ik een boek over karaktervorming
En vooral over hoe het christelijk geloof je karakter kon vormen.
In dat boek ging ook een hoofdstuk over kuisheid.
Het allereerste dat ik dacht bij dat hoofdstuk, was dat dit woord niet meer in gebruik is.
We leven in een tijd waarin niet al te moeilijk gedaan moet worden.
En drempels die verleidingen tegenhouden zijn er al helemaal niet meer.
Juist daarom was het de moeite waard om dat hoofdstuk te lezen.
Kuisheid is weten wanneer je niet op een seksuele verleiding moet ingaan,
is jezelf kennen, ook de kant in jezelf die vatbaar is voor verleiding en fantasie.
Kuisheid, zo las ik, gaat allereerst over geloofwaardigheid.
Ben je echt wie je bent.
Stel dat je een relatie krijgt, verkering krijgt of een huwelijk
en je zet de deur open voor verleiding, zonder dat de ander het weet,
dan houd je jezelf achter, dan ben je niet helemaal jezelf.
Je mist geloofwaardigheid.Je kunt je niet helemaal geven, jezelf niet helemaal laten kennen.
En dat werkt door in je relatie, niet alleen naar je man of vrouw,
maar ook in je relatie naar anderen toe en ook in je relatie met God werkt het door.
Wanneer je je laat leiden door je begeerte,
wanneer je niet in staat bent om er tegen te strijden,
raak je op jezelf, raak je geïsoleerd, omdat je een geheim met je meedraagt,
Maar ook omdat je steeds meer op jezelf gericht raakt
Een relatie is juist bedoeld voor het omgekeerde: om op een ander gericht te zijn,
niet om die te begeren, maar om te kennen en hoog te achten.
Kuisheid – om dat woord nog maar eens te gebruiken – is gericht op samenzijn
samenzijn, waarin iedereen integer is.

Alleen als je integer bent, of je best doet om integer te doen, kun je Gods licht uitstralen.
Want ook daarom is het van belang om te strijden tegen de zonde,
omdat in de ogen van Jezus de gelovige altijd iets van God laat zien.
In het streven naar zorgvuldige, integere omgang met elkaar laat je iets van God zien,
hoe Hij met mensen omgaat.
Het huwelijk is bedoeld om iets te laten zien van hoe God gekomen is om ons te dienen,
maar niet alleen het huwelijk, elke relatie die er is, weerspiegelt iets van God naar ons toe.
Jezus legt de lat hoog: niet alleen als het gaat om de begeerte,
maar in alles in de omgang met anderen:
Wees dan volmaakt.
Hoe kan Jezus dat nu van ons vragen, om volmaakt te zijn?
Niemand kan toch hier op aarde die volmaaktheid bereiken, die alleen God heeft?
Die volmaaktheid betreft ons hart: een hart dat één is,
één in het dienen van God en van de naaste en niet verscheurd is door onze begeerte,
integer en betrouwbaar, waar je op aan kunt,
iemand die zich niet laat leiden door impulsen of begeerten, maar daartegen strijdt.
Dat is een hart, dat ook weet, dat het die volmaaktheid zelf niet kan verkrijgen,
maar geschonken krijgt,
door Jezus die ons vraagt om een offer te brengen in de strijd tegen de verleiding,
die zelf alles gegeven heeft om ons te bevrijden uit de macht van de verleiding
en zich helemaal heeft gegeven, zodat wij gereinigd kunnen worden.

In de radicaliteit die Jezus vraagt, zit ook genade, een geschenk van Zijn kant
Ondanks onze onvolmaaktheid, onze kwetsbaarheid voor verleiding
is de deur niet dichtgeslagen, maar is er een mogelijkheid in Christus
om die reiniging en volmaaktheid te ontvangen.
Dat maakt het appèl van Jezus, Zijn aansporing, des te klemmender
om niet te struikelen door verleiding, maar Zijn weg te gaan.
Hij heeft alles over gehad, meer dan een oog, meer dan een hand,
maar Zijn hele lichaam in de vernietiging, zodat die ons bespaard kan blijven
en er een toekomst kan komen, waarin we niet verloren hoeven te gaan,
niet omdat wij perfect zijn en volmaaktheid hebben behaald,
maar omdat Hij dat ons geeft.
Amen





‘De vier pagina’s van de preek’- blog 5: Dogmatiek in de preekvoorbereiding

‘De vier pagina’s van de preek’- blog 5: Dogmatiek in de preekvoorbereiding

Het voordeel van het model van “De vier pagina’s” van de preek” is dat de dogmatiek daarin een rol kan spelen bij de preekvoorbereiding.

De dogmatiek kan helpen bij:

  1. het vinden van de boodschap (theme sentence).
  2. het beperken tot één onderdeel van de dogmatiek.
  3. het ontdekken van trouble (pagina 2 en evt 1) en grace (pagina 4 en evt 3) bij deze boodschap.
  4. het ontdekken van de vraag of het verlangen dat in de gemeente leeft bij deze boodschap.
  5. de uitwerking (of zoals Paul Wilson het noemt: verfilmen) van pagina 2 en 4:
    – wat is er aan de orde of wat staat er op het spel bij de boodschap, trouble, grace en vraag of verlangen?
    – welke aarzelingen, ambivalenties, tegenwerpingen kunnen of moeten aan de orde komen? Welke aarzelingen, ambivalenties, tegenwerpingen kunnen of moeten juist achterwege blijven?
    – wat is het verschil in uitwerking voor doorgewinterde kerkgangers en voor incidentele bezoekers van kerkdiensten?
  6. de reflectie op de vraag of de boodschap van de preek wel een antwoord geeft op het verlangen en de vraag in de gemeente.
  7. de reflectie op welke thema’s er veel aan de orde komen en welke thema’s blijven liggen.
  8. de reflectie op hoe de boodschap betrokken kan worden op het werk van Christus (incarnatie, kruis, opstanding, koningschap in de hemel).
  9. de reflectie op wat gemeenteleden van dat gedeelte van de dogmatiek zouden moeten weten en wat tot vakkennis behoort.

 

In een vorig blog schreef ik: Het zou de moeite waard zijn om een geloofsleer of dogmatiek uit te werken die allereerst gericht is op de preekvoorbereiding en niet op de interne dogmatische discussies.
Collega’s die affiniteit hebben met dogmatiek zullen daar tegen in het geweer komen: die tegenstelling bestaat niet. Toch is mijn ervaring dat die tegenstelling er wel degelijk. In de jaren dat ik preek heb ik geregeld de dogmatiek erbij gehaald, maar zelden werkte de dogmatiek op de bovenstaande manier. In mijn ervaring zijn dogmatische handboeken bijna altijd gericht op:
– discussies in de kerkgeschiedenis
– discussie met filosofie of min of meer seculiere wereld waarin we leven
– intern-dogmatische discussies.

Ik grijp mis als ik wil in de preek wil nadenken over bij thema’s als karaktervorming, verleiding, aanwezigheid van God in het dagelijks leven, praktisch en inzichtelijk maken van waarom Christus onze redder is, incarnatie, koningsheerschappij van Christus. Natuurlijk zijn de oudtestamentische verhalen vrij lastig aan de dogmatiek te relateren, maar gek genoeg zijn ook de verhalen uit de evangeliën niet zo gemakkelijk met de dogmatiek te verbinden is mijn ervaring.
(Misschien mis ik een leeswijzer om de publicaties op het terrein van de dogmatiek, die ik heb, op een zinvolle manier te gebruiken.)

Wil de dogmatiek relevant zijn voor de preekvoorbereiding, dan kan het zinvol zijn om te kijken hoe godsdienstpedagogen de dogmatiek relevant maken voor het godsdienstonderwijs. Een voorbeeld van wat ik bedoel is het boek van Kees en Margriet van der Kooi over het gesprek tussen dogmatiek en pastoraat: Goed gereedschap is het halve werk.

Ps voor wie denkt, dat ik niet genoeg dogmatiek in huis heb- in mijn kast staan de dogmatieken van Allen / Swain, Althaus, Barth, Van de Beek, Beker/Hasselaar, Berkhof, Berkouwer, Van den Brink & Van der Kooi, Brunner, Ebeling, Elert, Van Genderen & Velema, Kraus, Kreck, Mildenberger, Van Niftrik, Noordmans, Joest, Pannenberg, Sonderegger, Weber.

Preek zondag 13 januari 2019

Preek zondag 13 januari 2019
Mattheüs 5:1-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Een echtpaar van in de zestig krijgt een telefoontje van hun zoon
met de mededeling dat hij langskomt om iets belangrijks te vertellen.
Ze schrikken van dat telefoontje en hebben geen goed gevoel bij dat telefoontje.
Hun voorgevoel wordt bevestigd als ze zien dat hun zoon alleen komt.
Ze hebben in de afgelopen maanden al vaak met elkaar gesproken
over het huwelijk van hun zoon, omdat ze hun zorgen daarover hebben.
De zoon komt inderdaad vertellen waar ze al bang voor waren,
toen ze in de afgelopen maanden met elkaar hun zorgen delen.
Hun zoon komt inderdaad vertellen dat hij en zijn vrouw uit elkaar gaan.
Dus toch, gaat het door het echtpaar heen en allerlei gedachten buitelen over elkaar heen:
over wat er gebeurd kan zijn, over hun zoon,
over hun schoondochter, die hun hun ex-schoondochter zal zijn,
en ze denken vooral aan hun twee kleinkinderen: hoe zal het met hen gaan.
Ze voelen zich boos en verdrietig en ze zouden willen dat ze er iets aan kunnen doen,
maar nee, ze kunnen er niets aan doen. Dit is hun keuze.
De ouders voelen gelijk aan, dat hun leven verder nooit meer hetzelfde zal zijn.
Altijd zal er de pijn zijn over de scheiding van hun zoon,
een pijn die zijn niet kunnen oplossen en wel moeten dragen.

Een jongere zit in de klas bij een meisje dat hier niet geboren is.
Haar ouders zijn hier naar toe gevlucht.
Het meisje en haar ouders hebben echter te horen gekregen dat ze hier niet mogen blijven.
De asielverzoeken die zijn ingediend worden niet ingewilligd
en steeds duidelijker wordt dat het meisje en haar ouders zullen worden uitgezet.
Die jongere moet er niet aan denken, niemand in de klas trouwens
en de hele school voert actie om het meisje toch hier te laten blijven.
Ondanks alle acties blijft het asielverzoek afgewezen.
Op een dag worden het meisje en de ouders opgehaald en op het vliegtuig gezet.
Hun leven in Nederland is voorbij en ze moeten terug naar hun land.
Haar klasgenoten blijven ontredderd achter, teleurgesteld.
maar vooral voelen ze hun machteloosheid
en ook hun boosheid: kan het in ons land niet anders geregeld zijn.
Waarom moet het er zo oneerlijk aan toe gaan?

Twee voorbeelden van hoe er in deze wereld pijn geleden kan worden
en hoe je er aan kunt lijden dat de wereld zo onrechtvaardig zo oneerlijk is.
Ze kunnen aangevuld worden met voorbeelden van dichtbij, uit je eigen leven
of van verder weg, over het onrecht in deze wereld, waar je over hoort of over leest.
Deze wereld is niet de wereld zoals God bedoeld heeft, zoals God geschapen heeft.
Dit is een wereld waaraan je kunt lijden, aan de pijn die er is, de oneerlijkheid.

(2) Jezus heeft oog voor de onrechtvaardigheid van deze wereld (pagina 1)
Als Jezus al die mensen voor zich ziet, ziet hij bij hen dit lijden aan deze wereld,
De pijn die ze ervaren, de oneerlijkheid die ze dag in dag uit ervaren.
Als Jezus de menigte ziet, ziet hij hen niet als groep of als massa,
maar ziet Hij hen stuk voor stuk: hun gezichten, hun ogen, hun houding.
Hij weet dat er mannen tussen zitten, die van ‘s morgens tot ‘s avonds laat
hard moeten werken op de akker en daar weinig voor betaald krijgen
en hun gezin nauwelijks genoeg eten kunnen bieden.
Hij weet dat er vrouwen tussen zitten die hun zorgen hebben over hun gezin
over of er wel genoeg te eten is en over of er wel een toekomst is voor hun kinderen,
Hij weet dat ook die vrouwen, die hun zorgen hebben,
zelf hard werken en weinig krijgen.

Hij weet dat er vrouwen tussen staan, die jong weduwe geworden zijn
En er nu van afhankelijk zijn van de goedheid van hun familie
En die maar moeten wachten of hun familie bereid is om hen te helpen
En zo niet, dan hebben ze niets te eten en moet zij zichzelf met haar kinderen verhuren.
Er staan ouderen tussen, oud geworden door alle zware arbeid,
kinderen en jongeren, van wie de meesten niet naar school kunnen maar moeten werken.
De meeste van die mensen die hier bij Jezus staan,
zijn niet in staat om zelf iets aan hun leven te veranderen,
Ze hebben maar te gehoorzamen wat hun baas zegt
En hebben het maar te accepteren als hun baas hen afscheept met een hongerloontje.
Geloven ze nog dat het ooit anders kan worden,
dat het er anders aan toe zal gaan in deze wereld, een eerlijker wereld?
Jezus deze mensen stuk voor stuk en weet wat hun leven is, wat ze doormaken.
Als discipelen van Jezus bij Hem komen om naar Hem te luisteren
geeft Hij aan Zijn leerlingen onderwijs, zodat zij die mensen kunnen vertellen over Hem,
de mensen die op de achtergrond meeluisteren naar het onderwijs van Jezus.
Er zijn mensen, die arm van geest zijn zegt Jezus.
Dat zijn de mensen die ervaren dat deze wereld oneerlijk is
en ver verwijderd van hoe God deze wereld bedoelde toen Hij deze wereld schiep.
Ze maken het zelf mee dat deze wereld oneerlijk is,
Of ze zien het om zich heen bij de mensen die om hen heen zijn.
Ze merken dat ze er niets aan kunnen doen en ze lijden dat deze wereld zo is
En ze lijden eraan dat zij aan deze wereld niet kunnen veranderen.
Ze kunnen alleen maar roepen tot God.
Wil Jezus aan Zijn leerlingen leren dat ook zij moeten lijden aan deze wereld
of weet Hij dat zij ook lijden aan deze wereld als zij die mensen daar zien
of hun eigen ervaringen hebben.
Zij  hebben verdriet over deze wereld om deze wereld niet meer is,
zoals God die geschapen. Ze zijn in rouw.
Ze hebben niet de invloed en de macht om de wereld te kunnen veranderen.
Zij ervaren hun onmacht. ‘Zachtmoedigen’, noemt Jezus hen.
Die onmacht is voor hen kruisdragen.
Hun pijn en lijden lijkt op honger en dorst.
Het lijden is een intens verlangen naar een eerlijke, rechtvaardige wereld.
Het lijden is een intens verlangen naar een wereld waarin Gods richtlijnen worden gevolgd.

(3) We leven in een onrechtvaardige wereld (pagina 2)
Als Jezus hier voor in de kerk zou staan, dan zou Hij ook ieder van ons zien, stuk voor stuk.
Hij zou onze gezichten zien, onze houding, zien hoe onze ogen staan,
of ze stralen of dat ze eerder een bezorgde uitdrukking hebben, of zelfs uitgeblust ogen.
Hij zou van ieder van ons weten, hoe ons leven is, wat we hebben meegemaakt,
wat onze worstelingen zijn, wat ons verlangen is.
Wat zou Hij vandaag de dag, hier voor in de kerk, tegen Zijn leerlingen zeggen,
tegen degenen die erop uit gaan voor een bezoek, catechisatie geven en club leiden?
Zou Hij ook beginnen over degenen die arm van geest zijn,
dat wil zeggen: degenen die hier niets in de melk te brokkelen hebben?
Zou Hij u als gemeentelid typeren als iemand die geen enkele invloed heeft,
niets kan beginnen in deze wereld?
Ik denk dat er kinderen en jongeren hier in de kerk zijn,
die heel wat zouden willen veranderen in onze wereld.
Je zou iets willen doen om het milieu te verbeteren,
net als de 24jarige Boyan Slat, die als tiener met een plan kwam
om de grote hoeveelheden plastic in de oceanen op te ruimen.
Hij kwam voor de kerst in het nieuws, omdat hij tegenslag had
en zijn slimme plan niet zo bleek te werken.
Er kunnen volwassenen in de kerk zitten, die als zij aan hun eigen jeugd denken,
herkennen de drang om iets te willen doen
en misschien nog steeds ook wel wat doen om een betere wereld na te laten.
Vrijwel de meesten kunnen alleen maar iets op kleine schaal betekenen:
Hooguit in de gemeenteraad of meedenken met een politieke partij,
of een beroep gekozen, waarbij je iets voor een betere wereld kunt doen:
de zorg of het onderwijs.
Je doet dit werk vanuit een ideaal en tegelijkertijd loop je steeds op tegen de regels,
Tegen wat niet kan volgens het systeem.
Soms word je moedeloos, dan weer probeer je alles te doen wat jij kunt doen.
Deze wereld is vaak geen eerlijke, rechtvaardige wereld
En er zijn er vanmorgen maar weinig die iets aan dat oneerlijke kunnen veranderen.
Je zou wel willen, je hebt een droom dat het er in ons land anders aan toe gaat, eerlijker.
Je zou willen horen wat je kunt doen, al is het op kleine schaal.
En als gelovige, als christen zou je ook willen zien dat God er iets aan doet.
Dat Hij mensen in beweging zet of zelf ingrijpt en onze wereld verbetert.
Hoe moet je je als christen opstellen in een wereld die niet is,
zoals God die bedoeld heeft,

een wereld die oneerlijk is, onrechtvaardig, die niet ten goede lijkt te veranderen?
Hoe leef je in deze wereld, als je nauwelijks mogelijkheden hebt
om daar iets aan te doen, om een betere wereld te geven.
Dat wil niet zeggen dat je er altijd last van hebt, dat je altijd aan lijdt aan deze wereld.
Dat is misschien ook niet vol te houden.
Maar er kunnen wel momenten zijn, waarop je je juist als gelovige druk maakt
over hoe deze wereld is en wat we als mensen elkaar aandoen.
Je wilt niet cynisch worden, soms is dat al het hoogst haalbare,
dat je zorgt dat je niet afknapt en gewoon de dingen blijft doen, die je doet.
Je kleine bijdrage die je levert voor een betere, eerlijkere wereld.

(4) God geeft een betere wereld (pagina 3)
Die betere wereld komt Jezus brengen: Gods nieuwe wereld.
Die nieuwe wereld die Jezus komt brengen wordt ook wel het Koninkrijk van God genoemd.
Jezus is die nieuwe wereld van God, Hij is het Koninkrijk van God
en hier als brenger van dat Koninkrijk van God,
de nieuwe wereld waarop het er alleen maar eerlijk aan toe zal gaan,
Waarop mensen elkaar niet meer pijn zullen doen, of tegen elkaar zullen strijden,
niet meer van elkaar af zullen gaan, of elkaar zullen haten.
Die nieuwe wereld van God komt met Jezus.
Je zou denken, zegt Jezus, dat je met deze mensen medelijden moet hebben,
maar je moet beseffen dat deze mensen de meest gelukkige mensen zijn,
omdat God hen een betere wereld geeft

God geeft hen een betere wereld en die betere wereld kom Ik brengen.
Die betere wereld is bestemd voor wie aan deze wereld lijden.
Zij ontvangen met die betere een geluk dat het aardse overstijgt.
Ze krijgen met die nieuwe wereld die Ik kom brengen een troost die nergens te vinden is.
Ze hoeven niet meer in rouw te zijn.
Zij zullen zien, zij zullen het zelf ervaren dat God een betere wereld geeft,
de betere wereld die Ik kom brengen, zegt Jezus
Die betere wereld is niet alleen iets van de toekomst,
maar de menigte die op de achtergrond mee staat te luisteren naar Jezus’ onderwijs
mag er op dat moment zelf al iets van veranderen
Dat met de komst van Jezus er al iets van dat Koninkrijk van God gekomen is.
Niet volledig, want als Jezus dit vertelt is Hij nog niet aan het kruis gegaan
en is Hij nog niet opgestaan uit de dood en is Hij nog niet teruggekomen op aarde.
Maar Hij geeft hen op dat moment als ze luisteren al iets van die nieuwe wereld.
Hij betrekt hen in die nieuwe wereld.
Zij kunnen zich op een bepaalde manier gedragen in deze oneerlijke wereld.
En dat ze zich op die manier kunnen gedragen is de kracht die ze van Jezus ontvangen,
nu nog in de woorden die Hij spreekt, die in hen iets wakker roepen,
en later als Hij naar de hemel is gegaan de kracht van de Heilige Geest.
Na die eerste zaligsprekingen kantelt het perspectief
en ligt de nadruk niet meer op wat ze niet kunnen, op hun machteloosheid,
maar laat Jezus hen zien, wat zij wel kunnen doen in deze oneerlijke wereld,
wat ze kunnen doen in Zijn kracht:
Zij kunnen hun hart laten spreken. Zalig de barmhartigen.
Zij kunnen hun hart laten spreken voor medemensen in nood.
Zij kunnen mild zijn in hun oordeel over anderen.
Zij kunnen in het klein iets voor anderen betekenen.
Als zij hun hart laten spreken,
als hun daden gekenmerkt worden door deze bewogenheid en mildheid
laten ze in deze wereld iets van God zien.
Wie zo leeft is als een licht in deze wereld.
Als het donker is in deze wereld, omdat het er zo oneerlijk aan toe gaat,
Zij stralen zij – misschien wel zonder dat ze het zelf beseffen het licht van God uit.
Het licht dat scheen bij de schepping over Gods goede wereld,
het licht dat straalde op de Opstandingsmorgen, nadat Jezus de dood had overwonnen,
straalt dan door hen heen en dat licht laat zien dat God een betere wereld geeft.

(5) God geeft ons een betere wereld (pagina 4)
Als jij denkt dat je aan deze wereld niets veranderen en je machteloos voelt,
kun je wel voorkomen dat de wereld jou verandert.
Of beter gezegd: mag je erop vertrouwen dat je een God hebt die je hart beschermt
en dat je Zijn Heilige Geest mag krijgen om te voorkomen dat de wereld jouw hart verandert.
En dat in jouw hart de normen van deze wereld worden ingeruild voor Zijn goede werken
Die normen van deze wereld zijn: ik-gerichtheid, gebrek aan compassie, aan empathie,
over de grenzen van anderen gaan, anderen beschadigen.
Als je integer leeft, rein van hart bent, zul je God mogen zien,
niet alleen later, als je in Zijn Koninkrijk mag binnen gaan,
maar nu al in de wereld om je heen, in de goede daden die mensen verrichten,
het licht dat je dan ziet, omdat je Gods werk in hen herkent.
Dat is een geluk dat niemand je afneemt, een geluk dat het aardse overstijgt,
Dat je nu al mag ontvangen, als een voorbode van het geluk in de hemel
als je God van aangezicht tot aangezicht mag zien.
God geeft een betere wereld, Hij vernieuwt deze wereld
en maakte met de komst van Christus onze oneerlijke wereld weer tot Zijn wereld.

Jezus zegt dat Hij hier van ons verwacht,
dat wij zijn als kaarsjes in de nacht.
Hij maakt ons tot een licht, waarmee Zijn licht door ons heenstraalt,
het is het licht van de schepping,
het is het licht dat weer terugkwam nadat Christus in de diepste donkerheid afdaalde
aan het kruis, het is het licht van Christus’ opstanding en van Zijn nieuwe wereld,
door ons heen.
Alleen dat maakt het waard om God te loven,
niet alleen met ons lied, maar ook met onze daden, omdat Hij ons tot dat licht maakt
En een licht laat zijn en ons gebruikt om iets van Hem te laten zien, in deze wereld.

Dat je iets van God laat zien als je zoon komt vertellen dat hij gaat scheiden
en je je zorgen maakt over hem en over wat er van je kleinkinderen moet worden.
Je kunt niet misschien niet meer doen dat strijden tegen je eigen boosheid
en je mond houden en je oordeel voor je houden, klaar staan voor hem en de kleinkinderen
en het in gebed bij God brengen.

Als je ziet dat je klasgenoot het land uitgezet is en het enige dat je er aan kunt doen
is het niet gewoon blijven vinden,
het niet accepteren dat er zoveel oneerlijkheid is in asielprocedures,

en dat aankaarten bij de hoogste Rechter in het heelal, in een klacht bij God zelf.
Dan maakt God je tot een licht in deze wereld
al kun je niet uit jezelf dat licht zijn en weet je niet of jouw licht voor anderen zichtbaar is,
maar door je heen schijnt wel Zijn licht,
opdat de mensen jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel. Amen

De vier pagina’s van de preek (model van Paul Scott Wilson)
Text: Mattheüs 5:1-16
Theme sentence: God geeft ons een betere wereld
Doctrine: Vernieuwing van deze wereld (eschatologie)
Need: Hoe kan ik als gelovige in deze onrechtvaardige wereld leven?
Image: De gelovige als licht in een donkere wereld
Mission: God maakt de gelovigen tot een licht in de wereld

Pagina 1: Jezus heeft oog voor de onrechtvaardigheid van deze wereld
Pagina 2: We leven in een onrechtvaardige wereld
Pagina 3: God geeft een betere wereld
Pagina 4: God geeft ons een betere wereld

 

 

‘De vier pagina’s van de preek’- 4: het begin van de preek

‘De vier pagina’s van de preek’- 4: het begin van de preek

Net als in de openingsscène van een film onthult de introductie van de preek iets van waar de preek over gaat. De tafel wordt gedekt, maar de maaltijd nog niet opgediend. De geur hangt al wel in huis. De introductie heeft een belofte die in de preek waargemaakt wordt.

Voor de luisteraar is de introductie ook bedoeld om vertrouwen te krijgen in degene die de preek houdt: ‘Wie is hij of zij? Ben ik het eens met de aanpak? Kan ik vertrouwen stellen in wat er gezegd wordt?’

In het verleden werd er niet veel aandacht besteed aan de introductie van de preek. Door de New Homiletic, die wil dat de preek een ervaring of een belevenis is, is er aandacht gekomen voor de introductie, waarin de luisteraar wordt meegenomen in het verhaal.

De preek kan beginnen met pagina 2 (Trouble in onze eigen wereld). Wanneer het hedendaagse materiaal beperkt kan blijven tot een of twee paragrafen is het zinvoller om deze paragrafen te zien als introductie op de hele preek en daarmee ook op pagina 1 (Trouble in de Bijbel).

Volgens Paul Scott Wilson zijn er 6 manieren om de preek te beginnen:

  1. Vertel een verhaal dat het tegenovergestelde is van de boodschap (theme sentence) en van het handelen van God (grace).
  2. Begin met een niet al te serieuze ervaring van de boodschap (theme sentence).
  3. Start met de gekozen Bijbeltekst.
  4. Start met sociale gerechtigheid.
  5. Start met een nieuwsbericht.
  6. Start met een fictief verhaal.


Zelf zou ik nog een 7e toevoegen: koppeling aan het kerkelijk jaar of het eigene van de desbetreffende zondag. Paul Scott Wilson stelt dat echter in het slot van de preek aan de orde.

Regels voor een verhaal aan het begin

  • Start in medias res: op de plaats en met de gebeurtenis of handeling waar het om gaat.
  • Neem geen lange aanloop waarvan niet duidelijk is waar het naar toe gaat.

Wat je in een introductie niet moet doen

  1. Begin niet met een vraag.
  2. Ga de luisteraars niet manipuleren.
  3. Begin niet met een grap of een mop (tenzij deze grap of mop heel goed aan de Bijbelse tekst verbonden kan worden).
  4. Gebruik geen lange zinnen.
  5. Start niet met een verhaal met een lange aanloop. Begin direct bij de pointe van het verhaal en vertel de rest eventueel als een terugblik.
  6. Start niet te diep of met een te aangrijpend verhaal.