Preek oudjaardag 2018

Preek oudjaardag 2018
Hebreeën 11:1-16. Tekst: vers 10/14
Boodschap: God geeft een eeuwig vaderland

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Het land dat Abraham ontvangt is slechts voorlopig (Page 1)
Als Abraham in onze tijd zou leven,
zou hij vanuit Rusland zijn verhuisd naar hier
om hier het bedrijf te vestigen dat hij al had opgebouwd
en dat op een leeftijd waarop de meesten die een bedrijf begonnen zijn
de zaken al zouden hebben overgedragen aan een opvolger.

Hij vestigt zich hier niet omdat de economische omstandigheden in zijn land
niet zo rooskleurig waren en dat hij een betere toekomst zocht voor zijn onderneming.
Hij komt hier niet, omdat hij in Rusland in ongenade gevallen was
bij de politici of bij de maffia in dat land en vanwege gevaar moest uitwijken.
Hij komt hier, omdat hij naar eigen zeggen in zijn eigen land een stem hoorde,
De stem van God, die zei dat hij weg moest gaan, naar een ander land,
Een land dat God aan hem zou wijzen.
Hij ging op reis en is dan uiteindelijk hier aangekomen.
Hier heeft hij zich gevestigd, heeft hier zijn bedrijf weer voortgezet
en opgebouwd tot een bloeiende onderneming.
Hij blijft hier jaren en jaren en is hier niet meer weg te denken.

En toch … hoe lang hij hier ook woont, helemaal thuis raakt hij hier niet.
Want als je het terrein van zijn bedrijf opkomt, loop je langs een bordje, waarop staat:
Dit is het nog niet.
De meeste mensen die het bordje passeren zullen verwonderd opkijken.
Het is zo’n mooi bedrijf. Bedoelt hij dat het bedrijf nog niet groot genoeg is?
Dat hij nog iets mist, kun je merken aan hoe hij zich gedraagt.
Vaak kun je hem mijmerend aantreffen:
Aan zijn bureau met zijn computer voor zich, voor zich uit kijkend
of aan de rand van het terrein, waar je hem in de verte kunt zien kijken.
Of hij wandelt langs de provinciale weg, waarbij je kunt zien dat hij in zichzelf gekeerd is.

De mensen fluisteren: Hij denkt aan vroeger.
Aan zijn eigen jeugd misschien, of aan zijn ouders.
Hij is het leven in Rusland nog niet vergeten.
Hij heeft hier nooit kunnen wennen. Hij zal nog eens overlijden aan heimwee.
Anderen, die hem iets beter kennen, zeggen: Dat is omdat hij geen opvolger heeft.
Kinderloos is hij hier gekomen, het bedrijf weer verder opgebouwd,
maar met welk doel en voor wie heeft hij het allemaal gedaan.
Hij heeft heel wat bereikt, maar het is uiteindelijk zinloos als hij geen opvolger heeft.
Dan wordt hij ernaar gevraagd: of hij heimwee heeft naar de tijd en het land van zijn jeugd.
Nee, zegt hij, ik moest daar weg. Ik moest van God alles achter laten.
Ik ben hier niet voor niets gekomen.
Ik ben hier opnieuw begonnen, omdat God met mij opnieuw wilde beginnen.
Is het dan, dat je geen opvolger hebt en dat je het gevoel hebt dat dit een zinloos project is.
Nee, zal Abraham zeggen, God heeft mij een zoon beloofd.
Hoe oud ik ook ben, ik wanhoop niet. God doet wat Hij belooft.
Waarom staat er dan dat bordje aan het begin van je terrein?
En waarom ben je met je hoofd vaak zo ergens anders?
Dit is, zal Abraham zeggen, omdat ik ergens naar uitkijk,
naar een ander vaderland, een beter, een hemels vaderland.
Daar ligt mijn bestemming, daar leef ik voor.
Het bedrijf hier heeft zijn waarde, ik heb het niet voor niets gedaan.
Ook dat is iets dat mijn God mij schonk, maar toch…
Het mooiste komt nog … het hemels Kanaän

(2) Ook wat wij hebben gekregen is slechts voorlopig (Page 2)
Als Abraham in onze tijd geleefd zou hebben,
maar Abraham is een persoon uit een heel andere tijd, de Bijbelse tijd,
Waarin de mensen anders waren dan nu.
Toen leefden ze dicht bij God en hoorden ze Gods stem,
kregen ze aanwijzingen uit de hemel over wat ze moesten doen
en wisten ze waar ze aan toe waren.
Wij moeten ons maar redden met de verhalen uit de Bijbel
en aan de hand van die verhalen iets maken van een leven met God hier,
zonder dat we de directe aanwijzingen hebben die Abraham ontving.

Zou dat echt zo zijn?
Zou het voor Abraham echt zo veel makkelijker zijn dan voor ons
om de moeder en vader die je op de wereld gebracht hebben
en een opvoeding gegeven hebben waardoor je je plek in de wereld kunt innemen
moest achterlaten, om helemaal opnieuw beginnen
zonder dat je kunt terugvallen op hun advies, met hen kunt overleggen
bij hen kunt aankomen om je verhaal te doen en van je af te praten.
Opnieuw beginnen in een land, waar je de taal niet kent, waar je de mensen niet kent
en ook de gewoonten niet kent
en niemand hebt die uitleg geeft over de gewoonten of over hoe de mensen zijn.
Je bent daar in den vreemde aan jezelf overgeleverd en de kleine groep die je hebt
En je moet maar afwachten hoe de omgeving reageert op je aanwezigheid.
Vreemdeling blijven in het land waar je gekomen bent, dat gold niet alleen voor Abraham.
Dat geldt voor elke gelovige, waar je ook geboren bent: je bent een vreemdeling.

In de afgelopen dagen las ik een boek van de Joodse schrijver Abel J. Herzberg,
waarin hij verwoordt wat het is om vreemdeling te zijn en te blijven.
Zijn ouders kwamen uit Rusland en vestigden zich in Nederland.
Aan zijn kleinzoon schrijft hij: Het is voor iedere jongen van groot belang,
of zijn ouders vreemdelingen zijn of niet.
Als dat niet zo is, dan kent hij de plek, waar ze geboren zijn.
Hij kan er naar toe gaan. Hij kent hun wereld.
Als je vreemdeling bent, is je voorgeslacht je onbekend
en hun wereld is een vreemde wereld waar je niet bij kunt komen.
Ook omgekeerd: de wereld waarin hij leeft, kent hem omdat ze zijn ouders kennen.
Maar als je er niet geboren bent, blijft de vraag: ben je er een van ons.
Kunnen we je uitnodigen voor het kinderfeestje van een van onze kinderen?
Hoor je wel waar je bent.

Nu zegt Hebreeën tegen ons: niet alleen Abraham en niet alleen Herzberg waren vreemden,
elke gelovige is een vreemde, hoe bekend je omgeving waar je woont je ook is.
Als je hier in Hebreeën over Abraham leest, is het niet de bedoeling
dat je bedenkt dat Abraham iemand is uit een heel ver verleden,
maar is de gedachte dat je je hierin zou herkennen
en dat je zou ontdekken: dat ik me hier een vreemde voel, is niet vreemd,
dat is eigen aan het geloof in Christus.
Dat het niet makkelijk is, is eigen aan het geloof in Christus.
Het geeft een gevoel van er niet helemaal bij horen, aansluiting met anderen missen,
misschien ook wel door anderen niet helemaal vertrouwd worden.
Het is een gevoel van crisis, die niet een uitzondering is, die je soms zo kan overvallen,
maar een crisis die eigen is aan het geloof.

Abraham is niet iemand uit een ver verleden, maar iemand die net zo leeft als u, jij en ik.
Al leefde hij in tenten en wij in een huis van stenen gebouwd,
al leefde hij zwervend van de ene plek naar de andere plek en hebben wij een vaste stek
al moest Abraham alles wat hem van jongsaf aan vertrouwd was achterlaten
en wonen hier misschien wel mensen hun hele leven op hetzelfde adres
en zijn ze de plaats waar ze wonen zelden uit geweest.
Het levensgevoel van Abraham hoort ook ons levensgevoel te zijn,
Hier een plek op aarde hebben, van God ontvangen
en toch ook uitkijken naar een beter, hemels vaderland.
In Abraham, in Abel, in Noach en al die anderen die we in Hebreeën 11 tegenkomen
horen we tijdgenoten te zien, die dezelfde worstelingen doorgemaakt hebben als wij,
die tegen ons zeggen: je bent niet de enige die daar mee te maken hebt,
wij hebben dat ook ondervonden.
Wij hebben volgehouden en we hopen dat jij het ook volhoudt om hier vreemdeling te blijven.

Want is het zo, dat we hier vreemdeling zijn?
Dat u dat merkt, dat deze wereld u niet alles biedt als gelovige en dat je uitkijkt naar meer?
Of ben je toch meer gehecht aan het leven zoals je hier op aarde hebt
en moet je er niet aan denken dit leven, zoals je hier hebt, op te geven?
In het afgelopen jaar heb ik heel wat rouwkaarten in mijn hand gehouden,
waarop stond: van ons heengegaan, door onze Hemelse Vader Thuisgehaald.
Als je afscheid moet nemen van iemand die je dierbaar is,
of als je zelf beseft dat het leven hier op aarde eindigt, dan moet je er wel over nadenken.
Dan kun je het niet ontlopen dat we hier als mens geen blijvende stad hebben.
Maar wat betekent dat als je nog volop in het leven staat,
Als je nog allerlei plannen en idealen hebt,
als je de verantwoordelijkheid hebt voor een bedrijf of voor een organisatie?
Ik denk dat een christen met het ene been in deze wereld staat
en met een been in de wereld die komt.
Je hoort bij beide en toch hoor je bij beide werelden niet helemaal.
De toekomstige wereld niet, omdat die er nog niet is, je bent er nog niet,
maar toch leef je al met het besef dat er een andere wereld komt.
En met dat besef sta je hier in deze wereld en heb je je taken, heb je je leven,
heb je de mensen om je heen met wie je verbonden bent.
Je houdt rekening met de langere termijn van komend jaar en het jaar erop,
zoals ik ook in de afgelopen weken het preekrooster voor 2020 heb gemaakt
En toch kijk je ook verder vooruit en zie je in de verte al de contouren van die stad liggen,
waar Abraham al naar uitkeek, de stad die door God gebouwd is.

(3) God geeft een eeuwig vaderland (Page 3)
Je ziet die stad al liggen, de stad van God waar Abraham al naar uitkeek.
De gelovigen uit het Oude Testament waren al onderweg naar die stad
En zijn er inmiddels aangekomen, mogen uitrusten van de moeiten die er onderweg waren.
De discipelen, die hun Heer hebben gevolgd tijdens Zijn rondwandeling op aarde
en na Zijn hemelvaart hun leven hebben gegeven in Zijn dienst,
Waarvan er ook zijn geweest die het getuigenis met hun leven moesten bekopen.
Een dreiging die ook gevoeld werd in de gemeente waaraan deze brief geschreven is.
Wat levert het geloof je op, als je door iedereen met de nek wordt aangekeken,
als je er niet meer bij hoort, als je als een vreemdeling wordt behandeld,
terwijl je hier bent opgegroeid, de taal van deze wereld spreekt,
dezelfde sport beoefent, naar dezelfde school gaat en er toch niet helemaal bij hoort.
Als je zelfs het gevaar loopt om te moeten sterven voor je geloof.
Is dat het waard?
Er waren er die de afweging maakten: Dat kan ik niet aan.
Dit is niet, waarom ik ben gaan geloven. Dat kost me teveel.
Of misschien was het wel minder plat en minder berekenend
en was er sprake van een teleurstelling dat de weg van het geloof,
de weg naar dat hemels Jeruzalem niet zo’n makkelijke weg als gedacht.
Dat het geen makkelijke weg zou zijn, dat hadden ze wel gedacht,
omdat een keuze voor Christus vaak ook consequenties had voor hen persoonlijk:
een verlies aan status, verlies van vriendschap wellicht – dat hadden ze ervoor over,
maar ze hadden gedacht dat ze wel door God beschermd zouden worden,
dat Hij als een muur om hen heen zou zijn.
De weg die ze liepen, was immers de weg van Christus,
Die Hij gelegd had door aan het kruis te sterven.
Maar wat als het toch allemaal niet waar blijkt te zijn en je na je overlijden je ogen opslaat
En je bent in een donker niets terechtgekomen
– helemaal niet dat hemels Jeruzalem dat je voorgehouden werd
en helemaal niet de stad van God, waar God in het midden is,
Waar je voor altijd bij Hem mag zijn, mag uitrusten, op je bestemming aangekomen bent.
In heel wat rouwdiensten hebben we het lied gezongen:

Lichtstad met uw paarlen poorten, wond’re stad zo hoog gebouwd.
Nimmer heeft men op deez’ aarde ooit uw heerlijkheid aanschouwd.
Daar zal ik mijn Heer ontmoeten, luist’ren naar zijn liefdesstem.
Daar geen rouw meer en geen tranen: in het nieuw Jeruzalem.

Maar wat als er niets blijkt te zijn, of je komt voor Jupiter te staan, de Romeinse oppergod
of je blijkt misgegokt te hebben en je had in Allah moeten geloven in om de hemel te komen.
Nee, de weg is gebaand door Jezus Christus,
die als kind naar de aarde kwam, in een kribbe werd gelegd,
na Zijn dood aan het kruis weer opstond en terug ging naar de hemel aan Gods rechterhand!
Door Zijn sterven is er een eeuwig vaderland, het hemels Jeruzalem.
Wie gelooft is daarnaar onderweg
en er kunnen momenten zijn, waarop het je aanvliegt, of dit wel de weg is om aan te komen
en er kunnen momenten zijn, waarop je ontmoedigd raakt.
Dat is niet onmogelijk want de weg is zwaar en vol teleurstelling en aanvechting,
maar het is wel de weg die God geeft en een aankomst die zeker is
en al diegenen die al van de aarde zijn heengegaan,
die zijn Thuisgehaald door onze hemelse Vader, zijn daar al aangekomen.

(4) God zal ook ons een eeuwig vaderland geven (Page 4)
In de studeerkamer van mijn vader, waar we als kinderen vaak zaten,
omdat daar de computer stond, waar we onze computerspellen opspeelden
was van alles te zien: een oudere landkaart van Noord-Holland,
afkomstig waarschijnlijk van een van de scholen waar hij aardrijkskunde gaf.
Er hing ook een klein kaartje: Geen kalme reis maar wel een behouden aankomst.
Als ik als tiener in zijn kamer zat om een spel te doen
of om te kijken bij het spel van een van de broers boven mij, zag ik die tekst.
Ik begreep wel het eerste deel: Geen kalme reis.
Dat ervoer ik zelf ook wel, als er op school weer een leraar plotseling overleden was,
of als ik zag bij vrienden in hun gezin hoe ingrijpend een ziekte was,
of aan het einde van de middelbare school, toen ik sterk begon te twijfelen.
Maar een behouden aankomst – dat vond ik net iets te makkelijk.
Niet dat ik geloofde, dat er niets was,
juist in de tijden dat ik naging of het geloof waar was,
was altijd een overweging om te blijven geloven dat er wel een hemel moest zijn
en vooral een God moest zijn, die al het onrecht dat er op aarde is recht zet.
De hemel is voor mij allereerst de plek, waar God is.
In de hemel, die stad die Abraham beloofd is en die God ook ons voorhoudt,
gaat het allereerst om aankomen bij Hem, de ontwerper en bouwer van die stad
en dan pas om het leven daar, dan pas om diegenen die er al gekomen zijn.
Maar de weg leek mij zo lang, zoveel bergen en dalen, zoveel momenten om te verdwalen,
om de moed op te geven en het bijltje er maar bij neer te gooien.
En toch is de moed om verder te gaan toch weer gekomen,
is er een verlangen gekomen om aan te komen bij Hem
en bij alle plannen die ik heb en zoveel mensen om mij heen met wie ik verbonden ben
toch ook een verlangen om Hem eens te mogen ontmoeten, voor altijd bij Hem te zijn.
Ik hoop dat u, dat jij dat verlangen ook hebt
en dat je met één been al staat in die stad en als je verder kijkt die stad ook al zie liggen.
zonder het leven hier op aarde, dat je ook door God gegeven is te verwaarlozen.
Voor mij is dat geloof teruggekomen, gegroeid sterker geworden
door alle mensen die ik ben tegen gekomen, die ook dat verlangen hadden,
die wisten dat ze een bestemming hadden,
die wisten dat ze een God hadden om naar toe te gaan
een leven kregen hier op aarde, een leven dat niet bij de dood eindigt,
maar overgaat in het eeuwige leven, een hemels vaderland dat God geeft.
En dat is wat Hebreeën ons wil meegeven:
Als je de moed verliest, kijk dan naar de mensen om je heen die God je geeft,
Die nu om je heen zijn en in wie je het verlangen al merkt die ernaar uitkijken
of naar de mensen die er al zijn aangekomen, nu al Thuis zijn,
omdat de hemelse Vader hen gehaald heeft.
Je mist ze zeker hier op aarde,
juist misschien ook wel om hun moed, om hun geloof, hun vertrouwen
je wilt dat ze iets tegen je zeggen om jou die moed, dat geloof en vertrouwen te geven.
En dat is juist ook wat je gebeurt.
Abraham zegt het: hou vol! Ga verder! Ik ben er al, ik hoop je later te ontmoeten!
En je oma die in geloof gestorven is, je moeder waar je afscheid van moest nemen,
je vader die heenging en al mocht aankomen, een zus of broer, een vriend of vriendin.
Er kunnen er al heel wat zijn die al aangekomen zijn.

Meentkerk Huizen: Hoor een heilig koor van stemmen, staande aan de glazen zee,
halleluja, halleluja, God zij glorie zingen zij. Menigten die geen kan tellen.

Hattem: Die van de aarde vrijgekocht nu rusten van hun werken,
zij spreken en getuigen nog om ons geloof te sterken,
dat wij omgeven door de wolk de weg ten einde lopen
één met het heilig trekkend volk in liefde en in hope!
Geprezen zij zijn naam! Hij doet ons veilig gaan!
Komt zingen wij tesaam met alle heiligen!
Amen

Preek oudjaarsavond 2017

Preek oudjaarsavond 2017
Genesis 48

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We nemen in ons leven heel wat keren afscheid.
Als je van de basisschool verlaat en naar de middelbare school gaat.
Je weet dat al als je aan groep 8 begint: dit is het laatste jaar op deze school
en dat maakt groep 8 een bijzonder jaar.
Het hele jaar is anders: de cito-toets, schoolkamp, de musical.
Je werkt naar het afscheid toe, je leeft ernaar toe dat je naar een nieuwe school gaat.

Je neemt afscheid als je aan een nieuwe baan begint.
Je gaat niet meer naar deze locatie, vaak naar een andere plaats zelfs.
Afscheid van collega’s met wie je soms heel lang hebt samengewerkt.
Afscheid neem je bij een verhuizing: van de buren naast wie je woonde
met wie je soms veel hebt opgetrokken.
Als je naar een andere plaats verhuist,
neem je afscheid van mensen die je geregeld tegen kwam op straat, in de kerk, in winkels.

Afscheid neem je bij een overlijden,
zoals er ook in 2017 heel wat families afscheid moesten nemen
van een vader of een moeder, van een man, een vrouw, van een dochter, een zoon.
Van iemand uit je familie, van een vriend of vriendin, van een goede bekende.

Afscheid nemen is niet altijd makkelijk.
De Fransen hebben het spreekwoord: Afscheid nemen is een beetje sterven.
Bij het afscheid nemen raak je iets kwijt dat iets van jezelf was,
je raakt iets vertrouwds kwijt wat lang niet altijd wordt opgevuld.
Dat begint al als je afscheid neemt van de basisschool.
Je ziet niet iedere klasgenoot terug.
Soms kun je met iemand met wie je veel optrok nooit meer terugzien
omdat hij of zij naar een heel andere school ging.
De juffrouws en de meesters die je op de basisschool
die heel jou goed kende en die voor jou heel vertrouwd waren geven je geen les meer.
Als je van baan verandert kun je bepaalde collega’s gaan missen, de sfeer op het werk,
het doel dat je werk je gaf.
Er zijn er heel wat die als ze met pensioen gaan de moeite hebben om de draai te vinden
of die vervroegd met hun werk moesten stoppen het werk echt missen.
Je kunt buren missen, voor het vertrouwde loopje, even een praatje.
Soms kun je het gevoel hebben dat de hele buurt veranderd is.

En zeker als er iemand overlijdt met wie je een goede band hebt,
dan is afscheid nemen niet alleen maar een klein beetje sterven.
In het afgelopen jaar waren er heel wat van wie het overlijden onverwacht kwam.
Geen tijd om afscheid te nemen, om nog te zeggen wat je wilde zeggen.
Dan gaat de schok lang mee en komt het verlies nog veel harder aan
omdat je niet voorbereid bent op dat afscheid, omdat je nog veel samen had willen doen.

Van Jozef kun je niet zeggen dat hij geen tijd had om afscheid te nemen.
Na jaren waarin hij zijn vader niet heeft kunnen zien, mocht hij met hem verenigd worden.
Een tijd lang heeft Jakob nog in Gosen in Egypte mogen wonen.
Als er dan het bericht komt dat zijn vader ernstig ziek is,
Bedenkt Jozef zich geen moment en gaat naar zijn vader toe, nu het nog kan.
Hij neemt zijn zonen Manasse en Efraïm mee,
zonen die in Egypte zijn geboren terwijl Jozef al onderkoning was geworden.

Het wordt een intiem bezoek, zoals dat wel eens gebeurt
als iemand te horen krijgt dat hij of zij ernstig ziek is,
dat degene in de weken die nog overblijven iets deelt van wat er in hem of haar omgaat.
Het is een gesprek waarvan je hoopt dat zo’n gesprek er komt
in de laatste weken dat iemand nog te leven heeft: persoonlijk en heel intiem.
Ook een terugblik, heel open, over hoe de Heere heeft gewerkt in zijn leven.
De oude Jakob verzamelt nog eens al zijn krachten om te kunnen vertellen:
‘Toen ik het land uit moest vluchten, daar bij Luz, de plek die ik later Beth-El noemde
is God de Almachtige aan mij verschenen.’
God de Almachtige – dat is niet zomaar een naam van God,
maar de naam waarmee Hij Zich ook aan Abraham bekend maakte:
‘Ik ben God de Almachtige, wandel voor Mijn aangezicht.’
Dat was de opdracht voor Abraham. En Abraham kreeg een belofte mee.
Toen Jakob moest vluchten voor zijn broer Ezau verscheen God ook aan hem:
Jakob, Ik ga met je mee en Ik zorg dat je weer terug komt in dit land
en dat jouw nakomelingen dit land zullen bezitten.
God de Almachtige, dat is niet alleen de kracht van God,
maar ook de naam van God die Zijn belofte waarmaakt,
Zijn belofte nog eens meegeeft, juist als het er niet op lijkt dat die belofte in vervulling gaat.
Jakob, die het land dat hem beloofd werd, juist moet ontvluchten.
Hij mocht door Gods leiding, door Gods hulp echter terugkeren.
Degenen die afscheid moesten nemen van het afgelopen jaar, kregen ook de belofte mee
dat God er zal zijn op dagen waarop het gemis er is.
Ik hoop dat deze belofte ook uitgekomen is en dat u de Heere mocht ervaren.
Dat u mocht merken dat de Heere naar u toekwam, dat Hij aan u verscheen.
Of dat je dat, nu terugkijkend het afgelopen jaar op een andere manier mocht ervaren
dat de Heere aan je verscheen, dat Hij er voor je was.
Omdat je een kind mocht ontvangen, omdat je een relatie kreeg, mocht trouwen,
je studie afrondde, een jubileum mocht vieren.

God heeft mij gezegend, zegt Jakob.
Gezegend op het moment dat ik het land moest verlaten,
terwijl daar helemaal nog niets van zichtbaar was, wel meegegeven als belofte.
Nu hij oud geworden weer in een vreemd land is, herinnert hij zijn zoon,
die hij jarenlang dood waande en weer terug mocht zien aan deze belofte
dat zijn nageslacht niet hier in Egypte hoort, maar een thuis heeft in Kanaän.
Ook de zonen van Jozef, ook al zijn ze hier in Egypte geboren,
ze horen daar in Kanaän te wonen, dat is het thuis van Egypte.
Zij zullen, als het Gods tijd gekomen is, dit land verlaten,
zoals Jakob ook terugkeerde uit Mesopotamië, waar hij jarenlang Laban diende.

Want deze jongens van jou, die al geboren waren voor ik in Egypte kwam,
het is ook mijn nageslacht, de lijn van mijn lieve vrouw Rachel,
die ik het meest boven alles heb liefgehad.
Deze twee jongens van jou, geboren uit jou en je Egyptische vrouw,
Ze hebben voor mij dezelfde positie als Ruben en Simeon,
Dezelfde positie in het gezin als mijn oudste twee zonen.
Dat is een gevaarlijke beslissing van Jakob: om twee kleinkinderen te promoveren
en dezelfde rechten te geven als de twee oudste zonen.
Jakob wist toch wel dat er in zijn eigen leven ook een gedoe was over de zegen
die voor de eerstgeborene was bestemd,
Dat hijzelf als tweede zoon, en ook nog eens op de tweede plaats gesteld
de zegen ontving, volgens zijn oudere broer de zegen affutselde, aftroggelde.
Toch doet Jakob het, als eerbetoon aan Rachel die hem zo vroeg ontvallen is,
de vrouw van wie hij hield, een blijk van liefde voor deze vrouw voor wie hij 14 jaar werkte.
Wanneer iemand je ontvalt, kan dat gemis een leven lang mee gaan.
Na al die jaren is hij Rachel niet vergeten, ook al moest hij haar al vroeg missen.

Die zegen speelt een belangrijke rol in deze familie.
Deze familie is niet alleen begonnen met de opdracht van God om weg te trekken,
maar ook met de zegen van God
en de zegen van God is een rode draad in de geschiedenis van deze familie:
Abraham krijgt deze zegen.
Izak geeft deze zegen door aan Jakob, zijn tweede zoon
en nu gaat Jakob deze zegen weer doorgeven.
Het gezin waaruit Jakob en Jozef komen is een gezin waarin de zegen wordt doorgegeven.
Deze zegen is de dragende grond onder dit gezin, al die geslachten door.
Jakob heeft voor al zijn zonen een zegen.
Geen enkele van de 12 wordt buitengesloten van de zegen, niemand loopt de zegen mis.
Nu het einde van Jakob gekomen is, gaat hij de zegen ook weer doorgeven.
Bijzonder, zo’n gezin met de zegen van God als rode draad, als familieverhaal.
Bijzonder, om afscheid te nemen met de zegen,
om je kinderen, je kleinkinderen de zegen op te leggen.
Want de zegen opleggen, dat is God meegeven,
God die met jou meegegaan is, een leven lang, ook als je daar niet altijd de leiding van zag.
Je geeft de kracht van God door, de aanwezigheid van God door.
Je geeft door hoe God er voor jou was aan degene die na je komt.

Deze kleinzonen, ze betekenen niet alleen veel voor hem
omdat dit het nageslacht is van zijn lievelingsvrouw, de vrouw die hij zo moet missen,
maar deze twee jongens die met Jozef meegekomen zijn voor hem ook zichtbaar teken
van Gods leiding, dat God inderdaad de Almachtige is, zoals Hij aan hem verscheen:
God die Zijn beloften waarmaakt.
Die zijn leven zo geleid heeft dat hij niet alleen zijn zoon in de armen kon sluiten,
maar ook zijn kleinzonen.
Deze leiding, deze belofte geeft hij door aan de kinderen,
die voor hem het zichtbare teken zijn dat God leidt en werkt.
Zo gaat Jakob afscheid nemen van dit aardse leven,
door deze God en Zijn leiding door te geven.
Bij het afscheid nemen van 2017 willen wij zo aan elkaar Gods leiding en zorg doorgeven.
We nemen afscheid met een zegen, al wens u ik toe dat het niet betekent
dat we afscheid moeten nemen van het aardse leven,
maar dat de Heere ons nog veel gezegende jaren geeft.

Jakob geeft de zegen aan de twee zonen die Jozef heeft meegebracht.
Er wordt in de uitleg een heuse discussie gevoerd
of het nog maar jongens zijn of volwassen zonen.
Zijn ogen zijn dof geworden, maar zijn kleinzonen zien als zichtbaar teken kan hij nog wel.
Jozef zegt het ook: Het zijn de zonen die God mij gegeven heeft hier in Egypte.
Ook in Egypte werkt God, zoals Hij ook in Mesopotamië werkte.
Hij laat zich niet door grenzen tegenhouden.
De zegen die Jakob aan zijn kleinzonen meegeeft, zijn een lofprijzing op God.
God is mijn herder geweest, mijn leven lang.
Hij gaf mij een engel die voor mij uitgegaan is om mij op mijn weg te beschermen.
Moge die God die voor mij een herder was ook jullie herder zijn,
Moge Hij ook voor jullie Zijn engel vooruitsturen.’
Twee kleinzonen die daar voor de oude man op de knieën liggen,
De oude man voor wie het leven erbij op zit, die heel wat meegemaakt heeft
en ook mag terugkijken op Gods leiding in Zijn leven.
Hij legt zijn handen die heel wat hebben meegemaakt en vastgepakt, oud en gerimpeld,
op de hoofden van deze twee jongens om de zegen op hen te leggen.

Dan wil Jozef ingrijpen, als de zegen al achter de rug is.
‘Het is verkeerd, vader,’ zegt Jozef, ‘u zegent de verkeerde.’
Jozef pakt de handen die de zegen geven al op om ze te verwisselen,
maar nee, zegt Jakob, ik ken je jongens, ik weet wat ik doe.
Ik weet dat ik de jongste de belangrijkste zegen geef,
zoals ik als jongste ook de belangrijkste zegen krijg.
De eerste plaats is niet voor wie er recht op heb, maar voor de mindere.
Niet degene die vooraan staat, niet degene die de beste papieren heeft.
God kiest niet voor de hoogstgeplaatste, voor degene van wie de weg reeds is uitgestippeld
niet voor de rechtmatige opvolger, maar voor wie op het tweede plan is geraakt.
God doorbreekt de menselijke vanzelfsprekendheden.
Degene die het minst de zegen verwacht, krijgt de zegen.
Toch krijgen ze allebei de zegen.
Zegen is niet altijd direct resultaat.
Op de vervulling kan geregeld lang moeten worden gewacht.
Maar de zegen is wel de zegen: De kracht van God, Zijn bijstand,
Zijn aanwezigheid, Zijn leiding.
Het is een zegen die het verlangen opwekt om ook zo de zegen te ontvangen.
Moge God u maken als Manasse en als Efraïm.
Moge Hij voor u een herder zijn, moge Hij Zijn engel voor u uitsturen.
OOk in het komende jaar.
Zo nemen we van dit jaar afscheid als met Gods zegen, als gezegende mensen.
Amen

Preek oudejaarsavond 2016

Preek oudejaarsavond 2016
Schriftlezing: Johannes 1:1-18
Tekst: En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond  (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader),  vol van genade en waarheid. (vers 14)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hij heeft onder ons gewoond.
Het zou mooi zijn als we dat over het afgelopen jaar kunnen zeggen:
dat Christus (die hier bedoeld wordt met het Woord) onder ons heeft gewoond.
Dat we hebben gemerkt, dat Hij in ons midden was.
Dat we dat hebben gemerkt in de kerkdiensten die er waren,
waarin de Bijbel mocht open gaat,
waarin gedoopt werd en het avondmaal werd gevierd,
diensten waarin broeders tot ambtsdragers werden bevestigd
en gemeenteleden werden uitgezonden voor hun dienst in het buitenland.
Hij heeft onder ons gewoond.
Het zou mooi zijn als we dat ook kunnen vertellen
over wat er in de gemeente buiten de kerkdiensten om:
op de catechisaties en de clubs, op de bijbelkring,
in de bezoeken die er waren vanuit de gemeente.
Dat we daarin iets merkten dat Christus onder ons woonde.
Dat u bij een huwelijksjubileum dat merkte
en zelfs bij een begrafenis en de tijd na de begrafenis,
dat u merkte dat u niet alleen was,
maar dat Christus er was,
dat Hij onder ons gewoond heeft
zoals Johannes dat zegt in het begin van zijn evangelie:
Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond
en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien.

Heeft u dat ook gemerkt, dat Christus als het Woord van God onder ons was
en heeft u ook de heerlijkheid van Christus gezien?
Want als Johannes spreekt over ‘ons’ en ‘wij’
dan bedoelt hij niet alleen zichzelf en de gemeenteleden uit zijn eigen tijd,
maar bedoelt hij alle gelovigen die na Christus leven
en sluit hij er ons hier vandaag in Oldebroek bij in.
Christus heeft onder ons gewoond
en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien.
Kunnen we dat ook over het afgelopen jaar zeggen
waarin ook in het wereldgebeuren nogal wat gebeurde?

Of is er in uw eigen leven ook teveel gebeurd
Waardoor u niet merkte dat Christus onder ons was
en dat we Zijn heerlijkheid hebben kunnen zien?
Ook in het afgelopen jaar hebben we geregeld stil gestaan bij iemand uit ons midden
die van ons is heengegaan
en hebben we daar samen met de achtergeblevenen bij stil gestaan
en vanavond hebben we hun namen opnieuw in herinnering gebracht
we hebben hen herdacht voor Gods aangezicht
en degenen die achtergebleven zijn hebben we voor de troon van God gebracht.
Wanneer je dat overkomt, kun je helemaal in beslag genomen worden
door het gemis en het verdriet.
In een aantal gevallen was het overlijden onverwachts,
Waardoor degenen die achterbleven de eerste tijd bezig waren
met de vraag wat er in de afgelopen tijd, voorafgaande aan het overlijden, was gebeurd.
Het kan zo intensief zijn om voor iemand te zorgen
en je kunt zo verslagen zijn door een overlijden, zeker als het onverwachts is
of je handen vol hebben aan het verdriet
dat je er geen oog voor kunt hebben, dat Christus er ook was.
Ik hoop ook dat u of jij, ook als je in het afgelopen jaar een pittig jaar hebt gehad
kunt zeggen: er waren toch momenten dat Hij er was.
Dat Hij onder ons woonde.

Johannes verwoordt de komst van Jezus op aarde op een bijzondere manier:
Het Woord is vlees geworden.
Het Woord, het spreken van God waardoor de wereld ontstond,
Gods machtig spreken dat effect heeft,
dat in het leven roept wat er niet is
en uit de dood kan roepen wat gestorven is.
Het Woord, dat is de zorg en de aandacht God op de aarde
en Zijn handelen waardoor alles geschapen werd
en waardoor Hij de wereld in stand houdt.
Dat spreken van God – voor Johannes is dat een manier om aan te geven
wie Christus was voor Hij mens op aarde werd.
Al voor Hij vlees en bloed werd, was Hij op de aarde gericht
door te spreken, door tot leven te wekken, door aan te spreken.
En toch komt het zover, dat Hij naar de aarde komt om mens te worden.
Op aarde wordt Hij net als wij: Hij wordt van vlees en bloed
en deelt met ons een menselijk lichaam, kwetsbaar en vergankelijk.
Hij door wie als geschapen is, door wie alles geworden is,
wordt zo kwetsbaar als mens dat ook Hij de weg van de dood gaat.
Hij die alles in het leven heeft geroepen, geschapen uit het niets,
begeeft zich op aarde om de weg naar de dood te gaan.
Gods Zoon is op aarde gekomen om die weg te gaan
die wij mensen moeten gaan.
En Hij is er niet voor even geweest,
maar Hij heeft onder ons gewoond.
Het is een bijzonder woord dat Johannes gebruikt voor wonen: tent opslaan.
De Zoon van God, het spreken van God dat ons vlees en bloed wordt,
de Zoon van God heeft op onze aarde Zijn tent opgeslagen.
Daarmee wil Johannes niet zo zeer aangeven dat Jezus maar voor korte tijd wilde blijven
maar dat Hij in een wereld kwam, waar niet direct voor Hem geen plek was.
Zoals Lukas vertelde dat er voor Hem geen plek was in de herberg,
zo geeft Johannes aan dat Jezus zelf Zijn plek op aarde moet creëren.
Christus moet ruimte maken voor Zichzelf en dat doet Hij dan ook.
Misschien moest dat in het afgelopen jaar ook wel in uw leven gebeuren
dat Christus Zijn tent opsloeg, in uw hart
en dat Hij ruimte maakte in uw leven voor ZIchzelf.
Ik was er niet op bedacht, maar het gebeurde.
Ik ging me voor Hem interesseren, Hij begon voor mij te leven
en ik wist het opeens: Hij is ook voor mij op aarde gekomen.

Kunt u ook zeggen dat u, dat jij Zijn heerlijkheid heeft gezien?
Want dat is wat Johannes ook wil aangeven,
dat ook wij, ook al leven wij nu, de heerlijkheid van Christus hebben gezien
en heerlijkheid is dan het kunnen ervaren van God in Zijn grootheid,
de heerlijkheid en de glans van God in de hemel,
waarvan er op aarde iets zichtbaar wordt.
Wij hebben de heerlijkheid van Christus gezien,
de grootheid, waardoor we Zijn hemelse komaf hebben opgemerkt,
die heerlijkheid, die hemelse glans hebben we zelf ook gezien.
Kunt u dat zeggen, dat u Christus op deze manier hebt gezien?

Of zegt u: ik heb wel iets van Christus gezien en ervaren,
maar omdat nu Zijn grootheid heb gezien, was dat maar waar
dan zou het voor mij gemakkelijker zijn om te geloven in Hem
en dan hoefde ik niet te twijfelen.
De heerlijkheid van de eniggeborene van de Vader
– hoe hebben we die heerlijkheid dan kunnen zien,
waarin we konden zien dat Christus de heerlijkheid van Zijn Vader
en Zijn hemelse afkomst als de Zoon van God aan ons  liet zien?

Die grootheid zien we allereerst doordat Hij naar de aarde kwam.
De heerlijkheid die Christus liet zien,
is dat Hij allereerst ons kwam opzoeken, mens werd
uit de hemel op aarde, om uw en jouw bestaan te delen
om te worden net zoals jij en u (zonder de zonde dan).
De heerlijkheid van Christus wordt vooral zichtbaar
op een plaats waarop wij niet snel zullen denken aan Gods heerlijkheid:
op Golgotha, de heuvel bij Jeruzalem waarop het kruis stond opgericht
en Jezus omhoog werd getild en Hij daar hing tussen hemel en aarde.
Dat is de heerlijkheid van Christus die zichtbaar werd,
omdat je daar kunt zien wie God is, ten diepste.
Toen Jezus het uitriep, aan het kruis: het is volbracht.
Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien.
Heeft u deze heerlijkheid ook gezien, toen we met elkaar avondmaal vierden
en het niet alleen gezegd werd, maar ook zichtbaar werd gemaakt door brood en wijn,
toen het ook geproefd kon worden door een stukje brood en een slokje wijn:
Het is volbracht – ook voor jou,
tot een volkomen verzoening van al uw zonden.
We hebben het gezien, toen er werd gedoopt
en tegen de kinderen die de doop ontvingen
en tegen ons als gemeente: Christus is gestorven aan het kruis
om ervoor te zorgen, dat ook jouw zonden vergeven kunnen worden.
Hebt u dat ook gezien en geloofd?

Zelfs bij in rouwdiensten en bij het graf hebben we de heerlijkheid van Christus gezien:
Zijn heerlijkheid was dat Hij in de dood ging,  en ook opstond uit de dood.
Aan het graf, waar we een geliefde achterlaten,
mogen we zien op Hem die op aarde kwam om te sterven,
die de weg door de dood heen ging, om een doorgang te maken naar Gods Vaderhuis,
mogen we weten dat Christus de Levende is,
die de dood heeft overwonnen.
Wie in Mij gelooft, die zal leven, ook al is hij gestorven,
dat is de heerlijkheid van Christus die we hebben mogen zien.
Een heerlijkheid die ons deelgenoot wil maken van God,
die ons bij God wil brengen en terugbrengen.
een heerlijkheid vol van genade en waarheid.
Dat is geen heerlijkheid waar we op een afstandje naar staan te kijken,
zoals je vanavond naar het vuurwerk kunt kijken,
je kijkt ernaar, je klapt ervoor, maar dat is het dan.
Nee, het komt naar ons toe om ons erbij te betrekken,
zodat we gaan geloven in Hem en ons geloof sterker wordt
en we ontvangen wat van Hem is.
Ook die genade en die waarheid, die zijn niet om van een afstand te bekijken,
maar komen naar ons toe, komen in ons leven
Genade, dat ook het verkeerde van het afgelopen jaar vergeven wordt,
dat God dat weg doet uit mijn leven.

en verrijken ons leven en wekken het geloof in Christus.
Wij hebben zijn heerlijkheid gezien, zegt Johannes,
al zijn wij vandaag de dag geen ooggetuigen,
maar wie gelooft mag die heerlijkheid ook zien.
Ik hoop dat u in het afgelopen jaar deze heerlijkheid ook hebt gezien
en dat u bij het afsluiiten van het jaar
en het overdenken van wat er allemaal is gebeurt,
ook dat kunt zeggen:
Ja, Hij was er bij, Christus,
Ik heb Hem gezien, ervaren, heel dicht bij mij,
omdat Hij naar mij toe kwam
in wat er met mij gebeurde of om mij heen.
ik mocht geloven, mijn geloof mocht sterker worden.
Wij hebben zijn heerlijkheid gezien,
daarin spreekt verwondering en dankbaarheid:
Dank u wel Heere Jezus,
dat u naar de aarde wilde komen – ook voor mij.
Dat u ook voor mij aan het kruis ging om te sterven,
dat ook ik mag zeggen: Het is volbracht – niet door mijzelf, maar door Christus,
Hij volbracht het voor mij
en daarom mag ik nu ook bij Hem horen, mag ik ook bij Zijn gemeenschap horen.
Dankbaar ben ik en gelukkig, dat het mij is overkomen,
dat ik Hem mocht zien en ervaren
en nu zou ik niet anders meer willen.
Kunt u zo ook terugkijken, op het jaar 2016,
ook al was het misschien voor u geen gemakkelijk jaar,
dat u toch mag zeggen:
Ja, Hij was erbij,
Christus die in de hemel is, en op aarde kwam,
Hij was er – door de Heilige Geest ook.
Het is waar wat Johannes schrijft: wij – wij hebben zijn heerlijkheid gezien.
Amen

Preek oudjaarsavond 2011

Preek oudjaarsavond 2011
Jesaja 30:18: En daarom wacht de HEERE, opdat Hij u genadig zal zijn;
en daarom zal Hij Zich verheffen om Zich over u te ontfermen.
Voorzeker, de HEERE is een God van recht.
Welzalig zijn allen die Hem verwachten.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Ik hoop dat 2012 een jaar zal zijn met minder zorgen!’ Wie dat zegt, is blij dat het jaar 2011 nu afgesloten kan worden. Want zo’n uitspraak betekent dat het jaar, dat nu bijna achter ons ligt, een jaar was met ingrijpende gebeurtenissen. Zo’n ingrijpende gebeurtenis kan het overlijden zijn van iemand die heel dierbaar was en die u nog niet kon missen.
 Er zijn vanavond verscheidene mensen om deze reden hier in de kerk aanwezig. Om diegene die hen in het afgelopen jaar is ontvallen nog een keer te gedenken. Ze gedenken diegene die ze in het afgelopen jaar moesten missen. Soms na een periode van ziekte, waarin al op een bepaalde manier afscheid genomen kon worden. Een tijd die ze zullen herinneren als een kostbare tijd, waarin de familie heel dicht naar elkaar toe gekomen is, een kostbare tijd, omdat waar het wezenlijk om gaat in het leven, met elkaar gedeeld kon worden.
Soms kwam het overlijden ook heel onverwacht en wordt nog steeds de pijn gevoeld van het abrupte einde. Woorden die niet meer uitgesproken kunnen worden, gedachten die niet meer gedeeld kunnen worden. Je kunt niet meer zeggen, wat je graag had willen zeggen. Je kunt niet meer laten zien, wat je graag had willen zien.
Anderen hebben weer een andere ingrijpende gebeurtenis achter de rug. In het afgelopen jaar werden ze geconfronteerd met ziekte in hun eigen leven of in hun gezin. Dan was 2011 jaar een jaar waarin zorgen en spanning het gezin binnenkwamen. Anderen merkten dat het in het afgelopen jaar in hun huwelijk niet meer ging. Dan is het afgelopen jaar het jaar waarin alles wat je van tevoren had bedacht, in duigen gevallen is. Een jaar waarin je niet verder kon gaan met je studie, omdat het niet meer ging.
Ook op een andere manier kan het afgelopen jaar ingrijpend zijn geweest. Een verlangen, een diepgekoesterde wens die niet in vervulling is gegaan. Je had met elkaar gehoopt om uit Gods hand een kind te ontvangen, maar het was een verlangen dat niet vervuld werd. Een baan, waar je op had gehoopt, maar die je alsnog niet kreeg.
Zo kunnen velen hier met gemengde gevoelens zitten.

Voor anderen was het juist een jaar van zegeningen: het jaar waarin getrouwd werd, de geboorte van een kind, een huwelijksjubileum,  het behalen van een diploma. Ook dat kunnen gebeurtenissen zijn die een diepingrijpende invloed hebben op ons leven. Gebeurtenissen waardoor je bent stil gezet.
zo kijkt iedereen anders terug op het afgelopen jaar. We hebben allemaal onze eigen herinneringen
en met elkaar brengen we onze herinneringen en alles wat er in het afgelopen jaar gebeurd is,
brengen we bij God. We brengen het allemaal voor Gods aangezicht. We brengen het bij de Heere. Hij overziet alles, ook wat er in het afgelopen is gebeurd. In ons eigen leven, in ons land, over heel de wereld. We brengen het bij God, van wie we geloven dat alles in zijn hand is. Ons leven, de wereld waarin wij leven. Wij brengen het jaar bij God: onze gedachten en herinneringen, onze dankbaarheid, ons verdriet, wat goed ging en wat mislukte. En nu staan we op een drempel,  en terugkijken op het afgelopen jaar, brengen we het bij God. En nu we hier in de kerk zijn, hopen we ook van God te ontvangen. Liederen die we met elkaar zingen en die ons troost bieden, de gebeden die uitgesproken worden en onze dank en zorgen bij God brengen,
Als u hebt meegelezen in de Bijbel hebt u wellicht gevraagd, wat voor troost er uit dit gedeelte gehaald kan worden. Op welke manier helpt dit gedeelte om het afgelopen jaar af te sluiten en bij God te brengen, om het in Gods handen te leggen? Op welke manier biedt dit gedeelte houvast als we merken dat de tijd snel gaat?
Dit gedeelte is ook nog eens een moeilijk gedeelte  en dat plaatst ons bij voorbaat al op afstand. Dit gedeelte heeft nauwelijks kans om ons aan te spreken, want we komen er niet doorheen. Waar gaat het eigenlijk over?  Dan kom je er niet eens aan toe om te bedenken wat het ons te zeggen heeft.
Ik kan me goed voorstellen, dat u moeite hebt om dit gedeelte te begrijpen. Ik zal u eerlijk zeggen dat ik me in eerste instantie ook verkeken heb op dit gedeelte. Ik had het enkele weken van tevoren uitgekozen toen ik mijn planning maakte. Maar toch denk ik, dat juist dit gedeelte wel een mooie boodschap voor ons heeft. Als we maar begrijpen waar het over gaat. Ik zal het u proberen uit te leggen.
In Jesaja 30: 18 gaat het over een dralende God.  Hij ziet er tegen  op om afscheid te nemen. Hier wordt over God gesproken, dat Hij Zijn vertrek nog uitstelt.
Wat dralen is, weten we allemaal wel. Iemand die moeite heeft om een einde aan het bezoek te maken. Met de jas aan komt hij nog even terug in de kamer om wat te zeggen en weer ontspint er een heel gesprek. En als iemand uiteindelijk dan toch de deur uitgaat, komt hij terug  om nog even iets te zeggen wat hij nog vergeten was te zeggen. Dralen. Voor ons mensen kunnen er allerlei redenen zijn om te dralen. We zien er tegen op om alleen te zijn. Of we zien er tegen op om dit gezelschap te verlaten, want hier is het nog gezellig. hier in dit gezelschap tellen wij mee en wordt wat wij zeggen op waarde geschat. Hier worden wij gehoord, gezien.
Maar waarom zou de Heere eigenlijk dralen? Wat moeten wij ons voorstellen bij God die draalt, Zijn vertrek nog even uitstelt. Niet goed afscheid kan nemen en dan nog terugkomt? De gedachte dat God vertrekt en afscheid neemt komt misschien al merkwaardig over. Net als het beeld dat God draalt. Hij is er toch altijd? Hij staat klaar.
Toch komen we de gedachte dat God vertrekt, vaker tegen in de Bijbel.  Een gedachte die we niet vaak tegenkomen, omdat deze gedachte vooral te vinden is in de moeilijkere Bijbelgedeelten. Het wordt steeds door de profeten uitgesproken: de mogelijkheid dat de Heere wegtrekt uit het midden van Zijn volk. Dat Hij hen verlaat.
Waarom zou de Heere dat doen? Hij doet dat, omdat het volk Israël Hem niet ziet staan. Hem niet nodig heeft, niet werkelijk om op Hem vertrouwt. Nu ja, zo openlijk zullen ze het niet toegeven, want voor het oog kunnen ze de schone schijn ophouden. Net doen of ze nog vromer zijn dan de anderen.
Maar ten diepste gaan ze aan God voorbij. Ook in dit gedeelte: Het volk Israël is op de vlucht. Het land is in een crisis terechtgekomen. Er dreigt gevaar waarvoor ze op de vlucht slaan. En in die vlucht rennen ze aan God voorbij. Ze zien de Heere niet staan.  Ze denken er niet aan om hun hulp en steun bij Hem te zoeken.
Ergens wel begrijpelijk n menselijk, vindt u niet? Want als je je baan verloren bent in het afgelopen jaar, ga je op zoek naar een nieuwe baan en je doet je best om een nieuwe baan te vinden. Het is niet gemakkelijk om te vertrouwen dat de Heere zal voorzien. Dat alles in Zijn hand is. Het afgelopen jaar kan een jaar geweest zijn, waarin het met het bedrijf de verkeerde kant op ging. En dan doe je als directeur of als werknemer er alles aan om een faillissement te voorkomen. Je voelt de verantwoordelijkheid, voor de zaak, voor de werknemers, voor de leveranciers. Je kunt je zorgen hebben, zeker als je vermoedt dat in het jaar 2012 de echte klap nog moet komen. Dat hoorde ik tenminste onlangs iemand zeggen.
In zo’n situatie ben je druk bezig om je zaak te redden en als er geen redden aan is ben je bezig met een exit-strategie om de schade zo veel mogelijk te beperken. Ook het volk Israël was bezig met een exit-strategie.  Redden wat er te redden valt. Op de vlucht!
En daarbij rende het de HEERE voorbij. Hij stond te wachten, totdat Zijn volk bij Hem kwam om bij Hem om hulp te vragen, redding, een ommekeer, om de zorgen bij God te brengen. Want Hij had toch een verbond met dit volk gesloten en belooft dat Hij voor het volk zou zorgen. Dat Hij zegeningen zou geven. Als het Hem maar diende. Maar dat deed het niet. Israël ging aan de eigen God voorbij. Geen dienst aan de Heere. Wel uiterlijk, maar innerlijk niet. In hun hart was er geen plaats voor God, maar een innerlijke leegte en wat zal die leegte hebben opgevuld. Waar zal Israël naar hebben gestreefd? Wat hoopten ze te krijgen?
Ergens is het ook begrijpelijk dat het volk Israël de Heere voorbij rende. Want in een tijd van nood moet er toch gehandeld worden, anders is het te laat. Door middel van de profeet roept de Heere het volk toe, dat Hem voorbij rent: Sta eens stil en keer je weg naar Mij. Bij Mij is je redding.
Hij zegt er ook bij: Als je voortdurend Mij voorbij rent, heb ik hier niets te zoeken. En daar heeft het dralen mee te maken. De Heere wil nog niet vertrekken, want Hij weet wat het voor het volk betekent dat Hij zal gaan. Het zal de crisis alleen maar erger maken. Er is geen houden meer aan. Dan zal alles instorten en alle bescherming weg zijn.
Maar de Heere wacht … aarzelt …draalt. In de hoop, dat het volk zich opeens bedenkt, alsnog een omkeer maakt en naar God toe gaat voor hulp. Het is niet zomaar een dralen, niet besluiteloos, maar juist een popelen om in actie te komen. Om bij te springen en uitredding te brengen. God wil genadig zijn, ontfermen. Hij is er klaar voor, maar het volk denkt er niet aan, omdat het zelf nog kan.
We hebben hier te maken met een spanning tussen onze eigen verantwoordelijkheid  en Gods handelen. Toen ik dit opschreef, moest ik opeens denken aan een voorval uit de tijd dat ik nog op een jeugdvereniging zat. Als jeugdvereniging waren we ergens geweest. De oudere jongeren, die hun rijbewijs hadden, reden in hun eigen auto of die van hun ouders. Op de terugweg kwamen we in hevig noodweer terecht. Toen we aankwamen bij de bestemming, kwamen bepaalde groepen later aan. Van een van de groepen hoorden we dat een van de bestuurster de auto aan de kant van de weg had gezet om te bidden voor zij verder ging, voor zij verder durfde te rijden. Ik had dat altijd wat merkwaardig gevonden, want zoek je het gevaar daarmee niet op? En toch, deze tekst overdenkend … is het niet gemakkelijk om God voorbij te vluchten
Of in groter verbad: je zou maar politicus zijn en verantwoordelijk zijn om de euro te redden. De verantwoordelijkheid kan grote last zijn. Als u verantwoordelijkheid hebt voor een bedrijf, een afdeling, een gezin,  wat betekent het om te vertrouwen op God? Is dat niet te eenvoudig: bekering en het vinden van rust in God? Dat is toch een te eenvoudige oplossing als er snel gehandeld moet worden  als een bank dreigt om te vallen, als een faillissement dichter bij komt? Het gaat er ook niet om, dat wij geen verantwoordelijkheid hebben.
Het voorbij rennen van de Heere in onze vlucht gebeurt heel subtiel. anders had het volk dat niet gedaan  en anders zou het ons ook niet overkomen dat we voorbij gaan aan wat God ons geeft. Het gaat erom dat we werkelijk geloven dat ons leven in Gods hand is, dat we daar uit leven. Dat we werkelijk leven in afhankelijkheid aan Hem. En toch is de rust en de omkeer, waar Jesaja enkele verzen terug over spreekt  van wezenlijk belang. Want in onze vlucht kunnen we nog ons eigen leven in onze hand hebben en leven we – zonder dat we er erg in hebben – zonder God.
Het kan ook zijn, dat we op de vlucht zijn geslagen, gejaagd zijn, omdat onze wereld in elkaar valt, onze plannen niet meer doorgaan, onze wensen niet uitkomen. Hoe begrijpelijk dat allemaal kan zijn, Gods plannen zijn anders dan onze plannen. Gods wegen zijn anders dan onze wegen. Het kan zijn dat de Heere tegen u zegt: Ik heb andere plannen met u. Niet de groei van je bedrijf, niet deze baan.  Niet deze voorspoed of dit geluk. Ik zeg niet dat dit gemakkelijk is.
Het vertrouwen waar de Bijbel over spreekt, het vertrouwen op God, betekent niet dat we overal een antwoord op vinden. Betekent ook niet dat de bomen tot de hemel groeien. Het gaat om wezenlijk vertrouwen op God, dat vooraf gaat aan onze beslissingen, aan onze keuzes. Een vertrouwen dat er ook is als onze keuzes verkeerd uitpakken, een vertrouwen . Wie zo kan leven, is gelukkig, zegt de Schrift. Wie de zorgen uit handen kan geven, je eigen leven, alles wat je bezighoudt en verantwoordelijk voor bent. En dat geluk is geen toekomstmuziek, je bent nu gelukkig – in je verantwoordelijke positie. Dat geeft een andere kijk op ons bezig zijn. Geluk zit dan niet in wat we bereiken, maar wat we ontvangen.
Wat we van God ontvangen. Niet in de vorm van materieel geluk, maar in de vorm van wijsheid, kracht, in de vorm van leiding. Wie anders kan leven is gelukkig.
En als je in het afgelopen jaar niet zo geleefd heb? Dan heb je ook je geluk voorbijgerend en God zelf. Dan kun je straks thuis uithijgen van dit jaar en stapelen direct de zorgen voor komend jaar zich weer op. Dan dragen we de last zelf, die anders God van ons afneeemt.
De profeet roept ons toe in het voorbijrennen: Ho, wacht, stop. Er is meer. Er is ook nog een God. Die is er niet alleen voor het  geval je zelf niets meer kunt. Nee, Hij wil nu dat we naar Hem toegaan. Hij staat te wachten, te popelen. Hij draalt … Hij wil ons niet in de kou laten staan. Hij wil ons niet in onze sop gaar laten koken. Hij staat klaar, in de startblokken. Bereid om in actie te komen. En als je Hem voorbij gerend bent, Hij wil Zijn genade geven.
Nu het nog kan, stel je vertrouwen op Hem en je zult gelukkig zijn, omdat God met je is.
Amen

Preek oudjaar 2010 (Joh 12:46)

Preek oudjaarsavond (voorlopige versie)
Johannes 12:37-50

Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve. (vers 46)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Als de Here Jezus over zichzelf: “Ik ben als licht in deze wereld gekomen”,
laat Hij nog één keer zien, waarom Hij naar deze aarde is gekomen.
Tot dan toe was Zijn optreden openbaar, voor iedereen zichtbaar.
Iedereen kon Zijn woorden horen,
iedereen had de mogelijkheid om zich in geloof bij de Here Jezus aan te sluiten.
Nu staat Hij op een grens: het openbare optreden is voorbij.
Nu zal Hij zich terugtrekken
om in het verborgen Zich voor te bereiden op Zijn weg naar Golgotha.
De Here Jezus neemt afscheid.
Op dit moment van afscheid roept Hij voor de laatste keer
het volk op om Hem te gehoorzamen en te dienen.
Hij toont zich nog één keer als het licht.

Christus zegt van Zichzelf: Ik ben gekomen als een licht.
Maar niet zomaar als een licht,
als het licht, dat het duister verdrijft.
Het duister van het licht scheiden – dat was ook het eerste dat God deed bij de schepping.
Daarmee gaf de Here aan: Ik wil niet dat de wereld, die ik schep door het duister wordt bedreigd.
Want het duister is namelijk een bedreigende macht.
Het duister is in de Bijbel een wereld van chaos,
een wereld die het leven en die God niet kan verdragen.
Het is een van de meest ernstige woorden van de Bijbel,
omdat het duister ook kan staan voor een wereld die God niet wil,
die de Here het liefste buiten de deur houdt.
daarmee is het duister het tegenbeeld van het leven, van God.
Een wereld die angstvallig het licht buiten houdt

Christus zegt: Ik ben gekomen als een licht om het duister te verdrijven.
Op de grens van dit jaar en het volgende jaar, het moment waarop wij terug kijken
en voor onszelf de balans opmaken,
de geslaagde momenten scheiden van de minder geslaagde momenten,
de goede herinneringen scheiden van de herinneringen die ons dwars zitten
om die achter ons te laten,
is er Iemand die ook de balans over ons leven opmaakt,
meer nog die een scheiding maakt
een scheiding tussen licht en donker.
Alles wat wij hebben gedaan in het afgelopen jaar wordt aan deze scheiding onderworpen.
dat daarmee deze woorden een ernst krijgen, hoef ik u niet te vertellen.
Ik denk aan mijn bezigheden in het afgelopen jaar:
Als man en vader in ons gezin,
de momenten dat ik er was en de momenten dat ik er niet was.
als predikant van uw gemeente,
in de bezoeken die ik heb gedaan,
de preken die ik heb voorbereid en gehouden heb ik uw midden,
heb ik genoeg geluisterd naar de stem van de Here,
heb ik u wel de enige boodschap voorgehouden die u redding brengt?
als bewoner van dit dorp.
Heb ik mij niet mij teveel opgesloten in mijn eigen wereld
en de kansen die de Here mij bood laten verschieten?
Heeft, ondanks alle goede bedoelingen, de duisternis niet geregeld over mij en mijn werk geheerst?
Christus die scheiding brengt tussen licht en duisternis.
Terugdenkend aan het begin van het jaar,
toen wij startten met het gebed om de zegen van e Here over het jaar 2010,
heeft de Here toen iets voor ons achter gehouden?
In een avondlied dat ik onlangs tegenkwam, wordt gezongen en gebeden:

Mijn nederlagen komen.
Als geheel heb ik de dag ontvangen
Hij viel ons uit handen.
Aan die kan ik de scherven overgeven
als mijn hart mij alleen nog maar aanklaagt
?

Maar voor wij ons overgeven aan ons zelfbeklag,
Voor wij de balans voor God opmaken
en daarbij het risico lopen het duister wat te verdoezelen,
zo onschuldig was het niet,
Voor wij aan onszelf overgeleverd zijn
met de last van het verleden en niet in dat licht durven kijken,
roept Christus ons.
Voor wij op de grens van oud en nieuw onze Here tegen komen,
die ons op deze grens dreigend tegemoet treedt en ons met onze schuld en tekorten confronteert,
roept Hij over ons uit, dat Hij gekomen is als een licht.
Wij kunnen het duister niet uit ons leven verdrijven,
Dat doet Hij in ons leven.
Bij ons houdt de dag op om middernacht.
Ook ons jaar houdt vannacht om middernacht op.
Bij de schepping is dat anders.
De dag begint met de nacht en eindigt met het licht, de dag van Godswege gezonden.
Christus is gekomen om aan te kondigen dat het duister over ons leven
niet het laatste woord heeft.
Als de morgenster gaat Hij op in ons duister.
Hij roept een ieder tot Zijn licht.
Het is een oproep om niet in onszelf gekeerd te blijven,
niet alleen te blijven met onze last,
Maar een uitnodiging en bevel tegelijk.
Een uitnodiging omdat de Here ons niet wil dwingen
Een bevel, omdat Hij niet wil dat wij in het duister rond blijven lopen
De machten die tegen ons leven zijn en ons van het leven afhouden.
Een hartstochtelijke roep om ons leven aan Hem toe te vertrouwen.
Niet morgen, niet als goede voornemen.

Jezus roept hier niet degenen die reeds tot geloof gekomen zijn.

Niet die het leven in hem al gevonden hebben.
Dat zijn er trouwens niet zo veel op dat moment, de meesten hadden zich van Hem afgewend.
De Here Jezus zegt niet: als je gelooft, maak ik de drempel nog eens hoger.
Maar het is de laatste poging van de Here Jezus om Zijn volk nog eens te winnen.
Jullie beseffen niet wie ik ben en wat ik kom doen.
Ik kom jullie tot een nieuwe schepping maken.
Beseffen wat jullie mislopen?

Christian Möller vertelt over een doopbezoek.
Hij kwam bij de ouders thuis.
Vol trots liet de vader zien, welke levensloopregelingen de vader allemaal had geregeld.
Zijn dochter zou een onbezorgde jeugd kunnen hebben.
Er was al een heel plan opgesteld, zodat zijn dochter kon studeren.
Möller hoorde dat eens aan
na een tijdje vroeg hij aan de man:
is het wel verstandig om je kind te laten dopen?
De man, verbaasd: hoezo?
Als je je kind laat dopen krijg je de hemelse Vader erbij als concurrent.
De man hield verbluft zijn mond.
Daarop begon de vrouw te spreken: Wilt u asltublieft ons kind dopen.
Dit is een voorbeeld van hoe mensen teruggekomen worden.
Hoe er goed gekeken is naar de werkwijze van de Here Jezus.
Want deze man had niet alleen voor zijn kind een keurslijf klaarliggen,
hij had ook nog eens buiten de zorg van de hemele Vader gerekend.
Alsof alleen hij als vader voorzijn kind zou zorgen.
Alsof er geen Vader in de hemel is.

De roep van de Here Jezus ontregeld onze vanzelfsprekende zekerheden.
Hij komt in ons leven – liefdevol en vragend.
Ik bied je het leven aan.
Ik verdrijf het duister (dat jij alleen degene bent die voor je kind kunt zorgen, want als het eigen wegen kiest, wat dan?)

Heel het werk van de Here Jezus dreigt op een mislukking uit te lopen.
Slechts een handjevol mensen heeft Hij gewonnen.
Die hebben ontdekt dat in Hem het leven.
Zo heeft Hij tijdens Zijn rondwandeling op aarde voortdurend hartstochtelijk
geworven om het hart en het leven van Zijn volk.
Wijs het leven niet af, want dan blijf je in de duisternis.
Wat komt er dan van je terecht?

Maar zover is het nog niet.
Jezus is gekomen als licht om het duister te verdrijven.
Zodat wij niet onder het oordeel vallen.
Hij is gekomen om ons uit het duister mee te nemen naar het licht.

Mijn vader is leraar op een school.
Aardrijkskunde gaf hij.
Ik heb een jaar bij hem in de klas gezeten.
Aardrijkskunde is niet voor iedereen het meest boeiende vak.
Het gebeurde wel eens dat iemand niet zat op te letten,
aan het knikkenbollen was.
Hij pakte dan een krijtje of een schoolborstel
en met een mooie boog wierp hij het precies op het tafeltje van degene die zat te slapen.
Diegene schrok natuurlijk wakker.
Hij deed dat natuurlijk niet omdat hij beledigd was, dat er iemand in zijn les in slaap viel.
Hij deed dat om degene die zat te knikkenbollen
bij de les te roepen.
Want met een overhoring zou hij of zij bepaalde informatie niet meer weten.

Hij roept ons tot Zijn licht,
zoals een herder een schaap roept dat te ver is afgedwaald.
Ga niet alleen door het leven, die last is u te zwaar.
Als we dat tegen elkaar zouden zeggen, zouden we het dan geloven?
Wellicht omdat het een lied is dat ons bekend is.
Daarom klinkt hier de stem van de goede Herder.
Aan Hem kunnen wij toch niet voorbij gaan?
Als Hij tegen ons zegt: Ga niet alleen door het leven.

Jezus geeft als waarschuwing aan Zijn woorden ook een ernst mee.
Nog ben ik niet gekomen met Mijn oordeel.
Nog steeds klinkt de genadige oproep
Om Zijn licht over ons leven te laten schijnen.
Ik treed u nodigend tegemoet.
Laat Mij in je leven zijn.
Want anders sta je er alleen voor.
Maar daarom ben ik niet gekomen
om je er alleen voor te laten staan.
Dan zijn wij alleen maar bezig met: of onze last
Of wij maken de last voor ons een beetje dragelijk maar houden ons voor de gek.

Vandaag werkt God nog.
Vandaag roept Hij ons tot Zijn dienst.
Vandaag houdt Hij ons het leven voor.

Zalig bent u, als u geroepen bent.
Als de Here ook over uw leven schijnt.
Herscheppend om ons Zijn heerlijkheid over ons te laten opgaan.
Dan mogen wij weten:
Ook over het afgelopen jaar heeft de duisternis niet het laatste woord.
Dat wordt ons verkondigd door onze Heiland zelf.
In Christus gaat de zon van Gods genade gaat over ons op.
Vlucht niet in het duister weg!
Amen

Homiletische aantekeningen bij Johannes 12:44-50


Homiletische aantekeningen bij Johannes 12:44-50
Vanwege een preek op Oudjaarsdag

‘Licht en donker zijn in de taal van de Heilige Schrift laatste woorden’, schrijft Hans-Joachim Iwand. Hij bedoelt met de uitdrukking laatste woorden, dat waar Jezus over spreekt te maken heeft met het oordeel van God op de laatste dag. Iwand voegt eraan toe: ‘De scheiding van licht en duisternis was de eerste scheppingshandeling van God. Wee degene die deze grens opheft of verwart.’

Het is deze scheiding die volgens Iwand in Johannes 12:44-50 aan de orde is en bepalend is voor al ons bezig zijn. Of het nu gaat om wereldbeschouwing, ethos, religie. Maar ik denk ook ons gewone bezigzijn. Daarmee denk ik aan mijn alledaagse bezigheden. Waar heb ik mijn tijd aan besteed? Waar mijn tijd aan verkwist? Ik heb preken voorbereid, mensen bezocht, artikelen geschreven, getwitterd. De scheiding tussen licht en duister treft ook mijn bezigheden.
Duisternis is bij Johannes een sfeer, een macht waarin men zich eigen best thuis is, maar leeft zonder God. Wandelen in de duisternis, aldus Iwand, typeert een bestaan dat geleefd wordt zonder besef van het doel. Hij verwijst naar enkele verzen eerder: wie in de duisternis wandelt, weet niet waarheen hij gaat. (Johannes 12:35). Wandelen in de duisternis kan zowel in luiheid als activiteit worden gedaan.
‘Bedenk dat de gehele wereld een ijdele leugen is en dat alles ons anders voorkomt dat het in werkelijkheid is. Moeizaam is ons leven en wij vergeten desondanks elk ogenblik dat al onze handelingen ooit voor een Revisor komen, die niemand kan omkopen.’ (Nikolaj V. Gogol – geciteerd door Rudolf Bohren – Das Gebet I, p. 11). Zelfbedrog leidt uiteindelijk tot Gottesbetrug, aldus Bohren: wie zichzelf voor de gek houdt, camoufleert zich uiteindelijk ook voor God. Daarmee wordt God van Zijn eigenheid beroofd; de oervorm van zonde. Redding van de zonde is dus redding van ons zelfbedrog.
Ik denk aan een avondlied van Svein Ellingson (vertaald door Jürgen Henkys) dat ik onlangs tegenkwam:

Meine Niederlagen kommen.
Ganz hab ich den Tag empfangen,
und er fiel aus den Händen.
Wem soll ich in letzter Stunde
lauter Scherben übergeben
und ein Herz, das nur noch anklagt?

Als geheel heb ik de dag ontvangen, maar heb de dag zelf als een vaas in stukken laten vallen. Aan wie kan ik de scherven geven als mijn hart mij daarover aanklaagt?
Of aan Gezang 167:2 (van Ad den Besten) dat ik zo graag laat zingen:

Wij hebben dag en nacht verward,
de nacht geprezen in ons hart
en onze dag verslapen
.

Misschien dat ik daarom zo graag Duitse theologen lees: vanwege het ernstige besef in de Lutherse traditie van het oordeel van God. En dat ik daarom zo graag de muziek van Joh. Seb. Bach beluister, omdat dat besef in zijn muziek alom doorklinkt.
Tegelijkertijd vraag ik mij af, waarom ik die ernst de gemeente niet altijd voorhoudt? Wat blokkeert er in mij? Wil ik het de gemeente toch naar de zin maken en de ernstige kant niet al te strak aantrekken? En dat terwijl ik weet dat in de gemeente ook wel degelijk het verlangen om de ernst aanwezig is.

Voordat ik het weer om mijzelf kan laten draaien, benadrukt Iwand dat de beslissing allereerst aan Christus toekomt. Het is Christus die duisternis en licht in mijn leven, in de wereld, in de kerk scheidt. Hij is als licht in deze wereld gekomen, opdat een ieder die in Hem gelooft niet in de duisternis blijft. Dit is de reden van Zijn komst. Daarom is Zijn komst vol genade en waarheid (Johannes 1:17).Het draait om de aanwezigheid van Christus. Ook in de preek.
De prediker spreekt in naam van Christus. Volgens Iwand kan dat maar op één manier: ‘Spreek, Heer, want uw knecht hoort.’ Manfred Josuttis beschrijft zijn herinnering aan Iwand als prediker: een forse man, die op de kansel achter zijn biddende handen verborgen was: de gestalte van de radicale onderwerping. De prediker laat op deze manier in zijn ambt zien, wat de kerk tot kerk maak.
Dat leer ik ook van Iwand: de belofte. Dat heel Gods handelen in het teken staat van Gods belofte. Ook de ernst van het oordeel. Die belofte maakt de preek concreet en actueel. Concreter en actueler dan het recente nieuws te gebruiken of te refereren aan trends. Want die referenties willen uiteindelijk heersen over de tekst: ‘We lopen voortdurend het risico om de kracht van het Woord van God en de beslissingskracht die van het Woord uitgaan te neutraliseren.’ Het Woord van God heeft meer effect dan alle positieve ideeën. Ook al zijn die positieve ideeën gekleed in een christelijk jasje. ‘We worden als eerste tot de tekst geroepen, maar moeten ons dan weer laten uitzenden in de missio om te verkondigen.’ Daarom over de tekst:

Over Johannes 12:37-50
Deze perikoop sluit het openbare optreden van Jezus af: (1) in het onbegrijpelijke ongeloof van de Joden, (2) in het benadrukken van Jezus dat Hij niet namens zichzelf kwam, maar gezonden was door de Vader.
Jezus neemt afscheid door Zijn volk nogmaals te roepen, op te roepen tot geloof en ommekeer. Hij is niet gekomen om Gods oordeel te brengen, maar om te redden van dat oordeel. Hij negeert hier zijn ambt als rechter. De laatste roep laat nog steeds genade zien. ‘Onze weg door de tijd wordt begeleid door de voortdurende bemoeienissen van God met ons.’ (Voigt) De teleurstelling leidt niet tot verwijten, maar een laatste oproep. Jezus roept op om zich dmv Hem toe te vertrouwen aan God. Om zo de verbroken gemeenschap met God te laten herstellen. Daarom is Zijn optreden niet vrijblijvend. Alleen door te luisteren naar Zijn roepstem kan de verbroken gemeenschap worden hersteld.
Jezus roept ons uit de duisternis tot het licht. Om Gods eerste scheppingsdaad ook aan ons te laten voltrekken. Voigt: ‘Dat wij in de duisternis zijn gaan wandelen, komt omdat wij Jezus te weinig vertrouwd en gehoorzaamd hebben. De ‘sfeer’ van de duisternis zou ook in het jaar dat bijna achter ons ligt, macht over ons hebben kunnen krijgen – terwijl wij menen te midden van Gods volk te staan.’
Deze –laatste – oproep is niet vrijblijvend. Iwand: ‘De ontmoeting met het Woord van God in Christus zijn altijd van eschatologische betekenis.’De komst van Jezus heeft alles wat tot nog toe open was een definitief karakter gegeven. Genegeerde genade betekent: oordeel. Daarom: het heden als moment om (weer) te gehoor te geven. We kunnen de keuze niet voor ons uit schuiven. Vandaag wordt er besloten over de toekomst. Door Christus en door ons. In die zin kan men dus zeggen dat het oordeel over leven en dood nu voltrokken wordt. (Dat betekent overigens niet dat Johannes het oordeel op de laatste dag niet kent.) Nogmaals: Jezus is niet gekomen om te oordelen, maar om te redden. Jezus spreekt niet als privépersoon, maar namens God.
De kerk moet overigens wel serieus nemen dat het oordeel toekomt aan God. De kerk heeft alleen het oordeel aan te bieden; niet te oordelen over wie het afwijst. In 1937 zei Iwand tegen de studenten van de Bekennende Kirche: ‘Wat daaruit worden zal, mag u aan God over laten. Hij kan de gemeente ook in dwaalleer laten verkeren. Dank God, dat u vandaag de dag de gemeente nog mag verkondigen!’
Iwand zei dit midden in de strijd tussen de Deutsche Christen en de Bekennende Kirche (wat die opmerking over de dwaalleer een spannend gegeven laat zijn). Eerder had hij al tegen zijn studenten gezegd: ‘Tussen u en uw gemeente staat God. Een zegen en een troost als u deze grens respecteert, maar een scherp zwaard voor wie deze grens negeert. Op het moment dat u als verkondiger wilt heersen over de harten, loopt u in Gods zwaard.’

ds. M.J. Schuurman

Gebruikte literatuur:
* Rudolf Bohren, Das Gebet I (Waltrop, 2003).
* Hans-Joachim Iwand, Predigtmeditationen (Göttingen, 19642).
* Christian Möller, Die homiletische Hintertreppe. Zwölf biographisch-theologische Begegnungen (Göttingen, 2007) – het hoofdstuk over Hans-Joachim Iwand.
* Gottfried Voigt, Die große Ernte. Homiletische Auslegung der Predigttexte der Reihe V (Göttingen, 19762).