Preek zondag 29 september 2019

Preek zondag 29 september 2019
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 1 Korinthe 1:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Onlangs was ik weer te gast in een gemeente, waar ik al lang kom als gastvoorganger.
Het is een gemeente, die ik aardig heb leren kennen.
Ik wist dat die gemeente ook de nodige zorgen hebben gehad.
De gemeente was lange tijd vacant en was behoorlijk gedoe binnen de gemeente geweest.
Ik was benieuwd hoe ik de gemeente zou aantreffen.
De vorige keer dat ik er was, begin dit jaar, viel het me op dat het zo leeg was in de kerk.
In tussentijd was er wat veranderd in de gemeente: er was een nieuwe predikant gekomen.
Ik was benieuwd wat voor predikant er gekomen was en wat zijn komst betekent.
In de consistorie vertelde een van de ouderlingen,
dat er heel wat gebeurd was voordat deze predikant kwam.
Ze wilden de nieuwe predikant niet opzadelen met de problemen van de afgelopen tijd
en als gemeente wilden ze na alle spanningen en conflicten een nieuwe start maken.
Ze besloten een speciale kerkdienst te beleggen,
waarbij alle gemeenteleden uitgenodigd werden.
Het zou een dienst van verootmoediging en schuldbelijden worden,
waarbij iedereen de pijn die is aangedaan, maar ook de fouten die hij of zij zelf maakte
bij Christus konden brengen.
Om het zichtbaar te maken, dat de fouten en de pijn bij Christus gebracht konden worden,
hadden ze een groot houten kruis laten maken, van wel 2 meter.
Dat kruis stond voor in de kerk.
De kerkenraad wist van tevoren niet hoeveel gemeenteleden er zouden zijn in die dienst.
Toen ze de kerk in kwamen, bleek de kerk vol te zitten.
Tijdens de dienst kwamen de gemeenteleden een voor een naar voren
en gingen naar het kruis toe.
Bij het kruis legde iedereen een briefje neer met daarop de eigen fouten die gemaakt waren.
Die werden aan de voet van het kruis gelegd.
Aan het einde van de dienst werden de briefjes verzameld en vernietigd.
Het was voor de gemeente een indrukwekkende dienst geweest:
om met elkaar als gemeente de eigen fouten, die naar elkaar gemaakt zijn
En de zonden die men naar God toe gedaan had, bij het kruis te kunnen brengen.
Zichtbaar stond daar voor in de kerk het kruis, dat heenwees naar het kruis van Christus,
Waar Hij hing om de zonden van de mensen weg te dragen en het goed te maken met God.
Nadat deze dienst er geweest was en de zonden en fouten bij de Heere waren gebracht
Was er ook ruimte om met elkaar een nieuwe predikant te beroepen.
Toen ik met de kerkenraad de kerk binnenkwam, zag ik naast de preekstoel dat kruis staan.
Een groot kruis, een eenvoudig kruis van hout.
De kerkenraad had er voor gekozen om het kruis te laten staan
Als herinnering hoe het mis gegaan was in de gemeente,
maar vooral ook als herinnering hoe de gemeente een nieuwe start mocht maken,
een nieuwe start van de Heere ontving.
Ik kan u zeggen, dat het indrukwekkend was om onder aan de kansel te staan
naast dat houten kruis en op de kansel dat houten kruis naast me te hebben,
dat sprak van het nieuwe begin met Christus.
Duidelijk ervoer ik hoe het kruis van Christus een kracht heeft
en hoe bijzonder de genade van God is, dat Hij Zijn Zoon gaf
en dat wij onze fouten en zonden bij Hem mogen brengen,
om van onze zonden en fouten los te raken, vergeving te ontvangen,
een nieuwe start te krijgen.
De zonden, die ons aanklagen, de pijn die we een ander aandoen, mogen we brengen
aan de voet van het kruis, waar Hij hing in onze plaats.
Vanmorgen komen we ook bij dat kruis, om daar onze zonden te brengen
en vergeving te ontvangen, een nieuwe start te krijgen van de Heere.
We hebben geen zichtbaar kruis voor in de kerk staan.
Wel staat voor in de kerk de tafel met het brood en de wijn:
het brood dat straks gebroken wordt laat zien hoe Christus zich liet brengen.
De wijn, die uitgegoten wordt en doorgegeven wordt,
laat zien hoe Christus met het offer dat Hij bracht ons reinigt van onze zonden.
We mogen daar onze fouten, onze zonden brengen, aan de voet van het kruis.
Hij neemt ze aan en draagt ze weg, zodat ze ons vergeven zijn.
Krachtig is het kruis, want daar nam Christus al onze zonden op zich,
zodat wij van al onze zonden bevrijd kunnen worden en gereinigd kunnen worden.
Dat kruis, dat zo lang geleden werd opgericht, spreekt nog steeds:
van genade, van bewogenheid van de Heere, van de grote liefde die onze God heeft,
zo groot dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf.
Laat het kruis die kracht niet verliezen, waarschuwt Paulus in de brief aan Korinthe.
Raak de inhoud van het kruis niet kwijt, dat spreekt van verzoening, van vergeving,
van Gods liefde die niet te beschrijven is.
Want daar leren we God kennen, kijken we Hem in het hart.
Daar kunnen we van onze zonden bevrijd worden en opnieuw beginnen.
Het staat er voor ons, zodat wij komen en neerknielen en alles neerleggen bij Hem.
U bent geroepen, hoorden we vorige week, geroepen tot de gemeenschap met Hem.
Hij liet van Zich horen, kwam in uw en jouw leven, zodat je niet achter kon blijven,
maar voelde dat je wel moest komen, omdat Hij je riep.
Nu roept Hij u, jou om naar voren te komen, naar de tafel,
om uit Zijn eigen hand het brood te ontvangen, uit Zijn hand de beker aangereikt te krijgen.
In dat gebaar, waarmee Hij dat brood en de wijn ons aanreikt, zegt Hij:
Dit heb ik voor jou, voor u gedaan.
Het is genoeg!
Neemt, eet en drinkt tot Mijn gedachtenis,
geloof hoe Ik ook voor u, voor jou mijn leven gaf,
Jouw zonden meenam op Golgotha en uw fouten droeg aan het kruis.

Genade, zo oneindig groot. Dat ik, die ’t niet verdien

het leven vond, want ik was dood en blind, maar nu kan ‘k zien.


Want Jezus droeg mijn zondelast en tranen aan het kruis.

Hij houdt mij door genade vast en brengt mij veilig thuis. Amen

 



Preek zondag 30 juni 2019 morgendienst

Preek zondag 30 juni 2019 morgendienst
Viering Heilig Avondmaal. Schriftlezing: 1 Johannes 1:1- 2:2
Tekst: En het bloed van Jezus Christus reinigt ons van onze zonde (1 Johannes 1:7b)

Deze brief van Johannes begint met de grootheid van God:
Hij was er al voor wij geboren werden, ja voordat de wereld er was, was Hij er al.
Hij schiep deze wereld.
Vol verwondering schrijft Johannes dat de Heere niet op een afstand bleef,
zelfs niet toen wij als mensen kozen voor de zonde.
Hij kondigde Zijn komst aan en kwam in Zijn Zoon Jezus Christus op aarde
om ons mensen op te zoeken en terug te brengen.
Hij kon daarover uit eigen ervaring spreken, omdat hij erbij was,
Jezus met eigen ogen mocht zien, met Hem mee optrok.
Tegelijkertijd wil Johannes ons laten weten, dat het ook onze ervaring kan zijn,
dat Jezus er is, in ons midden, dat we Hem horen en ervaren,
dat we weten dat Hij hier is en dat we Hem ook ontmoeten.
Doordat Jezus op aarde kwam, weten we dat God mensen opzoekt,
omdat Hij hen bij Zich wil hebben, in Zijn gemeenschap,
dat ze bij Hem horen, van Hem zijn.
Johannes spreekt over de mogelijkheid om bij God te horen.
Het is zelfs de wens van de Heere, dat we van Hem zijn.
Alles in de Bijbel – ook al in het Oude Testament – spreekt van onze God
Als een God die Zijn volk Israël op zoekt en met Christus alle mensen zoekt
om hun God te zijn.
Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,
opdat een ieder die in Hem gelooft, het eeuwig leven heeft.
Daar is het de Heere om te doen, dat we geloven in Hem
en dat we het eeuwige leven ontvangen, waar we voor altijd bij Hem mogen zijn.
Ook in dat eeuwige leven gaat het om Hem, onze Heere,
gaat het erom dat we nooit meer van Hem gescheiden zijn.
Daarom vieren we avondmaal: Omdat God ons in Zijn gemeenschap wil hebben.
Het avondmaal vieren we: we vieren dat we verbonden zijn met onze Heere.

Maar kunnen we dat wel vieren?
U bent in de afgelopen week bezig geweest met het avondmaal,
want dat is toch niet iets dat je zomaar even doet.
Je bereidt je daar innerlijk toch op voor: of je kunt aangaan of niet.
Dat werd ook gevraagd: om erbij stil te staan, dat er heel wat aan onze kant mis zit.
U bent nagegaan hoe dat bij u is en tot de conclusie gekomen:
Er is bij mij nog teveel dat niet in orde is.
Ik kan zoals ik nu ben niet aan het avondmaal gaan.
Ik kan niet vieren dat ik verbonden ben met de Heere,
Want van mijn kant is er zoveel dat mij aanklaagt:
Mijn geloof – ja, kan ik wel spreken van geloof?
Ik breng er zo weinig van terecht.
En mijn manier van leven, wat laat ik daarvan zien dat ik bij de Heere hoor?
Zo goed doe ik het als christen niet. Ik kan me eigenlijk niet eens christen noemen
en een plek aan die tafel kan ik helemaal niet innemen.
Hoe kan ik aankomen bij de Heere, die zo groot en heilig is?

En het bloed van Jezus Christus reinigt ons van onze zonde, zegt Johannes.
Daarmee wil hij zeggen, dat we dat vanuit onszelf ook niet kunnen.
Niemand van ons kan zeggen: mijn plek daar aan die tafel heb ik aan mijzelf te danken.
Het is allemaal genade, omdat Christus stierf
en omdat Hij gestorven is, gestorven voor u, voor jou, mij, daarom kunnen wij komen.
Daar wijst het brood dat gebroken ook naar: naar hoe Hij aan het kruis stierf
en daar stierf met een reden: om ons vrij te kopen.
Daar wijst de wijn naar: het bloed van Christus dat ons reinigt.
Daar naar voren te komen en brood en wijn te ontvangen,
geven we aan, dat we dat offer van Christus nodig hebben,
dat we niet zonder zijn lijden en sterven aan het kruis kunnen,
omdat Zijn dood ons vrijmaakt van de zonde en ook reinigt.
Met Zijn dood aan het kruis – daarom vieren we het avondmaal –
geven we aan, dat God met ons opnieuw wil beginnen, schoon schip maakt.

De zonde die zo diep in ons kan zitten, wordt helemaal weggenomen.
Als je weet dat je geloof niet volmaakt is en je steeds weer tekortschiet,
Als je weet dat je er niet genoeg naar leeft,
dan kan dat heel makkelijk klinken: je gaat naar het avondmaal,
je krijgt vergeving en je mag weer opnieuw beginnen,
Terwijl je eigenlijk al weet, dat je over drie maanden weer diezelfde worsteling hebt
Van een geloof dat onvolmaakt blijft en God geen recht doet, want Hij heeft recht op meer.
Hij heeft er recht op, dat we Hem helemaal dienen, op de eerste plaats stellen
en ons niet pas met Hem bezig gaan houden als wij er tijd voor hebben, aan toe zijn.
Dat we er ook naar leven, niet alleen maar voor de vorm, maar ook met ons hart.
Is het niet te gemakkelijk om zo over vergeving en reiniging te spreken?
Dat is zeker niet Johannes’ bedoeling om maar makkelijk over de zonde te denken
en daar zomaar over heen te stappen.
Nee, er was heel wat voor nodig: Christus moest sterven.
Er is ook in ons heel wat nodig: Reiniging van zonden.
De zonde is ernstig – en Johannes wil die ernst volop onderstrepen.
Maar nog ernstiger is aan de genade voorbij gaan.
Nog ernstiger is  aan de mogelijkheid, die Christus biedt door Zijn sterven,
om gereinigd te worden voorbij te gaan.
Want dan blijf je nog in de zonde, dan is nog de breuk met God niet geheeld.
Wat had de Heere nog meer moeten doen om u vrij te kopen?
Is het offer dat Christus niet genoeg?
Zegt de Heere zelf niet, hier bij monde van Johannes, dat Zijn sterven genoeg is,
ook voor u: gedenkt, gelooft, dat dit kostbaar bloed vergoten is
tot volkomen verzoening van al onze zonden.
Wij maken het niet met God, maar Hij: Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden.
Met het avondmaal vieren we dat Hij, onze Heer, die het God maakt met God,
ons verzoent, hier in ons midden is, gastheer aan de tafel, ons nodigt om te komen:
Hier is brood en wijn, dat herinnert hoe Ik ook voor jou gestorven ben.
Neem, eet, gedenkt en gelooft dat Mijn lichaam verbroken is, ook voor jou.
Kom, hier bij Mijn tafel, om dat te gedenken, te vieren, dat het ook voor jou is.
Amen

Preek zondagavond 19 mei 2019

Preek zondagavond 19 mei 2019
Romeinen 6:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn tijd op de middelbare school las ik een roman van de schrijver Gerard Walschap
over de verloren zoon, die na een tijd weggegaan was, weer was thuisgekomen.
In die roman was de verloren zoon, in het boek Gad uit Nazareth, weggegaan,
omdat het hem benauwde in het dorp waar hij opgevoed was.
Na enkele jaren keerde hij weer terug, om het leven van vroeger op te pakken.
Maar het lukte hem niet.
Hij liep tegen dezelfde bekrompenheid op, die hem eerder deden wegtrekken uit zijn dorp.
Hij vertrekt weer en zo gaat het in het boek eigenlijk steeds:
wegtrekken en weer in het dorp komen en in zijn plaats van herkomst niet kunnen aarden.

In Romeinen 6 gaat het er ook over hoe dat leven er uit ziet,
nadat je als verloren zoon (of verloren dochter) weer bent thuisgekomen met je doet.
Lukt het om te aarden in dat nieuwe leven,
waarin je weer bent aangenomen als zoon of dochter van God?
Heb je het naar je zin nu je thuisgekomen bent?
Geniet je om bij de hemelse Vader thuis te zijn?
En hoe ziet dat leven, nu je weer thuis bent bij God, er uit?
Mag je nog iets van dat oude leven hebben?
Van dat dwalen door de wereld, die losbandige levensstijl?

Paulus is blijkbaar mensen tegengekomen,
die vinden dat je best nog iets van die oude levensstijl mag hebben.
Als je nog iets van dat oude leven houdt, wordt de genade alleen maar groter.
Of misschien gaat het om mensen, die in geuren en kleuren vertellen over dat oude leven,
over wat ze allemaal wel niet verkeerd hebben gedaan,
net of ze er trots op zijn, wat ze allemaal hebben meegemaakt,
erop kunnen pochen hoe bijzonder het is dat zij door Christus gegrepen zijn.
Natuurlijk, het gaat om de eer van Christus,
Christus die zo genadig is en zo krachtig werkt en ook hen kon bekeren.
Maar het is net of dat bijzondere van Christus alleen maar zichtbaar wordt
als je zo kunt vertellen over wat er allemaal wel niet nodig was
om je tot inkeer te brengen.
Alsof ze net iets teveel van dat oude leven houden, teveel heimwee naar dat leven toen
En dat oude leven toch ergens nodig hebben om van Christus te genieten.
Of het voor hen niet genoeg is dat ze Christus hebben
en dat ze dat oude leven niet echt als een last ervaren.

Paulus is daar heel fel op: dat oude leven moet helemaal achter je liggen.
Je mag van dat oude leven niets in je overlaten.
Je moet er niet teveel aan terugdenken, niet te groots over zijn,
ook al is het je bedoeling om daarmee de genade van Christus groter te maken.
Want dat oude leven blijft bezig om je terug te winnen, om weer invloed op je te krijgen
en mee te nemen op de verkeerde weg, zodat je weer bij God vandaan gaat.
Als je teveel met dat oude leven bezig bent, ook al is dat om Christus’ genade te belichten,
voed je de kans om heimwee te krijgen, loop je het risico om de deur open te houden.
Het zijn begeerten, die in dat oude leven volop te kans kregen,
niet afgeremd werden, niet tegengehouden werden, niet bestreden werden,
Waarmee de zonde probeert in ons leven terug te komen.
Blijkbaar zijn die begeerten een zwakke plek van ons
En vormen ze voor de zonde een gemakkelijke en verborgen manier
om weer de macht in ons leven terug te krijgen.

We zijn bevrijd uit de macht van de zonde, omdat Christus gestorven is
en Hij in ons leven gekomen is
en toch blijft die zonde om ons heen cirkelen om bij ons weer binnen te dringen,
om ons te veroveren, zonder dat we dat door hebben.
Wat maakte het voor de verloren zoon zo aantrekkelijk om weg te gaan bij zijn vader,
naar een ver land af te reizen, waar hij kon leven, zoals hij dat wilde,
waar hij zich niet afgeremd werd door schaamte
of door mensen die naar hem toe kwamen en zeiden:
als je vader eens wist, waar je mee bezig bent, wat zou hij dan zeggen?
Als je moeder wist, dat je hier was, dan zou ze wel erg veel verdriet hebben.
De begeerte waar Paulus op doelt, is het verlangen in ons mensen
en dan vooral het verlangen naar wat verkeerd voor ons is, schadelijk voor ons is.
In Romeinen 13 noemt Paulus enkele van die begeerten:
zwelgpartijen en dronkenschappen, slaapkamers en losbandigheid, ruzie en jaloezie.
We hoeven dat niet eens uit te werken, omdat iedereen wel begrijpt waar het om gaat
en iedereen wel begrijpt, waarom dit begeerten zijn, waar we kwetsbaar voor zijn.
Je moet daar tegen strijden zegt Paulus, want die begeerten zijn sluiproutes
waardoor de zonde weer in je probeert te komen
En de zonde neemt geen genoegen met een klein plekje in je leven,
maar wil je hele leven hebben, je helemaal in dienst nemen.

Het is Paulus hier te doen om het conflict dat er is tussen Christus en de zonde.
De zonde, die aan het kruis het onderspit moest delven, zijn macht kwijtraakte.
Paulus zegt: u hebt zelf ervaren hoe u bevrijd bent van de macht.
Paulus dacht aan zijn gemeente, waarvan iedereen die er bij was een bekeerling was,
toegetreden was tot Christus en daarmee tot de gemeente
en in die gemeente met Christus opnieuw begonnen is.
Christus wil ook het liefst met u opnieuw beginnen
en hopelijk is Hij al met u, met jou begonnen
en zeg je: ja, ook voor mij is de macht van de zonde verbroken. Ik mag vrij zijn.
De zonde heeft over mij geen macht meer.
Ja, ik voel nog steeds wel de zonde aan mij trekken
en ik merk hoe de zonde in mij die begeerten aanwakkert, maar ik strijd ertegen.
Mijn enige troost is dat ik toebehoor aan Jezus Christus.
Ik ben niet meer van mijzelf, maar ben eigendom van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus,
die met Zijn eigen dood mij heeft vrijgekocht van uit deze macht en mij bevrijd heeft.

Of misschien moet je wel erkennen, dat je nog niet zover bent
En dat je, als je over jezelf nadenkt, merkt dat de zonde nog steeds macht over je heeft.
Dat Christus niet de enige in je leven is,
en dat je toch een deur openhoudt voor die begeerten, omdat ze je nog zoveel plezier geven
of omdat je zelf niet in staat bent om die invloed uit je leven weg te krijgen.
Je zou wel willen, maar je vecht nog steeds niet tegen de zonde, eerder tegen Christus,
om Hem nog niet alles in je leven te bepalen.
Dan wordt er om je gevochten, want Christus wil je niet in de macht van de zonde laten,
want Hij weet hoe nadelig die macht voor je is, hoezeer het een macht is die je kapot maakt,
in de greep houdt en je niet wilt laten gaan.

Of misschien merk je dat gevecht in jezelf wel: de strijd die geleverd,
Dat je aan de ene kant dat verkeerde aan je voelt trekken, maar dat je niet altijd wilt,
Dat je niet altijd mee wilt gaan en dat je voelt dat het niet meer kan op die manier,
maar toch ben je dan soms niet sterk genoeg en ga je toch onderuit.
De zonde laat je ook niet zomaar gaan.

Na een kerkdienst, waarin ik vraag 1 van de Heidelberger Catechismus voorlas,
werd ik door een van de aanwezigen aangesproken, een vrouw.
Ze vertelde dat ze geschrokken was van het antwoord van de Catechismus.
Dat antwoord had haar op een verkeerde manier geraakt.
Ze was vooral geschrokken van het woord ‘eigendom’ – je wordt eigendom van Christus.
Dat had voor haar heel beklemmend geklonken.
Wanneer er een woord verkeerd valt, is er vaak meer aan de hand
En raakt het aan een gevoeligheid die iemand heeft
en dat bleek ook bij deze vrouw te zijn.
Ze vertelde dat ze net gescheiden was, hoe haar huwelijk was vastgelopen,
omdat ze steeds meer van zichzelf kwijtraakte in het huwelijk,
hoe haar ex-man haar steeds minder van haarzelf in het huwelijk accepteerde.
Uiteindelijk zag ze maar één manier om zichzelf te redden: uit het huwelijk stappen.
Die jaren van haar huwelijk hadden echter zoveel invloed op haar gehad,
dat één woord genoeg was om haar weer even terug te brengen in die tijd,
waarin zij gevangen zat en alle vrijheid miste.

Ook dat oude leven in de zonde heeft iets beklemmends, waarin we onze vrijheid kwijtraken.
In een menselijke relatie kan iemand zijn slechte kant een tijd lang verborgen houden,
maar als het huwelijk eenmaal gesloten is, als je samen bent als man en vrouw
opeens die verkeerde kant laten zien, omdat je toch niet meer terug kunt.
Zo kan de zonde de slechte kant eerst verborgen houden
en het verkeerde eerst aanlokkelijk maken, dat je gek bent als je het laat lopen,
dat je toch heel wat mist, als je niet op die begeerten ingaat.
dat het geen kwaad kan om een keer op zo’n begeerte in te gaan.
En als je eenmaal binnen bent, in zijn greep, dan laat hij je niet meer gaan
hij heeft je wil heeft overgenomen:
in de macht van de zonde niet meer je zelf kunt bepalen wat je wilt doen,
En hij wakkert de strijd tegen Christus aan door te doen alsof je bij Hem je vrijheid kwijtraakt dat je bij Christus niets te zoeken hebt.
Zo maakt de zonde het je steeds moeilijk om van hem los te komen.
Hij is als een stalker, die je niet zomaar laat gaan, als je van hem bent geweest.

Zelfs als Christus voor je strijdt en in je leven wil komen,
zelfs als Christus de zonde in jouw leven, uw leven te sterk is,
geeft de zonde niet zich zomaar gewonnen.
De zonde heeft echter geen recht meer op je, zegt Paulus.
Je bent overgegaan naar een andere eigenaar:
van de macht van de zonde in Christus’ handen.
Het is de overgang van iemand die je geroofd heeft naar iemand die recht op je heeft.
Van iemand die je verleid heeft en meegenomen heeft op de verkeerde weg,
naar degene die je geschapen heeft en steeds op je wacht tot je weer thuis komt.
Die overgang naar Christus, weg uit de zonde gebeurde op een bijzondere manier:
Mee-gekruisigd met Christus – met Hem mee naar het kruis en het graf in.
Dat betekent dat de zonde je moest laten gaan en dat er een nieuw leven gekomen is.
Zo radicaal, dat je niets van je oude leven hebt kunnen meenemen.
Zoals je na een echtscheiding uit een moeizame relatie niets wilt meenemen,
niet de angst die je had, niet het gevoel van onvrijheid, niet het gevoel jezelf kwijt te raken,
zo mag er niets in dat nieuwe leven meekomen van dat oude leven.
Niet in de vorm van heimwee, niet in de vorm van grootse verhalen over hoe het toen was.
Je begint helemaal opnieuw.

In de uitleg wordt dit gedeelte nogal eens verbonden met de doop.
De doop, die voor de eerste christenen gebeurde met onderdompeling:
je gaat kopje onder: de oude mens sterft en je staat op als nieuw mens.
Of je zou het ook anders kunnen zeggen: je gaat helemaal onder in Christus,
zodat Hij je helemaal vervult, niet alleen je gedachten en je hart, maar ook je huid.
Heel je bestaan, heel je wezen, helemaal zoals je bent,
zodat alles van je, van top tot teen, binnenkant en buitenkant toegewijd wordt aan Christus
En er geen enkel stukje van je bestaan, van wie je bent, van je lichaam, je identiteit
nog aan de zonde toebehoort.
Want al zou er maar één stukje in de zonde zijn, dan zou er aan je getrokken worden
om je weer de verkeerde kant op te krijgen en zou je het risico lopen
weer terug te vallen in het oude bestaan en Christus ook de redding mis te lopen.
Daarmee zou ook onze redding op het spel staan en niet alleen onze redding,
maar ook de genade van God, de kracht van God,
die dan niet in staat zou zijn geweest om ons helemaal te redden.

Er is een nieuw leven, zegt Paulus, radicaal nieuw – geschonken in Christus:
In Zijn sterven en opstaan, waarin Hij ons meenam
en voor ons dat nieuwe leven gaf.
Dat vraagt ook van ons iets.
Dat vraagt ook van ons een strijd – een strijd tegen die begeerten,
waarmee de zonde ons wil heroveren.
Laat de zonde niet meer over u heersen – hij heeft er geen recht meer op.
Ga niet in de zonde mee, stel jezelf niet ter beschikking aan de zonde,
Want je hebt een nieuwe Heer, die je vrijkocht door zelf te sterven.
Stel je leven in dienst van God, want Hij heeft je levend gemaakt.
Amen

Meditatie Stille Zaterdag 2019

Meditatie Stille Zaterdag 2019
Schriftlezing: Mattheüs 27:57-61

In de afgelopen weken heb ik veel naar de Matthäuspassion van J.S. Bach geluisterd.
Het begin met een uitvoering in de Laurenskerk in Rotterdam begin april
Daarna heb ik deze muzikale vertelling van het lijdensevangelie door Bach
veel nageluisterd tijdens de voorbereiding voor preken en meditaties.
Bij het beluisteren bleef er één aria in mijn herinnering hangen.
Deze aria was mij eigenlijk nooit opgevallen,
maar al luisterend vond ik het de mooiste aria uit deze Passion.
De woorden die bij mij bleven hangen, waren:
Ik wil Jezus zelf begraven.
Aria “Mache, Dich, mein Herze, rein”
Steeds bij het beluisteren maakten deze woorden indruk,

want ze verwoorden een eerbetoon aan Christus.
Zo wil Bach ons betrokken maken bij wat er aan het kruis gebeurde:
We zijn er zelf bij, we zijn getuige hoe Jezus stierf voor onze zonden.
Het bijzondere in de tekst die Bach gebruikt is dat Jezus niet begraven wordt
in de tuin van Jozef van Arimathea, maar in het eigen hart.
Zo komt het tot een nauwe verbinding tussen Christus die stierf aan het kruis en ons.
Hij stierf voor ons en met ons daar op Golgotha.
We gingen met Hem mee aan het kruis.
Als Hij gestorven is, krijgt Hij een plaats in ons hart, om daar te rusten
van de strijd die Hij voor ons gevoerd heeft.
En meer nog: niet alleen om te rusten,
maar om ons hart steeds meer van zich te maken.
Als Hij daar is in ons hart, al wordt Hij dan begraven op met Pasen opgewekt te worden,
wordt ons hart steeds meer en meer van Hem.
Daar begraven in ons hart, neemt Hij steeds meer ons hart in beslag.
Ons hart mag alleen maar van Hem zijn.
Daarom begint de aria met een andere regel
en niet de regel die bij mij was blijven haken:
Het begint ermee, dat we de wereld uit ons hart uitbannen:
Wereld, ga uit mijn hart,
wereld die mij tot zonde verleidt en mij in dienst van de satan doet zijn.
Er is geen plek meer voor jou, wereld, want Christus moet in mijn hart.
Hij heeft Zijn leven gegeven, het hoogste offer dat gebracht kon worden,
heeft Hij gebracht – Zijn eigen leven.
We kunnen niet over het kruis nadenken of bij het kruis stilstaan.
Er is werk aan de winkel, er moet aan ons hart gewerkt worden,
in ons hart ruimte voor Christus.
Misschien is het voor u niet een begraven van Christus in uw hart.
Dat is alleen maar een manier om uit te leggen
Wat de begrafenis van Christus voor ons nu betekent,
voor ons, die zoveel eeuwen na de begrafenis later leven.
Het bijzondere van de aria van Bach vind ik het eerbetoon
dat aan Jezus gegeven wordt, omdat Hij gestorven is aan het kruis.
Voordat er het verdriet is en er gerouwd wordt om de dood van onze Heer
is er eerst de dankbaarheid dat Hij zijn leven gaf.
Dat Hij wilde sterven aan het kruis.
Dat Hij wilde afdalen in onze zonden en wilde afdalen in het rijk van de dood.
Elke keer als we daarover nadenken, kunnen we iets beseffen
van wat dat voor Hem betekende: hoe diep Hij moest gaan.
En kunnen we ook iets begrijpen van het ontzaglijke wonder
wat dat voor ons betekent: dat Hij redding bracht en leven.
Vanavond zingen we die weg die onze Heere ging,
met de woorden en de muziek, die we zingen of die via het koor tot ons komen,
komen wij bij het kruis staan, zijn we bij het graf als Jezus begraven wordt,
zijn we erbij als Jezus opstaat uit de dood
en de vrouwen op weg gaan en een leeg graf aantreffen
en later Jezus als levende ontmoeten.
WE zingen erover wat onze Heer voor ons heeft gedaan,
Welke weg Hij moest gaan en wat het ons brengt.
We verwoorden in de liederen die we zingen onze dankbaarheid,
onze aanbidding voor onze Heer die voor ons wilde gaan.
Dankbaarheid dat Hij in ons hart wil komen,
dankbaarheid dat ons hart gereinigd wordt
dat de wereld uit ons hart kan en Christus daar kan komen.
Het is mooi dat er koren zijn die voor ons zingen:
Want als je het van een ander hoort, dan neem je het soms sneller aan
dan wanneer je het tegen jezelf moet zeggen.
Het is mooi dat er koren zijn, die al weken oefenen en repeteren
om ons mee te nemen in de liederen
naar Getsemané, naar Golgotha, naar de hof van Jozef van Arimathea.
Zodat we er deelgenoot van zijn, zodat we zien hoe Jezus lijdt,
zodat we met de ogen van ons geloof zien hoe Jezus daar aan het kruis
de straf draagt die ik had verdiend.
Al zingend gaat ons hart open voor Hem
en komt Hij binnen, de levende Heer, die gestorven is en begraven werd
en  zo mijn hart maakt tot de plek waar Hij ook woont.
En als Hij daar is in mijn hart, groeit mijn liefde voor Hem steeds meer en meer:
Mijn Jezus ik houd van U. Amen

Preek Goede Vrijdag 2019

Preek Goede Vrijdag 2019
Schriftlezing: Mattheüs 27:33-56

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de beschrijving, die Mattheüs van het gebeuren op Golgotha geeft,
krijgt het kruis de minste aandacht.
Meer aandacht is er voor wat er om het kruis gebeurt:
Hoe de mensen, die zich om het kruis verzameld hebben, zich gedragen
en op de gebeurtenissen die plaatsvinden rondom het kruis.
Het enige dat Mattheüs vertelt over Jezus aan het kruis
is dat Hij weigert om te drinken, dat Hij de regel uit Psalm 22 uitroept:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten
en dat Hij vrij snel daarna overlijdt.
Voor de rest laat hij vooral het tafereel om het kruis zien.

Het begint al met de aankomst op de heuvel Golgotha.
De naam die de mensen aan deze plek hebben gegeven,
geeft aan dat het geen fijne plek is om te verkeren.
Schedelplaats betekent deze naam.
Het is niet helemaal duidelijk of de naam afkomstig is van de vorm van de heuvel,
die op een schedel zou lijken
of van de schedels die daar kunnen liggen, afkomstig van de mensen die gekruisigd zijn.
Meestal werden degenen, die gekruisigd werden niet begraven,
maar liet men hen hangen tot ze vergaan waren, of werden ze in de buurt neergegooid.
De naam geeft in ieder geval aan, dat het een lugubere plaats is om te zijn,
een plek waar een macabere sfeer hangt, de sfeer van de dood, van verdoemd-zijn.
Dit is het koninkrijk van deze koning: een rijk dat ten dode is opgeschreven.
Hier in dit land dat mag Hij koning zijn.
Alles wat er verder gebeurt,
is bedoeld om de vernedering van deze koning compleet te maken.
Bij aankomst op de heuvel Golgotha, waar het kruis opgericht zou worden,
krijgt Jezus een wat te drinken, alsof hij door kameraden wordt onthaald,
die samen willen vieren dat Hij als koning de troon zal bestijgen.
Maar in de wijn, die Jezus aangeboden krijgt, hebben ze iets gedaan,
waardoor de wijn niet te drinken is: met gal gemengd.
Voor het oog is het vriendschap die aangeboden wordt, kameraadschap.
Maar met het aanbieden van dit gemixte drankje,
wijn gemengd met spot, minachting, wordt Jezus op de ziel getrapt
en nog eens meer vernederd dan al gebeuren zal aan het kruis.
Het is wat in Psalm 69 beschreven wordt: Ze mengden gif door mijn eten
en lesten mijn dorst met azijn.
Alles wordt aangegrepen om Jezus nog eens extra te vernederen.
Jezus wil echter niet drinken: Hij weigert deze beker.
Niet omdat Hij de steek onder de gordel opmerkt in de beker die aangereikt wordt,
maar omdat Hij het lijden met volle bewustzijn wil ondergaan.
Hij heeft ingestemd om die andere beker leeg te drinken,
de figuurlijke beker die Hem door de Vader in de hemel is aangereikt
en omdat Hij daarmee instemde, die te zullen drinken.
Aan het kruis brengen en Hem koning maken van dit macabere koninkrijk
is nog niet vernederend genoeg. De vernedering gaat door.
Om aan te geven dat Hij helemaal niets voor voorstelt en zich niets hoeft in te beelden
Wordt het laatste dat Hij heeft, Zijn meest persoonlijke eigendom, Zijn kleren
verdeeld onder de soldaten die aan het kruis moeten waken
om te voorkomen dat de aanhangers van Jezus komen om Jezus van het kruis te halen.
Het laatste dat Jezus bij zich had, wordt Hem nog afgenomen.
Hij heeft geen volgelingen meer.
Ja, alleen wat vrouwen die in de verte kijken wat er gebeurt.
Ook geen eigendommen meer, zelfs geen kleren meer.
Hier hangt geen mens meer, maar minder dan een mens
van al het menselijke ontdaan.
Nog meer vernedering, steeds verder tot de diepste vernedering is bereikt.
Mattheüs, de evangelist, registreert wat er gebeurt, maar ziet ook met de oog van het geloof.
Hij ziet dat in de diepste vernedering waarin Jezus af moet dalen
tegelijk ook Gods plan ten uitvoer wordt gebracht, de Schriften worden vervuld (Ps 22).
Twee uitersten komen hier samen: het verwerpen van Gods Zoon,
waarmee God zelf door de mensen verworpen wordt
en het plan van God om de mensen te redden door deze dood.
Jezus die door de mensen verworpen en vernederd wordt, brengt juist daardoor redding.
Voor de mensen die daar lopen is dat niet zichtbaar.
Ze kunnen en ze willen dat niet zien.
Ze zien een machteloze man, die een te grote pretentie had, zichzelf Messias noemde
en vooral Mensenzoon, de goddelijke rechter die aan het einde van de tijden zou komen.
Moet je Hem daar zien hangen! Als dit een koning is…
Het is eerder een parodie op wat een koning hoort te zijn.
Zijn eer en waardigheid is Hem afgenomen.
Hij regeert niet vanaf een troon over een heel koninkrijk,
maar vanaf het hout op deze kleine heuvel,
Waar alleen maar opstandelingen en misdadigers aan het kruis worden getoond
om het volk te laten weten, dat het niet in hun hoofd moesten halen om in opstand te komen.
Hij – redding brengen? Hij kan zichzelf nog niet eens redden.
Wat had die Man aan het kruis ook al weer gezegd?
Dat Hij de tempel kon afbreken en in drie dagen weer op kon bouwen?
Mattheüs vermeldt nergens dat Jezus heeft gezegd dat Hij de tempel zal afbreken.
Als Jezus voor de hogepriester staat en zich moet verantwoorden,
wordt ook als beschuldiging naar voren gebracht:
Hij heeft gezegd dat Hij de tempel van God kan afbreken en in 3 dagen opbouwen.
Je proeft de verontwaardiging in die woorden:
het meest heilige gebouw dat er op de wereld bestaat, de plaats waar God woont,
waar Zijn aardse troon staat – afbreken en snel herstellen.
Als de brand van de Notre Dame al diep raakt,
dan kunnen we voorstellen dat het spreken over het afbreken van de tempel
nog dieper snijdt in de harten van de Joden.
De tempel afbreken betekent dat God er niet meer is,
dat Zijn woonplaats op aarde overbodig is geworden
of ontheiligd is, niet meer waardig om de heilige God te huisvesten.
Hoe durft Hij te zeggen, dat de tijd van God in Jeruzalem voorbij is
en de tempel geen functie meer heeft en daarom afgebroken kan worden.
En hoe kan zo’n gebouw, waar jaren aan gewerkt is, weer in 3 dagen opgebouwd worden?
Nu Jezus aan het kruis hangt, zie je hen daar onder het kruis over gniffelen:
Heeft Hij dat werkelijk gezegd? Hoe heeft Hij dat kunnen bedenken?

Ook hier moet Mattheüs aan eerdere woorden uit de Schrift denken, woorden uit Ps 22:
Ze kijken vol leedvermaak naar mij. Ze schudden hun hoofd als ze mij zien.
Het is leedvermaak waarom ze daar bij het kruis blijven staan:
Hoe heeft Hij dat allemaal kunnen bedenken? Zoon van God, Zoon des mensen?
waar is toch uw almacht thans, waar uw goddelijke glans?
Kan de spot je dieper raken dan wanneer ze over je machteloosheid beginnen
en je daarom uitlachen?
Anderen kon Hij wel helpen, maar nu Hij zelf in nood is, blijkt er van Zijn macht niets meer.
Anderen kon Hij op de goede weg helpen, maar nu er voor Hem geen uitweg meer is,
is Hij alleen en wordt Hij door niemand geholpen.
Zelfs God heeft Hem in de steek gelaten.
Hij vertrouwde toch op God?
Kan een vernedering dieper raken dan wanneer mensen je geloof raken,
je vertrouwen op God en zeggen dat de God in wie je gelooft er niet is,
zich niet laat zien, je in de kou laat staan.
‘De spotters die hem omringen wachten met huiverende sensatiebelustheid
op het ingrijpen van God, die toch zeker zijn messias niet de dood zal laten ingaan.
Een wending in de laatste minuut: (….) dat zou een bewijs zijn dat God hem goedgezind is.’
Als er al een antwoord van God komt is dat een duisternis die over het hele land valt
op het toppunt van de dag, er van uitgaande dat God de hand heeft in de schepping
en dat wat er gebeurt niet buiten Hem om gaat.
Alleen voor wie is die duisternis en wat heeft die duisternis te zeggen?
Duisternis is er op de aarde aan het begin van de schepping,
als God het licht nog niet geroepen heeft om te schijnen en het duister te verdrijven.
Het is een duisternis dat de wereld steeds kan bedreigen.
Duisternis is er in Egypte als de farao weigert om te buigen
en het gevecht aangaat met de God van Israël en Israël weigert te laten gaan.
In die duisternis moet de farao ervaren dat de God van Israël sterker is dan hij
en aan hem en zijn machtige rijk Zijn wil kan opleggen.
Duisternis is er op de berg Sinaï als de Heere daar verschijnt en Zijn geboden geeft,
een duisternis die aangeeft dat God te heilig is om zomaar tot Hem te komen.
Duisternis zal er zijn, zegt de profeet Amos als de Dag des Heeren aanbreekt,
de dag waarop God terug zal komen om de wereld en ook Israël te oordelen.
Het zal de dag zijn, waarop de Zoon des mensen terugkeert
om op de rechterstoel in Jeruzalem plaats te nemen en iedereen zal oordelen.
Wat voor duisternis valt er over het kruis heen?
Voor Jezus is de stilte de afwezigheid van God,
Want na 3 uur klinkt er een luide schreeuw van Jezus naar de Vader:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten.
De luide stem geeft aan dat Jezus nog bij volle bewustzijn is
en weet wat Hem overkomt, wat Hij moet doorstaan:
de duisternis die er over de aarde is als God er niet meer is.
Temidden van de spot en de hoon van de mensen aan de voet van het kruis,
laat God Jezus ook alleen zijn in het donker en trekt zich terug.
Dit is de beker die Jezus moet leegdrinken,
de beker van de toorn die voor Zijn volk bedoeld is
En die door de Koning van Israël plaatsvervangend wordt leeggedronken.
Bijna is het moment dat Hij Zijn leven geeft als offer voor de zijnen.
Voor Hij sterft, is er nog een keer de spot van degenen onder aan het kruis.
Ze moeten de tekst hebben herkend als een tekst uit de Bijbel,
maar ze doen net of ze Jezus verkeerd verstaan
en op dit heilige moment voor Jezus en voor de Vader in de hemel
komen degenen voor wie Jezus lijdt en Zijn leven opgeeft niet meer bij van het lachen.
Elia? Op dit moment? Ze stoten elkaar aan, hikkend van de lach: Hoor je om wie Hij roept?
Er is er een die denkt: Laat ik Zijn lijden verlengen door hem te drinken te geven,
maar de anderen duwen hem weg:
‘Laat dat. Wacht of Elia ook werkelijk komt om deze Koning te bevrijden.’
Maar het is al te laat, want terwijl ze zich opmaken om op Elia te wachten,
laat Jezus met een luide roep weten dat Zijn einde gekomen is
en zich overgeeft in de dood.
Voor de aanwezigen mag Zijn heengaan wellicht onverwacht komen,
voor Jezus zelf niet.
Dit is het moment.
Nee, Hij heeft zichzelf niet willen redden,
al moet de verleiding groot geweest zijn, omdat de omstanders de woorden gebruiken,
Waarmee de duivel aan het begin van Jezus rondgang op aarde naar Hem toe kwam:
Als je de Zoon van God bent, als je werkelijk door God gestuurd bent,
Als je een missie hebt, kom dan van het kruis af en wij zullen in je geloven.
Dan heb je ons, dan vallen we voor u op de knieën.
Dan is er geen lijdensweg nodig, maar gaan we achter u aan naar de troon in Jeruzalem.
Maar nee, Jezus slaat deze verleiding af en blijft volhouden op de weg,
De weg die voor Hem doodloopt, maar voor ons leven geeft.
Hij wilde zichzelf niet redden, omdat Hij niet aan zichzelf dacht,
maar aan al die anderen voor wie Hij leed, voor wie Hij daar aan het kruis hangt,
die door het offer aan het kruis gered kunnen worden,
Die aan de macht van de dood kunnen ontkomen, omdat Hij zich overgeeft in de dood,
die bij God kunnen horen, omdat Hij door God verlaten werd.
Die vergeving kunnen ontvangen, omdat Hij daar in de duisternis hing
en onze zonden wegdroeg.

Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,

hangt ten spot van snode smaders.

Zoon des Vaders,

waar is toch uw almacht thans,

waar uw goddelijke glans?

 

Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,

en Hij hangt er mijnentwegen,

mij ten zegen.

Van de vloek maakt Hij mij vrij,

en zijn sterven zaligt mij.

Amen

 

Offeren, waarom moet dat eigenlijk?

Offeren, waarom moet dat eigenlijk?
De manier waarop Jezus sterft is niet willekeurig of toevallig

Iemand die sterft voor jou, voor je zonden. Het is een ergernis of een dwaasheid maar gewoon geaccepteerd wordt het nooit. Hoe moet je dat offer van Jezus duiden? De valkuilen zijn legio, zeker in een cultuur waarin we geen offercultus kennen.

Vanaf het moment dat Jezus stierf, hebben christenen nagedacht over de betekenis van dit sterven en over de betekenis van de manier waarop hij stierf. Al in de allereerste reflecties op de betekenis wordt Jezus’ sterven aan het kruis verbonden met God. Het kruis is geen toevallige gebeurtenis, maar in de ogen van Paulus het middel dat God koos om de mensen te bevrijden uit de macht van de zonde.

sllcrocifissoguidoreni
altaarbeeld van Guido Reni in de San Lorenzo in Lucina (Rome)

Het sterven van Jezus aan het kruis is allereerst een handelen van God, waarin God iets bewerkstelligt: Hij brengt daarin twee partijen bij elkaar die zonder dat kruis niet te verenigen zijn. In het sterven van het kruis wordt de mensheid, die in de macht van de boze en de zonde geraakt was, verenigd met God.

Verzoend
Aan het kruis wordt de mensheid verzoend met God. God hoeft niet verzoend te worden, aan zijn kant zit de fout niet. De mensen moeten verzoend worden met God. Voor Paulus gaat het sterven van Jezus aan het kruis niet buiten ons om. Als Jezus sterft aan het kruis, sterft elke gelovige op dat moment aan het kruis met Jezus mee, schrijft hij in Romeinen 6.

Op beeldende wijze
In de vier evangeliën wordt de betekenis van Jezus’ dood op beeldende wijze verteld. In Mattheüs, Markus en Lukas worden op cruciale momenten teksten uit Jesaja 53 verwerkt, waarmee zij willen aangeven dat er met het sterven van Jezus er iets gebeurd is in de relatie tussen God en mensen. Jezus sterft in de plaats van de mensen. Hij neemt het oordeel van God op zich en draagt dat weg. Zijn dood is een loskopen. Dat beeld wordt niet ontleend aan de slavenhandel, maar aan het vrijkopen van krijgsgevangenen die in de macht van de vijand zijn geraakt. Zo koopt de dood van Jezus de gelovigen vrij uit de macht van de zonde en de duivel.

Johannes legt andere accenten: zijn evangelie verbindt aspecten uit de tempelcultus met het Joodse Pesachfeest. Jezus is het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Jezus sterft bij Johannes op het moment dat het Pesachlam wordt geslacht. In alle vier de evangeliën staat Jezus dicht bij God of kan hij worden gezien als God zelf.
16th-St-Baptist-Ch-Wales
“The Black Christ of Alabama” – Gebrandschilderd raam in de 16th Street Baptist Church Birmingham (Alabama)

Onttronen van de kwade machten
Ook in de overige geschriften van het Nieuwe Testament is de dood van Jezus onderdeel van het handelen van God. De dood van Jezus onttroont de kwade machten, verslaat de duivel, verbreekt de macht van de dood. In zijn dood daalt Jezus in het dodenrijk neer om daar zijn overwinning te proclameren en aan te kondigen dat de gelovigen, die nu nog gevangen zijn in het dodenrijk, bevrijd zullen worden. In alle gevallen kan de betekenis van de dood van Jezus niet los gezien worden van zijn opstanding en binnengaan in de hemel.

Niet willekeurig of toevallig
De manier waarop Jezus sterft is ook niet willekeurig of toevallig. De dood aan het kruis is de meest vernederende en de meest gruwelijke vorm van ontmenselijking. Daarnaast is de kruisdood de meest eenzame vorm van sterven, want als Jezus sterft aan het kruis is hij ook door God verlaten, het is de totale vorm van Godverlatenheid.
william-congdon-crucifix-no.-2
William Congdon – Crucifix no. 2

Daarom hebben buitenstaanders en ook christenen geregeld moeite met deze vorm van sterven van Jezus aan het kruis. In de tijd van het Nieuwe Testament was de gedachte dat een God sterft aan het kruis de grootst mogelijke onzin en de hoogste vorm van Godslastering. Voor gelovigen is het moeilijk om te zien dat God ervoor kiest verworpen en vernederd te worden, dat Hij zijn zwakheid toont in plaats van zijn macht.

Moeite
Tegenwoordig hebben mensen niet minder moeite met de dood van Jezus, eerder meer. Een van de moeiten ontstaat als Jezus helemaal losgemaakt wordt van zijn eenheid met de Vader. Jezus wordt dan een mens, weliswaar een van de meest bijzondere, maar wel een mens. Dan valt het aspect weg, dat Jezus niet alleen mens is maar ook God en aan het kruis niet alleen als mens, maar ook als God daar hangt. Wanneer dat aspect van het God-zijn van Jezus wegvalt, ontstaat het beeld dat God de last van de zonde neerlegt op een mens. Dat een mens de volle woede van God over zich heen gestort krijgt.

Een ander probleem ontstaat wanneer Jezus als individueel mens gezien wordt en niet meer als representant van de hele mensheid. Dan wordt ingewikkeld om te zien wat de dood van Jezus met mij te maken heeft en raakt de gedachte uit beeld dat ik aan het kruis in de dood van Jezus meesterf.

Offer
Weer een andere moeite gaat over de beelden die gebruikt worden om de betekenis van het kruis uit te leggen. Neem het beeld van het offer, dat toegepast wordt op de dood van Jezus. Al gauw is de gedachte dat Jezus door God is opgeofferd, God slachtoffert een mens als Jezus voor een doel, dat God wil bereiken.

En dan is er nog de taal van de offercultus uit het Oude Testament die gebruikt wordt om de betekenis uit te leggen. Bij een offer in de tempel vloeide namelijk bloed. De oud-testamentische offercultus is voor ons moderne mensen moeilijk te begrijpen, omdat er met het bloedvloeien het idee ontstaat dat er iets wreeds gebeurt. De gedachte bij het offer is echter dat een dier de plaats van een mens inneemt. De kern van het offer is dat er één dier zijn leven geeft, waardoor een heel volk het leven van God ontvangt en verder kan blijven leven.

Bloed
Wanneer in Hebreeën gesteld wordt dat Jezus als hogepriester met zijn eigen bloed de hemel ingaat en voor God verschijnt, is dat een uitleg van de betekenis van Jezus’ dood: zoals het offer reinigt van zonden – een reiniging die nodig is om in gemeenschap van God te komen – zo is de dood van Jezus aan het kruis het definitieve offer. Jezus wordt niet door God geofferd, maar geeft zijn leven over in de dood. Dat doet hij bewust, met het oog op ons. Om ons vrij te kopen en te reinigen van de zonde.

Het uitleggen van de dood van Jezus aan het kruis is niet eenvoudig. We staan op heilige grond, omdat we hier te maken hebben met het meest diepe van Gods wezen, woorden schieten tekort. Woorden schieten ook tekort omdat we hier met het meest diepe in de geschiedenis van de mensheid in aanraking komen, namelijk de totale Godverlatenheid.

Daarnaast worden beelden, die in het verleden iets van dit heilige en diepe lieten zien, onbegrijpelijk doordat de tijden veranderen. Omdat we geen offercultus kennen, wordt het zoeken naar wat de Bijbel wil uitdrukken met het toepassen van het offer op Jezus’ dood. Bovendien hebben we een eeuw achter de rug waarin mensen rücksichtslos geslachtofferd werden. Er is een gevoeligheid ontstaan met betrekking tot een dood die gewild is door God.

Als we Jezus’ gewelddadige dood op Golgotha in verbinding brengen met Gods handelen, zoals heel het Nieuwe Testament doet, kunnen we er niet aan voorbij gaan dat God met het kruis op Golgotha meer doet dan vergeving en verlossing bieden: God rectificeert. Hij herstelt geschonden recht, dat wij als mensen God en elkaar hebben aangedaan. Wanneer wij als mensen het recht van een ander schenden, kunnen wij het nooit helemaal goed maken. Wij kunnen de persoonlijke schade die is aangericht bij de ander hooguit erkennen, maar rechtzetten niet.

Het bijzondere van het kruis is God zelf met Jezus’ dood, die mens is en ook God, zich verantwoordelijk maakt voor die schade en onze schuld op zich neemt, verzoent en ons en die ander herstelt.

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad 18 april 2019

Preek zondag 14 april 2019

Preek zondag 14 april 2019
Mattheüs 26:47-68

Gemeenten van onze Heere Jezus Christus,

Van mensen die Israël bezoeken hoor ik terug dat Gethsemané altijd veel indruk maakt.
Je staat op de plek waar onze Heer en Heiland geworsteld heeft
en vroeg of de drinkbeker aan Hem voorbij mocht gaan.
Het maakt indruk om daar te zijn op de plaats, waar Jezus de mogelijkheid had
om nog terug te gaan en een andere weg te kiezen en het lijden uit de weg te gaan.
Het had zo anders kunnen lopen als Jezus de weg naar het kruis niet was gegaan.
Maar na die worsteling besefte Jezus dat Hij die weg moest gaan
en boog zich en gaf zich over aan het plan van God.
Het maakt indruk om daar te zijn, omdat je beseft hoe ingrijpend de gevolgen zouden zijn
als Jezus toch afzag van de weg naar het kruis
– en toch Hij ging!
Na de worsteling met Zijn hemelse Vader gaf Hij zich over: Uw wil geschiede.
Vanaf dat moment staat er een andere Jezus.
Niet meer een Jezus die er tegen opziet om de drinkbeker leeg te drinken,
maar een Jezus die bereid is om de lijdensweg te gaan.
Als Hij voor de derde keer bij Zijn leerlingen terug komt,
maakt Hij hen wakker om hen voor te bereiden op wat komen gaat:
Sta op, want Ik heb begrepen dat Ik deze weg moet gaan
en Mijn verrader komt er aan.
De leerlingen hebben nog niet de kans om de woorden van Jezus op zich te laten inwerken,
Want op het moment dat Jezus nog in gesprek is met Zijn leerlingen
om hen voor te bereiden op wat komen gaat,
komt Judas er al aan met een hele menigte om Jezus gevangen te nemen.
Een bijzonder moment op de weg, die Jezus gaat, namelijk Zijn instemming met Gods plan
nu de uitvoering van dat plan – de weg naar het kruis – dichterbij komt,
gaat gepaard met een dieptepunt in wat mensen kunnen doen:
Verraad en dan nog wel door een van de twaalf.
Een van de twaalf leerlingen, die door Jezus uitgekozen was,
Hem volgde op Zijn wegen, Zijn woorden hoorde en Zijn wonderen zag,
met Jezus optrok en met Jezus aan een tafel zat en de hand samen in de schotel doopte.

Verraad is een van de ergste dingen die je kan overkomen.
Iemand die als een vriend met je optrok en je op het moment dat je hem nodig hebt
je in de steek laat, je laat vallen,
zich tegen je keert en zich aansluit bij je vijanden.
Verraad is meer dan het verbreken van de band die je samen hebt.
Verraad is schending van trouw.
Dat maakt het zo erg.
Terwijl Jezus net nog gezien had, dat Zijn leerlingen niet met Hem konden waken
En sliepen terwijl Hij zich worstelend overgaf aan Gods plan,
wordt Hij nu geconfronteerd met één van Zijn intimi, door Hemzelf geroepen,
die Hem uitlevert aan de hogepriester en de oudsten van het volk.
Dat zijn Zijn leerlingen, die met Hem opgetrokken hebben:
De leerlingen die Hij vraagt te waken vallen in slaap
en een ander verraadt Hem en levert Hem uit.
Jezus, die ingestemd heeft met de weg die voor Hem bepaald is,
moet die weg alleen gaan.
Al Zijn leerlingen zullen Hem afvallen en kunnen Hem niet volgen op Zijn weg.
Het is niet eens zo, dat ze afhaken, maar er zit ergernis bij de leerlingen over deze Jezus.
Voor Hij de hof van Gethsemané inging, waarschuwde Hij al Zijn leerlingen:
Deze nacht is een nacht die jullie van je leven nooit zult vergeten,
Want jullie zullen allemaal over Mij heen vallen.
Ik ben niet de Jezus die jullie steeds voor ogen hebben gehad
en daarom zullen jullie allemaal bij Mij weggaan.
Alleen moet Hij die weg gaan.
Alleen is Hij tot overgave gekomen, zonder de steun van Zijn leerlingen,
Terwijl Hij wel gevraagd had dat ze met Hem zouden waken.

De eerste die weggegaan is, komt terug en begroet Hem als een vriend,
die hij lang niet meer heeft gezien, blij om elkaar weer te zien.
Een begroeting die er op duidt dat er veel bijgepraat moet worden
over wat ze hebben meegemaakt in de tijd dat ze elkaar niet hebben gezien.
Terwijl achter Judas de mannen staan met zwaarden en stokken in de hand,
klaar om een misdadiger te arresteren,
is de stap vooruit van Judas en zijn begroeting van zijn Meester een daad
om iedereen gerust te stellen: Maak je maar geen zorgen, er is niets aan de hand.
Ik las: de Judaskus heeft Jezus zwaar gewond en Zijn ziel en geest hittiger geschroeid,
dan Zijn gelaat (K. Schilder, Christus in Zijn lijden, I, 392)

Zou Judas willen weten, wat Jezus heeft gedaan en heeft doorgemaakt
in de paar uur dat ze elkaar niet hebben gezien?
Zou hij willen horen, dat Jezus geaarzeld heeft en geworsteld heeft,
maar net op het moment dat hij, Judas, aankwam vastberaden was te gaan?
Judas, die verrader wordt genoemd, op het moment dat hij Jezus begroet als een vriend.
‘Gegroet, meester.’
In menselijke communicatie kunnen veel lagen zitten.
Zo ook met deze twee woorden, die Judas tegen zijn Meester zegt als hij Jezus begroet.
Gegroet – dat kan de vreugde van het weerzien zijn,
de vreugde iets een belangrijke boodschap te vertellen die veel betekent,
zoals de engel Gabriël Maria aansprak: ‘Wees gegroet.’
Het kan ook een ironische toon hebben: Ik groet U, maar ik meen er helemaal niets van.
Ik doe alsof U veel voor mij betekent en dat ik blij ben U weer te zien,
maar in mijn hart minacht ik U,
zoals de soldaten Jezus al spottend en minachtend begroeten,
als zij hem omgekleed hebben tot een koning: ‘Wees gegroet, Gij koning der Joden!’
Aan de buitenkant zal het geleken hebben op de groet van de engel Gabriël,
maar Jezus zal ook die andere toon hebben opgevangen,
waarmee Hij later die nacht begroet zal worden door de soldaten.
‘Gegroet’ – al in dat ene woordje, in de begroeting, kan, net als in de kus,
een dubbele boodschap zitten: oppervlakkig gezien toenadering,
maar van binnen, in het hart afscheid en minachting, verraad.
Had Jezus in de Bergrede niet gezegd dat Zijn volgelingen moeten zijn:
mensen met een hart dat één is: één in het dienen van God.
Hier is Judas dubbelhartig: aan de buitenkant betoont hij zijn loyaliteit aan Jezus,
maar van binnen is er een ander die zijn hart gewonnen heeft: de boze.
Een ambivalente boodschap zit ook in de aanspraak ‘Meester’:
Judas geeft aan veel van Jezus’ woorden te hebben opgevangen, te hebben geleerd
een eerbetoon: er is nog nooit iemand geweest van wie ik zoveel leerde.
En toch zit er ook een afstand nemen, een stap achteruit,
want Meester is minder dan Heer.
Judas kan Jezus niet meer als Heer aanspreken, alleen nog als Meester.
Judas ontworstelt zich steeds meer aan Jezus, probeert zich van Jezus te ontdoen.
Zoals Jezus nog zo even op een knooppunt stond: Ga Ik die weg of niet?
Zo staat ook Judas op een knooppunt: Keer ik terug naar mijn Heer,
of neem ik steeds meer afstand en kies ik de tegenpartij en verraad ik Hem?
Je zou het Judas toe willen roepen: Weet je wel wat je doet?
Wat is er in je gevaren? Keer nog om nu het nog kan!
Zorg dat wat in je hart leeft, je niet gaat beheersen,

waardoor je Jezus verraadt – en het leven dat Hij alleen geven kan opgeeft.
Je kunt je afvragen of Judas wel echt in Jezus heeft geloofd.
Kan iemand die een echt geloof heeft Jezus kwijtraken,
zich aan Hem ontworstelen en tegen Hem keren?
Ik weet niet of we een antwoord op die vraag moeten weten.
Het is genoeg dat Judas voor ons een waarschuwend voorbeeld is
om het niet zover te laten komen dat je stap voor stap bij Jezus weggaat,
dat het geloof van je afglijdt, dat je teleurgesteld wordt
En uiteindelijk die laatste stap zet om je tegen Jezus te keren.
Keer om! Ga weer naar Jezus terug, niet om Hem met een Judaskus te begroeten,
maar op je knieën om Hem als je Heer te aanbidden!

In het antwoord dat Jezus geeft, zit ook die boodschap: Let op wat je doet Judas.
‘Vriend!’, zegt Jezus.
Het is een ongebruikelijk woord, dat alleen in het evangelie van Mattheüs voorkomt.
Buiten de Bijbel heeft het de betekenis, dat je iets gemeenschappelijks hebt.
Je hebt samen veel meegemaakt, je deelt ervaringen met elkaar.
Dan kan Jezus ermee bedoelen: Weet je niet meer, Judas, wat we samen mee maakten?
Ben je dat vergeten? Heb je dat verdrongen?
Weet je niet meer wat je in het met mij meelopen, achter Mij aan gaan allemaal hebt gezien?
Heb je niet gezien dat Ik het Koninkrijk der hemelen kom brengen
en dat jij daar in mag delen, dat jij bij Mij mag horen?
Mattheüs gebruikt het woord 3x
en in de twee andere keren klinkt er een waarschuwende toon in door:
Jezus gebruikt het in een gelijkenis, waarbij werklieden de hele dag werken in de wijngaard
en ook mensen die het allerlaatste uurtje nog even meehelpen.
Wanneer de mensen, die de hele dag hebben gewerkt protesteren,
Zegt de eigenaar: Vriend, dat hadden we toch afgesproken?
In de tweede keer is het opnieuw in een gelijkenis.
Er is een koning, die een maaltijd klaar maakt vanwege de bruiloft van zijn zoon.
De genodigden komen niet.
Er worden overal mensen vandaan gehaald.
Ze hebben niet de juiste kleren, maar krijgen de kleren van de koning,
zodat ze waardig kunnen deelnemen aan het feest.
Er is echter één man, de zijn eigen kleren aangehouden heeft.
Hij wordt door de koning aangesproken: Vriend, hoe ben je binnengekomen?
Vriend, zegt Jezus tegen Judas
En er klinkt de toon in door: ben je werkelijk Mijn vriend?
Ben je zoals je je voordoet, of ben je ten diepste, in je hart een ander?
Nog is het tijd om je te veranderen.
Je houdt Mij trouwens niet voor de gek, je kunt je van buiten nog zo mooi verpakken,
Ik kan je hart lezen. Ik weet wie je bent. Ik peil je motieven.
Ik weet wat je plan is.
De discipelen weten niet wat er speelt, want zij willen Jezus verdedigen
en een van de leerlingen grijpt een zwaard en zwaait om zich heen
om aan te geven dat ze Jezus niet laten gaan
en desnoods met hun eigen leven willen verdedigen,
maar ze hebben zitten slapen, toen Jezus worstelde
hebben nog niet begrepen wat Jezus hen uitlegde, toen Hij vertelde dat Judas eraan kwam.
Deze weg moet Ik gaan. Ik ben bereid om te gaan.
Hier ben Ik –
Toen zei ik: zie ik kom. In de boekrol is over mij geschreven.
Ik vind er vreugde in, mijn God, om Uw wil te doen.
Geen verzet bij Jezus, maar overgave.
De leerlingen van Jezus mogen niet voor Hem strijden.
De twaalf legioenen engelen moeten in de hemel blijven
en mogen niet afdalen naar de aarde om hun Aanvoeder bij te staan of te verlossen.
De rest van de uren die Jezus nog restten, tot Hij aan het kruis geslagen worden,
worden gekenmerkt door deze overgave, die verdiept is in de worsteling in Gethsemané,
Toen Jezus besefte dat Hij niet mocht afwijken, dat Hij de beker niet mocht afwijzen,
maar moest leegdrinken.
Het verraad brengt Hem niet van Zijn stuk.
Hoe de kus Hem ook geschroeid moet hebben, Hij blijft vastberaden.
Welke beschuldigingen er ook ingebracht worden, ook al zijn ze verzonnen
en is het daarmee net zo laag bij de grond als het verraad van Judas met de kus,
Jezus zwijgt om daarmee net als Judas een teken te geven, een hint:
Ik vecht niet terug, maar Ik stem er mee in. Dit is de weg die voor Mij is uitgetekend.
Twee keer klinkt het: Hiermee wordt de Schrift in vervulling gebracht.
Eerst als vraag aan de leerlingen: Heb je het dan niet door gehad?
Heb je niet opgelet toen je met Mij optrok? Ken je Gods plan niet?
Een tweede keer naar de menigte, die Jezus gevangen komt nemen:
Jullie denken, dat dit jullie plan is,
maar door jullie optreden heen, dat net zo vol kwaad is als de ontrouw van Judas,
werkt God aan Zijn plan, dat plan dat al aan de profeten werd onthuld,
Waar zij al spraken, om het volk op de juiste weg te brengen.
Steeds dwaalde het volk af en ging het bij Mij weg.
Dat jullie Mij aanhouden past in die lijn.
Een lijn, die niet alleen kenmerkend is voor IsraËl, maar die al begint in het paradijs
en die zal blijven totdat Christus terugkomt,
als Zoon des mensen, waarbij Hij aan het hoofd van alle engelen
op aarde neerdaalt om te oordelen de levenden en de doden.
Tot die tijd zal er steeds ongeloof en verzet zijn, maar dan definitief gebroken
en zal iedereen Hem zien WIe Hij is: de Christus, de Zoon van de levende God.
Dat wij geloven is alleen maar een wonder,
Een wonder, dat ons nee is omgedraaid in een ja,
dat Hij ons aansprak: Vriend en dat we daarin een waarschuwing hoorden
En wisten dat we op de verkeerde weg waren,
dat ons hart – anders dan bij Judas – wel geraakt werd door Zijn waarschuwing,
Waardoor ons hart voor Hem open gingen en we weer naar Hem toe gingen,
niet om Hem de Judaskus te geven, maar een gebroken hart.
Heer, U deed dat voor Mij. U was bereid voor Mij te gaan.

 

Ja, ik kost Hem die slagen,
die smarten en die hoon;
ik doe dat kleed Hem dragen,
dat riet, die doornenkroon;
ik sloeg Hem al die wonden,
voor mij moet Hij daar staan;
ik deed door mijne zonden,
Hem al die jamm’ren aan.

Laat mij toch nooit vergeten
die kroon, dat kleed, dat riet!
Dit trooste mijn geweten:
’t is al voor mij geschied!
Amen