Preek 27 maart 2011 – Johannes 11:50-52

Preek 27 maart 2011 – Vierde lijdenszondag
Schriftlezing: Johannes 11:30-57
Tekst: vers 50-52: en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat. Doch dit zeide hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen.

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

In de lijdensweg van Christus komt het menselijk handelen in een nieuw licht te staan. Zelfs de meest heilige handelingen kunnen daardoor een andere betekenis krijgen.
Neem bijvoorbeeld de vergadering van het Sanhedrin waar het besluit genomen wordt om Jezus te doden. Dit besluit wordt genomen, omdat er een bepaald belang speelt. Het belang dat speelt is overigens geen eigenbelang. Het gaat hier niet om machthebbers die bang zijn hun eigen macht te verliezen. De leden van deze raad zijn geen dictators die achteloos over mensenlevens beschikken. De leden van het Sanhedrin zijn vrome  gewetensvolle mensen. Zij gaan niet over één nacht ijs. Zij wikken en wegen. Door wat zij doen, trachten zij de wil van God ten uitvoer te brengen.
Aan het begin van de vergadering zullen zij gebeden hebben om de leiding van de Heilige Geest. De Geest was voelbaar aanwezig toen Kajafas het woord nam. Het werd ervaren: hier spreekt niet alleen Kajafas, maar hier spreekt God zelf door Kajafas heen.
De ernst van de opmerking zal tot hen doorgedrongen zijn: het is beter dat Jezus sterft. Een vergadering die ze nog lang zal heugen. Op hun oude dag zullen ze deze vergadering niet vergeten zijn. Het besluit om een mens te doden neem je als gewetensvol mens immers niet lichtvaardig. Ze hadden echter het gevoel dat zij moesten ingrijpen. Er was dringende noodzaak.
Als ze niet ingrijpen, gaat het helemaal mis. Ze kunnen de scenario’s al bedenken: Romeinse legioenen die door de straten marcheren. Bloed zou er vloeien. De raad zou verantwoordelijk worden gehouden. Zij hadden immers de leiding. Zij hadden moeten weten wat er onder het volk leefde. Zij hadden moeten ingrijpen. Ze zijn niet bezig met hun eigenbelang, maar denken voor het volk. Zij waren geroepen voor deze taak, uitverkoren. Zij behoorden het volk te leiden. Dat was hun goddelijke opdracht. Zij waren bemiddelaar tussen God en Zijn volk. Wat moest er van het volk terecht komen als zij er niet meer waren? Vreemde opvattingen zouden de kop opsteken en aan invloed winnen onder het volk. De Joden zouden de weg kwijtraken. Alles zou mogen, waardoor het volk haar heiligheid kwijtraakte. Als de hogepriester er niet meer was, wie zou er verzoening voor het volk moeten vragen op de Verzoendag. Als er geen priesters meer waren, zou er geen dienst meer gedaan kunnen worden. Het volk zou de tempel, de kern van haar bestaan, kwijtraken. Herderloos zou het volk verstrooid raken.
Ze handelden niet uit eigenbelang. Deze zware afweging, de dood van één mens die redding brengt aan een heel volk is ten gunste van het volk Israël. Zij grijpen preventief in. Zoals we de laatste tijd weten is preventief ingrijpen risicovol. Met de kennis van nu kan er heel anders tegen aan gekeken worden. Wat we ook over de raad zeggen, één ding moeten we toegeven: zij durven de verantwoordelijkheid te nemen. Die ene opmerking van Kajafas maakt een einde aan de besluiteloosheid en radeloosheid van het volk.  Er valt een moeilijk besluit. Na afloop van de vergadering zullen ze gedankt hebben voor de leiding van de Heilige Geest, die zo merkbaar aanwezig was en die hen wijsheid gaf om te handelen.

Dat wij er anders naar kijken, komt omdat de Geest ons dat heeft onthuld, geopenbaard. Gods Geest overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Niet wij hebben het recht om er anders over te oordelen. Lichtvaardig oordelen over anderen is in de Bijbel een ernstig vergrijp. Als wij dat zouden doen, kennen wij bovendien ons eigen hart niet.
Kajafas profeteert. Hoe dubbel wij de uitspraak van Kajafas ook zouden vinden, hij wordt in dienst genomen door God.
Dat wij anders oordelen komt door de Geest van God. Niet omdat wij zoveel inzicht hebben. Wij kijken er anders naar, omdat de Geest ons de ogen geopend heeft. Ons is het geloof geschonken om te zien wie Jezus werkelijk is. Zoals iemand die vroeger blind was maar nu genezen begrip heeft voor een blinde, zoals een ex-roker niet te hard oordeelt over wie nog niet kon stoppen met roken, zo kunnen wij als gelovigen niet hard oordelen over diegenen die nog in duisternis wandelen. De duisternis is om ons heen weggevallen, maar niet door onszelf. Voorzichtig met een oordeel. Bovendien, Johannes vertelt voortdurend dat er bepaalde dingen gebeuren zodat de discipelen tot geloof komen. De discipelen hebben een lange weg nodig om tot geloof te komen.
God oordeelt en anders brengen de gebeurtenissen het oordeel wel aan het licht. Tenminste, zo vertelt Johannes zijn evangelie. Achter de gebeurtenissen in deze raad vindt de afwijzing plaats van de Zoon van God, die door de Vader gezonden is.
Overigens, ook over het geloof moeten we niet al te positief doen. Geloven zij in Jezus, omdat Hij een wonder doet? Als dat zo is, zien zij nog niet wie Jezus ten diepste is. In het geloof komt het er precies op aan: Jezus is door de Vader vanuit de hemel gezonden. Wie dat niet ziet, wandelt nog in de duisternis. Pas wie inziet dat Jezus door de Vader gezonden is, ziet Gods handelen.
Johannes maakt een onderscheidt tussen oppervlakkig zien en dieper inzicht (aanschouwen). Wie door de Geest dieper inzicht ontvangt, ziet het geheimenis rondom Gods Zoon. Een inzicht dat voor wijzen en verstandigen verborgen is, maar aan de kinderen geopenbaard. De Geest van God onthult. Wij bedenken dat niet zelf. De Geest schenkt het ons.
Hoe werkt dat? Neem de opwekking van Lazarus. Dat is niet zomaar een wonder, maar een teken dat verwijst naar Jezus. Wie oppervlakkig ziet, ziet een wonder gebeuren. Met open mond staan ze te kijken : tsjonge, dat is wat wat Jezus doet. Wie dieper inzicht heeft, ziet dat Jezus zijn eigen leven over had om aan Lazarus het leven te schenken. Wie oppervlakkig ziet, ziet de tranen van Jezus en denkt aan medelijden of machteloosheid. Wie dieper inzicht ontvangen heeft ziet de verbolgenheid van Jezus om dat onbegrip: alsof de Zoon van God machteloos is tegenover de dood. Wie oppervlakkig ziet, heeft nog niet door om Wie het gaat. Hij heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd.

De afwijzing van Jezus gebeurt op het toppunt van Zijn handelen. Wat kan Hij nog meer laten zien om te laten weten dat Hij door de Vader is gezonden? Hoe kan iemand uit zichzelf doden opwekken, terugroepen uit het rijk van de dood? Hij moet wel met God te maken hebben. Zelfs de raad erkent dat. Wat Jezus doet, is een teken.
Zij roepen het oordeel over zich uit terwijl zij met de meest heilige zaken bezig zijn. Voor het aangezicht van God nemen zij een beslissing. Gods grondpersoneel, Gods gezicht op aarde. Voor Gods aangezicht verwerpen zij de Zoon van God. En daarmee God zelf. Zij herkennen Jezus niet als de gezondene. De verwerping door Zijn volk maakt onderdeel uit van de lijdensweg van Christus.
Daarmee valt er nieuw licht op het menselijk handelen. Dat mensen in staat zijn God te verwerpen. Dat is een les uit dit gedeelte: terwijl wij in naam van God denken te handelen, kunnen wij God zelf verwerpen.
Het handelen van God en het handelen van de raad lijkt op elkaar. Allebei ten gunste van mensen gedacht. Met dat verschil dat de raad God uiteindelijk verwerpt.  Omdat de Zoon van God handelt, is er op eens een dringende kwestie. Het handelen van de Zoon van God roept om een reactie, om een antwoord. Als Jezus iets doet, wat moeten wij doen? De raad wordt vergaderd rondom de dood van Jezus, zoals ook God zal vergaderen alleen dan door de dood van Jezus.

Het menselijk handelen wordt hier aan het licht gebracht als verwerping van God. Door die verwerping heen handelt God op een bijzondere manier. De leiders van het volk verwerpen Gods Zoon om zo het volk bijeen te houden. Inderdaad, dat is Gods wil. Maar niet omdat mensen dat besluiten. Daarom is Jezus ongrijpbaar: het is nog niet zijn ure. Het is nog niet de tijd van het Pascha (pesach), nog niet het tijdstip van het offerlam. Op Gods tijd, de bestemde tijd. Zelfs in het verwerpen van de Zoon verliest God de regie niet uit. Dwars daardoorheen voert Hij zijn plan uit. Niet dat Hij daarmee het handelen van de raad goedkeurt. Maar zelfs uit de meest verderfelijke handelingen is God nog in staat een goede zin tevoorschijn te brengen. Als de Zoon verworpen wordt, is God niet machteloos. Gods werk stopt niet als Hij verworpen wordt.
Omdat Jezus door de raad verworpen wordt, gaat er een andere deur open: die voor ons. Zo is het kruis van Christus een vuurtoren die ons vanuit de duisternis in Gods veilige haven brengt. Het is nuttig voor u, in uw belang dat Jezus sterft. Het is Gods belang dat u behouden wordt.
Amen

ds. M.J. Schuurman

Advertenties

Van tevoren feestvieren (Meditatie Markus 14:14)

Van tevoren feestvieren

En zegt tot de heer van het huis, waar hij binnengaat: De meester zegt: Waar is voor Mij het vertrek, waar Ik met mijn discipelen het Pascha kan eten? (Markus 14:14)

Vlak voor het einde van Zijn leven gebruikt Jezus een maaltijd. De dag waarop Jezus deze maaltijd wil houden, is geen willekeurige dag. Het is de dag waarop het Pascha wordt klaargemaakt. Alles wordt in gang gezet voor het vieren van één van de belangrijkste feesten. Pascha is niet zomaar een feest. Met Pascha vieren de Joden de oorsprong van hun leven in vrijheid.
Als de Joden bezig zijn om dat feest klaar te maken en zich weer opmaken om te herinneren hoe zij hun vrijheid hebben verkregen, laat Jezus een maaltijd aanrichten. Ook al zal het een van de laatste dagen van Zijn leven zijn, Jezus heeft wat te vieren. Voor Jezus is het zijn laatste echte maaltijd die hij gebruikt. Voor Hem hangt de schaduw van de dood over deze maaltijd. Hij treedt op de dood af.
Voor de discipelen valt er juist een licht over de maaltijd: een leven in Zijn heerlijkheid.
Om die maaltijd te kunnen gebruiken, gaat Jezus apart. Hij wil de maaltijd ongestoord gebruiken. De soldaten die Hem gevangen zullen nemen, mogen de maaltijd niet verstoren. Want Jezus wil iets duidelijk maken. Door op deze avond, de avond van de voorbereiding het Pascha te vieren, wil Jezus aangeven dat Zijn dood ook met het Pascha te maken heeft.
In een ver verleden, dat met het vieren van de maaltijd dichtbij wordt gehaald, heeft God Zijn volk uit Egypte bevrijd. Ook de dood van Jezus zal bevrijding zijn. Vlak voor Hij sterft, viert Jezus feest. Terwijl Hij de dood bijna in de ogen kijkt, neemt Jezus de tijd om feest te vieren. Voor de Joden was het vieren van een feest namelijk een van de manieren om de grote daden van God te gedenken. Jezus viert feest, omdat God hier opnieuw iets groots gaat doen.
Met de maaltijd die Jezus laat klaarmaken, viert Hij het feest van Zijn eigen dood. Voor ons mensen is dat een ongebruikelijke gang van zaken: het vieren van de eigen dood. Voor Jezus is dat anders. Dat wil niet zeggen dat Jezus de dood als even iets gemakkelijks zag. Nee, Jezus wist dat Hij door te sterven het hol van de leeuw betrad. Toch ging Hij. Een zware tocht die Hij wel moest gaan, omdat niemand anders die kon gaan. Hij wist ook, dat als Hij deze weg in de dood ging, degenen die op Hem vertrouwden uitzicht hadden op een leven na de dood.
Jezus viert het feest, omdat Hij weet dat God zelf voor deze weg in de dood het initiatief genomen heeft. Net zoals Hij ook het initiatief genomen had om Israël uit Egypte te bevrijden. Oog in oog met de dood viert Jezus al hoe de dood verslagen wordt.
Israël vierde voorafgaande uit de uittocht het Pascha al. Dat was gewaagd. De uittocht was er nog niet. Pas in de nacht ná het Pascha. Terwijl Israël het Pascha vierde, kon het nog mislukken. Toch vierde Israël vierde het Pascha. Omdat God dat had opgedragen. Israël deed dat in het geloof en vertrouwen, dat God ook iets zou doen.
Zo viert Jezus het feest van Zijn sterven. Hij was op dat moment nog niet gestorven. Kon Zijn missie nog mislukken? Kon Hij het wel volbrengen? Zo mogen wij ook het avondmaal vieren: het feest van Jezus’ sterven. Ook al is de definitieve bevrijding er nog niet. We vieren wek feest in het aangezicht van de dood. Want we geloven dat God de redding zal schenken. Ook al is die redding er nog niet, de redding komt wel. Net zoals Israël en net zoals Jezus vieren wij het feest van tevoren. In afwachting van het grote feest, dat zal komen: de maaltijd die de Here voor ons zal aanrichten bij de Wederkomst.

ds. M.J. Schuurman

Johan Snel – Recht van spreken (boekbespreking)

Johan Snel, Recht van spreken. Het geloof in de vrijheid van meningsuiting. CHE Reeks (Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum, 2010) ISBN: 9789023925606. € 11,90

In de laatste jaren is wordt religie steeds vaker gezien als een bedreiging voor de westerse vrijheden en verworvenheden, zoals de vrijheid van meningsuiting. Om de meningsvrijheid te verdediging klinkt steeds vaker de roep om religie in te perken. Volgens Snel is dit net zo goed een vorm van geloof, waardoor de vrijheid van meningsuiting wordt ingeperkt. Bij vrijheid van meningsuiting gaat het uiteindelijk om het recht gehoord te worden. Zelfs met een andere mening.*****

Matthijs Schuurman

http://www.boekencentrum.nl/boeken/Johan-Snel/Recht-van-spreken/23268

Geschreven voor Maandblad Réveil (rubriek Oog&oor)

Muus Jacobse – Lazarus

Lazarus

Toen hij weer thuis tussen zijn zusters zat,
Dacht hij: nu zit ik als een kind te prijken.
Want alle mensen kwamen naar hem kijken,
Of hij het heus wel was, en hoe hij at.

En droef zochten zijn ogen God, als vroeger,
Tot in de laatste zon, toen God niet kwam,
Maar in zijn schaduw hem van achtren nam:
Was God geweken tussen nu en vroeger?

Wie van de doden keert, wordt als een kind
Herboren: het gelaat der eeuwigheid
Is een vergeten droom bij het ontwaken.

Als een stem roept om hem wakker te maken,
Een hand tast die de doeken openwindt,
Is hij verschrikt te leven, en hij schreit.

                Muus Jacobse

Ulrich Bach -Weihnachtswunsch 1990

Weihnachtswunsch 1990

Vor wenigen Tagen
erreichte mich
aus einer kirchlichen Chefetage
– so etwas gibt es –
ein “Weihnachtsbrief 1990”.
“Ein Jahr der Wunder Gottes
liegt hinter uns.”
So beginnt dieser Brief.
Dann geht es weiter mit
“Öffnung der Grenzen”
und “Fall der Mauer” und
“politischer Einheit”.
Danach dann noch einmal:
“Es war ein Jahr
der Wunder Gottes!”

Nun weiß ich,
endlich,
was ich mir wünsche
und denen, die ich mag:
Ein Christfest,
das ein
“gesegnetes”
genannt werden könnte,
weil wir Menschen finden,
mit denen zusammen
wir die Verwegenheit wagen,
dem Seichtsinn zum Trotz
“Christi Narren” zu sein,
die bei “Wundern Gottes”
immer noch
an Bethlehem denken
und Golgatha.

Ulrich Bach

www.ulrich-bach.de

De opwekking van Lazarus (Johannes 11:1-44)

De opwekking van Lazarus
Narratieve analyse van Johannes 11:1-44


(1) Inleiding

Het gedeelte over de opwekking van Lazarus vormt de climax van de 7 verhalen over de wonderen (semeia), die het Johannesevangelie vertelt. Johannes 11:1-44 is een doordachte perikoop, die bestaat uit vier delen:
* Vers 1-5
* Vers 6-16
* Vers 17-38a
* Vers 38b-44
In deze perikoop wordt de lezer verteld over de persoon en het werk van Jezus. Omdat dit op een narratieve manier gebeurt, noemt Hofius dit gedeelte een voorbeeld van narratieve christologie.
De interpretatie van dit gedeelte gebeurt op twee niveaus:
* op het niveau van het verhaal (climax in vers 38b-44)
* op het niveau van de theologie: wat de evangelist over Jezus wil onthullen (climax in vers 23-27)

(2) In het kader van Jezus’ eigen sterven
In het verhaal over Lazarus is het evangelie van Johannes er om te doen te vertellen wie Jezus werkelijk is (christologie): Hij is gekomen om nieuw leven te geven (soteriologie). Dat gebeurt niet alleen in de perikoop zelf, maar ook in het gedeelte ervoor en het gedeelte erna.
In Johannes 10:40-52 wordt verteld waar Jezus is: aan de overkant van de Jordaan. Dat is een verwijzing naar de doop. In de perikoop die er op volgt, wordt door Kajafas gesuggereerd dat het beter is om Jezus ter dood te brengen (Johannes 11:45-54).
Ook in het verhaal zelf zijn er verwijzingen naar het sterven van Jezus:
* Maria heeft de voeten van Jezus gezalfd (vanwege zijn naderend sterven)
* De tocht naar Lazarus is tegelijkertijd de tocht naar Jezus’ eigen sterven: teruggaan naar Judea (vers 7), waar ze Jezus zullen doden (vers 8), het licht van de wereld is er nog en daarom is het nog dag (vers 9). Jezus moet de dag gebruiken om zijn opdracht te vervullen. In het evangelie van Johannes is het vervullen van Jezus’ opdracht zijn sterven aan het kruis.
Volgens Thomas is de terugkeer naar Judea de weg naar de dood (narratief niveau). Die weg moest Jezus echter gaan, omdat hij een weg ging die de jongeren niet konden gaan. Hij gaat die weg voor hen (theologisch niveau).

(3) Redding (soteriologie)
Jezus zal sterven om leven te geven aan diegenen die in hem geloven. Omdat Lazarus het leven zal (terug)krijgen, moet Jezus sterven. Hij geeft zijn leven voor de zijnen. Lazarus wordt ‘vriend’ van Jezus genoemd, een verwijzing naar de liefde waarmee Jezus zijn leven voor de zijnen geeft (Johannes 15:13).
Jezus gaat voor Lazarus de dood in. Vanuit het perspectief van het nieuwe leven dat door Jezus verkregen wordt (soteriologie) valt er nieuw licht op vers 4: Toen Jezus het hoorde, zeide Hij: Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde. Deze tekst is een sleutel om de perikoop te begrijpen. Het verheerlijken van God, die op Zijn beurt weer de Zoon van God verheerlijkt is een belangrijk motief in het evangelie van Johannes. Het openbaar worden van de heerlijkheid van God is tegelijkertijd het openbaar worden van de heerlijkheid van de Zoon. Deze heerlijkheid (doxa) van God komt namelijk tot uitdrukking in het sterven en opstaan van Christus. Als Jezus de dood van Lazarus zal beëindigen doet hij dat als de Zoon van god die in zijn sterven en opstaan de macht van de dood verbreekt.
De heerlijkheid van Christus zal alleen waargenomen worden door degenen die geloven(11:26,40). Deze heerlijkheid van Christus blijft voor de ongelovigen verborgen. Alle handelende en sprekende personen (op Jezus na) worden in deze perikoop gekenmerkt door dat ongeloof. Jezus heeft gezegd dat hij Lazarus zal opwekken. De discipelen trekken een conclusie die nies te maken heeft met het handelen van Jezus. De dood en opwekking van Lazarus staat in het kader van het tot geloof komen van de discipelen. Zij zullen zien wat Jezus doet en geloven. Ook het optreden van Martha en Maria wordt door ongeloof gekenmerkt. Voor hen is Jezus een wonderdoener die zieken kan behoeden voor de dood. Zij geloven dat God Lazarus aan hen terug kan geven. Ook dat is een misinterpretatie van de persoon van Jezus (ingeleid door wij weten: oida hoti; oida hoti leid in het Johannesevangelie een misinterpretatie in!): de zussen maken onderscheid tussen de Vader de de Zoon. Ook de Joden zijn ongelovig: zij zien alleen maar de onmacht van Jezus. Dat de Joden denken dat Jezus alleen naar het graf gaat om te treuren doet Jezus verbolgen worden.
Jezus gaat pas na vier dagen naar Judea, als het zeker is dat Lazarus ook echt dood is. Volgens bepaalde Joodse bronnen kon de geest van de overledene nog 3 dagen om het lichaam van de overledene zweven. Het troosten van degenen die in rouw waren was een liefdewerk. Men troostte met een verwijzing naar de opstanding.

(4) Geloven in Jezus
Het nieuwe leven wordt geschonken door Jezus’ sterven en opstanding. Hij is  de opstanding; de opstanding ligt alleen in Jezus besloten (ego eimi, vers 25-26). Jezus zelf en zijn aanwezigheid is het beslissende. Vanuit hem wordt het geloof bepaald. Geloof is een verbintenis met Jezus. Geloven in Jezus betekent: geloven dat in hem het heil besloten ligt. Hij is de door God gezonden Zoon. Het gaat om de waarheid met betrekking tot de persoon van Jezus. Zoals Maria zegt:  “Ik heb geloofd (pepisteuka hoti), dat Gij zijt (su ei) de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou.” (Vers 27) Geloven in Jezus is dan ook niet oida hoti, maar pepisteuka hoti.
Het ongeloof, dat Jezus miskent (oida hoti), wordt overwonnen door de openbaring van Gods en van Jezus’ heerlijkheid.
In dit gedeelte wordt er een onderscheid gemaakt tussen het aardse leven en het eeuwige leven.
* aardse leven: apothanèi, zoov.
* eeuwig leven: zèsetai, aioona.

(5) Narratieve climax (vers 38b-44)
De narratieve climax is in vers 38b-44. Lazarus is al vier dagen overleden. Hij stinkt reeds (èdè ozei). Deze reactie van Martha laat de grootsheid van Jezus’ macht om het leven te geven zien die in deze doxa besloten ligt. Jezus, de Zoon, spreekt God aan als zijn Vader (patèr). De Zoon handelt niet in eigen initiatief, maar in nauwe verbondenheid met zijn Vader.
Jezus’ woord heeft gezag: op zijn woord komt Lazarus uit het graf. Lazarus is nog aan handen en voeten ‘gebonden’. De opwekking van Lazarus laat de macht van Jezus zien. Lazarus’ kwam niet uit eigen initiatief uit het graf.

(6) Theologisch climax (vers 23-27)
De theologische climax van de opwekking van Lazarus is vers 23-27. In dat gedeelte wordt het geheimenis van Jezus’ persoon onthuld. De overwinning op het ongeloof (de miskenning van Jezus) is net zo overweldigend en groots als de overwinning op de dood. De overwinning op de dood staat in dienst van de overwinning van het ongeloof.

N.a.v. Otfried Hofius, “die Auferweckung des Lazarus. Johannes 11,1-44 als Zeugnis narrativer Christologie”, Zeitschrift für Theologie und Kirche 102 (2005) 17-34

Het geloof leven en bespreken in tijden van ziek zijn

Het geloof leven en bespreken in tijden van ziek zijn

Ziek zijn is in veel opzichten verwarrend. Zeker als de tijd van ziek zijn langer duurt of als in de loop van de tijd blijkt dat er iets ernstigs aan de hand is. De verwarring veroorzaakt worden door het eigen lichaam: wat ik nu al een tijd voel in mijn lichaam komt mij niet bekend voor. Wat zal er met mij aan de hand zijn? Is het ernstig of gaat het vanzelf over? Vaak kijken mensen tegenwoordig eerst op internet rond voordat zij de dokter bellen. Op internet zijn de meest dramatische verhalen terug te vinden, waardoor de spanning, die er al was, nog meer toeneemt.
Onder zulke omstandigheden kan een uitslag rust en duidelijkheid geven. Ook al kan de uitslag een ernstige en confronterende zijn. Hoe merkwaardig dit ook mag klinken voor wie zelf geen proces van ziek zijn heeft meegemaakt. Het komt ook voor, dat degene die een ernstige uitslag te horen krijgt, als door een mokerslag getroffen wordt.
Een uitslag is er niet zomaar. Er kunnen weken en maanden van onderzoeken, bezoeken aan artsen en ziekenhuizen aan zijn voorafgegaan. Mijn ervaring uit de verhalen die ik hoor, is dat deze onderzoeken en gesprekken een behoorlijke impact hebben op degene die ziek is en ook op het gezin. Het wekelijkse ritme wordt niet meer bepaald door het alledaagse ritme. Geregeld vindt er een onderzoek plaats, waarvoor men naar het ziekenhuis moet. Dat kan een behoorlijk deel van de dag aan op gaan. Men leeft niet meer van week naar week, maar van onderzoek naar uitslag naar behandeling. Hoe dichter men bij het moment van de uitslag is, hoe spannender het is.
Het proces van ziek zijn en de ziekte zelf kunnen ook grote gevolgen hebben voor hoe iemand naar zichzelf, naar de maatschappij en naar God toe kijkt. Degene die ziek is, kan niet meer de normale bijdrage aan het gezin leveren. Vaak komt deze bijdrage tot uitdrukking in bepaalde taken en klussen: koken, de was weg werken, de kinderen naar school brengen, voor inkomsten zorgen, de boodschappen doen. Degene die ziek is, moet de eigen waarde weer ontdekken. Die ontdekking van de eigen waarde gaat vaak gepaard met twijfel aan zichzelf: Ben ik nog wel wat waard nu ik niets meer kan? Zorg ik niet alleen maar voor overlast? Ik herken mijn eigen lichaam niet meer, ik ben een vreemde voor mijzelf!
Ook het contact met de buitenwereld wordt anders. Degene die ziek is (en vaak ook de andere gezinsleden) hebben geen behoefte meer om het nieuws te volgen. Het ziek zijn, maar ook de verzorging en de bezoeken aan arts en ziekenhuis kosten veel energie. Het werk wordt onderbroken en kan tijden stil liggen. De buitenwereld kan ook met de situatie verlegen zijn. Hoe moet je reageren? Wat moet je zeggen? Sommigen durven uit schroom niets meer van zich te laten horen. De wereld wordt kleiner en daarmee de mogelijkheid tot afleiding. Tijdens een van mijn eerste bezoeken aan iemand die lange tijd in het ziekenhuis verbleef, viel het mij op dat zij niet over haar ziekte wilde praten. Zij vroeg aan mij, wat voor weer het was of hoe het bij ons thuis was. Als ik vertelde, kregen haar ogen meer glans. Ze was meer bij dan toen ik naar haar ziekte vroeg. Wanneer het bekend is dat iemand ziek is, kunnen er ook nieuwe contacten ontstaan. De predikant die langskomt. Kaarten die ter bemoediging gestuurd worden.
Ook de confrontatie met een ziekte kan ook de verhouding tot God veranderen. De een raakt teleurgesteld in God. De ander vindt juist kracht en troost in het geloof. Wie nog nooit over God heeft nagedacht, kan onverwacht een zoektocht naar God en geloof in slaan. De een ervaart de tijd van ziek zijn als een moment van stilgezet worden of van intieme nabijheid tot God. De ander voelt dat alle vastigheid wegzinkt en ook het vertrouwen op God.
Het contact met iemand die ziek is, kan op verschillende manieren tot stand komen. Een collega wordt ziek. Een naam kan doorgegeven worden aan bezoekzuster van een kerkelijke gemeente. Iemand in de nabije familie. Van belang is de houding, waarmee iemand die ziek is, tegemoet getreden wordt.
Hier gaat het om het ‘tevoorschijn luisteren van de ander’. Iedereen stelt zich op een unieke manier op in een nieuwe situatie. Ook een tijd van ziek zijn is een nieuwe situatie. Degene die ziek is, het gezin en soms de hele omgeving moeten zich ertoe verhouden. De een heeft behoefte aan meer grip op de situatie. Die behoefte kan tot uitdrukking komen in de poging de dagen waarop er naar het ziekenhuis gegaan werd te reconstrueren. Een ander kan totaal uit het lood geslagen zijn. Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking door slapeloosheid, emotionele reacties, gebrek aan eetlust. Stemmingen kunnen per dag en dagdeel wisselen.
Wanneer iemand in deze omstandigheden over het geloof wil spreken, is het verstandiger om niet iets te zeggen, maar het geloof voor te leven.
In het contact met iemand die ziek is, gaat het allereerst om aanwezigheid. Nu kan dat aanwezig zijn op veel manieren. Uit de tijd dat mijn schoonmoeder ziek was, herinner ik me dat sommige bezoekers erg vermoeiend waren. Ze bleven te lang zitten, waardoor het bezoek een opgave werd. Of ze praatten veel te hard, niet beseffend dat een zieke overgevoelig is voor geluid. Aanwezigheid kan niet zonder fijngevoeligheid. Bezoek aan iemand die ziek is, ervaar ik als heel intens en intensief. Ook al duurt een bezoek vaak niet langer dan een kwartier of een half uur. Dat komt door de vele indrukken: de sfeer waar ik binnentreedt, de toestand van de zieke, de houding van gezinsleden naar degene die ziek is toe. Aan het begin sprak ik over verwarring. Een bezoeker deelt in de verwarring. Vaak kan ik pas achteraf of na een aantal bezoeken begrijpen wat ik aanvoelde.
Een fijngevoelige aanwezigheid gaat gepaard met het ‘tevoorschijn luisteren van de ander’. Waardevol is een bezoeker durft te delen in de sfeer en de verwarring. Van veel betekenis is een bezoeker als hij of zij naar de ander kan luisteren. Met missionaire belang van ziekenbezoek ligt op dit vlak: aanwezig zijn, sfeer delen, aanhoren wat de ander graag wil vertellen, oprechte belangstelling in de ander. Dat kan als ambtsdrager bij iemand uit de wijk die ziek is. Dat kan bij een collega die niet gelooft. Bezoek kan voor iemand die ziek is als heel belangrijk en waardevol worden ervaren. Zeker als dit bezoek gebeurt uit oprechte belangstelling voor degene die ziek is. Wie op bezoek komt, laat zich namelijk niet weerhouden door de drempel van de eigen schroom. Iemand die ziek is, krijgt daardoor de bevestiging dat hij of zij er nog echt toe doet. Met zo’n houding wordt het geloof voorgeleefd. En dat maakt meer indruk. Over God spreken kan niet zonder eerst te delen in de verwarring die het ziek zijn met zich meebrengt. Wanneer het bezoek trouw en met fijngevoeligheid wordt afgelegd, ontstaat er vaak vanzelf ruimte om over God te spreken.
Soms word ik als predikant, wanneer ik bij een ernstig zieke langskom, door de familie gevraagd om met de zieke te spreken over het naderende einde, om de ernst van de situatie te laten doordringen of om de noodzaak juist in deze laatste maanden met geloof bezig te zijn te benadrukken. Gesprekken over deze onderwerpen zijn van wezenlijk belang. Iemand die ziek is, kan echter de behoefte hebben om niet over deze thema’s te spreken. Het kan zijn dat hij of zij liever iets anders deelt. In het contact met degene die ziek is gaat het allereerst om wat de ander beleeft en ervaart. Het gaat mij allereerst om wie de ander is en ook om de impact en de betekenis die een ziekte met zich meebrengt. Alleen als ik weet wie de ander is, ben ik staat en bevoegd om het geloof ter sprake te brengen.
De belangrijkste reden voor zo’n opstelling vind ik in de manier waarop God Zelf op ons betrokken is. In het christelijk geloof gaat het erom, dat God naar deze aarde afdaalde en mens werd. Hij heeft ons bestaan gedeeld. En uit de verhalen rondom Jezus kunnen we opmaken, dat Hij oog had voor wie iemand was. Hij reduceerde een zieke niet tot zijn ziekte. Aan genezingen gaan vaak gesprekken vooraf, die laten zien dat het bij een genezing
Gods komst naar deze aarde. Hij gebruikte hen niet als propagandamiddel voor het Koninkrijk van God.
Mijn ervaring als predikant is dat degene die ziek is mijn bezoek ook ervaart de komst van God. Dat merkte ik op verschillende manieren. Toen ik de inschatting maakte dat het beter was om na een ingrijpende operatie niet direct op bezoek te gaan, werd mij dat kwalijk genomen. Bij iemand die zo ernstig ziek was, dat iedereen dacht dat het einde nabij is, durfde ik nauwelijks te bidden om herstel. Terwijl ik elk moment de mededeling verwachtte dat degene die ik bezocht had, kreeg ik een mail met een inhoud die onvoorstelbaar was: de tumor was kleiner geworden, de kritieke toestand was voorbij. ‘Uw gebed was niet voor niets geweest’, stond er in de mail. (Een opmerking, die van grote betekenis is geweest voor mij, omdat ik daardoor ontdekte dat ik mijn werk met meer ongeloof deed dan goed was.)
Er ontstaat vanzelf ruimte om over God te spreken. Deze ruimte ontstaat door kleine opmerkingen over wat de betekenis van de ziekte is of hoe de ziekte ervaren wordt. De niveau’s van ervaring en existentie kunnen een goede aanleiding bieden om over God te spreken te komen. Daarbij bedoel ik niet, dat gesprekken over ervaring en zingeving aangegrepen slechts een opstap zijn voor een gesprek over God. Het ‘tevoorschijn luisteren van de ander’ betekent dat gesprekken op deze niveau’s in zichzelf al een belangrijke waarde hebben. Dat deze niveau’s een toegang tot een gesprek over God geven, is niet verwonderlijk: de gemeenschappelijke noemer is dat deze gesprekken allemaal over wezenlijke zaken gaan. Deze gesprekken gaan over zaken die er toe doen. Voor degene die ziek is én voor de bezoeker.
Om over God te spreken vraagt moed. Het eigen geloof is een terrein, waar buitenstaanders niet zomaar toegang toe krijgen. Wie toegelaten wordt op dit terrein moet vertrouwd zijn met de ander en de moed hebben om met de ander te spreken over God. Ik spreek over moed, omdat degene die ziek is een nieuwe oriëntatie zoekt. Er is weinig meer dat zeker is en ook de verhouding tot God kan heel sterk veranderen. Van missionair belang is het om God niet te verdedigen of de ander te overtuigen dat God er echt wel is.  Dat kan de Here zelf. Dat doet Hij ook zelf, is mijn ervaring.
Het ter sprake brengen van God betekent dat er een reactie komt, die ik zelf niet had kunnen bedenken. De eerste keren dat ik sprak iemand die zijn ziekte vanuit een gelovig vertrouwen droeg, ervoer ik als heel vervreemdend. Zelf zou ik geworsteld hebben met God, het niet hebben geaccepteerd dat ik ziek zou zijn. Ik heb moeten leren dat een gelovig dragen van het ziek zijn ook een echte, doorleefde reactie kan zijn. Ook het van elkaar leren maakt ziekenbezoek tot een waardevol bezoek voor degene die ziek is én degene die op bezoek komt. Het verschil, dat de ene ziek is en de ander niet, valt voor een deel weg. Beide gesprekspartners zijn mensen. Dat menszijn hebben ze gemeenschappelijk.
Om te laten zien, hoe over God gesproken kan worden, begin ik bij de afronding van een huisbezoek. Als ik voor het eerst bij iemand op bezoek ben, vraag ik altijd of het goed is als ik een gedeelte uit de Bijbel lees en bidt. In de meeste gevallen wordt dat zeer op prijs gesteld. Het zou kunnen zijn dat ik hier een voorsprong heb, omdat ik predikant ben en zo’n vraag verwacht wordt. Ik lees echter niet vanuit gewoonte, maar omdat de Bijbel Woord van God is. Dat de Bijbel Woord van God is, heb ik nog nooit in een gesprek hoeven uit te leggen. Iemand die geen ambtsdrager is, kan ook aanbieden om uit de Bijbel te lezen. Voor een gelovige is de Bijbel  het boek, waaruit troost en raad wordt geput.
Wat ik lees is afhankelijk van het gesprek en de situatie. Is iemand overrompeld door de negatieve uitslag en het ziek zijn, lees ik vaak de eerste verzen van Psalm 69. Ondergaat met het ziek zijn met vertrouwen, lees ik Psalm 23 of 121. Wanneer ik wil bidden om verlenging van het leven, lees ik het gedeelte over Hizkia, die aan de Here om verlenging van zijn leven vraagt. In de Bijbel wordt er in moeilijke tijden heel divers over God gesproken. Dat varieert van het vertrouwen op Gods leiding tot de klacht van Gods afwezigheid en de bittere constatering dat de ziekte van God afkomstig is (Psalm 88).
Mijn ervaring met het lezen van een Bijbelgedeelte dat erg bij de situatie past is dat degene bij wie ik op bezoek ben van Godswege een erkenning krijgt van wat iemand ervaart en meemaakt. Bovendien bevestigt het lezen uit de Bijbel nogmaals dat ik God zelf in de situatie inbreng. Hij is natuurlijk niet van mij afhankelijk, maar voor degene die ik bezoek een extra bevestiging van Zijn aanwezigheid. Ik was door een humanistisch raadsman gevraagd om bij een vrouw langs te gaan die zat met de vraag waarom God haar zo liet lijden. Als humanist kon hij daar niet met deze vrouw over spreken. Deze vrouw was niet-gelovig opgevoed en had een moeizaam leven gehad. Aan het einde van het gesprek las ik het begin van Psalm 69. Nadat ik dat gelezen had, zei zij: ‘Nu weet ik dat God bestaat.’
Een gesprek over God kan aan diepgang winnen, wanneer men het geheel van de Bijbel neemt en ziet, hoe er op God vertrouwd wordt, met Hem wordt geworsteld en gestreden, hoe er aan Zijn bestaan en Zijn goedheid getwijfeld wordt. Het kenmerk van het bijbelse spreken over God is dat er niet alleen over God gesproken wordt, maar ook tot God. Zelfs worsteling met God en beschuldigingen aan Gods adres laten de mogelijkheid voor het geloof in God. Een belangrijke missionaire taak is om voorzichtig het gesprek over God uit te lopen op een gesprek van de ander tot God. Wie zelf uit het geloof leeft, kan hierbij een gidsfunctie vervullen.
Niet iedereen is gediend van een gesprek over God. Als het gesprek over God niet mogelijk is, zijn er genoeg manieren om het gesprek waardevol te laten zijn. Er zijn vragen mogelijk als: ‘Ik zie dat je veel lijdt. Waar haal je de kracht vandaan om deze weg te gaan?’ ‘Hoe houd je dit vol?’ ‘Denk je voor jezelf na of je ziek zijn je iets te zeggen heeft?’ Wie in God gelooft, mag er vanuit gaan, dat Hij werkt en mag erop vertrouwen dat Hij in staat is om mensen tot geloof te bewegen. Hij is niet van ons afhankelijk. Dat geeft ons als bezoekers een ontspannen houding.
De praktijk laat het ook zien. Een tijd van ziek zijn kan ook een aanleiding zijn om het leven anders in te vullen. Bijvoorbeeld door prioriteiten anders te leggen. Door meer te letten op zichzelf, het gezin waartoe iemand behoort, meer om vrienden te geven. Het leven anders invullen kan ook door God weer een plaats te geven in het leven. Een periode van ziek zijn kan een start zijn voor een zoektocht naar God.
Er zijn meer middelen om iemand in contact met God te brengen dan een bezoek of een persoonlijk gesprek. Een bemoedigende kaart of een persoonlijke brief kan veel betekenen. Wanneer de band met een ander  heel goed is, kan er ook gedacht worden aan het bezoeken van een kerk. Ik doel dan niet op een genezingsdienst, maar op een bezoek aan een kerkgebouw en een kaars branden, een kerkdienst of een vesper. Een kerkgebouw en een kerkdienst hebben uit zichzelf een troostend karakter, omdat te maken heeft met Gods aanwezigheid. Het bezoeken van een kerk of een dienst plaatst iemand in de aanwezigheid van God. Of iemand gelooft of niet. Zijn aanwezigheid is niet afhankelijk van ons geloof. Een bezoek aan een kerk of een dienst werkt troostend, omdat iemand die geconfronteerd is met de eigen eindigheid zich geborgen mag weten in een heilige en eeuwige sfeer, die wij als gelovigen duiden Gods eeuwige erbarmen en altijddurende aanwezigheid.

 ds. M.J. Schuurman