Jongerentheologie

Jongerentheologie

Hoe denken jongeren over God? Zijn ze in staat om zelfstandig na te denken over God, geloof en godsdienst? Godsdienstpedagogen zoals Friedrich Schweitzer en Thomas Schlag vinden van wel. Zij voeren een pleidooi om jongeren serieus te nemen in hun nadenken over God, geloof en godsdienst. Omdat jongeren nadenken over deze thema’s zijn ze volgens hen heuse theologen. Jongerentheologie is een nieuwe invalshoek in de godsdienstpedagogiek en heeft direct veel weerklank gevonden.

Jongerentheologie is allereerst theologie van jongeren. Jongeren denken na over God en godsdienstige thema’s en hebben hun eigen gedachten over God. Daarvoor kunnen zij putten uit verschillende bronnen, zoals de Bijbel en hun geloofsopvoeding maar ook uit hun eigen ervaringen en wat zij tegenkomen in hun eigen leefwereld. Jongerentheologie gaat ervan uit dat jongeren die geen godsdienstige opvoeding hebben of hebben gehad ook in staat zijn om over God en godsdienstige thema’s nadenken. Jongerentheologie heeft iets provocatiefs: jongeren zijn niet alleen personen die te leren hebben hoe over God en geloof gedacht moet worden, maar kunnen reeds zelfstandig nadenken en het is van groot belang dat zelfstandig nadenken van jongeren binnen de kerk en in het godsdienstonderwijs serieus te nemen.

Janine (J), een 17jarige leerling van het gymnasium wordt gevraagd door een onderzoeker (O) gevraagd of zij in God gelooft:
O: Geloof je in God?
J: Ik denk dat ieder mens door een hogere macht begeleid wordt, door deze hogere macht beschermd wordt en ook in bepaalde dingen gestuurd.
O: Is dat de God van de Bijbel?
J: Ik zou niet willen zeggen dat er één God voor alle mensen is. Ik geloof dat iedereen zijn eigen God voor zichzelf moet definiëren. Maar als men dat gedaan heeft, weet ik niet of ik dat zo maar ‘God’ zou noemen. Iedereen heeft immers zijn eigen voorstelling. De gedachten over God kunnen zo verschillend uitpakken, dat ik niet denk dat één naam – of dat nu God is of Jahweh – daar nog recht aan doet. Ik geloof niet dat er één God is. Ik geloof niet in een God-in-het-algemeen, die de wereld en de mensen geschapen heeft en almachtig is, over iedereen waakt en voor iedereen gelijk is. Ik kan mij dat niet voorstellen. Wat ik niet goed vindt aan deze gedachte over God is dat er dan iemand is die mij leidt, die mij als een marionet in zijn hand heeft, mijn leven zo bepaalt dat ik er helemaal niets aan kan veranderen. Dat is een gedachte waar ik mij niet prettig bij voel.

Deze aandacht voor hoe jongeren denken past in de theologie van deze tijd. Er is veel aandacht voor geleefd geloof. Geleefd geloof houdt in: niet hoe de kerk of de officiële godsdienst voorschrijft hoe de mensen zouden moeten geloven, maar de praktijk hoe mensen werkelijk geloven en denken. Dit geleefde geloof kan nogal afwijken van de officiële leer. Om dat geleefde geloof van jongeren in beeld te krijgen, wordt er veel empirisch onderzoek gedaan, door onder andere gebruik van interviews, essays en klassengesprekken.
Jongerentheologie is niet alleen methode om te achterhalen hoe jongeren over God en godsdienstige thema’s denken. Het is ook een concept voor het godsdienstonderwijs en catechese. In het onderwijs dient het nadenken van de jongeren aan bod te komen. Jongerentheologie is ook een nadenken met jongeren. De docent of catecheet daagt hen uit om tot een zelfstandig oordeel te komen. Van groot belang is dat jongeren aan kunnen haken bij een thema. Wanneer een thema te hoog gegrepen is of geen aansluiting vindt bij de jongeren, zullen ze er niet over nadenken. Hier wordt aangesloten bij elementarisering,j een didactische werkwijze, die binnen de godsdienstpedagogiek al langer gehanteerd wordt en onder andere door Friedrich Schweitzer wordt gepleit. Elementarisering wil thema van de les en de leerling bij elkaar brengen.

Jongeren kunnen weliswaar zelfstandig nadenken, maar zijn niet altijd goed in staat om hun gedachten onder woorden te brengen. Bovendien is niet elke gedachte van jongeren zinvol. Jongeren kunnen destructieve gedachten krijgen. Juist in de jonge levensfase kun je de jonge generatie begeleiden in het ordenen van gedachten. Sommige jongeren kunnen namelijk, bijvoorbeeld, destructieve en sombere gedachten krijgen. Ze kunnen door na te denken ook een gevoel van zinloosheid opdoen. Daarom is jongerentheologie niet alleen een theologie van en met jongeren, maar ook een theologie voor jongeren. De docent heeft meer levenservaring en meer kennis dan jongeren en die kennis en levenservaring kan hij gebruiken om jongeren verder te leiden op hun weg en in hun nadenken. De docent kan antwoorden geven waar jongeren niet aan hadden gedacht. De docent kan vragen stellen waar jongeren niet op gekomen waren. De docent is hen vooruit en kan dat gebruiken om jongeren te stimuleren hun eigen weg te gaan.

Het pleidooi van Schlag en Schweitzer kan op veel instemming rekenen. Toch is er ook op dit concept kritiek gekomen, bijvoorbeeld van Berhand Dressler, een belangrijk godsdienstpedagoog in Duitsland. Hij bespeurt een bepaalde romantische verheerlijking van de gedachten van jongeren. Hij is van mening dat de gedachten van jongeren te gemakkelijk theologie worden genoemd. Volgens hem is nadenken over geloof nog geen theologie. Als het nadenken van jongeren centraal komt te staan dreigen volgens hem specifiek godsdienstige thema’s te verdwijnen, zoals het nadenken over de bijzondere rol van Christus voor het christelijk geloof. Jongerentheologie wordt daarmee eerder een vorm van filosofie dan theologie. Dat heeft een behoorlijke consequentie: in Duitsland staat het godsdienstonderwijs onder druk en is op veel scholen al vervangen door het algemenere vak levensbeschouwing.
Godsdienst bestaat uit meer dan nadenken. Godsdienst bestaat ook uit een geloofspraktijk met rituelen, gemeenschappen en traditie. Ook dat is een reden voor Dressler om kritisch te zijn op jongerentheologie. In het godsdienstonderwijs dient ook informatie over godsdiensten en hun gewoonten overgedragen te worden.

Thomas Schlag / Friedrich Schweitzer, Brauchen Jugendliche Theologie? Jugendtheologie als Herausforderung und didaktische Perspektive (Neukirchen-Vluyn, 2011)

Verschenen in het Friesch Dagblad
Bernhard Dressler, ‘Zur Kritik der “Kinder- und Jugendtheologie”’, Zeitschrift für Theologie und Kirche jaargang 111 (2014) 332-356.

 

 

Jongerenbijbel – Herziene Statenvertaling

Jongerenbijbel – Herziene Statenvertaling

Zaterdag 5 oktober wordt de HSV- Jongerenbijbel gepresenteerd. Deze Jongerenbijbel is bedoeld om jongeren te helpen om de Bijbel te lezen. De Jongerenbijbel bevat:
– De Bijbeltekst in de vertaling van de HSV
– Een inleiding bij elk Bijbelboek
– Bij elk Bijbelboek een uitleg van de belangrijkste thema’s die in dat Bijbelboek voorkomen.
– Een lijst met de belangrijkste woorden uit de Bijbel en daarbij de uitleg van dat woord. Bijvoorbeeld: genade, hoop, volharding, enz
– Een korte uitleg bij ingewikkelde teksten
– Verwerkingsopdrachten om een Bijbeltekst op het eigen leven toe te passen
– Thema’s uit de leefwereld van jongeren worden aan de Bijbel gekoppeld. Bijvoorbeeld: vriendschap, beroepskeuze, milieu
– Illustraties en kleurenfoto’s.
– Wanneer het aan de orde is een verwijzing naar de Heidelbergse Catechismus

(Van deze HSV-Jongerenbijbel is ook een app gemaakt, zodat wie een tablet of een smartphone heeft daarop ook gebruik kan maken van de HSV-Jongerenbijbel. Voor de kenners: deze werkt op Android.)
Prijs: € 49,- voor de HSV-Jongerenbijbel in boekvorm; € 39,99 voor de app. (Of € 9,99 bij de aanschaf van de papieren versie). Een behoorlijke prijs, maar het leek mij de moeite waard om deze jongerenbijbel onder de aandacht te brengen.
Voor meer informatie: http://www.hsvvoorjongeren.nl/

Competentiegericht godsdienstonderwijs

Competentiegericht godsdienstonderwijs

In het huidige onderwijs spelen competenties een belangrijke rol: Einddoelen in het onderwijs kunnen worden opgesteld aan de hand van competenties. In het onderwijs sluit de leerkracht aan bij de competenties die een leerling reeds heeft en tracht nieuwe competenties aan te leren.
Ook godsdienstonderwijs ontkomt niet aan deze trend. Om (aankomende) godsdienstleraren voor te bereiden op een competentiegericht godsdienstonderwijs schreef Heike Lindner, hoogleraar Godsdienstpedagogiek aan de Universiteit van Keulen een heldere, beknopte introductie.

Het boek is in twee delen opgezet. In het eerste deel komt de inhoud en de methode van het godsdienstonderwijs aan bod.
Allereerst gaat Lindner de verschillende disciplines van de theologie (Bijbelwetenschappen, kerkgeschiedenis, systematische theologie, praktische theologie en godsdienstwetenschap) na en laat zien, welke vakcompetenties, welke algemene competenties en welke vakoverstijgende competenties aan bod een rol spelen.
In het volgende hoofdstuk laat zien welke specifieke competenties er binnen de verschillende disciplines van de theologie een rol spelen en welke didactische middelen gebruikt kunnen worden om bij deze competenties aan te sluiten. Hierbij grijpt Lindner terug op methoden uit de algemene didactiek.

In het tweede deel staan de interacties tussen docent, leerling, leerstof, e.d. centraal. Aan de hand van het model van Felix von Cube laat Lindner zien welke processen er in en voorafgaande aan de les een rol spelen. Met dit model wil Lindner handvatten bieden om te kunnen reflecteren op een les.
Daarna komt de opbouw van de les aan de orde: een structuurplan waarbij de les van stap tot stap in een schema wordt geplaatst en per stap wordt aangegeven welke werkvormen, competenties, interacties tussen docent en leerlingen, middelen, enz. worden ingevuld.
In het volgende hoofdstuk komen de voorwaarden om een godsdienstles te kunnen laten slagen aan bod: de sfeer op school, de status van de godsdienstles, de mate waarin geloof een rol speelt in het leven van de leerlingen, op welke manier bij competenties kan worden aangesloten. Het boek sluit af met een hoofdstuk over reflectie op het lesgeven en met aanzetten om deze vakdidactiek in praktijk te kunnen brengen.

Interview met Heike Lindner: ‘Kinder sind neugierig auf die großen Fragen’

N.a.v. Heike Lindner, Kompetenzorientierte Fachdidaktik Religion. Praxishandbuch für Studium und Referendariat (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012)

‘Ik ben bij Jezus in de boot in slaap gevallen’

‘Ik ben bij Jezus in de boot in slaap gevallen’
Michael Herbst over pastoraat in een kinderziekenhuis

Het komt voor dat kinderen in een ziekenhuis moeten verblijven. Voor kinderen is dat een hele inbreuk op hun leven. Zij leven niet meer in hun vertrouwde omgeving, maar verblijven in een (kinder)ziekenhuis. Dat is een wisseling van systemen. Het ene is voor hen vertrouwd, in het andere is bijna alles in eerste instantie vreemd, en is er veel voor kinderen onduidelijk. Deze overgang naar het systeem van het (kinder)ziekenhuis heeft een duidelijk symbool: het omgekleed worden. Ze dragen niet meer hun dagelijkse kleren, waarmee ze naar school gaan, thuis rond lopen, op avontuur gaan, maar worden als een patiënt gekleed.

Voor kinderen kan het een heel ingrijpende gebeurtenis zijn. Zij begrijpen niet wat zij meemaken. Niet altijd worden zij door ouders of het verplegend personeel geïnformeerd over wat er met hen gaande is. Ondertussen merken zij wel dat er iets ernstigs aan de hand is. Zij voelen aan hun eigen lichaam dat hun krachten afgenomen zijn. Ze lezen het af aan de gezichten van de ouders, de verpleging of de dienstdoende artsen. Wanneer zij niet geïnformeerd worden over wat er met hen gebeurt, kunnen kinderen erg bang worden. Ook de apparatuur waarmee zij omgeven worden kunnen een bron van angst worden als niet aan hen wordt uitgelegd welke functie deze apparatuur voor hen heeft.
Kinderen kunnen heel veerkrachtig zijn. Zij kunnen zich overgeven aan hoe het leven in een ziekenhuis er aan toe gaat. Zij maken vaak een bepaalde geestelijke ontwikkeling door en kunnen voor hun leeftijd al wijs zijn.

Wat kan pastoraat betekenen voor deze kinderen?
Wat kan pastoraat betekenen voor deze kinderen? Deze vraag kan ook ruimer gesteld worden, want in een ziekenhuis zijn niet alleen deze kinderen. De ouders zijn vaak aanwezig. Er kunnen broers of zussen zijn, of andere familie. Ook voor het gezin heeft een ziekenhuisopname een hele impact: een ander dagritme, de zorg om het kind, zelfverwijt niet goed voor het eigen kind te hebben gezorgd, geloofsvragen die opeens of verhevigd opduiken, een huwelijk of een relatie die onder spanning komt te staan.
Michael Herbst was enige jaren als geestelijk werkzaam in een kinderziekenhuis. In zijn boek over pastoraat schreef hij een mooi en uitgebreid hoofdstuk over deze ervaringen. Daarin beschrijft hij wat pastoraat aan kinderen in het ziekenhuis kan betekenen. (Leerzaam ook voor ‘gewoon’ pastoraat aan kinderen). Daarnaast geeft hij weer, hoe met deze kinderen over de Heere Jezus kan worden gesproken.

Met Jezus in de boot
Lisa was 5 jaar toen Herbst haar voor het eerst ontmoette. Lisa zei bij die ontmoeting: ‘God houdt niet van mij. Hij wil niet dat ik gezond wordt.’ Zij was in het ziekenhuis, omdat een hersentumor operatief verwijderd moest worden. Na de operatie bleef zij nog enige tijd om te herstellen van de operatie. In die tijd bezocht Herbst haar elke avond en las haar voor. Lisa’s houding veranderde voortdurend: dan was ze moedeloos, dan opgewekt, soms ook niet aanspreekbaar, vaak lief en aandoenlijk. Bij het vaste afscheidsritueel hoorde de vraag van Lisa: ‘Wanneer komt u weer?’
Op een avond las Herbst het verhaal voor van de storm op het meer, die door Jezus werd gestild. Tijdens het voorlezen viel Lisa in slaap. Hij dekte haar toe en verliet met een onbevredigend gevoel de kamer uit. De volgende morgen kwam hij de moeder van Lisa tegen: ‘Moet u eens horen wat Lisa vanmorgen vertelde. Lisa vertelde hoe de dominee was gekomen en een verhaal had verteld. En Lisa zei: ‘Mama, moet je voorstellen, ik ben bij Jezus in de boot in slaap gevallen.’’

Presentie
Pastoraat begint met aanwezig zijn en het opbouwen van contact. Wij leven in een post-christelijk tijdperk waarbij het voor het personeel, voor de opgenomen kinderen, voor hun familie niet duidelijk is wat pastorale begeleiding kan betekenen.
Herbst adviseert beginnende geestelijk verzorgers om te laten zien dat je er bent. Presentie is het sleutelwoord. Wees aanwezig door koffie te drinken met het verplegend personeel, oor de bedden langs te gaan en de patiënten te bezoeken, door in contact te komen met ouders. Niet altijd weet het personeel wat men met een geestelijk verzorger of predikant aan moet, omdat men niet meer bekend is met de kerk. Een geestelijk verzorger moet daarom zijn legitimiteit op twee manieren onderbouwen: vanuit de kerkelijke theologie en vanuit de missie van een ziekenhuis. Wanneer een predikant of verzorger bekend is, kan hij of zij worden uitgenodigd om mee te doen met het teamoverleg.
De positie is van een geestelijk verzorger of een ziekenhuispredikant is niet eenvoudig. Hij of zij is geen expert in het behandelend team. Deze positie is tegelijkertijd de kracht van een pastor. De geestelijk verzorger of predikant is geen bedreiging voor de patiënt en de familie en ook niet voor het personeel. De predikant is een gesprekspartner voor allemaal en heeft een vertrouwenspositie. De geestelijk verzorger of ziekenhuispredikant kan zijn of haar taak in de ogen van Herbst alleen vervullen wanneer hij of zij bewust ook theoloog is. Hij of zij brengt God mee, komt in naam van God (missio Dei).

Begeleiding
Om pastoraal te kunnen begeleiden, moet er wel contact zijn. Contact wordt opgebouwd door present te zijn. Door jezelf te laten zien in de gangen en in de kamers. Door aan het bed te komen. Pastoraat bestaat allereerst uit het opbouwen van relaties. Daarbij hoeft het niet om diepe gesprekken te gaan. Het gewone contact kan in het ziekenhuisbestaan al bijzonder zijn. Zeker wanneer een predikant of geestelijk verzorger met een duidelijke regelmaat langskomt, kan hij of zij al veel betekenen voor de opgenomen kinderen. Door regelmatig langs te gaan wordt de geestelijk verzorger een betrouwbare partner. Dat regelmatige contact is voor kinderen al heel waardevol.

‘De pastor moet een betrouwbare partner voor het kind zijn: iemand die zijn belofte nakomt en ook daadwerkelijk terugkomt als hij dat heeft beloofd. Hij moe de deur zoeken die het kind voor hem opent. Op den duur gaat dat alleen als hij vreugde beleeft aan de omgang met kinderen en niet voortdurend zich afvraagt of dit wel het eigenlijke van het pastoraat is. Ook niet als hem af en toe de gedachte bekruipt dat een sociaalpedagogische opleiding zinvoller was geweest. Zo zal hij de vergeefse taak hebben om te winnen van de 6jarige Hanna met memory. Met een handpop komt hij voorzichtig dichterbij bij de kleine Freddy, omdat hij niet wil eten en merkt dat de kleine Freddy al snel met de handpop een heel serieus gesprek heeft over de voor- en nadelen van eten. Freddy zei later over de handpop Bruno: ‘Bruno was mijn kleine ziekenhuispastor.’ Hij voert de 4jarige Sebastiaan, omdat de zusters het op dit moment echt te druk hebben. Of hij rijdt de 11jarige Jessica in een rolstoel over de veranda, zodat zij weer even buiten kan zitten. Of hij vertelt de 4jarige Tobias een zelfverzonnen verhaaltje voor het slapen gaan, omdat zijn moeder vroeg naar huis moest gaan. Of hij drinkt een kopje koffie met de wachtende ouders. Dat is niet oneigenlijk. Dat is zorg in elke relatie.’ (p. 501-501)

Taal leren
Het is een fundamentele taak voor de pastor om de taal die deze kinderen gebruiken te leren. Kinderen praten over thema’s die te maken hebben met hun ziekte, het leven in het ziekenhuis, hun gezin, hun omgeving, God. De pastor heeft te leren op welke manier kinderen spreken over hun angsten en hun hoop. Kinderen uiten dat in woorden, maar ook non-verbaal. En vaak door het gebruik van metaforen. Zij spreken over ridders, rovers, ruimteschepen als zij het hebben over hun ziekte. Wil de pastorale relatie slagen, dan moet de pastor zich de taalwereld van de ander leren eigen te maken.
Rosemarie Fuchs vertelt van de 15jairge Michaela: Deze Micheala vroeg aan de pastor of zij graag reisde. Op een keer vroeg Michaela of zij de komende zomer mee mocht op reis. De pastor begreep deze vraag naar de gezamenlijke vraag als een verzoek om Michaela niet alleen te laten als zij ‘de grote reis’ ondernam.

Tempo
Bijzonder is het tempo waarmee kinderen vragen over het bestaan of over God aan de orde stellen. Vaak worden vragen of opmerkingen zomaar tussen het gesprek door gegooid. ‘God houdt niet van mij,’ zei de 5jarige Lisa zomaar tijdens een gesprek. Vaak een signaal naar de pastor: heb je wel gehoord wat ik zei?

Andreas en de roverhoofdman
Andreas (9) werd na een ernstig verkeersongeluk in het kinderziekenhuis gebracht. Bij dat ongeluk, een frontale botsing na een inhaalmanoeuvre, kwamen zijn ouders om het leven. Zijn oma, die ook in de auto zat, bleef ongedeerd. Andreas werd uit de auto geslingerd en raakte zwaargewond. Andreas lag ruim 3 maanden in het ziekenhuis en kon zich de meeste tijd niet bewegen. De behandelende artsen hadden gevraagd of de predikant Andreas steeds ook pastoraal wilde begeleiden.
De familie van Andreas wilde de dood van zijn ouders lang geheim houden voor Andreas. Dat leverde een onwerkbare situatie voor het verplegend personeel op, omdat Andreas steeds vaker vroeg naar zijn ouders. Men slaagde er na enige tijd de familie te overtuigen dat het beter was om Andreas in te lichten. De psycholoog, die Andreas begeleidde, vertelde hem wat er was gebeurd bij dat ongeluk. Toen hij dat hoorde, huilde Andreas even, maar begon al snel over een ander onderwerp te praten. Hij kwam ook niet meer terug op de dood van zijn ouders.
Tijdens het teamoverleg kwam de situatie van Andreas aan de orde. De psycholoog adviseerde om Andreas te begeleiden: om op zijn niveau te blijven en in zijn tempo mee te gaan. Dan zou er vanzelf een moment komen waarop Andreas over de dood van zijn ouders zou spreken, zou huilen en zou rouwen. Voor Herbst bestond de begeleiding uit dagelijkse bezoeken en uit voorlezen. Dat laatste was hij niet gewend, omdat hij steeds door zijn ‘electronische oma’ werd vermaakt. In het ziekenhuis werd de tijd dat hij mocht computeren aanzienlijk beperkt. In plaats daarvan ging hij naar verhalen luisteren: Naar verhalen uit de Bijbel, die voor hem nieuw en spannend waren. Naar verhalen over ridders en rovers, zoals het verhaal van Ronja de Roversdochter van Astrid Lindgren. Vlak voordat Andreas het ziekenhuis mocht verlaten, kwamen zij met het voorlezen aan het einde van dit boek. Lindgren vertelt hoe een oude rover sterft en de roverhoofdman Matthis dat niet kan begrijpen, omdat zijn hart breekt. Er is even een korte pauze en dan zegt Herbst tegen Andreas: ‘Dat begrijp je, he, Andreas?’ Hij kijkt hem aan, slikt en huilt. Daarna begint hij vragen te stellen: ‘Als ik nu een ongeluk zou krijgen en zou sterven, waar zou ik dan heengaan? Zal ik mama weer terugzien? En hoe zit het met de hel en de hemel?’ Dan spreken Herbst en Andreas er met elkaar over hoe erg het allemaal is, maar ook wat het kan betekenen om op de Heere Jezus te vertrouwen, die sterker is dan de dood en wat het betekent om in het sterven naar Huis terug te gaan.
De dag erop mocht Andreas uit het ziekenhuis en woonde hij voortaan bij zijn oma
.

Uithouden
Een belangrijke taak voor een pastor is het uithouden van moeilijke omstandigheden. Omstanders kunnen de neiging hebben om op de vlucht te gaan. Vrienden die het bezoek naar het ziekenhuis niet aandurven. Ouders die hun kinderen niet willen inlichten over de werkelijke situatie. Ouders en artsen die onmachtig zijn. Emoties als angst, agressie of woede die bij kinderen kunnen boven komen. De pastor heeft hier een belangrijke taak door trouw present te zijn.
Bij het uithouden hoort ook de taak om in bepaalde omstandigheden te zwijgen. Nadat de arts heeft bericht dat er geen hoop meer is. Tijdens het wachten op de einde van een operatie. Met de ouders waken nadat een kind is overleden. Meedragen en uithouden.

Dorothea Dobzin vertelde dat zij eens ouders zou begeleiden naar het mortuarium. Aan het bed stond zij samen met de ouders enige tijd stil aan het bed van het overleden kind. ‘Ik speurde de innerlijke onrust van de ouders. Ik legde mijn hand op hun schouders. In stilte bad ik het onze vader, waarbij ik geregeld de woorden ‘uw wil geschiede’ en ‘geef ons heden ons ons dagelijks brood’ herhaalde. Lange tijd later ontving ik van de moeder een brief waarin zij mij bedankte voor de woorden die ik gesproken had.’

Vertellen over Jezus
Pastoraat betekent de ander waarnemen vanuit Christus. In het ziekenhuispastoraat betekent dat: het kind dat is opgenomen waarnemen vanuit Christus. Als schepsel van God met een unieke, niet af te nemen waarde, geroepen tot een vernieuwde, heilzame bij het kind passende relatie met God. Daarnaast betekent pastoraat: vertellen van verhalen uit de bijbel, hedendaagse verhalen over God die aan de kinderen troost en hoop geven. Of die hun angsten, vragen en omstandigheden verwoorden. Daarnaast liederen en gedichten, rituelen zoals een zegen.

N.a.v. Michael Herbst, beziehungsweise. Grundlagen und Praxisfelder evangelischer Seelsorge (Neukirchener-Vluyn, 2012) 469-559

Preken met het oog op jongeren (3)

Preken met het oog op jongeren (3):
de consequenties van de mediacultuur voor de vorm en inhoud van de preek

De cultuur waarin de jongeren zich bevinden is vol media: sociale media, film, clips, games, internet. De preek is dan het tegenovergestelde van deze fenomenen: geen interactie maar een monoloog, geen of nauwelijks beelden tegenover een stortvloed aan beelden. Op welke manier kan de preek jongeren die in een mediacultuur leven toch bereiken? Moet de preek elementen uit deze mediacultuur overnemen? Dat zijn belangrijke vragen als het gaat om preken met het oog op jongeren, die – in deel 1 genoemde boek – worden gethematiseerd door Johann Pock (hoogleraar voor Pastoraaltheologie in Bonn).
Pock merkt op dat deze mediacultuur volop religieus is. In de Nederlandse situatie zouden wij als recent voorbeeld het Koningslied kunnen nemen. Dit lied heeft een volop religieuze lading: een refrein dat sterk doet denken aan beelden uit Psalm 121, het zingen over een levenstaak, het warme wij-gevoel. In deze mediacultuur zijn dus veel aanknopingspunten te vinden voor een preek.

Hoe moet er gepreekt worden voor jongeren die zich middenin een mediacultuur bevinden? Allereerst moet een preek jongeren wel iets te bieden hebben en daarom inhoud hebben. Bijvoorbeeld door ervaringen van jongeren te verwoorden. Daarbij kan ook aan jongeren de gelegenheid gegeven worden zelf deze ervaringen te verwoorden. Bij de voorbereiding dient overwogen te worden wat de brandende vragen van jongeren zijn en op welke manier het christelijk geloof hen kan helpen bij het vinden van een antwoord. Daarbij hoeft dat antwoord niet alleen bevestigend te zijn, maar kan het antwoord dat vanuit het christelijk geloof gegeven wordt een kritische vraag aan hen zijn. Deze antwoorden zijn vaak onbekend, omdat woorden en beelden onbekend zijn. Voor een predikant is het een uitdaging om nieuwe, hedendaagse beelden en gelijkenissen te vinden voor de ‘oude’ geloofswaarheden.
Inhoud krijgt een preek ook door uit te leggen waar het christelijk geloof voor staat. De denk- en leefwereld van jongeren staat vaak haaks op de officiële leer van de kerk (relaties, seksualiteit, moraal). Jongeren verlangen niet altijd dat zij goedkeuring ontvangen voor hun levensstijl. Zij verlangen ook duidelijke regels en grenzen. Het is een kans om aan jongeren uit te leggen waarom de christelijke leer of ethiek anders is. Dat vraagt wel van de gemeente en de predikant om een authentieke en oprechte levensstijl volgens de normen van het christelijk geloof.
De mediacultuur is alomtegenwoordig omdat in films, clips, reclames, songs e.d. de emoties geraakt worden. Het is mogelijk om uitingen uit de mediacultuur als voorbeeld te nemen bij het maken van de preek. Een fascinerend voorbeeld is de dramaturgische homiletiek van Martin Nicol. Nicol gaat in de leer bij filmregisseurs, schrijvers en componisten. Het mooie van Nicols model is dat de Bijbel en de dogmatiek een heel belangrijke rol krijgen in de preekvoorbereiding.
De mediacultuur heeft ook een negatieve kant: beelden en belevingen gaan zo snel dat men er geen tijd heeft om erbij stil te staan op welke manier men geraakt wordt. En daar liggen juist kansen voor de preek. In de preek kan een bewust tegenaccent gegeven worden. Door bijvoorbeeld jongeren mee te nemen in een concentratie op één beeld en daarmee de diepte in te gaan.

Een laatste boeiende constatering van Pock die ik wil doorgeven is de leeftijd van de predikant. Veelal is het preken voor jongeren uitbesteed aan jonge voorgangers. Dat gebeurt vanuit de gedachte dat zij makkelijker aansluiting hebben bij jongeren en hun leefwereld. Pock wijst erop dat jongeren juist heel enthousiast kunnen worden van een oude(re) spreker. Voor katholieke jongeren waren moeder Theresa en paus Benedictus aansprekende voorbeeldfiguren. Zij hadden door hun woord of daad hen iets te zeggen. En dat geldt ook voor reformatorische jongeren, die graag afkomen op een oude predikant die hen iets te zeggen heeft. Preken met het oog op jongeren is volgens Pock geen kwestie van leeftijd. Er speelt een andere vraag: is deze spreker of predikant in staat om jongeren enthousiast te maken?

N.a.v. Johann Pock, ‘Zwischen Videoclips und SMS. Jugendpredigt unter den Bedingen der Medienkultur’, in: Michael Meyer-Blanck / Ursula Roth / Jörg Seip (Hg.), Jugend und Predigt: Zwei fremde Welten? ÖSP 6 (München: Don Bosco Verlag 2008) 159-169.

Preken met het oog op jongeren (2) Friedrich Schweitzer

Preken met het oog op jongeren (2)

Hoe komt het dat jongeren een preek vaak saai vinden? Volgens de godsdienstpedagoog Friedrich Schweitzer zijn hiervoor duidelijke redenen aan te wijzen:

Letterlijk
(1) Jongeren nemen godsdienstige taal en symbolen nog heel letterlijk. Als in een preek metaforische taal wordt gebruikt, kunnen zij hiervan niet de diepere betekenis begrijpen.
Jongeren vatten een bijvoorbeeld gelijkenis vaak niet op als een verhaal dat iets wil duidelijk maken over het Koninkrijk van God. Zij vatten de gelijkenis vaak letterlijk op, als een waar gebeurd verhaal uit die tijd dat gaat over bijvoorbeeld familieproblemen. Zij merken vaak niet op, dat deze gelijkenissen iets wil duidelijk maken over God. Ook als jongeren luisteren naar een preek, pikken zij geregeld de diepere laag niet op. Hun begrip is nog niet zover ontwikkeld. Doordat zij deze diepere betekenis niet oppikken, missen zij een toegang tot de preek. De preek gaat over hun hoofd en hart heen en daarom ervaren zij de preek als saai.

Afscheid van het kindergeloof
(2) Jongeren bevinden zich in een fase van “afscheid nemen van het kindergeloof”. Jongeren gaan zich kritisch verhouden met de beelden van God die zij in hun kindertijd hebben meegekregen. Zij reageren kritischer op wat er in de Bijbel wordt verteld en beschreven. Kinderlijke voorstellingen van de hemel maken plaats voor een meer door de natuurwetenschappen gestempeld wereldbeeld. Ook het beeld dat jongeren hebben van Jezus wijkt vaak af van de traditie. Wanneer jongeren luisteren naar een preek, kan er – als zij al een preek begrijpen – een botsing zijn tussen hun eigen denkbeelden en de denkbeelden die in de preek naar voren komen. Overigens is nog amper onderzocht wat voor geloof er komt na het afscheid nemen van het kindergeloof. Ook is nog niet duidelijk welke beelden in de ogen van jongeren plausibel zijn. De gegevens die nu bekend zijn, wijzen er op dat jongeren veel eerder voorzichtig en aftastend zijn.

Onderdeel van een groep
(3) Jongeren zijn gevoelig voor de mening van de omgeving waarin zij zich bevinden. Zij willen graag bij een bepaalde groep horen en kunnen ook de mening van anderen overnemen. Zij willen geloven op de manier waarop de anderen van de groep geloven. Schweitzer trekt hieruit de conclusie, dat een preek die zich richt op jongeren hen aan de ene kant serieus moet nemen in hun individuele onafhankelijkheid, maar aan de andere kant hen serieus moet nemen als onderdeel van een bepaalde sociale groep.

Rechtvaardig
Jongeren maken een ontwikkeling door. Een ontwikkeling die al in de kindertijd begint, maar voor jongeren belangrijk wordt is een gevoel voor rechtvaardigheid. Gaat het in de kindertijd vooral er nog om dat alles eerlijk wordt verdeeld en dat iedereen gelijk behandeld wordt, in jeugdfase gaan ook intenties en de eigen ervaringen van (on)eerlijkheid meespelen. Een preek kan aansprekend worden als er een aansluiting gezocht wordt bij een gevoel voor rechtvaardigheid, die voor jongeren relevant en daardoor uitdagend is.

Ontwikkeling
Schweitzer houdt zich in zijn onderzoek sterk bezig met de ontwikkeling die kinderen en jongeren doormaken als het gaat om geloof, denkbeelden over God, de wereld, de kerk en zichzelf. In het nadenken over de preek heeft men de gegevens van de verschillende stadia in de ontwikkeling tot nu toe nog niet opgenomen. In de reflectie op godsdienstonderwijs en de catechese worden deze inzichten al wel verwerkt. Op dit terrein is men bezig hoe teksten en thema’s op een basale manier bij jongeren gebracht kunnen worden en omgekeerd: hoe jongeren op een basale manier een tekst of een thema leren ontsluiten. Schweitzer pleit ervoor om deze kennis ook toe te passen in de preekvoorbereiding. De preek werkt daarbij mee aan de vorming in de ontwikkeling van de jongeren.

N.a.v. Friedrich Schweitzer, ‘”Todlangweilige Predigt?” Jugendhomiletische Konsequenzen aus den entwicklungspsychologischen Erkenntnissen über das Jugendalter’, in: Michael Meyer-Blanck / Ursula Roth / Jörg Seip (Hg.), Jugend und Predigt. Zwei fremde Welten? (München: Don Bosco Verlag, 2008) 149-158.

Geschreven voor HWConfessioneel1

Preken met het oog op jongeren (1)

Preken met het oog op jongeren (1)

Juki

Jongeren en de preek: dat zijn twee verschillende werelden. Tot nu toe is er nog weinig over nagedacht hoe deze twee verschillende werelden met elkaar verbonden kunnen worden. Daarom besloot in de Arbeitsgemeinschaft für Homiletik in 2006 de jaarlijkse conferentie te wijden aan dit thema. Vanuit de gedachte dat deze twee werelden met elkaar te verbinden zijn en dat het ook voor de reflectie op de preek een uitdaging is om met dit thema bezig te zijn. Ik wil in deze rubriek enkele bijdragen aan dat congres de revue laten passeren.
Allereerst de bijdrage van Hans-Martin Gutmann (hoogleraar Praktische theologie in Hamburg).

gutmann

Onoverzichtelijkheid
Gutmann is in zijn bijdrage vooral bezig met de omstandigheden van de huidige jongeren. Volgens hem bevinden jongeren zich in een situatie van onduidelijkheid en onoverzichtelijkheid.
Er is voor hen weinig houvast en weinig nog zeker. Er zijn bijvoorbeeld geen duidelijke levensfasen meer: de kindertijd wordt eerder afgesloten, maar de puberteit duurt langer. Met 18 jaar zijn jongeren al meerderjarig, maar blijven langer dan voorheen sociaal en economisch afhankelijk van de ouders. Door de toenemende individualisering verkeert een jongere in verschillende werelden, die voor het gevoel van een ander nauwelijks te combineren zijn.

Tegenstrijdig
Vanuit de verschillende leefwerelden kunnen tegenstrijdige appèls gedaan worden. Aan de ene kant vraagt het werk en de opleiding om bereidheid tot prestaties, zelfbeheersing, discipline en verantwoordelijkheid. Aan de andere kant vragen vrije tijd, media, enz om emotionaliteit, gerichtheid op het hier en nu, ongeremdheid, genot.
Deze individualisering heeft een groot nadeel: er is voor jongeren geen duidelijk kader meer. Er zijn geen duidelijke richtlijnen die hen door het leven helpen. Er zijn geen duidelijke voorbeelden en idealen meer waaraan zij zich kunnen spiegelen. Ze hebben niet alleen keuzevrijheid, maar zijn gedwongen te kiezen. Door dit alles moeten zij zichzelf en hun eigen identiteit uitvinden.

Kwetsbaar
Dat maakt hen volgens Gutmann kwetsbaar. Ze zijn kwetsbaar voor wat de maatschappij van hen vraagt. Een maatschappij waarin het economische rendement steeds meer de norm wordt. Bovendien wordt hen van alle kanten (en nog het meest in reclames) voorgespiegeld hoe ze gelukkig kunnen en moeten worden. Al prikken ze door het meeste heen, de ondertoon van deze beloften van een gelukkig leven zijn niet vrijblijvend. Wie gelukkig wil worden, moet eerst presteren: een studie afronden, een diploma halen, een baan vinden. Wie het goede leven wil krijgen, moet eerst iets van zichzelf laten zien, moet zichzelf bewijzen.

IMG_1514_fuer_Plakat_geeignet

Kritische stem
Volgens Gutmann heeft de prediking van het evangelie een belangrijke meerwaarde en een belangrijke kritische stem in onze maatschappij. Preken met het oog op jongeren betekent scherp het verschil van wet en evangelie zien. In de prediking gaat het net als in de maatschappij om rechtvaardiging. Want jezelf bewijzen is een vorm van rechtvaardiging. Theologisch gesproken: een vorm van wet waaraan wij moeten voldoen willen wij iemand zijn, een norm waaraan onze waarde wordt afgemeten. Deze norm is niet vrijblijvend, maar kan in onze maatschappij net zo goed knechtend zijn: er wordt een gelukkig leven vol vrijheid voorgespiegeld. Maar paradoxaal genoeg verliest men zichzelf. Wie niet aan de norm voldoet, is overbodig.

Rechtvaardiging
In het evangelie gaat het ook om rechtvaardiging. Maar dan een rechtvaardiging van Godswege dat een geschenk is. Juist de overbodige mens krijgt deze rechtvaardiging toegezegd. (Gutmann vertaalt de rechtvaardiging van de goddeloze dus in de rechtvaardiging van de overbodige mens.) De Bijbelse verhalen ontmaskeren op heilzame manier de dwang in de keuzes en kunnen helpen om een weg door het leven te vinden. In de preek kan de Bijbelse vertelling met de levensgeschiedenis van de jongere verbonden worden. Op die manier kunnen worden ze op weg geholpen om hun identiteit uit Gods hand te ontvangen en hoeven ze niet om een eigen identiteit uit te vinden. Preken met het oog op jongeren kan een bijdrage leveren aan die zoektocht naar een eigen identiteit in een onoverzichtelijke wereld. In een preek wordt de zegen van God meegegeven: in de preek wordt de beschermende macht en de betrouwbare levensleiding van God de jongeren toegezegd.

N.a.v. Michael Meyer-Blanck / Ursula Roth / Jörg Seip (Hg.), Jugend und Predigt. Zwei fremde Welten? (München: Don Bosco Verlag, 2008).