Preek zondagmiddag 15 februari 2015

Preek zondagmiddag 15 februari 2015
Markus 6:1-13

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Voor mij gaat de uitspraak die de Heere Jezus doet niet op,
de uitspraak dat een profeet niet geëerd wordt in zijn vaderland.
Elk jaar wordt ik gevraagd om voor te gaan in kerkdiensten in Veenendaal.
Ook in Oldebroek worden predikanten die hier geboren zijn gevraagd om een dienst te leiden.
Daar kan naar worden uitgekeken:
iemand die hier is opgegroeid of heeft gewoond,
die de gemeenschap hier kent
en vanuit hier voor predikant heeft gestudeerd.
Dat geeft toch een bepaalde band
en ook een dankbaarheid in de gemeente:
iemand die vanuit hier zich geroepen voelt om het evangelie te brengen.
Dat kan er voor zorgen, dat je als luisteraar in de kerk die predikant ook beter kan volgen
omdat je hem als persoon kent
en welke weg hij is gegaan.
Iemand die van hier komt, is vertrouwd en het is ook ontroerend om diegene te horen preken.

Wat de Heere Jezus doormaakt, is daarom bijzonder en onverwacht.
Je zou verwachten dat de mensen in Nazareth blij zijn
dat de Heere Jezus naar hen toekomt
en dat ze vol verwachting zijn over wat Hij zal zeggen, over wat Hij zal doen,
dat ze hebben uitgezien naar Zijn komst:
Eindelijk nu komt Jezus naar ons toe!
We kunnen ons nog goed herinneren hoe Hij was.
Het zal bijzonder zijn als Hij bij ons Zijn verhaal komt houden en Zijn wonderen zal verrichten.
Het is voor te stellen dat het in de synagoge drukker is dan anders,
misschien wel afgeladen vol, omdat iedereen vol spanning uitkijkt naar het optreden van Jezus.
Tijdens de dienst in de synagoge gaat het mis.
En dan geen gedraai van iemand die het saai begint te vinden
en nu wel weet wat de boodschap van Jezus weet
en bij zichzelf denk: lieve jongen, die Jezus, ik heb zijn ouders gekend
en het is bijzonder dat hij dit doet, ik zou het hem niet nadoen,
maar als je het mij vraagt moet hij nog veel leren.
Nee, het is geschuifel van mensen, die ongerust beginnen te worden
over de woorden de gesproken worden,
met stijgende verbazing luisteren en denken: ‘Dit kun je niet maken, Jezus.’
En als Jezus doorgaat, willen opstaan, tegen Hem willen roepen:
‘Jezus, hou op, dit gaat te ver! Vergeet niet wie je bent! Hoe kun je dat nu zeggen.’
Er komt een spanning in de synagoge van mensen die willen opstaan,
die willen gaan rennen, of naar buiten,
of naar de kansel waarachter Jezus  staat om Hem tot zwijgen te brengen
omdat ze niet kunnen aanhoren wat Hij zegt.
Als ze de dienst al helemaal uitzitten, lopen vol frustratie en irritatie uit de synagoge weg.
En wat Jezus op het laatst zegt,
maakt hun stemming er niet beter op:
‘Een profeet wordt overal geëerd, behalve in zijn eigen vaderland, onder zijn familie en bekenden.’
Dan ligt het ook nog eens aan hen.
Wat zijn ze afgeknapt op die Jezus. Zijn ze hiervoor gekomen?
De sfeer is omgeslagen,
er is weerzin tegen Jezus.
En het heeft ook effect op wat Jezus doet
en dat is nog schokkender dan het ongeloof van de mensen uit Nazareth
dat de sfeer van ongeloof,
de weerzin tegen de boodschap van Jezus en tegen Jezus zelf
Jezus machteloos lijkt te maken.
Markus vertelt het – en het roept de vraag op:
is het ongeloof sterker dan Jezus?
Kan het ongeloof, kan de weerzin tegen Jezus Hem machteloos maken,
zodat Hij niet veel kan doen?

Een sfeer van weerzin tegen Jezus, zeg niet te snel
dat het vandaag niet meer kan en dat het alleen maar in Nazareth gebeurde.
Ook bij ons kan het zo zijn, dat we Jezus al te goed kennen
en dat als het over Jezus gaat
je eigenlijk al niet meer luistert en er een weerzin in je voelt,
Een stem van verzet: nee, he, niet weer Jezus.
Ik merk dat op catechisatie,
dat als er uit de Bijbel gelezen wordt er gezucht wordt: moet dat echt?
En dat zal heus niet van vandaag zijn,
maar ook in de tijd toen u, jij catechisatie volgde.
U kunt dat nu wel hebben, dat als u al aan de Bijbel denkt
u geen behoefte heeft om de Bijbel te pakken om er voor uzelf in te lezen,
maar eerder naar iets anders grijpt,
De computer aanzet, de iPhone pakt, naar de krant grijpt,
of misschien iets stichtelijkers: de EO-visie
Maar dat we met de Bijbel zelf zo weinig doen.
Wel op internet een filmpje, graag een getuigenis horen of lezen,
maar dat als er in de Bijbel gelezen zou moeten worden,
eerst de berg aan weerzin opgeruimd moet worden.
Terwijl dat de stem van Jezus zelf is, die ons wil aanspreken.
We kunnen wel naar anderen kijken, die op het oog minder met geloof bezig zijn dan wij,
maar kan het in ons eigen leven ook zo zijn,
dat Jezus machteloos is,
omdat er in ons leven zo’n sfeer van weerzin is,
om met Hem bezig te zijn en ons leven aan Hem te verliezen?
Soms kan een hele kerk opgetuigd worden
met een voltallige kerkenraad, goedlopende Bijbelkringen, drukbezochte ouderenmiddagen
en toch een leegte in het midden, een wegblijven van de zegen,
omdat er niet echt naar Jezus geluisterd wordt,
maar dat we druk zijn met ons eigen gevoel, onze eigen verlangens en verwachtingen
en Jezus maar roepen en roepen.

Zou voor onze omgeving ook gelden dat het stof van de voeten geveegd moet worden?
De Heere Jezus geeft dat mee als opdracht aan de discipelen als Hij hen uitzendt.
Joden deden dat als ze terugkwamen uit heidens land,
dat ze stof van de voeten moesten afvegen.
Want met dat heidense stof aan de voeten kunnen ze God niet onder ogen komen.
Waar ze waren geweest, in dat heidense land, konden ze God niet naar behoren dienen
omdat er zo weinig mensen waren die zich met Hem bezig hielden.
Zou dat ook voor onze omgeving gelden?
Want zouden wij beter zijn dan de Joodse dorpen waar de discipelen kwamen?
We doen dat liever bij anderen, dat we de stof van de voeten afvegen
door te zeggen: Hier wordt God niet gediend, hier in dit huis, in dit gezin is Hij niet.
Zou het ook over ons gezegd kunnen worden?
En met ons, daarbij bedoel ik dat ik mijzelf insluit,
Want niets is gevaarlijker dan dat ik net doe alsof mijn geestelijk leven meer op orde is
en mijn bereidheid om naar Jezus te luisteren intenser is dan de uwe.
Voor mijzelf is dit een gedeelte dat mij net zo goed de spiegel voor houdt
en aan mij vraagt of ik Jezus echt wel toelaat in mijn leven.
Is Jezus machteloos bij ons?

Je zou het denken
en je zou denken dat als je dit leest,
dit een gedeelte is zonder evangelie, zonder blijde boodschap
en dat je na dit gedeelte alleen maar pessimistisch kunt zijn
over de bereidheid van jezelf en anderen om Jezus naar behoren te ontvangen.
Maar het evangelie is er wel degelijk:
Niet alleen in de naam van Jezus – dat is op zichzelf al evangelie.
En al kan Jezus geen wonderen doen die heenwijzen
naar het koninkrijk van God dat in Hem gekomen is,
Hij is er wel in Nazareth.
Hij gaat Nazareth niet uit de weg. Hij gaat het ongeloof niet uit de weg.
Al lijkt het ongeloof zo sterk dat de macht van Jezus belemmerd wordt
En dat Hij weinig kan doen, het ongeloof kan Hem niet tegenhouden
om te komen in Nazareth.
Jezus houdt het ongeloof van zijn broers en zussen, van zijn dorpsgenoten uit.
Als Jezus voor ons ergens tot een voorbeeld is,
Dan is dat wel hier.
Om niet te snel het stof van onze voeten te vegen
en een oordeel over het leven van anderen te geven
door te zeggen: Hier is Jezus niet, hier kan Hij niet zien en daarom kan ik hier niet blijven.
Nee, Jezus gaat het ongeloof niet uit de weg.
Voor het oog lijkt het uithouden van het ongeloof en de weerzin van anderen tegen Jezus
geen daad van macht, die het koninkrijk van God dichterbij brengt.
Maar dat zijn menselijke maatstaven,
want het Koninkrijk van God breekt niet door in opzienbarende daden,
maar juist in het opzoeken van het ongeloof, in het uithouden van het ongeloof,
in het dragen van het oordeel over het ongeloof,
zoals dat door Jezus gebeurde aan het kruis.
Daar, in het uithouden in Nazareth en in het dragen van het oordeel aan het kruis,
ook van het oordeel over het ongeloof van Nazareth.

Er zit genoeg evangelie in.
Maar dat is nog niet alles.
Het evangelie zit in dit gebeuren in wat Jezus niet doet.
In de stilte van Jezus’ kant,
die volgt na Zijn harde uitspraak en na zijn verbijstering over het ongeloof in Nazareth.
Jezus doet iets niet, terwijl we dat wel zouden verwachten
als we het gedeelte erna zouden lezen.
Jezus schudt het stof niet van de voeten.
Hij verklaart Zijn geboortegrond niet tot heidens gebied, van God los,
ook al hebben ze Hem verlaten.
Er is verbijstering, maar er is ook stilte.
Een adembenemende stilte, omdat Jezus zich inhoudt
En als Jezus tot actie overgaat
is dat geen scherpe preek waarin alle frustratie naar boven komt
en het oordeel aangekondigd wordt.
Wat Jezus doet, misschien wel als antwoord op het ongeloof in Nazareth,
Markus vertelt het in ieder geval in een adem door,
is dat Jezus zijn discipelen bij zich roept met een opdracht
met een volmacht om onreine geesten uit te drijven,
om zo de bron van het ongeloof te bestrijden:
want de onreine geesten zijn machten die kapot maken
en die een ander niet wil toestaan in God te geloven.
Dat is de manier waarop Jezus het ongeloof bestrijdt,
niet een aanval op de symptomen, zoals de weerzin,
maar het bestrijden aan de bron: de onreine geesten.
Ook als de discipelen terugkomen is er trouwens de stilte,
De heilzame stilte die er ook was na de verbijstering van Jezus.
Ja, Markus vertelt wel dat de discipelen gehoor vinden,
maar hij meldt niet in hoeveel steden en dorpen de discipelen
het stof van hun voeten hebben geveegd.
Dat is niet de moeite van het melden waard,
Misschien was het niet eens nodig geweest.

Het evangelie zit in wat niet wordt gezegd en wat niet gebeurt.
Daarom moeten wij ook voorzichtig zijn met die tekst
en moeten wij niet te snel de stof van onze voeten afvegen
en degenen die niet kunnen geloven of niet meer geloven niet te snel afschrijven
maar hun ongeloof uithouden en er misschien wel in delen
omdat ook ons eigen geloof niet altijd even sterk is
en vaak geplaagd wordt door aanvechtingen.

Het gebaar van stof afvegen is een confronterend en onthullend gebaar
om het ongeloof van de anderen, misschien ook wel van onszelf te ontmaskeren,
maar zolang wij leven is het ook een gebaar van Gods lankmoedigheid, geduld
en van Zijn genade.
Zo lang er leven is, is er mogelijkheid tot bekering.
Daarom het uitzenden van de discipelen en het gebaar van afvegen van het stof
om degenen die niet geloven, die niet bereid zijn de discipelen op te nemen
alsnog tot inkeer te brengen.
Zolang het laatste en definitieve oordeel nog niet komen is
bevat elk oordeel van God hier op aarde ook nog genade,
omdat het wil leiden tot bekering.
Al lijkt Jezus machteloos door het ongeloof van Nazareth, van ons
Zijn werk gaat toch door, nu door middel van Zijn getuigen, Zijn leerlingen
die de volmacht hebben gekregen om in Zijn naam uit te gaan
de boze geesten uit te drijven en tot bekering op te roepen.
Gods werk is niet te keren, omdat Hij erover waakt.
Amen

Advertenties

Preek zondagmorgen 15 februari 2015

Preek zondagmorgen 15 februari 2015
Markus 5:21-43

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er zijn momenten waarop we ons heel bewust zijn van ons lichaam.
Ik heb dat in ieder geval als ik in het ziekenhuis of in het verzorgingstehuis kom
Als ik zie hoe iemand pijn in het lichaam heeft
of als ik hoor hoe iemand net de boodschap heeft gekregen
dat er niets meer aan te doen is en de tijd nog maar kort is,
Dan gaat het altijd door mij heen:
hoe kan ik hem of haar troosten?
Dan kan ik geen woorden vinden en het enige dat ik dan kan doen
is op dat moment de hand van de ander vastpakken
om zo te laten voelen dat je wilt delen in het verdriet
en de pijn wel zou willen meedragen.
Zo’n gebaar kan heel intiem zijn en een gevoel geven heel dicht bij de ander te zijn,
maar door een hand vast te pakken kun je ook te dichtbij komen,
jezelf opdringen aan iemand die heel kwetsbaar is
of zonder dat je het weet
herinneringen oproepen van die keren
dat het aangeraakt worden niet zo fijn was.
Een aanraking kan werelden overbruggen,
maar kan juist ook, onder de oppervlakte en zonder dat iemand het ziet,
een verwijdering geven, juist vanbinnen
om jezelf tegen de ander te beschermen.

Een gebaar, een aanraking – het luistert nauw en vraagt behoedzaamheid, zorgvuldigheid.
Ik kan soms wel schrikken, hoe met hoe weinig respect er soms omgegaan wordt
met het lichaam van een ander,
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is
dat je aan het lichaam van een ander mag zitten,
bijvoorbeeld tijdens uitgaan,
omdat als je tijdens het uitgaan je meedoen in dat zogenaamde spel
waarbij je toestaat dat je aangeraakt wordt.
Bij het uitgaan houden de regels niet op, dat je respect moet hebben voor de ander
en voor het lichaam van de ander.
Soms gebeurt het ook onbewust,
Zoals bij een vrouw die zwanger is.
Ook dan gebeurt het wel eens, dat de zwangere buik door anderen wordt aangeraakt
alsof zo’n buik een publiek bezit is.
Een aanraking luistert nauw,
het kan een afstand overbruggen en een intieme band geven,
maar ook een verwijdering, misschien onzichtbaar,
omdat degene die aangeraakt wordt de afstand van binnen probeert te bewaren tegen de ander.

Als het in onze cultuur een aanraking al nauw luistert,
dan nog meer in de tijd van de Heere Jezus,
waarbij er vaak strikte regels waren rondom wie er wel en wie niet aangeraakt mochten worden.
We zien dat in de verhalen van Jaïrus en zijn zieke dochter
en van de vrouw die al twaalf jaar lang aan bloedverlies leidt,
2 verhalen die de evangelist Markus aan elkaar verbindt,
omdat deze twee verhalen laten zien dat de aanraking van Jezus heelt en heiligt,
de aanraking van Jezus heelt, geneest en zorgt dat dat deze twee vrouwen
weer worden opgenomen in de gemeenschap.
Hier wordt het evangelie zichtbaar in de gebaren van de Heere Jezus, in zijn aanrakingen.

De Heere Jezus is op weg naar het huis van Jaïrus,
omdat Jaïrus hem erbij geroepen heeft:
Jezus moet bij zijn dochter de handen opleggen.
Zijn dochter is ernstig ziek, ligt voor de poorten van de dood,
de laatste minuten zijn ingegaan
en het enige wat deze wanhopige vader nog kan doen,
is redding zoeken bij iemand die zijn dochter in het leven kan behouden
en hij zoekt die redding bij een aanraking door Jezus:
Red mijn dochter door haar de handen op te leggen.
Red haar door uw aanraking, door uw hand!
Je zou verwachten dat met zo’n verzoek alles aan de kant wordt gezet:
Alle ruimte voor Jezus,
dat de mensen aan de kant gaan en Hij door niets en niemand gehinderd
naar het huis van Jaïrus kan snellen.
Maar er is oponthoud,
niet alleen de menigte die in de weg loopt,
maar een vrouw die Jezus aanraakt, een vrouw van wie wij wellicht zouden denken
dat die wel even had kunnen wachten
om genezen te worden, nadat het dochtertje van Jaïrus genezen zou zijn.
Want dat van dat dochtertje zou in onze ogen vele malen urgenter zijn
dan die oudere vrouw,
want Jaïrus’ dochtertje heeft nog een heel leven voor zich
en hoe ingrijpend de pijn van deze vrouw is,
het overlijden van een dochter is vele malen ingrijpender. Zouden wij denken.
In het Koninkrijk van God gaat het er echter anders aan toe,
Een andere prioriteit.
In de menigte is er een vrouw, die misschien wel onbedoeld
de aandacht op zichzelf vestigt,
een vrouw die als ze dit van tevoren had geweten
dat Jezus daardoor zoveel oponthoud zou hebben
en dat het meisje van 12 overleden zou zijn bij Jezus aankomst
er misschien ook niet aan begonnen was.
Het is een vrouw die zelf niet op de voorgrond wil treden
en in het heimelijke, verborgen, terwijl niemand het ziet Jezus wil aanraken
om zo bij Hem te vinden wat zij bij niemand anders kan vinden.
Het is een naamloze vrouw – later heeft ze de naam Bernice (Grieks) of Veronika (Latijn) gekregen.
Een vrouw die al 12 jaar lang aan bloedverlies leidt
en geen dokter die haar kan helpen.
De behandelingen die zij moet ondergaan en de medicijnen die zij moet gebruiken
helpen haar niet verder, maar ruïneren haar bestaan,
omdat ze al haar geld heeft uitgegeven om gezond te worden, zonder resultaat
en omdat haar lichaam steeds meer verzwakt.
Door haar kwaal, een menstruatie die nooit ophoud,
mag zij niet in contact met andere mensen komen,
is een relatie met een man onmogelijk, omdat zij afstand tot anderen moet bewaren
en mag zij ook de synagoge niet betreden.
Haar kwaal brengt haar in een isolement.

Voor ons vandaag de dag zijn die regels rondom het afstand bewaren niet meer zo vanzelfsprekend,
maar het kan ook vandaag nog voorkomen
dat iemand in het isolement raakt
door een kwaal waar iemand zich voor geneert en niet meer onder de mensen kan komen.
Dat kan een lichamelijke kwaal zijn
het kan soms ook een geestelijke kwetsuur zijn,
Waardoor iemand zichzelf het liefst afzondert,
aan de ene kant hunkert naar contact en aan de andere kant zich toch wil afsluiten.

Soms kan zo’n kwetsuur ook ontstaan zijn
omdat als kind er geen genegenheid was, geen liefde, geen arm om de schouder.
Ooit heb ik iemand wel eens horen vertellen
dat ze een hart had dat zou hard was als steen, ze kon geen liefde geven
en het ook niet kon hebben dat haar kinderen bij haar op schoot zaten.
Een aanraking luistert nauw,
het kan een afstand overbruggen en een intieme band geven, liefde doorgeven.

De vrouw die Jezus tegenkomt leeft al 12 jaar lang in een isolement,
een leven zonder aanraking, zonder tederheid.
Ze doet iets verrassends,
want wat ik hoor tijdens pastorale gespreken
is dat wanneer er een isolement is, bijvoorbeeld een wond die van binnen schrijnt
dat ook het gevoel is dat God op een afstand is
en dat als Hij Zijn liefde en aanwezigheid aanbiedt
iemand dat niet durft aan te nemen.
Daarom doet de vrouw, die al die 12 jaar geen baat heeft gehad bij dokters,
iets verrassends,
Ze klampt zich vast aan Jezus, wel met een heel subtiel gebaar,
alleen door Zijn mantel aan te raken.
Dat is voor haar genoeg.
Wat een geloof van deze vrouw,
Die steeds heeft meegemaakt dat het bij haar zoektocht,
niet alleen naar genezing maar ook naar een zoektocht naar een plek in de gemeenschap
het steeds zwaarder heeft gekregen.
Als ik alleen maar Zijn mantel aanraak,
dan ontvang ik iets dat ik bij anderen nooit heb kunnen krijgen.
Alleen Jezus kan mij, kan mijn kwetsuur genezen.

Zou de vrouw doorgehad hebben dat Jezus op weg was naar het dochtertje van Jaïrus?
Zou de vrouw getwijfeld hebben om Jezus aan te raken?
Zou ze niet gedacht hebben: het is veel belangrijker
dat dat meisje dat nog een heel leven voor zich heeft genezen wordt
dan dat ik mijn gezondheid terugkrijg en dat mijn isolement overwonnen wordt?
Markus geeft op deze vragen geen antwoord.
Hij laat alleen maar zien,
dat de aanraking van Jezus heelheid brengt,
genezing waarbij de vrouw niet alleen gezond wordt,
maar ook haar plek weer kan innemen en haar eenzaamheid voorbij is.
Ga in vrede, zegt Jezus tegen de vrouw.
Ga in de shalom van God, de shalom, de vrede waarbij het tussen God en mens
en tussen mensen onderling weer goed is.
Jezus’ aanraking geeft ook heiligheid.
Ze mag weer onder de mensen zijn, ze kan weer een relatie beginnen,
ze hoort er weer helemaal bij, bij God, bij de gemeente.
Jezus’ aanraking schenkt heelheid en heiligheid.
Ook als deze vrouw zich vastklampt aan Jezus, op een heel voorzichtige manier,
Hem amper durft vast te pakken, alleen bij Zijn mantel, dat is genoeg.
Ze kan haar leven weer oppakken.
Haar geloof in Jezus is niet beschaamd,
dat geloof heeft haar gegeven waar ze naar verlangde
– de genezing van haar kwaal, van de bron van haar kwaal.
De vrouw beseft met wie ze van doen heeft:
als de vrouw naar voren geroepen wordt, reageert ze met vrees en beven,
zoals in het OT gebeurde wanneer men God ontmoette.
Ze beseft, ze begrijpt wat er met haar is gebeurt.
Door Gods kracht aangeraakt.

Dat is wat haar verbindt met de dochter van Jaïrus:
de aanraking van Jezus die heelheid en heiligheid brengt.
Bij Jaïrus’ dochter is het niet alleen een gebaar van tederheid, van nabijkomen,
het is ook een gebaar waarbij de mensen met stomme verbazing,
met verbijstering hebben gekeken:
want een dode mocht je niet aanraken
en dan raakt Jezus haar aan – Zijn aanraken brengt haar terug in het dagelijks leven
en laat zien dat de kracht die Jezus heeft, zelfs sterker is dan de dood.
De beide verhalen, ze doen verlangen naar een aanraking van Jezus.
Zou Zijn kracht alleen van toen zijn geweest?
Of kunnen we ook nu nog door Jezus worden aangeraakt
en van Hem heelheid en heiligheid ontvangen,
zodat er ook voor ons een plek is in de gemeenschap van God,
een plek is onder de mensen die van Jezus zijn?
Geloof, dat is het geheim.
Geloof, dat was het geheim waardoor de vrouw zich ondanks alle vragen die er hadden kunnen zijn
zich vastklampte aan Jezus
en zo de reiniging en genezing van Jezus ontving.
Geloof, dat is wat Jezus van Jaïrus vroeg: blijf geloven, geef je moed en je vertrouwen niet op.
Blijf geloven – terwijl je net de boodschap hebt gehoord dat het te laat is.
Blijf geloven!
Zou Jezus dat ook niet van ons vragen, als wij verlangen naar die aanraking van Jezus?
die ons heelheid en heiligheid biedt?
Geloof is niet een kracht die wij zomaar paraat hebben, wat we zomaar even doen.
Later konden de discipelen bij een jongen de kwade geest niet verdrijven
omdat ze geen geloof hebben
en de vader van die jongen roept het Jezus toe: Ik geloof, maar kom mijn ongeloof te hulp.
Zo kunnen we hier zijn,
vol geloof, zoals Jaïrus het bij Jezus zocht, zoals de vrouw zich aan Jezus vastklampte,
misschien wel zoals die vader die het vroeg: Kom mijn ongeloof te hulp.

Voor ons zal het vaak niet zo zijn, zoals bij de vrouw dat de kwaal direct over is,
of zoals bij Jaïrus’ dochter, die opstond uit de dood.
Als Jezus ons aanraakt, kan het al voldoende zijn, dat Hij daarmee laat weten:
Ik ben erbij, ik deel in je pijn, in je worsteling, in wat je bezig houdt.
Hij kan je ook genezen en soms gebeurt dat gelukkig ook,
soms plotseling, soms na een lange weg.
Wij begrijpen de weg van Jezus niet, ook niet toen Hij op weg naar Jaïrus’ huis
halt hield voor die andere vrouw.
De vragen zijn niet weg, maar het zijn geen vragen zonder hoop,
omdat Jezus in de beide ontmoetingen, de beide contacten,
laat doorschemeren van wie Hij is.
Wat Hij deed, zijn niet zomaar wonderen,
maar daden van macht die onthullen wie Jezus is.
De handen die de dochter aanraakten en zo terugbrachten in het leven,
zullen later aan het kruis worden geslagen
en onder dat kruis zal de mantel waardoor de vrouw haar genezing ontving
worden verdobbeld onder de soldaten.
Zo schemert het kruis er reeds doorheen,
maar ook de opstanding.
Als de Opgestane is Hij in ons midden, nu
vorige week bij het avondmaal, straks thuis en morgen in het ziekenhuis.

Dat is wat mij houvast geeft, als ik aan dat bed in het ziekenhuis zit
en ik zie dat iemand zo veel pijn in het lichaam meedraagt
of die uitslag heeft gehad,
dat is wat mij hoop geeft, als ik in gesprek ben met iemand die een kwetsuur met zich meedraagt
die lijkt te gaan genezen:
dat Jezus die toen daar was, er ook nu is, de Opgestane, de levende.
Niet omdat mijn geloof zo groot is,
ik herken me in die vader van de jongen: Ik geloof, maar kom mijn ongeloof te hulp.
Maar doordat Jezus dat zelf zegt: Ik ben niet veranderd.
Ja, wel in de dood ingegaan, maar ik leef.
Ik ben heden en gisteren dezelfde, tot in eeuwigheid. Amen

* Psalm 105:1, 5 OB
Stil gebed. Gebed
* Op Toonhoogte 147
Verootmoediging
* Gezang 218: 3, 4, 5 Bundel 1938
Gebed.
* Kinderlied: Op Toonhoogte 453
Schriftlezing: Markus 5:21-43 HSV
Collecte
* Psalm 6: 3, 4, 8 OB
Verkondiging
* Psalm 116: 1, 4, 7 OB
Gebeden
* Psalm 30: 2, 8 OB
Zegen

Rekening houden met de verschillen in luisteraars

Rekening houden met de verschillen in luisteraars
Verbeteren van de preken – oefening 3

In 2013 publiceerde Daniel Overdorf het boek One Year to Better Preaching. 52 Exercises to Hone Your Skills. Predikanten kunnen hun preken verbeteren door elke week een oefening uit dit boek te doen. Een oefening kost een predikant ongeveer 1 à 2 uur werk.

In een groot onderzoek naar kerkgangers deelden de onderzoekers de luisteraars in 3 categorieën in. Deze 3 categorieën kwamen overeen met de oude indeling van Aristoteles:
* luisteraars die gericht zijn op ethos
* luisteraars die gericht zijn op logos
* luisteraars die gericht zijn op pathos

Type luisteraar: Ethos
luistert naar: de persoon die preekt
Sleutelwoorden: relaties, verbinding
typische reacties na de preek
– ‘Deze dominee is net als ieder van ons’
– ‘Wat een eerlijke preek’
– ‘Deze predikant is een warm en authentiek persoon’

Wat dit vraagt aan preekvoorbereiding
:
– Gebruik wij in plaats van u, jij
– Deel persoonlijke verhalen, worstelingen en dank
– Laat zien wat deze Bijbeltekst voor jou persoonlijk betekent
– Gebruik voorbeelden uit de kerk en uit de plaatselijke gemeenschap
– Drijf af en toe de spot met jezelf
– Geef onderwijs over de relatie met God en met naasten

Type luisteraar: Logos
luistert naar: de inhoud, de gepresenteerde ideeën
Sleutelwoorden: logica, informatie
typische reacties na de preek
– ‘Deze preek geeft mij iets om op te kauwen’
– ‘Ik heb een hoop van deze preek geleerd’
– ‘Deze predikant heeft zijn punten helder uiteengezet’

Wat dit vraagt aan preekvoorbereiding
:
Onderwijs de Bijbelse waarheid op een logische, ordelijke manier
– Beveel boeken, artikelen of andere bronnen aan voor verdere studie
– Geef redenen waarom jouw luisteraars zouden geloven en handelen wat je in de preek aan de orde stelt.
– Geef uitleg over historische, culturele, contextuele of taalkundige achtergronden van de Bijbeltekst die aan de orde is
– Bied statistieke en andere feitelijke informatie die de tekst uitleggen of toepassen aan
– Stel moeilijke vragen die de luisteraar uitdagen om verder te denken

Type luisteraar: Ethos
luistert naar: de emoties die worden opgeroepen
Sleutelwoorden: gevoelens, ervaringen, passies
typische reacties na de preek
– ‘Wat een gepassioneerde, gedreven dominee’
– ‘De preek raakte mij’
– ‘De predikant sprak recht uit zijn hart’

Wat dit vraagt aan preekvoorbereiding
:
Vertel boeiende verhalen die verbonden zijn aan vragen en problemen uit het leven van alledag
– Stel de behoeften en zorgen van de luisteraars aan de orde
– Laat zien op welke manier het genoemde thema jezelf bezig houdt
– Gebruik poëzie, foto’s, schilderijen en andere kunstuitingen om de boodschap te communiceren
– Help luisteraars om te ontdekken hoe de Bijbelse waarheid met hun eigen leven verbonden kan worden
– Daag de luisteraars uit om een concreet antwoord te geven op de preek

(Gegevens afkomstig uit: Ronald J. Allen, Hearing the Sermon: Relationship, Content, Feelig, Charlice Press, 2004)

Oefening
1) Check de aantekeningen, samenvattingen en teksten van je laatste 3 preken op basis van de bovenstaande indeling
2) Gebruik 3 tekstmarkers van verschillende kleur om aan te geven welk deel van je preek de ethos, de logos of de pathos raakt. Deze oefening helpt om te ontdekken of je de 3 verschillende onderdelen in de preek hebt verwerkt.
3) Evalueer de resultaten van oefening 2. Welke patronen springen in het oog? Welke van de 3 stijlen gebruik je het meest? Welke gebruik je het minst? Hoe zou je kunnen streven naar een evenwicht in de 3 benaderingen?
4) Pak nadat de exegese en de formulering van de boodschap van de preek is afgerond een wit vel papier en deel die in drieën. Zet boven aan: ethos – logos – pathos. Neem de tijd om in te vullen hoe de boodschap van de preek in deze drie categorieën aan de orde kan komen.
5) Probeer zoveel mogelijk van de ideeën uit oefening 4 in de preek te verwerken.

N.a.v. Daniel Overdorf, One Year to Better Preaching. 52 Exercises to Hone Your Skills (Kregel, 2013) 27-31

Preek zondagmorgen 8 februari 2015

Preek zondagmorgen 8 februari 2015
Viering Heilig Avondmaal

Markus 8:27-38

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wie is Jezus voor u, voor jou?
In de afgelopen week hebt u – als voorbereiding op het avondmaal –
nagedacht over deze vraag.
Nadenken over wie de Heere Jezus is, nadenken over onszelf en ons geloof,
dat betekent dat we voor het aangezicht van Christus komen.
Ons leven ligt voor Hem open
in afwachting van wat Hij, onze Heere, over ons leven gaat zeggen.
Wie is Jezus voor ons?
Ook degene van wie de geloofsbelijdenis zegt:
Hij komt om te oordelen de levenden en de doden.
Jezus is ook de rechter die over ons leven oordeelt,
nu en in het laatste oordeel.

Vanmorgen in het avondmaal zien wij Christus als onze rechter op een bijzondere manier.
We zien onze Rechter als het brood wordt gebroken.
Het brood dat wij breken laat zien, dat Hij die komt om te oordelen de levenden en de doden
wordt verbroken.
Hij spreekt het oordeel niet uit – nog niet,
maar zegt: kijk naar het brood dat gebroken wordt.
Zie hoe de Rechter gebroken wordt.
Jezus zegt het tegen Petrus in de omgeving van Caesarea Philippi:
De Mensenzoon zal verworpen worden,
De mensenzoon: dat is de aanduiding voor Jezus als rechter.
Niet Jezus als mens wordt verworpen, maar Jezus de rechter
die komt om te oordelen de levenden en de doden.
Hij wordt verworpen – kijk hoe de rechter verbroken werd,
Door de mensen die geen oordeel over hun leven wilden.
Dat is het kruis op Golgotha: de Zoon des mensen, de Rechter die over alles oordeelt,
is verworpen door de mensen.
Het kruis op Golgotha zegt ons: dat wij uit onszelf God niet wilden.
Het gebroken brood laat zien hoe wij met God omgaan:
een poging om te verbreken, te verwerpen.
Daardoor komen wij aan het avondmaal om onze schuld naar God te belijden:
Heere, dat U in ons leven bent, is niet aan ons te danken.
Wij moeten belijden dat wij tegen U ingaan.

Maar gelukkig is dat niet het enige dat gezegd kan worden over het kruis.
Het kruis op Golgotha laat niet alleen onze schuld naar God toe zien,
maar ook hoe God zelf die schuld op zich neemt.
De Heere Jezus zegt het tegen Petrus:
De Zoon des mensen moet verworpen worden.
Dat is niet alleen wat de mensen doen,
maar het is ook Gods plan, Gods wil dat de rechter aan het kruis komt.
Hij die komt om te oordelen de levenden en de doden – aan een kruis;
het is Gods wil: De zoon des mensen moet verworpen worden.
Want daar waar onze schuld zichtbaar wordt, wordt ook zichtbaar
hoe de Mensenzoon als Hij verworpen wordt, onze schuld op zich neemt.
Daar werd Hij verworpen, opdat God ons als Zijn kinderen zal aannemen.
Daar, aan het kruis, werd Gods Zoon, die aard en hemel schiep,
gebonden aan een kruis, door mensenhanden vastgebonden.
Het is de rechter die zich laat binden, zodat Hij die komt om te oordelen
zelf het oordeel op zich neemt.
Daar werd Hij gebonden, opdat Hij ons zou ontbinden.
Als het brood wordt gebroken, worden we eraan herinnerd
dat Gods Zoon zich liet verbreken,
dat de rechter werd gebonden,
Hij moest het vonnis uitspreken, maar zei:
Ik spreek je vrij, omdat het oordeel door Mij gedragen is.
Daarom komen we naar het avondmaal,
terwijl wij onze schuld belijden en misschien ook wel schromen om te gaan,
juist omdat we beseffen wat onze schuld is.
In het brood dat gebroken wordt, zien we wat God doet
Als Jezus verworpen is.
Hij heeft de straf door de bittere en smadelijke dood voltrokken aan Zijn lieven Zoon Jezus Christus.
Wie is Jezus voor u, voor jou?
Hij heeft mijn schuld gedragen
En ik mag geloven dat door Zijn lijden en sterven
al mijn zonden vergeven zijn.
Als ik het brood gebroken zie worden, weet ik:
ook voor mij is er een plaats bij Jezus.
Het brood dat wij breken is de gemeenschap met het lichaam van Christus
Neemt, eet, gedenkt en gelooft dat het lichaam van onze Heere Jezus Christus
is verbroken tot volkomen verzoening van al onze zonden
.
Daarom komen wij naar het avondmaal.
Niet omdat wij het zo goed hebben gedaan.
In tegendeel: omdat we die vergeving zo nodig hebben
en alleen bij de Heere die vergeving kunnen ontvangen:
Jezus die voor mij stierf.
Wie is Jezus voor mij?
Jezus, leven van mijn leven, Jezus, dood van mijne dood,
die voor mij U hebt gegeven in de bangste zielenood
Opdat ik niet hulploos sterve, maar uw heerlijkheid zou erven.
Duizend, duizend maal o Heer, zij U daarvoor dank en eer.

Amen

Preek zondagmiddag 8 februari 2015

Preek zondagmiddag 8 februari 2015
Nabetrachting en dankzegging Heilig Avondmaal

Markus 8:27-38

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Alleen wie zijn leven wil verliezen, kan het behouden.
Dat is de menselijke kant van avondmaal vieren: het leven verliezen aan Christus.
Dat is wat u vanmorgen aan het avondmaal weer hebt gedaan:
uw leven afgestaan aan de Heere Jezus.
Dat is ook de enige manier om uw leven te behouden:
door uw leven af te staan aan de Heere Jezus.
‘verlies’ noemt de Heere Jezus dat, maar wel verlies met de grootst mogelijke winst: behoud.
Als je van Jezus bent, heb je alles.
Als je niet van Jezus bent, heb je niets – hoeveel je ook bezit.

Toch voelt het als verlies.
Een boer heeft een redelijke boerderij.
Hij is in onderhandeling met de gemeente, die zijn grond wil kopen.
Als hij geen opvolger had, was hij er mee akkoord gegaan
en had hij de boerderij van de hand gedaan.
Hij heeft een zoon die de boerderij wil overnemen en al in de maatschap gekomen is.
Voor die zoon wil de boer een flink bedrag voor de grond
zodat op een andere plek een nieuwe boerderij kan worden aangekocht
en het bedrijf op die andere plek kan worden voorgezet.
Tijdens huisbezoek komen de onderhandelingen met de gemeente ter sprake
omdat het resultaat van die onderhandelingen van grote invloed is
op het verdere leven van de boer.
Wanneer de boer alles verteld heeft, zegt de ouderling:
‘Weet je wel dat je dit eens moet inleveren?’
De boer kijkt de ouderling geschrokken aan en stamelt: ‘Dat kan ik niet!’
Maar hoe staat het dan met je geloof, vroeg de ouderling,
want alleen wie bereid is om alles af te staan, kan echt leven vinden.
Wie zou wel kunnen wat Jezus zegt: Alleen wie bereid is om alles te verliezen, kan winnen?
Waarom hebben wij met deze opmerking van de Heere Jezus zo veel moeite?
Is dat, omdat we toch ons leven hier willen behouden?
Is dat, omdat we toch gericht zijn op het leven in het hier en nu
en het leven dat komt in Gods koninkrijk steeds weer uit het oog verliezen?
Dan de vraag van de Heere Jezus:
Wat baat het een mens als hij alles wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?
Wat hebt u er aan als u alleen maar gericht bent op het leven in het hier en nu?
Dat is slechts tijdelijk gewin.
We zongen dat in Psalm 49: We kunnen het niet meenemen als ons einde gekomen is.
Dan merken we wat de waarde is van het leven dat we hier op aarde hebben geleid.
Als ons leven wordt geoordeeld, niet naar aardse maatstaven
van aards succes en aardse welvaart,
niet of een leven succesvol of zinvol is geweest vanuit menselijke redeneringen,
maar wat het oordeel van Christus over ons leven is.
Wat heeft het je allemaal gebracht nu je voor Mij moet verschijnen?

Dat geldt niet alleen voor rijkdom en bezit.
Je leven willen behouden, kan ook door de leiding van God over je leven niet te accepteren.

Geef de heiland ’t roer in handen van je aardse levensschip

schreef mijn vader in het poëziealbum van mijn zussen.
Door de brood en de wijn te ontvangen
knielen we voor de Heere en zeggen we: Heere, U bent de kapitein op mijn levensschip.
Als het schip van mijn leven een bepaalde kant op gaat,
omdat U dat wil, is het goed.
Zo gemakkelijk is dat niet: het roer van ons leven uit handen geven
en te accepteren dat God ons leven stuurt,
zoals een kapitein de koers van een schip bepaalt.
Het  leven verliezen om het te behouden,
dat betekent: geloven, accepteren dat God in ons leven de kapitein is.
Dat betekent ook: Dat God ons leven stuurt op de weg achter Jezus aan.
Die weg achter Jezus aan is delen in het gebroken-zijn van Jezus.
Zoals het brood gebroken werd om heen te wijzen
hoe Christus voor ons verbroken is,
zo kan het brood ook wijzen op de weg die wij hebben te gaan.
De weg achter Jezus aan kan voor ons ook een weg zijn
waarin wij delen in het lijden van Jezus.
Delen in de verwerping van Jezus
Jezus roept ons niet tot een comfortabel leven,
Achter Jezus aangaan betekent geen leven van rust en vrede,
maar eerder van strijd en spanning.
Wie achter Jezus aan wil komen, die neme zijn kruis op zich.
Dat betekent dat we als gelovigen delen in de spot over Jezus.
Soms kunnen mensen heel venijnig reageren op wat Christenen doen
en dan vraag je je af of diegenen met die scherpe mening
ook werkelijk ooit een christen hebben gesproken.

Toen de schrijver Willem Jan Otten tot geloof gekomen was en zich had laten dopen,
gaf hij een verslag, een uitleg van zijn keuze om gedoopt te worden.
Hij kreeg een felle reactie: Kom terug, Willem Jan.
Beste collega, vriend, je gaat je leven verliezen. Wat doe je nu?

De catechisanten in de vorige gemeente vertelden dat wel eens,
dat toen zij aan medestudenten of aan collega’s vertelden dat ze naar de kerk ging,
ze soms vreemde blikken kregen: Jij? Dat had ik niet van je verwacht?
Misschien dat u dat op uw werk ook heeft.
Dan hebt u vanmorgen avondmaal gevierd en dan is er morgen uw werk, met de collega’s,
een grotere tegenstelling kan er niet zijn.
Morgen kan alle zegen vandaag wel weggenomen worden, lijkt het wel.
En je zegt maar niets, want ze gaan er toch mee aan de haal
en als ze kunnen, pakken ze je nog wel een keer terug.

Avondmaal vieren, aan de tafel aangaan, maakt ons ook vreemdeling.
Wij horen niet bij deze wereld.
Wij zoeken ons leven ergens anders.
We werken wel en een carrière kan ook voor ons van belang zijn,
maar dat is niet het hoogste in ons leven, want dat is Christus.
Als ik Hem niet had, was er van mijn leven niet veel meer over.
Zo geeft avondmaal aan dat er een afstand is, zoals de doop ook aangeeft.
Wanneer vroeger iemand werd gedoopt, gaf hij aan: ik doe afstand van mijn oude leven.
Ik ben niet meer de Romeinse heiden, die de Romeinse goden dien,
maar ik ga onder in het water van de doop en ik ben van Christus.
Ik beloof dat ik mij nooit meer zal inlaten met die andere goden,
ik beloof om afstand te houden en ik beloof dat ik alleen van Christus ben.
In de viering van het avondmaal leggen we de oude mens af,
de oude mens die hier wil meetellen, die uitsluitend op het leven hier en nu is gericht.

Zo heeft het avondmaal ook een aansporing en een vermaning:
een aansporing om achter de Heere Jezus aan te gaan
en alles wat ons in de weg staat om Hem geheel te volgen
uit ons leven weg te doen,
niet meer alleen gericht op het leven in het hier en nu,
want we zijn niet meer van hier, we zijn van Christus.
Een aansporing om zo ook te leven: van Christus zijn.

Van Christus – dat geeft aan ons een nieuwe naam:
niet meer van de wereld, maar van Christus.
Net als bij een bruiloft: dan krijgt de vrouw de achternaam van de man erbij.
Trouwen vraagt ook om overgave.
Een bruid kan niet zeggen: ik wil met je trouwen,
maar ik wil helemaal mijn eigen leven kunnen leiden.
Je moet niet denken dat ik mijzelf opgeef.
Trouwen heeft iets van zelfverloochening: je offert je eigen naam op
en je draagt de naam van je geliefde.
In de ogen van omstanders kan trouwen ook een offer zijn.
Bijvoorbeeld op het werk, als collega’s horen dat je gaat trouwen
en ze vinden je nog te jong: Nu al?
Moet je niet eerst je eigen leven leiden?
Voor de bruid is het geen gedwongen keuze, maar een keuze uit liefde.
Ik wil van mijn man zijn, ik wil zijn naam dragen,
ik ben van hem.
Een bruid heeft een nieuw bestaan bij haar echtgenoot.

Een christen heeft bij Christus een nieuw bestaan
ontvangt van Hem een nieuw bestaan.
Zoals een bruid niets anders wil dan van haar echtgenoot te zijn
en niet kan wachten om dat nieuwe leven samen te beginnen, daar naar uit kijkt,
zo is het voor de gelovige:
je wilt niet meer zonder Christus, je hebt er alles voor over
en dat wordt dan zelfverloochening genoemd en opgave en offer,
maar voor jezelf is dat het niet, omdat je dit wilt
omdat de liefde van Christus je gewonnen heeft.
Kruisdragen: dat is net als een meisje dat verkering heeft gekregen
Waarvan de hele familie zegt:
Dat is geen goede keus, je kunt het beter uitmaken,
hij past niet bij jou, je gaat er aan onderdoor, je moet bij hem teveel inleveren.
Gaat zo’n meisje overstag als heel de familie aangeeft: dit is geen goede partner?
Zo’n meisje zet vaak door,
zelfs als het ten koste gaat van het contact met de eigen familie.
Al moet ze alles afstaan en inleveren, ze gaat ervoor.
Als ze dan in de verkeringstijd samen eten, zijn ze samen.
Dan gaat het er niet om hoe bijzonder het eten is, maar dat ze elkaar samen hebben.
Als de maaltijd karig is en de kamer waar ze eten armoedig,
dan kunnen ze samen dromen van de toekomst
waarbij ze het samen eens goed zullen hebben.

Kruisdragen is dat heel de familie de keuze voor deze partner, voor Jezus niet begrijpt
of je collega’s dat niet begrijpen en dat nadrukkelijk laten weten
en er op aansturen dat je die vriend ook laat vallen.
In veel landen gebeurt dat ook, dat je je familie kwijtraakt als je Jezus gevonden hebt.
Dan heeft avondmaal de rijkdom van zo’n tafel in de verkeringstijd:
voor het oog armoedig, maar de beide geliefden hebben genoeg aan het samenzijn
En kijken vooruit naar de tijd die ze samen zullen doorbrengen.
Zo kijken we bij het avondmaal vooruit naar de tijd die we met onze Heere zullen doorbrengen
en we voor altijd bij Hem en helemaal van Hem zullen zijn.

Dan is het de aansporing van ons om ook zo te leven, nu al
dat we van Hem zijn.
Als een meisje zich schaamt voor haar vriendje en daar thuis bij de familie
helemaal niets wil vertellen, hem nooit wil meenemen,
nooit vertelt wie hij is en hoe hij is,
hoe kan het dan ooit een goede relatie zijn?
Hoe kan de bruid ooit geloofwaardig schitteren naast de bruidegom
als ze nooit voor haar liefde is uitgekomen
en dat terwijl ze van haar bruidegom zoveel krijgt.

Wie van Christus is, kan hier op aarde een weg gaan
Waarbij je veel kan kwijtraken van wat hier op aarde van waarde is.
Kan de spot en het onbegrip , als een vreemde worden gezien
of soms als iemand die een vijand geworden is,
omdat je de tradities van je cultuur en godsdienst verruilt voor Jezus.
Jezus zegt: wie dat allemaal verliest omwille van Mij en om het evangelie
die krijgt er alles voor terug.
Dat is de belofte van deze bruidegom.
Ik schaam mij dan niet voor Mijn Vader,
Ik schaam mij dan niet voor de heilige engelen.
Ik neem je op in Mijn gemeenschap: je bent van Mij.

Maar wie zich schaamt: Waarom zouden we ons schamen
Voor onze familie en vriendenkring?
Je ervoor schamen betekent dat de liefde niet oprecht is
het verlangen om samen te zijn en samen te leven niet echt gevoeld wordt.
Dat kan alleen terugkomen als we vernieuwd worden
door de Geest
en wij weer van Christus worden – van Hem geworden, geroepen: Kom achter mij.
Avondmaal: Vernieuwing van de liefde en het verlangen,
door het samen zijn met Christus weten: weer opgenomen te zijn in Christus’ gemeenschap.
Bevestiging: We zijn van Hem.
Amen

Pastoraat in dagen van rouw

Pastoraat in dagen van rouw

Wat is rouw?
Wat is rouw? Rouw is een ingrijpend verlies van wat dierbaar is. Het verlies kan gaan om het overlijden van een mens die dierbaar was: een opa of oma, een vader of moeder, een man of vrouw, een broer of zus, een kind, een vriend, een goede collega, een leermeester. Ook het overlijden van een huisdier kan rouw veroorzaken.

rouwen-eik

Ook het verlies van iets dat dierbaar is kan rouw veroorzaken: een droom die niet uitkomt, een baan die opgezegd wordt, een tijd die niet meer terugkomt, een verhuizing, een verbroken contact, het inleveren van gezondheid.

Verlies betekent: het is onherroepelijk voorbij en komt niet meer terug. Dat geldt voor een mens die geliefd was. Het leven is definitief voorbij. Kan in een periode van ziekte nog gehoopt worden op een herstel, na het overlijden is het voorbij. Ook het samenleven, het contact is voorbij. Als de relatie verstoord was, is het ook niet meer mogelijk om het goed te maken.

Ook een baan die wordt opgezegd, komt vaak niet meer terug. Er is geen garantie dat er nieuw werk komt. Het contact met de collega’s is er ook niet meer. Er moet een nieuwe werkkring worden opgebouwd. De tijd waarin de kinderen klein waren, komt niet meer terug. Als er een breuk in het gezin is, kan dat vaak niet meer worden geheeld.

Ingrijpende verandering
Een verlies van wat dierbaar was, is vaak heel ingrijpend. Er moet afscheid genomen worden. Er is geen samenzijn meer mogelijk, de stem kan niet meer worden gehoord, de handen niet meer gezien of gevoeld, geen aanraking meer, geen mogelijkheid meer iets te delen. Degene die steun gaf en je goed kende, is er niet meer.

Ook het perspectief verandert: er is niet meer de mogelijkheid om samen oud te worden, samen nog iets te ondernemen, om er voor anderen te zijn.  In plaats van samen ergens naar toe te gaan, moet je alleen. Alleen naar de winkels, alleen naar familie, naar feestjes, naar begrafenissen. Alleen naar de notaris. Alleen de financiën regelen.

Door dit ingrijpende verlies verandert het leven en ook de zin en de betekenis ervan. Het leven kan een chaos worden. Er kan een onvermoede eenzaamheid komen. Thuiskomen is moeilijk, omdat de leegte daar wacht. Als er een tijd van intensieve zorg aan het overlijden van een dierbare vooraf gegaan is, kan na het overlijden een tijd van intense vermoeidheid overvallen. Als het overlijden onverwacht komt, na een ongeluk of een hartstilstand, is er nog lang de shock.

Verwerking?
Er wordt vaak gesproken over rouwverwerking. Dat kan de suggestie oproepen, dat iemand een keer klaar is met dit verlies. Bijvoorbeeld als het een plek gekregen heeft. Een ingrijpend verlies kan vaak nauwelijks worden verwerkt. Omdat het definitief is, komt er geen einde aan. Er is geen einde aan het verlies.
Voor de een is het eerste jaar na het overlijden moeilijk. Het verdriet is steeds heftig. Na een jaar is het verdriet en gemis niet weg. Wel zijn de scherpe kantjes eraf.
Voor de ander komt het echte gemis pas na maanden. Als al het regelwerk na de begrafenis voorbij is. Of als de vermoeidheid over is. Na een jaar, na 2 jaar zegt degene die achterblijft: Het wordt steeds moeilijker.

Daarom is het beter om voorzichtig te zijn met het woord verwerken. Verwerken kan te positief zijn, te gemakkelijk de suggestie wekken dat er een einde aan komt.
Omgaan met rouw is dan eerder antwoord geven op het verlies (Wim ter Horst), verdriet is een werkwoord (Margriet van der Kooi). Bijvoorbeeld het ontdekken van een nieuwe manier van leven na het gemis. Het vraagt om een nieuwe oriëntatie, misschien wel om een nieuw levensdoel. Soms moet een leven weer helemaal opnieuw worden opgebouwd. Het vraagt om uithouden en dragen van de pijn, het gemis en het verdriet.

Margriet van der Kooi gebruikt verschillende beelden: het is een weg vinden in een nieuw, onbekend landschap. Het kan een doolhof zijn, waarbij je soms weer uitkomt op het stuk waar je al eerder was. Het verdriet komt terug en in dit doolhof en deze chaos weet je de weg niet meer.
Het beeld van het doolhof wordt meer door wanhoop getekend. Een hoopvoller beeld is het beeld van de wenteltrap: je komt elke keer langs het gemis en het verdriet, maar steeds vanuit een ander perspectief. Verdriet kan na jaren weer terugkomen. Soms op een heel andere manier dan eerst.

G267_10004050__46_48

Er is nog een reden waarom verwerken niet gepast is. Verdriet veroorzaakt een chaos. Soms letterlijk een chaos, omdat een leven en een planning overhoop wordt gegooid. Veel vaker een chaos in het hoofd en in het hart. Verdriet kan zich vertalen in boosheid op anderen, in een schuldgevoel, een gevoel van falen. Er kan door de schok een gelatenheid zijn, waardoor het gemis en het verdriet er wel is, maar niet wordt gevoeld. Emoties worden door elkaar gegooid.
Als de relatie slecht is of zelfs verbroken, kan het verdriet intens zijn omdat er geen mogelijkheid meer is om recht te zetten.

Wat kan het pastoraat betekenen?
Uit het bovenstaande komt al iets naar voren van wat het pastoraat kan betekenen. Allereerst er zijn, presentie, naar iemand toegaan. Veel mensen die te maken krijgen met het verlies, ervaren dat mensen om hen heen hen gaan mijden. De contacten worden schaarser, omdat men niet weet wat met aan moet met de rouw van de ander. Rouw maakt machteloos.
Door iemand op te zoeken, wordt al een belangrijke daad verricht. Je laat iemand niet alleen in de chaos, de wanhoop en het verdriet. De vrienden van Job kwamen en zaten 7 dagen bij hem zonder iets te zeggen. Ze deelden het lot van Job.
Door iemand op te zoeken kun je delen in het verdriet. Dat is voor iemand in rouw al een hele troost. Dat er iemand is om het verhaal te doen.

Voor iemand in rouw is het verhaal doen heel belangrijk. Door te vertellen wordt het gebeuren geordend en de chaos wat meer tot orde gebracht. Door te vertellen kan iemand de emoties verwoorden die van binnen leven en kan iemand laten merken hoe het gaat.
Je helpt iemand door betrokken op de ander te zijn. Een bereidheid om te luisteren naar wat de ander heeft te vertellen. Al heeft iemand dat al een of meerdere keren verteld. Veel mensen hebben de behoefte om van zich af te praten. Wanneer een gesprekspartner overleden is, valt ook iemand weg die het verhaal steeds aanhoorde. Je troost iemand door niet te schrikken van wat iemand vertelt. Door niet te schrikken van de boosheid, de intensheid van het verdriet. Door niet te schrikken als iemand teleurgesteld is in God.

Je helpt iemand door betrokken, behoedzame vragen te stellen: Vanuit een oprechte betrokkenheid vragen hoe het gaat. Vanuit oprechte belangstelling vragen of iemand het nog redt. Wanneer je zulke vragen stelt, moet er ook gelegenheid zijn dat de ander vertelt of het gaat of niet. Betrokkenheid kan zich tonen door verhalen over de geliefde aan te horen die wordt gemist. En als er genoeg vertrouwdheid is door te vragen naar hoe God ervaren wordt en of het bidden nog lukt.

Troost
Het is al een troost als er iemand op bezoek komt en iemand in rouw niet vergeten wordt. Het is al een belangrijke steun als iemand bereid is om naar het verhaal te luisteren dat wordt verteld. En dat bereid is om dat nog een keer en nog een keer te doen.
Op die manier kan iemand die op bezoek gaat iets van Gods aanwezigheid laten merken. We geloven dat God er ook kan zijn zonder onze hulp. Maar vaak helpt het als iemand komt en wordt Gods aanwezigheid dan meer ervaren als iemand oprecht en betrokken is.

crosses

De troost die de kerk biedt, is de verkondiging dat Jezus is opgestaan uit de dood. Een machtig perspectief dat oneindig veel meer biedt dan alle menselijke troost. Tegelijkertijd een geloof dat heel erg aangevochten kan worden. Wie de verhalen rondom de opstanding van Christus leest, merkt dat er ruimte is voor zoeken, voor gemis en twijfel. Het geloof doet de vragen niet verstommen. Integendeel, soms worden de vragen alleen maar scherper: als God er is, waarom moest dat dan gebeuren? Had God geen andere weg kunnen kiezen? Ik heb dit toch niet verdiend? Het is een troost als zulke vragen aangehoord kunnen worden, zonder direct beantwoord te worden. Aan Pasen gaat Stille Zaterdag vooraf.

De kunst van het pastoraat is niet om God te verdedigen, maar om de ander weer in verbinding met God te brengen. Dat kan door de wanhoop en de vragen, net als de psalmen dat doen, bij God te brengen. In het lezen van een psalm, in een gebed voor de ander.

Afgoden

Afgoden

Elke keer als wij met onze kinderen uit de Bijbel een verhaal over afgoden lezen, merk ik dat zij ten diepste niet begrijpen waar het bij het dienen van afgoden om gaat. Ze kennen de verhalen en kunnen vertellen wat er mis ging met het volk Israël. Maar niet waarom die afgoden zo’n aantrekkingskracht hadden op Israël. Ook kunnen ze niet aangeven wat hedendaagse afgoden zijn.

Waarom waren afgoden zo aantrekkelijk?
Voor ons is het niet zo eenvoudig om aan te voelen wat de aantrekkingskracht van die afgoden was. Voor ons is het daarom niet zo eenvoudig om te begrijpen waarom Israël steeds – ondanks alle afgoden – andere wegen ging.
Afgoden raken aan een belangrijke vragen die gelovigen vandaag de dag ook nog hebben: Waar is God? Hoe kom ik in contact met God? Ziet God mij? Hoort Hij mijn gebeden?

Beeld
Wanneer in het Oude Nabije Oosten een beeld van een god werd gemaakt, geloofde men dat die god door middel van dat beeld te benaderen was.
Men geloofde dat er een speciaal soort mensen door de goden waren geschapen om deze beelden te maken. De goden bestuurden de handen van deze mensen. Nadat een beeld vervaardigd was, kwam er een uitgebreid ritueel om het beeld in te wijden. Tijdens dat ritueel trok de godheid in dat beeld. De god was weliswaar nog in de godenwereld, maar ook aanwezig in dat beeld.
Gelovigen konden naar de tempel gaan om dat het beeld te aanschouwen. Wanneer het zonlicht door dit godsbeeld weerkaatste, wist je als gelovige dat de genade en het heil je door deze god werd geschonken. Beeldjes had men in huis, in de buurt. Door deze beeldjes geloofde men dat de godheid heel makkelijk te benaderen was.

goudkalf

Oude Testament
In het Oude Testament worden de afgoden nietigheden genoemd. Ze lijken heel wat voor te stellen, maar zijn uiteindelijk schijn. Afgoden zijn een illusie, goden in schijn:
Ze hebben oren maar horen niet
Ze hebben ogen maar zien niet
Ze hebben een mond maar spreken niet
Ze hebben handen maar doen niets
Ze hebben voeten maar staan stil

Daarentegen is de God van Israël de levende God. Heeft Hij een lichaam? Heeft Hij oren, ogen, een mond, handen en voeten? Er kan wel in antropomorfe taal over God gesproken worden:
* Hij neigt Zijn oor
* Mijn oog zal op u zijn
* Israël is uitgeleid door Gods uitgestrekte arm en sterke hand
* God zal opstaan tot de strijd

Israël mocht geen beeld van God maken: het tweede gebod. In het verhaal van de ark op het slagveld zien we waarom. De ark was de troon van God, waarop de Heere van de legers troonde. Door de ark mee te nemen naar het slagveld dacht Israël om de Heere zelf, om Zijn aanwezigheid mee te nemen. Dan staat God aan mijn kant. Een beeld van God veronderstelt dat wij als mensen bepalen wie God is, waar Hij is, wat Hij doet en hoe Hij naar onze wensen en verlangens luistert.

Hedendaagse invulling
Hoe krijgen we een hedendaagse invulling van het begrip afgoden? In de Grote Catechismus doet Luther een poging: een afgod is alles waar een mens zijn vertrouwen op stelt. Het nadeel is niet dat deze Grote Catechismus uit de 16e eeuw komt. Het nadeel van deze definitie is dat afgoden in dit geval vooral iets voor volwassenen is. Het zijn volwassenen die het moeilijk vinden om hun vertrouwen op God te stellen. Kinderen accepteren zoals het gaat, omdat ze gewend zijn om afhankelijk te zijn.

Bij een hedendaagse invulling moeten we kijken naar wat God belooft voor ons te doen. Als mensen zoeken wij datgene dat God ons belooft ergens anders:

* Alleen God kan ons gelukkig maken, maar we zoeken het op veel andere plaatsen: in onze materiële welvaart, in ons werk, in onze gezondheid.

* De waarde van ons mensen is gelegen in het gegeven dat we beeld van God zijn. Maar wij zoeken onze waarde vaak elders: in onze prestaties, in de aandacht die we van anderen krijgen.

* We willen gezien en gehoord worden. We zoeken dat niet in een relatie met God, in het gebed. Maar we zoeken het bij mensen, bijvoorbeeld het aantal positieve reacties, het aantal volgers op Twitter, likes op Facebook.

* We willen het gevoel hebben dat we bestaan. Ook dat kan in een leven met God. Maar het wordt vaak gezocht in een groots en meeslepend leven.

* We hebben de behoefte  om onszelf te rechtvaardigen: onze daden en misschien zelfs wel ons bestaan. We gaan daarbij niet naar de Heere, maar ook hier zoeken we het elders. We gaan er bovendien aan voorbij, dat God de goddelozen rechtvaardigt. We gaan er vaak vanuit dat God ons aanneemt als wij wat voor Hem betekenen.

Aanvechting
Het is goed te begrijpen, waarom we als mensen het elders zoeken en niet bij God. Want geloven is niet eenvoudig. We horen Gods stem  niet, we weten niet zeker of Hij ons hoort en ziet. In theologentaal: geloven gaat gepaard met aanvechting.

Het zoeken van (hedendaagse) afgoden is een vorm van het uit de weg gaan van de aanvechting. Door grip te hebben op Gods ‘functies’ proberen we een zinvol leven te vinden.

Illusie
Ook hier geldt, dat het een illusie is, een leven in schijn. Het gaat goed, zolang het in het leven goed gaat. Maar bij tegenslag, bij twijfel, als we echt niet in onszelf kunnen geloven, merken we pas hoezeer het schijn is. Wij kunnen als mensen niet voor onszelf bewerkstelligen wat God ons geeft. Daarom: hoezeer het ook een leven vol aanvechting is, een leven met God is beter dan een leven waarin we onze eigen illusie najagen. Want God doet wat Hij belooft. Weliswaar niet op onze tijd. Maar Hij doet het wel.

(Waarmee ik niet wil zeggen, dat het leven met God eenvoudig is. Het is een leven vol aanvechtingen.)