God geeft een betere wereld

God geeft een betere wereld

Komende zondag gaat de preek over Mattheüs 5:1-16. Omdat ik in deze tijd bezig ben om meer structuur aan te brengen de opbouw van mijn preken, gebruik ik intensief het model van de
Vier pagina’s van de preek van Paul Scott Wilson. Dat model zal ik in de komende weken hier bespreken.

Een van de stappen in dit model is het herschrijven van het Bijbelgedeelte in korte, directe zinnen. Daarom hier Mattheüs 5:1-10 op die manier herschreven:

Jezus ziet de menigte van mensen.
Jezus gaat op de berg zitten.
Jezus’ leerlingen komen naar Hem toe.
Jezus begint te spreken.
Hij geeft onderwijs.
Hij richt zich tot zijn discipelen.
De menigte is op de achtergrond aanwezig.

Zalig de armen van geest…
Jezus vertelt hoe Hij zijn leerlingen ziet.
De leerlingen van Jezus lijden aan de wereld.
Deze wereld is oneerlijk.
De leerlingen kunnen weinig aan deze wereld veranderen.
Daarom lijden ze aan deze wereld.
God geeft hen een betere wereld.
Die betere wereld is bestemd voor wie aan deze wereld lijden.
Zij ontvangen een geluk dat het aardse overstijgt.

Zalig die treuren …
De leerlingen van Jezus hebben verdriet over deze wereld.
Zij ervaren dat deze wereld niet is, zoals God die geschapen heeft.
Die ervaring is een ervaring van in ballingschap te zijn.
Dat deze wereld niet meer is, zoals God die geschapen heeft is voor hen verlies.
Daarom zijn ze in rouw.
God geeft hen een betere wereld.
Die betere wereld is bestemd voor wie rouwen
om het verlies van Gods oorspronkelijke wereld.
Dat God die betere wereld geeft is voor hen een troost.
Met het ontvangen van die betere wereld, ontvangen een geluk dat het aardse overstijgt.
Ze hoeven niet meer in rouw te zijn.

Zalig de zachtmoedigen …
De leerlingen van Jezus lijden eraan dat zij de wereld niet kunnen veranderen.
Ze hebben niet de invloed en de macht om de wereld te kunnen veranderen.
Zij ervaren hun onmacht.
Die onmacht is voor hen kruisdragen.
God is wel bij machte om die wereld te veranderen.
God zal deze wereld veranderen.
God geeft een betere wereld.
Die betere wereld is voor hen die de wereld niet kunnen veranderen.
Met het ontvangen van die betere wereld, ontvangen een geluk dat het aardse overstijgt.

Zalig die hongeren en dorsten …
Het lijden aan deze wereld is voor de leerlingen van Jezus een intense ervaring.
Het lijden lijkt op honger en dorst.
Het lijden is een intens verlangen naar een eerlijke, rechtvaardige wereld.
Het lijden is een intens verlangen naar een wereld waarin Gods richtlijnen worden gevolgd.
De leerlingen van Jezus kunnen de wereld niet veranderen.
God kan die wereld veranderen.
Hij kan een eerlijke, rechtvaardige wereld geven.
God geeft een betere wereld.
Die betere wereld is voor Jezus leerlingen, die intens verlangen hebben.
Als die betere wereld komt, gaat dat verlangen voor hen in vervulling.
Met die betere wereld, die God geeft, is hun honger en dorst voorbij.

Zalig de barmhartigen
De leerlingen kunnen aan de wereld niets veranderen.
Zij kunnen de wereld niet eerlijker maken.
Helemaal machteloos zijn ze niet.
Zij kunnen zich op een bepaalde manier gedragen in deze oneerlijke wereld.
Zij kunnen hun hart laten spreken.
Zij kunnen hun hart laten spreken voor medemensen in nood.
Zij kunnen mild zijn in hun oordeel over anderen.
Zij kunnen in het klein iets voor anderen betekenen.
Als zij hun hart laten spreken,
Als hun daden gekenmerkt worden door deze bewogenheid en mildheid
laten ze in deze wereld iets van God zien.
De leerlingen van Jezus zullen daarom in het laatste oordeel
van God zelf barmhartigheid ontvangen.
In het laatste oordeel zal God mild over hen oordelen.
Zij krijgen permissie het koninkrijk der hemelen binnen te gaan.

Zalig de reinen van hart …
De leerlingen van Jezus kunnen aan deze wereld niets veranderen.
Zij kunnen wel voorkomen dat de wereld hen verandert.
Zij kunnen voorkomen dat de wereld hun hart verandert.
Zij kunnen voorkomen dat zij denken en handelen volgens de normen van deze wereld.
Die normen van deze wereld zijn: ik-gerichtheid, gebrek aan compassie, aan empathie,
over de grenzen van anderen gaan, anderen beschadigen.
De leerlingen van Jezus zijn integer.
Zij hebben geen vervelende bijbedoelingen.
Omdat zij geleefd hebben, zoals God wil, zullen ze God zien.
Als God die betere wereld geeft en hen permissie geeft om binnen te gaan,
zullen ze de hemelse Vader mogen zien
van Wie zij in hun daden op aarde al iets lieten zien.

Zalig de vredestichters …
De leerlingen van Jezus leven in een wereld vol conflict en strijd.
De leerlingen van Jezus leven in een wereld waarin mensen elkaar pijn doen.
De leerlingen van Jezus brengen de partijen bij elkaar.
Zij helpen om conflicten uit de weg te ruimen.
Ze helpen om begrip voor elkaar op te brengen.
Ze delen in de pijn van het conflict, maar leggen zich er niet bij neer.
Ze geloven in een toekomst waarin het conflict weg is.
Ze doen alles eraan om dat te bereiken.
Omdat ze gericht zijn op de vrede noemt God hen Zijn kinderen.
Zij behoren tot het volk van God, tot het verbond.
Zij zijn erfgenamen bij God.
Zij noemen God hun (hemelse) Vader.
Hun contact met God is intiem.

Zalig zijn die vervolgd worden …
De leerlingen van Jezus hebben het niet makkelijk.
Ze worden niet begrepen.
Ze ervaren tegenstand.
Ze worden vervolgd.
Daarom geeft God hen een betere wereld.
Als God die betere wereld geeft en hen permissie geeft om binnen te gaan.


Advertenties

Commentaren Bijbelboek Openbaring

Commentaren Bijbelboek Openbaring

Bij de prekenserie over Openbaring heb ik de volgende boeken gebruikt:

(1) Dit recente commentaar van Klaus BergerDie Apokalypse des Johannes
die-apokalypse-des-johannes-kommentar-978-3-451-34779-5-49193

Het bijzondere aan dit commentaar is: (a) Bergers grondige kennis van de Joodse apocalyptiek en (b) Bergers grondige kennis van de receptiegeschiedenis. Bij elke perikoop geeft Berger ook aan op welke manier dit gedeelte door de eeuwen heen in liturgie en preken is opgenomen.  (c) Bijzonder is ook dat zijn commentaar is opgedragen aan de herinnering van de kathedraal, die in zijn geboorteplaats stond. Deze kathedraal van 800 jaar oud moest plaats maken voor een kazerne die na 80 jaar werd afgebroken. (d) Bergers combinatie van wetenschappelijke exegese en meditatieve overweging van dit bijbelboek. Berger is ook eigenzinnig in de uitleg. Soms storend, vaak prikkelend. Ondanks de hoge prijs een mooie aanwinst voor de exegese van Openbaring.

(2) Dit recente commentaar van Craig R. Koester.
revelation.jpg
Ook Koester is een kenner van de apocalyptiek. Steeds een sterke exegese, waarbij je als lezer merkt dat Koester dit bijbelboek begrijpt. Dit commentaar bevatte voor mij veel eye-openers en maakte voor mij het ook aangeschafte commentaar van Beale eigenlijk overbodig.

(3) Op de een of andere manier heb ik iets met Ben Witherington III. Daarom heb ik ook zijn commentaar op Openbaring aangeschaft.
517oj1kW+lL._SX331_BO1,204,203,200_
Zijn commentaar is beknopt en to-the-point. Prettig om mee te werken. Zijn specialiteit: aandacht voor de rethotiek en de socio-historische achtergrond van Openbaring. Steeds legt Witherington uit hoe Openbaring gelezen moet worden in de context van het Romeinse imperium.

(4) Ook het commentaar van Gregory K. Beale schafte ik aan.
682076
Vooral omdat dit commentaar werd geroemd vanwege de aandacht voor het Oude Testament in Openbaring. Een nuttig commentaar, maar zoals ik al schreef: naast het commentaar van Koester niet echt nodig.

Naast deze meer wetenschappelijke commentaren gebruikte ik nog twee meer meditatieve commentaren, die geschreven zijn met kennis van de wetenschappelijke exegese:

(5) Marva J. Dawn, hoogleraar theologie, die te maken heeft met allerlei ziekten en lichamelijke handicaps vond in Openbaring Vreugde (met hoofdletter!) in Christus beschreven.
download
Vanuit de kennis van de exegese en vanuit haar eigen ervaring schreef ze een uitleg van Openbaring: Joy in Our Weakness, waarin de nadruk ligt op de volharding en de trouw aan Christus in een wereld vol verleidingen. Net als al haar andere boeken zeer de moeite waard!

(6) Ook Eugene H. Peterson schreef een boek over Openbaring. Het enige boek dat in het Nederlands (alleen tweedehands) verkrijgbaar is: Laatste woorden. Net als het boek van Dawn geschreven met het oog op de gemeente. Voor Peterson is Johannes, de schrijver van het bijbelboek Openbaring allereerst pastor.
989104.jpg

Naast deze boeken heb ik nog twee boeken thuis liggen die ik incidenteel gebruikte:
(7) K. Schilder, Openbaring en het sociale leven
(8) K.H. Miskotte, Hoofdsom der historie

Preek zondag 8 april 2018

Preek zondag 8 april 2018
Kinderdienst. Thema: Groeien & bloeien
Schriftlezing: Johannes 15:1-8. Bijbel in Gewone Taal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De lente is weer begonnen.
De narcissen bloeien volop en de tulpen gaan beginnen
en de bomen beginnen al groene knoppen te krijgen.
Gisteren was het mooi weer:
Je merkte dat bij het voetballen, bij het spelen in de speeltuin, bij buitenspelen.
Als het mooi weer is, kunnen de bloemen gaan bloeien, de bomen weer groen worden.
Dan worden de lammeren geboren en kunnen de koeien naar buiten.
Dat alles groeit en bloeit, dat de lente gekomen is, dat jonge dieren geboren worden,
dat gebeurt niet zomaar, maar dat komt, omdat de Heere God dat laat groeien.
Een paar weken geleden was het nog heel koud.
Er bloeiden hooguit wat krokussen en misschien een eerste narcis.
De bomen waren nog kaal.
Dan kun je je afvragen: komt de lente nog wel?
Ja, natuurlijk komt de lente, want die komt elk jaar
Het lijkt zo gewoon, dat het weer lente wordt,
dat alles weer groen wordt, dat de bloemen gaan bloeien, dat er jonge dieren komen,
maar het is de zorg van God voor de aarde.
Hij heeft de wereld geschapen en Hij zorgt ervoor dat er weer een nieuw seizoen komt.

Vorige week hebben we Pasen gevierd.
Pasen lijkt op de lente: er is weer nieuw leven, omdat Christus opstond uit de dood.
Alleen het verschil is, dat we de lente heel gewoon vinden.
Dat hoort elk jaar zo te zijn
en het verschil is ook dat na de lente de zomer en de herfst komen en alles weer dood gaat.
Maar het nieuwe leven, de lente die Christus bracht
door op te staan uit de dood
gaat nooit voorbij.

Het bijzondere is dat wij dat nieuwe leven ook kunnen krijgen,
dat er voor ons ook dat nieuwe leven kan komen,
waarvoor Christus stierf aan het kruis en opstond uit de dood.
Jezus zegt: Ik ben een stam en jullie zijn takken.
Takken die afgezaagd zijn, die kunnen niet lang meer leven.
Vorig jaar was een grote tak van een kastanjeboom afgezaagd
En daarna bleven de bladeren toch nog even doorgroeien,
maar uiteindelijk gingen de bladeren dood, omdat ze geen voedsel kregen.
Die voeding die ze nodig hebben, krijgt een tak alleen als hij aan de boom vastzit.
Zo kunnen wij alleen dat nieuwe leven krijgen als we aan de Heere Jezus verbonden zijn.

Daar gaat het dus om: ben jij verbonden met de Heere Jezus?
Net zoals een tak aan een boom vastzit.
Als dat zo is, dan kun je leven, dan kun je groeien, dan kunnen er vruchten aan je komen.
Maar als dat niet zo is, als je niet aan de Heere Jezus verbonden bent?
Wat gebeurt er dan?
Dan gebeurt hetzelfde met een tak die van een boom wordt afgehaald.
Die tak gaat dood en aan die tak kunnen er geen vruchten meer komen.
Dat die tak dood gaat, dat die tak geen vrucht kan dragen, ligt niet aan de boom.
Als jij niet aan de Heere Jezus verbonden bent, als een tak aan een boom,
ligt dat niet aan de Heere Jezus:
Ik ben de stam van Gods druivenplant.
Dat is misschien een gekke vergelijking. Wie vergelijkt zich nu met een stam, een plant?
Nou, in het Oude Testament wordt het volk Israël vaak vergeleken met een druivenplant,
of met een wijngaard, een hele tuin vol druivenplanten.
Die tuin of die druivenplant is door God geplant,
Eerst uitgegraven in Egypte en opnieuw geplant in het land Kanaän.
Waarom deed God dat dan?
Omdat Hij voor Israël wilde zorgen, omdat de Heere wilde
Dat er vruchten aan Israël, de druivenplant, zouden komen: druiven om wijn van te maken.
Wijn om je dorst te lessen, wijn die je kunt drinken als je feest gaat vieren.
Alleen: Israël wilde geen vruchten laten zien. Israël; was niet zo geïnteresseerd in God.
Ondanks dat God zorgde, kozen ze ervoor andere goden te dienen.
Ondanks de zorg van God geen vruchten, geen druiven aan de plant.

En wat doe je met een plant die niets opbrengt?
Als de plant dood is, zaag je de plant om, of hak je de plant om
en gebruik je het hout van de plant om een vuur aan te steken.
Nu zegt de Heere Jezus over zichzelf: Ik ben de stam van Gods druivenplant.
Ik ben de ware wijnstok: Ik zorg dat al die takken wel vruchtdragen,
dat die takken, als ze dood waren, weer nieuw leven krijgen
en toch doen waarvoor God ze geplant heeft: dat er vrucht, fruit aan komt.
Als je aan de Heere Jezus verbonden bent, dan ga je leven en dan komen er vruchten.
De Heere Jezus zei het tegen de discipelen, maar ook tegen ons:
Jullie zijn de takken en zorg dat je aan Mij vast zit en dat je niet meer losgaat.
Want als je los bent, als je nog niet vast zit, of als je losraakt, dan gaat het mis, goed mis!
Daar gaat het om – dat je verbonden bent met de Heere Jezus.

Hoe kun jij vastkomen aan de Heere Jezus?
Als je gaat geloven. Als je de woorden van de Heere Jezus hoort,
als je Hem hoort – en dat kan als je een Bijbelverhaal hoort, of een preek,
Als je je vader of je moeder, iemand van de clubleiding,
een juf op school hoort vertellen over Hem
en je weet, je merkt: dat is waar! Ik wil bij Hem horen, ik wil in Hem geloven.
Dan maakt de tuinman jou als tak vast aan de boom
en Jezus zegt: Mijn Vader, God zelf, is de tuinman.
Hij zorgt ervoor dat je aan de Heere Jezus vast komt te zitten, dat je aan Hem gaat groeien.
Als je gelooft, dan hoef je daar dus niet meer druk over te maken.
God doet het, je bent verbonden.
Het gaat er om of wij willen, of wij aan de Heere Jezus vast willen groeien.
God als tuinman en de Heere Jezus als de stam willen dat. En jij en u?
Als je dat wilt, dan kun je verder groeien.
Je hebt misschien wel ergens in huis een plek waar je een streepje zet
om aan te geven hoe hard je groeit.
Zo kun je ook in geloof groeien: door meer te weten, meer te geloven, meer vrucht.

Wat is nu die vrucht die aan ons kan groeien?
Wat zijn nu vruchten die aan je groeien als gelovige?
Dat je trouw blijft geloven, ook als het niet makkelijk is bijvoorbeeld.
Of dat je merkt dat je geen verkeerde dingen meer wilt doen,
omdat je weet dat je daardoor bij God weggaat, omdat daardoor je tak weer los gaat
en dan gaat het alsnog mis.
Een andere vrucht is liefde – ook voor iemand waar je eigenlijk niet van wilt houden,
maar je weet dat God alle mensen geschapen heeft
en wilt dat alle mensen aan de Heere Jezus verbonden zijn,
dan doe je je best ook van hen te houden.
Misschien heb je pas nog het verhaal gehoord van de Heere Jezus
die de voeten van de leerlingen waste. Hij zei: jullie moeten net zo doen.
Als je bij de Heere Jezus hoort, ga je groeien en bloeien.
Dan kunnen andere mensen dat zien.
Niet alleen maar door wat je zegt, maar door hoe je bent.
Ze zien dan dat in jou de Heere Jezus leeft. Dat noemt de Heere Jezus vrucht dragen.

Dat kan dus alleen als je bij Hem hoort. Als je gelooft.
Alleen dan stroomt het leven dat de Heere Jezus heeft
en dat Hij aan ons wil geven omdat Hij gestorven is en opgestaan
naar jou toe door.

Een boom geeft aan de takken sappen door, voeding.
Als je bij de Heere Jezus hoort, dan merk je ook dat er iets van Hem in jou komt.
Zijn woorden, die ga je doen
Maar ook het slechte waar je aan denkt en dat je doet, wilt doen,
dat wordt uit je gehaald.
Je wordt schoongemaakt van binnen. Gereinigd van de zonden. Door de Heere Jezus.

Er gebeurt nog iets. Dat gebeurt door de tuinman, door God dus die de tuinman is.
Er worden takken weggesnoeid.
Wij hebben om de tuin een coniferenhaag staan.
In die haag van coniferen zitten bepaalde gaten.
Daar hebben vorig jaar takken van andere struiken gezeten.
Zij hebben het zonlicht tegengehouden.
Er kan ook bij ons, bij jou iets zijn, dat het zonlicht van God tegenhoudt
en dat zonlicht is dan: Zijn liefde en genade, Zijn zorg.
Je kan dan niet groeien, en ook geen vrucht dragen.
Dan kun je denken aan een zonde, die groeit.
Of dan kun je denken aan onverschilligheid: je wilt niet geloven, geen zin in.
Of je denkt: geloven, dat komt later wel, als ik volwassen ben.
En dan komt de tuinman, God de Vader, die haalt dat weg.
Die haalt die zonde uit je weg. Die haalt die onverschilligheid uit te weg.
Die haalt de gedachte uit je weg, dat het later wel komt
en je beseft: ik moet nu gaan geloven.
Snoeien kan pijnlijk zijn, maar het is wel beter voor je:
Want dan ga je weer groeien en komen er nog meer vruchten aan je.
Het is pijnlijk, maar het is juist de zorg van God om je beter te maken.
Net als er een splinter in je voet of je hand.
Die kun je laten zitten, omdat het niet fijn is die er uit te halen en toch is dat beter.

Als je groeit en bloeit komt dat door de Heere Jezus,
Die zoals een boom aan de takken voeding doorgeeft aan jou Zijn liefde doorgeeft.
Als je niet groeit, als er geen vruchten zijn, dan ben je maar een kale tak,
een dode tak. Dan doe je niet waarom God je gemaakt heeft.
Hij kan je afknippen en weggooien en verbranden.
Eens zal God alle zonde wegdoen, alles wat niet bij Hem hoort wegdoen, voor altijd.
Maar het is Pasen geweest. Wat dood is, kan levend worden.
Wat dood is, kan door de Heere Jezus tot leven gewekt worden.
Als jij nog dood bent, is er hoop voor je.
Als je bij de Here Jezus gaat horen, ga je leven.
maar altijd bij Hem te blijven: altijd naar Zijn woorden luisteren.
Het is een waarschuwing om niet bij Hem weg te gaan.
Doe je dat, dan kun je veel mooie dingen laten zien: vruchten groeien er aan je!
En alle mensen zullen zeggen: Wat is God goed!
Ze zullen zeggen: We zien dat God werkt, dat God een tuinman is, die zorgt.
Dat willen wij ook. Wij willen ook bij de Heere Jezus horen.
Zo maken jullie de hemelse macht van Mijn Vader zichtbaar
Dan groei je en bloei je – tot eer van God.
Amen

Preek zondagmorgen 25 maart 2018

Preek zondagmorgen 25 maart 2018
Afsluiting winterwerk
Schriftlezing: Jesaja 53:1-7 en Mattheüs 27:1-26

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Komende vrijdag is het Goede Vrijdag.
Op die dag staan we er bij stil dat de Heere Jezus voor ons aan het kruis stierf.
Bijzonder om zo’n vrijdag goed te noemen…

In de weken daarvoor – we noemen die tijd de Lijdenstijd –
staan we stil bij de weg die de Heere Jezus ging naar het kruis.
Lijdenstijd: niet alleen aan het kruis heeft Jezus geleden, maar daarvoor al.
In de lijdenstijd denken we na over het lijden van de Heere Jezus:

  • niet alleen: hoe erg het was
  • maar dat Hij dat deed – voor ons
    (Jesaja 53: De straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem)


Alles wat de Heere Jezus deed – deed Hij voor ons, om ons vrede te kunnen geven:
De binnengaan van de stad Jeruzalem op een ezel,
hoe Hij avondmaal vierde met Zijn leerlingen,
daarna Gethsemané, waar vroeg of het lijden aan Hem voorbij mocht gaan
en toen het duidelijk werd dat Hij die weg moest gaan, zei:
‘Het gaat er niet om wat Ik wil, maar wat U wilt, Vader, dat zal gebeuren!’
Daarna kwam Judas, Zijn eigen discipel, met een groep soldaten
en werd Jezus gevangen genomen en meegevoerd naar de priesters, de Schriftgeleerden.
De hele nacht zijn ze bezig geweest met het ondervragen van Jezus
en na die nacht weten ze het zeker: Jezus mag niet blijven leven! Hij moet sterven.

Als kerk, als christenen geloven we dat Jezus niet zomaar moest sterven,
maar dat Hij dat deed in onze plaats.
Daarom is het elk jaar weer bijzonder om stil te staan bij het kruis op Golgotha:
o, ik weet meer dan ooit: dat Hij dit deed voor mij!
Denk jij daarover na, als je die verhalen hoort over de Heere Jezus?
Als je daar op school over hoort, of thuis uit de Bijbel, in de kerk?
Dat je denkt: dat gebeurde niet zomaar, maar dat was wat God wilde,

zodat ik bij God mag horen.

We lazen in de Bijbel dat de hogepriesters en de Schriftgeleerden besluiten
Dat Jezus moest sterven.
Alleen: ze mogen zelf niet beslissen dat iemand moet sterven.
Dat mag alleen Pilatus beslissen, die namens de Romeinen de baas is in Israël.
Als de zon opkomt en de nieuwe dag begint,
gaan ze de Heere Jezus naar Pilatus brengen.
Ze binden Hem vast.
Dat doen ze vast om Jezus veel gevaarlijker te laten lijken dan Hij is.
Want stel je voor, dat ze bij Pilatus komen, zonder dat Jezus is vastgebonden,
zal Pilatus misschien wel zeggen: ‘Jullie kunnen me meer vertellen.
Als die Jezus echt zo gevaarlijk is als jullie zeggen,
waarom heb je Hem dan niet vastgebonden?’
Moet je dat voor je zien – dat ze de handen van Jezus vastbinden.

Dat zijn de handen waarmee Jezus de melaatsen heeft aangeraakt,
waardoor ze genezen werden.
Dat zijn de handen, waarmee Jezus modder op de ogen van een blinde smeerde,
die blinde man waste zijn ogen schoon en hij kon weer zien.
Het zijn de handen die het dochtertje van Jaïrus bij de hand greep
En zei: ‘Meisje, sta op!’
Met deze handen trok Hij Petrus uit het water, toen Petrus wegzonk
en dreigde te verdrinken.
Wat hebben deze handen voor verkeerds gedaan, dat ze nu vastgebonden moeten worden?
En als je verder nadenkt over deze handen,
De handen van Christus, die zo zegt het Nieuwe Testament, betrokken is
bij de schepping van deze wereld.
Het zijn de handen van deze Christus – al was Hij toen nog geen mens –
die de wereld mede hebben geschapen.
Die ons het leven hebben gegeven en ons in deze handen draagt.
Ze worden gebonden, terwijl ze onschuldig zijn.
Hij die de Heer is, mens geworden om ons te dienen,
die hetzelfde werd als ons – alleen dan geen zonde,
dan gebonden – alsof Hij de grootste misdadiger is,
een gevaarlijke crimineel die je niet zomaar vrij kunt laten rondlopen.
Tot de misdadigers gerekend – Hij die gekomen is om de wereld van de zonde te redden.

Waarom maakte Jezus zich niet los, zoals Simson dat wel deed?
Je kent vast het verhaal van Simson wel, Simson die zijn kracht van de Heere kreeg.
Hij kwam steeds bij Delila en die vroeg hem hoe Simson aan zijn kracht kwam.
Simson zei toen: als je mij vastbindt, dan kan ik niets meer.
Maar nadat Delila hem gebonden had, sprong hij op en scheurde hij de touwen af.
Zou de Heere Jezus dan zelf niet de macht hebben,
om de boeien los te maken, om deze touwen te verbinden?
Is dat nu de Zoon van God?
Bij het kruis zullen degenen die er bij staan spottend roepen: ‘Anderen heeft Hij verlost,
maar Zichzelf redden dat kan Hij niet!’
Moet je Hem daar zo zien, zo machteloos, niet meer vrij, maar vastgebonden.
We zongen het: is dit nu de koning waar iedereen zo naar heeft uitgekeken?
Waar de voorvaderen uit het Oude Testament naar hebben uitgekeken?
Als je Jezus zo ziet, zou je dat niet meer kunnen geloven,
Dat Hij Gods Zoon was, de koning die het kwaad en de duivel zou overwinnen.
Waar is dan Zijn almacht nu? Waar is Zijn goddelijke glans?
Daar is nu niets meer van over, maar zonder macht, hulpeloos,
Vastgebonden als een lam, die meegenomen wordt om geslacht te worden.
Waarom deed Hij dat? Waarom liet de Heere Jezus zich vastbinden?

Dat deed Hij voor ons, voor jou, voor mij.
Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij ons zou losmaken. (Avondmaalsformulier)
Afgelopen week was er in Frankrijk een gijzeling.
Er was iemand die een gevaarlijke terrorist uit de gevangenis wilde krijgen.
Hij ging een winkel binnen, nam een aantal mensen gevangen, in gijzeling
en zei: Ik laat hen pas gaan, als die man die in de gevangenis vast zit vrij wordt.
En zo niet, dan dood ik de mensen die ik hier gevangen genomen heb.
Er was een politieagent, die tegen de man die de mensen gijzelde zei:
Laat mij ruilen.
De agent ruilde zichzelf en een vrouw die gevangen was, mocht de winkel verlaten.
Ze was vrij, ze was gered.
Die agent werd nog diezelfde dag gedood.
Omdat die agent ruilde, daarom kon die vrouw gaan.
Het kostte die agent zijn leven en de vrouw was gered.
Het lijkt wat op wat met de Heere Jezus gebeurde:
Als je Mij nu vastbindt, mag iedereen die in Mij gelooft vrij.
Ik neem de plaats in van al die anderen, al moet Ik daarvoor de dood ingaan.
Ik ruil, zegt Jezus – een ruil die voor de Heere Jezus niet goed uitpakte:
Hij werd gevangen, Hij die over alles en iedereen de macht heeft, liet zich binden,
Hij die nooit iets fout gedaan had, zei: reken het Mij maar aan.
Het waren niet alleen de Schriftgeleerden en de priesters die Jezus vastbonden.
Was het God de Vader zelf niet?
Net zoals Abraham zijn zoon Izaäk moest vastbinden,
zo bond de Vader Zijn Zoon Jezus, nu om geboeid naar Pilatus te gaan
En straks vastgebonden, vastgespijkerd aan het kruis.
Bij Izaäk was er iets anders dat de plek innam: er was een ram,
Waardoor Izaäk mocht blijven leven, de ram met de horens in de struiken werd gedood.

In de verhalen van de Heere Jezus zien we wat er eigenlijk met ons had moeten gebeuren,
Wat God met ons zou moeten doen.
Daarom: elke zonde, elke keer als wij iets verkeerds doen,
trekken wij het touw om de polsen van Jezus strakker
en zorgen wij ervoor dat Jezus steviger aan het kruis komt te zitten,
de spijkers dieper in Zijn handen.

Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij ons zou losmaken.
Waar moeten wij van losgemaakt worden?
Waar moet jij van losgemaakt worden? En ik?
Wat houdt ons gevangen? Wat houdt jou gevangen en mij?
Misschien vind je het wel raar om te horen, dat jij gevangen kunt zitten,
want je kunt je vrij bewegen.
Je zit niet achter tralies, je bent niet vastgebonden.
En toch … in de Bijbel lezen we dat wij – als God ons niet bevrijdt – vast zitten.
We noemen dat de zonde
en zonde is dat wij uit onszelf niet naar God toe kunnen
en dat wij niet willen dat God in ons leven de baas is.
Dat we bij God vandaan gegaan zijn en niet zomaar terug kunnen.
Omdat we steeds de neiging hebben om tegen God te kiezen, of dat ook doen,
omdat we lang niet altijd naar Hem willen luisteren,
kunnen wij God ook niet dienen, zijn we niet vrij om naar Hem toe te gaan.
Zitten we vast in de macht van de zonde, van de duivel.
En dat is onze eigen keuze geweest.

Je kunt dat vergelijken met iemand die verkeerde vrienden heeft.
Je hoeft niet voor die vrienden te kiezen, maar je doet het toch.
Omdat het stoer is, wellicht
en eerst denk je: het kan geen kwaad.
Al waarschuwen je ouders je en zeggen ze: niet doen, zoek andere vrienden! Niet hen!
Maar ze nemen je mee als ze een winkel overvallen, ze vragen je van je ouders te stelen.
Je kiest voor die vrienden en je weet dat wat ze doen niet goed is
en toch doe je mee en ga je mee op het verkeerde pad.
Dan kun je niet zomaar thuiskomen.
Er moet eerst weer wat gebeuren: je moet los komen van die verkeerde vrienden.

Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij ons zou losmaken.
Jezus liet zich vastbinden, zodat wij, dat jij, ik, los kunnen komen
van de zonde, van de duivel – redding noemt de Bijbel dat
en Jezus zegt zelf: de schuld die er is, die draag Ik.
Daarom laat Ik mij vastbinden – alsof Ik die misdadiger ben,
alsof Ik zelf al die zonden heb begaan, alsof Ik verantwoordelijk ben.
Reken het Mij aan, Vader en niet hen.
Laten we ruilen: Ik draag hun schuld en zij mogen vrij zijn, bevrijd
Zij mogen weer bij U horen, zij mogen U, Vader, weer dienen,
omdat Ik Mij liet vastmaken.

Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij ons zou losmaken.
Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij jóu zou losmaken.
Geloof je dat? Dan mag je naar Hem kijken
en doet het misschien wel zeer, dat Hij vastgemaakt moest worden,
maar mag je dankbaar zijn, blij dat Hij zich liet vastbinden,
want daardoor kun jij vrij komen, mag jij bij God horen.
Het is een geschenk van God aan jou
en je hoeft er niets voor te betalen,
dan alleen te zeggen: Ik neem het aan, dankuwel.
dan alleen te zeggen: Als ik vrij ben, is mijn leven voortaan van U.
Genade – geschenk, omdat Jezus de prijs betaalde, met Zijn eigen leven.

Ja, Ik dank U voor Uw genade, o Heer,
dat U het kruis voor ons droeg.
U bewijst uw genade aan ons telkens weer.
Uw genade is ons genoeg.
Amen




 

Preek biddag 2018

Preek biddag 2018
Schriftlezing: Mattheüs 6:5-18
Tekst: Geef ons heden ons dagelijks brood (Mattheüs 6:11)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hebt u er wel eens gemerkt hoe vreemd het is om in deze tijd te bidden:
Geef ons heden ons dagelijks brood.
Als we brood nodig hebben, gaan we naar de bakker of de supermarkt.
Wanneer daar het brood op is, kunnen we naar Elburg of Wezep
om daar naar een bakker of een supermarkt te gaan om brood te kopen.
Door de vriezer kunnen we ook nog eens brood in het voren kopen.
’s Morgens haal je het brood eruit en na een kwartiertje is het ontdooid
en als dat te lang duurt, ontdooi je het brood in de magnetron.
Dan bid je voordat je gaat eten: Geef ons heden ons dagelijks brood.
Wat is er nog aan geven door God bij als we leven in een tijd
waarin we volop brood kunnen krijgen
en waarin het brood dat niet verkocht is dezelfde avond nog wordt afgevoerd
naar bijvoorbeeld een hobbyboer, omdat het niet meer verkocht mag worden?
Hebben de broodfabrieken, de bakkers, de supermarkten en onze vriezers
dit gebed niet overbodig gemaakt?
Hebben we God eigenlijk nog wel nodig in een tijd van zoveel overvloed?
Als we dan toch deze regel bidden,
is het dan niet meer een soort gewoonte, dat we deze regel bidden,
omdat we nu eenmaal het Onze Vader hebben geleerd
en we daarom deze regel niet kunnen overslaan?
Zijn we er als mensen tegenwoordig niet heel goed in geslaagd
om God overbodig te maken op tal van terreinen
en geldt dat ook niet als het er om gaat om elke dag weer brood te kunnen eten?
Het moet wel heel raar lopen als er aan het einde van het groeiseizoen
het graan niet binnengehaald kan worden, de aardappels gerooid, de groenten geoogst.
De koeien kunnen gemolken worden, de melk verwerkt.

En toch, vandaag is het biddag voor gewas en arbeid.
U bent nu vanavond naar de kerk gekomen om te bidden voor het nieuwe groeiseizoen,
om te bidden voor de oogst, voor alles wat groeit en bloeit, voor de planten en de bomen,
voor het graan, voor het fruit en de groente.
En jij bent misschien wel heel speciaal vanavond naar de kerk gekomen,
omdat je weet, gelooft dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat er eten is,
al lijkt het wel zo,
maar dat er een God in de hemel is, die er voor zorgt
dat het brood dat je morgen bij het ontbijt kunt eten
en in je broodtrommel kunt stoppen om dat mee te nemen naar je school of je werk
door God gegeven wordt.

Alleen, je kunt het zo snel weer gewoon vinden, vanzelfsprekend vinden
dat er brood in huis is en in de winkel, dat je brood op voorraad kunt hebben
dat je over enkele dagen gewoon vinden dat er elke dag weer brood is.
Ja, je weet het wel en je bidt ook wel Geef ons heden ons dagelijks brood
maar het kan zo gedachteloos gebeuren,  maar je staat er niet echt meer bij stil.
Biddag voor gewas en arbeid houden betekent
dat je er weer bij stil staat, hoe bijzonder het is, dat de Heere eten geeft en werk
en dat het voor ons nodig is om daar elke keer weer om te bidden,
dat het steeds noodzakelijk is om elke dag weer opnieuw bij de Heere aan te kloppen
of hij ons eten en drinken wil geven, genoeg om van te leven.

Het is nodig om in een tijd waarin we zoveel hebben,
waarin je kunt kiezen uit allerlei soorten brood
en een ruime keuze hebt wat je op brood doet: vleeswaren, kaas, zoet
dat er een God is die je dit geeft
en daarmee wil laten merken dat Hij elke dag voor jou zorgt,
dat het goede gaven uit Zijn hand zijn.
opdat wij daardoor erkennen, dat Gij de enige bron van alle goeds zijt (Heidelberger Catechismus, antwoord 125; Zondag 50).
God is de enige die ons al dit goede geeft.
We hebben dat niet te danken aan het goede inkoopbeleid van de supermarkt,
niet te danken aan het salaris dat wij verdienen,
we hebben dat niet te danken aan onze bakkunsten
of aan zicht en grip op ons uitgavenpatroon,
waardoor we ons dit alles kunnen veroorloven.
Nee, God alleen is de enige bron van al dit goede.

Maar dat is wel iets dat we steeds ons moeten blijven bedenken,
dat is een geloof dat we steeds moeten onderhouden, levend moeten houden,
want het is een grote verleiding, steeds weer opnieuw,
dat je Gods zorg gewoon gaat vinden, dat je er niet van opkijkt, er niet dankbaar voor bent.
Want daarmee raak je God zelf kwijt.
Het luistert heel nauw wat dat betreft.
Want wat gebeurt er, als je niet meer bedenkt dat de Heere de enige bron is,
als je denkt dat je het zelf toch maar weer handig voor elkaar gekregen hebt,
dat het aan je mooie salaris te danken is, dat er eten is,
aan je eigen handigheid
of dat je gedachteloos brood koopt of brood uit de vriezer haalt en ontdooit.
Je raakt God kwijt.
We hebben dat niet gelezen, maar in het gedeelte hierna zegt de HEERE Jezus:
Je kunt niet én God dienen én de mammon.
Weten waar je brood vandaan komt is een kwestie van geloof of ongeloof,
van trouw aan de Heere zijn of afgodendienst.
Door te bidden of God ons elke dag opnieuw brood wil geven trainen wij onszelf
in het geloof dat God onze schepper is, dat Hij het is die voor ons zorgt,
Dat Hij het is, die dit ons allemaal geeft.

Door elke dag te bidden dat God ons brood wil geven,
gaan wij tegelijkertijd in onszelf de strijd aan met de neiging
om steeds weer God te vergeten en Hem in te ruilen voor iets anders,
Dat er iets anders is waar we op vertrouwen,
iets anders waarvan we denken dat dat ons gelukkig maakt.

Daarom is dit gebed elke dag nodig.
Het is ook een gebed voor elke dag.
In de versie van Mattheüs is dit gebed om dagelijks brood
een gebed voor het begin van de dag:
Heere, ik ga nu aan de dag beginnen, ik doe dat niet zonder U.
Vandaag heb ik eten nodig, ik kan niet zonder voedsel.
Wilt U ervoor zorgen dat ik voor vandaag genoeg heb?
Het is niet een gebed voor morgen, of voor het weekend, of voor volgend jaar,
maar voor nu, voor vandaag.
Het gaat erom, dat we in het nu leven
en dat het nu, het heden als tijd waarin God voor ons zorgt
en dat we ook zien, hoe God ons van eten en drinken voorziet.
Een van onze kinderen heeft wel eens bij Intravert (sociaalvaardigheidstraining op school)
moeten leren stil te staan bij wat ze eet.
Ze is zo vol met allerlei gedachten, die ratelen door haar hoofd,
maar daardoor vergeet ze wel eens dat er voor haar een bord staat, met eten erop
en kan ze met heel veel dingen druk zijn, waardoor ze niet aan eten denkt.
Het koelt af en het kan bij wijze van spreken nog een kwartier onaangeroerd zijn.
Zo kunnen we als mensen met allerlei dingen bezig zijn,
kunnen onze gedachten vooruit gaan,
naar het einde van de maand: is er dan nog wel genoeg geld op de rekening voor het eten?
naar over een half jaar: Wat als mijn éénjarig contract afloopt en er niet verlengd wordt?
Gedachten kunnen uitgaan naar de problemen in deze wereld,
terug naar de lastige tijd van de crisis, vooruit naar de tijd dat je kinderen opgroeien
en er een studie voor hen betaald moet worden.
Allerlei zorgen, die je in beslag kunnen nemen.
Begrijpelijke zorgen.
Het is ook geen verbod op zulke gedachten.
Maar de opdracht van de Heere Jezus om aan het begin van elke dag te bidden
of onze Vader in de hemel er voor wil zorgen dat er ook vandaag weer eten is,
is ook voor onszelf een les, een oefening om te zien dat God ervoor zorgt
om te geloven dat de Heere God dat morgen ook zal doen en overmorgen.
Aan het begin van de dag, als wij aan het begin staan, een planning hebben gemaakt
allerlei taken nog hebben te doen:
Hemelse Vader, er is er Eén die voor mij zorgt en dat bent U.
Wilt U dat ook vandaag doen?
Als je de Vader vraagt om een brood
Geeft Hij je zeker nooit een steen
Al je gebeden klein of groot heus
Hij vergeet er niet één
Als je dat vergeet, dat de hemelse Vader voor je zorgt,
Als je vergeet om bij Hem aan te kloppen,
als je de dag begint zonder je leven die dag in Gods handen te leggen
en ook je levensonderhoud van Hem te verwachten,
Hoe kun je dan christen zijn?
Hoe kan dan Gods naam worden geheiligd,
als Zijn kinderen het niet nodig vinden om bij Hem aan te kloppen
omdat ze denken dat er toch wel genoeg is en dat ze het zelf wel redden?
Hoe kan Zijn naam dan worden geheiligd, als we Hem niet meer zien
als de bron van al het goede, als Degene die ons dat alles geeft?
Hoe kan dan Gods koninkrijk komen, als degenen die Hem zouden moeten dienen
een leven kunnen leiden, waarin God niet echt een rol heeft,
een leven waarin Hij er niet echt is, zonder dat we Hem missen.
Hoe kan Zijn wil worden gedaan,
als we ons niet houden aan het gebed dat Hij ons leerde.
De bede Geef ons heden ons dagelijks brood is niet voor niets
een onderdeel van het Onze Vader, van het gebed dat de Heere Jezus ons leerde bidden.
Het zet ons apart van de wereld, die God niet nodig heeft,
die zichzelf wel redt, die alleen de weelde en de welvaart ziet,
zonder de Gever te zien, zonder Degene die het geeft te danken.

We bidden om brood.
Je zou net zo goed om beschuit of crackers kunnen bidden, om havermout of Brinta,
of bidden dat er vandaag groente op je bord ligt of er fruit is om te eten.
alleen je moet wel bedenken
Dat brood een herinnering is aan de weg die Israël ging door de woestijn.
Elke morgen lag er manna op de grond, een soort brooddeeg,
waarmee de Heere God liet zien dat Hij Zijn volk door de woestijn geleidde
tot het in het Beloofde Land was aangekomen en daar akkers zou hebben en weilanden,
waardoor ze zichzelf weer konden onderhouden.
Manna – God zorgt: brood uit de hemel.
Maar elke keer was er dat verlangen naar ander eten:
de vleespotten van Egypte.
Ze hadden niet genoeg aan wat God gaf, ze wilden meer, gevarieerder, rijker.
En alle ellende uit Egypte werd uit de herinnering weggeduwd
en alleen de herinnering aan het luxueuze van Egypte bleef in hun gedachten.
Dat was nog eens een leven, daar in Egypte.
We bidden om brood voor elke dag.
Niet om een driegangendiner, niet om een feestmaal elke dag.
Want dan zouden we ons alleen maar aan deze aarde hechten
en het leven hier op aarde voor ons een paradijs zijn
en dan zouden we vergeten dat we op weg zijn naar een ander thuis,
een Huis in de hemel, het Vaderhuis met de vele woningen.
Daar zal het altijd feest zijn, een feestmaaltijd, ter ere van Hem
die kwam en stierf en Zijn leven gaf voor ons om ons daar een plaats te bieden.
Brood voor elke dag, genoeg om van te leven. Meer hebben wij niet nodig.
Meer leidt alleen maar af.
Meer is een verleiding om hier te wortelen, om de hemel uit het zicht te verliezen,
daar waar onze Vader is, die over alles regeert.
Leven bij de dag en niet verder kijken, is een leven in afhankelijkheid van God,
in het besef dat God ons eens kan roepen tot hoger heerlijkheid,
Dat we mogen zijn daar in de hemel, waar onze Vader is,
die we steeds bidden om dat brood voor elke dag.
Dat is genoeg, want U geeft het en wat hebben we nog meer nodig dan U.
Niet voor niets spreekt de Heere Jezus ook over vasten:
Er zijn momenten waarop we niet eten, om juist te beseffen dat God dit geeft.

Nog één ding: We bidden niet alleen voor onszelf.
We bidden niet: Geef mij het brood dat ik nodig heb.
Nee, Geef ons heden ons dagelijks brood.
Ons – ik ben niet alleen.
Ik ga deze weg door het leven niet alleen.
Ik heb mensen om mij heen.
Medechristenen die ook die weg gaan.
En ik bid dat ook zij brood mogen krijgen, dat zij genoeg hebben om van te leven.
Of ze nu hier dichtbij wonen of ver weg in Afrika of Syrië.
Dan is het een gebed dat de Heere eten wil geven waar tekort is.
Het is een gebed voor de christenen die het goed hebben en welvarend zijn.
Dan is het een gebed om bewaring van hun geloof,
zodat ze niet in de verleiding komen God uit het oog te verliezen
en dat de welvaart en de goede omstandigheden hen niet laks maken in het geloof.
Ons brood – mijn gebed, ons gebed is ook voor de mensen die God niet kennen
of God niet willen kennen of belijden.
En daarmee voegen we ons in ons gebed in de lijn van de hemelse Vader,
die het laat regenen over mensen die eerlijk leven en de mensen die slecht leven,
die de zon laat schijnen over mensen die trouw zijn aan Hem
én over de mensen die kwaad in de zin hebben.
God sluit in Zijn zorg niemand uit, al sluit iemand anders zijn hart wel af voor God.
en daarom mogen wij in ons gebed ook niemand uitsluiten
en daarmee is het ook een gebed om bekering,
om de ogen te openen, om te zien dat er een God is die voor dit alles zorgt.
En wanneer die bekering achterwege blijft, blijven we bidden,
omdat God geduldig is én omdat we weten dat wij ook niet altijd zien
dat God voor ons zorgt, dat Hij het is die ons dit brood geeft,
en dat ook geeft als wij vergeten daar om te bidden en daar voor te danken.

Geef ons heden ons dagelijks brood:

Ons oog is op uw Zoon, die ons tot uwe troon
als Middelaar wil leiden. Al wat ons hart begeert,
gelijk zijn voorschrift leert, dat mag ’t geloof verbeiden. (Gezang 198:3 NH BUndel 1938)
Amen

Preek zondagmiddag 18 februari 2018

Preek zondagmiddag 18 februari 2018
Mattheüs 12:22-37

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de verhalen die ons zijn verteld over de Heere Jezus
zien we dat God een tegenstander heeft, een vijand
die het werk van God dwarsboomt en stuk wil maken.
Voor die tegenstander worden verschillende namen genoemd:

duivel – een naam die aangeeft dat de tegenstander van God verdeelt,
de eenheid die er in een familie, in een kerk, in een samenleving kan zijn verstoort
mensen tegen elkaar en tegen God opzet,
door wantrouwen te zaaien, geruchten de wereld in te helpen,
door zoveel pijn aan beide kanten te brengen, dat verzoening nauwelijks nog mogelijk is.

verzoeker – wordt hij genoemd als Jezus in de woestijn is.
degene die je van Gods weg afbrengt en je influistert dat er een andere weg is,
makkelijker begaanbaar, interessanter, van meer gemakken en comfort voorzien
dan de weg die God met je gaat.
De verzoeker die je in verleiding brengt en je wil doen laten wankelen en struikelen,
zodat je niet meer van Christus bent.

 

satan  wordt hij genoemd, als degene die voortdurend gelovigen bij God aanklaagt
en ook in je eigen hart allerlei gedachten en stemmen oproept
Die je willen doen laten geloven dat jij toch echt niet bij God kunt horen,
jij met jouw verhaal en jouw fouten en gebreken.

De tegenstander van God die zelf macht over Gods schepping en Gods werk wil hebben,
die probeert om de invloed van God terug te dringen
en in plaats van de goede zorg en leiding van God
een dictatuur van de zonde heeft gebracht op deze aarde,
een koninkrijk, een macht waaraan je als mens zelf niet kunt ontsnappen,
waar je alleen door Gods macht uit verlost kunt worden, als Hij deze dictatuur verbreekt.
Het is een sfeer waarin wij als mensen leven,
Waarin we het goede niet meer kunnen doen,
omdat er in ons een neiging gekomen is,
door de zondeval, door de invloed van deze tegenstander,
om niet meer voor het goede te kiezen, maar het verkeerde.

Als we de verhalen over Jezus lezen,
dan zijn er mensen in wie de invloed van deze tegenstander van God goed te merken is,
bezeten worden ze genoemd, bezeten van een kwade demon, door de duivel of duivels,
Deze mensen hebben niet meer de macht over zichzelf,
Daarom kunnen ze niet spreken, niet horen, hebben ze niet meer de controle over zichzelf.
Er zijn verhalen van mensen die zichzelf pijnigen, die zichzelf in het vuur gooien.
Ook in Mattheüs 12 lezen we hoe zo iemand bij Jezus wordt gebracht.
Dat kan ons op het verkeerde been zetten,
alsof bezetenheid zich vooral uit in lichamelijke beperkingen of in geestelijke aandoeningen.
Het zijn echter uiterlijke gevolgen van een macht die in hen gekomen is,
Waardoor contact met de buitenwereld niet meer mogelijk is,
geen communicatie mogelijk: niet meer spreken, niet meer kunnen horen, niet meer zien.
Totale afhankelijkheid van anderen. Het maakt je machteloos.

Als je zulke verhalen leest, kun je heel makkelijk denken: dat heb ik niet.
Ik hoef me niet druk te maken over de invloed van Gods tegenstander op mijn leven.
Maar als we dit gedeelte verder lezen, dan gaat het om iets wat veel dieper gaat.
Dan gaat het om ons innerlijk, om wat er in ons hart leeft,
wie daar de macht heeft en ons leven aanstuurt.
Luther gebruikte eens het beeld van een paard: Wij zijn een paard.
En er kunnen er twee zijn, die de teugels in handen hebben en ons aansturen:
Of Christus, of Zijn tegenstander, de duivel.
Als we het breder trekken: wat beïnvloedt ons het meeste.
De journalist Joris Luyendijk verkeerde een tijd onder bankiers in Londen
en ontdekte dat degenen die daar werkten, twee soorten levens hadden:
Hun privéleven, persoonlijke opvattingen, normen en waarden.
Maar dat deel van hun leven werd weggelaten als ze aan het werk waren.
Daar waren ze in een heel andere sfeer,
waar ze achteloos omgingen met grote geldbedragen,
zonder zich er rekenschap van te geven dat dit geld van anderen was.
Er was daar een andere macht: niet voor elkaar onder willen doen,
Denken dat je dat zo wel even kunt doen, omgaan met veel geld,
zonder te beseffen dat juist geld een macht kan zijn die over je kan heersen.

Daarom, als er in de evangeliën over mensen gesproken wordt, die bezeten zijn,
moeten we niet alleen kijken naar de symptomen als doofheid, stomheid, blindheid,
neigingen tot zelfdestructie
en moeten we niet alleen naar deze mensen kijken,
want aan deze mensen wordt het zichtbaar dat er een tegenstander van God is,
maar we mogen nooit vergeten dat die tegenstander sinds de zondeval
over ieder mens de macht heeft en ons beheerst.
Dat ook wij een paard kunnen zijn, dat draaft,
waarbij niet Christus de ruiter is, die ons leven aanstuurt, maar zijn tegenstander,
die ons verleidt en aanzet een andere weg te kiezen.
Door alleen naar de symptomen te kijken
van lichamelijke beperking, geestelijke aandoeningen
gaan we voorbij aan de invloed op ons hart.

Daar gaat de discussie over van de Heere Jezus met de Farizeeën.
Die discussie ontstaat als Jezus iemand geneest die bezeten is,
totaal niet in staat om te communiceren, totaal niet in staat om zijn eigen leven te leiden,
maar volkomen hulpeloos is, met veel beperkingen.
Dan zijn er twee reacties: de menigte zegt dat dit de Zoon van David is
en de Farizeeën die zeggen: dit is niet uit God, maar dit is Gods tegenstander,
die je hier in de luren legt, die je voor de gek houdt en verleidt
en je zo – door de mooie schijn – in zijn invloed wil krijgen.
Het is maar beeldvorming, dat Jezus tegen de duivel is,
maar ondertussen weet de overste van de duivelen de massa weer in de greep te krijgen.

Zou de duivel ook zichzelf en zijn aanhangers verdelen en tegen elkaar opzetten?
Dat wil er bij Jezus niet in.
Het is of – of: een radicale tweedeling, een tussengebied is er niet.
Het vraagt om een duidelijke keuze: Of Jezus is een handlanger van de boze,
of Jezus is het middel waarmee God de boze doet inbinden en zal verslaan.
Voor Jezus is het duidelijk, dat dit laatste zijn taak is.
Om het hol van de leeuw te betreden en allen die gevangen zitten in de macht van de boze
te bevrijden en een nieuw leven te geven.
Je kunt daarbij niet als neutrale toeschouwer blijven staan.
Het gaat ook over ons en ons hart, over wie ons bij de teugels neemt en ons bestuurt.

Ooit leerde ik op catechisatie dat er verschillende soorten geloof zijn.
Een van die soorten is een historisch geloof.
Met zo’n geloof heb je heel veel bijbelkennis
en ga je ervanuit dat de verhalen
zoals ze in de Bijbel staan ook zo gebeurt zijn als ze beschreven zijn.
Alleen bij zo’n geloof gebeurt er niets met je.
Het raakt je hart niet. Je hart gaat er niet van open voor Christus.
Het blijft kennis met het hoofd – alleen theorie.
Ik leerde op catechisatie dat de duivel ook zo’n historisch geloof heeft.
Als het alleen maar theorie blijft, als het jezelf niet raakt,
als het buiten je eigen hart omgaat, dan ben je niets opgeschoten,
dan is je hart onveranderd en ben je een boom die bedorven vruchten voortbrengt.

Het gaat om het verschil tussen de binnenkant en de buitenkant.
Je kunt je mooi voordoen voor anderen, vroom, gelovig, recht in de leer,
maar ondertussen in je hart, kun je heel anders zijn.
Dan ben je in je werk een ander, dan heeft je relatie niets met je geloof te maken,
dan staat je dagelijks leven los van Christus,
Dan is dat alleen iets van de zondag en niet iets van je hart
en heeft Christus niet de teugels van je leven in handen, maar is er een ander die je leidt.
De buitenkant helpt je niet verder.
Een mooie buitenkant levert je niets op – ja voor de mensen misschien,
maar niet voor God.

Aan de buitenkant kan iemand heel ongelovig zijn.
Dan kan iemand de zondag niet houden, dan kan iemand vloeken als een ketter.
Maar, zegt Christus hier, dat gaat niet zo diep wanneer je hart niet open gaat.
Wanneer je een zondige levensstijl hebt
en zelfs wanneer je vloekend door het leven gaat,
dan kan dat je vergeven worden,
maar wanneer je je hart niet opent, om daar de boze uit te laten verdrijven,
Als je de Geest buitensluit, als je je hardnekkig verdedigt is dat al erger.

Wie leeft er in je hart?
Dat wordt zichtbaar aan wat er uit je voortkomt.
Als daar in je hart Christus is, als Hij je leven bestuurt, ben je een boom
waaraan goede vruchten hangen,
dan is wat uit je handen komt tot eer van God,
Dan is wat je bedenkt, hoe klein dat ook is, nuttig voor God.
Als een boom goed is, zijn de vruchten goed.
Als de boom niet goed is, zijn de vruchten bedorven.
Voor mensen kun je dat nog lang verborgen houden
en kun je je mooie voorkomen lang overeind houden,
Zeker als er niemand doorheen prikt,
maar God prikt door de schone schijn heen
en kijkt dieper, naar je gedachten die voor iedereen verborgen zijn,
naar de vruchten die uit je voortkomen.

Nogmaals naar het begin:
Er wordt iemand genezen.
Dat is waarom Jezus kwam:
Daarin zien we iets oplichten van waarom Jezus kwam.
Een vooruitwijzing naar het kruis, een vooruitwijzing naar het Koninkrijk van God.
De nieuwe wereld die Jezus kwam brengen.
Dat is het hoopvolle: ons hart kan veranderd worden
als Christus het hol van de leeuw betreedt
en die sterke macht die ons gevangen houdt bindt en ons bevrijdt.
Laat je meenemen en je hart reinigen,
laat de Geest ruimte maken in je hart voor Christus,
zodat je vrucht kunt dragen tot eer van God.
Amen




Preek zondagmorgen 18 februari 2018

Preek zondagmorgen 18 februari 2018

Mattheüs 11:2-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Inleiding: een vraag hebben
Heeft u nooit eens vragen over Christus?
Ik kan me niet voorstellen dat u nooit uw vragen hebt.
Over wat Christus doet in uw leven:
Waarom moest ik mijn man kwijtraken, mijn baan, mijn gezondheid?
Dat kunnen vragen zijn, die je bezig houden
en waardoor je geloof toch minder sterk was dan je dacht.
Er komt zachtjes aan een twijfel boven: is het allemaal wel waar?
Die vraag kan sterker worden als je niemand hebt om over die vraag te spreken,
als je niemand hebt, die begrip heeft voor je vraag,
die er naar luistert en er op een wijze manier op kan reageren.

Je hoeft niet zelf iets meegemaakt te hebben om zulke vragen te hebben.
Ook door wat er in de wereld gebeurt, kunnen vragen boven komen
waardoor je het allemaal niet meer zo zeker weet
of God deze wereld wel leidt, zoals Hij gezegd heeft.
Je hoeft maar naar een gebied te kijken als Syrië of als Jemen,
gebieden waar de oorlog niet ophoudt en steeds weer grote aantallen slachtoffers maakt.
Waarom doet God er dan niets aan?
Hij kan dat toch? Of wil Hij toch niet? Of kan Hij het toch niet?

Zo kunnen er in het hart van een gelovige heel wat vragen leven over God.
Mag je die vragen eigenlijk wel hebben?
Is het wel gepast om vragen te stellen bij God?
Maar al wil je die vragen wegdrukken, door mooie liederen te zingen
of het nieuws niet meer te volgen, die vragen krijg je niet weg.
Ze blijven leven in je hart.
Dan kun je hier in de kerk zitten, aan de buitenkant lijkt het dat je vol overgave mee doet,
maar van binnen kunnen er zoveel twijfels leven dat je je afvraagt
wat je hier in de kerk nog doet
en of je er niet beter aan doet om te stoppen met de kerk, met geloven.

(1) De vraag van Johannes
Ook Johannes heeft zijn vragen over Jezus.
Johannes heeft Jezus aangekondigd: Hij is degene die we verwachten.
Naar Hem hebben we uitgekeken. Hij is eindelijk gekomen!
Johannes heeft zelf zijn bijdrage geleverd.
Hij zei tegen de mensen van zijn eigen volk dat ze hun leven moesten veranderen.
Want het leven van zijn volksgenoten paste niet bij een leven met God.
Ze hadden God buitengesloten door hun manier van leven.
Johannes was doordrongen van de grote ernst van de situatie, de kritieke toestand:
Straks als God verschijnt hier in ons midden zal God onze rechter zijn.
Hij zal over jullie levens oordelen
en zoals het er nu voorstaat, is niemand het waard om bij Hem te horen.
Jullie zijn een boom, waaraan vruchten zouden moeten groeien,
maar jullie brengen niets voor God op.
Het is 5 voor 12, het is al zo erg dat er al een bijl aan jullie levensboom klaarligt.
God hoeft die bijl alleen nog maar op te pakken en jullie om te hakken.
Jullie zijn alleen nog maar geschikt om in het vuur te branden.

Er is nog een mogelijkheid om te ontkomen aan dat oordeel:
door je te laten dopen.
Door in de Jordaan de doop te ondergaan geef je als gelovige aan:
Ik begin helemaal opnieuw.
Mijn leven hiervoor heb ik verkeerd geleid
en ook mijn besnijdenis was geen garantie dat ik op de goede weg was.
Alleen door opnieuw te beginnen, opnieuw geboren te worden,
ontkom ik aan Gods oordeel.

Johannes zag zich geroepen om het volk te waarschuwen,
om hen de ernst te laten zien: zo op deze manier gaat het mis.
Er moet iets veranderen in je leven: bekeer je en laat je dopen.
Johannes is radicaal en spaart niemand.
Hij spaart niet de eenvoudige, gewone mensen.
Hij zwijgt niet als de Farizeeën en de Schriftgeleerden komen, maar klaagt hen fel aan.
Hij houdt zijn mond niet als er soldaten zijn: nee, ook zij moeten de wapens neerleggen.
Ook Herodes wordt niet gespaard.
Hij spreekt hardop uit dat wat de koning doet niet in de haak is.
De relatie die Herodes heeft aangeknoopt,
Herodes die het aanlegde met de vrouw van zijn broer
en zo het huwelijk van zijn broer kapot gemaakt heeft
door een relatie aan te gaan met zijn schoonzus Herodias.
Johannes zwijgt daar niet over. Publiekelijk vertelt Johannes dat dit niet kan.
en dan wordt Johannes in de gevangenis gegooid.

Als Johannes in de gevangenis zit, is hij niet pessimistisch.
Nee, hij is juist hoopvol gestemd.
Want hij, Johannes, mag dan wel vast zitten in de gevangenis,
maar er is iemand gekomen, die zijn taak overneemt en voortzet: Jezus.
Heel de verkondiging en ook het dopen is op de komst van Jezus afgestemd.
Want was er bij Johannes nog een mogelijkheid om tot inkeer te komen,
als Jezus Zijn werk zal doen, zal die mogelijkheid voorbij zijn.
Jezus zal de troon beklimmen en het volk aanklagen,
als rechter het volk oordelen: Wat heb je gedaan met de geboden van God?
Vol hoop wacht daar in de gevangenis Johannes
totdat Jezus orde op zaken zal stellen als Zoon des mensen,
vanuit de hemel gekomen om het volk te zuiveren van de goddelozen.

Dan hoort Johannes de verhalen over Jezus.
Zijn leerlingen komen bij hem in de gevangenis
en vertellen wat Jezus doet, terwijl Johannes in de gevangenis zit.
Jezus die zelf door Johannes is gedoopt
en over wie Johannes zei: Hij is degene die we verwachten.
Hij komt meer doen dan ik: Hij komt om het volk te dopen met Geest en vuur.
Mocht de prediking van Johannes al scherp en radicaal zijn,
Jezus zal met Zijn verkondiging en optreden Johannes overtreffen.
Zijn leerlingen komen met de verhalen.
Ze hebben Jezus zelf bezig gezien, of ze hebben over hem gehoord.
Ze vertellen over hoe Jezus  geneest.
Jezus heeft oog voor de zieken en de mensen met een lichamelijke beperking.
Blinden, die helemaal afhankelijk zijn van de hulp van anderen, worden genezen
en kunnen weer zien.
Mensen die verlamd zijn en zichzelf niet kunnen verplaatsen, kunnen weer lopen.
Mensen die te maken hebben met melaatsheid, huidvraat, worden genezen
en hoeven niet meer in afzondering te verblijven,
maar mogen weer terug naar huis.
Zelfs doden worden door Jezus opgewekt.
En Jezus heeft een boodschap – soms radicale uitspraken, verhalen en gelijkenissen.
Jezus vertelt over een nieuwe wereld die komen gaat: het koninkrijk der hemelen.

Mooie berichten – en toch komt er aarzeling bij Johannes:
Is dit het nu? Is dit nu er nodig is in Israël op dit moment?
Is dit wat Gods plan was?
Het is voor ons vreemd, want voor ons is met Jezus juist Gods plan uitgekomen
en zijn die wonderen die Jezus die verteld.
Waarom komt dan de twijfel bij Johannes? Wat had hij verwacht?
Waar blijft dat optreden van Jezus, waar Johannes op zou te wachten:
Schoon schip maken bij het volk, zodat het volk weer heilig genoeg is om met God te leven.

Daarom stuurt Johannes enkele van zijn leerlingen naar Jezus met een vraag:

‘Bent U het die komen zou, of verwachten wij een ander?’
Hebben we met Jezus wel de goede te pakken?
Het is een officiële delegatie die door Johannes wordt gestuurd.
Het is meer dan twijfel,
het is zelfs openlijke kritiek van Johannes op Jezus:
‘Waarom doe je niets? Je bent toch niet voor niets uit de hemel gekomen?
Waar wacht je nog op?
Waar blijft dat optreden van je? Waarom laat je de goddelozen hun plek behouden?
Waarom doe je niets aan de zonden van het volk
en trek je alleen maar rond om te genezen en te preken
Dan ben je toch geen messias? Ben je dat dan niet? Ben je niet de messias?

(2) Het antwoord van Jezus
Met deze vraag komen de leerlingen bij Jezus.
Kan Jezus wel tegen deze kritische vraag van Johannes?
Johannes staat dicht bij Jezus: Jezus is gedoopt door Johannes
en Johannes heeft op Jezus gewezen: naar Hem hebben wij uitgekeken.
En dan deze vraag van Johannes aan Jezus.

Christus blijft kalm.
Geen felle verdediging en Jezus reageert ook niet beledigd, maar rustig:
‘Zeg tegen Johannes wat je hier ziet en hier hoort.’
En dan volgt precies wat Johannes al weet.
Zeg tegen Johannes dat blinden weer kunnen zien, dat verlamden kunnen lopen,
dat de mensen die melaats zijn of te maken hebben met huidvraat genezen zijn.
Doden worden opgewekt.
Aan armen wordt het evangelie verkondigd.
Voor Johannes is er niets vreemds – dit weet hij al.
Zoals Jezus het echter vertelt, krijgt het een bepaald gezag.
Dit hebben de profeten aangekondigd, dat dit zou gaan gebeuren
als God weer terug zou komen in het midden van Zijn volk.
Dit zijn de tekenen die dan zouden gebeuren als God er weer was.
En dat Zijn de wonderen die nu gebeuren, nu Jezus er is.
Dat zijn de daden die de messias verricht.
‘Johannes, je had het kunnen weten, want dit staat ook in je Bijbel.’
Tegen Johannes, die vindt dat Jezus orde op zaken moet gaan stellen,
zegt Jezus: Ik ben ook gekomen om orde op zaken te stellen.
Ik ben namelijk gekomen om iedereen die buiten de boot viel, terug te brengen,
de verloren schapen van Israël weer terug te brengen naar dit volk.
Omdat ze anders ook niet bij God horen.
Johannes, jij wilt weten wat ik hier kom doen.
Je hebt over die wonderen gehoord, die Ik verricht,
maar het allerbelangrijkste, de climax, is de verkondiging,
de armen die over Gods nieuwe wereld horen,
de blijde boodschap, het Koninkrijk van God.

we vinden het mooi om te horen dat blinden weer kunnen zien, dat doven kunnen horen,
dat lammen kunnen opspringen en dat de doden uit hun graven komen,
maar de climax, het allerbelangrijkste is de verkondiging:
degenen die niets hebben, horen de blijde boodschap dat ook voor hen het Koninkrijk is:
zalig de armen van Geest, want voor hen is het koninkrijk der hemelen.
Al de wonderen die Jezus verricht ondersteunen de boodschap van Jezus.

Overtuigt dit antwoord?
Zou Johannes tevreden zijn met dit antwoord dat Jezus geeft?
Zal hij zeggen: ik weet genoeg, U bent inderdaad de messias?
Jezus zegt er trouwens nog iets bij, niet duidelijk of dat voor Johannes bedoeld is,

 

 

voor de leerlingen van Johannes of voor de menigte:
zalig degenen die geen aanstoot neemt. Zalig degene die niet over Mij struikelt.
Als we het zo lezen, dan komt op ons het antwoord van Jezus niet zo geloofwaardig over.
Jezus herhaalt wat de discipelen van Johannes ook al gemeld hebben aan Jezus.
Heeft Jezus dan niet meer te zeggen?
Is het ook niet onze vraag: Waarom doet Jezus niets?
Waarom blijft de aarde sinds het kruis hetzelfde en hebben oneerlijke mensen, zondaren,
goddelozen hun macht in deze wereld nog even goed als voor dat kruis?
Het antwoord van Jezus: Kijk naar wat ik doe, naar wat ik zeg
en let daarop wat het met God te maken heeft, het het over God zegt:
Eerst barmhartigheid. Barmhartigheid staat voorop.

Jezus laat het oordeel overigens niet achterwege.
Spreken over het oordeel en over Jezus die zal oordelen
is niet alleen iets van de Vrije Oud Gereformeerde Gemeente of de HHK.
Want Jezus zal later nog vaker over het oordeel spreken
en wat er gebeurt als Jezus terugkomt,
hoe dat over iedereen het oordeel wordt uitgesproken.
vgl. Betsäida en Chorazin.

(3) De vraag van Jezus
We kunnen niet alles aan de orde stellen.
Maar nog even wel de aandacht voor de vraag die Jezus stelt.
Aan de menigte.
Ooit las ik een boek van een hoogleraar Nieuwe Testament,
waarin hij iets schreef over deze passage.
Ik had daarvan in mijn Bijbel een aantekening bij gemaakt.
Deze hoogleraar was het opgevallen dat als er mensen bij Jezus komen met een vraag
er een antwoord komt en een wedervraag.
Die wedervraag, de vraag van Jezus, was bedoeld om die ander tot geloof te bewegen,
te doen nadenken over zichzelf en God, een uitnodiging om te bekeren
om het leven radicaal te veranderen en Jezus te volgen.
Want al was de insteek van Johannes en Jezus anders: het doel was wel hetzelfde.
Bekering, zodat het volk weer leeft met God.
Daarom komt die vraag van Jezus nu aan de menigte die de vraag hoorde
en die hoorde wat Jezus zei tegen Johannes.
Nu is het opeens weer positief over Johannes:
Toen jullie naar Johannes gingen, wat gingen jullie toen zien?
Iemand die zo instabiel is, steeds weer wijzigt van standpunt en plannen
net zoals riet in de wind op en neer beweegt?
Iemand die tegen de een scherp is en tegen de ander heel voorzichtig,
omdat die ander veel meer geld heeft? Nee, als er iemand stabiel is
en steeds dezelfde boodschap had, was het Johannes de Doper
Hoe denken jullie, mensen die om Mij heen staan, van Johannes?
Wat zag je in hem? Waarom gingen jullie zover weg om Johannes in de woestijn te zien?
Het is een vraag naar hun geloof,
naar de manier waarop ze tot inkeer komen.
Heb je de confrontatie van Johannes nodig of de barmhartige wijze van Jezus?
Heb je een scherpe kritiek nodig, waardoor je ogen opengaan
en je leven veranderd wordt?

Wat heb jij nodig om zover te komen dat Christus een plek in jouw hart heeft?
Geldt voor jou, dat je niet ging dansen,
toen het evangelie op een vrolijke manier werd gespeeld?
Ik hoor dat wel eens mensen van buitenaf zeggen: Bij jullie heb je vrolijke liedjes.
Maar doen ze wat? Brengen ze je zover dat je meedoet, dat je meezingt,
Ik wil zingen van mijn Heiland
Of zing je, maar blijft je hart koud en kil, onbewogen?
Of heb je een ernstige boodschap nodig, zoals ik pas hoorde bij de Vrije Oud GerGem.
Ook dat kan je hart afsluiten: ouderwets, niet meer van deze tijd.
Ik bedacht dat de inhoud weinig afwijkt van onze manier van preken.
Goed een andere toepassing, een andere manier van preken en diensten,
maar wel een ernst – het gaat ergens om: om je eeuwige zaligheid
om in te gaan in het koninkrijk van God.
Of ben je net als degene die zag hoe de kinderen begrafenisje speelden,
maar je deed niet mee, je stond erbuiten.
Nu even geen zwaar gedoe.
Het gaat om je hart, het gaat erom dat je je gewonnen geeft.
Juist als je twijfelt wie Jezus is, juist als je twijfelt of dit Gods weg is,
dan kan het volgen moeilijk worden,
dan is het niet eenvoudig om je over te geven en te knielen en te zeggen:
U bent mijn God.

Ik geef mij gewonnen:

Ja ik geloof, ja ik geloof,
dat Jezus voor mij stierf
en dat Hij aan het smaad’lijk kruis,
mijn eeuwig heil verwierf.

Wat is er nodig? Radicale en ernstige verkondiging – een preek van Johannes?
Of de manier van werken van Jezus – Gods barmhartigheid, eerst toch weer een kans?
Beide manieren kun je afwijzen. Voor beide manieren van preken kun je je hart sluiten.
Hoort u bij die generatie, die niet luisterde toen het ernstig was
maar ook niet meedeed toen het een vrolijke boel was of omgekeerd.
‘Dit is niet iets voor mij!’ Waarom zou het niet voor u, voor jou zijn?
Of het nu op een liefdevolle manier gaat, vol barmhartigheid,
of ernstig, onder dreiging van het komende oordeel:
Het doel is hetzelfde: dat u komt en zich gewonnen geeft
aan deze messias, deze Christus
en dat u zegt, dat jij belijdt: Mijn Heere en mijn God.
We begonnen met onze vraag aan Jezus.
Het eindigt met de vraag van Jezus aan ons.
Dan zijn niet alle vragen weg, maar hebben we wel te antwoorden Zijn vraag.
Zijn vraag die ons wil winnen voor Zijn koninkrijk
en dat u zegt, dat jij belijdt: Mijn Heere en mijn God.
Amen