Commentaren Bijbelboek Openbaring

Commentaren Bijbelboek Openbaring

Bij de prekenserie over Openbaring heb ik de volgende boeken gebruikt:

(1) Dit recente commentaar van Klaus BergerDie Apokalypse des Johannes
die-apokalypse-des-johannes-kommentar-978-3-451-34779-5-49193

Het bijzondere aan dit commentaar is: (a) Bergers grondige kennis van de Joodse apocalyptiek en (b) Bergers grondige kennis van de receptiegeschiedenis. Bij elke perikoop geeft Berger ook aan op welke manier dit gedeelte door de eeuwen heen in liturgie en preken is opgenomen.  (c) Bijzonder is ook dat zijn commentaar is opgedragen aan de herinnering van de kathedraal, die in zijn geboorteplaats stond. Deze kathedraal van 800 jaar oud moest plaats maken voor een kazerne die na 80 jaar werd afgebroken. (d) Bergers combinatie van wetenschappelijke exegese en meditatieve overweging van dit bijbelboek. Berger is ook eigenzinnig in de uitleg. Soms storend, vaak prikkelend. Ondanks de hoge prijs een mooie aanwinst voor de exegese van Openbaring.

(2) Dit recente commentaar van Craig R. Koester.
revelation.jpg
Ook Koester is een kenner van de apocalyptiek. Steeds een sterke exegese, waarbij je als lezer merkt dat Koester dit bijbelboek begrijpt. Dit commentaar bevatte voor mij veel eye-openers en maakte voor mij het ook aangeschafte commentaar van Beale eigenlijk overbodig.

(3) Op de een of andere manier heb ik iets met Ben Witherington III. Daarom heb ik ook zijn commentaar op Openbaring aangeschaft.
517oj1kW+lL._SX331_BO1,204,203,200_
Zijn commentaar is beknopt en to-the-point. Prettig om mee te werken. Zijn specialiteit: aandacht voor de rethotiek en de socio-historische achtergrond van Openbaring. Steeds legt Witherington uit hoe Openbaring gelezen moet worden in de context van het Romeinse imperium.

(4) Ook het commentaar van Gregory K. Beale schafte ik aan.
682076
Vooral omdat dit commentaar werd geroemd vanwege de aandacht voor het Oude Testament in Openbaring. Een nuttig commentaar, maar zoals ik al schreef: naast het commentaar van Koester niet echt nodig.

Naast deze meer wetenschappelijke commentaren gebruikte ik nog twee meer meditatieve commentaren, die geschreven zijn met kennis van de wetenschappelijke exegese:

(5) Marva J. Dawn, hoogleraar theologie, die te maken heeft met allerlei ziekten en lichamelijke handicaps vond in Openbaring Vreugde (met hoofdletter!) in Christus beschreven.
download
Vanuit de kennis van de exegese en vanuit haar eigen ervaring schreef ze een uitleg van Openbaring: Joy in Our Weakness, waarin de nadruk ligt op de volharding en de trouw aan Christus in een wereld vol verleidingen. Net als al haar andere boeken zeer de moeite waard!

(6) Ook Eugene H. Peterson schreef een boek over Openbaring. Het enige boek dat in het Nederlands (alleen tweedehands) verkrijgbaar is: Laatste woorden. Net als het boek van Dawn geschreven met het oog op de gemeente. Voor Peterson is Johannes, de schrijver van het bijbelboek Openbaring allereerst pastor.
989104.jpg

Naast deze boeken heb ik nog twee boeken thuis liggen die ik incidenteel gebruikte:
(7) K. Schilder, Openbaring en het sociale leven
(8) K.H. Miskotte, Hoofdsom der historie

Handelingen 8:26-39

Handelingen 8:26-39

Er rijd een man op de weg tussen Jeruzalem en Gaza. Deze man die uit Ethiopië komt, is in Jeruzalem geweest om de God van Israël te aanbidden. Op de terugweg leest hij hardop uit het Bijbelboek Jesaja. Tijdens deze rit komt hij Filippus tegen, die door een engel van God op pad is gestuurd naar deze weg.
Lukas, de schrijver van Handelingen, vertelt in enkele woorden wie deze man is: een eunuch, een belangrijke ambtenaar van Candacé, de koningin van Ethiopië. Deze man is belangrijk omdat hij over de financiën gaat. Het lastigste is hoe we deze typeringen moeten duiden en welke rol ze mogen hebben bij de uitleg van dit gedeelte.
Candacé is geen naam, maar een titel, vergelijkbaar met koningin. In dit gedeelte lijkt het erop alsof Lukas het als een eigennaam beschouwt. Deze koningin heerst over Ethiopië. Dat is niet het huidige Ethiopië, maar naar alle waarschijnlijkheid Nubië (het huidige Sudan), met als hoofdstad Meroë.
Vooral onduidelijk is hoe we de typering eunuch moeten zien en welke toegang hij tot de tempel in Jeruzalem heeft gehad. Moeten we van deze eunuch uitgaan dat hij gecastreerd is en dat hij als gecastreerde en als heiden geen toegang had tot de tempel? Het woord eunuch kan ook echter gebruikt worden voor een hoge ambtenaar en het is niet noodzakelijk te veronderstellen dat hij gecastreerd was.
Mocht deze man de tempel betreden? Als hij geen Joodse afkomst had, mocht hij alleen in het voorhof van de heidenen komen. Uitleggers, zoals Joseph Fitzmyer, werpen de mogelijkheid op dat deze man Joods was of een proseliet (een tot het Jodendom bekeerde heiden). Dat ontlenen ze aan de structuur van het boek Handelingen: pas in hoofdstuk 10 krijgt Petrus door middel van een visioen te weten dat ook heidenen gedoopt mochten worden. Alleen de manier waarop Lukas de afkomst van deze man verwoordt, is dat hij toch een heiden lijkt te zijn.
Waarom vertelt Lukas dit verhaal eigenlijk door? Er zijn vast meerdere verhalen die hij kende, die hij niet heeft opgenomen in zijn boek over de verspreiding van het evangelie.
Er spelen allerlei verwijzingen uit het Oude Testament mee:

  • De Nubiërs zullen zich met hun geschenken haasten naar God (Psalm 68:32)
  • Het rijzige volk met de glanzende huid, het alom gevreesde volk van de Nubiërs zullen tot Sion komen, waar de naam van HEER van de hemelse machten woont (Jesaja 18).
  • Vanuit de verstrooiing zullen ze komen, van de einden der aarde (Zefanja 3:10, Jesaja 11:11).
  • Nubië is de grens van de bekende wereld. Oa de grens van het rijk van koning Nebukadnezar (Daniël 3:1LXX) en Ahasveros (Esther 3:12LXX). Zie ook Genesis 2:13.
  • Wanneer Lukas met de eunuch bedoelde dat deze man gecastreerd was, speelt ook Jesaja 56 een rol.

Al deze teksten worden niet genoemd. Hooguit kan men ze als allusie (toespeling) opmerken. Een tekst die wel genoemd wordt, is de tekst die de Ethiopiër leest: Jesaja 53. Dit gedeelte is voor Filippus aanleiding om over Jezus te vertellen. De man vraagt daarna of er ook een belemmering is om gedoopt te worden. Die belemmering is er niet. De voorwaarde om te belijden, is een (heel oude) toevoeging. Zowel Filippus als de man verlaten de plek. Filippus is elders het goede nieuws aan het vertellen; de man reist met vreugde terug naar zijn vaderland.

Hoe past dit gedeelte in het geheel van Lukas-Handelingen? Allereerst de vreugde, die de man heeft en waarmee hij zijn weg vervolgt. Vreugde is er in de hemel en op aarde is iemand gelooft in Jezus.
Het verhaal past ook goed in de visie die Lukas heeft op zending. Lukas vertelt niet alles over de uitbreiding van de kerk. Over hoe het in Syrië, Egypte en gebieden ten noordoosten van Palestina aan toegaat, lezen we niet. Wel hoe het evangelie in Samaria, Klein-Azië, Griekenland en uiteindelijk in Rome komt. De leerlingen van Jezus moeten het goede nieuws tot aan het einde van de aarde brengen (Handelingen 1:8). De belofte van redding is er voor degenen die veraf zijn en die de Heer tot zich zal roepen (Handelingen 2:39). Nubiërs worden nog niet genoemd bij de volkeren die op het Pinksterfeest aanwezig zijn en dan de boodschap horen. Nu komt er een op eigen beweging naar Jeruzalem om voor de God van Israël neer te knielen en te aanbidden.
Het past ook in de visie van Lukas op Christus: Jezus als de vervuller van de beloften in het Oude Testament (Lukas 22:20, 24:27) en de redder van de zonden (Lukas 2:11,). Minstens net zo belangrijk als de visie op zending is het geloof dat gewekt wordt als de man over Jezus hoort vertellen vanuit de Schrift (Lukas 24:32). Voor Lukas was Jesaja 53 een belangrijke tekst, die hij op Jezus toepaste.
Voor de lezer uit die tijd is deze man in ieder geval een curieus figuur. Iemand die aan de rand van de beschaving woont. ‘Als er één persoon is in het Bijbelboek Handelingen die vanuit bepaalde culturele stereotypen “de (vreemde) ander” representeert, iemand “die aan de rand van de beschaving” woont, is dat wel deze man.’ (C.K. Barrett)

Homiletische gedachten
Dit gedeelte is door de HGJB gekozen als thema voor de dienst op dankdag, waarbij de kinderen aanwezig zijn. Dit verhaal kan helpen om dankbaar te zijn voor wat God doet in ons leven, dankbaar voor het geloof. Het thema is: Blij verrast. Dankdag is er om je dankbaarheid naar God te uiten en om een houding van dankbaarheid aan te leren.

Hoe kan een preek worden opgebouwd? Het verhaal is redelijk bekend. Om de aandacht te houden is er een inleven nodig die verrassend is. Het verhaal is ook niet al te uitgebreid: Filippus die de opdracht krijgt van de engel, de man op de terugweg die een boek leest, een gesprek over Jezus naar aanleiding van een Bijbelgedeelte, de doop en de terugweg. Er zijn wel heel wat ‘gaten’ in de tekst:

  • Waarom de man naar Jeruzalem gaat: uit behoefte, als opdracht van de koningin?
  • Wat hij in Jeruzalem deed: mocht hij de tempel in of niet?
  • Hoe hij terug reisde: was hij teleurgesteld of was hij juist dankbaar en geraakt dat hij daar in of bij de tempel mocht zijn?
  • Hoe kwam hij aan de boekrol van Jesaja? Waarom had hij die gekocht? Wat was er gebeurd als hij Filippus niet was tegengekomen?
  • Wat is de uitwerking? Hoe komt hij thuis? Spreekt hij er met de mensen om hem heen over Jezus? (Er is geen enkele aanwijzing dat er in de eerste eeuw in deze regio een kerk is ontstaan)

Hoe komt het Bijbelgedeelte terug in de preek? Ook dat kan op verschillende manieren:

  • Vanuit de ik-persoon  of vanuit de derde persoon? En welke persoon is dan de hoofdpersoon: Filippus, de kamerling of iemand uit de stoet van de kamerling of een andere persoon van buiten het verhaal?
  • Welke toegang tot het verhaal: moet de man een identificatiefiguur worden of een vreemde waarbij hij voor de kinderen iets curieus blijft houden?
  • Start in Nubië met de wens om naar Jeruzalem te gaan, de voorbereidingen, de reis, de aankomst en de terugweg.
  • Start in Jeruzalem. Eventueel een terugblik naar de reis ernaar toe. Vertellen hoe het in Jeruzalem is gegaan met het bezoek aan de tempel en het kopen van de boekrol. En dan de terugreis.
  • Vertellen vanaf de terugreis. Eventueel met flashbacks.
  • Vertellen met het vervolg en dan de aankomst. Eventueel met flashbacks.

De troonsbestijging van de Opgestane en de troonrede die Hij houdt

De troonsbestijging van de Opgestane en de troonrede die Hij houdt
Exegetische, homiletische en catechetische opmerkingen bij Mattheüs 28:16-20

De oudtestamenticus Thomas Pola publiceerde in 2013 een aantal opmerkingen bij Mattheüs 28:16-20. Dit gedeelte staat bekend als de verschijning van de Opgestane of het zendingsbevel. Deze perikoop is de lezing voor  de 6e zondag na Trinitatis (van het eerste jaar). In veel gemeenten wordt op deze zondag dan stilgestaan bij de betekenis van de doop.

1) Deze perikoop is in twee delen te verdelen: in deel 1 (vers 16-17) handelen de leerlingen, in deel 2 (vers 18-20) handelt Jezus. Dit tweede deel heeft de nadruk. De beide delen zijn met elkaar verboden door de woorden leerling / jongere en leren. Zij vormen een motief in deze perikoop. Ook het werkwoord gaan / reizen verbindt de beide delen.

2) De 11 leerlingen representeren het nieuwe volk van God. Ze zijn op deze berg om een openbaring van Jezus te ontvangen.

3) De berg van deze openbaring is zonder naam. Dat is ongewoon, want meestal wordt er wel een naam genoemd. Maar ook bij de bergrede en de berg van de verheerlijking wordt de naam van de berg niet genoemd. Het lijkt erop dat voor Mattheüs de betekenis van de berg belangrijker is dan de lokalisatie. De bergen van de bergrede en van de verheerlijking roepen de herinnering op aan de Sinaï. Deze berg heeft trekken van de Zion. Ook deze berg heeft trekken van de Sinaï. In de geschiedenis van de exegese wordt gesproken over een “eschatologische Sinaï” (Ernst Lohmeyer). Volgens Joachim Gnilka gaat het om een gebeuren dat de beperkingen van ruimte en tijd overstijgt zonder aan werkelijkheid te verliezen.

4) In het evangelie van Mattheüs verschijnt de Opgestane zowel in Judea als in Galilea. Daarmee onderstreept Jezus Zijn claim als eschatologische heerser die het voormalige Zuidrijk en Noordrijk verenigt. Jezus vervult in het evangelie van Mattheüs de beloften van de eschatologische nazaat van David die beide delen zal verenigen (zie bijvoorbeeld Jeremia 30:1-31, 33:14-16; Ezechiël 34:20-31; 37:1-14).

5) In deze perikoop gaat het niet om een verschijning van Jezus, want Hij is daar reeds op de berg als de leerlingen daar aankomen. Was JHWH ook niet aan een berg verbonden (zie bijvoorbeeld 1 Koningen 20: 23, 28). Gedeelten uit de tijd van de ballingschap gaan er vanuit dat JHWH voortdurend op het als Sinaï getypeerde Zion woont (Exodus 25:8, 29:45v, 40:35). Aanduidingen die in de tijd voor de ballingschap met de Zion verbonden worden, worden nu aan de Sinaï verbonden.

6) Zodra de leerlingen Jezus zien vallen ze aan Zijn voeten om Hem te aanbidden. Jezus is voor hen zowel God als hun koninklijke heerser. Dit neerknielen functioneert in deze perikoop als acclamatie van het volk van de troonsbestijging van Jezus. Jezus zelf had geweigerd om ‘op een hoge berg’ voor de satan neer te knielen en wilde de satan niet aanbidden (Mattheüs 4:8-10).

7) De leerlingen die Jezus zien op de berg zijn een herinnering aan het volk van God, die de God van Israël op de berg Sinaï konden aanschouwen (Exodus 24:9-11). Dit motief van het aanschouwen van God wordt in Jesaja opgenomen, waarin gesproken wordt over een maaltijd van alle volken op een niet bij name genoemde berg.
In deze perikoop gaat het allereerst om de zending tot de volkeren. Wanneer deze boodschap gehoord wordt, zal het tot een eschatologische pelgrimstocht van de volkeren naar Jeruzalem komen (Zacharia 14:16-19).

8) In deze perikoop wordt niet gesproken over de hemelvaart van Jezus. Het gaat hier om de troonsbestijging van de Opgestane, die verhoogd is. Hij treedt aan als kosmische heerser.

9) Deze kosmische heerser die van God de volmacht heeft ontvangen en door God is opgewekt uit de dood gaat op de jongeren af om hen een troonrede te geven.

10) Het eerste deel van die troonrede is de zelfopenbaring van Jezus. Analoog aan de manier waarop JHWH Zich op de berg Sinaï presenteerde (Ik ben JHWH, uw God) dient er een formulering te komen waarin Jezus zichzelf voorstelt als de kosmische heerser: Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. De naam van Jezus is immers reeds bekend.
Vanuit de oudtestamentische traditie waarin JHWH Zichzelf voorstelt dient er een opdracht te komen. De opdracht die Jezus geeft is om op weg te gaan en alle volkeren tot leerlingen te maken.
De hemel en de aarde waarover Jezus de volmacht heeft gekregen, is de nieuwe kosmos. Met de volmacht wordt ook de traditie van de Mensenzoon opgenomen, die goddelijke volmacht heeft ontvangen (Daniël 7:14).

11)   (a)De opdracht die Jezus geeft heeft de structuur van Psalm 96:1-3. Deze psalm heeft als thema dat God koning wordt over heel de kosmos. Het gaat hier om een eschatologisch visioen dat verwoord wordt in een tijd van na de ballingschap (Perzische tijd). In de cultus in de tempel wordt die eschatologische tijd waarin JHWH over heel de kosmos regeert reeds in het heden ervaren. Het zendingsbevel heeft daarom de betekenis van de openbaring, het bekendmaken van het Koninkrijk van God aan alle volkeren.

(b) De redding waarover in Psalm 96:2 gesproken wordt kan in verband gebracht worden met de naam van Jezus. Het verkondigen wordt in de Septuagint met euangelisesthe vertaald. In dat woord klinkt het evangelie uitdragen door. Wanneer deze opdracht wordt vervuld komt volgens Mattheüs 24:14 het einde van de tijden.

(c) Oorspronkelijk trok Abram weg uit zijn vaderland, het land van de hoge culturen van het Tweestromenland, om een zegen te worden voor alle volkeren. Nu zendt de Zoon van Abraham (Mattheüs 1:1) Zijn leerlingen naar alle volkeren uit met de boodschap van de nieuwe werkelijkheid.

(d) Het zendingsbevel kan gelezen worden tegen de achtergrond van de roepingsgeschiedenissen uit het Oude Testament. Deze roepingsgeschiedenissen hebben niet een vast schema. Binnen dit genre van de troonsbestijging is de roeping een motief. Dit motief heeft de volgende kenmerken:
* het zien van God of van een engel
* mededeling van de opdracht
* degene die de opdracht ontvangt deinst terug voor het vervullen van de opdracht en wordt door JHWH of de engel gecorrigeerd (ontbreekt in deze perikoop)
* degene die op pad gestuurd wordt ontvangt de belofte dat JHWH meegaat

(e) Doel van de opdracht is om de volkeren te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Aan deze opdracht gaat vooraf dat alle volkeren tot leerling gemaakt worden en dat de volkeren geleerd wordt om de boodschap van Jezus te bewaren en te houden. Het hoofdwerkwoord is tot leerling maken. De woorden ga op weg en dopen zijn afhankelijk van dit hoofdwerkwoord. In het Grieks gaat het om participia. Catechese gaat vooraf aan de heilige doop!

(f) De kosmische heerschappij wordt niet met militaire middelen doorgezet, maar alleen door de woorden van Jezus die zorgvuldig zijn doorgegeven en bewaard.

12) Jezus had hen opgedragen om naar deze berg te komen (vers 16). De leerlingen dienen zelf andere volkeren tot leerling van Jezus te maken.  Zoals Jezus de leerlingen heeft geleerd (Mattheüs 5:1vv), zo dienen de leerlingen de volkeren te onderwijzen.

13) Daaruit volgt homiletisch: geloof en goede kennis van de verhalen over Jezus horen samen. Een zorgvuldige theologische opleiding voor verkondigers van het evangelie en godsdienstleraren is noodzakelijk, omdat de Opgestane daar zelf toe opdraagt. Bij die zorgvuldige opleiding hoort ook het leren van de Bijbelse talen (omdat via deze talen de werkelijkheidsopvatting van de Bijbel kan worden ontdekt).

14) Ook al is het wereldbeeld van de Bijbel, die immers een boek uit de Antieke Oudheid is, verouderd, de keuze om in de protestantse erediensten de lezing en de uitleg van een perikoop uit de Bijbel centraal te stellen is goed te rechtvaardigen. Het boek dat in de christelijke eredienst gelezen wordt, houdt ons voor om onszelf te identificeren met vormen van het volk van God. We kijken mee in het verleden, waarbij de historische distantie wordt overbrugd. In die gebeurtenissen ziet de lezer (of luisteraar) de van God verwachte toekomst. ‘Door historische waarneming ontmoeten wij God.’ (Heinzpeter Hempelmann) Door onszelf te identificeren met het volk dat geoordeeld wordt en dat de heilsdaden van God (zowel in OT als NT) mocht ervaren, zien we onze toekomst. Onze eredienst is ons heden ver vooruit. Zeker de verkondiging!

15) Met de kosmische heerschappij van Christus treedt een nieuwe hiërarchische ordening aan. In plaats van die ene davidische koning komt het nieuwe volk van God. In plaats van de unieke plaats van het volk van God komen alle volkeren. Eerst had Jezus de leerlingen geelrd. Nu zullen de leerlingen conform Zijn opdracht de volkeren leren.

16) Zoals JHWH eens de profeet Jeremia de opdracht gaf om in Zijn naam het oordeel en het heil over volkeren en koninkrijken te brengen (Jeremia 1:10), zo draagt Jezus het nieuwe volk van God op om Zijn woord te verkondigen. Beslissend daarbij is dat degene die gezonden wordt in optreden en levensstijl zijn of haar opdrachtgever representeert.

17) De opdracht gaat gepaard met de belofte dat Jezus zelf meegaat. Deze belofte gaf ook God mee aan profeten, koningen en anderen die in Zijn naam gingen. Het nieuwe is dat Jezus hier spreekt in plaats van God. Daarmee komen de leerlingen in de rang van profeten en koningen. Met deze belofte er altijd bij te zijn gaat ook de Immanuël-profetie (Jesaja 7:14) in vervulling. De heilvolle aanwezigheid van Jezus manifesteert zich tot het einde van de wereld op cultische wijze (door gemeenschappelijk gebed, in de christelijke eredienst).

18) Er zijn 11 leerlingen die de opdracht krijgen. Er ontbreekt er 1. Dat duidt op de gebrokenheid. Ook staat er dat er van deze 11 ook nog sommigen twijfelden. Ook al hebben we te maken met de troonsbestijging van de Opgestane, in deze wereld blijft het geloof in de spanning van gebed (oratio) en aanvechting (tentatio). ‘Ook degenen die twijfelen wachten op de woorden waarmee de Heer hen zal gebieden.’ (Ernst Lohmeyer)

19) In homiletisch opzicht past deze lezing bij de 6e zondag na Trinitatis. De heilige doop wordt hier gezien als gevolg van de catechese. De doop moet worden gezien in het kader van het aanbrekende Koninkrijk van God. Wat er over de kerk geleerd wordt (de ecclesiologie) is ondergeschikt aan dit Koninkrijk van God.

20) De verkondiger heeft duidelijk te maken dat het hier gaat om het totale en het definitieve: alle volmacht, alle volkeren, alles wat Ik u geboden heb, alle dagen.

N.a.v. Thomas Pola, ‘Der inthronisierte Auferstandene und seine Thronrede. Traditionsgeschichtliches, Homiletisches und Kathechetisches zu Matthäus 28,16-20’, Theologische Beiträge 44/2 (2013) 58-67

Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven

Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven
Handelingen 3:1-11

Petrus en Johannes gaan naar de tempel om te bidden (op het 9e uur). Als ze bij de tempel aankomen, komen ze een van ‘de zovelen die veraf zijn’ (Hand. 2:39) tegen: een verlamde man, die door zijn verlamming niet in de tempel mag komen en buiten de gemeenschap van God valt. Hij kan alleen voor de poort wachten. Hij kan niet delen in de goedheid van God en is daarom afhankelijk van de goedheid van Zijn volk.

Hij wacht daar op liefdesgaven– zoals de HSV mooi vertaalt. Ook van Petrus en Johannes hoopt hij een gave recht uit het hart te krijgen, een gave waarin bewogenheid en ontferming doorklinkt. Dat roept gelijk de vraag op: hoe geven wij onze gaven / giften? De ene keer oprecht recht uit het hart, de andere keer vanuit een schuldgevoel omdat wij er goed aan toe zijn en ons ongemak willen ‘afkopen’.

Petrus zegt: ‘Kijk mij aan!’ Voor Petrus is het geen anonieme bedelaar, maar iemand die teruggeroepen moet worden in de gemeenschap van God (Hand. 2:39: erbij geroepen). Kijk mij aan! Het herstel van een relatie, een opname in een gemeenschap. Wonderen vinden plaats in relatie tussen mensen en bedoeld als opname in de gemeenschap.
Dat is ook het verschil met hedendaagse gebedsgenezers: bij hen gaat het om het tonen van de macht van Jezus. Lukas laat zien hoe Jezus zijn macht gebruikt om de verlorenen te redden, om degenen die veraf zijn terug te brengen. De Mensenzoon is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden.

Kijk mij aan! De man is geen verschoppeling meer, geen verworpene. Hij mag door Petrus Gods goedheid weer ontvangen. Opgenomen in Gods gemeenschap.
In het hart van Petrus leeft Jezus. En Petrus geeft Jezus door – een gave uit het hart, vol mededogen en ontferming. Door die ontferming kan de man weer staan en lopen. Hij springt – om te laten zien dat Jesaja 35:5-6 in vervulling is gegaan: de verlamden zullen springen.

Vreugde als vrucht van de Geest

Vreugde als vrucht van de Geest

De vreugde die volgens Paulus een vrucht van de Geest is, is feestvreugde. De vreugde van Kerst, Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren. Dan niet zozeer de sfeer met die feestdagen, maar de vreugde om wat gevierd wordt: de komst van Christus naar de aarde, zijn lijden, sterven en opstaan, de Geest. Zoals Israël feest vierde / viert op de feestdagen – vanwege het handelen van God.
Deze vreugde hebben we van onszelf niet, maar doet de Geest in ons groeien. In de Bijbel wordt niet voor niets geregeld opgeroepen om God te loven: Loof de Heer, zing de Heer een nieuw lied.

Het tegenovergestelde van vreugde is somberheid en neerslachtigheid. Volgens Luther een van de vijanden van het geloof, omdat degene die door neerslachtigheid en somberheid gevangen is uit het oog verliest dat God ook vandaag de dag werkt.

De Geest laat ons een ander perspectief zijn (technisch: reframing): God is er wel degelijk. En daar komt de vreugde vandaan. Dat is de vreugde. Vreugde om/in God.

De 2e brief aan Timotheüs – weinig gezien, maar homiletisch waardevol

De 2e brief aan Timotheüs – weinig gezien, maar homiletisch waardevol

De Tweede Brief aan Timotheüs is niet de meest bekende Bijbelboek. Dit Bijbelboek zal ook niet vaak op het preekrooster staan. De brief staat niet erg in hoog aanzien.
Dat heeft ermee te maken dat dit geschrift tegenwoordig door de meerderheid van de exegeten wordt gezien als een brief die niet echt van Paulus is. Geregeld wordt deze brief ook gezien als theologisch minder interessant dan de echte brieven van Paulus. Tot voor kort werd de brief zelfs gezien als een terugval.
In theologieën van het Nieuwe Testament komt deze brief ook nauwelijks voor. In dogmatieken wordt naar deze brief zelden verwezen. Hooguit wordt er aan deze brief gerefereerd als het gaat om de opkomst van hiërarchie en leiding in de kerk.

In de afgelopen 2 decennia is de waardering voor deze brief toegenomen en is het inzicht gekomen dat deze brief theologisch waardevol is. Zo Hannah Stettler promoveerde bij Peter Stuhlmacher op de christologie van de pastorale brieven en verschenen er commentaren op het Bijbelboek die de brief inhoudelijk serieus nemen en ook homiletisch waardevol zijn (Philip H. Towner, Ian Howard Marshall).

Toch is het Bijbelboek nooit helemaal vergeten. Er zijn juist bij dit kleine Bijbelboek dat geregeld over het hoofd is gezien enkele zinvolle en uitdagende werken geschreven, die ook homiletisch zeer de moeite waard zijn.

Zo schreef Rudolf Bohren aan het einde van zijn leven een klein boekje met gebeden naar aanleiding van 2 Timotheüs: Beten mit Paulus und Calvin. In dat gebedenboekje maakte hij gebeden bij een enkele tekst of slechts enkele woorden. Bij deze gebeden neemt hij ook steeds enkele regels op van de reformator Johannes Calvijn.
Hij ontdekte namelijk dat 2 Timotheüs Calvijns meest geliefde Bijbelboek was. Met die wetenschap herlas hij zowel 2 Timotheüs en het commentaar van Calvijn. En liet zich inspireren en uitdagen om een aantal gebeden te schrijven.

Dat betekent dat ook het commentaar van Calvijn op dit Bijbelboek homiletisch de moeite waard is. Het commentaar is geen verplicht nummer, maar een overdenken van het Bijbelboek dat hem het meest na aan het hart ligt. In het commentaar moet dan ook het hart en de spiritualiteit van Calvijn terug te vinden zijn.

In het Religionspädagogischer Kommentar zur Bibel (uitgegeven onder redactie van Bernard Dressler en Harald Schroeter-Wittke) schrijft Ingrid Schoberth een bijdrage over de pastorale brieven. Schoberth is een godsdienstpedagogie die ook de reformatorische traditie inbrengt in haar werk. Zij schreef een artikel over ‘leren om zondaar te zijn’ (in Peccatum magnificare, het Festschrift voor Christian Möller) en enkele boeken voor de godsdienstles waarbij zij haar uitgangspunt neemt in Luthers Catechismus.
In het artikel over de pastorale brieven gaat zij in gesprek met Dietrich Zilleβen (aan wie dit commentaar ook is opgedragen). Zilleβen heeft in zijn werk steeds aandacht gevraagd voor het profane als voor-stadium voor het godsdienstige. In zijn werk gaat het vaak om het provocatieve van het religieuze, omdat het religieuze vaak vreemd is. Om het godsdienstige temidden van een profane wereld. Met het werk van Zilleβen in haar achterhoofd herleest zij de pastorale brieven en probeert zij te laten zien welke betekenis deze brieven voor scholieren in hun leefwereld kunnen hebben.

Het helpt ook als er goede commentaren op een Bijbelboek zijn. Het commentaar van Ian Howard Marshall (in de serie ICC) is een erg mooi commentaar. Hij laat zien dat de pastorale brieven sterk beïnvloed zijn door de oudtestamentische vroomheid. Het kernwoord ‘vroomheid’ (eusebia) is afkomstig uit de vroeg-Joodse en oudtestamentische wijsheidsliteratuur en is geen beïnvloeding van de hellenistische filosofie (zoals in het verleden vaak werd gedacht).

Philip H. Towner, die ook een commentaar schreef over 2 Timotheüs waarmee hij bijdroeg aan de theologische herwaardering van deze brief, schreef een boeiend artikel over de christologie van de pastorale brieven. Dat artikel schreef hij voor het boek Contours of Christology of the New Testament (onder redactie van Richard N. Longenecker).
In dat artikel laat hij zien, dat de pastorale brieven niet zozeer een terugval of radicale koerswijziging zijn, maar een vertaling van het evangelie in een nieuwe context: de hellenistische wereld waarin zijn gemeenten leven. Deze brieven geven de traditie van Paulus en de andere christelijke tradities niet op, maar contextualiseren deze traditie.
In deze tijd waarin contextualisatie een grote rol speelt in de theologische doordenking kan dat leiden tot een nieuwe aandacht voor deze 2e brief aan Timotheüs. En kan deze brief ons helpen en uitdagen om in deze tijd het evangelie in onze eigen tijd te verwoorden.

In de exegese wordt deze brief nogal eens vergeleken met geschriften uit de Griekse filosofie die als thema levenskunst, zielzorg of morele opvoeding hebben. Deze thematiek staat ook in onze eigen tijd volop in de belangstelling. Martin Winter publiceerde in het theologische tijdschrift Kerugma und Dogma (59e jaargang, 2013, p. 232-250) een artikel waarin hij een vergelijking maakt tussen de pastorale brieven en de verschillende antieke en hedendaagse populaire (levens)filosofieën: “Die ‘Pastoralbriefe’ – ihre Name im Licht der popularphilosophischen Seelenleitung’.

Het huis op de rots gebouwd

het huis op de rots gebouwd.
Preekvoorbereiding bij Mattheüs 7:24-27

Komende zondag is het in de Hervormde Gemeente Oldebroek evangelisatiezondag. Dat houdt in dat de morgendienst is ‘laagdrempeliger’ is en de dienst is afgestemd op degenen die niet of niet zo vaak in een kerkdienst komen. De middagdienst is afgestemd op de gemeenteleden om hen toe te rusten om het evangelie uit te dragen.

De evangelisatiecommissie heeft voor deze zondag het thema bedacht: Waar bouwt u / jij op? Gekozen is voor de Schriftlezing uit Mattheüs 7:24-27:

Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft;
en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd.
En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft;
en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot.

Hierbij enkele gedachten bij de preekvoorbereiding:

Thema
Het thema is Waar bouwt u / jij op? Voor iemand die geregeld naar de kerk gaat, is dit geen vreemde vraag. In de preek zal deze vraag vaak worden gesteld. Al is het niet eenvoudig om een antwoord onder woorden te brengen, hij of zij heeft wel een richting: God of Christus.
Zal iemand die niet zo vaak in de kerk komt, wel nadenken over deze vraag? Ik ben daar nog niet zeker van. De meesten van hen leiden misschien een ‘gewoon’ leventje, zonder zich allerlei diepgaande existentiële vragen te stellen.

Dat betekent dat in de verkondiging op een eenvoudige manier uitgelegd moet wat deze vraag betekent en waarom deze vraag van betekenis is.

Bouwen
De exegese levert ook enkele vragen op. Want in Mattheüs 7:24-27 krijgt ‘ergens op bouwen’ een ander antwoord dan in eerste instantie verwacht zou worden. Een logisch antwoord zou zijn: je hoort op God, op Christus te bouwen.
(a) In Mattheüs 7:24-27 is het Jezus er om te doen, dat degenen die Zijn woorden horen deze woorden ook in praktijk brengen. Wie de woorden niet in praktijk brengt, heeft Zijn woorden niet echt gehoord.

De vraag is hoe in de verkondiging uitgelegd kan worden dat Jezus het beeld ‘ergens op bouwen’ gebruikt om aan te sporen om ook te handelen naar Jezus woorden.

Oordeel
(b) Tijdens de exegese ontdekte ik, dat de woorden die Jezus spreekt staan in het kader van het laatste oordeel. De stormen en de waterstromen die op het huis afkomen zijn beeldspraak van het laatste oordeel. Op de achtergrond staan een gedeelte uit Ezechiël 13:11-14:

Zeg tegen hen die met kalk bepleisteren, dat hij omvallen zal. Er komt een alles wegspoelende regen en u, hagelstenen, u zult neervallen en er zal een stormwind losbarsten. Zie, als de muur omvalt, zal dan tegen u niet gezegd worden: Waar is de pleisterlaag die u aangebracht hebt? Daarom, zo zegt de Heere HEERE: In Mijn grimmigheid zal Ik een stormwind doen losbarsten, in Mijn toorn zal er een alles wegspoelende regen komen, en hagelstenen in grimmigheid, tot een vernietigend einde. Zo zal Ik de muur omverhalen die u met kalk bepleisterd hebt en Ik zal hem op de aarde neer doen storten, zodat zijn fundament blootgelegd wordt. Zo zal de stad vallen, en u zult in het midden ervan omkomen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

Daarmee wordt de vraag Waar bouwt u / jij op? meer dan een existentiële vraag. Het is een vraag, die de kerkganger eraan herinnert: eens komen we in het oordeel van God. Hoe zal Hij over ons leven oordelen?

Cathedrale_d'Amiens_-_tympan_central_-_Christ_du_Jugement_Dernier

Het specifieke van het evangelie van Mattheüs is dat Jezus als de komende Mensenzoon het oordeel op zich neemt: Mattheüs 25:31-46. In dat oordeel zal het gaan ook over onze daden gaan. Het gaat om meer dan geloof. Het gaat zelfs om meer dan macht over de demonen (7:21-23). Het gaat om de vraag: Hebben wij Jezus’ woorden in praktijk gebracht?
Daarmee krijgt dit gedeelte een ernst. Niet alleen voor degene die zo af en toe in de kerk komt. Ook voor degene die trouw de kerkdiensten bezoekt. Al gauw wordt, als het gaat over het laatste oordeel, gesproken over de genade en over Christus die ons oordeel op zich neemt. Hier is sprake van een eschatologische ernst: Het doet er toe hoe wij leven.

Laagdrempelig?
Kan in een laagdrempelige dienst wel over het oordeel gesproken worden? Schrikt dat de mensen niet af?
Ja, het moet zelfs, zegt Corinna Dahlgrün, omdat de Bijbel spreekt over oordeel, eeuwig leven, over hemel en hel. Predikanten zijn het daarom de mensen verschuldigd om daarover te spreken. In de oordeelsaankondigingen in de Bijbel gaat het allereerst om de kans die God geeft om tot inkeer toe komen. Dat is een door God gewilde mogelijkheid. De Bijbel laat echter ook zien, dat er een te laat is en dat de veroordeling (verdoemenis) in het oordeel een reële mogelijkheid is.
Daarnaast laat het laatste oordeel zien dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun doen en laten. Niet aan mensen, maar aan God. God is als schepper en rechter de Ander, de Tegenover aan wie mensen verantwoording hebben af te leggen.

Lukt het mij om in de verkondiging het oordeel aan de orde te stellen als een (wezenlijk) onderdeel van het evangelie? Lukt het mij om over het laatste oordeel te preken als een boodschap die vreugde geeft?

Woord van God
Kan dat wel? Is deze boodschap niet te vreemd geworden en roept deze boodschap van het laatste oordeel niet teveel weerstand op?
Volgens Dahlgrün komt het aan op het geloof van de prediker. De prediker moet zijn eigen ongeloof en twijfel door de Bijbelse beelden ter discussie laten stellen. De prediker dient zich beschikbaar te stellen voor het Woord van God.
Dat de boodschap over het oordeel veel weerstand of onbegrip oproept, komt volgens Dahlgrün door meer een ‘tekortschietende praxis piëtatis’ dan als een probleem van authenticiteit. De beelden van het laatste oordeel worden vaak slechts cognitief doordacht en krijgen niet de kans in het hart of de existentie te raken. Als ik als prediker met deze teksten ga lezen, worden het mijn teksten en kan ik er ook vanuit deze geloofswerkelijkheid preken.

Schaar ik mijzelf ook onder het laatste oordeel of sluit ik mij op voorhand van het oordeel buiten? Hoe wordt het oordeel een geloofswerkelijkheid voor mij van waaruit ik leef (en verkondig)?

De Bijbel waar niet over gepreekt wordt
Tijdens de voorbereiding moet ik denken aan de Predigtlehre van Rudolf Bohren. Om twee redenen: (1) In zijn Predigtlehre heeft hij ook een hoofdstuk over de prediking over Christus als de komende rechter . Helpt zijn uiteenzetting mij met deze preek? (2) Bohren spreekt voortdurend over stukken uit de Bijbel die in de verkondiging niet aanbod komen: de Bijbel waarover niet gepreekt wordt. Deze gedeelten komen nooit aan de orde, omdat zij bij de prediker op verlegenheid stuiten. Ze passen niet in het wereldbeeld of het geloofssysteem van de prediker.

De toekomst van de Komende
Het probleem is volgens Bohren dat er te weinig rekening gehouden wordt met het gegeven dat Christus ook nog (weder)komt: degene die gekomen is, komt nog! De prediking rondom Goede Vrijdag en Pasen zijn zonder toekomst, omdat men alleen nog meer spreekt over Christus als de gekomene, maar de ‘toekomst van de Gekomene’(Walter Kreck) niet meer benoemt. Daarmee wordt over het hoofd gezien, aldus Bohren, dat het oordeel voor de christenen ook verscherpt wordt. Daarbij verwijst Bohren naar de Bergrede en naar de Hebreeënbrief.

Vreze des Heeren
Het besef van het komende oordeel geeft vrees (vreze des Heeren!). Deze vreze voor de Heere zorgt ervoor dat voor de mensen niet gevreesd hoeft te worden. Deze vreze geeft ook moed tot eenzijdigheid. Deze eenzijdigheid kan zelfs een kenmerk worden van een Godvrezende preek. Deze vreze des Heeren heeft ook een gevolg: een missionair élan (2 Kor. 5:11). Ontzag voor de komende Rechter kan alleen bestaan als Godvrezendheid. Niet het komende lot of oordeel is te vrezen, maar de komende Heere. ‘Zonder pure Godvrezendheid zijn wij overgeleverd aan onze eigen waanbeelden.’ De vreze des Heeren, de Godvrezendheid is een vrucht van het luisteren (naar God en Zijn Woord).

Revisor
In 1985-1986 geeft Bohren college over het gebed. Die collegereeks opent Bohren met een citaat van Nikolai V. Gogol (dat hij tegenkwam in een programmaboekje van een toneelopvoering in Heidelberg):

‘Bedenk toch dat de gehele wereld een ijdele leugen is en dat alles heel anders aan ons verschijnt dan het in werkelijkheid is (…) Ons leven is zwaar en dan vergeten we nog elk ogenblik dat al onze handelingen eens voor een Revisor komen die niemand voor zich kan inwinnen (of omkopen).’

Daaruit stelt Bohren dat ons bidden ‘revisionsbedürftig’ is.
Met het oog op de prediking kunnen wij zeggen, dat alles in ons leven verlegen is om een revisie. Als alles wat wij doen verlegen is om een revisie, dan geeft dat de ernst van het oordeel aan: Hoe kunnen wij daaraan ontkomen?

Huis op de rots
Dan is het goed om vast te houden aan de belofte van Jezus: het huis dat op de rots gebouwd is, blijft overeind staan. Wie de woorden van Jezus hoort en doet en hier op aarde al rekening houdt met de revisie zal overeind staan als een huis dat op een goed fundament is gebouwd.
Het gaat Jezus dus om ons voor te bereiden op het komende oordeel en ervoor te zorgen dat we hier in het leven al daar rekening mee houden. Wie dwaas is, leeft alsof er nooit een oordeel komt. Voor wie de wijsheidsliteratuur uit het Oude Testament kent (Spreuken, Prediker) weet, dat de dwazen ook de goddelozen zijn, die zich geen rekenschap geven van God en Zijn oordeel. Zij leven hier alsof zij zonder God zijn.
Ook al vertonen hun daden de schijn van geloof, ze hebben geen geloof maar zijn slechts gericht op het leven in het hier en nu. Het komt dus aan op eerlijkheid en authenticiteit. Niet eens zozeer naar de mensen, maar allereerst naar God toe. Er kan een huis op het zand worden gebouwd: in het aardse leven lijkt het stevig en prima bewoonbaar. In het oordeel blijkt dat het slechts een schijnzekerheid geweest is.
Voor de gemeente komt het aan op de gave van de onderscheiding: want niet iedereen die de naam van de Heer in de mond neemt en in Zijn naam geweldige daden laat zien (als het uitwerpen van duivels) heeft het geloof en de levenspraktijk waar het op aankomt.

Confronterend
De verkondiging over het oordeel is confronterend. De meesten schuiven het liever voor zich uit en kiezen dan eerder de dwaze levensstijl door een huis op het zand te bouwen.
Op welke manier kan de preek dit confronterende element vasthouden waarbij de confrontatie de gemeenteleden bij Christus brengt en Zijn woorden laat doen?
Ik bedenk mij dat de nieuwtestamenticus Gerd Theiβen in 2003 (het Duitse Jaar van de Bijbel) een boek schreef om het lezen van de Bijbel te stimuleren. In dat boek houdt hij rekening met een maatschappij die steeds meer seculariseert en multireligieus wordt. In zijn boek wil Gerd Theiβen laten zien, dat de Bijbel goed in staat is om de dialoog aan te gaan met deze seculariserende en multireligieuzer wordende maatschappij.
Ik herinner mij dat hij verschillende motieven uit de Bijbel naar voren haalt en deze motieven in dialoog brengt met hedendaagse mensen, die gestempeld zijn door de secularisatie. Een van die motieven is het motief van het oordeel. Op welke wijze zou Gerd Theiβen dat aanpakken?
Bij het doorbladeren zie ik ook weer zijn eigen model en zie ik dat hij ook de kerygmatische aanpak niet onder stoelen of banken steekt: de Bijbel is een kans om in dialoog te komen met God. Het motief van het oordeel laat volgens Gerd Theiβen zien dat wij verantwoordelijk voor onze daden zijn en ook vaak de behoefte hebben om ons te verdedigen en te rechtvaardigen. Het motief van de
Net zo belangrijk aan het doorbladeren van het boek is dat hij mij (weer) op het spoor van Thomas Ruster brengt. Ruster schreef een kritisch boek over De inwisselbare God. Volgens hem is de levende God in de loop van de kerkgeschiedenis steeds ingewisseld voor allerlei menselijke constructies (afgoden). De Bijbel en de verkondiging gaan met ons de confrontatie aan om weer de levende God te zoeken en te kiezen.

Hoe wordt in de verkondiging de confrontatie op een goede manier aangegaan, zodat degenen die een huis vol schijnzekerheden op het zand hebben gebouwd ontdekken dat het anders moet.
Hoe wordt de confrontatie aangegaan, zodat de luisteraars beseffen dat zij bij Christus moeten zijn en Hem ook gehoorzamen?

Tegenover
Wordt die confrontatie uit de weg gegaan doordat men niet geloofd in God als een Persoon die aan ons rekenschap vraagt? Omdat men God als de Levende heeft ingewisseld voor een soort pantheïstische kracht? Die suggestie kwam ik tegen bij Gerd Hartmann. Hartmann liet zijn studenten rollenspellen doen, waarbij zij ook in de volmacht van Jezus de vergeving moesten aanzeggen. Hij vertelt dat zijn studenten dat niet kunnen. Zij blokkeren of wijken uit als zij dit in een rollenspel moeten uitvoeren. Een de redenen voor dit uitwijken is volgens hem dat zijn studenten onzeker zijn over de aanwezigheid van God als een Tegenover.

Betekent dit voor de verkondiging ook dat meer het besef overgedragen moet worden dat God een levende werkelijkheid is en dat Hij geen macht is, maar een tegenover die als Schepper en Rechter ons rekenschap zal vragen van wat wij gedaan hebben?

De preekopbouw
Nu er heel veel voorwerk gedaan is, is de vraag: hoe komt de preek eruit te zien? Welke opbouw: Moet ik beginnen met de confrontatie of moet ik langzaam toe werken naar de confrontatie? In het laatste geval is het beter om te beginnen bij wat herkenbaar is of gemakkelijk is uit te leggen. Wanneer de confrontatie aangegaan wordt, moet ook direct duidelijk zijn wat er dan mis is.
En ook van groot belang: hoe zorg ik dat de preek begrijpelijk wordt en kerkgangers (zowel degenen die geregeld komen en degenen die af en toe komen) zich geroepen en genoodzaakt voelen om de weg van Christus te gaan?
Tot slot, de vraag die al eerder gesteld is: hoe wordt overgebracht dat het om evangelie (d.w.z. blijde boodschap over God) gaat?

Verwijzingen
– Corinna Dahlgrün, ‘Von Auferstehung und Gericht predigen’, in: Heinrich Bedford-Strohm (Hg.), “… und das Leben der zukünftigen Welt”. Von Aufersteung und Jüngstem Gericht (Neukirchen-Vluyn, 2007) 77-89.
– Rudolf Bohren, ‘Predigt des kommenden Richters’, in: Idem, Predigtlehre (1971) 251-265.
– Rudolf Bohren, Das Gebet I. EDITION BOHREN Bd 1 (Waltrop, 2003).
-Gerd Theiβen, Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldidaktik (Gütersloh, 2003).
– Gerd Hartmann, Lebensdeutung. Theologie für die Seelsorge (Göttingen, 1993) 113-116