Houd de kerk in het dorp!

Houd de kerk in het dorp!

Ruim 2 jaar woon ik op een dorp. Het is een dorp, waar maar een winkel is. Geen supermarkt, maar een kleine drogist. Verder staat er op donderdag enkele uren een visboer en op vrijdag de hele dag de bloemenman. Op zaterdag komt de bakker langs.
Soms kom ik de gedachte tegen dat je ook naar een ander dorp naar de kerk kunt gaan. Je gaat immers ook met de auto naar de bakker of de slager. Dat de dorpelingen met de auto naar de bakker of de slager gaan, is echter niet hun eigen keuze. Ze zijn ertoe gedwongen. Want de winkels zijn verdwenen. Zeker voor de ouderen is dat erg onhandig. Er is een goede busverbinding en een ouderentaxi, maar het blijft behelpen. De klacht die ik op huisbezoeken hoor, is dat er in het dorp weinig te doen en weinig te halen valt.
Eind vorige eeuw is de gemeente Ilpendam opgedeeld. De overzijde van het kanaal is bij Landsmeer gevoegd. Deze kant is samen met Marken, Monnickendam, Broek in Waterland gefuseerd tot de gemeente Waterland. Of de gemeentefusie een succes is? De afstand tot de gemeentepolitiek is in ieder geval veel groter geworden. En fietspaden worden slecht onderhouden. Openbaar vervoer is bij ons in het dorp goed, maar één dorp verder al problematisch. Buiten de Randstad geen optie.
De schaalvergroting is terug te zien in de bejaardentehuizen. De bejaardentehuizen zijn uit de dorpen weggehaald. Er is nog een groot centrum in Monnickendam. Heb je je hele leven in Ilpendam gewoond, moet je tegenwoordig naar Purmerend of Monnickendam gaan voor een bejaardenwoning? Maar wie kent je daar nog? Wie bezoekt jou? En als je na 10 jaar overlijdt en toch begraven wilt worden in Ilpendam, wie is er dan aanwezig op je begrafenis?
Toch maar goed dat er een kerk is. Ook al is dat misschien een volkskerk. Want als er geen kerk meer is, is een dorp dood. Ook geestelijk. Want wie zorgt er voor de begraafplaatsen? Wie troost de nabestaanden? Wat ik van mensen hoor, is dat zij het wel erg vinden als er een kerk verdwijnt. De sluiting van de kerk in Purmerland – ruim een jaar geleden – leeft nog steeds sterk. Een dorp moet minimaal een café en een kerk hebben, is de gedachte in deze streek.
Het lijkt me goed om dat deProtestantse Kerk in Nederland ook inzet op de kleine dorpen. Omdat er een structuur aanwezig is. Omdat er een verleden is en dus verantwoordelijkheid. In de afgelopen week kwam het nieuws naar buiten dat de randen van Nederland leeglopen. Dáár moet de kerk aanwezig zijn in mijn optiek. Desnoods met steun van andere gemeenten.
De Protestantse Kerk kan geen grotere fout maken dan het accepteren dat de kerk uit het dorp gaat. De kerk wordt er namelijk kleiner van. De dorpelingen worden echt geen lid in een naburige kerk. Hooguit zullen ze er af en toe komen. Maar ga er niet vanuit. De kerk hoort in de buurt te zijn. De geografische kerk is er voor de mensen die geen keuze hebben. Ook geen keuze hebben om weg te trekken naar een betere wijk.
De gedachte dat de volkskerk theologisch schadelijk is, is een suggestieve en onhoudbare gedachte. De volkskerk bereikt namelijk mensen, die in een andere kerkstructuur zullen ontbreken. Omdat ze vanuit zichzelf niet gemakkelijk een keuze maken voor de kerk. Ze behoren bij de kerk, omdat hun ouders daartoe behoord hebben. Wat mij opvalt, is dat deze band ook plotseling geactiveerd kan worden. De volkskerk is missionair nodig. De volkskerk heeft namelijk korte lijnen met de plaatselijke bevolking. Ik kom als predikant overal binnen. Men weet wie ik ben. Men verwacht van mij een gesprek over het geloof. Dat ik uit de Schrift lees en bidt, wordt niet verwacht, maar wel zeer op prijs gesteld. En ik merk dat de band via de volkskerk mensen op het spoor van het geloof brengt. De een gaat een hele langzame weg en toch steeds voorzichtig een stap verder. De ander realiseert opeens dat God er is en besluit weer mee te doen. Het verbaast mij dat Paas aanstuurt op terugtrekken van de kerk uit de dorpen. Hoe verhoudt zich dat tot zijn ideeën over laagdrempelige diensten? Waarom moet de kerkstructuur zelf niet laagdrempelig zijn? Geen grotere kloof dan een kerk in een ander dorp.
Theologisch is het afwijzen van de geografische gemeente ook problematisch. Schrijft Paulus niet aan een gemeente op een concrete plaats? Er is dus veel voor te zeggen om de kerk in het dorp te houden.

P.s. Het lijkt mij goed als er een beweging komt van kleine gemeenten (op kwetsbare plaatsen) die elkaars ondersteunen.

ds. M.J. Schuurman
Predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam – Watergang

Mede n.a.v. Christian Möller, Lasst die Kirche im Dorf! Gemeinden beginnen den Aufbruch (Göttingen: Vandenhoekc & Ruprecht, 2009).

Advertenties

Luister – n.a.v. de regel van Benedictus

Luisteren

 

‘Luister!’ Dat is het eerste woord van de regel van Benedictus. Het staat er heel nadrukkelijk, als appèl. De regel sluit af met ‘Je zult bereiken’. Het is duidelijk het luisteren tot iets leidt en dat het de moeite loont om te luisteren. Ergens anders zegt Benedictus het heel helder en duidelijk: ‘Wat is er heerlijker voor ons, beste broeders, dan deze uitnodigende woorden van de Heer? In zijn grote goedheid wijst de Heer ons hier de weg van het leven!’ (Proloog) Als wij luisteren, zullen wij een leven in al zijn volheid (vgl. Joh. 10 : 10) bereiken. Wij zullen een voltooid leven bereiken hier op aarde en eens in de voleinding bij de Heer in het eeuwige leven.

Voor Benedictus hangt veel af van het aandachtig luisteren. Men zou kunnen zeggen dat alles ervan af hangt. Enkele voorbeelden:

Wie luistert, keert terug tot God die hij verlaten of verloren had.

Wie luistert, wordt niet hartvochtig maar ruimhartig.

Wie luistert, verneemt midden in het dagelijks leven steeds weer de richtingwijzende stem van God.

Wie luistert, zal in staat zijn om aandacht te schenken aan zijn medemensen en hen recht te doen.

Aandachtig luisteren is niet vanzelfsprekend. Het evangelie laat ons dat zien: ‘Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet?’ (Mk. 8 : 18) Omdat luisteren moeilijk is, begint Benedictus zijn regel met: ‘Luister!’ Dat betekent: je hebt helemaal nog niet de vereiste luisterhouding. Je moet eerst nog leren hoe je moet luisteren. Het is de moeite waard om de juiste luisterhouding te leren, want pas dan leef je werkelijk. Want door het luisteren kom je met God in verbinding en met je medemensen. Paulus schrijft dat men door te luisteren tot geloof komt (vgl. Rom. 10 : 17). Door het gezamenlijk luisteren naar de Geest ontstaat en groeit de gemeenschap. Benedictus wil zeggen: je moet geheel en al oor zijn voor God. Hij heeft voor woorden van leven voor je. Hij laat je zien waar het werkelijk op aan komt. Jij moet naar je medemensen luisteren en zij naar jou. Want alleen gezamenlijk kun je het levensdoel bereiken. De één heeft de ander nodig. Niemand kan dat alleen. Daarom moet iemand tegen de ander zeggen waar het op aan komt. Gezamenlijk moeten alle mensen luisteren naar God: ‘Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.’ (Opb. 2 : 7) Gezamenlijk luistert men beter dan wanneer men alleen luistert. De Geest van God wil ons gemeenschappelijk aanspreken en ons op kerk opbouwen.

Het is de moeite waard om langer stil te staan bij het beeld van het horen dat Benedictus gebruikt aan het begin van zijn regel: ‘Luister, mijn zoon, naar de voorschriften van je leraar en spits de oren van je hart. Neem de volgende raadgevingen van een goede vader aan en breng ze in praktijk.’ (Proloog) Het beeld drukt een heel intense manier van luisteren uit. Bovendien verbindt het innerlijkheid en activiteit. Op de manier waarop het beeld wordt gebruikt, herinnert het aan bepaalde teksten uit het evangelie. Aan de scène van Marta en Maria. Maria ‘ging aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden.’ (Lk. 10 : 39). Maria zegt tegen de engel bij de aankondiging van de geboorte van haar zoon Jezus: ‘Laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Verderop zegt het evangelie: ‘Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken.’ (Lk. 2 : 19) Jezus zegt over de mensen die op zijn voor het woord van God: ‘Gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven’

In al deze teksten gaat het om een onvoorwaardelijke openheid voor God. Maria, de zuster van Lazarus en Marta, was degene die aan de voeten van Jezus was gaan zitten. Zij belichaamt de houding van de leerling ten opzichte van de meester. Zij weet dat alles wat Jezus nu zegt belangrijker is dan al het andere: ‘U spreekt woorden die eeuwig leven geven.’ (Joh. 6 : 68) Maria, de moeder van Jezus, drukt haar beschikbaarheid ten opzichte van het woord van God uit. Ze zegt: ik wil elke relatie aangaan die u mij opdraagt. Bovendien laat zij zien hoe wij met het woord van God moeten omgaan: we moeten het bewaren. Dat betekent: we moeten er met eerbied en liefde mee omgaan en erover in ons hart mediteren. Het moet niet alleen ons uiterlijk ook bereiken, maar nog veel meer het ‘oor van het hart’. Het moet ons innerlijk raken en ons veranderen. Wij moeten erdoor andere, nieuwe mensen worden. Mensen die leven en handelen volgens dit woord van God.

Wat Jezus tegen zijn luisteraars zegt, vat dit samen en gaat hierop door. Jezus spreekt over het geluk van het luisteren, over de vreugde over het woord van God dat het gehele leven verandert en verrijkt. Tegelijkertijd noemt Jezus een onvermijdelijke consequentie van het luisteren: het moet aanzetten tot handelen, anders is het waardeloos en kan het niet gelukkig maken. Alleen degene die luistert naar het woord van God en ernaar leeft, kan blij worden door het woord van God. Op deze manier wordt het woord van God de dragende grond onder ons leven. Het bepaalt ons gedrag in elke relatie, in beslissende situaties, maar ook in de kleine dingen van het dagelijks leven.

Men zou kunnen zeggen dat het luisteren en horen uitgroeit tot een ge-hoor-zamen. Dat is zogezegd de meest intensieve manier van luisteren, die vervuld is van een hartstochtelijke liefde tot God.

Dit kan het beste worden verduidelijkt aan de hand van Jezus zelf. Hij zegt tegen de duivel die hem op de proef stelt: ‘De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.’ (Mt. 4 : 4) Dat geldt voor hen zo sterk dat hij over zichzelf kan zeggen: ‘Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft.’ (Joh. 4 : 34) Paulus schrijft over hem dat wij gehoorzaam was tot in de dood aan het kruis en dat God hem op basis van deze gehoorzaamheid hem door de opstanding grote eer geschonken heeft. (Fil. 2 : 8-11) Jezus nam de uiterste consequentie uit het luisteren. Hij koos voor de gehoorzaamheid aan de wil van de Vader.  Daardoor koos hij voor een liefde die hem leidde naar de verheerlijking door de opstanding en die ons de verlossing en het eeuwige leven geeft.

Als christen zijn wij opgenomen in dit levensperspectief van Jezus. Benedictus zegt in dit verband over de wervende stem van God: ‘Wat is er heerlijker voor ons, beste broeders, dan deze uitnodigende woorden van de Heer? In zijn grote goedheid wijst de Heer ons hier de weg van het leven!’(Proloog). Toen Christus er werkelijk voor koos om God gehoorzaam te zijn, leidde dat hem uiteindelijk in een definitieve levensgehoorzaamheid. Hij slaagde er meer en meer in God het antwoord van zijn leven te geven. Dat betekende dat hij steeds zijn leven in dienst van anderen stelde. ‘Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen,’ zegt Jezus na de voetwassing. (Joh. 13 : 15)

In de regel van Benedictus leidt het luisteren naar God tot een wederzijdse gehoorzaamheid: ‘Gehoorzaamheid is een goede zaak en iedereen betuigt die niet slechts aan de abt, maar de broeders gehoorzamen ook elkaar. Ze beseffen dat ze langs die weg van gehoorzaamheid naar God zullen gaan.’ (Regel 71) Deze wederzijdse gehoorzaamheid is niets anders dan de bereidheid om elkaar te dienen volgens het voorbeeld van Jezus Christus. De betrokkenen stellen het gemeenschappelijke leven onder Gods woord. Maar ze zijn ook bereid persoonlijke consequenties te trekken, omdat ze de intentie van Jezus begrepen hebben: men ‘gehoorzaamde mij zodra het van mij hoorde’. (vgl. Ps. 18 : 45 en Regel 5) Wij hoeven niet meer af te wachten tot de ander begint. Met het woord van God en het voorbeeld van Jezus in ons hart kunnen wij zelf beginnen en de kracht vinden om door te zetten. Op deze manier, alleen op deze manier, verandert de wereld, de wereld van kloosters, het gezin en de maatschappij.

‘Dan kun je door actieve gehoorzaamheid terugkeren naar Degene van wie je door luie ongehoorzaamheid was weggegaan.’ (Proloog) Ongehoorzaamheid is steeds het tegenovergestelde van luisteren en het gehoorde in praktijk brengen.

Benedikt Münntnig

Hulp bij de voorbereiding van een preek over Johannes 5:1-16

Predigtmeditation over Johannes 5:1-16

(1) Uitleg
Als het evangelie van Johannes wonderen vertelt, hebben die wonderen ook symbolische betekenis. Water, die in wijn verandert; een blinde die weer mag zien. Ook in dit gedeelte is dat zo. Een zieke man wordt genezen. Johannes vertelt niet voor niets een genezing van een man die verlamd is.
In hoofdstuk 5 staat namelijk het leven centraal. Wat is het leven dat Christus schenkt? De verlamde man, die al zeer lange tijd verlamd is, kan uit zichzelf niet bij genezing komen. Hij is machteloos gebonden (vgl. Gezang 117:4, LvdK). Ook al ligt hij op een van de spaarzame plaatsen, waar eventueel nog genezing te vinden is. Maar de 38 jaar wijzen op de hopeloosheid: zelfs op de plaats van genezing is geen verbetering te vinden.
Dan komt het Leven in eigen persoon. Van al de zieken ziet Hij juist deze ene man. Hij wil deze ene man, de zo gebonden is, het leven schenken. Zoals in Johannes 4 openbaart Jezus door in het leven van een wanhopige te verschijnen. Zo werkt uitverkiezing dus: dat Christus Zich juist aan de meest wanhopige bekend maakt.
Hij kwam tot het zijne… Zou de man Hem aannemen? Jezus helpt hem op een bijzondere manier. Hij vraagt is naar de wil van deze man. Wil hij wel een verandering? Of heeft hij liever dat de situaties hetzelfde blijft?
De man zegt, dat hij niemand heeft om hem in het water te werpen. De man die geen mens heeft, krijgt de mens bij uitstek aan zijn ziekbed. Ecce homo! Vere homo, vere Deus!
Jezus geeft de man een bevel. Jezus geneest de man door tot hem te spreken. Daarmee laat Jezus zien, dat Hij het Woord des levens is, het Woord door God gezonden. Door Zijn gezagvol spreken, staat de man op. Hij gehoorzaamt en ontvangt het nieuwe leven uit de hand van Jezus.
Op de achtergrond van deze gebeurtenis speelt de gedachte uit het Oude Testament, dat de zieke niet in de nabijheid van de levende God is. Nu komt de God des levens naar hem toe in de persoon van Zijn Zoon. Aan de verlamming van de man hoeft geen zonde ten grondslag te liggen. De opdracht van de Here aan de man om niet meer te zondigen, houdt in: als je toch (terug)valt in de zonde, is je leven er erger aan toe dan tijdens die lange periode van verlamming. Door te zondigen gaat men weer weg bij de Bron des levens.

(2) Homiletische aanwijzingen
Deze geschiedenis is een van de verhalen, die Johannes vertelt, waarop Jezus in het leven van iemand komt. De gevolgen zijn heilzaam. Ook al moet deze man wakker geschud worden of hij na 38 jaar nog wel een ander leven kan hebben.
Peter Bukowski vertelt, hoe hij eens een alcoholverslaafde bij zich op bezoek had. De man was vol zelfbeklag. Hij stelde de vraag, die Jezus ook aan de man stelt: ‘Wilt u gezond worden?’ Voor de man een schok, waarop hij begon na te denken of hij wel een ander leven wilde.
Daarnaast is voor kerkgangers vaak een vraag, hoe het nou werkt als Jezus in het leven komt. Hoe verschijnt Hij? Hoe komt Hij ook in mijn leven? Wat gebeurt er dan? Dit verhaal kan ons helpen om de openbaring van Christus in eigen leven te zien.
Deze gebeurtenis gaat over een genezing van de verlamde. Johannes vertelt naar mijn idee de genezing met een bijbedoeling: om ook de symbolische betekenis te laten zien. (Hiermee doe ik geen uitspraak over historiciteit. Wil de boodschap van dit verhaal overkomen, moet het meer dan symbolisch zijn.) De verlamde laat zien dat wie nog in het duister en in de zonde zijn, net zo gevangen zijn als deze verlamde. Juist naar die mensen komt hij. Als mens kunnen wij onszelf niet uit de zonde losbreken. Alleen als Christus ons gezagsvol aanspreekt door Zijn Woord. Alleen wanneer Hij ons aanspreekt, zullen we opstaan om te leven. Hiermee is deze gebeurtenis een vooruitwijzing naar de opstanding der doden.
Homiletisch kan het zinvol zijn om te laten zien, wat ons allemaal verlamt. De prediker kan dat gezagsvolle spreken niet overnemen. Menselijke analogieën en voorbeelden helpen denk ik ook niet. Mijn suggestie zou zijn: Maak ruimte voor Christus. Laat Hem zelf spreken. Creëer de ontmoeting niet, maar geloof dat in de preek de ontmoeting plaats vindt. Die ontmoeting is een werkelijke ontmoeting van de Here en de gelovige. Uitgaande van die ontmoeting kan de preek er niet toe leiden dat een (reformatorisch) systeem overgenomen wordt. De enige taak, die de prediker heeft is om te wijzen op het Lam Gods: Kom en zie, het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt.

ds. M.J. Schuurman
Predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam-Watergang (Noord-Holland)

Verdere bezinning
Eberhard Jüngel, Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens, p. 169-174: ‘Allein durch das Wort (solo verbo)’
Christian Möller, Seelsorglich predigen. Die parakletische Dimension von Predigt, Seelsorge und Gemeinde (Göttingen, 19902).

Dat de mens aangesproken wordt door God (Anrede)en daardoor opnieuw geschapen wordt, is een belangrijk onderdeel van de theologie van Oswald Bayer. Hij benadrukt dat die Anrede tegelijk het karakter van een belofte heeft. Die Anrede heeft dezelfde (her)scheppende kracht als bij de schepping.

Liedsuggesties
Wie de psalmen en de gezangen doorzoekt, zal zien dat dit element veelvuldig voorkomt: het Woord van God dat ons tot leven wekt, dat ons doet opstaan. Ook kan het zinvol zijn om enkele adventsliederen uit te kiezen, omdat daarin wordt gezongen van de komst van Christus in het hier en nu (en wat de gevolgen daarvan zijn).

  • Psalm 6: 2, 3, 4 (Nieuwe Berijming)
  • Psalm 30: 1, 2, 4, 5 (Nieuwe Berijming)
  • Gezang 435: 1, 3, 4 (LvdK): O verbreker aller banden
  • Gezang 117: 4, 5 (LvdK): ‘k Lag machteloos gebonden
  • Gezang 127: 127: 2, 3, 7 (LvdK): Vat moed, bedroefde harten
  • Gezang 221:2 (LvdK): Op uw woord, o Leven van ons leven
  • Gezang 330:2 (LvdK): En of een mens al diep verloren

 

Esoterie als uitdaging voor de orthodoxe gelovige

Esoterie als uitdaging voor de orthodoxe gelovige

Afgelopen zondag vierden wij als gemeenten het Heilig Avondmaal. Terwijl ik de preek hield over Johannes 4:26 (Ik, die met u spreek, ben het), voelde ik het verlangen naar de ontmoeting met de Here.
Verlangen kan de brug zijn naar de esoterie. Ik denk niet dat het helpt om de esoterie alleen te veroordelen. De behoefte aan esoterie komt ergens vandaan. Ook na een veroordeling van de esoterie blijft die behoefte bestaan.

Het serieus nemen van het verlangen heb ik geleerd van Manfred Josuttis. Over hem schreef ik voor de kerkelijke opleiding een afstudeerverhandeling. Josuttis is een op het oog merkwaardige theoloog. Hij haalt zijn inspiratie zowel bij Luther en Barth als bij de esoterie. Maar op de een of andere manier heeft zijn mengeling geholpen om een wetenschappelijke opleiding en bezig zijn op geestelijk terrein te combineren.
Ook Christian Möller pleit ervoor om het terrein van de spiritualiteit te betreden. Möller, een goede bekende van Josuttis, heeft veel meer reformatorische insteek van de theologie. Hij is bang, dat het christendom zich terugtrekt in een ghetto als zij het terrein van de spiritualiteit niet betreedt. Hij pleit ervoor om het verlangen, vanwaar uit de behoefte aan spiritualiteit komt, serieus te nemen. Volgens hem is dat verlangen een ‘honger naar ervaring, naar authentieke, holistische ervaring temidden van een verscheurde, ontstolen wereld.’ Het is een verlangen naar ‘een verbindende geest temidden van een geesteloze, verscheurde wereld’.
Het gesprek zal dan moeten gaan over het verlangen. Niet in de eerste plaats over dogma’s of over de waarheidsvraag. De esoterie is vaak (terecht of onterecht) kopschuw voor dogma’s. Ik denk dat velen tegenwoordig zich bezig houden met esoterie uit verzet tegen dogma’s. Het gesprek moet ook niet over de waarheidsvraag gaan, omdat die voor de esoterie ook niet zo belangrijk is.
Dat gesprek met esoterie zal geen gemakkelijk gesprek zijn. Maar spannend hoeft zo’n gesprek niet te zijn. Zo’n gesprek is alleen spannend als de orthodoxe de Levende, die met behulp van dogma’s beschreven wordt, niet kent. Wanneer de orthodoxe deze levende Here kent (en een levendige relatie met Hem heeft), zal hij ook buiten de dogma’s om kunnen vertellen over wat hem trekt. Wat zijn verlangen stilt.
In een gesprek gaat het twee kanten uit. Van de aanhanger van esoterie kan worden geleerd, dat de Schrift (en zelfs ook de gereformeerde traditie) ook voluit over het verlangen spreekt.

’t Hijgend hert der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar ’t genot
van de frisse waterstromen, dan mijn ziel verlangt naar God,
ja mijn ziel dorst naar de Heer. (Psalm 42:1 Oude Berijming)

naar U,  Heer, strekt zich mijn verlangen, die leven zijt en leven laat. (Psalm 63:1 Nieuwe Berijming).

In de liederen en het klassieke formulier rondom Avondmaal wordt dat verlangen veelvuldig verwoord.
De reformatorische traditie heeft ook veel geestelijke wijsheid in te brengen. Degene naar Wie ons verlangen uit gaat, is soeverein. Wij kunnen als mensen die geestelijke ervaringen niet opwekken. Tot het geloof behoren ook de ervaringen van de woestijn: de tijd van beproeving, de tijd van Gods afwezigheid. Tegelijkertijd zijn die woestijnervaringen momenten waarin God naar ons toekomt.
Wanneer dat gebeurt op een apologetische manier of op een manier waarop de fouten van de ander worden aangewezen, gaat het gesprek niet verder. Veel zinvoller is het om het gesprek aan te gaan over het verlangen. Het verlangen dat je de ander ook gunt, namelijk dat de ander ook het levende water aanneemt en zo de levendmakende Geest ontvangt. Een verlangen die oog krijgt voor wie Jezus is, wat Hij te bieden heeft. Zodat het hart van de ander opengaat voor de ontmoeting met Christus en ontdekt, dat deze Christus allang met hem of haar in gesprek is: Ik, die met u spreek, ben het (Johannes 4:26)

ds. M.J. Schuurman

Literatuur: Christian Möller, Der heilsame Riss. Impulse reformatorischer Spiritualität (Stuttgart: Calwer Verlag, 2003), p. 39-54: ‘Der Schatz reformatorischer Spiritualität’.

Gebed n.a.v. Mk 9:19

Here,
Wij hebben zoveel van Uw heerlijkheid en kracht gezien
en kunnen die steeds opnieuw zien.
Toch overvalt ons vaak de moedeloosheid en het ongeloof.
Hoe kunt U ons nog in Uw nabijheid dulden?
Bevrijd ons van ongeloof en twijfel.
En laat Uw Geest ook in óns wonen,
zodat wij uit U leven.
Amen

Waar moet de preek over gaan: over het levensverhaal of over openbaring?

Tijdens mijn opleiding heb ik veel aan Praktische theologie gedaan. In Utrecht heb ik ook gekregen voor het geleefd geloof. Dat is het geloof dat de ‘gewone’ mensen hebben. Het geleefd geloof kan heel anders zijn dan het geloof dat de kerk belijdt. Geleefd geloof en beleden geloof kunnen mijlenver uit elkaar liggen.

Die aandacht voor geleefd geloof heb ik meegenomen in mijn werk als predikant. Steeds meer ben ik bezig met de vraag: ‘Hoe bereik ik de mensen waar ze zitten?’ Met andere woorden: hoe bereik ik hen in het geloof, zoals zij dat zelf beleven?
De preek over Johannes 4 zou dan gemakkelijk moeten zijn. De Here Jezus ontmoet de vrouw waar zij op dat moment is. Door Zijn manier van optreden bereikt Hij haar levensverhaal. Het kan niet mooier: Hij helpt haar zowel van haar schuld als van haar schaamte af.
Toch bekruipt mij een gevoel dat, hoe de Here Jezus haar bereikt niet het wezenlijke is. Hij bereikt haar niet door bij haar aan te sluiten. Maar juist door vertrouwde gedachtenpatronen te doorbreken: door als Joodse man aan een Samaritaanse vrouw om water te vragen. Door de verborgen pijn (en misschien wel schuld) van haar leven aan het licht te brengen. En als hoogtepunt openbaart Hij Zichzelf: Ik, die met u spreek, Ik ben het.  Hierin klinken allerlei johanneïsche motieven mee: Jezus als Woord van God (“die met u spreekt”), Jezus als Evenbeeld van de Vader (“Ik ben”).
Het gewone leven wordt een plaats van openbaring. Jezus onthult, openbaart Zichzelf aan deze vrouw. Zo komt Hij in haar leven: door middel van een Zelfopenbaring.
Het wordt spannend als ik dit naar het hier en nu toe breng. Hoe kan ons leven plaats van openbaring van Christus worden? Beter geformuleerd: wat gebeurt er als ons leven een plaats van openbaring wordt. Als Christus Zich in ons leven onthult. Dan komt ons levensverhaal aan het licht. Dan wordt duidelijk wie wij zijn. Niet zoals wij zelf zijn, maar zoals wij in het licht van Gods openbaring zijn.
De keuze zou kunnen zijn óf-óf. Een legitieme keuze: (1) óf aandacht voor het levensverhaal van deze vrouw (en daarmee die van ons). À la Ernst Lange: met de luisteraar over zijn leven praten voor Gods aangezicht. (2) óf aandacht voor het openbarende karakter van Jezus’ optreden. Het vreemde Woord van God, dat van de andere kant tot ons komt. Wat de Here hier biedt is nog gaat dwars tegen onze natuurlijke behoeften in: niet alleen genezing van de pijn, wegneming van de schuld. Hij biedt eeuwig leven. Een eeuwig leven dat niet in de eerste plaats aan onze behoefte naar oneindigheid tegemoet komt, maar zoals God die voor ons heeft bestemd.
Het liefst zou ik beide elementen vast willen houden en in verband willen brengen. Aan de ene kant het verbindende element: in ons leven(sverhaal) vindt die openbaring plaats. Aan de andere kant: het contrast en de spanning, want Gods openbaring is altijd anders dan we verwachten.  Volgens Martin Nicol is een bepaalde spanning een goede basis voor een spannende preek. Bij Nicol is de preek een gebeurtenis, waardoor God aanwezig is als de Opgestane, de werkzame Heer. Die aanwezigheid alleen al maakt een preek spannend.
Het nadeel is dan dat het voor gewone gemeenteleden weer te spannend wordt. Laat ik dan Nicols spanning vasthouden en ook de definitie van Reiner Knieling vasthouden: preek is eenvoudigweg (of op een eenvoudige manier) over God spreken. Waarbij hij aangeeft: zo eenvoudig is dat nog niet om eenvoudig over God te spreken. En ook Knieling heeft oog voor de verhouding van Godsopenbaring en menselijk levensverhaal.
Nu weet ik waar ik heen wil: een verband tussen openbaring en levensverhaal. Een verband dat aan de ene kant spannend is en aan de andere kant de verbinding legt.  Nu de preek zelf nog. Liefst op een spannende, doch eenvoudige manier

ds. M.J. Schuurman, Ilpendam-Watergang (N.-H.)

Literatuur

Martin Nicol, Einander ins Bild setzen. Dramaturgische Homiletik (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2005 – 2e druk).

Martin Nicol / Alexander Deeg, Im Wechselschritt zur Kansel. Praxisbuch Dramaturgische Homiletik (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2005).

Reiner Knieling, Was predigen wir? Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener-Verlag, 2009).

Gebed bij Marcus 1:21-28

Here Jezus,

Hoe vaak vragen wij ons niet af,

wat wij met U aan moeten?

Hoe vaak zouden wij U niet uit de weg willen gaan?

Hoe vaak niet liever verkeren in aanvechting en twijfel

dan een rustig verkeren bij U?

U die gezag over ons leven hebt, U die onze Heer bent,

roep ons als de Goede Herder uit de doodse dalen.

Verban de onreine geest

en laat niet toe dat demonische machten en gedachten

ons leven overnemen.

Bevrijd ons van de boze en bewaar ons in Uw naam.

Amen.