Navolging zonder zelfverloochening?

Navolging zonder zelfverloochening?

Tegen allen zei hij: ‘Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen en dagelijks zijn kruis op zich nemen en mij volgen.” (Lucas 9:23)

Het valt mij op dat er in de godsdienstpedagogiek nauwelijks aandacht is voor het navolgen van Christus. Als ik als predikant meer zou willen weten over hoe ik de kinderen en jongeren kan helpen bij hun navolgen van Christus is daar nauwelijks iets over te vinden.

Crisis
Ik vraag me af, hoe het komt dat dit wezenlijke onderdeel van het christelijk geloof weinig aandacht heeft. Heeft dat te maken met het feit dat er al enkele decennia sprake is een crisis in de catechese en met het afbrokkelen van de traditie? Vanaf de jaren-’70 werd de godsdienstpedagogiek een handelingswetenschap. Dat hield in dat men zich vooral bezighield met het verbeteren van de praktijk van catechese en geloofsopvoeding. In deze fase vond er een wending plaats: niet meer de lesstof stond centraal, maar de jongere of de catechisant met zijn of haar vragen en zijn of haar levensweg.

Empirisch
Vanaf de jaren-’90 werden de gevolgen van het afbrokkelen van de traditie duidelijk zichtbaar. Veel jongeren hadden geen binding meer met de christelijke traditie. Men richtte zich op wat jongeren nog wel met godsdienst en geloof hadden. Godsdienstpedagogiek werd nu vooral een empirische wetenschap: onderzocht werd op welke manier jongeren over God, geloof en kerk dachten.
Uit dit onderzoek bleek dat jongeren wel degelijk religieus geïnteresseerd waren en over God en geloof nadachten. Alleen hadden ze vaak geen behoefte om zich te binden aan een bepaalde religieuze traditie. Deze wending leverde boeiende invalshoeken en gezichtspunten, die ik niet meer kwijt zou willen raken: aandacht voor de geloofsbiografie van jongeren, aandacht voor de religieuze thematiek in de leefwereld van jongeren (films, songs, e.d.), de godsdienstige vragen en antwoorden van jongeren.

Voor het nadenken over wat navolging voor jongeren betekent, had het ook nadelige gevolgen. Godsdienst werd beperkt tot zingeving en wereldbeschouwing.

Ook in het pastoraat vergeten
Dat de aandacht voor navolging langzamerhand uit het gezichtsveld verdwenen is, geldt trouwens voor ook voor het pastoraat. Recent bracht Michael Herbst, hoogleraar praktische theologie en directeur van een instituut voor evangelisatie en gemeenteopbouw, een boek over pastoraat uit. Daarin was geen aandacht voor het begeleiden van de navolging en ook geen aandacht voor het brengen tot Christus. En dat terwijl zijn instituut volop bezig is met onderzoek naar hoe volwassenen tot geloof komen en hoe de kerk nieuwkomers kan winnen voor het evangelie van Christus.

Verzet tegen zelfverloochening?
Wellicht heeft het verdwijnen van de aandacht voor navolging ook wel te maken met verzet tegen zelfverloochening. De hedendaagse christelijke kinderliedjes draaien vooral om zelfbevestiging en eigenwaarde: Ik ben ik, ik ben goud waard, of: ik ben een parel in Gods hand. Wie aan een christelijke of gereformeerde hogeschool studeert krijgt een houding aangeleerd die geregeld haaks staat op de zelfverloochening. Er is aan alle kanten aandacht voor discipelschap, maar dan wel zonder zelfverloochening en kruisdragen.
Niet verwonderlijk, want het past ook niet in onze maatschappij.

Uitdaging
De laatste jaren tekent zich weer een nieuwe wending af in de godsdienstpedagogiek. De christelijke traditie is onbekend en vreemd. Maar juist het onbekende en vreemde van deze traditie kan jongeren uitdagen en stimuleren. Zij vinden in de christelijke traditie een wijsheid die zij niet in de wereld om zich heen vinden. De opdracht die Christus geeft om ons kruis op te nemen, onszelf te verloochenen en Hem na te volgen, past niet in een cultuur die draait om zelfontplooiing. Dat het leven buiten onszelf ligt, staat haaks op wat wij om ons heen zien en ervaren. Juist dat provocerende, dat irriterende, dat vervreemdende kan ons de ogen openen voor de wijsheid in Jezus’ woorden. Het kruisdragen en de zelfverloochening ontregelt ons zoeken naar zin, maar daagt ons zoeken ook uit en geeft er ook een verdieping en verrijking aan.

TraditieHier ligt een trouwens ook een mooie taak voor de kenners van de christelijke traditie om de gedachten over navolging en de levenspraktijken over navolging uit de traditie in te brengen.

De heiligen, ons voorgegaan,
hebben hier niets verworven,
maar zijn aan ’t einde van hun baan
als vreemdeling gestorven

zij spreken en getuigen nog
om ons geloof te sterken

(Gezang 103 Liedbok voor de Kerken)

Geschreven voor: HWConfessioneel

Houvast

Houvast

Afgelopen zaterdag bezochten wij als gezin Paleis het Loo. In een van de vertrekken ging over de stille jaren van prinses Wilhelmina. In deze jaren (1948-1962) trad ze niet veel in de openbaarheid. Ze besteedde haar tijd aan het schilderen en aan het getuigen van haar geloof. Tijdens de expositie werd ook een film gedraaid van haar begrafenis. De kinderen waren geboeid door deze filmbeelden en stelden allerlei vragen over sterven en begraven worden.

Afgelopen maandag was ik bij een begrafenis. Een oud-docent werd begraven. Hij was 60 jaar geworden. Het was een bijzondere dienst: ook al was het besef aanwezig dat de dood veel te vroeg gekomen was, werd deze dienst gestempeld door de opstanding van Christus. Daardoor kon in deze dienst de hoop duidelijk klinken. Een hoop die ons geschonken is, omdat wij door de opstanding van Christus wedergeboren worden tot een levende hoop (1 Petrus 1:3). In een dienst van afscheid en zeker in een dienst waarin iemand wordt herdacht die nog niet zo oud werd weggenomen, hoeven de woorden dat wij zijn als gras geen nadere uitleg. Deze woorden uit Psalm 103 worden door Petrus aan het einde van het hoofdstuk aangehaald. Bijzonder is het tegenovergestelde: Gods Woord blijft tot in eeuwigheid. Petrus benadrukt dat dit Woord dat tot in eeuwigheid is het evangelie is. Dat was de troost die meegegeven werd: het evangelie – Gods woord, blijft in eeuwigheid. Dat is ons houvast in leven en sterven.

Dit houvast is er niet altijd. Tegen onze aanvechtingen en twijfels in, moet dit telkens weer verkondigd worden. Moeten wij gewezen worden op de levende Heere. Deze oud-docent en hoogleraar hechtte daarom grote waarde aan de preek. Niet alleen als een last en een opdracht, maar ook als een grote vreugde en bevrijdend spreken van Godswege.

Tijdens deze dienst realiseerde ik mij dat deze tekst uit 1 Petrus 1 ook de tekst waarmee ik intrede heb gedaan in Oldebroek. Ik besefte dat het in mijn eigen leven ook waar is dat wij opnieuw geboren kunnen worden tot een levende hoop. Die hoop die in Christus is, krijgen wij geschonken van de Heere. In Zijn sterven en opstanding. Het mooie van deze tekst, en daarom ben ik ook van die tekst gaan houden, is dat het geen droge constatering is, maar lofprijzing: Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. De hoop die ons in Christus geschonken wordt en waartoe wij opnieuw geboren worden doet ons zingen tot eer van Hem. Zelfs in een dienst van afscheid nemen.

De parel van bijzondere waarde

De parel van bijzondere waarde
Meditatie over Mattheüs 13:45

Wie zou dat niet willen? Een schat vinden waardoor ik in één klap van alle zorgen bevrijd ben? Ik hoef nooit meer bij een bepaalde uitgave te bedenken: Kan ik mij deze uitgave wel permitteren? Ik hoef niet achter de koopjes aan te gaan om net iets over te houden, want ik heb genoeg voor vandaag, voor morgen, voor jaren. Ik hoef nooit meer bij de kassa de spanning te voelen, de angst dat de pas weigert omdat het saldo ontoereikend is. Als ik iets moois zie, hoef ik dat niet meer te laten liggen, maar kan ik het aanschaffen. Ik kan mijn kinderen voorzien van een mooi bedrag op hun spaarrekening. Als ik zo’n schat vind, is een leven vol geluk binnen handbereik gekomen.
Het zou best eens kunnen dat mensen meedoen met een loterij om een gelukkiger leven te krijgen dan ze tot nu toe hebben. Ik weet nog dat ik gebeld ben door een of andere lot van een loterij te kopen. Ik zei dat ik geen interesse had. De vrouw van de telefonische hulpdienst reageerde vol ongeloof: ‘Maar meneer, weet u wel wat u misloopt?’
Nu zijn de meesten voorzichtig. Ze kopen enkele loten. Ze zullen nooit al hun spaargeld besteden aan de loterij. Ze wagen een slechts een gokje. Wij houden van risicospreiding. Als we alles inzetten, moeten we wel de zekerheid hebben dat het de moeite waard is. Willen we wel de garantie hebben dat wij er genoeg voor terug krijgen.
Wat dat betreft hebben de mannen in deze twee gelijkenissen iets lichtzinnigs. Een handelaar die alles wat hij heeft om één parel te kopen. Als deze handelaar een compagnon heeft, zou deze compagnon op hem inpraten: ‘Het is niet verstandig om alles op één kaart te zetten. Van één parel, hoe waardevol ook, kun je toch niet leven? Als je alles opgeeft om die éne parel te kopen, waar moet je dan van leven? En die parel, is die parel echt wel zoveel waard als je denkt? Hoe weet je dat die parel niet nep is? Dat je niet voor de gek wordt gehouden. En weet je, over 10 jaar daalt de parel in waarde. Of als je met pensioen wilt, blijkt die parel niets meer waard te zijn.’ Zijn er geen mensen de mist ingegaan, omdat ze dachten dat zij een schat vonden. Legio lease bijvoorbeeld: de garantie dat je met geleend geld aandelen kon kopen, die toch in waarde zouden stijgen. Niemand hield er rekening mee dat vlak voor het uitkeren van het geld, de aandelenwaarde kelderde en dat er een behoorlijke schuld was opgebouwd in plaats van het voorgespiegelde eindbedrag.
Het koninkrijk der hemelen is te vergelijken met deze lichtzinnigheid, namelijk: alles op één kaart. Het koninkrijk der hemelen is iemand die dat risico op de koop toeneemt, dat de deal een grote flop zal zijn, omdat hij ervan overtuigd is van de grote waarde. Overtuigd van de waarde van het koninkrijk van God.
Wat bedoelt de Heere Jezus met het koninkrijk de hemelen? Hij bedoelt daarmee dat de Heere gezag over ons leven krijgt. Over ons leven koning wordt. Ons leven in Zijn dienst komt de staan. De Heere Jezus bedoelt met deze gelijkenis aan te geven: wie ontdekt, dat de Heere koning over ons leven wil worden, gezag over ons leven krijgt, heeft daar alles voor over: bereid om alles van waarde te ruilen voor de heerschappij van de Heere over ons leven. Bereid om het huis dat na zoveel jaar van aflossen van onszelf is geworden. Of grond dat we hebben geërfd van onze ouders. Een pensioen dat we hebben opgebouwd. Ze zijn er geweest die alles hebben opgegeven. Denk aan de discipelen. De Heere Jezus kwam bij hen langs en riep hen: ‘Volg mij!’ Wat zal de vrouw van Petrus hebben gedacht toen haar man de Heere Jezus achterna ging en niet meer zijn werk als visser deed? Waar zal Petrus zelf van hebben geleefd, toen hij zijn werk opzegde en de Heere Jezus volgde? Het zal een leven in vertrouwen geweest zijn. Leven bij de dag. Van wie zullen we nu te eten krijgen? Wie zal ons nu wat toestoppen, zodat we te eten hebben? Die belangrijke vragen van alledag, ze zullen ermee te maken hebben gehad! En toch, ondanks die zorgen, waren ze gelukkig. Als die koopman, die deze onvoorstelbare, deze dwaze deal had gedaan. Alles verkocht om dat ene te verkrijgen.
Deze gelijkenis staat in de context van het oordeel. Als we aan de mogelijkheid om verloren te gaan denken, kunnen we de neiging hebben om alles op het ene te zetten: ons behoud. Om toegang tot de hemel te verkrijgen. Hoe belangrijk dat ook is, dat is niet wat de Heere Jezus bedoeld met deze gelijkenis. De les van de dwaze deal van die koopman die helemaal verslingerd is geraakt aan die ene uitzonderlijke parel is niet, dat we alles moeten doen om toegang te krijgen tot de hemel en dat we daarom moeten vluchten naar de Heere Jezus. Nee, dan draaien we het om. Niet de hemel is van grootste waarde, maar de Heere Jezus. De zeggenschap die Hij over ons leven krijgt. Niet alleen later, maar ook al nu. Dat is die parel van grote waarde! Dat wij ons leven nu al aan Hem overgeven. Niet dat het altijd een makkelijk leven was. Dat was het voor die koopman ook niet. Wat had hij nog over nu hij die parel had? Hoe moest hij aan eten komen? En toch, hij was gelukkig. Hij had iets gevonden waar hij geen rekening mee hield. Hij had iets gevonden en hij had nooit een vermoeden dat zoiets bestond. Dat zoiets je zo gelukkig kon maken. Het koninkrijk van de hemelen, de Heere Jezus als koning over ons leven. Dat geeft niet altijd een gemakkelijk leven. Want het betekent ook, dat wij ons kruis moeten dragen. En toch, het maakt ons gelukkig. Niet vanwege onze eindbestemming: waar we in het hiernamaals zullen zijn. Maar omdat wij Hem al in het heden hebben gevonden. Nu al onze schat.
De koopman liep het risico, maar had er alles voor over. Omdat hij niet geloofde dat de parel ook van waarde zou verminderen. Alles over voor de Heere Jezus. Dan moet Hij ook wel waarmaken wat Hij belooft. Dat zal Hij ook doen. Die andere kant is er ook. De hel. De plaats die God allereerst niet gewild heeft. Maar de plaats die mensen zelf wilden, omdat zij die schat wel zagen, maar niet wilden. Dat er niet voor over hadden. Als er in de hel mogelijkheid is om na te denken, zullen de gedachten cirkelen rondom de vraag: hoe hebben wij die schat kunnen laten liggen. Hij lag er voor ons.
Wie in Hem gelooft, vindt allereerst Hem. De grootste schat, de verbondenheid met Hem. Maar in Hem ook toegang tot het koninkrijk in de hemel. Ook daar zal de grootste vreugde zijn, niet dat wij in de hemel zijn, maar dat wij helemaal bij Hem zullen zijn, onze Heere voor wie we hier alles hebben overgehad. Hij geeft Zijn goedheid en rijkdom in zo’n grote mate, dat wij er geen voorstelling van hebben. Een schat die niet te taxeren valt, zo groot en zo overweldigend.

De omkeer van Zacheüs

De omkeer van Zacheüs
Een uitleg van Lukas 19:1-10

In deze perikoop zijn verschillende thema’s uit Lukas verwerkt: het gaan, de rijkdom, het verlangen om te zien, de omkering van de waarden, de ontmoeting met Jezus, het heden van het heil, de identiteit en de missie van Jezus. Het verhaal van Zacheüs is de ‘narratieve kwintessens’ van het evangelie van Lukas (H. Merklein).

Hoewel het woord “omkeer” (Grieks: metanoia) niet in deze perikoop voorkomt, is het een kenmerkend verhaal voor metanoia. Het verhaal is onderdeel van de Sondergut van Lukas, waarin het steeds gaat om de onvoorwaardelijke toewending van Jezus naar zondaars; Jezus als redder en vriend van zondaars.
Waarom Zacheüs Jezus wil zien, wordt niet uitgelegd. Hij wil een antwoord op de vraag wie Jezus is. Misschien omdat Jezus de naam heeft een vriend van tollenaars en zondaars te zijn. Het verlangen om Jezus te zien, is groter dan zijn weerstand om zich onder de menigte te begeven.

Moet
Wat er gebeurt, overtreft de verwachtingen van Zacheüs: Jezus ziet hem en roept hem naar beneden. Jezus moet in zijn huis verblijven. Dat moeten (Grieks: dei) verwoordt bij Lukas steeds de heilshistorische noodzaak van het optreden van Jezus. Jezus moet zijn intrek nemen bij Zacheüs en dat betekent voor Zacheüs dat hij het heil ontvangt.

Nu
Jezus moet nu in zijn huis verblijven. In dit moment (nu, het heden) komt naar voren dat de het optreden van Jezus op aarde de tijd van Gods heil brengt en aankondigt (vgl. Lukas 2:11, 4:21, 19:5, 19:9, 23:43). Door over nu te spreken zegt Jezus: het is zover. De tijd van het heil, die is aangekondigd in het Oude Testament en waar men zolang naar heeft verlangd, is in Hem aangebroken: God heeft Zijn volk bezocht (vgl. Lukas 1:68-79). In het woord bezoek en het bezoek als zodanig van Jezus klinkt de zendingsopdracht die Jezus gekregen heeft door. Ook in de spoed waarmee Zacheüs naar beneden moet klimmen, klinkt de komst van het heil door.

Morren
De omstanders komen in verzet bij deze aankondiging van Jezus. Het morren van het volk wijst terug naar de ontevreden houding van het volk tijdens de woestijnreis. Dit morren is het tegenovergestelde van de vreugde die er bij de engelen in de hemel is en ook bij degenen die tot inkeer komen.

De omkeer van Zacheüs
Zacheüs kondigt aan dat hij zal teruggeven. De gebruikte werkwoordsvorm dat Zacheüs het in de nabije toekomst zal doen. Bijvoorbeeld de volgende dag als Jezus verder is gegaan. Zacheüs is niet iemand die in stilte rechtvaardig is en de komst van Jezus verdient. Nee, Zacheüs is een zondaar die door de ontmoeting met Jezus het heil geschonken krijgt.
Zacheüs geeft meer dan voor een gebruikelijke boetedoening nodig is. In die tijd was de regel om in het geval van boetedoening 1/5 van het bezit af te staan en verder 1/5 van elke jaaropbrengst. Het 4x zoveel teruggeven is de Romeinse straf op diefstal. Voor het weggeven van de helft van zijn bezit zijn geen parallellen in het Joodse of Romeinse rechtssysteem te vinden. Het is Lukas er dan ook niet om te doen wat de tot inkeer gekomen zondaar als vorm van boetedoening laat zien. De vraag die Lukas bezig houdt is: Wat zou een mens hebben ontvangen dat hij op vrijwillige basis meer doet dan het vervullen van de gebruikelijke plichten? Dit is geen plicht (bijvoorbeeld om de boetedoening te laten zien) meer, maar een antwoord op de overweldigende rijkdom en het onverdiende geschenk: de komst van Jezus in zijn huis. In Jezus wordt Zacheüs door God bezocht en thuisgebracht.
Doet Zacheüs hier meer dan de rijke jongeling? De missioloog D. Bosch is deze mening toegedaan: Zacheüs laat in de vreugde waarmee hij zijn bezit weggeeft, zien dat hij meer doet dan de rijke jongeling die vanaf zijn jeugd alle wetten heeft gehouden maar de beslissende stap niet kan zetten. De stap die Zacheüs zet is wellicht een menselijke onmogelijkheid, maar mogelijk gemaakt door het heil van God.

Om het verlorene te zoeken en te redden
Zacheüs ontvangt het heil, omdat hij door Jezus gezien wordt als een ‘zoon van Abraham’; niet om zijn reactie op de komst van Jezus. Ook niet omdat Zacheüs op zoek ging naar Jezus. Ondanks zijn zondaar-zijn behoort deze Zacheüs bij God en wordt hij door Jezus weer bij God gebracht. Zoals de vrouw op zoek ging naar de verloren penning omdat het haar bezit was, zo is Jezus op zoek naar Zacheüs omdat hij Gods (verloren geraakte)‘eigendom’ is.
In vers 10 wordt de reden samengevat waarom Jezus gekomen is. In deze samenvatting klinkt door dat Jezus de herder is, die door de profeten werd aangekondigd; de herder die de verloren schapen weer bij elkaar zal brengen.
Zacheüs was een zoon van Abraham. Lukas zal later tonen dat Jezus meer doet dan de verloren zonen en dochters van Abraham terug te brengen. Ook heidenen worden door deze Mensenzoon opgezocht en weer tot ‘eigendom’ van God gemaakt.

N.a.v.: Mihamm Kim-Rauchholz, Umkehr bei Lukas. Zu Wesen und Bedeutung der Metanoia in der Theologie der dritten Evangelisten (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2008) 153-161.

Een godsdienstpedagogische commentaar op de Bijbel (1)

Een godsdienstpedagogische commentaar op de Bijbel (1)

Vorig jaar verscheen er een godsdienstpedagogisch commentaar op de Bijbel. Verschillende godsdienstpedagogen en exegeten werkten hier aan mee. Zij kregen de taak mee om een artikel te schrijven over één bepaald Bijbelboek vanuit de vraagstelling: op welke manier wordt de hedendaagse godsdienstpedagogische waarneming uitgedaagd door dit desbetreffende Bijbelboek. Het commentaar wil meer bieden dan een actuele stand van zaken in de exegese van een Bijbelboek. Het gaat om de uitdaging die vanuit dat Bijbelboek op de leef- en denkwereld van jongeren opkomt. Op welke manier wordt onze waarneming van hun leef- en denkwereld uitgedaagd, kritisch bevraagd, tegengesproken of gestimuleerd?
De Bijbel is voor onze cultuur een belangrijk boek. Onze cultuur is in grote mate gestempeld door de Bijbel. In de ogen van de redacteuren Bernhard Dressler en Harald Schroeter-Wittke is dat geen afdoende basis om de Bijbel in onderwijs en geloofsopvoeding aan de orde te laten komen. Sterker nog, ze zijn van mening dat deze insteek bijdraagt aan een musealisering van de Bijbel. Het behandelen van de Bijbel gebeurt dan vanuit een historische blik, een terugkijken: toen was de Bijbel (nog) van belang.
Dressler en Schroeter-Wittke zijn van mening dat de Bijbel een plaats in opvoeding en onderwijs moet krijgen, omdat de Bijbel ons vandaag de dag nog veel te zeggen heeft. De Bijbel laat een licht schijnen over onze leefwereld. De Bijbel kan helpen om onze wereld te ontsluiten en te begrijpen. De Bijbel is een bron van kracht, die ons oriëntatie biedt in onze wereld. In het onderwijs en de opvoeding gaat het niet alleen om het leren kennen van de Bijbel, maar voor om de verbinding van de Bijbel met existentiële vragen en met de onze waarneming van de wereld waarin wij leven. De didactiek van de Bijbel zou erop gericht moeten zijn om deze verbinding te bewerkstelligen.
De Bijbel heeft weliswaar onze cultuur gestempeld, maar steeds meer wordt de Bijbel een boek dat ons vreemd is. Omdat het stamt uit een cultuur die ons vreemd is. Omdat het op een manier over God spreekt die in onze cultuur steeds meer vreemd geworden is. Deze vreemdheid kan leiden tot onbegrip of irritatie. Het fascinerende van de hedendaagse godsdienstpedagogiek is dat die vreemdheid ook productief en stimulerend kan werken. Wat anders is, kan ook een bepaalde aantrekkingskracht hebben. Een nieuw perspectief kan tot nadenken stemmen. Een onverwachte vraag kan ontregelen, maar ook uitdagen.
Bij een project waaraan verschillende auteurs meewerken, zal niet alles even boeiend zijn. Zo gaat het in het artikel over Handelingen alleen over de wonderverhalen. In de artikelen over de Torah en de eerste boeken van de Bijbel komt naar voren dat de veelvoud aan hypothesen een behoorlijke belemmering is. In de artikelen kan het vaak ook slechts om aanzetten gaan.
Daarnaast zijn er genoeg interessante invalshoeken en leidt de ontmoeting of confrontatie van Bijbeltekst en godsdienstpedagogische waarneming tot een boeiende reflectie. In het artikel over het evangelie van Mattheüs wordt de insteek genomen in de vragen van scholieren. In de ontmoeting van de vragen van leerlingen en de tekst van het evangelie valt op dat in dit evangelie vragen een grote rol spelen. Zo kan deze ontmoeting ook voor de exegese verrijkend zijn.

N.a.v. Bernhard Dressler / Harald Schroeter-Wittke (Hg.), Religionspädagogischer Kommentar zur Bibel (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2012).

Geschreven voor HWConfessioneel. In het vervolg wil ik een aantal boeiende zaken uit dit commentaar naar voren halen

Een nieuw ritme voor de kerk

Een nieuw ritme voor de kerk

De kerk verliest in deze tijd steeds meer aan betekenis. Volgens Christian Grethlein kan dat ook te maken hebben met de gegeven dat het kerkelijk ritme gebaseerd is op een verouderd levensritme.

Christelijke rituelen en ritmes zijn van oorsprong gebaseerd op het levensritme in een agraische samenleving. In zo’n samenleving zijn bepaalde ritmes van belang, zoals de wisseling van dag en nacht, de maanstanden, de wisseling van de seizoenen, een mensenleven volgens vaste ritmes met weinig variatie. Dit levensritme bepaalde ook het ritme van de kerk en van een christen:
(1) wisseling van dag en nacht (morgen- en avondgebeden), de maaltijd (tafelgebeden), (2) weekritme waarbij de zondag een centrale rol vervulde, (3) kerkelijk jaar, (4) liturgische vormen bij belangrijke momenten in de levensloop.

Nog steeds van belang
Een deel van deze christelijke ritmes zijn nog steeds van belang. Het avondgebed bestaat nog steeds en is tegenwoordig het meest voorkomende religieuze ritueel. Ook het kerkelijk jaar wordt nog steeds volop gehanteerd. Al zijn hier in de afgelopen eeuwen grote veranderingen gekomen. De aandacht voor Goede Vrijdag verschoof bijvoorbeeld in de 19e eeuw naar Kerst. Het is de vraag welke gevolgen de doorgaande secularisatie voor gevolgen heeft voor het hanteren van het kerkelijk jaar.

Levensloop
De rituelen rondom grote momenten in de levensloop werden in het verleden door de pater familias gedaan. Enige eeuwen geleden werd de leiding van rituelen rondom begrafenis en huwelijk overgenomen door de kerk en de priester. In de loop van de 19e eeuw begint hier een secularisatie op te treden.

Verandering in het levensritme

In de afgelopen eeuwen is door opkomst van de techniek het ritme van de samenleving veranderd:
– de trein en later de auto en het vliegtuig maakte het mogelijk om in korte tijd een grote afstand af te leggen. Daardoor is het ook mogelijk een scheiding te hebben van de wereld van het werk en de eigen woonomgeving.
– de opkomst van elektrisch licht maakte het ritme van dag en nacht minder dwingend.
– de afname van het aantal kinderen per gezin.
– de opkomst weekend in de 2e helft 20e eeuw. Vanaf 1976 zondag officieel laatste dag van de week volgens de internationale standaardisering van de UNO.
– door de mogelijkheid om muziek op te nemen en later af te spelen verdwijnt het onderscheid tussen feestdag en het alledaagse. Voorheen markeerde muziek een feestdag.
– Tegenwoordig bepalen niet meer de seizoenen het levensritme, maar de vakanties (waarbij vakantiepastoraat een nog weinig benutte kans is).
– de levensloop is veranderd, door bijvoorbeeld de opkomst van leerplicht begin 20e eeuw. Sinds jongeren doorleren en verder studeren zijn de overgangen in de levensloop minder markant. Dat geldt ook voor de overgangen wanneer mensen ‘ouder’ worden.
– onderscheid tussen werk en privé verdwijnt, omdat men de keuze kan maken welk werk verricht wordt.

Gemeente
Deze veranderingen in levensritme dagen de kerk uit om na te gaan of de ritmes van de kerk nog wel aansluiten bij het ritme van de maatschappij.
Om op deze uitdaging in te gaan, is het wel nodig te weten wat kerk is. Grethlein geeft in zijn recent verschenen Praktische Theologie 4 niveaus aan m.b.t. de christelijke gemeente:
– het gezin als (onderdeel van de) gemeente.
– de gemeente ter plaatse.
– de regionale gemeente
– de wereldwijde oecumene.

Spanning
Grethlein ziet in onze samenleving twee processen als het gaat om tijd: (1) versnelling van de tijd en (2) de steeds meer commerciële omgang met de tijd.
Beide ontwikkelingen staan op gespannen voet met de kerkelijke taak om het evangelie te communiceren. Grethlein ziet het als een uitdaging om in deze tijd een vrije ruimte in de tijd te scheppen, waarin men de tijd heeft om aandacht te besteden aan zichzelf, aan de medemensen, de wereld om ons heen en aan God.
Per context zal de concrete invulling verschillen, maar vertaald naar de verschillende gemeenteniveaus ziet Grethlein de volgende uitdagingen:

(1) Het gezin
In het gezin kan het evangelie worden gecommuniceerd in het ritme van dag en nacht. Uit empirisch onderzoek blijkt dat avondrituelen nog volop worden gepraktiseerd. De plaatselijke kerk zou het als een belangrijke taak moeten zien om deze ‘huiskerk’ te ondersteunen.
Vanuit de liturgie ligt hier een belangrijke taak, omdat de wisseling van dag en nacht een liturgische sleutelmoment is, die in de pastorale praktijk meer aandacht verdient.
Deze uitdaging heeft ook consequenties voor de wijze van leven van de predikant. Alleen diegene, die zelf een zinvolle vorm heeft gevonden om de nacht in te gaan of de dag te beginnen kan anderen hier in begeleiden.

(2) De samenkomsten
De ene mogelijkheid is om alle activiteiten van de gemeente aan de zondag te verbinden (kerk-op-zondag). De andere mogelijkheid die steeds meer voorkomt, is het verlaten van de zondag. Bijvoorbeeld: kinderdiensten die doordeweeks worden gehouden.
‘De kinderdienst die eens per maand plaatsvindt, heeft een heel eigen karakter en duurt vaak 2 tot 2,5 uur. Door deze lengte is het mogelijk om een intensievere startfase te hebben door een gezamenlijk ontbijt en door liturgische bijzonderheden. Daarnaast is er een wezenlijk langere groepsfase waarin geloofsoverdracht plaatsvindt of op een liturgische wijze een Bijbeltekst centraal staat. Zo is de Bijbeltekst en de inhoud ervan gemakkelijker te verbinden met de ervaringswereld van kinderen.’ (Rüdiger Maschwitz) Grethlein becommentarieert: dit geldt voor volwassenen net zo goed.

(3) Kerkelijk jaar
Het kerkelijk jaar is een grotere trekker als het gaat om kerkbezoek dan een reguliere zondag. De kerk heeft hier wel meer concurrentie. Tegelijkertijd kunnen deze buitenkerkelijke initiatieven het kerkbezoek stimuleren, omdat degenen die minder frequent naar de kerk gaan herinnerd worden aan het kerkelijk jaar.

(4) Individuele levensloop

De grote momenten in een menselijk leven bieden net zo veel kansen als het kerkelijk jaar. Vanuit kerktheoretisch perspectief zou men kunnen zeggen dat op zulke momenten de ‘huiskerk’ in beeld komt, omdat er reden is om samen te komen. Het zij om te vieren het zij om leed en verdriet te delen.

N.a.v. Christian Grethlein, “Die Zeiten ändern sich. Der Umgang mit der Zeit in der Postmoderne als Herausforderung für die pastorale Tätigkeit’, Pastoraltheologie, 101. Jg. (2012) 472-488

Gedenk de sabbatdag!

Gedenk de sabbatdag!
Meditatie van Fulbert Steffensky over het 4e gebod

Een merkwaardige opdracht: het heiligen van de sabbat (of voor christenen: de zondag). In zichzelf is de tijd niet heilig. Mensen heiligen een dag op een bepaalde manier: door naar de kerk te gaan, door bijzonder eten, door andere kleren dan in het dagelijks leven en door zich anders te gedragen dan op doordeweekse dagen. Er wordt structuur aangebracht aan de tijd. Aan de tijd wordt een ritme gegeven. Een tijdslijn zonder structuur en ritme zijn tijden van verdwazing. Deze innerlijke verdwazing van het menselijke leven begint steeds van buitenaf. Vlak bij ons huis maakt een benzinepomp reclame met de leus: 24 uur per dag en 7 dagen per week geopend! Dat is een voorbeeld van verdwazing: geen ritme, geen structuur, alleen nog maar winst.
De betekenis van de zondag leren wij niet door een doctrine. De betekenis van de zondag leren wij en dragen wij over aan onze kinderen door eenvoudige vormen van voorbereiding. Vroeger maakte men alles gereed voor de zondag. Het tuinpad werd aangeharkt. Er werd een cake gebakken. Kinderen gingen in bad. Aan deze uiterlijke vormen is de betekenis af te lezen die men inwendig aan deze dag gaf.
Op zondag verfraait en vernieuwt iemand zichzelf en zijn wereld. Hij schudt het stof van het moeizame alledaagse bestaan van zich af. Alle schoonheid is een belofte voor morgen, voor de tijd van de voltooiing. Tenminste één dag in de week wordt voor koningszoon of koningsdochter gespeeld. Eén dag in de week is men bevrijd van het dwingende van alledag. Men speelt na wat God deed aan het einde van de scheppingsdagen: men rust van het werk. Spelenderwijs wordt er een voorschot genomen op wat eens zal zijn: het grote spel van de vrijheid waarin er geen knechten en onderdanen meer zijn. Zelfs de dieren behoren op deze dag niet te werken.
Toen ik een student vroeg wat hij in het weekend ging doen, zei hij: ‘Ik ben helemaal bezet! Leren voor de studie!’ Dat is het antwoord dat studenten en academici geven. Leren en studeren viel vroeger niet onder ‘werk dat door knechten werd verricht’ (werk dat niet op zondag mocht worden verricht). Voor degenen die met hun handen de kost verdienen, was lezen en studeren een bezigheid voor mensen die vrij waren. Het had iets te maken met schoonheid, met de geest. Ik vraag me af of het vele studeren, de boeken, de studieopdrachten niet een nieuwe vorm van knechten, een nieuwe vorm van dwang geworden is. Wat is er aan de hand met de lerares en met die de leerlingen het gehele weekend laat werken. Of hen een slecht geweten bezorgt als zij hun werk niet verrichten? Worden zij een betere lerares of een betere leerling als zij zichzelf door de veelheid van hun werk rechtvaardigen? ‘Ik heb geen tijd.’ Maar men laat zich slaaf maken, men kwijnt weg als de zondag op geen enkele manier rust betekent en de ziel op geen enkele manier nog wordt gevoed. Een kenmerk van een goede werknemer is, is dat hij bijtijds kan ophouden en geen angst heeft voor de rust. Er is drukdoenerij dat niets anders is dan gespeelde luiheid. Ik wantrouw de vlijt van degenen die zeggen dat zij nooit tijd hebben, geen tijd voor muziek of voor een boek, voor gebed, voor een kerkdienst. Dit zijn zaken zonder doel. Uitgerekend deze zaken dienen wij te redden in een wereld waar alles gericht is op een bepaald doel en op het behalen van winst. Alleen daarom is de zondag bijzonder, omdat men zich op deze dag niet ondergeschikt maakt aan een bepaald doel. Een aardige onnut is deze dag van God.

Afkomstig uit: Fulbert Steffensky, Der Schatz im Acker. Gespräche mit dir Bibel (Stuttgart: Radius-Verlag, 2010), p. 29-30.

De dag waarop onze koninklijke waardigheid zichtbaar wordt

De dag waarop onze koninklijke waardigheid zichtbaar wordt
De Tien Geboden volgens Fulbert Steffensky (4): het 4e gebod

Net als alle andere geboden, is ook het 4e gebod een herinnering aan de bevrijding. Bedoeld om onze vrijheid te waarborgen.

De sabbat was bedoeld als dag van herinnering voor het volk Israël in het nieuwe land: de bevrijding uit het slavenbestaan mocht nooit in de vergetelheid raken. Om te voorkomen dat het volk terecht zou komen in een zelfgekozen slavenbestaan, moest het 1 dag per week herinnerd worden aan het slavernijverleden. Het gebod is niet voor niets gegeven. Blijkbaar verraadt het volk de verkregen vrijheid net zo graag als het zijn God verraadt.
De herinnering op deze dag gaat ook verder terug: het volk dacht op deze dag ook terug aan het geluk en de schoonheid van het paradijs in het begin. De herinnering aan het begin voedde de hoop op het rijk van de hemel. Alle moeiten van het leven zullen daar voorbij zijn. Niemand zal een ander daar nog uitbuiten. De koninklijke waardigheid van iedereen zal dan zichtbaar worden.

Vrijheid
Op die manier trad men op de sabbat uit de moeiten die het heden geeft. Op deze dag leefde man alsof men al in het toekomstig rijk van de hemel is. Men hoefde als knecht op deze dag niet te werken. Men at wit brood en dronk wijn. Men zong liederen alsof het nieuwe leven er al was. De sabbat was het voorspel van dat leven. Een dag die het verlangen voedt om te dromen over vrijheid, over de gerechtigheid die er in het toekomstige rijk zal zijn. De sabbat herinnert het volk eraan, dat dit verlangen naar vrijheid en gerechtigheid ook behoort tot de eigen identiteit. Joden vieren nog steeds de sabbat, waarin het voorgaande doorklinkt.
Christenen vieren de bevrijding en houden het verlangen naar vrijheid en gerechtigheid levend op de zondag. De zondag is de dag waarop Christus werd opgewekt uit de dood. Ook voor christenen is de zondag de herinnering aan het goede begin en de hoop op het toekomstige rijk van Gods vrijheid en gerechtigheid.

Schoonheid
De zondag is een waardevolle dag vol schoonheid. Wat een moed om m.b.t. het leven in het heden, dat ook vormen van beknotten en vrijheid afnemen, kan aannemen, over deze beknotting en vrijheidsbelemmering dat het niet definitief is. Om jezelf te veroorloven bezig te zijn met de poëzie van zingen en gebed. Om mooiere kleren aan te trekken dan men normaal draagt. Om tijd te nemen voor eten en drinken. En op die manier het leven van het toekomstige rijk hier al in het heden te vieren. Om te vieren dat je meer bent dan je functioneren.
Voorheen was het een dag waarop er geen winst werd gemaakt, geen geld werd overgedragen. Deze dag maakte het verschil tussen arm en rijk, tussen heer en knecht ongedaan. Abraham J. Heschel: ‘De sabbat vieren houdt in onze uiteindelijke onafhankelijkheid van beschaving en maatschappij te ervaren, van prestatie en angst. De sabbat is een belichaming van het geloof dat alle mensen gelijk zijn en dat deze gelijkheid de adel van mensen is. De grootste zonde van de mens is dat hij vergeet dat hij een koningskind is.’

24 uur
Bij een benzinepomp hangt een affiche: 24 uur per dag en 7 dagen in de week geopend! Wat een tegenstelling: geen sabbat meer, geen herinnering, geen onderbreking, geen levensritme, maar alleen nog het behalen van winst! Dat is de nieuwe god, die geen liederen wil, die niet wil dat wij de vrijheid hebben die zijn plannen doorkruist. Hij wil de wierook van onze voortdurende dienstbaarheid en onze voortdurende beschikbaarheid. Deze god wist onze herinnering, omdat hij ons voortdurend bezig houdt. Het is een god die geen adempauze toestaat.
Lange tijd waren de sabbat en de zondag een dag van veel regels en gebod. Maar deze dag had vergeleken met het uitgebluste verlangen, de dictaat van de onrust en de onmogelijkheid tot bezinning nog een bepaalde schoonheid. Het voorbijgaan aan de sabbat en de zondag houdt in dat de hedendaagse mens zich alleen nog maar ziet als presteerder. Alleen als hij iets laat zien, kan hij zichzelf rechtvaardigen. Maar kan een cultuur volhouden alleen te vertrouwen op eigen kracht? Kan een cultuur het volhouden om alleen in het heden te leven? Kan men nog verlangens hebben die niet met geld te realiseren zijn?

levensritme
Steffensky vraagt zich dit niet alleen af voor onszelf en ons leven in deze maatschappij. Hij vraagt zich dat ook af voor onze kinderen. In wat voor maatschappij laten wij onze kinderen opgroeien? Zullen zij nog leren wat een levensritme is als er geen zondag meer is? Zullen zij een ritme leren zonder de onderbreking te kennen, het heilzame van een ritme? Zullen zij nog bidden leren als zij geen verlangens en dromen meer kennen en geen tijd om stil te zijn?
Wij zijn voor de ziel van onze kinderen verantwoordelijk. God houdt ons verantwoordelijk voor de ziel van onze kinderen.

De doop als basis van het christelijke leven

De doop als basis van het christelijke leven

De doop hoort vanaf het begin bij de christelijke missie: de verkondiging en de aanname van het geloof in de ware God en Zijn Zoon Jezus Christus. De doop is vanaf het begin een liturgische handeling met een symbolische betekenis. Dat houdt in dat de doop in een eredienst plaatsvond en dat deze handeling iets tot uitdrukking brengt.

Liturgische handeling
Deze handeling drukte bijvoorbeeld in het ondergaan in het water uit dat men verbonden was met de dood van Christus die verzoening bracht. Het omhoog komen uit het water drukte uit dat men ook deelde in Zijn opstanding. In de rest van het leven dat volgde had de gelovige deel aan de opstandingsleven van zijn Heer: de gelovige ontving de (her)scheppende kracht van de Geest, waardoor God Christus had opgewekt uit de dood.
De doop kan daarom beschreven worden als een nieuwe schepping, een opnieuw geboren worden door de Geest. De gelovige komt letterlijk in Christus, zodat de gelovige in Christus leeft en Christus in de gelovige. Dit kan ook over de Geest worden gezegd: de Geest leeft in de gelovige en de gelovige leeft in de Geest.

Doop van Jezus
Alle 4 evangeliën vertellen dat Jezus ook werd gedoopt. Hij die rechtvaardig was en de doop tot bekering niet nodig had verlangde ook om gedoopt te worden. Volgens Mattheüs om op die manier alle gerechtigheid te vervullen (Mattheüs 3:15). Hij liet zich in onze plaats dopen. Het bijzondere van de doop van Jezus komt tot uitdrukking door het visioen dat er op volgt: Hij is de Zoon van Gods welbehagen (zie Psalm 2:7 en Jesaja 42:1). Na de doop ontving Hij de Heilige Geest (zie Jesaja 61:1). Gelovigen worden gedoopt in de naam van deze Christus, die de Zoon van Gods welbehagen was en ontvangen in de doop ook de Geest die Hij ontving. Vanaf het begin is de doop een trinitarisch gebeuren, waarbij Vader, Zoon en Heilige Geest betrokken zijn.

Overgang naar een nieuw leven
Voor alle eerste christenen was de doop de plaats waarin zich de overgang naar Christus en daarmee de verandering en vernieuwing van het totale bestaan voltrok. De doop is de blijvende basis voor het christenzijn. Aan de ene kant ervaart de gelovige met de vergeving van zonden een radicale en totale bevrijding van de dodelijke heerschappij van de zonde over ons leven. Aan de andere kant wordt voor de gelovige de entree tot de nieuwe levenswerkelijkheid. Door middel van de doop heeft de gelovige reeds deel aan de voltooiing van het heil op de Jongste Dag.
Dat de doop wordt ervaren als een gemeenschap met het sterven en opstaan van Christus is het werk van de Heilige Geest.

Aspecten van de doop
Aan de doop zijn de volgende aspecten verbonden:
(1) Een christologisch aspect: In Zijn dood aan het kruis is Christus in onze plaats getreden. Hij heeft daar op Golgotha in onze plaats de gevolgen van de zonde gedragen.
Wezenlijk voor de doop is dat God ons met de dood die Christus stierf voor onze verzoening verbindt en ons deel geeft aan Zijn opstanding. Hij stierf onze dood en droeg het oordeel over onze zonden.
(2) Een pneumatologisch aspect: De Geest doet ons deze verbinding met Christus’ sterven en opstaan ervaren. Hij schenkt ons dat nieuwe leven van Christus. De Geest is de (her)scheppingskracht die ons het nieuwe leven doet ervaren.
(3) Een eschatologisch aspect: De Geest die wij ontvangen is een werkelijkheid uit de ‘toekomstige eeuw’.
(4) Een sociaal aspect: In de doop wordt de gelovige weggenomen uit de bestaande sociale verhoudingen. Het onderscheid tussen man en vrouw, tussen geschoolde Grieken en ongeschoolde barbaren, maar vooral de fundamentele scheiding tussen Jood en heiden is weggenomen. Er is nu nog maar één rol: in Christus. De Geest neemt niet onze individualiteit weg, maar wel de ik-gerichtheid van de zondaar met zijn egocentrische levenswijze. De Geest bevrijdt ons tot het ware leven: het leven in Christus, die een is met God. Door Christus en Zijn eenheid met God ontstaat een nieuwe gemeenschap met ieder die in Christus is. Deze nieuwe gemeenschap wordt door de Geest geschapen.
In de joods-christelijke heidenmissie werd de kerk als de eschatologische voltooiing van het volk van God gezien. Ook bij deze visie is de doop het fundament (1 Petrus 2:2-10).

De doop is de wijze van navolging van Christus sinds Zijn sterven en opstaan. Voor Pasen kon men Hem volgen zoals de discipelen deden. Na Pasen wordt de doop de toegang tot een levenslang delen in Zijn sterven en opstaan; een levenslang kruisdragen (vgl. 2 Kor. 4:10v). Het nieuwe ten opzichte van de navolging voor Pasen is dat het in de doop ook gaat om een verbinding met zijn dood. Net zoals de discipelen is de doop een breuk met het vorige leven, maar houdt de doop ook een ontvangen van een nieuw leven in Christus in. Na Pasen wordt de navolging getekend door de doop en de voortdurende bewaring van de bevrijding uit de slavernij.

De doop van een geheel ‘huis’
Toen de verkondiging in steden kwam, werden voorname personen met hun gehele huis gedoopt. Dat gebeurde niet alleen vanuit sociale overwegingen (knechten die ondergeschikt waren aan hun heer), maar ook vanuit praktische overwegingen. Een huis kon alleen gebruikt worden voor de eredienst als alle leden van dat huis waren gedoopt. Lukas bericht geregeld over ‘huizen’ die werden gedoopt (Handelingen 10:44-48, 11:15-17, 16:14v, 16:32v, 18:8).
De doop betekent weliswaar een breuk met bestaande structuren, maar het gezin is een belangrijk onderdeel van de christelijke geloofsleer. Het huwelijk krijgt bij de eerste christenen een diepere betekenis: afspiegeling van de band tussen Christus en de gemeente. Het gezin vormt een christelijke gemeenschap, die op de doop is gebaseerd en daardoor verbonden is met het leven van de gemeente.
Een volkskerkelijk milieu waarbij de doop allereerst in dienst staat van het eigen gezin is een omkering van de vroegchristelijke betekenis van de doop en van de vroegchristelijke betekenis van het gezin. De doop is onderdeel van de gemeente en behoort daarom in een eredienst plaats te vinden.
Op veel plaatsen waar christenen een minderheid is, is de doop een gevaarlijke stap waarmee men breekt met de familie waarin men geboren is en buiten de maatschappij komt te staan. Ook bij de eerste christenen had de doop tot gevolg dat men buiten de eigen familie werd gezet.

De kwestie van de kinderdoop
Het zou een duidelijke exegetische bevestiging zijn als uit de gegevens van de huisdoop ook zou af te leiden zijn dat er kinderen werden gedoopt. Op basis van deze gegevens kan geen enkele zekerheid worden gegeven.
Er is 1 tekst uit het Nieuwe Testament die te verbinden is met de kinderdoop: Markus 10:13-16. In dit verhaal wordt een toespeling gemaakt op de doopliturgie: “verhindert hen niet “ is een verwijzing naar het onderdeel van de doopliturgie: “wat verhindert N.N. om gedoopt te worden? “ In de vraag of kinderen gedoopt mogen worden (een discussie die binnen de Joodschristelijke gemeenschap werd gevoerd) laat Markus zien: Jezus geeft toestemming om kinderen te dopen.
En 1 Korinthe 7:14? Paulus geeft aan dat kinderen van een echtpaar waarvan één ouder heiden is en één ouder christen (evenals de niet-gelovige ouder) medegeheiligd zijn in de gelovige ouder. Het is een bijzondere kwestie waar Paulus antwoord op geeft en is niet zomaar breder te trekken naar de vraag of Paulus kinderen doopte. Maar door te spreken over mede geheiligd zijn gebruikt Paulus woorden die hij ook voor de doop gebruikt. (1 Kor. 1:30 en 6:11). Paulus koppelt het geheiligd-zijn aan de doop. Vandaar uit is het waarschijnlijker dat Paulus kinderen doopte dan dan hij de doop aan hen weigerde. Zekerheid is hier echter niet te verkrijgen.

N.a.v. Ulrich Wilckens, Die Theologie des Neuen Testaments als Grundlage kirchlicher Lehre. Theologie des Neuen Testaments II/2, p. 19-36.

Het 2e gebod: Geloof en godsbeelden

Het 2e gebod: Geloof en godsbeelden
De Tien Geboden volgens Fulbert Steffensky

Over het geloof kan men twee tegenovergestelde visies hebben. De ene visie is dat geloven niet zonder beelden kan, omdat het geloof ander blind zou zijn. De andere visie is dat het geloof bestaande beelden neerhaalt en verwoest.

Het geloof ontwerpt beelden
Een geloof zonder beelden is een troostloos geloof. Op hoogte- en dieptepunten van ons leven is taal niet voldoende. En als er taal gebruikt wordt, is het vaak beeldende taal. Als wij liefhebben, lijden, in rouw verkeren, een diep verlangen hebben, grijpen wij terug op beeldende taal. Die beelden komen op ons af. Ook als wij er niet om hebben gevraagd.

Het geloof werpt beelden neer
Een beeld verkondigt leugens (Habakuk 2:18). Dat is te zien als het volk Israël bij de Sinaï verblijft en Mozes geruime tijd op de berg is (Exodus 32). Hun leider is niet in hun midden. Wie geeft hen zekerheid over Gods aanwezigheid? Wie vertelt hen waar zij zich in deze nieuwe omstandigheden aan hebben te houden? Wie verschaft duidelijkheid?
Door zelf een beeld te vervaardigen wil Israël de garantie hebben van Gods aanwezigheid. Maar de god die zij zelf geschapen hebben, heeft een menselijke maat. De stier is hanteerbaar en berekenbaar. En daarom kan het niet de garantie bieden waarvoor het is gemaakt: het kan Gods aanwezigheid niet garanderen. Als het volk dat toch gelooft, gelooft het in een leugen dat door het beeld in het leven wordt geroepen.

Hedendaags
Het geheimenis van God is niet te ontcijferen met namen die wij aan Hem geven.
Steffensky geeft er een actualisering aan, die ik niet snel zal maken: hij heeft kritiek op de belangrijkste namen voor God die in gebeden en de liturgie voor God worden gebruikt. Die beelden zijn namelijk vooral mannelijk en wekken de suggestie dat God mannelijk zou zijn. In zijn ogen kan God ook aangeroepen worden als moeder of zuster, als bruid.
Op de diepste moment spreken wij God aan met een namenloze naam, een naam die niet meer gevangen kan worden in vaste beelden of contouren. Niet alleen maar Vader, of Koning, maar ook lucht of grond, nacht, water, bron, morgenglans, wonder of licht. Woorden die vanuit liefde opkomen. Woorden die opkomen vanuit de bevrijding die God ons geeft. Steffensky betreurt het dat de geestelijke taal zo taalarm is.

Deze actualisering vind ik zelf te ver gaan. Ik ben er voorzichtiger in. Wel deel ik dat het in het tweede gebod het besef wordt levend gehouden van het geheimenis van God, Zijn grootsheid en heiligheid. God overstijgt onze godsbeelden. Ook onze theologisch correcte godsbeelden. En daarom moeten godsbeelden geregeld gecorrigeerd worden. En soms ook neergehaald en vernietigd. Vanuit het besef dat God anders kan zijn en anders is dan wij denken.