Preek zondagmorgen 30 maart 2014

Preek zondagmorgen 30 maart 2014
Mattheüs 26:57-75

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We hebben allemaal wel onze momenten,
dat we net als de discipelen de Heere Jezus in de steek laten
en bij Hem wegvluchten.
Je hebt in het weekend een mooie avond gehad met de leiding van OTW of TOV,
omdat iemand van de leiding vertelde wat het geloof voor hem of haar betekent
je bent er de dag erop nog helemaal vol van.
En dan kom je maandag op school
en dan vragen ze: ‘En hoe was jouw weekend? Nog iets spannends gedaan?’
Dan denk je aan het gesprek terug, maar denk je: dat ga ik echt niet vertellen
en je zegt maar: nee, hoor, niets bijzonders gedaan.
Maar je voelt tegelijkertijd in jezelf dat het niet helemaal eerlijk was,
want het was wel een bijzonder weekend.
Zo hebben we allemaal onze momenten waarop we denken:
Ik hoor er even niet bij, bij de Heere Jezus.
Waarop wij – net als de discipelen bij Hem weglopen.

Maar het zit niet lekker en het gaat aan je knagen:
ik was toch vol van Christus?
Ik hoor toch bij Hem?
Bij Petrus zit het ook niet lekker.
Er is iets in hem dat zegt: je moet niet weglopen!
Ben jij nou een discipel? Ben jij nou een volgeling van Jezus?
Je moet daar bij Jezus zijn! Daar is je plek!
Petrus gaat achter de groep aan, die Jezus gevangen genomen heeft.
Hij zal Jezus volgen tot het einde toe.
Hij had het enkele uren geleden nog tegen Zijn meester gezegd:
‘Meester, iedereen zal zich voor u schamen en aan u ergeren.
Maar ik niet. Ik blijf altijd achter U staan.
Ik blijf u altijd volgen, waar U ook heengaat.’

Toen Petrus wegrende uit Gethsemané, net als de andere discipelen op de vlucht, bedacht hij zich.
Ik moet Jezus ook nu nog navolgen. Ik moet weten hoe het afloopt.
Net of Petrus bedenkt: Ik liet Jezus in de steek.
Ik moet mij omkeren, om nu wel achter de Heere Jezus aan te gaan
om mijn fout goed te maken, de fout dat ik bij de Heere Jezus wegrende.

Zo kan het ook bij jou door je heenflitsen:
Dat had ik niet moeten doen, dat weglopen bij Jezus.
Of het is de stem van je vader of moeder die zegt: Je vergeet de Heere Jezus toch niet?
Of het enthousiasme van iemand die vol is van God waardoor je denkt:
ja, dat mis ik. Ik moet weer naar Hem terug – Jezus volgen!
Al is het eerst wellicht op een afstand, want ik ben Hem zelf kwijtgeraakt.
Kan ik dan zomaar bij de Heere Jezus aankomen en zeggen:
Hallo, hier ben ik? U heeft me even gemist, maar nu ben ik er weer volop?

Ook Petrus volgt de Heere Jezus op een afstand.
Van een afstandje kun je alles goed zien, maar je hoeft je niet bloot te geven.
Je kunt te weten komen hoe het afloopt, maar zelf ben je veilig.
Ik vind het dapper dat Petrus zijn meester daar volgt tot in het huis van de hogepriester,
maar ik vraag me af of daar ook niet iets halfslachtigs in zit:
Ik volg Jezus wel, zelfs nu nog nu het spannend om Hem wordt,
maar graag wel op een afstand. Ik moet eerst weten hoe het afloopt.
Herkenbaar is dat toch?
Je wilt wel mee?
Kom maar op! Durf het aan!
Om naar de Here Jezus op zoek te gaan
Kom ga mee op die tocht om te ontdekken wie je zocht.
Ja, ik wil best mee, zeg je, maar ik wil eerst weten waar het op uitloopt,
wat mij te wachten staat.

Zou Petrus hebben gezien en gehoord wat er met de Heere Jezus gebeurt?
Zou Petrus horen welke indrukwekkende woorden de Heere Jezus zegt
tegen degenen die Hem ondervragen?
Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel.
Petrus, hoor je wel wat de Heere Jezus zegt?
Dat Hij in de hemel zal zijn. Naast de troon van God, naast God zelf – de machtigste plaats die er is heeft Hij.
En Petrus, hoor je wat de Heere Jezus zegt? Dat Hij terugkomt in macht en majesteit?
Je wilde toch weten hoe het zou aflopen?

Maar we kunnen vaak zo druk zijn met onszelf.
Om wel Jezus te volgen, maar dan op een afstand.
Eerst moet ik er van overtuigd zijn dat het goed afloopt, pas dan volg ik Jezus helemaal.
Eerst moet ik het ervaren, dat de Heere Jezus die bijzondere plaats naast God heeft,
een bevestiging van God zelf.
Dan kan ik me helemaal geven en helemaal achter Hem aan gaan.
Want wie geeft mij de garantie dat het goed afloopt?
Dat het waar is, dat Christus nu aan de troon van God zit en dat Hij terugkomt?

Petrus is in ieder geval er wel druk mee.
Wel zorgen dat hij bij de Heere Jezus is, zodat hij later kan zeggen
dat hij er alles aan gedaan heeft en dat hij zijn Meester tot het uiterste is gevolgd,
maar wel zorgen dat er een veilige afstand is.

Terwijl aan de Heere Jezus de vraag gesteld wordt: wie bent U eigenlijk? Wat verbeeldt u uzelf?
krijgt Petrus een andere vraag:
Petrus hoor jij er ook niet bij Hem?

Een gewetensvraag! Petrus, je kunt je wel zo druk maken om die afstand,
maar zeg het nou maar eerlijk: Je bent er toch ook eentje van Jezus?
‘Eh nee, echt niet! Waar heb je het over? Jezus en ik? Nee, echt niet! Ik moet er niet aan denken’

Het is hier niet veilig, merkt Petrus, want terwijl wil weggaan, hoort hij het anderen zeggen
en hij heeft het gevoel dat alle ogen op hem gericht zijn.
Die man daar, je kunt zien dat het er ook eentje van Jezus is. Dat hij bij Hem hoorde.
Petrus is de ander voor: ‘Echt niet. Ik ken Hem niet. Dat zweer ik!’
Stel je voor, dat iedereen naar Hem kijkt en denkt: ja nu je het zegt – het is er ook eentje van Jezus.
Ik moet weg van hier!

Ik ken Hem niet. Groter kun je de afstand toch niet maken, Petrus?
Ken je Hem niet? Die gezegd heeft: vanaf nu zul je Mij zien zitten aan de rechterhand van God
en je zult zien dat Ik terugkom in heerlijkheid.
Ken je Hem niet Petrus?
Nee, ik ken Hem niet.
Gemeente, wat gebeurt er, als je zegt over Jezus: Ik ken Hem niet?
Maar zo makkelijk kom je er niet vanaf.
al zou je je er van los willen maken, vraag maar aan degenen die van de kerk zijn afgegaan
dat ze er niet meer los van komen.
Je draagt het mee:

Petrus komt er ook niet los van.
Ze horen Petrus praten en ze weten het zeker! Je kunt het horen aan zijn manier van praten,
dat verraadt hem. Zeker weten! En ze lopen op hem af:
Draai er nou maar niet om heen. Je bent echt wel een van zijn volgelingen.
Je verraadt je zelf.

Dan komt het diepste punt in het leven van Petrus
waarop hij zegt: Ik ken Hem echt niet.
Als ik lieg, dan mag er van alles met mij gebeuren.
Ik heb met Hem niets te maken.
Groter kan de afstand tot Jezus niet worden,
maar hij heeft het zelf niet door.
Pas als hij de haan hoort kraaien – dringt het tot hem door.
Schiet het door hem heen – als een flits: Petrus, wat doe je nu?
Petrus! Petrus!
De haan kraaide en herinnerde Petrus aan wat hij verkeerd had gedaan.
De haan riep Petrus’ geweten wakker.
Als de haan niet had gekraaid, dan had hij nog niet geweten wat hij had gedaan.
De haan kraait – dat wil zeggen: de nacht is voorbij,
maar niet voor Petrus, want voor hem begint de nacht pas goed.
Hij wilde weten hoe het zou aflopen, met Jezus, met hemzelf.
Maar hij doordat hij daar zo druk mee was, heeft hij vergeten wat voor nacht het was.
Wat voor nacht was het?
De belangrijkste nacht voor het volk Israël.
De paasnacht: bevrijding uit Egypte.
De vraag schiet door hem heen: Is er voor mij nog redding
nu ik Jezus heb losgelaten?
De vraag doet pijn in zijn hart, omdat hij het antwoord weet op de vraag:
Alleen Jezus kan dat nog zeggen, of Petrus erbij hoort.
Alleen als Jezus het tegen hem zegt: Petrus, heb jij mij lief?
Zou dat ooit gaan gebeuren?
Zou hij de stem van Jezus ooit nog eens horen?

Weet jij het antwoord op de vraag van Petrus?
Mag je, als je de Heere Jezus eens hebt losgelaten, nog bij Hem horen?
Als je Hem verloochent, zul je er dan door Hem worden buiten gezet?
Zal Jezus dan zeggen: ‘Ik ken jou ook niet? Ga weg van Mij?’

Het antwoord komt van de Heere Jezus zelf.
Mattheüs vertelt hoe Jezus gekomen is om ons te redden van onze zonden.
Omdat Jezus stierf, werd ook de fout van Petrus vergeven.
En ook jouw fout.
Niet als goedkoop trucje, maar als redding.

De haan kraaide en herinnerde Petrus aan wat hij verkeerd had gedaan.
De haan riep Petrus’ geweten wakker.
Als een haan kraait, kondigt hij de nieuwe dag aan.
Goede Vrijdag
Opstanding: De Heer is waarlijk opgestaan.
Amen

Zie ook: https://mjschuurman.wordpress.com/2010/03/20/verloochening-van-petrus/

De 4 pagina’s van de preek

De 4 pagina’s van de preek – introductie

393878076_6257d0c303

Het maken van een preek is een creatief proces dat vergelijkbaar is met het maken van een film. Een film vertelt een verhaal door het te verbeelden. Een film kent een bepaalde opbouw waarover is nagedacht en dat is uitgewerkt in een script.

Zo wil de preek ook een verhaal vertellen door gebruik te maken van verbeelding. En kent de preek een bepaalde opbouw waarover is nagedacht. De voorbereiding van een preek is vergelijkbaar met het schrijven van een script.

5789filming

Dit script van de preek bestaat volgens de Canadese hoogleraar Paul Scott Wilson uit 4 pagina’s:

1) Zonde en gebrokenheid in de wereld van de Bijbel
2) Zonde en gebrokenheid in onze eigen leefwereld
3) Genadig handelen van God in of achter de Bijbeltekst
4) Gods genadig handelen in onze eigen leefwereld

sermon-preparation

Creativiteit
Scott Wilson hoopt door deze vergelijking met het maken van een film, dat voorgangers er (weer) plezier in hebben om een preek te maken. Door te werken aan een script is verbeelding nodig. Daardoor wordt er een beroep gedaan op de verbeeldingskracht en het creatieve vermogen van de predikant.

Spreiding
Met zijn script dat uit 4 pagina’s bestaat wil Scott Wilson ook een model geven dat helpt om de voorbereiding van de preek in te plannen in de werkweek. Want de predikant kan de voorbereiding over de week uitsmeren: elke dag 1 pagina van het script.

screenplay

Handelen van God
De voornaamste reden waarom Scott Wilson met deze 4 pagina’s kwam, is de constatering dat in veel preken God en het handelen van God niet aan de orde komt.
Daardoor wordt de last van het geloof afgewenteld op de gemeente: aan het ene kant van het spectrum is het dan een oproep tot rechtvaardig handelen; aan de andere kant van het spectrum een noodzaak om te werken aan de relatie met Christus.
Door de preekvoorbereiding in deze 4 pagina’s onder te verdelen wil Scott Wilson predikanten helpen om het handelen van God in de preek te betrekken.

photo-4

Nadelen
Scott Wilson ziet de nadelen van het achterwege blijven van Gods handelen:
– De Schrift komt tekort
– Het evangelie wordt niet gepresenteerd als goed nieuws
– De preek helpt de gemeenteleden niet om tekenen van Gods handelen in onze eigen tijd te zien. Waar zien gemeenteleden Gods handelen, dat verschil in onze leefwereld maakt?
(Deze 4 pagina’s zijn ook behulpzaam om preken uit het verleden te analyseren.)

Droom
De droom en hoop van Scott Wilson met dit model is:
– dat predikanten hun preek baseren op de tekst van de Bijbel
– meer aandacht besteden aan en open staan voor het handelen van God
– Het stimuleren van de vreugde bij het voorbereiden van preken
– Om diegenen die een preek maken uit te dagen om na te denken over de nut en de noodzaak van de opbouw en compositie van de preek.
(Waarbij de preek niet slaafs de 4 pagina’s hoeven te volgen.)

De vergelijking met het film maken en het schrijven van het script geven aan waar het Scott Wilson om te doen is: om in deze tijd gebruik te maken van de creativiteit van de predikant én om de theologie in de preekvoorbereiding te integreren. De vergelijking met het film maken daagt de creatieve kant en de verbeelding uit. Het script laat zien op welke manier theologie en het handelen van God in de preek ingebracht kan worden.

N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon. A Guide to Biblical Preaching (Nashville: Abingdon Press, 1999) 9-29.

‘Waarom hangt die man nog steeds aan dat kruis?’

‘Waarom hangt die man nog steeds aan dat kruis?’

Binnenkort is het Goede Vrijdag. Dan staan we stil bij het lijden en sterven van Christus op Golgotha. Kinderen die op een christelijke school zitten of naar de kerk of kindernevendienst gaan, zullen stil staan bij dat lijden en sterven. Door de paasvieringen die er zijn. Door de verhalen die worden verteld. Krijgen kinderen op die momenten ook mee dat het sterven van Christus verzoening en verlossing tot stand bracht?

Dat hangt van verschillende dingen af: Op welke manier en met welke betekenis worden de lijdensverhalen doorverteld? Wat is de betekenis van Jezus’ sterven voor ouders en leerkrachten? Welke liederen worden er aangeleerd en gezongen? Zijn de symbolen die met de kruisdood ook in de leefwereld van kinderen aanwezig? Hoe wordt er naar Goede Vrijdag toegeleefd?

Het sterven van Christus op Golgotha is een belangrijke kern van het christelijk geloof. Toch is het niet vanzelfsprekend dat de verhalen aan de orde komen. Ook is het niet vanzelfsprekend dat aan kinderen wordt uitgelegd dat Jezus Zijn leven gaf als offer voor onze zonde – dat Hij stierf voor onze redding en om ons met God te verzoenen.

Ouders of leerkrachten kunnen bijvoorbeeld moeite hebben met het geweld en het bloed in deze verhalen. Zij vinden de verhalen over het lijden en sterven van Jezus niet geschikt om aan hun kinderen te vertellen. Of zij hebben moeite met de gedachte dat Christus Zich als offer gaf. Daardoor kan het voorkomen dat kinderen niet begrijpen wat de betekenis is van de dood van Christus aan het kruis en waarom deze dood tot de kern van het christelijk geloof behoort. De onkunde en de misverstanden kunnen voortleven.

Wat als je het als predikant of leiding van een club, zondagsschool of vakantiebijbelweek kinderen iets meer wil duidelijk maken? Op welke manier zou je dat dan kunnen doen? Het model van lesvoorbereiding voorgesteld door de godsdienstpedagoog Friedrich Schweitzer kan behulpzaam zijn:

(1) Basale structuren: In het Nieuwe Testament komt de kruisiging op verschillende manieren aan de orde en heeft de dood van Christus verschillende aspecten. Bijvoorbeeld: verzoening, offer, voorbeeld. Kies door concentratie en vereenvoudiging uit wat wezenlijk is voor de betekenis.

(2) Basale ervaringen: Bij deze stap gaat het om waarneming van analogieën in de leefwereld van kinderen. In eerste instantie zal het niet eenvoudig zijn om het kruis als offer, verlossing of verzoening uit te leggen, omdat deze woorden voor kinderen te abstract zijn. In hun leefwereld zijn wel overeenkomsten te vinden. Zelfs voor het fenomeen offer: ook in kinderfilms zijn er personages die bereid zijn om hun leven te geven, zodat anderen gered kunnen worden.

(3) Basale toegang: Kinderen brengen hun eigen manier van verstaan mij. Zij geven zelf op hun eigen manier betekenis aan de gebeurtenissen die rondom de kruisiging worden verteld. Zij geven hun eigen interpretatie van de kruissymbolen. Een voorbeeld: een kind loopt langs het crucifix van hun dorp. Het vraagt aan zijn moeder: ‘Waarom hangt die man nog steeds aan dat kruis?’ In het gesprek dat er op volgde gaf het kind aan, dat het een teken van hoop was als de man eens van het kruis af kwam.

(4) Zoeken naar basale vormen van leren: het zoeken naar bij de thematiek passende en creatieve werkvormen, die rekening houden met de verschillende aspecten van het leren (cognitief, affectief, handelingsgericht). Hierbij gaat het ook om het stimuleren van het eigen leerproces van een kind.

(5) Basale waarheden: Het gaat hier om de existentiële dimensie van het geloof. Wat is mijn enige houvast in leven en sterven? Wat is echt betrouwbaar?

Het zou wel eens kunnen zijn, dat niet de verhalen op zichzelf de kinderen bij de betekenis van Christus’ sterven brengen, maar de beelden en metaforen die in de Bijbel worden gebruikt.

Een gesprek op een peuterspeelzaal:
Juf: ‘Weten jullie waarom Jezus is gestorven?’
Kind 1: ‘Ze hebben hem gedood.’
Kind 2: ‘Toen kwam hij in een graf met een steen ervoor.’
Kind 1: ‘Hij had een kroon gekregen, een doornenkroon.’
Kind 3: ‘Hij werd aan het kruis gespijkerd.’
Juf: ‘Wat is er gebeurd?’
Kind 4: ‘Daarna zei hij: Ik ben niet meer dood.’
Kind 2: ‘Hij was weer opgestaan.’
Juf: ‘Wat heeft dat met de graankorrel te maken?’
Kind 5: ‘Omdat dat hetzelfde is.’
Juf: ‘Hetzelfde?’
Kind 5: ‘Ook de graankorrel moest eerst dood worden om weer levend te worden.’

Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Margriet krijgt te horen dat zij ernstig ziek is. Het is een bericht dat haar overrompelt. Al voelde ze wel dat er iets aan de hand was, dit had ze niet verwacht. Er gaat van alles door haar heen. Vragen als: had dit niet eerder ontdekt kunnen worden? Wat staat mij te wachten? Hoe lang heb ik nog te leven? Het bericht maakt haar ook verslagen. Maar er is ook nog een diepe wens om zo lang mogelijk door te leven. Voor haar man, voor de kinderen, de kleinkinderen. Ze klampt zich vast aan de behandelingen. Al wordt ze door die behandelingen nog zieker dan ze al is. Bij alles wat haar overkomt lukt het haar ook niet meer om te bidden. Want welke woorden moet ze nog gebruiken? Het lukt haar ook niet om troost te vinden in het geloof. Als het bezoek het gesprek op het geloof wil brengen of op de toekomst die haar te wachten staat, gaat zij daar niet op in. Margriet kan en wil daar niet over praten. Ze wil leven! De kuur is zwaar en ingrijpend, maar na verloop van tijd lijkt te kuur toch aan te slaan. Ze kan weer van bed af, af en toe wat in de tuin doen en zelfs af en toe op stap naar de winkel. Dan komt er de tegenslag: de ziekte is in hevigere mate teruggekomen. Ze krijgt de vraag of ze nog een keer een behandeling wil. Aan de ene kant twijfelt ze: de kuur zal haar nog zieker maken dan ze is en veel extra levensverwachting wordt er niet geboden. Ze zal hooguit nog een maand leven. Maar ze wil blijven leven! Voor haar man, voor de kinderen en kleinkinderen. Ze kan nog geen afscheid nemen van het leven. Ze besluit toch om de behandeling te ondergaan. Halverwege moet zij de behandeling afbreken, omdat het haar veel te zwaar valt. Ze kan het echt niet meer aan. Een grote teleurstelling. De mensen om haar heen houden hun hart vast: Hoe zal zij omgaan met deze grote tegenslag? Dan gebeurt het onverwachte, wat niemand in haar omgeving nog op had gerekend. Terwijl zij geen enkele hoop meer had dat het nog beter zou gaan met haar en het echt duidelijk was dat haar einde naderde, kwam zij bij God uit. Ze herinnerde zich hoe zij als jong meisje een preek had gehoord over Deuteronomium 33:27a: De eeuwige God is u een woning en onder u zijn eeuwige armen. Daarin vond zij haar houvast en er kwam een rust over haar. Vredig en vol vertrouwen op God stierf zij.

Wat is uw enige troost in leven en sterven? Hebt u daar al een antwoord op? Het is immers een vraag die voor u niet vreemd hoeft te zijn? U hebt deze vraag inclusief het antwoord vroeger vast wel uit uw hoofd moeten leren voor school of voor catechisatie. Deze vraag is vaak langsgekomen wanneer een predikant een begin maakte met een prekenserie over de Heidelberger Catechismus. Daarnaast zult u allemaal wel ingrijpende gebeurtenissen in uw leven gehad hebben, waardoor u wel over deze vraag na moest denken. Omdat een moeder die heel dierbaar was overleed. Of een echtgenoot. Een kind. Of een broer of zus. Dat zijn momenten waarop deze vraag op u af kan komen: Wat als dat met mij zou gebeuren? Welke troost heb ik dan?

Het is een bekende vraag. Zo bekend, dat als ik aan u zou vragen: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Dat u vast denkt: ‘Ja, ik weet wel waar dat vandaan komt. Dat kan niet missen! Dat is zondag 1.’ Ik ben benieuwd of u ook het antwoord weet dat de catechismus geeft. Of geldt voor het antwoord hetzelfde als wat over alle belijdenisgeschriften gezegd wordt: veel geprezen, maar weinig gelezen?
En dan ben ik niet alleen benieuwd of u het antwoord kunt opzeggen, maar of dat antwoord u ook helpt om voor uzelf een antwoord te vinden op die vraag naar de enige troost in leven en sterven. Want de catechismus is niet alleen gegeven om de juiste leer aan te leren, maar om in uw eigen leven met de Heere te leven.

Ik wil met u uitgebreider nadenken over het antwoord dat in de Catechismus gegeven wordt. Allereerst het woord ‘troost’. Vandaag de dag heeft dat woord een andere betekenis dan 450 jaar geleden toen de catechismus werd opgesteld. Vandaag heeft troost vooral te maken met verdriet of teleurstelling. Troost betekent dat iemand je probeert op te beuren. In de vraag van de Catechismus gaat het om meer: om houvast, om zekerheid.

Ik neem u mee naar de tijd waarin de catechismus is ontstaan. Het is 1563, 5 jaar voor het uitbreken van de 80jarige oorlog. Voor de gelovigen die de kant van de Reformatie hebben gekozen is het leven niet gemakkelijk. Ze zijn in hun eigen plaats hun leven niet zeker. Vaak zijn ze ook verbannen en mogen ze niet terugkeren naar de plaats waar zij vandaan komen. De gelovigen moesten wegvluchten naar Londen, naar plaatsen in Duitsland. Op verscheidene plaatsen waren gemeenten ontstaan van Nederlandse vluchtelingen. Hun toekomst was hoogst onzeker. Ze hadden hun bezittingen verloren. Ze waren vreemdelingen elders en ze wisten niet hoe het anders zou zijn. Dan is de vraag die de Catechismus stelt een heel mooie vraag. De vraag is: Wat is je houvast in leven en sterven – nu je bijna alles op aarde kwijt bent? Wat heb je dan nog? Wat geeft je de moed om verder te leven? Wat geeft je zekerheid nu je niets meer hebt?

Die zekerheid en houvast betreft niet alleen het naderend einde. Dat is natuurlijk ook van groot belang. De Catechismus gaat ervan dat er één zekerheid is die wij hebben. Die zekerheid is er bij de naderende dood en het uitzicht na de dood. Diezelfde zekerheid is er ook in het leven. Als u zegt: ik kán sterven, dan kunt u ook leven. Dan hebt u ook zekerheid in het aardse leven. Zekerheid als er tegenslagen komen, als er ziekte komt, een verkiezingsuitslag. En omgekeerd – als u zegt: ‘Ik heb een goed leven, een leven dat zinvol is’, zou dat ook moeten inhouden dat u kunt sterven. De Catechismus zegt: we kunnen hierin geen onderscheid maken. Daarin is de Catechismus niet uniek. In heel de christelijke traditie wordt gezegd: Wie kan sterven, kan ook leven. Wie een gelukkig leven wil hebben, dient zich rekenschap van te geven dat er eens de dood als einde is. En nog een stap verder: dient er rekening mee te houden dat er eens een moment komt, waarop we voor God zullen staan en aan Hem rekenschap afleggen over het leven. Het leven hebben wij van Hem gekregen – als geschenk. De vraag zal zijn hoe wij daar mee omgegaan zijn. Wie God kan ontmoeten, kan sterven. Wie God kan ontmoeten, heeft houvast in het aardse leven. Ook als er tegenslagen zijn als geldgebrek, zorgen.

Wat is die zekerheid, die troost, houvast dan? Dat ik met ziel en lichaam, zowel in leven en sterven, niet mijzelf toebehoor, maar eigendom ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus. Ik ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus. Hem behoor ik toe. Dat is mijn houvast en ook uw houvast. Op de achtergrond horen wij de tekst uit Filippenzen 1: het leven is mij Christus, het sterven winst. Dat mijn leven van Christus is, dat is die zekerheid die ik nodig heb. Om te kunnen sterven en voor God te verschijnen, maar ook om te leven hier op deze aarde.
De gelovigen uit de tijd van de Catechismus waren hun leven niet zeker. Zij hadden geen huis meer. Verbannen, gevlucht. Hun huis hadden zij in Christus. Hij was hun toevlucht. Wellicht keken zij daardoor ook des te meer uit naar dat hemels Vaderland. Vandaag de dag moet denk ik des te meer worden gezegd, dat er ook een troost en houvast in het leven nodig is. En dat die troost en houvast is, dat wij van eigendom zijn van Christus.

Die gedachte dat we eigendom van Christus zijn en dat daarin ons geluk ligt, is voor velen vandaag de dag moeilijk te begrijpen. Misschien niet voor u, maar wellicht wel voor uw kinderen of kleinkinderen. Ik kwam erachter toen ik aangesproken werd op deze zin uit deze zondag: ‘Dat eigendom van Christus vind ik maar niks.’ Ik was benieuwd waar dat in zat. Toen kwam het verhaal. Haar relatie was net verbroken. Ze had een aantal jaren samengewoond, maar in die relatie was zij niet gelukkig. Ze had het idee dat zij zichzelf steeds meer kwijtraakte en steeds meer in een gevangenis kwam. Dat haar vriend haar leven ging bepalen. ‘Bij het woord “eigendom” moet ik dan terugdenken aan die relatie.’

Nu zit het niet in het woord. Waar het om gaat, is dat wij pas echt vrij zijn als we gebonden worden aan Christus. Dat wij pas echt mens worden als wij van Christus zijn. Dat wij voor God kunnen verschijnen, kunnen sterven en kunnen leven, als wij van onze getrouwe Heiland Jezus Christus zijn. Heiland. Heiland: Redder, Degene die mij heil schenkt. Er is wat gebeurt. Met Christus en met ons. Christus stierf aan het kruis. Voor Hem was dat verschrikkelijk. Hij zag er tegenop om die weg te gaan. In Gethsemané bad Hij in angst omdat Hij de toorn van God op zich zag afkomen. Omdat Hij al aanvoelde dat Hij door God verlaten zou worden en af zou dalen in de hel.

Van Hem ben ik, zegt de Catechismus ons voor. Van Hem die Zijn leven en Zijn kostbaar bloed gaf. Zijn kostbaar bloed: het zijn ook de woorden die bij het avondmaal worden uitgesproken. Deze beker is het nieuwe testament in Zijn bloed. Neemt, drinkt allen daaruit, gedenkt en gelooft dat het kostbaar bloed van onze Heere Jezus Christus is vergoten tot volkomen verzoening.

Over elke formulering is nagedacht in de Catechismus: ook over de formulering waarin gesproken wordt over dat bloed. In deze woorden wordt namelijk aangegeven dat de Heere Jezus gestorven is als een offer. Voor onze zonden stierf Hij als een offer. Bij een offer gaat het om leven en dood. De dood van het ene dier geeft leven aan een heel volk. Het kostbaar bloed van Christus wijst naar dat ene offer dat werd gebracht op Golgotha om een heel volk te verzoenen en vrij te kopen. Het is ook voor u gestort, dat bloed van Christus. Ook uw zonden zijn daarmee voldaan. Volkomen voldaan. En u bent vrijgekocht uit de macht van de duivel.
Wanneer iemand zegt: Ik hoef niet van Christus te zijn; ik ben liever van mijzelf – is dat een vergissing. Je kunt niet van jezelf zijn. Je kunt alleen maar van God zijn. Wij zijn niet van onszelf. U bent niet eigenaar over uw eigen leven. Ik niet over de mijne. Ons leven hebben wij in bruikleen gekregen.

Voor ’t leven hebben wij de dood
het lege niets verkozen,
voor vrede vreze, steen voor brood,
voor ’t eeuwig goed de boze.
Wij hebben onze ziel verkocht
van ademtocht tot ademtocht
aan die genadeloze.

En dan zegt de Catechismus tegen ons: je bent vrijgekocht en dat is het houvast dat je hebt in leven en sterven. En je bent niet aan je lot overgelaten, je mag van Christus zijn. Al je zonden zijn voldaan, omdat Christus stierf voor ons. U bent in de hand van Christus! Hij waakt met zoveel zorg over mij!
Omdat Hij niet wil dat we terugvallen, teruggeroofd worden door de genadeloze duivel. Hij waakt met zorg over mij. Wie van Christus wordt, wordt ook van de Vader en wordt ook van de Geest.

Dat gaat niet zonder aanvechting. Een aanvechting is dat wij deze zorg niet altijd zien. Een andere is dat het voor velen niet eenvoudig is hun leven uit handen te geven. Dit houvast, deze troost wordt geschonken. Ligt buiten onszelf.
De Catechismus houdt met deze vraag en dit antwoord ons ook voor dat we het daar – in Christus – moeten zoeken. Wat is uw troost, uw houvast?

Inleiding ouderenmiddag

Geef ons heden ons dagelijks brood

Geef ons heden ons dagelijks brood

Jezus gaf aan Zijn discipelen een gebed: het Onze Vader. Dit gebed laat goed zien, waar het Jezus in Zijn verkondiging om te doen was. Nieuwtestamenticus Klaus Haacker nam daarom het Onze Vader als uitgangspunt om te vertellen wat Jezus verkondigde.

In het Onze Vader wordt ook gebeden: Geef ons heden ons dagelijks brood. Volgens Haacker laat deze bede zien dat het in het gebed om concrete vragen gaat en om de zorgeloosheid van het geloof.

De bede is bij verschillend overgeleverd.
Mattheüs heeft: Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben – waarbij de nadruk ligt op het ‘vandaag’. (imperativus aoristus dos).
Lukas heeft: Geef ons dagelijks het brood dat wij nodig hebben – waarbij het accent ligt op het ‘elke dag’, ‘dagelijks’(imperativus presens didou).
Volgens Haacker is de versie van Mattheüs de meest oorspronkelijke versie.

In de bede is er sprake van vandaag of dagelijks. Het is niet duidelijk hoe het Griekse woord epioúsios vertaald moet worden, omdat er van het een voor het Grieks van die tijd een uniek woord is.
Waarschijnlijk is het een neologisme, een woord dat in de vertaling van het Aramees naar het Grieks voor het eerst voortkomt. Daarom zijn er verschillende versies van uitleg:

1) Veel vertalingen hebben ‘dagelijks brood’, waarbij men teruggrijpt op de vroege Latijnse vertalingen (die spreken van panis quotidianus).

2) Hierynomus vertaalde in de Vulgaat met supersubstantialis. Dan gaat het in deze bede niet meer om het dagelijkse brood, maar om het sacramentele brood van het heilig avondmaal.

3) Joachim Jeremias grijpt terug op Hierynomus en suggereert dat in de oorspronkelijke Aramese versie van het Onze Vader gesproken wordt van machar (morgen), d.w.z.: het brood van morgen. Daarbij kan de betekenis dubbelop zijn: (a) het aardse brood van morgen of (b) het eschatologische brood in het Koninkrijk van God: Geef ons het brood van de toekomstige wereld.
Deze laatste optie kan nog weer op twee manieren worden opgevat: als Laat ons deelhebben aan de maaltijd in de toekomende wereld of als: Laat ons vandaag reeds – in het avondmaal – eten van het brood van de toekomende wereld.

Haacker wil geen keuze maken, maar wijst er slechts op dat er in deze bede niet gesproken wordt over het brood, maar over ons brood. Op basis van wat er in Genesis 3:19 (Zweten zul je voor je brood) en 2 Thessalonicenzen 3:12 ( In naam van de Heer Jezus Christus dragen wij dergelijke mensen nadrukkelijk op rustig hun werk te doen en hun eigen brood te verdienen) staat, lijkt het hem het meest waarschijnlijk dat het hier in deze bede gaat om ons levensonderhoud, onze behoefte aan voedsel.

In het Evangelie van Mattheüs wordt het Onze Vader gegeven in de Bergrede die Jezus uitspreekt. In deze rede wordt door Jezus benadrukt dat onze Vader in de hemel wat wij mensen nodig hebben (Mattheüs 6:8, 32). Het gaat Jezus om een kwijtraken van onze zorgen en een aansporing tot bidden (vgl. Mattheüs 7:9-11; Lukas 11:5-13).

Armen
Jezus geeft deze aansporing aan zijn leerlingen, die aangesproken worden als mensen die arm zijn, honger hebben en reden hebben om te klagen (Lukas 6:20-23).
De armen kwamen op Jezus’ verkondiging af. Onder andere omdat zij een beroepsmatige verplichtingen hadden. Voor deze armen was het kwijtraken van de zorg voor hun levensonderhoud een uitdrukking van hun hoop op het door Jezus aangekondigde Koninkrijk van God. Het bewust afstand nemen van de normale bestaanszekerheid was een geloofshandeling in vertrouwen op God die reeds vandaag Zijn zorg aan hen laat zien.

Rekenfout
Wie bouwt op het de aardse materie en daaraan bestaanszekerheid ontleent heeft een valse zekerheid opgebouwd. Diegene die op aardse zekerheden bouwt, maakt een grote rekenfout door niet met God rekening te houden:

En hij vertelde hun de volgende gelijkenis: ‘Het landgoed van een rijke man had veel opgebracht, en daarom vroeg hij zich af: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn voorraden op te slaan. Toen zei hij bij zichzelf: Wat ik zal doen is dit: ik breek mijn schuren af en bouw grotere, waar ik al mijn graan en goederen kan opslaan, en dan zal ik tegen mezelf zeggen: Je hebt veel goederen in voorraad, genoeg voor vele jaren! Neem rust, eet, drink en vermaak je. Maar God zei tegen hem: “Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?” Zo vergaat het iemand die schatten verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.’ (Lukas 12:16-21).

Niet met God rekening houden en geen rekening houden met het eigen sterven zijn twee kanten van dezelfde medaille. Wanneer wij het sterven van ons uit het oog verliezen, missen we een dieptedimensie waarin het rekening houden met God zich kan ontvouwen en bewaren. Bij deze man wordt zijn ziel teruggevorderd. Zijn ziel (dat wil zeggen zijn hele leven en bestaan, inclusief zijn gerichtheid op God) was de man in bruikleen gegeven. De man rekent het echter tot zijn eigen bezit.

Een leven zonder God
Deze gelijkenis volgt op een verzoek aan Jezus om recht te spreken in een erfeniskwestie. Men meende dat het een nobele taak van Jezus was om in wijsheid deze kwestie tot een goed einde te brengen. Jezus antwoordt echter:

Hij zei tegen hen: ‘Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht, want iemands leven hangt niet af van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft.’ (Lukas 12:15)

In deze woorden klinkt door dat rijkdom niet kan behoeden voor ziekte of ongeluk. Maar in deze woorden klinkt ook door dat een door rijkdom gezekerd bestaan innerlijk kapot kan zijn en dat het een leven is dat de naam leven niet waard is. Het is een leven met zorgen. Een leven net als de heidenen: een leven zonder God (Mattheüs 6:32).

Vader in de hemel
Het is voor ons genoeg om te weten dat de Vader in de hemel onze noden kent (eveneens Mattheüs 6:32). Op deze God kunnen wij een beroep doen met betrekking tot onze noden. Dat laat de gelijkenis zien, die Lukas verbindt aan het Onze Vader:

En Hij zei tegen hen: Stel dat iemand van u een vriend heeft en midden in de nacht naar hem toe gaat en tegen hem zegt: Vriend, leen mij drie broden, want mijn vriend is van een reis bij mij gekomen en ik heb niets om hem voor te zetten, en dat die vriend van binnen uit het huis dan zou antwoorden en zeggen: Val mij niet lastig. De deur is al gesloten en mijn kinderen zijn bij mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan om ze u te geven. Ik zeg u: Al zou hij niet opstaan en ze hem geven, omdat hij zijn vriend is, dan zou hij toch om zijn onbeschaamdheid opstaan en hem er zoveel geven als hij nodig heeft.

Stoïcijns
De gelijkenis is een kritiek op het stoïsche wereldbeeld, dat ook in Jezus’ tijd in Israël bekend was. Het stoïsche wereldbeeld zegt dat met gebed niet geprobeerd moet worden God op andere gedachten te brengen, maar dat bidden betekent dat wij onszelf leren te schikken in ons lot.
Met de gelijkenis roept Jezus ons op juist het tegenover gestelde te doen. In het stoïsche wereldbeeld is er geen ruimte voor een persoonlijke band met de Heere. In dat wereldbeeld is het niet mogelijk Hem in gebed de noden voor te leggen en de dank bij Hem te brengen.

Binnen de traditie van de kerk kan het stoïsche wereldbeeld wel eens invloedrijker geweest zijn dan Jezus’ oproep om niet te stoppen met bidden.

N.a.v. Klaus Haacker, Was Jesus lehrte. Die Verkündigung Jesu – vom Vaterunser aus entfaltet (Neukirchen-Vluyn, 2010) 155-166.

Doop en sociaal milieu – 2

Doop en sociaal milieu – 2

Vervolg op Doop en sociaal milieu -1

Net als de samenleving bestaat de kerk uit verschillende sociale milieus. De sociale samenstelling van de kerk is anders dan die van de samenleving. Bepaalde milieus, zoals het traditionele milieu en van het burgerlijke midden zijn oververtegenwoordigd in de kerk in vergelijking met de maatschappij. De kerk weet deze milieus beter te bereiken dan andere milieus.

De uitdaging van de kennis van sociale milieus is niet alleen om de minder goed bereikte milieus te bereiken, maar ook om degenen die wel bereikt worden te stimuleren om verder te gaan op de weg van het evangelie. Juist ook rondom de doop. Want de milieus die door de kerk wel bereikt worden, nemen vaak slechts een deel van het evangelie over.

Burgerlijke midden
Degenen die tot het milieu van het burgerlijke midden behoren hebben vaak behoefte aan economische en sociale zekerheid. Ze zijn gericht op harmonieuze verhoudingen. Zij hebben alles over voor hun gezin, want hun gezin staat voor hen voorop. Zij vinden het fijn als hun gezin onderdeel is van de kerkelijke gemeente en willen graag dat de kerk op gezinnen is gericht.

Doop
Rondom de doop speelt gezin en familie dan ook een grote rol. Het is van belang dat de doop plaatsvindt volgens de plaatselijke gebruiken van de kerk, maar de doop moet wel met een persoonlijk accent worden uitgevoerd en niet routinematig. Het mooiste zou zijn als de doopdienst een gezinsdienst is. Een aanknopingspunt is dat de doop het binnentreden is in de gemeenschap van gelovigen, dat gevierd wordt in het midden van Gods gezin.

Provocatie van het evangelie
Daarentegen is voor dit milieu het evangelie ook een provocatie: in de doop gaat het om meer dan de zichtbare gemeenschap, want het gaat ook om de gemeenschap met Christus in Zijn dood en opstanding. Ook de thematiek van de rechtvaardiging van de goddeloze is voor dit milieu een provocatie. Ze zijn gewend om hun identiteit te ontlenen aan wat zij doen en aan wat zij hebben. Genoeg uitdaging voor het doopgesprek en de preek in de doopdienst!

Het precaire milieu
Een milieu dat door de kerk moeilijk bereikt wordt is het laagste sociale milieu: het precaire milieu. Terwijl in de maatschappij 10% van de mensen tot dit milieu behoort, behoort slechts 1% van de kerk tot dit milieu.
Als er toch contact is met de kerk en er gedoopt wordt, wordt de doop door de hele familie beschouwd als een gebeurtenis met status (want dit kind hoort toch bij de gemeenschap).

Doop
Inhoudelijk heeft de doop vooral de betekenis van een zegen: het gedoopte kind krijgt Gods bescherming of een beschermende kracht mee op de levensweg. Voor de gemeenteleden die tot dit milieu behoren is alles wat er in de kerk gedaan wordt vrij snel te moeilijk.
Toch zijn er ook aanknopingspunten: in de genade van God die gratis is en niet verdiend hoeft te worden, het erbij mogen horen bij God en bij Zijn gemeenschap. De doop laat zien dat dit kind geen nummer is, maar een persoon.

De uitdaging van het evangelie
De uitdaging vanuit het evangelie is dat degenen die uit dit milieu komen beseffen dat het in de doop om meer gaat dan bescherming en veiligheid. In het doopgesprek dient de betekenis van de doop en de gang van zaken op een eenvoudige manier te worden uitgelegd.
In dat gesprek zal het verschil in milieu tussen de predikant (of ouderling) en de doopouders merkbaar zijn. Het is zaak om daar met respect voor de ander rekening mee te houden. Het is verstandig om aan te voelen waar de doopouders zich zorgen om maken als het gaat om hun kind, de doopdienst of de kerk. Maar ook om aan te voelen waar deze ouders naar uitkijken en waar ze trots op zijn.

Aanrader
Zo wordt van al de verschillende milieus die er volgens het SINUS Instituut zijn aangegeven welke band er met de kerk is en hoe er tegen de doop wordt aangekeken. Daarnaast worden de aanknopingspunten verwoordt, maar ook op welke manier zij door het evangelie verder uitgedaagd zouden kunnen worden.

Een aanrader! Niet alleen vanwege het overzicht van de verschillende milieus en hun visie op kerk en doop. Maar ook vanwege de vele praktische suggesties voor het doopgesprek en de doopdienst.

Heinzpeter Hempelmann, Benjamin Schlieβer, Corinna Schubert, Markus Weimer, Handbuch Taufe. Impulse für eine milieusensible Taufpraxis (Neukirchen-Vluyn, 2013)

Preek biddag 2014

Preek biddag 2014
geef ons heden ons dagelijks brood

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Geef ons heden ons dagelijks brood
Is dat geen overbodig gebed?
Want kunnen we brood niet elke morgen uit de vriezer halen
of vers bij de bakker of de supermarkt?

De producten die meegenomen zijn naar de kerk
en die bestemd zijn voor de voedselbank
laten zien dat niet iedereen in ons land in deze luxe verkeert.
Voor hen die afhankelijk zijn van de voedselbank
omdat ze geen geld genoeg hebben om zelf eten te kopen,
zullen dit gebed dan harder nodig hebben
en wellicht ook met meer vertwijfeling bidden:
Geef ons heden ons dagelijks brood
– want we weten niet of er vandaag brood en eten voor ons is.
Als U, Heere, ons geen eten geeft, hebben wij deze dag weinig om te eten.
Kunt U er dan niet voor zorgen dat wij te eten krijgen.
Geef ons heden ons dagelijks brood.

Bij de voorbereiding van deze preek bedacht ik mij
dat ik dit gebed wel bidt, omdat de Heere Jezus dit heeft gegeven in het Onze Vader,
maar dat ik het altijd bid in de zekerheid dat er vandaag eten zal zijn.
De tafel is al gedekt, het eten staat op tafel
en we bidden: Geef ons heden ons dagelijks brood.
Dan is zo’n gebed niet meer een vraag aan de Heere om eten,
maar alleen om een zegen van het eten dat er al is, wat we reeds gekregen hebben.
Waar blijft dan de afhankelijkheid van de Heere?
Daarom is het goed om een biddag te hebben,
waarin we ons er weer door bewust worden dat het eten dat we hebben
gekregen hebben, van de Heere, door Zijn zorg.
Om ons ook weer te oefenen in de afhankelijkheid aan de Heere,
in het geloof dat de Heere elke dag weer als hemelse Vader voor ons zorgt.
Want alles wat wij hebben, hebben wij gekregen van de Heere.
Onze rijkdom, de bezittingen die wij hebben, ook het eten dat wij krijgen.
zoals elke dag die wij krijgen ook een geschenk van de Heere is.
Een van de gebeden die de Joden bidden luidt:
Geprezen zijt Gij, Heer onze God, Koning van deze wereld
die de gehele wereld te eten geeft door uw goedheid.
Het is een zegen van de Heere, die niet voorbehouden blijft
aan degenen die de Heere kennen.
De Heere geeft niet alleen dagelijks brood aan degenen die erom bidden,
maar ook aan degenen die er niet om bidden
en zich er niet eens van bewust zijn dat het eten dat zij hebben van de Heere komt.
De barmhartigheid van de Heere strekt zich breder uit.

Geef ons heden ons dagelijks brood.
De Heere Jezus leert met dat gebed om te bidden voor het eten dat wij dagelijks nodig hebben.
Het is een gebed voor degenen die honger hebben
en weten wat het is om géén eten te hebben.
Juist hen in het bijzonder leert de Heere Jezus om daarvoor te bidden.
Het is allereerst een gebed voor degenen die weten wat het is om honger te lijden.
Door dit gebed te geven spoort de Heere Jezus hen aan
om niet te stoppen met bidden,
maar om aanhoudend bij de Heere aan te kloppen,
of Hij ook deze dag weer voor eten wil geven.
Na de aandacht voor Gods heiligheid
en de aandacht voor de geweldige toekomst die wacht als het Koninkrijk van God gekomen is
is er ook aandacht voor de alledaagse zorgen die er zijn.
Of we genoeg te eten hebben en of de Heere daarvoor wil zorgen.

Die gedachte kan er wel eens zijn:
bij God moeten we niet aankomen met onze dagelijkse zorgen,
want Hij heeft het grotere geheel op het oog.
Ons leven is maar een klein radertje in het geheel
En als wij tekort hebben, moeten we kijken naar het grotere geheel
van deze wereld, van de geschiedenis
die door de Heere wordt geleid naar dat grootse doel van Zijn koninkrijk.
En onze taak zou dan zijn dat we uitkijken naar die toekomst
en ons verder maar kalm houden.
Ons maar schikken in het lot.
Stil maar, wacht maar, eens wordt alles nieuw.
Beoefen nu maar geduld, het grote plan van God kunnen wij als kleine mensen niet overzien.
Ook in de tijd van de Heere Jezus waren er die dat zeiden.
Voor hen was bidden God niet op andere gedachten brengen,
want hoe kunnen wij als kleine mensen nu invloed,
hoe kunnen we dat in ons hoofd halen.
God is vele maten te groot voor ons.
Nee, bidden is jezelf oefenen om in overeenstemming te komen
met hoe het in je leven gaat:
niet klagen maar dragen en bidden om kracht.
Ze hebben daar een groot deel van onze liederen met zich mee:
Laat Hem besturen, waken, ’t is wijsheid wat Hij doet.
Rust mijn ziel, uw God is koning! Wees tevreden met uw lot!
en ze kunnen zich ook nog beroepen op de Heere Jezus,
toen Hij zei, in Getsemané: niet mijn wil, maar uw wil geschiede.
Bidden wij dat in het Onze Vader niet: uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op aarde?

En toch zegt de Heere Jezus: Ik geef jullie een gebed
waarmee Ik jullie leer om ook voor de alledaagse zorgen bij de Heere aan te kloppen.
Dat aankloppen voor het alledaagse, eten voor vandaag,
staat niet in tegenstelling tot dat eerste gebed
waarmee wij bidden of Gods naam geheiligd mag worden.
Jezus leert ons te bidden om de heiliging van Gods naam,
om de komst van Zijn koninkrijk
en toch ook om te bidden voor het alledaagse.
Het gaat niet alleen om de verre toekomst, waarin alle tranen gedroogd zijn,
waarin de honger voorbij is en er een feestmaal zal zijn, een overvloed.
Het gaat ook om het leven hier en nu, vandaag en morgen,
brood voor vandaag, brood voor morgen – dat wij dat van de Heere ontvangen.
Ook in het brengen van onze dagelijkse nood bij de Heere
heiligen wij Zijn naam,
want we doen een beroep op God, die aangeeft als een vader voor ons te zorgen.
In het bijzonder degenen die nodig hebben, dat Hij hen helpt:
de armen, de weduwen, de wezen, de gevangenen, de onderdrukten.
dat zijn misschien ook wel degenen die het gebed als eerste opgeven,
omdat zij denken, dat zij te klein, te gering, te weinig waard voor de Heere zijn.
die in hun honger, in hun lage status bevestigd zien dat zij voor de Heere niet tellen.
Nee, zegt Jezus, voor jullie is juist het gebed.
Geef het bidden niet op.
Geef het bidden ook niet op als je gering van jezelf denkt.
Want zegt de Heere het zelf niet: de eenvoudigen wil God gadeslaan.
De Heere Jezus geeft niet voor niets het Onze Vader als een gebed
waarmee wij tot de Heere kunnen komen.
We kunnen dan bij de Heere aankloppen: Heere, het is uw eigen Zoon
die het ons geleerd heeft.
wij hebben het zelf niet bedacht.
Wij doen het omdat Christus het ons geleerd heeft, opgedragen heeft.
Geef ons heden ons dagelijks brood.

Ons dagelijks brood – geef ons.
We bidden niet alleen voor onszelf.
We bidden in gemeenschap.
Gezamenlijk doen we een beroep op de zorg van de Heere.
We bidden niet alleen in onze rijkdom,
maar we zijn in het gebed verbonden met onze broeders en zusters
in andere landen, die wel de honger kennen,
die niets aan hun kinderen kunnen voorzetten.
Die nee moeten verkopen als hun kinderen om eten vragen.
We bidden niet alleen vanuit ons eigen gezin,
waar wellicht genoeg op tafel staat,
maar ook met de gezinnen in het dorp,
waar een beroep op de voedselbank gedaan moet worden:
Geef niet alleen aan mij, die in overvloed leef, het brood,
maar geef ook aan degene die niet heeft,
die als zzp’er werkloos is geworden, nu geen inkomen heeft
en ook geen uitkering krijgt.
We bidden niet alleen met de vader die ’s avonds alvast de tafel dekt,
zodat het ’s morgens niet hoeft gedaan te worden,
maar ook samen met de moeder die vannacht wakker ligt
vanwege de geldzorgen en voortdurend rekent welke boodschappen
er nog gedaan kan worden van dat beetje geld dat nog in huis is
en uitrekent hoe lang het nog duurt voordat het salaris gestort wordt.
We bidden in gemeenschap – met elkaar en voor elkaar.
We bidden ook voor degene die het bidden opgegeven heeft.
Geef ook aan hen het brood dat zij nodig hebben,
al geloven zij misschien niet meer dat zij dat nog krijgen van U,
wij bidden niet alleen voor onszelf, maar juist ook voor hen.

Geef ons heden ons dagelijks brood – geef
Kunnen wij dat wel doen, tegen de Heere zeggen: Geef?
Is er niet meer eerbied vereist?
Heere, zou u ons alstublieft, als het in uw raad bestaat, brood willen geven?
Wellicht zijn we geneigd extra beleefd te doen
omdat we onze kleinheid beseffen.
Jezus draagt ons niet op in heel voorzichtige taal te bidden –
nee, heel direct: Geef ons heden ons dagelijks brood.
We hadden in Utrecht een hoogleraar die wanneer er omslachtig gebeden werd
met zinnen als zou U willen uit zijn slof schoot en ons inprentte om zo niet te bidden,
maar veel meer direct een appèl te doen op de Heere,
omdat Hij dat zelf aangeeft in het gebed.
de Heere hoeft niet eerst vriendelijk gestemd te worden,
zoals de heidenen menen te doen.
Onze kleinheid is geen reden om het gebed maar na te laten.
We hoeven niet te denken: ach, ik ben het maar, laat ik maar niet bidden.
Laat ik mijn dagelijkse noden maar niet bij de Heere brengen.
Hij heeft wel meer te doen dan naar mijn gebed te luisteren.
en misschien hoort Hij tussen al die gebeden de mijne niet
en zijn er wel mensen die Zijn hulp meer nodig hebben, harder nodig hebben dan ik.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
Het is geen eis, maar een gebed, wel een duidelijk gebed:
Heere, zonder uw zorg kunnen wij niet leven.
Heere, als U niet zorgt, hebben wij geen houvast, geen toekomst.
Wanneer U er niet bent, dan hebben we zorgen te maken
voor de dag van morgen.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
We doen een appèl op de Heere
en oefenen tegelijkertijd onszelf om de zorgen bij de Heere te brengen.
Heere, u weet dat wij vaak zorgen voor morgen hebben,
voor overmorgen, voor volgend jaar.
De toekomst is voor ons onzeker.
Wij weten niet of er genoeg brood is.
U hebt ons leven in uw hand.
Uw Zoon leerde ons om al onze zorgen bij U te brengen.
Heere, we hoeven niet te twijfelen of U onze gebeden hoort.
We mogen, we moeten aankloppen bij U
en dat doen we ook.
Voor onszelf, voor de mensen om ons heen, voor degenen ver weg.
Omdat U het zelf aangeeft, dat U ons bidden hoort.
Al kunnen we dat ons vaak niet voorstellen,
dat U ons bidden hoort.
Vaak zijn we aan de heidenen gelijk, die denken:
Ik moet er zelf maar voor zorgen, want of ik op mijn goden kan vertrouwen weet ik niet.
Heere, neem ons ongeloof ons af.
Neem onze schroom van ons af.
Leer ons om vrijmoedig op U een beroep te doen,
grote God, die alles regeert,
die om Christus’ wil mijn God en Vader wil zijn,
Onze Vader – die in de hemelen zijn,
maar die ook uw zorg naar deze aarde doet gaat.
U bent niet alleen gericht op dat grote doel,
maar tussen al dat grote en geweldige,
tussen al die miljoenen mensen hebt U ook mij in het oog,
ons allemaal, stuk voor stuk.
U laat geen bidder staan.
Ook niet als we bidden voor dat eenvoudige, alledaagse.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
amen

Preek biddag 12 maart 2014 – morgendienst

Preek biddag 12 maart 2014 – morgendienst
Themadienst: De enige Echte
– met kinderen van CNS “De Looschool”

Wie van jullie heeft er nooit ruzie met zijn vader of moeder?
Wie van jullie heeft nooit gedacht:
Ik wil bij andere ouders wonen.
Want ik mag thuis geen … tv op zondag kijken
… en bij de buren mag het wel.
als ik nu bij de buren zou wonen, zou ik dat lekker wel kunnen doen.

Of je zou wel de ouders van je vriend willen hebben als ouders,
want zij geven altijd grotere cadeaus op een verjaardag
en hebben in de tuin van alles staan: een trampoline, een zwembad,
en ik .. wat krijg ik van mijn ouders?

In Israël dachten zo over de Heere.
De Heere als God?
Wat moet je daar nu van verwachten?
Wat geeft Hij nu aan ons?
Je kunt er beter ééntje bij hebben.
Dan weet je het zeker: als je bij de Heere niets krijgt,
kun je altijd nog naar Baäl gaan.
Want weet je, Baäl kan ook voor regen zorgen.
Tenminste, dat dachten veel mensen in Israël.
Dan keken ze naar de volken uit de buurt: in Tyrus en Sidon
en dan dachten ze: die mensen in die steden zijn rijk!
Dat willen wij ook wel.
Misschien, dat als wij die goden van hen ook in huis nemen
en hen gaan vereren, misschien worden wij wel net zo rijk!
Dan hebben we eindelijk een keer wel genoeg te eten
en misschien nog wel meer.
Dan kunnen dingen kopen die we graag willen hebben.

De mensen in Israël zeggen: we hebben niet genoeg aan de Heere als God.
De koning Achab ging daarbij voorop.
Hij was getrouwd met Izebel, uit Tyrus en Sidon.
Hij had van zijn vrouw gehoord, hoe mooi die steden waren,
hoe schitterend de paleizen waren.
En de mensen in Tyrus en Sidon telden mee!
Zij waren belangrijk in de wereld,
want Tyrus en Sidon waren havens
en vanuit die havens gingen schepen overal naar toe.
De steden werden daardoor rijk
en zei Izebel: dat hebben we in Sidon te danken aan onze goden.
Baäl bijvoorbeeld, dat is zo’n fantastische god.
En Achab denkt: die god moet ik er bij hebben, want dan komt er ook een tijd
dat wij van die fantastische paleizen kunnen bouwen,
dat wij meetellen en het goed hebben.

Nu kun je denken: ach wat maakt het uit?
Wat is er daar nu erg aan?
Wat kan dat voor een kwaad?
Wat Achab doet, is hetzelfde als wanneer je zou zeggen:
Ik heb mijn ouders nog wel, maar ik eet liever bij de buren,
want zij eten altijd veel lekkerder dan wij.
Wij eten alleen gezond en de buren, nou!
en bij de buren mag je tenminste altijd laat naar bed en zelf doen waar je zin in hebt!
Ik wil mijn vader en moeder best af en toe wel zien,
maar ik heb liever dat de buren voor mij zorgen – en niet mijn ouders.
Dat zouden wij toch raar vinden, als dat zou gebeuren?
Dan zou je toch denken: daar klopt iets niet!

(uitzondering: pleegouders, maar ook dan speelt het contact met de eigen ouders een rol)

De Heere kun je niet inruilen voor een andere god,
want er is maar één God.
Baäl lijkt wel veel te geven, maar hij bestaat niet.
je kunt van Baäl wel een beeld maken,
hem oren geven, maar hij hoort niet – ook niet als je tot hem bidt.
Je kunt hem ogen geven, maar hij ziet niets – ook niet als je het moeilijk hebt
thuis, op school, op straat.
Hij kan je niets vertellen – ook al maak je een mond voor hem.
En al maak je handen, hij kan je niet helpen.
Alleen de Heere kan je zien, je horen, je helpen.

Elia wordt gestuurd om te laten zien, dat de Heere de enige God is, de enige Echte.
Eerst moet hij naar koning Achab toe, om te vertellen dat het 3 jaar niet zou gaan regenen.
Het zou droog blijven: het gras voor de koeien, de paarden en de schapen zou niet groeien.
Het graan voor de mensen zou niet groeien.
Er zal geen eten zijn – dan moeten de mensen van Israël maar eens zien
of Baäl hen wel kan helpen.
Dat gebeurt niet. 3 jaar lang blijft het droog.
moet je voorstellen, dat het hier 3 jaar niet regent.
Dat de weilanden vol bruin gras is, of misschien wel helemaal leeg, alleen stof.
Dat er geen vlees is, geen melk, geen brood.

Misschien vind je het vreemd dat de Heere 3 jaar niets aan Zijn volk geeft.
En denk je: Hij had Israël toch best eten kunnen geven?
Dat is toch zielig dat niemand te eten heeft?
God zorgt toch voor iedereen? Hij hoort toch voor iedereen te zorgen?
Het is net als je zegt: ik ga bij de buren wonen.
Stel je voor dat je dat heel lang zegt, tegen je vader en moeder.
elke maaltijd en elke avond.
Op een keer zegt je moeder: goed ik zet je koffer met kleren klaar.
Dan ga je maar.
Zou ze dat doen, omdat ze je echt kwijt wilt?

Of je bent heel lang bij de buren, je komt af en toe thuis.
Je zegt steeds: ik eet zo lekker bij de buren en ze zorgen zo goed voor mij!
Dan zegt je vader misschien wel: nou, laten ze dan helemaal voor je zorgen!
Is dat, omdat je vader je helemaal niet wil zien?

Nee, toch!
Je vader en moeder willen je niet kwijt.
ze willen dat je bij hen blijft en dat zij je gelukkig kunnen maken.
zo wil de Heere dat door Israël geen regen te geven,
dat Israël doordat dat het geen brood heeft, geen graan,
geen melk, geen eieren, geen groente, niets,
dat ze denken: we moeten weer naar de Heere terug.
Alleen Hij is de enige Echte, de enige echte God, alleen Hij kan voor ons zorgen
en naar ons luisteren.

Hoe komt dat volk terug?
Via een proef op de Karmel: het volk moet kiezen wie de juiste God is.
Baäl of de Heere.
Wie zorgt er echt voor je, wie luistert er echt naar je als je bidt,
als je zegt: God, help mij.
God, help de Filippijnen, of Syrië
of dat kind bij mij in de klas, van wie de vader en moeder niet meer bij elkaar zijn.
Of mijn oma die zo ziek is en deze week weer een chemokuur krijgt.

Elia zegt: we zullen zien, wie de echte God is.
Wie van de goden steekt het offer zelf aan?
Is dat de Heere of is dat Baäl?
De priesters van Baäl mogen als eerst.
een hele morgen roepen zij en schreeuwen zij.
En als de morgen voorbij is, denken ze, we moeten wat doen.
Ze doen zichzelf pijn, in de hoop dat Baäl medelijden met hen krijgt en toch
het offer aansteekt door vuur uit de hemel te laten komen.
Maar Baäl doet niets, hij kan het ook niet. Geen echte god.

Dan is het de beurt van Elia.
Hij maakt het extra moeilijk: hij gooit water over het offer. Het wordt kletsnat.
Dan gaat hij bidden: Heere, u hebt voor Abraham, Izak en Jakob gezorgd.
Dit volk dat hier staat is uw volk. Wilt u aan hen laten zien, dat U echt God bent,
de enige Echte!

God hoort: er komt vuur uit de hemel en het offer wordt aangestoken.
Heel het volk juicht: de Heere, Hij is toch echt God.
Hij is de enige echte! Hem moeten wij dienen.

Vandaag is het biddag.
Net zoals Elia mogen wij elke dag bidden – en vandaag in het bijzonder.
Het hoeven niet altijd zulke bijzondere gebeden te zijn, zoals Elia.
Heel eenvoudig: Heere, geef ons vandaag eten.
Heere, zorg dat er regen komt, voor de natuur en voor onszelf, zodat er eten is.
Bewaar mij vannacht als ik het spannend vind in het donker.
Help mij op school, want ik vind rekenen en taal moeilijk.
Help mij, want ik ben bang voor de andere kinderen van mijn klas.
Alles mogen we bij de Heere brengen.

Geeft Hij altijd antwoord, zoals bij Elia,
Dat er iets bijzonders gebeurt?
Nee, maar Hij hoort wel.
Zoals je ouders echt naar je luisteren, er echt voor je zijn
als je ze nodig hebt.
Ze doen niet alles wat jíj wilt – maar ze zorgen toch voor je.
God zorgt nog veel meer voor je, dan je ouders kunnen.
Hij geeft niet alles wat jij wilt – en dat is best moeilijk som.
Maar Hij hoort je wel, Hij ziet je wel. Hij helpt je wel, al merk je dat niet.
Hij luistert en zorgt voor jou. Hij is de enige God die er is en dat laat Hij merken ook!
Amen

Voldoening in je werkzaamheden als ambtsdrager?

Voldoening in je werkzaamheden als ambtsdrager?
De vijfkolommenoefening als hulpmiddel om over deze vraag na te denken.

Doe je als ambtsdrager het werk voor de kerk naar tevredenheid? Daarvoor is het nodig dat je als ouderling of diaken doet wat (volgens jou) bij het desbetreffende ambt hoort én dat je die taken met voldoening uitvoert. Het kan goed zijn om daar eens voor jezelf naar te kijken of daar met een ander over na te denken.

In de werkbegeleiding van predikanten wordt voor deze reflectie op de taken een vijfkolommenoefening gebruikt:

Neem een A4 (of een groter vel) en deel die in 5 gelijke kolommen. Vul de kolommen als volgt in:

– In kolom 1 de taken die naar bij het ambt horen én die je naar tevredenheid vervult. DOEN + PLEZIER

– Vul in kolom 2 de taken in die bij het ambt horen, maar waar je weinig voldoening in vindt. DOEN + TEGENZIN

– Vul in kolom 3 de taken in die je doet, maar die niet- noodzakelijk bij het ambt behoren. (Hierbij maakt het niet uit of deze teken voldoening geven of niet.) DOEN + NIET-NOODZAKELIJK

– Vul in kolom 4 de taken die waar je niet aan toekomt en waarvan je niet tevreden bent dat je ze niet doet. NIET-DOEN + FRUSTRATIE.

– Vul in kolom 5 de taken in die je niet doet en waarover je tevreden bent dat je ze niet doet. NIET-DOEN + GEEN FRUSTRATIE.

Het gaat in deze oefening niet om de vraag of je het goed of fout doet!

Het gaat om inzicht in de keuzes die je maakt bij het opnemen van taken die bij het ambt behoren. Daarnaast gaat het om de vraag of de taken voldoening geven of niet.

(a) Steek in bij kolom 1. Dat geeft vreugde en voldoening. Schrijf voor je zelf op of vertel aan een ander de voldoening die deze taken geven. (De valkuil is om in te steken bij de andere kolommen.)

(b) Wanneer kolom 1 besproken is, kan gekeken worden naar kolom 2. Stel jezelf de vraag: Wat heb ik nodig om deze taken toch met voldoening te kunnen uitvoeren? Met andere woorden: wat is er nodig om deze taken in kolom 1 te krijgen?

(c) Bespreek bij kolom 3 hoe zinvol het is dat jij het als ambtsdrager doet. Het is goed om voor jezelf na te gaan, wat de reden is dat je deze taken toch op je neemt. Het kan zijn dat deze taken voldoening geven en ervoor zorgen dat je vreugde hebt in de taken die het ambt met zich meebrengen. (Dan zou je kunnen overwegen of die taken voor jou niet in kolom 1 thuishoren.) Wanneer je ze niet met voldoening uitvoert, kun je overwegen of de taken niet op een andere manier (of door een ander) uitgevoerd kunnen worden.

Preek zondag 2 maart 2014

Preek zondag 2 maart 2014 – Evangelisatiezondag
Mattheüs 7:24-27 (Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27 + Ezechiël 13:10-14)
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We houden ervan om risico’s zoveel mogelijk uit te sluiten.
Dat begint al vroeg in het leven.
In december is onze dochter geboren
en vrij snel na haar geboorte werd zij niet alleen aangegeven bij de burgerlijke stand,
maar ook bij de zorgverzekering
en werd er een rekening voor haar geopend,
want mocht zij later willen gaan studeren, dan is het verstandig om nu al te sparen.

Zo gaat het in het leven door: voortdurend risico’s proberen uit te sluiten.
Dat geldt voor het werk: bij het zoeken naar een nieuwe baan
of de stap om voor jezelf te beginnen,
probeer je eerst zoveel mogelijk zeker te zijn en dan neem je de nieuwe stap.
En als we zelf niet erover nadenken om de risico’s te beperken
zijn het anderen wel die ons eraan herinneren
dat we naar zekerheid moeten streven.
Door pensioenfondsen die er steeds bij ons op terugkomen
of wij ons pensioen wel goed geregeld hebben.
Niemand kan in de toekomst kijken, maar je kunt wel voorbereid zijn.

Ook als het om onze gezondheid gaat
proberen we zoveel mogelijk risico’s uit te sluiten
Door gezond te leven bijvoorbeeld
of door mee te doen aan een bevolkingsonderzoek om,
mochten we toch ziek zijn, daar zo snel mogelijk achter te komen
en onze kans om door te leven zo groot mogelijk te maken.
En begrijpelijk, want de gevolgen kunnen ingrijpend zijn
als je te laat erachter komt dat er iets met je aan de hand is
en niet alleen voor ons zelf, maar ook voor degenen om ons heen.
We hebben zoveel mensen vaak met wie we verbonden zijn
en die kunnen we niet missen.
We hebben zoveel en daarom zoeken we naar zekerheden
omdat we niemand kunnen missen die ons dierbaar is.
Dat zoeken naar die zekerheid en het buitensluiten van zoveel mogelijk risico’s
is ook een zoeken vast te houden en te beschermen
van wat kostbaar is in ons leven,
en dan bedoel ik daarmee écht kostbaar: het leven van je man of vrouw,
van je kind, van vrienden wellicht.
Wie wil dat kostbare verliezen? We willen dat bewaren – en terecht!

Welke rol heeft God daarin voor u, voor jou?
Komt Hij pas in beeld als we zoveel mogelijk zekerheden hebben geregeld
om de gaatjes op te vullen, die er nog overgebleven zijn en die wij niet kunnen opvullen?
Komt Hij pas in beeld, nadat wij het huis van ons leven hebben opgebouwd
om de gaatjes die er zijn, waardoor de tocht naar binnenkomt, dicht te kitten?
Als het bouwwerk van ons leven, van onze plannen staat,
om daarna er een zegen over te vragen – voor het geval we toch nog iets vergeten zijn?
Dat is een grote valkuil in ons leven, dat we allereerst zelf van alles optuigen
en als dat staat, bedenken: o, ja – er is ook nog een God.
Laten we Hem er ook bij betrekken, dan worden we nog zekerder.
Ik krijg wel eens de indruk, dat God er vooral is om ons die zekerheid te geven
die wij zelf niet meer in de hand hebben.
Dat wij er niet zijn voor God, maar dat we God gebruiken voor dat laatste restje zekerheid,
de laatste risico’s buitensluiten.

Maar van alle risico’s die er op ons afkomen en waar we ons op kunnen voorbereiden,
is er één waarbij we ons naar mijn gevoel niet op voorbereiden.
Ik hoor het mensen wel eens zeggen: één ding is zeker in het leven.
Daarmee bedoelen ze, dat we ons op veel dingen die op ons af komen,
kunnen voorbereiden, maar dat het altijd anders kan uitpakken dan wij zelf denken
en dat wij ons niet op alles kunnen voorbereiden.
En met die éne zekerheid bedoelen ze dan: dat we eens zullen sterven.
Dan klinkt er iets in door: bouw niet teveel op wat uiteindelijk geen zekerheid biedt.

In de woorden die we met elkaar van hem gelezen hebben,
gaat Jezus een stap verder: er is niet alleen de zekerheid van het einde van ons leven
of van het einde van de wereld,
maar er is ook de zekerheid dat er als het einde van ons leven is aangebroken
of het einde van de wereld
dat we voor Christus komen te verschijnen
en dat we dan hebben te verantwoorden wat we met ons leven hebben gedaan.
Jezus zegt: we kunnen in het leven hier op aarde een leven vol met zekerheden opbouwen
dat in onze eigen ogen en ook in de ogen van de mensen om ons heen
staat als een huis, stevig, goed bewoonbaar,
maar dat als we voor Christus verschijnen al die zekerheid een schijnzekerheid bleek te zijn.
Staande voor Christus, die van ons rekenschap vraagt van ons leven,
kan het duidelijk worden dat er van die zekerheid niets meer overblijft
omdat het bouwwerk van onze zekerheden, van het leven dat wij hadden opgebouwd
in het leven op aarde, geen fundament had.
Nergens op gebouwd is.

Jezus zegt niet, dat ons levenshuis nergens op gebaseerd is,
maar dat het huis van ons leven, met onze zelfgecreëerde zekerheden
op niets gebouwd kan zijn.
En Hij zegt erbij dat we dan dwaas zijn, als we onze toevlucht in die zekerheden zoeken
die – als we voor Hem komen te staan – niets waard blijken te zijn
en Hij zegt het als een waarschuwing, zodat we ons niet rijk rekenen met schijnzekerheden.
Als een waarschuwing
dat we bij alles wat op ons afkomt ons voorbereiden,
behalve op het moment dat we verantwoording hebben af te leggen
over wat we hebben gedaan met het leven
dat we van de Heere hebben gekregen.
Want schuiven we het voorbereiden op dat moment niet liever voor ons uit.
Omdat we het hier nog best goed hebben
en door al onze voorzorg die zekerheid hebben om een goed leven te hebben
en ook prima kunnen redden zonder God
en daarom Hem niet in ons leven hoeven toe te laten.
Omdat het huis van je leven nog staat.
en als God bestaat, dan zal Hij toch dat levenshuis van mij overeind houden
want God wil toch dat wij gelukkig zijn?

Jezus vertelt deze gelijkenis niet voor niets:
om het tot ons te laten doordringen
dat het er niet om gaat hoe wij God in ons leven gebruiken
– als een extra zekering, als een zegen achteraf over wat wij hebben opgebouwd –
maar dat het er om gaat, welk oordeel Hij over ons leven velt.
Dat kunnen we wel uit de weg gaan,
want als het daar op aan komt, is dat iets wat wij niet in de hand hebben
en wellicht is dat ook de reden
waarom we er liever niet over nadenken,
omdat we er onzeker over zijn, wat ons daarin te wachten staat
en hoe God over ons leven zal oordelen en wat Hij dan tegen ons en over ons zal zeggen.
Maar het is dwaas, zegt Jezus, om dat uit de weg te gaan.
En daarmee bedoelt Hij niet dat het “een beetje dom” is
en dat de keuze om het weg te duwen of uit de weg te gaan eentje is
om je schouders over op te halen.
Want je haalt ook niet de schouders op als iemand gaat rijden in een auto waarvan de remmen het niet doen, of als een kind gaat zwemmen in het diepe, terwijl het nog nooit heeft geleerd om te zwemmen, maar denkt dat hij het wel even kan.
Als je dat ziet gebeuren, schrik je en sla je alarm, want je wilt niet dat het verkeerd afloopt.
Dwazer, zegt Jezus, is om in daar voor God te komen, zonder dat je er op voorbereid bent
en erop gokt dat het wel even goed afloopt.
Niet omdat Jezus niet gelooft in Gods barmhartigheid,
maar omdat Jezus weet dat wij de neiging kunnen hebben om met schijnzekerheden voor God te verschijnen en dat God ons ook hierdoor wel matst en ons erdoor helpt.

Er is als we voor God verschijnen maar één zekerheid
en daar kunnen we op bouwen,
dat is net zo zeker als de trouw van God zelf
als een rots waarop we kunnen bouwen en waarvan we mogen geloven
dat ons huis, als het daarop is gebouwd, staande blijft voor God.
En dat vertelt Jezus ook als eerste, om daarmee aan te geven dat het Zijn Vader,
dat het Hem te doen is om die eerste keuze: het bouwen op de rots,
om wijs en verstandig te handelen.
Wie Mijn woorden doet, zegt Jezus, die bouwt op die rots.
Daar gaat het in het leven dus om:
Dat we Jezus’ woorden horen en in praktijk brengen.
God is er niet om ons dat laatste restje zekerheid te bieden,
dat wat wij zelf niet meer voor elkaar krijgen.
Wie Mijn woorden doet – Jezus heeft veel gesproken, een hele bergrede.
De woorden van Jezus doen – dat betekent dat we oog krijgen, en oor, en mond, en handen.
Oog voor wat God doet.
Want daar begin de bergrede mee, dat Jezus de armen van Geest zalig spreekt.
Zalig de mensen die het niet meer op hun eigen manier doen,
niet bedenken wat hun zekerheid geeft, niet God gebruiken om de gaatjes dicht te kitten, niet als laatste stap, maar als eerste stap
en het daarom tegen de Heere kunnen zeggen: doet U het maar,
in mijn leven, in deze wereld, want het gaat om Uw koninkrijk.
En die daarom oog voor krijgen dat deze wereld niet alles is
omdat er voor God niet altijd plaats is.
Omdat in ons eigen leven niet altijd plaats is voor God.
Daarom zoeken we naar die poort naar God tot wij Hem vinden.

Oog krijgen, niet alleen voor God, maar ook voor de mensen om ons heen.
Omdat zij ook schepselen van God zijn en daarom geroepen zijn om te dienen
soms alleen al door hen op te merken en te zien als schepselen van God,
die ook eens voor God komen te verschijnen.

Bouwen op deze rots is geen onverschilligheid voor de wereld om ons heen,
maar het geloof omdat het gaat om Gods wil en Gods plan
om ons en deze wereld te redden van onze dwazigheid
om ons te redden van een leven dat opgebouwd is uit schijnzekerheden, die het niet zullen houden
en ons daarvoor in de plaats de echte zekerheid geeft:
Zijn woorden, die als een rots staan, in alle stormen die op ons afkomen
en ons overeind houden, de stormen hier in het leven, maar ook van Zijn oordeel.
Zijn woorden die door ons gehoord worden en daarom het oor,
want dat wordt geopend voor wat de woorden van God.
Al blijft het voor ons vaak moeilijk om tussen al die stemmen om ons heen
op te vangen wat Gods woord is
maar als ze door ons gehoord worden een onbezorgdheid geven en een vreugde
omdat we weten dat God onze zekerheid is.
Wanneer we die woorden horen, als onze oren geopend worden,
worden we fijngevoelig, voor wat God te zeggen heeft en voor de mensen om ons heen.
Aandacht en openheid.

Als we die woorden horen, wordt onze mond geraakt,
Spreken we tot God en vol lof over God.
De woorden van God vormen ons ook in wat we zeggen over anderen en tegen anderen.
Leren we ook te zwijgen als het moet, omdat we weten
dat we ook over onze woorden en gesprekken rekenschap aan God afleggen.

en onze handen en voeten.
Voeten om de weg van Jezus te gaan: hier is mijn leven, Heer! Ik heb u gevonden!
Handen om de weg te wijzen, te helpen als het nodig is,
maar bovenal om te vouwen, uit afhankelijkheid en dankbaarheid.

Die woorden gaan door ons helemaal heen en nemen ons helemaal
in dienst van God.

Wat houd u nog tegen om op die rots te bouwen?
Waar bouw jij op?
Op Christus of op jezelf?
Amen