Preek zondag 29 maart 2020

Preek zondag 29 maart 2020
Schriftlezing: Lukas 22:47-63

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Heel veel van wat we gewoon waren om te doen, kunnen we nu niet meer doen.
Geen school meer voor de kinderen en jongeren, maar thuis het huiswerk maken.
Elkaar niet meer ontmoeten, maar elkaar via de computer of de telefoon spreken.
Niet meer zomaar er even op uit gaan maar gaan wanneer je zo weinig mogelijk tegenkomt.
We zijn er al een paar weken mee bezig en je went er wellicht aan
en toch, hoe langer het ongewoon is, des te meer ga je wat vanzelfsprekend was missen.

Bepaalde zaken gaan ook weer door.
Vannacht is de klok een uur vooruit gegaan. We zijn aan de zomertijd begonnen.
En ook de tijd binnen de kerk gaat verder alsof er buiten in de wereld niets gebeurt.
Over twee weken is het Pasen. We zijn nu nog in de Lijdenstijd.
In deze tijd overdenken we als kerk de weg die Christus ging naar het kruis.
Het kan zijn dat u daar juist, door alle zorgen die er zijn,
alle verhalen over mensen die door het coronavirus ziek geworden zijn,
er nog meer bewust van bent van het lijden en sterven van onze Heere en Heiland.
Je kunt door het lijden dat je om je heen ziet des te meer gaan beseffen
hoeveel Christus voor ons heeft geleden.
Zoals ik iemand die ziek was heb horen zeggen: Nu ik ziek ben en deze pijn heb,
besef ik pas hoeveel Christus heeft moeten lijden.

Er is ook een heel andere reactie mogelijk:
Dat je hoofd er helemaal niet naar staat, met alle berichten over degenen die ziek zijn.
Of door al het geregel nu de kinderen thuis zijn, de zorg over je werk.

Zo gaan we verder de lijdenstijd in: over Judas die Jezus verraadt met een kus,
Jezus die meegenomen wordt en Petrus die Jezus op een afstand volgt.
Nu moeten wij nog meegenomen worden in deze geschiedenis.
Op welke manier gaat dit gebeuren in de hof van Getsemané
en het huis van de hogepriester ons toch aan en heeft het ons iets te zeggen?

Ik begin daarvoor bij de laatste woorden uit vers 53:
Maar dit is uw uur en de macht van de duisternis.
Dat is er wat er volgens Jezus gebeurt als Judas op Hem af komt
om Hem met dat gebaar dat bedoeld is om respect uit te drukken te verraden.
Dat is er speelt nu die groep gekomen is om Jezus te arresteren:
Uw uur en de macht van de duisternis.
Dat kan ook aan de hand zijn als Petrus zijn Meester volgt:
hun uur en de macht van de duisternis.

Judas daar aan het hoofd van die menigte,
Judas die voorop loopt om zijn Meester te begroeten
– dat is meer dan verraad, waar we ook niet te licht over mogen denken.
Er is in en door Judas heen een kracht aan het werk, die sterker is dan Judas
en die de strijd aangaat met God: de macht van de duisternis.
Hoe laag het verraad van Judas ook is, de leerling die al die tijd meeliep
en veel heeft gezien en gehoord heeft van zijn Meester,
hier is een kracht aan het werk die de macht van Judas te boven gaat: duisternis.
Dat is niet zomaar een uitdrukking, maar dat betekent dat God een stap terug lijkt te doen
en de boze, de macht van de duisternis de kans grijpt om een slag te slaan.
Uw uur en de macht van de duisternis – dat lijkt erop dat God zich terugtrekt in de hemel
en de aarde aan zijn lot over laat en ook Zijn handen aftrekt van Zijn Zoon.
En wat gebeurt er met Jezus, wat gebeurt er met Judas en Petrus
als God zich terug lijkt te trekken in de hemel en hen overgeeft in die macht?
En wat zou er met ons gebeuren als God zich nu zou terugtrekken
en ons achter zou laten in die macht van de duisternis?
Het kan zijn dat die gedachte in de afgelopen dagen door u heen gegaan is:
Is God er nog wel? Of heeft Hij zich teruggetrokken in de hemel en ons alleen gelaten?
Zo’n gedachte kan door je heen gaan als je heel wat meemaakt of om je heen ziet.
Je kunt zo’n gedachte van je af willen zetten.
De ene keer lukt dat wel, de andere keer lukt dat niet.

Deze macht, waar Jezus over spreekt, die het voor het zeggen lijkt te hebben,
als dat zo zou zijn, dan gebeurt er wat met ons en met ons geloof.
Dan komt onze band met Christus onder druk te staan en dan is de vraag:
Kan ons geloof dat aan? Is onze band sterk genoeg om zo’n crisis te overleven?

Kijk wat er met Judas gebeurt:
Als hij met die soldaten bij Jezus komt,
wordt hij er op verschillende manieren dat hij bij Jezus hoorde.
Zo wordt Judas ook nog genoemd: een van de twaalf.
Zou het niet door Judas heen gegaan zijn, toen hij daar met die groep in de tuin kwam:
Alles wat hij met Jezus meegemaakt heeft?
Wonderen heeft Judas gezien: blinden die gingen zien, kreupelen die konden lopen,
melaatsen die weer terug naar huis konden gaan, doven die weer gingen horen.
Doden die opgewekt werden, armen die het evangelie mochten horen.
Mocht Judas niet geweten hebben, wie Jezus was,
dan heeft hij het kunnen zien met zijn eigen ogen. Hij was erbij.
Wat heeft hij allemaal niet geleerd van zijn Meester?
Gelijkenissen die Jezus vertelde over het Koninkrijk van God,
waaruit naar voren kwam dat die Jezus die hij volgde, die zijn Meester was
dat Koninkrijk in eigen persoon zou brengen.
Zou dat niet door hem heen gegaan zijn?
Zou hij niet het appèl gevoeld hebben toen hij op Jezus afliep?
Of was zijn hart al te duister en te zeer in de greep van deze macht?

Wat ging er door hem heen toen hij op zijn Meester afliep om hem te begroeten
met een gebaar van gelijkwaardigheid: ik ben als u.
Zou hij dan niet het gevoeld hebben dat hij alsnog de kans had om terug te keren?
En toen Jezus zijn naam zei: Judas.
Zou hij daarin niet de stem gehoord hebben van de herder die zijn verloren schaap zocht?
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
Zelfs als Judas het verraad van zijn meester camoufleert door zich als vriend voor te doen,
krijgt hij nog de kans om tot inkeer te komen.
Het is een verwijt – er zal teleurstelling in door geklonken hebben,
maar meer ook nog dat Judas niet weet waar hij mee bezig is:
Ja, wel dat hij bewust hiervoor gekozen heeft om Jezus te verraden aan de leiders
maar niet dat hij op deze manier de Zoon des mensen, de hemelse Rechter
overgeeft in de macht van de duisternis.
Judas, bij wie hoor jij? Judas, van wie ben jij er een? Kom je nog terug naar Mij?
Of blijf je vast zitten in de macht van de duisternis en sla je Mijn roepstem in de wind?
Er komt geen antwoord van Judas. Judas zwijgt, stopt de oren dicht voor de stem van Jezus
Hij wil niet meer terug naar Jezus.
Hij heeft eenmaal de oversteek gemaakt naar die andere groep.

Dat geldt niet alleen voor Judas, maar voor alle discipelen.
Ze zijn nu nog wel om Jezus heen, vertelt Lukas in vers 49,
Maar dit is het uur en de macht van de duisternis dat de leerlingen Jezus kwijtraken
en hun verbondenheid met Jezus opgeven.
Want al zijn ze met Jezus, nu nog om Hem heen, ze begrijpen de situatie verkeerd.
Ze zijn focust op de strijd met het zwaard. Ze willen Jezus verdedigen,
maar zien over het hoofd dat er om hen gevochten wordt, nu in het uur van de duisternis
en dat niet zij hun inzet voor Jezus moeten bewijzen, dat zij om Jezus blijven staan
en voor hem de strijd aangaan,
maar dat het er op aankomt dat Jezus voor hen strijdt en dat Jezus hen niet loslaat.
Dat is het cruciale als ons geloof onder enorme druk komt te staan,
een tijd waarin God een stap terug lijkt te doen en zich in de hemel terugtrekt
en de deur achter zich dicht lijkt te doen.

Lijkt een stap terug te doen, lijkt zich op te sluiten in de hemel.
Ja, het nu grijpt de boze de kans om Jezus een slag te slaan
en hij denkt dat hij God en Jezus een stap voor is
en dat hij de leerlingen weet te ziften als de tarwe.
Hij heeft ze al bijna in zijn net gevangen.
Judas heeft hij al, Judas geeft geen gehoor meer aan de stem van Jezus
die hem terugroept, Judas is al verloren.
Zo lijkt hier in dit uur de macht van de duisternis alomtegenwoordig te worden
en te winnen van Jezus en de discipelen van Jezus af te brengen.
En toch gaat Jezus’ macht verder en is Hij sterker dan de macht van de duisternis.
Al lijkt het er in eerste instantie niet op, lijkt het erop dat alle discipelen in die macht komen.
Het lijkt erop dat Jezus Petrus, de discipel die een rots zou moeten zijn voor de kerk,
ook kwijt zal raken en dat ook Petrus’ geloof niet sterk genoeg was.

Als Jezus wordt meegenomen naar het huis van de hogepriester,
volgt Petrus op een afstand. Daarin zit al de ambivalentie van Jezus.
Volgen is bij Lukas dat je juist dicht bij Jezus bent en Zijn weg gaat,
Terwijl afstand juist aangeeft dat je nog niet bij Jezus hoort.
Hoort Petrus nog wel bij Jezus, of hoort hij al niet meer bij Jezus?
Misschien weet hij dat zelf ook al niet meer.
Wil hij het leven met Jezus niet zomaar opgeven
en zoals hij beloofd heeft tot het uiterste gaan om voor Jezus te strijden.
Al zullen anderen U in de steek laten, ik niet.
Over de anderen maak ik mij geen illusies.
Als ik hen zo ken, dan zal hun geloof die ultieme proef niet kunnen doorstaan,
maar op mij kunt U bouwen. Ik zal voor u door het vuur gaan.
Wat Jezus daar op als antwoord had gezegd had Petrus niet willen horen.
We weten niet of hij vastberaden achter Jezus aangaat, of al aarzelend.
Ook weten we niet met welk doel Petrus achter Jezus aan gaat.
Ook dat kan de macht van de duisternis zijn, dat Petrus denkt
dat hij als volgeling van Jezus deze weg wel aankan,
maar niet ziet dat hij zich steeds meer van Jezus verwijdert,
omdat Jezus een weg gaat die hij niet kan gaan.

Daar zit hij bij het vuur, tussen degenen die bij de hogepriester in dienst zijn.
Dat lijkt heel dapper van Petrus, maar ook hij maakt de overstap net als Judas.
Hij is nu een van hen, hij zit midden tussen hen in,
zoals hij nog geen enkele uren geleden bij Jezus aan tafel lag
die bijzondere gemeenschap om Jezus heen bij het avondmaal.
Nu zit hij tussen dezelfde mensen die Judas heeft meegenomen naar Jezus toe.
Bij wie hoor jij, Petrus? Bij Jezus? Of geef jij je ook gewonnen aan die macht?
Daar in die duisternis valt het licht van het vuur over hem als persoon.
Wat wordt er over hem aan het licht gebracht? Wat wordt er onthuld?
Loyaliteit en trouw aan Jezus of … dezelfde keuze als Judas?
Al heeft Petrus Jezus op een afstand gevolgd, hij heeft niet genoeg afstand gehouden,
want hij wordt erkend als een van hen.
Al is er die aarzeling bij Petrus of hij nog wel bij Jezus hoort,
dat dienstmeisje zegt het zomaar tegen hem, terwijl hij bij het vuur zit:
Jij was bij Hem. Zonder dat ze het doorheeft herinnert ze Petrus aan die maaltijd,
Pascha, waar hij nog geen enkele uren geleden de bevrijding van Israël heeft gevierd.
Hij was bij Jezus. Toen nog wel.
Een buitenstaander die erop wijst: je was bij Jezus.
Jou had ik hier niet verwacht.
Het kan heel onschuldig bedoeld zijn van dat meisje.
En ach, zo’n uitspraak van zo’n jong meisje hoef je niet helemaal serieus te nemen.
Net als Judas hoort Petrus niet dat er een appèl gedaan wordt: Jij hoort bij Jezus.
Denk er aan wat voor tijd dit is, wat je Meester zo net nog heeft gezegd:
Hun uur, het uur van degenen tussen wie je je nu begeven hebt,
Je bent er nu een van hen aan het worden door je tussen hen te begeven.
Dit is niet zomaar een tijd, maar nu komt de macht van de duisternis.
Ben jij daar op voorbereid, Petrus?
Maar Petrus zegt: Je bedoelt die Jezus daar, die verhoord wordt?
Ik heb geen informatie over Hem. Ik zou niet weten wie Hij is.
Ik heb Hem niet meegemaakt en ook van horen zeggen weet ik niets van Hem.

Bij Jezus zijn, wil nog niet zeggen, dat je ook bij Jezus hoort.
De tweede die Petrus ziet, geeft dat wel aan: Jij bent er een van Hem.
Je bent niet zomaar een meeloper, of een toevallige voorbijganger.
Jij hebt je leven aan Jezus gegeven en je leven met Hem gedeeld.
Wat voor tijd hebben jullie niet samen afgelegd en wat hebben jullie niet samen gezien?
Die herinneringen komen nu niet uit. Petrus moet ze weg stoppen.
Het enige dat Petrus kan zeggen: Je hebt je vergist. Dat ben ik niet.
Nu is zijn ontkenning krachtiger: Ik heb niets met Jezus. Ik ben niet een van Hem.
Petrus ontkent dat er een relatie zou zijn, dat ze bij elkaar horen.
Dat is dus als je in de macht van de duisternis komt.
Als Petrus nog heen en weer geslingerd wordt, dan wordt het nu duidelijker.
Steeds meer en meer valt de keuze tegen Jezus uit.

Een uur de tijd heeft Petrus. Tijd om na te denken waar hij mee bezig is.
Het wordt al weer bijna ochtend, de duisternis houdt nog even aan,
maar zal weldra voorbij zijn.
In het Oude Testament komt de redding van God vaak bij het aanbreken van de morgen.
Na het donker het licht, Gods reddend licht. God die zelf komt.
Maar Petrus ziet dat niet. Hij hoort alleen maar iemand iets zeggen.
Dat hij op Jezus lijkt. Dat hij wel wat van Jezus weg heeft.
Dat hij aan Jezus doet denken. Geen wonder ook, je was bij Hem.
Een groot compliment zou je denken, waar je dankbaar voor zou moeten zijn.
Maar Petrus kan het niet aanhoren.
Hoe stelliger de band met Jezus wordt benadrukt, des te harder ontkent hij
dat Hij bij Jezus hoort: ik niet. Dat ben ik niet. Je vergist je. Je hebt het over de verkeerde.
En dan de haan. De haan kraait. Een nieuwe dag gaat beginnen, Gods hulp is op komst.
Het einde van de macht van de duisternis.
Maar Petrus hoort wat anders. Een stem die hij genegeerd heeft. Woorden die hij wegduwde
die nu bovenkomen, nu hij de haan hoort kraaien.

Nee, het is niet het gekraai van de haan, die hem aan die woorden doen denken.
Het is de blik van Jezus.
De blik van Jezus waar Lukas steeds zo over vertelt, hoe Jezus mensen ziet.
Ook nu valt de blik van Jezus op Petrus.
Wat zou Petrus in die ogen van Jezus gelezen hebben?
Verwijt? Teleurstelling? Boosheid? Afkeer?
Bij Petrus gebeurt er wel wat.
Hij hoort de haan kraaien en hij hoort de woorden van Jezus weer.
En beseft opeens wat hij heeft gedaan.

Het uur van hen, de macht van de duisternis. Jezus lijkt te verliezen,
want ook Petrus kan het niet aan om bij Jezus te horen.
Maar nee, waar Judas niet wilde horen en zijn oren toestopte,
wordt Petrus geraakt door de blik van Jezus.
Die blik brengt aan het licht het verkeerde van Petrus, zijn zonde.
Maar bij Petrus is het – anders dan bij Judas – heilzaam.
Jezus had nog iets gezegd: Petrus Ik heb voor je gebeden.
Dat gebed wordt waar, want door de blik van Jezus gaan de ogen van Petrus open.
Hij ziet wat hij heeft gedaan.

Dat is zijn redding – al moet hij wel diep buigen. Bitter berouw.
Hier houdt Jezus Petrus vast door Zijn blik. Hij laat PEtrus niet los.
Hij laat niet los wat Zijn hand begon.
Het is hun uur, zei Jezus, de macht van de duisternis.
Dat is maar één kant.
Want in heel de weg van Jezus naar Golgotha blijft het steeds Gods weg.
Al begrijpen wij die weg niet, boven de macht van de duisternis gaat Gods macht
en ook in het uur van die macht breekt Gods uur aan.
Een enkele blik reeds verbreekt die macht die over Petrus was gekomen.
Een oogopslag – en Petrus is gered.
Al heeft hij nog een lange weg te gaan om terug te komen.
In geen tijd is de macht van de duisternis sterker dan God.
Hoe donker ook de tijd is, in elke tijd kan het uur van God aanbreken.
Gods rechterhand is hoog verheven.
Het is de Psalm die aan de Paschamaaltijd werd gezongen over de redding door God.
Die redding gaat voor Petrus gelden, al moet hij die diepe weg van berouw gaan.
Ik zal niet sterven, al zift de vijand mij als de tarwe.
Ik zal leven.
Zo kunnen wij ook leven, door die ene blik van Jezus.
Die kan komen door een lied, een uitspraak, een tekst uit de bijbel, een preek.
Gods rechterhand houd door haar kracht – die kracht die in de blik van Jezus was
was die kracht van Gods rechterhand. Gods rechterhand houdt door haar kracht
Gods volk in stand.
Amen

 

Meditatie Psalm 84

Psalm 84 is een psalm van verlangen,
van verlangen om bij de Heere te zijn, in Zijn nabijheid te zijn, dicht bij Hem te zijn.
Dat zal de reden zijn, waarom deze psalm zo geliefd is,
zo graag wordt gezongen, zo graag wordt gelezen.

Hoe lief’lijk, hoe vol heilgenot,
O HEER, der legerscharen God,
Zijn mij Uw huis en tempelzangen!

Wat zouden we veel missen als we de mogelijkheid niet hadden
om naar de Heere toe te gaan en dicht bij Hem te komen.
Op zondag als we naar de kerk gaan, of meeluisteren met een dienst.
Daarom zal het voor de meesten van u ook zwaar vallen
om de zondag niet meer naar de kerk te kunnen
en te moeten meeluisteren.
Ook in Psalm 84 klinkt er door dat er heel wat gemist wordt,
als de gang naar de tempel niet meer gemaakt kan worden.
Dat is niet uit te houden, dan is het verlangen zo sterkt:
mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen.
Er wordt geroepen tot God, niet alleen met de woorden,
maar het hele lichaam, zelfs het lijf roept om God.
Deze keer las ik een keer bij iemand die ernstig ziek was geweest,
een lange reeks van chemokuren had doorstaan en aan het herstellen was.
Ik las deze psalm vanuit het gemis van het naar de kerk gaan,
Gemis om zo dicht bij de Heere te kunnen komen.
Toen vielen die woorden op:
Mijn hart en mijn lichaam roepen tot de levende God.
Niet alleen van binnen in het hart, maar ook het lichaam zelf.
Als u eens ziek geweest bent, dan zult u dat herkennen.
Als u veel alleen bent wellicht ook, of als u niet meer ergens naar toe kunt gaan.
Je zou wel willen, maar het kan niet meer.
Mijn lichaam roept om de levende God.
Deze tijd zal er heel wat geroepen worden tot God.
Bij wie zelfs de mus en de zwaluw een plek hebben.
De zwaluw, dat zijn de mensen die de hele wereld over trekken.
Die in verre landen zijn geweest.
Naar Bali op vakantie, naar Japan voor het werk,
naar familie in de States, met een groep naar Israël.
De mensen die heel wat van de wereld hebben gezien.
Voor wie Oldebroek wel een thuisbasis is, maar die toch steeds onderweg moeten zijn.
Rusteloos misschien wel, of juist genietend van Gods wereldwijde schepping.
Ze hebben hun thuis bij God in de tempel.
Daar groeien hun jongeren op, zo dicht bij God.
Al zie je veel van de wereld, de plek waar je het meest thuis bent is dicht bij de Heere.
En dan die mussen.
Ze vliegen niet ver. Hippen wat om het huis.
In een zwerm mussen lijken alle vogeltjes op elkaar.
En toch zegt de Heere Jezus dat de hemelse Vader ze niet zomaar laat vallen.
Mussen lijken gewoon, maar zijn dat voor God niet.
Dat mussen bijzonder kunnen zijn, merkte ik een keer toen ik een vogel in de tuin zag,
een mooie vogel en ik ging zoeken in een vogelboek wat voor een vogel het was.
Een teleurstelling: het was een mus.
Maar toch, die diertjes zo makkelijk over het hoofd gezien, kunnen bijzonder zijn.
En zo is het voor de Heere ook.
Waar alle mensen op elkaar kunnen lijken, kent hij alle mensen afzonderlijk,
zoals de Heere ook alle mussen weet te onderscheiden.
Hij weet het mooie, Hij kent de verhalen, hun levensverhalen.
Misschien niet van die indrukwekkende verhalen van die zwaluwen, die wereldreizigers,
maar toch ook weer bijzonder: van trouw, van zorg voor een dierbare,
mantelzorg noemen we dat tegenwoordig: een moeder of vader, een tante of oom.
Deze mussen hebben hun thuis bij de Heere.
Ze worden niet weggestuurd, omdat ze overlast zouden veroorzaken, in de weg vliegen.
Nee, de dichter ziet het.
Ogenschijnlijk onopvallend, maar gekend bij de Heere.
HEERE van de legermachten, mijn Koning en mijn God.
Dat is God op Zijn grootst. God die aan het hoofd van de hemelse legermachten staat,
als koning over heel de wereld, het hele universum regeert.
Zowel de mus als de zwaluw hebben bij Hem hun thuis.

De dichter van Psalm 84 heeft gemerkt wat het betekent om deze Heere te mogen kennen
om bij Hem een thuis te hebben.

Welzalig de mens van wie de kracht in U is
in hun hart zijn de gebaande wegen.
Gaan zij door het dal van de moerbeibomen,
dan maken zij God tot hun bron;
ook zal de regen hen overvloedig

De zorg van God is er ook als het leven moeilijk is, als je door een dal gaat.

God als een bron, die je dorst lest, die je nieuwe kracht geeft,
Die je laat groeien en tot bloei brengt, ook al lijkt het nog zo dor.
Het is het wonder van nieuw leven, van vernieuwd worden.
In de afgelopen dagen hebben we als we naar buiten kijken, de bomen zien uitlopen.
Fris jong groen aan de bomen, nieuw blad.
Goed, de wind is nog fris, maar het is toch al wel lente.
Een nieuw seizoen dat we van de Heere krijgen.
Mijn schoonmoeder, die lange tijd ziek geweest is, kon zich elk jaar weer
aan de lente optrekken, aan de bomen die uitliepen, de bloesem, de bloemen.
Deze tijd krijg ik nog van de Heere.

Nee het leven van een gelovige is niet altijd zorgeloos.
Integendeel.
HEERE, God van de legermachten, luister naar mijn gebed,
neem het ter ore, o God van Jakob. 

Ook gelovigen hebben het steeds weer nodig om bemoedigd te worden
om de reis door het leven met de Heere verder aan te gaan.
Wat is het dan geweldig om te kunnen bidden.
Althans, ik hoop dat u dat kunt, want in tijden van nood kan het gebed ook wel lijden,
dan kan er boosheid zijn, teleurstelling, of de gedachte dat het toch geen zin heeft,
of God zo ver weg.

Daarom eindigt deze psalm met die geweldigde belijdenis,
Waarmee we ons toevertrouwen aan de Heere:
Want God, de HEERE,
is een zon en een schild,
de HEERE zal genade en eer geven,
Hij zal het goede niet onthouden
aan hen die in oprechtheid hun weg gaan.
HEERE van de legermachten,
welzalig de mens die op U vertrouwt.
Amen

Overdenking Johannes 11

Overdenking Johannes 11

Het is een bekend verhaal, het verhaal van Lazarus.
Ook een mooi verhaal: over de macht van Christus. Zijn macht is sterker dan de dood.
De evangelist Johannes vertelt de gebeurtenissen altijd op een bijzondere manier door.
Je kunt zijn vertellingen over de gebeurtenissen altijd op 2 manieren lezen:
zonder geloof en met geloof.
Zonder geloof zie je alleen Lazarus die ziek is en Jezus die te laat bij Lazarus komt.
Te laat om hem nog beter te maken.
Lazarus is zelfs al 4 dagen begraven als Jezus aankomt, terwijl zijn zussen aangeven
dat Jezus er veel eerder had kunnen zijn, vroeg genoeg om hun broer nog te genezen.
Dat is als je zonder geloof kijkt: Dan komt Jezus te laat.
Als Hij eerder was geweest, had alles er heel uitgezien.
Was het verdriet er niet geweest, omdat Lazarus gestorven was.
Was er geen rouwperiode, omdat het graf was toegesloten
en Lazarus voorgoed van deze wereld was gegaan.
Dat is als je zonder geloof naar het gebeuren kijkt.
Wat verandert eraan als je met geloof naar het gebeuren kijkt?
Betekent dat ziekte niet voorstelt
en dat we niet moeten treuren wanneer iemand overleden is?
Nee, want we zien hier hoe de zussen zijn verscheurd van verdriet
en hoe Jezus zelf ook is geraakt als Hij voor het graf van Lazarus staat, Zijn vriend.
Nee, het geloof ziet in de situatie van Lazarus iets bijzonders,
het is meer dan een persoonlijk verhaal van een kleine familie van Jezus.
Lazarus is het Israël van Jezus’ tijd.
Om dat te begrijpen moeten we naar het Oude Testament, naar een gedeelte uit Ezechiël.
Een gedeelte dat nog wel eens in de tijd van Pinksteren wordt gelezen.
Het is visioen dat de profeet te zien krijgt:
een dal voor dorre doodsbeenderen.
Een huiveringwekkend beeld van hoe de dood heeft huisgehouden onder een grote groep.
Er is niets meer levend gebleven en er kan niets meer levend worden.
De profeet krijgt een bevel: profeteer.
En op het bevel van de profeet in Gods naam komt er leven in de botten
en staan de dode lichamen op.
Het is een aankondiging hoe het volk Israël weer tot leven kan komen.
Zo is het met Lazarus: Zijn lot is het lot van Israël en Lazarus sterft.
Alleen zo is te begrijpen waarom Jezus tegen Martha en Maria zegt
dat de dood van LAzarus tot meerdere glorie van God is.
Als we dat niet meenemen, is het een harde uitspraak,
Dan zou het verdriet van Maria en Martha en het overlijden van Lazarus
het doel hebben dat Christus kan laten zien wat Zijn macht is.
Met de opwekking van Lazarus wil Christus laten zien dat Hij niet alleen Lazarus
kan oproepen uit de dood en Hem het leven kan geven,
maar dat Christus ook wie geestelijk dood zijn het leven kan geven,
een nieuw leven door Hem.
Zeven wonderen geeft Johannes door.
Hij noemt ze geen wonderen. Hij gebruikt een ander woord: tekenen.
Wat Jezus doet met de wonderen onthult steeds een deel van Christus’ werk.
Als water in wijn veranderd wordt en een bruiloft niet in het water valt,
wil Jezus laten zien dat de band met God vernieuwd kan worden:
We zouden kunnen zeggen: een nieuw verbond.
Het eerste teken zegt Johannes – 7 tekenen die de heerlijkheid van Christus laten zien
En heerlijkheid betekent de hemelse glans van Christus, zijn afkomst uit de hemel.
De tekenen worden steeds bijzonderder,
met als hoogtepunt de opwekking van Lazarus uit de dood.
Na dit hoogtepunt gaat Jezus naar Jeruzalem, om daar te lijden en te sterven.
Hier schemert er al iets door van de weg van het lijden die Jezus zal gaan,
maar ook wat het doel is: overwinning op de dood,
De macht van God op aarde vestigen door Zijn dood aan het kruis.
Lazarus mag terug komen uit het rijk van de dood, een nieuw leven.
Omgekeerd gaat Jezus de dood in, en voor allen die gaan sterven.
Jezus weet: Zijn dood is het leven van Lazarus, en van allen die in Jezus geloven.
Dat is alleen te zien voor wie gelooft.

Deze ziekte is niet tot de dood, maar om Gods eer te openbaren.
Aan de hand van de dood van Lazarus wil Christus laten zien,
dat Hij kan opwekken uit de dood, in het leven kan terugroepen.
De geestelijke dood waarin we verkeren door een leven in de zonde.
Maar ook de lichamelijke dood.
Lazarus’ dood is een voorbode van de weg die Jezus zal gaan.
Lazarus’ dood is een voorbode van de weg die wij zullen gaan:
eens door de dood heen,
maar we mogen weten dat als onze dood gekomen is,
Jezus er zal zijn en ons eens uit de dood zal roepen in het leven.
Anders dan bij Lazarus zal dat een nieuw leven zijn,
bekleed met de heerlijkheid van Christus.
Een nieuw leven, omdat onze Heer aan het kruis ging.
Maria en Martha kunnen dat op dat moment nog niet geloven.
Zij zien alleen een gesloten graf,
de mogelijkheid van Lazarus om terug te keren is definitief voorbij.
Het graf is gesloten.
Het geloof ziet door Christus echter dat het graf open gaat, ook voor ons
En dan wordt het in een diepe zin waar:
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood
volkomen uitkomst geven.
Dat is dan voor ons niet altijd een bewaring van de dood,
maar dan door de dood heen.
Omdat Christus aan het kruis die weg baande

Amen

Een kleine leeswijzer bij Klaas Schilders “Christus in Zijn lijden”

Een kleine leeswijzer bij Klaas Schilders “Christus in Zijn lijden”
aan de hand van de eerste meditatie: “Satan bij den katheder des lijdens”

Klaas Schilder schreef met zijn trilogie
Christus in Zijn lijden  een indrukwekkende serie van dogmatische meditaties over de lijdensweg van Christus. Het is de moeite waard om in deze Lijdenstijd (of Veertigdagentijd) een aantal van deze meditaties te lezen. Aan deze meditaties kleeft wel een behoorlijk nadeel: in deze meditaties klinkt tussen de regels Schilders theologie door. Daardoor kunnen de meditaties ook heel massief overkomen. Ook is het niet altijd duidelijk als je niet heel Schilders theologie kent wat hij doet en wat hij beoogt.

4R1shGBobpAuhyk7KQEg
Hierbij wil ik aan de hand van de eerste meditatie wat uitleggen over wat Schilder doet. Dit is een soort tussenstand, omdat ik momenteel bezig ben met het in kaart brengen van van bepaalde facetten van Schilders theologie (schepping / zondeval / verlossing en openbaring / geschiedenis).

Schilders christologie heb ik nog niet intensief bestudeerd. Om deze trilogie Christus in Zijn lijden te begrijpen, is het ook belangrijk om zijn artikel over de Christusbeschouwing erbij te betrekken, zijn artikel over het Skandalon of zijn uitwerking van de christologie in zijn commentaar op de Heidelbergse Catechismus. Hierbij toch een voorlopige leeswijzer om de lezers die in deze periode een aantal meditaties tot zich willen nemen.

Opmaat van de lijdensgeschiedenis
Deel I van de trilogie is gewijd aan de opmaat van de lijdensgeschiedenis. Of zoals Schilder het noemt: Christus aan de ingang van Zijn lijden (zie: Woord vooraf). Schilder wil de gebeurtenissen zoveel mogelijk chronologisch langs gaan. Zijn reden daarvoor is niet zozeer historisch, maar heeft te maken met zijn visie op de openbaringsgeschiedenis: God gaat een gang door onze geschiedenis, waarbij de openbaring voortgang maakt. Die voortgang is er niet alleen vanuit het Oude Testament naar het Nieuwe Testament als voorafschaduwing naar vervulling. Die voortgang is er ook in de weg die Jezus gaat: het gaat naar een climax.
download (3)
Met de eerste meditatie lijken we lukraak in het lijdensverhaal te vallen. Een dogmatische meditatie over Mattheüs 16:23a: Maar Hij, zich omkeerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satan, gij zijt Mij een aanstoot. In deze meditatie worden al lijnen uitgezet, die Schilder in zijn andere meditaties worden uitgewerkt. Ik bedoel de term dogmatische meditatie niet negatief. Ik bedoel dat de manier van mediteren vanuit de dogmatiek wordt aangevuld. De basis blijft exegese en meditatie. De ene keer werkt dat goed uit en krijgt de exegese een verrassende aanvulling. Een andere keer kan de uitwerking iets gekunstelds krijgen. Zeker als je als lezer niet weet wat Schilder in zijn meditaties beoogt.
Kaft-K-Schilder
Christus’ reactie op Petrus
De eerste meditatie Satan bij den katheder des lijdens is de eerste van vijf meditaties die gaan over het lijden dat mensen Jezus aandoen. En dan vooral mensen die beter zouden moeten weten vanwege de roeping die ze hebben (als discipel) of het ambt dat ze bekleden (bijvoorbeeld als hogepriester). In deze eerste meditatie staat de reactie van Jezus op Petrus centraal. Petrus wil Jezus tegenhouden om de weg van het lijden in te gaan, waardoor Petrus voor Jezus verandert in een satan. Want het doel van Satan is om Jezus van de weg van het lijden af te brengen. Satan wil Jezus verzoeken om het lijden uit de weg te gaan. Het is pijnlijk voor Jezus dat de kerk (want Schilder trekt het begrip discipel door tot de kerk) zich voor Jezus kan voordoen als een satan.|

Het is belangrijk om de nuance te zien: niet Petrus staat in deze meditatie centraal, maar Jezus’ reactie op Petrus. Het is in het vertellen van de lijdensverhalen altijd weer een verleiding om de aandacht van Jezus te verleggen naar de mensen om Jezus heen. (Zie:I, 92) Dat verleggen van de aandacht gaat echter tegen de authenticiteit van het Bijbelverhaal in, omdat de Heilige Geest het verhaal ‘altijd streng symmetrisch’ heeft opgebouwd: namelijk de focus op de gehoorzaamheid die Jezus laat zien in Zijn weg.

Daad
De titel van deze meditatie laat al veel zien van Schilders theologie: van zijn christologie, van zijn visie op de mens, van zijn visie op de Satan. Schilder houdt van felle, scherpe contrasten. Al wordt hier de tegenpool van de Satan aangeduid met Zijn activiteit. Dat zou Schilder wel eens bewust gedaan kunnen hebben om de aandacht te vestigen op de activiteit, de daad van Jezus. Jezus kiest bewust voor deze weg. Zie de tweede zin van de meditatie: Nu willen wij gaan zien, gelijk Hij zich overgeeft in den nacht van Zijn lijden, en gelijk Hij, zeker van Zijn doel, tast naar den dood. Waarbij tasten hier niet op onzekerheid of gissen duidt.

Die keuze is al in de hemel genomen in de Raad des Vredes, waar de Zoon instemt om deze weg te gaan. Die instemming wordt met een eed bekrachtigd. Schilder heeft een voorkeur voor juridisch taalgebruik. Het werk van Christus wordt door Schilder geregeld met juridische termen uitgewerkt, zowel de inhoud van de taak als de rol van Christus. Op aarde houdt Jezus als de mens geworden Zoon Zich aan deze keuze: Hij is gehoorzaam.

Verzoeking
Bij de katheder staat het Woord van God, die Gods Woord spreekt en is. Van de mensen wordt gehoorzaamheid gevraagd. Maar uitgerekend Petrus negeert dat woord van God en ontpopt zich op dat moment als satan. Openbaring van God (of in dit geval van Christus) gaat meestal gepaard met afwijzing door de mens, zelfs van Christus’ kerk. Dat maakt het satanische voor Christus helemaal tot lijden. Waar de kerk denkt op een hoogtepunt gekomen te zijn, met een mooi uitzicht, waar gerust kan worden, komt de grootste satanische verzoeking. Wat op de weg van Christus een climax is (voorwerpelijk), is voor de kerk een zwaartepunt (onderwerpelijk): de bruid van Christus toont zich satanisch (p. 11). Dit is de anti-bevindelijke trek in Schilders theologie, die niet accepteert dat de menselijke emoties en belevenissen boven wat geopenbaard wordt worden gesteld.

Sacramentum
De eerste zin van de meditatie is: Nu willen wij gaan letten op den Man van smarten, den Middelaar onzer belijdenis, Christus Jezus.
Schilder begint met de menselijke reactie, zoals die hoort te zijn. Christus Jezus is geen voorbeeld, maar Middelaar. Christus is geen exemplum, maar sacramentum. Zijn werk heeft een betekenis die wij als mensen niet kunnen nadoen: eeuwig heil, verzoening met God. Wat wij als mensen kunnen doen is alleen maar geloven en er niet aan voorbij gaan. Voortdurend doet Schilder een appèl op de lezer: wij gaan letten, zie, huiver, hoor, zwijg, de hand op de mond leggen (p. 11)! In deze trilogie wordt Schilder zeer uitgebreid voor ogen geschilderd (Galaten 3:1).

Man van smarten
Het eerste dat Schilder over Christus zegt is dat Hij de Man van smarten is. Hoewel Christus uit de hemel komt, Gods Woord is, de eeuwige Zoon, is het lijden voor Hem een werkelijk lijden. Het lijden laat Hem niet onberoerd, maar raakt Hem diep in de ziel: Daarom kan het niet anders, of dit oogenblik, waarop een satanisch woord door Zijn profetische redenen heen snerpt, moet hem wonden tot in het diepst van Zijn ziel (p. 10).
3cb11306-9b77-4dcf-b1fa-bf345875ce2e
Jan Toorop – Christus (1912)

Jezus ondergaat het lijden niet onbewogen en aan het lijden ontstegen zoals de bleeke Christus, een soort esoterisch beeld van Jezus dat opgeld deed in het begin van de 20e eeuw. Verleiding is echt verleiding, verzoeking door de Satan echt verzoeking, beproeving echt beproeving en lijden echt lijden. Schilder kan daarom geregeld spreken over wat een situatie met de ziel van Christus doet. Medelijden is echter niet nodig. Psychologische uitleg van hoe Jezus er aan toe is, is uit den boze. Wat nodig is, is geloofsgehoorzaamheid, belijdenis, onderwerping, zien.

Middelaar
Christus is ook Middelaar. Hij brengt hemel en aarde weer samen nadat de mensen de band hadden verbroken door ongehoorzaamheid. Voor Schilder tilt zwaar aan de zonde van de eerste Adam in het paradijs: dat is verbondsbreuk, die alleen maar hersteld kan worden door de tweede Adam. Schilder verbindt de aanduiding Man van Smarten geregeld met de aanduiding Knecht des Heeren: het lijden overkomt Jezus niet, maar komt vanwege de Vader over Hem en Jezus gaat deze weg in gehoorzaamheid aan de Vader.

Hij is de Middelaar van onze belijdenis. Voor Schilder zijn de belijdenisgeschriften van existentieel belang. De Dordtse Leerregels nemen een grote plaats in zijn geschriften in. Eind jaren-’30 start Schilder zelfs een groots commentaar op de Heidelbergse Catechismus (dat vanwege zijn dood in 1952 stopt met het commentaar op Zondag 10). Deze aanduiding zal aangeven dat in de gereformeerde belijdenisgeschriften de betekenis van Christus het meest zuiver is weergegeven. Voor Schilder betekent het echter meer: belijden is geen formaliteit, maar geloofsgehoorzaamheid. De Middelaar onzer belijdenis geeft aan dat wij geroepen zijn in gehoorzaamheid deze Middelaar te belijden.

Ambtsdrager bij uitstek
Voor Schilder is het niet mogelijk om te spreken over Jezus alleen. Hij is de Christus. Hij is niet alleen maar mens, maar de Ambtsdrager bij uitstek. Daarmee raken we opnieuw een belangrijke thematiek van Schilders theologie. Bij de schepping krijgt de mens een roeping om God te representeren naar de andere schepselen toe. De mens als schepsel is ambtsdrager. Dat de mens beeld van God is, is voor Schilder dan ook helemaal gelegen in deze roeping, dit ambt. Door de zondeval raakt de mens zijn ambt echter kwijt en daarmee ook het beeld van God. Als de Amtsdrager bij uitstek komt Christus de ambten in gehoorzaamheid aan de Vader vervullen.

Vervulling van de drie ambten
De drie ambten die er in het Oude Testament zijn, komen in Christus samen en worden door Hem vervuld. Schilder werkt geregeld uit hoe Christus in deze verhalen optreedt als de profeet, de priester en de koning bij uitstek. Deze ambten functioneren in de tijd van Jezus niet meer naar behoren. Ze waren al voorafschaduwing, maar in de tijd dat Jezus komt is de Joodse godsdienst vastgelopen, tot stilstand gekomen. Als Jezus Zijn lijdensweg gaat, gaat Hij die als profeet, priester en koning. Die weg bestaat uit lijden en triomferen. Lijden, omdat Hij als profeet, priester, koning niet de eer krijgt die Hij ontvangt. Triomf, omdat Hij doorgaat op deze weg en uiteindelijk slaagt en overwint.Tot ons heil. Heel Zijn lijdensgang door, is Hij van dit drievoudig ambt de volstrekte en eenig ware drager geweest. En daar is geen plekje in Zijn lijdenstempel, of het heeft Hem in en door dat drievoudig ambt zien lijden en triomferen.

Valse mystiek
De weg van Christus Jezus vraagt geloof. Vraagt om te doorzien wat hier gebeurt: zowel van Godswege als wat betreft de satanische verzoeking. Voor de mens, die vanwege de zonde geneigd is om tegen God te kiezen, is dat niet altijd makkelijk te zien. Zelfs de kerk kiest gemakkelijk voor valse mystiek, voor de rust op het hoogtepunt. Men denkt dat men er al is, zonder te zien dat juist dan de Satan met zijn verzoeking komt. Op het hoogtepunt in het geloofsleven (hoogtepunt, p. 7) is het risico het grootst om te vallen (zwaartepunt, p. 7): Ook Simon Bar-Jona wil op zijn hoogtepunt den vrede gaan genieten, en het vredeslied gaan zingen. Schilder is beducht voor mystieke vervoering, vanwege het risico om te vallen. Op deze manier gaat men het skandalon van het lijden uit de weg. Daarom is het nodig dat Jezus als de hoogste profeet uitleg geeft, vanaf het katheder spreekt, episch gezang inwisselt voor didactisch spreken (p. 8). 

Climax in Gods werk
Wat Jezus overkomt, is geen lot. Jezus kiest ervoor bewust voor. Maar ook Gods hand is er in te zien. Christus ziet in wat Hem aangedaan wordt de climax in Gods werk. In de verzoeking door de Satan wordt Jezus ook door God beproeft. Die beproeving is zwaarder dan de verzoeking van de Satan. Die beproeving is niet bedoeld om Jezus van de weg af te brengen, maar Hem te versterken in Zijn keuze om te gaan, om te volharden in Zijn daad, om Zijn eed getrouw na te komen.
En bij den aanvang van het lijdensverhaal is het ons een uitnemende troost, te weten, dat Hij Zijn hoogten zuiver houdt, en door den eeuwigen Geest pal blijft staan en onbewogen op den drempel van den lijdenstempel, als zelfs een rukwind van de hel Hem geen duimbreed van Zijn plaats doet wijken.

Preek zondag 22 maart 2020

Preek zondag 22 maart 2020
Schriftlezing: Lukas 22:7-30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Veel dingen zijn in de afgelopen week niet doorgegaan.
School ging niet door en de kinderen en jongeren konden hun vrienden niet opzoeken.
Als je deze week een verjaardag had, kon je geen bezoek krijgen.
Het was niet mogelijk om iemand in een verzorgingstehuis.
Op De Hullen en op De Voord was geen bezoek mogelijk.
Ook wie iemand in een zorginstelling heeft kon niet op bezoek gaan.
En het lijkt erop dat de komende weken het zo doorgaat:
Geen school, geen verjaardag kunnen vieren, niet op bezoek gaan of bezoek ontvangen.
Je moet nu thuis je schoolwerk maken, als het kan met je werk thuiswerken.
Dat is vreemd om zo opeens niet meer naar school te kunnen, niet meer op bezoek,
niet meer spelen, niet meer naar je werk
en ook niet weten hoe lang het nog gaat duren.
Misschien ben je wel heel gespannen en merk je dat je zenuwachtig bent, of bang.
Of misschien heb je vooral last van verveling omdat je niet weet wat je moet doen.
We weten ook niet wat er komen gaat.
Blijft het rustig in Nederland en hier in Oldebroek
of staat ons net zo’n ingrijpende crisis te wachten als Italië?
We weten het niet.

In het Bijbelgedeelte dat we lezen, weet Jezus wel wat er komen gaat:
Waar wij ons schrap zetten voor de tijd die komen gaat:
de worsteling in Gethsemané, het verraad van Judas, het verhoor
en dan het kruis dat op zijn schouders wordt gelegd,
het kruis waaraan Hij gehangen wordt en waaraan Hij zal sterven.
De Heere Jezus weet dat het op Hem af komt. Hij kan daar niet aan ontkomen.
Nu viert Hij samen met Zijn leerlingen de Pesachmaaltijd.
Het is de laatste keer dat Hij deze maaltijd met Zijn leerlingen kan hebben.
Jullie hebben in de afgelopen week misschien ook wel iets bewust voor het laatst gedaan:
Toch nog even doen, omdat je niet weet wanneer je het weer kunt doen.
Wanneer er weer een tijd is dat je bij elkaar kunt komen.
Zo viert Jezus deze maaltijd van Pesach voor de laatste keer.
Er is trouwens ook een mogelijkheid dat voor Jezus het Pesach niet is doorgegaan.
Ik zal daar niet meer van eten, zegt Jezus,
en er zijn er die zeggen dat Jezus nu al niet meer aan deze maaltijd meedoet.
Niet eet van het brood of van de gerechten met de bittere kruiden, niet drinkt van de wijn.
Terwijl Jezus er wel naar uitgekeken heeft om dit feest nog met Zijn leerlingen te vieren.
Nog één keer samen zijn, zelfs met Judas erbij, de discipel die Hem zal verraden.
Ook met Petrus die niet veel later zal zeggen dat hij Jezus niet kent.
Samen met de leerlingen die allemaal op de vlucht zullen slaan
als Jezus wordt gevangengenomen en wordt meegenomen.
Nu nog een keer samen als groep, om Jezus heen verzameld.
Het is niet zomaar een feest: het is Pesach.
Pesach is het feest waarop gevierd wordt dat God redt.
Lange tijd zat het volk gevangen in Egypte, waar het hard moest werken, als slaven.
De jongetjes die geboren werden, werden met de dood bedreigd.
Een gevaarlijke tijd voor hen, omdat ze hun leven niet veilig waren.
Een harde tijd omdat ze hard moesten werken, zo hard dat ze bijna dood neervielen.
Als het zo door zou gaan, zou er van het volk Israël niets meer overblijven
En zou er niemand van dit volk hebben gehoord.
Ze riepen tot God om hulp, om bevrijding, om redding.
Mozes werd gestuurd om aan de Farao te vragen of het volk mocht gaan.
Op de avond, voordat het volk weg zou mogen gaan uit Egypte,
moest er een speciale maaltijd voorbereid worden,
een maaltijd waarmee ze afscheid namen van Egypte.
Ze waren nog niet bevrijd, nog niet gered – dat zou pas de volgende dag gebeuren.
En toch, die nacht vierden ze al dat God er was voor hen en hen zou redden
en een nieuw leven zou geven in hun eigen land.
Steeds weer moesten ze dat feest vieren – om te vieren dat ze bevrijd waren.
Om te vieren dat ze door God waren bevrijd
en bovenal om te weten, dat wanneer je zelf geen uitkomst ziet, God kan komen
om je te redden uit het gevaar dat je bedreigt.
Als ze Pesach vierden, was het alleen een terug denken aan vroeger,
maar als je Pesach vierde, dan deed je dat alsof je op dat moment zelf werd bevrijd.
Al leefde je in een tijd van vrede.
Maar ook als je leefde in een tijd van oorlog en onderdrukking,
dan vierde je dat God kan komen om uitredding te brengen
en dat je op dat moment gered wordt door God, al zie je op dat moment er nog niets van.

Dat zou je nu ook wel willen dat God redt, dat Hij bevrijding Zijn bevrijding nu laat zien.
Dat Hij ons land bewaart voor een ramp, die zou kunnen gebeuren.
Dat Hij jouw leven beschermt, die van je ouders, van je opa en oma en allen die bij je horen.
Dat Hij zorgt dat dit virus niet meer verder gaat en geen mensenlevens zal eisen.
We weten niet wat er op ons afkomt en juist dan kun je verlangen naar Gods redding.
Daarom hebben we kerk, als is het op een andere manier dan gebruikelijk.
Om de Heere God hierom te bidden,
om samen met elkaar te blijven geloven dat Hij het kan
Maar ook om sterk te blijven in het geloof als het allemaal spannend en moeilijk wordt.
Wij geloven in Jezus, die geleden heeft, die ook is opgestaan en de dood heeft overwonnen.
Maar voor Hij overwon moest Hij wel eerst een weg van lijden gaan.
Vlak voor Hij die weg van lijden daadwerkelijk inslaat, in de nacht waarop Hij verraden werd,
kwam Hij nog een keer met Zijn leerlingen bij elkaar, nog één keer samen
om dit feest van Gods redding te vieren:
God kan en wil en zal – zelfs bij het naderen van de dood – volkomen uitkomst geven.
Als Jezus aan tafel ligt met Zijn leerlingen, viert Hij nog eenmaal dat feest:
het feest dat God redt in de meest donkere tijd, dat Hij er is als je geen uitkomst ziet,
als je gevangen zit en geen enkele hoop, geen enkele uitzicht hebt.

Het wordt een bijzondere maaltijd, niet omdat deze maaltijd de laatste voor Jezus wordt,
maar om wat de Heere Jezus aan deze maaltijd laat zien.
Bij de eerste beker wijn die rondgaat, kijkt Jezus Zijn leerlingen, die bij hem aan tafel zijn
ernstig aan en zegt: ‘Denk bij deze beker niet alleen aan het verleden terug,
niet alleen hoe God onze voorvaderen bevrijdde uit Egypte.
Nemen jullie deze beker, drinken jullie deze beker leeg,
Want er komt een moeilijke tijd aan, waarop jullie het zonder Mij moeten doen,
maar wel aan Mij zullen denken.
Eerst moet ik een weg gaan en die weg zal pas voorbij zijn
Als Ik ervoor gezorgd heb dat het Koninkrijk van God is aangebroken.
Dat Gods macht weer zichtbaar wordt op aarde en God alleen over deze aarde heerst
en de macht van de duivel, de macht van de dood, de macht van de zonde is gebroken.’
Het is de vraag of de discipelen op dat moment begrepen wat Jezus bedoelde.
Eerst moest het Goede Vrijdag worden en Pasen.
Eerst moest Jezus sterven aan het kruis en weer opstaan,
Voordat ze konden begrijpen wat Jezus hier uitlegde.
Het gebeurt nogal eens dat je verder moet zijn
Voor je begrijpt welke kant het op gaat en wat de weg van God is,
wat Gods bedoeling is.

Als ze verder gaan met de viering van de Pesachmaaltijd,
vieren dat God hen bevrijd, ook uit de meest donkere periode die er kan zijn,
neemt Jezus het brood.
Hij breekt het brood en ook hierbij zegt Hij dat ze niet alleen aan vroeger moeten denken,
Aan hun voorouders en het harde leven in Egypte,
of aan de moeilijkheden die ze zelf hebben meegemaakt, hun eigen lijden.
Dit brood dat Ik hier nu breek, dat is Mijn lichaam
Zoals Ik jullie dit stukje brood geef dat ik van dit brood afbreek,
zo zal Ik ook Mijn lichaam geven.
In de komende weken zullen heel wat dokters en zusters zich volledig in moeten zetten
in het ziekenhuis, in de ambulance, in de thuiszorg wellicht
en vast ook wel meer werken dan ze anders doen
en daarbij ook nog met het risico dat ze zelf ziek kunnen worden.
Daar kunnen we iets zien van je volledig inzetten.
Dat is wat Jezus bedoelt, als Hij het brood breekt en het geeft en daarbij zegt
dat Hij ook zo Zijn lichaam geeft.
Hij zal niet achteruit deinzen als Hij moet gaan.
Jezus zal niet zeggen: laat het toch maar een ander doen.
Nee, Ik geef Mij voor jullie.
Een dokter of een zuster of broeder kan zich inzetten, maar moet bij tijden toch uitrusten.
Een dokter of een zuster of broeder kan zich helemaal inzetten en lang doorgaan
om iemand proberen te redden,
maar elke dokter en elke zuster or broeder zal de ervaring hebben
dat ze wel eens machteloos zijn, maar niemand kunnen redden.
Jezus geeft Zichzelf helemaal en zal niemand kwijtraken als Hij zich helemaal inzet.
Hij weet wel dat Hij zelf moet gaan sterven
en dat legt Hij nog een keer uit als Hij de beker rond laat gaan.
Dat is de beker die aangeeft dat Ik zal sterven.
Ik zal dat voor jullie doen: Mijn sterven zal voor jullie bevrijding zijn.
Zoals de maaltijd die Jezus had met Zijn leerlingen en het feest dat ze vierden
met de bevrijding uit Egypte te maken had,
zo geeft Jezus een nieuwe betekenis aan de maaltijd:
We gedenken en vieren dat Jezus wilde sterven voor ons.

Vandaag zouden er twee ouderlingen, een kerkrentmeester en een diaken worden bevestigd
maar doordat we vanwege het coronavirus niet bij elkaar mogen komen
is dat uitgesteld en zal hun bevestiging later plaats vinden.
Het leek mij mooi om aan de hand van deze maaltijd uit te leggen
wat hun taken binnen de kerk zijn en dan met de nieuwe maaltijd, het avondmaal,
De maaltijd om Jezus heen:
De kerkrentmeester die mogelijk maakt dat deze maaltijd gehouden kan worden:
Er moest een zaal zijn, het feestmaal moest worden voorbereid.
Ouderlingen helpen om gemeenteleden deel te laten nemen aan het avondmaal.
zodat de gemeenteleden net als de discipelen bij Jezus aan tafel zijn
en de tekenen van Zijn lichaam en Zijn bloed mogen ontvangen in brood en wijn.
Diakenen die laten zien in hun hulp dat Jezus kwam om te dienen
Om heel concreet in hulp zichtbaar te maken dat Jezus kwam om te dienen,
om in de hulp die geboden wordt de zegen van Christus heel concreet te maken.

Het lijkt een veilig eilandje in een wereld, waarin veel aan de hand is.
Misschien is het zo voor jullie in de afgelopen week ook geweest:
Je bent veilig thuis geweest, beschut, terwijl in de wereld heel veel aan de hand is.
Er kunnen ook, als je zoveel bij elkaar bent, irritaties komen,  dat je je aan elkaar ergert.
Ook hier bij de discipelen is dat zo.
Een van de leerlingen die er niet meer bij wil horen en zijn eigen gang gaat
en zelfs besluit om Jezus te verraden.
De andere leerlingen die ruzie hebben over de vraag wie nu de belangrijkste is
en dat aan de maaltijd, waar Jezus weer opnieuw aankondigt dat Hij zal lijden en sterven
en dat Hij dat zal doen voor hen en voor ons.
Je moet niet de baas willen spelen, zegt Hij.
Dat ga ik ook niet doen, al heb ik daar het recht wel toe.
Maar Ik ben gekomen om te dienen, om jullie namens God te dienen.
Dat zal op een bijzondere manier zijn.
Dat zal geen dienen zijn, zoals de leerkrachten gediend hebben
om het jullie mogelijk te maken dat jullie thuis jullie schoolwerk konden doen.
Ook geen dienen, zoals mensen bereid zijn om boodschappen te doen
voor hen die in deze dagen niet uit het huis kunnen.
Nee, het is een dienen aan het kruis, waar Hij onze zonden op zich nam.
Om ervoor te zorgen dat wij weer bij God mogen horen, aan God verbonden zijn.

Dat kan alleen als we aan Jezus verbonden zijn.
Nu zijn ze nog samen om Jezus en bij Jezus en met Hem verbonden.
Maar er komt een tijd, waarop ze Hem in de steek zullen laten.
Ze kunnen niet meer bij Hem horen.
Niet alleen omdat de weg voor hen te moeilijk is, maar ook omdat ze zelf niet willen.
Ze gaan zelf een andere kant op, bij Jezus vandaan.
Ze laten het leven met Jezus zo maar op.
Ze verbreken zomaar hun band met Jezus, uit teleurstelling.
Maar Jezus kijkt al verder, naar Zijn eigen weg: Ik blijf met jullie verbonden.
Jullie blijven bij Mij horen, al raak je Mij kwijt.
Ik ben gekomen om jullie te dienen.
Dat dienen van Jezus is het dragen van onze zonden aan het kruis.
Omdat Jezus stierf aan het kruis, kunnen wij bij God horen.
Dat heeft Hij voor ons voor elkaar gemaakt. Daar heeft Hij voor gezorgd.
En die band met God kunnen we niet meer kwijtraken.
Daardoor kunnen we deze tijd doorkomen, omdat we bij Jezus horen.
Voor de een betekent dat: dat je gezond en wel, beschermd er door heen komt.
Voor de ander dat je merkt dat hoe moeilijk het ook wordt je toch kracht krijgt
om verder te gaan.
We hopen dat we allemaal bewaard blijven en we geloven dat God dat kan.
We geloven, dat als onze tijd gekomen is om te gaan,
de Heere Jezus een weg gebaand heeft om bij God aan te komen in Zijn koninkrijk.
We hopen en bidden dat het voor ons allemaal nog een tijd mag duren

Deze bijzondere tijd helpt ons misschien wel om meer te begrijpen van de weg die Jezus moest gaan, voor ons, om voor ons te lijden en te sterven.

Leer mij, o Heer, uw lijden recht betrachten,
in deze zee verzinken mijn gedachten:
o Liefde, die, om zondaars te bevrijden,
zo zwaar woudt lijden!

‘k Zie U, God zelf, in eeuwigheid geprezen,
tot in de dood als mens gehoorzaam wezen,
in onze plaats gemarteld en geslagen.
de zonde dragen.
Amen





Elkaar een tijd niet zien

Elkaar een tijd niet zien
Een korte tijd en u ziet Mij niet, en weer een korte tijd en u zult Mij zien, want Ik ga heen naar de Vader. (Johannes 16:16)

In bijzondere woorden kunnen vertrouwde woorden uit de Schrift opeens anders klinken. Nu ons aangeraden wordt om zoveel mogelijk thuis te blijven, betekent het dat we familie en vrienden een tijdje niet zien. Bezoek aan familie in verzorgingstehuizen is voor de meesten helemaal niet meer mogelijk. We hopen dan dat het een korte tijd is en dat we elkaar daarna weer snel kunnen zien en in de armen besluiten. Dan is het besef er hoe bijzonder het is om elkaar te kunnen ontmoeten en in de armen te sluiten. Als we niet weten hoe lang dit gaat duren, kan het een lange tijd van wachten zijn, een lange tijd van hopen dat deze crisis snel voorbij zal gaan en weinig slachtoffers zal maken.
De Heere Jezus kondigt aan dat Hij Zijn leerlingen enige tijd niet zal zien. Het zal een korte tijd zijn. Een korte tijd zal Hij van hen gescheiden zijn en zijn ze van Hem gescheiden. Op een dubbele manier zijn ze gescheiden: ze zien Hem niet meer, maar ze zijn ook niet meer bij Hem. Hij is niet meer bij hen, maar ze zijn ook de gemeenschap met Hem kwijt. Los van Hem geraakt.
Een korte tijd zal het zijn, zegt hun Heere. Op het moment dat Hij werd weggevoerd, leek die korte tijd een eeuwigheid te gaan duren. Op het moment dat Hij aan het kruis werd gehangen, was er weinig meer van het vertrouwen over dat die korte tijd eens voorbij zal zijn. Het was helemaal over. Zeker toen ze Hem gingen begraven. Was dat wat hun Meester bedoelde toen Hij aangaf dat Hij naar Zijn Vader ging?
Nee, het wonder gebeurde: Hij kwam terug uit de dood. De dood kon Hem niet in bedwang houden, maar moest Hem laten gaan en Hij liet Zich aan Zijn leerlingen zien. Inderdaad een korte tijd. Ze konden Hem weer zien. Wat een onvoorstelbare vreugde moet dat gegeven hebben: hun Heer weer terugzien nadat Hij uit de dood was teruggekeerd.
Hij bleef niet voorgoed op aarde. Hij keerde terug naar de hemel, naar Zijn Vader. Vandaar uit regeert Hij samen met de Vader over deze wereld. Ook nu in deze tijd regeert Hij. Wat er ook gebeurt: Jezus is bij de Vader in de hemel en bestuurt vandaar uit de wereld, de kerk, ons leven. We zijn veilig in Zijn handen. Ook nu in deze tijd. We kunnen Hem Zelf niet zien. Niet van aangezicht tot aangezicht. Wij kunnen wel Zijn daden zien, wat Hij doet: bescherming die Hij biedt. Troost en kracht in moeilijke tijden. Een eeuwig leven dat sterker is dan de dood. Daarin kunnen wij Hem ook zien. Dat geeft ons moed en houvast in deze tijd: we zijn in de handen van de Goede Herder, die de dood heeft overwonnen.

Een kerkdienst zonder kerkgangers?

Een kerkdienst zonder kerkgangers?
– In gesprek over de liturgie (3)


Enkele weken geleden begon ik aan deze serie. Ik kon toen nog niet bevroeden dat we een tijd zouden krijgen waarin er kerkdiensten zouden zijn zonder kerkgangers. Dat was behoorlijk slikken toen dat duidelijk werd dat de kerkdiensten niet op de gebruikelijke manier konden doorgaan. Als gemeente kozen we toch om de diensten door te laten gaan, maar dan met een hele kleine groep aanwezigen. Kerkgangers waren er wel degelijk, maar die waren thuis.
Hervormd-Oldebroek-HeaderKan een kerkdienst wel komen te vervallen? Afgelopen week las ikeen boeiende bijdrage van kerkrechtdeskundige dr. K.W. de Jong. Hij stelde dat de kerkorde eigenlijk geen mogelijkheid heeft om een kerkdienst te laten vervallen. De gedachte daarbij is dat een kerk niet zonder kerkdienst op zondag kan. Zo wezenlijk is de kerkdienst om kerk en gemeente te zijn. Bij het opstellen van de kerkorde is geen rekening gehouden met zo’n extreme situatie als het coronavirus. Een andere keuze is er niet. Je kunt je trouwens afvragen of de kerkdiensten kwamen te vervallen. De Protestantse Kerk bood immers een alternatief aan voor de gemeenten die geen eigen eredienst konden verzorgen: een kerkdienst via tv waarin dr. René de Reuver voorging. Ook andere mogelijkheden waren er om een kerkdienst te volgen: een dienst op GrootNieuwsRadio met ds. Ron van der Spoel. Of lokaal: een dienst uit de Vredeskerk te Wezep die via de LOCO werd uitgezonden.
OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Zo lang een kerkdienst via tv of kerkradio wordt uitgezonden, zijn er kerkgangers die niet in de kerk zijn, maar wel meekijken of meeluisteren. Al zijn ze niet aanwezig in de ruimte van de kerkdienst, ze zijn er wel een onderdeel van. Op een keer zei de ouderling van dienst tegen mij dat ik niet alleen moest kijken naar de aanwezige kerkgangers, maar ook moest bedenken dat er meer mensen meekeken dan er in de kerk aanwezig waren. In die avonddienst waren er misschien maar 30 kerkgangers aanwezig. Thuis keken echter veel meer mensen mee met de dienst, omdat de kerkdienst standaard werd uitgezonden op de lokale tv. Afgelopen zondagmiddag was dat bij de dienst in de Dorpskerk ook zo. Er luisterden meer mensen mee dan de 13 aanwezigen in de dienst. Voor een officiële eredienst zijn ook de ambten nodig. Daarom kozen we er voor om enkele kerkenraadsleden aanwezig te zijn.

Kan een dienst zonder de aanwezigheid van ambtsdragers een eredienst zijn? In noodsituaties is veel mogelijk. De mogelijkheid bestaat dat er niet meer dan 5 mensen bij elkaar mogen komen. Dan zou de ambtelijke vertegenwoordiging via andere kanalen geregeld kunnen worden: via de telefoon of via WhatsApp.

En een kerkdienst helemaal zonder kerkgangers? Ooit las ik een verhaal bij de Duitse praktisch-theoloog Christian Möller. In een van zijn boeken over gemeenteopbouw vertelt hij over een priester uit de tijd van de Sowjetunie. Deze priester was de enige die naar de kerk ging. Er was geen enkele kerkganger. Men vroeg hem hoe hij dat vol hield om deze dienst alleen te doen. ‘Alleen?’ was zijn verbaasde antwoord. ‘Tijdens de dienst zijn we voor de troon van God. De Heilige God is er, Vader, Zoon en Geest. De engelenlegers zijn er, de verlosten die in de hemel zijn. In de dienst ben ik helemaal niet alleen, maar ben ik samen met God en Zijn talloze engelen.’ Natuurlijk zou het mooi zijn als er andere mensen deze dienst zouden bezoeken, maar alleen was hij niet.

Dat verhaal heeft mij altijd geholpen. Ook toen ik in Noord-Holland voorging in kleine gemeenten. Een dienst in een Russisch-orthodoxe kerk verloopt anders en is wellicht makkelijker alleen om te doen dan een preek in mijn eentje te houden in een lege kerk. Laten we de komende tijd niet te veel hebben over de kerk die leeg is, maar laten we beseffen dat een kerk zonder zichtbare kerkgangers niet leeg is, maar een samenkomst is van God met Zijn heilige engelen en hopelijk ook samen met enkele kerkenraadsleden en met de luisteraars bij de kerkradio.
Vragen:
1) Is er voor u een verschil tussen meeluisteren via internet of kerkradio en het bezoeken van een dienst? Zo ja, wat is het verschil?
2) Als u niet naar de kerk kunt gaan, is een zondag dan anders? Wat maakt het anders?
3) Wat mist u het meeste van de kerkdienst: het samen zingen? de andere aanwezigen? iets anders?
4) Wat hebt u persoonlijk nodig om in deze tijd verbonden te blijven met de kerkdienst?

Preek zondag 15 maart 2020 middagdienst

Preek zondag 15 maart 2020 middagdienst
Schriftlezing: Jesaja 53
Tekst: Voorwaar, onze ziekten heeft Hij op Zich genomen, ons leed heeft Hij gedragen (Jesaja 53:4)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Sommige berichten zijn moeilijk om te geloven.
Toen ik in januari filmpjes zag van inwoners van de Chinese stad Wuhan,
die werkten in ruimtes die helemaal in plastic waren ingepakt,
kon ik niet geloven dat we later zelf met quarantaine te maken zouden krijgen.
Ook het RIVM kon dat nog niet geloven.
Ik zag een bericht van eind januari, waarin gemeld werd dat het virus niet besmettelijk was.
Ook andere deskundigen dachten dat het hier niet zo’n vaart zou gaan lopen.

Jesaja 53 begint ook met een bericht dat niet werd geloofd:
Wie heeft onze prediking geloofd?
Het antwoord is: er is niemand die destijd geloofde wat er werd gezegd.
Al werd het door een profeet aangekondigd als Gods eigen woord,
niemand hechtte er geloof aan,
niemand kon zich voorstellen dat die boodschap waar zou zijn.
Wat de profeet hier verwoordt is een belijdenis die hij namens het volk uitspreekt
en hij sluit zichzelf erbij in:
Ook al hebben wij van tevoren horen zeggen dat we God aan het werk konden gaan zien,
we hebben het niet gezien, we hebben het niet willen zien.

Als je de tekst leest, kun je je als lezer afvragen:
hoe kon men in die tijd eraan voorbij gaan dat men de hand van God niet kon zien,
ook al was die van tevoren aangekondigd.
Nu in de afgelopen week steeds duidelijker werd hoe ernstig de situatie is geworden,
terwijl er enkele weken nog opgekeken kon worden van de berichten uit China
of later nog uit Italië,
zonder dat we er wellicht over nadachten dat het ons zou kunnen treffen.

Zo is het ook met de boodschap die er verteld werd over de Messias die God zou sturen:
de redder die door God gestuurd was om Zijn volk te bevrijden.
Toen die Messias kwam, werd Hij door iedereen over het hoofd gezien.
Degene die kwam had alle schijn tegen.
Hij kwam niet als een indrukwekkende verschijning
die door Zijn krachtdadig optreden liet zien dat Hij Gods macht bezat.
Eerder het tegendeel: gestalte of glorie had Hij niet.
Deze Messias was niet zoals Jozef of als David die al door hun verschijning iets opriepen,
iets bijzonders uitstraalden,
waardoor het niet zo moeilijk was om te geloven dat zij door God werden gekozen
en dat zij in Gods plan een bijzondere missie hadden:
Je zag dat al aan hun zij eruit zagen, aan hun verschijning, aan wat ze uitstraalden.
Je zag aan hen dat ze van God iets bijzonders hadden gekregen.

In deze dagen van crisis zien we hoe belangrijk het is
als een regeringsleider uitstraalt dat hij weet wat er gedaan moet worden in crisistijd,
dat hij verstand van zaken heeft, met kracht leiding kan geven,
het vertrouwen kan geven dat hij weet wat hij doet en dat het daardoor goed komt.
Maar voor de Messias die gekomen is, was het tegendeel het geval:
geen krachtige leider, die je als volk kon meenemen de crisis uit,
Die voorop ging met maatregelen nemen, die je ook opvolgde
omdat je wist dat je deze leider kon vertrouwen – dat straalde hij uit.
Maar nee, zo was deze Messias niet.
Geen leider, geen koning die leiding gaf en maatregelen afkondigde,
bij wie je wist dat het goed zou komen,
maar eerder een patiënt, die ziek geworden is, lijdend,
zoals een coronapatiënt ernstig ziek het ziekenhuis werd binnengedragen,
in eenzaamheid, zoals dat in Italië gebeurt,
Waar de mensen alleen worden binnengedragen in het ziekenhuis,
zonder familie, omdat ze bang zijn zelf ook ernstig ziek te worden.
een Man van smarten, bekend met ziekten.
Dat was niet de Messias waar ze op hadden gewacht.
Dat was niet de redder, die hen uit deze crisis kon redden en in veiligheid kon brengen.
In zo iemand kun je Gods werk niet zien.

De profeet zegt het na afloop, nadat duidelijk geworden was, dat deze kwetsbare man,
die al lijdend onder hen was, als een zieke coronapatiënt,
Dat deze man wel degelijk de Messias was, door God gestuurd.
Hij zegt het – namens het volk – met een besef van schuld: hij had het kunnen weten.
Het was van tevoren aangekondigd.
Maar hij en zijn volksgenoten hebben het niet gezien,
konden het niet zien, omdat Gods Knecht op een andere manier kwam,
anders dan zij verwacht hadden,
Niet als iemand die boven hen uit torende, tegen wie ze op konden kijken,
die hen vooruit ging,
maar meer één als hen, of misschien nog wel minder:
iemand aan wie je voorbij gaat, omdat je die niet in het gezicht wilt kijken.
Wie heeft onze prediking geloofd?
Geloven is niet makkelijk – geloven heeft vaak de feiten tegen.
Het is gemakkelijk om te geloven dat God de wereld regeert
wanneer je een onbezorgd leven hebt en je voor je leven niet hoeft te vrezen.
Dat geloof wordt al aangevochten, als je hoort van een virus
waardoor mensen ernstig ziek kunnen worden en waaraan ze kunnen overlijden.
Wanneer het dichter en dichterbij komt: in je eigen land, in je eigen gemeente
wordt het nog moeilijker om te geloven dat God alles bestuurt
en dat je leven in Zijn hand is.
Al heb ik in de afgelopen weken verschillende gemeenteleden gesproken,
die niet zo tegen dat virus opzagen, omdat ze wisten dat God alles in Zijn hand heeft
en dat Hij ook hun leven in Zijn hand heeft.

Dat de mensen niet konden geloven, dat die lijdende Man de Messias was,
was niet omdat ze niet geloofden in Gods macht.
Ze geloofden in God, ze klampten zich vast aan Hem, juist in deze onzekere tijd,
maar ze konden zich niet voorstellen dat God zich op deze manier liet zien.
Zo in zo’n kwetsbare gestalte:
Had iemand Gods arm, die krachtig is om te redden, in deze Man gezien?
Dat verwachtte je toch niet? God werkt toch krachtdadig?
Voor niemand was het duidelijk dat juist Hij de Messias is die door God gezonden werd.

De eerste christenen hebben in deze Messias,
die te kwetsbaar zou zijn om Gods Knecht te zijn, Jezus herkend
en begrepen dat dit over Hem ging, hun Heer die aan het kruis ging,
en een weg van lijden ging, van Gethsemané waar Hij worstelde, streed, leed,
tot Hij aan het kruis Zijn einde vond en stierf.
Kon dat de Messias zijn? Wie had dat op dat moment geloofd,
toen Hij daar aan het kruis hing?
Wie geloofde dat, toen Hij daar vermoeid worstelde in Gethsemané,
Een twijfel die je niet zou verwachten bij een Knecht van God
En zeker niet bij dé Knecht des Heeren.
Al had Jezus het van tevoren aangekondigd dat Hij zou lijden
en al hadden ze deze tekst uit het Oude Testament waardoor ze wisten
dat Gods weg anders zou kunnen zijn, raadselachtig,
een weg die twijfel zou oproepen, waarvan het doel voor ons mensen verborgen is,
ze raakten al hun vertrouwen kwijt, toen Jezus opgepakt en gedood werd aan het kruis.
Dit kon de Messias niet zijn. Een duidelijker voorbeeld dat God niet met Hem was,
wat ze eerst wel dachten, hadden ze niet.
Toen bij het kruis was het net een plantje in dorre aarde: een enkele spriet die opschiet,
maar niet levensvatbaar, zinloos om daar op die levenloze plek te groeien.
Dat plantje heeft geen toekomst.
Wat heeft God er eigenlijk in gezien, in dat éne sprietje dat opkwam,
in een wereld die dor en doods was, zonder enige toekomst.
Later begrepen ze het, maar niet op dat moment van het kruis.
Op dat moment keek je liever een andere kant op, omdat je het niet kunt aanzien,
zoals je niet teveel verhalen uit Italië moet horen, waar het een enorm drama geworden is,
of niet te veel verhalen uit vluchtelingenkampen, omdat je er toch niets aan kunt doen,
zo was dat verhaal van die Jezus aan het kruis iets dat je niet kon aanzien,
Waar je voor weg moest lopen, het was te pijnlijk – je zag er zo weinig van God in.
Ook in het kruis, zoals we in die vele zieken en overlijdens
ook niet zomaar de hand van God kunnen zien.
Net als het kruis klaagt dat virus God aan: waarom moet dat zo gaan.
Ook hier, als over de Messias die over het hoofd wordt gezien, gesproken wordt,
klinken klanken uit de klaagpsalmen: als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante
dat wij Hem begeerd zouden hebben.
Woorden uit Psalm 22: mijn buren draaien het hoofd voor mij weg en ontlopen mij,
Ze kunnen het niet aan om te zien wat er van mij geworden is.
Ze kunnen mijn lijden, mijn leed niet zien. Waarom hebt U mij verlaten?
Ook hier de gedachte dat het lijden wel er op moest duiden
dat deze Man door God verlaten was, in de steek gelaten was,
want waarom moest Hij anders zo diep gaan en zoveel lijden?
Hij was veracht – niet de moeite waard om lang bij stil te staan,
maar eerder om je schouders over op te halen en door te lopen,
uit desinteresse of uit onmacht. (Dat kan allebei).

Maar dan wordt er een diepte zichtbaar in deze profetie,
Waarvoor je misschien wel tijden als deze moet hebben om te beseffen
hoe diep die gaan:
Voorwaar, onze ziekten heeft Hij op Zich genomen.
Dat lijden dat Hij ondergaan heeft, dat zegt inderdaad iets over God.
Niet dat God Hem in de steek gelaten heeft.
Integendeel. Het zegt dat God bereid was om af te dalen in onze wereld.
In de wereld van Wuhan met zijn besmettingen,
van Lombardije en Bergamo en al die andere plaatsen,
Waar iedereen binnen moet blijven om zelf niet ziek te worden.
In de wereld van de intensive care waar gevochten wordt voor de levens
van degenen die ziek geworden zijn.
Voorwaar, onze ziekten heeft Hij op Zich genomen.
Wist je niet, zegt Jezus na Zijn opstanding tegen Zijn leerlingen op weg naar Emmaüs:
Wist je niet dat de Messias moest lijden, moest sterven.
Al is het lijden van deze wereld niet te vergelijken met zijn lijden,
het is wel ons lijden dat Hij op zich genomen heeft
Onze ziekten heeft Hij op zich genomen, ons leed heeft Hij gedragen.
Al zitten wij hier nu nog in een redelijk veilig gebied als we de quarantaine aanhouden,
maar we kunnen wel de indringende berichten van elders zien,
van Italië, waar de noodkreten vandaan komen dat we het hier allemaal onderschatten
En er te gemakzuchtig mee omgaan, er zelfs om lachen,
Terwijl we niet door hebben dat het noorden van Italië veranderd is in een Rama:

Er is een stem gehoord in Rama, een rouwklacht, een zeer bitter geween:
Rachel weent over haar kinderen. Zij weigert zich te laten troosten
over haar kinderen, want zij zijn er niet meer. (Jeremia 31:15)

Het zijn de klanken uit de klaagpsalmen

Red mij, God, het water staat aan mijn lippen,
ik zink weg in bodemloos slijk en vind geen grond voor mijn voeten,
ik ben in diep water geraakt, de stroom sleurt mij mee.
Uitgeput ben ik van het roepen, mijn keel is schor geschreeuwd,
mijn ogen zijn verzwakt van het uitzien naar mijn God. (Psalm 69:2-4)

Onze ziekten heeft Hij op Zich genomen.
Moeten we in deze tijd ons wel bezig houden met de vraag of het coronavirus
een straf van God is over onze wereld?
Moeten we niet veel meer zien, hoe daar in dat lijden van Bergamo, Wuhan
en die andere plaatsen die getroffen zijn onze Heer daar is om het lijden te dragen
om de ziekten op Zich te nemen – onze ziekten, hun ziekten.
Wij moeten niet te snel gaan doen alsof wij weten wat Gods wil is,
Want ook bij de Messias die gezonden werd, werd te snel gedacht
dat Hij niet van God kan zijn, omdat God zich niet in zo’n lijdende Man zou tonen,
Dat het kruis niet met God te maken zou kunnen hebben:
Een aanstoot voor de Grieken, een ergernis voor de Joden: zo kan God niet zijn,
Een God hoort in de hemel te zijn, onbewogen voor ons lijden,
op een veilige afstand van onze ziekten en plagen,
zodat Zijn heiligheid niet besmet zou worden.
Daarom gaat het zo diep: onze ziekten heeft Hij op zich genomen
een last die te dragen is, die niet alleen op de rug van mensen ligt,
maar ook op de rug van Gods Zoon, die onze ziekten draagt,
zoals Hij Zijn kruis droeg, wegdroeg naar buiten Jeruzalem.

De Duitse praktisch-theoloog Henning Luther,
die op 43jarige leeftijd na een ziekte overleed,

hield vlak voor zijn overlijden een lezing over de leugen van de troosters*.
Wanneer troosters niet willen inzien
dat er in het leven ook ervaringen zijn waarvoor je geen enkele zin te bedenken valt.
Troost wordt dan gegeven om zekerheid te geven, rust en vertrouwen,
maar de angst van Henning Luther was dat de zinloosheid,
waar je radeloos van kunt worden weggeduwd zou worden door te zoeken naar rust.
Zijn angst was ook dat geloof gebruikt werd om die rust te zoeken,
die hier op aarde niet te vinden is.
Natuurlijk is het waar dat er een enige troost is in leven en sterven,
namelijk dat je eigendom bent van Jezus Christus, vrijgekocht en bevrijd,
maar we zijn nog niet aangekomen in de plaats waar de eeuwige rust,
en de tocht daarna is een moeilijke tocht, vol aanvechtingen,
waarbij de radeloosheid je kan aangrijpen en onzeker kan maken.
Pas in het nieuwe Jeruzalem zal God alle tranen van onze ogen afwissen.
Tranen die er nu zijn, lijden dat gedragen moet worden,
leed dat tot diep in je ziel snijdt en als het geneest een litteken achterlaat.
Troost is dat je die pijn niet uit de weg gaat en er niet voor opzij kijkt,
maar uithoudt, er bij durft te blijven, solidair bent:
als één lid lijdt, lijden alle leden, een reden waarom het goed is om de kerken te sluiten:
om solidair te zijn met onze broeders en zusters in risicogebieden
om hun pijn te voelen en hun leed onder ogen te zien en hen te dragen in gebed,
al kennen we hen niet, nu door dit leed ook verbonden als lichaam van Christus.
Onze ziekten heeft Hij gedragen.
Ze zijn daarna niet weg gegaan, ze zijn er nog steeds.
Maar Hij heeft ze gedragen.
In het Nieuwe Testament lezen we dat Jezus de zieken die een besmettelijke ziekte had,
niet wegjoeg, maar hen aanraakte om te genezen en dan klinkt weer deze tekst:
Zodat vervuld werd wat gesproken was door de profeet Jesaja toen hij zij:
Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. (Mattheüs 8:17)
Ze zijn niet weg en toch heeft het betekenis:
Doordat Jezus ze droeg kunnen ziekten, epidemieën niet meer als een straf worden gezien,
niet als een straf van God voor onze zonden, voor die van anderen.
Want de boodschap van Jesaja is, dat die knechten die ziekten droeg is er wat gebeurt
in de relatie met God: de zonden zijn weg, de schuld voorbij, de straf gedragen.
Hij werd door God verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
Ook niet als wij getroffen worden door een virus, of als elders het virus slachtoffers maakt.
Op zich genomen, gedragen, dat betekent dat God zich ermee inlaat,
zich in risicogebied begeeft en zich niet in quarantaine begeeft om pas op te duiken
als alles voorbij is en de quarantaine is opgegeven omdat het gevaar voorbij is.
Nee, dat Christus de ziekten draagt, zoals hier voorspeld en in Mattheüs vervuld,
laat zien dat God komt, ook waar de ziekten van deze wereld zijn,
of het nu het coronavirus in Bergamo is of in de vluchtelingenkampen op Lesbos,
of het nu de ebola of malaria is, die in Afrika zoveel slachtoffers kan eisen.

Nadat op 11 september 2001 de aanslagen waren met vliegtuigen
Waarbij 2 wolkenkrabbers naar beneden stortten en er daar en elders zoveel stierven
dachten we als theologiestudenten na, samen met onze hoogleraar Dogmatiek,
Wat je over God zou kunnen zeggen.
Onze hoogleraar Jan Muis vertelde dat hij in de brokstukken van die ingestorte torens
een kruis zag afgebeeld, dat kruis werd gevormd door wat verwrongen staven.
Zo is God aanwezig, in dat lijden, als de lijdende, die ons lijden gedragen heeft,
zich met onze ziekten ingelaten heeft en inlaat, die niet in quarantaine gaat,
Afdaalt waar Hij niet wordt verwacht, aanwezig is,
waar geschreeuwd wordt waarom God dat toelaat
aanwezig is op een plek die je niet kunt rijmen met God: waarom laat U dit toe?
Dat is het antwoord dat God geeft: Ik zal er zijn, zoals Ik er altijd zijn zal.
Soms kun je het geloven en heb je dat vertrouwen,
maar geregeld zie je het pas achteraf en kun je er op dat moment aan voorbij gaan
omdat je het niet kunt zien: Wij hielden Hem echter voor een geplaagde.
en kun je het alleen maar uitroepen,
zoals het ook gebeurt in de psalm die op Jezus wordt betrokken:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten.
Bekend met ziekte, zegt Jesaja 53. Niet op een afstand, maar het ondergaan.
En ook ervaren wat voor een crisis het geeft, de diepte, de vraag of God er nog wel is,
de sterke aanvechting of God je niet in de steek gelaten heeft,
de onzekerheid of je er ooit nog uit kunt komen en of er nog een leven is.
De Man van Smarten, die ook onze smarten droeg.
Maar daar in dat lijden is Hij niet zomaar, niet alleen maar solidair – dat ook!
Maar ook om het te dragen en weg te dragen, zoals Hij dat kruis wegdroeg buiten de stad.
Dan is het een lofzang, al begrijp je wellicht Gods wegen nog niet
en toch een lofzang, omdat je in je ziekzijn, in je lijden niet alleen bent, maar Hij er is
en Hij draagt, jou, u draagt en ook jouw ziekten draagt:
Onze ziekten heeft Hij op Zich genomen en ons leed heeft Hij gedragen.
Amen

*) Henning Luther, ‘Die Lügen der Troster. Das Beunruhigende des Glaubens als Herausforderung für die Seelsorge’, Praktische Theologie 33. Jg. Heft 3, S. 163-176 (1998)

 

 

 

Preek biddag 2020 avonddienst

Preek biddag 2020 avonddienst
Schriftlezing: Lukas 18:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de Bijbel laat God zich vaak in Zijn hart kijken.
Hij laat zich kennen, ook in Zijn karakter.
Dat is bijzonder. Dat is mooi dat we ook weten hoe God is.
Stel dat we niet zouden weten hoe God was, zouden we dan nog kunnen bidden?
Dan richt je je tot God, maar dan weet je niet met wie je ten diepste te maken hebt.
Je komt tot God, maar je weet niet of je dichterbij kunt komen of dat je Hem moet vrezen.
Je weet dan niet of je van Hem kunt houden en of Hij werkelijk van jou houdt.
In de Bijbel laat God zich geregeld in Zijn hart kijken.

Wanneer iemand in zijn hart laat kijken, dan zie je hoe iemand werkelijk is.
In de gelijkenis over de rechter en die weduwe laat Jezus zien
hoe God werkelijk is, wat Gods karakter is.
Jezus doet dat met reden: met het oog daarop dat men altijd moet bidden
en niet de moed moet verliezen.
Dat is de reden waarom Jezus dat verhaal vertelt,
zodat we via dat verhaal God in Zijn hart kijken, waardoor wij steeds weer kunnen bidden,
het bidden niet opgeven en ook niet moedeloos worden,
omdat we God kennen en Zijn karakter kennen.
Het kennen van God, het weten van hoe God is, helpt ons bij het bidden
En die hulp kunnen we goed gebruiken, weet Jezus,
Want al hebben wij als volgelingen van Jezus geleerd om te bidden,
dat bidden brengen we niet altijd in praktijk.
Een belangrijke reden om ons gebed er maar bij te laten zitten is dat je de moed verliest.
Je hebt niet zoveel vertrouwen meer in God en daarom laat je het er maar wat bij zitten.
Je denkt: het heeft toch geen zin meer om ervoor te bidden,
want God doet er toch niets aan.
Biddag – mooi en aardig dat er een speciale dag is om te bidden
en om over bidden na te denken, maar je moet niet denken dat bidden zin heeft.
En de onderwerpen waarvoor gebeden wordt: belangrijk dat ze niet vergeten worden
en dat er aandacht aan geschonken wordt, maar geloof maar niet
dat er door er voor te bidden er iets aan veranderd wordt.

Zo zouden er best veel mensen kunnen denken, ook hier in de kerk.
Die nu nog wel in de kerk zitten, want je kunt niet zomaar je plek leeg laten,
maar dat ze er nu veel van verwachten? Nee, niet echt.

Als Jezus die moedeloosheid wil doorbreken en ons het geloof wil versterken
vertelt Hij een verhaal waarin Hij ons wil meenemen, ons iets wil laten zien.
Door dat verhaal wat Hij vertelt, wil Hij ons God in het hart laten kijken,
zodat we het weer weten: zo is God. Dat is Zijn karakter.
Tot die God kun je bidden en dat moet ik weer gaan oppakken.

In het verhaal dat Jezus vertelt gebruikt hij over een rechter die niets van God weg heeft.
Die rechter is totaal het tegenovergestelde van God:
Een rechter die God ook niet vreest, een heidense Romeinse rechter die het niet nodig vindt
om de regels van God toe te passen in zijn vonnissen.
Of een Joodse rechter die het maar overdreven vindt, voor wie het geloof niets zegt.
Daar houd je geen rekening mee, want je kunt niet overal rekening mee houden.

Die rechter maakt zich nergens druk om, behalve om zijn reputatie.
Want zijn reputatie is zijn wapen: daarmee kan hij de sterkste mensen klein krijgen
en de zwakste mensen bij voorbaat ontzag inboezemen en doen sidderen.
Hij moet zich niet laten raken door de persoonlijke omstandigheden.
Ook niet van deze vrouw.
Dat die vrouw daardoor geen eerlijk proces krijgt, deert hem niet.
Dat deze aardse rechter ooit voor de hoogste Rechter, de hemelse Rechter
rekenschap moet afleggen van welke vonnissen hij uitspreekt
deert hem niet: Hij vreest God niet.
Hij gelooft niet dat er eens een oordeel zou komen en dat hij voor God moet verschijnen.
Ook wat mensen over hem denken en welke verhalen over hem de ronde doen
– het doet hem niets en hij is er onverschillig onder.

Deze man is het tegenbeeld van God.
Stel dat onze God zo zou zijn als deze aardse rechter.
Stel dat je oneerlijk behandeld wordt – dan is het toch altijd een troost dat God het ziet
en dat Hij er later op terug komt en Zijn oordeel erover uitspreekt
en het recht zet als jij oneerlijk behandeld wordt.
In het laatste oordeel zet God alles recht.
Maar stel dat God als die aardse rechter zou zijn en dat de hemelse Rechter
net zo willekeurig en onbetrouwbaar, net zo doof en net zo onbewogen blijft
voor al onze appèls vanuit de aarde om recht gedaan te worden,
dan valt de basis van ons geloof weg.
Want die betrouwbaarheid van God en dat God uiteindelijk alles recht zet
dat is ons houvast en dat zorgt ervoor dat je bepaalde toestanden kunt uithouden,
ook als je oneerlijk behandeld bent, zonder dat er iemand voor je opkomt.
Ook als je met misbruik te maken hebt gehad, wat door anderen weggeduwd wordt.
Dan is het een troost en houvast dat je God nog hebt, die weet wat er met je gebeurde.
Jezus gebruikt juist deze onverschillige en harteloze rechter om ons te laten zien
hoe bijzonder God is en hoe bijzonder het is dat wij God mogen kennen
en in het hart mogen kijken.
God laat zich kennen en laat zich in het hart kijken.
Als wij van iemand zeggen: “Hij laat zich kennen!” dan kunnen we dat ook negatief bedoelen
Dan zijn we onaangenaam verrast, hebben we iemand van een kant leren kennen
die we niet verwacht hadden en die ons erg tegenvalt. Een teleurstelling.
Als God in Zijn hart laat kijken, dan is dat juist een bijzondere ervaring,
waardoor wij ons bemoedigd mogen weten om door te gaan met bidden.
Zo is God!
Die rechter dacht er mooi vanaf te zijn: een uitspraak en de vrouw verdwijnt.
De vrouw geeft echter niet op en blijft steeds komen.
Deze rechter die van mening is dat je je niet moet laten raken door de mensen,
Dat je niet onder de indruk moet zijn en niet moet buigen voor een bepaalde druk,
deze rechter heeft buiten deze vrouw geregeld.
Ze duikt elke dag op en steeds begint ze hem aan te spreken, tegen hem te roepen
en hem na te schreeuwen over de straat.
Deze vrouw begint hem op de zenuwen te werken, omdat ze hem steeds stalkt.
Ze dringt zich steeds agressiever op en roept hem steeds harder na.
Hij kan haar niet meer horen en toch hoort hij haar steeds,
Dat roepen kon hij nog wel verdragen, maar ze dringt zich steeds meer op.
Straks beheerst deze vrouw zich niet meer en dan valt ze hem aan
en dan loopt hij rond in de stad met allerlei blauwe plekken in zijn gezicht.
Dan zullen de praatjes over hem door de stad gaan:
Deze rechter, die zo koel en onbewogen kon zijn, had die vrouw niet in de hand.
Heel wat krachtige mensen kon hij voor zich laten buigen
en met hun zaak spelen, zoals het hem goeddacht,
maar tegen deze vrouw was hij niet opgewassen.
Hij zag het al voor zich hoe de mensen zouden gniffelen als hij langs kwam.
Hij maakte zich nooit druk om mensen en hoe er over hem gesproken werd.
Hij genoot er zelfs van zo’n reputatie te hebben.
Nu heeft hij een dilemma: als hij niets doet dan is het gedaan met zijn reputatie
omdat iedereen hem dan uitlacht, omdat hij niet tegen deze vrouw op kon.
Maar als hij wel overstag gaat, dan is het ook gedaan met zijn reputatie.
Want dan is hij toch gevoeliger voor wat mensen van hem vinden
en dan blijkt hij zich toch te laten raken door die vrouw die hem steeds lastig valt.
DAn maakt hij de afweging op welke manier hij de minste reputatieschade heeft:
Zich in het gezicht laten slaan en dan lange tijd de gevolgen op zijn gezicht meedragend
of deze vrouw gelijk geven.
Hij kiest voor het laatste in de hoop dat dit snel weer overwaait
en hem de minste reputatieschade berokkent.
Onder druk en om zijn eigen hachje te redden gaat hij overstap.
Het tegenbeeld van God – want zouden wij zo lang moeten roepen tot God?
Ja, dat staat in de Bijbel. Denk aan Psalm 13: Hoelang duurt het nog?
Hoelang zal die tijd duren dat U Uw aangezicht voor mij verbergt?
Of zoals in Openbaring de zielen onder het altaar roepen: hoe lang zal het nog duren?
Wat Christus hier leert is dat God ons niet lang laat wachten
en dat Hij maar overstag gaat om Zijn reputatie te redden
of om van het gezeur af te zijn.
Voor degenen die afgelopen zondagmiddag in de Maranathakerk waren:
Dit gedeelte is het vervolg: Jezus had uitgelegd dat Hij het Koninkrijk bracht.
We moeten niet vooruit kijken met de vraag of dat Koninkrijk nog komt,
maar wil gelooft is al in dat Koninkrijk.
Lang wachten en toch met spoed helpen – dat gaat bij God samen.
Zijn tijd is anders dan onze tijd.
Maar het is geen onverschilligheid.
Het is niet zo dat God de oren voor ons roepen afsluit en aan ons voorbij gaat.
God is niet als die rechter onbewogen en koel of afstandelijk.
We kijken God in het hart – via die rechter die laat zien hoe God niet is.
Dat betekent dat bidden zin heeft.
Altijd bidden en niet de moed opgeven – zegt Jezus.
Dat is de reden waarom Hij dit verhaal vertelt en waarom Hij dit over God deelt
en wij God in het hart mogen kijken en mogen leren kennen, zoals Hij is,
Zijn karakter: zodat we blijven bidden.
Zodat we weten dat het zin heeft, omdat de Heere wel degelijk naar onze gebeden luistert.
We kijken God in het hart – dat is er wat met bidden gebeurt.

En wij – laten wij ons ook in het hart kijken?
Het tweede verhaal dat Jezus vertelt geeft ons ook een tegenbeeld.
Zoals die Farizeeër horen we niet te zijn.
Het kan zijn dat Jezus bewust voor een Farizeeër kiest,
omdat die in die tijd bekend stonden als vroom en plichtsgetrouw.
Ook hier weer reputatie: de reputatie van een nauw en vroom leven.
Dan moeten we dat verhaal niet lezen als een sneer naar Farizeeën,
maar als een waarschuwing voor ons:
let er op, als je bidt dan kijk niet alleen jij in het hart van God,
maar dan kijkt God ook in ons hart.
Ik kan deze waarschuwing u niet voorhouden
zonder zelf ook die waarschuwing op mij te laten inwerken.
Anders zou ik net zo doen als die Farizeeër in de gelijkenis
en dan zou ik in ieder geval denken dat ik het goed doe
en dat ik geen verandering van mijn hart nodig heb.
In de Heidelberger Catechismus staat, dat alle goede werken met zonde zijn bevlekt.
In alle goede dingen die we doen zijn besmet met het virus van de zonde
en er is geen goede daad die onbesmet blijft.
Hoe zijn we als we bidden? Wat gaat er om in ons hart?
Als wij God in het hart kijken, dan krijgen we een ontroerend beeld dat ons goed doet
en dat ons bemoedigt om te blijven bidden.
Maar wat gebeurt er als Hij in ons hart kijkt? Wat ziet Hij dan?
Op zichzelf genomen is er vrij weinig mis met de Farizeeër.
Aan zijn houding kunnen we niets afleiden: dat hij staat is een normale gebedshouding.
Dat hij dat dankgebed uitspreekt hoeft ook niet verkeerd te zijn:
Het zou voor ons ook goed zijn als we de Heere danken
Dat we niet tot een crimineel geworden zijn, dat we niet oneerlijk handelen,
anderen niet benadelen. Dat mensen op ons kunnen bouwen.
Dat we onze relaties en ons huwelijk goed weten te houden.
De Farizeeër vergeet echter twee dingen
en dat zorgt ervoor dat zijn gebed laat zien wat er in zijn hart mis is.
Hij vergeet dat hij voor Gods aangezicht staat.
Alleen God bepaalt of wij anders zijn dan de crimineel die achter slot en grendels zit.
Alleen de Heere bepaalt of wij anders zijn dan de mensen die vreemd gaan
en daarmee hun huwelijk stuk maken en hun gezin en familie in verdriet achterlaten.
Zijn wij beter dan hen?
We zijn wel beter af, maar betekent het dat wij beter zijn?
De Farizeeër denkt dat hij het beter doet en daardoor beter is.
Hij doet meer dan nodig is: in plaats van één keer per jaar te vaste,
namelijk op Grote Verzoendag vast hij twee keer per week.
Hij doet het echter niet vanwege zijn eigen zonden en de zonden van de anderen,
maar om bonuspunten te hebben bij God: kijk mij het eens goed doen.
Dat is niet de reden om te vasten: vasten is nooit om jezelf te tonen, te showen,
maar is een vorm van verootmoediging: God, wees mij zondaar genadig.
Die Farizeeër staat voor Gods aangezicht – op gelijke hoogte van de tollenaar.

Wat de Farizeeër ook niet ziet, is waar hij staat en waar die tollenaar staat.
Beiden staan ze in de tempel: de ruimte waar God is en waar God werkt.
Al staat de tollenaar veraf en bijna op de grens, nog net binnen.
Hij staat wel binnen de tempel en ziet net als hij dat het offer wordt gebracht,
het offer dat de zonden moet wegnemen.

Wat de Farizeeër ook niet ziet dat wat hij is
hij dat aan de Heilige Geest heeft te danken.
Het is geen eigen prestatie, maar Gods Geest die in hem werkt
waar hij voor mag danken.
Hij kan alleen niet zien, dat in die tollenaar, die nog net in de tempel is,
ook diezelfde Heilige Geest werkt: o, God wees mij zondaar genadig.
Als wij bidden, kijkt God ons in het hart.
Omdat Hij wil weten met wie Hij te doen heeft.
Om te weten wie je echt bent en dat wat je bidt oprecht is.
Wij kunnen voor God geen vroom masker opdoen, geen mooie jas aantrekken,
niet onze reputatie bijwerken.
Als God ons echt wil hebben en ons hart wil zien zoals we werkelijk zijn,
is dat natuurlijk niet als excuus, zo van:
dit is het, mooier en beter kunnen wij het ook niet maken.
Op deze halfslachtige manier kunnen wij het alleen maar.
Hier zijn we – hiermee moet U het maar doen.
Nee, Hij wil dat we eerlijk onder ogen zien wat er met ons mis is,
Wat we nodig hebben.
Dat we niet zelf ervoor gezorgd hebben dat het eten op ons bord ligt,
dat het niet onze handigheid en vindingrijkheid is dat we werk hebben,
dat het niet onze verstandige levensstijl is dat we gezond zijn.
Dat mag allemaal meedoen, als we maar beseffen: het wordt ons gegeven.
Wij komen met lege handen, niet met een goede reputatie die we hoog willen houden.
We bidden niet om aan God te laten zien dat we het allemaal nog best doen,
maar dat we Zijn hulp, Zijn kracht, Zijn leiding en Zijn zegen nodig hebben.
Dat als God zich terugtrekt en Zijn zegen inhoudt er niets van dit alles overblijft
en we alleen nog maar kunnen roepen: hoe lang.
Dan is er van ons niets meer overgebleven dan dat onze ziel verlangt naar God
tot God zich weer laat zien.
Wij kunnen niet zonder gebed. Dat redden we niet.
We kunnen ook niet zonder geloof, dat God uitkomst zal geven.
Amen


Preek biddag 2020 morgendienst

Preek biddag 2020 morgendienst

Samen met de kinderen van CNS Looschool.
Thema: Vraag gerust!
Schriftlezing: Lukas 11:1-13 (Bijbel in Gewone Taal)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In februari was er een filmpje op Jeugdjournaal van een zekere Max.
Max is een jongen van 11 jaar die in Tilburg woont.
Al 2 jaar lang maakt hij de haven schoon van alle afval die daar rondslingert.
Hij kwam op het idee om de haven schoon te maken omdat hij tijdens het zwemmen
ontdekte hoeveel afval er in het water, in het riet en op de kant lag.
Nadat hij een tijdje bezig was, had hij een klein bootje gekregen,
zodat hij makkelijker het water op zou kunnen.
Die dag waarop het Jeugdjournaal langs komt om hem te filmen is voor een bijzondere dag:
Max weet dat er een belangrijk persoon langs komt om te kijken
hoe hij als 11jarige met dat bootje van hem de haven schoon maakt.
Hij weet niet wie er zal komen. Hij vermoedt dat de burgemeester zal komen
en dat is toch wel een belangrijk persoon: de baas van de gemeente.
Misschien heeft de burgemeester zelfs wel een minister meegenomen.
Dan komt een vrouw van de gemeente en zegt tegen Max:
‘We hebben een verrassing voor je. Weet je wie er echt komt?’
Max heeft geen idee wie er komt.
Dan vertelt de mevrouw van de gemeente: de koning komt.
Max het eerst niet geloven en dan als het nieuws tot hem doordringt
vraagt hij of hij zijn moeder mag bellen:
‘Mam, weet je wie er echt komt? De koning. Ja echt!’
Even later stapt komt de burgemeester eraan
en inderdaad de burgemeester heeft koning Willem-Alexander
en Max mag aan de koning uitleggen hoe hij met zijn bootje de haven schoonmaakt
door alle rommel uit het water te vissen.
Max had niet gevraagd om de komst van de koning.
Stel dat Max had gewild dat de koning zou komen om zijn opruimwerkzaamheden te zien
dan zou hij dat tegen zijn moeder gezegd hebben en zijn moeder zou gelachen hebben:
‘Het is belangrijk werk wat je doet, maar denk maar niet dat de koning zomaar komt.’
Hij zou een brief naar de burgemeester kunnen schrijven of naar de van de koning.
Hoeveel brieven hij ook zou schrijven en hoe hij ook actie zou voeren,
de kans was maar heel klein dat de koning zou komen als Max dat graag wilde.
Omdat het zo bijzonder is, had Max dat vast zelf niet maar niet in zijn hoofd gehaald.
Dat gaat echt niet gebeuren: dat de koning speciaal naar hem zou komen.

Dat kan de ervaring van jullie als kinderen zijn:
JeJe kunt heel wat willen en heel wat vragen,
maar zeker als kind krijg je niet altijd wat je zou willen.
Als er een bal op het dak geschoten is dan legt niet elke vader zijn werk neer
om een ladder te pakken en de bal van het dak te halen omdat jij dat vraagt.
Grote kans dat je vader zegt: ‘Even wachten.’ Of: ‘Ik kom als ik tijd heb.’
Of een juf zegt: ‘Even wachten. Ik kom zo, ik ben bezig.’
Of: ‘Eerst je vinger opsteken.’
Of je weet tijdens een training niet wat je moet doen en je loopt naar je trainer toe
en die zegt: ‘Nu even niet. Straks.’
Vraag gerust, zeggen volwassenen dan, maar als je dan iets wilt vragen,
hebben ze niet altijd de tijd om naar je vraag te luisteren.

En hoe zit het dan met de HEERE God?
Want vandaag zijn we bij elkaar in de kerk omdat het biddag is,
een speciale dag waarop we nadenken over het bidden en tijd nemen om te bidden.
Bidden is ook vragen aan God.
Wat doet de HEERE God als je een vraag aan Hem hebt?
Zal Hij zeggen: Nu even niet, want Ik heb het nu druk.
Of misschien denk je wel: Ik kan beter mijn vraag aan de HEERE God niet stellen,
want Hij is te druk voor mij.
Hij moet het Coronavirus stoppen en de zieke mensen beter maken.
Hij moet de oorlogen die er zijn beëindigen en vrede brengen.
Er is zoveel wat de HEERE God op deze wereld zou kunnen doen
en dan kom ik met mijn vraag bij Hem aan. Zou Hij naar mij willen luisteren?

Vraag gerust!
Als je een vraag hebt aan de HEERE God, die je Hem zou willen stellen,
stel die vraag dan aan Hem door te bidden, hardop of in je gedachten.
Vraag gerust, want Jezus houdt ons voor dat we alles mogen vragen.
Jezus kent Zijn hemelse Vader, kent onze Vader in de hemel,
omdat Hij zelf bij de Vader uit de hemel vandaan kwam en op aarde werd gestuurd.
Jezus geeft uitleg hoe wij kunnen bidden.
Dat is belangrijk dat je geleerd wordt om te bidden.
Bij jullie op school mogen kinderen ook zelf bidden, dan mag je naar voren komen in de klas
en dan mag je samen met andere kinderen een gebed bidden.
Als je het niet geleerd wordt om te bidden, dan weet je niet hoe je dat moet doen.
Ik sprak pas enkele jongeren over bidden.
Ik vroeg hen wat ze baden voordat ze ‘s avonds gingen slapen.
Ze gaven aan dat ze dan niet meer baden.
Als kind hadden ze dat wel gedaan.
Ze hadden een kindergebedje geleerd, een liedje, maar nu waren ze geen kind meer
en deden dat gebedje niet meer.
Ze hadden ook geen ander gebed en daarom lieten ze het maar achterwege.
Daarom is het belangrijk dat je leert om te bidden.
Dat je weet hoe je moet bidden en dat je weet wat je mag vragen aan de HEERE God.
Laat je niet tegen houden! Vraag gerust.

Jezus vertelt een verhaal om ons te leren dat je moet volhouden,
dat je niet zomaar moet opgeven, ook als je denkt dat God je niet hoort
en dat je helemaal niet moet denken: mijn vraag is niet belangrijk genoeg voor God.
Het verhaal gaat over een man, die midden in de nacht bezoek krijgt.
Dat zal niet zo vaak gebeuren dat je midden in de nacht bezoek krijgt
en dat bezoek is ook nog eens onverwacht, want de man heeft er niet op gerekend.
Anders had hij wel gezorgd dat er genoeg eten in huis is,
maar nu heeft hij een lege koelkast en voorraadkast en kan de gast niets aanbieden.
Dat is niet fijn als je een goede vriend of vriendin krijgt, die je niet vaak ziet
en dat je die vriend of vriendin niets kunt voorzetten.
Ook als het midden in de nacht is, dan maak je eten en drinken klaar
om je onverwachte gast goed te verzorgen en welkom te heten.
Het is al vervelend als je iemand mee naar huis neemt om samen te spelen
en je moeder of vader kijkt je aan en zegt: we hebben helemaal niets in huis.
Geen koek of snoep, geen eten of drinken.
En als je dan nog eens van ver komt, dan lust je wel wat.
Deze man moet daar midden in de nacht iets op verzinnen.
De winkels zijn niet open. Overal in het dorp zijn de huizen donker. Iedereen slaapt.
De man weet maar één oplossing. Hij moet naar een vriend dichtbij.
Hij gaat er gauw naar toe en staat aan de deur:
Hij doet zo zachtjes mogelijk om niet de kinderen wakker te maken.
Dan roept hij wat harder en gaat net zolang door tot zijn vriend wakker wordt
en het hoofd door het raam naar buiten steekt: Wat is er aan de hand?
Dan legt die vriend die aan de deur staat uit dat hij zijn hulp nodig heeft.
Hij heeft wat eten en drinken nodig vanwege die onverwachte gast.
Veel hoeft het niet te zijn. Als hij maar een eenvoudige maaltijd kan voorzetten.

Hoe zou die man die in zijn slaapkamer is reageren?
Zou hij zeggen: doe normaal? Weet je wel hoe laat het is? Hoe durf je?
Ik moet er morgen vroeg uit en ook mijn kinderen moeten morgen uitgeslapen zijn?
Zou hij zeggen: Sorry, ik kan je niet helpen, want ik heb alles al op slot gedaan?
Kom morgenochtend maar weer terug?
Nee, de man zal uit bed komen, naar beneden komen en de deur opendoen
en de man binnenlaten om hem wat te geven.
Een vriend laat je niet in de kou staan. Zeker niet als hij een gastheer moet zijn.
Die vriend doet open, omdat hij zijn vriend wil helpen.
Een vriend help je omdat je om hem geeft, hem niet in de steek wil laten,
niet voor schut wil laten zetten.
De man had ook om een andere reden kunnen helpen.
Hij had ook kunnen denken: Ik heb er geen zin in, maar als die vriend zo blijft roepen
is straks iedereen wakker, mijn kinderen, de buren, de hele buurt.
Wat zullen ze wel niet over mij denken als ik hem niet wilde helpen?
Nee, hij helpt omdat hij een goede vriend is.
Als wij als mensen elkaar al helpen, waarom zou God ons dan niet helpen?
Waarom zou God als we bidden (bij wijze van spreken)
de raam van Zijn slaapkamer dicht doen en zich nog eens omdraaien en zeggen:
Het komt nu niet uit. Ik heb er nu geen zin in om je te helpen, geen tijd voor.
Nee, zo zal God nooit reageren.
Altijd heeft Hij tijd. Altijd wil Hij helpen. Altijd zal Hij luisteren. Vraag gerust.

Stel dat je thuis aan het spelen bent en het is nog geen etenstijd
en je zegt tegen je vader of moeder: mag ik wat eten?
En je vader of moeder komt naar je toe en legt iets in je hand.
Je dacht dat hij of zij met een koekje of een snoepje zou komen, of iets gezonds,
maar het blijkt een steen te zijn. ‘Hier, eet maar op.’
Geen goede ouder zou dat serieus bedoelen.
Als je aan je moeder of vader vraagt als die aan het koken is: Wat eten we?
En je denkt dat er komt: lasagne, bami, bloemkool, of stiekem patat of pannenkoeken
en hij zou zeggen: chemisch afval, of iets anders giftig.
Dat zou een flauw grapje zijn en als je moeder of vader dat echt zou menen,
dan zouden we ons zorgen moeten maken over je vader of moeder.
Als je ouders al goed voor je zorgen, of in ieder geval proberen te zorgen,
dan zal de HEERE God helemaal goed voor ons zorgen.
Want wij als mensen kunnen nog wel eens iets oneerlijks hebben,
of zelfs iets gemeen, maar de HEERE is alleen maar goed
En dat zul je merken wanneer je aan Hem je vraag voorlegt.
Vraag gerust.

Op welke manier de HEERE God geeft en op welke manier Hij helpt,
dat kan anders zijn dan we zelf hadden gedacht.
Je bidt dat iemand beter mag worden en toch sterft iemand.
Je bidt dat er vrede mag komen en toch blijft er oorlog
en moeten mensen op de vlucht. Nog steeds.

Je bidt dat er overal eten en drinken zal zijn
en toch gebeuren op deze wereld rampen:
In bepaalde delen in Afrika zijn er zoveel sprinkhanen, een hele plaag.
Deze sprinkhanen eten alles op en er is straks niets meer voor de mensen over.
Er kunnen zoveel gebeden en vragen zijn, waarvan je denkt dat God ze niet hoort.
Doet Hij er niets mee. Dat weet ik niet. Ik weet alleen dat God wel onze gebeden hoort.
Op een keer waren we mijn kleine broertje vergeten toen we op vakantie waren.
We zouden naar het strand gaan,
maar hadden niet door dat hij in het vakantiehuis achterbleef.
Halverwege de rit naar het strand kwamen we erachter. We waren al een kwartier weg.
Toen we bij het huis terugkwamen, konden we hem horen.
Hij had ons wel zien weggegaan en had alleen maar kunnen roepen,
net zo lang tot er iemand hoorde.

Bij het gebed belooft God te luisteren en niet alleen te luisteren, maar ook te komen:
Denk nog even aan Max.
Hij vond het mooi dat er een burgemeester zou komen.
Daar had hij misschien ook wel aan gedacht.
Maar hij had nooit durven dromen dat de koning naar hem toe zou komen.
Zo kan de HEERE God ook naar jou toe komen en je helpen
op een onverwachte manier, een manier waarop je helemaal niet gerekend had,
Waar je helemaal niet om gevraagd had.
Zo kan God op een onverwachte manier komen. Je rekent er niet op,
je hebt er misschien niet eens om gevraagd,
of je vroeg het, maar je durfde niet geloven dat God zou luisteren en zou komen.
Jezus zegt: Vraag gerust. Want God hoort je bidden. Amen