Preek zondagmorgen 29 september 2013

Preek zondagmorgen 29 september 2013
Viering Heilig Avondmaal

Wij weten immers dat Hij Die de Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken en samen met u voor Zich zal stellen. 2 Korinthe 4:14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er komt een moment dat u voor God zult staan,
in de hemel zult u staan voor Gods troon.
Daar bent u heengebracht door God zelf.
Dat is immers wat Paulus schrijft in vers 14: u wordt voor de troon van God geplaatst.
Als je daar over nadenkt: in de hemel voor Gods troon,
daar waar de engelen staan, waar God zelf is, de heilige God,
waar alles licht is en straalt,
om daar te komen voor God – omdat God wilde dat u daar kwam,
dat jij daar voor Hem, voor Zijn troon komt te staan!
Hoe zal dat zijn om daar te komen?
Is er in u een verlangen om de Heere ontmoeten,
zoals ik wel eens tegenkom – gemeenteleden die uitzien naar de ontmoeting met de Heere.
Onze Heere en Heiland eindelijk te mogen zien en te mogen zijn in Zijn heerlijkheid?
Het kan zijn dat u ook zo’n verlangen hebt om de Heere te mogen zien
en dat u daarom in de afgelopen week hebt uitgekeken naar het Heilig Avondmaal.
Het Heilig Avondmaal is voor u al een maaltijd
waarbij al iets te zien is van het feestmaal in de hemel
waar verloste zondaars genodigd zijn.

Jullie, kinderen, denken er misschien wel eens over na
hoe het in de hemel zal zijn.
Hoe ziet de Heere eruit, hoe is het in de hemel?
Hoe zal de troon van God eruit zien?
Welke engelen zal ik tegenkomen?
Je bent benieuwd naar de hemel – je zou je er wel eens een kijkje willen nemen.

Ik denk dat veel volwassenen dat kinderlijke geloof, die kinderlijke nieuwsgierigheid
terug zouden verlangen,
omdat voor zij er tegenop zien om de Heere onder ogen te komen.
Om voor God gesteld te worden, voor de troon van God te komen,
dat is nogal wat.
God is ook een heilig God en wat is er allemaal niet verkeerd gegaan in het leven.
Wellicht dat u daarom ook tegen de afgelopen week opzag
om de Heere te ontmoeten.
Want ook in het avondmaal worden wij voor God geplaatst.
God is nu niet zichtbaar, maar Hij is er wel.
Hij is de gastheer die het brood geeft en de beker aanreikt.
Dat kan een reden voor u zijn om niet aan het avondmaal te komen.
Nog nooit is er die stem geweest die ú aansprak en nodigde
en u kon alleen maar de Heere zien
als een strenge Vader die u aan uw tekorten en fouten herinnert.

Juist dan mag voor u de belofte zijn uit wat Paulus schrijft.
Want we worden niet zomaar gesteld voor Gods troon.
Paulus zegt er nog iets bij: hij wijst erop dat de God voor wiens troon wij komen
ook de God is die de Heere Jezus heeft opgewekt.
Dat is een bemoediging voor u, die er tegen opziet
om de Heere te ontmoeten – hier aan het avondmaal
of later als u sterft, of als de Heere Jezus terugkomt.
Want als Paulus spreekt over de opwekking van de Heere Jezus,
bedoelt Hij niet alleen: de Heere Jezus kwam na 3 dagen uit het graf,
maar zegt hij ook: de Heere heeft het offer van de Heere Jezus aangenomen,
toen Hij stierf aan het kruis.
Ik denk dat ook de kinderen het verhaal over de Heere Jezus aan het kruis kennen.
Het verhaal hoe de Heere Jezus door soldaten werd opgepakt en bij Pilatus werd gebracht
en dat de Heere Jezus toen gekruisigd werd.
Zometeen tijdens het avondmaal zullen we daar aan terugdenken:
als het brood wordt gebroken worden wij eraan herinnerd dat de Heere Jezus stierf aan het kruis.
Zoals het stukje brood zo dadelijk wordt gebroken,
zo werd het lichaam van de Heere Jezus aan het kruis gebroken.
Zoals straks de wijn wordt ingeschonken, worden wij eraan herinnerd
aan het bloed van de Heere Jezus – de pijn en de wonden die Hij had.
Maar straks zie je ook meer: als ik het brood gebroken heb,
geef ik het aan een paar mensen.
Eigenlijk zou ik het aan iedereen aan de tafel willen geven,
want als het brood wordt gebroken,
betekent dat: voor jou, voor u heb Ik, de Heere Jezus, mijn lichaam laten breken.
En als u het brood aanneemt, zegt u: ja, Heere Jezus, u bent voor mij gestorven.
Dat is al een hele bemoediging,
maar dan nog kunt u dat geloven en op een afstand blijven staan
omdat u zegt: de Heere Jezus moest voor mij sterven, daarom kan ik niet bij de Heere zijn.
Daarom kan ik niet komen, kan ik niet voor Hem verschijnen.
Als het nu zou gebeuren dat de Heere Jezus stierf aan het kruis,
zou u op een afstand blijven staan: Hij doet het voor mij, maar ik kan niet bij Hem zijn.
Dat verdien ik niet.
En toch bent u, ben jij erbij.
Want toen de Heere Jezus stierf, stierf Hij niet alleen met ons, maar ook voor ons.
Ook al wilt u op een afstand blijven staan, u bent er toch bij,
want u bent meegenomen door de Heere Jezus.
Daar stierf Hij, maar daar stierf u ook – nog voor u geboren werd, stierf u, stierf jij al.
Als het brood gebroken wordt, denken we eraan terug
hoe de Heere Jezus gebroken werd – met ons. Hij nam u en jou mee in Zijn dood.
Het avondmaal – net als de doop trouwens – zegt: u, jij deelt in het sterven van Christus.
U, jij bent erbij. U en jij – stierf ook. Daar op Golgotha.
En dan zegt Paulus: niet alleen het sterven van de Heere Jezus is voor u,
Zijn sterven was uw sterven, jouw sterven – maar ook dat andere:
Zijn opstanding was uw opstanding, jouw opstanding.
U bleef niet in de dood, jij bleef niet achter in het graf.
de Heere Jezus nam u en jou mee uit het graf
en zo wordt u voor God gesteld: gebroken en gestorven met de Heere Jezus,
maar ook dat andere: opgestaan met de Heere Jezus.
Nu wij nog op aarde leven, dragen wij dat die dood nog mee – merken wij dat,
maar eens zullen wij leven uit die opstanding.
God nam het offer dat Jezus bracht met Zijn leven aan,
dat offer waarbij Hij ons meenam.

Zo wordt u uitgenodigd: niet alleen om geconfronteerd te worden
met uw tekortkomingen, maar om ook dat te overdenken, te weten, te geloven:
dat de Heere Jezus met u stierf om met u op te staan.
Daarom mag u en moet u komen bij de Heere Jezus:
om daarmee te belijden: toen nam u mij mee, het was nodig,
maar dat andere, dat nieuwe leven schenkt U mij ook!
Zo komen wij aan bij de Heere Jezus.

In Oldebroek geleerd dat er een verschil is tussen aankomen en langskomen.
Als ik aan de deur sta en zeg: ik wil binnenkort langskomen,
dan krijg ik altijd te horen: je moet niet langskomen, maar aankomen.
Dat wil ik vanmorgen tegen U zeggen.
Hoe vaak wordt het avondmaal niet gehouden als een langskomen bij Jezus.
Zoals iemand snel een pakketje door de brievenbus stopt en daarna snel uit de voeten maakt,
stel je voor dat ik gezien wordt.
Of langskomen om daarmee onze tekorten te laten zien.
De Heere Jezus zegt: je moet niet langskomen, maar aankomen.
Hij zet de deur wagenwijd open: kom binnen, mijn kind.
Ik heb op je gewacht.
Heb je niet gemerkt dat Ik toen ik op Golgotha stierf – jou meenam?
Blijf voor altijd bij Mij en dan zal alles wat van Mij is voor u zijn:
ook Mijn heiligheid, ook Mijn opstandingslichaam
en wanneer u voor God komt te staan, kijkt Hij naar u
maar ziet de Heere niet meer dat oude, dat verkeerde,
maar ziet Hij een nieuw mens, ziet Hij u in Mij – die voor en met U stierf.
Daarom: kom bij Mijn tafel aan, zodat je opnieuw weet
en daarin bevestigd wordt: Ik stierf ook voor en met U
om voor U, met u, met jou op te staan.
Amen

Preek zondagmorgen 22 september 2013

Preek zondagmorgen 22 september 2013
Voorbereiding Heilig Avondmaal

Maar wij hebben deze schat in aarden kruiken, opdat de allesovertreffende kracht van God zou zijn en niet uit ons. 2 Kor 4:7
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat is het belangrijkste in uw leven?
Wat kun jij in jouw leven echt niet missen?
Als we het aan Paulus zouden vragen, zou hij op deze vraag een antwoord weten:
Christus, dat Hij voor mijn zonden aan het kruis gestorven is.
Daar zou hij echt niet meer zonder kunnen.
Christus is het kostbaarste dat er in zijn leven is.
Zonder Christus zou zijn leven niet alleen leeg zijn
– dat zeggen we nogal eens om aan te geven hoe belangrijk onze geliefde is –
zonder Christus zou hij verloren zijn en verloren gaan.

Dat hoort hij te zeggen – zou u kunnen tegenwerpen.
Paulus is een apostel, het zou toch vreemd zijn als hij met een ander antwoord zou komen.
Paulus hoort dat te zeggen, van hem verwacht je niets anders.
Zoals een gemeentelid uit Noord-Holland – ik kwam bij hem op kennismakingsbezoek.
Hij bracht de koffie mee en stak meteen van wal door mij een vraag te stellen:
Hoe denkt u over de opstanding?
Ach ja, u moet wel zeggen dat die echt gebeurd is.
Het was een opmerking waarmee hij wilde laten merken dat hij anders was
dan de andere gemeenteleden, niet zo gelovig maar vrijzinnig en cynischer.
Later begreep ik hoe dat kwam: zijn vrouw die heel gelovig was,
was lang ziek geweest, een echte lijdensweg.
Tijdens deze lijdensweg van zijn vrouw raakte deze man zijn vertrouwen in God kwijt
Hoe denkt u over de opstanding?
Van mij verwachtte hij een plichtmatig antwoord, dat hem niet verder hielp.
Daar had hij ook gelijk aan: plichtmatige antwoorden helpen niet verder.
Sterker nog, antwoorden die wij verplicht zijn om te geven zijn eerder het tegenovergestelde:
een blokkade op de weg naar de Heere.

Als Paulus spreekt over het kennen van Christus als een schat, een kostbare schat,
is het geen plichtmatig spreken,
waardoor u zou kunnen zeggen: ach ja, het is Paulus die het zegt,
die hoort dat als apostel te zeggen, ik hoef hem dat niet na te zeggen,
ik heb nog zoveel andere dingen in mijn leven die voor mij net zo belangrijk zijn:
mijn werk, mijn gezin.
Of als u iemand bent die kijkt hoe anderen het doen, zou u denken:
hoe krijgt die Paulus dat voor elkaar,
Dat lukt mij nooit.
Als gelovige stel ik niets voor. Geen wonder dat de Heere mensen als Paulus in zijn dienst gebruikt.
Paulus weet waar hij het over heeft.
Het was allereerst een bittere ervaring, toen Christus in zijn leven kwam.
Want alles werd overhoop gegooid.
Hoe hij naar zichzelf keek: hij dacht dat hij het begrepen had, dat hij zijn leven aan God wijdde.
Maar toen Christus in zijn leven kwam, gingen Paulus’ ogen open.
Hij raakte zijn positie kwijt – hij was een veelbelovende leerling van Gamaliël,
in de ogen van zijn leermeesters zou hij het ver schoppen – de perfecte leerling.
Hij raakte alles kwijt wat voor hem of in de ogen van anderen belangrijk was:
zijn positie, zijn zelfbeeld.
En toch – het kostbaarste wat hij bezit: Christus kennen.
Hij kan niet meer zonder Christus die is gekruisigd. Ook voor hem gekruisigd.
Niet voor iedereen hoeft het leren kennen van Christus zo’n ingrijpende wending te zijn,
het kan ook een gevoel van thuiskomen, tot rust komen, gedragen worden.
Maar wel het kostbaarste: Christus kennen,
die voor u, voor mij Zijn bloed vergoot.
In het betoog van Paulus is daar opeens een korte lofzang op God,
als hij het over God heeft, kan hij het niet laten om hoge tonen te laten klinken,
vol verwondering, dat hij deze kostbare schat heeft mogen ontvangen.
Hoge tonen – een lofzang op God en zijn genade.
Wat zou er van het leven met de Heere zijn als er geen liederen waren
die deze genade, die Zijn grootheid en goedheid bezongen?
Zijn het niet liederen die ons meenemen in de verwondering en de lof op onze God?

Mijn herder en mijn held, mijn vriend,
mijn koning en profeet
mijn priester die mijn schuld ontbindt,
mijn weg waarop ik treedt.

Bij de woorden die Paulus in vers 6 gebruikt over het licht van God dat in onze duisternis straalt
moest ik denken aan de lofzang van Zacharias:
voor elk die in het duister dwaalt, verstrekt deez’ zon een helder licht.
Als het gaat om Christus, wat Hij voor ons betekent,
kan dat vaak het best verwoord worden in een lied, een loflied vaak.
Zoals ook de lofzang van Zacharias een loflied is:
Lof zij de God van Israël, de Heer die aan Zijn erfvolk dacht.
Wanneer je daarin meegenomen wordt,
ervaar je het ook Gods heerlijkheid over je leven schijnt,
ervaar je ook welk een rijkdom het is om Christus te kennen
en in Hem Gods weg te zien glanzen.
Een grote rijkdom – een schat zegt Paulus.

Hoe anders is dat met het avondmaal.
Terwijl dat niets anders is dan het koesteren van deze schat,
het vieren dat Christus door Gods genade mijn alles geworden is,
het gedenken dat Christus ook voor uw zonden heeft willen sterven,
is het avondmaal beladen geworden.

Terwijl het avondmaal juist gegeven is als een tastbaar bewijs
dat God om ons geeft en ons genadig is,
waarbij we mogen proeven de goedheid van de Heere,
wordt het avondmaal eerder ervaren als een schat in een museum,
onbereikbaar in een glazen vitrine met beveiliging erbij
waarbij je alleen maar als toeschouwer voorbij kunt lopen
en je weet het: dit is voor mij niet weggelegd.

Wij hebben deze schat, zegt Paulus.
De schat die door God gegeven is, Zijn eigen Zoon, het offer dat Christus bracht
met Zijn leven en bloed, die schat is u bedoeld – aan u gegeven.
Deze schat wordt niet tentoongesteld om deze slechts te kunnen bewonderen van een afstand,
maar om die mee te dragen in ons hart, te koesteren,
om uit deze schat te putten, arme berooide zondaars.
Een hemelse schat aan mensen gegeven.
Dat is nogal wat:
dat de Heere niet zegt, zorg eerst maar dat je het waard bent om die schat aan te raken,
hij geeft het. Zo zeker als ik het brood eet en zo zeker als ik de wijn proef,
weet ik dat die schat voor mij is.
Het is onvoorstelbaar.
Paulus zegt dan ook: deze schat wordt bewaard in een aarden pot.
Dat we zo’n aarden pot zijn, dat herkennen we gemakkelijker
dan die kostbare schat die we met ons mee mogen dragen.
Want zo’n aarden pot:
wie heeft er geen krassen?
Ja voor het oog misschien, een perfecte buitenkant, goed overkomen,
maar aan de achterkant, voor iedereen onzichtbaar.
Of we hebben deuken door de slagen die de satan ons toebrengt.
In ieder geval: er zullen er weinig zijn die zullen zeggen
die heilige schat kunnen wij dragen, die kostbare schat bewaren, laat mij dat maar doen.
Zo zullen er volgende week niemand zijn die zal zeggen:
die plaats aan de avondmaalstafel, dat is echt iets voor mij. Ik voldoe aan alle voorwaarden.
Ik denk eerder dat er veel zullen zijn, die zich zullen afvragen:
draag ik de schat wel bij me? Ben ik die schat niet kwijtgeraakt?
Ben ik geen pot met scheuren waaruit deze schat weglekt?
Wie van ons is het waard?

God legt die schat in ons.
De Heere maakt u waardig.
Hij geeft die waardigheid om Zijn schat te ontvangen,
om plaats te nemen aan het avondmaal.
een aarden pot:
iemand die wel de schat van Christus meedraagt, Christus kent en nodig heeft
en tegelijkertijd nog van de aarde is:
soms vol twijfel, is het wel voor mij?
Ik maak het er toch niet naar?
Aarden vaten die de rijkdom van Christus haast niet kunnen dragen.
Juist in de tijd van voorbereiding merken we misschien nog wel het meest
dat wij aarden vaten zijn.
Nog altijd kwetsbaar voor de zonde.
Alsof in aanloop naar het avondmaal bewezen moet worden
dat wij deze schat waard zijn.
Aarden schat, zodat het zichtbaar is dat de kracht die in ons is
niet bij onszelf vandaan komt.
De kracht die ons redt, de kracht van Christus die ons nieuw leven geeft
een kracht tot behoud,
niet onze kracht, maar Gods kracht die in ons komt.
In onze zwakheid, aardsheid, zondig bestaan.
Hij maakt ons waardig om Zijn schat te dragen.
We hoeven die schat niet te verdienen, we kunnen dat ook niet.
Maar dat maakt van ons wel een aarden vat:
dat die gedachte toch bij ons bovenkomt. Pas als ik … dan mag ik …
Dan poetsen we onszelf op voor God.
Het is niet onze kracht die mij redt van mijn verlorenheid
het is niet mijn geweldige liefde voor Christus die mij aan het avondmaal brengt,
het zijn niet mijn alles overtreffende daden die mij een geschikte pot maken
voor de schat van Christus,
God maakt u het waard om deze schat te dragen – uw eigen redding
die van Christus komt, deze schat die Christus is!
Een aarden pot, omdat wij in de week van voorbereiding vaak meer met onszelf overhoop liggen
dan letten op het alles overweldigende geschenk van God.
Misschien is het geschenk wel te groot:
voelen we ons daarom wel klein, niet geschikt,
keuren we onszelf daarom af als een pot voor die hemelse schat.
Ik niet, want ik schrijf elke avond mijn minnen op, omdat ik het niet goed gedaan heb
maar wacht even, zou Paulus zeggen: dat plussen en minnen,
dat beoordelen of wij geschikt zijn, komt u niet toe.
De Heere maakt u waardig om deze schat mee te dragen en uit te delen.
Wij zijn geen vaas die een stapje naar voren doen om ons te laten zien.
Wellicht eerder met schroom, maar God pakt ons
om in ons die hemelse schat te doen, Christus zelf.
Opdat – in ons het leven van Christus zichtbaar wordt.
Een aarden kruik – Paulus gebruikt dat beeld niet zomaar.
Want hij kent zijn bijbel – zoals klei in de hand van de pottenbakker.

1 Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:
2 Sta op en daal af naar het huis van de pottenbakker. Daar zal Ik u Mijn woorden doen horen.
3 Zo daalde ik af naar het huis van de pottenbakker. En zie, hij was op de draaischijven een werkstuk aan het maken.
4 Mislukte de pot die hij aan het maken was met de klei in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het in de ogen van de pottenbakker goed was om te maken.

Daarvoor kwam de Heere Jezus juist – om ons in de ogen van de pottenbakker goed te maken.
Het gaat er niet om of wij in eigen ogen goed zijn.
Mishagen: onze eigen blik op onszelf kwijtraken en Gods blik!
Moeilijker dan wij denken, want wij denken al te weten hoe God over ons denkt:
niets waard – tekort, te schuldig, te weinig
Maar dan denken we teveel vanuit onszelf – we kunnen niet anders, ik weet het – we blijven die aarden kruik
Mishagen aan onszelf – geldt ook voor dat neerhalen van onszelf. Want dat is geen geloofshouding, dat is geen gerichtheid op Christus – alleen maar gerichtheid op onze broosheid en kwetsbaarheid, ons onvoldoende zijn, maar geen oog voor de pottenbakker, die deze vaas neemt en vormt en gebruikt om daar zijn schat, het hoogte wat hij heeft, in te doen.
Als we schuld beseffen, bij Christus uitkomen – zoals de trotse vrome Paulus die moet buigen om zijn schat in Christus te vinden.
Want Hij is onze schat, het mooiste wat er is. Voorbereiding HA: bij Hem uitkomen. De Heere geeft ons de waardigheid om deze schat te mogen aannemen. Voor u bedoeld. Voor wie anders?
Amen

Doopverwaarlozing

Doopverwaarlozing

Tijdens het kennismakingsrondje vraag ik de catechisanten om zich voor te stellen met hun doopnaam en te vertellen wat hun doopdatum is. De catechisanten reageren daarop met gezucht en verbaasde reacties: “Ik heb geen doopnaam.” Anderen die wel een doopnaam hebben, zuchten. Zij hebben namen die zij liever niet hardop uitspreken in deze groep: ouderwetse namen waarmee zij vernoemd zijn naar opa of oma. In alle groepen waar ik deze vraag stelde was er slechts één catechisant die zijn of haar doopdatum wist, omdat de doopkaart in de slaapkamer hing.
Daarna vroeg ik wanneer er met hen over de doop gesproken was. Ook maar één reactie: ‘Om mij mee naar de kerk te krijgen. Dan zeggen mijn ouders: we hebben je laten dopen!’

Dat laat zien, dat de doop wel als belangrijk ervaren wordt, maar dat er in de opvoeding van de kinderen zelden gesproken wordt over de betekenis van de doop. Als de doop ter sprake komt, is het vooral in waarschuwende zin: ‘Daar kun je toch niet met een gedoopt voorhoofd komen?’ Of: ‘Denk eraan, je bent gedoopt!’
Verder wordt er in de opvoeding nauwelijks gesproken over de doop. Er wordt niet gesproken over de beloften van de doop of wat het bijzondere is dat de Here Zijn naam aan onze naam verbindt. Over het in zonde geboren en ontvangen en over de noodzaak dat onze zonden afgewassen moeten worden door het bloed van Christus zal ook niet gesproken worden.

images

Door niet over de doop te spreken is de doop veranderd in een kerkelijk ritueel aan het begin van het leven. Dat de doop betekenis heeft voor het gehele leven of dat de doop betekenis heeft voor het kerkzijn is vaak nauwelijks bekend.
Vraag aan jongeren wanneer zij bij de kerk horen en ze komen waarschijnlijk met het antwoord dat wanneer zij belijdenis gedaan hebben bij de kerk horen. In ieder geval zullen ze niet zo snel aan de doop denken. Vraag aan ouders waarom zij hun kind laten dopen. Ze zullen antwoorden dat zij de Schepper dankbaar zijn, of dat zij ook willen dat de hemelse Vader voor hun pasgeboren kind zal zorgen. Ouders die meer weten, zullen antwoorden, dat zij hopen dat hun kind ook van de Heere Jezus mag zijn. Vaak weten ouders niet goed onder woorden te brengen, waarom zij hun kind willen laten dopen. Daar heb ik begrip voor.

Waar het mij om gaat, is dat antwoorden van ouders meestal aangeven dat de doop een gewoonte is. Waarbij ik wil benadrukken dat ik dat niet negatief bedoel: het is een goede gewoonte, een belangrijke traditie die gelukkig nog steeds een levende traditie is.
Tegelijkertijd laten deze antwoorden ook zien, dat als de kinderdoop geen traditie was, veel kerkleden niet zouden kunnen uitleggen wat de meerwaarde is van de kinderdoop boven het opdragen.
Scherper gezegd: is de huidige praktijk van de doop van pasgeboren kinderen niet veelmeer een levensritueel, een inzegenen van het nieuwe leven, dan een ritueel van navolging en discipelschap?
Ik bedoel dat niet kritisch naar de ouders toe, maar naar de kerk en de geloofsopvoeding, de catechese toe. Ergens wordt er een afslag gemist, waarbij uitgelegd zou moeten worden dat de doop meer is dan het zegenen van nieuw leven.

KIA050422_cf30f

Dat de doop toch diep beleefd wordt en voor ouders een grote betekenis heeft, laat de discussie over overdoop zien. Ouders van een kind, dat zich laat overdopen, voelen dat vaak als een kritiek op de opvoeding die zij hebben meegegeven.
Maar ik moet hierbij altijd denken aan een kritische vraag die ik van iemand uit de evangelische beweging kreeg: hoe komt het dat een overdoop tot felle discussies of zelfs verwijdering leidt, maar dat iemand die niet meer naar de kerk gaat (en dus weinig met zijn doop doet) daar niet op aangesproken wordt? Een belangrijke vraag die ons uitdaagt om na te gaan hoe wij onze kinderen de betekenis die de doop voor het hele leven en de gehele geloofsweg heeft uit te leggen en bovenal te vieren.

Hoe kan de doop dichterbij gebracht worden, zodat het niet alleen een levende traditie is, maar ook bijdrage levert aan de geloofsweg die kinderen gaan? Zelf proberen wij in ons gezin dat te doen door de doopdag te vieren. Elk jaar is er ongeveer een maand na de verjaardag nog een kleine feestdag. Op deze doopdag wordt een nieuwe kinderbijbel als cadeau gegeven en op die doopdag wordt die nieuwe kinderbijbel feestelijk in gebruik genomen. Door de doopdag te vieren, hopen wij dat onze kinderen in te wijden in de betekenis van de doop.

Geschreven voor HWConfessioneel

De Broekzakbijbel

De Broekzakbijbel

Een leuk idee bij onze oosterburen: een kleine kinderbijbel die in een de broekzak van een kind past. Daarom de Broekzakbijbel (Hosentaschenbibel). Een kinderbijbel van 7 x 7 cm. Met illustraties van Gabriele Hafermaas.

big_27818215_0_350-262

Het leuke van deze kinderbijbel is dat deze bedoeld is om de ouders zelf te laten vertellen over het Bijbelverhaal. Ook kunnen ouders samen met kinderen de afbeeldingen bekijken en aan de hand van deze illustraties met elkaar doorpraten over het verhaal.

Op elke bladzijde is ook een schildpad getekend: Zappi. Hier wordt Zappi op de Abrams wagen getild, zodat hij ook de reis kan maken naar het land dat God Abram wees:

big_25433834_0_350-256

Zappi is ook beschikbaar als handpop, zodat de verteller Zappi kan laten vertellen over zijn belevenissen. Of zodat kinderen met Zappi in de hand in het verhaal kunnen kruipen.

big_25433743_0_333-250

Het mooie is bovendien, dat Horst Heinemann, de initiatiefnemer van dit kinderbijbeltje ook een aantal extra boeken heeft gemaakt om deze Broekzakbijbel heen:
* een boek met verteltips bij de desbetreffende illustratie
* een boek met verhalen bij de desbetreffende illustratie
* een Schooltasbijbel (Schulranzenbibel)
* een boek waarin nagedacht wordt over het vertellen van bijbelverhalen aan kinderen

Enkele voorbeelden:

big_25324832
Jakob droomt te Bethel

big_25324840
Het visioen van Jesaja

big_25324861
Paulus op weg naar Damaskus

Voor meer informatie: http://www.hosentaschenbibel.de/index.html
(de afbeeldingen zijn ook afkomstig van deze website)

Welke Nederlandse uitgever haalt deze kinderbijbel naar Nederland?

Preek zondagmorgen 15 september 2013

Preek zondagmorgen 15 september 2013 – opening Winterwerk
Mattheüs 4:18-5:16

Tekst: 5:14a: U bent het licht van de wereld

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat betekent het voor jou om volgeling van de Heere Jezus te zijn? Maakt het voor jouzelf nog verschil of je bij de Heere Jezus hoort of dat je gewoon maar wat doet, zonder er bij na te denken? Kunnen anderen aan je merken dat je Zijn volgeling wil zijn?

Het kan best dat jij daar al over nadenkt. Je hebt steeds de verhalen over de Heere Jezus gehoord, je houdt van de Heere Jezus en je weet van jezelf: ik wil de Heere Jezus dienen! Ik wil zijn discipel zijn!
Elke dag bid je of de Heere Jezus bij je wil zijn, je bij alles wilt helpen en of Hij je duidelijk wilt maken,
hoe jij in jouw leven Zijn leerling kunt zijn.
Want ik kom dat hier in de gemeente tegen: bij jongeren op catechisatie, bij volwassenen op Bijbelkringen en op huisbezoek – gemeenteleden die bij de Heere Jezus willen horen, die oprecht de Heere willen dienen en volgen.
Dan niet persé zoals bij Andreas, Petrus, Johannes en Jakobus, die hun werk opgaven om met de Heere Jezus door het land te trekken, maar in hun werk, hun gezin, op school of in de vriendengroep
naar de Heere Jezus willen luisteren. Zoals de mensen die op de Heere Jezus afkwamen om naar Zijn woorden te luisteren. Die mensen luisterden vol bewondering naar de woorden van de Heere Jezus. Hij heeft hen wat te zeggen! Hij kan hen helpen, zodat zij in hun leven God kunnen dienen.
Als ik in de evangeliën lees over de menigte die Jezus opzoekt,is dat naar mijn idee meer dan nieuwsgierigheid. Dan is dat oprecht verlangen. Zij komen met hun vragen bij de Heere Jezus, waar zij zelf niet uitkomen. Een conflict in de familie over het verdelen van de erfenis bijvoorbeeld. Of om te weten hoe zij later, als zij sterven, het koninkrijk van God mogen binnen gaan. ‘Want u hebt woorden van eeuwig leven’ zegt iemand die met een vraag bij de Heere Jezus komt.

Zo ben jij vanmorgen misschien ook wel naar de kerk gekomen: Ik hoop dat ik de Heere Jezus mag ontmoeten en dat Hij mij uitleg geeft, speciaal voor mij, hoe ik Hem kan dienen met heel mijn hart en met heel mijn leven.
Met heel jouw leven – dat is nogal wat: dus niet alleen de uren dat je in de kerk zit, of naar catechisatie of club gaat, maar alle uren. Ook de uren waarop je omgaat met je vrienden en vriendinnen. Heel je leven – wat je online doet en offline. En niet alleen wat je vandaag doet, maar ook morgen en over een jaar. Om dat te doen, de Heere Jezus te dienen met heel je leven, daar heb je wel lef voor nodig. Of niet?
Zalig ben je als zij u smaden – gelukkig ben je als ze je uitschelden. Dat is nogal wat, dat je voor je keuze om de Heere Jezus te dienen uitgescholden wordt. Of allerlei vervelende dingen over je doorvertellen aan anderen: ‘Heb je het al van haar gehoord, zij is zo raar. Weet je wat zij gelooft?’
En je moet zachtmoedig zijn – Geen ruziezoeker, maar vredestichter. Dat is al lastig als je straks uit de kerk thuis komt en je ruzie krijgt met je broertje of zusje. Of ruzie op school, omdat je merkt dat iemand je niet mag. Als iemand je laat vallen, of over je roddelt, of jaloers op je is, om dan vrede te stichten in plaats van boos te blijven. Daar heb je lef voor nodig. Toch?

Lef is een Hebreeuws woord. Dat betekent ‘hart’. Leven met Jezus betekent: leven met lef. Je doet het met heel je hart. Niet een beetje. Niet alleen als je ’s avonds op je knieën gaat voordat je gaat slapen om dan nog even te denken aan de Heere Jezus. Maar je doet het helemaal. Voor 100%. Je kunt niet zeggen: ik volg Jezus een beetje wel en een beetje niet. Je kunt niet zeggen: vandaag volg ik de Heere Jezus, maar morgen ben ik geen discipel. Je kunt niet zeggen: vandaag neem ik even vrijaf als discipel. Of: hèhè, ik ben nu even geen volgeling van de Heere Jezus. Dat wil je misschien ook niet, want je wilt leven met lef, je wilt Hem volgen en dienen. Alleen … het lukt niet altijd. Soms doe je je best om zachtmoedig te zijn, of een vredestichter, soms lukt het ook en denk je bij jezelf: nu doe ik het gelukkig goed.
Of je denkt: ik wil wel, maar soms begrijp ik het ook niet of weet ik niet wat ik moet doen.

De discipelen om de Heere Jezus heen staan hier nog helemaal aan het begin. Ze weten nog maar weinig van de Heere Jezus. Ze hebben alleen nog maar zijn wonderen gezien. Ze volgen hem nog maar net. En dan zegt de Heere Jezus als tegen hen: ‘Jullie zijn het licht van de wereld.’ Licht van de wereld. In deze wereld zijn jullie het licht van de wereld. Jullie stralen wat uit! Als het donker wordt in deze wereld, zijn jullie het licht. En hoe kan het donker worden. Als mensen God niet meer kennen. Of als er veel mis gaat in de wereld, in een land als Syrië zal er ook veel donkerheid zijn door de oorlog die daar is. Als mensen niet gelukkig zijn, kan het ook heel donker zijn. Dan zegt de Heere Jezus tegen zijn discipelen: jullie zijn het licht in de wereld. In die wereld laten jullie een licht schijnen.
Hij zegt niet: je begint het al te begrijpen, maar je bent er nog lang niet. Hij had ook kunnen zeggen: denk erom, jullie hebben allerlei bijzondere dingen gezien, maar jullie moeten nog veel leren. Nee, Hij zegt: jullie zijn het licht van de wereld. Voor de wereld waarin jullie leven, betekenen jullie heel veel: door jullie weten de mensen om je heen dat er nog een God is, die om deze wereld geeft. Door jullie weten de mensen hier op deze aarde, dat er nog een God is die naar jullie gebeden luistert. Doordat jullie mij volgen en dienen weten de mensen om je heen dat er een God is die deze wereld wil redden, die Zijn koninkrijk laat komen. Dat deze wereld, waarop zoveel mis is, niet donker blijft.

Zou de Heere Jezus dat ook over jou of over u kunnen zeggen? U bent het licht van de wereld? Jij bent het licht dat in deze wereld straalt?
Ik denk dat de meesten dan verbaasd zouden zijn: straal echt zoveel uit? Hoe dan? Want zelf heb ik die indruk helemaal niet. En toch denk ik, dat de Heere Jezus het ook tegen u en tegen jou zou zeggen: als er in je hart een verlangen is om Hem te dienen en te volgen. Als je wilt leven met lef – voor de Heere. Als je de woorden uit Zijn onderwijs hoort en denkt: het is moeilijk, maar ik wil het wel, want Hij heeft mij geroepen om deze weg te gaan. Dan ben je een licht in deze wereld. En Hij zegt dat om daarmee aan te geven: Ik kan jou gebruiken! Je bent een licht – je betekent veel voor Mij en voor de komst van Mijn koninkrijk. als in jou dat verlangen is, als je dat wilt.
Zoals ’s avonds de lantaarns aangaan om te laten zien waar de weg is, zo mag je aan anderen laten zien dat de Heere Jezus de weg is, omdat je zelf die weg gaat. Omdat je luistert naar Zijn woorden en die ook in praktijk probeert te brengen. Een licht ben je, waardoor je aan anderen laat zien: hoe geweldig God is, en hoe bijzonder de Heere Jezus . Zoals ’s avonds de buitenlamp aangaat en een veilig gevoel geeft, omdat het niet meer zo donker is, zo kun je andere mensen een veilig gevoel geven: gelukkig er zijn er die bij de Heere Jezus horen, die Hem dienen, die bidden.

Dan kijk je naar jezelf en dan denk je: wie ziet mij staan, want zo bijzonder ben ik niet. Dan zegt de Heere Jezus: voor Mij wel, Ik ken je Ik ken ook je verlangen, Ik weet van de lef die je hebt voor Mij en Ik weet ook wat het je kost, dat ze je soms raar vinden, of belachelijk kunnen maken. Ik weet het, je moest eens weten wat je voor Mij betekent, wat je voor de kerk betekent. Of dan denk je van jezelf: ik kan het nog niet zo goed, want ik weet nog niet veel. Dan zegt de Heere Jezus: als je van Mij leert, zal ik het je laten zien en dan kun je groeien als discipel. Want het gaat er niet om, dat jij het perfect doet. Het gaat er om, dat je allereerst luistert naar Mijn woorden: Zalig zijn de armen van geest. Gelukkig ben je als je zegt: ik weet het allemaal niet zo goed – want dan ben je bereid om naar de Heilige Geest te luisteren. Dan heb je de juiste houding om bij Mij te horen. Je hoeft nu niet alles al te weten. De Heilige Geest zal je steeds meer uitleg geven. Er zullen mensen om je heen zijn, die je verder helpen, je krijgt van Mij moed, lef. Als je het vraagt, erom bidt omdat je het niet weet,
dan maak Ik je tot een licht en je schijnt in deze wereld.Het is een licht dat door de Heere Jezus zelf is ontstoken. Het komt niet bij onszelf vandaan, maar bij Hem. en de Heilige Geest zorgt ervoor, dat het licht niet dooft, niet uitwaait, maar blijft branden.

Ik heb je tot een licht gemaakt, zegt de Heere Jezus. Met een doel: om voor de mensen te schijnen. Dan moet je dat ook doen. dat is de opdracht: Je bent een licht wees dan ook een licht door de woorden van de Heere Jezus in praktijk te brengen.
Amen

Om het geheim van het leven

Om het geheim van het leven

In 2013 publiceerde dr. H.C. van der Meulen een boek over geestelijke begeleiding.

Binnenkort verschijnt er in Maandblad Réveil en HWConfessioneel een interview dat ik met hem hield over zijn boek: “In de kantine deel je levensvragen”.

Daarin gaat het onder meer over de vraag: Wat kan geestelijke begeleiding voor jongeren betekenen?

9789023926849

Hierbij een fragment:

Wat was uw drijfveer om u te verdiepen in geestelijke begeleiding?

“Ik heb mij vaak afgevraagd waarom mensen weglopen met de religieuze thrillers van Dan Brown of boeken als The Secret. Iemand die niet naar de kerk ging, hoorde ik enthousiast over The Secret praten. Zij zocht houvast. The Secret suggereert dat het leven een code heeft die te ontcijferen is. Plato en Einstein hebben er al iets over opgemerkt, maar nu wordt het ten volle geopenbaard. Zo staat het echt in het boek. Maar er is een veel kostbaarder boek, de Bijbel, waarin ook over het geheim van het leven wordt geschreven. Over waar het vandaan komt en naar toe gaat. Dat is het verhaal van de Levende. Als mensen uitkomen bij The Secret komt daar een verlangen in naar voren. Dat neem ik serieus. Ik wil dat verlangen en het verhaal van Christus bij elkaar brengen.”

Voor het vervolg: zie het oktobernummer van Maandblad Réveil en een van de komende nummers van HWConfessioneel.

Vergeef mij mijn stomme gebeden en leer mij bidden als Paulus en Calvijn

Vergeef mij mijn stomme gebeden
en leer mij bidden als Paulus en Calvijn

Een van de mooiste publicaties van het Calvijnjaar 2009 was voor mij het gebedenboekje van Rudolf Bohren: Beten mit Paulus und Calvin.

In dat boekje, een van Bohrens laatste publicaties, ging hij in de leer bij Paulus en Calvijn om zich te oefenen in bidden. Want gebed moet geoefend worden. Bohren oefent zich aan de hand van Paulus’ tweede aan Timotheüs én aan de hand van Calvijns commentaar op deze brief. Want Bohren had gelezen dat de reformator Calvijn van alle Bijbelboeken het meest van deze brief hield.

Zonder oefening zijn het stomme gebeden in dubbel opzicht: dumme Gebete. Woorden worden niet meer gevonden, waardoor het bidden veranderd in zwijgen en het zwijgen mondt uit in het achterwege blijven van het gebed. Stom zijn deze gebeden ook, omdat ze waardeloos zijn. En de waardeloze gebeden zijn aan mijzelf te wijten.
Daarom is het eerste gebed ook een gebed om vergeving en vernieuwing. Hij luistert allereerst naar de vermaning van Paulus over het gebed: Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen (1 Timotheüs 2:1).

Zuallererst

Herr,
vergib mir meine dummen Gebete.
Dumm war mein Beten,
weil’s bei mir blieb –
jenseits deiner Gebete.

Lehre mich anders beten:
Der Apostel und der Reformator
haben durch Beten ihre Welt verändert
Lehre mich beten wie sie.

In het commentaar op dit vers roept Calvijn op om Gods verbazingwekkende goedheid, die Hij dag aan dag toont, te prijzen. Deze goedheid is niet alleen voor gelovigen, maar ook voor ongelovigen: dag aan dag laat God Zijn zon opgaan over goede en slechte mensen. Zo, zegt Calvijn, moeten wij in onze liefde en gebeden niet alleen ons richten op de gelovigen en de mensen die ons liggen, maar ook op degenen die onwaardig zijn. In navolging van Gods goedheid.

Leer mij anders bidden. Leer mij bidden als Paulus en Calvijn. Bohren schaamt er zich niet voor om bij hen in de leer te gaan.
Bohren schaamt er zich ook niet voor om bij zijn eigen leerling in de leer te gaan, als het om bidden gaat. Van zijn Japanse leerling Tsuneaki Kato leerde hij om voor zijn bidden van Calvijn te leren. Bij een bezoek aan Japan zij Kato: ‘Ik heb steeds op mijn ouderlingen gefoeterd vanwege hun gebeden. Wij hebben toen bij Calvijn bidden geleerd.’ En de gebeden die Bohren schreef en publiceerde, zijn bedoeld om zijn lezers te oefenen in bidden.

Geloven vereist een sportieve spiritualiteit, meent Bohren: een oefenen zoals sporters steeds oefenen. Het tweede gebed heet daarom ook: Spirituele gymnastiek. Waarbij het anders dan bij sporters niet om een prestatie gaat, maar om aanname, rechtvaardiging en vernieuwing door God:

Spirituele gymnastiek

Oefen jezelf in een vroom leven (1 Tim. 4:7)

Graag zou ik vroom willen zijn
alleen de vroomheid
die ik bij mijzelf en anderen waarneem
behaagt mij niet.

Heilige God. Ik heb reden om aan te nemen
dat zij U helemaal behaagt.

Laat ons niet traag en lauw blijven
bij het bidden
maar worden wat wij nog niet zijn.

Laat mij bidden als – Bohren schrijft niet: als Paulus en Calvijn. Hij schrijft: als de apostel en de reformator. Het gaat niet om hun naam, maar op de manier waarop zij in Gods dienst stonden en door God werden gebruikt. Leer mij bidden als hen – betekent niet: laat mij het niveau bereiken van Paulus en Calvijn. Maar veeleer: maak mij helemaal eigendom van U, mijn getrouwe Zaligmaker. Zoals het Paulus en Calvijn niet te doen was om hun naam, maar om Gods eer.
Het gaat ook (of juist!) in mijn bidden er om, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet, waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt (antw. 1 HC).

Het beeld van de olijfboom (Romeinen 11:16-18)

Het beeld van de olijfboom

In Romeinen 11:16-18 gebruikt Paulus het beeld van de olijfboom. Dat beeld roept bij mij exegetische vragen op, die voor mij niet zo gemakkelijk te beantwoorden zijn.

(1) Hoe bedoelt Paulus dit beeld? Gebruikt hij een beeld dat in die tijd herkenbaar was en voor zijn lezers herkenning oproept? Of is het een provocatief beeld en gaat het juist tegen de gangbare praktijk in?
(Deze vraag heb ik ook bij de gelijkenissen die Jezus vertelde.)

(2) Waar haalt Paulus het beeld van de olijfboom vandaan? Refereert Paulus hier aan een fenomeen dat in die tijd veel voorkwam in olijfgaarden, namelijk het snoeien van takken enten van nieuwe takken? Of gebruikt Paulus een beeld dat opkomt uit de Schrift?

* Een tak van een olijfboom draagt maar één keer vrucht. Door een tak af te snoeien, komt er ruimte voor een nieuwe tak. Werkt deze praktijk door in het beeld dat Paulus gebruikt?
* Het woord dat Paulus gebruikt voor ‘wilde olijfboom’ niet elders voor in het NT. In vaktermen: dit woord is een hapax legoumenon. Ook andere geschriften uit de Antieke Oudheid komt dit woord niet voor. Naar mijn idee geeft dit aan, dat het Paulus niet te doen is om een (al dan niet gangbaar) beeld uit die tijd te gebruiken, maar om een beeld ontleend aan de Schrift. Dat Paulus een stadsmens was, zoals wel gezegd wordt, doet daarom niet ter zake.

(3) Wat er met de afgebroken en de nieuw geënte takken bedoeld wordt is duidelijk: de afgebroken takken, zijn degenen uit het Joodse volk die Jezus als messias verworpen hebben; de nieuw geënte takken zijn degenen uit de gelovigen die door het geloof in Christus in Zijn gemeenschap opgenomen zijn.
Maar wat bedoelt Paulus met ‘de wortel’? Wat bedoelt Paulus als hij zegt: de wortel draagt u?

* De wortel is fundamenteel in dit beeld: het gaat immers om de sappen die via de wortel de tak bereiken.
* Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat Paulus met de wortel het volk Israël (als geheel) bedoeld. Een tak is wat anders dan een wortel. Mogelijk dat Paulus het volk Israël als stam zou willen zien. Opvallend is dan wel dat Paulus het in dit gedeelte niet over de stam heeft, maar de aandacht vestigt op de dragende wortel. (Haacker: het gebruikte woord voor ‘wortel’ is eigenlijk de in de aarde verwortelde stam van de boom. Hierbij moet bedacht worden dat Haacker niet de koppeling legt met de teksten uit Jesaja, maar uitgaat van een beeld uit die tijd.)
* Ook lijkt het me onwaarschijnlijk dat Paulus met de wortel de aartsvaders bedoelde. In Romeinen 4:12 geeft Paulus aan, dat de gelovigen uit de volken reeds in (het zaad van) Abraham besloten zijn. Dan is het echter niet meer nodig om te spreken over geënt worden, want dan zijn de gelovigen uit de volken reeds volop erbij gerekend.

Naar mijn idee blijven er slechts 2 betekenissen over:

* Wanneer Paulus een (al dan niet gangbaar) beeld in die tijd gebruikt, dan bedoelt Paulus hier op de verkiezing van God die vooraf gaat aan het verbond dat met Abraham gesloten wordt én vooraf gaat aan het zenden van Zijn Zoon.

* Wanneer Paulus hier een beeld vanuit de Schrift aanhaalt, bedoelt hij met de wortel: Christus. In twee teksten die voor de eerste christenen van groot belang waren om daarmee uit te drukken dat Jezus de Messias is, komt het door Paulus gebruikte woord ‘wortel’ voor:
– Jesaja 11:10 – in deze tekst geeft Jesaja aan dat de heidenen zullen vragen naar de wortel van Isaï. Deze tekst komt terug in Romeinen 15:12.
– Jesaja 53:2: Jezus die als een wortel uit dorre aarde opschoot.
Omdat Paulus aangeeft, dat de wortel aan God is gewijd (en vanwege het hapax legoumenon) lijkt het me het meest waarschijnlijk om bij de wortel aan Christus Jezus. Geënt worden op de olijfboom zou dan een ander beeld kunnen zijn voor de inlijving in de gemeenschap met Christus.
(Hiermee vervalt ook de laatste voetnoot van Klaus Haacker bij de uitleg van hoofdstuk 11: ‘Das ganze Kapitel 11 kommt ohne eine expliziete Erwähnung Jesu aus! => Haacker heeft dan ook geen verwijzingen naar Jesaja 11:10 en 53:2.)

Waarom gebruikt Paulus dit beeld?
* De wortel bepaalt de heiligheid van de boom. Door de wortel kan er vrucht gedragen worden. Naar mijn idee zou Paulus best eens kunnen verwijzen naar de opmerking van Jezus over de goede boom die goede vruchten draagt en de slechte boom die slechte vruchten draagt. Daarnaast valt er ook een link te leggen met Galaten 5: de vrucht van de Geest.
* Paulus gebruikt het beeld vooral om te zorgen dat de gelovigen uit de volken niet gaan denken dat Israël uit het heilsplan van God is uitgebannen. Dat zij geloven is genade en te danken aan Gods verkiezing. Zij hebben deze redding niet aan zichzelf te danken.
* Bovendien: dode takken zijn in ogen van mensen nutteloos. Maar God is bij machte om doden tot leven te wekken. Als Hij vijanden kan verzoenen en degenen die dood zijn door de zonde weer door de gemeenschap met Christus tot leven kan wekken, waarom zou Hij de dode takken niet tot leven kunnen wekken door hen opnieuw te enten op de wortel? (Zie: Ezechiël 37)

Met deze uitleg is het niet verwonderlijk dat het klassiek-gereformeerde doopformulier spreekt over de doop die in plaats gekomen is van de besnijdenis. Onder het oude verbond was de besnijdenis het teken van Gods verkiezing en opname in Zijn gemeenschap. Onder het nieuwe verbond is dat teken de doop.
Op deze formulering is veel kritiek geweest, omdat deze zinsnede vervangingstheologie zou impliceren. Wie dat suggereert heeft nooit Calvijns commentaar op Romeinen 11 gelezen. Daarin schrijft hij dat God het verbond met Israël nooit heeft opgezegd.

Preek zondagavond 8 september 2013

Preek zondagavond 8 september 2013

Bidden in een tijd van Kaïns en Lamechs

Genesis 4:26b: Toen begon men de naam van de Heere aan te roepen.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Toen begon met de naam van de Heere aan te roepen. Toen – wat voor een tijd wordt hier bedoeld? Men begon de naam van de Heere aan te roepen in de tijd dat er bij Seth in het gezin een kind geboren werd: Enos. Geen krachtfiguur zoals zijn oom Kaïn was, maar eerder kwetsbaar en weerloos, zoals zijn naam aangeeft: Enos. Toen, in de tijd dat Adam en Eva opnieuw een kind uit de hand van de Heere ontvingen, omdat hun andere zoon Abel door zijn broer Kaïn was gedood. Een moord die Kaïn heeft willen verdoezelen, maar de Heere vergat het niet.

Want zo is de Heere niet: mensen kunnen onrecht verdoezelen, het lichaam van degene die vermoord is verbergen – denk aan de zoektocht naar de vermiste jongens eerder dit jaar – maar voor de Heere kan dat niet verdoezeld en verborgen blijven. Dat is wel een gedachte, die bij ons boven kan komen: de Heere ziet het niet. Aan al het onrecht dat op deze wereld gaat de Heere voorbij, want Hij ziet het niet, want als de Heere het zou zien, zou Hij het toch tegenhouden? Dan zouden de Kaïns in deze wereld het voor het zeggen hebben: de Kaïns die hun broeder, hun naaste uit de weg ruimen om er zelf beter van te worden. Nee, de Heere ziet het en gaat er niet aan voorbij, aan de wrede daad van Kaïn, Hij gaat niet voorbij aan de lege plaats die in het gezin van Adam en Eva is gekomen.

Daarom ontvangt Eva opnieuw een kind uit Gods hand: Seth. Niet als vervanging van Abel, want hoe kan hij vervangen worden? Seth wordt dan ook niet gegeven om te vervangen, om de herinnering aan Abel te doen vervagen. Dat zou gemakkelijk kunnen dat de naam van slachtoffers vergeten wordt. Afgelopen zaterdag liep ik langs de Grote Kerk in Gorinchem, waar een kleine plaquette op is aangebracht: ter herinnering aan de 100 mannen die door SS-ers zijn weggevoerd. De namen van deze slachtoffers kunnen bij de daders snel vergeten zijn, terwijl het leed in de gezinnen van de weggevoerde mannen nog generaties lang gevoeld kan worden. Een moord is erg, maar nog erger is als de naam van degene die is vermoord vergeten wordt. Om te voorkomen dat ook de naam wordt uitgewist, worden in Yad Vashem de namen van de slachtoffers van de Shoah voorgelezen.
Ook Abel wordt niet vergeten. Hij is de eerste van allen die gedood werd om de dienst aan de Heere (Lukas 11:50-51). Seth wordt om een andere redden te geven: om de plaats van Abel in het plan van God in te nemen. Het plan van de Heere waarbij er mensen zijn die een andere weg nemen dan Kaïn en zijn nageslacht. Seth en zijn kind Enos zijn anders dan het geslacht van Kaïn. Anders, want toen begonnen zij de naam van de Heere aan te roepen. Zij kiezen een andere weg, waar Psalm 1 over zingt:

Welzalig de man die niet wandelt in de raad van de goddelozen.
die niet staat op de weg van de zondaars
die niet zit in de kring van de spotters.

Seth en Enos kiezen ervoor om die weg niet te gaan.Zij laten zich niet door de goddelozen meeslepen of kunnen we beter zeggen – ze laten zich niet door de goddelozen en de spotters intimideren? De weg van Kaïn en de weg van Lamech bieden toch veel meer – dan de weg waar Seth en Enos voor kiezen? Kaïn die zijn angst om anderen te ontmoeten lijkt te zijn kwijtgeraakt en een stad bouwt, een stad vol met Kaïns nageslacht.
Vanuit vers 26b valt op hoeveel nadruk er in vers 17 ligt op de ‘naam’. Kaïn bouwt een stad, die een naam mag hebben. Met deze stad maakt Kaïn naam. Zijn nageslacht mag er zijn, dat maakt indruk, net als de stad die Kaïn heeft opgebouwd indruk maakt. Met zulke nakomelingen als Kaïn heeft kun je voor de dag komen, meetellen in een wereld: Jubal – de stamvader van alle musici, met zo’n kind in de familie kun je bewondering oogsten in de wereld. Tubal-Kaïn – de stamvader van alle smeden, van eenieder die wat kan met zijn handen, die technisch inzicht heeft, mensen die nodig zijn om vooruitgang te boeken.

Zijn musici dan verkeerde mensen? Is technisch kunnen verkeerd? Ik denk dat het meer om gaat, dat dit alles onder het nageslacht van Kaïn gevonden wordt. Zij maken deel uit van de elite. Zij worden gezien – wordt NAëma daarom genoemd? Want haar naam betekent schoonheid. Wil de Bijbel hiermee aangeven, dat het geslacht van Kaïn indruk maakt door wat zij in huis hebben? Imponeert door hun kunde en kennis?
Dat zou wel in lijn met Psalm 1 zijn, waar over de goddelozen in een raad zitten – het voor het zeggen hebben en het vooral voor het zeggen hebben, omdat zij niets om God geven. God is er toch niet. Hij ziet niet wat ze doen en daarom kunnen ze hun gang gaan en staan ze boven de wet. Als gewone man of vrouw sta je machteloos en ben je wellicht de dupe van hun praktijken en je kunt niet meedoen. Moet je dan toch meedoen, overstag gaan, de stad van Kaïn opzoeken omdat daar de toekomst ligt, je laten meeslepen, laten intimideren door het gebrul van Lamech?

Toen begon men de naam van de Heere aan te roepen. Hoe is het om in onze tijd te bidden? Ook in onze tijd kan ons bidden overschreeuwd worden door stemmen als die van Lamech. Zijn we teveel geïmponeerd om nog te kunnen bidden. Door het schreeuwen van Lamechs kan ons bidden verstommen.

Toen begon men de naam van de Heere aan te roepen. De tijd waarin Seth en Enos de Heere zoeken,
was niet alleen de tijd van de herinnering aan Abel,het is ook de tijd waarin het geslacht van Kaïn het voor het zeggen heeft. Krachtfiguren in tegenstelling tot de zwakkeling Enos, doetjes in de ogen van Kaïns nageslacht. Hun naam zei de Kaïnieten niets. Je hoeft ze niet te vrezen, want het zijn je concurrenten niet. Krachtfiguren – zoals de naam Kaïn het al aangaf. Zo krachtig dat zij de dood niet lijken te sterven. Over Seths geslacht – het volgende hoofdstuk wordt gezegd dat zij sterven; weliswaar op hoge leeftijd, maar zij sterven. Kaïns geslacht niet. Zoals Hafez al-Assad tientallen jaren een schrikbewind over Syrië kon voeren en zijn opvolging regelde door zijn zoon op te leiden tot dictator en toen die verongelukte een andere zoon liet terugkomen naar Syrië: Bashar al-Assad, de huidige dictator. Een beschermer van zijn eigen bevolkingsgroep en ook van andere minderheden, want dictators zijn niet voor iedereen de beroerdste. Er zijn er die bij hen kunnen schuilen – zoals het voor een deel van de mensen goed wonen was in de stad van Kaïn. Maar ook iemand die niet beroerd is om de strijd aan te binden tegen zijn eigen volk om zijn eigen macht te behouden, zoals Assad doet.

Wat zei Lamech? Ik doodde iemand, omdat hij mij een wond had toegebracht. Iemand die mij durfde aan te vallen, iemand die dacht dat ik wel te overmeesteren was – ik sloeg hem dood. Zo doet Lamech dat!
Van Assad is het nog gemakkelijk om die te scharen onder de kinderen van Kaïn, maar een president die over wil gaan tot een oorlog omdat hij heeft gezegd: ik heb een rode lijn – en omdat die overschreden is, omdat ik mijn woord moet houden, moet ik wel overgaan tot een vergeldingsactie – komt hij niet gevaarlijk in de buurt van de woorden die LAmech gebruikt? Is het een aanval om de burgers van Syrië te bij te staan, of een aanval om de eer en geloofwaardigheid van een president en een land hoog te houden? Om in de toekomst veilig te zijn, want stel je voor dat iemand het in zijn hoofd halt.

Toen begon men de naam van de Heere aan te roepen. In de tijd waarin Lamech zich groot maakt en zijn stem laat horen, zijn huiveringwekkende wraaklied, in die tijd buigen Seth en Enos hun knieën. Zij roepen ook – maar dan tot God. Het zal bespottelijk zijn geweest in de ogen van Kaïn, van Lamech. De knieën buigen? Roepen tot God? Moet de Heere het dan doen? Ik kan het zelf wel – ik kan mijzelf wel wreken. Daar heb ik geen God voor nodig. Kaïn zou zevenvoudig gewroken worden? Ik overtref zijn wraak.
Zijn wraak? Lamech laat niet alleen het geweld toenemen – hij schrapt ook nog eens de naam van de Heere. Het was de HEere, die gezegd had, dat Hij Kaïn zou wreken. En de wraak van de Heere is anders dan de wraak van Lamech. De wraak van Lamech is echt wraak – gekrenkte trots: iemand heeft een vinger naar hem uitgestoken en daarom moet hij eraan, moet hij tot de grond toe kapot worden gemaakt. Als de Heere wreekt, komt daar een ander woord bij: rechtvaardigheid. Geen gekrenkte trots, maar recht doen aan het leed dat is geschied. Rechtdoen zelfs aan een moordenaar, omdat ook Kaïn een mens blijft. Al begrijpen wij niet waarom Kaïn dat ontvangt.

In de kerk zijn we voorzichtig met de taal van Lamech – want je wordt zo een Kaïn. En ook Kaïn blijft een mens – beschermenswaardig tegen botte wraak. Want wie zich aan KAïn vergrijpt, is niet beter dan Kaïn. Daarom is de kerk huiverig voor oorlogstaal en geweld en mag alleen in uiterste nood – als er geen ander middel meer is – overgaan tot het gebruiken van geweld, maar dan wel steeds blijven bedenken: ook Kaïn is een mens, mijn vijand komt ook voor Gods troon.

Maar Lamech? Die bescherming heb ik niet nodig. Welzalig de man die die weg van Lamech niet gaat,
maar de naam van de Heere aanroept. Een makkelijke weg is het niet, de weg van Seth en Enos. Het is een weg die vaak tegen al het gevoel in gaat, tegen de meerderheid, onopvallend, een weg van benadeeld worden, klappen opvangen of zelfs, zoals Abel, uit de weg geruimd worden zonder dat er een haan naar lijkt te kraaien. En niet alleen in de tijd van Kaïn en Seth of van Enos en Lamech, de Heere JEzus geeft aan dat het ook de mogelijkheid is voor degenen die hem volgen: zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid wil, die niet de weg van Kaïn en Lamech kiezen – al levert dat meer op, zalig bent u als u gesmaad wordt en vervolgt. Uw loon is groot. Nee, niet hier op deze aarde. Daar wil Lamech het zoeken, maar in de hemel.

Toen begon men de naam van de Heere aan te roepen. Seth en Enos zoeken het niet in de stad van Kaïn, maar bij de Heere. Het is een begin – niet te zien in de ogen van de Kaïnieten, niet noemenswaardig, maar het is voor wie de Heere zoeken een hoopvol teken: uit de afgehouwen stam van Abel groeit toch een twijgje en zal doorgroeien – niet omdat Seth en Enos zulke volhouders zijn of krachtfiguren, maar de naam van de Heere is een kracht – een sterke toren. Die naam roepen Seth en Enos erbij: de naam van de Heere, die niet onverschillig is over het onrecht dat op aarde gebeurt, God zelf – ze zoeken zijn gemeenschap, zijn nabijheid – in de wereld van Kaïn en Lamech. Waar dat ene geslacht zich steeds meer van de Heere verwijderd, zoeken Seth en Enos Zijn nabijheid. De naam van de Heere aanroepen heeft de betekenis van de band verstevigen – met de Heere. Hem erbij halen, geloven dat Hij werkt, want aanroepen is ook hopen en wachten op het antwoord dat de Heere geeft. Het is misschien een aarzelend begin, met de brallende stem van Lamech nog in de oren, maar ze zijn gesterkt, juist ook door de geboorte van Set: want zijn geboorte gaf aan dat de Heere de stem van Abels bloed gehoord heeft. Dal zal Hij ook Seth en Enos horen. Dan kunnen zij hun leven in Zijn handen leggen.

Dan mag Lamech er mee spotten en het geslacht van Kaïn zich beroemen in wat zij allemaal kunnen. Dan mag het ogenschijnlijk niets uithelpen. Dan roepen de mensen om ons heen: er moet toch wat gebeuren, er moet toch ingegrepen worden. Maar er komt een antwoord van de Heere: Hoofdstuk 5: een nieuw geslacht, de lijn van Adam naar Noach, een geslacht dat niet uitblinkt in onsterfelijkheid, maar wel wandelt met de Heere. Een geslacht dat uitloopt op Noach. Niet voor niets staat dit geslachtsregister nadat Enos en Seth tot de Heere roepen, want dit is het antwoord van de Heere.

En niet voor niets loopt dit geslacht uit op Noach ook weer een bijzondere naam: Trooster – God laat deze wereld niet los, betekent zijn naam. Hij geeft houvast. Waar voor de mensen het geslacht van KAïn onsterfelijk is, is het geslacht van Seth de lijn die verder gaat. Psalm 1 eindigt ermee, dat de goddelozen, de Lamechs, die het voor het zeggen hebben, zullen vergaan. Hun geslacht met al hun kennen en kunnen, met hun macht en geweld, gaat onder in de golven van Gods vloed en het nageslacht van Enos – hoewel het een klein aantal is, mag daaraan ontkomen.

Het begon met het gebed van Seth en Enos. Dat gebed was geen vertwijfeld zoeken – mocht er iemand of iets zijn dat helpt, maar een gericht zoeken, roepen van iemand die gekend wordt bij naam: de HEere. De HEere die hemel en aarde geschapen heeft en zijn werk niet prijsgeeft – ook niet in tijden van Kaïns en Lamechs, in tijden van een Assad of een Obama of welke machthebber er ook maar is. De naam van de Heere die aangeeft wie en hoe Hij is: Ik zal je niet verlaten. Ook de wereld zal Ik niet loslaten. De golven van het onrecht kunnen hoog slaan, bangmaken en meesleuren, maar boven die golven staat mijn troon en ik voer mijn plan uit door alle tijden heen tot in alle eeuwigheid – totdat Christus’ rijk komt. En al die tijd wordt Zijn naam aangeroepen en erbij gehaald en zal Hij er zijn. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest – de enige God, die er is en die leeft tot in alle eeuwigheid. In de tijd toen het misging werd Hij al aangeroepen!

Zal het ooit een einde hebben dat roepen tot God? Ja, in Zijn rijk als de lofzang aangegeven wordt en de stem van Lamech nooit meer hoeft te worden gehoord. Waar Abel is en allen die Zijn weg zijn gegaan. Waar God alles zal zijn in allen. Waar de naam van de Heere op ieders lippen zal zijn en de lofzang niet meer overstemd wordt door het gebral van Lamech. Tot die tijd aanbreekt reopen we de naam van de Heere aan en klampen we ons vast aan Hem: Heer, ontferm U. Tot die tijd aanbreekt, zullen lofzang en smeekbede tegelijk klinken. Omdat die tijd aanbreekt, omdat de Heere hoort.
Amen

Een belangrijke inspiratiebron voor deze preek was de meditatie van prof. dr. A. van de Beek over de twee Henochs – gepubliceerd in Hasselelponi.