Preek zondag 17 november 2019

Preek zondag 17 november 2019
Schriftlezing: 1 Timotheüs 3

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Twee weken geleden werd na afloop van de kerkdienst aan u de zorg meegedeeld
dat de kerkenraad er niet in slaagde de vacatures voor de kerkenraad op te vullen.
Want het zijn toch belangrijke functies binnen de kerk:
de ouderlingen die de mensen thuis opzoeken om hen te stimuleren in het geloof,
de diaken die met het geld van onze gemeente verschillende doelen van geld voorzien.
Er zijn al wel veel meer gemeenten, die ermee te maken hebben
dat ze de vacatures in de kerkenraad moeilijk kunnen opvullen.
Daar hebben wij als wijk 2 ook mee te maken.
Afgelopen week hadden we een gemeenteavond, met een mooie opkomst
en waren we met elkaar in gesprek wat dit ons te zeggen heeft.

Een van de punten die naar voren kwam op die avond, was:
vertel ons wat de taak van een ouderling of een diaken is.
Nu wil ik vanmorgen in deze dienst niet bij de taken van de ouderling of diaken stilstaan,
maar wat er nodig is om ouderling, diaken of ouderling-kerkrentmeester te kunnen worden.
En dan vanuit de Bijbel: kunnen we in het Woord van God aanwijzingen vinden?

Voordat de rest denk: ‘Ik kan geen ouderling of diaken worden’. Of: ‘Ik wil het niet worden.’ –
Wat Timotheüs hier schrijft, geldt voor iedereen die een taak in de gemeente had,
Want in de tijd dat Timotheüs deze brief van Paulus ontving,
bestond de kerk nog niet zo lang
en waren de taken binnen de gemeente nog niet zo duidelijk verdeeld als in onze tijd.
Als Paulus aan Timotheüs schrijft over de ouderlingen of de oudsten binnen de gemeente
kan dat net zo goed gelden voor iemand die een bijbelkring leidt, of meewerkt met een club.
En ook als je geen taak hebt binnen de gemeente:
Wat Paulus hier schrijft over wat er nodig is om leiding te kunnen geven,
geldt bijna in zijn geheel voor alle gemeenteleden, voor jongeren net zo goed.
Want het gaat Paulus niet alleen om de regels die hij voorschrijft,
maar bij die regels die Paulus geeft gaat het om ons hart, om wie we zijn als gelovige.
De preek die ik ga houden kan als volgt worden samengevat:
God geeft aan de kerk leiders die zich een ander mens laten maken door de Heilige Geest.

Laten we eerst eens kijken hoe dat in het geval van Timotheüs gebeurt.

Timotheüs is iemand die al heel jong de Heere Jezus leerde kennen
En op jonge leeftijd met Paulus meeging op zijn reizen om Paulus te helpen
het evangelie te verkondigen op plaatsen waar ze nog niet over God hadden gehoord.
Paulus vertrouwen in deze jongen gekregen, die met hem meeging en hem meehielp
en stelde hem in een bepaalde gemeente aan voor de gemeente zorg te dragen.
Hij was nog vrij jong, want in het volgende hoofdstuk schrijft Paulus aan Timotheüs
dat Timotheüs zich niet te druk moet maken dat leden hem te jong vinden.
Paulus heeft gehoord over de zorgen die Timotheüs heeft als het om zijn gemeente gaat
en schrijft hem een brief om hem te steunen, een hart onder de riem, ook om hem te helpen.
Een van de zorgen, die Timotheüs heeft, betreft de taken binnen de gemeente.
Te merken is dat er niemand staat te springen om een taak op zich te nemen.
Als hij iemand op het oog heeft en vraagt om iets te doen binnen de gemeente,
krijgt hij te horen dat iemand het niet op zich kan nemen, of niet wil.
In de uitleg worden verschillende opties genoemd:
Er kan kritiek zijn op degenen die wel een taak op zich hebben genomen in de kerk,
waarbij ieder ander weet: als ik ook een taak op mij neem, krijg ik ook die kritiek.
Als je dat van tevoren weet dat je bij voorbaat al kritiek kunt krijgen, bedank je voor de eer.
Het kan ook zijn dat degenen die een taak hebben binnen de kerk dwaalleraars zijn:
ze vertellen de verkeerde dingen over God en brengen de gemeente in verwarring.
Ze vertellen niet meer waar het op staat,
ze draaien er om heen en halen de scherpe kantjes ervan af.
Moet je dan met zulke mensen samenwerken, met wie je voelt dat er geen band is,
omdat ze toch niet hetzelfde geloof hebben, maar een heel andere boodschap?
Een andere reden waarom gemeenteleden zouden kunnen bedanken
is dat het je wat kan kosten om een taak op je te nemen.
Niet zozeer in tijd of in geld, maar dat je de kans loopt om opgepakt te worden
En in de gevangenis gegooid te worden, bedreigd te worden omdat je gelooft in Christus.
Als er sprake is van vervolging zijn meestal de leiders van de kerk het eerst aan de beurt.
Je merkt aan wat Paulus schrijft, dat Timotheüs er niet meer uitkomt: wie moet hij vragen?

Het eerste wat Paulus uitlegt aan Timotheüs is
dat het gezond is als er binnen de gemeente wel een verlangen is,
dat gemeenteleden een taak op zich nemen, zich gaan inzetten.
Dat verlangen dat je dan hebt om iets binnen de gemeente te doen, is gezond verlangen.
Het is in je te prijzen als je iets wilt oppakken.
Paulus zegt het dubbelop: het is een gezond verlangen als je iets wilt doen,
want je voelt dan van binnen, in jezelf een drijfveer om iets van Christus te laten zien.
Paulus noemt een taak binnen de gemeente een goed werk.
In de woorden die hij gebruikt, kun je merken dat hij bedoelt:
Als je een taak op je neemt, dan wil je Christus zichtbaar laten zien.
Dan wil je aan anderen laten zien, dat Hij je Heer is en dat Hij ook Heer van anderen wil zijn.
Met dat verlangen laat je zien dat God in je werkt en dat de Heere je wil gebruiken.
Want over welke taak heeft Paulus het hier?
Bij hoe het vertaald is – ambt van opziener – kun je al snel denken
aan het traditionele beeld van de ouderling in zwart pak, die statig de kerk in komt schrijden.
Iemand die op bezoek komt en dan een hele preek afsteekt,
of als je geluk hebt eerst even vraagt hoe het met je gaat maar dan snel naar de kern wil,
nog voordat je zelf eraan toe bent omdat je niet goed weet wat je allemaal kunt vertellen.
Of je denkt aan ouderlingen aan een streng college waar je eerst toestemming moet vragen
En vrij snel op de rem trappen, omdat ze bang zijn dat het niet passend genoeg is.
Het is echter maar de vraag of Paulus dat bedoelt en of het al een duidelijke omschrijving is.
In het Griekse woord Episkopos (ambt is toegevoegd aan de vertaling) zit een woord
dat wij kennen: scopos. We kennen dat van:
– de telescoop: je kijkt door een kijker, waarmee je zo ver kunt zien dat je sterren kunt zien.
periscoop: een kijker op een onderzeeboot, waarmee onder water boven water de zee kan worden afgespeurd.
bioscoop: in de bioscoop zie je hoe het leven is.
Bij deze taak in de gemeente heeft Paulus iemand op het oog die kijkt naar anderen,
een ander een beetje in de gaten houdt
Zoals ik dat deed met de zus die een jaar jonger was dan ik.
Als we samen ergens naar toe gingen, zorgde ik dat ik met haar mee reed naar huis.
Of zoals een ouder even meekijkt met een van de kinderen bij het huiswerk.
Als een leraar die de kinderen in de gaten houdt of ze allemaal kunnen meekomen.
Hier heeft Paulus eerder iemand op het oog, die als een herder wil zijn,
de andere gemeenteleden in de gaten houdt of ze nog wel mee kunnen komen
in de gemeente, of ze nog wel leven met Christus, of ze wel groeien in geloof.
Iemand die hart voor de gemeente heeft, bij wie je terecht kunt.
De hedendaagse versie van de episkopos is de supervisor, of stagebegeleider.
Iemand die je meekijkt hoe je het doet,
met wie je in gesprek bent of je nog wel op de juiste weg bent.
Ik denk dat er vandaag de dag juist aan zulke supervisoren behoefte is:
als je een tiener bent, dat je iemand hebt bij wie je kunt vertellen waar je mee zit.
Als je vragen hebt over jezelf, over God dat je dan iemand hebt om te praten.
Als je jongvolwassen bent en net verkering hebt, iemand die je uitleg geeft
over relaties en hoe jij in je relatie samen met de dingen van de Heere bezig kunt zijn.
Als je geen relatie hebt en alleengaand bent heb je misschien wel juist behoefte
aan iemand binnen de gemeente om te delen wat je bezig houdt, iemand op wie je aan kan.
Of voor een jong gezin: op de gemeenteavond kwam het even ter sprake
dat niet voor elke gezinnen kerkgang en geloof nog vanzelfsprekend is.
Dan kun je er juist behoefte aan hebben dat je binnen je eigen gemeente gesterkt wordt.
Een episkopos is iemand die met je meeleeft, met je meekijkt en meedenkt.
Als je in je dat verlangen voelt om zo met anderen mee te leven, mee te denken en te kijken
is dat een mooi verlangen, waarin je merkt dat God in je bezig is
en ook een mooi verlangen omdat jij dan mag laten zien wie God is,
Die ook met ons meeleeft, meekijkt en meedenkt
– de wachter van Israël die ook over ons leven waakt.

Wat voor iemand moet je dan zijn als je deze taak op je wilt nemen?
In de afgelopen week las ik dit gedeelte bij de opening van de wijkjeugdraad
(we bespreken daar allerlei thema’s
die met de kinderen en de jongeren in onze kerk te maken hebben.)
en vroeg aan de anderen die er bij waren: hoe lezen jongeren dit gedeelte nu?
Hoe horen ze dit? Zullen ze denken: “Dat is toch niet voor mij. Ik ben toch geen leider!”?
Er was iemand aanwezig die in meerdere gemeenten betrokken is bij het jeugdwerk
En diegene vertelde dat er onder kinderen van ambtsdragers een grote nood is:
‘Er zijn heel wat kinderen van ambtsdragers die als ze dit gedeelte horen
in zichzelf een bepaalde boosheid voelen: je moest eens weten hoe mijn vader thuis is!
Hij zit geregeld voor in de kerk en heeft hij een vroom gezicht, maar thuis is hij een ander.
Voor anderen heeft hij aandacht, maar voor zijn gezin heeft hij geen tijd.’
Ik hoop niet dat het hier in de gemeente bij de jongeren ook zo beleefd wordt.
Het is in ieder geval niet wat Paulus vraagt.
Bij alle eigenschappen die Paulus opsomt gaat het erom, zoals ik al eerder zei,
dat je door de Heilige Geest een ander mens geworden bent
en dat ook je karakter door de Heilige Geest wordt gevormd, wordt vernieuwd.
Als je vroeger opvliegend en driftig was, dat je merkt dat de Geest je rustig maakte.
Als je vroeger snel een oordeel over iemand had, dat je merkt dat je mild geworden bent.
Want als je je karakter niet laat corrigeren, als je nog de oude bent gebleven,
hoe kun je dan aan anderen laten zien wie God is en hoe God werkt?
Hoe kun je dan vertellen over Gods genade, over de verandering in je leven
Als je zelf daar niet een voorbeeld van bent?
Hoe kun je de tieners van de TOVgroep meenemen, als je daar zelf niets van weet.
Want zij hebben er behoefte aan om het niet alleen te horen wat er in de Bijbel staat,
maar dat ook aan je te zien en zo via jou te kunnen zien hoe zij veranderd kunnen worden.
God geeft aan de kerk leiders die zich een ander mens laten maken door de Heilige Geest.

Maar Paulus legt de lat wel hoog: je moet onberispelijk zijn.
Er mag niets op je aan te merken zijn als je een taak op je neemt.
Daar kun je tegenaan hikken, want als je naar jezelf kijkt weet je: dat ben ik niet.
Er valt zoveel op mij aan te merken.
Maar dan moet je bedenken dat Paulus niet zoekt naar de meest perfecte christen,
Want iedereen weet dat je geen perfecte christen kunt zijn. Niemand kan dat zijn.
Waar Paulus naar op zoek is, is iemand die betrouwbaar is, op wie je kunt bouwen.
Iemand die als er vervolgingen komen, zijn functie neerlegt en als eerste weg is.
Of iemand die door te manipuleren zijn zin weet door te drijven binnen de kerk.
Of iemand die een duister verleden heeft, waarvan je weet dat dit kan opspelen.
Iemand die zich in relaties, zoals het eigen huwelijk, betrouwbaar heeft getoond.
Geloofwaardig als echtgenoot, als vader – want als je thuis niet geloofwaardig bent,
hoe kun je dan in de gemeente – die toch van God is – geloofwaardig zijn.
Wat wordt er nog meer gevraagd:
Iemand die in staat is om met een wijs oordeel, een wijs advies kan komen,
waarin je proeft dat iemand de Heere kent en niet de eigen belangen,
maar het geheel van de gemeente op het oog heeft.
Iemand van wie je het geloof afleest, aan alles proeft dat hij of zij integer wil zijn,
omdat je God wil dienen met alles wat je hebt.
Niet zozeer iemand die in alles strak de regie heeft,
maar iemand die in gebed gaat, de handen vouwt en geduldig luistert
naar wat de Heere in deze situatie heeft te geven.
Iemand die zichzelf kent, de eigen fouten en zwakten,
maar daar de strijd mee aangaat
en ze niet goedpraat door te zeggen dat iedereen zijn fouten heeft.
Nee, dat kun je niet uit eigen kracht.
Daarvoor heb je de Heilige Geest nodig, die in je werkt.
En zo, met de Heilige Geest die in je werkt, kun je een middel zijn in Gods hand,
Waarmee Hij ervoor zorgt dat Hij zichtbaar wordt,
door jou aan de kinderen van de zondagschool of de clubs,
door jou aan de tieners aan wie je leiding geeft of mentorcatechese, als je op bezoek gaat.
God geeft aan de kerk leiders die zich een ander mens laten maken door de Heilige Geest.
Het is niet je eigen kracht, maar de Heilige Geest.
Hij wekt in je het verlangen om iets te doen voor de Heer van je leven.
Die Geest leert je ook dat je niet perfect kunt zijn, zolang je hier op aarde leeft,
omdat je hier te maken hebt met je worstelingen, met je zwakten, met de duivel die verleidt.
Als God je een ander mens maakt, je hart en je karakter verandert,
zegt Hij je ook dat je niet zonder genade kan:
Die genade is aan de ene kant de Geest die gegeven wordt,
Aan de andere kant de vergeving die je ontvangt als je gaat naar het kruis
en belijd dat je het als mens, als gelovige zo vaak niet de maat haalt die God aanlegt.

Doorgrond mijn hart en ken mijn weg o Heer.
Beproef me en zie wat niet is tot Uw eer.
Is soms de weg niet goed voor mij:
Leid mij op de eeuwige weg, Heer, maakt mij vrij!

O Heer, heb dank, ’k mag de Uwe zijn.
Uw dierbaar bloed, was mij van zonden rein.
Doop mij met vuur, opdat ik mij niet meer schaam.
Ik wil leven, Heer, tot eer van Uwe naam.

Zie, Heer, hier ben ik. Maak mij een vat voor U.
Woon in mijn hart, vernieuw het, doe het nu!
Verbreek mijn wil, maak mij van hoogmoed vrij.
Ik wil in U blijven, Heer. Blijf Gij in mij.
Amen

Vragen bij Mattheüs 5:1-16 (Bijbel in Gewone Taal)

Vragen bij Mattheüs 5:1-16 (Bijbel in Gewone Taal)

  1. Ik ben gelukkig als ik…………………………………..

  2. Kun je ook onecht geluk hebben? Kun je een voorbeeld geven?

  3. Jezus geeft uitleg over Gods nieuwe wereld. In andere vertalingen heet die nieuwe wereld van God het “koninkrijk van God”. Wat weet je over Gods nieuwe wereld / over het koninkrijk van God?

  4. Waarom geeft Jezus uitleg over die nieuwe wereld?

  5. Wat kan het je kosten als je nu al leeft volgens Gods nieuwe wereld? Heb jij dat er voor over?

  6. Als licht zul je opvallen, zegt Jezus. Waarom is dat nodig om op te vallen? Zou jij zo willen opvallen?

thumb
Afbeelding uit de Prentenbijbel van Marijke ten Cate

 

Preek Tweede Pinksterdag 2019

Preek Tweede Pinksterdag 2019
Romeinen 8:18-30
Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil,
maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen.
Maar ze heeft ook hoop gekregen (Romeinen 8:20)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus spreekt over de schepping die onderworpen is aan de zinloosheid
hebben we daar in de afgelopen week een voorbeeld van kunnen zien:
De wind die opeens kwam opzetten, met sterke rukwinden, een korte, hevige storm.
Door die rukwinden werden verschillende bomen omver geblazen.
Op de radio vertelde een bomendeskundige dat er geen verschil was in bomen:
Er waren jonge bomen, die heel buigzaam zijn, omgeblazen.
Zowel gezonde als zieke bomen – de wind maakte geen verschil.
Er vielen oude, diepgewortelde bomen om, waarvan je mocht verwachten
Dat ze door de diepe wortels stevig in de grond stonden,
bomen die al heel wat stormen hadden doorstaan waren nu toch omgevallen.
De man op de radio vertelde dat het vooral de wind was, die de bomen deed sneuvelen:
Rukwinden die uit een onverwachte hoek kwamen,
Want bomen zijn in staat om stevige wind uit eenzelfde hoek op te vangen.
Maar als de wind uit verschillende hoeken om de boom heen stormt,
wordt de boom gegrepen en is het gedaan met de boom.
Een voorbeeld van de zinloosheid, waaraan de schepping onderworpen is,
Want de wind is niet geschapen om verwoestend huis te houden,
maar eerder een beschermende kracht,
zoals de aarde, God deze schiep, geen verwoestende krachten had,
maar een paradijs voor de mens was, een plek om samen te zijn met God,
de aarde vol van Gods heerlijkheid. Alleen maar goed, goed in Gods ogen.
Maar zo is de aarde niet meer.
De aarde is een plek die onderworpen is aan de zinloosheid.
Ze heeft niet meer het doel, die de Heere aan de aarde gegeven had bij de schepping.
Zoals de wind niet meer de schepping bewaart en beschermt of dient en verzorgt,
maar tekeer gaat, verwoestend is.
In die wind die tekeer gaat en vernielen kan
en ook in de bomen die omgewaaid zijn door die rukwind
is een stem te horen.
Heere, hoe lang zult u toekijken?
HEERE, verlos mijn ziel van hun verwoestende daden. (Ps. 35:17)
En zij riepen met luide stem: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen? (Openbaring 6:10)

Niet alleen de natuur die lijdt door de schade die is aangericht,
maar ook dat deel van de natuur dat de schade aanricht
en niet anders meer kan dan verwoesting brengen,
omdat het in een macht gekomen is – zinloosheid, zegt Paulus, losgezongen van haar doel
Ook voor de natuur geldt:
Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. (Rom. 7:19)
Onderworpen aan de zinloosheid, zegt Paulus.
Het meest waarschijnlijke is dat het God is
die de rest van de schepping laat delen in het lot van de mensen
Die in het paradijs tegen Hem ingingen en zondigden en het kwaad binnenhaalden.
Dit zei God nadat Adam en Eva ter verantwoording werden geroepen:
Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,
Zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang.
Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven.

De aarde geeft niet meer, waarvoor God de aarde schiep
En de tuin is niet meer de tuin die God schiep, maar een wildernis,
waarin de dorens en de distels de groei van het koren bemoeilijken,
maar ook het bewerken van de akker moeizamer maken.
De schepping zucht en daarmee bedoelt Paulus:
ook het niet-menselijke deel van de schepping, zoals de bomen en planten,
de dieren op het land en in de zee, de vissen en de vogels,
het water, de wind, de aarde.
Ze zuchten omdat ze niet altijd meer doen waarvoor God ze geschapen hebben.

Wij hebben 3 konijnen.
Als ze languit liggen, soms tegen elkaar aan,
dan zie je iets terug van het oorspronkelijke scheppingsdoel.
Maar als je bij het hok komt om ze eten te geven, vallen ze elkaar aan en jagen elkaar op.
Ze gunnen elkaar het eten niet. Ze moeten dan even laten weten wie de baas is.
De schepping is aan de zinloosheid onderworpen.
Ze beantwoordt niet meer aan haar doel, ze zucht onder het juk dat God opgelegd heeft.
In alles, heel de schepping zucht er onder, van het kleinste diertje tot de hoogste berg.
Als de schepping, zucht roept het tot God: bevrijd ons ervan!
Met dat zuchten zegt de schepping: Het is niet onze schuld.
Wij hebben niet de keuze tegen God gemaakt.
Met dat zuchten houdt de schepping ons een spiegel voor:
Wat heb je gedaan, daar in het paradijs, met het leven en de vrijheid die je van God kreeg,
de Schepper die je het leven gaf, die een wereld maakte,
de mens als kroon op de schepping, de mens: beeld van God?
Als de schepping zucht onder de last die God oplegt door onze zonde en klaagt ons aan:
Heel Uw werk, door ons vertreden, klaagt ons mensheid aan bij U.
Er zijn momenten waarop je dat zuchten naast je neer kunt leggen.
Als je foto’s ziet van exotische oorden met witte stranden, een blauwgroene oceaan
en groene bossen op de achtergrond,
dan kun je dat zuchten wegstoppen
en hoef je niet naar de aanklacht te horen die in dat zuchten schuil gaat.
De zonde wil ook niet dat we die aanklacht horen en dat we gaan nadenken,
wil niet dat we onrustig worden en gaan verlangen naar een ander leven, een beter leven.
De zonde wil juist dat we gaan denken dat deze wereld best te doen is
en de tactiek van de zonde is om alle negatieve kanten weg te duwen,
dat zuchten te overstemmen met andere geluiden,
waarbij we zeggen dat deze wereld zo gek nog niet is.
In de afgelopen week zag ik een filmpje van een strand:
strandgasten die aan het zonnebaden waren, aan het zwemmen, volop plezier.
Het was een filmpje van het strand in Latakia, het westen van Syrië.
Dat filmpje werd gedeeld door mensen die het niet zo’n goed idee vonden
dat Syriërs deze kant op kwamen en gaven bij dat filmpje aan:
Als dit Syrië is, waarom vluchten ze dan naar Europa?
Als je zo kunt genieten in je eigen land,
dan heb je toch geen reden om een veilig heenkomen te zoeken in een ander werelddeel?
Wat er niet bij gezegd werd was dat er nog geen tientallen kilometers landinwaarts
gevangenissen staan waar tegenstanders van het regime wreed gemarteld worden.
Ook werd niet gemeld waar het filmpje vandaan kwam.
Het kan ook uit het Assad-kamp zijn: propaganda dat het leven goed is onder zijn bewind.
De schepping zucht om ons wakker te houden.
Om ons niet te doen vergeten dat het hier beneden nog niet is,
ook al kleden we het leven hier nog zo mooi in
en zijn we in staat om alle rampen en narigheid vakkundig weg te poetsen
en de schijn op te houden – de schepping zucht.
Het zuchten van de schepping is niet alleen een aanklacht, een verwijt,
maar ook de stem van een diep geloof,
zoals in alle klachten in de Bijbel, in de klaagliederen uit het Oude Testament bijvoorbeeld

geloof naar voren komt in God, die alles bestuurt.
Want al die klachten die in de psalmen verwoord worden
En het zuchten van de schepping waar Paulus over spreekt,
weten dat God er iets aan kan doen, kan ingrijpen, kan redden, kan bewaren.
Als God het juk van de zinloosheid op de schepping gelegd heeft,
kan Hij dat juk er ook weg nemen en de schepping bevrijden
en weer tot haar doel brengen.
En hoe de mensheid ook zich nestelt in deze aarde en tevreden is hier.
De schepping zucht om ons onrustig te maken
om de illusies die wij als mensen kunnen hebben door te denken dat het hier wel meevalt
te doorkruisen met hun roepen, met hun gezucht.
Het is niet een enkel onderdeel van de schepping dat zucht, maar de hele schepping.
De gebieden die te onherbergzaam zijn om te bewonen net zo goed
Als de plekken waar mensen naar toe gaan om hun vakantie te vieren.
De dieren net zo goed als de planten.
De schepping is één, één in het juk van de doelloosheid, maar ook één in verlangen.
Reikhalzend verlangen: op de uitkijk gaan staan om te zien of je er al iets van verneemt.
Op je tenen gaan staan, om te kijken of het al dichter bij komt.
Want waar veel mensen het wel best vinden, het leven zoals het is,
Weet de schepping dat er een andere tijd komt, een tijd van bevrijding,
een tijd waarin de schepping weer is, zoals God die bedoelde.
Het zuchten van de schepping is daarom niet alleen maar lijden, niet alleen maar aanklacht,
maar ook evangelie: verkondiging dat er door Christus redding is, ook voor de schepping.
De schepping gelooft in haar Schepper,
gelooft in Christus als de hersteller van de schepping, die de zonde wegdroeg,
Waardoor er een tijd zal komen, dat het niet meer nodig is
om te lijden onder die zinloosheid en vergankelijkheid.
Zo getuigt de schepping, die door ons toedoen te maken kreeg met vergankelijkheid,
aan ons mensen van het heil dat er zal komen:
jullie zullen aangenomen worden als kinderen van God,
jullie die in opstand waren en niets van God moesten weten worden weer kinderen van God.
De schepping weet dat er meer is dan de zonde
en van een God die sterker is dan de zonde
En die ook het lot dat de schepping heeft getroffen door de zonde kan wegnemen.
Die de genade heeft, de barmhartigheid ook, om opnieuw te beginnen
met de mensen en daarom ook met de schepping,
Want de schepping blijft Zijn schepping. Hij geeft niet prijs van Zijn hand begon.
De schepping heeft dat geloof blijkbaar uit zichzelf, dat God zal redden
en dat er een nieuwe tijd zal komen.
De schepping lijdt wel aan de vergankelijkheid, kreunt en zucht eronder,
maar is niet het geloof kwijtgeraakt en ziet zelf de hand van de schepper
En getuigt ondanks de sterfelijkheid en vergankelijkheid,
ondanks de neiging om het verkeerde te doen van de Schepper.

Voor ons mensen is het een ander verhaal.
Wij hebben daarvoor de Heilige Geest nodig.
De Geest maakt ons onrustig en doet ons verlangen naar een andere tijd
Waarin God weer bij ons mensen is en wij van Hem zijn.
De Geest wekt in ons een verlangen om los van de zonde te komen
En niet meer gevangen te zitten in die neiging om het verkeerde te doen,
om alleen maar aan onszelf te denken, om het goede dat er is voor onszelf te misbruiken.
Ook wij zuchten, zegt Paulus, onder de zonde, onder het lot dat ons getroffen heeft,
dat ook weer door onszelf over onszelf is afgeroepen.
Maar ook voor ons is dat niet het laatste woord. Het is met de zonde niet afgelopen.
Ook wij mogen weten van die nieuwe tijd, die er door Christus is gekomen en zal komen.
Door Christus die de last van de zonde droeg, het oordeel van God, aan het kruis.
De nieuwe tijd die niet alleen maar iets van de toekomst is.
Als voorbode van die nieuwe toekomst van bevrijding, van weer kind van God zijn,
hebben wij van God de Geest gekregen: een teken dat die andere tijd komt
en dat God ons in die andere tijd wil hebben, wil meenemen, wil redden, bevrijden.
De Geest die ons de ogen opent voor onze neiging om de zonde te geloven
en er in mee te gaan als de zonde de negatieve gevolgen camoufleert
en ons wil doen geloven dat het zo wel gaat
en dat er een nieuwe wereld niet nodig is, omdat deze oude wereld nog voldoet.
De Geest die ons de oren opent voor het zuchten van de schepping
en ons doet luisteren naar de aanklacht die daarin klinkt, het lijden door ons veroorzaakt,
maar die ons ook meeneemt naar de God
aan wie de verzuchtingen van de schepping zijn gericht
om daar bij God ook ons zuchten te brengen.
In dat zuchten van ons zit een gebed, waar we de woorden niet voor kunnen vinden.
We hebben er geen woorden voor om te reageren als de schepping ons aanklaagt,
omdat we niet weten waar we met onze schuld naar toe moeten.
Wij kunnen die zelf niet dragen.
Die schuld kan ons alleen maar afgenomen worden.
In ons zuchten verwoordt de Geest voor ons een gebed waarin we onze schuld erkennen
en waarin we een beroep doen op God: Red ons van onze schuld,
zodat we weer met de schepping samen kunnen leven en samen kunnen uitkijken
naar de toekomst die U zult brengen.
Wij weten niet wat we bidden moeten, zegt Paulus.
We zuchten, omdat we uit onszelf de weg naar God niet vinden.
Dan neemt de Geest ons mee, via onze verzuchtingen, en brengt ze bij God.
En dan weten wij niet wat we bidden moeten en kunnen we alleen maar verzuchten,
de Geest weet van ons zuchten een gebed te maken tot God.
Bij Paulus heeft dat niet-weten wat we moeten bidden wellicht ook te maken
met de zonde waardoor we de wil van God niet meer kennen.
Wij kunnen niet meer zo bidden, door de zonde, dat in ons gebed het niet gaat om ons,
maar om de wil van God. Uw wil geschiede.
Wij weten niet hoe de bevrijding er uit zal zien.
We kunnen ons er geen voorstelling van maken, omdat we alleen deze wereld kennen.
Dit is de wereld waarin we leven.
Wat we erover weten, hebben we uit Gods mond gehoord, gelezen in de Bijbel.
We kunnen daar alleen maar over dagdromen in geloof.
Hoop noemt Paulus het: je kunt je er geen voorstelling van maken,
onze beperkte menselijke gedachten schieten tekort,
maar daarom is het nog wel waar, daarom komt die nieuwe tijd nog wel.
De tijd dat het juk van de schepping wordt afgenomen en ook wij als mensen bevrijd zijn,
samen met de schepping weer kinderen van God zijn en tot onze doel mogen komen.

Heer ons lot is in Uw handen
en het is uw hartewens,
naar uw beeld ons te veranderen
Jezus Christus, nieuwe mens.

Zie ons lijden, Heer, tezamen
met de ganse creatuur,
zie toch, hoe uw erfgenamen
zuchtend uitzien naar het uur,
dat zij ‘t juk mogen schudden
het vernederende juk
der vergeefsheid, ach wij bidden:
breek het stuk, Heer, breek het stuk.

Kom toch om de macht te breken
van de vorst der duisternis.
Geef dat de zege zeker is.
Amen

Preek hemelvaartsdag 2019

Preek hemelvaartsdag 2019
Daniël 7:7-14 en Mattheüs 28:16-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ze krijgen de opdracht om zich te melden in Galilea.
De laatste keer dat ze als groep bij elkaar waren, was in de tuin van Gethesemané,
toen Jezus opgepakt werd.
In plaats van Jezus bij te staan, zijn ze allemaal weggevlucht
en lieten ze Jezus in de steek.
En nu komt het verzoek om weer bij elkaar te komen.
Niet als voorstel van een van de andere leerlingen om als reünie bij elkaar te komen
en met elkaar te bespreken hoe ze de aanhouding en dood van Jezus kunnen verwerken,
maar een opdracht die tot hen komt van Jezus zelf. Hij is opgestaan!
De vrouwen kwamen het bericht brengen:
Ga naar Galilea en daar zullen jullie Hem ontmoeten.

Zo komen ze bij elkaar op die berg in Galilea.
Hier is het voor hen begonnen. Hier kwamen ze Jezus tegen en begonnen Hem te volgen.
Ze kijken elkaar onzeker aan.
De vorige keer dat ze bij elkaar waren, was Jezus er nog bij
en hadden ze hun mond vol over het bij Jezus blijven:
Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen, had Petrus gezegd
En de anderen hadden die uitspraak van Petrus beaamd:
Wij zullen U niet in de steek laten!
Nu ze zo bij elkaar zijn, herinneren ze zich dat ze zo overtuigd waren
van hun eigen moed en standvastigheid
en ze kijken elkaar beschaamd aan, omdat ze van elkaar weten:
We hebben dat niet waar kunnen maken. We zijn allemaal op de vlucht gegaan.
Allemaal hun eigen kant opgegaan.
Terwijl ze zich schamen over wat er is voorgevallen,
merken ze ook dat het een bijzondere situatie is: ze zijn weer als groep bij elkaar.
Er is iets dat hen samenbrengt: de kracht van de opgestane Heer.
Ze voelen aan dat er iets bijzonders gaat gebeuren: een nieuw begin.
Ze herinneren zich zijn woorden: Waar 2 of 3 in mijn Naam bij elkaar zijn,
ben Ik in hun midden.
Zou Jezus zelf komen? Of is Hij er al nu ze zo bij elkaar gekomen zijn?

Jezus is er inderdaad.
Hun Heer – opgestaan uit de dood.
Er is heel wat gebeurd nadat ze Hem voor de laatste keer zagen.
Ze hebben Hem de rug toegekeerd.
Ze hebben verhalen gehoord over hoe Jezus werd veroordeeld en gekruisigd.
Hoe Hij stierf en begraven werd.
En nu staat Hij weer in levende lijve voor hen.
Petrus, Johannes en Jakobus stoten elkaar aan.
Zoals Jezus aan hen verschijnt, dat komt hen bekend voor,
Toen ze met Jezus mee waren op een andere berg
en Jezus van gedaante veranderde: ze zagen Hem toen in Zijn hemelse heerlijkheid.
Toen bogen ze vol ontzag voor hem neer
en Petrus stelde enthousiast voor om een onderkomen te bouwen,
zodat ze Jezus samen met Elia en Mozes voor altijd bij zich konden houden
in die heerlijkheid, die hemelse glans en glorie die hen omstraalde.
Jezus wilde niet dat ze iets voor Hem en Mozes en Elia zouden bouwen.
Nu begint er iets te dagen, waarom ze dat toen niet mochten doen.
Jezus moest een andere weg gaan, die ze toen nog niet begrepen
en nu eigenlijk ook nog niet echt: de weg naar het kruis, de dood in.
Maar nu is Hij opgestaan en leeft en kunnen ze Hem hier ontmoeten.
Met z’n drieën ervaren ze weer dat bijzondere als toen op die berg
en nu gaan ze weer op de knieën, vol ontzag: U bent onze Heer.

Er zijn andere discipelen die nog niet zo ver zijn.
Ze zouden wel willen buigen, net als de andere discipelen al doen,
maar ze aarzelen.
Is dit wel de Jezus die ze kennen?
Er is een tweestrijd in hen: Ze voelen zich naar Hem toegetrokken en willen Hem aanbidden
Voor Hem op de knieën vallen
En toch is er iets in hen dat hen ervan weerhoudt.
Dit moment is te groots, om zo Jezus de opgestane Heer te ontmoeten.
Ze weten niet waar ze goed aan doen.
Kunnen ze wel voor Jezus buigen, nadat ze Hem de laatste keer in de steek lieten?
En met welke Jezus hebben ze te maken?
Wie is Hij? Toen ze in Caesarea Filippi waren, wisten ze het: U bent de Zoon van God!
Maar nu, nu Hij geleden heeft onder Pontius Pilatus, gekruisigd is, neergedaald in de hel,
opgestaan – Wie is Hij, die nu voor hen staat?
Wat is de gepaste reactie? Hoe ga je Jezus tegemoet?
Twijfel zorgt vaak voor innerlijke verwarring: Heb ik met Jezus te maken of niet?
Moet ik me neerbuigen Hem aanbidden? Of vergis ik me en heb ik niet met Jezus te maken?
Ze komen er niet uit. Wie helpt hen om te zien dat het echt om Jezus gaat?
Dat ook zij kunnen buigen voor Hem, net als de andere discipelen dat al wel kunnen.

Dan komt Jezus op hen toe.
Jezus, de opgestane, koning van hemel en aarde komt hun wereld binnen.

Niet met een heerlijkheid die hen verblindt,
of een macht die hen op een afstand houdt, of over hen heen walst.
Hij stapt op hen af. Hij stapt hun wereld in,
de wereld van de leerlingen, die niet goed raad weten met hun reactie,
die zich verscheurd voelen door de twijfel, waardoor ze niet kunnen buigen,
de wereld van de leerlingen, die weten dat ze de laatste keer dat ze bij Jezus waren
Er niet al te best voor de dag kwamen, die faalden als leerlingen van Jezus.
Zie ons voor U staan, zondig en onrein.

Vader, vol van vrees en schaamte,  buigen wij voor U.

Heel Uw werk, door ons vertreden, klaagt ons, mensheid aan bij U.
Christus maakt zich kleiner, zodat wij Hem kunnen ontmoeten,
zodat Hij bij ons kan zijn en wij Hem kunnen verdragen,
kunnen ontmoeten, kunnen aanbidden.
Hij treedt ook onze wereld binnen, onze kleine wereld, ons leven,
zodat wij Hem kunnen ontmoeten en aanbidden.
Dat is het enige antwoord op onze twijfel, op ons wel willen maar niet kunnen
dat Jezus zelf op ons toetreedt en zegt: Ik ben het, twijfel niet langer, geloof!
Waar er 2 of 3 in mijn naam bij elkaar zijn, daar ben Ik in het midden.
Zo treedt Jezus ons vanmorgen tegemoet,
Terwijl Hij in de hemel is, is Hij hier op aarde bij Zijn gemeente aanwezig.
Er is veel gediscussieerd over de vraag wat de hemelvaart betekent
voor Christus’ aanwezigheid op aarde.
Is Christus dan niet bij ons tot aan het einde van de wereld, zoals Hij ons beloofd heeft?
Wordt in de Heidelberger Catechismus gevraagd.
Dat is niet zomaar een theoretische vraag.
Dat is een vraag die ons geloof diep raakt: We kunnen niet zonder Zijn aanwezigheid.
En het raakt ook Jezus diep in Zijn wezen, in Wie Hij is.
Als Hij niet meer op aarde is, dan klopt de belofte niet die Hij gegeven heeft.
Dan kunnen we niet op Hem bouwen en staan we er alleen voor.
Daarom zegt de Catechismus: Zijn lichaam is in de hemel,
maar naar Zijn God-zijn, Zijn majesteit, Zijn genade, Zijn Geest is Hij hier op aarde.
Zo treedt Hij ook ons vanmorgen tegemoet.
Als Heer, die in de hemel woont en toch hier bij ons kan en wil Zijn,
als onze God en Heer, met Zijn macht en majesteit,
met Zijn genade, die Hij aan ons allemaal wil geven,
Aan ons, die net als de leerlingen zo vaak twijfelen en niet kunnen buigen,
al willen we soms wel, maar lukt het niet, of herkennen we Jezus niet.
Genade voor jou en mij, ons allemaal.
Zijn Geest die ons geloof geeft, leert geloven, helpt om Hem te beamen.
Zoals Jezus op de leerlingen afstapt en in hun wereld komt,
zo heel vertrouwd net als voorheen en toch zo anders, omdat Hij nu verheerlijkt is,
de hemelse Heer, die dood geweest is en zie: Hij leeft!

Zo komt Hij naar hen toe.
Hij heeft hen iets te zeggen, woorden die allereerst aangeven Wie Hij is.
Zijn woorden hebben gezag. Hier is niet een mens aan het woord, maar de Zoon van God.
Uit Zijn mond klinkt niet een veroordeling,
maar een bekendmaking die hen bemoedigt:
Aan mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Het zijn woorden die hen bekend voorkomen.
Niet dat Jezus al eerder, voordat Hij aan het kruis ging, zo gesproken heeft in die woorden,
maar nu begrijpen ze wel waarom Jezus steeds, toen Hij rondwandelde op aarde
sprak over de Zoon des mensen en dat Hij daarmee Zichzelf bedoelde.
De woorden van Christus die hen toespreekt herinneren hen aan Daniël 7,
Waarin aangekondigd wordt hoe iemand in de gestalte van een mens uit de hemel neerdaalt
namens God om God op aarde te brengen:
de persoon die uit de hemel komt wordt daarom ook wel Zoon des mensen genoemd.
Hun meester sprak er vaker over, toen Hij met hen optrok en onderwijs gaf.
Hij sprak toen over zichzelf:

Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap,

en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren.
Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden,

en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.

Die heerschappij is nu aan Mij gegeven, zegt Jezus om hen te bemoedigen
op dat moment dat sommigen nog niet goed weten wat ze moeten.
Geloof me maar! Je kunt Me vertrouwen! Je kunt je leven aan Mij geven!
Die macht om te heersen over heel de aarde heb ik gekregen.
Niet van de duivel, die aan het begin van Mijn optreden op aarde, na Mijn doop
Mij wilde verleiden, waarbij Ik dan voor hem zou moeten knielen.
De macht over heel deze aarde heb Ik ontvangen van Mijn hemelse Vader,
die Mij zond naar de aarde en ook jullie hemelse Vader is.
Hij heeft mij alle macht gegeven.
Ik heb jullie leren bidden: Uw wil geschiede in hemel en op aarde.
Nu Ik ben opgestaan uit de dood heb ik dat gezag ook gekregen
om te regeren, koning te zijn over hemel en aarde.
Bij Mijn geboorte kwamen wijzen uit het oosten om de pasgeboren koning te aanbidden,
om net als jullie te knielen, toen aan het begin van Mijn leven, knielden ze bij de kribbe.
Aan het kruis gaf Pilatus dat aan de mensen te kennen: Koning van Israël.
Hij wist niet dat Ik meer was: koning van de hele wereld, meer dan zijn heerser in Rome
en ook koning in de hemel.
Ik regeer en vanaf nu regeer ik vanuit de hemel ook over de aarde.
Waar Hij zit aan de rechterhand van de Vader.
De koning die aan het kruis hing en daar door iedereen bespot werd,
heeft de troon in de hemel bestegen.
Ieders oog zal Hem zien,ook degenen die Hem doorstoken hebben.

Tegen Zijn leerling zegt Hij: Jullie zijn nu mijn dienaren. Jullie staan in Mijn dienst.
Als koning van deze wereld, als jullie Heer heb Ik een opdracht voor jullie.
Ik heb jullie ooit een gelijkenis verteld over een koning, die zijn knechten erop uit zond
om gasten uit te nodigen voor de bruiloft van zijn zoon.
Zo stuur Ik jullie erop uit, over heel de wereld om zoveel mogelijk mensen te vertellen
over Mij: dat Ik over deze wereld regeer, dat de boze verdreven is, dat Ik heb overwonnen.
Houd het nieuws niet voor jezelf, maar vertel het overal waar je komt.
Laat iedereen het weten.
Nodig ze uit om naar het feest te komen.
Vertel zo over Mij, dat ze bij Mij willen horen, Mij willen dienen en volgen.
Zo verovert deze Koning de wereld: niet door geweld te gebruiken,
maar door Zijn dienaren, die net tevoren nog geaarzeld hebben of ze wel konden buigen,
die van binnen tweestrijd ervoeren.
Zij worden erop uit gestuurd om te vertellen, om uit te nodigen,
om anderen op te roepen Jezus te volgen, Zijn koninkrijk binnen te gaan.
Geen enkel volk is buitengesloten.
De Romeinen niet, die met hun bruut geweld de wereld veroverden niet.
Amerikanen en Russen niet.
De volken op de eilanden in Oceanië, voorbij Australië niet.
De volken uit Groenland en het noorden van Canada niet, de Inuït.
Degenen die op het verste puntje op deze wereld wonen niet.
Geen enkel volk wordt buitengesloten.
Of ze nu in tropische gebieden wonen of bij de poolcirkel.
Of ze nu in makkelijk bereikbare gebieden wonen, of dat ze moeilijk te bereiken zijn.
Ook hier zijn de zendelingen gekomen en hebben verteld.
Ook hier is over deze Heer verteld en zijn er volken gedoopt.
Vaak weten we niet zo veel van ons voorgeslacht, hooguit wat generaties terug.
Misschien komt u wel uit een familie, waar eeuw in eeuw uit al de kinderen werden gedoopt

in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Wellicht is dat nog niet zo lang geleden,
hebben je ouders zich als eersten van hun familie laten dopen.
Of ben je zelf de eerste, die de stap waagde om deze Jezus te volgen.

Als je bij Jezus hoort, ben je nooit uitgeleerd.
Steeds weer moet je ontdekken wat het betekent, dat Jezus over de aarde regeert.
Je raakt dat zo snel weer kwijt.
Vandaar dat die twijfel die de discipelen bezig houdt voor ons herkenbaar is.
We zeggen dan: gelukkig, ook zij waren niet de perfecte gelovigen.
Als zij hun zwakten hadden, soms ook faalden, dan is er ook voor ons hoop
en kunnen ook wij de weg van Jezus gaan.
Op de weg van Jezus leren we steeds weer wat het betekent om Zijn wil te doen.
Toen Jezus aan het begin van Zijn rondwandeling op aarde rondtrok
vertelde Hij al hoe Hij dat voor zich zag: Zijn leerlingen die Zijn wil deden.
Een licht in een donkere wereld door je manier van leven,
door hoe je je opstelt naar anderen toe.
Door je geloof, je hoop, je liefde het licht deze koning te verspreiden.
Als kerk als gemeenschap zo uit deze hoop te leven, zo te geloven, zo lief te hebben,
dat het zichtbaar wordt voor alle mensen, dat je van Christus bent.

Ja, dat laten zien, zo leven en getuigen. Wat brengen we ervan terecht?
En wie zijn wij, gelovigen die vaak wel willen, maar niet kunnen,
of die soms geen zin hebben, er niet op uit willen trekken. Of niet durven.
Nee, zegt Jezus, je moet niet naar jezelf kijken, naar wat jij te zeggen hebt, of durft.
Weet je niet dat Ik mee ga. Ik ben wel in de hemel, maar ook op aarde, bij jou.
Als jij in mijn naam ga, ga ik met je mee.
Er zal geen dag zijn zonder Mij. Alle dagen ben Ik bij je.
Ik geef je Mijn kracht, ik geef je Mijn aanwezigheid. Ik ben met je, alle dagen.
En eens zal deze wereld voorbij zijn. Zal de tijd erop zitten.
Het zal een tijd zijn, waarin heel wat gebeurt, met de aarde, met de kerk.
Als je die tijd meemaakt, zal het geen eenvoudige tijd zijn,
Niet eenvoudig zijn om vol te houden in geloof.
Maar je hoeft niet te wanhopen. Want ook dan ben Ik bij je.
Ik raak jou en deze wereld niet kwijt.
Voor altijd, tot deze wereld ten einde gaat,
dat is de dag waarop Ik terug kom op deze aarde. Houd moet en ga in mijn naam!
Amen

 

Preek zondagavond 19 mei 2019

Preek zondagavond 19 mei 2019
Romeinen 6:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn tijd op de middelbare school las ik een roman van de schrijver Gerard Walschap
over de verloren zoon, die na een tijd weggegaan was, weer was thuisgekomen.
In die roman was de verloren zoon, in het boek Gad uit Nazareth, weggegaan,
omdat het hem benauwde in het dorp waar hij opgevoed was.
Na enkele jaren keerde hij weer terug, om het leven van vroeger op te pakken.
Maar het lukte hem niet.
Hij liep tegen dezelfde bekrompenheid op, die hem eerder deden wegtrekken uit zijn dorp.
Hij vertrekt weer en zo gaat het in het boek eigenlijk steeds:
wegtrekken en weer in het dorp komen en in zijn plaats van herkomst niet kunnen aarden.

In Romeinen 6 gaat het er ook over hoe dat leven er uit ziet,
nadat je als verloren zoon (of verloren dochter) weer bent thuisgekomen met je doet.
Lukt het om te aarden in dat nieuwe leven,
waarin je weer bent aangenomen als zoon of dochter van God?
Heb je het naar je zin nu je thuisgekomen bent?
Geniet je om bij de hemelse Vader thuis te zijn?
En hoe ziet dat leven, nu je weer thuis bent bij God, er uit?
Mag je nog iets van dat oude leven hebben?
Van dat dwalen door de wereld, die losbandige levensstijl?

Paulus is blijkbaar mensen tegengekomen,
die vinden dat je best nog iets van die oude levensstijl mag hebben.
Als je nog iets van dat oude leven houdt, wordt de genade alleen maar groter.
Of misschien gaat het om mensen, die in geuren en kleuren vertellen over dat oude leven,
over wat ze allemaal wel niet verkeerd hebben gedaan,
net of ze er trots op zijn, wat ze allemaal hebben meegemaakt,
erop kunnen pochen hoe bijzonder het is dat zij door Christus gegrepen zijn.
Natuurlijk, het gaat om de eer van Christus,
Christus die zo genadig is en zo krachtig werkt en ook hen kon bekeren.
Maar het is net of dat bijzondere van Christus alleen maar zichtbaar wordt
als je zo kunt vertellen over wat er allemaal wel niet nodig was
om je tot inkeer te brengen.
Alsof ze net iets teveel van dat oude leven houden, teveel heimwee naar dat leven toen
En dat oude leven toch ergens nodig hebben om van Christus te genieten.
Of het voor hen niet genoeg is dat ze Christus hebben
en dat ze dat oude leven niet echt als een last ervaren.

Paulus is daar heel fel op: dat oude leven moet helemaal achter je liggen.
Je mag van dat oude leven niets in je overlaten.
Je moet er niet teveel aan terugdenken, niet te groots over zijn,
ook al is het je bedoeling om daarmee de genade van Christus groter te maken.
Want dat oude leven blijft bezig om je terug te winnen, om weer invloed op je te krijgen
en mee te nemen op de verkeerde weg, zodat je weer bij God vandaan gaat.
Als je teveel met dat oude leven bezig bent, ook al is dat om Christus’ genade te belichten,
voed je de kans om heimwee te krijgen, loop je het risico om de deur open te houden.
Het zijn begeerten, die in dat oude leven volop te kans kregen,
niet afgeremd werden, niet tegengehouden werden, niet bestreden werden,
Waarmee de zonde probeert in ons leven terug te komen.
Blijkbaar zijn die begeerten een zwakke plek van ons
En vormen ze voor de zonde een gemakkelijke en verborgen manier
om weer de macht in ons leven terug te krijgen.

We zijn bevrijd uit de macht van de zonde, omdat Christus gestorven is
en Hij in ons leven gekomen is
en toch blijft die zonde om ons heen cirkelen om bij ons weer binnen te dringen,
om ons te veroveren, zonder dat we dat door hebben.
Wat maakte het voor de verloren zoon zo aantrekkelijk om weg te gaan bij zijn vader,
naar een ver land af te reizen, waar hij kon leven, zoals hij dat wilde,
waar hij zich niet afgeremd werd door schaamte
of door mensen die naar hem toe kwamen en zeiden:
als je vader eens wist, waar je mee bezig bent, wat zou hij dan zeggen?
Als je moeder wist, dat je hier was, dan zou ze wel erg veel verdriet hebben.
De begeerte waar Paulus op doelt, is het verlangen in ons mensen
en dan vooral het verlangen naar wat verkeerd voor ons is, schadelijk voor ons is.
In Romeinen 13 noemt Paulus enkele van die begeerten:
zwelgpartijen en dronkenschappen, slaapkamers en losbandigheid, ruzie en jaloezie.
We hoeven dat niet eens uit te werken, omdat iedereen wel begrijpt waar het om gaat
en iedereen wel begrijpt, waarom dit begeerten zijn, waar we kwetsbaar voor zijn.
Je moet daar tegen strijden zegt Paulus, want die begeerten zijn sluiproutes
waardoor de zonde weer in je probeert te komen
En de zonde neemt geen genoegen met een klein plekje in je leven,
maar wil je hele leven hebben, je helemaal in dienst nemen.

Het is Paulus hier te doen om het conflict dat er is tussen Christus en de zonde.
De zonde, die aan het kruis het onderspit moest delven, zijn macht kwijtraakte.
Paulus zegt: u hebt zelf ervaren hoe u bevrijd bent van de macht.
Paulus dacht aan zijn gemeente, waarvan iedereen die er bij was een bekeerling was,
toegetreden was tot Christus en daarmee tot de gemeente
en in die gemeente met Christus opnieuw begonnen is.
Christus wil ook het liefst met u opnieuw beginnen
en hopelijk is Hij al met u, met jou begonnen
en zeg je: ja, ook voor mij is de macht van de zonde verbroken. Ik mag vrij zijn.
De zonde heeft over mij geen macht meer.
Ja, ik voel nog steeds wel de zonde aan mij trekken
en ik merk hoe de zonde in mij die begeerten aanwakkert, maar ik strijd ertegen.
Mijn enige troost is dat ik toebehoor aan Jezus Christus.
Ik ben niet meer van mijzelf, maar ben eigendom van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus,
die met Zijn eigen dood mij heeft vrijgekocht van uit deze macht en mij bevrijd heeft.

Of misschien moet je wel erkennen, dat je nog niet zover bent
En dat je, als je over jezelf nadenkt, merkt dat de zonde nog steeds macht over je heeft.
Dat Christus niet de enige in je leven is,
en dat je toch een deur openhoudt voor die begeerten, omdat ze je nog zoveel plezier geven
of omdat je zelf niet in staat bent om die invloed uit je leven weg te krijgen.
Je zou wel willen, maar je vecht nog steeds niet tegen de zonde, eerder tegen Christus,
om Hem nog niet alles in je leven te bepalen.
Dan wordt er om je gevochten, want Christus wil je niet in de macht van de zonde laten,
want Hij weet hoe nadelig die macht voor je is, hoezeer het een macht is die je kapot maakt,
in de greep houdt en je niet wilt laten gaan.

Of misschien merk je dat gevecht in jezelf wel: de strijd die geleverd,
Dat je aan de ene kant dat verkeerde aan je voelt trekken, maar dat je niet altijd wilt,
Dat je niet altijd mee wilt gaan en dat je voelt dat het niet meer kan op die manier,
maar toch ben je dan soms niet sterk genoeg en ga je toch onderuit.
De zonde laat je ook niet zomaar gaan.

Na een kerkdienst, waarin ik vraag 1 van de Heidelberger Catechismus voorlas,
werd ik door een van de aanwezigen aangesproken, een vrouw.
Ze vertelde dat ze geschrokken was van het antwoord van de Catechismus.
Dat antwoord had haar op een verkeerde manier geraakt.
Ze was vooral geschrokken van het woord ‘eigendom’ – je wordt eigendom van Christus.
Dat had voor haar heel beklemmend geklonken.
Wanneer er een woord verkeerd valt, is er vaak meer aan de hand
En raakt het aan een gevoeligheid die iemand heeft
en dat bleek ook bij deze vrouw te zijn.
Ze vertelde dat ze net gescheiden was, hoe haar huwelijk was vastgelopen,
omdat ze steeds meer van zichzelf kwijtraakte in het huwelijk,
hoe haar ex-man haar steeds minder van haarzelf in het huwelijk accepteerde.
Uiteindelijk zag ze maar één manier om zichzelf te redden: uit het huwelijk stappen.
Die jaren van haar huwelijk hadden echter zoveel invloed op haar gehad,
dat één woord genoeg was om haar weer even terug te brengen in die tijd,
waarin zij gevangen zat en alle vrijheid miste.

Ook dat oude leven in de zonde heeft iets beklemmends, waarin we onze vrijheid kwijtraken.
In een menselijke relatie kan iemand zijn slechte kant een tijd lang verborgen houden,
maar als het huwelijk eenmaal gesloten is, als je samen bent als man en vrouw
opeens die verkeerde kant laten zien, omdat je toch niet meer terug kunt.
Zo kan de zonde de slechte kant eerst verborgen houden
en het verkeerde eerst aanlokkelijk maken, dat je gek bent als je het laat lopen,
dat je toch heel wat mist, als je niet op die begeerten ingaat.
dat het geen kwaad kan om een keer op zo’n begeerte in te gaan.
En als je eenmaal binnen bent, in zijn greep, dan laat hij je niet meer gaan
hij heeft je wil heeft overgenomen:
in de macht van de zonde niet meer je zelf kunt bepalen wat je wilt doen,
En hij wakkert de strijd tegen Christus aan door te doen alsof je bij Hem je vrijheid kwijtraakt dat je bij Christus niets te zoeken hebt.
Zo maakt de zonde het je steeds moeilijk om van hem los te komen.
Hij is als een stalker, die je niet zomaar laat gaan, als je van hem bent geweest.

Zelfs als Christus voor je strijdt en in je leven wil komen,
zelfs als Christus de zonde in jouw leven, uw leven te sterk is,
geeft de zonde niet zich zomaar gewonnen.
De zonde heeft echter geen recht meer op je, zegt Paulus.
Je bent overgegaan naar een andere eigenaar:
van de macht van de zonde in Christus’ handen.
Het is de overgang van iemand die je geroofd heeft naar iemand die recht op je heeft.
Van iemand die je verleid heeft en meegenomen heeft op de verkeerde weg,
naar degene die je geschapen heeft en steeds op je wacht tot je weer thuis komt.
Die overgang naar Christus, weg uit de zonde gebeurde op een bijzondere manier:
Mee-gekruisigd met Christus – met Hem mee naar het kruis en het graf in.
Dat betekent dat de zonde je moest laten gaan en dat er een nieuw leven gekomen is.
Zo radicaal, dat je niets van je oude leven hebt kunnen meenemen.
Zoals je na een echtscheiding uit een moeizame relatie niets wilt meenemen,
niet de angst die je had, niet het gevoel van onvrijheid, niet het gevoel jezelf kwijt te raken,
zo mag er niets in dat nieuwe leven meekomen van dat oude leven.
Niet in de vorm van heimwee, niet in de vorm van grootse verhalen over hoe het toen was.
Je begint helemaal opnieuw.

In de uitleg wordt dit gedeelte nogal eens verbonden met de doop.
De doop, die voor de eerste christenen gebeurde met onderdompeling:
je gaat kopje onder: de oude mens sterft en je staat op als nieuw mens.
Of je zou het ook anders kunnen zeggen: je gaat helemaal onder in Christus,
zodat Hij je helemaal vervult, niet alleen je gedachten en je hart, maar ook je huid.
Heel je bestaan, heel je wezen, helemaal zoals je bent,
zodat alles van je, van top tot teen, binnenkant en buitenkant toegewijd wordt aan Christus
En er geen enkel stukje van je bestaan, van wie je bent, van je lichaam, je identiteit
nog aan de zonde toebehoort.
Want al zou er maar één stukje in de zonde zijn, dan zou er aan je getrokken worden
om je weer de verkeerde kant op te krijgen en zou je het risico lopen
weer terug te vallen in het oude bestaan en Christus ook de redding mis te lopen.
Daarmee zou ook onze redding op het spel staan en niet alleen onze redding,
maar ook de genade van God, de kracht van God,
die dan niet in staat zou zijn geweest om ons helemaal te redden.

Er is een nieuw leven, zegt Paulus, radicaal nieuw – geschonken in Christus:
In Zijn sterven en opstaan, waarin Hij ons meenam
en voor ons dat nieuwe leven gaf.
Dat vraagt ook van ons iets.
Dat vraagt ook van ons een strijd – een strijd tegen die begeerten,
waarmee de zonde ons wil heroveren.
Laat de zonde niet meer over u heersen – hij heeft er geen recht meer op.
Ga niet in de zonde mee, stel jezelf niet ter beschikking aan de zonde,
Want je hebt een nieuwe Heer, die je vrijkocht door zelf te sterven.
Stel je leven in dienst van God, want Hij heeft je levend gemaakt.
Amen

Preek zondagmorgen 19 mei 2019

Preek zondagmorgen 19 mei 2019
Schriftlezing: Lukas 15:11-32

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader.
Daarmee zegt hij hardop,
hoe er binnen het gezin en onder de knechten over de jongste zoon werd gedacht.
Dat hoeft niet eens hardop uitgesproken te zijn, toen die jongste zoon het erf verliet,
het ouderlijk huis achter zich liet en brak met zijn familie.
Het kan ook zijn, dat toen de jongste zoon wegtrok, zijn spullen ook weg waren.
Dat alles wat aan de jongste zoon herinnerde opeens weg was:
zijn plek aan tafel werd niet meer gedekt, zijn slaapkamer leeg, zijn kleren verdwenen.
Op de dag dat hij jarig was, werd er geen aandacht aan besteed.
Er werd gedaan alsof die dag niets bijzonders had.
Alsof hij nooit onderdeel had uitgemaakt van dit gezin.
Alsof hij nooit bestaan heeft.
Of het is een uitspraak geweest, die gedaan werd toen over de jongste werd gepraat.
‘Mijn broer? Die bestaat niet meer voor mij!’

Het vertrek van de jongste was pijnlijk geweest.
Allereerst voor de vader: de jongste zoon die met zijn vraag om de erfenis te krijgen,
deed alsof zijn vader al overleden was en voor hem niet meer bestond.
Na het vertrek van zijn jongste zoon had de vader geen leven meer,
Want niemand in het dorp kon hem nog serieus nemen,
met die zoon van hem die hem zo openlijk de grond in getrapt had.

Pijnlijk was het geweest voor zijn oudere broer.
Wellicht niet eens omdat hij een deel van de boerderij opgeëist had
(Als tweede zoon zou de jongste ⅓ krijgen) en dat verkocht had,
maar omdat die jongste zoon vertrek en zijn oudere broer in de steek liet.
Hem alleen achterliet met die vader.
Als broers kun je onderling bespreken hoe je ouders zijn.
Dat kun je niet met iemand van buiten het gezin bespreken.
Wanneer zijn vader er niet meer zou zijn, zou zijn jongere broer een belangrijke steun zijn
om het bedrijf over te nemen en verder uit te bouwen.
Nu die broer van hem vertrokken is,
heeft niet alleen het bedrijf een behoorlijke financiële klap gekregen,
Waarbij je hard moet werken om het bedrijf weer enigszins rendabel te maken.
Teleurgesteld in zijn broer, die hem hier alleen achter laat met zijn vader en het bedrijf
En egoïstisch alleen maar denkt aan zijn eigen verlangens
en niet in staat is geweest om zijn eigen wensen ondergeschikt te maken
aan de belangen van de familie
en met zijn wens om de erfenis te krijgen, zijn deel te verkopen en weg te trekken
aangeeft dat zijn familie niet meer voor hem bestaat, voorgoed met hen breekt
en hen met de schande en de schade achterlaat, die hij heeft aangericht.
Wanneer dat zoveel pijn geeft, als je denkt aan wat je broer heeft gedaan
en als je je ervoor schaamt dat hij is weggegaan en daar niet over durft te vertellen,
dan kun je er maar beter over zwijgen. Net doen of hij niet meer bestaat.

In dit verhaal dat de Heere Jezus vertelt
gaat het niet alleen over hoe het er in gezinnen aan toe gaat,
Maar hoe iemand zich van God verwijdert
en ook hoe degenen die wel bij God blijven daarmee omgaan,
Hoe ze naar iemand kijken.
Of ze iemand afschrijven of de deur open houden om terug te komen.
Om ons een spiegel voor te houden vertelt Jezus de meest extreme vorm:
iemand die weggaat, de deur achter zich dicht trekt
en een deel van de achterblijvers die ook de deur op geen enkel moment willen opendoen.
Lekker makkelijk om er zo op los te leven
en dan als je wilt veranderen, kun je nog bij God terecht en vergeeft Hij je helemaal.
En jij gaat maar elke zondag naar de kerk.
Als je uitgenodigd wordt voor een feestje op zondag, zeg je dat je niet kunt
en wanneer je zaterdagavond iets hebt, zorg je ervoor dat je bijtijds thuis bent,
zodat je op zondagmorgen er toch nog redelijk fris bij zit in de kerk.
Je houdt je aan de regels van het geloof en het kost je moeite,  elke dag weer opnieuw,
omdat je ook wel eens wat moet laten schieten,
wat je eigenlijk wel zou willen, maar wat niet kan volgens je geloof.
Je zet een film af, omdat er iets in gebeurt dat je niet kunt rijmen met je geloof.
Je helpt je broer, hoewel hij je nooit bedankt en nooit iets voor jou doet,
maar vind dat je hem niet kan laten vallen, omdat Jezus daar iets over gezegd heeft.
En als je dan eens kijkt naar mensen, die niet geloven, hebben die het soms maar makkelijk.
Voor jou is geloven zwoegen, veel ontzeggen, omdat het botst met het leven met God.
Dan leven ze eerst heel gemakkelijk, dan kunnen ze toch nog aankloppen bij God
en Hij doet voor hen open en zegt niet dat ze eerst hun leven op orde moeten hebben.

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader tegen zijn knechten
en zegt het later als zijn oudste zoon weigert om met het feest mee te doen,
het feest dat gegeven wordt omdat de jongste zoon thuisgekomen is:
Jouw broer – na alles blijft het je broer, je kunt die band niet wegpoetsen – was dood,
maar hij is weer levend geworden.
Het is niet minder dan een opstanding uit de dood, dat deze zoon, jouw broer gekomen is.

Zou de jongste zoon dat ook zo gevoeld hebben, dat hij voor zijn familie als een dode was
en vast ook voor degenen die in het dorp wonen
en wisten welke schande die jongste zoon over zijn familie uitstortte?
De vader zegt het niet tegen hem, dat hij dood was.
Hij zegt het alleen tegen de knechten en tegen zijn oudste zoon.
Zou hij het ook zo ervaren hebben?
Hij zal in het begin er zijn schouders over opgehaald hebben:
Hoezo dood? Nu leef ik pas! Eindelijk los van mijn familie en opnieuw beginnen,
het leven zoals ik altijd gewild heb. Geen druk, geen regels – mijn eigen leven.
Dat hij met zijn uitbundige levensstijl een leegte verbloemde, heeft hij nooit beseft.
Aan het opbouwen van contacten dacht hij niet, want hij leefde alleen voor zichzelf.
Aan anderen denken, investeren in relaties – dat was iets van zijn familie.
Totdat hij niets meer had en er alleen voor stond:
Zijn feesten, zijn uitgavepatroon, zijn levensstijl lieten hem met lege handen staan.
Een destructieve manier van leven, dat alles kapot maakt:
Eerst zijn familie en daarna het geld dat van zijn familie is
en er is niets voor in de plek gekomen.
Wie had dat gedacht: van shoppen in Parijs, naar shoppen voor de laagste prijs?

Denk je dat hij tot inkeer komt?
Dat er een moment is waarop hij nadenkt over wat hij gedaan heeft?
Wanneer hij helemaal failliet is en niets meer heeft en bij niemand kan aankloppen
is er nog geen zelfreflectie bij deze jongste zoon.
Nog steeds probeert hij zichzelf te redden, zich staande te houden.
Hij is van huis gegaan en heeft daar de deur dicht gedaan. Dus die weg is afgesloten.
Pas als hij geen eten meer heeft
en hij toekijkt naar de varkens, waar hij voor zorgt, die wel te eten hebben en hij niet,
dan komen de eerste gedachten aan thuis toe.
Als hij helemaal aan de grond zit, dan moet hij opeens aan zijn vader denken
En komt zijn vader hem voor de geest.
Zijn vader, waar hij mee gebroken heeft, bij wie hij het niet uithoudt,
zou zijn knechten niet zo slecht behandelen als deze baas,
Die hem bij de beesten af behandelt.
Hoe negatief hij ook altijd over zijn vader heeft gedacht,
of gewoon niet aan hem heeft willen denken,
nu beseft hij dat zijn vader toch een goede kant heeft, die hem in het leven kan houden.

Je broer was dood, zegt de vader
en hij bedoelt misschien wel hetzelfde als die oudste zoon zegt,
dat zijn jongere broer het geld er doorheen gejast heeft door naar de hoeren te gaan.
Maar er is wel een verschil in toon:
de oudere broer kan alleen maar vanuit verbittering kijken naar zijn jongere broer,
zijn eigen pijn en teleurstelling is zo diep dat hij niet kan zien
hoe zijn jongere broer ook een pijn en teleurstelling met zich mee droeg
en dat hij niet in staat was ook maar iets goed te maken van de pijn die hij veroorzaakte.
Hoe hard die jongste zoon ook werkte, de zoon kon het niet meer goed maken.
Ja, dat geld kon er wellicht komen.
Maar het zou nooit meer worden wat het was
En als het toch goed zou komen, dan zouden er nog de jaren zijn van gemis,
waarop ze niet bij elkaar waren.

De vader heeft ook pijn gehad, elke dag heeft hij de leegte gevoeld,
geleden, niet door beledigde trots, maar er aan geleden dat zijn zoon er niet was,
dat zijn plek leeg bleef.
Dat hij er niet bij was met de maaltijden, dat hij niet meewerkte op de boerderij,
dat hij er niet bij was als er feest gevierd werd.
Het leven ging door en die jongste zoon die miste zoveel van het gezinsleven.
Wat zal hij allemaal niet gemist hebben: bruiloften, geboorten, uitbreiding van het bedrijf.
Elke dag heeft deze vader uitgekeken, de horizon afgespeurd,
alsof hij niet kon geloven dat zijn jongste zoon voorgoed zou wegblijven
en dat er een moment moest zijn, waarop zijn gestalte in de verte zichtbaar zou zijn.
Toen het bericht van hongersnood kwam, heeft hij wellicht gedacht:
Als hij nog leeft, dan komt hij wel terug – want hij moet toch ergens van leven.
Hij heeft gewacht en gewacht en gewacht – en steeds was er niets te zien in de verte.
Hij wacht alleen nog maar totdat je komt.
En wat je nu ook doet, Zijn liefde blijft bestaan.
Ook niets wat jij ooit deed verandert daar iets aan.
Omdat Hij van je houdt gaf hij zijn eigen Zoon.
En nu is alles klaar wanneer jij komt.

Kom tot de Vader, kom zoals je bent.
Heel je hart, al je pijn
is bij Hem bekend.
De liefde die Hij geeft, de woorden die Hij spreekt.
Daarmee is alles klaar wanneer jij komt.

Terwijl voor de oudste broer elke dag dat zijn broer niet kwam opdagen een opluchting was
of niet meers meer aan de mogelijkheid heeft gedacht dat zijn broer nog terug kon komen,
wacht de vader.
Waarmee Jezus wil zeggen: besef je niet dat Mijn Vader op jou wacht?
Op de uitkijk staat.
Ik kwam wel eens bij een gemeentelid, waarin de kamer tegenover de stoel waar ze altijd zat
er een geborduurde schilderij van de verloren zoon hing die thuiskwam,
waarbij de vader steeds de armen wijd houdt.
Alsof ze dat steeds nodig had om daarnaar te kijken, om eraan herinnerd te worden:
dit is mijn hemelse Vader. Hij staat met de armen wijd, totdat ik ook kom.

Jezus vertelt die gelijkenis niet alleen voor degenen die ver weg getrokken zijn,
die afscheid namen van God en van het leven met God,
er op uit trokken om hun eigen leven te leven, van God los.
Ook voor degenen die achterblijven, die hun hele leven bij de vader thuis bleven wonen
en niet de wijde wereld in trokken, maar thuis hun bijdrage leverden
en zo hard werkten dat er geen tijd was voor een feest met de eigen vrienden.
En als de jongste zoon dan thuis komt, wil hij niet mee doen met het feest.
Dat gunt hij zijn jongste broer niet
en waar de jongste broer uit eigen beweging thuis komt,
moet de oudste zoon gehaald worden.
Ook met hem zit het niet goed.
Hij is wel voortdurend bij zijn vader, maar ook voor hem is er een afstand tot de vader.
Heel subtiel en alleen zichtbaar voor wie in staat is
om familepatronen te doorzien, die de schone schijn ophouden van een perfecte familie.
De oudste zoon is op het veld. Ook hij is weg, net als de jongste zoon.
Alleen hij kan het maskeren door te doen alsof hij plichtsgetrouw is.
Ook hij wil erop uit trekken, een leven zonder de vader,
want hij verlangt naar een feest met zijn vrienden, waar hij zonder zijn vader is.
maar hij doet het niet – te kiezen voor een leven zonder zijn vader.
Of omdat plicht hem weerhoudt, of omdat hij niet durft.
Bang is om dood verklaard te worden en alles kwijt te raken.
Hij is altijd bij de vader gebleven, maar heeft nooit ingezien hoe waardevol dat was
en hij heeft ook niet gezien hoe zijn vader was.
Nooit het hart gezien van deze vader. Nooit zijn pijn om de zoon,
nooit willen zien dat zijn vader getroost moest worden, omdat er één weg was.
Zou dat ook voor God gelden? Dat Hij getroost moet worden, als Hij er één mist,
een van Zijn kinderen, die erop uit getrokken zijn?
Wij kunnen God wellicht niet troosten, maar als er mensen erop uit trekken,
de wijde wereld in en Hem niet nodig hebben, zal het Hem zeker iets doen
en staat Hij op de uitkijk, te wachten of ze al komen.

Die liefde is er ook voor de oudste zoon.
Want er is feest om de terugkeer van de jongste zoon,
maar het feest is incompleet als de oudste zoon, die er altijd is geweest, weg blijft.
Ook hij hoort erbij
en als hij niet uit eigen beweging komt, dan haalt de vader hem op
en legt hem uit, waarom dat feest noodzakelijk was,

waarom zo groots uitgepakt moest worden:
dat zijn jongste zoon toch terug durfde te komen, al was hij platzak
en was hij op geen enkele manier in staat om het goed te maken,
dat hij kwam, deed hem als vader goed.
Zo is God! Natuurlijk is hij ook streng en rechtvaardig,
maar als je aanklopt bij God, dan zal de Heere je niet laten staan.

Maar ook die oudste zoon mag van de vader niet buiten blijven staan.
Ook hij hoort op het feest.
De vader had twee zonen – een oudste en een jongste.
Hij is de vader van hen beiden en wil hen allebei op het feest.
Wanneer de oudste wegblijft, gaat er iets van de feestvreugde weg.

Het verhaal blijft open. Je kunt dan invullen hoe het is gegaan.
Hoe die oudste zoon zicht toch mee liet nemen naar het feestgedruis,
daar eerst boos zat en onwennig – hij was niet gewend om feest te vieren.
Maar als hij zich langzaam overgeeft, als zijn hart ontdooit,
komt er ook ruimte voor de vreugde: mijn broer was dood. Inderdaad, nu besef ik dat.
En wellicht was ik dat zelf ook dood – maar de liefde van onze Vader maakt levend.

Het verhaal van Jezus blijft open. We weten niet hoe de oudste zoon reageert.
Dat is bewust. Want bij een open einde zijn wij aan de beurt.
Wat zouden wij doen? Zouden wij thuiskomen?
Zijn wij in staat om onze boosheid op te geven en mee te vieren,
omdat we beseffen hoe bijzonder het is dat iemand weer thuis komt,
levend geworden is, door de liefde die onze hemelse Vader heeft.
Wat zou u doen?
Amen

Preek zondag 28 april 2019 – morgendienst

Preek zondag 28 april 2019 – morgendienst
Schriftlezing: Lukas 24:13-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ze wilden naar huis gaan om van het gedoe af te zijn.
Om geen verhalen meer te hoeven horen over Jezus die zou zijn opgestaan.
Het was al erg genoeg dat ze Jezus hadden opgepakt en aan het kruis hadden geslagen.
Daar hadden ze al genoeg mee te stellen.
Ze dachten dat Hij door God gezonden was om Israël te verlossen,
maar toen Jezus was opgepakt en ter dood veroordeeld,
konden ze niet opbrengen om bij Jezus aan het kruis te staan,
maar stonden ze op een afstand, net als de vrouwen die Jezus hadden gevolgd.
Ze waren nog in Jeruzalem gebleven.
Ze konden het nog niet opbrengen om naar huis te gaan.
Zo bleven ze die sabbat bij de leerlingen
en met elkaar zaten ze verslagen bij elkaar en niemand wist eigenlijk goed wat te doen.
Die sabbat, waarop ze bij de andere leerlingen waren, konden ze gebruiken
om na te denken hoe ze verder met hun leven zouden gaan,
het leven oppakken van de tijd voordat ze Jezus kenden.
Veel moed hadden ze nog niet.
Ook de volgende dag, de eerste dag van de nieuwe week,
de eerste week van een leven zonder Jezus, bleven ze nog dralen
en in Jeruzalem bij de andere leerlingen van Jezus,
die net zo verslagen waren als zij.
Toen kwamen die vrouwen met dat verhaal, dat ongeloofwaardige verhaal,
dat ze beter maar niet hadden kunnen vertellen,
omdat ze daarmee geen respect toonden voor hun Heer die was overleden,
geen respect hadden voor het verdriet en de verslagenheid die bij hen was.
De vrouwen die hun fantasie lieten gaan en zich inbeeldden dat Jezus weer leefde.
Dat was voor hen het moment om hun spullen bij elkaar te gaan rapen
en terug te gaan naar huis.
Ze zouden thuis, in afzondering, wel het gemis van Jezus verwerken.
Zo gaan ze op weg naar huis, definitief einde van het volgen van Jezus.
Hooguit dat ze daar in hun eigen omgeving nog aan Jezus konden blijven denken,
Hem herinneren, zoals ze Hem gezien hebben, voor altijd in ons hart.
Een vastomlijnd plan hebben ze nog niet.
Als ze thuis zijn, zullen ze wel zien.

Voordat ze thuiskomen, gebeurt er onderweg iets, waardoor hun hart langzaam open gaat

voor het goede nieuws dat Jezus is opgestaan, dat Hij werkelijk leeft.
Jezus zelf loopt met hen mee, gaat met hen het gesprek aan,
luistert naar hun teleurstelling en legt hen uit hoe het zit.
Al die tijd dat ze in gesprek zijn, hebben ze geen idee dat het Jezus zelf is,
die met hen mee loopt op weg naar huis, weg van de gemeenschap in Jeruzalem.
Hun ogen worden gesloten – waarbij Lukas wil aangeven: het is de hand van God,
die hen met gesloten ogen eerst wat wil leren, voordat ze Jezus kunnen zien.
Onderweg gebeurt er al wel iets, waardoor hun hart geopend wordt,
het verdriet en de teleurstelling plaatsmaken voor verlangen: zou het echt zo zijn?
Ik las een mooie uitspraak in de uitleg, die ook op andere momenten van toepassing is:
Mensen merken vaak iets op van de aanwezigheid van God, voordat ze God herkennen
of onder woorden kunnen brengen dat God in hun leven gekomen is.
Het is het zoeken van God, de opzoekende liefde van God, die Lukas ons wil vertellen:
Nog voordat je zelf je hart voor God opent, is Hij al bezig om je hart te openen,
zodat Christus er in kan gaan wonen, je hart van Hem wordt.
Lukas vertelt de verhalen om aan ons te laten zien hoe dat gebeurt:
dat ook ons hart voor de opgestane Heer opengaat en Jezus de levende in ons woont,?

Hoe de opgestane in ons leven kan verschijnen
– zonder dat we Hem daadwerkelijk zien wellicht,
maar Hem wel ontmoeten, ervaren, in ons hebben wonen.

Dat Jezus in je hart komt wonen, zodat je gaat geloven, gebeurt vaak geleidelijk aan.
Daar is vaak een hele tijd voor nodig.
Een tijd waarin je de verhalen over Jezus hoort vertellen:
ouders die je erover vertellen, op school, zondagsschool, in de kerk.
Of als je er niet mee opgegroeid bent hoor je erover door een vriend of vriendin.
Zeker als je er niet mee opgegroeid bent, zul je allerlei vragen hebben.
En ook als je er wel als kind al over gehoord hebt, dan zul kun je allerlei vragen hebben,
waarop je een antwoord nodig hebt voordat je kunt geloven.
Voordat jijzelf de deur van je hart open kunt zetten.
Voor deze twee mensen op weg naar Emmaüs is het de vraag
hoe het mogelijk kan zijn dat de door God gezonden messias in de dood kon gaan.
Wat Jezus dan toch niet de door God gezonden verlosser?
Hoe kon Hij dan sterven aan het kruis als Hij wel door God gestuurd was?
Het is niet alleen een vraag van het verstand.
Door teleurstelling is hun hart voor Jezus dicht gegaan.
Hadden ze achter de verkeerde aangelopen?
Was Jezus niet die Hij zei te zijn?
Nog steeds is teleurstelling een manier waarop bij ons het hart dicht kan gaan.
Dat kan bij u of bij jou zo zijn, dat er geen ruimte in je hart is voor Jezus,
omdat er bitterheid is, je bent teleurgesteld
En die teleurstelling, die bitterheid moet eerst uit je hart, eerst moet je hart genezen
voordat je de deur kan opendoen.
Het hoopvolle in dit verhaal is, dat we kunnen zien, dat Jezus al bezig is
om hun hart te genezen, om voorzichtig aan, behoedzaam hun hart te openen voor Hem.

Voor niet iedereen gaat het even gemakkelijk om het hart te openen voor Hem.
Hier in de gemeente kunnen er zijn, die net als de vrouwen zijn,
die over Jezus hebben gehoord dat Hij is opgestaan, dat geloven en blij zijn.
Hun hart is open – zo kan uw of jouw hart allang zijn geopend voor Hem.
Maar bij anderen gaat het veel moeizamer, is er veel meer voor nodig,
net als bij Kleopas en zijn metgezel op weg naar huis.
Er kunnen momenten zijn, waarop je iets verneemt, dat God aan het werk is.
Je herkent Hem nog niet, maar je merkt in je wel dat er iets gebeurt,
dat je verandert, dat de deur van je hart langzaam open gaat en er een lichtstraal binnenvalt.
Er kunnen ook momenten zijn, waarop de wegen uit elkaar lijken te gaan,
net als bij de Emmaüsgangers, die als ze aangekomen zijn bij hun huis,
merken dat Jezus hen wil verlaten en Zijn eigen weg wil vervolgen.

Jezus doet of Hij verder wil reizen.
Ik heb me altijd wat verwonderd over dit detail:
Jezus die doet of Hij verder wil reizen en deze twee leerlingen wil achterlaten,
terwijl ze wel een idee hebben van wat er gebeurd is
en wel er iets van merken dat God in hen werkt omdat ze een verlangen op voelen komen,
een vreugde die ze ergens in zich waarnemen,
maar waarvan ze nog niet helder hebben waar die vandaan komt, of waar dat op duidt.
En toch is het volle licht nog niet doorgebroken en zijn hun ogen nog niet open gegaan
en Jezus wil doorgaan en hen achterlaten met raadsels.
Lukas vertelt steeds hoe Jezus onderweg is,
maar dat is nog van voor de tijd dat Jezus in Jeruzalem aankwam
en zijn doel bereikte toen Hij aan het kruis ging en opstond uit het graf.
Door net te doen of Hij verder wil gaan, wil Jezus hen uittesten:
Is er voor jullie nog iets veranderd of is alles bij het oude gebleven?
Is Mijn werk ook in jullie ogen voltooid? Of moet Ik nog onderweg om iets af te maken?
Ben Ik iets vergeten om te vervullen?
Zo zullen de twee leerlingen die thuisgekomen zijn er vast niet over nagedacht hebben.
Voor hen was het dat ze thuisgekomen zijn
en dat ze deze gast, die met hen is meegelopen niet nu al kwijt willen.
Ze willen nog meer, nog langer in Zijn aanwezigheid verkeren.
Ze openen hun huis voor Hem en zonder dat ze het doorhebben,
stapt Jezus over de drempel van hun huis om er te zijn.
Zo zei Hij dat tegen Zacheüs: Ik moet heden in je huis zijn, daar voor altijd blijven,
al trek ik verder.
Hier zeggen deze twee leerlingen, zonder dat ze het beseffen: Kom in ons huis.
Neem intrek. Blijf hier voor altijd.
Al weten we nog niet wie je bent, maar we kunnen niet zonder je aanwezigheid.

Mensen merken vaak iets op van de aanwezigheid van God, voordat ze God herkennen
of onder woorden kunnen brengen dat God in hun leven gekomen is.
Ze zijn zich er nog niet van bewust, al begint er wel iets te dagen.
Ze kunnen Jezus niet laten gaan – al weten ze nog niet dat Hij het is.
Hij brengt teveel vreugde in hun leven om Hem zo te laten gaan.
Hij legt hen zoveel uit over de Bijbel en over de weg die Christus is gegaan,
dat ze niet meer zonder deze uitleg willen.
Zoals Jezus dat tegen Zacheüs zei: Ik moet in je huis zijn,
zo zeggen de twee mensen in Emmaüs: Wij willen dat U in ons huis komt en blijft.
Ze dringen er stevig bij Hem op aan. Ze overreden Hem.
Ze willen niet tegengesproken worden: U kunt nu niet meer verder gaan.

Als Jezus binnenkomt in hun huis, neemt Hij de regie over.
Het is niet meer hun huis, waar Hij te gast is,
maar Hij is zelf de gastheer en zij zijn – in hun eigen huis – te gast bij Jezus.
Het is eigenlijk maar een gewone maaltijd, gewoon brood,
maar het wordt een bijzondere maaltijd, omdat Jezus bij hen in huis is.
Zijn aanwezigheid maakt hun gewone huis bijzonder.
Zijn handen die het brood breken maken dat deze maaltijd geen gewone maaltijd is,
maar een vieren van de opstanding van Christus.
Wordt hier in dit huis het heilig avondmaal gevierd?
Of zien we er dan teveel in?
Een reden om niet aan het avondmaal te denken is het ontbreken van de wijn.
Tegelijkertijd is de kern van deze maaltijd dat de opgestane Heer er is
En met hen beiden de maaltijd viert.
Elke keer als we avondmaal vieren is dat ook in aanwezigheid van de opgestane Heer.
Hij, onze Heer, gestorven, begraven en weer opgestaan is er dan bij
en Hij is dan de gastheer die ons het brood aanreikt, zoals Hij hier het brood deelt.
Hier zit Hij aan een gewone keukentafel
en het mooie is dat Hij zomaar bij u of bij jou aan de keukentafel kan zitten.
Hij liep mee onderweg.
Je kon je hart bij Hem uitstorten, je hart luchten bij Hem.
Je verdriet en je pijn, de teleurstelling aan Hem kwijt en Hij luisterde.
Hij vertelde ook hoe het zat, hoe God in jouw leven werkt
en zo schuift Hij bij jou aan aan de keukentafel of op de bank
om je te laten weten: Ik ben in je leven gekomen en vanaf nu wordt je hart van Mij.
Zonder dat je er bewust van bent
En dan gaan opeens je ogen open: je beseft dat Hij het is,
binnengekomen in je hart, ongemerkt.
Voor hen is dat bij het breken van het brood: een alledaagse gebeurtenis
eigenlijk niets bijzonders, maar wel bijzonder omdat Jezus de gastheer wordt
en de beide anderen gast worden in hun eigen huis.
Zo kun je zelf ook gast in je eigen leven worden, omdat Jezus voor jou het brood breekt
en het brood aanreikt, dat door Hem gezegend is.
In het evangelie van Lukas hebben de maaltijden waar Jezus aan deelneemt iets bijzonders:
in de meeste gevallen gaan degenen die aan de maaltijd deelnemen bij Jezus horen.
En dat zijn vaak niet degenen die hun leven op orde hebben.
Dat kunnen degenen zijn, die op een verkeerde manier leven.
Of hier degenen die maar moeilijk kunnen geloven dat Jezus is opgestaan.
Als herder zoekt Hij deze verloren schapen op en brengt hen thuis.
En hun thuis wordt Zijn thuis.
Al vertrekt Hij wel direct, het huis is voortaan gevuld met Zijn aanwezigheid.
Ze kunnen het nu verder zonder dat Jezus zichtbaar aanwezig is,
want in het geloof is Hij voortaan in hun huis en is hun huis Zijn huis geworden.

Dat heeft uitwerking op hen.
Allereerst in henzelf: ze begrijpen nu wat er onderweg is gebeurd.
Dat in het gesprek de woorden van Jezus een uitwerking op hen hadden.
Vreugde en geloof, Gods woord die voor je open gaat.
Je begrijpt wie God is, je begrijpt de weg die Hij met je gaat.
Hun houding verandert ook: in plaats weg te blijven bij de anderen
komen ze in beweging en gaan ze weer terug naar Jeruzalem.
Ze vonden het niet verstandig dat Jezus verder zou reizen, want het was avond.
Nu kunnen ze niet anders dan in het donker, als de nacht gevallen is,
alles weer bij elkaar rapen en hun broeders en zusters opzoeken.
Vreugde over God die in je leven komt wil je delen.
Je zoekt anderen op om met de vreugde die in jouw leven gekomen is
anderen weer te bemoedigen en anderen te helpen om te zien
hoe zij Christus kunnen ontmoeten en hoe hun hart kan open gaan voor Hem.
Christus laat zich zien, op de meest onverwachte momenten,
zelfs op de weg, waarop je nergens meer mee te maken wilt hebben
en de weg die bij Hem en Zijn gemeenschap vandaan ging,
wordt een weg waarop je Hem weer vindt, omdat Hij er komt en zich laat zien.
Amen