Preek zondag 29 juni 2014

Preek zondag 29 juni 2014
Psalm 4

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er zijn veel momenten in ons leven waarop we roepen tot God.
Momenten waarop het gebed niet een rustig spreken is tot God maar een roepen.
Want een rustig in gebed gaan is er niet meer bij
Als de dokter zegt: ‘Ik heb slecht nieuws voor u.’
Dan weet je niet meer wat je zeggen moet
en klinkt er alleen een schreeuw in je naar boven: “Heer!”
Of als je kind op een onverwacht moment
en je voelt dat het niet gewoon is, er is iets aan de hand.
Als het hoge woord eruit komt: “We gaan uit elkaar!”
dan kan er een roep in je zijn: “Nee!”
een roep gelijk ook om God: “Heer, hoe moet het nu?”

Het zijn de zorgen waar we zelf niet uitkomen,
die ervoor zorgen dat wij roepen naar God.
Wanneer het leven gewoon is, z’n gangetje gaat,
dan zal het bidden niet snel roepen zijn.
Als we roepen tot God betekent dat er iets op het spel staat.
Iets voor onszelf of voor iemand met wie we verbonden zijn.
Dan willen we dat de Heere iets doet.
Als ik tot U roep, Heere, geef dan reactie!
Want daar vraagt David om en daarom roept David tot God:
omdat David wil dat de Heere iets doet,
dat de Heere niet werkeloos vanuit de hemel toekijkt naar wat er in zijn leven gebeurt.
Als ik tot U roep, doe iets! Want U bent bij machte!
U kunt wat ik niet kan!

Maar het roepen hier in deze psalm heeft een bijzondere achtergrond.
Uit deze psalm klinkt door dat David onder druk gezet wordt om zijn mond te houden.
Zoals dat vandaag de dag kan gebeuren,
bijvoorbeeld op een bedrijf als er oneerlijke praktijken zijn die je tegenkomt.
En je kaart het aan, maar je krijgt te horen:
Houd je mond want anders verlies je je baan.
Je wordt onder druk gezet van hogerhand om te zwijgen.
Een situatie van onrecht waar niets van mag worden gezegd
omdat er bepaalde mensen in het bedrijf belang bij hebben dat het zo blijft.
Tot wie moet je dan roepen? Bij wie kun je dan terecht?
Als ik tot U roep, doe er dan wat aan, o God van mijn gerechtigheid!

Of een andere ingrijpende situatie in een gezin.
een vader die de grenzen van zijn dochter overgaat
en haar lichaam aanraakt op plaatsen waar zij het niet wil
en waar het niet mag en toch doet.
En dan na afloop druk uitoefent: “Je zegt het tegen niemand,
want dan gaat ons hele gezin eraan.”
Of geniepiger: “Je kunt het tegen niemand zeggen,
want het is jouw schuld dat ik zo doe.”
Tot wie moet je dan roepen?
Wie gelooft je dan?
Dan kan het zelfs voorkomen dat de weg naar God toe geblokkeerd is
en zelfs je roepen naar God toe het zwijgen opgelegd wordt.
Als ik van binnen schreeuw naar U, hoor mij dan
en doe er wat aan!
Kom voor mij op, voor mijn recht! O God van mijn gerechtigheid!
Hier wordt niet zomaar een beroep gedaan op God,
maar het is een roepen tot God
omdat jouw recht geschonden is
en er niemand in mijn omgeving is die naar u wil luisteren.
Iedereen keert zich van je af.
Omdat ze niet geloven wat je vertelt.
Of omdat ze geen zin hebben om onrust
en dan maar hopen dat het vanzelf overgaat als je het negeert.
Als ik tot U roep, houd U zich dan niet afzijdig van mij?

Hier wordt een beroep gedaan op God
en dan vooral om de gerechtigheid van God.
Gerechtigheid heeft te maken met: recht zetten.
Door te luisteren naar degene die niet meer mag spreken
omdat het niet goed uitkomt.
Door degene die in een conflict overlopen wordt
naar voren te halen en zijn of haar verhaal te laten doen,
zodat het rechtgezet kan worden.
Zo is God.
Hij staat niet zomaar aan de kant van degenen die denken God aan hun kant te hebben
en opereren alsof ze God aan hun kant hebben
en denken dat zij het daarom in deze wereld kunnen maken
maar ondertussen over anderen heenlopen.

Nee, zo is God niet.
Als het je benauwd wordt van de spanning die het allemaal oproept
of benauwd wordt door de druk die op je uitgeoefend wordt,
is het God die je ruimte biedt.
zodat je ervaart: gelukkig, nu mag mijn verhaal eindelijk worden gehoord.
Nu weet ik dat ik er niet alleen voor sta
of dat God de kant kiest van degenen die het in deze wereld voor het zeggen hebben.
In deze psalm wordt gebeden of God Zijn grootheid op een bijzondere manier wil laten zien:
door voorover te buigen,
vanuit de hemel te buigen naar de aarde,
als een vader die door de knieën gaat om te horen wat zijn kind te zeggen heeft,
zoals een koning van de troon komt en een reis door het land maakt
om te kijken wat er werkelijk zich onder zijn dienaren afspeelt,
want de knechten kunnen informatie achterhouden die hen niet goed uitkomt.
De koning kan het alleen te weten komen
door zelf te kijken onder het volk.
Dat is de genade waar deze psalm over spreekt:
Heere, kom van Uw troon in de hemel
om te zien wat er in mijn leven gebeurt,
wees mij genadig, als ik roep,
zoals een heer zijn knecht bijstaat, een vader zijn kind niet in de steek laat.

Gebed en zekerheid wisselen zich af:
Het is God die voorover wil buigen om te horen,
juist diegene te horen die geen stem heeft, die moet zwijgen.
De Heere die het al eens heeft gedaan
om in een tijd van moeilijkheden en spanning rust en ruimte te geven.
Gebed en zekerheid: Ze wisselen zich vaak af in een mensenleven.
Zoals er vaak ook dat roepen is, roepen naar God.
Het leven is soms een heen-en-weer-geslingerd worden
tussen het vertrouwen dat God iets zal doen aan de ene kant
en de vertwijfeling en de wanhoop aan de andere kant.
Maar wel een vertwijfeling en een wanhoop die weet waar het gezocht moet worden:
bij de Heere.
Alleen daar ligt mijn recht.
Daar moet het ook gezocht worden: bij de God die recht zal doen!

God is rechter.
We zullen allemaal eens voor God komen te staan
en dan hebben we rekenschap af te leggen over ons leven.
Over wat we hebben gedaan.
Wat zou er in Gods boek over uw leven geschreven staan?
en hoe bereid je je voor op die ontmoeting voor de Heere?
Je kunt denken: ach, dat duurt nog wel even. Zo ver is het nog niet.
of je kunt denken: ik hoop dat God vooral mijn goede daden opschrijft
en ik gok erop dat God mijn verkeerde daden door de vingers ziet,
want God is toch liefde?
Zo zwaar zal God er toch niet aan tillen?
Er zijn in ieder geval mensen die er niet te zwaar aan tillen.
In de psalmen komen zij veelvuldig voor.
Goddelozen worden zij vaak genoemd of onrechtvaardigen.
Hier in de psalm worden zij “Aanzienlijken” genoemd.
Dat zijn de genen die geen angst voor het oordeel kennen.
Zij weten hier op aarde alles naar hun hand te zetten
en gokken erop dat dat met God ook wel kan.
alsof zij God op andere gedachten kunnen brengen.
Alsof God als rechter omkoopbaar is en zal zwichten voor hen.
Omdat zij zo zeker zijn van God
kunnen ze er hier op aarde wel wat van.
Ze weten alles voor zichzelf af te dwingen en op te eisen,
zodat zij het goed hebben.
Ten koste van anderen en als die anderen er wat van zeggen
starten zij een lastercampagne waar de ander weerloos tegen is.
Je komt er ver mee in het leven op aarde
en toch, zegt David hier: dat is een leven van schijn, van leegte.
Want je denkt God te kunnen ontlopen.
Alsof je God kunt voorschrijven wat er met je moet gebeuren.
Maar ze vergeten dat het God is, die kiest,
dat God zijn gunsteling uitkiest
en dat die gunsteling niet vanzelfsprekend diegene is die het hier voor het zeggen heeft.

Wie is die gunsteling die door God gekozen is?
De aanzienlijken zijn degenen die zich naar voren schuiven:
Ik ben Gods gunsteling, want kijk maar hoe ik het heb.
Ik heb het beter dan jij, dus ik ben het.
Wie is die gunsteling die door God gekozen is?
De aanzienlijken zijn degenen die zich naar voren schuiven:
Ik ben Gods gunsteling, want kijk maar hoe ik het heb.
Ik heb het beter dan jij, dus ik ben het.
Maar bij hen gebeurt er iets en de vertalingen kunnen het niet goed weergeven.
Hun bestaan wordt op hun grondvesten gekeerd.

De ontdekking van Augustinus:
Augustinus is iemand leefde rond het jaar 400.
Geboren uit een christelijke moeder en een heidense vader.
Hij vond zich te slim voor het geloof van zijn moeder en keek daar op neer.
Hij was wel zijn hele leven bezig met de vraag: waar komt het kwaad vandaan?
Hoe komt het dat mensen elkaar zoveel kunnen aandoen?
Hoe komt het dat er zoveel kwaad in deze wereld is?
Naar deze vraag ging hij op zoek.
Hij ontdekte een geloof dat zei: het kwade is er,
omdat de wereld niet goed geschapen is.
Het zit niet in mijzelf.
Het is niet zoals het geloof van zijn moeder dat het kwaad in je hart zit,
nee, buiten hem.
en door sober te leven en goed na te denken en een goede manier van leven
kon je het kwade buiten jezelf houden en het kwade ontstijgen.
Dat klinkt heel mooi: want je kunt er zelf iets aan doen. Bereikbaar!
Zijn manier van leven gaf ook aanzien in de plaats waar hij woonde.
Maar hij kwam er niet uit.
Er knaagde iets in hem: zijn theorie klopte ergens niet.
Hij wordt gedwongen om weer na te denken over het geloof van zijn moeder.
Om alles op een rij te krijgen trekt hij zich terug en begint te lezen in de Bijbel.
Dan leest hij deze psalm
en hij vertelt hoe deze psalm als een mokerslag hem treft.
Want waar hij altijd dacht Gods gunsteling te zijn
door goed te leven en het kwade geen toegang tot je leven te geven,
zag hij in deze psalm iets anders.
Er is er maar één die werkelijk de naam kan hebben Gods gunsteling te zijn,
die werkelijk geen enkel kwaad in zich draagt: Christus.
Tijdens het lezen van die Psalm zag Hij Christus voor zich opdoemen.
Christus die anders was dan hij
en toen hij Christus zag, zag hij wat er met hemzelf mis was.
Christus was de nederige, geen enkele vorm van hoogmoed,
de Allerhoogste die gekomen was om zich klein te maken,
terwijl hij, Augustinus, bezig was, te verheffen boven de mensen,
zodat zij tegen hem opkeken en hij op hen kon neerkijken.
In de ogen van Christus las hij zijn eigen trots
en wist: ik kan dit niet volhouden.
Dit breekt mijn trots.
Hij kon alleen maar door de knieën gaan: mijn leven was leegheid en schijn.
Zijn trots werd verbrijzeld.
Christus was voor hem de spiegel, confronterend, maar ook heilzaam, het medicijn.

Moet bij iedereen verbrijzeld worden?
Nee, degenen die zichzelf hier overeind houden
en denken zonder God het wel te kunnen redden
en zelfs in het oordeel van God de dans te kunnen ontspringen.
Alleen diegenen die niet willen knielen voor Christus
omdat ze dat niet nodig vinden.
Hen wordt de spiegel voorgehouden,
om die trots af te nemen, want daarmee kun je niet voor God verschijnen.
Maar dan is het te laat.

O God van mijn gerechtigheid.
Waar het in deze wereld erop lijkt, de schijn heeft
dat de aanzienlijken alles kunnen bepalen
en niet aangepakt kunnen worden, is God er nog.
Doet God iets.
Schudt Hij het leven van de machtigen door elkaar.
Maar doet hij ook voor de rechtelozen iets
wat weinigen op aarde snel zullen doen.
Hij wordt een plaats waar ze kunnen zijn: een woning.
Waar ze kunnen gaan slapen zonder zorgen.
Dat is wat: een leven zonder zorgen.
Dat kan alleen als het onrecht in het leven is rechtgezet.
De wereld om je heen kan nacht zijn, donkerheid
waar het kwaad overheerst, en niet gebroken lijkt te kunnen worden.
Dan is God een plaats waar je kunt zijn, kunt wonen,
waar je in vrede kunt slapen.
Kunt slapen! In een wereld van onrecht.
Slapen omdat je weet: God doet er wat aan!

Ik kan gaan slapen zonder zorgen,
want slapend kom ik bij U thuis.
Alleen bij U ben ik geborgen.
Gij doet mij rusten tot de morgen
en wonen in een veilig huis.

Amen

De ene bekeerling leest de andere bekeerling

De ene bekeerling leest de andere bekeerling
Willem Jan Otten en Augustinus

Willem Jan Otten heeft iets met Augustinus. Hij schaart hem tot één van zijn helden. Dat zijn degenen die hem geholpen hebben op weg naar zijn bekering.

Voor Trouw beschreef Otten een aantal van die helden – met als bedoeling hen uit te leggen aan ‘gelooflozen’. Het geheel werd gebundeld in een boek: Waarom komt u ons hinderen? De titel is een zinsnede uit Dostojewski’s verhaal over de Grootinquisiteur (De gebroeders Kazamarov). Voor Willem Jan Otten betekent die zinsnede: Christus als de mensgeworden God loopt ons mensen voor de voeten en stoort ons. Bijvoorbeeld in ons wereldbeeld of in denkbeelden.

Wat heeft Otten met Augustinus? Naar mijn idee herkent Otten zich in de beschrijving van de Confessiones: ook voor hem was zijn bekering iets dat hem overrompelde, waarbij hijzelf inclusief zijn wereldbeeld en levensbeschouwing onderuitgaat.
In het Manicheïsme (en het scepticisme) dat Augustinus voor zijn bekering aanhing, ziet Otten parallellen met het denken van onze tijd: (1) een manier van denken, waarbij het kwaad niet uit onszelf komt, (2) de intellectueel geniet aanzien.
Op weg naar zijn bekering wordt Augustinus (hardhandig) geconfronteerd met het kwaad in zichzelf en met Christus die de nederige is (maar voor wie Augustinus te trots is om voor te buigen).

Heden ten dage wordt het kwaad in ons vaak weggerationaliseerd. Een reden waarom men vandaag de dag weinig met Augustinus kan op dit vlak. Otten verzet zich tegen een wegpsychologiseren van het kwaad in onszelf en verzet zich tegen een psychologische duiding van Augustinus. Dat gaat namelijk voorbij aan het kwaad dat in het eigen hart huist.

Augustinus laat zien dat hij schuldig is: dat hij zo laat zich gewonnen geeft aan deze nederiggeworden God. En dat hij steeds voor het kwaad kiest. En voor zijn eigen trots en hoogmoed. Otten wil die schuld laten staan en niet wegpsychologiseren, omdat Augustinus (of misschien wel de nederig geworden God) hem het kwaad in zijn eigen hart laat zien.

Vragen
1) Wat roept deze tekst van Otten over Augustinus bij op?
2) Kunnen we met deze manier van leven / denken de hedendaagse ‘geloofloze’ bereiken?
3) Wat met de schuld van Augustinus en Otten? Moeten we die laten staan? Of is een psychologische verklaring terecht? Maar: als de psychologische verklaring gehanteerd wordt, wat dan met de gelooflozen van onze tijd die het kwaad in hun eigen hart ontdekken?

Preek zondag 22 juni – morgendienst

Preek zondag 22 juni – morgendienst
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Psalm 87

De HEERE telt hen erbij,
wanneer Hij de volken opschrijft,
en zegt: Deze is daar geboren.
(Psalm 87:6)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

De Heere telt hen erbij – zegt Psalm 87.
Dat is voor ons allemaal wel van belang, denk ik, dat we meegeteld worden.
Want dat geeft aan dat je gezien wordt, dat je erbij hoort, dat je gewaardeerd wordt.
Dat geldt heel ons leven.

Dat begint al als kind:
Dan is het fijn als je uit school een vriendje of een vriendinnetje hebt om mee te spelen,
dat je met elkaar afspreekt.
Of wanneer iemand je meeneemt de klassen rond.
Als je op de middelbare school zit, is het van belang dat je bij de groep hoort,
dat ze jou ook whatsappen
en dat je het ook hoort als er iets wordt afgesproken,
om te voetballen of naar het zwembad te gaan bijvoorbeeld.
Voor volwassenen is het van belang om mee te tellen op je werk
of dat je voor je gevoel niet achterblijft bij vriendinnen.

En we zijn ook best bereid om iets extra’s te doen
om ervoor te zorgen dat we meetelllen:
Je laat je huiswerk schieten om dat je bij de groep moet zijn
of omdat je de whatsapp-berichtjes wel moet blijven volgen.
Of je spreekt toch maar af met vrienden
terwijl je moe bent en je gezin ook wel tijd kan gebruiken.

Dat het van grote betekenis is dat je meetelt,
merk je pas als je zelf voor je gevoel je best ervoor moet doen
om ergens bij te horen.
en helemaal wanneer je over het hoofd gezien wordt,
Wanneer je geen berichtje krijgt als er ergens een feestje gegeven wordt
en je daardoor niet er niet van weet of je weet niet of je er naar toe moet gaan.
Of als je thuis komt te zitten in de ziektewet,
je collega’s niet naar je informeren en je werkzaamheden makkelijk door anderen opgepakt worden.
Dan vraag je je al snel af: ‘Word ik wel gemist? Tel ik wel mee?’

Tel ik eigenlijk wel mee? Hoor ik erbij?
Dat is een vraag die heel snel bij ons boven kan komen.
We vinden het fijn als iemand die bevestiging geeft: je hoort er inderdaad bij.

Die vraag speelt ook naar God toe:
Hoor ik bij de Heere er wel bij? Telt Hij mij mee?
Dan zegt Psalm 87 wel: de Heere telt hen erbij.

Maar juist dat vinden we moeilijk te geloven.
Voor ons is het geen zekerheid, dat de Heere ons erbij telt,
maar meer een vraag,
een vraag waar we geen antwoord op weten: Telt de Heere mij erbij?
En als we een antwoord hebben, zal het eerder zijn:
‘Ik denk het niet. Ik denk het niet dat God míj erbij rekent – mij meetelt.’
Want, voor ons gevoel, moet je dat ook laten zien, dat je erbij hoort.
Dan mag je jezelf er pas bij rekenen,
als je het hebt laten zien:
als je in de Bijbel leest, trouw naar de kerk gaat
of als er in je leven een verandering plaats vindt, waarbij niet meer de verkeerde dingen doet
(die je nu nog wel doet en die je nu misschien ook nog best leuk vindt
en daarom zo moeilijk kunt laten.)
Misschien zeg je daarom wel: ‘Ik mag mij er niet bij rekenen, of nog niet.’

Maar de voornaamste vraag is niet of wij onszelf erbij mogen rekenen,
maar of de Heere u, jou, erbij rekent.

Geldt het ook voor mij, geldt het ook voor u:
De Heere telt hen erbij?
Want dat is toch dé vraag die in het leven telt: vraag van verloren gaan of eeuwig behoud.
een vraag die je als doopouder voor je kind hebt?
Wat zeggen jullie, doopouders, als je kind later naar vraagt,
wat geef je dan als antwoord?
Of zeg je dan: ‘Eerlijk gezegd weet ik het ook niet. Ik hoop het.’
Wat een onzekerheid kan dat geven.

Maar, gemeente, doopouders, is die onzekerheid wel nodig?
Laat de Bijbel en laat de doop niet zien,
dat de Heere zelf een antwoord geeft,
een antwoord die de onzekerheid wegneemt, namelijk wat Psalm 87 aangeeft:
De Heere telt hen erbij.
Dat is ook de reden waarom er gedoopt wordt
en waarom we als kerk kleine kinderen dopen,
die zelf nog niet kunnen aangeven wie de Heere is,
die zelf nog niet in staat zijn om te geloven
en ook niet in staat zijn om te vertellen dat zij geloven en in wie.
Deze kinderen vanmorgen, ze zijn gedoopt, vanwege dat erbij rekenen van de Heere!
God zelf zegt het: Ik reken je erbij.
God rekent ze erbij en daarom, op basis van wat God aangeeft, worden ze gedoopt.

Omdat het voor ons moeilijk is te geloven, omdat wij ons dat nauwelijks kunnen voorstellen
is er de doop, waarmee we het tegen de Heere mogen zeggen:
‘Heere, U hebt zelf gezegd: ‘Ik reken je erbij!’
U hebt zelf gezegd: ‘Ik wil je Vader zijn!’
U hebt zelf gezegd: ‘Ik ben ook voor jou en jouw zonden gestorven!’
Dat is de zekerheid die we ontvangen, gemeente:
Gods eigen woord, en de doop.

Trouwens, ook de doop is iets dat God aan u, aan deze kinderen heeft gedaan.
Kijk maar naar het formulier:
Als we gedoopt worden in de naam van de Vader
=> dan volgt er een belofte, een uitspraak van de Vader.
De Vader in de hemel belooft met de doop.
en dat geldt ook voor de Zoon, voor de Heilige Geest.
De doop is niet wat deze ouders hebben gedaan, of wat ik als predikant heb gedaan,
nee, de doop komt van God.
De ouders hebben het gewild voor hun kind,
als predikant mag ik het uitvoeren en zichtbaar laten worden,
dat deze belofte van God ook voor deze kinderen geldt
en u als gemeente, ouders, bent er getuige van:
U ziet, omdat u de doop hebt gezien, dat de belofte ook voor deze kinderen geldt.

We maken een stap terug naar psalm 87.
We hebben al gehoord, dat de Heere ons erbij rekent,
u en jou, vanmorgen in het bijzonder de gedoopte kinderen.
Wat betekent dat, wat de Heere zegt: Ik tel je erbij?
Ik reken je tot Sion.
Wat betekent dat?
Sion is de berg waarop Jeruzalem is gebouwd,
maar nog veel belangrijker: Sion is de berg waarop de tempel is gebouwd.
De tempel was voor het volk Israël een bijzonder gebouw:
Daar in de tempel kwamen hemel en aarde bij elkaar,
daar was God, daar in de tempel woonde de God die in de hemel woont,
de God van Israël, de Allerhoogste, zoals deze psalm Hem bezingt.
Hoger dan de God van Israël is er niet.
Omdat de tempel in Jeruzalem stond, op de berg Sion,
daarom kon de mensen in Jeruzalem zingen:
wij zijn de stad van God, God is in ons midden.
Hij heeft hier in Jeruzalem Zijn woning.
Hij heeft hier in Jeruzalem Zijn troon, waar vandaag Hij over hemel en aarde regeert.
Daar in de tempel is er een stukje hemel op aarde, omdat de Heere er is.
Te heilig voor gewone mensen, zelfs te heilig voor de priesters.
Eén keer per jaar mocht de hogepriester bij God kom in het allerheiligste wat er was
Het heilige der heiligen,
om te vragen of de Heere de zonden van het volk wilde vergeven.

Daar mag je dan bij horen, want: Ik tel je erbij, zegt de Heere dan. Ik reken je mee.
Ook jij, ook u, ook de kinderen die gedoopt zijn,
zij behoren ook tot de mensen die in Sion geboren zijn.

Kersverse vader weten: het kind dat net geboren is,
moet binnen enkele dagen ingeschreven worden in de burgerlijke stand.
Psalm 87 geeft aan, dat de Heere ons inschrijft.
Hij maakt het officieel, zodat er niets meer aan veranderd kan worden.
Je hoort ook bij mij – ik reken je bij Israël.
Israël is Mijn volk, Ik ben de God van Israël,
De woorden van God, die zorgen ervoor dat je erbij hoort.
Niet de doop – de doop is alleen het bewijs, het officiële papier dat het ook echt zo is.
Je hoeft er niet meer aan te twijfelen, je mag er niet meer aan twijfelen.
‘Waar kom je vandaan?’ vragen mensen nogal eens.
Wanneer je gedoopt bent, mag je zeggen: Ik ben van Sion, van de Heere.
Ik bedoel daarmee niet, dat je je op de borst moet kloppen
en je ook beter moet vinden dan anderen die niet gedoopt zijn.
Nee, daar gaat het niet om.
Dat je mag zeggen: ‘Ik ben er geboren!’ dat is iets wat je met verwondering mag zeggen,
met tranen van geluk in de ogen: het geldt ook voor mij!
Ook ik, stel je voor: ook ik, mag erbij horen, bij al die mensen die bij de Heere horen!

Dan geldt ook de rest van de Psalm.
In de psalm wordt er gesproken over de poorten van Sion.
Om Jeruzalem heen muren en die muren die zorgen voor de veiligheid
van degenen die in de stad wonen.
Als je tot Sion gerekend wordt, mag je je ook veilig weten bij de Heere.
Zoals we gezongen hebben: Ik ben veilig in Jezus’ armen.
Dat geldt voor de je kind, dat geldt voor jezelf, dat geldt voor allen die bij je horen.
Achter de poorten en de muren ben je veilig tegen het kwaad dat komt.
Daarom al is het mooi om erbij te mogen horen,
maar het gaat om meer: daarbinnen,
als je de poort bent binnen gegaan, ben je bij de Heere.
Is er een ontmoeting mogelijk met Hem.
Een veilige muur om je heen, waar je thuis bent ook bij de Heere.
Je hoort erbij. Je kind hoort erbij.
Maar dat is wel heel stellig.
Is daar niet meer voor nodig?
Want zo hoor je er wel heel makkelijk bij
en ben je zo verzekerd van een plekje in de hemel.
Zo gemakkelijk gaat dat toch niet?
Moet er niet voor gestreden worden?
Kunnen we dat van onszelf wel zeggen,
dat wij ons tot Sion mogen rekenen, tot degenen die bij de Heere horen?
Laat de doop ook niet iets anders zien?
Het doopformulier begint er ook mee, dat de doop allereerst laat zien
dat we buiten Sion geboren zijn: want dat betekent in zonde ontvangen en geboren.
en dat ons begin eigenlijk is: wij mogen onszelf er niet bij rekenen.
We staan erbuiten.
en toch, we worden er buiten gerekend.
Ondanks dat we er buiten geboren zijn, rekent God zelf erbij.
Psalm 87 laat al zien dat Gods liefde over heel de wereld gaat
en niet beperkt blijft tot Jeruzalem en Israël.
Hoewel Israël en Jeruzalem een speciale plek blijven houden,
toch worden alle andere volkeren er bij gerekend.
Egypte in het westen,
Babel in het oosten
Ethiopië in het zuiden
en Libanon in het noorden.
Volken en landen die ook wel tegen Israël streden
en toch erbij mogen horen, vanwege Gods liefde.
Het Oude Testament laat al zien,
dat ook de andere volken over heel de wereld opgenomen zijn in Gods liefde,
door Gods genade erbij gerekend worden.

Wij werden geboren buiten die stad.
De poort van de stad ging open,
omdat Jezus kwam. Omdat Hij stierf. Aan het kruis. Buiten de stad.
Omdat Hij buiten de stad stierf op Golgotha, buiten deze poorten zei Hij
tegen de Vader: laat mij de plaats innemen
van allen die buiten de stad geboren zijn.
Laat mij hun zonde op mij nemen.
en hen zo bij u brengen, in de stad, achter de muren
waar ze veilig zijn en bij U mogen horen.

Te stellig? Zo stellig is de Heere! Zo stellig is het offer van Christus! Zo stellig gaat de poort open.
Voor u! Voor jou!
Maar dat vraagt wel geloof en dat is het moeilijkste.
We geloven het eerder voor ons kind: het beantwoorden van de doopvragen
wordt makkelijker gevonden dan het antwoord van de belijdenis.
We brengen eerder ons kind dan onszelf.
Ik reken je erbij, zegt de Heere.
Niet om je gemakzuchtig te maken, maar om je twijfel te overwinnen,
de onzekerheid weg te nemen,
zodat je dezelfde liefde kunt hebben
die Ik heb voor jou, voor u.

God zelf zal u bevestigen en schragen
en op de rol waar Hij de volken schrijft
u tellen als in Israël ingelijfd
en doen de naam van Sions kinderen dragen.

Amen

Gebed voor mijn dorp

Gebed voor mijn dorp

Heer, Schepper van hemel en aarde
U overziet het grote geheel
maar u ziet ook het kleine
en ieder mens afzonderlijk.

Ik bid u voor de plaats waar wij wonen
voor de mensen er wonen:
dat zij elke dag Uw trouwe zorg en Uw genade mogen ervaren,
Uw zegen over hun leven.
Voor degenen die eenzaam zijn bid ik,
maar ook voor degenen die een volop gemeenschap ervaren,
voor hen die het moeilijk hebben
en voor hen die het goed hebben.

Werk in mij
dat ik ook voor hen tot zegen mogen zijn.
Bewaar mij voor een te snel oordeel over anderen,
alsof ik wel weten wie zij zijn en hoe het met hen gaat.
Schenk mij wijsheid, mildheid en bedachtzaamheid
in het spreken met anderen, over anderen.
En open mijn hart voor wie zij werkelijk zijn.
Open mijn ogen voor wat U doet in hun leven
en leer mij te luisteren naar U en naar hen.

Om Christus’ wil.
Amen

Gods gerechtigheid: de weg van God om te verlossen

Gods gerechtigheid: de weg van God om te verlossen
Georg Plasger over de Heidelberger Catechismus – deel 5

Door de zonde is de relatie met de Heere gebroken. Daardoor is de mens van God losgeraakt en vervreemd geraakt van God.
Gelukkig kan de Heidelberger Catechismus ook – in navolging van de Schrift – uitleggen hoe de relatie, die verbroken is, weer kan worden hersteld. De Catechismus wijst daarbij op het sterven van de Heere Jezus aan het kruis. Door Zijn sterven kan de zonde vergeven worden.

Moeite
Deze boodschap is een geweldige boodschap voor degenen die gelovigen. Toch roept deze boodschap ook een aantal serieuze vragen op. En die vragen raken ook de manier waarop de Catechismus spreekt over het sterven van de Heere Jezus.
In deze tijd is er steeds meer moeite met de betekenis van dat sterven zoals de Catechismus daaraan geeft. Moeite met de gedachte dat de Heere Jezus in onze plaats moest sterven. Kan iemand wel mijn schuld wegdragen? En vooral: past toorn wel bij Gods barmhartigheid en liefde? Past het wel bij God dat Hij de straf laat dragen door de onschuldige Jezus?

Rechtvaardigheid
De Catechismus kent deze vragen ook en wil ze ook beantwoorden. Is God dan niet barmhartig? Dat is vraag 11. Het antwoord: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Daarmee bedoelt de Catechismus niet dat God twee kanten heeft: een liefdevolle, barmhartige kant en een strenge, rechtvaardige kant. Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid horen bij elkaar. Ze kunnen niet van elkaar losgemaakt worden. Hoe zit het met Gods rechtvaardigheid?

Vrouwe Justitia
Bij rechtbanken is vaak het beeld te vinden van vrouwe Justitia: een geblinddoekte vrouw met een weegschaal. De weegschaal moet in evenwicht zijn. Er moet een balans zijn. Maar is dat wel een goed beeld voor wat er moet gebeuren tussen God en mens? Want dan zou betekenen dat beide partijen iets in de weegschaal leggen: God iets en wij ook. Als er gesproken wordt over Gods gerechtigheid moeten we daarom niet denken een oplossen van een conflict waarin beide partijen iets toeleggen.

Verbondstrouw
Het woord rechtvaardigheid (of ook wel gerechtigheid) komt niet uit de wereld van de rechtspraak. Het woord komt uit het Oude Testament en kan worden vertaald met: gemeenschapstrouw of verbondstrouw. Als er gezegd wordt dat God rechtvaardig is, wordt daarmee bedoeld dat de Heere trouw is aan Zijn verbond. Dat verbond is verbroken toen de mensen de relatie met de Heere verbraken. Door Zijn gerechtigheid (trouw aan Zijn verbond) wil de Heere die verbroken relatie herstellen. Met als doel: het verbond met Hem te herstellen.

Ernst van de zonde
Zijn gerechtigheid is echter geen barmhartigheid die alles maar goed vindt en al het verkeerde door de vingers ziet. Daarvoor is de zonde als verzet tegen God te ernstig. Dat de zonde zeer ernstig is, klinkt door in zondag 3 en 4 (vraag en antwoord 6 tot en met 11). Daarom kan Zijn rechtvaardigheid niet de zonde zomaar laten passeren. Want daarmee zou de relatie verbroken blijven. De Catechismus laat dan ook zien, dat de Heere er alles aan doet om de zonde en de ernstige gevolgen van de zonde te overwinnen. De Heere doet dat door ons Zijn gerechtigheid te schenken. Dat de relatie, het verbond hersteld wordt, is een gift van de Heere.

Straf
Hoe zit dat dan met de straf? De Catechismus spreekt toch over toorn over de zonde en de straf op de zonde? Zie antwoord 10: de Heere straft door een rechtvaardig oordeel nu en eeuwig. De straf op de zonde is dat de mens van God is losgeraakt. De eeuwige straf is dat de mens voor eeuwig van God los is, een bestaan zonder relatie met de Heere. Dat mag voor mensen die geen relatie hebben met de Heere niet iets ingrijpends te zijn. Voor de gelovige is dat het verschrikkelijkste wat er denkbaar is: een verbroken relatie die nooit meer hersteld kan worden.

Toorn
Van belang is het om te zien hoe de toorn en de straf van God werkt. Bij toorn gaat het er niet om dat God iets kwijt moet. Het gaat er niet om dat Zijn toorn of woede gestild wordt en dat Hij Zijn woede en toorn kwijtraakt door dat op Jezus te verhalen. Nee, God moet niet veranderd worden. Wij mensen, wij zondaars moeten veranderen. Aan onze kant moet het gebeuren: wij moeten weer met God verbonden worden.

Middelaar
Alleen kunnen wij dat niet zelf. Er is iemand nodig die de verbinding herstelt. Er is – om met een ouder woord te spreken – een middelaar nodig: iemand die de zondaar terugbrengt en weer in relatie brengt tot de Heere. Die middelaar is Jezus Christus: echt en helemaal God en echt en helemaal mens.
Dat kan ook niet anders. Geen enkel schepsel is in staat om de last van Gods eeuwige toorn tegen de zonde te dragen en anderen daarvan te verlossen (antwoord 14). Geen enkel schepsel is in staat om de verbroken relatie te herstellen. Geen enkel schepsel is in staat om ervoor te zorgen dat de zondige mens weer opgenomen wordt in het verbond.

Verbondenheid
Dat kan alleen God Zelf en dat doet Hij gelukkig ook en daarin ligt onze redding. De Heere verbindt zondaars aan Zich door mens te worden en onze straf weg te dragen. God schenkt ons een relatie met Hem door Zelf in de verlorenheid af te dalen. Er vindt een ruil plaats: Christus nam aan het kruis onze plaats in, waar we zonder God waren en waar we verloren waren. Om daarmee te schenken wat Hij heeft: intense verbondenheid met de Heere.

In Gods barmhartigheid en in Gods rechtvaardigheid gaat het beide om het herstel, om terugbrengen: herstel van een verbroken relatie en het terugbrengen van ons in Gods gemeenschap.

N.a.v. Georg Plasger – ‘Gerechtigkeit – oder: Gottes Weg der Erlösung’, in: Idem, Glauben heute mit dem Heidelberger Katechismus (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012) 70-84

Preek zondag 15 juni 2014 – morgendienst

Preek zondag 15 juni 2014 – morgendienst
Handelingen 3:1-11.

Intro voor de kinderen:
Stel je voor dat er bij de ingang van de kerk een man zit. De man kan niet lopen. Hij is daar neergezet door familie of vrienden om geld te vragen aan de mensen die naar de kerk gaan. Als je de kerk naar binnen wilt, moet je langs die man. Die man zit niet alleen vandaag. Hij zat er vorige week ook en de week daarvoor. En volgende week zal hij er zitten en de week erop. Als hij er niet zit, is er iets met hem aan de hand.
Wat doe je?
(a) Je vraagt aan je ouders: ‘Pap, mam, kunnen we niet de andere ingang van de kerk nemen, zodat we deze man niet hoeven te zien?’
(b) Je zegt tegen je ouders als je nog thuis bent: ‘Pap, mam, we moeten extra geld meenemen voor de man die bij de deur van de kerk zit.’
(c) Je loopt naar de man toe om hem even gedag te zeggen of een praatje met hem te maken.
(d) Je loopt langs hem zonder hem aan te kijken.
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De man die bij de tempelpoort zit,
heeft in al die jaren de mensen leren kennen
aan de manier waarop zij geld geven.
Er zijn mensen die op hem aflopen, even de tijd nemen, een praatje maken,
hem elke keer groeten als zij weer op weg gaan naar de tempel om te bidden.
Geregeld stoppen zij hem wat toe.
Er zijn ook mensen die hem wel wat geven,
maar dat uit tegenzin doen.
Hij kan aan hun gezicht zien dat ze hem liever niet waren tegengekomen,
maar nu ze hem zo vlak voor de tempelpoort hebben zien zitten,
moeten ze wel wat geven.
Misschien wel om een schuldgevoel af te kopen.

Het doet pijn als er mensen zijn die naar de tempel toegaan of uit de tempel komen,
maar die aan de andere kant van de weg gaan lopen zodra ze hem zien,
met een boog om hem heen lopen en gauw de andere kant opkijken,
zodat ze hem niet hoeven te zien.
Dat ze hem niets geven, dat is het probleem niet, maar dat ze hun hoofd omdraaien
en dat ze net doen of hij niet bestaat, dat doet pijn.

Maar de ergsten zijn degenen die hem verontwaardigd aankijken
of het tegen hem zeggen: ‘Wat doe je hier? Je hoort hier niet te zitten!’
Ze vinden het niet alleen vervelend dat ze in hun vrome gedachten gestoord worden
(ze gaan immers naar de tempel om God te ontmoeten en tot Hem te bidden),
maar ze zijn ook bang dat deze man
de tempel verontreinigd en door zijn bedelen en door zijn handicap de tempel onrein maakt.
Wat doet zo’n man bij de tempel?
Hij mag de tempel niet binnenkomen, want hij is verlamd.
Het zou goed zijn als hij bij de tempel zou worden weggestuurd.

Ja, hij mag niet in de tempel komen, want hij is verlamd.
Al vanaf zijn geboorte.
Nooit heeft hij zelf kunnen lopen.
Al heel zijn leven moet hij worden getild:
als hij naar bed wil gaan of eruit wil komen, als hij naar de wc wil,
als hij naar buiten wil, als hij ergens naar toe moet.
Ook vandaag hebben ze hem gesjouwd.
Ze zeiden tegen hem: we zetten je vandaag in de middag neer bij de tempel,
als de mensen naar de tempel gaan om het middaggebed te bidden.
Door zijn handicap mag hij de tempel niet binnengaan.
Voor de poort, buiten de tempel, moet hij wachten.
Voor hem is er geen ontmoeting met de Heere , want daarom gaan de mensen naar de tempel:
om de Heere te ontmoeten, om Zijn goedheid te ontvangen.
Dat is er voor hem niet bij.
Hij valt er buiten.

Zo dichtbij de tempel en zo ver verwijderd van God.
Op de grens, voor de poort, maar niet bij God kunnen komen.
Want u komt de belofte toe en uw kinderen en allen die veraf zijn.
Deze man die bedelt bij de poort van de tempel is iemand die veraf is,
hoe dichtbij hij ook is in Jeruzalem en hoe dichtbij hij ook bij de tempel is.
En toch hoort hij er niet bij door hoe hij is.
Het doet pijn om ver bij God vandaan te zijn,
maar het zal nog meer pijn doen als je dicht bij God bent,
maar dat je niet bij Hem kunt komen door hoe je bent.
Zo vlakbij en dan zo’n grote kloof.
De man heeft de geur van het offer geroken, de rook omhoog zien stijgen,
het zingen in de tempel gehoord, de mensen die opgingen en uit de tempel naar buiten kwamen.
Maar voor hem was het niet.
Allen die veraf zijn.
Lukas gebruikt in zijn evangelie nog een ander woord: verloren.
Verloren schaap, verloren penning.
Verlorenen zijn bij Lukas degenen die naar God toe zouden willen gaan,
naar Hem verlangen, maar niet meer bij Hem kunnen komen door hoe ze zijn.

Maar Lukas laat nog iets zien:
Dat God juist deze verlorenen op het oog heeft.
en dat Jezus voor deze verlorenen gekomen is
om hen bij Zijn Vader terug te brengen.
De mensenzoon is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden.

Als God de verlorenen op het oog heeft, moeten wij ze ook op het oog hebben.
Wie door God geraakt is, hoort zijn hart open te stellen
voor degenen die er niet bij horen.
Daarom net voor die tempelpoort de man die de tempel niet binnen kan gaan
om Gods aangezicht te zoeken, om de Heere te danken.
Hoe zullen de mensen, die naar de tempel gaan om God te zoeken en te bidden,
hoe zullen zij omgaan met die man die daar niet bij kan komen?
Zullen ze geraakt zijn als ze hem zien, omdat ze zelf geraakt zijn door de goedheid van God?
OF zullen ze hem negeren of afwijzen, zullen ze het hem laten voelen of laten horen:
‘Jij hoort er niet bij! Wat doe je hier?’
De man voor de tempelpoort bedelt.
De Herziene Statenvertaling heeft dat met een mooi woord vertaald:
De man vraagt aan de voorbijgangers om liefdesgaven.
Een gift = gave. Om een gave uit het hart.
In het Grieks klinkt daarin door: geraakt in het hart, bewogen, ontferming,
een gift uit mededogen.
De man laat het aan de voorbijgangers merken:
ik ben van Gods goedheid buitengesloten, maar jullie niet.
Kunnen jullie mij niet laten delen in wat je van de Heere krijgt?
Kun je niet uitdelen van het goede dat je van God ontvangt?
En dan niet door een soort schuldgevoel af te kopen:
omdat je liever niet herinnerd wordt aan lichamen met een gebrek,
omdat je je dan opeens zo bewust wordt van je eigen lichaam / lijf.
Omdat je niet de geur wilt ruiken van iemand die zichzelf niet kan verzorgen en wassen,
maar afhankelijk is van het verschoond worden door anderen.
Kun je iets van Gods mededogen / ontferming aan mij doorgeven?
Het is een vraag naar ons hart?
Wat (wie) leeft er in ons hart en kunnen wij dat doorgeven?
Daar begint diaconie!

Geen wonder dat Lukas er oog voor heeft
dat Petrus en Johannes op weg naar de tempel deze man tegenkomen met deze vraag.
Zij gaan op weg om te bidden, om God te eren.
Wat doen zij? Zullen zij net als de priester en de leviet in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan om de man heen lopen?
Zullen ze hem een geldstuk geven, zodat ze niet meer aan hem hoeven te denken
en hun overige gedachten in de tempel kunnen wijden aan God?
Nee, laat Lukas ons zien, dat kan niet!
Als christen kun je je niet afzonderen van wat er in de wereld gebeurt.
Omgaan met God betekent niet dat je je hart afsluit voor wat er om je heen gebeurt.
Nee, juist het leven met God opent de ogen, opent het hart.
Je ziet de ander! Je kijkt niet meer weg.
Je draait je hoofd niet meer om door net te doen of je de ander niet gezien hebt.
Nee, geloven in Jezus de redder van de verlorenen, betekent juist
dat je je niet meer afsluit.
Geloven in de God van Israël betekent dat je ook zelf geraakt wordt door het onrecht
en het leed dat mensen aangedaan wordt.

Het begint met wat Petrus zegt tegen de man die daar bij de tempel moet bedelen.
‘Kijk mij aan!’
Wat gebeurt er als deze man Petrus aankijkt?
En wat leest Petrus in de ogen van de man die al zijn hele leven
niet kan voortbewegen, afhankelijk is, aan wie vaak voorbij gekeken is,
die alleen maar kan leven als anderen hem wat toestoppen?
Ziet Petrus aan zijn gezicht de verlorenheid? ‘Kijk mij aan!’
Wanneer mensen elkaar echt zien, vindt er contact plaats, een ontmoeting,
wordt de tijd voor elkaar genomen.
Ben je niet meer anoniem. Niet meer ‘die man’, niet meer ‘die zwerver’,
want dan word je weer iemand met een gezicht en vooral een levensverhaal.
Het valt mij op, dat dit ontmoeten vaak overgeslagen wordt
en dat mensen wel denken te weten wie een ander is
omdat ze genoeg zien.
‘Kijk mij aan!’ – woorden die aangeven aan de verlamde man: ‘Je hoort er ook bij,
bij het volk van God en Zijn verbond!’
‘Kijk mij aan!’ – verkondiging dus van Gods goedheid.
Ook degenen die veraf staan van God worden erbij geroepen.
In de houding van Petrus zien wij ook een les voor onze omgang met anderen:
zien wij anderen staan? Zien wij anderen zitten?
Kijken we niet aan hen voorbij omdat we daar eigenlijk niet tegen kunnen?
Zien ze aan ons dat God ook hen als Zijn kinderen wil aannemen?
Is onze houding voor hen een uitnodiging of zelfs een roepstem van God?
Wat bijvoorbeeld als iemand al jaren niet meer in de kerk komt?
Wat leest diegene in onze ogen: je bent er weer niet geweest?
Of: Weet je wel dat het ook voor jou is, Gods genade? Dat ook jij bij God mag horen?

Wanneer er echt een ontmoeting is, waarin ze elkaar aankijken, elkaar zien,
kan er gegeven worden.
Petrus geeft waar de man om vraagt, vanuit zijn hart,
vol bewogenheid, mededogen, ontferming.
Dus niet vanuit de hoogte, maar als vanuit het hart, omdat Petrus een hart vol heeft.
Niet vol zilver of goud. Daar is zijn hart niet vol van.
Niet van het materiële. Het is geen houding van: kijk eens hoe goed ik het heb
en daar mag ik jou nu van laten delen.
Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven.
Petrus’ hart is vol van de Heere Jezus.
Wat ik heb zal ik je geven.
Dat is het mooie van het geloof, van een hart vol met de Heere Jezus:
als je geeft, wordt je alleen maar gelukkiger en nog meer vol van Hem.
Je hart stroomt ervan over.
Wat Petrus de man geeft, is geen zilver, geen goud, zelfs meer dan genezing.
Petrus schenkt de man het mooiste wat er is:
Christus en daarmee ook een samenzijn met God.
Beste man, je verlorenheid is voorbij! Je bent weer gevonden door de Goede Herder.
Ook jij mag van zijn kudde een schaap zijn.
Leeft Christus in uw, jouw hart?
Ben jij vol van Hem? Gun je het ook dat anderen Hem kennen
en door Hem bij God mogen horen?
Wie is de Heere Jezus voor u, voor jou?

Gaat het niet om meer? Gaat het ook niet om het wonder dat Petrus geneest?
Zijn wij er niet verlegen mee en praten wij daar niet te snel overheen?
In de trant van: dat was iets van de allereerste christenen, dat gebeurt nu niet meer?
Petrus geneest de man wel!
De man mag door wat Petrus doet, genezen zijn van zijn verlamming.
Hij kan opstaan, dansen en springen, zijn benen voelen, zelf voortbewegen!
Doet Petrus dat dan?
In de naam van Jezus – dat betekent niet: ik doe het in kracht van Jezus.
Ook niet: ik heb Zijn kracht nu in mij.
In de naam van Jezus betekent: Hij is er nu zelf aanwezig en Hij doet het! Hij geneest!
Ik begrijp het verlangen als christenen zeggen: God geneest nu nog steeds!
Want voor die christenen laat God dan Zijn macht zien en moeten ongelovigen wel inzien
dat God bestaat en dat Hij machtig is en dat Hij gediend moet worden.
De Heere geneest gelukkig nog steeds.
Ook als er voor gebeden wordt.
Maar waar het hier om gaat, is dat de genezing in dienst staat van iets anders.
De genezing laat niet de macht zien van God,
maar Zijn goedheid.
Niet Zijn macht die alle kwade krachten, zoals de ziekte, verslaat.
Maar die ons diepste leed, namelijk de verlorenheid opheft, over de kloof een brug legt.
Deze man was verloren, maar werd gered doordat Petrus op hem afstapte
en Petrus vol bewogenheid deelde van wat er leeft in zijn hart: Jezus.
Wanneer er een wonder plaats vindt, is het naar mijn idee niet
om aan anderen te laten zien hoe groots en indrukwekkend God is,
maar laat dat zien dat degene die het wonder ervaart van God een teken krijgt:
Ook jij mag bij mij horen! Ook voor jou is de kloof overbrugd.
De afstand is overwonnen.
Een wonder is een teken dat God er is, dat Hij naar degene toekomt
die het wonder ervaart.
Lukas laat dat zien in de manier waarop hij over de genezing vertelt:
Met een sprong stond hij overeind.
Van die sprong wordt gezegd: dat is eigenlijk overbodig.
Maar voor Lukas niet, want juist dat woord verwijst naar een Bijbelgedeelte:
Jesaja 35 – de terugkeer van God naar Zijn volk:
* de woestijn zal bloeien
* de verlamden zullen springen.
Deze genezing is een teken, dat Christus er is
en zegt: Jullie zijn weer Mijn volk en Ik ben jullie God.

‘Kijk mij aan!’ zegt Petrus.
In naam van Christus mag Petrus de man genezen en zo terugbrengen bij de Heere.
Ik kan niet genezen, maar ik kan, mag, moet uitstralen
dat er van God een uitnodiging komt, een roeping: voor degenen die ver bij God vandaan zijn.
Al wonen ze wellicht dicht bij mij. Het is ook voor jou! Amen

Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven

Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven
Handelingen 3:1-11

Petrus en Johannes gaan naar de tempel om te bidden (op het 9e uur). Als ze bij de tempel aankomen, komen ze een van ‘de zovelen die veraf zijn’ (Hand. 2:39) tegen: een verlamde man, die door zijn verlamming niet in de tempel mag komen en buiten de gemeenschap van God valt. Hij kan alleen voor de poort wachten. Hij kan niet delen in de goedheid van God en is daarom afhankelijk van de goedheid van Zijn volk.

Hij wacht daar op liefdesgaven– zoals de HSV mooi vertaalt. Ook van Petrus en Johannes hoopt hij een gave recht uit het hart te krijgen, een gave waarin bewogenheid en ontferming doorklinkt. Dat roept gelijk de vraag op: hoe geven wij onze gaven / giften? De ene keer oprecht recht uit het hart, de andere keer vanuit een schuldgevoel omdat wij er goed aan toe zijn en ons ongemak willen ‘afkopen’.

Petrus zegt: ‘Kijk mij aan!’ Voor Petrus is het geen anonieme bedelaar, maar iemand die teruggeroepen moet worden in de gemeenschap van God (Hand. 2:39: erbij geroepen). Kijk mij aan! Het herstel van een relatie, een opname in een gemeenschap. Wonderen vinden plaats in relatie tussen mensen en bedoeld als opname in de gemeenschap.
Dat is ook het verschil met hedendaagse gebedsgenezers: bij hen gaat het om het tonen van de macht van Jezus. Lukas laat zien hoe Jezus zijn macht gebruikt om de verlorenen te redden, om degenen die veraf zijn terug te brengen. De Mensenzoon is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden.

Kijk mij aan! De man is geen verschoppeling meer, geen verworpene. Hij mag door Petrus Gods goedheid weer ontvangen. Opgenomen in Gods gemeenschap.
In het hart van Petrus leeft Jezus. En Petrus geeft Jezus door – een gave uit het hart, vol mededogen en ontferming. Door die ontferming kan de man weer staan en lopen. Hij springt – om te laten zien dat Jesaja 35:5-6 in vervulling is gegaan: de verlamden zullen springen.