Hoe de catechismuspreek spannender kan

Hoe de catechismuspreek spannender kan

In de afgelopen tijd is er weer gediscussieerd over de tweede kerkdienst. Wanneer er in een kerkelijke gemeente ’s middags of ’s avonds een tweede kerkdienst wordt gehouden, staat deze dienst vaak in het teken van het doorgeven van de leer. Bijvoorbeeld door te preken aan de hand van de Heidelbergse Catechismus.
Op veel plaatsen valt op, dat deze tweede kerkdienst veel minder bezocht wordt. Daar zijn allerlei redenen voor aan te wijzen. Kerkgangers hebben genoeg aan één keer per zondag. Of kerkgangers vinden dat zo’n tweede kerkdienst in feite niets toevoegt.
Predikanten hebben de neiging om de oorzaak hiervoor bij de kerkgangers aan te wijzen. Vaak wordt erop gewezen, dat de kerkgangers vandaag de dag weinig met de leer hebben. Het zou ook wel eens met de predikant zelf te maken kunnen hebben. Met de manier waarop hij preekt.

Spreken vanuit i.p.v. spreken over
In een catechismuspreek wordt de leer uitgelegd. Waar staan we voor? Wat is er belangrijk in het geloof?
Belangrijke thema’s, die echter het risico met zich meedragen dat de preek abstract en afstandelijk wordt. Martin Nicol maakt een onderscheid tussen een spreken over (RedenÜber) en een spreken vanuit (RedenIn).
Ik vermoed dat veel catechismuspreken een spreken over zijn. Er wordt uitleg gegeven over de leer, over God. Het spreken over plaatst de luisteraar op een afstand. Hij is slechts toeschouwer. Hij maakt het niet mee.
Het spreken vanuit zorgt echter voor spanning en betrokkenheid. De thematiek is niet iets op afstand, maar een gebied waar je in de preek binnengeleid wordt. Een catechismuspreek wordt ook letterlijk veel spannender. De preek is dan geen gebeuren dat je als toeschouwer ondergaat (zoals een bioscoopbezoeker heel passief is), maar je maakt het zelf mee. Je doet er zelf aan mee.
Voor deze actieve betrokkenheid is het helemaal niet nodig dat er in de dienst mogelijkheid tot discussie komt.
Nicol sluit aan op wat Manfred Josuttis noemt: het binnenleiden in de verborgen en verboden zone van het heilige. De predikant wordt een gids die de luisteraar meeneemt op een spannende ontdekkingstocht.

De rol van het dogma
Het mooie van de methode van Nicol is dat de dogmatiek volop meedoet. De dogmatiek kent vele spanningen. De meest basale zijn die (1) tussen God en de wereld, (2) tussen God en de mens, (3) tussen God en de machten, tussen (4) God en de andere godsdiensten.
De dogmatiek en ook de catechismus is zeer behulpzaam voor wat dr. Bert de Leede scherp aan de w/Wind zeilen noemt. Wat de catechismus of het kerkelijke dogma aandraagt, kan haaks staan op onze belevingswereld. Kan onze wereld juist op scherp stellen.
Wanneer dat gebeurt in de preek – zeker als het gebeurt vanuit een spreken vanuit, een binnengeleid worden – zullen veel luisteraars geboeid zitten luisteren.
Dat is mijn ervaring tenminste. Veel kerkgangers gaan hiervoor juist naar de kerk: dat de Schrift, dat ’s avonds de catechismus hen verder helpt op de weg van het geloof. Niet alleen als een instructieboekje, maar als een gebeuren dat hun leven onder spanning plaatst.
Wanneer kerkgangers dat meemaken, zullen ze ook de waarde van het dogma zien. Veel kerkgangers verlangen ook naar meer kennis. Zeker als die kennis hun (geloofs)leven op scherp stelt.
Dit sluit aan bij wat Albrecht Grözinger zegt over preken in de postmoderniteit. Er is een andere hermeneutiek gekomen. Het gaat in de prediking er niet meer om dat onze identiteit wordt bevestigd, maar juist onder spanning komt te staan. Het gaat om een boodschap, die niet uit ons eigen hart voortkomt, maar in de Schrift staat.

Hoe werkt het dan?
Spanning is niet het woord dat veel mensen in verband brengen met de verkondiging en zeker niet met de catechismuspreek.
Bij spanning gaat het niet om sensatie of om een kick (event), maar om een gebeuren dat er echt toe doet (Ereignis). Dat is natuurlijk het werk van de Heilige Geest, maar de predikant kan er ook toe bijdragen.
Voor afgelopen zondag was ik bezig met een preek over Mattheüs 13:44: het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat in de akker… Ik richtte mij in het begin vooral op ‘geloof’, dat alle inzet vergt. Dat is op zichzelf nogal wat. Totdat ik dacht aan het beeld dat De Leede gebruikte (scherp aan de w/Wind zeilen). Toen viel het me op, dat Jezus spreekt over koninkrijk der hemelen en niet over geloof. Dit liet ik doorwerken in de verkondiging. Het koninkrijk der hemelen staat meer haaks op ons leven dan het woord geloof.

Dit kan ook in een leerdienst
Dit scherp aan de w/Wind zeilen kan ook met de catechismus. En ik vermoed dat ook bij de Dordtse Leerregels dit uitstekend kan. In deze benadering gaat het niet om op zoek te gaan naar het bekende, naar wat onze ideeën en traditie bevestigd. Het gaat om de zoektocht naar datgene dat we kwijtgeraakt zijn. Wat niet meer vanzelfsprekend is. Waar een spanning ontstaat tussen ons leven en het dogma, tussen het dogma en de Schrift.
Die spanning moet niet opgelost worden, maar uitgebuit.
Ook de exegese krijgt in het model van Nicol deze taak: op zoek te gaan naar de spanningen. Ook bij de catechismuspreek kan de tijd van ontstaan helpen om de spanningen te vinden.
Net zoals de historisch-kritische methode behulpzaam kan zijn voor de ontdekking van de Sitz im Leben.

Voorbeelden 
Een catechismusvraag of -antwoord dient nauwkeurig en intensief gelezen te worden. Wanneer stuit je voor je gevoel op een contrast met onze werkelijkheid? Neem er desnoods een hedendaagse tekst voor.
Wim H. Dekker deed dit in Wapenveld een keer met de ziekentroost. Hij plaatste die tegenover het dagboek van Marjet van Zuijlen.
Ik denk dat de spanning in antwoord 1 in zit in het woord eigendom. Niemand is vandaag de dag eigendom van iets anders. Iedereen in onze maatschappij is in principe vrij.
Is dat zo? Gisteravond op de AlphaCursus viel het ons als leiding op, dat jongeren geleefd worden. Zij krijgen voortdurend prikkels. Durven hun mobiel niet uit te zetten. Durven niets te missen op hyves en facebook. Zijn ze daar geen eigendom geworden van dan? Op welke manier kan het leven met Christus hierbij behulpzaam zijn? Door dat eigendomsbegrip in te voeren.
Je hebt geen leven met Christus, maar je bent van Christus. In de preek gaat het niet om de uitleg, dat die spanning er in die eigendomsrelatie zit. Om het creëren, oproepen, stellen, spreken vanuit die spanning.
Het gaat erom de gemeente die spanning mee te laten voelen. Niet om een spreken over, maar om een meenemen in die werkelijkheid waar het antwoord over spreekt.

ds. M.J. Schuurman

Literatuur
* Deeg, Alexander / Martin Nicol, Im Wechselschritt zur Kansel. Praxisbuch Dramaturgische Homiletik (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2005)
* Grözinger, Albrecht, ‘Die Predigt der Gnade und die Conditio Postmoderna’, in: Wilfried Engemann (Hg.), Theologie der Predigt. Grundlagen – Modellen – Konzequenzen. Arbeiten zur Praktischen Theologie 21 (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2002) 211-223.
* Josuttis, Manfred, Die Einführung in das Leben. Pastoraltheologie zwischen Phänomenologie und Spiritualität (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 1996).
* Leede, dr. Bert de, ‘Preken is scherp aan de w/Wind zeilen’, http://www.izb.nl/index.php?cId=253&aId=1270  
* Nicol, Martin, Einander ins Bild setzen. Dramaturgische Homiletik (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 20052)

De prediking van de genade in de postmoderniteit

De prediking van de genade in de postmoderniteit

Veranderde situatie
In de afgelopen decennia is er in West-Europa veel veranderd. Velen vinden, dat die veranderingen zo ingrijpend zijn, dat ze spreken over een nieuwe tijd: de postmoderniteit. Deze veranderde situatie heeft ook gevolgen voor de prediking in de kerk. Albrecht Grözinger verwoordt, wat de veranderingen zijn. Hij geeft met ‘preken over de genade’ een voorbeeld van hoe er in deze postmoderniteit gepreekt kan worden.

Wat is postmoderniteit?
Volgens Grözinger wordt de postmoderniteit gekenmerkt door een aantal ambivalenties en tegenstrijdigheden.
De globalisering heeft geleid tot een multiculturele samenleving. Tegelijkertijd beginnen samenlevingen steeds meer op elkaar te lijken (monocultuur).
Wie in deze tijd leeft, kan zelf bepalen hoe zijn leven eruit ziet. De biografie van mensen ziet er erg verschillend uit, omdat men zelf voor veranderingen kan kiezen. Veel mensen ervaren echter geen vrijheid, maar eerder een dwang om mee te doen met de multiculturele samenleving, de globalisering, e.d. 
De vrijheid om het leven zelf vorm te geven heeft ertoe geleid, dat mensen niet meer kunnen putten uit verhalen, uit reeds bekende werelden die behulpzaam zijn. Het leven moet als het ware elke dag weer opnieuw worden uitgevonden. Grözinger spreekt over analfabetisme. Mensen zijn niet meer in staat om hun gehele leven te lezen. Ze hebben er de woorden, de grote verhalen niet meer voor.
De leemte wordt opgevuld door kunstmatige werelden met grote verhalen, zoals individualisering. Deze kunstmatige wereld wordt gekenmerkt door een ‘grammatica van prestatie’, die volgens Grözinger ‘genadeloos’ is. Alleen daarom al kan de prediking over de genade nieuw voor mensen zijn.

Een nieuwe hermeneutiek
De veranderde situatie heeft volgens Grözinger geleid tot een nieuwe hermeneutiek. Tot in de jaren-’60 (de jaren na de oorlog, de jaren van de wederopbouw) ging het om de eenheid van het land. Er moest stabiliteit komen. De hermeneutiek van deze tijd was een hermeneutiek van identiteit: begrijpen is pas gelukt als twee verschillende betekeniswerelden elkaar raken en in het proces van elkaar begrijpen uiteindelijk versmelten tot een nieuwe betekeniswereld (Hans-Georg Gadamer, Wahrheit und Methode).
In de homiletiek leidde dit tot een prediking, die uitging van een scopus: een preek met één thema, één boodschap. Het wordt dan van belang dat de preek aansluit bij de hoorders.
Aan het einde van de jaren-’70 komt er een nieuwe hermeneutiek op. Men krijgt er oog voor, dat die nieuwe betekeniswereld niet komt. Men blijft vreemd voor elkaar. Maar juist van die vreemdheid is te leren. Een hermeneutiek van differentie of zelfs van vreemdheid (Bernhard Waldenfels).
Voor de homiletiek betekent dat meer aandacht voor de vreemdheid van de bijbeltekst (Martin Nicol). Meer aandacht voor de dynamiek in de prediking in plaats van aandacht voor die ene boodschap.
Volgens Grözinger kan er over de genade in deze tijd alleen nog maar worden gepreekt als men van de vreemdheid van de genade uitgaat.

De vreemdheid van de genade
De prediking van de genade komt mijn leven binnen als een vreemd verhaal. Dat wil zeggen: als een verhaal dat ik niet zelf heb bedacht: ‘De prediking van de genade is alleen dan vol genade, als zij mij iets anders vertelt dan ik zelf zou kunnen vertellen.’
De confrontatie met dit vreemde verhaal kan heel mijn wereld op z’n kop gooien. De bijbeltekst, die de basis vormt voor de prediking, krijgt een nieuwe betekenis: als mogelijke stoorzender.
De vreemdheid van dit verhaal is dat het allereerst een geschiedenis van God is. Hij is de totaal andere. Dat God de totaal andere is, had ook de dialectische theologie al benadrukt. Barth specificeert deze vreemdheid van God later: die vreemdheid, het totaal anderszijn heeft te maken met zijn nabijheid tot mensen: Gods ‘freie Bejahung des Menschen, seine freie Teilnahme an ihm, sein freies Eintreten für ihn – das ist Gottes Menschlichkeit’. De prediking van de genade gaat dus over deze vreemdheid van God.

Aanknopingspunt
Daarmee zet de postmoderniteit de discussie over het aanknopingspunt opnieuw op de kaart. Als de preek een stoorzender is, die het vertrouwde leven op losse schroeven zet, brengt de preek vooral iets nieuws in. Het gaat dan niet om de vraag, waarbij een preek dient aan te sluiten.
Grözinger vergelijkt het met de ontwikkeling in de kunstgeschiedenis. In 1907 komt Picasso met een revolutionair schilderij, dat het startpunt vormt van het kubisme: ‘Les Demoiselles d’Avignon’. Deze ontwikkeling borduurt verder op wat Cézanne reeds deed, maar is geen logisch gevolg. Alleen bij terugredeneren kan men deze ontwikkeling zien. De ervaring die dit schilderij opriep schonk aan dit schilderij een  eigen geloofwaardigheid.
Grözinger ziet hierin een analogie met de openbaring: de openbaring heeft haar eigen geloofwaardigheid, die samenhangt met de ervaring van die openbaring. De noodzaak van een aanknopingspunt valt daarmee weg. De prediking van de genade brengt haar eigen geloofwaardigheid mee: namelijk de geloofwaardigheid van Gods genade.

Taal
Tenslotte wijst Grözinger op het belang van de taal. Het woord gratie kan zowel schoonheid als genade betekenen. Bij een preek, die op een scopus, een eenduidige boodschap is gebaseerd, is de schoonheid van veel minder belang. In zo’n soort van prediking gaat het erom, dat de prediking minder vrijblijvend is.
De prediking, die uitgaat van de eigen geloofwaardigheid van de prediking van de genade, kan juist ruimte bieden aan de schoonheid. De schoonheid van de taal kan een dramatiek opleveren, die op ons  met al onze ambivalenties op ons inwerkt. Ons leven komt in een nieuw licht te staan. Niet meer de genadeloze schijnwerper van de prestatiemaatschappij, maar het licht van Gods (vreemde) genade.
Milan Kundera sprak over de ‘ondraaglijke lichtheid van het bestaan’. Volgens Grözinger gaat de prediking van de genade uit van de ‘draaglijke lichtheid van het bestaan’. De prediking van de genade in de postmoderniteit is volgens hem niets anders dan een poëtische variatie op Psalm 23.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Albrecht Grözinger, ‘Die Predigt der Gnade und die Conditio Postmoderna’, in: Wilfried Engemann (Hg.), Theologie der Predigt. Grundlagen – Modellen – Konzequenzen. Arbeiten zur Praktischen Theologie 21 (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2002) 211-223.

Voorbeeld van een doopgesprek

Voorbeeld van een doopgesprek
ds. M.J. Schuurman

Er zijn verschillende beelden en betekenissen van de doop. Bijvoorbeeld:
Sterven en opstaan – Verbonden zijn met Christus – Bij God horen – Vergeving van zonden – God wil de Vader van mijn kind zijn –  Mijn kind is een geschenk van God – God heeft een verbond met mij en mijn kind gesloten –  Verbondenheid met het voorgeslacht – God is de eerste in het leven van mijn kind – ‘Laat de kinderen tot Mij komen.’ –  Een nieuwe toekomst –  In zonde ontvangen en geboren – Gods genade ontvangen
– Inlijving –  Burger van een hemels koninkrijk – Ingaan door de enge poort – Gods belofte

(1) Welke spreekt je aan? Leg eens uit.
(2) Welke niet? Op welke manier zou je hier betekenis aan kunnen geven?

Handelingen 2

36 Laat het hele volk van Israël er daarom zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer en messias is aangesteld.’
37 Toen ze dit hoorden, waren ze diep getroffen en vroegen aan Petrus en de andere apostelen: ‘Wat moeten we doen, broeders?’ 38 Petrus antwoordde: ‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, 39 want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.’ 40 Ook op nog andere wijze legde hij getuigenis af, waarbij hij een dringend beroep op zijn toehoorders deed met de woorden: ‘Laat u redden uit dit verdorven mensengeslacht!’

(1) Wat betekent de belofte waar Petrus over spreekt voor je kind?
(2) ‘Voor allen die ver weg zijn van de Heer’: herken je dat? Wat betekent de doop in dit opzicht?
(3) Wat is je eigen band met God?
(4) Welke rol speelt je doop daarin?
(5) Is deze band of de betekenis van de doop veranderd door de geboorte van je kind?

Geloofsopvoeding
(1) Welke onderdelen van het christelijk geloof zou je graag willen meegeven aan je kind?
(2) Op welke manier wil je dat doen?
(3) Welk beeld hoop je dat je kind later van God of van de Here Jezus heeft?
(4) Heb je al nagedacht over de manier waarop je je kind wil grootbrengen in en met het geloof? Welke ondersteuning heb je daarbij eventueel nodig?
(5) Op welke manier geef je de doop van je kind een rol in de geloofsopvoeding?

Dienst
(1) Welke bijbeltekst zou je aan je kind willen meegeven? Waarom?
(2) Wat is voor jezelf een belangrijke tekst als het gaat om je relatie met God, je doop of de geboorte van je kind?
(3) Welke liederen wil je graag laten zingen?

Citaten over preken op Goede Vrijdag

Citaten over preken op Goede Vrijdag

Beispielweise kann man bei Predigten zur Passionsgeschichte nach Matthäus (bes. Zu Mt 27,31-49) häufig beobachten, daß der Text – wenig explizit Kerygmatisches bietend – kaum eine Rolle spielt, daß also de facto rein thematisch gepredigt wird. (Wilfried Engemann, Einführung in die Homiletik, 2002) p. 260 n232).

“Karfreitag zerstört die politischen End-Hoffnungen und verweist sie in das Reich der Illusion.” (Herbert Breit, “Die christliche Rede am Karfreitag. Passionspredigt”, in: Klaus Dieter (Hg.), Festtage. Zur Praxis der christlichen Rede (München, 1975), p. 76).

“Das letzte Geheimnis Gottes ist identisch geworden mit dem Geheimnis der Hingabe Jesu Christi, seines Ganges in den Tod. Wer Gott nicht in dem Christus crucifixus findet, der hat ihn noch nie auch nur von ferne geahnt oder begriffen.” (Hans-Joachim Iwand, Predigtmeditationen, p. 551, nav 2 Kor 5:19-21)

‘Das Kreuz Jesu ist jedoch für Paulus nicht eine rasch durchschnittene Station innerhalb eines zwischen Himmel und Erden ablaufenden Heilsdramas, sondern es ist die bleibende Mitte des Heilsgeschehens überhaupt, die auch die Existenz des Glaubenden zeit seines Lebens prägt. Er sieht im Kreuz des Christus die ganze Herrlichkeit Gottes.” (Adolf Schlatter, Jesus und Paulus, 1940, p. 92)

“Wer so durch Glaube und Taufe ein Glied des Leibes Christi gewoden ist, wird hier [in 2 Kor. 5:17] zugleich eine Neue Schöpfung genannt. Bei kaum einem Begrif der paulinischen Theologie stehen theologische Aussgae und die Erfahrung menschlicher Realität so sehr im Widerspruch wie hier. Ist es nicht vermessen, den, der mit Furcht und Zittern glaubt, eine göttliche Neuschöpfung zu nennen? (…) Die Neue Schöpfung ist nicht auf ein besonders geheiligtes Verhalten gegründete menschliche Befindlichkeit, sondern allein Gottes, nur für den Glauben faßbares Werk. Dies sagt im grunde schon der Begriff Schöpfung.” (Martin Hengel, Studien zu Christologie. Kleine Studien IV, p. 12)

“Was vor uns liegt, ist die Aufgabe des Übersetzens jener freien Tat Gottes in die Sprache unserer Zeit. Mit dem bloßen Deklamieren alter, unverständlicher Formeln ist uns nicht geholfen; hier verraten wir vielmehr den missionarischen Aufrag, ohne den gerade die paulinische Theologie völlig mißverständlich wird, einen Auftrag, der uns alle gilt: Botschafter Christi Statt zu sein, die Vollmacht haben, das lasset euch versöhnen mit Gott! Auch rond 2000 Jahre nach Christus weitersagen.” (Martin Hengel, Studien zu Christologie. Kleine Studien IV, p. 26)

“Über die Notwendigkeit oder Möglichkeit dieses göttliches Handelns wird jedoch nicht reflektiert.” (W. G. Kümmel)

“Daß wir Jesus Christus als Christus, als Kyrius, als Heiland usw. bezeichnen, das ist ja evidentermaßen eine gegen alle Erfahrung gerichtete Sprache.” (Walter Mostert, Jesus Christus – Anfänger und Vollender der Kirche, p. 51)

“Es geht nicht um eine Auseinandersetzung mit dem Sterben Jesu an scih, sondern um eine Konfrontiertwerden mit der Deutung des Sterbens Jesu im Horizont des Wegen Gottes mit ihm. Es geht um das Zeugnis vom Heilshandeln des dreieinigen Gottes im Kreuzesgeschehen.” (Reiner Knieling, Predigtpraxis zwischen Credo und Erfahrung, p. 213)

“Das Ringen um das Verständnis es Gericht Gottes ist nötig, damit nicht andere Gerichtsinstanzen sich unbemerkt an die Stelle Gottes setzen.” (Reiner Knieling, Predigtpraxis zwischen Credo und Erfahrung, p. 215)

Citaten over het gebed

Gebed

Wer betet, bleibt auch im Falle extremer Ohnmacht handlungsfähig. (Manfred Josuttis, Einführung in das Leben, 1993, p. 48).

Das wahre Beten schließt immer schon den Unglauben ein, macht nicht Halt vor dem Unglauben. (Rudolf Bohren, Das Gebet I. EDITION BOHREN, 2003, p. 13)

Wer für Gott interessant ist, kann nicht  langweilig werden. (Walter Fürst, Predigt und Gebet. Theologische Beiträge, 1986, p. 176)

Das Gebet verhindert das Überschätzen der eigenen Kunst, Technik und Erfahrung. Das Gebet verhilft zu einer Einstellung, die das Einmalige und Unvergleichbare, das die Lebenssituation des Mitmenschen auszeichnet, in jeder Begegnung sehen und respektieren kann. (Helmut Tacke, Mit Müden zum rechten Zeit reden, 1991, p. 176)

Vielleicht werden manche Gemeinden gerade in ihren größten Schwierigkeiten von jenen zuweilen etwas abschätzig belächelten Alten gesegnet, die für die Kirche beten. (Christian Möller, Seelsorglich predigen. Die parakletische Dimension von Predigt, Seelsorge und Gemeinde, 19902, p. 137).

Nihil operi dei praeponatur. (Regel van Benedictus 43,3)

Luther en de Joden

Luther en de Joden

In de 20e eeuw is het Joodse volk hard getroffen door de Shoah. In de aanloop naar deze gebeurtenis werd enkele geschriften van de reformator Luther gebruikt om het antisemitisme te verdedigen.
Dit gegeven maakt het bepaalde mensen onmogelijk om nog iets goeds over Luther te zeggen. Vorig jaar hoorde ik van iemand die het lied Een vaste burcht pertinent niet wilde zingen. Vanwege deze reden.
Dat de relatie tussen Luther en de Joden een heikel thema is, bewijst ook de heftige discussie die enkele jaren geleden gevoerde werd n.a.v. het boek van de Joodse theoloog René Süss.
Het thema Luther en de Joden is vandaag de dag om nog een andere reden actueel. Steeds meer duikt de visie op, dat godsdienst leidt tot geweld, uitsluiting en onderdrukking. Alleen daarom al is het goed om stil te staan bij de volgende vragen: Wat zijn de feiten? Hoe moeten wij daarmee omgaan?

De feiten
Luther heeft zich zowel positief als zeer negatief uitgelaten over de Joden. Een van de laatste geschriften die Luther schreef, was een Vermaning tegen de Joden (opgenomen in deel 51 van de Weimarer Ausgabe). Daarin komt de dubbele houding naar voren: aan de ene kant moeten de christenen hun liefde laten blijken voor de Joden in daden en voor hen bidden. Tegelijkertijd beschrijft hij dat hij in de dorpen veel Joden tegenkomt, die hem een koude rilling bezorgen.

Het meest beruchte boek van Luther over de Joden is zijn geschrift uit 1543: Over de Joden en hun leugen (Weimarer Ausgabe, deel 53, p. 417-552). Hierin beschrijft hij, dat de christen buiten de duivel om geen ergere vijand heeft dan de Jood. Zij hebben de Heiland gedood en weigeren nog steeds om tot bekering te komen. Hij pleit ervoor de ban aan de Joden te voltrekken (Deuteronomium 13:16): om de huizen te verwoesten en hen buiten het maatschappelijke leven te plaatsen.

De anti-Joodse houding van Luther is niet beperkt tot de laatste jaren van zijn leven. Ook in zijn vroege periode komen al anti-Joodse uitspraken voor, bijvoorbeeld in zijn Dictata super Psalterium (1513-1515).

In 1523 schrijft Luther een geheel ander geschrift: Dass Jesus Christus ein geborener Jude sei. Hij publiceert dit geschrift als reactie op de beschuldiging, dat hij niet meer zou geloven in de maagdelijke geboorte. In dit geschrift geeft Luther aan dat christenen niet altijd op de goede manier met Joden zijn omgegaan. Men heeft hen vaak als honden behandeld. Hij pleit vanuit missionair oogpunt voor integratie van de Joden in de samenleving: men moet hen niet bepaalde ambachten verbieden.
Hij is kritisch op het Joodse geloof: het is vooral een geloof waarin je moet werken voor je eigen heil. Daarnaast geeft hij aan, dat christenen het Hebreeuws moeten gaan beheersen om het Oude Testament te begrijpen.
Soms komt hij Joden tegemoet in hun kritiek. Hij schroomt er niet in de voor christenen belangrijke tekst Jesaja 7:14 te veranderen. Traditioneel las men hier maagd (vanwege de maagdelijke geboorte). Luther verandert dit woord in jonge vrouw.

Duiding
Waar komen deze wisselende reacties op het Jodendom vandaan? Men heeft verschillende opties naar voren gebracht:

(1) Luther was teleurgesteld geraakt in de Joden.
Hij dacht dat zij zich zouden aansluiten bij de Reformatie. Het tegenargument: Luthers houding komt al in zijn vroege geschriften voor.

(2) Luther week niet af van de geest van zijn tijd.
Gelijkluidende stemmen vindt men ook bij Reuchlin, Erasmus, Van Eck. Tegenargument: andere theologen als Melanchton en Osiander zijn veel positiever naar de Joden geweest.

(3) Luther heeft vooral theologisch geargumenteerd.
Zijn visie op de Joden wijkt niet af van zijn visie op de heidenen, de Turken en de heksen. Bovendien beschouwde hij deze groep vanuit zijn eigen theologie. Hij zag in de Jood het type gelovige, waartegen hij zich juist verzette: de zondige mens, die zichzelf als gelovig bestempelt en die denkt vanuit zijn eigen handelen bij God te kunnen uitkomen.

(4) Beroep op de Bijbel
Hans-Martin Barth draagt een ander argument aan: in discussie met zijn tegenstanders kon Luther zich altijd beroepen op de Bijbel. In de discussie met de Joden ging dat niet. Zij hadden een kleinere bijbel en accepteerden dat gezag niet. Luthers verzet tegen de Joden heeft vooral te maken met zijn visie op wat de Heilige Schrift is. Volgens hem was het duidelijk, dat heel de Schrift heenwijst op Christus. Ook het Oude Testament (christologische Schriftvisie) Hij was geen rabiaat antisemiet, maar was bang dat in die tijd van crisis christenen zouden overgaan naar het Jodendom.

Barth wijst erop, dat de geschriften van Luther niet kritiekloos kunnen worden overgenomen. Vanuit dit thema vraagt Hans-Martin Barth zich af of ook niet Luthers Schriftvisie onder kritiek moet worden gesteld. De christologische Schriftvisie is te beperkt. Heeft Luthers negatieve houding ten opzichte van de Joden er ook niet mee te maken, dat Luther weinig doet met de triniteit?

In ieder geval is duidelijk. Luther is geen heilige. Ook hij heeft het nodig heeft om als goddeloze rechtvaardig gesproken te worden.

N.a.v. Hans-Martin Barth, Die Theologie Martin Luthers. Eine kritische Würdigung (Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus, 2009) p. 49-63

Aanbevolen literatuur
* Thomas Kaufmann, Luthers “Judenschriften” in ihren historischen Kontexten (Göttingen, 2005) – Kaufmann is een expert op het terrein van de lutherse traditie in de 16e en de 17e eeuw.
* Peter von der Osten-Sacken, Martin Luther und die Juden – neu untersucht anhand von Anton Margarithas “Der gantz Jüdisch glaub”(1530/31) (Stuttgart, 2002). – Von der Sacken-Osten heeft veel onderzoek gedaan naar de christelijke wortels van het antisemitisme.

McGrath: Postmoderniteit als kans voor de kerk

McGrath: Postmoderniteit als kans voor de kerk

De postmoderniteit is voor de kerk een kans om het evangelie te verkondigen. Hij relativeert het crisisgevoel, dat er in de kerk heerst. Het christendom heeft wel vaker in een crisis verkeerd, bijvoorbeeld in 1789 of rond 1900. Bovendien heeft elke tijd het gevoel zich in een breukvlak te bevinden.
In de moderniteit heeft het christendom soms teveel trekken van die tijd aangenomen. In de postmoderniteit kunnen die trekken worden gecorrigeerd.

Postmoderniteit
Postmoderniteit is te zien als een reactie op de moderniteit. In de moderniteit lag de nadruk op de eenheid en de uniformiteit. Deze nadruk op de uniformiteit kon ook onderdrukkend werken. Vooral de neiging van ideologieën om mensen te controleren en in een keurslijf te dwingen, wordt door de postmoderniteit bekritiseerd. Het relativisme van de postmoderniteit is echter ook een ‘meta-verhaal’. De postmoderniteit is daarom niet vrij van tegenstrijdigheden.
Een ander belangrijk kenmerk van de postmoderniteit is de herwaardering van het beeld. Veel christenen gebruiken echter nog steeds vooral woorden om het geloof over te dragen. Wanneer er vandaag de dag wordt nagedacht over apologetiek en communicatie van het evangelie kan men niet om beeld en film heen.

Het uitdragen van het geloof heeft baat bij de postmoderniteit. In deze periode is er opnieuw waardering gekomen voor verhalen en geschiedenissen. In de moderniteit was een verhaal een overbodige schil om een bepaalde moraal heen. In de moderniteit zag men het christendom dan ook vooral als een verzameling van geloofswaarheden.

Verhaal
De postmoderniteit heeft ontdekt dat moraal of identiteit bij uitstek via verhalen is over te brengen. Men heeft ontdekt dat het christendom een karakteristieke manier van leven is. Het christelijke verhaal levert een belangrijke om deze manier van leven gestalte te geven. In 1977 klaagde Hans Frei over het verlies van het bijbelse verhaal in 1977 (The Eclipse of Biblical Narrative). Theologen en filosofen als Paul Ricoeur, Alasdair MacIntyre, Charles Taylor, Stanley Hauerwas verwerken het verhaal in hun filosofie of theologie. MacIntyre: ‘Ik kan de vraag: “Wat moet ik doen?” niet beantwoorden zonder eerst een antwoord gevonden te hebben op de vraag: “Tot welke geschiedenis behoor ik?”’
Een verhaal heeft biedt een kijk op de wereld, die iemand zich heeft eigen gemaakt. Een verhaal kan mensen boeien en heeft de kracht om te vernieuwen en te veranderen. Het christelijk meta-verhaal kan een bijdrage leveren aan de verklaring van de wereld en tegelijkertijd iemand helpen zijn plaats in deze wereld te ontdekken.

Missionaire kans

De hernieuwde aandacht voor het verhaal kan helpen bij het nadenken over de vraag: Hoe kan in deze tijd het evangelie worden uitgedrukt. McGrath zal nu niet meer inzetten op argumenten voor het christelijk geloof. Hij zal zijn eigen verhaal vertellen: de manier waarop hij het geloof heeft gevonden.
De kerk is een gemeenschap, die door het christelijke verhaal in het leven is geroepen. Door alles wat er in een kerkdienst gebeurt (preek, viering avondmaal, gebeden, enz.) laat de kerk zien, op welk verhaal zij is gebaseerd. Door het verhaal van Jezus, de opgestane gekruisigde worden alle rituelen, symbolen en woorden in een geloofwaardig en samenhangend verhaal met elkaar verbonden. Deze geschiedenis gaat over het leven van mensen, kan onze kijk op de dingen bijstellen en kan ons gedrag veranderen. Hauerwas: de kerk moet leren om dit verhaal toe te passen op verschillende situaties – inclusief intellectuele reflectie en ethische belangen. De kerk is er volgens hem om de ware kijk op de wereld te vertellen.

Erbij horen
In de postmoderniteit heeft de lokale kerk meer betekenis gekregen. In onze huidige samenleving hebben veel mensen het gevoel dat zij verdreven zijn uit de samenleving, de thuisbasis zijn kwijtgeraakt (Walter Brueggemann, The Land: Place as Gift, Promise and Challenge in Biblical Faith 20022). Het creëren van gemeenschap is in veel landen een politiek item geworden. Volgens Alasdair MacIntyre staan de processen van de modernisering (vooral het liberalisme en kapitalisme) de gemeenschapsvorming in de weg. Hij pleit voor het vormen van gemeenschappen met karakter, waar normen en waarden worden overgeleverd. Deze gemeenschappen moeten echter ook levende gemeenschappen zijn, die net zoals de kloosters in de donkere Middeleeuwen het uiteenvallen van de samenleving tegengaan.
De christelijke kerken hebben in het Westen lange tijd de kern van het gemeenschapsleven gevormd. Ook vandaag de dag verlangen mensen ernaar ergens bij te horen. McGrath pleit ervoor om dit verlangen missionair te gebruiken. Bijvoorbeeld door niet pas lidmaatschap aan te bieden op het moment dat iemand een keuze voor het geloof gemaakt heeft. Hij wijst op het beeld dat Paulus gebruikt: christenen zijn geadopteerde kinderen van God (Rom. 8:23), een beeld uit het familierecht van die tijd. Het beeld van de adoptie spreekt niet alleen het verstand aan, maar ook het hart en de fantasie.
Binnen deze gemeenschap kan iemand zijn eigen identiteit vinden. Een identiteit waarvan de christen weet, dat die in Christus rust. De gemeenschap, waarbij de christen hoort, is gevormd door een verhaal dat geworteld is in het verleden (handelen van God en Christus) en toekomst (eschaton) biedt.

De belangrijke rol van het dogma
Volgens William James hebben mensen ‘werkhypothesen’ nodig betekenis te geven aan hun ervaringen in deze wereld. Volgens McGrath kan het christelijk geloof zo’n werkhypothese bieden: het christelijk geloof heeft op zichzelf betekenis en geeft tegelijkertijd een zin aan de wereld. Het christelijk geloof is relationeel, existentieel, ethisch en ook intellectueel. Hij vindt dat de kerk in deze postmoderne wereld moet benadrukken dat het christelijk geloof heel attractief en relevant is. Een kostbare parel (Matth. 13:44).
Het christelijk geloof gaat uit van een ontmoeting met de levende God. Hoe intellectueel het geloof ook is, deze ontmoeting blijft altijd ook iets van een mysterie houden. Dat mysterie moet worden beschermd. Dat beschermen van het mysterie betekent geen verstarring, maar een zorgvuldig en effectief doorgeven aan de volgende generatie. Dogma’s dragen bij aan het beschermen van het mysterie. Dogma’s vormen niet de kern van het geloof, maar de bescherming ervan. Het belangrijkste is de kern (namelijk: het geloof dat God door Christus handelt) – niet de vraag waar de grens ligt.
Dogma’s zijn echter wel belangrijk. Zonder dogma’s vervloeit het geloof en zal het geloof zijn aantrekkingskracht verliezen. De dogmatiek heeft de belangrijke taak het geheimenis over God levend en levendig te houden. Echte dogmatiek komt voort uit het reflecteren op het christelijke verhaal. Het verhaal dat gaat over Gods handelen met Zijn volk. Het verhaal dat zijn climax heeft in het leven, sterven en de opstanding van Jezus Christus.
In een postmoderne cultuur verkondigen wij geen christelijke waarheden, maar de Levende die als realiteit de basis vormt van deze waarheden.

M.J. Schuurman

N.a.v. Alister E. McGrath, ‘Erzählung, Gemeinschaft und Dogma. Reflexionen über das Zeugnis der Kirche in der Postmoderne’, Theologische Beiträge 41/1 (2010) 25-38

Zie ook zijn artikel: ‘Dogma, Identität und soziale Existenz: Kritische Reflexionen über die soziale Funktion der christlichen Dogmatik in der Aufrechthaltung von Gruppenidentität’, Zeitschrift für Theologie und Kulturgeschichte 2 (2007): http://aps.sulb.uni-saarland.de/theologie.geschichte/inhalt/2007/ (webmaster: “toegang verboden”)