Houd de kerk in het dorp!

Houd de kerk in het dorp!

Ruim 2 jaar woon ik op een dorp. Het is een dorp, waar maar een winkel is. Geen supermarkt, maar een kleine drogist. Verder staat er op donderdag enkele uren een visboer en op vrijdag de hele dag de bloemenman. Op zaterdag komt de bakker langs.
Soms kom ik de gedachte tegen dat je ook naar een ander dorp naar de kerk kunt gaan. Je gaat immers ook met de auto naar de bakker of de slager. Dat de dorpelingen met de auto naar de bakker of de slager gaan, is echter niet hun eigen keuze. Ze zijn ertoe gedwongen. Want de winkels zijn verdwenen. Zeker voor de ouderen is dat erg onhandig. Er is een goede busverbinding en een ouderentaxi, maar het blijft behelpen. De klacht die ik op huisbezoeken hoor, is dat er in het dorp weinig te doen en weinig te halen valt.
Eind vorige eeuw is de gemeente Ilpendam opgedeeld. De overzijde van het kanaal is bij Landsmeer gevoegd. Deze kant is samen met Marken, Monnickendam, Broek in Waterland gefuseerd tot de gemeente Waterland. Of de gemeentefusie een succes is? De afstand tot de gemeentepolitiek is in ieder geval veel groter geworden. En fietspaden worden slecht onderhouden. Openbaar vervoer is bij ons in het dorp goed, maar één dorp verder al problematisch. Buiten de Randstad geen optie.
De schaalvergroting is terug te zien in de bejaardentehuizen. De bejaardentehuizen zijn uit de dorpen weggehaald. Er is nog een groot centrum in Monnickendam. Heb je je hele leven in Ilpendam gewoond, moet je tegenwoordig naar Purmerend of Monnickendam gaan voor een bejaardenwoning? Maar wie kent je daar nog? Wie bezoekt jou? En als je na 10 jaar overlijdt en toch begraven wilt worden in Ilpendam, wie is er dan aanwezig op je begrafenis?
Toch maar goed dat er een kerk is. Ook al is dat misschien een volkskerk. Want als er geen kerk meer is, is een dorp dood. Ook geestelijk. Want wie zorgt er voor de begraafplaatsen? Wie troost de nabestaanden? Wat ik van mensen hoor, is dat zij het wel erg vinden als er een kerk verdwijnt. De sluiting van de kerk in Purmerland – ruim een jaar geleden – leeft nog steeds sterk. Een dorp moet minimaal een café en een kerk hebben, is de gedachte in deze streek.
Het lijkt me goed om dat deProtestantse Kerk in Nederland ook inzet op de kleine dorpen. Omdat er een structuur aanwezig is. Omdat er een verleden is en dus verantwoordelijkheid. In de afgelopen week kwam het nieuws naar buiten dat de randen van Nederland leeglopen. Dáár moet de kerk aanwezig zijn in mijn optiek. Desnoods met steun van andere gemeenten.
De Protestantse Kerk kan geen grotere fout maken dan het accepteren dat de kerk uit het dorp gaat. De kerk wordt er namelijk kleiner van. De dorpelingen worden echt geen lid in een naburige kerk. Hooguit zullen ze er af en toe komen. Maar ga er niet vanuit. De kerk hoort in de buurt te zijn. De geografische kerk is er voor de mensen die geen keuze hebben. Ook geen keuze hebben om weg te trekken naar een betere wijk.
De gedachte dat de volkskerk theologisch schadelijk is, is een suggestieve en onhoudbare gedachte. De volkskerk bereikt namelijk mensen, die in een andere kerkstructuur zullen ontbreken. Omdat ze vanuit zichzelf niet gemakkelijk een keuze maken voor de kerk. Ze behoren bij de kerk, omdat hun ouders daartoe behoord hebben. Wat mij opvalt, is dat deze band ook plotseling geactiveerd kan worden. De volkskerk is missionair nodig. De volkskerk heeft namelijk korte lijnen met de plaatselijke bevolking. Ik kom als predikant overal binnen. Men weet wie ik ben. Men verwacht van mij een gesprek over het geloof. Dat ik uit de Schrift lees en bidt, wordt niet verwacht, maar wel zeer op prijs gesteld. En ik merk dat de band via de volkskerk mensen op het spoor van het geloof brengt. De een gaat een hele langzame weg en toch steeds voorzichtig een stap verder. De ander realiseert opeens dat God er is en besluit weer mee te doen. Het verbaast mij dat Paas aanstuurt op terugtrekken van de kerk uit de dorpen. Hoe verhoudt zich dat tot zijn ideeën over laagdrempelige diensten? Waarom moet de kerkstructuur zelf niet laagdrempelig zijn? Geen grotere kloof dan een kerk in een ander dorp.
Theologisch is het afwijzen van de geografische gemeente ook problematisch. Schrijft Paulus niet aan een gemeente op een concrete plaats? Er is dus veel voor te zeggen om de kerk in het dorp te houden.

P.s. Het lijkt mij goed als er een beweging komt van kleine gemeenten (op kwetsbare plaatsen) die elkaars ondersteunen.

ds. M.J. Schuurman
Predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam – Watergang

Mede n.a.v. Christian Möller, Lasst die Kirche im Dorf! Gemeinden beginnen den Aufbruch (Göttingen: Vandenhoekc & Ruprecht, 2009).

Luister – n.a.v. de regel van Benedictus

Luisteren

 

‘Luister!’ Dat is het eerste woord van de regel van Benedictus. Het staat er heel nadrukkelijk, als appèl. De regel sluit af met ‘Je zult bereiken’. Het is duidelijk het luisteren tot iets leidt en dat het de moeite loont om te luisteren. Ergens anders zegt Benedictus het heel helder en duidelijk: ‘Wat is er heerlijker voor ons, beste broeders, dan deze uitnodigende woorden van de Heer? In zijn grote goedheid wijst de Heer ons hier de weg van het leven!’ (Proloog) Als wij luisteren, zullen wij een leven in al zijn volheid (vgl. Joh. 10 : 10) bereiken. Wij zullen een voltooid leven bereiken hier op aarde en eens in de voleinding bij de Heer in het eeuwige leven.

Voor Benedictus hangt veel af van het aandachtig luisteren. Men zou kunnen zeggen dat alles ervan af hangt. Enkele voorbeelden:

Wie luistert, keert terug tot God die hij verlaten of verloren had.

Wie luistert, wordt niet hartvochtig maar ruimhartig.

Wie luistert, verneemt midden in het dagelijks leven steeds weer de richtingwijzende stem van God.

Wie luistert, zal in staat zijn om aandacht te schenken aan zijn medemensen en hen recht te doen.

Aandachtig luisteren is niet vanzelfsprekend. Het evangelie laat ons dat zien: ‘Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet?’ (Mk. 8 : 18) Omdat luisteren moeilijk is, begint Benedictus zijn regel met: ‘Luister!’ Dat betekent: je hebt helemaal nog niet de vereiste luisterhouding. Je moet eerst nog leren hoe je moet luisteren. Het is de moeite waard om de juiste luisterhouding te leren, want pas dan leef je werkelijk. Want door het luisteren kom je met God in verbinding en met je medemensen. Paulus schrijft dat men door te luisteren tot geloof komt (vgl. Rom. 10 : 17). Door het gezamenlijk luisteren naar de Geest ontstaat en groeit de gemeenschap. Benedictus wil zeggen: je moet geheel en al oor zijn voor God. Hij heeft voor woorden van leven voor je. Hij laat je zien waar het werkelijk op aan komt. Jij moet naar je medemensen luisteren en zij naar jou. Want alleen gezamenlijk kun je het levensdoel bereiken. De één heeft de ander nodig. Niemand kan dat alleen. Daarom moet iemand tegen de ander zeggen waar het op aan komt. Gezamenlijk moeten alle mensen luisteren naar God: ‘Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.’ (Opb. 2 : 7) Gezamenlijk luistert men beter dan wanneer men alleen luistert. De Geest van God wil ons gemeenschappelijk aanspreken en ons op kerk opbouwen.

Het is de moeite waard om langer stil te staan bij het beeld van het horen dat Benedictus gebruikt aan het begin van zijn regel: ‘Luister, mijn zoon, naar de voorschriften van je leraar en spits de oren van je hart. Neem de volgende raadgevingen van een goede vader aan en breng ze in praktijk.’ (Proloog) Het beeld drukt een heel intense manier van luisteren uit. Bovendien verbindt het innerlijkheid en activiteit. Op de manier waarop het beeld wordt gebruikt, herinnert het aan bepaalde teksten uit het evangelie. Aan de scène van Marta en Maria. Maria ‘ging aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden.’ (Lk. 10 : 39). Maria zegt tegen de engel bij de aankondiging van de geboorte van haar zoon Jezus: ‘Laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Verderop zegt het evangelie: ‘Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken.’ (Lk. 2 : 19) Jezus zegt over de mensen die op zijn voor het woord van God: ‘Gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven’

In al deze teksten gaat het om een onvoorwaardelijke openheid voor God. Maria, de zuster van Lazarus en Marta, was degene die aan de voeten van Jezus was gaan zitten. Zij belichaamt de houding van de leerling ten opzichte van de meester. Zij weet dat alles wat Jezus nu zegt belangrijker is dan al het andere: ‘U spreekt woorden die eeuwig leven geven.’ (Joh. 6 : 68) Maria, de moeder van Jezus, drukt haar beschikbaarheid ten opzichte van het woord van God uit. Ze zegt: ik wil elke relatie aangaan die u mij opdraagt. Bovendien laat zij zien hoe wij met het woord van God moeten omgaan: we moeten het bewaren. Dat betekent: we moeten er met eerbied en liefde mee omgaan en erover in ons hart mediteren. Het moet niet alleen ons uiterlijk ook bereiken, maar nog veel meer het ‘oor van het hart’. Het moet ons innerlijk raken en ons veranderen. Wij moeten erdoor andere, nieuwe mensen worden. Mensen die leven en handelen volgens dit woord van God.

Wat Jezus tegen zijn luisteraars zegt, vat dit samen en gaat hierop door. Jezus spreekt over het geluk van het luisteren, over de vreugde over het woord van God dat het gehele leven verandert en verrijkt. Tegelijkertijd noemt Jezus een onvermijdelijke consequentie van het luisteren: het moet aanzetten tot handelen, anders is het waardeloos en kan het niet gelukkig maken. Alleen degene die luistert naar het woord van God en ernaar leeft, kan blij worden door het woord van God. Op deze manier wordt het woord van God de dragende grond onder ons leven. Het bepaalt ons gedrag in elke relatie, in beslissende situaties, maar ook in de kleine dingen van het dagelijks leven.

Men zou kunnen zeggen dat het luisteren en horen uitgroeit tot een ge-hoor-zamen. Dat is zogezegd de meest intensieve manier van luisteren, die vervuld is van een hartstochtelijke liefde tot God.

Dit kan het beste worden verduidelijkt aan de hand van Jezus zelf. Hij zegt tegen de duivel die hem op de proef stelt: ‘De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.’ (Mt. 4 : 4) Dat geldt voor hen zo sterk dat hij over zichzelf kan zeggen: ‘Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft.’ (Joh. 4 : 34) Paulus schrijft over hem dat wij gehoorzaam was tot in de dood aan het kruis en dat God hem op basis van deze gehoorzaamheid hem door de opstanding grote eer geschonken heeft. (Fil. 2 : 8-11) Jezus nam de uiterste consequentie uit het luisteren. Hij koos voor de gehoorzaamheid aan de wil van de Vader.  Daardoor koos hij voor een liefde die hem leidde naar de verheerlijking door de opstanding en die ons de verlossing en het eeuwige leven geeft.

Als christen zijn wij opgenomen in dit levensperspectief van Jezus. Benedictus zegt in dit verband over de wervende stem van God: ‘Wat is er heerlijker voor ons, beste broeders, dan deze uitnodigende woorden van de Heer? In zijn grote goedheid wijst de Heer ons hier de weg van het leven!’(Proloog). Toen Christus er werkelijk voor koos om God gehoorzaam te zijn, leidde dat hem uiteindelijk in een definitieve levensgehoorzaamheid. Hij slaagde er meer en meer in God het antwoord van zijn leven te geven. Dat betekende dat hij steeds zijn leven in dienst van anderen stelde. ‘Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen,’ zegt Jezus na de voetwassing. (Joh. 13 : 15)

In de regel van Benedictus leidt het luisteren naar God tot een wederzijdse gehoorzaamheid: ‘Gehoorzaamheid is een goede zaak en iedereen betuigt die niet slechts aan de abt, maar de broeders gehoorzamen ook elkaar. Ze beseffen dat ze langs die weg van gehoorzaamheid naar God zullen gaan.’ (Regel 71) Deze wederzijdse gehoorzaamheid is niets anders dan de bereidheid om elkaar te dienen volgens het voorbeeld van Jezus Christus. De betrokkenen stellen het gemeenschappelijke leven onder Gods woord. Maar ze zijn ook bereid persoonlijke consequenties te trekken, omdat ze de intentie van Jezus begrepen hebben: men ‘gehoorzaamde mij zodra het van mij hoorde’. (vgl. Ps. 18 : 45 en Regel 5) Wij hoeven niet meer af te wachten tot de ander begint. Met het woord van God en het voorbeeld van Jezus in ons hart kunnen wij zelf beginnen en de kracht vinden om door te zetten. Op deze manier, alleen op deze manier, verandert de wereld, de wereld van kloosters, het gezin en de maatschappij.

‘Dan kun je door actieve gehoorzaamheid terugkeren naar Degene van wie je door luie ongehoorzaamheid was weggegaan.’ (Proloog) Ongehoorzaamheid is steeds het tegenovergestelde van luisteren en het gehoorde in praktijk brengen.

Benedikt Münntnig

Hulp bij de voorbereiding van een preek over Johannes 5:1-16

Predigtmeditation over Johannes 5:1-16

(1) Uitleg
Als het evangelie van Johannes wonderen vertelt, hebben die wonderen ook symbolische betekenis. Water, die in wijn verandert; een blinde die weer mag zien. Ook in dit gedeelte is dat zo. Een zieke man wordt genezen. Johannes vertelt niet voor niets een genezing van een man die verlamd is.
In hoofdstuk 5 staat namelijk het leven centraal. Wat is het leven dat Christus schenkt? De verlamde man, die al zeer lange tijd verlamd is, kan uit zichzelf niet bij genezing komen. Hij is machteloos gebonden (vgl. Gezang 117:4, LvdK). Ook al ligt hij op een van de spaarzame plaatsen, waar eventueel nog genezing te vinden is. Maar de 38 jaar wijzen op de hopeloosheid: zelfs op de plaats van genezing is geen verbetering te vinden.
Dan komt het Leven in eigen persoon. Van al de zieken ziet Hij juist deze ene man. Hij wil deze ene man, de zo gebonden is, het leven schenken. Zoals in Johannes 4 openbaart Jezus door in het leven van een wanhopige te verschijnen. Zo werkt uitverkiezing dus: dat Christus Zich juist aan de meest wanhopige bekend maakt.
Hij kwam tot het zijne… Zou de man Hem aannemen? Jezus helpt hem op een bijzondere manier. Hij vraagt is naar de wil van deze man. Wil hij wel een verandering? Of heeft hij liever dat de situaties hetzelfde blijft?
De man zegt, dat hij niemand heeft om hem in het water te werpen. De man die geen mens heeft, krijgt de mens bij uitstek aan zijn ziekbed. Ecce homo! Vere homo, vere Deus!
Jezus geeft de man een bevel. Jezus geneest de man door tot hem te spreken. Daarmee laat Jezus zien, dat Hij het Woord des levens is, het Woord door God gezonden. Door Zijn gezagvol spreken, staat de man op. Hij gehoorzaamt en ontvangt het nieuwe leven uit de hand van Jezus.
Op de achtergrond van deze gebeurtenis speelt de gedachte uit het Oude Testament, dat de zieke niet in de nabijheid van de levende God is. Nu komt de God des levens naar hem toe in de persoon van Zijn Zoon. Aan de verlamming van de man hoeft geen zonde ten grondslag te liggen. De opdracht van de Here aan de man om niet meer te zondigen, houdt in: als je toch (terug)valt in de zonde, is je leven er erger aan toe dan tijdens die lange periode van verlamming. Door te zondigen gaat men weer weg bij de Bron des levens.

(2) Homiletische aanwijzingen
Deze geschiedenis is een van de verhalen, die Johannes vertelt, waarop Jezus in het leven van iemand komt. De gevolgen zijn heilzaam. Ook al moet deze man wakker geschud worden of hij na 38 jaar nog wel een ander leven kan hebben.
Peter Bukowski vertelt, hoe hij eens een alcoholverslaafde bij zich op bezoek had. De man was vol zelfbeklag. Hij stelde de vraag, die Jezus ook aan de man stelt: ‘Wilt u gezond worden?’ Voor de man een schok, waarop hij begon na te denken of hij wel een ander leven wilde.
Daarnaast is voor kerkgangers vaak een vraag, hoe het nou werkt als Jezus in het leven komt. Hoe verschijnt Hij? Hoe komt Hij ook in mijn leven? Wat gebeurt er dan? Dit verhaal kan ons helpen om de openbaring van Christus in eigen leven te zien.
Deze gebeurtenis gaat over een genezing van de verlamde. Johannes vertelt naar mijn idee de genezing met een bijbedoeling: om ook de symbolische betekenis te laten zien. (Hiermee doe ik geen uitspraak over historiciteit. Wil de boodschap van dit verhaal overkomen, moet het meer dan symbolisch zijn.) De verlamde laat zien dat wie nog in het duister en in de zonde zijn, net zo gevangen zijn als deze verlamde. Juist naar die mensen komt hij. Als mens kunnen wij onszelf niet uit de zonde losbreken. Alleen als Christus ons gezagsvol aanspreekt door Zijn Woord. Alleen wanneer Hij ons aanspreekt, zullen we opstaan om te leven. Hiermee is deze gebeurtenis een vooruitwijzing naar de opstanding der doden.
Homiletisch kan het zinvol zijn om te laten zien, wat ons allemaal verlamt. De prediker kan dat gezagsvolle spreken niet overnemen. Menselijke analogieën en voorbeelden helpen denk ik ook niet. Mijn suggestie zou zijn: Maak ruimte voor Christus. Laat Hem zelf spreken. Creëer de ontmoeting niet, maar geloof dat in de preek de ontmoeting plaats vindt. Die ontmoeting is een werkelijke ontmoeting van de Here en de gelovige. Uitgaande van die ontmoeting kan de preek er niet toe leiden dat een (reformatorisch) systeem overgenomen wordt. De enige taak, die de prediker heeft is om te wijzen op het Lam Gods: Kom en zie, het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt.

ds. M.J. Schuurman
Predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam-Watergang (Noord-Holland)

Verdere bezinning
Eberhard Jüngel, Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens, p. 169-174: ‘Allein durch das Wort (solo verbo)’
Christian Möller, Seelsorglich predigen. Die parakletische Dimension von Predigt, Seelsorge und Gemeinde (Göttingen, 19902).

Dat de mens aangesproken wordt door God (Anrede)en daardoor opnieuw geschapen wordt, is een belangrijk onderdeel van de theologie van Oswald Bayer. Hij benadrukt dat die Anrede tegelijk het karakter van een belofte heeft. Die Anrede heeft dezelfde (her)scheppende kracht als bij de schepping.

Liedsuggesties
Wie de psalmen en de gezangen doorzoekt, zal zien dat dit element veelvuldig voorkomt: het Woord van God dat ons tot leven wekt, dat ons doet opstaan. Ook kan het zinvol zijn om enkele adventsliederen uit te kiezen, omdat daarin wordt gezongen van de komst van Christus in het hier en nu (en wat de gevolgen daarvan zijn).

  • Psalm 6: 2, 3, 4 (Nieuwe Berijming)
  • Psalm 30: 1, 2, 4, 5 (Nieuwe Berijming)
  • Gezang 435: 1, 3, 4 (LvdK): O verbreker aller banden
  • Gezang 117: 4, 5 (LvdK): ‘k Lag machteloos gebonden
  • Gezang 127: 127: 2, 3, 7 (LvdK): Vat moed, bedroefde harten
  • Gezang 221:2 (LvdK): Op uw woord, o Leven van ons leven
  • Gezang 330:2 (LvdK): En of een mens al diep verloren

 

Esoterie als uitdaging voor de orthodoxe gelovige

Esoterie als uitdaging voor de orthodoxe gelovige

Afgelopen zondag vierden wij als gemeenten het Heilig Avondmaal. Terwijl ik de preek hield over Johannes 4:26 (Ik, die met u spreek, ben het), voelde ik het verlangen naar de ontmoeting met de Here.
Verlangen kan de brug zijn naar de esoterie. Ik denk niet dat het helpt om de esoterie alleen te veroordelen. De behoefte aan esoterie komt ergens vandaan. Ook na een veroordeling van de esoterie blijft die behoefte bestaan.

Het serieus nemen van het verlangen heb ik geleerd van Manfred Josuttis. Over hem schreef ik voor de kerkelijke opleiding een afstudeerverhandeling. Josuttis is een op het oog merkwaardige theoloog. Hij haalt zijn inspiratie zowel bij Luther en Barth als bij de esoterie. Maar op de een of andere manier heeft zijn mengeling geholpen om een wetenschappelijke opleiding en bezig zijn op geestelijk terrein te combineren.
Ook Christian Möller pleit ervoor om het terrein van de spiritualiteit te betreden. Möller, een goede bekende van Josuttis, heeft veel meer reformatorische insteek van de theologie. Hij is bang, dat het christendom zich terugtrekt in een ghetto als zij het terrein van de spiritualiteit niet betreedt. Hij pleit ervoor om het verlangen, vanwaar uit de behoefte aan spiritualiteit komt, serieus te nemen. Volgens hem is dat verlangen een ‘honger naar ervaring, naar authentieke, holistische ervaring temidden van een verscheurde, ontstolen wereld.’ Het is een verlangen naar ‘een verbindende geest temidden van een geesteloze, verscheurde wereld’.
Het gesprek zal dan moeten gaan over het verlangen. Niet in de eerste plaats over dogma’s of over de waarheidsvraag. De esoterie is vaak (terecht of onterecht) kopschuw voor dogma’s. Ik denk dat velen tegenwoordig zich bezig houden met esoterie uit verzet tegen dogma’s. Het gesprek moet ook niet over de waarheidsvraag gaan, omdat die voor de esoterie ook niet zo belangrijk is.
Dat gesprek met esoterie zal geen gemakkelijk gesprek zijn. Maar spannend hoeft zo’n gesprek niet te zijn. Zo’n gesprek is alleen spannend als de orthodoxe de Levende, die met behulp van dogma’s beschreven wordt, niet kent. Wanneer de orthodoxe deze levende Here kent (en een levendige relatie met Hem heeft), zal hij ook buiten de dogma’s om kunnen vertellen over wat hem trekt. Wat zijn verlangen stilt.
In een gesprek gaat het twee kanten uit. Van de aanhanger van esoterie kan worden geleerd, dat de Schrift (en zelfs ook de gereformeerde traditie) ook voluit over het verlangen spreekt.

’t Hijgend hert der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar ’t genot
van de frisse waterstromen, dan mijn ziel verlangt naar God,
ja mijn ziel dorst naar de Heer. (Psalm 42:1 Oude Berijming)

naar U,  Heer, strekt zich mijn verlangen, die leven zijt en leven laat. (Psalm 63:1 Nieuwe Berijming).

In de liederen en het klassieke formulier rondom Avondmaal wordt dat verlangen veelvuldig verwoord.
De reformatorische traditie heeft ook veel geestelijke wijsheid in te brengen. Degene naar Wie ons verlangen uit gaat, is soeverein. Wij kunnen als mensen die geestelijke ervaringen niet opwekken. Tot het geloof behoren ook de ervaringen van de woestijn: de tijd van beproeving, de tijd van Gods afwezigheid. Tegelijkertijd zijn die woestijnervaringen momenten waarin God naar ons toekomt.
Wanneer dat gebeurt op een apologetische manier of op een manier waarop de fouten van de ander worden aangewezen, gaat het gesprek niet verder. Veel zinvoller is het om het gesprek aan te gaan over het verlangen. Het verlangen dat je de ander ook gunt, namelijk dat de ander ook het levende water aanneemt en zo de levendmakende Geest ontvangt. Een verlangen die oog krijgt voor wie Jezus is, wat Hij te bieden heeft. Zodat het hart van de ander opengaat voor de ontmoeting met Christus en ontdekt, dat deze Christus allang met hem of haar in gesprek is: Ik, die met u spreek, ben het (Johannes 4:26)

ds. M.J. Schuurman

Literatuur: Christian Möller, Der heilsame Riss. Impulse reformatorischer Spiritualität (Stuttgart: Calwer Verlag, 2003), p. 39-54: ‘Der Schatz reformatorischer Spiritualität’.

Gebed n.a.v. Mk 9:19

Here,
Wij hebben zoveel van Uw heerlijkheid en kracht gezien
en kunnen die steeds opnieuw zien.
Toch overvalt ons vaak de moedeloosheid en het ongeloof.
Hoe kunt U ons nog in Uw nabijheid dulden?
Bevrijd ons van ongeloof en twijfel.
En laat Uw Geest ook in óns wonen,
zodat wij uit U leven.
Amen

Waar moet de preek over gaan: over het levensverhaal of over openbaring?

Tijdens mijn opleiding heb ik veel aan Praktische theologie gedaan. In Utrecht heb ik ook gekregen voor het geleefd geloof. Dat is het geloof dat de ‘gewone’ mensen hebben. Het geleefd geloof kan heel anders zijn dan het geloof dat de kerk belijdt. Geleefd geloof en beleden geloof kunnen mijlenver uit elkaar liggen.

Die aandacht voor geleefd geloof heb ik meegenomen in mijn werk als predikant. Steeds meer ben ik bezig met de vraag: ‘Hoe bereik ik de mensen waar ze zitten?’ Met andere woorden: hoe bereik ik hen in het geloof, zoals zij dat zelf beleven?
De preek over Johannes 4 zou dan gemakkelijk moeten zijn. De Here Jezus ontmoet de vrouw waar zij op dat moment is. Door Zijn manier van optreden bereikt Hij haar levensverhaal. Het kan niet mooier: Hij helpt haar zowel van haar schuld als van haar schaamte af.
Toch bekruipt mij een gevoel dat, hoe de Here Jezus haar bereikt niet het wezenlijke is. Hij bereikt haar niet door bij haar aan te sluiten. Maar juist door vertrouwde gedachtenpatronen te doorbreken: door als Joodse man aan een Samaritaanse vrouw om water te vragen. Door de verborgen pijn (en misschien wel schuld) van haar leven aan het licht te brengen. En als hoogtepunt openbaart Hij Zichzelf: Ik, die met u spreek, Ik ben het.  Hierin klinken allerlei johanneïsche motieven mee: Jezus als Woord van God (“die met u spreekt”), Jezus als Evenbeeld van de Vader (“Ik ben”).
Het gewone leven wordt een plaats van openbaring. Jezus onthult, openbaart Zichzelf aan deze vrouw. Zo komt Hij in haar leven: door middel van een Zelfopenbaring.
Het wordt spannend als ik dit naar het hier en nu toe breng. Hoe kan ons leven plaats van openbaring van Christus worden? Beter geformuleerd: wat gebeurt er als ons leven een plaats van openbaring wordt. Als Christus Zich in ons leven onthult. Dan komt ons levensverhaal aan het licht. Dan wordt duidelijk wie wij zijn. Niet zoals wij zelf zijn, maar zoals wij in het licht van Gods openbaring zijn.
De keuze zou kunnen zijn óf-óf. Een legitieme keuze: (1) óf aandacht voor het levensverhaal van deze vrouw (en daarmee die van ons). À la Ernst Lange: met de luisteraar over zijn leven praten voor Gods aangezicht. (2) óf aandacht voor het openbarende karakter van Jezus’ optreden. Het vreemde Woord van God, dat van de andere kant tot ons komt. Wat de Here hier biedt is nog gaat dwars tegen onze natuurlijke behoeften in: niet alleen genezing van de pijn, wegneming van de schuld. Hij biedt eeuwig leven. Een eeuwig leven dat niet in de eerste plaats aan onze behoefte naar oneindigheid tegemoet komt, maar zoals God die voor ons heeft bestemd.
Het liefst zou ik beide elementen vast willen houden en in verband willen brengen. Aan de ene kant het verbindende element: in ons leven(sverhaal) vindt die openbaring plaats. Aan de andere kant: het contrast en de spanning, want Gods openbaring is altijd anders dan we verwachten.  Volgens Martin Nicol is een bepaalde spanning een goede basis voor een spannende preek. Bij Nicol is de preek een gebeurtenis, waardoor God aanwezig is als de Opgestane, de werkzame Heer. Die aanwezigheid alleen al maakt een preek spannend.
Het nadeel is dan dat het voor gewone gemeenteleden weer te spannend wordt. Laat ik dan Nicols spanning vasthouden en ook de definitie van Reiner Knieling vasthouden: preek is eenvoudigweg (of op een eenvoudige manier) over God spreken. Waarbij hij aangeeft: zo eenvoudig is dat nog niet om eenvoudig over God te spreken. En ook Knieling heeft oog voor de verhouding van Godsopenbaring en menselijk levensverhaal.
Nu weet ik waar ik heen wil: een verband tussen openbaring en levensverhaal. Een verband dat aan de ene kant spannend is en aan de andere kant de verbinding legt.  Nu de preek zelf nog. Liefst op een spannende, doch eenvoudige manier

ds. M.J. Schuurman, Ilpendam-Watergang (N.-H.)

Literatuur

Martin Nicol, Einander ins Bild setzen. Dramaturgische Homiletik (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2005 – 2e druk).

Martin Nicol / Alexander Deeg, Im Wechselschritt zur Kansel. Praxisbuch Dramaturgische Homiletik (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2005).

Reiner Knieling, Was predigen wir? Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener-Verlag, 2009).

Gebed bij Marcus 1:21-28

Here Jezus,

Hoe vaak vragen wij ons niet af,

wat wij met U aan moeten?

Hoe vaak zouden wij U niet uit de weg willen gaan?

Hoe vaak niet liever verkeren in aanvechting en twijfel

dan een rustig verkeren bij U?

U die gezag over ons leven hebt, U die onze Heer bent,

roep ons als de Goede Herder uit de doodse dalen.

Verban de onreine geest

en laat niet toe dat demonische machten en gedachten

ons leven overnemen.

Bevrijd ons van de boze en bewaar ons in Uw naam.

Amen.

God, atheïsme en geloofstwijfel – een persoonlijk verhaal als antwoord op een atheïst

God is meer dan een troostende schouder om op uit te huilen.

In Maandblad Réveil stond een interview met een jonge atheïst.  Dat interview werd gehouden door De Meiden van Réveil.  De redactie vond dat dit interview van commentaar voorzien moest worden. Dat mocht ik, als predikant doen. Overigens was de atheïst niet helemaal gelukkig met mijn reactie. Een voorbeeld van langs elkaar heen praten. Hieronder een bewerking:

 Ze schreven dat ze zich in het hol van de leeuw waagden. Merkwaardig. Alsof andere verhalen minder levensgevaar opleveren. Alsof je als atheïst wel een verschrikkelijk monster moest zijn.

In het interview gaf hij aan, dat hij een periode wel geloofd heeft. Een boeiend gespreksonderwerp, omdat hij geloof later afdeed als projectie. Hoe geloofde hij in die tijd dan? Waarom had hij in die tijd een troostende schouder nodig? Welk menselijk tekort werd door hem geprojecteerd? Zijn ‘bekeringservaring’ intrigeert mij: waarom ging de overgang naar het atheïsme met zoveel emotie gepaard?

Een inconsistentie in het levensverhaal van een atheïst. Atheïsme is volgens hem geen geloof of levensovertuiging. Maar waarom levert het wel religieuze verschijnselen op, zoals een verlichting?

De gebruikelijke factoren die tot ongeloof leiden zijn: de ervaring van het lijden, de wetenschap (o.a. feiten van de evolutie), de gruwelijke verhalen van de Bijbel.

Het christelijk geloof erkent dat mensen hun eigen god kunnen creëren. En dat vaak ook doen! Maar voor het christelijk geloof is die zelfverzonnen god niet de ware God, maar een afgod. Je mag geen eigen beeld van God scheppen (het tweede gebod). God is zoals Hij zich bekend heeft gemaakt, niet zoals wij Hem bedenken. Afgoden moeten vernietigd worden. Daarom moeten zelfgemaakte beelden van God een beeldenstorm ondergaan. God is meer dan een troostende schouder om op uit te huilen. Hij is niet afkomstig uit menselijke gedachten. Christenen hebben God niet verzonnen. Op dit punt raakt de atheïstische kritiek het geloof niet.

Het atheïsme schept eerst een eigen god: een die alles kan. Een liefdevolle en almachtige god. Vaak ook nog een potpourri van godsbeelden uit andere religies. Vaak het zwakste punt in het betoog van een atheïst: eerst wordt er een karikatuur geschetst en vervolgens wordt daarvan het bestaan ontkend. Het atheïsme gaat vaak uit van een god als een alomtegenwoordige politieagent.

De zelfverzonnen ‘god’ is geen politieagent. Zo’n god is maar saai en mensonvriendelijk, want bij zo’n god heeft de mens geen enkele vrijheid. Waarom zou God wel een auto-ongeluk tegen moeten houden en mij niet behoeden voor vreemdgaan? Dan is de Here, God van Israël, levendiger, kritischer en humaner. De christelijke traditie gelooft in menselijke vrijheid. Voor het aangezicht van God ben je werkelijk een persoon, geen onderdeel van de massa.

Ik heb hiermee het bestaan van God nog niet bewezen. Los van Gods openbaring valt Hij gewoon ook niet te bewijzen. De god in de godsbewijzen is nog niet de Vader van onze Here Jezus Christus. Om het bestaan van de God, die door christenen wordt gediend, te ontkennen, heb je meer nodig dan te bewijzen dat zo’n (zelfgemaakte) god niet bestaat.

Zelf heb ik ook voor de keuze gestaan: geloof ik wel of bestaat er geen God? In mijn hart begon ik al afscheid te nemen. Misschien geloofde ik alleen nog maar voor de vorm. Toen kwam het keerpunt. In het voormalige Joegoslavië werden wrede oorlogen uitgevochten, met etnische zuiveringen en verkrachtingen. Bij ons om de hoek. Het Joegoslaviëtribunaal heeft maar een enkele oorlogsmisdadiger berecht. Voor mij werd God als rechter belangrijk. God is niet alleen de liefdevolle Vader, maar ook de God van het oordeel. Wie afscheid neemt van God, capituleert voor het onrecht en het lijden op aarde. Dat is het christelijk antwoord op leed en moeite. Voor mij was leed en onrecht een reden om wel weer in God te geloven. Om rekening te houden met God. Om serieus te luisteren naar Gods stem. Om te bidden. Ook al ken ik nog steeds terdege de aanvechting van die vraag: “Bestaat Hij echt wel?”

Leven met God is een worsteling. Maar ja, met een projectie kun je niet worstelen. Zo’n zelfgeschapen ‘god’ is een belemmering voor de atheïst om de levende God te ontmoeten.

 Ds. M.J. Schuurman, Ilpendam-Watergang (N.H.)

 Bewerking van Het geloof van predikant Matthijs Schuurman: “Leven met God is een worsteling”. Gepubliceerd in Réveil, juli-augustus 2008.

Passacaglia – verhaal uit 1999

Passacaglia

 Voor hem op straat probeert een oud vrouwtje rozen aan de voorbijgangers te verkopen. De garçon houdt haar, terwijl hij de lege glazen ophaalt, goed in de gaten.

Met zijn potlood kringelt hij wat in zijn kladblok. Het lukt vandaag weer niet. Hij pakt zijn glas en neemt een slok bier. Hij maakt met het glas rondjes op de tafel, zodat het bier een beetje klotst.

De tafeltjes rondom hem beginnen vol te lopen. Straks zal er iemand bij zijn tafeltje komen en vragen of die plaats nog vrij is.

Over een uur moet hij in de kerk zijn. Hij legt zijn kladblok opzij en maakt zijn koffer die naast het staat open. Hij haalt een boek eruit. Een groene Peeters, band 1. Hij bladert er wat in en kijkt af en toe rond. Het oude vrouwtje is er nog steeds bezig om rozen te verkopen. De garçon loopt heen en weer.

Hij hoort accordeonmuziek. Het is een bekend stuk, maar hij kan het nog niet zo goed thuisbrengen. Hij ziet de accordeonspelers zitten. Ze zien eruit als Oost-Europeanen. Hij kan wel horen dat het een moeilijk stuk is.

Hij bladert tot bijna achter in de groene band, tot achter de trio’s.

Terwijl hij zijn bier opdrinkt, loopt een oude man naar zijn tafeltje. Hij slaat zijn boek dicht en kijkt naar de man. Hij heeft een alpinopet op en wat kwasten in de hand. “Vous me permittez?” vraagt hij. Hij is zeker een schilder, zoals ze in de schilderswijk zitten en de langslopende mensen aanklampen om hun portretten te verkopen. Hij legt de kwasten op tafel, trekt zijn jas uit en hangt die aan de stoel. Hij kijkt naar het kladblok met de lijnen van het potlood. Hij lacht naar hem, alsof hij hem begrijpt. Nadat hij besteld heeft begint hij tegen hem te ratelen. Hij stelt zich voor als Emile, maar meer kan hij niet uit de stortvloed opmaken. Hij kan hun taal alleen maar volgen als de mensen hier langzaam praten. De man zal wel schilder zijn. Hij heeft het over licht en het zoeken en wijst naar zijn kwasten.

Hij kijkt op zijn horloge hoe laat het is. Hij ergert zich aan de man. De schilder denkt zeker dat hij ook een kunstenaar is. Hij heeft het wel geprobeerd om wat op papier te zetten, maar telkens verscheurde hij zijn composities weer. Hij kon zijn gedachten moeilijk vastleggen. Met zijn woorden lukte het niet, hij werd steeds zwijgzamer. Altijd merkte hij, dat als hij vertelde, zijn verhalen vervelend waren. Vaak hield hij halverwege op en dan keek niemand hem vragend aan. Het was net alsof hij speelde. Ze luisterden nooit echt. Ze accepteerden het, omdat hij er zijn studie van had gemaakt. Alleen als hij een moderne compositie speelde, vroeg zijn vader: “Vind je dit nou echt mooi?”

De noten op papier zetten was net zo moeilijk als het onder woorden brengen van zijn gedachten. Dezelfde machteloosheid. Hij stopte er niet mee, hij bleef zoeken. Hij zocht de woorden in zijn hoofd. De klanken van zijn ideeën. Die onrust in het bloed, het had van hem een zwerver gemaakt. Genade? Toen de vader van zijn vriend plotseling gestorven was, fietste hij naar de uiterwaarden en keek uren over de Rijn. Toen hij thuis was probeerde hij een brief te schrijven naar zijn vriend. Het ongeluk, altijd trof het een ander. Hij kon ertegen vechten door op zijn orgel te spelen. Altijd de ander. Het leek wel of het kwaad hem niet kon vinden, maar altijd in kringetjes rond hem heen cirkelde. De vader van zijn vriend. De man voor in de kerk. Hij was zesendertig jaar. De moeder van een andere vriend: al jaren ligt ze op bed, eigenlijk te wachten. Te wachten tot ze sterft. Wat waren er de woorden voor: God, dood, lot? De prikkel die hem ’s nachts wakker hield, een soort opstand, onbegrip. Waardoor hij onrustig in zijn bed woelde. Wat was het leven anders dan variaties op de dood?

 

De oude schilder krijgt zijn bestelling. De garçon kijkt hem vragend aan. Of hij ook wat wilde. Hij schudt zijn hoofd. Hij moet toch bijna weg. Hij pakt zijn boeken, stopt die in zijn koffer en staat op. De man tegenover hem verontschuldigt zich. Hij had nog niets teruggezegd. De schilder denkt zeker, dat hij om hem opstaat. Hij glimlacht naar de schilder en zegt dat hij nog ergens anders moet zijn.

Hij staat op en loopt weg. Hij kijkt niet meer om naar de oude man.

Bij de kerk neemt hij een klein zijdeurtje. De kerk is een grote kathedraal en elke keer als hij door het kleine gangetje in het schip komt, voelt hij zich overspoeld door de grote stille ruimte. Hij loopt naar het koor, waarvoor zijn leraar bij de speeltafel staat. Soms lopen ze naar boven, naar de andere speeltafel. Maar hier in het koor komen alle klanken samen. Zijn leraar hoort hem al komen en groet.

Meestal spreken ze Duits, zijn leraar komt uit Duitsland en hij begrijpt het Duits beter dan het Frans. Hij begint met Bach, de Passacaglia. Het steeds terugkerende schema in het pedaal. Hij denkt nog een beetje geërgerd terug aan de schilder. Maar langzaam komt hij terug uit zijn gedachten. De muziek, net een kathedraal om zijn gedachten. Zijn leraar luistert, hij blijft zwijgen tot hij het stuk helemaal gespeeld heeft. Hij slaat de bladzijden om en af en toe verandert hij de registratie. Na afloop glimlacht hij, zich verontschuldigend: “Het blijft altijd mooie muziek. Het maakt niet uit hoe je registreert. Het klinkt altijd indrukwekkend.” Hij speelt het thema opnieuw met alleen een paar achtvoeten en viervoeten. Wat blijft er over na Bach? Hij zoekt het boek van Franck op. Hier klinkt het Prière veel mooier dan thuis, op het orgel van de Oude Kerk.

Messiaen, Guillou: muziek die hij in de Oude Kerk eigenlijk niet kan spelen vanwege de registratei.

De klok zet hem altijd terug waar hij is. Achter de speeltafel in het koor. Het is zijn tijd om weer te gaan. De volgende leerling komt al naar binnen. Hij stopt zijn boeken in zijn koffer en verlaat de kerk.

Hij loopt langs het café waar hij anderhalf uur geleden heeft gedronken.

Hij ziet een grote massa op straat staan en tussen de mensen ziet hij de kleuren van een ziekenauto. Hij loopt langs de menigte. Hij ziet de garçon van het café praten met een agent. Hij wordt nieuwsgierig.

Hij probeert zich tussen de mensen door te dringen. Een paar agenten duwen de massa opzij. Een man wordt de ziekenauto ingeladen. Op de grond, naast de bloedplas liggen een paar kwasten en een alpino. Hij draait zich om en probeert zich weer tussen de mensen door te dringen.

Hij weet niet meer wat hij moet doen. De onrust, de machteloosheid. Hij moet lopen. Ergens heen lopen. Hij gaat niet naar zijn eigen kamer. In de verte komt de metro eraan. Hij springt naar binnen. Meteen rijdt de metro weg. Hij zet zijn koffer neer. Hij kijkt om zich heen waar hij is. Hij is bij de brug.

Een zwerver komt op hem af lopen en begint een bedelverhaal. Hij loopt stug door zonder de zwerver aan te kijken. Hij hoort achter zich de zwerver verontwaardigd mompelen. Alle steden zijn hetzelfde. Overal ben je vreemd. Geen bekenden. Alleen zijn er hier meer zwervers. Ze zijn hier verspreid over de hele stad.

Op de brug zet hij de koffer neer. Hij moet nadenken. Hij kijkt naar het grauwe water, dat onder hem doorspoelt. Hij plant zijn ellebogen op de leuning. De oude man, de schilder. De Passacaglia van Bach. Zoeken, zoeken. “Je kunt hem ook zachter spelen, hoor maar…” Net het einde van de fuga alsof alle thema’s bij elkaar komen. Bestaat God nog? Deze stad vol drukte. Het water beneden doet hem denken aan de dood. Als je naar beneden sprint, zwemt de dood daar. Célan die zo naar beneden sprong. Hij denkt aan een trein, zo kan het ook. Altijd als hij op het station zit en er een intercity langsdendert, denkt hij: “Nu moet ik springen.”

Vlak voordat hij wegging preekte de dominee over het einde. “De dood is de enige zekerheid in het leven, zei iemand. Maar goddank, wij hebben meer zekerheden: de Bijbel, God…” In leven en sterven.

Hij klimt op de leuning. Met zijn ellebogen op de knieën stutte hij zijn hoofd. Het water, de dood. De mensen die langsliepen keken naar hem. Nog zo’n gestoorde door wie er de volgende dag een artikel in de krant zou staan. “De reden is nog onbekend…” De wanhoop die hem naar beneden dreigt te trekken. Als hij valt zal hij nooit meer Bach kunnen spelen.

Hij huivert een beetje van de wind die hier wat meer vrijheid krijgt dan tussen de gebouwen. De huiver kruipt langs zijn rug omhoog. Het golft door zijn hoofd, zoals daar beneden het water.

Ruht wohlt, ihr heilige Gebeinte, dat zongen ze op de begrafenis van de vader van zijn vriend. Hij was lid geweest van de oratoriumvereniging. In de volle doodstille kerk – hij was leraar bij hem op school. Ach Hee,r laat Uw lieve engelen.

 

Een agent pakt hem vast. Wat hij aan het doen is. “Ik was aan het nadenken,” zegt hij en klimt van de brug af. Hij pakt zijn koffer beet. Hij verontschuldigt zich bij de agent. Die kijkt hem scherp aan en gebaart daarna dat hij door kan lopen. Waarheen?

Waarheen? Hij besluit naar zijn kamer te gaan. Hij loopt naar de metro. Die laat niet alng op zich wachten.

Hij stapt in. Hij probeert terug te denken aan de brug, maar het lijkt wel of hij niet kan nadenken. Door zijn hoofd hoort hij steeds de melodieën van de Johannes. Hij merkt dat hij met zijn hand op en neer gaat, als was het om te dirigeren. Als hij zit op een stoeltje, voelt hij die gejaagdheid weer, de onrust. Alsof hij hard gerend heeft om de metro te halen. Hij bijt stevig in zijn duim.

Hij moet opschrijven, anders raakt hij het kwijt, vergeet hij het. Maar wat? Ruht wohl? Die onrust? Een onbestemd verlangen, hij mist iets. Zoeken. Zoeken en vinden?

Hij trekt zijn koffer op de knieën om hem open te maken. Zijn kladblok ligt onder de groene band 1. Zoek mij. Die regel komt ergens vandaan. Hij weet het weer: een gezang dat ze wel eens in de kerk zingen. Mooie melodie. Een wanhopige: Meester men zoekt u wijd en zijd.

Onrust, genade, grote woorden zijn het. Hij kan ze niet opschrijven. Het lukt hem nooit. Een dissonant die niet uit een groot akkoord te krijgen is: zijn eigen ik blijft altijd de dissonant.

 

Als een wanhopige begint hij in zijn koffer te zoeken. Hij moet wat opschrijven. Hij vindt zijn potlood. Hij had het met zijn boeken in de koffer gegooid zonder het in het vakje te doen. Hij kijkt naar buiten. Hij slaat zijn kladblok open. Er staat een woordje op de eerste bladzijde, linksboven de eerste balk: Passacaglia. De dood als thema van het leven. Hij trekt het woordje over. Hij weet wat hij schrijven moet. Zijn potlood krast zinnen op papier. Altijd de ander. De vader van zijn vriend, de oude schilder. Altijd de ander. Zoek mij, anders zo ga ik te gronde.

Matthijs Schuurman

Eerder gepubliceerd in: Icarus. Christelijk cultureel tijdschrift, jaargang 7 nummer 6 (1999). Dit nummer was het laatste nummer en ging over de nieuwe generatie.

Speeches van Obama en de New Homiletic

‘Our time for change has come!
Barack Obama’s toespraken als inspiratiebron voor de predikant?

Barack Obama maakt een goede kans om in 2008 de presidentsverkiezingen in de VS te winnen. Door zijn krachtige toespraken en inspirerende uitstraling weet hij veel kiezers achter zich te krijgen. In de VS is er een traditie die veel waarde hecht aan goede speeches.
In de preekkunde (homiletiek) in de VS wordt sinds enkele decennia ook uit deze traditie geput. Deze beweging, die vanaf de jaren-’60 in de VS actief is heet de New Homiletic. De laatste jaren is de invloed hiervan ook te zien in Nederland (Passie voor preken) en Duitsland.

De kracht van zijn toespraken
Obama maakt gebruik van de wens om te veranderen. Voor veel Amerikanen heeft George W. Bush afgedaan. Hij wordt door velen gezien als een van de slechtste presidenten uit de geschiedenis.
Obama’s boodschap in zijn toespraken is: ik breng de verandering, waar het Amerikaanse volk op zit te wachten. ‘Onze tijd is gekomen, we zullen verandering naar Amerika brengen.’ Hij is een charismatisch spreker. Zo charismatisch, dat hij voor velen Messiaanse trekken heeft gekregen. Volgens zijn aanhangers kan hij redding en eenheid brengen na de misère en verdeeldheid onder Bush.

De VS en de kracht van toespraken
In de geschiedenis van de VS zijn toespraken belangrijk. Een van de beroemdste toespraken is de toespraak van ds. Martin Luther King, waarin hij de uitspraak deed: ‘I have a dream.’ De jaren’-60, waarin King deze uitspraak deed, waren de jaren van de strijd voor gelijke rechten voor blanken en zwarten.
Het houden van voordrachten wordt in de VS veel meer getraind dan in Nederland. Op de  high schools is ‘speech and communication’ een belangrijk vak. Het gaat niet allen om een goede inhoud, maar ook om een goede vorm. Zodat mensen enthousiast worden. Het gaat om overtuigingskracht en uitstraling. Als er een boodschap moet worden doorgegeven, zijn  krachtige one-liners belangrijk. Deze uitspraken moeten nog lang onthouden worden. Enkele voorbeelden: ‘Ik have a dream.’ (Martin Luther King), ‘Ich bin ein Berliner’ (John F. Kennedy).
Die laatste uitspraak is een mooi voorbeeld: eigenlijk is het een verkeerde uitspraak, omdat Kennedy eigenlijk zei dat hij een Berliner bol was. Zijn boodschap kwam des te beter over: Kennedy verklaarde zich solidair met de inwoners van Berlijn, die zich door de bouw van de Berlijnse muur in 1961 afgesloten voelden van het Westen.

De opkomst van de New Homiletic
In de jaren-60 was het onrustig in de VS. De zwarten kwamen op voor hun rechten. Soms leidde dat tot heftige rellen. De Koude Oorlog bereikte een hoogtepunt. De Viëtnamoorlog verdeelde het land. Predikanten werden in deze periode meer maatschappelijk betrokken. Tot aan de jaren-’60 waren de preken van predikanten vaak op het persoonlijk geloof gericht en niet op de maatschappij.
Maar ook het inspirerende van de jaren’-60 werkte door: het vernieuwingsélan van Kennedy, het charisma van King. Het was ook het tijdperk van de opkomst van de televisie.
Predikanten konden niet meer uit de voeten met de gebruikelijke manier van preken.
De preken hadden in die tijd de structuur van drie punten. De preek werd standaard afgesloten met een gedicht. (Deze versie is niet helemaal vergelijkbaar met de driepuntenpreek die in behoudende kerken nog steeds in zwang is.)
De oude vorm van preken had te weinig effect, sprak te weinig aan. Mensen werden er niet enthousiast door.
Vanaf de jaren-’70 kwam er een vernieuwingsbeweging op gang: the New Homiletic.
Deze beweging wilde dat de kerkgangers aangeraakt en in beweging gezet zouden worden door de preek. Men wilde de kracht van de televisie verwerken in de opbouw van de preek. Het filmscript werd het voorbeeld voor de preekopbouw. De preek werd veel dynamischer. Het verhaal werd belangrijker dan de inhoud. Een ervaring oproepen belangrijker dan een waarheid uitleggen. Verbeelding en bewust effect kregen een belangrijkere plaats. Men ging ook in de leer bij kunstenaars. Voor bijvoorbeeld acteurs en musici is de uitvoering erg belangrijk. In de preekkunde kwam nu veel meer aandacht voor de performance en voor de persoon van de predikant.

 New Homiletic als typisch postmoderne beweging
De New Homiletic heeft sterke punten. In de eerste plaats is men optimistisch over de kansen van de prediking. Deze beweging heeft gezorgd dat veel predikanten weer met vreugde preken. Het sterke van deze beweging is ook, dat zij de moderne media als voorbeeld nemen. Volgens de New Homiletic heeft het gesproken woord niet zijn kracht verloren, maar heeft een andere functie gekregen.
De New Homiletic past goed in een postmoderne samenleving. Men heeft aandacht voor het (kleine) persoonlijke verhaal. In de preken worden veel (persoonlijke) anekdotes verteld. Daarnaast is het kenmerkend voor deze beweging, dat het niet gaat om het doorgeven van de waarheid, maar om het oproepen van ervaringen.
Ook de aandacht voor de persoon van de prediker is typisch van onze tijd.
Een kritische waardering van de New Homiletic geeft de Nederlandse hoogleraar Praktische theologie Gerrit Immink. Naast alle positieve elementen is hij bang dat het cognitieve aspect helemaal ondersneeuwt. Hij pleit ervoor om niet alleen ervaringsgericht te preken, maar ook aandacht te besteden aan het overdragen van kennis.
Een ander kritiekpunt is dat bij deze beweging de aandacht veel uitgaat naar de prediker.

Nogmaals Barack Obama
Zouden predikanten kunnen leren van Barack Obama? Dan moet men wel de vertaalslag probeert te maken van de VS naar Europa. In Europa worden andere eisen gesteld aan een spreker.
Wat men wel kan zien, is dat het charisma en de bevlogenheid van één man een groot deel van een land in beweging kan zetten. Dat moet toch weer hoop bieden voor de verkondiging. De preek als verschijnsel is nog lang niet afgeschreven. Ook niet in een cultuur van massamedia. Dat moet hoop bieden.
Ook al heeft Barack Obama veel meer geld tot zijn beschikking, toch kan ook de kerk leren van Obama. Als het alleen bleef bij zijn toespraken, dan zou de beweging op niets uitlopen. Zijn charisma heeft ook uitstraling op zijn aanhangers. Aangestoken door zijn charisma geloven zij er ook in en gaan van deur tot deur om mensen op te roepen te stemmen op Obama. Als de kerk de gewone leden ook zover weet te krijgen, dat zij enthousiast en bevlogen raken van het evangelie, zou men meer geloven in de boodschap.

 ds. M.J. Schuurman

Geschreven tijdens de campagne Presidentsverkiezingen in de VS (2008)

Literatuur
Gerrit Immink, ‘In gesprek met de ‘New Homiletic’. Literatuurbericht homiletiek’, Praktische Theologie 283 (2001) 371-393.