Boekbespreking van Michael Herbst – beziehungsweise

Boekbespreking van Michael Herbst – beziehungsweise

In de afgelopen jaren zijn enkele dikke handboeken over pastoraat verschenen van Christoph Morgenthaler en Michael Klessmann (die ook nog eens een Handboek Pastorale psychologie publiceerde). Is naast deze handboeken van toonaangevende praktisch-theologen nog ruimte voor het eveneens omvangrijke boek van Michael Herbst?

NTH_602588_Beziehungsweise_RZ.indd

Laat ik meteen met de deur in huis vallen: ik ben enthousiast over dit boek!
In dit boek verwerkt Herbst namelijk zijn ervaring die hij heeft opgedaan als predikant in een kinderziekenhuis. Bovendien is dit boek doortrokken van de missionaire gedrevenheid van Herbst. Herbst promoveerde in 1980 op het proefschrift over Missionaire gemeenteopbouw in de volkskerk (4e druk in 2010). In 1996 werd hij hoogleraar Praktische theologie in Greifswald, waar hij zich onder andere bezighoudt met gemeenteopbouw, homiletiek en missionaire vraagstukken. In 2004 werd hij directeur van het Instituut voor Evangelisatie en Gemeenteopbouw in Greifswald (IEEG). (Greifswald ligt in Oost-Duitsland, een gebied dat vele Konfessionslosen telt. Missionaire bewustzijn is voor de kerk daar niet alleen een roeping, maar ook een noodzaak!)

Missio Dei
De grondslag voor het pastoraat vindt Herbst in de missio Dei. Missio Dei houdt in dat God in Christus naar ons heeft toegewend en dat God nog steeds mensen opzoekt, hen leidt, zegent, bewaart en redt. Vanuit de relatie die God met mensen heeft worden mensen opgeroepen om zorg voor elkaar te hebben. Mensen leven niet apart, maar worden geboren in relaties. Hun hele leven speelt zich af in relaties.
Pastoraat houdt in, dat er zorg gedragen wordt voor de mens in alle relaties die hij heeft: in de relatie tot God, tot zijn of haar medemensen en tot zichzelf. Vandaag de titel: beziehungsweise. De mens is zonder deze relaties tot God, de medemensen en zichzelf niet denkbaar. De band die God met mensen heeft is een van de rode lijnen in het boek. Zijn grootste kritiekpunt op vooral Klessmann en in mindere mate is dat zij de missio Dei, die op mensen is gericht en waarin mensen zijn opgenomen, toch uit het oog verliezen. Volgens Herbst is het daarom te vroeg om te zeggen, dat de Seelsorgestreit (de strijd over de vraag of pastoraat verkondigend dan wel therapeutisch moet zijn) voorbij is: de werkelijkheid en het handelen van God lijkt in de hedendaagse concepten toch onder te sneeuwen.
Voor de intermenselijke relaties is in de hedendaagse concepten volop aandacht. Morgenthaler heeft daar een belangrijke bijdrage aan geleverd door pastoraat en systematische benadering met elkaar te verbinden. Herbst neemt de sterkte kanten van de systematische benadering van harte over.

Overzicht
Het boek is opgebouwd uit twee delen: (1) grondslagen van het pastoraat: (hoofdstuk 1-6) en (2) praktijkvelden (hoofdstuk 7-12).
In de inleiding en in hoofdstuk 1 geeft Herbst de hoofdlijn van zijn pastorale concept weer aan de hand van Psalm 121 en de geschiedenis van de Emmaüsgangers.

Context
In hoofdstuk 2 schetst Herbst de huidige context waarbinnen het pastoraat zich afspeelt en gaat per onderdeel na wat pastoraat vanuit de missio Dei kan betekenen. (Het is de moeite waard om dit in aparte blogs uit te werken! Wellicht doe ik dat nog.)
We leven in economisch en sociaal risicovolle tijden (risicosamenleving). We leven in een samenleving waarin geen duidelijke kaders meer zijn en waarin individuele mensen hun eigen leven niet alleen kunnen uitstippelen, maar dat ook moeten doen. Deze keuzedwang levert ook weer de nodige keuzestress op: alles is een optie geworden en wie garandeert mij dat ik de goede keuze maak?
Mensen leven in verschillende milieus en ontworstelen zich niet zomaar aan het milieu waarin zij geboren zijn. Wie in een achterstandswijk geboren wordt, zal slechts met veel moeite slagen om op te klimmen tot de sociale elite. Wie in armoede opgroeit, kan zich zelden in zijn of haar leven ontworstelen aan die armoede. Ook al hebben wij in West-Europa een hoge levensstandaard, armoede komt nog steeds voor.
In deze tijd merken wij de neergang van de christelijke samenleving. In dit post-christelijk tijdperk kunnen wij er niet van uit gaan dat de mensen die wij spreken bekend zijn met het christelijk geloof. Ook contact over geloof en pastorale begeleiding is niet vanzelfsprekend als voorheen. (In de vorige gemeente ging ik eens mee met de Rock Solid-groep, waarbij enkele aangesloten tieners niet meer wisten wat een dominee was.)

Grondslagen
Zolang er een kerk is, wordt er al over pastoraat en pastorale begeleiding nagedacht.

In hoofstuk 3 gaat Herbst in de leer bij de concepten uit de 20e en 21e eeuw en toetst de benadering op sterke en zwakke kanten. Van cultuurprotestantisme via de dialectische theologie en therapeutisch pastoraat tot hedendaagse concepten als aandacht voor het alledaagse leven (Alltagsseelsorge) en systematische benadering.

In hoofdstuk 4 bouwt Herbst een theologische antropologie op. De mens is geplaatst in relatie tot de drie-enige God. De mens is een gevallen schepsel, die door Christus is verzoend en geroepen tot een nieuw leven. Dat leven is hier op deze aarde nog voorlopig en fragmentarisch (Henning Luther!).

In hoofdstuk 5 betoogt dat pastoraat niet is voorbehouden aan experts, maar dat pastoraat onderdeel is van de gemeente en stelt: gemeente = pastoraat. Vanuit de gemeente zijn ambtsdragers en priesters in het algemeen ambt van gelovige, experts en vrijwilligers werkzaam en zoeken anderen op. De missio Dei zendt ons uit!

Hoofdstuk 6 is een uitgebreid hoofdstuk over de kansen en de grenzen van het pastorale gesprek. Hier is aandacht voor de pastorale gespreksvoering, de opbouw van een gesprek, voor het korte gesprek in het pastoraat, voor zwijgen en bidden en pastoraat met nieuwe media en sociale netwerken.

Praktijkvelden
In hoofdstuk 7-12 schetst enkele pastorale aandachtsvelden. De hoofdstukken zijn steeds als volgt opgebouwd:
– Waarnemen
– Duiden
– Pastoraal hopen (missio Dei!) en handelen

Omdat missio Dei zich niet alleen beperkt tot het voeren van gesprekken, maar ook een diaconale kant heeft, heeft elk hoofdstuk ook inzichten over wat diaconaat in bepaalde aandachtsvelden kan betekenen.
Elk hoofdstuk wordt afgesloten met tips om verder te lezen.

In hoofdstuk 7 gaat Herbst in op schuld en vergeving in het pastoraat. Zijn waarneming is dat zonde een onbekend begrip is en dat mensen in deze postchristelijke samenleving niet meer de verbinding met God leggen. Daarnaast ziet hij veel manieren waarop mensen in deze tijd met schuld en verzoening / verzoend willen worden bezig zijn. Hij duidt de zonde als waarbij de relatie met God is verstoord. Hij een pleidooi voert voor de biecht en voor vergeving als weldaad.

In hoofdstuk 8 schetst Herbst wat pastoraat kan inhouden voor mensen die gehoorloos of doof zijn. Een bijzonder hoofdstuk, dat ook een praktische uitwerking van de missio Dei is: zoals God zich aanpaste aan mensen en bij ons gehoor zocht, zo zijn wij vanuit de missio Dei opgeroepen om ook de taal van gehoorlozen te leren, zoals gebarentaal.

Hoofdstuk 9 gaat over mensen in crisis: burn-out, depressie en mensen met suïcidale neigingen. Een hoofdstuk met veel recente inzichten uit psychiatrie, psychologie en hulpverlening.

In hoofdstuk 10, een uitgebreid hoofdstuk verwerkt Herbst zijn ervaringen als predikant in een kinderziekenhuis. Dit hoofdstuk gaat over pastoraat aan kinderen in een kinderziekenhuis. Dit boek bevat ook een excurs over de theologische betekenis van kinderen. Volgens Herbst is er in de meeste theologische antropologiën geen aandacht voor het kind (met als uitzondering: Wilfried Härle).
In het hoofdstuk heeft hij ook aandacht voor baby’s die te vroeg geboren zijn en ouders van wie het kind in een ziekenhuis is overleden en wat pastoraat in deze omstandigheden betekent.

Hoofdstuk 11 gaat over huwelijkspastoraat. Niet alleen het voorkomen van huwelijkscrises, maar ook het begeleiden in goede tijden is het doel van Herbst. In dit hoofdstuk baseert hij zich op een onderzoek van Ulf Harder, die bij Herbst is gepromoveerd op Preventie in het pastoraat – uitgewerkt in het huwelijkspastoraat.

Hoofdstuk 12 gaat in op pastoraat aan de ouderen. Herbst geeft aan, dat de ouderen niet bij voorbaat christelijk en vroom zijn. Niet elke oudere is behoeftig. Veel ouderen zijn nog volop actief. De ouderen zijn in de oorlog opgegroeid, zijn teleurgesteld in de kerk en medemensen. Het is een uitdaging voor de kerk om deze ouderen weer op te zoeken en hen te interesseren voor het christelijk geloof. Bijvoorbeeld via cursussen. Ook dat raakt aan aandachtsveld van Herbsts werk als hoogleraar Praktische theologie: hoe volwassenen het geloof (her)vinden.
Dit hoofdstuk eindigt met aandacht voor pastoraat aan dementerenden, waarbij Herbst wijst op het model van de Integrative Validation van Nicole Richard.

Kortom
Een mooi boek om te lezen en aan te raden voor iedereen die geïnteresseerd is in een pastoraal model, waarin Gods werkzaam handelen serieus genomen wordt. Een aanrader!

(Het boek nodigt uit om er meerdere blogs over te schrijven – vanwege de waardevolle inzichten. Wie weet…)

N.a.v. Michael Herbst – beziehungsweise. Grundlagen und Praxisfelder evangelischer Seelsorge (Neukirchen-Vluyn, 2012).

Advertenties

Belijdeniscatechisatie voor ouderen – deel 2: Psalm 23

Belijdeniscatechisatie voor ouderen – deel 2: Psalm 23

NB: Aan het einde van de vorige les heb ik de deelnemers de tip gegeven:
* Schaf een kistje aan om daarin bijzondere voorwerpen te verzamelen
– gedichten die uitgeknipt zijn
– Bijbelverzen die op een briefje geschreven zijn
– Kleine symbolische voorwerpen

* Schaf een schriftje aan, waarin aantekeningen worden gemaakt:
– Bijbelverzen die aanspreken
– Zinnen uit het dagboekje, waar vaker over nagedacht wordt
– Gedachten die opkomen.

Tekst
(Hardop voorlezen waarbij de andere deelnemers luisteren; daarna volgt een stilte)

1 Een psalm van David.
De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
2 Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,
Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.
3 Hij verkwikt mijn ziel,
Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid,
omwille van Zijn Naam.
4 Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood,
ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij;
Uw stok en Uw staf,
die vertroosten mij.
5 U maakt voor mij de tafel gereed
voor de ogen van mijn tegenstanders;
U zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
6 Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven.
Ik zal in het huis van de HEERE blijven
tot in lengte van dagen.

Opdracht: Schrijf voor uzelf op welke zin bij u is blijven haken

……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

Luister met elkaar naar een of meerdere bewerkingen van Psalm 23
* De Heer is mijn herder (mel. J.G. Bastiaans)
* Psalm 23 (Oude of nieuwe berijming)
* De Heer is geen herder en geen ding
* De Heere is mijn herder mij ontbreekt niets

(Een variant is: bewerkingen van Psalm 23 uit de klassieke muziek)

Vraag: welke bewerking vindt u zelf het mooist? En in welke uitvoering: mannenkoor, gemengd koor, a capella, samenzang)?

De HEERE is mijn Herder

Opdracht: Bekijk de volgende afbeeldingen. Vertel elkaar daarna van elke afbeelding wat u ziet:
– Wat valt op?
– Waar is het oog van de herder op gericht?
– Wat is de relatie tussen de herder en zijn schapen?

1. Jesus-Good-Shepherd-18
2. good-shepherd-2
3. guter-hirt

Vraag: Welke spreekt u het meest aan?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Welk beeld hebt u zelf van een herder?

……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

Hoe hebt u ervaren dat de Heere voor uw herder is?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

David weet wie zijn Herder is: de HEERE. David spreekt hier zijn Herder aan met de naam die God heeft. Zijn leven wordt niet geleid door een anonieme macht of door een bepaald lot, maar door de Heere.
Wie is de HEERE? Hij is de God van Israël, die hemel en aarde heeft gemaakt. Een andere God is er niet. In Exodus 3:14 maakt God Zijn naam bekend: Ik ben die Ik ben. God geeft daarmee aan, dat Hij altijd dezelfde zal zijn. Trouw en betrouwbaar. De naam van God geeft ook aan, dat de Heere er altijd zal zijn. Hij zal erbij zijn en staat altijd klaar. Deze naam herinnert aan het verbond dat God gesloten heeft met Israël. (Door Christus en door de doop mogen wij ook tot dat verbond behoren). De naam van God is een beschermende muur, een veilige schuilplaats.

Mij ontbreekt niets
Mij ontbreekt niets – zegt David. Hij kijkt terug op zijn leven. Of hij gaat na, hoe het nu met hem is. Dan komt hij tot deze belijdenis: door de zorg van de Heere heeft hij geen enkel gebrek.

Vraag: Hoe is dat bij u? Komt u door de zorg van de Heere ook niets tekort?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

Grazige weiden & stille wateren
Bij een herder denkt u misschien aan iemand die over de Nederlandse heidevelden trekt. Met zijn kudde op weg naar de schaapskooi. Bij grazige weiden denkt u wellicht aan de Nederlandse weiden met het groene gras. Keurig omheind, vredig, beschut door bomen. Stille wateren zijn er bij ons ook: sloten, meertjes, poelen in het bos.

palestijnse kudde
Het landschap zag er voor David anders uit. Grazige weiden zijn er alleen na regenval. Putten moesten gegraven worden. Een goede herder kende het landschap en was in staat om zijn schapen aan eten en drinken te helpen.
Het leven van een herder was bovendien niet eenvoudig. David vertelt aan koning Saul, hoe hij met leeuwen en beren heeft gevochten om zijn schapen te beschermen.

Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid – omwille van Zijn naam

Het spoor waarover gesproken wordt geeft aan dat de weg al gebaand is. Vergelijkbaar met:
a) de voor die een ploeg in de akker trekt.
b) een wandelpad dat al is uitgesleten.

wandelpad-duinen

Het spoor voor ons leven ligt al klaar. In deze psalm het beeld van de richtlijnen van de Heere, zijn wetten, opdrachten. Het is de bedoeling dat wij onder de leiding van de Heere die weg gaan.
In het Nieuwe Testament wordt krijgt dit spoor de betekenis van de navolging van Christus en geleid worden door de Heilige Geest (levensheiliging).

Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood

wandern_02

Opdracht: teken hieronder de hoogte- en dieptepunten van uw leven:

Hoogtepunt

0 ——————————————————————————– nu

Dieptepunt

Vraag: Wat was voor u de troost op de hoogte- en dieptepunten?

…………………………………………………………………………………………………………………………………………………

Hebt u ook gemerkt dat de Heere u uit de diepe dalen heeft geleid?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………

road-to-emmaus
Emmaüsgangers

voor de ogen van mijn tegenstanders

We praten niet gemakkelijk over de mensen die ons het leven zuur maken. Er kunnen mensen zijn met wie u overhoop ligt. Buren met wie u niet goed overweg kunt. Iemand die voor uw gevoel jaloers op u is. Een ex die maar blijft stalken, waardoor u zich niet meer veilig voorstelt. David kent die ervaring ook, maar ook dat de Heere hem uitnodigt om aan de tafel van de Heere te zitten. Terwijl anderen hem afkeuren, geeft de Heere hem een ereplaats aan de tafel van de Heere.

Opdracht: Bespreek met elkaar wat de betekenis is van Psalm 23
– op een geboortekaartje
– op een trouwkaart
– bij de opening van een schooljaar
– in tijden van ziekte
– bij een huwelijksjubileum
– op een rouwkaart

Preek zondagavond 9 juni 2013

Preek zondagavond 9 juni 2013
Genesis 1:1-25
Tekst: In het begin schiep God de hemel en de aarde (vers 1)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Schepping: theater van Gods heerlijkheid
Wie door deze omgeving wandelt en de tijd neemt om alles op zich in te laten werken kan onder de indruk komen van de schepping. De bomen die er mooi bij staan, de heide iets verderop, voor wie van het water houdt: het Veluwemeer. Wie daar oog voor heeft en stil bij staan, kan zomaar de ervaring hebben dat je heel dicht bij de Heere bent. Daarvoor hoef je niet eens naar de Alpen toe om te zien hoe mooi de schepping is. Al zullen degenen die wel eens in de Alpen geweest zijn en de machtige bergen gezien hebben kunnen het lied van harte meezingen:
O, Heer mijn God, wanneer ik in verwondering
de wereld zie die U hebt voortgebracht.
(…)
Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God:
hoe groot zijt Gij!
Maar we hoeven niet eens zo’n verre reis om te zien hoe mooi de schepping is. In mijn kindertijd logeerde ons gezin bij mijn opa en oma. Geregeld trokken wij er op uit in de polder om te gaan vissen. Halverwege de avond begon de zon te zakken en kreeg de zon een oranje gloed, omdat de lucht afkoelde, kwam de mist vanaf de grond opzetten, scholeksters vlogen door de lucht. Zo’n ervaring van de stilte, waarin alleen het geluid van de bomen en de vogels te horen zijn kunnen ons stil maken, stil voor God die dit alles heeft geschapen.
In de gereformeerde traditie, de traditie waartoe onze kerk behoort, is er veel aandacht geweest voor de schoonheid van de schepping, en dan vooral de schepping die laat zien hoe machtig onze God is. De wereld om ons heen spreekt van de hand van God, die dit alles heeft geschapen. Calvijn noemt onze wereld daarom: het theater van Gods heerlijkheid. De wereld is één grote opvoering (voorstelling), tot eer van God en bedoeld om ons op te roepen om mee in te stemmen met de lof voor onze God.
We zouden het zo kunnen zeggen: Wanneer wij door het bos lopen, ritselen van de bladeren door de wind en daarom fluisteren ze ons toe: zie je hoe mooi onze schepper dit alles heeft gemaakt. Als de aan het water staan, wordt de hemel weerkaatst om ons aan de Heere te herinneren. Als we aan de kust staan bij een harde storm, waarschuwt de wind ons: Maar je vergeet je schepper toch niet?

Maar de Elbe en de Donau, spreken zij ook van de grootheid en glorie van onze God? Rivieren die buiten hun oevers treden en veel inwoners van de steden die aan deze rivieren wonen duperen. Als we spreken over de schoonheid van de schepping, hoe mooi God alles geschapen heeft, moeten we dan ook niet oog hebben voor de andere kant: dat de schepping ook lang niet altijd mooi is, dat er ook een vernietigende kracht is, in een rivier die buiten de oevers treedt, een vloedgolf die huizen vernield en mensen en dieren meesleurt, en we kunnen de natuurrampen nog aanvullen: een vulkaan die uitbarst, een orkaan die huishoudt. Als wij zelf al niet de gedachte hebben, kunnen we dat wel om ons heen horen.
Wanneer wij op een rustige namiddag in de natuur zijn en ons de tijd gunnen om stil te staan, met open ogen te kijken naar Gods schepping, met open oren voor de stemmen om ons heen die getuigen van Gods grootheid, dan kunnen we Genesis 1 nog wel begrijpen, maar wanneer we beelden zien van een rivier die buiten zijn oevers treedt, en door de sterke stroming van alles meesleurt, kan Genesis 1, het bericht over de schepping, voor ons meer een idylle zijn: een mooi verhaal voor als je tijd hebt om te genieten, te recreëren, om al mijmerend je gedachten eens te laten gaan, als we onder de indruk raken, maar niet als het natuurgeweld ons verbijstert.
Als je dan niet oppast, kunnen dat twee verschillende werelden zijn, die niets meer met elkaar te maken hebben: aan de ene kant het Woord van God dat vertelt over het mooie begin, de start die paradijslijk was en aan de andere kant wat wij zien op het nieuws of soms zelf kunnen ervaren: natuurgeweld dat verbijstert en schade aanricht, waartegen niets bestand is. Je kunt door die stem in jezelf of de stemmen om je heen aan het twijfelen worden gebracht.

Als je die stemmen om je heen hoort, kun je soms ook denken dat je de enige bent die tegen zulke vragen oploopt, of dat onze generatie de eerste is die aan het twijfelen raakt over Gods macht en Gods schepping.
En toch is dat niet zo. Ook in de tijd van de Bijbel waren die vragen bekend. In Genesis 1 klinkt dat tussen de regels door, in vers 2 als er gesproken wordt over de wateren waar de Geest van God over zweeft. Dan moeten we niet denken aan het kabbelende Veluwemeer, waarover je met gemak een pleziertochtje kunt maken, maar eerder aan de rivieren in Duitsland die overstroomden en nog meer de overstromingen door dijkdoorbraken, het geweld van het water waar ons land in het verleden zo bekend mee was, het water dat opgezweept wordt en met geweld alles meesleurt.
In Israël kende men dat wilde water ook wel. In Israël waren er beddingen van beken of rivieren die in een groot deel van het jaar droog stonden, maar die na een tijd van regen vol met water stonden en konden veranderen in een kolkende stroom, alles meesleurend wat de stroom tegenkwam. Dat is de achtergrond van Genesis 1: de ervaring dat het water vernietigende kracht heeft. Water kan ook een beeld worden voor alles wat vernietigende kracht heeft, een beeld voor alles wat ons leven overhoop gooit en verwoest. Wat onze houvast onder ons wegslaat. Tegen die achtergrond moeten wij Genesis 1 lezen: in het begin schiep God de hemel en de aarde.
Wat wij ervaren is: chaos. Maar zo is het niet altijd geweest. De start was anders. En als over God als schepper wordt gesproken, wordt daarmee niet alleen de start bedoeld. God heeft de wereld niet gemaakt als een machine, die zonder Hem zou kunnen lopen. Ik heb een broer die bij een bedrijft werkt dat eiersorteermachines ontwerpt en bouwt. Het personeel reist de hele wereld over om deze machines te installeren. Dat personeel gaat vervolgens weer naar huis en komt alleen terug als er een reparatie moet plaatsvinden. Als God de aarde geschapen heeft, laat Hij haar vervolgens niet los. Nog steeds geldt Zijn zorg. In het begin: onze wereld kent een start met God. Vanaf dat moment vergezelt Hij deze wereld door de wereld te onderhouden en te regeren. Genesis 1 geeft aan: onze wereld is nooit één moment zonder onze Schepper geweest. Hij geeft niet prijs wat Zijn hand begon. Dat is een geweldige troost als de chaos op ons afkomt. Zoals we zongen in Psalm 93: de wateren kunnen hun stem verheffen, de wateren kunnen buiten de oevers treden – maar daarboven troont God en Hij heeft alles in Zijn hand.
Het begin geeft aan, dat de wereld niet zomaar is ontstaan. De wereld waarin wij leven is geen toevalsproduct. Het is een antwoord op de vraag waarom wij hier zijn. Wellicht heeft u geen idee en vraagt u zich ook af wat ons doel hier op deze aarde er is en waarom wij er zijn. Onze wereld is er, omdat God dat wilde. Door Zijn liefde. Door Zijn welbehagen. Onze wereld is een geschenk van God. Wij zijn van God, zoals onze wereld ook van God is. Zijn eigendom.

In het begin SCHIEP God de hemel en de aarde. Scheppen – het blijft behelpen om dat woord te vertalen. Wij kunnen ook spreken van iets dat door mensen geschapen is, een creatie bijvoorbeeld. Maar het woord dat hier gebruikt wordt, geeft aan dat scheppen alleen door God kan worden gedaan. In de Bijbel is er niemand anders die op deze manier schept. Geen mens, geen andere god. De wereld is het theater van Gods heerlijkheid: de schepping is een daad van God, die door niemand kan worden nagedaan en door niemand kan worden geëvenaard. Deze God is de Heere, de Vader van onze Heere Jezus Christus. Er is geen andere God. Niemand anders is het waard om gediend te worden. Andere goden halen ons weg bij de levende God. Het is altijd minder. Het is alsof het hier in hoofdstuk 1 hoofdschuddend wordt opgeschreven, denkend aan het gevolg: hoe de mens gelijk al bij God vandaan ging.

God schept een aarde. We zouden ook kunnen zeggen: God schept een land, een thuis. Voordat de mens geschapen wordt, wordt er eerst een wereld geschapen. Een plek om een thuis te hebben. Dat is de zorg van God! De schepping als een mooi bouwwerk, een veilige plaats om te wonen. De ideale boerderij. Een plaats waar de mens mag leven en niet voor zichzelf alleen leeft, maar tot eer van God. Een plaats om God, zijn Schepper, te dienen en te loven. Als priester mag hij de aarde bewerken. Zo is het bedoeld door God. Het tegenovergestelde van het leven buiten het paradijs.

En de chaos dan? In vers 2 wordt gesproken over de Geest die boven de wateren zweeft. Scheppen houdt in: scheiden. De chaos wordt van de schepping gescheiden. De chaos krijgt een grens, door God bepaald: hier mag je niet overheen. En de Geest houdt de chaos in toom en zweeft daarom erboven om de chaos in bedwang te houden. De mens is bedoeld om te leven in Gods licht, voor de dag bestemd en niet voor de nacht. Bedoeld om te leven in Gods licht, in Zijn glorie en heerlijkheid.
Als eerste wordt de hemel geschapen. Waarom? Waarom schept God een woonplaats voor Zichzelf? Om ons eraan te herinneren: we leven altijd onder een hemel. Hoever wij ook bij God vandaan zijn, zijn hemel is altijd boven ons. Al zien wij de hemel wel op een gebroken manier, zoals in het monument van Jan Wolkers. Toch: de hemel is een herinnering aan Gods trouw. De hemel van waaruit God neerdaalt om op aarde te zien. Van waaruit Hij het doet regenen over goeden en bozen.
een herinnering dat God Zijn schepping niet vergeet en ooit – op Zijn dag – vernieuwt.
Amen

Preek zondagavond 23 juni 2013

Preek zondagavond 23 juni 2013
Genesis 1:26 – 2:3

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als u God zou zijn, zou u dan de mens hebben geschapen? Dat is natuurlijk een merkwaardige vraag, omdat wij als mensen de beweegredenen van de Heere niet kunnen begrijpen. Zijn gedachten en redenen zijn voor ons te groot om te begrijpen. Het kan wel voor ons een vraag zijn: Waarom heeft God eigenlijk de mens geschapen? Zeker als we nagaan wat het gevolg is, kan deze vraag bij ons bovenkomen. Als wij het gevolg zouden weten, schepselen die tegen God ingingen, zouden wij dan dat besluit hebben genomen, dat God wél genomen heeft – het besluit om ons mensen te scheppen?
En God sprak: Laten wij mensen maken. Dat geeft al aan, dat God anders is dan wij. Hij durft het aan en nog sterker: Hij wil mensen scheppen . Zoals er in dit bericht over de schepping gesproken wordt
is de mens het hoogtepunt van de schepping die God heeft geschapen. God wilde niet alleen, dat wij mensen er waren, maar Hij had ook voor ons de bestemming om het hoogste en mooiste van de schepping te zijn. Al het andere dat God geschapen had, liet weliswaar de kracht en het uitzonderlijke handelen van God zien – zoals ik vorige keer aangaf, kan alleen God scheppen; niemand heeft de kracht, de wijsheid en de mogelijkheid om als God te scheppen – maar niets van wat God geschapen heeft, heeft de waardigheid, de status die de mens heeft.

We kunnen dat nauwelijks begrijpen als we beseffen waartoe mensen in staat zijn. De Romeinen hadden daar al een spreekwoord voor: de mens is voor de mens een wolf.
De waarheid van dat spreekwoord kunnen we geregeld bevestigd zien. We hoeven daarvoor alleen maar het nieuws te volgen of wellicht hebt u dat zelf wel meegemaakt, dat er iemand is in uw omgeving die u het leven zuur maakt. Wat staat dat dan ver af van wat God zegt als Hij Zijn voornemen bekend maakt om de mens te scheppen: laten wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis. En hoever staat het niet af van het oordeel van God, de schepping – met de mensen als hoogtepunt – waar God naar keek en waarvan Hij zag dat zij goed was.
Als we Genesis 1 niet hadden, waren we wellicht nooit ertoe gekomen om de mens, om de mensen om u heen of om uzelf te zien als beeld van God. We konden dan ontroerende verhalen vertellen over steun van mensen, maar we konden ook verhalen hoe anderen ons hebben gekleineerd, hebben bedrogen, beschadigd, teleurgesteld.
Dat laat zien, dat wij in een andere wereld leven dan het paradijs, een andere wereld dan God heeft bedoeld, waarin vooral wij mensen anders zijn dan God had bedoeld.

Want in het eerste hoofdstuk wordt over ons mensen onthuld, dat God ons mensen heeft bestemd tot het hoogste van Zijn schepping. De schepping laat Gods heerlijkheid zien, verwijst naar Gods majesteit. Maar de mens is door God bestemd om meer te zijn: geschapen naar Zijn beeld. De mens is bedoeld om in de schepping ambassadeur te zijn van de Schepper. Om in de wereld die geschapen is vertegenwoordiger van God te zijn. Om met het Latijn, de taal die vroeger in de kerk veel gebruikt werd, te spreken: de mens is imago Dei. De mens is door God geschapen om op aarde het imago van God te zijn. Bedoeld om zichzelf en andere schepselen te herinneren aan de Schepper die hen in het leven heeft geroepen. Een levende en levendige herinnering aan onze Schepper. U, jij, ik, imago van God, beeld van God – dat is nogal wat!
We zien hier het oorspronkelijke concept van het kunstwerk ‘mens’ dat God heeft gemaakt en zoals hij het had bedoeld, terwijl we nu alleen nog maar de beschadigde versie kennen, vanwege de diepe scheur die de zonde heeft veroorzaakt. Wij kunnen alleen maar vanaf een afstand, vanuit onze wereld aan de zonde onderworpen, kijken naar een wereld, die van oorsprong goed, zeer goed zelfs, in Gods ogen was. Vanuit onze wereld, waarin mensen hun eigen belang voorop stellen een examenklas als geheel op de hoogte is van een diefstal van een examen, terwijl ze daardoor het risico liepen dat over heel Nederland de examens ongeldig werden verklaard. Vanuit onze wereld waarin een vader zijn kinderen doodt, een moeder haar kind te vondeling kan leggen. Het zijn extreme voorbeelden, maar wel voorbeelden die bij ons vragen oproepen: wat is er van de mens geworden? En: waarom heeft God er niet vanaf gezien om de mens te scheppen en een plaats, zelfs de hoogste plaats in Zijn schepping te bieden.
De eer en de waardigheid gegeven om Zijn beeld te dragen, Zijn imago te zijn? Vol verwondering zingt David in Psalm 8: Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de engelen en hem met eer en glorie gekroond. David kent ook de vraag: waarom hebt Gij de mens geschapen? Waarom bent U nog steeds met hem bezig en laat U hem niet los? Het enige antwoord is, dat God dat als onze taak, onze roeping zag in de schepping, die Hij gemaakt heeft. God sprak: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.
Waar we cynisch kunnen worden als we letten op waartoe de mens in staat is, worden wij herinnerd aan ons oorspronkelijke doel: de ambassadeur van God te zijn voor onze medemens en voor de medeschepselen, voor de dieren, de vogels en de vissen, voor heel de aarde. Niet omdat God het niet alleen af kon, maar omdat God er vreugde in beleefde, er welbehagen in had, de mens deze plaats te geven in de schepping – hem te kronen met eer en glorie. Omdat de schepping in Gods ogen niet af was als de mens er niet zou zijn.
Aan het einde van deze scheppingsdagen, als aan de mensen en aan de dieren alles is gegeven wat zij nodig hebben, klinkt het oordeel over het geheel van de schepping: het was zeer goed. In vers 31 wordt er opeens een kleine verandering in het refrein aangebracht het refrein van en God zag dat het goed was.
Het is nu niet meer God die zag dat het goed was, zeer goed zelfs, maar het klinkt als een oproep: zie! Het is een oproep voor ons, die Genesis 1 lezen en de verkondiging over dit gedeelte horen. Zie! Sta erbij stil! Neem de tijd om het op je te laten inwerken, dat de hele schepping zeer goed is. In Gods ogen en dat wij als schepselen van God niet anders dan dat kunnen beamen: ja, inderdaad, de werken van Gods handen zijn goed, hebben een schoonheid die nergens elders te vinden is, hebben een perfectie die niet te evenaren, zijn doortrokken van de goedheid van God zelf. Inclusief de mens. Nu alles zeer goed is, zijn hemel en aarde voltooid. Af. Er hoeft niets aan te worden toegevoegd.

God kan rusten. Een rust die niet bedoeld is voor God om uit te blazen, maar een rust die bedoeld is om te genieten, omdat de schepping mooi is, schoon, met een mooie taak voor de mens, waarbij God te tijd neemt om te zien, hoe de mens het doet, niet met het wantrouwen waarmee wij het zouden gadeslaan, maar vol betrokkenheid, omdat God de mens had geschapen om tot een zegen voor Zijn schepping te zijn. God neemt rust om te zien hoe de schepping Zijn zegen opneemt. Deze rust is voor ons bedoeld als een zegen, rust gevuld met Gods aanwezigheid, maar ook een rust die ons de adem beneemt omdat we weten wat er volgt en dat het al vrij snel gedaan is met de rust. Omdat wij als mensen niet konden rusten zoals God deed, maar wilden worden als Hij. De rust van God werd wreed verstoord en daarom is het ook de laatste keer dat er geschreven staat dat God rust. Sindsdien geldt wat er staat in Psalm 121: Israëls wachter sluimert niet en slaapt niet.
Voor ons is de sabbat nodig om op krachten te komen, wij hebben een rustdag nodig om bij te komen en in ons drukke bestaan één dag van de week toch tijd voor God te hebben. Dat heeft God niet nodig en Hij zal pas rusten als de eeuwige sabbat is gekomen, waarin Zijn kinderen in de eeuwige rust gekomen zijn. God zag dat het goed was en God rustte.

Ik heb daarmee een heel stuk overgeslagen, waarin gesproken wordt over het heersen. Dat hoort er wel bij – bij het uitdragen van Gods beeld, bij het zijn van Gods imago. Dat heersen is geen plunderen van de aarde. Dar heersen is geen vrijbrief om de aarde uit te buiten, om dieren wreed te behandelen. Integendeel. Hoe zouden wij dan Gods imago kunnen zijn? Zou God dieren laten creperen? Hun territoria verwoesten? Zou door Gods regering dieren met het uitsterven bedreigd worden? Dat heersen heeft een andere betekenis. Niet zoals een dictator doet, alleen maar uit eigen belang, maar zoals een goede onderkoning dat doet, denkend aan de belangen van zijn Heer, zo is de mens geroepen om zijn Heer te dienen. Dat houdt dus in: goed verzorgen, als een goede herder, als een goede boer.
Dat houdt ook in: de schepping beschermen tegen de duisternis, de chaos die de schepping kan bedreigen. Kunnen wij als mensen dan de chaos in de wereld in toom houden? Kunnen wij voorkomen dat dieren voor elkaar tot een prooi zijn en elkaar opeten? Kunnen wij voorkomen dat dieren uit zullen sterven? Dat heersen wijst ook op ons gedrag.
In de tijd van de Bijbel was er een verband tussen het handelen van ons mensen en de orde die God in de schepping heeft gelegd. Met ons doen en laten kunnen wij die orde verstoren. De Bijbel is vol van voorbeelden. Alleen al in Genesis:
– Kaïn die niet meer de volledige oogst kan binnenhalen, omdat de aarde het bloed van zijn broer in zich opgenomen heeft.
– Aan de vooravond van de zondvloed, de slechtheid in de harten van de mensen waardoor God niet anders kan dan de zondvloed te sturen.
– De bouw van de toren in Babel.
– De omkering van Sodom en Gomorra voor het onrecht dat zij hadden gedaan.

Aan ons mensen werd de schepping toevertrouwd als een kostbare schat, als beheersers over andermans bezittingen.
Afgelopen vrijdag was ik bij een trouwerij in een kasteel hier in de buurt. Ik sprak degene die het landgoed beheerde en vroeg hem: bent u de eigenaar. Nee, zei die man, daar ben ik nog veel te jong voor, maar ik zou het wel willen. Zo zijn we als mensen niet de eigenaar van de aarde, maar geroepen om te handelen in Gods naam. Meer had de aarde niet nodig en de Bijbel had beperkt kunnen blijven tot de eerste twee bladzijden waarop hoofdstuk 1 staat of wellicht aangevuld met enkele psalmen om Gods grootheid en glorie te bezingen.
Nu is het een andere wereld, maar niet bedoeld om een lang en glorieus verleden te verheerlijken, de goede oude tijd. Geenutopie, maar als belofte van hoe het weer zal worden. En ook als openbaring, onthulling van wat wij nog steeds zijn: imago van God.
Al is het wel een beschadigd kunstwerk, een vernielde schepping. De kunstenaar is wel God. Zoals Rembrandt zijn handtekening op een schilderij zette, en veel andere kunstenaars dat deden, zo dragen wij mensen de naam van God, als handtekening van deze Kunstenaar: kuriakè: van de Heere – als claim: Ik ben je schepper, maar ook als belofte. Ik zal de schepping weer in oorspronkelijke staat herstellen, de glans en de glorie komen terug, ook al is het beeld van God in u beschadigd of Verduisterd, het is niet weg. Niemand kan dat van ons wegnemen – want het is door God gegeven. Dat beeld van God is niet alleen weggelegd voor mensen die van goede komaf zijn. Dat beeld van God is niet alleen weggelegd voor mensen die nog krachtig zijn en kunnen werken.
Dat beeld van God zijn wij al voor wij geboren zijn, in de moederschoot als embryo, dat zijn we als we oud geworden zijn, dat zijn we nog als we crimineel worden, of eenzaam. Niemand kan ons dat beeld van God afnemen, hoezeer u of jij ook beschadigd bent. Want het is een waardigheid door God gegeven, niemand kan het afnemen. Het is een status en waardigheid van God gegeven, die ons ervoor behoedt om onze waarde te laten afhangen van wat anderen van ons vinden. Dat kan al vanaf de eerste ontmoeting, dat je bij binnenkomst al peilt: hoe kom ik over? Wat zal de ander van mij vinden? Als ik nu iets zeg, komt dat goed over? De Bijbel leert ons om met de ogen van God te kijken onszelf en niet het oordeel over ons te laten afhangen van de mensen om ons heen. Want God heeft aan u en aan jou een status, een waardigheid gegeven, die niemand je af kan nemen. Het is niet voorbehouden aan mensen, die geboren zijn in een gegoede familie, het is niet voorbehouden Aan hen die goed kunnen leren, aan hen die gezond of sterk zijn, niet aan een bepaald ras of volk
– al kunnen we zeggen dat het volk Israël in het bijzonder deze roeping heeft – Ook voor mensen, die een beperking hebben, die op het Kooiveen wonen, op een zorgboerderij werken. Misschien vertonen zij nog wel meer Gods beeld dan wij.

Omdat ieder van ons beeld van God is, ons aan God herinnert, moeten we zorgvuldig zijn met het leven van de ander. Ook onze vijand is beeld van God, ook degene die u kapot maakt is beeld van God – al is hij of zij er wel heel ver van verwijderd en besmeurt men het imago.
Voor God gelijk.
Beeld van God: het is een opdracht om het beeld van God uit te dragen. Als God ons een opdracht geeft, geeft Hij ook Zijn kracht deze opdracht te kunnen vervullen.

amen

Als een hulpe tegenover hem

Als een hulpe tegenover hem

Komende zondagavond ga ik in de avonddienst verder met de serie over Genesis. Aan de orde is Genesis 2:4-25.
Afgelopen zondag gaf ik aan dat God de mens naar Zijn beeld geschapen heeft om tot zegen van de medemensen en medeschepselen te zijn. Geroepen om als ambassadeur van de Schepper op de aarde te handelen.
Komende zondag gaat het opnieuw over de schepping van de mens. Opnieuw mag duidelijk worden dat de mensen bedoeld zijn om elkaar tot zegen en tot steun te zijn. Dit keer wordt dat uitgewerkt aan de hand van het geschenk van het huwelijk. De tekst zal vers 18 zijn: Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem.

Enkele jaren geleden was ik door een echtpaar gevraagd om aan de hand van deze tekst in hun trouwdienst te preken. Door dit verzoek kwam ik erachter dat hier een mooi beeld wordt gegeven van wat een huwelijkspartner is: een hulp tegenover. Niet een hulp die onderdanig is, maar een vrouw die de man recht in het gezicht kijkt en haar man durft te corrigeren en aan te spreken indien dat nodig is. Op die manier is de vrouw tot steun voor haar man. Zo wordt het ook in sommige vertalingen weer gegeven: die als een hulpe tegenover hem zei (Statenvertaling), als iemand tegenover hem (Herziene Statenvertaling), ik maak voor hem een hulp als zijn tegenover (Naardense Bijbel). Minder gelukkig ben ik daarom met de vertaling van de Nieuwe Bijbelvertaling: als een helper die bij hem past.

Omgekeerd vertelt de Schrift op deze plaats niets over de taak van de man. Dat wil niet zeggen dat de man geen taak heeft binnen het huwelijk. Maar wellicht komt het overeen met wat ik vaak zie: dat de vrouwen in het huwelijk vaak ‘verder’ zijn dan hun echtgenoot. Zij nemen vaak de beslissingen. Zij zetten vaak als eerst stappen op de weg van het geloof. Ik kom geregeld tegen dat van een echtpaar dat nog geen belijdenis heeft gedaan de vrouw eigenlijk wel wil, maar de man er nog niet aan toe is. Wellicht is ook hier de taak van de vrouw om een hulp tegenover haar man te zijn en hem uit te nodigen verder te gaan op de weg naar het belijden toe.

Belijdeniscatechisatie voor ouderen – 1

Belijdeniscatechisatie (1)

Vandaag ben ik begonnen met een belijdeniscatechisatie voor oudere gemeenteleden. Deze oudere gemeenteleden hebben om verschillende reden nog geen belijdenis gedaan. Omdat ze het idee hebben dat zij niet kunnen leren. Of zij kunnen er niet over praten. Ze waren er nog niet eerder aan toe. Of ze lazen naar eigen zeggen te weinig uit de Bijbel. Voor mij een proef om op een eenvoudigere manier belijdeniscatechisatie te geven.
Hierbij de eerste ‘les’:

Beerd Kuijlenburg (60) heeft in de kerkbode gelezen, dat er een mogelijkheid voor ouderen komt om belijdenis te gaan doen. Dat bericht houdt hem erg bezig. Hij heeft nog geen belijdenis gedaan. In zijn jonge jaren was hij niet zo met geloof bezig. Tot zijn 18e ging hij mee naar de kerk … omdat hij van zijn ouders moest. Jarenlang is hij chauffeur geweest. Hij was vaak lange dagen weg van huis. Tijd om de Bijbel te lezen had hij niet. Maar tijdens de ritten had hij wel tijd om na te denken. En dat deed hij. Zo begon hij ook steeds meer over God na te denken. Hij ging weer naar de kerk. De eerste keer was het niet eenvoudig. Wat zouden de mensen wel niet van hem vinden? Dat viel alles mee. Hij voelde zich welkom. Hij werd serieuzer. Op een avond ging hij naar koor en ontdekte dat hij dat erg fijn vond. Alleen het lezen uit de Bijbel – dat kostte hem nog veel moeite. Hij hoopte ooit een belijdenis te doen. Maar vroeg zich wel af, of hij dat ooit kon doen. Want dan moest je toch ook uit de Bijbel kunnen lezen?
Op een keer raakte hij met de dominee aan de praat. Zijn predikant zei: “Beerd, laten wij eens beginnen met de liederen die jij op koor graag zingt. Vertel daar eens over!”

Vertellen waarom je gelooft is niet eenvoudig. Veel mensen hebben het gevoel dat zij dat niet kunnen. Maar vraag hen eens naar een lied en de liederen worden zo genoemd. En met volle borst worden deze liederen gezongen: bekende psalmen, liederen van Johannes de Heer, liederen die gehoord zijn tijdens de uitzendingen van Nederland Zingt.

Vraag 1: Welk lied spreekt u erg aan?

Vraag 2: Hebt u een bijzondere herinnering aan dit lied?

Vraag 3: Wat laat dit lied over de Heere zien?

Vraag 4: Kunt u een Bijbelgedeelte vinden, dat op dit lied lijkt?

Preek zondag 16 juni 2013

Preek zondag 16 juni 2013
2 Korinthe 1:8-18.
Tekst: vers 11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Meeleven
Meeleven is van groot belang. Ik hoor geregeld van gemeenteleden die genoemd worden bij de voorbeden dat zij kaarten van gemeenteleden ontvangen. Soms van gemeenteleden die zij zelf niet kennen. Door die kaarten worden ze bemoedigd: ze beseffen dat er anderen zijn die aan hen denken. Niet alleen bij moeilijke omstandigheden wordt meeleven op prijs gesteld, maar ook bij mooie gebeurtenissen, zoals een huwelijks jubileum of het behalen van het examen.
Het zou zo maar kunnen dat u vanmorgen in de kerk zit en ondertussen aan iemand anders denkt. Meeleven betekent immers dat je geregeld aan de ander denkt: hoe gaat het er mee? Zal zij het redden? Wat maakt zij nu op dit moment door?
Zeker als er zorgen zijn kunnen de gedachten helemaal vol zijn met de ander, met vragen over hoe het gaat, met angst of spanning. Dat is vaak een goed teken: wie veel met een ander bezig is, heeft vaak een ruim hart. Ruim genoeg om veel aan de ander te denken, om mee te leven of mee te helpen.
Dat houdt ook in dat u de ander overal mee naar toe neemt: Tijdens een verjaardag kunnen de gedachten tijdens een gesprek zomaar afdwalen naar die ander. Of je zit nu in de kerk en omdat je stil zit, kunnen je gedachten zo de hele tijd bij die ander zijn.

Voorbede
De Heere heeft ons dan een mooi middel gegeven, om niet machteloos te zijn: de voorbede. We hebben de mogelijkheid om iemand anders in onze gebeden te gedenken en door het gebed kunnen wij een ander voor Gods troon brengen en zo onder de aandacht van de Heere brengen.
Als we die mogelijkheid niet hadden, om degenen die in onze gedachten zijn, degenen waar we ons zorgen om maken, degenen die ons dierbaar zijn, bij de Heere te brengen, hoe vaak zouden wij dan niet met lege handen staan en machteloos, niet in staat om te helpen? Dan is voorbede een uitkomst, een bijzondere weg die de Heere ons schenkt.

Voorbede voor Paulus
Ook voor de gemeente in Korinthe was het een manier om toch nog iets voor Paulus te kunnen betekenen.
De berichten over Paulus waren in Korinthe doorgedrongen. In de contacten die er waren tussen de verschillende gemeenten en tussen de verschillende medewerkers van Paulus was ook dit bericht over Paulus doorgekomen Hij beschrijft er in deze brief iets over, we kunnen het nalezen in vers 8 en 9: hij beschrijft daar hoe hij het zwaar te verduren heeft gekregen, zelfs zozeer dat hij dacht dat het einde van zijn leven was aangebroken. Hij wanhoopte aan zijn leven, Paulus dacht dat hij het er niet meer levend vanaf zou brengen.
We weten niet precies wat er zich heeft afgespeeld: Het kan zijn dat Paulus gevangen genomen was en dat hij al te horen had gekregen dat hij de gevangenis niet meer levend zou verlaten, omdat zijn doodvonnis al was uitgesproken. Of wellicht dat Paulus door een ernstige ziekte geveld was en dat hij zo ziek was dat hij niet meer verwachtte er boven op te komen.
In de gemeente van Korinthe kwam het bericht ook en ook al waren de verhoudingen tussen Paulus en de gemeente gespannen, de gelovigen in Korinthe konden maar één ding doen, het enige juiste: ze gingen op de knieën en brachten Paulus bij de Heere. Ze deden dat vanuit het geloof dat de Heere in staat was om het Paulus weer terug te brengen.
Ze geloofden dat de Heere daarvoor de macht had: God heeft immers Zijn eigen Zoon uit de dood opgewekt, dan kon Hij Paulus toch ook redden? Ook al was voor hen als mensen en ook voor Paulus de situatie hopeloos en leek het er op dat er niets meer te doen was dan af te wachten tot het bericht van Paulus’ dood hen zou bereiken en hen verslagen zou maken, want Paulus had wel veel voor de gemeente betekend.

Er is een God die hoort
Dat laat zien dat bidden niet alleen iets passiefs is, waarbij we de omstandigheden over ons heen laten komen, vanuit de gedachte dat wij ons erbij neer moeten leggen, want er is toch niets meer aan te doen. Bidden is actief: het opzoeken van de Heere, naderen voor Hem en pleiten, een beroep doen.

Het is wel een verleiding om bij bidden te denken dat het geen zin heeft.
Een collega vertelde mij dat hij eens in het ziekenhuis had gestaan bij iemand die in coma lag. Hij vroeg of hij een gebed mocht uitspreken, waarop de verpleegster antwoordde: “Dat heeft geen zin meer.” De collega antwoordde: “Maar Hij wel!”

Is het niet zo, dat we soms in vertwijfeling kunnen bidden, dat we moeten bidden, maar dat de overtuiging ontbreekt, dat de Heere hoort en de Heere nog kan ingrijpen om te veranderen. Daarom is het goed dat hier dat lied zo graag gezongen wordt: Er is een God die hoort. We hebben dat als gemeente ook nodig om dat elkaar steeds weer te herinneren: dat de Heere ook daadwerkelijk hoort en er iets mee doet.
Het voorbeeld van mijn collega hoorde ik enkele jaren geleden en heeft mij gestimuleerd om te bidden, ook waarin ik het gevoel had dat het toch geen zin meer had.

Niet kunnen bidden
Paulus had zich er al bij neergelegd dat zijn aardse weg tot een einde gekomen was. Hij dacht dat hij het niet meer zou redden. Zou hij dan zelf nog gebeden hebben om herstel of om bevrijding? Ik weet het niet, maar het zou zo maar kunnen dat Paulus daar niet meer om gebeden had omdat hij zich er bij neer gelegd heeft. Veel vertelt Paulus niet over wat hij heeft doorgemaakt, maar wel dat het voor hem een crisis was, waarin hij alle zekerheden kwijtraakte. Alleen ontdekte hij aan het einde van die crisis dat God er is, de Heere die de doden opwekt en ook mensen kan redden van de naderende dood. Meer vertelt hij niet over de crisis die hij doormaakte.
Ik kan alleen maar proberen in te denken door vanuit de verhalen die ik hoor na te gaan hoe het voor Paulus geweest moet zijn. Dan denk aan de vrouw die te horen kreeg dat zij ernstig ziek was, een boodschap die hard aankwam en haar stuurloos en verslagen maakte. De ouderling was er al geweest en vertelde mij hoezeer het bericht haar van slag had gemaakt. De vrouw kon het niet bevatten. De ouderling vertelde mij hoezeer zij lamgeslagen was en vertelde mij ook: Zij kan niet bidden. Daarom kwam ik geregeld langs om te horen hoe het ging, maar vooral ook elke keer voor haar te bidden, zodat zij toch mocht ervaren dat er voor haar gebeden werd. Al zal ik niet de enige geweest zijn die voor haar gebeden zal hebben. Ook haar familie zal aan haar hebben gedacht in hun gebeden.
Als je zelf niet meer kunt bidden, is het een hele steun als er anderen zijn die dat wel kunnen en die dat voor je doen. Die aan je denken als ze bidden en je meenemen naar de Heere toe. Zoals Paulus dat schrijft: het is een grote steun geweest en hij is er de gemeente erg dankbaar voor. Alleen daarom al is de voorbede een noodzaak, omdat er gemeenteleden zijn die zelf niet meer in staat zijn om te bidden, die geen woorden meer hebben, die zich te machteloos voelen, te verslagen.

Redenen waarom gebed niet gaat
Er kunnen jongeren zijn, die al veel hebben meegemaakt. Misschien is deze dag wel een moeilijke dag voor je, omdat je al een hele tijd een slechte band hebt met je vader. Of je hebt al helemaal geen contact meer met hem en op deze dag wordt je eraan herinnerd. Die pijn over een vader die er niet was kunnen een belemmering zijn om te geloven dat God jouw vader wil zijn.
Misschien is het voor u wel lang geleden dat u gebeden hebt omdat u al vanaf uw kindertijd een moeizaam leven hebt, waardoor u zich afvraagt: wil God aan mij laten zien welke afstand er is tussen Hem en mij – een afstand die niet te overbruggen is.

Misschien is het al lang geleden dat er voor u gebeden is. Uw man en uw kinderen hebben niet veel meer met geloof en hebben ook het bidden opgegeven en zou u wel willen dat er iemand kwam om voor u te bidden.

Voorbede van Christus
Ik kan u zeggen dat er voor u gebeden wordt. Wellicht niet hier op aarde, maar dan wel in de hemel. Paulus geeft dat hier in dit gedeelte niet aan, omdat hij hier de gemeente bedankt voor hun gebed, maar er is niet alleen een God die hoort, er is ook Eén die voor ons bidt. De Bijbel vertelt op andere plaatsen, dat de Heere Jezus in de hemel is om voor ons te bidden.
Zoals een hogepriester vroeger het offer in het allerheiligste bracht, waar niemand mocht komen, zo brengt de Heere Jezus als hemelse hogepriester ons, ons leven, onze zorgen, onze behoeften op de heiligste plaats die er is: voor de troon van God. Er wordt dus altijd voor u en voor jou gebeden, door niemand minder dan de Heere Jezus zelf. Hij brengt u en jou allemaal voor Gods troon en onder de aandacht van de Heere: Vader, denkt u ook aan hem, aan haar. In de hemel wordt uw, jouw naam genoemd.
Calvijn beschrijft dit gebed van Christus in de hemel als een veilige haven. Waarin de gelovige rust en geborgenheid kan vinden. (Commentaar op Johannes 17). We kunnen er aan de kade liggen, om uit te rusten, niet meer bang om te hoeven vergaan, nieuwe krachten op doen, nieuwe voorraad inslaan.

Gemeenschap met Christus
In de afgelopen weken hebben we stilgestaan bij de gemeenschap met Christus: de kerk is een gemeenschap van en met de Heere Jezus. In Zijn gebed voor ons kunnen we zien wat die gemeenschap inhoudt, wat de Heere zelf doet in die gemeenschap. Verbonden zijn met Hem houdt dus in dat Hij voor ons bidt.
Door de Heere Jezus zijn we ook gemeenschap met elkaar. Omdat de Heere voor ons bidt, bidden wij voor elkaar worden wij opgeroepen en opgedragen om voor elkaar te bidden. Door voor elkaar te bidden gaan we op de Heere Jezus lijken, worden we zoals Hem. Wij missen Zijn kracht, maar we kunnen anderen wel bij Hem in die veilige haven brengen. We gunnen die veilige haven ook aan anderen. In die veilige haven kunnen we niet alleen aan onszelf denken.
Als de Heere Jezus voor ons bidt, dan kunnen we in ons gebed niet alleen aan onszelf denken. We worden ruimhartig, omdat we beseffen dat Hij voor ons bidt en we worden ruimhartig gemaakt door de Geest die ons steeds meer vormt en ervoor zorgt dat we steeds meer op de Heere Jezus gaan lijken, Zijn beeld vertonen, ook in ons gebed. Gemeentezijn maakt medeverantwoordelijk

Met de ogen van Christus
Het mooie van voorbede is ook dat gebed ons ook met nieuwe ogen leert kijken. Als we voor anderen bidden, leren wij ook door de ogen van de Heere Jezus naar hen te kijken. Als we bidden voor de zieken, dan zien we niet alleen hen als mensen die geen gezondheid hebben, maar we zien hen zoals de Heere Jezus hen zag. Hij zag hen als mens. Hij ging hen niet uit de weg, maar zocht hen op.
Door te bidden sluiten we onze ogen om ons af te zonderen, maar we ontvangen wel een scherpere blik, we leren anderen beter zien. Door onze handen te vouwen, betuigen wij onze machteloosheid: wat kunnen wij vaak weinig voor anderen doen, maar tegelijkertijd leren wij hoe wij onze handen wel uit de mouwen kunnen steken. Zijn er daarom ook geen gemeenteleden actief voor de voedselbank, in het rondbrengen van het eten, in het bezoeken van mensen die eenzaam zijn. Gebed maakt van een biddende gemeente ook een diaconale gemeente.

Voor mensen die gezond en gelukkig zijn
Omgekeerd leren wij van hoe de Heere Jezus met anderen omging ook voor ons bidden. In 1999 kwam de Reformierter Bund, een organisatie in Duitsland, met een nieuw boek over de liturgie, voor de kerkdienst. Daar gaat veel werk aan vooraf: er worden commissies ingesteld die op zoek gaan naar gebruiken bij andere kerken, in andere landen, in het verleden en die worden weer met elkaar besproken. Tijdens een van de vergaderingen deed men een eigenlijk wel onthutsende ontdekking: Er bestonden nauwelijks voorbeden voor mensen die gezond en gelukkig waren. Alle voorbeden die gevonden waren, gingen over mensen in moeilijke omstandigheden, zoals ziekte, rouw, crisis, echtscheiding, of over mensen die iets voor de boeg hadden, maar voor mensen van wie het leven zijn gangetje gaat waren er nauwelijks voorbeden. Zou de Heere Jezus hen niet opgezocht hebben, zal de Heere Jezus hen in zijn gebeden niet gedenken? (Dit voorbeeld kwam ik tegen bij Peter Bukowski)

Meewerken van God
Het was voor Paulus niet alleen bemoedigend dat er aan hem gedacht werd, dat hij niet vergeten was maar dat hij ook onder de aandacht van de Heere gebracht werd. De uitredding die Paulus mocht ervaren kon wel eens te maken hebben met de voorbede die de gemeente in Korinthe heeft gedaan. Er is een God die hoort – het is waar: God hoort ook de gebeden die wij voor een ander tot Hem opzenden. Waar Hij besloten heeft dat het beter is om iemand tot zich te nemen, kunnen wij als mensen blijkbaar de Heere op andere gedachten brengen. Wij bidden niet alleen voor onszelf, om onszelf of anderen bij de Heere te brengen. De Heere gebruikt ons gebed ook om Zijn plan met deze wereld, met ons en anderen te volbrengen.

Een vrouw van in de 80 klaagde dat ze steeds minder kon: doordat haar ogen verslechterden durfde ze niet naar buiten en haar wereldje werd steeds kleiner, vaak niet groter dan de oppervlakte van haar flat. Ze vroeg zich af waarom ze er nog was. Ze was anderen alleen maar tot last, want die moesten haar opzoeken in haar appartement.
Ja, wat moet je zo iemand als antwoord geven, waarom ze er nog is? Omdat ze in de gesprekken steeds aangaf dat ze voor anderen bad, steeds als ze aan anderen dacht, aan de zieken van de gemeente, aan haar familieleden, Dan ging ze op de knieën. “Ik lijk wel een moslim, zo vaak ga ik op de knieën,” zei ze. Ik zei tegen haar: misschien bent u er daarom nog wel, want wie neemt uw taak over als u als bidder wegvalt?

Voorbede vragen
Het gebed voor de ander is een taak voor de christelijke gemeente. Ook al dankt Paulus hier voor de voorbede die is gedaan, het gebed in Korinthe is wel in lijn met wat Paulus de gemeente heeft voorgehouden. Samen gemeente zijn betekent ook voor de ander bidden. Voor Paulus houdt dat ook in, dat hij kan vragen om voorbede: “Wilt u als gemeente voor mij bidden?” is een vraag die in zijn brieven gesteld wordt. Paulus voelt zich niet te groot om te vragen om voorbede.

Ook dat hoort bij het christenleven: niet alleen het gebed voor anderen, maar ook het vragen om voorbede aan anderen. Dat verzoek houdt namelijk in dat wij niet leven uit eigen kracht, maar dat ons leven en ons geloof ons geschonken wordt door de Heere. Zoals Paulus het in deze brief aangeeft: door uw voorbede leef ik en word ook ik er weer aan herinnert, dat God hoort en dat Hij regeert, Hij die de doden opwekt.
Daarom hebben we het gebed van de ander ook voor onszelf nodig: omdat wij ook daar steeds weer aan herinnerd moeten worden. Een gemeente bestaat niet alleen uit bidders, maar ook uit gelovigen die weten dat zij kwetsbaar en zwak zijn uit zichzelf en niet zonder die gemeenschap kunnen en daarom het gebed nodig hebben, van elkaar en van Christus!
Amen.