Afscheidspreek

Afscheidspreek

Deze preek hield ik in de dienst waarin ik afscheid nam als predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam en Watergang:

Wie op het woord acht geeft, zal het goede vinden;
ja, welzalig hij, die op de HERE vertrouwt.

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Dat is nog eens een belofte! Er wordt ons beloofd dat we het goede zullen vinden. Het gaat om diepe ervaring, waarin we intens gelukkig zijn,overstelpt worden door het goede. Waarin we stil worden, maar het ook wel zouden willen uitzingen. Als je als moeder je kind, dat net geboren is, in je armen gelegd krijgt. Of als oma en opa je kleinkind in de armen houdt. Of dat je op iemand verliefd bent en de ander ook voor jou voelt en die liefde beantwoordt, waardoor je liefde voor elkaar de kans krijgt om te verdiepen. Als je met zorgen of verdriet rondloopt en iemand heeft, door zorgvuldig te luisteren oog en oor voor wat je bezig houdt. Als je door de schepping loopt, hier door de weidegebieden van Waterland of tijdens vakantie door de bergen, en je raakt onder de indruk van Gods grootheid.
Er wordt ons beloofd dat we het goede zullen vinden. Wat we vinden, maakt ons zo gelukkig alsof we weer in het paradijs leven. En God zag dat het goed was. Of het nu gaat om een ervaring die maar heel even duurt, of een heel lange tijd van ons leven duurt, wat we vinden is een geschenk van God. Het valt ons toe, het overkomt ons, omdat de Here het ons gunt. Een ervaring waarbij we een klein idee krijgen: zo moet het leven in het paradijs bedoeld zijn. Zo intens gelukkig en zo dichtbij de Here.  Dat intense geluk, het werkelijk gelukkig zijn, tot in alle vezels van ons bestaan, dat is geen onbereikbare droom. Nee, het wordt ons beloofd, dat ook wij dat kunnen vinden. Eigenlijk is ‘beloofd’ een woord dat het nog te zwak uitdrukt. Het wordt ons verkondigd: van Godswege toegezegd. Door God zelf toegezegd én geschonken!
Dat laat zien wat de Here met ons voor heeft. Hoe Hij ons graag ziet. Hij gunt het ons dat wij het goede ook werkelijk vinden. Als wij kunnen spreken over verlangen van God, is dit Zijn verlangen: dat wij het echte geluk, het ware leven vinden. Het leven, waarvan we zeggen: Ja, zo is het bedoeld door God. Dat, zoals de zegen aan het einde van de kerkdienst het ons toezegt: dat de Here zijn aangezicht over ons doet lichten, dat Hij ons genadig is. God is de bron van het goede, vanwaar uit het goede naar ons toestroomt, ons bereikt. Ook in dagen waarin wij dor en droog zijn en we denken dat Gods goedheid nooit voor ons te bereiken is. De Here houdt ons niet voor, dat het goede wellicht te vinden is. Misschien, als we onze best doen. Om dat geluk, dat goede te vinden hoeven we niet boven ons macht te werken. Het valt ons toe. Niet als een lot uit een loterij, waarvan je eigenlijk wel weet dat je dat toch nooit een prijs ontvangt. Dat goede wordt ons gegeven, geschonken uit Gods vaderlijke goedheid. Hij houdt het niet voor ons achter. Hij verbergt het niet voor ons. Hij maakt ons bekend, hoe we het goede kunnen vinden:
Wie op het woord acht geeft, die zal het goede vinden. Dat is de weg, waarop we het goede kunnen vinden: door acht te geven op het woord. Dat is toch een andere weg om het geluk te vinden dan ons vaak wordt voorgehouden. Er zijn veel stemmen die ons beloven gelukkig te maken, die ons geluk garanderen. Soms heel nadrukkelijk, in tijdschriftartikelen of boeken die over de weg naar het geluk gaan. Soms op een heel verborgen manier. De stralende foto’s die bij zulke artikelen staan: mensen die er goed uitzien, een uitstraling hebben, die bruisen van vitaliteit en levenslust. En onbewust registreer je: dit behaal ik nooit. Verhalen over mensen die behoorlijk wat hebben gepresteerd, een lange reis, het beklimmen van een berg en daardoor geluk hebben gevonden. Je weet het bij jezelf: het is een illusie. En toch, ergens kan dan toch een stem in je knagen: jij kunt niet gelukkig worden. Want om gelukkig te worden, moet je krachtig en vitaal zijn, een leuke uitstraling hebben, moet je gezien worden, wat gepresteerd hebben.
Denk eens goed na over de wegen naar het geluk die ons worden voorgehouden? Vragen die vaak niet een bepaalde bijzondere en liefst een indrukwekkende prestatie, waarmee je Hart voor Nederland haalt. Of gaat het vaak niet om een keuze die om onszelf draait? Als jij maar gelukkig bent. Als je uit een huwelijk stapt waarin je niet meer gelukkig bent, zullen veel mensen dat een moedige stap vinden: je kiest voor jezelf! Je neemt het heft in eigen handen! Sterker nog, soms moet je uitleggen waarom je ervoor kiest om niet weg te gaan. Wie gaat er nu zijn eigen geluk in de weg staan?
Wie op het woord acht geeft, die zal het goede vinden. Hier wordt ons het tegenovergestelde verkondigd. Geluk vinden we door ons open te stellen voor wat er op ons afkomt. Acht geven heeft te maken met opmerkzaamheid, met nauwkeurig en met liefde en respect gade te slaan wat er om je heen gebeurt. Door je te laten raken, je hart ervoor open te stellen. Voor wat er tegen je gezegd wordt, voor wat er op je afkomt. Als je bijvoorbeeld in gesprek bent met iemand: dat je niet al bij voorbaat weet wat iemand gaat zeggen. Of dat je al weet hoe je moet reageren. Maar dat je luistert. Luistert naar wat de ander echt te zeggen heeft. Dat je een kijkje in iemands ziel krijgt en dat je na afloop jezelf realiseert: ik heb iemand echt ontmoet. Dat geeft een band en dat maakt echt gelukkig, kan ik u verzekeren. Ik heb in Ilpendam en Watergang veel gesprekken gehad, waarvan ik gelukkig werd. Gesprekken waarvan ik me realiseerde: ik heb echt iemand ontmoet, iemand die mij wat te vertellen heeft. Het beeld dat je van iemand hebt, wordt radicaal bijgesteld. Het gaat er niet meer om, hoe ik over iemand dacht, waarbij ik van tevoren wel wist in te vullen hoe iemand is. Maar waarin iemand zichzelf liet zien, hoe hij of zij ten diepste echt is. Als ik u, gemeente, voorhoudt dat zulke gesprekken, zo’n houding zelfs een goddelijke opdracht is, dan doe ik de tekst echt geen onrecht.
Het is een goddelijk gebod, we worden er toe opgeroepen, omdat zulke gesprekken ons ook veel bieden. Het zijn gesprekken waarin wat gebeurde. Wat dan? Dat ik op de een of andere manier mezelf realiseerde: hier is God ook aanwezig. Daar gaat het ook om bij die opmerkzaamheid: dat ik dat ontdek, de aanwezigheid van de Here zelf. Die aanwezigheid van de Here heeft niet alleen met woorden te maken. Het kan ook zijn dat je die aanwezigheid van de Here opmerkt, voelt, maar dat er geen woorden voor te bedenken zijn. Omdat het zo kostbaar en zo intiem is. Dat het je zo intens gelukkig maakt,dat je sprakeloos bent van geluk, waar je stil van wordt. Een gebeuren, een indrukwekkende ervaring, waarin God zijn aanwezigheid zich laat merken. Zonder dat je het in woorden kunt vangen, weet je het, geloof je het! Waarin God naar je toekomt, zich openbaart, waarin je Hem ontmoet. Hij komt naar je toe. Een werkelijke ontmoeting, waarin God je aanspreekt. We worden tot opmerkzaamheid geroepen, door met gevoel, sensitief, te luisteren en te kijken met onze ziel naar wat er om ons heen gebeurt: om te horen hoe God ons aanspreekt en te zien hoe Hij ons ontmoet.
Daarmee laat God zich niet alleen kennen als een gunnende God, die ons Zijn goedheid wil schenken, maar ook als een sprekende God. Als de God die ons aanspreekt. Hij heeft ons wat te zeggen. God heeft zich niet opgesloten in de hoge hemel, onbereikbaar voor ons, zich hullend in een stilzwijgen. Nee, Hij is naar de afgedaald voordat mensen kwamen om ons op te zoeken, te ontmoeten, aan te spreken, ons te roepen. Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond. Waarom? Om ons het leven te geven, dat ware leven, het werkelijke geluk. Wie nauwkeurig en met aandacht de Schrift leest, zal ontdekken dat God steeds op die manier naar ons toekomt. Bijvoorbeeld Hebreeën 1. Ik heb er wel eens over gepreekt: God heeft in het verleden tot de profeten gesproken. Nu in het laatst van de dagen heeft Hij tot ons gesproken door de Zoon. Of, zoals ik zei in de laatste preek die ik in Watergang hield: door het kruis van Christus spreekt God ons aan. Het gaat om ons. Hij is op ons gericht.
We worden opgeroepen tot opmerkzaamheid voor de manier waarop God ons aanspreekt. De een kan worden aangesproken door het geluk dat de Here geeft. De geboorte van een kind, waardoor het opeens door je heenflitst: God bestaat. Als er zoveel geluk is, moet Hij er wel zijn. Voor de ander als een liefdesverklaring: ik ben geliefd door God, mijn hemelse Vader. Maar voor de ander als de stem van de goede herder, die je weer terugroept: Kom naar mij terug. Of de stem die je tevoorschijn roept, omdat je voor God niet durft te vertonen na alles wat je gedaan hebt of juist nagelaten hebt: Adam, waar zijt gij. Voor een ander de onthulling, die je vreest maar waarvan je weet dat God gelijk heeft: Gij zijt die man. De stem waarmee we ondanks al ons tekortkomen toch weer geroepen worden: Hebt gij mij lief?
God spreekt ons op verschillende manieren aan. Daarom dienen wij opmerkzaam te zijn. Omdat we het niet van tevoren weten op welke manier God ons aanspreekt. Hij laat zich vinden, maar niet altijd op het tijdstip dat wij het willen. En ook niet altijd op de manier waarop wij dat willen. Soms kan wat God ons te zeggen heeft, ons irriteren. Wat God ons te zeggen heeft, past niet altijd in ons straatje, kan zelfs tegen ons in gaan. We kunnen dat niet van tevoren invullen wat wij denken dat Gods boodschap is. Dat is een valkuil voor veel gelovigen en predikanten: dat we wel weten wat Gods boodschap is, maar daarbij het luisteren vergeten. Daarom: pas op de plaats maken. Om opmerkzaam te zijn, acht te geven op hoe God werkelijk ons aanspreekt. Omdat we alleen maar via deze weg bij Hem uitkomen.
Als we bij voorbaat al weten, zonder te luisteren, zonder op ons in te laten werken wat God ons te zeggen heeft, gaan we aan hem voorbij. Dan komen we niet bij Hem uit en lopen we Hem mis. En niet alleen Hem, maar ook het echte leven en het echte geluk. Dat hebben we bij ontmoetingen met mensen al: als wij een beeld van iemand hebben, als we denken te weten hoe iemand is, vindt er geen echte ontmoeting plaats. Hooguit levert dat frustraties op, een stroef gesprek waarbij je ergens aanvoelt dat iemand je ontwijkt. Geen echte ontmoeting. We ontmoeten ook God niet als we al bij voorbaat weten wat Hij ons te zeggen heeft. Als we niet de tijd nemen om nauwgezet de Bijbel te lezen. Of als we niet de tijd nemen om geestelijke raad bij iemand te vragen. Vergis ik mij niet? Heb ik wel Gods stem gehoord? Was het de stem van God of mijn eigen verlangen?
Hoe werkt dat dan? Onze oudste dochter vroeg zich dat ook af, nadat het beroep uit Oldebroek gekomen was. En ook nadat ik het beroep uit Oldebroek had aangenomen? Had ik Gods stem ook echt gehoord? Hoe klinkt Gods stem dan? Hoe weet je dat Hij je aanspreekt? Hoe weet je dat als je een weg inslaat, dat het Gods bedoeling is? Maar zo werkt het niet altijd. Het kan overigens wel. Het is nog het beste te vergelijken met een druk station, waarop mensen kris kras door elkaar lopen. Waar veel stemmen te horen zijn, waar veel geroepen wordt en veel geluiden klinken. En in de wirwar van stemmen, de chaos, de drukte word je opeens geroepen. Je hoort je naam en je draait je om. Het kan een bekende zijn met wie je hebt afgesproken en naar wie je op zoek was. Het kan totaal onverwacht zijn, een onverwachte ontmoeting. Maar je keert je om, want je weet: Het is voor mij bedoeld. Al die andere mensen vallen weg, ze doen er niet meer toe. Je ziet alleen de ander. Zo.
In het voorjaar, toen ik van het bestaan van Oldebroek nauwelijks iets afwist en zelfs geen enkel idee had dat mijn weg die kant op zou gaan, hoorde ik een radiogesprek. Ik kan me nog goed herinneren waar we reden: op de A2 ter hoogte van afslag Hilversum. Een predikant vertelde hoe hij een beroep had ontvangen van een gemeente van de Veluwe, maar hij had totaal geen trek om naar de Veluwe te gaan. Totdat een hoogleraar, met wie hij goed contact had, hem erop wees dat ook daar werk te doen was om gelovigen te bewaren bij het geloof. Ook al kan ik het mij goed herinneren, op dat moment was het geen bijzondere ervaring. Totdat het beroep uit Oldebroek kwam en ik het wist. Zo kan de stem van God ook werken: dat je opeens anders kijkt naar een omgeving. Zoals ik anders naar Noord-Holland en Waterland heb leren kijken. Opmerkzaamheid, het kan alleen door het ook te ondergaan. Door ontmoeting en contact, gesprekken. Door het opgeven van mijn eigen ideeën over u als mensen, als christen en als gemeente. Geen gemakkelijke ervaring, maar wel een verrijkende ervaring. Wie op het woord acht, heeft het goede gevonden.
Maar dat kan ook alleen als je de Here werkelijk vertrouwt. Als je gelooft, dat de Here een weg met je gaat en je daadwerkelijk gelooft dat de wegen die Hij je wijst, je ook bij het goede brengen. Het gaat om vertrouwen dat de Here goed is en dat wat Hij geeft, hoe Hij je ook tegemoet komt, ten diepste goed is wat Hij je geeft. Nu zijn we bij het tweede wat ik heb geleerd in mijn contacten met u als gemeenten: vertrouwen op de Here. ‘Gelooft u eigenlijk wat u zegt?’ vroeg iemand mij tijdens een bezoek. Dat zijn vragen, die mij gesteld zijn en opmerkingen, die gemaakt zijn, die haken en mij op onderzoek deden gaan. Waarbij ik achteraf moest concluderen: hier sprak God mij aan, riep Hij mij terug, stelde Hij mijn ongeloof aan de kaak. Want geloofde ik wel wat ik zei? Kon ik mij echt aan Hem toevertrouwen. Dat, als ik niets meer op de wereld bezat dan God, dat het dan toch goed is. Dat ik dan toch nog het goede heb gevonden? Ik ben u er als gemeenten dankbaar voor, dat u mij dat vertrouwen hebt geleerd. Dat niet twijfel en aanvechting het laatste woord hebben, hoe gevangen ik ook erin kon zijn, maar dat wie op opmerkzaam is op wat God doet, er nauwkeurig en met liefde op let, hoe Hij je tegemoet komt, die vindt God. Dat is wat ik heb mogen ervaren. Op de Bijbelkring kwam de openbare geloofsbelijdenis een keer aan de orde. Op veel kringen werd verteld dat de betrokkenen in Ilpendam en Watergang een verdieping van hun geloof meemaakten, onverwacht vaak. Een bewustwording, een levend geloof. Dat is op z’n minst de kracht en de zegen van u als gemeenten. Ik heb dat ook zelf mogen ervaren. Dat is ook een van de redenen waarom ik de Here dankbaar ben, waarom ik door de Here als predikant hier naartoe geroepen ben. En dat is wat ik u mag verkondigen als iets dat niet alleen maar mijn ervaring is, maar wat ik – vanmorgen voor het laatst als uw eigen predikant – u van Godswege mag zeggen: Wie op het woord acht geeft, die zal het goede vinden. Ja, welzalig die op de Here vertrouwt.
Het is waar, wat God ons belooft en toezegt: dat we het goede bij Hem vinden. Dat Hij ons aanspreekt, Hij ons wil ontmoeten en ons het goede wil geven, dat het kruis van Christus daarvoor nog eens een extra bevestiging is, een liefdesverklaring die je doet duizelen, dat het waar is, dat God betrouwbaar is. Niet omdat ik dat heb ontdekt, maar omdat Hij dat zegt. Alleen de aanvechting leert op het Woord te achten, vertaalt Luther ergens  (Jesaja 28:19). Met andere woorden: als je alles kwijt bent en zelfs God en zelfs God zich tegen je lijkt te keren, dan ontdek je de kracht van Gods woord. Dat het woord van God je zelfs tegen je ervaring in bij God kan brengen. Hij spreekt aan te midden van alle stemmen die ons toeroepen: het kan niet dat God bestaat. Of het kan niet wat God belooft, dat zie je toch? Vaak hebben die stemmen in mijn preek de overhand gehad en te vaak hebben die stemmen de verkondiging overstemd. En zelfs bijna mijn geloof en leven met de Here overstemt. Ik zal u eerlijk vertellen dat ik soms op het punt heb  gestaan om te stoppen als predikant. Maar ik heb dat niet gekund. Ik kon dat niet aan u als gemeente uitleggen, maar ook omdat ik geroepen was als predikant naar u als gemeenten. Ik heb door die twijfel en aanvechting – zeker in het begin – God vaak, en u als gemeente denk ik ook wel, tekortgedaan. Te weinig enthousiast over de God die wij dienen, die ons geroepen heeft. Een somberheid die alles doortrok.
En nu voor het laatst: dat het toch waar is, betrouwbaar wat God zegt. Dat wie op het woord acht, ook het goede vindt. Wie op Hem vertrouwt, echt gelukkig wordt. Intens. Dat het waar is dat Hij ons voorhoudt: dat het leven in Hem te vinden is. Eeuwig leven voor wie in Hem gelooft. Dat de tekst van mijn intredepreek waar is: Al wie belijdt, dat Jezus de Zoon van God is – God blijft in hem en hij in God. Wie deze God gevonden heeft, die kan zijn of haar geluk niet op. Wie net zo nauwkeurig naar mensen luistert als Gods woord bestudeert, mag dat ook uitdragen of uitstralen naar anderen toe, hoe bijzonder het is om deze God te mogen dienen. Wie deze God gevonden heeft, heeft het geluk gevonden. Ja, welzalig die op Hem vertrouwt.
Amen

Oswald Bayer – Wie op het woord acht geeft, vindt geluk

Oswald Bayer – Wie op het woord acht geeft, vindt geluk[1]
(Vertaling)

Wie op het woord acht geeft, vindt geluk;
Gelukkig diegene die op de HEER vertrouwt!
(Spreuken 16:20)

I.
Het geluk vinden, geliefde gemeente, wil iedereen. Het komt maar zelden voor dat iemand graag van het ongeluk houdt. Als het toch zo is, het dat toch op de een of andere manier te maken met de zoektocht naar geluk en het mislukken van die zoektocht. Iedereen wil het geluk vinden – zijn geluk, haar geluk. Want hoezeer de zoektocht naar het geluk en de verwachting daarmee samenhangend ieder mens op de een of andere manier bepaalt, zo verschillend wordt het geconcretiseerd. Muziek kan bijvoorbeeld de een koud laten, maar laat de ander een rilling van geluk over de rug lopen. Het geluk dat na een inspannende klimtocht naar de top over de bergen uit te zien is niet besteed aan iemand die liever lui in het café zit. Ieder vindt, als hij het vindt, zijn eigen geluk. En hij vindt op verschillende tijden een ander soort geluk. Hij vindt het niet steeds op hetzelfde moment.
Wat vindt iemand, die geluk vindt? De Romein Varro telde in de eerste eeuw voor Christus niet minder dan 288 definities van geluk. Vandaag de dag zullen niet minder definities te geven zijn. Heeft geluk – om slechts een van de vele mogelijke antwoorden te noemen – te maken met de ervaring van de onmiddellijke aanwezigheid van het gehele, ongedeelde zijn? Bevangt mij met het geluk een stille en diepe of gepassioneerd levenslustige vreugde en aanvaarding van het bestaan, waarin –al is het slechts voor een enkel ogenblik – elke twijfel en elk ter discussie stellen, als ze niet in het geheel overwonnen kunnen worden, voor even overwonnen lijken te zijn en even zwijgen. Geluk bestaat in elk geval niet zonder een geluksgevoel. Bij dat gevoel behoort wezenlijk een stemming, een totaal gevoel, een samenstemmen – en dat houdt in: schoonheid. Geen geluk zonder de ervaring van schoonheid. Zelfs een paardenbloem in de tuin van de gevangenis kan, zoals Wolfgang Borchert vertelt,als schoon ervaren worden, door de gevangene meegenomen in de cel waar deze bloem licht brengt in de benauwde ruimte.
Wat is dan geluk? Licht in het donker? Een verlangen waarvan de vervulling vaak als een flits inslaat? Gaat het uiteindelijk om de voltooiing van mijn even, van de gehele natuur- en wereldgeschiedenis? De macht die leuzen bedenkt voor het vergeefse, vergankelijke, lege, zinloze, absurde, onvervulde, het onmenselijke, de verveling? Wellicht niet geheel in tegenstelling tot het absurde, maar in aanvaarding van het absurde: ‘We moeten ons Sisyphos’, concludeert Camus in zijn essay over het absurde ‘voorstellen als een gelukkig mens’.
De kwetsbaarheid van het geluk wortelt diep: Glück und Glas – wie leicht bricht das! Desondanks kennen wij beide zijden: het geluksgevoel van het ogenblik en de over langere tijd aanhoudende. Verliefdzijn bijvoorbeeld, een tevreden sfeer in het gezin en op het werk.
Duurzaam geluk mag voor de één een toevalstreffer zijn, voor de ander een nastrevenswaardig doel –  in overeenstemming met de uit de Oudheid stammende definitie van het goede: een geslaagd, gelukkig leven. Volgens deze visie bestaat geluk uit een bewust geleid leven, waarin alle voor de invulling van het leven belangrijke momenten zijn afgestemd op het behalen van dit doel. Wie deze oriëntatie vertrouwt en volgt, zal eerder geluk maken dan geluk vinden: hij zal de smid van zijn eigen geluk zijn. Maken wij ons geluk? Moeten wij ons geluk maken om het te kunnen bereiken? Zijn wij, als wij er niet in slagen om ons geluk te scheppen, als ons leven niet slaagt, mislukkeling die zich niet meer aan zichzelf en aan anderen kan tonen? Of is geluk geen doel dat nagestreefd kan worden? Vinden wij geluk alleen als wij er op stuiten, als het ons toevalt? En als het ons toevalt: alleen in een enkel ogenblik of ook op de lange termijn?
In de wirwar van deze vragen en de vele vragen die u heeft meegenomen, moet men weten wat het ware geluk is. Een duidelijk antwoord op de vraag wat het ware geluk is, belooft de tekst van de prediking te geven: Wie op het woord acht geeft, vindt geluk.

II.
Daar komt het klaarblijkelijk op aan: op het woord acht geven, opmerkzaam zijn op het woord. Op welk woord? Er zijn veel woorden, zegswijzen e stemmen die op ons inwerken, die onze aandacht willen en ons geluk beloven. Wat is dat ene woord dat in deze chaos binnenbreekt, duidelijkheid schept en waar  geluk brengt?
Op het centraal station van een miljoenenstad te midden van de ontelbare mensen die zich haastend door elkaar begeven – iedereen in zijn eigen richting – in deze Babylonische spraakverwarring kan het plotseling gebeuren dat ik mijn naam hoor: luid en duidelijk, anders dan de vele stemmen die door elkaar heen klinken. Omdat ik mijn naam hoor roepen, wordt ik aangesproken, ben ik gelokaliseerd en richt ik mij op degene die mij aanspreekt. Zijn woord is een woord met macht: hij heeft de macht mij uit deze stemmenchaos tevoorschijn te halen, mij van mijn diffuse omgeving te onderscheiden en tot een uniek individu te maken. Nu kan ik, gelokaliseerd en aangesproken, gericht antwoorden: ik mag antwoorden. Of misschien moet ik wel.
Dit tafereel kan ons duidelijk maken wat dat ene woord kan doen, op het centraal station en op de jaarmarkt van menselijke verlangens,  geluksidealen en levensdoelen, de uit angst en nieuwsgierigheid geboren vele goden. Het ene woord dat ‘dat wij te horen, dat wij in leven en in sterven te vertrouwen en te gehoorzamen hebben’ (Barmen I). Dit ene woord is een heel bepaalde naam. Zoals de onmiddellijke parallel van onze preektekst laat zien: gelukkig diegene die op de HEER vertrouwt. Op het woord acht geven is niets anders dan vertrouwen op de HEER.
Het woord is wezenlijk Gods Naam. Wie op deze naam acht geeft, er naar luistert, bedenkt of fantaseert deze naam niet. Laat staat dat wij ons deze naam tot doel kunnen stellen of als doel kunnen uitkiezen. Want Gods naam komt ons tegen. Te midden van de vele goden en godinnen, de vele heren en moeders, met hun duizend namen, die allemaal gehoor willen vinden en tot gehoorzaamheid willen dwingen. Soms laten ze ruimte voor elkaar, maar meestal betwisten ze de ruimte. Te midden van de chaos van hun toezeggingen en verleidingen, hun dreigingen en uitnodigingen – zie: een breuk, een doorbraak, zoals een zonnestraal de wolken doorbreekt, een stilte – laat nu alles zwijgen! -: Daar is de ware God, het ware geluk, met zijn naam, met zijn rustgevende kracht, een krachtdadige helderheid die oriëntatie geeft, eenduidigheid schept: energiek, geheel en al, maar tegelijkertijd ook teder en kwetsbaar als een liefdesverklaring: ‘Ik zal met u zijn!’ (Ex. 3:12). ‘Dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht.’ (Ex. 3:15) Zo laat God zich in de woestenij vanuit de braambos aan Mozes zich horen – en hij verborg zijn aangezicht. Zo laat God eveneens in de woestenij vanuit de stilte van zich horen aan Elia – als een stem van een suizend zwijgen. En Elia verborg zijn aangezicht in zijn mantel. Ook Gerhard Tersteegen hoort in zijn lied God is tegenwoordig (Gezang 323 / EG 165) deze naam met diepe eerbied. Wij begrijpen onze Joodse broeders en zusters als zij de naam van God niet uitspreken.
‘Ik zal met u zijn!’- dat is Gods naam, de toezegging van betrouwbare liefde: ‘Ik zal met u zijn op alle wegen en omwegen van uw levensgeschiedenis en zoektochten naar geluk. Ik zal met u zijn op alle wegen, omwegen en dwaalwegen van de gehele wereldgeschiedenis. Ik zal u in mijn goedheid en genade genoeg geven en u in mijn barmhartigheid redden uit alle nood en leiden naar de goede bestemming – ook door de nacht.’
Deze toezegging van geluk ligt besloten in de oerbelofte, waarmee ik aangesproken wordt, omdat de naam van God, het ene woord waarop ik acht te geven heb, mij tegemoet komt.: ‘Ik ben de HEER, uw God!’(Ex. 20:2) Deze oerbelofte is ons in het leven, het lijden en het sterven van Jezus Christus menselijk dichtbij gekomen, zodat wij door de Zoon in de Heilige Geest de naam van God – zijn genade en barmhartigheid niet alleen horen, maar ook kunnen proeven en zien. Jezus Christus is de ‘Immanuël’ (Mattheüs1:23): God met ons. Zoals Martin Luther de Immanuëlnaam verkondigt: ‘im Schlamm und in der Arbeit dass ihm die Haut raucht’.[2] (WA 4, 608v). Hij gaat met ons door dik en dun. Hij doet een woordje voor ons als ons eigen hart tegen ons spreekt. Hij springt voor ons in de bres als anderen klaar met ons zijn en ons laten vallen. Als anderen ons laten weten: je bent een mislukkeling en een nietsnut. Hij verdedigt ons als de aartsvijand ons leven aanklaagt (Openb. 12:10, EG 124:4 – Nun bitten wir den Heiligen Geist), als hij ons wil tegenwerken zodat wij door hem vermoeid raken en in zwaarmoedigheid vervallen. Als anderen zich van ons verwijderen, is Hij nabij. Meer nabij dan ik mijzelf nabij ben. Als anderen ons veroordelen en verwerpen en wij het met onszelf niet meer uithouden, spreekt hij mij rechtvaardig – zoals we hebben gezongen: ‘Hij is mij dagelijks nabij / en spreekt mij zelf rechtvaardig’ (EG 542:4). Hij vertroost mij daarmee en maakt mij moedig. Hij voert mij weg uit zowel de lichtzinnigheid als de zwaarmoedigheid en geeft mij levensmoed. Want: ‘maar ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid’ (Joh. 10:10). Ik heb, zo belijdt Jochen Klepper, ‘slechts in Hem voldoening / in zijn woord mijn geluk’ (EG 452:3).

III.
‘Jezus Christus zoals Hij ons in de Heilige Schrift wordt betuigd, is het ene Woord van God, dat wij te horen, dat wij in leven en in sterven te vertrouwen en te gehoorzamen hebben.’ Wat zegt deze belijdenis van de Synode van Barmen (1934) ons met betrekking tot de vraag naar geluk, zoals wij deze in het begin hebben gesteld?
Onze oermenselijke zoektocht naar geluk wordt vanuit het ene woord waarop wij acht hebben te geven niet verdrongen. Alsof ons verlangen naar schoonheid, zon, lucht, liefde, erkenning, bescherming en hulp in nood, alsof het verlangen naar vrede, het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid – alsof dit alles eenvoudig te negeren zou zijn!
Als Jezus Christus als het ene woord van God met de oerbelofte (‘Ik ben de HEER, uw God) het eerste gebod (‘U zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben’) onderstreept, laat hij de gepassioneerde stem horen die alle andere buiten hem uitsluit, als deze anderen aanbeden en vereerd worden, macht over ons verkrijgen. Als alles wat nodig is om te leven en door God goed is geschapen de perken te buiten gaat. Als er geen maat op staat. Als onze zorg en aandacht daardoor wordt opgeslokt. Als wij geen andere betekenis voor geluk hebben dan bijvoorbeeld geluk als gezondheid, gezinsgeluk, zinvol werk, het geluk van succes, van aanzien, het geluk van een hobby. Al het goede en alles wat ons in dit leven dient kan tot een afgod worden als uw diepste verlangen daarnaar uitgaat. Of als u daar al uw vertrouwen op baseert. Als u uzelf daarmee de definitieve vervulling van uw verlangen toezegt en daarmee uzelf het ware geluk belooft. Dan wordt de liefde voor u tot een Venus, de zorg voor uw kinderen tot een Diana, de zorg voor levensonderhoud tot een Pluto of een Mammon, de noodzakelijke verwerking van conflicten tot een Mars – alsof de oorlog de Vader van alle dingen zou zijn! Dan wordt voor u de liefde voor het Woord van God tot een Logos. Dan wordt voor u het verlangen naar schoonheid, licht en helder denken tot een Apollo en Athene.
Wie echter op het ene woord acht geeft, aan wie wij alleen ons leven mogen toevertrouwen in leven en sterven, wie zo wijs is als Salomo om te bidden om een ‘luisterend hart’ (1 Koningen 3:9) – een hart dat dit woord hoort – die ontvangt een nuchtere en een kritische verhouding tot alles wat wij in dit leven nodig hebben en ook tot hun neiging om zichzelf te verabsoluteren en daarbij duurzaamheid, ja zelfs eeuwigheid willen. Is diegene die ons in zijn naam toegezegd heeft, alleen de eeuwige, dan is alles door hem geschapen. Dan ben ik tijdelijk en eindig – eeuwig als mij de onverwoestbare liefdesverklaring ‘Ik zal met u zijn!’ mij toegedeeld wordt. Als tijdelijk en eindig wezen, opgenomen in deze eeuwigheid, moeten wij het geluk, jong en mooi, intelligent en rijk, gewaardeerd en geliefd te zijn niet roekeloos en radeloos belasten of krampachtig vasthouden en egoïstisch veiligstellen. Alsof wij van God een recht op geluk hebben gekregen! Als tijdelijk en eindig wezen opgenomen te worden in zijn eeuwigheid, omdat wij acht geven op zijn woord en hem vertrouwen, dat wij ons het geluk dat voor ons is weggelegd dankbaar ons kunnen laten toekomen, zonder het van onze kant te willen vereeuwigen. Voor de kwetsbaarheid en het fragmentarische karakter ervan hoeven we niet verdoezelen. Voor de bijbehorende melancholie hoeven wij ons niet te schamen. Het kwetsbare geluk mogen wij, als wij het  ons toevalt, dankbaar genieten. Zonder een heidense angst die bang is voor de jaloezie van de goden. De tijdelijke vreugden hebben hun recht, hun ruimte, hun tijd en hun schoonheid. Het genieten van dit tijdelijke is een gerechtvaardigd gebruik.
Komen de kwade dagen, dan ondervinden wij ongeluk. Bijvoorbeeld het verlies van dierbaren, verlies van gezondheid, verlies van ons werk, verlies van een vriendschap, verlies van erkenning door anderen of misschien zelfs verlies van zelfwaardering. Dan vallen wij uit  de levensvreugde in de moedeloosheid en de levensmoeheid. Dan wordt het moeilijk om acht te geven op het woord. Dan wordt het moeilijk om op de HEER te vertrouwen en daarin geluk te vinden. De grote liefdesverklaring (‘Ik zal met u zijn!’) is dan tegen wat zich lijkt aan te dienen in te geloven. Het geluk van deze liefde is dan verborgen onder het tegendeel.
In de Lutherbijbel stond lange tijd een zin die door de exclusieve formulering aanstootgevend is: ‘Alleen de aanvechting leert om acht te geven op het woord.’ (Jesaja 28:19) De aanvechting alleen? Dat is in ieder geval een toespitsing  die noopt tot realisme! Het geluk ligt niet voor het oprapen: het moet aangevochten zijn – omdat ik op het ene woord van God acht geef, zodat ik als het nodig is de in het ongeluk verborgene God aanklamp en hem zijn belofte (‘Ik zal met u zijn!’) voorhoudt. In de aanvechting gebruik ik, net zoals Jakob dat bij de Jabbok deed, de belofte als wapen dat getest wordt. Zo wordt in de aanvechting niet de echtheid van mijn geloof beproeft, maar Gods Woord. Dat woord van God bewijst zijn geloofwaarheid en macht in de aanvechting en tegen de aanvechting. Op deze manier leert de aanvechting ons acht te geven op het woord: op de kracht die dit woord in zich bergt. Dat woord is in staat om de vertwijfelde vraag te overwinnen of God nog zijn belofte houdt. Dat woord kan mij tot de zekerheid brengen dat ‘dood noch leven (…), heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer’ (Rom. 8:38-39). Zou deze liefde niet het ware geluk zijn? Dit geluk is niet te maken, wel te vinden. Amen

Vertaald vanwege de preek die ik houd bij mijn afscheid als predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam en Watergang (N.-H.) – ds. M.J. Schuurman


[1] Preek in de universiteitsdienst in de Tübinger Stiftskirche (28 juni 2009). Liederen: Er weckt mich alle Morgen (Jochen Klepper; EG 452:1-5), Erhalt uns, Herr, bei deinem Wort (Martin Luther; EG 193:1-3), Herr, dein Wort, die edle Gabe (Nikolaus Ludwig von Zinzendorf, EG 198:1vv), Wohl Denen, die da wandeln (Cornelius Becker, EG 295:1-4). Psalmgebed: uit Psalm 119 (EG 748). Schriftlezing – betrokken op Kleppers morgenlied: Jesaja 50:4-9a.

[2] Ik kon hiervan de vertaling niet achterhalen. Betekent het zoiets als: in de goot en aan lager wal geraakt?

Weidevogelgedichten van Harmen Wind

Leeuwerik

Terwijl mijn liefdesliedje wel
mooi opklonk aan de waterkant,
als inleiding op hoger spel,
verscheen de dissonant al snel
als leeuwerik boven het land.
Zodra hij zong, streelde mijn hand
in plaats van jou je kippenvel.

                Harmen Wind

Meerkoet

Al drijft hij van vreettent naar brasterras
in stadsgrachten tussen het uitschot der natie
wat morsig rond in zijn zwartlakense jas –

hier buiten rent hij weer het vuur uit de plas,
hier is hij het toonbeeld van schoonheid en gratie
en verwerkt in zijn nest tussen oevergewas
een chipszak, een bierviltje: puur decoratie.

                Harmen Wind

Kievit

Eén
keer klapte
je in je handen

en prompt applaudisseerde
de pas geploegde akker daar zich
de lucht in, aanzwellend tot een zwart-
witte wolk kieviten die onder het grofkorrelig
portret van hun vertrek het groene land teruggaven

                Harmen Wind

Kemphaan

Hier, op dit veld, vonden vroeger
jaarlijks de kemphanentoernooien
plaats. Mallotig opgedofte praalhanzen
met hun nek in de knoop dansten rare
tango’s, daagden elkaar uit tot de
kleuren in het rond stoven en
lustten van paren wel pap.

Dus ligt vandaag die oude wei
van vuige schuinsmarcheerderij
gezuiverd er weer keurig bij.

                Harmen Wind

Grutto

Je ziet ze vliegen, nog. Die lange bek, die
stelten; roestig tuig. Je voelt de spanning
nog. Dwars door de balts die hen bezielt,
dat onderhuids gejuich, hoor je ze roepen,

nog. Om het bestaan: hun naam. En jij verstaat
ze, nog. Een vreemde vogel die zich schaamt.

                Harmen Wind

Scholekster

Daar komt hij, sneb en poten als
bloed, in kraakwit hemd en roetzwart vest.
Hij slaakt één kreet: een vloek?, een groet?

Je ziet hoe hij de wereld flest: zijn kracht
is het contrast. De scholekster maakt gras
op slag aanzienlijk groener dan het was.

                Harmen Wind

‘Harmen Wind (Leeuwarden, 1945) groeide op tussen de weidevogels in het Friese Oldeboorn. Hij woont in Doesburg en schrijft poëzie en proza in het Nederlands en in het Fries.
Areopagus vroeg hem speciaal voor Ilpendam gedichten te schrijven over weidevogels. Omdat hij de vogels zo goed kent, maar ook omdat de gedichten, op loopafstand van elkaar, dan samen een eenheid zouden zijn. Zo laten de muren van Ilpendam zich lezen als een gedichte weidevogelgids.’

Deze gedichten hangen her en der in Ilpendam aan de buitenmuren.

Geloof in de voorzienigheid in de crisis

Geloof in de voorzienigheid in de crisis

Heeft God iets te maken met de wereldgeschiedenis? Het christelijk geloof gaat daar wel vanuit. God bestaat en handelt in onze werkelijkheid. Maar hoe doet Hij dat? Niet alles kan aan Gods handelen worden toegeschreven. De dogmatiek heeft de taak om gelovigen te helpen bij het verantwoord spreken over God en zijn handelen. In de dogmatiek wordt het nadenken over Gods handelen in onze werkelijkheid en Gods handelen in de wereldgeschiedenis de voorzienigheidsleer genoemd.
Volgens Christian Link kunnen we spreken over een crisis met betrekking tot de voorzienigheidsleer. Bij een (ingrijpende) gebeurtenis in het wereldgebeuren spreken christenen niet meer vanuit de voorzienigheidsleer. Het geloof dat God de wereld regeert en onderhoudt is volgens hem van ons afgegleden.

Bij zijn afscheid als hoogleraar Dogmatiek sprak Link over deze crisis. Hij wilde een poging wagen om deze crisis te boven te komen. Ook als men geen verband met God wil aanbrengen, is het volgens Link maar de vraag of er een sleutel is om deze werkelijkheid te duiden.
Voorzienigheid houdt in dat er geen enkel tijdperk in de geschiedenis is die onttrokken was aan de heerschappij van God (Deus operatur omnia in omnibus). Men deinsde er niet voor terug om gruwelijke episoden op God te herleiden. Waarbij men er niet vanuit moest gaan dat het vertrouwen in God gemakkelijker was dan nu.
Volgens Link is het zinvol om terug te gaan naar de klassieke vooronderstellingen van de voorzienigheidsleer. De klassieke voorzienigheidsleer was bescheiden in het spreken over Gods handelen. Men maakte een onderscheid tussen primaire oorzaken (het handelen van God) en secundaire oorzaken (het handelen van de mensen).

Voorzienigheidsleer
Het bijbelse fundament voor de voorzienigheidsleer is maar smal. Men komt dan bijvoorbeeld uit bij het boek Job, waarin aangegeven wordt dat het ontbreken van een plan onmenselijk zou zijn.
De Reformatie hield desondanks vast aan de voorzienigheidsleer. Het front waartegen men zich verzette, waren de antieke filosofen, zoals de Stoa en de Epicureërs (die door de Renaissance weer volop invloedrijk waren). In zijn Institutie zocht Calvijn bewust het gesprek met de intellectuelen van zijn tijd (I, 16-18): God heeft de wereld niet verlaten na de schepping. Deze opmerking is geen menselijke ervaring, maar een belijdenis. Spreken over Gods voorzienigheid is vooral een vorm van geloof: belijden van Gods handelen, waarbij de Geest Gods wil ten uitvoer brengt.
Belangrijke vraag daarbij is: Hoe moet men over deze God spreken? Welke eigenschappen heeft Hij (zodat men kan volhouden dat de schepping en de schepselen voorwerp van zijn zorg zijn)? Deze vraag kunnen we niet alleen door onze ervaring beantwoorden.
Omdat de bijbelse basis maar smal is, greep men terug op filosofie. De filosofie was vooral geïnteresseerd in het hoe en het waarom van de voorzienigheid. Voor de christelijke theologie was er een extra probleem, omdat vanuit de filosofie geen verbinding met Gods handelen in Christus (Christusereignis) tot stand gekomen is. In de oosters-orthodoxe traditie was deze verbinding er wel. In het westen maakte men onderscheid tussen schepping en onderhouding. Voorzienigheid werd vooral eschatologisch geïnterpreteerd (Augustinus, maar ook Thomas van Aquina, de Leidse synopsis, Gerhard Gloege).
Bij Calvijn staat het voorzienig handelen van God in dienst van de kerk: Gods handelen is betrokken op de concrete gemeente. De voorzienigheid is bij hem de uitvoering van Gods verborgen raadsbesluit. Het doel van dat handelen is de eer van God en het heil van de mens.
De verbinding met Gods verborgen raadsbesluit zorgde in de loop van de tijd voor een probleem: de soevereiniteit van God kan deterministisch uitgewerkt worden. Een ander probleem dat opkwam was de kloof die er groeide tussen het geloof in Gods voorzienende handelen en de ervaring van de werkelijkheid.

Op welke manier kunnen wij spreken over Gods handelen?
In de voorzienigheidsleer gaat het over handelen van God. Op welke manier kunnen wij als mensen op een verantwoorde manier spreken over Gods handelen? Ons voorstellingsvermogen is beperkt, omdat God ons begrip van ruimte en tijd overstijgt. Bovendien is spreken over handelen van God is een antropomorf beeld. Antropomorfe beelden kunnen alleen in het spreken over God alleen metaforisch worden gebruikt. Kan Gods handelen worden verbonden met ‘wereldlijke’ oorzaken? Maar Gods handelen is niet alleen causaal. Theologisch is het beperken van Gods handelen tot causale verbanden onhoudbaar. Ook de rol voor de mens wordt drastisch beperkt. De eigen rol van de mens wordt uitgeschakeld. In zo’n causaal model van Gods handelen wordt veronderstelt dat mensen slechts kunnen waarnemen en oordelen (en niet op eigen initiatief handelen).
In dat opzicht is de procestheologie aanlokkelijk: in dit model handelt God door middel van het overreden. Door te overtuigen is God betrokken in het proces van het verder ontwikkelen van de wereld. Het handelen van God is een aanbod: wat God doet, kan een oorzaak zijn. Het handelen van God hoeft ook niet per definitie een doorbreking van de natuurwetten te zijn.
Hoe ervaren wij deze realiteit? De macht van God is ervaarbaar: de presentie van het aangezicht van God dat over ons mensen licht. God opent zich voor zijn schepping. Als God zijn aanwezigheid terugtrekt, dreigt de geschapen werkelijkheid uit elkaar te vallen.

In het perspectief van de Geest van God
Als wij vandaag de dag willen spreken over Gods handelen in deze werkelijkheid dienen wij dat met terughoudendheid te doen.
In ieder geval dient er ruimte te zijn voor menselijke actoren. De geschiedenis gaat voor een groot deel tegen Gods wil en Gods gebod in. God heeft dat risico echter genomen. Er is goddelijke betrokkenheid aan het mislukken van de geschiedenis. Dr. H. Berkhof spreekt over weerloze overmacht.  Overmacht: God doordringt deze wereld met zijn Geest. Link wil daarom de voorzienigheid niet doordenken vanuit de schepping, maar – in navolging van D. Ritschl en R. Bernhardt – vanuit de aanwezigheid en werkzaamheid van de Heilige Geest (pneumatologie). Daardoor is er volgens hem meer ruimte voor het relationele van Gods handelen.
In de Bijbel is voorzienigheid steeds de ervaring van te moeten opbreken en te moeten zwerven. De rol van toeschouwer is voor de mens niet weggelegd. Abram had Gods voorzienigheid niet opgemerkt als hij niet naar Kanaän was gegaan. Als zwerver heeft hij het spoor gevonden van God, die verborgen de geschiedenis leidt. Abram werd door de stem van God aangesproken. Hij ging door Gods woord. Het woord van God, dat ons aanspreekt, is een kritisch tegenover van de wereld. Het woord van God dwingt ons tot een kritische interpretatie van de wereldgeschiedenis.  ‘Als Christus ons model is van God, zullen we over macht moeten denken in termen van de kracht van het Woord of de kracht van het kruis, de kracht van de Geest in plaats van almacht als dwingende kracht.’ (Ian Barbour)

En natuurrampen dan?
Hoe zit het dan met natuurrampen (die mede zorgden voor de kloof tussen het geloof in Gods handelen en onze ervaring)? Link geeft daarvoor enkele grenzen aan: We kunnen de schuld niet alleen bij de mens neerleggen. God moet ook meer zijn dan een werkhypothese. Link gaat uit van de kern van de voorzienigheid: niets kan ons scheiden van de liefde van Christus (Rom. 8). Vanuit dit geloof transformeert de betekenis van een gebeurtenis. Niet op die manier dat een zinloze gebeurtenis alsnog van een betekenis worden voorzien. Maar door te blijven geloven in Gods voortdurende zorg – ook  in, tijdens en na een ramp. Ook in, tijdens en na een ramp zijn we niet gescheiden van die liefde in Christus. Dat opent onze ogen niet alleen voor het verleden (waarom), maar ook voor de toekomst (waartoe).

Samenvatting van: CHRISTIAN LINK, ‘Die Krise der Vorsehungsglaube. Providenz jenseits von Fatalismus’, Evangelische Theologie 65 (2005) 413-428.

 

De gure wind van de secularisatie

De gure wind van de secularisatie

De metafoor hoorde ik afgelopen zaterdag op de bijeenkomst van Kontekstueel enkele keren vallen: de gure wind van de secularisatie. Begrijpelijk, want wie zoals de betrokkenen hebben aandacht voor de context van kerkzijn en christenzijn vandaag de dag. Dan probeer je aan te voelen welke wind er waait. Een herkenbare metafoor is het ook. Want ook door de secularisatie kun ook tot op het bot verkleumen.
Ik woon in een omgeving waar het altijd waait. Welke kant je ook opfietst, meestal is het tegenwind. Een stevige tegenwind bovendien. De een gaat gemakkelijker met deze wind om dan de ander. Een van de gemeenteleden die ik begraven heb, heeft in de halve eeuw dat zij in deze omgeving woonde, nooit kunnen wennen aan de wind. Daar moest ik aan denken toen ik hoorde spreken over de gure wind van de secularisatie. Ik vroeg mij af of degenen die zo’n metafoor gebruiken, ooit gewend zijn geraakt aan de secularisatie. Zijn zij niet teveel onder de indruk van de leegloop van de kerk?
Nu weet ik niet alleen wat het betekent om geregeld tegen de wind in te fietsen, ik weet ook wat de secularisatie inhoudt. Sinds enkele jaren ben ik predikant in een omgeving waar de secularisatie al lange tijd bezig is en waar de kerk in een snel tempo implodeert. De eerste jaren heeft de secularisatie mijn werk belemmerd. Had het nog wel zin om predikant te zijn en te preken? Deze vragen hielden mij bezig, omdat ik mij voortdurend afvroeg of de gemeenten die ik dien nog wel toekomst hebben.
Daar komt nog bij, dat secularisatie niet iets is wat ik alleen om mij heen waarneem, maar ook in mijn eigen leven en eigen hart. Tot voor kort bestond mijn geloofsleven uit een combinatie van oprecht trachten te geloven en voortdurende twijfel die dat geloof weer onderuit haalde. Ik ontdekte dat ik niet meer moest spreken over twijfel, maar over aanvechting. Twijfel is iets passiefs. Aanvechting betekent dat het nooit een status quo mag worden, maar dat er tegen gestreden moet worden.
Het waren de gemeenteleden die mij uit die twijfel haalden. Ze gaven mij terug, dat het hen niet hielp als ik mijn twijfel in mijn preken stopte. Terwijl ik onder de indruk was van de oprukkende secularisatie, gingen zij door met geloven. Net zoals zij opgeruimd tegen de wind in fietsten, bleven zij ondanks de gure wind van de secularisatie de kerk trouw. Daardoor kwam ik erachter dat ik vooral mijn eigen onvermogen op hun bord legde. Als geroepen ambtsdragers en theologen met hun expertise er niet tegenin kunnen gaan, dan gewone gemeenteleden al helemaal niet.
Voor mijzelf zou het gebruiken van deze metafoor bovendien een vorm van ongeloof zijn. Dat ongeloof is iets dat ik bij mijzelf waarneem. Ik kan dat anderen natuurlijk niet in de schoenen schuiven. Spreken over die gure wind laat mij alleen naar de elementen kijken, maar doet mij de Heer van de kerk uit het oog verliezen. Ik zou er depressief van worden. Deze neerslachtigheid is een van de grootste bedreigingen voor het geloof, omdat de basis wantrouwen is van God: werkt God wel?
Voor mijzelf heb ik ontdekt dat ik het moet hebben van volharding. Niet zozeer spreken over volharding, maar er uit leven. Dus niet voortdurend de context van de secularisatie oproepen, waardoor ik gevangen zou raken in machteloosheid. Niet dat ik de volharding thematiseer. Want ook dat helpt niet verder. Het gaat om geleefde volharding: de elementen zien, maar vertrouwen op Christus. In de praktijk betekent dat: niet geïmponeerd raken door de omstandigheden van het geloof. Geen bezorgdheid voor de toekomst, wanneer deze bezorgdheid wordt gevoed door ongeloof. Maar ‘gewoon’ kerkzijn. In het heden.  De strijd niet in het openbaar voeren, maar in mijn eigen hart. Volharding is geen mensenwerk, maar komt allereerst van God. Wie vanuit de volharding leeft, zal zien dat God ook vandaag nog werkt. Zelfs in mijn eigen omgeving en in mijn eigen gemeente. Tegen mijn verbazing is er interesse voor het geloof. Ook bij buitenstaanders. Al zijn het geen grote aantallen die tot geloof komen, ze zijn er wel. En al zouden er geen buitenstaanders tot geloof komen, dan nog is mijn werk niet tevergeefs. Ook dat is volharding: werken in Gods kracht, ook als er geen zichtbare tekenen van groei zijn. Groei kan ook betekenen: verdieping (in plaats van uitbreiding). Bovendien: wie zegt er dat ík die groei moet waarnemen? De Geest werkt ook buiten mijn blikveld.

ds. M.J. Schuurman
Predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam-Watergang (N.-H.)

Eerder verschenen in het Nederlands Dagblad