Preek zondag 26 januari 2020 middagdienst

Preek zondag 26 januari 2020 middagdienst
Lukas 8:22-39

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat kan er een chaos zijn in een mensenleven.
Heel wat mensen hebben stormen over hun leven zien heen gaan.
Ze hebben zoveel meegemaakt dat je als buitenstaander denkt:
hoe hebben ze dat allemaal volgehouden.
Denk aan degenen die in de Tweede Wereldoorlog een concentratiekamp
of zelfs een vernietigingskamp als Auschwitz hebben overleefd.
Morgen is het 75 jaar geleden dat dit kamp werd bevrijd door de Russen.
Voor velen was het daarna nog niet voorbij:
een warm onthaal was er in hun thuisland lang niet altijd
en vaak bleek later dat veel familieleden wel omgekomen waren.
Vaak hebben ze levenslang hun beschadigingen of trauma’s meegedragen
Waardoor hun eigen kinderen ook de gevolgen van de oorlog moesten dragen.
Hoe hebben ze dat kunnen doorstaan en hoe hebben ze dat volgehouden?
Alleen daarom al is het goed om er bij stil te staan wat er in de oorlog is gebeurd.
Hoeveel mensen geleden hebben en wat er allemaal voor leed is aangedaan.

Hoe hebben ze dat kunnen doorstaan en hoe hebben ze dat volgehouden?
Dat kan ook een vraag zijn als je hoort van een gezin met weer een tegenslag
of weer een ingrijpende gebeurtenis.
Een levensschip dat door de stormwind geteisterd wordt.
Dan kan het verhaal van de leerlingen bij Jezus in de boot herkenbaar zijn.
Als ze de storm hebben overleefd, omdat onze Heere de storm het zwijgen oplegde,
is het nog niet gedaan met de chaos.
Deze twee verhalen over de storm op het meer,
waar de leerlingen met Jezus doorheen gaan
en de man die ze ontmoeten aan de overkant van het meer,
die man door een heel leger van demonen in bezit genomen, horen bij elkaar.
Er zijn krachten die voor een mens te sterk zijn:
destructieve krachten, krachten die je als mens kapot willen maken
en naar de ondergang willen brengen.
Het moet aangrijpend en aandoenlijk zijn geweest om die man te zien:
Is dit nog een mens, die uitgemergelde man die hen schreeuwend tegemoet komt,
die geen kleren meer aan heeft en al jaren in de eenzaamheid verkeerd,
iemand die tussen de doden leeft en woont – leven kun je het bijna niet meer noemen.
Wat kan een mens afgetakeld worden, ontmenselijkt worden.
Hij is niet meer zichzelf en onbereikbaar.
Een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
Daarom kan hij niet meer onder de mensen wonen en leeft hij in afzondering.
Hij is te agressief om nog onder mensen te kunnen leven
en die agressie is met geen boeien of dwangbuis te beteugelen.
Een onrust die in hem huist en die hem wegdrijft uit de stad,
weg bij zijn medemensen vandaan die hij niet meer kan verdragen
en die hem niet meer kunnen verdragen.
Een onrust die een naam blijkt te hebben: Legio, legioen
– een heel leger leger aan demonen.
Is dit nog een mens: zo afgetakeld, zo zonder kleren en zo alleen.
Als hij daar in de graven onderuit zou gaan en iets zou breken,
zou het niemand opvallen.
Als hij zou overlijden, zou hij daar tijden liggen, zonder dat iemand hem mist
en zonder dat er nabestaanden komen om hem te begraven.
Levend begraven is hij als het ware, een levende dode.
Voor Lukas is die intense eenzaamheid, dat geweldige isolement
net zo aangrijpend en ontluisterend als die machten die in hem huizen.
Voor Lukas hoor je als mens onderdeel te zijn van een gemeenschap,
hoor je mensen om je heen te hebben die om je geven en er voor je te zijn
en raak je je menselijkheid kwijt als je nergens meer bij hoort
en geen contact meer hebt met andere levende mensen.
Hij is een man van de stad waar Jezus aan wal komt,
Een van hen is hij en toch hoort hij er niet meer bij en woont hij alleen.
Een Joodse exegete, die in bij de voorbereiding raadpleegde, zag hier iets in
van de verbanning van Adam en Eva uit Eden.
Zoals Adam en Eva niet meer in de tuin konden leven,
zo kan deze man niet meer leven in de stad.

Deze man laat zien wat er gebeurt als de destructieve krachten het voor het zeggen hebben
wat er gebeurt als de demonen vrij spel krijgen en een mensenleven kunnen beheersen.
Daarom moeten we voorzichtig zijn om wanneer het in de evangeliën om mensen gaat
die beheerst worden door demonen denken aan hedendaagse psychiatrische patiënten.
Daar wordt wel vaak aan gedacht, omdat wat de man laat zien in zijn gedrag
ook door mensen met een psychiatrische stoornis kan worden vertoond.
Ik denk dat we daar voorzichtig mee moeten zijn.
Niet alleen omdat je hedendaagse psychiatrische aandoeningen
niet kunt verbinden met wat in de bijbel wordt beschreven als bezeten door demonen.
Maar ook omdat je dan bepaalde facetten uit de bijbel niet ziet,
die wel van belang zijn om te begrijpen
wat hier in de confrontatie tussen Jezus en de demonen gebeurt.
Demonen die deze mens van elke gemeenschap met andere mensen
maar ook van de gemeenschap met God hebben beroofd
en Jezus die deze gemeenschap weer komt herstellen
en zorgt dat deze man, die niemand meer had, opgenomen wordt
in een nieuwe gemeenschap rondom Hem.
Wellicht is dat ook de reden voor Jezus om daar te komen en het meer over te steken,
de storm op het meer te trotseren en te laten zien wat Zijn macht is.
Het land van de Gerasenen, waar Jezus voet aan wal zet,
is een gebied waar een gewone Jood niet zou komen als het niet hoefde:
Heidens gebied, waar varkens werden gehoed,
waar men iemand tussen de doden liet wonen.
Als je in zo’n gebied komt, liep je het risico om onrein te worden
en wanneer je onrein was kon je de gemeenschap met God worden ontzegd.
Als Jezus in dat gebied voet aan wal zet, wordt Jezus niet bepaald welkom geheten.
De schreeuwende man die op hen afstormt, of eigenlijk zijn het die vele demonen
die bij deze man de regie hebben overgenomen en de man agressief laten zijn.
Maar verwonderlijk eigenlijk,
Want de demonen komen om Jezus tegen te houden,
maar halverwege hun schreeuwen verandert hun houding en hun taal.
Wat die demonen roepen is een soort lofprijzing:
lof uit de mond van de demonen voor Jezus die daar voet aan wal zet.
Denk aan wat Paulus schrijft in Filippenzen 2:
Opdat in de naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel en die op aarde en in het water onder de aarde zijn,
elke tong zal belijden dat Jezus Christus is de Heer.
Dat is wat hier ook gebeurt: In plaats van Jezus weg te kunnen jagen,
moeten ze hun meerdere erkennen in Jezus.
Er is geen sprake van strijd tussen Jezus en die demonen.
Ze merken bij aankomst al dat ze tegen Jezus niet opgewassen zijn.
Zoon van de allerhoogste God – ook al willen we niet, we moeten je gehoorzaam zijn.
Soms wordt het kruis, waar Jezus aan hing en de dood die Hij daar stierf,
gezien als het moment waarop Christus de macht van de boze en zijn handlangers verbrak,
maar in het evangelie van Lukas is dat al als Jezus erop uit trekt
en als overal het woord van God wordt verkondigd, door Hem of door Zijn leerlingen.
Als Hij zijn leerlingen erop uit stuurt, zegt Hij tegen hen bij hun terugkomst
dat Hij de satan uit de hemel zag vallen.
Hier moeten de demonen hun meerdere in Jezus erkennen.
Waar ze een mens in bezit kunnen nemen,
merken ze dat ze tegen Gods Zoon niet op kunnen.
Het krijgt iets kruiperigs wat die demonen doen: doe ons geen pijn.
Dat ze die mens waar ze in huizen pijn doen en vervreemden van zichzelf en anderen
houdt hen niet zo bezig, daar hebben ze geen moeite mee.
Maar zelf kunnen ze geen pijn verdragen: doe ons geen pijn, spaar ons alsjeblieft.
Ze merken dat ze echt niet tegen Jezus op kunnen,
Want ze moeten hun naam prijsgeven: Legio – legioen.
Ze moeten het gezag van Jezus wel erkennen.
Hij is inderdaad de Zoon van de allerhoogste God.
En Zoon van de allerhoogste God betekent niet dat Jezus minder is dan God,
maar de kracht van God en het gezag van God in zich draagt.
Die Man die nu voor hen staat is de hemelse rechter, die hen eens zal oordelen.
Ze beseffen met wie ze van doen hebben
en daarom nemen ze helemaal een onderdanige houding aan:
Stuur ons niet naar de afgrond.
Die afgrond is de onderwereld:
de plek waar de goddelozen en de kwade geesten zullen wonen
nadat Christus teruggekomen is en het oordeel heeft uitgesproken.
De demonen in de man voelen dat die tijd er aankomt,
maar hebben nog geen trek die straf nu al te ondergaan.
Ook de demonen willen genade.
Ook de demonen hebben er een hekel aan om voor altijd in de hel te wonen.
We zien hier de macht die Jezus heeft.
Wie is Hij naar wie de wind en de zee gehoorzamen?
Wie is Hij die de storm tot bedaren kan brengen?
Wie is Hij die de macht heeft over de demonen
en voor wie ze al op de knieën gaan als Hij in aantocht is.

Als de demonen uit de man weggegaan zijn, kan hij aan de voeten van Jezus zitten,
bevrijd van de machten die hem gevangen hielden, vrij om te doen wat hij zelf wil
en als een volgeling van Jezus die bij Jezus in de leer gaat
en in de gemeenschap van Jezus is opgenomen.
Opnieuw: waar U bent, zal de nacht verdwijnen.

Je zou denken dat iedereen, die er getuige van is, net zo blij en dankbaar is
als de man die de bevrijding heeft ontvangen,
dat ze hem weer willen opnemen in hun gemeenschap
omdat hij nu weer een van hen is en bij hen kan zijn
omdat die kwade geesten geen macht meer over hem hebben.
Net zo belangrijk voor Lukas als de bevrijding van de man door Jezus
en de macht van Jezus over de demonen is voor hem de reactie van de mensen uit de stad.
Ze willen dat Jezus weggaat.

Bij hen roept Jezus geen geloof op, maar angst.
Wie is Hij naar wie de wind en de zee gehoorzamen?
Wie is Hij die de storm tot bedaren kan brengen?
Wie is Hij die de macht heeft over de demonen
en voor wie ze al op de knieën gaan als Hij in aantocht is.
Dat is voor hen geen vraag van geloof, maar een manier om Jezus buiten te houden.
Hier zitten ze niet op te wachten: iemand die de strijd aangaat met de demonen onder hen.
Ze zitten te vast aan hun eigen demonen, ze willen geen schoon schip,
niet gereinigd worden vanbinnen, maar hun leventje leiden zoals ze deden.
Als ze konden verdienen aan het houden van varkens,
verboden voor Joden, omdat die onrein zijn, dan doen ze dat.
Liever iets meer verdienen, een goede baan, goed salaris, een goed leven
dan dat inleveren omdat je daardoor je op een hellend vlak begeeft
En je van God verwijdert.
Misschien dat ze Jezus ooit eens willen dienen, maar nu nog niet.
Ze maken een rekensom: redding van die ene die verloren was,
kost hen teveel, kost hen hun levensonderhoud en hun manier van leven.
Dat hebben ze er niet voor over.
De man die zijn gemeenschap weer terugkrijgt, weer mensen om zich heen,
blijft in feite alleen, omdat hij de enige is die met Jezus verbonden raakt.

Geen wonder dat hij mee terug wil met Jezus de boot in
en volgeling van Jezus wil zijn en hem volgen, zoals die vrouwen dat deden
die ook verlost zijn uit de macht van de boze. (begin hoofdstuk 8).
Jezus staat dat echter niet toe.
Hij heeft voor die man, die is gered, die is bevrijd een andere taak.
Blijven waar hij is, blijven bij de mensen die niet blij zijn met zijn redding,
bij de mensen zijn die zijn Redder hebben weggestuurd, omdat ze hem niet wilden
en het niet aankonden om de macht van Jezus in hun midden te hebben,
Voor wie als het er op aankomt de macht van de demonen misschien nog wel te verkiezen is
boven de macht en de bevrijding van Jezus.
Dat lijkt iets hards van Jezus, die hem weer de eenzaamheid instuurt
al mag hij nu wel onder de mensen zijn
– maar toch mist hij die diepe verbondenheid die er is als je samen een bent in Christus.
Toch is het een eervolle taak: hij is een levende getuige
het zichtbare bewijs dat Jezus in staat is om de boze te overwinnen,
de macht heeft om iemand weer terug te brengen in het leven
de liefde heeft om iemand weer tot een gemeenschap te brengen,
van mensen en van God.
Hij mag het vertellen, hij mag het uitzingen, het levende bewijs zijn
dat God werkt,
dat Christus sterker is dan alle chaosmachten die ons leven kunnen bedreigen.
Dankbaar geloofden, hoopten wij,
wat uw getuigen verkondden:
slechts onder uwe heerschappij
worden wij vrij van de zonde.
Daarom zoekt U elk mensenkind.
Amen

Preek zondag 26 januari 2020 morgendienst

Preek zondag 26 januari 2020 morgendienst
Afsluiting themaweek van School & kerk.
Schriftlezing: Numeri 21:4-9 en Johannes 3:1-16 (Bijbel in Gewone Taal)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Midden in de nacht zoekt een man de weg door Jeruzalem.
Omdat het donker is moet hij de weg zoeken in een stad die hij  goed kent
en waar hij bij daglicht gemakkelijk de weg kan vinden.
De man die in het donker zijn weg zoekt, is een belangrijke man: een van de leiders.
De mensen in de stad hebben een grote waardering voor hem,
omdat hij iemand is die veel over de Bijbel en over God weet.
Veel mensen gaan naar deze man, Nicodemus toe, omdat hij wijs advies kan geven.
De mensen waarderen hem ook, omdat hij heel eerlijk en oprecht is.
Nu heeft hij, Nicodemus, die zoveel over God en over de Bijbel weet, zelf een vraag.
Een vraag waar hij het antwoord zelf niet op weet.
En zolang hij op die vraag geen antwoord weet is het in zijn hart net zo donker
Als in de stad, waar hij de weg moet zoeken.
Hij kan zelf een antwoord niet vinden en moet daarvoor naar iemand anders toe.
Naar Iemand, die in de afgelopen dagen in Jeruzalem veel opschudding heeft veroorzaakt.
Jezus heet deze man.
Deze Jezus is in de tempel geweest, waar hij de handelaars heeft weggejaagd
en de tafels van de geldwisselaars heeft omgegooid.
Terwijl hij bezig was, riep hij het uit: ‘Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’
Die Jezus had ook iets bijzonders over de tempel gezegd,
dat prachtige gebouw dat in de stad stond, het huis van God:
‘Breek deze tempel maar af en ik zal in 3 dagen deze tempel weer opbouwen.’
Nicodemus wil er meer over weten en besluit naar Jezus te gaan.
Daarom loopt hij in het donker door de stad, op zoek naar het huis waar die Jezus is.
Eigenlijk is het maar vreemd dat hij naar die Jezus toe gaat,
omdat de mensen meestal naar hem, Nicodemus, toekomen
als ze willen weten over hoe God in hun leven bezig is.

Zo klopt Nicodemus bij Jezus aan:
‘Rabbi, wij weten dat u een leraar bent, die door God is gezonden. Niemand kan deze tekenen en wonderen doen die u doet, zonder de aanwezigheid van God.’
En dan opeens, weet hij welke woorden hij heeft voor wat er in hem omging,
waar hij eerst de vinger nog niet op kon leggen – wat hij aan Jezus wilde vragen:
hij bespeurt in Jezus de aanwezigheid van God.
Nicodemus weet veel over God.
Hij heeft over God gestudeerd vanaf zijn kindertijd,
jaren besteed aan het bestuderen van de Schrift en de rabbijnse wet.
Maar hij weet niets van de aanwezigheid van God.
Hij heeft veel informatie over God, maar verlangt naar een ervaring van God,
dat hij merkt dat God ook in zijn leven werkt.
Zou God naar wie hij zo verlangt hem op weg gebracht heeft om Jezus te ontmoeten?

Misschien denk jij juist: dat is toch raar voor iemand die zoveel van de Bijbel weet
en zoveel met God bezig is, elke dag bidt en elke dag de Bijbel heel nauwkeurig leest,
dat zo iemand zou willen merken dat God in zijn leven werkt.
Dat is toch niet zo moeilijk te merken?
Als je wakker wordt, dan weet je toch dat God er is? Want Hij geeft je een nieuwe dag.
Hij laat het weer licht worden, zorgt er voor dat straks in de lente de vogels weer fluiten,
dat er bladeren aan de bomen komen, dat je eten hebt.
Je merkt dat God er toch is, omdat Hij voor je zorgt.
Als de juffrouw of meester op school de verhalen vertelt, dan merk je toch ook iets van God?
Afgelopen week hebben jullie veel dezelfde verhalen gehoord:
– het volk Israël dat uit Egypte mocht gaan
– de koperen slang die op een stok werd gedaan
– over die man die een heel grote schuld had en die niets meer hoefde terug te betalen
– over Lydia die in de Heere Jezus ging geloven.
Jullie hebben niet alleen verhalen gehoord, maar ook liederen geleerd,
zoals De vrede van God en Je hoeft niet bang te zijn.
Als je zulke verhalen hoort en als je deze liederen hoort, dan merk je toch iets van God?

De Heere Jezus heeft trouwens een vreemd antwoord voor Nicodemus
en Nicodemus begrijpt er zelf ook niet.
Jezus zegt: ‘Nicodemus, als jij bij die nieuwe wereld wilt horen, die er door God komt,
dan moet je op een nieuwe manier geboren worden.’
Nicodemus kijkt verbaasd op. Hij had een heel andere reactie verwacht.
Hij had verwacht dat de Heere Jezus hem kon uitleggen, hoe God zou merken
En nu zegt die Jezus dat hij opnieuw geboren moet worden.
Hij is toch al geboren?
Hij ziet het al voor zich: dat hij opnieuw in de buik van zijn moeder kruipt:
Daar is hij toch veel te groot voor.
Dat kan toch niet?
Jezus zegt het nog een keer: ‘Nicodemus, als jij bij die nieuwe wereld wilt horen,
die er door God komt, dan moet je op een nieuwe manier geboren worden.’
Nicodemus kijkt de Heere Jezus vragend aan. Hij begrijpt er nog helemaal niets van.
Dan legt Jezus het hem uit: daar kan alleen de Heilige Geest voor zorgen.
De Heilige Geest komt uit de hemel, bij God vandaan, door God gestuurd
En door de Heilige Geest kunnen we merken dat God er is in ons leven.
In enkele klassen hebben we er afgelopen week over gehad wat de Heilige Geest doet.
Wat doet de Heilige Geest?
– De Heilige Geest helpt je met kennis over de Heere God
– de Heilige Geest helpt je om te begrijpen en te zien hoe de Heere God bij jou is.
– de Heilige Geest zorgt ervoor dat de Heere Jezus in je hart is.
– Hij kan er ook voor zorgen dat je verandert
– Hij kan je troosten als je verdrietig bent.
Nicodemus heeft de Heilige Geest nodig.
Je moet op een nieuwe manier geboren worden.
Je bent al een keer als kind geboren. Dat hoef je niet over te doen en dat kan ook niet.
Maar je moet wel de Heilige Geest in je krijgen en die heb je nodig.
Want als je de Heilige Geest hebt, krijg je eeuwig leven.
Iedereen die als baby geboren is, moet een keer sterven.
Je kunt sterven als je heel oud bent, maar ook als je jong bent.
Maar als de Heilige Geest in je woont, blijf je leven, ook al ben je gestorven.
Het wordt Nicodemus niet er niet duidelijker op: blijven leven, ook al ben je gestorven.
Iedereen die een begrafenis heeft meegemaakt,
weet dat als je gestorven bent, je dood blijft. Je zou wel willen dat je bleef leven.
Dan zegt Jezus tegen hem: Nicodemus, Ik zal het je nog een keer uitleggen,
op een andere manier. Nu met een Bijbelverhaal.
Dat Bijbelverhaal heb ik in de klas van groep 3 verteld:
Het was een verhaal van het volk Israël in de woestijn.
Het volk was al zo lang in de woestijn en het moest weer een omweg maken.
Omdat ze niet door Edom, ze moesten weer door de woestijn.
De mensen gingen mopperen: ze zijn al zo lang onderweg.
En ze eten elke dag manna: gisteren aten ze manna, eergisteren, vorige week, vorig jaar
En morgen zullen ze het weer eten, overmorgen weer, en volgende week, volgende maand.
Ze mopperden: in Egypte was het veel fijner.
Wat hadden ze in Egypte?
Ze waren niet vrij, ze moesten hard werken, ze waren slaaf, de jongetjes werden gedood.
Maar dat was beter dan die woestijn hier.
Ze mopperden niet alleen op Mozes, maar ook op de Heere God.
Er kwam een straf: er kwamen slangen.
Giftige slangen. Als de mensen gebeten werden, werden ze ziek en overleden ze.
Ze schrokken en beseften dat ze iets ergs gedaan hadden.
Ze hadden spijt en gingen naar Mozes toe of er toch niet iets gedaan kon worden,
zodat ze niet hoefden te sterven en konden blijven leven.
Mozes moest iets maken:
een slang van koper – op een stok en die stok omhoog houden.
Iedereen die de slang van koper zag op een stok, werd weer gezond en bleef weer leven.

De slang op de stok – dat is nu ook wat er met de Heere Jezus gebeurde.
De koperen slang moest op een stok staan, zodat iedereen die slang kon zien.
Zo werd de Heere Jezus ook opgetild: aan het kruis, zodat alle mensen Hem konden zien.
Wie de Heere Jezus aan het kruis zag, kon blijven leven.
Daar is Hij niet gebleven. Hij is nu naar de hemel gegaan.
Nu kun je niet met je gewone ogen kijken en Jezus zien, maar wel door de Heilige Geest
En dat mag je weten:
Jezus die aan het kruis hing en net als die koperen slang werd opgetild,
zodat iedereen Jezus kon zien – net als die slang toen in de woestijn,
Hij is nu in de hemel.
Door de Heilige Geest kunnen wij Hem in de hemel zien. Niet met gewone ogen,
maar met ogen van geloof.
En kunnen we naar hem toegaan, als we bidden, over Hem zingen, over Hem nadenken,
Als we geloven.
Dan krijgen we het eeuwige leven.
Want dat is wat God wil: dat we voor altijd blijven leven, dat we dat eeuwige leven krijgen.
Daardoor krijgt iedereen die in Hem gelooft, het eeuwige leven.
Want Gods liefde is zo groot, dat God zijn enige Zoon gegeven heeft.
Iedereen die in Hem gelooft zal niet sterven, maar voor altijd leven.
Amen

Afgelopen week was ik in groep 3 
en kreeg ik de vraag of ik het lied dat we gezongen hebben wilde uitleggen.
Dat lied is ook op de Looschool geleerd, op de Timotheüsschool, op de Regenboog.
Vrede van God – vrede betekent dat er geen ruzie meer is, geen oorlog of conflict.
Vrede van God betekent dat het weer goed is met God.
Dat alle verkeerde dingen die je gedaan hebt, de zonde, weg zijn, vergeven zijn.
Je bent weer vrij om naar God toe te gaan.
Die vrede is er door de Heere Jezus gekomen. Omdat Hij aan het kruis is gekomen.
De Heilige Geest zorgt ervoor dat ook wij die zegen kunnen ontvangen.
Dat die vrede, waar we over zongen, ook in jouw hart en mijn hart kan komen.

Vrede van God, de vrede van God,
De vrede van God zij met jou.
Vrede van hem, vrede van God,
De vrede van God zij met jou.

In Jezus’ naam, in Jezus’ naam,
In Jezus’ naam geef ik jou:
Vrede van hem, vrede van God,
De vrede van God zij met jou.

Heilige Geest, de Heilige Geest,
De Heilige Geest zij met jou.
Vrede van hem, vrede van God,
De vrede van God zij met jou.

Het mooie van dit lied is dat het een wens is, of eigenlijk een zegen:
Je wenst dat iedereen die dit lied hoort ook die vrede van God krijgt, in het hart.
Door dit lied te zingen geef je de vrede van God door.

Als die vrede in je hart komt, door de Heere Jezus, door de Heilige Geest,
dan wordt je vrij: vrij van de zonde, vrij van de duivel, vrij van de dood.
Al zul je nog wel sterven, maar dan mag je na je sterven voor altijd blijven leven
en bij de Heere Jezus in de hemel zijn.
Hij schenkt uit goedheid zonder peil, ons ‘t eeuwig zalig leven.
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naadren van de dood
volkomen uitkomst geven. Amen

 

 

Preek zondag 19 januari 2020

Preek zondag 19 januari 2020
Schriftlezing: Lukas 5:1-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is druk op het strand van het meer van Genessaret.
Zo druk dat Jezus bijna onder de voet gelopen wordt en zijn verhaal niet meer kan doen.
Als Jezus zijn ogen over het strand laat gaan,
Dan ziet Hij iets verderop twee boten liggen
van vissers die geen tijd hebben om naar de woorden van Jezus te luisteren:
zij moeten hun netten schoonmaken.
Of wellicht vangen ze tijdens het schoonmaakwerk iets op van de woorden van Jezus,
maar het lijken toch vooral twee werelden:
daar die twee lege vissersboten en die netten die schoongemaakt worden
al valt er weinig schoon te maken omdat er niets gevangen is
en iets verderop een grote menigte van mensen die zich om Jezus verdringt.
Terwijl al die mensen die zich om Jezus verdrongen hebben
net als Maria later in hoofdstuk 10 hebben begrepen
dat het luisteren en het zitten aan de voeten van Jezus om naar Zijn woorden te luisteren
het beste is dat je kunt doen en dat je daarvoor best je werk kunt laten liggen,
gaan die vissers net als Martha door met hun werk,
al is het verschil dat Martha nog bedrijvig was voor haar Heer
en deze vissers bezig zijn met werk voor zichzelf – al hebben ze er weinig aan gehad.
Deze twee verschillende werelden,
de ene wereld van mensen die alles laten rusten om naar Jezus’ woorden te luisteren
en die andere van die vissers met hun werk
worden bij elkaar gebracht als Jezus Zijn ogen laat gaan over het strand
en deze twee boten ziet – die schoon en leeg zijn.
Dan lijkt het alsof het Jezus alleen maar te doen is om die twee boten:
een van die boten kan Jezus gebruiken om Zijn verhaal verder af te maken
en te vertellen over het Koninkrijk van God, uitleg geven over bidden, over discipelschap,
de gelijkenissen vertellen, zoals die over het verloren schaap of over de verloren zoon.
Dat kwam ik tegen als een van de boodschappen van dit gedeelte:
Dat de verkondiging, het vertellen over God en over Gods koninkrijk doorgaat,
al is dat van een wat ongebruikelijke plaats: namelijk vanuit een vissersboot.
Maar ik bleef nadenken over het zien van Jezus,
omdat ik dat steeds weer bijzonder vindt: dat zien van Jezus.
Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Jezus niet alleen die twee boten zit
en bij zichzelf denkt dat een van die boten een goed podium is voor zijn verhaal,
maar dat Hij naast die twee boten ook die vissers ziet van wie die boten zijn.
En dat Jezus niet alleen oog heeft voor al die mensen die voor Hem staan,
maar dat Hij ook dat handjevol vissers ziet,
die vissers die zich geen tijd gunnen om naar Jezus’ woorden te luisteren,
die bij zichzelf wellicht ook denken dat ze niet kunnen luisteren
omdat ze met die nacht vissen zonder vangst ook geen inkomsten hebben.
Van woorden alleen kun je niet leven; er moet ook betaald worden:
Voor de huur, voor het eten, voor kleren.
Ook al staat het er niet, ik moest er steeds aan denken hoe Jezus die mensen zag.
Niet omdat ze een boot hadden en daarmee voor Hem nuttig kunnen zijn
en ook niet omdat Hij iets in hen ziet, waardoor ze later voor Hem nuttig kunnen zijn
en door Hem op pad gestuurd kunnen worden om ergens anders
over Christus te vertellen.
Nee, als je door Jezus gezien wordt, dan wordt je gezien om wie je bent.
Niet omdat je iets voor Hem kunt betekenen, of voor Hem kunt doen.
Het is Jezus allereerst er om te doen om Petrus en die anderen te vangen,
zodat die afstand er niet meer is, er geen twee werelden zijn,
maar Petrus zijn eigen leven in verbinding kan brengen met Jezus.
Onze Heere doet hier wat een goede preek zou moeten doen:
het leven van iemand en het evangelie bij elkaar brengen,
zodat het geen twee aparte werelden zijn, maar bij elkaar gebracht worden
en het een wereld is: jouw leven van werk, school, relaties verbonden met onze Heere.
Dat is wat de Heere Jezus hier bij Petrus doet
en ik vind het wel mooi dat het gebeurt door middel van zien:
Jezus ziet de twee boten van Petrus,
die schoongemaakt worden terwijl er eigenlijk weinig te schoon te maken is.
Hard werken is zwaar, maar als het je wat oplevert, kun je er vaak tevreden over zijn.
Als je hard werkt, maar je staat aan het einde met lege handen is dat heel ontmoedigend.
Dat kan gelden voor een hele nacht bezig zijn met netten om vissen te vangen.
Dat kan gelden als je met je handen werkt en het blijkt voor niets te zijn.
Het kan ook zijn als je een hele dag leert voor een toets
en je ondanks dat een onvoldoende haalt.
Of als je tot diep in de nacht werkt aan de deadline van een paper of opdracht
en midden in de nacht je laptop uit wanhoop maar uitdoet,
omdat je toch niets voor elkaar krijgt.
Jezus ziet de twee boten liggen
en voor Hem zijn die twee boten meer dan een hulpmiddel voor Hem,
ze vertellen ook iets van de eigenaars en hun vergeefse nachtelijke arbeid.
Als je vol teleurstelling zit, of dat nu is over een nacht vergeefs vissen,
een dag voor niets leren, nachtenlang doorgaan met je paper,
dan sta je vaak niet open voor een opbeurend woord
en is er meer nodig dan iemand die tegen je zegt: kom op je, volgende keer weer een kans.
Je hebt dan nodig dat je gezien wordt, dat je ploeteren wordt gezien, je frustratie
die eraan vooraf gegaan is
en niet alleen dat witte scherm op je laptop of die onvoldoende in je cijferlijst.
Als Jezus de twee boten ziet liggen gaat het Hem om meer dan die boten,
gaat het Hem om Petrus en de andere vissers die hem niets kunnen aanbieden
Dan alleen die twee lege boten. Meer hebben ze op dat moment niet te bieden.
Maar het is Jezus om Petrus te doen.
Niet om zijn handigheid als visser, niet om de vissen die hij kan vangen,
ook niet om wat hij zou kunnen betekenen als discipel of als apostel.
Het is Jezus om Petrus te doen. Jezus is hier een visser van mensen die Petrus wil vangen.
En hoe kan Jezus Petrus vangen als Jezus Petrus niet ziet
en alleen op die menigte is gefocust die Zijn woorden wel lijken in te drinken,
die wel hun spullen neer kunnen leggen.
Nee, Hij ziet Petrus en dat is al een evangelie op zich dat Jezus deze visser ziet
daar bij zijn lege boot.
Evangelie, omdat Jezus’ aandacht niet alleen gericht is op de mensen die luisteren,
maar Jezus ook die mensen ziet die afzijdig zitten en geen aandacht kunnen hebben.
En ook omdat Jezus Petrus en de zijnen ziet om wie ze zijn.
Mijn oog zal op u zijn. – Deze regel uit Psalm 32 is nogal eens meegegeven aan bruidsparen
op hun trouwdag – wellicht is het ook uw trouwtekst geweest.
Deze tekst geeft aan dat we altijd in de aandacht van de Heere zijn,
ons leven zich altijd afspeelt in het blikveld van onze God.
En dat is ook wat bij Petrus gebeurt: Hij wordt door Jezus gezien.
Hoe kan Petrus gevangen worden voor Christus als Jezus niet in Zijn wereld komt.
Het is een les die steeds meer geleerd wordt in het nadenken over evangelisatie:
Dat je als kerk niet allerlei activiteiten moet organiseren om mensen naar je toe te krijgen,
al zien we aan de menigte die om Jezus vergaderd is dat dat ook een waarde heeft,
maar dat je naar de mensen toe moet gaan, in hun wereld moet komen.
Om Petrus te vangen voor het evangelie roept Jezus niet zomaar wat over dat strand,
maar stapt Hij in de wereld van Petrus
– heel concreet in dat bootje dat leeg gebleven is die nacht.
Waar U bent, zal de nacht verdwijnen.
Ook dat is evangelie: dat Jezus in onze wereld stapt.
Dat kan een wereld zijn, waar je je eigenlijk voor schaamt.
Je houdt je liever wat afzijdig om van een afstandje te kijken
naar de mensen die wel kunnen luisteren.
Blijkbaar hebben zij wel hun leven op orde en hoeven ze zich niet te schamen
als ze daar voor Jezus staan.
Hoe reageerde Petrus op het verzoek van Jezus om bij hem in de boot te komen?
We weten het niet.
Net zoals we niet weten hoe hij erbij zat toen de Heere Jezus Zijn verhaal af maakte.
Misschien wat onderuit gezakt, wegdommelend, om wat bij te komen van die nacht.
Zo kan Jezus opeens in je leven komen, zonder dat je erop berekend bent.
Je houdt je afzijdig, houdt wat afstand tot de mensen die wel met Hem bezig zijn
en opeens staat Hij voor je en wil Hij in je leven komen en is Hij er
zoals Hij bij Petrus in de boot stapte.
En misschien heb je wel net als Petrus niets te bieden
en weet je eigenlijk niet goed wat je ervan moet denken dat Jezus bij jou aan boord stapt.
Je laat Hem maar toe, want Hij zegt het je, maar je weet het niet zo.

Dan, een onverwachte wending: Petrus is niet klaar. Hij moet aan het werk.
Die Jezus die veel verstand heeft van het Koninkrijk van God
en zo over het werk van God kan vertellen dat God in je leven komt,
zonder dat je er echt op berekend bent en zonder dat je je daar tegen kunt verzetten.
Zonder dat je allerlei belemmeringen kunt opwerken om Hem tegen te houden.
Die Jezus heeft een opdracht, waarbij Petrus gelijk wakker wordt en opspringt:
Nee, Heer, het heeft geen zin om nu op dit tijdstip te gaan vissen.
Nee, Meester, we hebben het al een hele nacht geprobeerd. Hebt U dat dan niet gezien?
Petrus zegt er nog iets achteraan, waarvan je niet weet of het nu geloof is of ongeloof.
Wie is hier nu de kenner? Als U het beter denkt te weten, nou ja, dan ga ik wel.
Vooruit, omdat U het zegt.
Of hoort Petrus al in de stem en in de woorden van Jezus meer
en is het een begin van geloof dat Hij toch gaat, al heeft hij er zelf niet zoveel vertrouwen in.
Maar op Uw woord.
Als Jezus in je leven aan boord stapt, kun je dat ook denken:
Wie kent mijn leven nu het beste? Bent U dat of ben ik dat?
Wat U van mij vraagt, dat heeft toch geen enkele zin?
Maar op Uw woord.
Misschien is die Petrus, die eerst zo afzijdig stond en bezig was met zijn eigen dingen,
hier wel een voorbeeld voor al die mensen aan de oever van het meer staan
En de woorden van Jezus hebben gehoord.
Wat gaan zij met die woorden doen? Petrus gehoorzaamt en zij? Wat is hun reactie?
Petrus laat zien dat het erom gaat dat je luistert naar Jezus, dat je gaat als Hij je opdraagt.
Maar op Uw woord.
Makkelijk is het overigens niet.
Want Petrus moet zijn net in het diepe gooien.
Lukas geeft zijn woorden vaak een extra betekenis:
het diepe heeft in het Oude Testament altijd iets van dreiging, iets van de afgrond,
gevaarlijk om te komen, waar je leven op het spel staat.
En dat krijgt een straks een extra betekenis als Jezus uitlegt, wat Hij PEtrus wilde laten zien.
Maar daar vanuit het diepe worden – voor Petrus onverwacht –
ontzettend veel vissen omsloten en naar boven gehesen met het net.
zoveel dat het net van Petrus het niet aan kan.
Waar in die afgelopen nacht het net steeds even zwaar naar boven kwam
als Petrus het in het water gooide, kan hij het nu bijna niet naar boven krijgen
en niet alleen het net kan het niet aan, ook de boot die leeg bleef, kan de veelheid niet aan.
Er moet hulp komen van de anderen en die worden dan ook geroepen.
Maar op Uw woord – zei PEtrus. Of hij het nu echt meende of niet,
dat woord van Jezus heeft hem wel zoveel gegeven, meer dan hij aankan.
De volheid, de rijkdom die Jezus je geeft als je Hem gaat volgen.

Dan begint er iets bij Petrus te dagen. Die grote hoeveelheid is niet zomaar.
Daar waar PEtrus niets had en niets aan te bieden had,
Waar Hij met lege handen voor Jezus stond, daar laat deze Jezus iets zien,
iets zien van Zichzelf: de openbaring van Zijn heerlijkheid.
Jezus laat niet alleen aan de mensen die naar Hem luisterden zien Wie Hij is
door tegen hen de woorden van God te spreken,
maar voor die man die zo aan de zijlijn stond laat Jezus ook zien Wie Hij is,
spreekt Hij door een wonder dat goddelijke macht laat zien.
Wij hebben ’s Vaders Zoon aan boord.
Wat de herders in de velden van Efratha overkwam,
toen het licht van Gods heerlijkheid over hen viel
en wat Simeon ten deel viel, toen hij met de kleine Jezus in de armen stond,
namelijk dat ze iets van God mochten zien: de grote en heilige God,
schepper van hemel en aarde, dat overkomt Petrus nu ook:
Hier is God aan boord – Gods Zoon, de messias die zich in woorden en daden toont.
Dat kan dus: waar je met lege handen staat: daar kan God zich laten zien.
Aan jou laten zien wie Hij is.
Dat is meer dan Petrus aankan.
Hij heeft dat geleerd dat je God niet kunt zien zonder te sterven.
De heilige God bij hem aan boord.
Zijn eerste reactie is om Jezus van zich af te houden.
Zoveel genade, zoveel geluk verdien ik niet.
Ik ben de liefde van God niet waard.
Weet U dan niet wie ik ben?
Ik heb niet alleen niets aan te bieden als het om vangst gaat,
maar aan mijzelf hebt U ook niets: Ik ben een zondig mens.
Petrus’ reactie is precies het tegenovergestelde van wat Jezus wil:
JEzus wil niet dat we Hem op een afstand houden, maar dat we juist naar Hem toe gaan.
Zo is het spreken in de kerk over zonde altijd bedoeld.
Niet dat je alsnog een belemmering opwerpt als Jezus toch aan boord gekomen is
En dat je vraagt aan Jezus om uit je leven te vertrekken als Hij toch in je leven gekomen is.
Maar dat je naar Hem toe gaat, juist met je lege handen, met je leven dat leeg kan voelen.
Misschien wel tegen al je gevoelens in: dat je naar Hem toe gaat en knielt.
Heer, Ik kom tot U. Neem mijn hart, verander mij.
Jezus wil niet uit het leven van Petrus weggaan. Vrees niet!
Nu Jezus in het leven van Petrus gekomen is, heeft Hij een opdracht.
Of is het een belofte: Je zult voortaan mensen vangen.
Mensen die nu nog in de diepte van de zonde zitten,
die niet los kunnen komen van hun oude leven,
zullen nu in je net komen en je zult ze uit de verlorenheid omhoog moeten halen.
En waar je eerste vissen altijd het leven moesten laten, niet konden leven boven water
mag je aan deze ‘vissen’ die je nu vangt juist het leven geven
omdat je ze opvist uit de diepte van hun verlorenheid, verloren-zijn, uit de dood en zonde.
Wij zijn geen vissers.
Als je onderwijzer bent, mag je mensen vangen, kinderen of jongeren
door onderwijs te geven, naast je gewone lesstof soms ook iets van Christus doorgeven.
Als je apothekersassistente bent, mag je naast de gewone medicijnen die je klaarmaakt
ook het medicijn verstrekken dat eeuwig leven kan geven: de genade van Christus.
Als je chauffeur bent, rijd je niet alleen maar mensen naar het ziekenhuis,
maar mag je ze ook brengen naar de poorten van de plek waar geen ziekenhuis is.
Als je boekhouder bent, mag je allerlei posten inschrijven,
maar mag je ook dit leven inboeken in het boek des levens.
Als je kabels legt, of werkzaam bent in de communicatie,
mag je een schakel zijn om de communicatie van God naar anderen door te geven.
Het begint met zien, zoals Jezus zag: zoals Jezus zag dat jij ook ziet.
Maar dat je ook weet dat je gezien wordt.
Of je nu met een lege boot terug in de haven komt, of je haven volgeladen is
met vangst voor God, die je Hem mag aanbieden: Mijn oog zal op U zijn.
Het is de belofte van een grote overvloed die Jezus je voorhoudt,
die misschien niet door jouzelf alleen gevangen wordt,
maar waarbij je mag meehelpen om die te vangen.
Maar op Uw woord! Amen

Preek zondag 12 januari 2020

Preek zondag 12 januari 2020
Bevestiging ambtsdragers
Schriftlezing: Lukas 4:14-30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als ik iets ga vertellen over de wijk Schrijverspark in Veenendaal zal u dat weinig zeggen.
De plaats zal de meesten weinig zeggen en de wijk al helemaal niet.
In mijn jeugd was het een wijk die in de volksmond geen beste klank had.
Het was een wijk van flats
en een wijk waar – volgens de beeldvorming – veel buitenlanders woonden.
Een wijk waar je niet graag kwam en waar je ook niet graag wilde wonen.
Het Schrijverspark had een heel andere klank dat de wijken Dragonder of West.

Als we met elkaar lezen over Galilea en de omgeving van Galilea
Zegt dat waarschijnlijk net zoveel een wijk in Veenendaal – of bijvoorbeeld Amsterdam.
De naam Galilea stond er echter niet best op,
Een gebied waar je als je er niet moest zijn ook niet graag kwam.
Galilea van de heidenen werd het wel genoemd:
Het hoorde wel bij Israël, maar je zou willen dat het er niet bij hoorde
omdat de mensen die er woonden niet betrouwbaar waren
en je je er als gelovige niet echt op je gemak voelde en zeker niet wilde wonen
En al helemaal je kinderen niet wilde laten opgroeien.
En stond Galilea al niet best bekend, de omgeving van Galilea had een nog slechtere klank.
Dat is alsof je over de Wallen in Amsterdam zou praten,
of een andere wijk in een grote stad die een bedenkelijke reputatie heeft.
Als Lukas spreekt over de omgeving van Galilea gebruikt hij een manier van spreken
Die maar één keer eerder in de Bijbel voorkomt:
In Genesis 13, waar verteld wordt dat Lot naar de omgeving van Sodom gaat.
Dat gebied waar Jezus rondtrekt van synagoge naar synagoge is niet een willekeurig gebied
maar een omgeving die gelijk staat aan Sodom, of minstens iets van Sodom heeft.
Sodom en Gomorra – als we die benaming gebruiken, bedoelen we dat niet positief.
Daar wil je niet zijn en daar wil je al helemaal niet wonen.
Als je daar woont, of een winkel hebt, of een kerk hebt staan,
heb je voortdurend met overlast te maken van de gevolgen van alcohol en drugs.
Je spullen zijn er niet veilig, omdat er gestolen wordt
en je gaat er niet alleen over straat.

De mensen uit Nazareth zullen hun wenkbrauwen gefronst hebben
toen ze merkten dat Jezus daar begon met zijn verhalen en zijn wonderen.
Waarom daar?
Goed, Nazareth had wellicht niet de allerbeste reputatie,
maar het was altijd nog beter dan de omgeving van Galilea.
Daar waren ze helemaal van God los. Hoe kon Jezus daar beginnen?
Nu ging het verhaal over Jezus rond, zonder dat Hij zich hier had laten zien
en zonder dat de naam van hun stand met Jezus in verband werd gebracht.
Als Hij zo bijzonder was, waarom had hij dat niet bij hen laten zien.
Dat Hij Jeruzalem opgezocht had om daar te beginnen, hadden ze nog wel begrepen,
maar dat hij de andere kant op gaat, dieper afdaalt, dat begrijpen ze niet.
Waarom dan niet hier, waar Hij onder hun ogen is opgegroeid?

Als je leest dat Jezus rondtrekt door Galilea en de omgeving daarvan
zonder dat je weet welke bijklank dat gebied heeft, lees je er overheen
en ben je geneigd om gelijk naar Jezus’ optreden in Nazareth gaan.
Ik denk echter dat Lukas wil dat we erbij stilstaan waar Jezus begint met Zijn missie.
Op deze zondag van bevestiging van ambtsdragers is het goed om te beseffen
dat onze Heer Zijn missie niet begon in een keurig kerkelijk dorp
met kerken die tot de juiste richting binnen een kerk behoren,
maar in een gebied, waar op de synagogen nogal wat aan te merken was
en mensen die op andere gebieden niet snel in het bestuur van een synagoge kwamen
omdat ze er vreemde opvattingen op na hielden of op een bedenkelijke manier leefden.
Wellicht is dat de ervaring van een van de ouderlingen, die nu afscheid neemt:
Oldebroek staat bekend als een kerkelijk dorp,
maar ik ben er in mijn wijk ook heel wat tegengekomen die je zo zou kunnen plaatsen
in de omgeving van Galilea, het Galilea der heidenen, met de klank van Sodom.
Van de theoloog Eugene Peterson, die namens zijn kerk een gemeente stichtte
in een Amerikaanse nieuwbouwwijk, waar mensen woonden, die niets met geloof hadden
heb ik twee dingen geleerd: het evangelie is lokaal
en in een omgeving als de omgeving van Galilea ging Jezus niet preken of onderwijs geven,
maar ging Hij vooral het gesprek met mensen aan.
Lukas is voor hem het evangelie waar Jezus vooral in gesprek is en verhalen vertelt,
omdat de mensen waar Jezus mee in aanraking komen, God niet goed kennen.
Dat vraagt een andere manier van aanpak om hen met Christus in aanraking te brengen
dan een gezin of een dorp waar de mensen bekend zijn met het geloof.
Maar mensen nu heel bekend zijn met het geloof of juist niet,
de beste manier om hen met Christus bekend te maken is het evangelie lokaal aanbieden:
door er te wonen, met degenen die er wonen vertrouwd te worden,
Hun gewoonten leren kennen, hun taal leren spreken, een van hen te worden.
De ouderlingen kunnen daar wellicht iets in herkennen
Als je 4, 8 of 12 jaar lang dezelfde wijk hebt (hoewel er gewisseld is),
dan bouw je een band op en leer je de mensen anders kennen en heb je andere gesprekken
dan wanneer je maar één keer bij iemand langs gaat.

Ooit heb ik gelezen – ik heb het nooit terug kunnen vinden –
dat het uitdragen van het evangelie moeilijker is dan in een grote stad.
Om twee redenen: allereerst omdat de sociale controle groter is.
Ze weten het van je als je naar de kerk gaat en vaak ook als je ambtsdrager bent.
Ze weten ook hoe je als privépersoon bent, hoe je met je vrouw en kinderen omgaat,
wie je bent in de buurt – of je daar ook een vertegenwoordiger van Christus bent,
niet als officieel aangestelde ambtsdrager alleen,
maar als ook gewone gelovige buiten dat pak dat je op zondag draagt.
Ben  je er een van hen, of ben je een vreemde waardoor je ze moeilijker bereikt.
Een andere reden waarom evangelie uitdragen op een dorp zo veel moeilijker is,
is dat mensen op een dorp toch meer afwachten of je echt wel voor hen komt.
Doe je het plichtmatig, omdat je het doet, of heb je een hart voor hen.

Dat onze Heere Jezus niet plichtmatig de dorpen van Galilea afging
en een hart had voor de omgeving van Galilea dat niet zo goed bekend stond,
dat is bekend. Hij is zelf het voorbeeld van de herder die naar het verlorene op zoek is.

In Nazareth hebben ze dat wellicht mooi gevonden, maar hebben ze ook hun aarzelingen.
Vergeet Jezus met Zijn missie onder degenen die van God zijn afgedwaald
niet een belangrijke groep, namelijk degenen die altijd trouw gebleven zijn:
wel zijn gegaan naar de samenkomsten, waar Jezus zelf ook steeds naar toe ging.
Passen zij met wie Jezus opgroeide niet ergens in Zijn missie.
Het op zoek zijn naar degenen die afgedwaald zijn kan soms botsen
met de zorg voor degenen die altijd trouw de gemeenschap hebben gevormd.
Als je alles in het teken zet van evangeliseren, van werken onder mensen buiten de kerk
komt de eigen gemeente dan niet tekort?
Hebben zij ook niet recht op bezoek en aandacht, op een kerk die bij hen past?
Als Jezus in Zijn eigen plaats komt, zijn de verwachtingen hooggespannen.
Wat gaat Hij hier doen? Dezelfde wonderen die Hij elders doet?
Dezelfde preken houden, die Hij elders ook houdt?
Of zichzelf verdedigen waarom Hij eerst naar elders gaat
en waarom Hij daar in de omgeving van Galilea, waar ze van God los zijn,
zo met de mensen kan omgaan en zo mild preekt,eerder gezellig met hen optrekt
dan hen ernstig te waarschuwen voor hun eeuwige bestemming.
Heel begrijpelijk dat Jezus de gelegenheid krijgt om te lezen uit de rol
en niemand kijkt ervan op dat Hij een preek houdt naar aanleiding van het gelezene.
Of het een lezing is die bij die sabbat paste is niet duidelijk.
Jezus leest wel een paar verzen uit Jesaja die veel zeggen over Zijn missie.
De Geest van de Heere is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft.
Jezus kan hiermee uitleggen dat Hij er niet zelf voor gekozen heeft
om Nazareth uit te trekken en te gaan naar de omgeving van Galilea:
nee, het was een roeping; Hij weet zich gestuurd door de Heilige Geest.
Jullie zien mij als de jongen die bij jullie is opgegroeid,
over wie je allerlei verhalen kunt vertellen van wat je van Mij gezien hebt,
maar dat Ik ben uitgegroeid tot een profeet, meer dan een profeet zelfs,
Dat is jullie wellicht ontgaan. Ik ben niet zomaar een gezalfde, maar dé Gezalfde,
Jesaja had het over Mij en over Mijn komst.
Ik ben niet zo maar gekomen, om hier in het veilige en beschutte Nazareth op te groeien,
maar ik ben gekomen om het goede nieuws, Gods evangelie te vertellen
aan de mensen die nu niet met God leven.
Jesaja noemt hen armen.
Ze zijn arm, al hebben ze wellicht miljoenen op de bank en bewonen ze een mooie villa.
Ze zijn arm, omdat ze de rijkdom van God missen.
Om hen over God te vertellen.
Want u zegt: Ik ben rijk en steeds rijker geworden en heb aan niets gebrek, maar u weet niet dat juist u ellendig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt bent.

Ik raad u aan dat u van Mij goud koopt, gelouterd door het vuur, opdat u rijk wordt.
Ik ben gekomen, legt Jezus uit, om degenen die gevangen zitten in de zonde te bevrijden
uit de macht van de zonde, van de duivel.
Om degenen die het werk van God niet kunnen zien, omdat ze God niet kennen,
die blind zijn voor het werk van God in hun eigen leven, of in onze tijd de ogen te openen.
Een bijzondere tijd, want dit is de tijd waarin God laat zien wie Hij is:
Het jaar het van het welbehagen van de Heere.

Er zijn niet zoveel liederen en gezangen die gaan over de rondwandeling van Jezus.
De gezangenbundel die wij hebben springt van Kerst gelijk over naar de Lijdenstijd.
Het Liedboek voor de Kerken heeft er al meer.
Daarom vond ik het Opwekkingslied dat we zongen voor de preek zo passend:
Heer, Uw licht en Uw liefde schijnen, waar U bent zal de nacht verdwijnen.
In Zijn preek legt Jezus uit wat het concreet betekent
Dat door Hem, door Zijn komst de nacht in ons leven zal verdwijnen.

Het mooie van het ambt is dat je als ambtsdrager iets van Jezus mag laten zien,
op kleine schaal iets mag laten zien van onze Heere Jezus Christus,
Zoals Hij daar kwam in Nazareth en iets mag laten zien van wie Jezus is.
In dit gedeelte kunnen we iets zien van de ouderling, van de kerkrentmeester en diaken.
Diaken is Jezus in Zijn passie voor de armen,
voor de mensen die niet mee kunnen komen in deze maatschappij.
Dat het werk van de ouderling-kerkrentmeester niet alleen maar zakelijk is,
maar bedoeld is om de prediking van het evangelie mogelijk te maken,
zien we hier: er is een ruimte om als gemeente samen te komen,
er is een rol waaruit gelezen wordt, een zetel waar Jezus zijn boodschap kan vertellen.
Dat is allemaal dienstbaar aan de voortgang van het evangelie.
Het werk van de ouderlingen zien we terug als Jezus op zoek gaat
naar degenen die niet in de kerk komen,
hen juist opzoekt om met hen in gesprek te gaan over God,
om hen te bewegen om te geloven, om terug te keren, om tot inkeer te komen.
We zien er ook iets van terug als Jezus de rol aangereikt krijgt.
Preken is geen eenzame koers en al helemaal geen egotripperij,
maar een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de kerkenraad – vooral voor ouderlingen.

Waar alle ogen gespannen toekijken wat Jezus zal zeggen en zal doen,
waarschuwt Jezus hen voor teleurstelling.
Vanmorgen kun je het gevoel hebben als ambtsdrager dat je ook wel moet teleurstellen,
want je bent Jezus niet.
Je wordt wel bevestigd of herbevestigd als ambtsdrager, maar zoals Jezus
dat zul je nooit worden. Hij is onze Heer en wij zijn maar dienaren,
al ben je geroepen om in Zijn naam te gaan en mag je Hem vertegenwoordigen.
Op momenten tijdens een bezoek of tijdens een vergadering,
tijdens een TOV-groep of tijdens het zoeken naar leiding voor de kinderclubs
kun je wel eens het gevoel hebben: Was Jezus zelf maar hier
en kon Hij mij helpen, kon Hij Zijn grootheid en macht laten zien.
Het is hier net of ik in de omgeving van Galilea ben,
waar je zo weinig van Christus’ werk kunt zien.
Wat moet er van terecht komen?
Wat Jezus in ieder geval laat zien is dat geloof in Hem geen vanzelfsprekendheid is.
Zijn eigen mensen, die daar zitten met een zekere trots
– die Jezus is toch maar mooi hier opgegroeid –
kijken alleen naar Jezus zoals zij Hem kennen: de jongen die hier vandaan kwam
en die ook wel een beetje van hen moet blijven.
Het valt mij op dat het zien van Jezus bij Lukas vaak een rol speelt, ook hier:
alle ogen zijn op Jezus gericht. Maar welke Jezus zien ze?
Een van hen, die wat bijzonderder is dan hen? Of zien ze de Zoon van God,
die gekomen is, niet alleen om het evangelie te prediken, maar zelf evangelie is,
die niet alleen maar gekomen is om te vertellen over de bevrijding van de zonde,
maar die zelf van de zonde bevrijd.
Die degenen die van God verwijderd zijn niet alleen maar opzoekt,
omdat daar een uitdaging ligt of omdat Hij met Zijn radicaliteit zich niet thuisvoelt
bij zijn dorpsgenoten die alles maar bij het oude houden,
maar omdat Hij de Goede Herder is, die het verlorene thuisbrengt.
Waar Jezus komt, zal de nacht verdwijnen.
En Jezus wil komen, waar jij denkt dat het niets wordt,
of wanneer je denkt dat er niets van terechtkomt.
Jezus zocht niet alleen de omgeving van Galilea op, het Sodom van Zijn tijd,
maar ook Nazareth – omdat Hij ook daar het evangelie wilde brengen
ook daar wilde redden, wilde genezen van geestelijke blindheid.
Zo mag je Jezus verwachten op alle momenten.
Soms werkt Hij door je heen, soms mag je zelf zien hoe Hij werkt
en soms moet je wachten tot Hij op Zijn tijd komt.
Maar het is waar: waar Jezus is, zal de nacht verdwijnen.
Zo mogen jullie dienstbaar zijn – toegewijd aan Zijn eer.
Amen

Preek oudjaarsavond 2019

Preek oudjaarsavond 2019
Schriftlezing: Lukas 2:22-40

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Elke dag gaat Simeon naar de tempel en elke keer weer blijft het bijzonder.
Gewoon wordt het nooit om naar een plek in zijn eigen stad te gaan,
Waar hij de mogelijkheid heeft om bij God te komen.
De Heere van de legermachten, Die in de hemel troont en regeert
en toch daar in de stad een plek heeft binnen de muren van de tempel
Waar het mogelijk is voor hem als mens om deze God te ontmoeten,
om in Zijn aanwezigheid te zijn.
Wat is het toch steeds weer bijzonder dat hij vanuit zijn huis de tempelmuren kan zien
en weet dat achter die muren de heilige God, de Koning van de wereld woont,
in de stad waar hij, Simeon woont, een stad die vanwege de aanwezigheid van God
de heilige stad wordt genoemd en ook wel de stad van God.
Elke keer is het weer bijzonder voor hem om zijn huis te verlaten
en op weg te gaan naar de tempel en te weten: straks verschijn ik voor God.
Elke keer kan hij er weer naar uitkijken om voor God te komen.
Om naar de tempel te gaan met dat verlangen, die wetenschap dat hij voor God verschijnt.
Wat hij ook meemaakt in zijn leven, aan vreugde en verdriet, dankbaarheid en teleurstelling,
hoe de stad er aan toe is,
of er een economische crisis is, of de mensen juist veel kunnen besteden,
of er vrede in de stad is of er vreemde soldaten van het verre Rome door de stad marcheren
– er is voor hem, Simeon één rustpunt in de stad: God die woont achter de tempelmuren
in het heilige der heiligen, waar de ark als troon staat – vandaar regeert God over de wereld.
Elke keer als hij de poort van de tempel doorgaat
en zich moet wassen om zich rein te maken beseft hij:
ik kan mijn oude leven achter mij laten en mag God ontmoeten, in Zijn wereld komen.
Simeon weet dat God daar is in de tempel, onzichtbaar en toch aanwezig.
Hij gelooft dat er een dag zal komen, dat de Heere zelf naar deze stad zal komen,
een bijzondere dag zal dat zijn, omdat zijn volk weer hersteld wordt als volk van God,
weer de eer, de luister, de glorie zal dragen van God:
de heerlijkheid van de Heere die hen zal omschijnen.
Wat zou het mooi zijn als hij die dag mag meemaken,
dat zijn volk deze troost mag ontvangen.
Hij verwacht de HEERE en kijkt uit naar die dag,
zoals een wachter uitkijkt naar de morgen,
waarop de stad bevrijd wordt en er voor de stad uitredding zal zijn en het gevaar voorbij is.
Zo kijkt Simeon uit naar die dag.
Al jaren keek Simeon uit en elke keer als hij naar de tempel ging, vroeg hij zich af
hoe lang het nog moest duren voor die bijzondere dag, waarop God zou komen, er was.
Op een keer heeft Simeon een bijzondere ervaring gehad,
een ervaring die hij niet eerder had gehad: dat de Heilige Geest hem iets duidelijk maakte.
Hij kon niet uitleggen hoe hij wist dat het de Heilige Geest was.
Dat was voor hem duidelijk: Simeon, die dag waar je naar uitkijkt, mag je zelf meemaken,
de dag dat God naar Zijn stad komt
en zich laat zien in de tempel die jij elke dag bezoekt
en dan zul je weten: dit is de vertroosting van Israël.
Sindsdien gaat Simeon met nog meer verlangen naar de tempel
omdat hij weet dat er een dag komt, waarop God zal verschijnen in de tempel
en al de beloften die God eens deed over Israël zullen dan uitkomen.
Vanaf dat moment was zijn leven samen te vatten zoals Lukas dat deed: 

En zie, er was een man in Jeruzalem, van wie de naam Simeon was,
en die man was rechtvaardig en godvrezend.
Hij verwachtte de vertroosting van Israël en de Heilige Geest was op hem.

Op oudjaarsavond zullen we een verschillende broeders en zusters gedenken,
die in 2019 van ons zijn heengegaan.
Afgelopen jaar zijn er weer heel wat rouwkaarten gedrukt, in memoriams uitgesproken
waarin in een paar zinnen een typering van iemand is gegeven.
Vaak hoe iemand als vader, als opa of als moeder, als oma is geweest.
Verhalen die verteld werden, waarin kenmerkende karaktertrekken naar voren kwamen.
Geregeld klonk daar ook iets van dat godvrezende door,
De verwachting van de vertroosting van Israël.
Vaak door de (bijbel)teksten boven de kaart:

De Heer is mijn herder.

De kabel van Gods liefde is groter dan de zijden draad van ons geloof.
Uw genade is mij genoeg.

’t Is mij goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God.

Wie in de schuilplaats van de allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.

In zulke teksten boven een rouwkaart, die vaak gekozen zijn door de overledene zelf
of door degenen die achterbleven die met deze bijbeltekst iemand willen typeren.
Godvrezend, verwachtend de vertroosting van Israël.
Vanavond zijn we bij elkaar om hen te gedenken, om wie ze waren,
om wat ze hebben betekend, om wat ze van die verwachting hebben voorgeleefd.)
Weggenomen door onze Heere, op Zijn tijd, door de Heere thuisgehaald.
Een leven met de verwachting, die Simeon ook had, verwachting van de Heere.
Een verwachting die om Christus draait, om Hem te mogen kennen, met Hem te leven.
Al kunnen we hier, zolang we op aarde wonen, Christus niet zien, zoals Simeon dat kon
en gaat die belofte pas in vervulling als we in Zijn heerlijkheid mogen komen
en voor Hem komen te staan,
Dan mogen we Hem zien, naar Wie ons verlangen uitgaat: Christus.
Voor degenen die we hier vanavond gedenken is dat verlangen reeds in vervulling gegaan
en mogen ze nu al bij de Heere zijn
en mogen ze zien Wie als de vertroosting van Israël gekomen is,
naar wie Simeon mocht uitkijken.

Voor Simeon gaat het verlangen in vervulling
als de Heilige Geest het hem laat weten dat hij deze dag naar de tempel moet gaan
omdat Degene die door hem, Simeon, verwacht wordt, er vandaag zal zijn.
Daar gaat hij op weg naar de tempel. Dit moet een bijzondere dag zijn.
Naar deze dag heeft hij altijd uitgekeken en nu is het zover.
De vreugde die deze man, die rechtschapen en vroom is, op wie de Heilige Geest rust heeft
omdat hij nu zijn Heer mag ontmoeten.
Steeds mocht hij in de tempel al voor God verschijnen,
de Heere van de legermachten die onzichtbaar maar wel aanwezig woonde in Jeruzalem.
Nu mag hij deze Heer in persoon ontmoeten, met eigen ogen zien.
Zijn leven is niet meer van hemzelf maar van zijn Heer
en nu mag hij die Heer ontmoeten die hij zijn hele leven dient,
nu komt die Heer in zijn stad, in zijn tempel, in zijn leven.
Daar staat Simeon met dat Kind in zijn armen, dat die Heer is:
Christus de Heer, die geboren is in de stad van David.
Dat Kind Jezus dat gekomen is, om zich hier aan de hemelse Vader te presenteren
Zijn eigen Vader in de hemel, die Hem naar de aarde zond.
Simeon weet, gelooft, ervaart: dit Kind Jezus is de vervulling.
Op deze Jezus heeft hij zijn leven gewacht en nu heeft hij dat Kind in zijn armen.

Als Hij maar van mij is
en ik ben van Hem,
Als ik, tot de dood nabij is,
luister naar zijn trouwe stem,
heb ik niets te lijden,
leef ik in een vroom en stil verblijden.

Als Hij van maar mij is
laat ik alles staan,
wil ik enkel zijn waar Hij is,
volg ik Hem waar Hij zal gaan.
Mij is om het even
heel het lichte, luide, aardse leven.

Waar Hij maar van mij is,
is mijn vaderland.
Zie hoe Hij alom nabij is
met de gaven van zijn hand.
Broeders lang verloren,
vind ik weer in wie aan Hem toebehoren.

Daar staat hij met het Kind Jezus in zijn armen,
maar heeft ook dat Kind in zijn hart.
Hij ervaart: dit Kind dat gekomen is, kan alles vervullen.
Dat vult met Zijn aanwezigheid de tempel,
zijn eigen hart, deze hele wereld.
Hij ziet het al voor zich, nu met dit Kind in zijn armen,
hoe het verhaal over dit Kind over heel de wereld zal gaan
en harten zal openen en mensen zal brengen bij God.
Als een licht dat over de wereld gaat en overal het duister verdrijft,
Nu daagt het in het oosten,
het licht schijnt overal, het komt de volken troosten.
De vreugde die hij zelf nu heeft zal niet tot hem beperkt blijven hier in de tempel.
Er zullen velen zijn over heel de wereld, die dit Kind in hun hart zullen krijgen.
Nu hij met dat Kind in de armen staat en voor zich ziet, hoe Zijn licht over de wereld zal gaan
moet hij denken aan de woorden van de profeet Jesaja:
en Ik zal U stellen tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de heidenvolken.
Simeon kan wel dansen over het tempelplein.
Vanuit zijn hart borrelt een loflied op voor zijn God, die zou komen in de tempel,
Voor zijn Heer die hij nu in zijn armen houdt.
Woorden die allereerst voor God zijn bedoeld, voor zijn Heer in zijn armen:
‘Het wachten is voorbij. Mijn taak zit erop.
God heeft mijn verlangen in vervulling laten gaan.
Ik hoef niet meer uit te zien, want ik heb mijn Heer in mijn armen.

Nu laat Gij, Uw dienstknecht gaan in vrede, overeenkomstig Uw woord,
Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.’

Simeon heeft niet alleen voor zichzelf uitgekeken naar deze komst.
Hij dacht ook aan de anderen van zijn eigen volk
En aan de mensen die er over heel de wereld zijn,
mensen die hij niet kent, die een andere cultuur hebben, een andere taal,
Er heel anders uitzien, misschien wel helemaal aan het einde van de wereld wonen.
Hij zingt verder: ‘Alle volken op aarde zullen dit licht zien
en in dit Licht, in dit Kind God zelf herkennen.
Ze zullen over Hem horen en in Hem geloven,
Zelfs volken die nog nooit over God gehoord hebben
zullen door dit Kind dat ik in mijn armen houdt bij God gaan horen.

Simeon, dat hadden wij kunnen zijn, dat kunnen wij zijn.
Hij zong over ons en over al diegenen die over Jezus hebben gehoord
en dit Kind in hun hart hebben gesloten, koesteren, geloven,
omdat dit Kind God zelf is die op aarde kwam, voor ons.
Dat Hij ook ons licht wil zijn, door het leven heen:
We gedenken met oudjaar broeders en zusters die zich hebben laten leiden door dat licht.

Leid vriend’lijk licht mij als een trouwe wacht, leid Gij mij voort.

Jezus kwam in hun hart, de Jezus die Simeon in zijn armen hield,
maar dan niet meer alleen dat Kind, maar die Heer die aan het kruis gegaan is
en gestorven is, in een graf werd gelegd en opstond
en naar Zijn Vader in de hemel ging.

Een licht om de heidenen te verlichten
en  Uw volk Israël te verheerlijken.

Als dat licht over je leven schijnt, in je hart ontstoken wordt,
als je je weg met deze Jezus in je hart mag gaan.

Vraag er maar om….
Soms kan je nood zo hoog zijn,
je hart zo vol pijn.
Je zou God om hulp willen vragen
om een deel van jouw zorgen te dragen.
Maar zelfs daarvoor ontbreekt je soms de kracht,
ook al weet je van Zijn grote almacht!
Wat een troost is het om dan te weten dat je niet alleen hoeft te gaan.
Dat er mensen om je heen willen staan!
Zij mogen voor je bidden als jij het niet kan.
En als je dat wilt: Vráág het ze dan!
God vraagt dit in Zijn Woord aan ons allen,
zodat er niemand hoeft te vallen.

Als God dit licht in je hart ontsteekt, deze Jezus in je hart brengt.
Dat is niet alleen een voorrecht dat alleen aan Simeon is toebedeeld.
Dat kan ook bij ons gebeuren, al gebeurt dat op een andere manier dan bij Simeon,
Die een persoonlijke boodschap van de Heilige Geest hoorde,
Zodat hij naar de tempel ging en deze Jezus in zijn armen mocht sluiten
en zo zijn Heer mocht vinden.
Voor ons gaat het via de verhalen uit de Bijbel, de liederen die we zingen,
de mensen die het ons voorgeleefd hebben:
Een vader of een moeder, een opa of een oma, een broer of een zus.
Als je zo iemand gedenkt, die het geloof kon voorleven,
dan valt er heel wat weg, ook al mag je dankbaar zijn voor wat de Heere gegeven heeft.
Wij mogen zelf dat licht doorgeven, uitstralen, totdat onze taak erop zit
en ons verlangen in vervulling gaat en wij onze Heer,
over wie we gezongen hebben, tot wie wij gebeden hebben,
bij wie wij onze dankbaarheid en vreugde brachten mogen zien
van aangezicht tot aangezicht.
Amen

Preek nieuwjaarsdag 2020

Preek nieuwjaarsdag 2020
Schriftlezing: Lukas 3:1-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Opeens is hij daar: Johannes de Doper.
Tijden heeft hij in de woestijn geleefd,
waar het grote wereldgebeuren langs hem heen gegaan is.
Als je hem zou vragen wie er op dit moment de provincie Judea bestuurt,
zou hij je verbaasd aankijken en je zou in zijn ogen de vraag lezen: is dat belangrijk dan?
Als je hem zou vragen, welke keizer er in Rome over de wereld regeert,
zou hij zijn schouders ophalen en zeggen:
Er is er maar Eén, die regeert en dat is de hemelse Heer.
Dat is het enige dat telt.
Daar in de woestijn heeft hij de laatste nieuwtjes over keizer Tiberius niet meegekregen,
hoe deze keizer zo argwanend werd, dat hij niemand meer vertrouwde
en zijn tegenstanders stuk voor stuk liet oppakken en liet doden.
Daar in de woestijn was hij met andere dingen bezig.
Niet met de waan van de dag van de politiek,
ook niet met het nieuws dat je even bezig houdt, waar je je even druk om maakt,
maar waarvan je aan het einde van het jaar niet meer weet dat dit speelde.
Johannes was als kind niet opgegroeid tussen de mensen,
maar leefde in afzondering, ver weg van het gewoel van de mensen.
Om zich daar in alle eenzaamheid zich voor te bereiden op de taak die hij had.
Doordat hij op een afstand van de mensen opgroeide,
kon hij wellicht scherper zien wat er in een samenleving mis was.
En doordat hij in afzondering leefde, kon hij meer bezig zijn met de dingen van de Heere.

Denk niet dat het voor Johannes makkelijk was om in die afzondering te leven.
Je voelt Gods aanwezigheid echt niet sterker dan wanneer je wel onder de mensen bent.
En of je in de eenzaamheid de stem van God beter verstaat, is maar de vraag.
Want vaak hoor je die stem van God door wat mensen tegen je zeggen
En heb je anderen nodig om met de dingen van de Heere bezig te zijn.
Wat het leven in afzondering, in eenzaamheid, in de woestijn moeilijk maakt,
is dat je niet weet wat je weg zal zijn, waar de Heere je brengt.
In de woestijn ben je al het vertrouwde kwijt, alle oriëntatie, heb je geen richtingsgevoel.
afhankelijkheid van de elementen van de natuur:
of er water is, of je eten zult vinden, of je een plek hebt om te slapen,
De woestijn betekent: opnieuw beginnen.
Niet omdat je zelf daar voor kiest om opnieuw te beginnen, maar omdat God er voor kiest.
In het Oude Testament is de woestijn daarom het beeld van de crisis:
God die je opnieuw laat beginnen.
En wie wil dat nu: opnieuw beginnen,
al het vertrouwde dat je hebt, de zekerheden die je in je leven zijn missen:
de zekerheid van je gezondheid, van familie en vrienden om je heen,
De zekerheid dat God er voor je is en je leven leidt, je beschermt en bewaart.
Als je al die zekerheden kwijtraakt, dan raak in je in Bijbelse woorden in de woestijn.
Vaak is het dat God je dan in de woestijn brengt, als volk,
of als persoon, zoals dat met Johannes dat het geval kan zijn.
Om je opnieuw te laten beginnen.

 

Opnieuw beginnen, van vooraf aan.
Zoals Israël door de woestijn trok, op weg naar het beloofde land.
In de woestijn zijn, zoals Johannes dat was,
Betekent net als het volk Israël destijds niet in het beloofde land zijn
maar onderweg, een weg met veel ontberingen en moeilijkheden,
van honger en dorst, van zoeken naar de juiste weg, gevaren die er zijn.
Bij al die keren opnieuw moeten zoeken hoe de Heere in die momenten aanwezig is
en daardoor eerst niet zien dat Hij er is en met je meegaat
maar eerst vertwijfeld bent en je afvraagt wanneer de Heere van zich laat horen.
Een crisis, een diep dal, waardoor je heengaat
maar waarna je de Heere toch weer vindt, Hij er toch blijkt te zijn.

Johannes komt uit de woestijn om tegen de mensen van zijn eigen volk te zeggen
dat ze opnieuw moeten beginnen,
dat ze het vertrouwde moeten loslaten,
dat ze niet vast kunnen houden aan het leven zoals ze dat tot nu toe geleid hebben.
Stel dat Johannes hier vanmorgen zou zijn en dat tegen u zou zeggen,
of dat jou zou voor houden dat je opnieuw moet beginnen,
een nieuwe start moet maken, helemaal opnieuw beginnen.
Hoe zou jij, hoe zou u dan reageren?
Misschien denk je bij jezelf: zoals mijn leven nu is, ben ik eigenlijk wel gelukkig.
Als er iets zou moeten veranderen, liefst niet al te veel.
Of misschien zeg je: ik zou wel opnieuw willen beginnen.
Er zijn bepaalde patronen in mijn leven, waarmee ik zou willen breken.
Hoe we in ons huwelijk met elkaar omgaan, ik zou willen dat we er meer voor elkaar zijn,
elkaar begrijpen en aanvoelen, van elkaar kunnen genieten.
Of je denkt bij jezelf: ik zou mijn werk wel anders willen doen,
Want zoals het nu gaat op mijn werk is niet gezond. Dit houd ik niet vol.
Soms neem je het voor om een nieuwe start te maken,
bijvoorbeeld zo aan het begin van een nieuw jaar, of aan het einde van een vakantie
Om het helemaal anders te doen.
Vaak is dat een hele klus en zo eenvoudig nog niet
en als je dan weken of maanden verder bent, ben je weer in je oude patroon terug.

Nu is Johannes er op uit gestuurd om tegen de mensen zeggen
Dat ze opnieuw moeten beginnen
En dan niet zomaar met een nieuwe levensstijl, maar opnieuw beginnen met God.
Stel dat Johannes dat tegen ons zou zeggen:
Je moet niet zomaar opnieuw met je leven beginnen, een nieuwe start maken,
maar God echt toelaten in je leven en met Hem beginnen, een radicale verandering.
Dan zou je wellicht diezelfde ontwijkende reacties kunnen hebben,
die de volksgenoten van Johannes hadden, toen hij tegen sprak over dat nieuwe begin.
Je kunt zeggen: Hoezo opnieuw beginnen, want ik heb God toch in mijn leven?
Ik ben aan het begin van mijn leven gedoopt?
Ik ben toch door mijn ouders opgevoed met de verhalen van de Bijbel?
Ik heb van hen geleerd om naar de kerk te gaan, om te bidden.
Ze hebben mij liederen aangeleerd die ik in de kerk of ook thuis zing.
Johannes spreekt zijn volksgenoten erop aan:
Denk niet dat je er door je afkomst al bent.
Je zit niet automatisch goed, omdat je uit een gelovig gezin komt.
Als ze bij hem komen om een nieuwe start te maken door de doop van hem te ontvangen,
spreekt hij hen scherp aan:
Wat komen jullie hier doen? Denk je dat je door de doop het oordeel van God kunt ontlopen?
Hij zei tegen de menigte die uitliep om door hem gedoopt te worden: 

Adderengebroed, wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn?

Enige tijd geleden las ik een aantal preken die voor de tijd van advent waren gehouden.
Deze preken werden gehouden in de Episcopale kerk (de Anglicaanse kerk in de VS).
Deze kerk heeft een leesrooster, waarbij de verhalen over Johannes de Doper
een plaats krijgen in de lezingen van advent.
Deze predikante gaf in een van de preken aan de gemeente voor
dat zij een adventskalender zou ontwerpen,
zo’n kalender met van die schattige venstertjes.
En dat achter een van die venstertjes een afbeelding van Johannes de Doper zit,
die je na het openen van zo’n venstertje je streng aankijkt en zegt: ‘Addergebroed’.
In een andere preek stelt ze voor die regel op een kerstkaart te laten afdrukken
En iedereen een kerstkaart te sturen met daarop: ‘Jij addergebroed!’
Het was bedoeld als een humoristische plaagstoot richting de gemeente
En tegelijkertijd met een ondertoon van ernst.
Ik vermoedde dat ze de gemeente zo een vraag wilde meegeven
En door het op een humoristische manier te brengen de gemeente wilde laten nadenken
over een vraag die ze anders uit de weg zouden gaan:
Wat heb ik nodig om te veranderen? Door wie laat ik me gezeggen?
En dan niet in het algemeen, maar specifiek op God gericht:
Wie kan mij aanspreken, wie heeft over mij zoveel gezag dat ik naar hem of haar luister
als ik er op aangesproken wordt om mijn leven te veranderen, radicaal, een nieuw begin?
Een nieuwe weg die we inslaan, waar we niet meer van afwijken,
een nieuwe weg die niet even een bevlieging is, die we enkele weken volhouden,
maar radicaal, een totale nieuwe start, die de rest van ons leven bepaalt.
Johannes verkondigt zo’n nieuwe start met God op een speciale manier,
een manier om te laten zien hoe er een verschil is tussen het nieuwe leven
en het oude leven dat er tot dan toe was.
Johannes greep daarbij terug op een oud gebruik onder de Joden:
namelijk om jezelf met water te wassen voor je naar de tempel of de synagoge ging.
Om jezelf te reinigen voordat je God kon ontmoeten.
Voor Johannes was dat niet genoeg.
Wellicht had hij als buitenstaander, omdat hij zo in afzondering was opgegroeid
een scherp oog gekregen voor de afwijkingen in het volk
en gezien dat ze zich in het leven van God er wel makkelijk af maakten.
Elke keer als ze naar de synagoge of de tempel gingen, wasten ze zich,
maar het had geen effect op hun leven.
Ze bleven dezelfde mensen, die op dezelfde manier bleven leven.
In hun gedrag, in hun levensstijl veranderde niets.
Die reiniging was alleen maar iets voor de buitenkant.
Johannes moest met iets komen, dat ook de binnenkant veranderde,
zorgde dat het hart van de mensen die kwamen werd veranderd.
Dat ze ook echt andere mensen werden,
anders omdat ze nu wel God in hun hart hadden.
Daarom stond hij bij de Jordaan, om de mensen onder water te laten gaan.
Met het oude leven dat ze hadden,
Waarvan ze dachten dat het wel goed zat, dat ze er wel waren
omdat ze al aan deze kant van de Jordaan leefden,
en behoorden tot het volk dat God had uitgekozen.
Ze hielden alleen zichzelf buiten schot.
Ze dienden God wel, maar waren er met hun hart niet bij.
Dat is nu voorbij, zei Johannes en liet hen onder water gaan.

De Heidelberger Catechismus vraagt in zondag 33:
Uit hoeveel delen bestaat de bekering?
Antwoord: Uit twee delen: de afsterving van de oude mens
En de opstanding van de nieuwe mens.
Wat die afsterving betekent, en ook die opstanding:
We zien het in de doop die Johannes de mensen laat ondergaan.

Wat is de afsterving van de oude mens?
Het is een oprecht berouw hebben dat we God door onze zonden vertoornd hebben
En het steeds meer haten en mijden van de zonden.

Wat is de opstanding van de nieuwe mens?
Het is een innige blijdschap in God door Christus
en een lust en liefde om naar de wil van God alle goede werken te volbrengen.

Dat de mensen in de doop van Johannes niet alleen maar een scherpe kritiek hoorden
maar ook merkten dat daarin een nieuwe start met God te vinden was
blijkt wel dat ze met een grote menigte op Johannes afkomen om gedoopt te worden.
Voor Johannes is alleen de vraag: gebruiken ze de doop alsnog als uitvlucht
of grijpen ze de doop aan als werkelijk nieuw begin met God?
Zelf is Johannes er niet gerust op.
Zelfs zo’n radicaal ritueel dat aangeeft dat je opnieuw moet beginnen met God
kun je gebruiken om die radicale verandering die er in je hart nodig is,
buiten jezelf te houden en buiten schot te houden.

Maar dan is er nog steeds geen ruimte voor God en kan de Heere niet komen
in het leven, in het hart van de mensen die aangesproken zijn.
Het is Johannes’ taak om wegbereider te zijn,
om in de harten van de mensen, die voor hem komen en door hem gedoopt worden
ruimte te maken voor Christus.
Om de belemmeringen weg te halen, om de blokkades die er zijn uit de weg te ruimen
zodat er vrij ruimte voor de Heere komt om te komen in de harten.

Johannes is een bode van God, gestuurd om het volk klaar te maken voor Jezus,
om Christus te onthalen, in het hart te hebben,
en dan niet alleen voor de vorm, voor de buitenkant,
maar met Hem opnieuw te mogen beginnen, te kunnen beginnen.
God geeft een nieuw begin, door Johannes te sturen als wegbereider,
door Jezus te sturen die voor ons het nieuw begin is.
amen

Uitleg van Lukas 2:22-35

Uitleg van Lukas 2:22-35

Dit gedeelte vertelt over de komst van het kind Jezus met de ouders in de tempel. Via En (vers 22; Grieks: kaì) is dit gedeelte verbonden met de besnijdenis en naamgeving van Jezus, een gedeelte dat weer verbonden is met dat over de geboorte en de komst van de herders.
Om aan het voorschrift van de wet van de HEER (vers 23) of de wet van Mozes (vers 22) te voldoen, gaan de ouders (vers 27) naar Jeruzalem. Jeruzalem is niet zomaar een stad voor de Joden, maar de stad van God en de stad waar de tempel (vers 27) staat.
art for feb 2 DT8826 CROPStad en tempel
Jezus’ werk en Jezus’ leven is niet van de tempel los te maken. In het evangelie van Lukas is Jeruzalem het eindpunt van de reis, die ondernomen wordt door Jezus: daar zal Hij gearresteerd, verhoord en gekruisigd worden. Jeruzalem is ook de stad waar het graf zal zijn en waar de vrouwen merken dat Jezus is opgestaan. Vanaf de Olijfberg nabij Jeruzalem zal Jezus naar de hemel gaan. Een deel van het onderwijs van Jezus vindt plaats in de tempel. Wanneer Lukas vermeldt dat Jezus hier in de tempel aan de HEER wordt gepresenteerd is dat niet zonder betekenis. Temeer omdat het voorschrift, dat de eerstgeboren zoon in de tempel aan de HEER moet worden gepresenteerd, nergens in de Joodse wetten te vinden is.

De betekenis van Jezus’  komst naar de tempel is niet alleen dat Jozef en Maria als torah-trouwe Joden worden gepresenteerd. Het eerste openbare optreden na de geboorte is Zijn komst in de tempel. Mogelijk speelt op de achtergrond de tekst van Maleachi 3:1, dat de HEER zelf tot de tempel komt. Alleen is daar sprake van een ander woord voor de tempel: Lukas gebruikt het woord ieros (heiligdom, tempel), terwijl Maleachi het woord naos (paleis, tempel) heeft.

Reiniging
Er zijn twee redenen om in Jeruzalem de tempel te bezoeken. De eerste reden is dat op de veertigste dag na de bevalling van een zoon de onreinheid van een vrouw voorbij is. De overgang van de status van onreinheid naar reinheid kan alleen door een priester worden aangegeven en wordt gemarkeerd met een reinigingsoffer. Onreinheid houdt in dat iemand geen deel uitmaken de godsdienstige vieringen. Een vrouw die net bevallen is en een kind dat net geboren is zijn onrein, onder andere door het bloed dat vrijkomt bij de bevalling. De eerste fase van onreinheid is na 7 dagen voorbij. Daarom wordt een jongen op de 8e dag besneden. Met een reinigingsritueel (hier door middel van een offer) wordt een vrouw weer rein verklaard en kan ze weer deelnemen aan de godsdienstige rituelen.
PWI95117

In Leviticus 12:1-8 wordt de noodzaak van deze reiniging voorgeschreven. In Leviticus is dit ritueel alleen voor de moeder bestemd. Lukas vertelt echter dat ook Jezus gereinigd moet worden. Hij verschuift de aandacht van moeder naar kind, ook in het reinigingsritueel.

Presentatie
Een tweede reden waarom Jozef en Maria naar de tempel gaan, is om Jezus voor te stellen (vers 22), te presenteren als oudste zoon. Volgens Lukas is die presentatie een regel die in de wet van Mozes voorkomt. Dit voorschrift is echter niet in de wet van Mozes opgenomen, ook al citeert Lukas hier uit Exodus. Dit voorstellen van Jezus is bedoeld om Jezus in de presentie van de HEER te brengen, zoals ook Gabriël verkeert in de aanwezigheid van de HEER. Naast het in de tegenwoordigheid van God brengen, bij de heilige sfeer bij de HEER in Zijn heilige tempel, heeft deze voorstelling ook de betekenis van toewijding aan de HEER. Dit Kind is door de Heilige Geest geboren. De presentie van dit Kind in de tempel is een bevestiging van wat dit Kind al is: heilig voor de HEER (vers 23).

Godsnaam en Heilige Geest
In de eerste twee hoofdstukken gebruikt Lukas veelvuldig de naam HEER (Grieks: kurios) om God aan te geven. Ook in deze perikoop gebruikt Lukas deze Godsnaam veelvuldig. Daarnaast is de Heilige Geest een belangrijke actor: ‘Bij Lukas is de Heilige Geest de choreograaf van de gebeurtenissen’. De Geest is op (Grieks: epi) Simeon; door middel van (Grieks: hupo) de Geest weet Simeon dat de vertroosting van Israël aanstaande is; door (Grieks: en) de Geest komt Simeon in de tempel. Waar in het Oude Testament slechts een enkeling is op wie de Geest is, zijn de verhalen uit Lukas 1-2 vol met mensen in wie de Geest bezig is. De geboorte van Jezus markeert de nieuwe tijd van Joël 2, waarin aangekondigd wordt dat de Geest op ouderen en jongeren zal zijn.

witherington1
Simeon
Van Simeon weten we weinig. Ook zijn leeftijd weten we niet. Persoonlijke informatie wordt nauwelijks gegeven. Alleen zijn rechtschapenheid (dikaios) en zijn vroomheid (eulabès) worden gemeld als karaktereigenschappen. Verder wordt nog verteld dat Simeon uitkijkt naar de vertroosting van Israël: het eschatologische herstel van het volk Israël, zoals het in DeuteroJesaja is aangekondigd (Jesaja 40:1 bijvoorbeeld). Simeon is als een wachter, die uitkijkt naar de nieuwe morgen die de verlossing van Israël zal zijn (Psalm 130).

De belofte aan Simeon
Deze Simeon heeft de belofte gekregen dat hij de vertroosting van Israël zal zien met eigen ogen. Het woord zien (met eigen ogen) geeft aan dat de vervulling van die belofte een theofanie (verschijning van God) zal zijn. Dat Kind dat in de tempel gebracht gaat worden, zal de verschijning van God zijn en zal de vervulling van Gods belofte in persoon zijn. Lukas geeft door middel van een woordspel de belofte van de Geest door: nog voor Simeon de dood zou zien, zou hij de verlossing zien. Zoals de herders mogen zien wat de engel verkondigt, mag Simeon de vervulling van de belofte zien. Zien duidt op een directe vorm van openbaring, zoals Simeon al van de Heilige Geest door middel van  goddelijke communicatie (Grieks: kechrèmatisménon; vers 26) had te horen gekregen.

Lofzang
Als Simeon de ouders aantreft (ook al is Jozef niet de biologische vader), neemt hij het kind in de armen en looft hij God. Anders dan de lofzang van Maria en Zacharias is dit niet een lofzang over God, maar een lofzang tot God gericht. Simeon prijst God om wat Hij in dit Kind gaat doen. Allereerst looft Simeon God, omdat zijn diensttijd erop zit. Hij hoeft niet meer uit te zien als een wachter. Hij kan in vrede heengaan. Dat kan betekenen dat Simeon nu kan sterven. De uitdrukking kan ook betekenen dat zijn diensttijd erop zit, omdat de diensttijd van Jezus is aangebroken. Het wachten zit erop. De knecht (Grieks: doulos) mag afgelost worden door de Knecht des Heeren – zoals DeuteroJesaja aankondigde. DeuteroJesaja is een belangrijk gedeelte voor Lukas om de betekenis van Jezus aan te geven.

Voor alle volken

Lukas is een tweestemmig evangelie: aan de ene kant benadrukt hij de Joodse herkomst van Jezus; aan de andere kant geeft hij aan dat de verlossing niet alleen voor Israël is bedoeld, maar voor alle volken. Dat klinkt ook door in de lofprijzing van Simeon. Het bijzondere van deze lofprijzing is niet alleen dat de heidenvolken mogen delen in de verlossing en gelijk aan Israël zijn, maar ook dat zij vooropgeplaatst worden in de laatste regel van het Nunc Dimittis. Het verschil is dat de heidenvolken bekering nodig hebben en dat zij daarom het licht nodig hebben om het duister van de godloosheid te verdrijven, terwijl voor Israël de eer, glorie als volk van God wordt hersteld.  Ook in de verlossing van de heidenvolken deelt Lukas in de verwachting van DeuteroJesaja.

Tweedeling
De tweedeling van Israël en de heidenvolken wordt afgewisseld door een tweedeling in het volk. Jezus zal redding brengen aan Israël en zorgen dat er velen zullen zijn die nieuw leven zullen ontvangen. Tegelijkertijd zullen er velen zijn die dit nieuwe leven in Jezus zullen afwijzen. Zij zullen over Jezus heenvallen: Jezus is een val en een opstanding. Die tweedeling blijft tot aan het einde van Handelingen bewaard.