Wat is preken?

Wat is preken?
Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011) – 2

Over enkele weken houdt IZB Areopagus Studiedag IZB Areopagus over de verandering in de prediking in de afgelopen decennia.  Ter voorbereiding van de conferentie wordt gevraagd literatuur te lezen. Onder andere: Reiner Knieling – Was predigen wir? In een aantal blogs wil ik iets van de inhoud weergeven. Tot slot geef ik aan wat Knieling relevant maakt voor die conferentie. Vandaag deel 2: Stemmen uit heden en verleden over wat preken is.

In de afgelopen decennia heeft vooral de vorm van de preek de aandacht gehad: hoe wordt de preek opgebouwd en hoe is de voordracht. Daarnaast was er veel aandacht voor de interactie met de luisteraars.
Knieling vindt dat het tijd wordt om ook weer over de inhoud na te denken: Wat wordt er in de preek gezegd? Welke boodschap past in deze tijd? Knieling is namelijk van mening dat de inhoud van de preek te wensen overlaat. Of het is een heel afgezwakte boodschap die nauwelijks nog verkondiging te noemen is. Of het is een verkondiging die geen rekening houdt met alle veranderingen in de maatschappij, waardoor de boodschap niet aankomt.

Knieling maakt onderscheid tussen preken en verkondigen:
* Preek: toespraak in de eredienst
* Verkondiging: overkoepelend begrip voor verschillende vormen, zoals preek, meditatie, gesprek over de Bijbel, enz.

Enkele vragen om vooraf te overdenken:
* Welke ervaring heb ik zelf met preken en verkondigen? Welke preken en verkondiging heb ik aangehoord? Waar was dat? In de eigen gemeente of elders? In een officiële kerkdienst of een bijzondere dienst op een speciale locatie? Hoe heb ik dat beleefd?
* En als actieve prediker: Voor welke situatie was dat? Hoe heb ik dat gedaan? Hoe heb ik dat beleefd? Wat wil ik ermee?
* Wat is voor mij een goede preek of een goede verkondiging?
* Wat gebeurt er tijdens de preek of verkondiging?
* Wat is preken? Wat is verkondigen?

Ten aanzien van de stemmen uit heden en verleden die voorbij komen:
* Wat zou ik precies zo formuleren?
* Wat zou ik aanpassen of heel anders formuleren?

1) Bijbelse ontdekkingen
In Oude en Nieuwe Testament is te zien dat God zich aan mensen toont. Hij spreekt tot hen. Daarop spreken mensen met anderen over God, die gesproken heeft. In de Bijbel worden alledaagse woorden gebruikt voor dat spreken van God:
– Spreken – Vertellen – Leren, onderwijzen
– Roepen – Bekend maken – Herinneren
– Mededelen – Laten horen – Inscherpen
Zowel het Oude als Nieuwe Testament wordt op verschillende manieren gesproken over de communicatie van God tot mensen.

Wat kunnen we uit de Bijbel leren voor de preek en verkondiging vandaag de dag?
(1) Het spreken van God kent net zo verschillende vormen van communicatie als het leven zelf. Dat spreken is in ieder geval gevarieerder dan de huidige preekvorm in de eredienst en zelden een monoloog.
(2) Het spreken van God is niet zonder effect. De mensen reageren wel steeds verschillend op het spreken van God: mensen geven gehoor, mensen spreken hem tegen, of wijzen het van de hand.
(3) Het spreken van God op zoveel verschillende manieren laat iets zien van de grootheid en het geheimenisvolle van God: God is niet op een noemer te brengen.

2) Maarten Luther – Effectief spreken van God
Voor Maarten Luther is het spreken van God van groot belang. Het is een levendig spreken van God tot de gemeente; een levendige dialoog waarbij God spreekt en de gemeente antwoordt door gebed en lofzang.  Dat spreken van God kent twee dimensies: wet en evangelie (of: eis en vrijspraak). Deze twee dimensies vallen niet samen, maar kunnen ook niet van elkaar losgemaakt worden.
Het spreken van God heeft effect: het spreken werkt geloof. Het spreken van God raakt de mens in het hart en in het geweten. Dat hart en dat geweten is aan de ene kant de kern van ons persoon-zijn, aan de andere kant is dat een innerlijk gebied waarin nogal wat gebeurt aan kwade krachten, kwade gedachten en handelingen. Wie in zijn eigen hart kijkt, kan schrikken wat hij of zij daar aantreft aan duistere hoeken en ravijnen. De wet in Gods spreken wijst dat duistere aan, maar het evangelie geeft aan hoe de mens daarvan kan loskomen, bevrijd kan worden, voor Gods aangezicht kan worden vrijgesproken van schuld.

In de preek komt dat levendige spreken van God tot de gemeente. Er is een levendige dialoog tussen God en de gemeente. De predikant die de preek houdt heeft die dialoog zelf eerst gehad, waarbij er bij de predikant niet direct geloof is. De weg naar de preek is een weg van uitvoerig bemediteren en jezelf laten aanspreken en in een openheid voor Gods spreken (gebed). Dit overdenken, doorleven en ter harte nemen gaat niet zonder aanvechting. Deze overdenking en die aanvechting moet tot Christus leiden. Hij is de basis van het geloof. Hij spreekt vrij.

Luther had twee fronten waartegen hij zijn visie op preek, verkondiging en eredienst moest afzetten:
* Tegenover Rome: het priesterschap van alle gelovigen, die de verkondiging horen en in staat zijn om die verkondiging inhoudelijk te beoordelen.
* Tegenover de ‘Schwärmer’: de eredienst kent een bepaalde ordening: de orde van dienst. Het belangrijkste is het levendige spreken van God. De orde van de dienst is daaraan ondergeschikt. Luther creëerde naast de Latijnse mis de mogelijkheid om de kerkdienst in het Duits te houden (Deutsche Messe). Die verschillende vormen bedreigen de eenheid van de gemeente niet.
De orde was is niet onbelangrijk. De Geest verbindt zich namelijk aan de Schrift en aan Christus.

Knieling is gefascineerd door het vertrouwen dat Luther heeft in de verkondiging, omdat de levende God zijn stem daardoor heen laat klinken en een levendige dialoog met de gemeente aangaat en in staat is geloof te wekken. Dat geeft hem gelijk een zelfkritische vraag: Preek ik met zo’n verwachting dat mijn verkondiging van het evangelie in staat is om geloof te wekken?

Hoe zit dat met dat effectieve woord, dat effectieve spreken in de beeldcultuur van vandaag de dag? Luther verbande de beelden niet uit de kerk en kon heel beeldend preken. De Bijbel bevat ook veel grootse beelden, die ook in deze tijd indruk kunnen maken.

(3) Friedrich Schleiermacher (1768-1834)
De kerkdienst is volgens Schleiermacher een plaats van de circulatie van het godsdienstige bewustzijn. De mens heeft volgens Schleiermacher een bewustzijn van totale afhankelijkheid van het transcendente. Dit bewustzijn wordt in de preek gedeeld, waardoor de gemeente daarin wordt meegenomen of daardoor wordt aangestoken. Een preek is daarom geen leerrede of moralistisch verhaal, maar een toespraak die de gemeente wil opbouwen. De preek roept de werkelijkheid die er bij mensen reeds is – namelijk dat bewustzijn van totale afhankelijkheid van het transcendente. God heeft dit bewustzijn ingeschapen. Schleiermacher spreekt in zijn preken de gemeenteleden daarom ook als christenen aan (en niet als mensen die nog bekeerd moeten worden).
In de theorie van Schleiermacher is de persoon van de prediker van groot belang: de prediker is als een kunstenaar die het bewustzijn bij de gemeente oproept. Daarbij gaat het Schleiermacher niet om een emotie of een stemming, maar om de inhoud van wat de prediker als kunstenaar oproept. De prediker kan dat alleen als de prediker zelf is aangesproken en daarvan deelt met de gemeente.
Dat is ook wat Knieling fascineert in de visie van Schleiermacher: de preek als godsdienstige toespraak door een prediker die is aangesproken, doordat de prediker is geraakt door een religieuze ervaring op basis van de kerninhoud van het christelijk geloof aan de hand van de Bijbelse teksten. Dit aangesproken zijn prikkelt het godsdienstige bewustzijn en bouwt de gemeente op.

4) Karl Barth (1886-1968)
Van Karl Barth stamt de beroemde omschrijving van verkondiging dat wij niet over God kunnen spreken (omdat God te groot is om te begrijpen en in mensenwoorden te vangen), maar dat we wel moeten (omdat God ons mensen daartoe heeft opgedragen).
Voor Karl Barth heeft de preek een verwijzend karakter: Zij wijst op het Woord van God. De preek valt niet samen met het Woord van God. Mensenwoorden worden niet veranderd in woorden van God. Het is niet de taak van mensen om God tot spreken te brengen. Dat zou menselijke hoogmoed zijn.
Maar het woord van God is wel verborgen aanwezig in de preek. De taak van de prediker is om zo op de vragen van de gemeenteleden in te gaan (en die vragen open te houden) tot God zelf met een antwoord komt. Daarom is het gebed om de Geest van God van groot belang in de kerkdienst. Alleen Gods eigen spreken kan dat antwoord geven.
De visie op preken en verkondiging die Barth had wijkt dus niet eens zoveel af van wat Ernst Lange voorstond. Barth had er ook geen moeite mee dat communicatiewetenschappen werden toegepast in de reflectie op en de praktijk van het preken.

Wat Knieling aan Barth fascineert, is dat bij Barth de prediker een bescheiden rol krijgt: de eigen mening is ondergeschikt aan wat God te zeggen heeft. Barth had een besef van de voorlopigheid van de eigen theologie. Aan de andere kant wilde Barth oog hebben voor wat de mensen bezighield. In de verkondiging worden de luisteraars voor het aangezicht van God waargenomen. De wereld waarin wij leven, met alle chaos en ongerijmdheid, is niet zomaar een wereld, maar Gods wereld. Dat wenst Knieling meer: dat de preek een ruimte opent, waarin de inzicht vanuit de Schrift kan ‘inbreken’ in de levensgeschiedenis van mensen, die zich daardoor serieus genomen weten en iets van God ontdekken, omdat hun vragen en ongemak zolang wordt uitgehouden tot God iets van zichzelf laat zien of horen.

5) Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)
De visie van Bonhoeffer is – zoals bij veel predikers – gevormd door een gevecht met de eigen tijd. Zijn visie is gestempeld door wat hij zag als zijn roeping van Godswege. Toen hij door de Bekennende Kirche werd gevraagd om predikanten op te leiden, besteedde hij op het Finkenwalder seminarie veel aandacht aan de prediking. Daarbij kregen praktische vragen volop de aandacht, zoals de tijd die aan een preek besteed moet worden. De praktische vragen waren voor Bonhoeffer echter van ondergeschikt belang ten opzichte van de inhoud van de verkondiging. Door zijn discussies met de Deutsche Christen en de koers van de kerk in de nazi-tijd zette hij radicaal in bij het Woord van God. De tekst uit de Bijbel plaatst ons in Gods aanwezigheid. Het gaat er niet om dat de predikant moeite doet om de kloof tussen de tekst uit het verleden en de hoorder in het heden te overbruggen. In de preek is Christus namelijk aanwezig, die zich tot de gemeente richt. Christus vraagt om gehoorzaamheid. We kunnen de inhoud van het geloof niet overwoekeren met allerlei menselijke inzichten, zoals dat bij de Deutsche Christen gebeurde. Prediking krijgt, door het presentstellen van de levende Christus, een profetische strekking: de gemeente wordt voor Gods aangezicht gesteld en bevrijd tot geloofsgehoorzaamheid.

Knieling is onder de indruk van de moed van Bonhoeffer. Daarnaast is Knieling onder de indruk van Bonhoeffers houding zich helemaal onder te dompelen in de Bijbelse boodschap en zich daardoor uit de greep van verleidelijke ideologieën werd gehouden. Bonhoeffer inspireert ook om het maatschappelijke en het politieke niet uit het oog te verliezen, maar de verwerken in de verkondiging. Bonhoeffer daagt uit om waakzaam te zijn en als gehoorzame christen een andere weg te gaan in geloof. Een weg van moed, passie en eerlijkheid, maar ook een weg van scepsis en angst.

6) Ernst Lange (1927-1974)
Ernst Lange groeide op in de nazi-tijd en was actief in een tijd waarin het nazi-verleden als een donkere schaduw over zijn land hing. Hij was op zoek naar nieuwe vormen voor de kerk. Hij was betrokken bij de oprichting van een kerk die in Berlijn-Spandau werd gevestigd in een bakkerij (de zogenaamde Ladenkirche). Lange was vooral geïnteresseerd in hoe de verkondiging gebeurt. Het was de tijd van de empirische wending in de praktische theologie: alle facetten van geloof en kerk werden op empirische wijze onderzocht en verwerkt in de theologische doordenking. Op basis van die empirische onderzoeken wilde men de praktijk van de kerk, van de gemeente en geloof vernieuwen.
Voor Lange was de preek een van de vormen van de communicatie van het evangelie. Lange ging in dialoog met zijn gemeente over de inhoud van de verkondiging. ‘Wil mijn preek relevant zijn, dan moet het niet alleen opkomen uit het gesprek, maar ook het gesprek weer openen.’ Een bekende uitspraak van Lange is dat hij in de preek met de hoorder spreekt over zijn of haar leven in het licht van het evangelie (als belofte). De preek is een persoonlijk gewaagd woord, dat nieuw wil zijn in deze context, een woord van belofte dat Gods belofte in deze context opnieuw laat horen.
Lange was zich ervan bewust dat de situatie waarvoor de preek wordt voorbereid en waarin de preek gehouden wordt, invloed heeft op de vorm en de inhoud van de preek. Tegelijkertijd wilde Lange vasthouden aan het belang van de Bijbeltekst. De preek was een dialoog tussen beide werelden: de wereld van de hoorder en de wereld van de tekst. Het materiaal voor de voorbereiding voor de preek bestond daarom uit twee delen: een schets van de boodschap en een schets van de context.

De theorie van Ernst Lange is van grote invloed geweest. Mede door Lange werd de inhoud van de preek niet alleen meer bepaald door de Bijbeltekst, maar kreeg de maatschappelijke en politieke context een plek in de preek. Mede door Lange is er ook aandacht gekomen voor de preek als communicatiemiddel. Sindsdien wordt onderzocht wat belemmeringen en stimulansen voor de preek zijn. Mede door Lange kwam er aandacht voor de diverse leefomstandigheden en werelden waarin kerkgangers zich bevinden. Mede door Lange werden kerkgangers serieus genomen als interpreten en duiders van de eigen tijd. Zelf voeren zij vaak zelf al de dialoog tussen de Bijbelwoorden en hun eigen context. De preek kan die dialoog versterken of oproepen.

7) Rudolf Bohren (1920-2010)
Ernst Lange had een tijdgenoot die dezelfde hartstocht voor de luisteraars en hun leefwereld had: Rudolf Bohren. In de jaren-’70 was lag het niet voor de hand om de overeenkomsten te zien. Op verschillende terreinen binnen de praktische theologie woedde een felle polemiek tussen aanhangers van een kerugmatische benadering en een meer therapeutische benadering over de rol van de sociaalwetenschappelijke vakken en het gebruik van empirische methoden. In de jaren-’90 zwakte de polemiek af en ontstonden dwarsverbanden en respect over en weer. Bohren raakte bijvoorbeeld bevriend met Dietrich Stollberg en er kwamen modellen en voorstellen die inzichten uit beide tradities wilden verwerken (Albrecht Grözinger, Peter Bukowski, Reiner Knieling, e.a.)
Bohren bespeurde in zijn tijd een grote sprakeloosheid, omdat het wonder van Gods spreken niet werd opgemerkt. Bohren vermoedde dat de grote aandacht voor de sociaalwetenschappelijke vakken en de retoriek een escape was om dat uitblijven van het wonder te ontvluchten, een vlucht in het perfectioneren van maakbare methoden en sociaal engagement. Bohren vond het uithouden van het zwijgen van God relevanter. Bohren begon aandacht te vragen voor het werk van de Geest en werkte zijn homiletiek ook pneumatologisch uit. Waar er in de christologie eenrichtingsverkeer is naar de mensen toe, is er in de pneumatologie samenwerking: de Geest werkt door middel van mensen, schakelt mensen in. Bohren werkte de ‘theologische reciprociteit’ van A.A. van Ruler uit op praktisch-theologisch gebied. Door deze gedachte van theologische reciprociteit wist hij het wonder van Gods spreken én menselijke methoden samen te nemen.
Bohren is een gepassioneerd theoloog, die onder andere een hartstocht heeft voor preken. Daarnaast een passie voor houthakken, skiën en dichten. Die hartstocht is in zijn preken en in zijn homiletiek te merken. Ook zijn passie voor literatuur verwerkt hij in zijn homiletiek. Door die passie en zijn aandacht voor literatuur – samen met de pneumatologische insteek – maakt zijn homiletiek vandaag de dag nog steeds waardevol.
Bohren wil de ervaring van mensen, van de prediker en de gemeente serieus nemen. Maar dan wel voor Gods aangezicht. Dat geeft respect voor God en de hoorders. Juist coram Deo komt de concrete hoorder in beeld. Het laatste deel van zijn Predigtlehre is ook gewijd aan de hoorders.
Bohren was een gepassioneerd man, die ook fel in polemieken kon zijn. Ook in zijn preken deinsde hij er niet voor terug om ‘hoekig’ te zijn. Steeds vroeg hij aandacht voor Bijbelgedeelten, waarover niet gepreekt werd omdat de prediker niet uit de voeten kon met dat Bijbelgedeelte: ‘de onbepreekte Bijbel’. Ook gaf hij aan dat het onderscheiden van de geesten vandaag de dag nog steeds van belang is.

Knieling is onder de indruk van de houding van Bohren: aan de ene kant volop aandacht voor de tijdgeest en tegelijkertijd dwarsig heeft gedacht en gehandeld vanuit het wonder van Gods handelen, het werken van de Heilige Geest. Het waardevolle uit het verleden wist hij gepassioneerd als een levende stem in het praktisch-theologische discours in te brengen. In een tijd waarin de empirie en het handelen dominant werd, bleef hij aandacht vragen voor het handelen en spreken van God.

8) Gabriel Marcel Martin (*1941)
Toen hij in 1983 aantrad als hoogleraar in Marburg hield Gabriel Marcel Martin zijn inaugurele rede over de preek als open kunstwerk. Zoals degenen die naar kunst kijkt, allemaal hun eigen interpretatie hebben, zo maken de luisteraars van de preek ook hun eigen interpretatie van de preek. Daarmee vestigde Martin de aandacht op de receptie van de preek bij de luisteraars. Elke luisteraar kan een preek anders opnemen.
Als elke luisteraar de preek weer anders opneemt, hoe zit het dan met de prediker die een eenduidige boodschap wil overbrengen? Met zijn pleidooi voor de preek als open kunstwerk wilde Martin aangeven dat de preek en de boodschap verschillend gehoord en geïnterpreteerd kan worden, maar niet dat elke interpretatie juist is. Het gaat hem er niet om dat de luisteraar met de preek aan de haal kunnen gaan, maar de oorzaken waardoor de preek zo verschillend wordt gehoord en geïnterpreteerd.

9) Albrecht Grözinger
Grözinger sluit zich aan bij Martin: de preek is een open kunstwerk. De aandacht gaat voor Grözinger niet alleen uit naar het effect van de preek op de hoorders, maar naar wat de preek in wezen is. Grözinger betrekt de esthetiek in de homiletiek. De preek zijn mensenwoorden over God. Deze kwetsbare mensenwoorden worden door God gebruikt, die zijn kracht in zwakheid toont. Preken is voor Grözinger eenvoudig (niet ingewikkeld én onbeschroomd) over God spreken. Grözinger sluit zich aan bij het model van de dialectische theologie: de prediker als getuige. Die getuige plaatst hij nadrukkelijk in de multiculturele samenleving.
De prediker die getuige is, spreekt met cortesia: met respect, eerbied en hoffelijkheid voor de ander. De prediker hanteert een tentatief spreken, waarin de eigen fascinatie, indruk of schrik doorklinkt.

10) Martin Nicol
Martin Nicol kwam in de VS in aanraking met de New Homiletics. Hij vertaalde die inzichten in een dramaturgische homiletiek, waarbij hij aandacht voor de preek als enscenering of als performance. De preek is geen spreken over God, maar een spreken vanuit  de werkelijkheid van God. De preek kan bij het oproepen en uitwerken van die werkelijkheid van god veel leren van film, creative writing, literatuur over het evoceren van beelden. Een belangrijk element in de homiletiek van Nicol is de spanning: de spanning dient opgezocht en uitvergroot te worden. In de dramaturgische homiletiek spreekt de dogmatiek een hartig woordje mee. (Nicol studeerde bij Friedrich Mildenberger.) Door bijvoorbeeld het opzoeken en uitdiepen van de spanning. Daarnaast houdt de dogmatiek het geloof levend dat in de verkondiging de levende Heer aanwezig is, de Opgestane die in deze werkelijkheid werkt. Het model van Nicol wordt gekenmerkt door enthousiasme en samenwerking met onder andere kunstenaars. Enthousiasme dat ontstaat door die spanningsvolle preken en door het gebruik maken van taal en beelden die in krant, tijdschrift, roman of film voorkomen. Nicol is betrokken bij Atelier Sprache, een homiletisch seminarie waaraan ook kunstenaars, regisseurs en acteurs lesgeven aan predikanten.

11) Eigen model van Knieling
Op basis van deze schets komt Knieling tot zijn eigen visie op preken en verkondiging:
– Als prediker spreek ik van God, die spreekt. God heeft beloofd om door mensenwoorden heen te spreken. Ik spreek van de Aanwezige, die werkt, niet van een effectloze Afwezige.
– Hoe en wat ik zeg, wordt bepaald door het spreken van God in mijn leven tot nu toe: door mijn eigen ervaring en waarneming van verkondiging en preken.
– Hoe en wat ik zeg wordt bepaald door een concrete tekst uit de Bijbel. Die tekst is net als een kunstwerk vanuit meerdere kanten te belichten. Door met die Bijbeltekst bezig te zijn op verschillende manieren zie ik mijn eigen ervaring terug.
– Ik waag als prediker een preek voor een concrete gemeente. Ik hoop dat mijn preken de aandacht van de gemeente krijgen en dat in de gemeente het vertrouwen op God wordt gesterkt en de onderlinge liefde wordt opgebouwd.
– Preken is eenvoudig over God spreken: moedig en onbeschroomd, basaal en begrijpelijk, to the point, gericht op wat de mensen bezighoudt en humorvol.
– Ik spreek niet over een vage God of een vaag gevoel, maar over de God die een geschiedenis heeft met zijn volk en de mensheid: de God van Abraham, Izak en Jakob, de Vader van onze Heer Jezus Christus.

Eenvoudig over God spreken is niet zo eenvoudig. Dat vraagt oefening, reflectie, inkeer en helderheid over mijzelf (keuzes, interesses, invloeden, beperkingen). Eenvoudig over God spreken gaat over de inhoud van de preek, niet over het effect. Hoe meer ik een bepaald effect beoog, hoe meer ik het risico loop van manipulatie.

Reiner Knieling – Was ist predigen?  Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2009) 11-49

 

De taak van de prediking in de postmoderniteit (3)

De taak van de prediking in de postmoderniteit:
God op een eenvoudige manier ter sprake brengen

De taak van de prediking is om God op een eenvoudige wijze ter sprake te brengen. Dat is namelijk de maatschappelijke taak van de kerk: om God ter sprake te brengen. Het is overigens niet eenvoudig om God op een eenvoudige manier ter sprake te brengen.Een beeld voor deze taak is de uitroep, die hij opving tijdens de uitzendingen over de gebeurtenissen in New York op 11-09: O mijn God, o mijn God, o mijn God.

O mijn God
Als de maatschappelijke relevantie van de kerk is gelegen in het ter sprake brengen van God, vraagt dat om een nieuwe competentie. De maatschappij heeft andere kenmerken dan de kerk: commercie speelt een grotere rol, de maatschappij is veel pluriformer dan de kerk. Hoe kan de kerk haar kerntaak (namelijk: het gesprek op God brengen) uitvoeren? Volgens Grözinger kan dat als de prediking in gaat op die menselijke schreeuw: o mijn God, o mijn God, o mijn God. Wanneer de prediking dat niet (meer) zou doen, verliest de prediking volgens Grözinger haar protestantse karakter.
Die schreeuw is het begin van alle theologie en vooral het begin van alle theologie in onze postmoderniteit. Deze schreeuw is niet aan een bepaalde stroming toe te schrijven, maar overstijgt elke theologische strijd. In onze postmoderniteit gaat het om de overtuigingskracht van (kleine, dwz persoonlijke) verhalen. Niet in argumenten.
Die uitroep is terug te vinden in:
– de vraag naar God in het lijden: “Waarom ik?”, ‘Waar bent u nu ik dit allemaal doormaak?’
– de roep om Gods ontferming: ‘Zie mij aan! Want als U dat niet doet, wie doet dat dan wel?’
– behoefte om dankbaarheid en verwondering te uiten. Bijvoorbeeld tijdens het ervaren van de schoonheid van deze wereld.
– wanneer iemand zijn of haar vertrouwen stelt op God.

Vreemd
Vandaag de dag speelt het spreken van en over God voor veel mensen nauwelijks nog een rol van betekenis. Voor gelovigen is dat moeilijk te accepteren. Al geeft Eberhard Jüngel in zijn Gott als Geheimnis der Welt aan, dat zo’n leven ook mogelijk is. Wanneer men God ter sprake wil brengen, kan men dus geen beroep doen op de noodzakelijkheid van Gods aanwezigheid in het leven van ieder mens.
Er zijn verschillende redenen waarom de christelijke traditie in een crisis terechtgekomen is:
– Filosofische godsbewijzen overtuigen niet meer en ook voor de ethiek is God niet noodzakelijk.
– Zelfs het grote verhaal van de joods-christelijke traditie is niet meer noodzakelijk.Oa vanwege de toenemende godsdienstige en levensbeschouwelijke pluraliteit. Zo is het monotheïstische geloof bijvoorbeeld niet meer vanzelfsprekend (vgl Odo Marquard en Jan Assmann).
– Terugkijkend blijkt dat het protestantisme in West-Europa te veel met de grote verhalen van bijvoorbeeld nationalisme en kapitalisme is verweven. Omdat de grote verhalen in een crisis terecht gekomen zijn, raakte ook het daarmee verweven protestantisme in een crisis.
Het spreken over God moet niet in de fout vervallen van fundamentalisme of relativisme. Volgens Grözinger is wat Barth aan Von Harnack schreef juist in de postmoderniteit actueel: waarachtige uitspraken over God moeten niet op het hoogtepunt van de cultuur zijn, maar van de openbaring. De (vroege) dialectische theologie kan ons helpen om niet de fout te maken van het zoeken naar maatschappelijke relevantie en noodzakelijkheid van het spreken over God. Het spreken van/over God is niet vanzelfsprekend! (Het zgn ‘Fremde’ van de ‘Gottesrede’). Volgens Grözinger is het ter sprake brengen van God het niet-noodzakelijke en niet-vanzelfsprekende tegoed van de christelijke traditie.
Als mensen kunnen wij niet aansluiten bij de noodzakelijkheid van de aanwezigheid van God in het leven van mensen. Alleen God kan een begin maken. Een preek is daarom volgens Grözinger anfängliches Gottesrede: het begin ligt bij God en is kwetsbaar in mensenhanden. Zoals elke geboorte een herhaling in het klein is van de wonder van de (eerste) schepping, zo is elke preek een herhaling in het klein (namelijk in mensenwoorden) van het machtige spreken van God. Die kwetsbaarheid van het menselijk spreken van/over God kan in de postmoderniteit overtuigend werken.

Wat betekent dat voor de prediking?
Die kwetsbaarheid uit zich in het gebruik van kwetsbare taal: ‘Gottesrede in der Postmoderne’ kenmerkt zich door ‘zarte, schwache und gerade darin die Menschen anmutende und bewegende Rede’.
Om te laten zien wat dit voor de prediking betekent, wijst hij op de kunst en literatuur. Vanuit de esthetiek valt er voor de prediking veel te leren. Preken maken betekent: je scholen in het waarnemen van de dingen waar je mee bezig bent, de wereld om je heen.
De schrijver Peter Handtke spreekt over de logica van de eerste zin. Door de eerste zin van een boek te lezen begint een ontdekkingsreis in het heden. De exegese zou men kunnen doen volgens de logica van de eerste zin. Door weg te dromen kan men tot onverwachte ontdekkingen komen.
Patricia Highsmith, schrijver van thrillers, spreekt over de logica van de lege bladzijde. Een lege bladzijde is het teken van een writer’s block, maar kan ook een nieuwe kans betekenen. Een lege bladzijde betekent immers ook een kans om (opnieuw) te beginnen. Een lege bladzijde creëert een frisse blik. Voor zo’n frisse blik is er wel tijd nodig. Creativiteit gedijt niet onder tijdsdruk. Daarom zegt Grözinger: ‘Er is geen begin van de preek als er geen tijd is om aan de preek te beginnen.’
De schrijver Robert Walser laat de logica zien van het weglopen bij de schrijftafel vandaan. Door weg te lopen en desnoods een wandeling te maken kan de predikant in een andere gemoedstoestand terecht komen, die van belang is om een goede preek te maken. Wanneer je uitgewaaid bent, kijk je weer met frisse blik naar de wereld om je heen: alsof je de wereld om je heen ontdekt, voor het eerst ziet (homiletische Empfindsamkeit).

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Albrecht Grözinger, ‘Anfängliche Predigt als Gottesrede’, in: Idem, Toleranz und Leidenschaft. Über das Predigen in einer pluralistische Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2004).

De kerkdienst als multiculturele gebeurtenis

De kerkdienst als multiculturele gebeurtenis
Albrecht Grözinger over de prediking in een pluralistische maatschappij (2)

Wat kan de kerkdienst betekenen in een multireligieuze maatschappij? In zijn essay over de betekenis van de prediking komt Albrecht te spreken over de eredienst. De preek krijgt immers gestalte in een kerkdienst. In deze multiculturele samenleving is het goed om te bedenken dat de kerkdienst is door invloed uit verschillende culturen.

Het is niet vanzelfsprekend om de kerkdienst als een culturele gebeurtenis te zien. In de twintigste eeuw lag de nadruk op het gegeven dat de kerkdienst vooral haaks staat op de cultuur. Vanaf het begin is de christelijke eredienst ontstaan vanuit verschillende culturen.
De liturgische modewoorden van dit moment benadrukken niet het verschil van eredienst en maatschappij, maar in de overeenkomst: ritueel en enscenering. De ars liturgica is daarom de hoge kunst van syncretistische vormgeving.
In de multiculturele samenleving zijn rituelen en symbolen belangrijker geworden, omdat rituelen en symbolen helpen bij de vorming van identiteit. In een plurale samenleving is het juist ingewikkeld om een oriëntatie voor je leven te vinden. De eigen identiteit moet uitgevonden worden. In een risico-samenleving (Ulrich Beck) is ook de eigen levensweg een riskante onderneming. Rituelen en symbolen kunnen helpen bij overgangen en grenzen.
De eredienst is in de multiculturele samenleving een ritueel dat steeds meer verbleekt. De eigenheid van de eredienst kan wel worden herwonnen door:
* de eredienst te zien als ontmoeting met het heilige.
* de eredienst te zien als herinnering aan de Gottesgeschichte (God Story)
* de eredienst als actualisering van de Heilige Schrift.

Ontmoeting met het heilige
Manfred Josuttis heeft met zijn godsdienstfenomenologische wending het nadenken over het heilige weer ingevoerd. Zijn concept is kritisch ontvangen:
(1) Men vindt het heilige te vaag voor de God van de Bijbel. Volgens Grözinger klopt dit gedeeltelijk, want God heeft een Naam. De Here presenteert zich echter ook als de heilige God.
(2) Het begrip mist theologische correctheid. Volgens Grözinger ontnemen theologisch correcte begrippen vaak het zicht op de werkelijkheid.
Het heilige geeft het hedendaagse levensgevoel met betrekking tot religie goed weer: men is niet expliciet religieus, maar voelt zich zowel aangetrokken (fascinosum) als zeer onder de indruk (tremendum).

De hedendaagse eredienst richt zich vaak echter alleen op de aantrekkingskracht en vergeet de heimelijkheid. Daardoor wordt de kerkdienst vaak gekenmerkt door kleinburgerlijkheid. Het heilige is niet zo nabij dat het mij op de schouder klopt, maar geeft mij ook de ervaring van afstand en vreemdheid.
Als voorbeeld hiervan geeft Grözinger het gesprek weer met zijn kapper, toen hij zich vlak voor Kerst liet knippen. De kapper ging alleen naar de kerstnachtdienst. Dan moest hij het gevoel krijgen dat onze lieve Heer naast hem in de bank zat. ‘Hoe zou je daarop reageren?’ vroeg Grözinger nieuwsgierig. Zijn antwoord: ‘Ik zou me wild schrikken!’
Vandaag de dag is er behoefte aan ‘kardinale discretie’ met betrekking tot het heilige: heilig ontzag, het naderen met vrees en beven.

Rituele herinnering aan Gods geschiedenis
In de Schrift is de heilige een Persoon met een naam. Het ervaringsspoor van God in Jezus Christus moet merkbaar zijn in de eredienst. Enscenering van dit ervaringsspoor is daarom noodzakelijk. Maar nog meer de theologische reflectie op dit ervaringsspoor.
In de theologie wordt binnen de triniteitsleer (de leer over de drie-enige God) op deze geschiedenis gereflecteerd. De triniteitsleer verwoordt de veelvoud van de geschiedenis van God (God Story, Gottesgeschichte) in Oude en Nieuwe Testament. In de triniteitsleer gaat het om die levende geschiedenis. Het gaat om de trouw en betrouwbaarheid van God in zijn omgang met mensen. Deze leer verzandt echter vaak in speculatie.
In de eredienst wordt de triniteitsleer in rituelen vormgegeven. Vandaar de noodzaak tot enscenering. In elke kerkdienst gaat het om Gods handelen in de schepping, in zijn uitverkiezing van Israël (de triniteitsleer is bewust anti-marcionitisch), in Jezus Christus tot verlossing van schepping en mensheid.
De triniteitsleer biedt volgens Grözinger een goede basis voor de betekenis van de kerkdienst in onze plurale samenleving.
In deze samenleving hebben mensen vaak alleen via-via een indruk van een kerkdienst. In films ligt er vaak de nadruk op dat een kerkdienst iets van het verleden is. De eredienst is daarom van belang: het gaat om de actuele, levende geschiedenis van God. Het christendom is nog niet voorbij. Ook een kerkdienst is niet doods gebeuren, zoals het Latijn een dode taal is, maar wordt volop gepraktiseerd en volop doorontwikkeld.

Actualisatie van de Heilige Schrift
De verdere ontwikkeling van de eredienst  gebeurt binnen het protestantisme door de actualisering van de Schrift. In binding aan de Schrift ontstaat vrijheid voor verdere doordenking en ontwikkeling.
In de protestantse traditie is God zelf aan het woord in de verkondiging. Het gesproken woord is daarom het meest passend voor het woord van God. Voor de reformator Martin Luther gaat het in de preek om een actueel en publiekelijk woord van God:
* actueel: het woord gebeurt steeds weer opnieuw en wordt steeds weer opnieuw waargenomen.
* publiekelijk: het gaat niet om een privé-openbaring of een mysterieus gebeuren.
In de prediking gaat het dan om de actualisering van dit woord van God. Deze actualisering is door de nauwe binding tussen Godswoord en mensenwoord nooit zonder risico’s. Deze actualisering vindt plaats door middel van enscenering.
Dit woord enscenering (een woord uit de wereld van film en toneel) betekent: het materiaal is van een ander (het woord van God is van God), maar in de publieke vertoning heeft de uitvoerder een eigen verantwoordelijkheid (de prediker die de preek houdt). De liturg heeft dus oefening in enscenering nodig om de geschiedenis van God in de prediking en liturgie te kunnen ensceneren. Net als een interpretatie van een kunstwerk of de uitvoering van een muziekstuk is de opvoering van de God Story in de preek open.
Bij een enscenering is nagedacht hoe het ‘verhaal’ in een toneelstuk of een film het beste kan worden weergegeven. Een goede regisseur is in staat om een indruk achter te laten bij de luisteraar of kijker, al heeft hij het niet in eigen hand. Een bezoeker gaat naar huis met de ervaring dat er iets met hem gebeurde. Die analogie bedoelt Grözinger als hij de kerkdienst een gebeurtenis noemt. Door de opvoering van de geschiedenis van God gaat de luisteraar met een indruk naar huis. Er gebeurde iets, maar de prediker had dat niet in eigen hand

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. ALBRECHT GRÖZINGER, Toleranz und Leidenschaft. Über das Predigen in einer pluralistische Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2004) p. 37-57.

 

 

 
 
 
 

 

De preek als open kunstwerk

De preek als open kunstwerk
Albrecht Grözinger over de prediking in een pluralistische maatschappij (1)

Wat kan de prediking betekenen in een multireligieuze maatschappij? En hoe kun je dat als predikant aanpakken? Over deze vragen schreef de praktisch-theoloog Albrecht Grözinger in 2004 een uitgebreid essay: Tolerantie en hartstocht. Over de prediking in een pluralistische maatschappij.

Aan het begin van zijn essay signaleert Grözinger dat predikanten weinig vertrouwen hebben in de prediking. Tegelijkertijd merkt hij dat predikanten op zoek zijn naar de betekenis van de prediking in de hedendaagse samenleving. Om predikanten te helpen bij die zoektocht schreef Grözinger zijn boek.
Wie zich vandaag de dag wijdt aan de prediking dient afscheid te nemen van veel vanzelfsprekendheden. Het homiletische landschap is fundamenteel veranderd. De pluraliteit van onze samenleving kan niet meer ongedaan gemaakt worden. Aan de andere kant dient een prediker zich ook bewust te zijn van de hedendaagse gevaren en de oppervlakkigheden. Daarvoor is moed en vertrouwen nodig.
De huidige tijd wordt ook wel getypeerd als postmoderniteit. Grözinger vindt dat de postmoderniteit een positieve ontwikkeling is die veel nieuwe kansen en ruimten biedt voor de prediking. Om die kansen te laten zien, voert Grözinger een postmodern begrip in: het kwetsbare denken.
Dit begrip is afkomstig van de filosoof Gianni Vattimo. Het kwetsbare denken staat sceptisch tegenover ontologische claims en aannames. Wie op een kwetsbare manier denkt gaat niet uit van vast uitgangspunt, maar heeft een beweeglijke manier van denken. Interpretaties zijn principieel onaf. Een interpretatie is geen definitieve visie, maar opent een nieuw perspectief. Waarheid is geen bezit, maar wordt steeds weer opnieuw ontdekt.
Een essay is daarom bij uitstek geschikt om na te denken over de rol van de prediking in de postmoderniteit.

Als een kunstwerk
Als praktisch-theoloog heeft Grözinger veel nagedacht over het waarnemen (esthetiek). Volgens hem kan een preek op dezelfde manier worden waargenomen als een kunstwerk.
Tegenwoordig wordt een kunstwerk gezien als een autonoom object. Dat houdt in dat een kunstwerk niet hoeft te verwijzen naar een realiteit, maar zelf een werkelijk creëert. Een kunstwerk bevat niet een enkele boodschap, maar roept verhalen (story, Geschichte) op. Daarvoor bevat een kunstwerk bepaalde symbolen en codes. Die codes en symbolen vormen een eigen taal. Op basis van die codes, symbolen en taal ontvouwt een kunstwerk zijn werking.
Een kunstwerk is kwetsbaar. Doordat de gebruikte codes, symbolen en taal meerduidig zijn, kan iedereen zijn eigen verhaal ervan maken. Een kunstwerk is principieel open voor meerdere interpretaties. De definitieve interpretatie bestaat niet. Het kunstwerk ontvouwt zich voor wie zich openstelt voor (de werking van) het kunstwerk.
Wat voor een kunstwerk geldt, geldt ook voor de preek. Ook de preek is open voor meerdere interpretatie. Dat komt door de gebruikte codes, symbolen en taal. Hierdoor ontvouwt een preek zijn werking voorde luisteraar. Een preek verwijst wel naar de werkelijkheid: de werkelijkheid van God.
Toch is ook de preek autonoom. In een preek gaat het om wat de hoorder oppikt en niet wat de prediker eigenlijk bedoelde. Het effect van een preek kan niet afgedwongen worden. Een preek is vooral bedoeld als een uitnodiging om in de wereld van de preek binnen te stappen.

De impliciete luisteraar
De gemeente die bij elkaar komt, bestaat uit een gemengd publiek. Het open karakter van de preek doet recht aan de verscheidenheid van de gemeente en biedt voor al die verscheidene aanwezigen de mogelijkheid om de wereld van de preek binnen te stappen.
Als de preek vergelijkbaar is met een kunstwerk, kan men ook de preek als een kunstwerk bestuderen en analyseren. Net zoals Rudolf Bohren dat deed in zijn indrukwekkende Predigtlehre (1971), ontleent Grözinger inzichten aan de literatuurwetenschap. In de literatuurwetenschap is er sprake van de impliciete lezer.
Elk boek creëert zijn eigen lezer(s). Een schrijver heeft zijn boek voor deze lezer(s) geschreven. Volgens Grözinger is het een uitdaging om deze gedachte homiletisch (d.w.z. met het oog op de prediking) te doordenken: Is er een impliciete luisteraar? Welke luisteraar had de prediker op het oog toen hij deze preek voorbereidde? Welke signalen zendt hij uit naar deze impliciete luisteraar?
Grözinger wil de gedachte van de impliciete luisteraar uitbuiten. De prediker kan zich bewust gaan richten op die impliciete luisteraar. De onverwachte gast In deze multireligieuze samenleving is de impliciete luisteraar een onverwachte gast (Fremde Gast): iemand die voor eerst ergens komt, zomaar binnenstapt en er niet automatisch bijhoort, misschien wel verdwaald is en deze taal, symbolen en rituelen voor het eerst ondergaat.
In deze multireligieuze samenleving weten de luisteraars immers weinig van het christelijk geloof. Er is sprake van een breuk met de traditie.
Niets is meer vanzelfsprekend. Alle vanzelfsprekendheden zijn verdampt in het proces van individualisering en globalisering (Grözinger komt hier later op terug als hij de gedachte van Peter L. Berger over de gedwongen keuze verder uitwerkt). Het is niet meer vanzelfsprekend om christen te zijn. De samenleving is seculier geworden. De volkskerk bestaat niet meer.
We zijn vreemden geworden in wat eerst ons thuisland was. Daarbij zijn we vreemden voor onszelf geworden. Voor Grözinger is dat niet alleen negatief! Ook al is het leven als vreemde gast niet altijd even gemakkelijk, het kan wel veel vreugde bieden.
Een preek zou zich op deze onverwachte gast moeten richten: een gastvrije preek. Zodat die onvermoede gast ook de wereld van de preek binnen kan stappen en niet belemmerd wordt door een traditie waarmee hij niet vertrouwd is. Grözinger is niet tegen traditie, maar denkt vooral na hoe iemand die niet vertrouwd is met de traditie, toch kan deelnemen aan de preek. Zo’n gastvrije preek is volgens Grözinger ook geschikt voor iemand die zijn of haar thuis heeft in het kerkelijke milieu.

Kwetsbaar in een mediacultuur
Heeft de preek nog betekenis in een mediacultuur? Een preek is immers een kwetsbaar werk dat door de allerhande media gewoon verpulverd kan worden.
Grözinger denkt dat er ruimte is voor de prediking. De preek is een vreemde eend in de bijt. Door de vreemdheid kent de preek ook een zekere dwarsheid. Die vreemdheid en die dwarsheid bieden de preek een plaats in de postmoderne samenleving. De preek kan de luisteraar tijd geven. De preek kost niet alleen tijd, maar geeft ook tijd:
* De preek verbindt de luisteraar met een eeuwenoude traditie: godsdienstige en theologische kennis van generaties geleden worden op een eenvoudige manier doorgegeven. De luisteraar hoeft daar niet extreem veel moeite voor te doen.
* De preek kent een ernst, die in deze samenleving nauwelijks meer gevonden wordt. In de preek krijgt de luisteraar de tijd om na te denken over wat er in het leven echt toe doet. In de prediking moet aan ernst recht gedaan worden. Net zoals Martin Nicol wijst Grözinger erop dat schrijvers en journalisten, colleaga’s als het gaat om het gebruik van taal, vaak meer respect hebben voor de preek en aan de preek meer waarde aan de preek hechten dan predikanten.
* De luisteraar die naar de kerk komt, wil graag iets te weten komen. Over zichzelf of over God. De prediker spreekt voor een geïnformeerd publiek dat nog meer meegenomen en ingewijd wil worden. In de kwaliteit van de preek schuilt de aantrekkingskracht.
Wanneer de prediker weet waarover hij spreekt en ook concreet is, heeft de preek een niet te onderschatten waarde in deze multireligieuze en postmoderne samenleving.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. ALBRECHT GRÖZINGER, Toleranz und Leidenschaft. Über das Predigen in einer pluralistische Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2004) p. 9-33.

Het gesprek met de postmoderne cultuur

Het gesprek met de postmoderne cultuur

Wie na wil denken over de plaats van het christelijk geloof in de postmoderniteit dient na te denken over de relatie kerk / theologie en cultuur. Want postmoderniteit is vooral een cultureel fenomeen. Albrecht Grözinger biedt in dit gedeelte de theorie en praktijk van het gesprek met de postmoderne cultuur

In de Duitse theologische traditie is er een stroming geweest, die zich bezig hield met deze relatie: het zogenaamde Kultuprotestantismus. De naam van deze stroming is door buitenstaanders bedacht. In wezen gaat in deze stroming om een bond palet van theologen, die streefden naar een modernisering van de inhoud en de vormgeving van het christendom. Dat was in hun ogen nodig, omdat de tijden razendsnel veranderden. Het kenmerkende van deze stroming was, dat men op zoek was naar een synthese tussen cultuur en christendom. Richard Rothe sprak in 1865 over een verzoening tussen godsdienst en cultuur.
 Een verzoening tussen godsdienst en cultuur kan er ook toe leiden, dat de godsdienst te veel aan de maatschappij wordt aangepast. Dat is de conclusie die Werner Elert in 1921 trekt in zijn De strijd om het christendom. Ook Karl Barth was in zijn eerste druk van de Römerbrief kritisch op het cultuurprotestantisme.

Doordenking relatie
Grözinger wil daarom niet uitgaan van de eenheid van de cultuur, maar een theologische doordenking die ruimte laat voor differentie. Zowel godsdienst als cultuur vormen beide geen eenheid, maar een bont palet van verscheidenheid.
Hij wijst eerst nog op een verschil tussen Karl Barth en Paul Tillich – twee theologen die beroemd zijn geworden vanwege hun kritiek op het cultuurprotestantisme.
Barth sprak meer over de cultuur. Een voorbeeld hiervan is zijn lezing in 1949, waarin hij een christologische cultuurtheorie uiteenzet. Dit model gaat echter over de hoofden van de aanwezige geleerden heen.
Tillich was iemand die zich bevond in de kringen van geleerden en kunstenaars. Tillich kon de estethische waarneming meer dan Barth een plaats in zijn theologie geven. Tillich ging alleen nog teveel van de synthese uit. Hij was op zoek naar een alles integrerende theorie, waarbij godsdienst een grote rol speelt: Die tragende Gehalt der Kultur ist die Religion und die notendige Form der Religion ist die Kultur. Tillich kon de humanistische cultuur ook bestempelen als de ‘latente kerk’.
Volgens Grözinger was de reden, waarom theologen uit die tijd werkten met het begrip godsdienst, dat zij op die manier een alles omvattende en alles overkoepelende theorie konden bieden. Godsdienst en theologie zou daardoor onmisbaar zijn. Men zag daardoor echter niet dat er een religieuze onverschilligheid was ontstaan. Dus geen synthese, maar wat dan wel?

Protestants oerinstinct
Grözinger introduceert wat hij noemt een protestants oerinstinct. Martin Luther gaf de voorkeur aan mondelinge communicatie boven schriftelijke vastlegging en overlevering. Esthetisch gezien is deze tegenstelling niet houdbaar. Wel is zijn nadruk op het mondelinge karakter van het Woord van God bruikbaar. Het Woord van God is aan actueel woord, dat steeds weer opnieuw waargenomen moet worden. Het Woord van God valt niet vast te leggen – ook niet in de vorm van bijbelse canonisatie. Dit sluit aan bij de postmoderne verdenking van de grote verhalen.
Aan de andere kant hecht Luther aan het publiekelijke van het waarnemen van Gods Woord. Het waarnemen van dit Woord gebeurt niet heimelijk of in geheimzinnige taal, maar in een publieke ruimte. Met deze twee begrippen: het mondelinge en het publieke karakter heeft Luther een spannende dynamiek ontdekt. Waar het Woord van God actueel wordt, ontstaat een ruimte om waar te nemen. Deze ruimte kan niet van tevoren worden bepaald, maar ontstaat in het moment van de waarneming. Het opgemerkte Woord van God brengt zijn eigen publiciteit mee.
Luther heeft dus geen definitie van godsdienst of een theologische omschrijving van cultuur nodig om betrokken te zijn op de cultuur. Maar is dit protestantse oerinstinct ook in postmoderne omstandigheden bruikbaar? Kan dit instinct een theologische esthetiek opleveren? De postmoderne cultuur is immers autonoom en radicaal pluraal geworden?

Theologische esthetiek
Een theologische esthetiek kan niet bij voorbaat uitgaan van de relevantie van het grote verhaal van het christendom. Ook kan een theologische esthetiek zich niet beroepen op de indrukwekkende culturele traditie van het christendom. Een theologische esthetiek kan alleen maar onderdelen van het grote verhaal van het christendom relevant maken wanneer deze onderdelen met het levensverhaal van postmoderne mensen in verband gebracht kunnen worden. Het gaat hierbij om actuele constellaties en ensceneringen. Hier raakt de postmoderniteit aan het protestantse oerinstinct.
Voor de theologische esthetiek gaat het om de waarneming hoe in bepaalde constellaties (iets van) de geschiedenis van God baanbreekt. Voor de theoloog gaat het erom, deze bepaalde geschiedenis van God en niet een of ander nieuw cultureel fenomeen te belichten[1]. De reflectie slaagt niet bij voorbaat en is telkens weer opnieuw een waagstuk – het protestantse oerrisico. Want je weet niet wat er uit (de analyse van) de constellatie komt. Toch gaat Grözinger dat waagstuk graag aan – vanwege die geschiedenis van God.

Het belang van traditie
De postmoderniteit heeft ambivalente houding ten opzichte van geschiedenis en traditie. Geschiedenis wordt vaak gezien als een constructie, die geen recht doet aan de werkelijkheid. Aan de andere kant is geschiedenis nodig vanwege het gedenken. Grözinger geeft het voorbeeld van de herinrichting van Berlijn na de Wende van 1991. In de architectuur en de media is hierover fel gedebatteerd wat er van het verleden bewaard moest blijven (en waarom) en wat vernieuwd mocht worden (en waarom en hoe).
Bovendien is een traditie nodig om het kader te leveren aan de hand waarvan men fenomenen kan duiden. Deze traditie dient wel opnieuw verwerkt te worden. Alleen een levende traditie kan vernieuwd worden.

Taak van het christendom in de postmoderne samenleving
Het christendom heeft de taak door innovatieve aanwezigheid de bijbels-christelijke traditie te bewaren en de geloofwaardigheid van deze traditie steeds te laten zien. Met een speelse moed kunnen ze het culturele terrein betreden. Waar de christelijke inhoud niet meer door een autoriteitsclaim institutioneel wordt gewaarborgd, ontstaat er ruimte voor nieuwe waarneming:
* Wie hangt daar in de kerk die in tijdens de vakantie heb bezocht aan het kruis?
*  Waarom zet Joh. Seb. Bach de Joden zo scherp neer in de Mattheüs-Passion? Wat zeggen hedendaagse theologen daarover?
* Waarom heeft de Leeuwekoning in de film van Walt Disney een hemelse stem als hij Simba verkiest?
Wanneer theologie en kerk deze vragen onbevangen horen en niet diskwalificeren, kunnen ze op een aandachtig gehoor rekenen. Deze werkwijze hoeft niet ten koste te gaan van de uniciteit van het christelijk geloof. Maar die uniciteit kan alleen worden gehandhaafd als ook het niet-vanzelfsprekende en het weerstand-oproepende van het christendom wordt benadrukt.

Het christendom is in zekere zin anachronistisch, maar daardoor ook aantrekkelijk. Wanneer mensen ergens in hun levensgeschiedenis op deze eeuwenoude traditie stuiten, kunnen ze ook nieuwsgierig worden. Als een anachronisme gehandhaafd wordt omdat het meer dan de gebruikelijke mode geeft, kan het ook een basis worden voor iets nieuws.
 
 n.a.v.: Albrecht Grözinger, Die Kirche – ist sie noch zu retten? Anstiftungenfür das Christentum in postmoderner Gesellschaft (1998) p. 49-83.


[1] Volgens Günter Figal zijn er 3 hermeneutische modellen:
* Een hermeneutiek die het traditieproces analyseert. In dit model vertrouwt men op de continuïteit van de tradities (vgl. H.-G. Gadamer).
* Een hermeneutiek die de verschillende perspectieven integreert. In dit model is er geen overkoepelende traditie, maar een veelheid aan symbolen en duidingen (de deconstructie van J. Derrida).
*  De hermeneutiek die de constellaties die opduiken analyseert – het model waar Grözinger zelf voor pleit.

ds. M.J. Schuurman

De plaats van de kerk in de postmoderniteit

De plaats van de kerk in de postmoderniteit

De kerk verkeert al geruime tijd in een crisis. Leden haken af en de boodschap die de kerk brengt, lijkt niet meer gehoord te worden. Voorheen was er een duidelijk verband tussen de kerk en de samenleving. Nu die samenleving pluralistisch is geworden, is de kerk op zoek naar haar plaats in deze samenleving. De Duitse praktisch-theoloog Albrecht Grözinger gelooft dat de kerk in deze (postmoderne) tijd een belangrijke rol te spelen heeft

Postmoderniteit
De crisis van de kerk is onder andere veroorzaakt door de veranderde tijd. De tijd waarin ij vandaag de dag leven wordt aangeduid als postmoderniteit. Wat is postmoderniteit? Grözinger typeert postmoderniteit aan de hand van drie ontwikkelingen:

(1) De eigen leefwereld waarin mensen leven is geïndividualiseerd.
Het is niet meer vanzelfsprekend dat een kind in de voetsporen van de ouders treedt. In de moderniteit was de rolverdeling duidelijk. Het was duidelijk wat de positie van de man en de vrouw was. Het was duidelijk wie de baas was en wie de werknemer. Die rolpatronen konden hele klassen stempelen.
Vandaag de dag is dat anders. Elk onderdeel van het menselijk leven heeft te maken met individualisering en een plurale invulling:
* Naast het traditionele huwelijk zijn verschillenden vormen van relaties en samenleven opgekomen. En binnen het traditionele huwelijk zijn de patronen vaak sterk veranderd.
* Wie de arbeidsmarkt betreedt, kiest zelfstandig een beroep. Dat was vroeger anders. Velen van de oudere generatie gingen op hun 12e of 14e werken. Tegenwoordig is er een groep die op hun 16e gaat werken, terwijl veel jongeren pas na hun studie gaan werken.
* De rolpatronen liggen niet meer vast. Wat jong is of wat oud is, is niet meer duidelijk. Wat een oudere doet, is heel wat anders dan een ouder persoon in het begin van de 20e eeuw deed.

(2) Argwaan tegen ‘grote verhalen’
Dit argwaan is onder woorden gebracht door de filosoof J.-F. Lyotard. Volgens hem hadden de grote verhalen hun geloofwaardigheid verloren. Met een groot verhaal (of: meta-verhaal) bedoelde hij: een systeem of een theorie dat aanspraak maakt om het hele leven te ordenen en te verklaren. Dat systeem perst de individuele levens in deze mal. Een groot verhaal gaat uit van de fundamentele eenheid van de samenleving.[1] In de 20e eeuw bleek deze fundamentele eenheid ook dwang en onderdrukking te veroorzaken.[2]
Grote verhalen zijn: nationalisme, socialisme, Verlichting, kolonialisme, kapitalisme, techniek, enz. Grözinger wijst er op, dat elk groot verhaal zijn goede kanten heeft en zijn slechte kanten. In de postmoderniteit is er aandacht voor de ambivalentie van de grote verhalen.
Is het christendom ook een groot verhaal dat zijn geloofwaardigheid verloren heeft? Terugkijkend moeten we zeggen, dat het christelijk geloof vaak verweven is geweest met die grote verhalen, waardoor de eigenheid ingeleverd werd. Ook hier is sprake van die ambivalentue die voor grote verhalen kenmerkend is.
Er was geregeld een te directe band tussen kolonialisme en zending, tussen Verlichting en christendom, tussen nationalisme en christendom. Het christelijk geloof moet weer van deze grote verhalen losgemaakt worden.
Volgens Grözinger kan dat ook. Hij beroept zich op de reformator Luther. Op zijn sterfbed sprak Luther over de in zijn eigen leven ervaren geschiedenis van God (aeneis van God). Deze Godsgeschiedenis is een waarborg tegen elk groot verhaal, dat zijn boekje te buiten gaat. Alleen God kan het gehele leven overzien en verklaren.Menselijke systemen die dat nastreven gaan tegen het eerste gebod (de basis van de rechtvaardiging van de goddeloze) in.

(3) Het uitvinden van het eigen leven
Omdat er geen overkoepelend systeem meer is en de rolpatronen niet meer vastliggen, moet ieder individu zijn eigen leven ontdekken en uitvinden. De grammatica om het eigen leven te duiden ontbreekt. Het eigen leven is een project.
Maar ook hier is er sprake van ambivalentie: het eigen leven moet uitgevonden en ontdekt worden. De socioloog Peter L. Berger heeft hier geregeld op gewezen. Berger geeft aan dat dit project ook kan mislukken.
Vanwege deze dwang tot ontdekking is er behoefte om het eigen leven te ordenen. Mensen zijn op zoek naar taal en verhalen die het eigen leven duiden, die ervaringen onder woorden brengen, richting kunnen geven.
Die behoefte aan ordening is te zien in een verlangen naar overgangsrituelen (rites de passage).

De plaats van de kerk
Grözinger gebruikt de behoefte aan ordening (overgangsrituelen en aangereikte verhalen) om de plaats van de kerk aan te wijzen.
Hij gaat terug naar het Vroege Christendom. Het Vroege Christendom heeft haar basis in de stad. De Griekse stad (polis) had een duidelijke structuur. Die opbouw heeft effect op onze waarneming. Die structuur veroorzaakt bepaalde waarnemingen en belemmert bepaalde waarnemingen.
(Grözinger noemt die structuur een ruimteprogramma: een energetisch veld dat uitdaagt tot bepaalde waarnemingen en bepaalde waarnemingen blokkeert.)
In de Griekse stad stond de tempel bij de markt (agora). Voor de kerk was er geen plaats aan de agora. De kerk had haar plaats in de oikos, de privésfeer. Na de komst van Constatijn en vooral in de Middeleeuwen kreeg de kerk haar centrale plaats in de stad, aan de markt. De kerk was een afzonderlijke plaats (denk aan het kerkasiel).In de Renaissance veranderde dat weer. Aan de markt kwam nu de bank en het stadhuis te staan. De kerk kwam meer in de periferie te staan.
In deze postmoderne tijd zijn veel mensen nomaden geworden. Tegelijkertijd is de behoefte toegenomen aan plaatsen die markant zijn. Die markante plaatsen kunnen voor een overgang (passage) zorgen:
* Het kerkasiel kwam weer op in de discussie over de behandeling van asielzoekers. Dit kerkasiel relativeerde de monopolie die de staat heeft op het recht. De kerk trad op als advocaat van de humaniteit, die door het (juridische) optreden van de staat in gevaar kwam.
* De reconstructie van het huidige Berlijn. Na de Wende werd Berlijn samengevoegd. Er ontstond een project om de stad grondig te veranderen. In een heftige discussie werd nagedacht over wat bewaard kon blijven en wat vernieuwd mocht worden. De Friedrichsstraße werd gebouwd als een boulevard waarlangs men kon flaneren. De ironie wilde dat Berlijn zulke straten nooit heeft gekend. De behoefte aan markante plaatsen is een behoefte van deze tijd.
* De opkomst van musea. Het bezoek van een museum heeft (als ritueel gezien) veel weg van een bezoek aan een kerk.

De kerk kan de behoefte aan rites de passages gebruiken om de eigen plaats te positioneren. De kerk moet daarvoor herkenbaar zijn. Grözinger wijst daarom de verleiding af om de postmoderne kerk als huiskerk vorm te geven. De huiskerk gaat niet in op de behoefte van hedendaagse mensen aan heilige en markante plaatsen. In dat kader pleit Grözinger ook voor terughoudendheid met betrekking tot de verkoop van kerken op markante plaatsen.
De kerk dient haar eigenheid te benadrukken. De kerk is geen beter of slechter museum. De kerk moet ook niet de plaats van de markt terug willen. De kerk heeft een eigen positie.
In een prestatiemaatschappij is de kerk nutteloos, een luxeproduct. Maar dan wel een ‘noodzakelijk luxeproduct waar de maatschappij niet buiten kan’ (Michael Schindhelm).

De kracht van de kerk schuilt in haar anderszijn. Aan de ene kant sluit zij aan bij de behoefte van velen om een geslaagd leven te vinden in deze samenleving vol risico’s. Daarnaast vindt de kerk haar oriëntatie in de Schrift. Vanuit de Schrift kan de kerk een plus in deze samenleving brengen, die bijdraagt aan de menselijkheid en humaniteit van de individuele levensgeschiedenis van mensen. Die menselijkheid is uiteindelijk geworteld in de verbinding van het menselijke leven met God.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Albrecht Grözinger, Die Kirche – ist sie noch zu retten? Anstiftungen für das Christentum in postmoderner Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 1998) p. 11-48


[1] Een mogelijke verklaring voor het grote aantal gesneuvelden in de  Eerste Wereldoorlog. Het leven van de individuele soldaat was ondergeschikt aan het landsbelang.

[2] Grözinger noemt het niet, maar de postmoderniteit heeft een ethische oorsprong. Het verlies van de geloofswaardigheid van de grote verhalen heeft voor de postmoderne filosofen J. Derrida en J.-F. Lyotard te maken met de vele slachtoffers van de shoa, de onafhankelijkheidsoorlog van Algerije en de Goelag-archipel.

De prediking van de genade in de postmoderniteit

De prediking van de genade in de postmoderniteit

Veranderde situatie
In de afgelopen decennia is er in West-Europa veel veranderd. Velen vinden, dat die veranderingen zo ingrijpend zijn, dat ze spreken over een nieuwe tijd: de postmoderniteit. Deze veranderde situatie heeft ook gevolgen voor de prediking in de kerk. Albrecht Grözinger verwoordt, wat de veranderingen zijn. Hij geeft met ‘preken over de genade’ een voorbeeld van hoe er in deze postmoderniteit gepreekt kan worden.

Wat is postmoderniteit?
Volgens Grözinger wordt de postmoderniteit gekenmerkt door een aantal ambivalenties en tegenstrijdigheden.
De globalisering heeft geleid tot een multiculturele samenleving. Tegelijkertijd beginnen samenlevingen steeds meer op elkaar te lijken (monocultuur).
Wie in deze tijd leeft, kan zelf bepalen hoe zijn leven eruit ziet. De biografie van mensen ziet er erg verschillend uit, omdat men zelf voor veranderingen kan kiezen. Veel mensen ervaren echter geen vrijheid, maar eerder een dwang om mee te doen met de multiculturele samenleving, de globalisering, e.d. 
De vrijheid om het leven zelf vorm te geven heeft ertoe geleid, dat mensen niet meer kunnen putten uit verhalen, uit reeds bekende werelden die behulpzaam zijn. Het leven moet als het ware elke dag weer opnieuw worden uitgevonden. Grözinger spreekt over analfabetisme. Mensen zijn niet meer in staat om hun gehele leven te lezen. Ze hebben er de woorden, de grote verhalen niet meer voor.
De leemte wordt opgevuld door kunstmatige werelden met grote verhalen, zoals individualisering. Deze kunstmatige wereld wordt gekenmerkt door een ‘grammatica van prestatie’, die volgens Grözinger ‘genadeloos’ is. Alleen daarom al kan de prediking over de genade nieuw voor mensen zijn.

Een nieuwe hermeneutiek
De veranderde situatie heeft volgens Grözinger geleid tot een nieuwe hermeneutiek. Tot in de jaren-’60 (de jaren na de oorlog, de jaren van de wederopbouw) ging het om de eenheid van het land. Er moest stabiliteit komen. De hermeneutiek van deze tijd was een hermeneutiek van identiteit: begrijpen is pas gelukt als twee verschillende betekeniswerelden elkaar raken en in het proces van elkaar begrijpen uiteindelijk versmelten tot een nieuwe betekeniswereld (Hans-Georg Gadamer, Wahrheit und Methode).
In de homiletiek leidde dit tot een prediking, die uitging van een scopus: een preek met één thema, één boodschap. Het wordt dan van belang dat de preek aansluit bij de hoorders.
Aan het einde van de jaren-’70 komt er een nieuwe hermeneutiek op. Men krijgt er oog voor, dat die nieuwe betekeniswereld niet komt. Men blijft vreemd voor elkaar. Maar juist van die vreemdheid is te leren. Een hermeneutiek van differentie of zelfs van vreemdheid (Bernhard Waldenfels).
Voor de homiletiek betekent dat meer aandacht voor de vreemdheid van de bijbeltekst (Martin Nicol). Meer aandacht voor de dynamiek in de prediking in plaats van aandacht voor die ene boodschap.
Volgens Grözinger kan er over de genade in deze tijd alleen nog maar worden gepreekt als men van de vreemdheid van de genade uitgaat.

De vreemdheid van de genade
De prediking van de genade komt mijn leven binnen als een vreemd verhaal. Dat wil zeggen: als een verhaal dat ik niet zelf heb bedacht: ‘De prediking van de genade is alleen dan vol genade, als zij mij iets anders vertelt dan ik zelf zou kunnen vertellen.’
De confrontatie met dit vreemde verhaal kan heel mijn wereld op z’n kop gooien. De bijbeltekst, die de basis vormt voor de prediking, krijgt een nieuwe betekenis: als mogelijke stoorzender.
De vreemdheid van dit verhaal is dat het allereerst een geschiedenis van God is. Hij is de totaal andere. Dat God de totaal andere is, had ook de dialectische theologie al benadrukt. Barth specificeert deze vreemdheid van God later: die vreemdheid, het totaal anderszijn heeft te maken met zijn nabijheid tot mensen: Gods ‘freie Bejahung des Menschen, seine freie Teilnahme an ihm, sein freies Eintreten für ihn – das ist Gottes Menschlichkeit’. De prediking van de genade gaat dus over deze vreemdheid van God.

Aanknopingspunt
Daarmee zet de postmoderniteit de discussie over het aanknopingspunt opnieuw op de kaart. Als de preek een stoorzender is, die het vertrouwde leven op losse schroeven zet, brengt de preek vooral iets nieuws in. Het gaat dan niet om de vraag, waarbij een preek dient aan te sluiten.
Grözinger vergelijkt het met de ontwikkeling in de kunstgeschiedenis. In 1907 komt Picasso met een revolutionair schilderij, dat het startpunt vormt van het kubisme: ‘Les Demoiselles d’Avignon’. Deze ontwikkeling borduurt verder op wat Cézanne reeds deed, maar is geen logisch gevolg. Alleen bij terugredeneren kan men deze ontwikkeling zien. De ervaring die dit schilderij opriep schonk aan dit schilderij een  eigen geloofwaardigheid.
Grözinger ziet hierin een analogie met de openbaring: de openbaring heeft haar eigen geloofwaardigheid, die samenhangt met de ervaring van die openbaring. De noodzaak van een aanknopingspunt valt daarmee weg. De prediking van de genade brengt haar eigen geloofwaardigheid mee: namelijk de geloofwaardigheid van Gods genade.

Taal
Tenslotte wijst Grözinger op het belang van de taal. Het woord gratie kan zowel schoonheid als genade betekenen. Bij een preek, die op een scopus, een eenduidige boodschap is gebaseerd, is de schoonheid van veel minder belang. In zo’n soort van prediking gaat het erom, dat de prediking minder vrijblijvend is.
De prediking, die uitgaat van de eigen geloofwaardigheid van de prediking van de genade, kan juist ruimte bieden aan de schoonheid. De schoonheid van de taal kan een dramatiek opleveren, die op ons  met al onze ambivalenties op ons inwerkt. Ons leven komt in een nieuw licht te staan. Niet meer de genadeloze schijnwerper van de prestatiemaatschappij, maar het licht van Gods (vreemde) genade.
Milan Kundera sprak over de ‘ondraaglijke lichtheid van het bestaan’. Volgens Grözinger gaat de prediking van de genade uit van de ‘draaglijke lichtheid van het bestaan’. De prediking van de genade in de postmoderniteit is volgens hem niets anders dan een poëtische variatie op Psalm 23.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Albrecht Grözinger, ‘Die Predigt der Gnade und die Conditio Postmoderna’, in: Wilfried Engemann (Hg.), Theologie der Predigt. Grundlagen – Modellen – Konzequenzen. Arbeiten zur Praktischen Theologie 21 (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2002) 211-223.