Aansporing om trouw te blijven aan Christus

Aansporing om trouw te blijven aan Christus
Recensie van Klaus Bergers monumentale commentaar op Openbaring

Tussen Pasen en Pinksteren dit jaar had ik een prekenserie over het bijbelboek Openbaring gepland. In het kerkblad had ik deze serie aangekondigd en vermeld dat ik over gedeelten zou preken, waarover niet vaak gepreekt wordt. Ik kondig altijd in het kerkblad aan over welke gedeelten ik preek, maar nog nooit werd ik zo vaak op aangesproken door gemeenteleden als deze keer. Tijdens deze serie over Openbaring had ik meer gesprekken over de preek en het bijbelgedeelte dan anders. Blijkbaar fascineert dit bijbelboek heel wat gemeenteleden.

Een van de redenen om te preken over Openbaring was dat er in de laatste jaren goede commentaren op dit bijbelboek verschenen zijn. Een van die commentaren was geschreven door de Duitse nieuwtestamenticus Klaus Berger.

180px-KlausBerger
Klaus Berger (bron: Kathpedia)

Historisch-kritische en meditatieve exegese
Ik heb wel wat met Berger: altijd goed voor een een provocatieve stellingname, nogal eens te provocatief, maar wel op basis van grondige kennis van de tijd van de Bijbel. Berger begon als historisch-kritisch exegeet, werkte van 1970-1974 in Leiden en daarna tot 2006 in Heidelberg. Hij hield zich bezig met de vormen en de genres waarin teksten geschreven zijn en verdiepte zich met name in Joodse apocalyptische geschriften. Halverwege zijn loopbaan ontdekte hij de meditatieve exegese uit de Middeleeuwen, met name de cisterciënzer spiritualiteit. Vanaf die tijd combineerde hij in zijn werk de wetenschappelijke exegese met deze kloosterspiritualiteit.

die-apokalypse-des-johannes-kommentar-978-3-451-34779-5-49193

Vanwege deze combinatie was ik benieuwd naar zijn commentaar op Openbaring. Zijn commentaar, resultaat van 50 jaar intensief bezig zijn met dit bijbelboek en uitgegeven in 2 dikke delen, is inderdaad een combinatie. Vanuit zijn kennis van de Joodse apocalyptische geschriften weet hij steeds parallellen aan te dragen, die helpen om de opbouw en de gebruikte beelden in Openbaring te begrijpen.

266px-Johannes_op_Patmos_Jeroen_Bosch
Jheronimus Bosch – Johannes op Patmos

Joodse traditie, Paulus
Hij laat zien dat Openbaring volop in de Joodse traditie staat, maar dan wel een volop christelijk geschrift. In die tijd betekende dat echter geen tegenstelling. Berger, die zich ook altijd verdiept heeft in de verhouding tussen de verschillende stromingen binnen het Vroege Christendom en de geschriften van het Nieuwe Testament gaat uitgebreid in op de relatie tussen Openbaring en Paulus. Ze werkten immers in dezelfde tijd en in hetzelfde gebied. Volgens Berger zijn er wel verschillen, maar zijn de overeenkomsten groter. Het grootste verschil tussen hen beiden is, is dat Johannes preciezer is waar Paulus rekkelijker is.

Pastoraal
Volgens Berger is Openbaring niet een boek dat over de toekomst gaat, maar over het heden. Openbaring is een pastoraal geschrift om te gelovigen, die net tot bekering gekomen zijn, aan te sporen om trouw te blijven aan Christus. Hun geloof staat onder druk, onder andere vanwege het Romeinse imperium dat hen als een gevaar ziet, maar ook vanwege de vele verleidingen die er zijn om zich in hun levensstijl aan te passen aan de omgeving. Johannes doet die aansporing door middel van beelden over de toekomst. Die beelden over de toekomst zijn, net als de geschriften van de Profeten, bedoeld om de ogen van de gelovigen te openen voor de tijd waarin zij leven. Ze leven in een tijd waarin twee machten met elkaar strijden: God de schepper van hemel en aarde en de duivel die de macht van God op aarde heeft willen overnemen.

Diabolische triniteit
Voor de gelovige manifesteert de duivel zich in verleiding tot aanpassing en in de druk door de overheid. Johannes kan de gelovigen bemoedigen door erop te wijzen dat de duivel God alleen maar kan nabootsen. Het beest uit de afgrond en het beest uit de zee zijn slechts diabolische imitaties van God, die zijn Zoon en zijn Geest naar de aarde zond. Met die twee beesten vormt de duivel een diabolische triniteit. De troost is dat die dreiging en verleiding slechts tijdelijk is: deze wereld gaat voorbij en er komt een nieuwe wereld. Wie trouw blijft, wacht in de nieuwe wereld een beloning.
800px-B_Valladolid_93
Beatus van Liébana – De apocalyptische ruiters

Berger laat zien dat  vanwege deze aansporing om trouw te zijn en de bemoediging dat God alles in de hand heeft dit bijbelboek in de geschiedenis van de kerk altijd gelezen is als troostboek. Vooral in tijden waarin de kerk onder druk stond door vervolging of in tijden waarin de kerk corrumpeerde en een instituut van macht en rijkdom werd, werd dit boek gelezen. Voortdurend haalt Berger laat zien hoe bijvoorbeeld Mozarabische christenen, christenen die in Spanje van de 8e tot de 15e eeuw leefden onder de Moorse overheersing in hun liturgie teruggrepen op Openbaring. Denk bijvoorbeeld aan de illustraties van Beatus van Liébana.

800px-B_Facundus_191v
Beatus van Liébana – De aanbidding van het beest

Kritisch beeld van de kerk
Preken en commentaren uit de Middeleeuwen laten een kritisch beeld van de kerk zien. Deze liturgieën, preken en commentaren hielpen de gelovige om zich niet aan te passen, maar hoop te houden op een andere tijd die door God gegeven wordt. Als dat niet in de aardse geschiedenis zal zijn, dan in de hemel of na de Wederkomst. Het Duizendjarig Rijk uit Openbaring moet dan ook niet opgevat worden als iets dat nog moet komen, maar is laat een dubbel perspectief op het heden zien: aan de ene kant op aarde nog de werkelijkheid van de diabolische imitatie, aan de andere kant het geloof dat deze hele werkelijkheid in Gods hand is, omdat de boze reeds verslagen is. Hoe fel de boze zich nog uit en met welke manifestaties hij God imiteert, het einde van zijn macht is aangebroken. Door dit dubbele perspectief weet de gelovige in welke tijd hij leeft en leert hij om zijn ziel niet voor deze korte tijd aan de duivel te verkopen.

Goslar_42-X3
Replica van de Dom van Goslar

Ontmaskeren
Dit commentaar is opgedragen aan de herinnering van de Dom van Goslar, de geboorteplaats van Berger. Deze Dom uit de 11e eeuw werd in de 19e eeuw afgebroken om plaats te maken voor een kazerne. Deze kazerne stond er slechts 80 jaar. Berger ziet hierin dat gelovigen steeds in de verleiding staan om het werk van Christus te vervangen door macht die imponeert. Hoe men dat ook probeert en hoe die macht imponeert, die macht is slechts tijdelijk. Luisteren naar Openbaring helpt om die imponerende macht steeds weer te relativeren en te ontmaskeren.

N.a.v. Klaus Berger, Die Apokalypse des Johannes. 2 delen (Freiburg / Basel / Wenen: Herder Verlag, 2017).

Gepubliceerd in het Christelijk Weekblad van 21 september 2018

Advertenties

De hervormde traditie duikt steeds meer op in het debat over de multiculturele samenleving.

De hervormde traditie duikt steeds meer op in het debat over de multiculturele samenleving.

Tijdens een bijeenkomst waar ik was,  sprak voor iemand mij geheel onverwacht zijn steun uit voor de PVV. Met als argument: Als je als land en als kerk geen stelling neemt tegen de islam, hoef je niet meer na te denken over orthodox-zijn in deze tijd, omdat je doordat de islam over enige tijd ons land overgenomen heeft een orthodox-christelijk geloof niet meer mogelijk is. Op dat moment besefte ik: dit is een punt waarop ik de hervormde traditie niet begrijp, omdat ik een christelijk-gereformeerde achtergrond heb. Nu ik al een aantal jaar meedraai binnen de hervormde stroom van de Protestantse Kerk in Nederland, zie ik dat deze hervormde traditie steeds weer opduikt in het debat over de multiculturele samenleving en het migratievraagstuk. Grofweg gezegd gaat het hier om een clash tussen de oude christelijk-historische lijn en de anti-revolutionaire lijn.

Binnen de hervormde, christelijk-historische stroom ligt de nadruk op de eenheid van de gehele samenleving. Verschillen mogen niet leiden tot een breuk: je hoort bij elkaar en als christen zonder je je niet af van de samenleving door aparte organisaties op te richten. Als kerk ben je dienstbaar aan de hele samenleving. In deze hervormde traditie is er ook veel oog voor traditie: je komt ergens vandaan. Deze traditie is niet toevallig ontstaan, maar laat een band zien van God met ons land. Nederland is een christelijk land en de overheid is er om de christelijke identiteit te beschermen. Niet voor niets is er in deze traditie veel nagedacht over theocratie. Binnen deze traditie is er moeite is met de multiculturele samenleving, omdat de komst van niet-christelijke migranten de christelijke identiteit van Nederland ondergraaft.

De anti-revolutionaire stroming, begonnen in de 19e eeuw met voormannen als Guillaume Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper, verzette zich tegen de eenheid in de samenleving, die gestalte kreeg volgens verlichte idealen, die in godsdienstig opzicht neutraal zouden zijn. De anti-revolutionairen stelden dat geen enkele levensbeschouwing neutraal is, maar altijd uit een bepaalde vorm van geloof voortkomt. De overheid is niet bevoegd om uit te spreken welke geloofsovertuiging de juiste is. De overheid kan slechts faciliteren.  Deze stroming is altijd een minderheid geweest, die de eigen plek heeft moeten bevechten binnen de kerk en de politiek. Omdat het geloof op alle terreinen zeggenschap heeft, wordt dit politiek uitgewerkt in een christelijke partij, die voortkomt uit de gereformeerde levensbeschouwing.
Daarom kan iemand uit de anti-revolutionaire traditie zich er zich druk over maken als  partijen als de PVV of FvD, zich opwerpen als beschermers van de christelijke traditie. Er mogen dan overeenkomsten zijn in concrete beleidskeuzes, deze partijen komen uit een andere levensbeschouwing. Binnen de christelijk-historische traditie is het niet vreemd om de keuze voor een partij als PVV of FvD te combineren met actieve kerkgang, zoals in het verleden ook nogal wat hervormden van de VVD waren. Men heeft daar altijd beseft dat het christendom ook buiten de kerk werd gewaardeerd door cultuurchristenen.

Als anti-revolutionairen iets willen bereiken kan er ook gekozen worden voor bondgenoten die niet voor de hand liggen. In de afgelopen decennia is er gekeken hoe moslims bondgenoten kunnen zijn. Wie zelf ruimte nodig heeft voor de eigen geloofsovertuiging, omdat geloof niet alleen maar een gedachte is maar het hele leven bepaalt, weet dat iemand van een ander geloof dat ook nodig heeft.

Juist het verschil in visie op de identiteit van Nederland en op de rol van de overheid zorgt voor een scherp debat. Het maakt voor het denken over de multiculturele samenleving uit of Nederland een christelijk land is of dat Nederland een land met een diversiteit aan geloofsbelevingen. Wie uit de (neo)calvinistische levensbeschouwing komt, zal eerder de multiculturele samenleving als feit accepteren, omdat hij zichzelf al een levensbeschouwelijke minderheid wist voor de komst van de multiculturele samenleving. Wie uit de hervormde traditie komt, zal daar meer moeite mee hebben, omdat deze multiculturele samenleving het moeilijker maakt om Nederland als christelijk land te beschouwen.
De veranderde samenleving legt vragen op tafel voor beide tradities. Welke uitdagingen geeft God door middel van de multiculturele samenleving aan kerken en christenen en hun positie in de samenleving? Is het mogelijk om een land een christelijke identiteit en geschiedenis te geven? Hoeveel eenheid is er nodig voor een samenleving en wanneer wordt eenheid een ideologie? Hoe neem je als (christelijke) minderheid verantwoordelijkheid voor de samenleving als geheel? Welke ruimte kunnen we bieden aan niet-christelijke gemeenschappen en wat is de rol van de overheid daarin? Welke verantwoordelijkheid hebben we voor degenen die deze veranderingen niet mee kunnen maken?

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad van 21 september 2018

Preek zondagavond 9 september 2018

Preek zondagavond 9 september 2018
Nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hebt u zichzelf wel eens als heilige gezien?
Ik denk dat niemand zo over zichzelf denkt,
ook niet degenen die vanmorgen aan het avondmaal zijn aangegaan.
Of misschien u juist dan niet, omdat u uzelf zondaar weet
en de genade van Christus nodig hebt, vergeving van zonden.
Als ik zou vragen of u uzelf als zondaar ziet,
dan zou het antwoord eerder instemmend zijn,
of omdat u dat herkent bij uzelf,
of omdat u dat zo vaak gehoord hebt dat u dat bent, dat u dat met moet geloven.

Paulus spreekt de gemeente in Korinthe wel zo aan:
De gemeente is gemeente van God,
dus niet zomaar een groep mensen, maar een groep bij elkaar gebracht door God,
waarin Hij met Zijn Geest werkt, vrijgekocht door het bloed van Christus,
apart gezet om voor Hem te leven.
Een gemeente van mensen die niet van zichzelf zijn, maar van God.
Een gemeente van heiligen – aan de heiligen in Achaje.
Kun je dat wel van een gemeente zeggen,
van de gemeente van toen in Korinthe en van Oldebroek nu,
een gemeente van God, heiligen in Achaje, in de omgeving van Oldebroek?
Zijn er niet onder ons die te weinig serieus geloven en er te weinig werk van maken?
In het verleden lag het ook gevoelig.
Toen ds. Noordegraaf hier in de jaren-’60 predikant werd,
kreeg hij ook met kritiek te maken toen hij zijn preek begon met: ‘Gemeente van Christus’.
Ad rem als hij altijd was, zei hij: ‘Ik kan toch moeilijk zeggen: “Gemeente des duivels”?’
De gemeente aanspreken als gemeente van God, of als gemeente van Christus
is een lofzang – niet zozeer op de gemeente zelf, maar op God,
de God die deze gemeente uitgekozen heeft, bij elkaar gebracht heeft en onderhoudt.
Wat de gemeente is, dat heeft de gemeente alleen maar aan God te danken,
de Vader van alle barmhartigheid, de God van alle vertroosting,
de Vader van onze Heere Jezus Christus.
Als u als gemeente van Christus aangesproken wordt,
is dat allereerst een dank aan de Heere:
Dank U, dat U Uw Zoon naar deze wereld zond, de dood in, om onze schuld te dragen.
Dank U wel, dat U hebt bent, die ons bij elkaar brengt
naar ons toe komt en ons aanspreekt, in ons midden wil zijn, onze God! mijn Vader!
Als de gemeente aangesproken wordt als gemeente van onze Heere Jezus Christus,
dan is dat ook een herinnering aan wat u bent, hoe jij hier zit.
Je bent hier, omdat God in je leven werkt, omdat Christus voor jou gestorven is,
omdat de Heilige Geest met jou bezig is, om in jouw hart te werken,
zodat jij ook gaat geloven in God, zodat je ook gaat beseffen: Ik hoor bij Hem.
Om zichtbaar te maken dat we gemeente van Christus zijn, wordt het avondmaal gevierd.
De tafel voor in de kerk een gewone tafel met gewone lakens er op,
wel met bijzondere schalen en bijzondere bekers,
en tegelijkertijd is het de tafel van Christus,
De koster heeft alles klaar gezet en toch: Christus is de gastheer.
Hij is aanwezig, Hij nodigt u, Hij reikt aan jou het brood aan en de wijn krijg je van Hem.
Met brood en wijn geeft Hij zichzelf: als herinnering aan wat Hij deed op Golgotha,
maar ook als bevestiging dat je nog steeds van Hem bent,
ondanks je fouten en tekortschieten, dat Hij je niet loslaat, al maak je er weinig van.
Hij reinigt je en begint met jou opnieuw.
Daarom: gemeente van God, daarom: heilig.
Je bent heilig.

Dat is niet om je een extra status te geven,
maar is bedoeld om je te laten weten: God is met je bezig.
Hij verandert je. Hij vergeeft en reinigt je van je zonden.
Heilig betekent: de Geest is in jou aan het werk, met jou aan de slag.
Heilig, dat betekent, zoals het avondmaalsformulier dat zegt,
dat je de waardigheid die je nodig hebt om bij Christus te komen aan tafel,
dat je die waardigheid ontvangt.
Die hebben we niet van onszelf.
Naar het avondmaal gaan is niet laten zien, hoe goed je het doet als gelovige,
nee, dat we daar kunnen zitten hebben we alleen aan Hem te danken.
We krijgen die waardigheid geschonken om het brood te mogen eten
en de wijn te kunnen drinken.
Als u vanmorgen niet kon aangaan, moet u dat eens voor uzelf bedenken.
De plek daar aan de tafel en de mogelijkheid om aan te gaan,
wordt u door Christus zelf aangeboden. Het is voor u betaald!
Maar misschien hebt u in de bank gezeten en gekeken en in uw hart meegedaan.
Of hebt u thuis bij de kerkradio de dienst gevolgd.
Soms hoor ik dat thuis op een eigen manier avondmaal meegevierd wordt.
De waardigheid om het avondmaal te vieren gaat niet pas in werking
als u naar voren loopt en aan de tafel aanschuift en brood pakt en wijn drinkt.
Nee, de waardigheid is er omdat Christus zichzelf gegeven heeft.
Vanaf het kruis op Golgotha stond wordt de waardigheid aangeboden.
U hoeft er alleen maar gebruik van te maken.
De enige voorwaarde is, dat u gelooft dat het ook voor u is,
maar dat betekent niets anders dan de waardigheid aannemen,
dat betekent niets anders dan u zichzelf door Christus met heiligheid te bekleden,
dat is niets anders dan accepteren dat de Geest ook met jou aan de slag is.

De gemeente waar Paulus aan schreef, daar in de havenstad Korinthe,
was echt niet de ideale gemeente, zodat ze van zichzelf konden zeggen
wij zijn nu echt het voorbeeld van hoe een gemeente van Christus moet zijn,
nee, ik denk dat ze zelf ook wel verbaasd waren dat Paulus hen aansprak
als gemeente van God, gemeenschap van heiligen.
Want ze hadden van Paulus gehoord dat er nogal wat aan te merken was
op hun geloof, te weinig vertrouwen in de opstanding van Christus.
op hun levenswandel, onder andere doordat een gemeentelid een relatie onderhield
die binnen een gemeente van God niet te accepteren was.
op hun omgang met elkaar, waar de liefde soms ver te zoeken was.
En toch: gemeente van God. En toch: heiligen in Achaje.
Dat bent u als gemeente en als gelovige ook: van God en heilig.
Niet om uzelf op de borst te kloppen: dat hebben we nu zelf bereikt,
nee: het is gegeven, niet omdat u, jij of ik daar recht op heb, niet zelf verdiend,
maar omdat Christus aan het kruis ging en onze schuld droeg
en het goed gemaakt is – verzoend met God: de breuk die er was, is geheeld.
Je bent weer van God en omdat God heilig is, wordt je ook weer heilig – heilig gemaakt.
Dat is een van de weldaden, waar het formulier over spreekt: gerechtigheid.
We ontvangen de gerechtigheid, die van Christus is.
Al blijft dat hier op aarde een proces, een werk dat nooit af is.
Zolang we hier op aarde zijn, heeft de Geest aan ons werk
om ons heilig te maken en heilig te houden.
Als ons leven op aarde voorbij is, dan leggen we het aardse leven af
En ontvangen we een nieuw lichaam, een eeuwig lichaam, verheerlijkt,
bekleed met de heerlijkheid die Christus heeft en van Christus komt.
Ook weer zo’n weldaad van Christus, waar het formulier over spreekt.

 

Zover is het nog niet.
Moet je al verlangen naar een leven in heerlijkheid?
In de brief aan de Filippenzen schrijft Paulus: als ik leef, leef ik voor Christus,
en als ik sterf ga ik er alleen maar op vooruit, dat is voor mij winst.
Hij zou daar al willen zijn, daar bij Christus in Zijn heerlijkheid,
maar beseft dat hij dan de gemeente op aarde moet achterlaten
en zolang hij op aarde is, kan hij de gemeente dienen, het geloof versterken, bemoedigen.


Zo’n sterk geloof heeft Paulus niet altijd gehad.
In de verzen die we leven, kunnen we opmaken dat Paulus door een diepe crisis is gegaan.
We baden vanmorgen, voordat we het avondmaal vierden:
Schenk ons ook Uw genade dat wij getroost ons kruis op ons nemen

Als we ons kruis hebben te dragen, dan hebben we die troost nodig.
Alleen kunnen we het niet.
Voor de een is kruis dat gedragen moet worden dat je ziek geworden bent,
voor een ander ruzie en verdeeldheid binnen het gezin,
of de zorg die je hebt voor je man of vrouw,
Kruis dragen is een weg die God met je gaat, die je niet begrijpt en die veel kost,
een weg die je alleen met Gods kracht kunt gaan,
getroost door de Vader, de God van alle vertroosting.
In mijn jeugd hoorde ik een keer een preek, volgens mij ook over deze brief.
Het thema was: Maximaal laadvermogen.
En de preek ging erover, dat de Heere nooit een last op je legt die je niet kan dragen.
Hij overbelast je niet. Hij overvraagt je niet.
Paulus zal dat, na de ervaring die hij heeft gehad, niet meer nazeggen.
Hij overzag het niet meer. Hij dacht dat hij het niet meer zou overleven.
Hij kon het niet meer aan en al het vertrouwen dat hij had was hij kwijt.
Het is niet helemaal duidelijk of Paulus hier verwijst
naar een van de keren dat hij in de gevangenis zat
en dacht dat het vonnis uitgesproken was en dat hij ter dood veroordeeld was,
of dat we moeten denken aan een ingrijpende ziekte, die hij maar net overleefde.
Toen hij weer verder mocht leven, uit de gevangenis kwam of herstelde van zijn ziekte,
ontdekte hij dat hij gedragen was.
Hij mocht weer verder leven: leven in genadetijd.
Hij was als het ware uit de dood opgestaan
en dat hij weer mocht verder leven, dat de Heere met hem verder wilde,
heeft hem iets geleerd en dat heeft hem enorm in zijn geloof gesterkt:
God wekt de doden op.
Al had ik het niet overleefd, ik was in goede handen,
dan zal mijn toekomst alleen maar beter zijn.
Ik hoor dat familieleden nog wel eens zeggen, als ze waken
bij hun man of vrouw, bij hun vader of moeder: hij, zij kan er alleen maar op vooruitgaan.
Als mijn vader beter wordt, is dat een zegen van de Heere, tijd die geschonken wordt,
maar als hij het niet haalt, als zijn tijd is aangebroken om te gaan,
dan gaat hij naar een plek waar het beter is dan hier, waar geen pijn is, geen verdriet,
bovenal waar de Heere is.
Wat hij geleerd heeft, geeft Paulus aan de gemeente door:
We moeten leren om ons leven uit handen geven.
Dat Jezus is gestorven aan het kruis en daarna uit het graf is gekomen,
dat is niet alleen maar een mooi verhaal,
maar dat zegt ook iets over onszelf.
In de brief aan de gemeente in Rome, die hij waarschijnlijk later schreef,
Zal hij geloven ook omschrijven als sterven met Christus en opstaan met Hem.
We zijn verbonden met Christus.
Als je als gelovige het moeilijk hebt, een kruis hebt te dragen,
verbindt je dat met de Heere Jezus die ook een kruis droeg.
Kruis dragen betekent niet dat God je losgelaten heeft.
Dat je het allemaal niet meer begrijpt en dat je niets meer van God hoort,
dat betekent nog niet dat de Heere Zich terug getrokken heeft.
Het kan ook zijn dat Hij je wil leren om echt op Hem te vertrouwen,
om je leven in Zijn hand te leggen,
dat je zegt: wat er ook komt – mijn leven is in goede handen.
Als ik er morgen niet meer ben, dan hoef ik niet bang te zijn,
hoef ik niet in paniek te raken en te denken dat ik heel wat zal mislopen.
God wekt de doden op.
De dood is voor ons een macht waar we niet tegen op kunnen,
waar je ook bang voor mag zijn, het is de laatste vijand,
maar je mag ook weten dat die laatste vijand verslagen is door Christus.
Er is er Eén die bestuurt.
Paulus past dat ook toe op de gemeente: je kunt als gemeente een moeilijke tijd doormaken.
Een tijd met veel overlijdens, of een tijd waarin mensen afhaken,
een tijd waarin je weinig ambtsdragers kunt vinden en weinig vrijwilligers beschikbaar zijn,
dat het allemaal doods is, dat je verlangt naar een opleving
maar dat je het niet meer verwacht van deze gemeente, omdat het leven helemaal weg is.
Vertrouw niet op je eigen kracht, verwacht het ook niet van mensen,
maar vertrouw op de Heere, geloof dat Hij de doden opwekt
en ook een doodse gemeente tot leven kan wekken.

Het kan zijn dat je nu geen kruis te dragen hebt.
Wat heeft dit gedeelte je dan te zeggen?
Dat je je voorbereid bent voor het moment dat de tegenslag, de crisis wel komt.
Laat je je daar niet door overvallen.
In de vorige gemeente zat een jongen bij de marine.
Hij werd voorbereid op een oorlog, om dan als soldaat ons land te verdedigen.
Dan was hij weer een aantal weken niet in de kerk en op catechisatie
en vertelde hijzelf of zijn moeder dat hij naar Noorwegen was voor oefening.
Oefenen in de kou, om te leren om in moeilijke omstandigheden paraat te zijn
en de opdracht te kunnen uitvoeren.
Zo moeten we als christen ook voorbereid zijn,
je in een goede tijd voorbereiden op de tijd dat je geloof onder druk komt te staan.
Steeds vaker ging deze jongen op training en steeds zwaarder werd de opleiding.
Hij wilde een training gaan doen die nog specialer zou zijn
dan de trainig voor marinier al was.
Hij kreeg echter een ongeluk waarbij zijn duim verbrijzeld werd.
De nog zwaardere training mocht hij niet meer doen
en hij moest binnen defensie zelfs naar een andere functie omkijken
en liet zich omscholen en ging de medische tak in.
Wij kunnen ons voorbereiden, maar als de crisis komt, als aan ons geloof geschud wordt,
kan het zijn dat ondanks al je voorbereidingen je toch onderuit gaat.
Dan worden we niet afgekeurd of afgedankt.
Hij weet wat maaksel we zijn, dat we stof zijn – zongen we vanmorgen.
God vraagt van ons niet dat we helden zijn, die boven onszelf uitstijgen
En meer kunnen leveren dan we van tevoren hadden gedacht.
Nee, Hij vraagt geen helden.
Alleen gelovigen die bereid zijn zich te laten troosten, die de troost aannemen,
die niet naar zichzelf kijken en hun eigen kracht of zwakheid,
maar alleen maar kunnen denken aan Christus
en die daaraan genoeg hebben
en weten: Hij is niet alleen gestorven voor mij, maar ook voor mij opgewekt.
Wat er ook met mij gebeurt – Hij zal ook mij opwekken.
Of dat nu overeind helpen is als je na een crisis onderuit gaat
of overeind helpen uit het graf. Gij geeft ons vrede, vergeving van zonden,en uw nabijheid, die sterkt en die leidt: Kracht voor vandaag, blijde hoop voor de toekomst. Gij geeft het leven tot in eeuwigheid.Amen

Preek zondagmorgen 9 september 2018

Preek zondagmorgen 9 september 2018
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus de Heere prijst, wijst hij nadrukkelijk op het karakter van God:
Geprezen zij God (..) de Vader van alle barmhartigheid, de God van alle vertroosting.
Als er iemand barmhartig is, is dat God wel
en daarom hebben wij alle redenen om Hem te eren en te prijzen.
Vanmorgen in deze dienst van avondmaal wordt Gods barmhartigheid zichtbaar,
door de stoelen die om de tafel staan als nodiging om te komen tot Hem.
In het brood en de wijn die doorgegeven komt Zijn barmhartigheid tot ons.
Barmhartigheid, dat betekent dat de Heere met Zijn hart naar ons kijkt
en Zijn hart laat spreken.
Hij ziet dat wij tekortschieten in onze liefde voor Hem,

dat ons karakter zo afwijkt van Zijn karakter,
dat we ons zomaar mee laten slepen door verleidingen, omdat we er niet tegen bestand zijn.
Hij weet dat het komt, omdat er diep in ons, van nature, iets mis zit,
de zonde, waardoor wij Hem niet kunnen dienen zoals het behoort
en dat we daardoor niet bij Hem kunnen horen, de heilige God die geen zonde duldt.
God is niet alleen heilig, Hij is ook barmhartig: Hij laat Zijn hart spreken.
De barmhartigheid van God, waar Paulus hier over spreekt, komen we ook tegen in het OT:
Steeds is daar weer die ervaring dat God barmhartig is.
Dat Hij het volk niet wegstuurt en afwijst, achterlaat in de woestijn
als het een gouden kalf heeft gemaakt en dat beeld aanbidt als de Heere, hun bevrijder.
Hij gaat toch mee, verder de woestijn in naar het beloofde land.
Dan, als de Heere voor het volk uitgaat, op weg naar Kanaän,
roept Hij uit Wie Hij is en zegt Hij over Zichzelf:
HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig,
geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw
Steeds komt dat terug in het Oude Testament,
een ervaring die het volk door alle eeuwen heeft:
de ervaring dat de Heere hen niet laat zitten, niet in de steek laat
als het zelf wel bij de Heere vandaan gegaan is en andere goden ging dienen,
als het geen vertrouwen had in Israëls God en daarom steun zochten bij sterke landen.
Steeds kwam de Heere weer terug bij Zijn volk
– al kon het tijden duren en moest het volk erom bidden – uiteindelijk kwam de Heere
en vergaf de fouten, herstelde het volk en zorgde dat het volk weer kon leven.
De Vader van alle barmhartigheid – schrijft Paulus:
Als iemand barmhartig is, dan is dat de Heere wel.
Hij had het zelf ervaren, toen zijn verzet gebroken was op weg naar Damaskus
en het goed gemaakt werd tussen hem en Christus – de breuk geheeld, verzoend.
Zo is God inderdaad, zegt Paulus, ik heb het zelf ervaren.
Ik hoop dat u die barmhartigheid van God ook hebt mogen ervaren.
Dat Hij in uw leven kwam.
Daar hoeft het niet van af te hangen, want in de Bijbel wordt er steeds over verteld.
Ook als u dat zelf nog niet zo ervaren heeft, is het waar: God is barmhartig!
Dat betekent, dat Hij niet eerst naar uw zonden kijkt, maar u wil vergeven,
dat Hij u niet weg wil sturen, bij Hem vandaan, maar juist wil dat u komt tot Hem.
Het avondmaal laat niet alleen zien hoe wij tekortschieten, falen, zondigen,
maar ook hoe graag de Heere ons bij Zich wil hebben, bij Hem aan tafel, in Zijn gezin.
Als we ergens Zijn barmhartigheid kunnen zien, kunnen ervaren is dat bij het avondmaal,
want het avondmaal wijst op Christus, die alles volbracht heeft op Golgotha.
Gods barmhartigheid heeft een naam: Jezus Christus.
Paulus schrijft over God als de Vader van alle barmhartigheid.
Onze Vader in de hemel is de bron van alle barmhartigheid.
De liefde, de bewogenheid die er in Gods hart is, stroomt naar ons toe.
Vanmorgen in de tafel, waar u aan mag zitten, het brood en de wijn die u mag ontvangen,
die heenwijzen naar hoe deze barmhartigheid van God spreekt op Golgotha,
daar aan het kruis van Golgotha spreekt Gods barmhartigheid.
Het is dan ook niet voor niets dat Paulus spreekt over de Vader van alle barmhartigheid
en de Vader van onze Heere Jezus Christus – en dat in één zin.
Voor Paulus is dat gelijk: onze Heere Jezus Christus  en alle barmhartigheid.
In Christus wordt Gods barmhartigheid zichtbaar.
als je in het hart van God wilt kijken en als u wilt weten hoe Hij over u denkt,
kijk dan naar Christus, naar Christus aan het kruis
en Christus hier aan de avondmaal, die u uitnodigt om bij Hem te komen, bij Hem te zijn.
Als je over Christus nadenkt, kun je dat alleen maar verbinden met barmhartigheid.
Geen wonder dat Paulus de mond vol heeft over God en de Heere moet prijzen.
Hij nodigt ons uit om ermee in te stemmen en zo ook de Heere te loven:
Geprezen zij de God,
de Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader van alle barmhartigheid.
Dit is nu de Heer die wij dienen, over wie wij steeds horen.
Zo is Hij vanmorgen aanwezig in ons midden: Barmhartig, nodigend
kom hier bij Mij, het brood van genade halen, de wijn van barmhartigheid,
want Ik ben aan het kruis gestorven, voor jouw zonden, voor uw fouten
en al is er heel wat dat je aanklaagt, al kun je heel wat redenen bedenken
waarom er geen plek aan het avondmaal voor jou zal zijn:
Kom, je wijst Zijn barmhartigheid toch niet af?
Wat heb je meer nodig?
Kun je er dan niet mee instemmen, met de lof die Paulus aanheft:
Heere, U bent geprezen, ik loof Uw grote naam – U bent zo bijzonder goed voor mij.
Als je steeds over de barmhartigheid van de Heere hoort,
Als je elke zondag weer te horen krijgt, hoe God zich juist ook over u wilt ontfermen
En dat ook jij bij Hem mag horen, dat er ook voor u plaats is bij Hem,

dan kunt u toch niet uw plaats leeg laten hier aan de tafel.
Dan kan het toch niet anders dan dat er een verlangen is gegroeid,
dat je bij je Heer en Heiland wil zijn: Mijn Vader die barmhartig is, mijn Heere Jezus Christus
Amen


Volkskerk en multiculturele samenleving

Volkskerk en multiculturele samenleving

Sinds in predikant ben, heb ik de gedachte van de volkskerk leren kennen. Hoewel ik opgevoed in een heel andere kerkelijke traditie en het mij moeite gekost heeft om de gedachte van de volkskerk echt te leren kennen, heb ik deze traditie wel leren waarderen. Daarom verdedig ik deze vorm van kerk-zijn als een mooie vorm van kerkzijn, ook in een multiculturele samenleving.

Als ik pleit voor de volkskerk, zijn er altijd gelijk twee reacties: (1) de volkskerk is gelukkig een achterhaald model en wie daaraan vasthoudt is onverantwoord romantisch bezig, (2) de volkskerk past niet in een multiculturele samenleving of wie pleit voor de volkskerk heeft de multiculturele samenleving in wezen niet geaccepteerd.

Sporen
Ik kan alleen maar zeggen hoe ik er zelf in zit. Zoals ik al aangaf: ik kom niet uit deze traditie en had er weinig over gelezen voor ik predikant werd. Mijn reden om PKN te worden was een pragmatische én oecumenische, niet persé vanwege de volkskerk. Als predikant leerde ik de volkskerk wel kennen én waarderen. Niet alleen in Oldebroek, maar ook in Ilpendam in het best seculiere Noord-Holland kwam ik ook nog (sporen van) de volkskerk tegen. Maar Oldebroek is in die zin ook weer niet uniek. In delen van Gelderland / Overijssel / Friesland is deze manier van kerkzijn nog te vinden.

Incarnationeel
Voor mij is de kerk een van de vormen van incarnationeel gemeentezijn. Incarnationeel betekent: zijn waar de mensen zijn. Dit staat tegenover het model van de attractionele gemeente: je probeert aantrekkelijk te zijn, zodat mensen naar jou toekomen. Als vorm van incarnationeel gemeentezijn is de gedachte van de volkskerk in die zin weinig anders dan een pioniersplek met dezelfde gedachte. De volkskerk heeft wel een aantal voordelen: bestaande structuren, een lokale geschiedenis en lokale verworteling. De volkskerk is niet de enig mogelijke vorm, maar een vorm die op bepaalde plekken ook echt nog wel werkt en uit eigen ervaring in Noord-Holland: ook buiten de Biblebelt. Dat is geen romantiek of nostalgie, maar ervaring die mij verbaasde.

Betrokkenheid op de lokale mensen
Volkskerk is voor mij de principiële keus voor betrokkenheid op de wijk of het dorp waar je woont. Anderen kunnen lid worden, maar de principiële aandacht ligt bij de lokale gemeenschap. Praktische gevolgen: liefst elke zondag een eredienst in dit dorp,
liefst zoveel mogelijk ambtsdragers uit het dorp / de wijk, die het dorp of de wijk kennen en hun connecties hebben. De kinderen op dezelfde school, op dezelfde voetbalclub. Niet openlijk kiezen voor een politieke partij en zeker geen christelijke. Zo lijkt het op een gemeentestichting of pioniersplek. Verschil is echter de ontstaansgeschiedenis. De kerk en de gemeente maken al een eeuw, soms langer, deel uit van dit dorp of deze wijk. De kerk en dorp / wijk horen bij elkaar. Niet alleen voor de kerk. Ook voor de mensen.

Een kerk verwachten die bij je past
Wat voor mij verrassend was, was dat de volkskerkgedachte niet meer bij de kerkenraad aanwezig was, die vaak uit andere plaatsen kwam, maar nog wel bij de inwoners van het dorp. Zij verwachtten de kerk op een manier die bij hen paste. Deze mensen hoorden voor hun gevoel bij deze kerk. Enkele jaren voor mijn komst was een grote actie geweest om leden te vragen of ze uitgeschreven wilden worden. Bijna niemand wilde dat. Zij hoorden bij deze kerk. Zij beschouwden zich ook als christen. Zij haken af als er mensen uit andere plekken dominant worden binnen deze kerk en gaan de kerk met meer wantrouwen bejegenen. En toch, het blijft hun kerk. Hier wordt voor hen geloofd en gebeden. Een dorp moet én een café én een kerk hebben, hoorde ik vaak. De kerk is toch ergens de ziel van het dorp, of de hoeder van de ziel van de wijk. De gaven voor de kerk vanwege hun betrokkenheid op hun dorp of wijk.

Lange termijn
Deze mensen zijn vaak terughoudend naar de kerk toe, omdat ze willen weten of de kerk echt om hen geeft. Een predikant in een wijk of op een dorp moet niet na 4 jaar al weg, maar kiezen voor de lange termijn: 12 jaar of langer. En dan uit overtuiging kiezen voor dit dorp of deze wijk. Eén van hen worden. Missionair zijn op een dorp is daarom moeilijker dan in een stad, omdat er veel meer dan in een stad de lange adem nodig is. Mensen komen pas als ze weten, dat je echt om hen geeft en dat weten ze pas als je er echt een van hen wordt. Ik vermoed dat het in een oude stadswijk niet anders is. Daar heb ik echter geen ervaring mee.

Contact kwijt geraakt
Op veel plekken is de kerk met deze mensen het contact kwijt geraakt. Om verschillende redenen: te weinig menskracht, schaalvergroting waardoor de kerk het dorp uit ging (maar deze mensen niet mee gingen), botsing over politieke voorkeuren (zoals PVV-mentaliteit). Dit zijn de mensen die voor hun gevoel bij de kerk horen, maar de veranderingen niet mee maakten. Zijn nog steeds hervormd en hebben vaak weinig met PKN. Wat ze willen: af en toe een bezoek, met een jubileum bijvoorbeeld, begeleiding rondom sterven / begrafenis.

Problematisch
De term volkskerk is achteraf gezien problematisch. Vooral vanwege de term ‘volk’. Kerk voor allen in deze wijk of dit dorp had ook gekund. Zelf vat ik ‘volk’ in volkskerk op als de totale lokale gemeenschap. Volkskerk maakt geen selectie in doelgroepen, tenzij de de totale lokale bevolking van dit dorp en deze wijk als doelgroep beschouwt. Bij het loslaten van de term volkskerk raak je een van de kernpunten uit het oog: de lange historische verworteling. Net als bij elke erfenis geeft dat voordelen én nadelen.

Opwaarderen
Die verworteling wordt nogal eens theologisch opgewaardeerd. Dan is deze kerk een planting Gods, waarbij andersoortige kerken er eigenlijk niet zouden mogen zijn. Ook wordt deze visie politiek opgewaardeerd met theocratie (Van Ruler, Jvd Graaf, vrienden van Kohlbrugge). Deze theologische en politieke opwaardering maak ik niet mee. Ik zie het als een vorm van ketterij waarin er te weinig onderscheid gemaakt wordt tussen de nationale identiteit en de christelijke identiteit van een gelovige. Maar het zaad van een nationaal-religieuze identiteit is gezaaid in de afgelopen eeuwen en ontkiemd nog.  Het is teveel een ideologie, waarbij haast in dienst van de eenheid van de lokale gemeenschap wordt geplaatst. Die eenheid is er vaak, maar dan bij slechts een deel. Er is nauwelijks oog voor wie er buiten valt.

Eenheid niet kunnen meemaken
Het lastige voor denkers in de volkskerk-traditie is niet de seculiere omgeving. Want ook dan kun je volkskerk zijn. Het is niet alleen maar dorpsmatig. Het kan ook in de stad.( Zie P.L. deJong in “Sores en zegen” die er juist weer voor pleit.) Hét lastige voor volkskerk-denkers is degenen die om inhoudelijke reden de eenheid niet mee kunnen maken, zoals de kleinere reformatorische kerken, evangelisch en pinkster. Gelukkig heeft de PKN officieel een andere kerkvisie.

Afscheid
Is deze visie niet een romantische hang naar een ideaal verleden, dat nooit heeft bestaan? De leiding van lokale gemeenten en de leiding van de PKN heeft – vaak onuitgesproken – fscheid genomen van de volkskerk en zeker van de theologische en politieke opwaardering. Alleen lokaal wordt deze impliciet doorgegeven. Dat wreekt zich nu in het debat over de multiculturele samenleving. Veel voormalige hervormden gaan nog uit van een eenheid van de samenleving, die door God gegeven is. Zij voelen zich in de kou staan door hun kerk en hun partij. Het zijn de mensen die heel wat te verstouwen hebben gehad in economische neergang, aan verlies van verworteling (schaalvergroting van gemeenten), verlies van gemeenschap, omdat door import de wijk of het dorp van karakter verandert. De kerk die wegtrekt.

Zwart schaap
De multiculturele samenleving is een makkelijk zwart schaap. Niet omdat ze racistischer zijn (zelfs niet als ze voor zwarte piet zijn), maar omdat ze zien dat ze anders behandeld worden dan anderen. Terwijl zij al jaren wachten op een starterswoning of huurwoning krijgen nieuwkomers vrij snel in hun ogen een huis toegewezen. Ze krijgen opstartgeld, terwijl bezuinigd wordt op hun uitkering, op hun PGB, op hun huishoudelijke hulp. De nieuwkomers kunnen ze niet spreken door taalbarrière en andere culturele gewoonten.

Nostalgie?
Is het nostalgie om te verlangen naar een andere situatie? Dan net zoals de mensen in rouw die ik tegenkom, die verlangen naar de tijd van voor het gemis. Naar toen ze de wereld nog begrepen, de buren er nog voor hen waren, de overheid hen niet in de steek liet.
De enige manier om gehoord te worden, is via het stembriefje of door openlijk sympathie uit de spreken voor PVV, voor zwarte piet. Blijkbaar moet je provoceren om gehoord te worden, want anders wordt er niet geluisterd. Natuurlijk, er is geen weg terug. (Ik heb nu geen enkele moeite meer met de multiculturele samenleving, maar dat heeft wel even geduurd.) Maar in de vorming van de multiculturele samenleving zijn ‘we’ hele bevolkingsgroepen kwijtgeraakt.
De multiculturele samenleving nu vraagt nogal wat aan herziening van de eigen tradities: afscheid van de verweving nationale identiteit en geloof, afscheid van de ideologie van de samenleving als eenheid, bewust onderdeel zijn van je lokale omgeving.


Niet alleen de Biblebelt

Vaak wordt gedacht dat de volkskerk vooral op de Biblebelt voorkomt in plaatsen met hoge kerkelijkheid. Dat ligt veel genuanceerder. Volkskerk wordt namelijk niet bepaald door het aantal leden of de omvang maar door de principiële keuze voor de mensen van de lokale gemeenschap. Waarom je in de Biblebelt kunt spreken over volkskerk is niet dat het beleid van de kerkelijke gemeente op de lokale gemeenschap is gericht (vaak is dat juist niet zo!), maar dat de volkskerk nog leeft bij de randleden of afgehaakte mensen. Op de Biblebelt staat de volkskerk juist onder druk omdat veel (wijk)gemeenten kiezen voor een bepaalde identiteit, waarbij men eerder kijkt naar andere wijken of kerken dan naar de lokale gemeenschap. Vaak is er een tegengestelde visie op levensstijl.

Missionaire visie
In Nederland is er een specifieke visie op de volkskerk, waarin de volkskerk gekoppeld wordt aan de christelijke identiteit van Nederland en aan theocratisch denken. Die koppeling is niet wezenlijk.Wij zijn niet de enigen die nagedacht hebben over de volkskerk. Mijn invulling haal ik bij de oosterburen: Christian Möller, Manfred Seitz, Eberhard Winkler. Michael Herbst van het  Institut für Evangelisation un Gemeindeaufbau promoveerde op een missionaire volkskerk. In Duitsland is het concept van volkskerk nog steeds niet achterhaald. Wel is er kruisbestuiving met de Angelsaksische concepten van mission-shaped en Willow Creek bij het Institut für Evangelisation un Gemeindeaufbau. Ze kunnen elkaar verder helpen. volkskerk kan op verschillende manieren gedefinieerd worden. Die nationale invulling is niet noodzakelijk. Voor mij is het niet het enige model van kerk-zijn. Wel een model dat heel vruchtbaar is. Voor mij wegen de voordelen op tegen de nadelen. Grootste nadeel vind ik het gebruik van ‘volk’. Maar omdat het een ouder concept is, zou ik toch nog even vast willen houden aan de term.

Preek zondagavond 2 september 2018

Preek zondagavond 2 september 2018
Schriftlezing: Jesaja 40:12-31
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een oma maakt zich zorgen over haar kleinkinderen,
omdat ze niet meer naar de kerk gaan en weinig meer aan het geloof doen.
Ze zegt: ‘Mijn kleinkinderen hebben het te goed. Ze hebben God niet nodig.
EIgenlijk hebben ze het nodig dat het eens niet voor de wind gaat, dat het tegen zit.
Dan zullen ze merken dat ze God wel nodig hebben!’

Zou het?
Klopt het wat deze oma zegt, dat een crisis je dichter bij God brengt?
Ik begrijp het wel hoe het komt dat deze oma er zo over denkt.
Ze is zelf opgegroeid in een tijd waarin er heel weinig was,
Er werd hard gewerkt en weinig verdiend
En het weinige dat er was, werd gebruikt om het gezin te onderhouden.
Ze zal zelf als kind in die tijd tot de Heere gebeden hebben,
Dat Hij zal zorgen voor eten, voor werk, voor gezondheid
en ze zal het dankbaar als zegen ervaren hebben dat ze het zelf beter had
en dat haar eigen kinderen niet de armoede kenden die ze zelf had.

Dat een ingrijpende crisis je niet gelijk bij de Heere brengt, kunnen we zien bij het volk Israël:
Mijn weg is voor de Heere verborgen.
Dat is niet zomaar een klacht dat de Heere hen uit het oog verloren is,
maar de klacht dat God Zijn eigen volk de rug toegekeerd heeft
en niets meer met hen te maken wil hebben.
God heeft ons verstoten, zegt het volk, want dat zien we aan wat ons overkomt.
Wat hebben wij aan God? Hij heeft ons laten zitten, juist nu wij Hem zo nodig hebben!
Hier bij het volk Israël zorgt de tegenslag en de crisis er niet voor
dat ze God waren kwijtgeraakt en dat ze Hem weer moeten opzoeken,
maar is er verbittering gekomen, teleurstelling in God.
Waar bent U, nu we U zo nodig hebben?
Je hebt mensen, die als ze een konijn of een hond hebben
en daarvan af willen die niet naar een asiel brengen maar meenemen naar het bos
En daar in het bos hun konijn of hun hond achterlaten.
Of dat konijn of die hond dat niet overleeft, is hun zorg niet. Zij zijn er vanaf.
Zo voelt Israël zich: gedumpt door God, aan hun lot overgelaten.

Wat is er aan de hand?
Aan de woorden die hier gebruikt worden, kunnen we denken aan de ballingschap.
Het volk is niet meer in Kanaän, maar onder dwang weggevoerd naar Babel,
een vreemd en ver land, een trots land,
dat ook in alles laat merken dat het succes aan hun kant ligt.
Tegen hun goden is niemand opgewassen, ook de God van Israël niet.
Israël is maar een volk van stumperds, met een God van niks.
En bovenop het bittere gevoel dat ze door de Heere in de steek zijn gelaten
komt nog de vernedering van de Babyloniërs.
Op de middelbare school had ik een jongen in de klas, die wat merkwaardig was:
hij viel op, dikke brillenglazen, liep wat sloffend door de gangen,
als hij schreef kon je dat bijna niet lezen,
en hij had ook nog eens de pech dat hij klein was.
Het gebeurde wel dat oudejaars zijn tas te pakken kregen
en zijn tas neerlegden op een plek waar hij niet bij kon.
Hij moest wachten tot ze zijn tas teruggaven of tot ze weg waren
en een ander zijn tas kon teruggeven.
Zo voelde het volk Israël zich klein tussen de mensen van Babylon,
die hen op allerlei manieren lieten weten dat ze maar stumperds waren,
die nooit zo sterk en groot en succesvol konden zijn als zij.
Samen met hun goden stonden ze aan de top van de wereld.
Zij bepaalden hoe het er in deze wereld aan toe gaat. Zij hebben de touwtjes in handen.
Door die houding heen heeft hun geloof een extra knauw gekregen.
Israël bestaat nog wel, maar nog even, dan is het voorbij
Wanneer de wind zich over ’t land laat horen,

Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren;

Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.


Dan komt deze profeet: Waarom zeggen jullie dat eigenlijk?
Hoe komt er bij jullie zo’n negatieve stemming?
Heb je niet door dat het zelfbeklag is, dat je jezelf zielig vindt?
Weet je het dan niet?
Met zijn woorden wil de profeet het volk wakker schudden:
doe je ogen open en kijk om je heen!
Nou, dat is wat het volk juist steeds gedaan heeft: om zich heen kijken
en ze werden er alleen maar moedeloos van.
Onderworpen aan een machtig volk, waar ze niet tegen opgewassen worden
en geen enkel teken van God.

Nee, echt niet? Kijk dan nog eens beter!
Kijk eens naar de wereld waarin je leeft.
Jullie daar in Babel zijn misschien wel onder de indruk geraakt van hoe groot de wereld is.
Als je nooit ver weg hoeft te gaan, nooit op reis, dan kan de wereld overzichtelijk zijn.
Maar als je door de wereld trekt, al is dat gedwongen:
Als je door woestijnen en steppen moet, eindeloze vlakten waar geen eind aan komt
als je langs allerlei bergen moet en allerlei dalen, voel je je klein – wat is de mens?
Dan besef je iets van de grootheid van het universum.
Weet je het dan niet?
Je hebt in Babel voor de brede rivier de Eufraat gestaan
en je kon daar niet zomaar overheen, alleen via een pont, een brug of doorwaadbare plek.
En ze hadden wellicht nog herinneringen aan de zee, die uitgestrekt aan de kust lag.
Dat water, een nauwelijks te overwinnen barrière voor de mens
– God meet en weegt dat in Zijn handpalm.
En als je naar de hemel kijkt, kun je je klein voelen, het ontzaglijke heelal.
Het is voor God niet meer dan een span – afstand tussen duim en wijsvinger.
Het zand van de woestijnen en de eindeloze vlakten
– God heeft er alleen maar een maatschepje voor nodig om het af te meten.
De bergen die zo imponerend zijn, waar jij je zo klein bij voelt,
het zijn voor God niet meer dan gewichtjes die je nodig hebt voor een weegschaal.

Hier wordt de grootheid van God als troost gebruikt, als bemoediging.
Want de gedachte van Israël kan zijn dat voor de grote God, de schepper van het heelal,
ISraël te klein is om aandacht te schenken.
De laatste tijd is er aandacht voor de twee Armeense kinderen, Lily en Howick,
die uitgezet gaan worden naar Armenië.
Ze hadden een beroep gedaan op de minister, omdat hij een speciale bevoegdheid heeft
om ze toch hier in Nederland te laten,
maar de minister heeft al laten weten dat hij dat niet doet
En ook rechters hebben aangegeven dat zij naar Armenië gestuurd mogen worden.
In een poging om hier te mogen blijven hebben ze ook de koning aangeschreven.
Maar we kunnen ons voorstellen dat de koning zich er niet mee bemoeit,
zich de vingers er niet aan brandt, zich niet bemoeit met het beleid van het kabinet
en misschien ook wel meer heeft te doen dan hier aandacht voor te hebben.
Zo kan ook de gedachte zijn dat God te groot is om zich met mijn leven bezig te houden.
Maar nee, juist die grootheid van God is de troost.
Want voor ons kan de wereld waarin wij leven soms een ongelooflijke chaos zijn:
armoede die maar niet op te lossen valt, de dreiging van terreur waarin we al jaren leven,
miljoenen mensen die op de vlucht zijn voor oorlog, natuurrampen of honger.
Wat moeten wij nu van de burgeroorlog in Jemen denken, of van de sores in Venezuela?
Gisteren was het 14 jaar geleden dat er honderden kinderen omkwamen
tijdens een gijzelingsactie van school nr. 1 in Beslan.
Als je steeds verhalen hoort en beelden ziet van zulke ellende,
kun je wel gaan twijfelen of God bestaat en of Hij alles nog wel in de hand heeft.

Voor Israël kwam de twijfel ook op door wat ze zagen: immense beelden van goden,
van hout gemaakt en met goud overtrokken – indrukwekkend om te zien.
Als je die beelden zou zien, zou je het zo geloven: zij regeren.
Ho, wacht even, zegt de profeet.
Zo’n beeld? God?
Weet je niet dat de hemel te klein is voor God?
Hoe kan zo’n beeld, waar jij onder de indruk van bent, nu iets van God laten zien?
God is te groot voor zo’n beeld.
Je ziet de glimlach om de mond van de profeet.
Je weet toch hoe ze zo’n beeld maken?
En hoe ze met veel moeite zo’n beeld op de top van een berg plaatsen.
Ze hebben er van tevoren wel veel werk aan om te voorkomen,
dat zo’n beeld niet omkukelt, of niet door verslijt door de gevolgen van weer en wind.
Moet je nu om zulke goden druk maken?
Weet je dan zo weinig van je eigen God,
dat Hij de enige is die er is, dat alles uit Zijn hand komt?
Dat Hij hemel en aarde gemaakt heeft, en alles bestuurt?
Je kunt wel onder de indruk zijn van wat er in deze wereld gebeurt
En bang worden voor de toekomst, bijvoorbeeld vanwege de klimaatverandering.
Maar de Heere is in staat met één handbeweging het hele klimaat te veranderen.
Er zijn tijden waarin je bang kunt zijn voor terrorisme
En je afvragen wanneer Nederland aan de beurt is voor zo’n aanslag.
In het verleden is er wel vaker angst geweest voor iets dat zou gaan komen:
een derde wereldoorlog, de angst dat de Russen West-Europa zouden binnenvallen,
de dreiging dat er ooit ergens een kernbom zou vallen.
Ik wil niet zeggen, dat zulke angst onterecht is of onzinnig,
maar wel dat als de Heere het niet wil, dat het dan niet gebeurt.
Geen enkele macht, hoe dreigend ook, is in staat om verder te gaan
Als God de grens trekt en “Ho!” zegt.

Bij degenen die de macht over hen hadden, de Babyloniërs, zagen de Israëlieten
dat zij ook geloofden in de orde in de wereld.
Het was de orde van wie de sterkste is.
Dat was zo bepaald door de goden.
Overal zagen de Babyloniërs goden: in de zon, in de maan, in de sterren.
Vanuit het universum stuurden zij deze wereld aan
En zorgden zij dat de legers van Babylon onoverwinnelijke machten waren,
niet te stoppen, een grootmacht die alles verpletterde wat tegen hem in verzet kwam.
Kijk nou eens omhoog, naar de zon, naar de maan en de sterren?
Zijn dat echt goden?

Er is een kinderliedje van vroeger:
Weet gij hoeveel sterren kleven aan de blauwe hemelboog?
Weet gij hoeveel wolken zweven boven alle bergen hoog?
Al die duizenden tezamen, roept de Heer bij hunne namen.

Een iets afwijkende versie:

Weet gij hoeveel held’re sterren aan de blauwe hemel staan’

Weet gij hoeveel donk’re wolken boven alle bergen gaan’

Al die duizenden te zamen, Roept de Heer bij hunnen namen

En niet een ontglipt Zijn oog, en niet een ontglipt Zijn oog.

Een leger door God aangestuurd. Hij beveelt en ze gehoorzamen.
Of misschien moeten we bij wat Jesaja hier denken aan een kudde,
Zoals een herder zijn schapen bij elkaar roept,
zo roept de Heere de sterren tot zich en verzamelt ze.
Ze luisteren naar Zijn stem. Hoe kun je denken dat het goden zijn?

Geeft het troost en houvast als je weet dat God de wereld bestuurt?
Dat Hij alles in de macht heeft, dat Hij grenzen trekt?
Niet als God een anonieme macht is, die te groot is voor ons mensen,
Die geen rekening houdt met onze persoonlijke situatie,
die aan wat ons overkomt voorbij gaat.
Nee, zegt Jesaja: God is geen anonieme macht.
Hij kent de zon, de maan en de sterren bij hun naam.
Zo kent Hij ook jouw bij je naam en spreekt je aan, heel persoonlijk:
Jakob, waarom zeg je dat. Israël, waarom beweer je dat?
Zo gaat Hij ook met een ieder van ons persoonlijk het gesprek aan,
omdat Hij ons kent. Weet je niet dat ik jouw God ben?


Voordat je gaat denken dat God te groot is, dat Hij alleen maar van een afstand toekijkt
en aan jou voorbij gaat, het kinderlied gaat verder:
Aan die duizend-, duizendtallen heeft de Heer een welgevallen

En ook mij bemint Hij tee-eer, en ook mij bemint hij teer.
En ook de profeet gaat verder:
De Heere blijft niet van een afstand staan en haalt niet Zijn schouders op.
Nee, met Zijn grootheid en Zijn macht, komt Hij jou helpen.
Weet je, hoe sterk een leger ook is, ze moeten een keer halt houden
om uit te rusten en bij te tanken.
In de Tweede Wereldoorlog hielden de Duitse tanks net voor Duinkerken stil
omdat ze moesten bijtanken
en honderdduizenden Engelse en Franse soldaten konden ontkomen naar Engeland.
Een jaar later waren de Duitse soldaten vlak bij Moskou,
maar toen de herfst inviel, moest het leger stoppen, omdat er nauwelijks meer benzine was,
dat moest van ver worden aangevoerd.
Een van de redenen, waarom Nederland in 1944 niet helemaal was bevrijd,
was omdat de benzine, de tanks en vrachtwagens en soldaten
via Franse havens aangevoerd moesten worden.
Het lukte de Amerikanen, de Engelsen, Canadezen en de Polen niet
om de brug bij Arnhem te veroveren en zo een oversteek over de Rijn te hebben.
En wat voor legers geldt, geldt ook voor mensen.
Eens is de kracht op.
Als je jong bent, houdt je daar geen rekening mee.
Want moe word je alleen na een intensieve inspanning, zoals een (hardloop)wedstrijd.
Maar wie een bepaalde leeftijd passeert, komt er vroeg of laat achter,
Dat je niet meer alles kunt. Dat je bepaalde dingen moet laten schieten,
of dat je een beroep op de kinderen moet doen om het huis schoon te krijgen.
Moe kun je worden van tegenslag of verdriet, van een kruis dat je moet dragen.

God draait het om, zegt de profeet.
Wie sterk is, wordt moe – maar wie moe is, krijgt nieuwe kracht.
Degenen die denken nog heel wat in hun mars te hebben, moeten erkennen:
Hier is mijn grens, verder kan ik niet.
Je kunt onder de indruk zijn van de vitaliteit en de kracht van iemand anders.
Het is maar tijdelijk, zegt de profeet.
Je kunt onder de indruk raken van alles wat hier macht heeft – ook dat is maar tijdelijk.
Je kunt beter omhoog kijken naar God.
Ik hef mijn ogen op naar de bergen – waar komt mijn hulp vandaan?
Mijn hulp is van de Heere, die hemel en aarde gemaakt heeft.
De adelaar – eigenlijk gaat het hier om een gier, met een spanwijdte van meer dan 3 meter.
Een indrukwekkende vogel – koning van de dieren, die zijn vleugels uitslaat
En  op machtige wijze door de lucht zweeft op zoek om toe te slaan.
Dat ben je, Israël, als je op God vertrouwt.

Vertrouw je weg maar aan de Heere toe,
Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan,
zal ook wel wegen vinden, waarlangs uw voet kan gaan.
Waar voor ons mensen geen weg is, baant God een weg,
Israël mocht uit Babel wegtrekken, zoals eerder uit Egypte, terug naar huis,
een nieuwe uittocht.
Zelfs door de dood heen is er een weg, omdat Christus daarin afdaalde
en een weg baant en ons draagt door de dood heen.
Als Hij ons dan kan dragen tot in het Vaderhuis, kan Hij ons ook dragen
in het leven hier op deze aarde.
Amen

 

Preek zondagmorgen 2 september 2018

Preek zondagmorgen 2 september 2018
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:1-11. Tekst: vers 4.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als predikant heb ik al heel wat gezien van families hier in Oldebroek,
doordat ik een rol had bij een begrafenis, bij een trouwerij
of langs kwam tijdens een jubileum of een verjaardag.
Bijzonder vind ik het altijd als er onderling een hele hechte band is binnen de familie.
Als je merkt dat vader en moeder met de kinderen, of broers en zussen,
samen een hele hechte band hebben.
Als ze er echt voor elkaar zijn als het nodig is.
Bij een bruiloft zijn ze aanwezig op een receptie, of komen ze naar de kerk.
Bij condoleren of een begrafenis zijn ze er.
Het doet me altijd goed als je merkt dat iemand afkomstig is uit een hecht gezin,
een familie waarin je de warmte, de betrokkenheid op elkaar voelt.
Misschien weet je wel dat het bijzonder is als je tot zo’n fijn gezin behoort.
Misschien kun je je het helemaal niet voorstellen dat het niet voor iedereen geldt.
Dat er gezinnen zijn, waarin ouders geen contact hebben met een of meerdere kinderen,
families, waarin broers of zussen elkaar al jaren niet meer gezien hebben.
Zulke verhalen raken mij diep, als je verhalen hoort van zo’n breuk binnen de familie.
De pijn die over en weer aangedaan kan zijn,
de boosheid en onbegrip over de houding van de ander,
de onmacht dat er geen manier gevonden kan worden om weer bij elkaar te komen.
Dan moet er heel wat gebeuren om weer bij elkaar te komen.
Dan moet je elkaar weer zien, dan moet er heel wat bijgepraat en uitgepraat worden.
Daarom gebeurt het vaak ook niet
en zelfs met begeleiding van een buitenstaander komt men niet bij elkaar.

Wat is het geheim van een hechte familie?
Dat is niet dat je elkaar regelmatig opzoekt – het kan wel bijdragen aan de versterking.
Het geheim van een hechte familie is naar mijn idee,
dat wat je samen hebt en samen doet ook steeds weer bijdraagt aan de verdieping
van de onderlinge band die er is.
Je bent er voor elkaar, je waardeert elkaar, je stimuleert elkaar of steunt elkaar.
En wat je samen gedeeld hebt, is de volgende keer niet vergeten.

Ik begin hiermee, omdat het in het geloof ook om een band gaat: de band met Christus.
We kunnen dat bij het avondmaal zien: je komt aan de tafel van de Heere Jezus,
Waar Hij de gastheer is,
zoals kinderen hun ouders opzoeken op bepaalde momenten om samen te eten.
Ook al woon je ergens anders, je hoort nog wel bij elkaar
en door elkaar op te zoeken en samen te zijn, samen te eten, versterk je de band.
Nu doe je dat als gezin vaak, omdat de band al hecht is
en door samen te komen, vier je eigenlijk ook die hechte band.
Als de band niet goed is, dan werkt misschien eerder averechts.
In het avondmaal gaat het ook om het versterken van de band die er is met Christus,
maar daarbij is – zeker als we het formulier lezen – er aandacht voor
dat de band niet zo hecht is als die zou moeten en kunnen zijn
en dat er van alles is, dat er tussen God en ons in de weg staat
en als je daaraan voorbij gaat, dan kun je wel bij elkaar komen en bij elkaar zijn,
maar dan versterk je niet de band, maar dan voer je eigenlijk een toneelstuk op,

de toneelstuk van een hechte familie.
En je wordt pas iets hechter als je de tijd neemt om aan elkaar uit te leggen wat er mis is,
niet om dat alleen maar als verwijten te uiten, maar om te begrijpen wat er gebeurt.

Paulus, de apostel die de brief geschreven heeft, ziet het als zijn taak
om bij te dragen aan de band tussen de gemeenten van Christus en hun Heer.
De hele brief is er op gericht om de band weer hecht te krijgen
en Paulus doet dat onder andere door oog te hebben voor wat die relatie heeft verstoord.
Niet dat Paulus het zelf voor elkaar krijgt, maar hij ziet zich als instrument,
Hij weet zich geroepen en ingeschakeld om de gemeente weer bij Christus te brengen.
Hij gebruikt daar een bijzonder woord voor,
voor zijn taak een bijdrage te leveren aan het weer hechter worden
van de band van de gemeente met Christus.
Het woord dat Paulus gebruikt wordt hier vertaald met troost,
maar in de vertaling had ook voor een ander woord gekozen kunnen worden.
Het woord troost komt hier enkele keren voor: God troost ons
en die troost geven we aan elkaar door
en Paulus geeft de troost die hij van de Heere gekregen heeft door aan de gemeente.
Dat woord kan op verschillende manieren vertaald worden.
Troost is hier een van de mogelijke vertalingen.
Je kunt ook vertalen met aansporen, bemoedigen, corrigeren, terechtwijzen.
Een breed spectrum van een positieve, bemoedigende aanpak
tot een behoorlijk confronterende aanpak, waarin je echt terecht gewezen wordt.
Er had ook vertaald kunnen worden: God spoort ons aan en die aansporing geven we door,
onze hemelse Vader vermaant ons en wij geven die vermaning aan elkaar door.
Er kan vertaald worden dat God ons corrigeert, of juist bemoedigt
en dat we daarom elkaar weer corrigeren of juist bemoedigen.
Wat al die betekenissen gemeen hebben is dat het gaat om de band met Christus.
Bij al die betekenissen gaat het erom, dat we als gelovige bij Christus gehouden worden.
Bij al die aspecten gaat het om één ding: bij Christus gehouden worden.
De één heeft daarvoor de troost nodig, omdat er heel wat is gebeurd.
Een ander een aansporing, omdat hij nogal gemakzuchtig is in het geloof
Weer een ander stimulans, omdat zij niet gedoopt is en steeds maar afvraagt
wanneer het juiste moment is om alsnog gedoopt te worden.
Iemand heeft tot je verbazing nog geen belijdenis gedaan – dat komt hier nogal voor.
en je spreekt iemand er op aan en nodigt diegene uit om belijdenis te komen doen,
maar die houdt de boot af: ik heb nog te weinig kennis, nog niet aan toe.
Weer iemand zegt: ik kan niet aan het avondmaal, wat daar hoor ik niet,
of dat doen we binnen onze familie niet.
Als je dat denkpatroon doorbreekt en zo iemand bij Christus weet te brengen,
omdat je de blokkades die iemand zelf heeft opgeworpen,
dan is dat ook hetzelfde als hier gebeurt met troost.
Troost is hier dat je erop gewezen wordt, dat Christus er is.
Dat kan confronterend: hoe heb je nu kunnen vergeten dat je een Heer hebt?
Hoe heb je dat contact met Hem kunnen verwaarlozen?
Natuurlijk, je had het moeilijk, je overzag het niet en je kwam er niet uit,
maar wist je dan niet dat je een Heer hebt die jouw leven in Zijn hand heeft?
Troost kan ook in de vorm van een aanmoediging: maak nou gebruik van het avondmaal,
want daar zul je je Heer en Heiland vinden.

Aan het begin van het avondmaalsformulier werd het ook gezegd dat het avondmaal er is
tot onze troost – om ons weer bij Christus te brengen en ons bij Hem te houden.
En dan kan het best zijn dat er heel wat uit de weg geruimd moet worden,
omdat je nu niet zo close met Christus bent, maar dat er een afstand is, een verwijdering,
Dat kan openlijk, je doet er nu niet zoveel mee, je gaat wat minder naar de kerk
en je laat wat vaker je bijbel dicht,
maar dat kan ook van binnen, zonder dat iemand het ziet.
Je bent er wel, maar in je hart ben je aan het afhaken, het geloof glijdt van je af,
het doet je niet zoveel meer en het zegt je minder dan voorheen.
Dat kan heel wat oorzaken hebben:
drukte in je dagelijks leven, waardoor je er niet meer aan toe komt,
of je hebt het wat verwaarloosd en je ontdekt dat het weinig verschil maakt
en dat je zonder Christus het ook allemaal prima kunt redden.
Of je vindt dat het allemaal wel veel kost en je zoekt naar hoe het gemakkelijker kan.
Jezelf op het avondmaal voorbereiden betekent dat je naar jezelf kijkt
wat er op dit moment allemaal mis is in je relatie met Christus,
waarom de band niet zo hecht is als die zou moeten en hoe dat komt.
Het kan zijn dat er in het afgelopen half jaar, in de afgelopen drie maanden,
vanaf de vorige avondmaalsviering wat gebeurd is, waardoor de band anders is.
Het kan zijn dat er al langer wat is, waardoor er iets tussen jou en God staat.
Het avondmaalsformulier zegt tegen ons: Als je over jezelf nadenkt,
kom je bij uit dat er in de basis iets niet goed zit, niet goed is,
waardoor je geen hechte band met Christus kunt hebben:
we hebben als mens de band die er was met God op het spel gezet, verbroken,
door te kiezen voor een leven zonder God.
En misschien is dat in jouw leven nog steeds wel zo, dat je als je eerlijk bent
nog steeds leeft zonder God. Dat mag je niet zomaar accepteren!
Daar mag je het niet bij laten!

Nu spreekt Paulus tegen mensen die Christus hebben leren kennen en zijn gaan geloven.
Ze waren al bij Christus teruggebracht, als verloren schapen terug bij de kudde.
Als leden van een gezin die al tijden geen contact meer hadden met hun familie,
omdat ze op zichzelf waren geraakt en met wie de band weer is hersteld.
Maar het is net of ze de draai niet helemaal kunnen vinden, of er toch nog wat is.
Ze horen wel bij Christus, terug in het gezin van God, maar toch… er is iets.
Er gebeuren nogal wat ingrijpende dingen in hun gemeente,
Waardoor het vertrouwen dat er was gekomen in Christus toch was geschokt.
Ze waren eerst blij om bij Christus aangekomen te zijn, opgenomen in de gemeenschap.
Maar door die ingrijpende gebeurtenissen, die hen niet in de kouwe kleren waren gaan zitten

gingen ze toch weer twijfelen: hadden ze er wel goed aan gedaan, is dit wel de juist weg.
Ze raken de moed kwijt.
En juist in deze periode hadden ze weinig aan Paulus.
Want Paulus zat zelf in een crisis – hij moest nee verkopen aan de gemeente van Korinthe.
Paulus had zijn eigen worsteling, zijn eigen strijd
en de gemeente van Korinthe moest de eigen worsteling met Christus zelf maar alleen doen,
zonder dat ze daarbij begeleiding en perspectief van Paulus kregen.
Dat had de band die er was, die toch al niet zo denderend was, geen goed gedaan.
Een wantrouwen mbt Paulus, dat er op een gegeven moment gekomen was,
was sterker geworden en ze konden van Paulus weinig aannemen.
Hij was voor hen niet de juiste man om hen bij Christus te houden.
Ze hadden iemand anders nodig, die hun geloof kon stutten, kon ondersteunen,
die het enthousiasme, dat weggezakt was, weer kon terug brengen door preken
die je weer enthousiast maakte voor Christus,
waardoor je weer wist waarom je in Christus geloofde.
En dan zagen ze Paulus, dan dachten ze al zuchtend:
nee, van hem moeten we het niet verwachten. Hij is voor ons niet de juiste persoon.
Dan maar een ander.
In de eerste brief staat dat ze eens gevraagd hadden om Apollos maar te sturen.
Dan, terwijl de band met tussen Korinthe en Paulus niet zo denderend is,
en de band met Christus ook onder druk staat, schrijft Paulus weer een brief.
Hij schrijft over genade en vrede, over troost, over barmhartigheid en ontferming.
Hij zegt tegen de gemeente: Ik heb in de afgelopen tijd iets geleerd
en wat ik geleerd heb, mag ik aan jullie doorgeven, om jullie geloof te versterken.
Mijn ervaring mag jullie helpen, om zelf ook weer die band met Christus te ervaren,
mijn verhaal mag jullie helpen om zelf ook weer bij Christus uit te komen.
Ik heb troost gekregen en dat mag ik weer aan jullie doorgeven.

Het is bijzonder dat Paulus begint over de troost spreekt,
Want hij was het echt kwijt.
Paulus heeft, toen hij heel diep ging – hij ging heel diep want zag de dood in ogen,
en dat was voor hem een huiveringwekkende ervaring,
waarin hij dacht dat hijzelf afgebroken werd
en misschien ook wel dat van het werk dat hij deed er niets meer overbleef.
Juist toen hij zo diep ging, leerde hij Christus nog meer kennen dan hij al deed.
Hij werd zelf getroost – getroost in de diepe betekenis van bij Christus bewaard.
Die ervaring dat – op het moment dat alles je uit de handen glipt
en van je eigen werk niets meer overblijft
en dat je je vertwijfeld afvraagt: God, hoe moet het nu met Uw kerk –
dat op dat moment Christus er wel degelijk is, niet in de vorm van succes,
maar in de vorm van genade – Mijn genade is u genoeg,
Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht,
Mijn glorie zichtbaar gemaakt door mensen die helemaal niet perfect zijn,
zoals aan het avondmaal niet alleen maar perfecte mensen hoeven te zitten, zonder zonde,
maar juist zondaars die weten van hun zonde en daar zelf niet van los komen.
Afgebroken worden – dat kan ook als het echt tot je doordringt wat het betekent
om zondaar te zijn en dat je helemaal daar niet aan tafel kunt zitten volgende week
en dat – als God niets had gedaan er niemand had kunnen zitten.
Maar juist als je helemaal niets overhoudt, alleen maar de aanklacht voor jezelf
dat er van alles aan je geloof schort, dat er niets klopt, dat er geen plek is voor je
– juist dan is er die plek bij de Vader van alle barmhartigheden, de God van alle troost,
die je niet laat zitten als de zonde je aanvliegt, maar wijst op Golgotha:
daar heeft Mijn Zoon gehangen, ook voor jou.
Ik hoop dat we elkaar de komende week zo elkaar – in Christus’ naam kunnen troosten.

Vaste grond – een eeuwig anker – geen storm kan mij losrukken,
geen zonde of aanklacht kan mij bij Christus wegslaan,
Steeds weer vind ik daar die barmhartigheid, het hart van de hemelse Vader,
omdat Christus daar stierf op Golgotha, ook voor u, voor jou en voor mij.

Daarop wil ik gelovig bouwen

getroost, wat mij ook wedervaart
Amen