n.a.v. “Lila” van Marilynne Robinson

die dingen waar je het niet over wilt hebben
n.a.v. “Lila” van Marilynne Robinson

9789023994862

Er was een aansporing nodig om Lila te lezen, de recente roman van Marilynne Robinson. Nadat ik ooit enkele bladzijden van haar roman Gilead had gelezen, heb ik aan deze schrijfster geen aandacht meer besteed. Nadat ik Lila uit had, had ik nog een aansporing nodig om de roman te herlezen. Robinson mag dan wel bejubeld worden als een schrijver die veel kan en veel kan maken met haar manier van schrijven, Lila was bij de eerste lezing bij tijd en wijle erg taai. Door de manier waarop Lila denkt en reageert en door de stijl van Robinson, waarbij ze met enkele woorden vooruit grijpt of terugblikt. Ook enkele personages komen pas over de helft van het boek goed uit de verf, zoals de predikant John Ames.
Ook na de tweede keer blijf ik met de vraag zitten, wat ze als schrijver met dit boek wilde. Wilde ze de gedachtengang van Lila begrijpen en laten meevoelen of heeft ze door Lila zo in haar gedachten te volgen ook een bepaalde boodschap willen overbrengen? Of ging het haar eigenlijk ‘gewoon’ om het verhaal?

Marilynne Robinson returns to Gilead in the third book of the series, Lila.

Bij tweede lezing gaf het verhaal iets meer geheimen prijs. Het begint met een meisje dat door een zwervende vrouw, Doll, wordt weggenomen. Enige tijd later krijgt ze een vrouw bij wie Doll geregeld komt een nieuwe naam: Lila. Een de thema’s in het boek is de naamgeving. Lila weet haar eigenlijke naam niet en of de vrouw echt Doll heet, weet ze ook niet. Als ze getrouwd is, denkt ze over haar man vaak als ‘de ouwe man’.
Een ander thema dat als een rode draad door het boek verweven is, is het onder woorden brengen wat er in Lila leeft. Het verhaal begint ermee dat er een kind buiten wordt gezet, omdat ze alleen maar huilt. Omdat ze niet meer binnen mag komen, wordt ze meegenomen door Doll (die voor die tijd zich af en toe om haar bekommert, al vindt ze die zorg dan nog niet zo fijn omdat het haar vooral zeer doet). In de weken daarna zegt ze weinig en wat ze zegt, is zo grof dat de mensen die wel wat gewend zijn daar van schrikken. Doll reageert dan, dat ze blij is dat ze tenminste iets zegt en het wordt een grapje tussen hen beiden: ‘Niet vloeken!’ Ook daarna, als Doll en Lila aansluiting vinden bij een andere groep, is Lila heel zwijgzaam. Het verhaal is geschreven vanuit het perspectief van Lila en volgt haar gedachtengang grotendeels op de voet. Daardoor lijkt er in de buitenwereld weinig te gebeuren, maar het zijn wel grootse gebeurtenissen die het leven van Lila doen kantelen. Ze gaat weg uit een bordeel in St. Louis, waar ze terechtgekomen is nadat Doll is opgepakt wegens doodslag (of moord) op wat mogelijk de vader van Lila had kunnen zijn.
Op haar vlucht uit St Louis belandt ze in de buurt van Gilead en blijft daar. Als ze op een regenachtige zondagmorgen in een kerk schuilt om haar goede jurk te sparen, hoort ze John Ames, een van de predikanten van Gilead, preken. Door wat zij in zijn preken hoort (of aanvoelt), gaat ze nadenken. Na de eerste keer in de kerk geweest te zijn, besluit ze hem op te zoeken, maar stelt ze niet haar vraag. Ames reageert begripvol: ‘Volgens mij vraag je me dit omdat je erge dingen zijn overkomen, die dingen waar je het niet over wilt hebben.’ (p. 35) Door de ontmoeting met de predikant gaat ze weer aan haar verleden denken: ‘Als ze aan de predikant dacht zodat ze met andere dingen bezig zou zijn, kon ze net zo goed terugdenken aan vroeger, toen ze Doll had gehad.’ Ook woorden uit zijn preken doen haar verder nadenken. In gedachten is ze zo met hem in gesprek, dat waar ze innerlijk weken mee bezig is, direct en impulsief tegen hem zegt: ‘Ik wil gedoopt worden.’

Lila

Aan de wens om gedoopt te worden, kunnen verschillende thema’s uit het boek verbonden worden. Als ze de wens hardop uit, is het een wens om ergens bij te horen, iets te ontvangen wat zij nooit heeft gekregen wat anderen wel hebben ontvangen. De doop roept het thema afkomst op: door haar afkomst groeit ze in armoede op en is ze zo wantrouwend en gesloten. De doop is voor Lila vooral een wens om haar gedachten te beheersen.

Qua leer van de kerk is de doop ook verbonden aan de nieuwe start. In het boek vooral de behoefte om niet meer naar St Louis terug te hoeven. Hoewel dit niet aan de doop wordt gekoppeld. Wel speelt reiniging en de behoefte aan reiniging een grote rol. Via de Bijbeltekst uit Ezechiël bijvoorbeeld over de baby die weggeworpen is en door God is opgepakt. Ook na haar huwelijk gaat Lila geregeld – en vaak op zondagmorgen, maar daar heeft ze dan geen erg in omdat ze geen besef van dagen heeft – naar de rivier om zich te wassen. De eerste doop van Lila gebeurt buiten de gemeenschap, bij de keet waar zij weken verblijft. Op een keer ontdoopt ze zich door zich in de rivier grondig te wassen. De tweede doop gebeurt in de kerk.

En het boek gaat over Calvijn: ‘Ik weet net zo goed als jij wat Calvijn heeft gezegd.’ (p. 257). Hoewel zijn naam slechts een enkele keer genoemd wordt. Het verbaast mij dat zijn naam wordt genoemd: zou een dominee die zijn hele leven in dezelfde gemeente staat en die plek van zijn vader heeft overgenomen zich zo intensief met Calvijn bezig hebben gehouden? De naam Calvijn kan ook verbonden worden met de discussie over het behoud van mensen, een discussie die Ames en Boughton voeren en die door Lila wordt gevolgd. Uit wat in deze roman over Ames wordt weergegeven, komt hij niet over als een predikant die veel studeert. Eerder een predikant die op de kansel alleen maar dingen zegt die hij hoort te zeggen en in het gesprek niet verder komt dan aan te geven dat ‘het leven een groot mysterie is en dat uiteindelijk alleen de genade Gods uitsluitsel kan bieden. En Gods genade is eveneens een groot raadsel.’ Op zich een diepzinnige gedachte, maar Ames laat zelf erop volgen dat hij dit cliché als het ware zo uit zijn mouw kan schudden: ‘Je hoort vast dat ik deze woorden al heel vaak uitgesproken heb. Maar ze zijn wel waar, volgens mij.’ (p. 35) Juist daarom vraag ik me af of in het inbrengen van de naam Calvijn niet meer besloten ligt. Omdat Lila een bepaalde levensweg gaat. Omdat ze zonder duidelijke reden in Gilead blijft hangen. Omdat ze een dominee trouwt. Omdat de eerste tekst die Lila vind in de Bijbel – bij het openslaan – de tekst is die gaat over de weggeworpen baby die door God wordt opgepakt. Omdat Lila zelf een kind krijgt. Gaat het uiteindelijk niet om het mysterie van het leven, waarin God een beslissende rol speelt, om Zijn leiding – ook al is Hij op de achtergrond? Een mysterie dat net zo groot is als het mysterie van het leven en het mysterie van de genade? Niet alleen predestinatie is bij Calvijn een belangrijk thema – ook voorzienigheid: de zorg van de Vader van onze Heere Jezus Christus voor Zijn kinderen.
Zoals het in de tekst van Ezechiël staat die door Lila verscheidene keren wordt overgeschreven: Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: ‘Leef, ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef!’

Preek zondagavond 26 april 2015

Preek zondagavond 26 april 2015
Efeze 2:11-22
Tekst: vers 22.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hoe bijzonder de band die je met elkaar hebt als familie of als groep,
merk je pas als er iemand bijkomt die heel anders is,
zo anders dat hij of zij er eigenlijk niet bij past.
Stel: In een gezin zijn de kinderen op een leeftijd gekomen dat ze verkering krijgen.
De eerste die er bij komt, een meisje, past er goed tussen
en wordt zonder problemen opgenomen in het gezin, zij hoort er helemaal bij.
Maar de tweede die er bijkomt, ook een meisje, is zo heel anders.
Ze voelt niet aan wat ze wel en niet kan maken, ze kent haar plaats niet.
Als zij iets zegt, wordt het gesprek heel anders en hangt er een ongemakkelijke sfeer.
En ze bemoeit zich met zaken in het gezin, waar ze zich helemaal niet moet inlaten.
Ze is zo heel anders.
Ze komt ook uit een heel ander gezin en ze kan zich maar niet aanpassen.
De moeder in het gezin heeft haar zoon er wel eens op aangesproken:
‘Die vriendin die je hebt past helemaal niet bij ons soort mensen.
Zou je wel met haar verder gaan?’
Boos loopt de jongen weg en ze hebben het er in het gezin nooit meer over.
Maar de sfeer is sinds de komst van dat meisje zo heel anders.
De vertrouwdheid en de gezelligheid die er altijd ware, zijn weg
en bij verjaardagen en ontmoetingen als zij er bij is.
Je kunt niet alle familiezaken meer bespreken zoals voorheen.
En de band tussen de beide broers, die voorheen heel goed was, is ook veranderd.
Ze trekken niet meer zo vaak met elkaar op en spreken elkaar nauwelijks meer.
De verkering houdt stand en ze trouwen,
maar heeft blijft ongemakkelijk
en de band wordt nooit zo vertrouwd als met de eerste schoondochter.
De schoondochter die er later bij kwam, voelt ook dat zij anders is.
Tegen vriendinnen moppert ze over haar schoonfamilie:
‘Het is echt de kouwe kant. Het is dat hij contact wil houden met zijn familie.
Ik doe het voor hem, maar mij hebben ze nooit geaccepteerd.’

Wat in gezinnen gebeurt, gebeurt ook in kerken.
Eén keer heb ik dat meegemaakt als gastpredikant,
dat er gemeentelid, die nieuw in een gemeente erbij gekomen was,
zoveel spanningen opriep, ook in de dienst waarin ik voorging,
dat de gemeente verscheidene pogingen deed om de man te weren.
Het lukte niet en uiteindelijk vertrok deze persoon door een verhuizing
en de gemeente haalde opgelucht adem bij het vertrek van deze persoon.

In Efeze waren er ook spanningen, doordat er gemeenteleden bij kwamen die anders waren.
Paulus begon met zijn verkondiging in de synagoge.
Hij begon onder degenen die uit hetzelfde volk waren als hij
en ook daar in Efeze leefden met de God van Israël.
Lukas vertelt in Handelingen 19, dat er na 3 maanden spanningen kwamen,
waardoor Paulus moest uitwijken naar een school,
waar ook Efeziërs kwamen die geen Jood waren,
maar wel gingen geloven en bij de gemeente kwamen.
Uit wat we in Efeze 2:11-22 kunnen opmaken, is dat er ook spanningen waren
omdat deze twee heel verschillende groepen zo heel anders waren
en ook een heel andere achtergrond hadden.
De Joden waren opgevoed door hun ouders met de God van Israël.
Ook al woonden ze in Turkije en niet in het Beloofde Land,
ze hielden zich aan de wetten die de Heere aan Abraham en Mozes gegeven had:
ze besneden de jongetjes op de 8e dag, ze hielden zich aan de sabbat,
en zoveel mogelijk aan de andere richtlijnen die in het Oude Testament stonden.
Ze konden niet met alles meedoen in de stad Efeze,
omdat er zoveel tempels en goden waren,
en die goden bepaalden het dagelijks leven in Efeze.
Ze moesten offers brengen voor hun geloof en dat hadden ze ervoor over,
want God is een heilig God en vraagt ook heilig te leven.
Het besef van de heiligheid van God hadden ze van kindsaf aan meegrekegen
door de feesten die gevierd werden, door de preken en Bijbeluitleg in de synagoge,
door de richtlijnen in het dagelijks leven, de omgang met God die er in het gezin was.

En toen kwamen de heidenen erbij, die zo heel anders waren.
Ze misten niet alleen de besnijdenis,
maar ze hadden ook niet het besef van Gods heiligheid meegekregen.
Ze voelden niet aan, wanneer de sfeer heilig moest zijn.
Ze begrepen niet dat God een heilig God is, die je met eerbied en ontzag moet naderen.
Ze snapten maar niet, welke consequenties er zijn voor dagelijks leven als je bij God hoort.
Ze voelden maar niet aan, wat er wel en niet kon in de eredienst,
wat gepast is en wat niet
en ze hadden zo’n heel andere afkomst: ze behoorden niet tot het volk van God
dat God door alle tijden heen verzamelde, ook al woonden zij nu elders.
Het waren mensen die zo ver afstonden van God en daarom nog zo veel moesten leren.
Het werd ongemakkelijk in de gemeente,
want er was geen duidelijke scheiding meer met de wereld om hen heen.
Soms hadden ze het idee dat de mensen uit Efeze toch vooral van Efeze bleven
en niet van Jezus Christus werden in hun dagelijks leven.
Voor de gelovigen, die geen Joodse afkomst hadden, was het net andersom:
de muur die er voorheen was, door de besnijdenis, door de wetten van Mozes,
bleef voor hun gevoel nog steeds bestaan,
ze werden eerder gedoogd dan echt welkom geheten of warm opgevangen.
Alsof er een glazen muur in de gemeente bleef bestaan,
zoals in de echte tempel in Jeruzalem er een scheiding was tussen het voorhof voor de Joden en tussen de heidenen – een grens die de heidenen niet mochten passeren.
Alsof die muur onzichtbaar nog bleef bestaan, door de gemeente heen.
De Joden vonden dat de heidenen zich moesten aanpassen, maar echt begrijpen en aanvoelen wat nodig was, wat gepast was, dat zouden ze nooit kunnen.
De Efeziërs, die van ver kwamen, ze wilden wel, maar voelden dat wat ze ook deden
ze er toch nooit echt bij kwamen, echt opgenomen werden.

Om die reden begint Paulus te spreken over Christus.
Allereerst, omdat Christus door Zijn sterven de afstand heeft overbrugd.
Het klonk al door in de preek die Petrus hield op de Eerste Pinksterdag,
een bekende tekst omdat deze ook in het doopformulier is opgenomen:
Want voor u is de belofte, en voor uw kinderen – dat is voor de Joden,
die de belofte van Abraham gekregen, dat zij Gods volk zijn.
Maar Petrus ging verder:
En allen die veraf zijn – dat waren degenen die geen Joodse komaf hadden
en niet door hun geboorte tot Gods volk behoorden
Zovelen als Heere, onze God, ertoe roepen zal.
Nou, dat was in Efeze gebeurd: ze waren erbij geroepen, beide groepen.
Kijk maar in vers 17: Christus kwam in Efeze.
Niet alleen de boodschap over Christus kwam in Efeze,
in de verkondiging kwam Hij zelf.
Waar over Christus gesproken wordt, daar is Hij zelf aanwezig.
Door Hem konden ook degenen die ver weg waren – vers 13 – erbij komen,
opgenomen worden in de gemeente, opgenomen in de gemeenschap rondom Christus.
En dan is er een tweede reden, waarom Paulus spreekt over Christus.
Vanwege die muur die er in de gemeente is en de gemeente verdeelde.

Juist vanwege die muur spreekt Paulus over verzoening.
Verzoening is een woord dat heel diep gaat, aangeeft hoe een diepe kloof wordt overbrugd,
hoe een muur, die opgetrokken is – bewust of onbewust – en waar je steeds op stuit,
wordt afgebroken.
Verzoening is niet dat twee losse delen aan elkaar gelijmd worden,
want dan blijven het twee afzonderlijke delen, die altijd weer uit elkaar kunnen vallen,
omdat er een breuklijn is tussen de beide delen, afzonderlijk.
Verzoening in families, dat betekent, dat je wel bij elkaar langskomt,
maar dat het dan dat is en niet meer.
Je bent wel samen in een ruimte, maar dat is dan ook alles.
Er is niet echt een gesprek of een echte toenadering, je houdt je allebei afzijdig.
Dat is nog geen verzoening. Hooguit een wapenstilstand, een gedogen,
een noodgedwongen accepteren van elkaar, omdat je met elkaar opgescheept zit.
Verzoening is ook niet, dat de één een stap doet en zichzelf wegcijfert en opoffert.
Zoals een nieuwkomer in de familie zich maar aanpast aan de gewoonten in een familie,
maar niet het gevoel heeft zichzelf te zijn.
Zodra ze zich houdt aan de gebruiken in de familie, dezelfde taal spreekt en ze niet opvalt,
gaat het goed, als ze zich maar aanpast.
Maar dat is geen verzoening. Dat is aanpassen, inschikken.
De een doet een stap naar voren en de anderen wijken iets opzij.
Je hoort erbij, maar dat is dan ook alles. Echt onderdeel ben je niet.
Verzoening is dat twee verschillende partijen samenkomen
en er een heel nieuwe eenheid ontstaat.
Waarbij je niet alleen opgenomen wordt door de ander, maar waarbij je ook geeft.
Waarbij de ander zich opent, oprecht wil weten wie je bent,
een onderdeel van je leven laat zijn, waarbij er begrip is dat je anders bent,
maar waarbij ruimte is om je verhaal te doen, zodat de ander ervan leert
en je vanaf dat moment samen verder gaat
als familie, als gemeente.
Dat is verzoening – zoals dat in een huwelijk gebeurt:
een man en vrouw die allebei uit een heel andere familie komen
en daardoor ook vaak heel anders zijn, anders denken, anders reageren,
andere gewoonten hebben om te leven.
Loyaal en verbonden met de familie waaruit je komt
en toch samen verder.
Paulus legt in hoofdstuk 5 niet voor niets uit dat het huwelijk een manier is
om uit te leggen wat de gemeente is: samen een nieuwe eenheid vormen.
In dat hoofdstuk gaat het om de band met Christus, een eenheid met de Heer van de kerk,
met de Heer van deze wereld, de schepper van hemel en aarde,
die ons geroepen heeft tot dat nieuwe leven,
niet meer veraf, ook niet meer dichtbij. Maar er in – verenigd, tot één geheel.
Ook daar was verzoening voor nodig – door het bloed van Christus (vers 13).
Maar die verzoening werkt ook onderling:
ook onderling tussen de verschillende groepen in de gemeenten
wordt de barrière geslecht en ontstaat er een eenheid, een nieuwe gemeenschap.
Een nieuwe gemeenschap die er in Christus wordt gevormd.
In vers 15 spreekt Paulus over de nieuwe mens,
daarmee bedoelt hij dat het onderscheid tussen Jood en niet-Jood er niet meer is,
geen verschil meer in veraf of dichtbij,
maar samen verder, een nieuwe eenheid – in Christus.
Dat is ook het geheim – het gebeurt in Christus.
Het samenvoegen, de verzoening is geen mensenwerk.
Het zijn geen mensen die samen een compromis sluiten, die een stap naar elkaar doen,
elkaar ondanks de verschillen weten te winnen.
Het is Christus die de verzoening bewerkstelligt. Hij brengt niet alleen verzoening.
Hij voegt niet alleen samen en heelt de breuk die er was,
maar Hij is de verzoening. In persoon. In Hem komt het samen.
Want Hij is onze vrede, die beiden één maakt.
Hij verzoent en dat betekent dat Christus bij elkaar brengt
degenen die uit zichzelf niet bij elkaar kunnen komen, omdat er een muur tussen hen in zit.
Dat kan binnen de gemeente, maar ook binnen families.
Verzoening betekent dat de pijn die veroorzaakt is, uitgepraat kan worden,
omdat er een bereidheid is om elkaar werkelijk te zien en te horen, elkaar uit te laten spreken, omdat je met elkaar verder wilt – wat er voorheen ook misgegaan is tussen jullie.
Omdat Christus de muur heeft afgebroken en de vijandschap heeft overwonnen,
sterker nog: de vijandschap heeft meegenomen de dood in, toen Hij stierf aan het kruis.

Als de dood van Christus de onoverbrugbare kloof die er tussen God en mensen was
kon overbruggen, kan Zijn dood ook de kloof die er gekomen is tussen mensen,
die voor ons gevoel niet meer te overbruggen zijn, overbrugd worden,
kan er toenadering komen, contact, gesprek,
twee overzijden die zich schenen te vermijden worden één, een nieuwe gemeenschap,
herschapen tot de nieuwe eenheid door God.
Een nieuwe gemeenschap om Christus, waarbij je elkaar niet meer uit de weg gaat,
maar waarbij er een gezamenlijkheid is, omdat je in Christus bent
en samen nadert tot één en dezelfde God, die voor allebei een Vader is.
Een nieuw thuis bij God, waarbij het verleden niet meer een scheiding maakt,
het feit dat je uit een heel ander gezin komt niet meer telt,
omdat je nu samen een thuis hebt in Christus.
Of je eerst dichtbij was, zoals de Joden zichzelf dachten, reeds thuis bij God,
omdat God een verbond met hen gesloten had
of dat je ver weg was en een hele afstand moest overbruggen,
ik merk dat aan degenen bijvoorbeeld die niet zijn gedoopt
of die niet met de kerk zijn opgegroeid, hoe zij worstelen met de vraag
of zij wel bij God mogen horen, en wanneer en of ze ooit kwijtraken
dat ze zo weinig weten over God, en zo weinig thuis zijn in de Bijbel
en nooit de vertrouwdheid hebt omdat je de opvoeding niet hebt gehad
en daardoor een achterstand.
Dat verschil valt weg, zegt Paulus, in Christus. In Christus komt er iets nieuws.
Je bent geen vreemde meer.
Nou, er kan heel lang over heen gaan, voordat iemand opgenomen wordt
in een gemeenschap of iemand zich opgenomen voelt in een gemeenschap.
God zegt: je bent geen vreemde meer, maar er één van Mij.
Je bent niet meer ver weg en ook niet meer dichtbij – maar je bent van Mij en in Mij.
Niet meer iemand op een afstand, niet meer iemand die slechts gedoogd wordt,
maar je telt volop mee, omdat je bij Mij een thuis hebt, medeburger bent.
De openheid die mensen niet zo makkelijk hebben,
om de ander na een diepgaand conflict toch weer op te zoeken en op te nemen,
een nieuwe gemeenschap te vormen, waar de kloof is overbrugd
en wat verkeerd is gegaan vergeven is en een werkelijke verzoening plaats gevonden,
geen het-moet-maar of het-is-niet-anders, maar werkelijk bij elkaar gekomen
geen vreemde, maar iemand die een plek heeft aan de tafel.
Dat is het teken van de verzoening: als je aan elkaars tafel kunt zitten,
samen een maaltijd gebruiken, steeds weer opnieuw, genietend van elkaars aanwezigheid.
Elkaar uitnodigen op een verjaardag is een hele stap dan,
elkaar uitnodigen voor een gezamenlijke maaltijd gaan nog verder:
je stelt niet alleen je huis open, maar ook je gezin, je laat de ander echt delen.
Dat is wat God ervan maakt – een werkelijke eenheid,
waar je samen aan de tafel zit – waarbij Paulus ook aan de avondmaalstafel denkt.
Dat gaat samen op: wie samen aan de avondmaalstafel zit,
kan ook bij elkaar aan de eettafel komen
en als je samen niet aan de avondmaalstafel kunt komen,
omdat de scheur zo diep is, moet je elkaar maar eerst opzoeken aan de eettafel
en het weer proberen met elkaar, niet afgedwongen,
maar omdat er in Christus iets is gebeurd, dat uit kan groeien tot het elkaar weer vinden.
Al duurt dat soms een heel lange tijd van voorzichtige toenaderingen.
Dat wil niet zeggen, dat de toenadering ook altijd lukt.
Maar dat kan alleen als we in ons hart niet accepteren dat de kloof blijft bestaan.

Paulus heeft een reden om er zo op te hameren dat er in de gemeente een eenheid ontstaat,
om de gemeente erbij te bepalen dat God een eenheid maakt.
God heeft daar een doel mee: die nieuwe eenheid, die nieuwe gemeenschap is niet zomaar iets, maar is iets heiligs, want het is de plaats waar God woont: een heilige tempel.
God woont niet alleen in degenen die van oorsprong dichtbij waren,
Hij woont in de nieuwe gemeenschap waar die veraf waren, die er niet mee opgegroeid waren, ook hun thuis hebben gevonden.
Ook in hen woont Hij
en beiden hebben ze het nodig, dat ze verzoend worden, met God en met elkaar.
En dat gebeurt ook en God gaat verder: Hij bouwt verder
tot die nieuwe gemeenschap een plaats voor Hem is om te wonen.
Daarom werd de muur afgebroken en de vijandschap overwonnen,
zodat God de gemeente een woonplaats van God kon worden,
een plek waar God op aarde is en waar Hij woont in de mensen.

Soms moet een huis verbouwd worden.
In de vorige gemeente was er een gezin dat een oude boerderij kocht.
Het was de bedoeling dat die oude boerderij gesloopt werd
om er een nieuwe boerderij op te bouwen.
Het werd een heel lang proces, waarbij de familie in een bouwkeet moest wonen.
Ondertussen werd het gebouw afgebroken en een heel nieuwe boerderij.
Vanaf het fundament, een nieuwe constructie waar de boerderij op rustte,
en daarna de muren daarlangs opgebouwd.
Een lang proces, werk in uitvoering.
Zo is het ook met ons en met de gemeente: God werkt aan ons.
Hij breekt ons af en bouwt ons opnieuw op, vanaf het fundament,
niet meer onze afkomst als fundament, als basis, maar gebouwd op Zijn Woord, Zijn beloften,
en als stalen constructie, waar het gebouw op rust het kruis van Christus
dat heel het gebouw draagt en waarlangs ons levenshuis en de gemeente wordt opgebouwd.
Een levenslange verbouwing.
En als het af is, gaat Hijzelf er in wonen.
Het bijzondere is, dat God al tijdens de herbouw er gaat wonen.
Niet pas als het af is, maar nu al en hij werkt, en schaaft, en bouwt, en breekt af
wat de muren zijn die scheiden en bouwt nieuwe muren die dragen.
Hij maakt ons tot een woning voor Hemzelf – ongeacht onze afkomst
maakt Hij van ons een tempel, waar wij thuis zijn bij God en God in ons.
Een huis van vrede, omdat God daarin woont en wij bij God.
Heel ons leven verder wordt er aan ons, aan de gemeente gebouwt
En zo groeien wij, omdat God bouwt, omdat Hij komt wonen
en ons opneemt, niet als vreemdelingen, maar als kind aan huis,
die bij Hem aan tafel horen te zitten, omdat ze van Hem zijn
en Hij ze zo vormt, dat Hij in hen kan wonen en ze ook echt deel uitmaken
van de gemeenschap die om de tafel heen zit.
Amen

Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir

Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir

Veel (het meeste?) pastorale werk gebeurt wanneer we het niet door hebben dat we als pastor bezig zijn. Dat is een van de lessen die Eugene H. Peterson heeft moeten leren op zijn levenslange weg om pastor te zijn. Een weg die hij zelf niet heeft uitgestippeld, maar die hem grotendeels is overkomen. Door wat hij van thuis meekreeg in zijn opvoeding. Door ontmoetingen van mensen die op juiste momenten een afslag wezen. Door lange tijd van dezelfde gemeente predikant te zijn. Door zich steeds te verdiepen in Gods Woord en te zoeken hoe dat Woord van God toegepast kan worden in de Amerikaanse cultuur, de context van zijn gemeente en van hemzelf.

Eugene-Peterson

In 2011 publiceerde hij pastorale memoires over de ontdekkingen die hij deed tijdens zijn weg. Het is het verhaal van een intelligente jongen die als student eerder een toekomst ziet weggelegd als een hoogleraar of een studeerkamergeleerde. Een jongen die, zonder dat hij het zelf en zonder dat zijn omgeving het door heeft, hongert naar kennis en verdieping. Een jongen die zelf in de plaatselijke bibliotheek alle grote schrijvers ontdekt en verslindt.
De memoires van Peterson zijn geschreven in een soort verwondering dat veel stappen in zijn leven uiteindelijk hebben bijgedragen aan zijn ontwikkeling tot pastor. Peterson verwoordt dat door een dichtregel van Denise Levertov te citeren: Elke stap een aankomst (every step an arrival). Het is een verhaal van leiding in het leven, hoe God hem elke stap laat zetten om op zijn bestemming als pastor te komen. Deze regel komt uit een gedicht over een hond, die doelbewust lukraak (intently haphazard) zijn weg gaat. Lukraak, maar niet zonder doel. Dat is een samenvatting van de levensweg van Eugene H. Peterson als pastor.

51ndsDLf2uL._SY344_BO1,204,203,200_

Kindertijd
De memoires beginnen in zijn kindertijd. Zijn moeder leidde in Montana als vrouw een kleine pinkstergemeente die alleen maar uit mannen bestond. In de diensten die zij belegde, vertelde zij op een kleurrijke manier uit de Bijbel. Eugene ging altijd mee. Zijn vader deed nooit mee.
Zijn moeder hield ermee op, toen iemand haar de Bijbeltekst liet lezen over de plicht van vrouwen om te zwijgen in de samenkomsten. Daarna maakte hij in de Pinksterbeweging verschillende predikanten mee. Predikanten die het in Montana maar een paar jaar volhielden en dan een hogere roeping kregen.
Van zijn vader leerde hij een gemeenschap op te bouwen. Een eigenschap die hem van pas bleek te komen, toen hem later gevraagd werd om een gemeente te stichten. Zijn vader was slager en onderhield goede contacten met zijn klanten. Eugene hielp zijn vader in de slagerij. Als Peterson over die periode vertelt, wordt ook duidelijk dat hij heel veel verbeeldingskracht heeft. Hij ziet zichzelf als een priester die samen met zijn vader dienstdoet in het heiligdom. Als er later een predikant komt, die alleen maar bezig is met de offerdiensten uit het Oude Testament, is Eugene eerst gefascineerd. Hij haakt af als deze predikant vergeet dat offeren een smerige, bloederige aangelegenheid is.

Edom
Als middelbare scholier heeft hij een bijbaantje: ‘s nachts moet hij de planten in het stadje van water voorzien. Hij ziet ‘s morgens de zon opkomen. Op een gegeven moment heeft hij een associatie met Psalm 108: Ik wil het morgenrood wekken. Vanaf dat moment gaat de psalm bij  de nachtelijke werkzaamheden een rol spelen.  Een psalm die ook gaat over de vijanden: de Edomieten. Later in zijn periode als gemeentepredikant komt deze psalm terug. Dan leert hij om voor zijn vijanden te bidden, zoals Jezus opdraagt. Wie zal mij naar Edom leiden? bidt de psalm. Later ziet hij in, dat God hem naar Edom heeft geleid, als hij zich in de Badlands van zijn gemeente is.
Peterson gaat Semitische talen studeren en besluit door te gaan naar een seminarie in New York. Doel: hoogleraar theologie worden. Dat seminarie in New York blijkt verbonden te zijn aan een presbyteriaanse gemeente, waar Peterson ook naar toe gaat en gaat meedraaien. Het blijkt de gemeente te zijn – wat hij later ontdekt – een toonaangevende predikant: George Buttrick. Deze predikant nodigt steeds op zondagavond enkele studenten van het seminarie uit voor een gesprek. Peterson raakt betrokken bij de gemeente door het sportteam van de gemeente te coachen. Deze stap blijkt zijn aankomst als presbyteriaans predikant te zijn.
Peterson krijgt een duo-baan: docent Hebreeuws en Grieks en een aantal uur werkzaam als predikant in een gemeente. Deze stap blijkt beslissend te zijn. In plaats van het wetenschappelijke pad op te gaan, trekt de gemeente en ontdekt hij zijn roeping om predikant te worden. Een bijna voltooid proefschrift wordt vernietigd.

De ‘kerk met de gevouwen handen’
Door de presbyteriaanse kerk wordt hij gevraagd om een gemeente te stichting in een nieuwbouwwijk van Bel Air. Een suburbane omgeving waarin de mensen op en top Amerikaans zijn en volgens de American way leven en denken, zoals hijzelf ook doet. Vanaf die tijd ontdekt Peterson welke geweldige spanning en concurrentie er is tussen een American way of life en leven uit Christus. Vanaf die tijd is hij bezig om te ontdekken wat zijn taak als pastor is en waar God in de suburbania van Amerika werkt.
In Bel Air (Maryland) sticht hij samen met zijn vrouw een presbyteriaanse gemeente. De gemeente komt samen in de schuilkelder van hun huis. Deze schuilkelder was gebouwd vanwege de dreiging van de Koude Oorlog. Een van de jongeren noemt deze kerk de catacomben-kerk, een verwijzing naar de eerste christenen. (Het was in theologisch opzicht de tijd van de dood van God.)

De kerk 'met de gevouwen handen' De ‘kerk met de gevouwen handen’

In de omgeving waarin hij verkeert, zijn de psychische problemen groter dan elders in Maryland. Een psychiater nodigt de pastores, predikanten en een rabbijn uit deze omgeving uit om college te geven over psychologie en psychiatrie. Als na 2 jaar deze colleges stoppen, gaat de groep door. Ze gaan, zonder dat ze het weten, op zoek naar hun identiteit als pastor. Het is de rabbijn die hen op het juiste spoor brengt. De rabbijn brengt hen op het spoor van de 5 Megilloth.Aan elk van de grote feesten is een feestrol gekoppeld dat over het alledaagse leven gaat.  Deze 5 feestrollen helpen volgens de Joodse traditie om de grote daden van God te verbinden met het dagelijks leven. Peterson werkt deze lessen uit in Five Smooth Stones for Pastoral Work (1980). Als na jarenlang samenkomen de balans wordt opgemaakt, verwoord een van de collega-predikanten de lessen van de bijeenkomsten: ‘Ik heb geleerd om mijn gemeente te zien als een heilige gemeenschap. Dat veroorzaakte een revolutie in mijn manier van werken. Ik ging mijn gemeente met respect en waardigheid behandelen. Ik denk dat ‘heilig’ het juiste woord is.’

download

Na 3 jaar gaat de gemeente van Peterson een eigen kerkgebouw bouwen. Het wordt een bijzonder concept, anders dan de toenmalige koloniale stijl waarin de kerken in Maryland werden gebouwd, maar geënt op de na-oorlogse kerken in Europa. Dezelfde jongere gaf ook deze kerk een nieuwe bijnaam: ‘de kerk van de gevouwen handen’. Zij vond de kerk lijken op de gevouwen handen van Dürer.

Badlands
Nadat de kerk is gebouwd, komt Peterson onverwachts in een crisis. Omdat hij de American way of life begint te ontdekken. Verschillende gemeenteleden haken af, omdat er nu geen doel meer is. Een Amerikaan moet een doel hebben, en anders trekt hij het niet. En Peterson raakt zelf in vertwijfeling. Moet hij de gemeente verlaten en gaan richten op een nieuw (gemeente- of kerk)bouwplan? Hij besluit te blijven. Het is geen gemakkelijke periode: een periode van 6 jaar, die hij de Badlands noemt.

volcanic-decor

Verwijzend naar het stukje Amerika waar hij steeds doorheen gaat met zijn gezin, op weg naar het Montana van zijn ouders. Op een gegeven moment ontdekt hij dat de natuurlijke Badlands hun schoonheid hebben en ontdekt hij ook dat de geestelijke Badlands hun schoonheid hebben. Ze zijn vormend voor zijn bezigzijn als pastor.
In deze fase leert hij namelijk stil-zitten, zoals een labradorpup de opdracht krijgt om te zitten en alleen maar mag weglopen als de baas dat aangeeft. Hij leert om te zien dat kerkzijn niet afhangt van menselijke activiteit, maar dat hij moet zien waar God werkt. Een omschakeling  van een competatieve predikant (Amerikaanse cultuur!) naar een contemplatieve predikant. Een omschakeling waarbij de juiste mensen er zijn, die hem op het spoor van het gebed brengen, van Karl Barth, die hem volharding leren en de betekenis van stilte, van de sabbat, die hem leren het dagelijks werk als pastor te waarderen.

Eucharistische gastvrijheid
Ook zijn vrouw helpt hem verder. Zij heeft een tuin en ‘doet’ maar wat: niet meer dan tuinieren, haar gezin onderhouden, vriendschappen sluiten met vrouwen die worstelen met hun rol met de opkomst van het feminisme. Haar gastvrijheid wordt een eucharistische gastvrijheid. Ze laat zien dat elke maaltijd een verwijzing is naar het avondmaal. Ze leert de andere huisvrouwen in Amerika dat hun taak niet is om allerlei grootse rollen te hebben, maar een huishouwen waar een gezamenlijke maaltijd gehouden wordt en tijdens de maaltijden gesprekken waarin men zich oprecht in elkaar interesseert.

Presbycostal
Peterson is presbyteriaans predikant met een pinksterachtergrond. Hij wil geen keuze maken. Van de Pinksterbeweging heeft hij geleerd om de Schrift te leven. Van de presbyterianen leert hij dat geloven niet vandaag begint, maar dat er een gemeenschap is door alle tijden heen en over alle continenten. Van de presbyterianen leerde hij dat pastor zijn een bepaalde waardigheid en roeping inhoudt, discipline kent, aandacht voor detail, aandacht voor de nood en de pijn van anderen. Pastor-zijn is een erenaam met een roeping, een all-inclusive way of life (en niet het hebben van een godsdienstige baan.)

peterson-square

Besluit
De memoires zijn vol van bijzondere gebeurtenissen. Al lezende krijg ik de indruk dat het Peterson helemaal niet om die bijzondere gebeurtenissen gaat als zodanig. Hij is aan het ontdekken op welke wegen God zijn leven heeft geleid. Welke stappen hij zette, om op zijn bestemming als pastor te komen. Peterson heeft een grote sensitiviteit en creativiteit. Het gaat het er ook niet om dat te etaleren. Het gaat hem erom dat elke pastor leert om te kijken welke stappen God je laat zetten. Ik denk dat veel predikanten kunnen spreken over verrassende afslagen, bijzondere ontmoetingen, opmerkingen van gemeenteleden die het juiste zetje in een richting zijn. Ook zijn er talloze momenten, die God geeft en die niet worden gezien. Dan spreek ik uit eigen ervaring. Pastor-zijn is allereerst waarnemen van de kansen die God je op je pad brengt. Een all-inclusive way of life en dan niet als belasting, maar met een openheid naar God, vanuit gebed en leven in de Schrift. Een zeer waardevol en voor mij belangrijk boek.

(Sinds enige tijd heb ik gemerkt dat de boeken van Eugene H. Peterson iets voor mij zijn. Dat ging ook via een Every stap an arrival – manier. Ik las in een voetnoot bij Cornelius Plantinga, dat Eugene H. Peterson geregeld in zijn agenda FD zette. Dan had hij een gesprek met Fyodor Dostojewski. Niemand hoefde te weten dat FM geen gemeentelid was. Zijn gesprekken met FD waren niet alleen goed voor hemzelf, maar uiteindelijk ook voor de gemeente. Deze opmerking was voor mij een reden om hem eens te lezen. Every day an arrival.)

N.a.v. Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir (New York: HarperOne, 2011)


Preek zondagavond 19 april 2015

Preek zondagavond 19 april 2015
Efeze 2:1-10

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Is het wel goed om het verleden steeds op te rakelen?
Er zijn toch momenten waarop je het boek met een slecht verleden moet dichtdoen
en weer vooruit moet kijken naar de toekomst?
Geldt dat ook niet voor het leven van vóór de bekering?
Moeten we daarvan – ook binnen de kerk – niet eens zeggen:
dat ligt voorgoed achter ons en we moeten ons richten op het leven nu,
op de taken die er voor ons als gelovige in het heden zijn,
of moeten we ons niet richten op de groei in geloof die mogelijk is door de Geest
of moeten we ons niet meer bezig houden met de toekomst
die ons wacht in Gods heerlijkheid?
Moeten we dat spreken over de zonde niet eens achter ons laten,
want dat is toch niet een boodschap die ons veel vreugde brengt?
En moeten we het spreken over het oordeel van God nu niet eens laten rusten?
Want spreken over het oordeel van God maakt de mensen alleen maar bang,
terwijl het in het christelijk geloof toch over de liefde van God zou moeten gaan?

Het is goed om te kijken naar de reden waarom Paulus in zijn brief aan de gemeente van Efeze
opeens begint met de herinnering aan het verleden van de gemeenteleden,
het verleden van vóór de tijd dat de Efeziërs, aan wie Paulus deze brief schreef, tot geloof kwamen in de Heere Jezus en braken met hun oude leven.
Tot dan toe sprak Paulus over mooie dingen:
over de liefde die God tot de gemeente heeft gehad
en dat de liefde van God ook naar Efeze kwam
en dat God daar in Efeze ook een gemeente bij elkaar bracht
en nadat ze tot geloof kwamen ook bij het geloof hield door in hen te werken.
Vanaf het moment dat ze tot geloof kwamen, zijn de mensen in Efeze heel innig verbonden
met de Heere Jezus in de hemel.
Hoewel ze nog op aarde leven, hebben ze al hun plek in de hemel,
daar waar Christus Jezus is, de Voorspraak bij de hemelse Vader
(zoals dat klinkt in de woorden bij het Heilig Avondmaal).
Vanuit de hemel werkt de kracht van God in de gemeente,
om de gemeenteleden op de reis door het aardse leven te bewaren bij Christus
en hen naar de heerlijkheid te brengen,
de heerlijkheid die hen wacht en waar Christus nu al is.

Dan begint Paulus in vers 1 met het ophalen van het verleden van de gemeente
en blijkt dat verleden een inktzwarte bladzijde te zijn
en een groter contrast kan er niet gegeven worden:
eerst nog de beschrijving van de heerlijkheid in de hemel en de overweldigende macht
en de overweldigende liefde en genade van God
en dan het verleden van de gemeenteleden in Efeze.
Paulus heeft er maar één woord voor nodig en dat woord zegt alles: dood.
U was dood, schrijft Paulus.
We moeten daarbij bedenken, dat de gemeenteleden in Efeze herkenden, wat Paulus schreef.
Ze zullen bij het lezen van de brief hebben gedacht:
ja, Paulus, wat je daar schrijft, dat klopt, dat is waar.
Dat waren we ook – dood.
En ze hoeven weinig moeite te doen om die herinnering terug te halen.
Daarvoor hoefden ze helemaal niet diep te graven.
Ja, Paulus, dat is het juiste woord voor wat wij toen waren: dood.
Ze kunnen alleen maar met pijn aan dat verleden denken,
beseffend hoe leeg hun leven toen uiteindelijk was en hoe zinloos,
omdat ze zonder God leefden.
Niet dat ze zich in die tijd dood voelden, of dat ze merkten dat er iets aan de hand was.
Wanneer je toen, in de periode voor hun bekering had gevraagd of ze zich dood voelden,
hadden ze je waarschijnlijk vreemd aangekeken:
Wat bedoel je? Wat is dat voor een gekke vraag? Dood? We zijn springlevend.
We hebben alles wat we willen: onze rijkdom, een goed leven, onze goden die voor ons zorgen.
Pas toen Christus in hun leven kwam,
Toen Zijn stem in hun leven kwam en hen wegroep uit dat leven,
toen gingen hun ogen open voor het leven dat ze leidden en ze schrokken ervan.
Ze waren dood, omdat ze zonder God leefden.

Dat is ook wat de vader in de gelijkenis van de verloren zoon zei,
toen zijn zoon terugkwam tegen zijn andere zoon, de oudste zoon:
Wij zouden dan vrolijk en blij moeten zijn, want deze broer van jou was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden.
Dat leven zonder God, schrijft Paulus, aan de gemeente van Efeze
en zullen niet tegen Paulus hebben geprotesteerd,
maar hebben gezegd: Ja, Paulus zo was het
en we zijn dankbaar dat die periode achter ons ligt
en dat wij weer levend geworden zijn.

Dat leven zonder God, schrijft Paulus verder, dat gebeurde niet uit onwetendheid.
U was dood door de overtredingen en zonden.
De woorden die Paulus gebruikt, geven aan:
ze waren met volle verstand tegen de heilige God ingegaan.
Het was hun eigen keuze om niet tot de bestemming te komen waarvoor God hen had bedoeld:
namelijk een leven in dienst van de Heere, om Hem te dienen en te loven,
Hem lief te hebben met heel hun bestaan, God als Heer over hun leven.

Het was geen onwetendheid om zonder God te leven,
maar een bewust verzet tegen de levende God, de enige God die er is.
Het was de lucht die ze inademden,
maar ze aarzelden niet om mee te doen: ze lieten hun leven erdoor bepalen.
Ze wandelden erin.
Die wereld zonder God en die tegen God inging, dat was hun levenselement.
Daar hadden ze een zinvol leven, ze waren gelukkig en tevreden,
meer hadden ze niet nodig,
totdat er een andere Geest in hun leven kwam: de Heilige Geest
en hen onrustig maakte en hen liet zien
dat er veel mis was met hun leven, omdat ze tegen God ingingen,
een leeg en dood leven hadden.

Onlangs sprak ik iemand, die vertelde dat leven leven, dat dode leven te hebben meegemaakt.
Hij had economie gestudeerd en kreeg daarna een goede baan aangeboden.
Die baan lag hem goed en het kantoor waar hij werkte,
zag in hem een veelbelovende werknemer en hij maakte dat vertrouwen ook waar.
Na verloop van tijd kreeg hij steeds complexere zaken te verwerken.
Op een gegeven moment kreeg hij alle moeilijke dossiers naar zich toegeschoven.
Op jonge leeftijd klom hij snel op in het bedrijf
en al na enkele jaren na zijn studie kon hij een topfunctie in dat bedrijf krijgen.
Volgens de normen van deze wereld had hij een geslaagd leven:
een goede baan met een uitstekend salaris,
de erkenning en het vertrouwen van het bedrijf waarin hij werkte,
het uitzicht om nog verder naar de top te groeien.
Maar er gebeurde van binnen iets:
hij voelde zich leeg worden en met zijn geloof ging het hard achteruit.
Hij begon tegen bidden op te zien,
omdat hij voelde dat zijn gebed niet meer echt was
en begon daarom het bidden maar helemaal op te geven.
Het leven gevonden in deze wereld maar in het leven met Christus op een dood spoor gekomen.
Het moest anders.
We hebben het niet over Efeze 2 gehad,
maar ik denk dat hij zou beamen, dat wat Paulus over de gemeente van Efeze schreef
ook voor hem gold en dat als hij met gemeenteleden uit Efeze zou spreken,
dat hij ervaringen zou kunnen uitwisselen over die doodlopende weg.
De jongen deed het ook anders en zegde zijn baan op.
Geen makkelijke keus, omdat hij veel zekerheid opgaf, maar hij kreeg van de Heerde
de bevestiging dat hij op de goede weg was.
Niet iedereen zal die stap kunnen zetten of hoeven zetten,
maar ik denk dat die doodlopende weg niet alleen iets is uit de tijd van Paulus.
Misschien heb je zelf ook wel die ervaring dat je in een doodlopende weg zit.
Naar aardse maatstaven, volgende de normen die er in Efeze zouden gelden
en de normen die hier in Nederland, in Oldebroek gelden, doe je het goed
en je merkt misschien wel om je heen de jaloezie van anderen

die jouw positie, of jouw salaris ook wel zouden willen.
Maar je merkt, dat je positie of je salaris innerlijk geen voldoening brengen,
omdat je weggroeit bij Christus vandaan.
In deze brief benoemt Paulus een spanning, die er is tussen het leven met Christus
en het leven hier op aarde.
We zijn hier op de wereld, maar we zijn niet van de wereld.
We zijn hier wel op deze plek, maar we mogen ons niet meer laten leiden
door de normen die hier gelden in Oldebroek, in Nederland, in Europa
als die normen ons wegdrijven van Christus en ze ervoor zorgen
dat we niet meer in Hem zijn.

Daarom herinnert Paulus aan dat oude leven:
Want wie van Christus wegdrijft, komt weer in dat oude leven terecht, valt terug.
Valt terug in de dood, valt terug onder het oordeel van God.
Die donkere periode moeten we blijven herinneren – als een waarschuwing:
denk erom, we zijn nog niet in de hemel bij Christus.
Als we niet oppassen, raken we alles kwijt.
Raken we de bevrijding  kwijt uit de macht van de dood.
Raken we het echte leven kwijt dat we in Christus hadden gevonden.
Daarom dat verleden herinneren: als een waarschuwing. Dat is het eerste:
als een vermaning: een aansporing om bij Christus te blijven
en niet bij Hem vandaan te gaan.

In de afgelopen week was het 70 jaar geleden dat Oldebroek en Oosterwolde werden bevrijd.
Van gemeenteleden heb ik de verhalen gehoord, die zich nog dat konden herinneren
hoe de tanks van de geallieerden door de straten van Oldebroek en Oosterwolde kwamen.
Na een moeilijke tijd, 5 jaar oorlog, 5 weggegooide jaren
en in de maanden voor het einde van de oorlog ingrijpende gebeurtenissen

als de razzia in Oosterwolde, de beschietingen die er door de vliegtuigen waren,
de mensen uit het westen die vanwege de honger daar hier eten kwamen halen.
En dan de bevrijding: wat een opluchting moet dat zijn geweest.
We zouden protesteren als die bevrijding niet werd herdacht.
Hoewel, bepaalde onderdelen van de oorlogstijd zijn lang vergeten.
Pas in deze tijd is er volop aandacht voor de hongerwinter
die er in het westen was.

Zoals we de bevrijding van 1945 niet mogen vergeten en de bittere jaren van de oorlog,
het leed dat het Joodse volk in die jaren werd aangedaan (de Shoa)
ook niet mogen vergeten en steeds moeten blijven gedenken,
zo moeten we ook de bevrijding door God uit de macht van de zonde blijven gedenken.
Een bevrijding die nog radicaler was dan die uit 1945 (die al bijzonder was):
een bevrijding uit de dood, een opstanding uit de dood.
Toen Christus opstond uit de dood, stonden ook degenen die in Christus geloofden,
ook op uit de dood:
Ook wij die door onze overtredingen dood waren – zijn met Christus levend geworden.
Pasen gaat niet alleen over de opstanding van Jezus uit de dood,
maar gaat ook over ons: wie met Christus verbonden is, wie van Hem is,
die is ook reeds opgestaan,
heeft van God een nieuw leven ontvangen,
zoals de Heere in 1945 ook een leven in vrede en veiligheid gaf.
Hoewel daarna ook oorlog was, in Nederlands-Indië
en er geregeld er een angst was dat er een nieuwe wereldoorlog zou uitbreken – toch vrij!
In de kerk gedenken we ook die andere bevrijding:
doordat Christus de dood inging, het oordeel droeg en opstond uit de dood.
Hij deed dat voor ons
en Hij nam ons mee – het kruis op, het graf in en weer het graf uit:
met Christus levend geworden – het hadden de woorden van een lofzang kunnen zijn die Paulus opgeschreven had, een lofzang die in de gemeente gezongen werd
uit dankbaarheid.
Dat is de tweede reden om dat verleden niet te vergeten:
uit dankbaarheid voor de genade, voor de redding door Christus,
voor het nieuwe leven dat we dankzij Christus mogen ontvangen.

Er is nog een derde reden om dat verleden te blijven gedenken:
vers 10: Hij heeft ons geschapen in Christus – we zouden kunnen zeggen:
Herschapen: Hij heeft ons gemaakt tot wat we nu zijn
om de weg te gaan van de goede daden die God ons heeft voorbereid. (NBV)
Met Christus levend geworden – met Hem uit het graf,
dat is niet alleen een innerlijk gebeuren, waarbij er van binnen iets met ons gebeurde.
Wat er van binnen veranderde – ons hart, onze hele bestaan – dat werkt naar buiten toe:
God heeft door de opstanding van Christus zo in ons gewerkt,
dat we weer voor God bruikbaar kunnen zijn – heilig, schrijft Paulus in de aanhef
en daarmee bedoelt hij, dat diegenen die dood waren,
niet alleen tot leven gewekt worden,
maar daarna ook een nieuw leven en een nieuw bestaan ontvangen,
waarbij ze ook iets voor God kunnen betekenen.
Nadat Christus de gelovige heeft meegenomen uit het graf, laat Hij hen niet alleen,
maar ook in dat nieuwe leven werkt Hij in hen
– de kracht waarmee Hij werd opgewekt uit de dood door de Vader
dat is de kracht die ook in de gelovige werkt,
de kracht die wij beter kennen met de naam Heilige Geest.
Groeien in geloof, dat is mogelijk doordat Christus opstond uit de dood
en dat de Geest als die kracht ook in u kan werken en werkt.
Een radicale wending in het leven van de gelovige: van dood naar levend.
Jezus leeft en ik met Hem.
Hem behoor ik en zijn stem
roept ook mij straks tot het leven.

Die stem die ons tot leven roept, is er niet alleen bij de Wederkomst
als Christus’ stem iedereen zal roepen die bij Hem hoorde.
Maar Zijn stem roept ook nu tot leven,
om een nieuw leven te ontvangen,
geheiligd en in staat om tot eer van God te leven,
gereinigd en schoongemaakt om dienstbaar voor God te kunnen zijn,
oprechte toewijding.
Ook dat nieuwe leven en die toewijding, dat gereinigd worden en tot eer van God kunnen leven
is genade, dezelfde genade – het is allemaal aan Hem te danken.
Alle eer aan God, Vader, Zoon en Heilige Geest.
Nu al op deze aarde mogen wij leven met Hem en met Hem verbonden zijn.
Daarom als waarschuwing dat oude leven nog eens onder ogen te zien
om daar weer niet naar af te glijden.
Om dankbaar te zijn, van binnen in ons hart, maar ook met onze daden.
Een dankbaarheid die we in praktijk kunnen brengen,
omdat de gelovige ook een nieuw leven ontvangen heeft: geheiligd om toegewijd te zijn.

Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, heeft ons door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft
ook toen wij dood waren door de overtredingen,  met Christus levend gemaakt –  uit genade bent u zalig geworden
Amen

Preek zondagmorgen 19 april 2015

Preek zondagmorgen 19 april 2015
Efeze 1:15-23
Thema: De kracht waarmee God Christus opwekte uit de dood, werkt ook in de gelovigen

 

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Terugblik (samenvatting eerste preek)
Paulus schrijft een brief aan de gemeente van Efeze.
Aan het begin van deze brief schrijft hij als adressering:
Aan de heiligen in Efeze, de gelovigen die in Christus Jezus zijn.
Vorige week in de avonddienst heb ik aangegeven,
dat we die in ook kunnen toepassen op onszelf en onze eigen gemeente:
Aan de heiligen op ‘t Loo en in Oldebroek, de gelovigen in Christus Jezus.
Heilig, dat bent u, gemeente.
Heilig – omdat God u apart heeft gezet.
Heilig – omdat God u als gemeente toewijdt en geschikt maakt om Hem te kunnen dienen.
Heilig: geschikt gemaakt, gereinigd, zodat u in dienst van de Heere kunt zijn.
Heilig – dat bent u hier op deze aarde, omdat u ook een plek in de hemel heeft:
in Christus Jezus.
Onze Heer is in de hemel. Hij is ons voorgegaan
en wie gelooft is nu reeds met Hem, onze Heer in de hemel, verbonden.
Wie gelooft, is reeds in Hem geplaatst.
Wie gelooft, is reeds geworteld in de Heer die in de hemel is
en heeft ook een leven nog op deze aarde.
Hier op aarde, maar van de hemel.
Hier in de wereld, maar eigendom van Christus Jezus, onze Heer.
Burger van twee werelden.
U leeft met een doel: de hemel, daar waar onze Heere Jezus Christus is.
Ook hier op aarde hebt u een doel:
om hier te leven uit Hem, onze opgestane Heer.
Dat is het leven van u, van jou als gelovige hier op deze aarde:
met een dubbel doel: leven op weg naar de eeuwigheid, maar ook met een leven hier op aarde,
hier in Oldebroek, op ‘t Loo, waar de Heere ons geplaatst heeft.
Dat we hier zijn, hier wonen en leven, dat geeft aan dat God hier in deze plaatsen
voor ons als gemeente een roeping heeft.
Om hier in deze plaatsen de verbondenheid met onze Heere Jezus Christus voor te leven.

Vandaag hier op verder, omdat Paulus in zijn brief hier ook verder op gaat.
In het gedeelte dat we met elkaar hebben gelezen, Efeze 1:15-23,
verwoordt Paulus dat hij steeds voor de gemeente bidt.
Dat doet hij niet zomaar.
Dat doet hij, omdat hij de gemeente van Efeze goed kent.
Hij heeft er enkele jaren gewerkt en kent de gemeente en de plaats Efeze uit eigen ervaring.
Paulus heeft nog een reden om voor de gemeente in Efeze te bidden.
Want dat dubbele bestaan, het leven in Efeze en het toebehoren aan de hemel,
gaf aan de gelovigen een grote spanning.
Efeze was één van de grootste steden van het Romeinse Rijk,
een handelsstad, met veel drukte en verkeer,
allerlei meningen die er te horen waren,
een stad met veel tempels en goden die werden vereerd.
In die grote stad met zoveel hondderduizenden inwoners en zoveel soorten geloven
was er een klein groepje mensen, een handvol,
dát waren de heiligen in Efeze, de gelovigen in Christus Jezus.
Het leven als gelovige zal voor hen niet gemakkelijk geweest zijn.
Familieleden die boos waren omdat zij de keuze hadden gemaakt
om niet meer de godsdienst aan te houden waarmee zij waren opgevoed.
Vrienden die hen niet meer begrepen om de keuzes die zij in het leven maakten.
Priesters van de tempel waar zij normaal kwamen die het hen kwalijk namen,
omdat zij de godsdienst ondermijnden.
Ambtenaren van de lokale overheid die hen in de gaten begonnen te houden.
Werkgevers die er misschien wel niets van moesten weten.
Ze zijn de heiligen in Efeze en de gelovigen in Christus Jezus.
Ze ervaren dat ze heilig, apart gesteld zijn door God, door de moeiten die zij in hun stad ervaren.
Ze zijn in Efeze, maar niet van Efeze – hoewel de Efeze de druk op hen uitoefent
om terug te komen en weer mee te doen met dat oude leven.

Ondanks al die spanningen en de druk die op hen gevoerd is
om het geloof in Jezus dat zij net ontdekt hadden weer op te geven,
blijven ze het volhouden.
Ondanks alle moeiten die het hen persoonlijk kost, geven zij niet op,
maar houdt deze kleine groep gelovigen het vol.
Ze houden niet alleen het geloof vol,
maar ondanks alle moeiten die zij zelf hebben om als gelovigen staande te blijven
leven ze mee met gemeenten op andere plaatsen,
denken ze mee, helpen ze waar ze kunnen.
Paulus, die een aantal van deze mensen kent, is daar dankbaar voor.
Sinds hij de goede berichten heeft gehoord over hun geloof in Christus
en hun liefde voor de medegelovigen, voor de anderen die door God geroepen zijn,
neemt hij deze gemeente, deze gemeenteleden mee in zijn gebeden.
Hij kan ruimhartig danken, want aan dat geloof en aan dat meehelpen, meeleven met anderen,
de liefde tot de andere heiligen, zoals Paulus dat schrijft in de brief,
kan Paulus zien dat de Heilige Geest werkt.
Uit de verhalen die hij hoort over de gemeente,
merkt hij ook hoe moeilijk het leven voor de gelovigen in Efeze is,
hoeveel strijd het hen kost.
Ze houden vol, met liefde, maar het kost hen ook veel.
Daarom springt Paulus hen bij, om hen te steunen:
hij neemt hen mee in zijn gebed.
De gemeenteleden van Efeze krijgen een plaats in de gebeden van Paulus.
Voordat Paulus hen gaat aanspreken om vol te houden
– want dat zal hij doen –
geeft hij hen eerst een bemoediging dat hij voor hen bidt.
Paulus bidt dat Gods kracht in hen blijft werken,
dat God hen staande houdt, hen overeind houdt in de strijd, in de spanning.
Wat Paulus bidt, is dat de kracht waarmee God Zijn Zoon opwekte uit de dood,
dat diezelfde kracht ook in de gemeente zal werken.
En hij bidt ook, dat de gemeente ook mag zien
dat die kracht, de kracht van God waarmee Hij Christus uit het graf liet komen,
ook door de gemeente mag worden gezien en ervaren.
Dat ze in die strijd en in de spanning waar ze elke dag in leefden,
om als heiligen, door God geroepen, apart gezet, daar in Efeze te leven,
om het als gelovigen vol te houden in het geloof,
zodat ze zien: we staan er niet alleen voor,
maar God die alle macht heeft, werkt met Zijn kracht in ons en in de gemeente.

De kracht waarmee Christus opstond uit de dood,
is niet alleen een kracht die in Jezus werkte en die tot Gods Zoon kwam,
maar kwam ook in Efeze.
Ik denk dat Paulus ook ‘gewoon’ had kunnen schrijven over de Heilige Geest,
maar dat hij bewust steeds over kracht schrijft
om mee aan te geven dat de Heilige Geest ook een geweldige kracht in Zich heeft,
niet machteloos is, maar de grootste kracht is die er is,
omdat het Gods kracht is.
Die kracht werd al zichtbaar toen onze Heere Jezus opstond uit de dood.
Die kracht merkten de mensen in Efeze toen ze gingen geloven in Jezus.
Want toen gebeurde er iets met hen.
Ze bleven in Efeze wonen, ze bleven op de aarde,
en tegelijkertijd kregen ze ook een plek in de hemel, kwamen ze in Christus.
Als Paulus spreekt over hun geloof in Christus Jezus,
bedoelt hij niet alleen dat er een intieme persoonlijke band met Christus is,
maar dat wil hij daarmee ook laten zien, dat Christus een veilige ruimte is
waar je als gelovige veilig bent:
een vaste burcht is onze God
Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten,
zal overnachten in de  schaduw van de Almachtige
– dat is er wat er met de mensen in Efeze is gebeurd die gingen geloven in de Heere Jezus.

Wat we horen over de gemeente van Efeze kan ook op ´t Loo en in Oldebroek herkenbaar zijn.
Dan niet zozeer een heel kleine gemeente in een grote stad.
En voor de meesten is het geloof in Christus niet iets nieuws, een nieuwe richting in ons leven
die ons een andere kant op doet gaan, weg bij onze familie vandaan.
De meesten zijn er in opgegroeid en geloven, omdat ouders en anderen om ons heen
ons zijn voorgegaan in het geloof in de Heere Jezus,
ouders, familie, vrienden die ons zijn voorgegaan in het schuilen bij de Heere Jezus.
We hebben hier een grote gemeente om ons heen.
Afgelopen donderdag was ds. Polinder op de ouderenmiddag om te vertellen over
zijn werk als zendeling.
Hij vertelde over een jongen van 20 die graag gedoopt wilde worden,
maar na door de druk die er is en omdat hij geen gemeente om zich heen heeft,
dreigt terug te vallen in zijn oude geloof als moslim.
In z´n eentje kan hij het niet volhouden in de druk die op hem wordt uitgeoefend.
Wij hebben een gemeente om ons heen, een behoorlijke gemeente.
Toch hoor ik ook over onze gemeente geregeld zorgen,
dat het terugloopt, dat het enthousiasme en de betrokkenheid minder is.
Paulus geeft een voorbeeld van hoe wij met die zorgen om kunnen gaan±
allereerst door te vertrouwen dat ook in onze gemeente
wij er niet alleen voorstaan, maar dat Christus die in de hemel is,
met ons verbonden is,
en dat Zijn kracht, de kracht waarmee Hij is opgestaan uit de dood,
ook in onze gemeente kan werken en nog werkt: de Heilige Geest.
Een overweldigende kracht, die ook onze gemeente weer nieuwe kracht en moed kan geven.
Naast dat vertrouwen geeft Paulus ook een ander voorbeeld,
en dat heeft met dat vertrouwen op de kracht van God te maken: het gebed.
Bidden is de praktische kant van dat vertrouwen.
Dat is dat vertrouwen in uitvoering gebracht – dat is leven in Christus, schuilen in Hem.
Bidden is het appèl op God dat Hij met Zijn kracht ook in de gemeente werkt.
Wie zich zorgen maakt over ook de gemeente, maar het gebed vergeet,
die doet alsof God machteloos is en Hij in onze gemeente niets kan doen.
Die doet bovendien net of wij als mensen de kerk opbouwen.
Het is God die de gemeente in het leven roept,
de Geest die in de gemeente dat vertrouwen wekt.
Bidden – dat is wat u voor de gemeente en andere gemeenteleden kunt doen.
In het bidden komt u bij de Heere Jezus, om te vragen:
Werk met uw kracht, met uw Geest in de gemeente.
Laat de kracht waarmee Christus opstond uit de dood ook weer hier in ons midden werken,
zodat degenen die u niet kennen getrokken worden
en degenen die de moed verliezen, weer aangespoord mogen worden en nieuwe kracht ontvangen en merken dat ze overeind gehouden worden.

Bidden leidt ertoe dat je God beter leert kennen.
Dat is ook wat Paulus ook voor de gemeente bidt:
niet alleen dat ze overeind gehouden worden, maar dat ze ook groeien in geloof
en dan op een speciale manier groeien, namelijk in het beter kennen van God.
En dan niet in theoretische kennis, maar in intieme kennis,
werkelijke kennis van God.
De gemeenteleden in Efeze waren allemaal tot bekering gekomen.
Vanuit hun opvoeding kenden zij God niet.
Pas door de boodschap van Paulus en anderen in de gemeente leerden zij God kennen.
Ze moesten nog veel leren over God
en Paulus bidt dat de Geest hen dat ook wel leren.
Paulus bidt dat de Geest de gemeente helpt om te ontdekken wie God is en waar Hij is.
Om te zien dat als God werkt er niets hopeloos is.

Wat Paulus bidt voor de gemeente, kan ook voor ons persoonlijk gelden.
Niet alleen als gemeente hebben wij een dubbel bestaan: hier op aarde
in Oldebroek of op ‘t Loo – en tegelijkertijd in de hemel – in Christus.
Als gelovige zou je steeds meer willen groeien in de Heere Jezus.
Ik merk dat zo’n verlangen hier in de gemeente ook leeft:
om verder te komen in het geloof, meer te weten, meer te vertrouwen, meer te ervaren,
om te zien hoe God in je eigen leven werkt.
Paulus spoort de gemeente aan om te zien dat God ook werkt, om daar op te vertrouwen.
Dat geldt ook voor uzelf, als u bij uzelf denkt:
ik ben helemaal niet heilig, niet geschikt om God te dienen.
Er moet heel wat gebeuren, voordat ík dienstbaar en bruikbaar voor God ben.
Kijk dan naar de kracht, waarmee Jezus opgewekt werd uit de dood.
De dood was de sterkste macht. Niemand was de dood de baas
en zie hoe Jezus uit het graf kwam.
Die kracht werkt in u – de Heilige Geest is dezelfde kracht
waarmee God de dood overwon en de Zoon opstond.
Die kracht is overweldigend, niets kan die macht tegenhouden.
Ook in u kan die kracht werken en ook u, jou, die van jezelf denkt:
‘bij mij is het onbegonnen werk; groei in geloof dat kan niet.’
Dan bidden wij met Paulus mee,
dat God dat we Zijn kracht in je laat werken
en dat je ziet dat God ook in je leven werkt.
Dat ook jij, u, in Christus kan komen en daar kan blijven, door Christus.

Leven hier op deze aarde en van Christus zijn.
Dat is lang niet altijd gemakkelijk.
Er kan aan je getrokken worden.
Maar Paulus wijst op God die ons bijstaat en ons twee hulpmiddelen geeft:
geloof / vertrouwen aan de ene kant en gebed aan de andere kant.
Dat geloof en vertrouwen wordt ons geschonken,
net zoals bidden bij de Heere Jezus vandaan komt.
Wat onze taak is: om met ons hart en onze ogen te zien, met onze oren en hart
te horen waar God werkt.
En zelfs daar bidden we om dat God dat inzicht geeft.
Zodat we steeds dichter met Hem leven, steeds intiemer met Hem zijn.
En bij alles wat ons overkomt, niet bij Hem vandaan gaan,
maar ondanks alles weten: Ik ben van mijn Heiland,
nu reeds hier op aarde.
Ik ben op weg – door het leven hier op aarde
om bij Hem uit te komen.
Jezus leeft en Zijn kracht werkt ook in Mij, Zijn Geest,
om mij en u in dat einddoel te brengen: het hemels Jeruzalem,
waar Hij onze Heere is.
Geen makkelijke reis, maar wel een behouden aankomst.
Amen

Show, don’t tell

Show, don’t tell

Een verhaal wordt het beste gecommuniceerd als het beeldend aan de luisteraars wordt verteld. Wanneer er een beroep wordt gedaan op het inlevingsvermogen van de luisteraars, komt het verhaal en de boodschap beter over dan wanneer er allerlei beweringen worden gedaan. De slogan Show, don’t tell is terecht.

Theologische taal kan heel beeldend zijn, maar tegelijkertijd kent theologische taal ook beweringen, vaststaande formuleringen. Een predikant kan bij de preekvoorbereiding terugvallen op zulke formuleringen. Bewust, omdat hij ervan uit gaat dat zijn luisteraars die formuleringen wel kennen en zullen gebruiken. Onbewust door gemakzucht, tijdgebrek of gebrek aan woorden en inspiratie tijdens het schrijven van de preek.
Deze oefening van Daniel Overdorf wil predikanten ertoe aanzetten, dat zij tijdens de preek niet terugvallen op die beweringen en vaststaande formuleringen, maar dat zij die formuleringen beeldend en verhalend uiteenzetten.

Uitbeelden
Zo werkt het in de film en in de literatuur ook. Als een regisseur de angst van een hoofdpersoon wil uitbeelden, plaatst hij geen ondertiteling in beeld: ‘Dit meisje is bang’. In plaats daarvan laat de regisseur ons kijkers zien dat het meisje bang is. Bijvoorbeeld vanuit de ogen van het meisje of aan de buitenkant aan het gezicht en de lichaamstaal van de acteur.
Goede schrijvers bouwen hun verhalen op dezelfde manier op. Een schrijver zal niet snel schrijven: ‘De man was zenuwachtig voor zijn toespraak.’ De schrijver zal laten zien dat hij over het podium loopt, het zweet van zijn voorhoofd wist, de benen trillen en zijn hart klopt.
In plaats van te vertellen dat iemand angst heeft of zenuwachtig is, wordt de angst en de spanning getoond.

Jezus maakte in zijn onderwijs vaak gebruik van dit principe. Soms vertelt Hij over het Koninkrijk van God, over Zijn Vader, over discipelschap. Meestal vertelt hij door te laten zien. Als iemand hem vraagt wie zijn naaste is, geeft Jezus geen definitie uit de Dikke van Dale. Hij laat zien hoe een man vanuit Jeruzalem naar Jericho gaat (Lukas 10:30). Als Hij ermee geconfronteerd wordt dat Hij veel met zondaren optrekt, had Hij kunnen zeggen: ‘Die zondaren hebben mij nodig.’ Maar Hij liet dat zien: ‘Gezonden hebben geen dokter nodig, maar iemand die ziek is wel.’ Als antwoord op dezelfde beschuldiging vertelt Hij over de vreugde van een vrouw die een verloren geraakt muntje terugvindt, over een herder die blij is met een teruggevonden schaap, een vader die zijn verloren gewaande zoon weer kan omhelzen. Jezus gaf beeldend onderwijs.
Predikanten kunnen van hun Meester leren. Door hetzelfde principe in hun preek toe te passen: Show, don’t tell. Predikanten vragen zich meestal af: hoe kan ik dit het beste uitleggen. Ze kunnen zich beter afvragen: hoe kan ik dit het beste uitbeelden?

Voorbeelden
TELL: Toen hij naar de universiteit ging, leken hem de dingen die hij tijdens zijn middelbare-schoolperiode van belang vond minder belangrijk.
SHOW: Pa en ma hadden hem gedag gezegd en gingen weer naar huis. Hij gooide zijn tas in zijn kamer. Gelukkig, zijn kamergenoot komt pas de volgende dag. Hij heeft tijd nodig om tot zichzelf te komen. Hij deed zijn sokken in de la en legde zijn tandenborstel in de douche. Hij hing zijn shirts op een hanger. Ook het shirt van het voetbalteam van zijn school. Hij aarzelde om dat shirt uit zijn tas te halen, deed het toch en hing het shirt helemaal achter in de kast. In dat shirt had hij vele malen gevoetbald en verschillende prijzen voor zijn school gewonnen. Hij hing het bij de oude jas van zijn vader, die hij had gekregen en waarvan hij wist dat hij dat shirt ook nooit zou dragen.

TELL: Sommige mannen zijn zo druk bezig met hun carrière dat zij hun relatie stukmaken.
SHOW: Een man haast zich zijn kantoor uit. Doet zijn stropdas af en laat zijn Lexus uit de parkeergarage voorrijden. Terwijl hij de motor start, gaat zijn telefoon af. Via de bluetooth komt de stem van zijn vrouw in de auto. Zijn en haar dochter gaan erop uit dit weekend. Hij was tot op het laatst op het kantoor gebleven, omdat er nog zaken zijn aandacht vroegen. ‘Wij komen niet thuis,’ zegt zijn vrouw. ‘Blijven jullie een extra dag?’ vraagt hij. ‘Nee,’ zegt ze direct, ‘Dat bedoel ik niet. Ik bedoel, wij komen helemaal niet meer thuis. Nooit meer.’

TELL: Zij had grote moeite om haar vader te vergeven.
SHOW: Tijdens het gesprek stamelde ze. Het was een moeizaam gesprek. Ze hing op en liep naar de kast en pakte daar een briefje uit. Op het briefje schreef ze wat ze niet had kunnen zeggen: ‘Pa, ik vergeef je.’

TELL: Jezus leed aan het kruis.
SHOW: Met elke hamerslag van de soldaat kromp het lichaam van Jezus ineen. Afgrijselijke uitroepen kwamen uit zijn bebloede mond, waarin de gebroken tanden zichtbaar waren.

Oefening
TELL: Ik voelde me geïntimideerd toen ik haar kantoor binnenliep.
SHOW: ….

TELL: Hij is erg bezorgd over wat het gezin nog te besteden had.
SHOW: …

TELL: Zij werd hoe langer hoe meer een enthousiaste gelovige.
SHOW: …

TELL: Ouders en tienerdochters begrijpen elkaar lang niet altijd.
SHOW: …

TELL: Roddel berokkent schade aan vriendschappen.
SHOW: …

1) Doe de oefening volgens het principe: Show, don’t tell.

2) Lees na afronding de preek die net geschreven is nog eens door. Kruis 5 zinnen aan, waarin je iets beweerde of stelde (tell) in plaats van het te laten zien (show).

3) Herschrijf die zinnen volgens het principe: Show, don’t tell.

N.a.v. Daniel Overdorf, One Year to Better Preaching (2009) 43-47.

Literatuursuggesties:

  • Mark Galli – Preaching That Connects: Using the Techniques of Journalists to Add Impact to Your Sermons (Zondervan, 1994)
  • Sondra Willobee – The Write Stuff: Crafting Sermons That Capture and Convince (Westminster John Knox, 2009)
  • Dawn Copeman – ‘How to “Show Don’t Tell”’
  • Rabort J. Sawyer – ‘On Writing: Show, Don’t Tell.

Preek zondagavond 2015

Preek zondagavond 2015
Efeze 1:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Amerikaanse hoogleraar Eugene H. Peterson, van wie ik momenteel veel lees en veel leer,
heeft een boek over de brief van Paulus geschreven met als titel: Practice resurrection.
Leven uit de opstanding van Christus – de opstanding van Christus in praktijk brengen.
De ondertitel van het boek is net zo belangrijk als de titel”
An conversation on growing up in Christ – een gesprek over groeien in Christus,
een gesprek over in Christus volwassen worden in het geloof.

Dat is ook wat ik als uw predikant met u als gemeente wil doen:
een gesprek met u, vanuit deze brief van Paulus aan de Efeze,
over het in Christus volwassen worden in het geloof, over het groeien in Christus.
Niet vanuit de hoogte, alsof ik wel even weet hoe dat gaat,
maar soms wel een indringend gesprek,
waarbij we elkaar in de ogen kijken, met elkaar meedenken,
elkaar helpen te luisteren naar Christus, de opgestane Heer
die in ons wil wonen en werken.
De brief zelf zet ook in op een gesprek,
en dan niet zozeer van Paulus met de gemeente,
maar door de woorden heen die Paulus schrijft,
klinkt de stem van onze opgestane Heer en Heiland.
Paulus is maar een apostel, de brenger van de boodschap,
Het gaat er niet om wat Paulus vindt, het is niet het gezag dat Paulus uit zichzelf heeft.
Paulus is maar een boodschappenjongen,
hij speelt wel een rol in Gods plan om het evangelie over de wereld te mogen brengen,
om gemeenten te stichten en gemeenten te begeleiden in het groeien in Christus,
maar het gaat hier niet om Paulus, maar om God zelf
die in de woorden van Paulus bij de gemeente van Efeze kwamen
en de woorden van God die bij ons hier in ‘t Loo en in Oldebroek komen.
We kunnen het opschrift van deze brief ook veranderen in:
Aan de Oldebroekers en aan de Loosen
Paulus, die door Gods wil de stem van Jezus doet klinken,
die door zijn brief zich mag richten aan de heiligen en gelovigen in Jezus Christus
die er in Oldebroek en in ‘t Loo zijn.
Huh? Heiligen die er in ‘t Loo en in Oldebroek zijn?
Dat er mensen zijn die in Jezus Christus geloven, dat weten we:
kerken genoeg in Oldebroek, waarmee we samen, hoe verschillend we ook zijn,
het lichaam van Christus vormen.
Maar heilig? Kunnen we dat zomaar van onszelf zeggen?
Is dat niet teveel eer voor ons? Zijn wij wel zo heilig?
Nee, het gaat niet om wat wij voor elkaar hebben gekregen
en dat wij toch best een heel eind op weg zijn om goede mensen te worden.
Het gaat er niet om, dat we onszelf maar eens een flink compliment geven
en tegen elkaar zeggen: We doen het heel goed, beter dan de rest.
We stijgen boven hen uit.
Als we aangesproken worden met heiligen moeten we niet naar onszelf kijken.
Want heilig zijn we niet in onszelf, maar heilig zijn we door wat God doet.
Heilig heeft hier de betekenis van: toegewijd en klaargemaakt om God te kunnen dienen.
Heilig zijn we, net zoals het volk Israël een heilig volk is.
Net zo zondig als wij, met net zoveel moeite om Gods wil in praktijk te brengen als wij
en toch heilig, bijzonder, omdat God dit volk apart zette
en tegen Israël zei: Jullie zijn Mijn volk en je bent hier op aarde om Mij te dienen.
Als we aangesproken worden als heiligen, in dat ene woordje,
wordt heel het werk van God aan ons samengevat:
God die Zijn Zoon naar de aarde stuurt en de Zoon van God die sterft aan het kruis
en opstaat uit de dood – dat maakt ons heilig.
Dat we heilig genoemd kunnen worden, hebben we niet aan onszelf te danken,
is geen verdienste die we op onze eigen conto kunnen schrijven,
maar dat is wat God met ons doet: Hij maakt ons heilig.
Dat wil zeggen: hier op ‘t Loo en in Oldebroek zoekt Hij mensen uit
om hen apart te nemen en tegen hen te zeggen: Je bent van Mij.
Je bent nu niet allereerst meer Oldebroeker of Loose, maar je bent er nu een van Christus.
Gelovigen in Christus, daarmee bedoelt Paulus niet dat wij geloven in Christus,
maar dat we als gelovigen zijn in Christus.
Christus is het gebied, de locatie waarin we ons bevinden.

De Herziene Statenvertaling maakt het wat onduidelijk, het gaat om heiligen die in Efeze zijn
en in Christus Jezus zijn – heiligen die in Oldebroek en ‘t Loo zijn en in Christus.
Daar zit een dubbelheid in – en die dubbelheid is kenmerkend voor een gelovige.
We zijn hier op deze aarde – wonen hier, hebben hier onze relaties, ons werk, ons leven,
maar terwijl we hier zijn, zijn we ook al in Christus, zijn we niet alleen van Hem,
maar ook in Hem.
We zijn burger in twee werelden: dit dorp hier op aarde, maar tegelijkertijd burger van het hemels Jeruzalem. Wel op in deze wereld, maar niet van de wereld,
we zijn van Jezus Christus en daarom zijn we ook in Hem.
Heel deze brief is een gesprek van God met Zijn gemeente om het vol te houden
om hier op aarde van en in Christus te zijn.
Want dat is zo eenvoudig nog niet.
Het Oldebroekse, het Loose blijft aan ons trekken.
En al kunnen we zeggen dat het hier in deze omgeving nog behoorlijk christelijk is
en dat de spanning in een stad als Zwolle of Amsterdam veel sterker wordt ervaren,
ook voor ons hier is er die spanning tussen die beide werelden:
het aardse dat aan ons trekt, dat nog zo in ons werkt
ons doen en laten wil bepalen, ons leven wil laten gehoorzamen,
en aan de andere kant, de Heilige Geest – die Geest van Christus, de opgestane Heer,
die in ons werkt, en dat aardse, dat Oldebroekse, Loose steeds meer uit ons wil hebben.
Groeien in Christus betekent: steeds meer het aardse verliezen,
steeds minder Oldebroeker worden en steeds meer van Christus worden,
steeds minder een Loos karakter, maar gevormd door de Heilige Geest met Christus in ons hart.
Alleen dan worden we volwassen
en alleen dan, met Christus in ons hart en als we door Hem gevormd worden,
kunnen we hier wonen.

Want hebben onze woonplaats op aarde niet voor niets.
U bent niet voor niets hier in Oldebroek of ‘t Loo woonachtig.
Dat is niet toevallig.
als gelovigen hebben we een hemels paspoort,
maar ook een aards paspoort.
We leven hier op aarde en dat is niet zomaar.
Paulus zegt tegen de gemeente in Efeze niet dat zij uit Efeze moeten wegtrekken
omdat de stad zo goddeloos is.
Christus zegt niet tegen ons, dat we ons moeten afzonderen van de gemeenschap hier,
maar juist hier, op deze plaats zijn we van Christus,
bent u als gemeente een heilige gemeenschap.
Dat wij Hervormde Gemeente Oldebroek – ‘t Loo heten,  is niet alleen een plaatsaanduiding,
geeft niet alleen aan dat wij onze mensen en onze gebouwen in deze twee dorpskernen hebben,
maar dat we hier op deze plaats door God zijn uitgekozen om aan God gewijd zijn.
Wij zijn net als Israël.
Israël kreeg een bijzonder stuk op aarde toegewezen: het Beloofde Land.
Als kerk vervangen we Israël niet.
Dat kan niet, want God heeft met Israël een eeuwig verbond opgericht
en daarom is het goed dat er komende week aandacht is voor Israël,
voor de rol van Israël in deze tijd die de eindtijd is.
Er is wel een overeenkomst: zoals God in Israël werkt, zo werkt Hij ook in de kerk:
er is een gemeenschap van mensen, die door God zijn uitgekozen
om Hem te dienen op een bepaalde plaats.
Israël had God niet uitgekozen, maar God koos dit volk.
En wij hebben God niet uitgekozen, maar Hij koos ons.
Dat we geloven, dat we in Christus zijn,
dat we een dubbel paspoort hebben, een aards en een hemels,
dat hebben we er niet aan te danken omdat wij gelovig zijn.
Net zo min als dat wij ervoor gezorgd hebben dat we heilig zijn,
is geloven is dat bij ons vandaan komt.
Het komt bij God vandaan. Hij maakt ons heilig, Hij zorgt ervoor dat we in Christus zijn
en dat we in Jezus geloven en vertrouwen hebben in onze Heiland.
Dat hebben we allemaal niet aan onszelf te danken.
Dat is allemaal Gods keuze. Zijn keuze om Israël als Zijn volk te kiezen,
en hier in Oldebroek en ‘t Loo u en jou te kiezen.
Uitverkiezing.
En als we dat woord horen, dan kunnen we terugschrikken,
want dat kan voor ons gevoel iets oneerlijks krijgen, iets willekeurigs:
God kiest de één wel en de ander niet.
Als Hij voor een bepaalde groep kiest, betekent dat ook dat Hij andere groepen links laat liggen.
Als we zo denken, zitten we op het verkeerde spoor.
We kunnen het vergelijken met een bruiloft.
Als er iemand trouwt – ik kreeg deze week een trouwkaart en in de komende maanden
is er in onze gemeente een aantal trouwerijen –
dan denken we toch nooit: waarom kiest deze bruidegom nou voor deze bruid.
Hij had toch ook een ander kunnen kiezen?
Het is toch willekeurig dat hij voor dit meisje, voor deze vrouw kiest?
Stel je voor, dat je bij de ingang van het stadhuis kabaal gaat maken
en dat je hier je beklag over doet en roept: de keuze die je maakt is zo oneerlijk, zo willekeurig.
Het gaat in Gods keuze, in Zijn uitverkiezing, om liefde,
liefde die ons opzoekt, Hij kan het niet over Zijn hart verkrijgen om ons te laten gaan.
Daarom kan Paulus er ook zo opgetogen over zijn.
Dat we die dubbele paspoorten hebben, dat is niet zomaar,
dat zegt alles over God en over Zijn hart, Zijn liefde voor ons.
Zie, hoe Zijn hart brandt van liefde voor ons.
En het is ook geen bevlieging van God.
Het is niet, zoals dat bij ons mensen zo kan zijn,
dat je spijt krijgt van je huwelijk, omdat het niet loopt,
omdat degene die je gekozen hebt, toch een ander blijkt te zijn
of niet voldoet aan je maatstaven.
Nee, als God kiest, dan komt Hij er niet op terug.
Dat is het tweede wat bij uitverkiezing komt kijken: eerst liefde, maar ook in de tweede plaats
een keuze waar God niet op terugkomt.
Kijk maar in vers 4: een keuze die Hij al maakte, voordat Hij de wereld schiep.
Dus nog voordat u ging geloven, voordat u geboren werd zelfs,
voordat deze wereld door Hem in het aanzijn werd geroepen, werd geschapen,
voordat alles hier op aarde begon, toen koos Hij al uit.
Daar begint reeds onze groei: voor ons bestaan, voor het bestaan de wereld, in Zijn keuze.

In al die lange tijd dat de wereld bestaat, is Hij niet op die keuze teruggekomen.
Sterker nog: Hij heeft Zijn keuze waargemaakt en uitgevoerd.
Dat we een kerk zijn, is een teken van Gods liefde en trouw.
Als we afvragen waar God is en wat Hij doet,
kunnen we naar de kerk kijken, naar ons gebouw, naar onze samenkomsten,
naar de gelovigen die vanavond uit de kerk hun plaats weer innemen in hun gezin
en morgen op hun werk en in de straat waar je woont.
God heeft u gekozen. En niet alleen u, maar een hele gemeenschap om u heen.
Want alleen red u het niet.
Alleen red u het niet in de strijd tussen het aardse en het hemelse,
tussen het Oldebroekse en wat van Christus is,
tussen ‘t Loose en de Geest, tussen het Nederlandse en wat van het Koninkrijk van God komt.
In die strijd verliezen we als we het alleen moeten doen.
Maar niet alleen vanwege die strijd,
er is nog een reden: God is te groot voor ons
om Hem in ons eentje te kunnen doorgronden.
We hebben elkaar nodig om Gods grootheid en glorie te kunnen zien en ervaren.
Wie door Christus gewonnen is, krijgt er een hele familie bij: broers en zussen.
Geloven is geen privé-onderneming.
Want de Heere is niet mijn privégodje en Christus niet mijn eigen persoonlijke redder
waar anderen niets mee te maken hebben, die alleen maar van mij alleen is.
In het geloof is er geen ik-alleen, geen ego-tripperij,
maar een ons, een wij, een gemeenschap.
Een gemeenschap niet alleen met mensen, maar ook een gemeenschap met God,
door Jezus Christus.
Er is een band, een relatie, een band die niet verbroken kan worden.
Niet meer – omdat Jezus stierf en opstond
en omdat we in Hem leven.

Omdat we in Hem leven – als ik het zo opschrijf en zo zeg,
dan aarzel ik altijd, want ik weet dat ik daar commentaar op kan krijgen,
want het klinkt wel makkelijk alsof iedereen tot die gemeenschap behoort.
Je moet daar toch wel een keuze voor maken?
God maakt die keuze en wij kunnen dat alleen ontvangen en beamen.
Hij bepaalt wie er tot die gemeenschap behoort
en Hij gebruikt ons om anderen tot die gemeenschap te brengen.
Daarom zijn we een gemeenschap hier in Oldebroek en ‘t Loo.
Maar we zijn niet van hier.
Onze bestemming ligt elders: in het hemels Jeruzalem.
Oldebroek en ‘t Loo – is maar een tussenstation op de reis naar die eindbestemming.
De hele brief wordt gestempeld door de verwondering
dat God ons daar wil hebben: bij Hem in het hemels Jeruzalem,
daar waar onze Heer nu reeds is.
Hier op aarde laat Hij ons al delen in Hem.
Paulus kan zijn geluk niet op.
Kijk maar in vers 3 – dat is de basis voor die hele lange zin, de beruchte zin,
die helemaal doorloopt tot in vers 14,
een van de langste zinnen die er bestaat in het Grieks uit die tijd.
Het is een lofprijzing van een hart dat overstroomt,
er maar niet genoeg van God kan krijgen
er nog steeds niet bij kan, dat God ons mensen heeft uitgekozen in Zijn liefde.
En dat God ons niet alleen heeft uitgekozen, maar ons alles geeft
wat we nodig hebben om het hier op het tussenstation uit te houden
en op het eindstation aan te komen.
Geprezen zij God voor alle zegeningen die we van Zijn kant ontvangen,
Hij geeft alles wat Hij heeft, Hij geeft zichzelf.
Er is een band met God, door God gelegd
en vanuit God stroomt ons alles toe wat wij hier op aarde nodig hebben:
genade, vreugde, kracht om vol te houden, wijsheid om de weg te gaan,
mensen om ons heen, noem maar op.
En het komt allemaal vanuit Christus die voor ons stierf en opstond uit de dood.
We zijn er nog niet, maar we kijken wel uit naar het moment om bij Hem te zijn.
Daar zullen wij onze Heer ontmoeten.
En hier op aarde, waar we nu nog zijn, terwijl we uitkijken, naar omhoog
waar Hij is, onze God, onze Heer.
zijn we al vol van Hem en kunnen we niet wachten.
Geprezen zij de Heer voor alles wat Hij geeft!
Amen