Preek zondagmorgen 26 januari 2014

Preek zondagmorgen 26 januari 2014
Themadienst School & Kerk: “Water … dorst naar God”

Introductie: “Water”
De kinderen zijn deze week op school bezig geweest met het thema: “Water … dorst naar God”. Het ging over letterlijke dorst: het verlangen naar water. Er werden 3 bijbelverhalen verteld over dorst:
– Hagar
– Het volk Israël in de woestijn bij Mara
– Water uit de rots.
De dorst kan ook figuurlijk zijn: dorst hebben naar God. Zoals we water elke nodig hebben, hebben we God ook elke dag nodig. Soms kun je heel erg dorst hebben. Bijvoorbeeld na een partijtje voetbal op een warme zomerdag of na een gymles. Zo kunnen we soms ook heel erg verlangen naar God en Hem nodig hebben.

Preek
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Kennen jullie dat: dorst naar God?
Iedereen weet wat dorst is.
Je weet vast ook wel wat er gebeurt als je de hele dag niets drinkt.
Dan droog je uit.
Sommige kinderen hebben dat wel eens meegemaakt,
dat zij naar het ziekenhuis moesten omdat zij bijna uitdroogden.
Zij waren een aantal dagen ziek en moesten steeds overgeven
en ook al het drinken kwam er steeds weer uit.
Dat is niet goed, want dan droog je uit.
In het ziekenhuis wordt dan een infuus ingebracht
en krijg je extra vocht toegediend.

Dorst naar God.
Kennen jullie dat?
Dat je soms zo heel erg naar de Heere, naar de Heere Jezus verlangt
en dat je bij jezelf denkt:
Ik zou wel willen dat Hij er nu was.
Ik verlang zo sterk naar Hem – net of ik dorst heb,
dorst naar God.
Als een hert verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar u.
Soms je kun zo’n dorst hebben, op zo’n warme zomerdag.
Je komt binnen en roept: “Drinken! Nu!”
Zo kan er ook een sterke dorst naar God zijn!
Dat we de hulp nodig hebben van de Heere.
Heere, help mij nu!
Als over enkele weken de SEO is en je bent gespannen
dan zou je aan de Heere willen vragen: “Wilt u mij helpen?
Dat ik niet zenuwachtig ben en alle antwoorden weet?”
Dorst naar God kun je ook hebben
als je het niet fijn vindt op school,
als je merkt dat de andere kinderen je uitlachen als je iets in de klas zegt
of als ze in de pauze steeds naar je toekomen
en als de meester of juffrouw die pleinwacht heeft even niet kijkt
gemeen tegen je doen.

Bij de Bijbelverhalen die jullie deze week gehoord hebben,
ging het ook om dorst.
Weten jullie het nog?
Hagar die wegliep bij Abraham en Sara,
terwijl zij in verwachting was.
Het verhaal over water uit de rots.
In die verhalen gaat het over dorst – naar water
In die verhalen gaat het ook over dorst naar God. (Hoe?)
Kijk maar naar het verhaal van Hagar.
Zij had de Heere nodig.
Niet alleen omdat ze anders zou sterven van de dorst
en ze God nodig had om water te geven.
Er was namelijk een reden waarom Hagar wegvluchtte bij Sara.
Er staat in de Bijbel dat Sara het voor Hagar zwaar maakte.
Misschien moest zij allerlei vervelende klusjes doen,
waardoor Sara aan Hagar wilde laten merken:
Je krijgt nu een kind en je denkt dat je heel wat bent
omdat je een kind van Abraham krijgt, maar ik ben toch echt wel je bazin.
Ze kreeg het zo moeilijk, dat ze alleen nog maar kon wegvluchten.
Als ze in de woestijn is en dorst krijgt, geeft de Heere haar water.
Hagar geeft aan de put een naam: Lachaï-Roï.
Deze naam betekent: de Heere heeft mij gezien.
En niet alleen mijn letterlijke dorst,
maar ook mijn figuurlijke dorst.
Hij heeft het gezien dat ik bij Sara moeilijk had,
met alle nare woorden die zij tegen mij zei,
met alle nare, vernederende klusjes die ik moest opknappen.
Ik had het niet gedacht, maar toch is het zo: de Heere heeft mij gezien
en daarom durf ik terug naar Sara.
Hagar had dorst.
Dorst naar water en dorst naar God.

We hebben God niet alleen nodig als we het moeilijk hebben.
Want als je pas water drinkt, als je het nodig hebt en je dorst hebt,
drink je veel te weinig.
aan het ontbijt zegt je moeder niet voor niets: ‘Nu je drinken nog opdrinken!’
Of je gaat van huis naar school: ‘Hé, je hebt helemaal nog niets gedronken!’
Zo hebben wij elke dag de Heere nodig.
Water is een eerste levensbehoefte, zo noemen wij dat.
Want als je geen water hebt, kun je niet leven.
Zo kunnen we zonder de Heere niet leven.
Zoals een hert verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar u, o God.
U alleen kunt mijn hart vervullen, mijn aanbidding is voor U.
Als een hert – waarom eigenlijk een hert?
Waarom zingen we niet Zoals een leeuw verlangt naar water,
of een olifant, of een hond, of een koe?
Of ’t Hijgend konijn der jacht ontkomen?
Dat heeft met het Hebreeuws te maken.
In het Hebreeuws lijkt het woord ‘hert’ heel erg op ‘sterk’ of ‘kracht’.
Maar het is het tegenovergestelde:
een hert is juist niet sterk of krachtig.
Aan een hert heb je ook niets: een hert kan geen kar of ploeg trekken,
zoals een paard, een koe of een hond.
Een hert is vooral een zwak en kwetsbaar dier.
Een dier waar ook nog eens op gejaagd wordt.
Als we zingen: Zoals een hert dat verlangt naar water
of ’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
dan is het een woordspel.
Wat zingen we: Zoals een ‘sterke’ verlangt naar water
of de hijgende sterke, ontkomen aan de jacht.
Nee, een zwak en kwetsbaar hert.
Mannen willen vaak sterk en stoer zijn. Toch?
Sterk als een … en toch: zonder de Heere zijn we niets.
Daarom een hert.
Er zijn momenten waarop we dat heel sterk voelen.
Als het niet goed gaat bijvoorbeeld, als je je helemaal niet sterk voelt.
Soms kun je aan de buitenkant heel sterk of stoer zijn,
maar ben je het helemaal niet.
Bijvoorbeeld in de klas, als ze je uitlachen omdat je in de klas iets zegt.
Of al grinniken als jij je vinger opsteekt.
Of het toefluisteren zonder dat de meester het hoort.
Dat gebeurt in Psalm 42 ook: Waar is God?
Ze zien het helemaal niet, dat ze zo zeer kunnen doen, zulke woorden
en daarom gaan ze er maar mee door,
omdat zij het leuk vinden.

Zulke opmerkingen die je pijn doen of waarmee je je uitlachen,
kun je van school mee naar huis nemen.
Of daardoor ertegen opzien om naar school te gaan.
Ik dorst naar God, want ik zou zo graag willen dat Hij mij helpt.
Ik bid maar en bid maar. Elke dag wel en zelfs op school.
Ik zou God wel willen zien! Dan weet ik dat ik er niet alleen voor sta!
Was het maar zoals vroeger, staat er in Psalm 42.
De dorst naar God is ook een heimwee, toen het nog goed was.
Toen ik gewoon mee kon doen.

Tegen wie zou ik dat nu kunnen zeggen?
In Psalm 42 gebeurt dat tegen 2 personen: tegen de Heere en tegen mijzelf.
In gesprek met mijn ziel:
Waarom, ziel, heb je die zorgen in je?
Veel mensen hebben zo’n gesprek in zich.
als ze ergens bijvoorbeeld heel erg tegen opzien.
Ik durfde vroeger nooit met de telefoon te bellen.
Als ik wilde spelen bij een vriendje durfde ik niet te bellen.
Want wie zou ik aan de lijn krijgen?
Misschien was het wel zijn moeder? Of zijn vader? Wat moest ik dan zeggen?
Ik kon wel een half uur om de telefoon heen draaien.
Ik nam de telefoon op, maar legde die weer neer.
Toetse wat nummers in en toen gauw de hoorn er weer op.
Ik vond het raar van mijzelf: kom op! Maar nee.

‘Waarom, mijn ziel, heb je zo’n dorst naar God?’
‘Omdat ik er zelf niet uitkom en ik Hem nodig heb.’
‘Merk je dan niet dat hij er is?’
‘Nee, ik merk niets van God. Het lijkt wel alsof mijn gebed niet door het plafond heen komt?
Zou het wel zin hebben om te bidden? Want zou God mijn gebeden wel horen tussen al die gebeden van alle andere mensen?’
‘Maar verlies je de moed! Hoop op God! God kan je dorst toch lessen? Want je moeder laat je toch niet buiten staan als je op een warme zomerdag roept: ‘Drinken!’ Dan laat de Heere je helemaal niet staan! Hagar: God hoort en ziet! Een aansporing voor ons om naar Hem te gaan, met onze dorst.’

In de zomer moet je genoeg drinken bij je hebben als je onderweg bent.
Als je een lange tocht maakt en je krijgt halverwege dorst
wordt elke stap steeds zwaarder, je sjokt vooruit.
Zou je dan water uit de sloot drinken? Of elk vocht dat je maar tegen komt?
Dan kan je dorst nog erger worden.
Zo moeten wij met onze dorst naar God alleen naar de Heere toegaan!
Omdat wij niet altijd merken dat de Heere helpt, kunnen wij op zoek gaan naar ander water,
dat even de dorst lijkt te lessen.

Het is een fijn gevoel als je dorst gelest wordt.
Als je weer drinken krijgt, je voelt je lichaam weer opknappen.
Jezus zegt: Ik ben het levende Water.
Wie tot Mij komt, hoeft nooit meer te dorsten.
Die mag weten, dat de Heere er altijd is.
‘Wanneer hebt u God nodig?’ vroeg vandeweek een meisje op school.
Wanneer heb ik dorst naar God? Verlangen naar de Heere Jezus?
Altijd of soms? En u? en jij?
Levend water: Wanneer water heel lang stil staat, gaat het stinken, wordt het vies.
Jezus zegt: ik ben levend, fris water.
Als je bij Mij komt, les ik je dorst naar God.
Hij wist trouwens zelf ook wat dorst is.
Aan het kruis riep hij het uit:
Ik heb dorst! Hij deed dat, zodat wij nooit meer dorst naar God hoeven te hebben.
De goede Herder: neemt ons mee naar stille wateren.
een oase, zoals Israël.
God lost niet altijd al onze problemen op.
Maar Hij hoort ze wel en ziet ze wel.
Nogmaals Hagar.
Psalm 42 geeft aan: de ene keer geloof je dat, de andere keer zou je wel uit willen roepen:
Heere, ik heb dorst naar U.
En toch is het waar, dat de Heere die dorst lest en dat de Heere Jezus het levende water is.
Er komt een dag, waarop onze dorst helemaal over zal zijn
en wij bij de Heere mogen komen en Hem mogen zien.
Als je dorst hebt, kun je daar zo naar verlangen.
Soms mag je het hier merken: jij Hij is er toch!
Kent u dat verlangen naar God?
Amen

Preekopzet themadienst “Water .. dorst naar God” (psalm 42)

Water … dorst naar God
Themadienst school & kerk nav Psalm 42

Preekopzet
In de preek start ik met het verlangen naar God.
Ik ga vragen aan de kinderen of ze dat herkennen. En of dat ook voelt als een dorst (een sterk verlangen dat niet wordt vervuld).
Daarvan geef ik enkele concrete voorbeelden: God willen zien, hulp nodig hebben (waarbij soms het gevoel kan zijn dat het gebed komt niet verder dan het plafond), Psalm 42 geeft het voorbeeld van vijanden: in een groep er niet bij horen of bang zijn voor de anderen. Aan de hand van die voorbeelden uitleggen waarom God onze eerste levensbehoefte is.

Dan pak ik het beeld van het hert op: dat kan een hijgend hert zijn dat aan de jacht is ontkomen. Of een hert dat verlangt naar water. Daarbij denk ik aan een hert in een tijd van droogte. Het dier bezwijkt bijna; het heeft echt water nodig.

Op deze plaats kun je een terugkoppeling maken naar de 3 bijbelverhalen (Genesis 16, Exodus 15, 17) over dorst en aan de hand van Psalm 42 uitleggen dat het niet alleen dorst is, maar ook verlangen naar de nabijheid of de hulp van de Heere.

Dan pak ik de innerlijke dialoog op. Ik leg daar iets over uit en neem de vragen mee: is God er dan niet? Hoe geef ik mijzelf nieuwe moed? Of hoe kom ik weer bij de Heere uit? In deze psalm is de tempel de plaats om God te ontmoeten. Tegelijkertijd door deze klachten in deze psalm te verwoorden komt er ook een weg naar de Heere. Want het is een gebed.

Tot slot wil ik op de een of andere manier de stap maken naar Jezus als het levende water. Ik bedenk nu dat ik tussendoor ook af en toe laat merken dat je verkeerd water kunt drinken. Zoals alcohol (om iets uit de weg te gaan. ‘iedereen spreekt over mijn zuipen maar niemand spreekt met mij over mijn echte dorst’).
Zo kan er wel een verlangen zijn, maar dat we die dorst niet ‘lessen’ met de Heere. Levend water is fris en stromend water, je knapt er van op. Water dat lang stilstaat gaat stinken en is erg smerig en ongezond. Tot slot zou ik willen uitleggen hoe de Heere Jezus onze dorst lest (of misschien wel met het kruis, waar Hij Zelf dorst had).
Hier zou ik nog de innerlijke dialoog weer kunnen oppakken over de Heere Jezus en onze dorst naar God en de werkelijke vervulling.

Preek zondag 19 januari 2014

Preek zondag 19 januari 2014
Mattheüs 4:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als de Heere Jezus in het openbaar verschijnt
en door God zelf aan ons gepresenteerd wordt als Gods geliefde Zoon
is er één die alles in de war wil sturen.
Zijn naam zegt het al: duivel – diabolos,
degene die alles wat God gemaakt heeft overhoop haalt
om zo het werk van God te verstoren.
De eerste die de Heere Jezus tegenkomt op Zijn weg
is de duivel.
Jezus krijgt geen groots onthaal nadat de stem van God geklonken heeft,
op Jezus heeft gewezen en Hem heeft aangewezen als Zijn Zoon.
Na “Dit is Hem!” volgt de stilte: 40 dagen alleen, in afzondering.
En dan komt de omverwerper, overhoophaler op de Heere Jezus af,
de verstoorder van Gods werk.

Het bijzondere is de Heere Jezus daar niet zomaar is in de woestijn,
maar Hij is daar in door de Heilige Geest gebracht.
Om daar in de woestijn door de duivel te worden verzocht.
Dat heeft veel vragen opgeroepen bij dit gedeelte.
Waarom is brengt de Geest de Heere Jezus op deze plek?
Waarom brengt dezelfde Geest die de Heere Jezus naar Johannes de Doper bracht
om door Hem gedoopt te worden Hem
in de confrontatie met de grote tegenstander van Zijn Vader
en van Zijn eigen werk?
Tussen de Geest die neerdaalde op de Heere Jezus
en degene die het werk van God overhoop wil gooien is er toch geen groter verschil?
Waarom wordt Jezus in het hol van de leeuw gebracht?

Is dat om aan ons te laten zien, dat Jezus werkelijk de Zoon van God is,
zoals de stem uit de hemel verkondigde?
Dat kan verschillende redenen hebben.
De Geest kan de Heere Jezus daar in die confrontatie gebracht hebben
om aan ons te laten zien,
dat het geen loze belofte was die de stem van de hemel uitspraak,
maar dat Jezus ook werkelijk de Zoon van God is
en dat Jezus dat ook liet zien,
omdat Hij wel stand hield bij de aanvallen van de duivel,
waar Adam en Eva niet in staat waren die verleidingen te weerstaan.
Jezus toont zich dan aan ons als de werkelijke Zoon van God.

Of ook om aan de duivel te laten zien, dat er iemand gekomen is
die zijn macht op aarde zal verbreken.
Jezus toont zich niet alleen aan ons, maar ook aan zijn tegenstander
als de overwinnaar die door God is gezonden.
Ik denk zelf ook, dat die confrontatie ook bedoeld is
om aan de Heere Jezus te laten zien en te laten ervaren
op welke manier de duivel deze wereld in de greep heeft.
als een extra aansporing om door te gaan op de weg, die de Vader voor Hem heeft uitgestippeld.
De weg die leidt tot overwinning en daardoor tot bevrijding voor ons.

In de confrontatie met Jezus wordt ook duidelijk hoe de duivel te werk gaat.
Misschien heeft u bij het lezen wel gedacht:
Het is maar goed dat er aan het begin aangegeven wordt,
dat de duivel de Heere Jezus verleidt, want zelf had ik dat er niet uitgehaald.
Of wellicht denk je bij jezelf: waarom doet de duivel juist deze voorstellen?
Wat is zijn bedoeling?
Het kan zijn dat u na het lezen denkt, maar wat gebeurt er nu eigenlijk?
Het zijn toch vreemde verzoeken,
die de duivel aan Jezus voorhoudt?
Waarom stenen veranderen in brood?
Waarom springen van de tempel?
Waarom dat aanbod van die koninkrijken, die Jezus mag krijgen als Hij maar knielt voor de duivel?

Van belang is te zien dat de duivel teruggrijpt op wat de stem uit de hemel zei,
de stem van God die klonk toen de Heere Jezus uit het water opkwam:
Dit is mijn geliefde Zoon!
Dit is Hem, Mijn Zoon en jullie redder!
Daar grijpt de duivel op terug – om Jezus een handje te helpen
om succes te hebben als Zoon van God.
Want voor wie de Zoon van God is moet er toch wel een glorieuze toekomst zijn op aarde,
een leven van succes,
veel aanhang, grote massa’s mensen die je dag in dag uit volgen,
je woorden indrinken, voor je door het vuur gaan.
De duivel biedt de Heere Jezus aan om te helpen.
want hier in de woestijn, dat is toch zonde als je bedenkt wat Jezus allemaal in huis heeft?
Dat verdient toch een breder publiek?
Als U, Jezus, Gods Zoon bent, laat dat dan ook zien!
Zoon van God, toon wat je kunt!

De eerste verleiding, die de duivel aan Jezus voor houdt:
laat het allereerst aan jezelf zien dat je de Zoon van God bent.
Dat je de kracht, de power hebt, om dingen te veranderen.
Om een wezenlijke verandering tot stand te brengen,
waar je zelf ook wat aan hebt.
Want wat heb je eraan als je honger lijdt, terwijl dat niet eens hoeft.
Want als de Zoon van God hebt, heb je toch vast ook wel de macht van God zelf,
die schepper is van hemel en aarde?
Nou, laat het dan eens zien?
Het is direct een aanval op de zwakke plek van Jezus,
want als je 40 dagen niet gegeten hebt,
is het niet eenvoudig om nog helder na te denken.
We zouden die kans misschien zelf met beide handen aangrijpen: eindelijk, eten!
Want je bent er slecht aan toe.
En dan is de gedachte: ik moet aan mijzelf denken.
Zeker als er zo’n grootse taak op mij wacht,
voor de Heere Jezus de grootste roeping is, die er maar te bedenken is.
Wat komt er van die missie terecht als Jezus nog voor Zijn eerste succesvolle daad
het begeeft en overlijdt voor iemand ook gezien heeft dat Jezus werkelijk de Zoon van God was?
Je zou haast denken: die duivel is de beroerdste niet, bereid om mee te denken.
Alleen:Ik moet aan mijzelf denken – maar dat is juist wat de Heere Jezus niet kan en niet mag doen: aan zichzelf denken.
Hij is voor ons gekomen en heel Zijn missie staat in dienst om anderen te helpen.
Bij de duivel moeten we tussen de regels door luisteren
en Jezus vangt ook op wat de duivel werkelijk bedoelt.
Het is de spot ook die later bij het kruis zal klinken: anderen heeft Hij gered,
maar zichzelf redden kan Hij niet.
En de spot aan het kruis gaat nog verder: Hij heeft op God vertrouwd,
nou laat God Hem dan redden.
De duivel zegt tegen Jezus: je moet jezelf wel redden,
al je vertrouwen op God – wat heb je eraan?
Die 40 dagen vasten, omdat de Geest je hier in de woestijn gebracht hebt:
moet je zien waar dat toe leidt.
Kom op, Zoon van God, denk maar eerst aan jezelf want
anders dan leg je het loodje.
Denk maar aan jezelf als God niet meer aan je denkt!
Ziet u, wat het plan van de duivel is?
Hij wil Jezus losweken van God.
Hij wil Jezus op een andere weg brengen,
waarop Jezus aan zichzelf denkt en daarmee ook Zijn doel uit het oog verliest.
Los van God,
niet meer gehoorzaam aan de Vader, want die weg, Jezus, brengt je alleen maar ellende,
alleen maar lijden.
Als je het hier overleeft, zal het een weg naar het kruis zijn.
als je het hier overleeft.
De duivel wil God ontmaskeren als degene op wie je tevergeefs bouwt
en dat je beter aan jezelf kunt denken – ook als Zoon van God.
De duivel, de vader van de leugen.

De Heere Jezus doorziet de plannen van de duivel.
Weet je, duivel, wat Mijn Vader gezegd heeft:
een mens leeft niet van brood alleen.
Dat is niet wat jij, duivel er van maakt: je hebt brood nodig om te leven.
Want Mijn Vader zei het zelf tegen Zijn volk: Ik gaf jullie eerst honger daar in de woestijn
en daarna gaf Ik jullie te eten.
Op die manier wilde God Zijn volk leren, dat de Heere Zijn volk Israël
ook in leven kon houden zonder brood en zonder eten.
God heeft geen brood nodig om mij in leven te houden.
Jezus laat zich hier zien als de Zoon van God,
die Zijn Vader ook werkelijk vertrouwt en Zich helemaal overgeeft.
Ondanks de honger die zijn lichaam in de greep heeft, heeft Jezus geen reden om te twijfelen
aan de zorg van God – ook voor Hem hier in de woestijn.
Hij zal leven door het Woord van God.
Dat is Jezus’ prioriteit: Gods Woord en Hij is er gehoorzaam aan.
Zijn tijd komt nog wel – op Gods tijd en tot zo lang kan Hij wachten
op wat God met Hem doet,
tot Hij duidelijkheid krijgt over waar Zijn Vader hem brengt.

De duivel kan daar niet op wachten
en heeft niets op met de prioriteit van Jezus – dat wachten op God.
En dat is de tweede verzoeking.
Je gaat er toch van uit, dat God er is voor jou, Jezus?
Nou, test dat dan eens uit!
Als God ergens moet zijn, dan toch wel in daar in de tempel.
Opnieuw daagt de duivel niet alleen Jezus uit, maar zaait hij twijfel over God.
Tussen de regels door zegt hij tegen de Heere Jezus:
Als Zoon van God ga je er natuurlijk van uit dat je belangrijk bent voor God.
Nou, laat Hij dan maar eens zien dat Hij om je geeft.
Daag Hem eens uit om dát te laten zien.
Dwing Hem er eens toe om in te grijpen.
Want daar in de tempel, daar waar Hij wel moet zijn, in Zijn eigen huis,
daar moet Hij je toch wel redden als je naar beneden springt?
Wat heb je aan een stem uit de hemel?
Daar ga je aan twijfelen. Je gaat denken: ik heb het me ingebeeld.
Nee, je moet het ervaren.
Opnieuw wil de duivel God ontmaskeren als degenen op wie je tevergeefs rekent,
tevergeefs bouwt, tevergeefs wacht.
Tussen de regels door zegt hij tegen Jezus: je weet net zo goed dat je niet op je Vader hoeft te rekenen.
Je zult te pletter vallen en wat blijft er dan nog over van jou en je roeping?
Hoe kun je, Jezus, de weg gaan, die je Vader heeft uitgestippeld
als je zelf weet, dat je uiteindelijk niet op Hem kunt vertrouwen.

Maar ook deze verleiding slaat Jezus van zich af. Gode zij dank!
Jezus merkt welke twijfel de duivel hier zaait.
Want als je God op de proef stelt, als je Hem verzoekt,
twijfel je eraan of Hij er wel is.
(Massa en Meriba: geen water => God is niet in ons midden!)

Dan de laatste verzoeking die de duivel in petto heeft.
Opnieuw de twijfel die hij zaait over God.
Jezus, weet je wel welke weg de Vader je wilt laten gaan: een weg van lijden.
Je komt hier uit, maar je weet dat de dood op je wacht.
Maar Jezus, dat is toch niet nodig.
Je kunt de wereld zo wel krijgen, zonder lijden, zonder dood.
Als je mij maar erkent als je heer, je meerdere.
Dan hoef je die weg echt niet te gaan.
Jezus, je kunt nu al aanbeden worden. Daar heb je geen kruis, geen dood, geen opstanding voor nodig! Kies voor mij!

Dan het laatste antwoord van Jezus aan de duivel:
Ga weg, satan!
Want die wereld die je voorhoudt, is een wereld zonder God.
hoe kun je aan Gods Zoon vragen om God los te laten?
Ja, het is de weg naar het kruis op Golgotha.
voor die weg koos Ik toen Ik het water in ging van de Jordaan.
en ook nu kies ik voor die weg.
Want, zo zegt Jezus tegen Zijn tegenstrever: Ik ben niet gekomen
om de wereld voor Mijzelf te hebben,
maar aan God te geven en zo de wereld te bevrijden.
Ik kom niet voor mijzelf, voor mijn eigen glorie, voor mijn eigen koninkrijk.
Ik kom niet om het koningschap van Jezus te brengen,
maar het Koninkrijk der hemelen, van God.
Jezus is gekomen om de mensen van de duivel te bevrijden
en hen te brengen tot de aanbidding van God.
Daarom kiest Hij bewust – tegen de duivel, voor Zijn Vader, voor ons.
Opnieuw: het “Ja” tegen het kruis.
Daar in de woestijn gloort al het kruis.
In de verleidingen merkt Jezus dat kruis al op zich afkomen.
In de woestijn valt al de schaduw van Golgotha.
Jezus zegt: Ik ga die weg en zal die weg gaan.
niet voor mijzelf.

Gemeente, dan worden wij toch stil
van deze bereidheid van onze Heere.
Hij ging die weg.

Soms kan het als een vraag klinken, een gebed, een noodkreet naar omhoog, naar Christus:

Kom toch om de macht te breken
van de vorst der duisternis;
geef in ons bestaan een teken,
dat de zege zeker is;
hef ons op uit onze zonden,
werp de duiv’len bij ons uit,
want de vrijheid moet gevonden, Heer,
vervul Gods raadsbesluit!

Hier mogen wij zien, dat Hij gekomen is
en mogen wij meedoen met de engelen
die uit de hemel kwamen om Jezus te dienen.
Heere, onze Heere, u bent het waard.
Wij loven U, waar wij verloren hadden, won U.
Waar wij ons over gaven aan de duivel, was u de sterkere
Waar wij toehapten op de schijn die de duivel ons voorhield,
had u door, wat de duivel van u vroeg.

Heer Jezus, die ons hebt bezocht,
Gij Opgang uit den hoge,
die onze ziel hebt vrijgekocht,
dat zij U dienen moge,
Gij herder die ’t verloorne zoekt,
de hemel heeft ons niet vervloekt:
God is om ons bewogen.

6 Zingt dan de Heer, stemt allen in
met ons die God lof geven:
Hij schiep ons voor een nieuw begin,
hoeveel wij ook misdreven.
Hij riep ons uit de nacht in ’t licht
van zijn genadig aangezicht.
in Christus is ons leven!

Amen

Nix 18

Nix 18

‘Het zal een stuk minder gezellig worden.’ Dat zeggen twee jongeren van 16 voor de camera van de NOS als zij eind december bevraagd worden op de verhoging van de leeftijd waarop alcohol gekocht mag worden. Het was een reactie waar ik stil van viel: is het de alcohol die de gezelligheid met zich meebracht? Natuurlijk, ik begrijp dat het niet leuk is dat je iets niet meer mag wat je oudere broer of zus op die leeftijd nog wel mocht. Maar dat de gedachte, dat het de alcohol is die de gezelligheid met zich meebrengt, irriteert mij eigenlijk wel. Wie heeft hen deze schijn wijsgemaakt?

Vanzelfsprekendheid
Die openlijke vanzelfsprekendheid van alcohol irriteert mij eerlijk gezegd. Op radio 1 wordt er bericht over een mogelijk bevolkingsonderzoek naar darmkanker. De verslaggever spreekt iemand, die voor onderzoek in het ziekenhuis is geweest, maar gelukkig niets kwaadaardigs in zich heeft. De verslaggever: ‘En nu thuis dat vieren met een feestelijke maaltijd, met een wijntje erbij?’ Dat eerste snap ik. Dat van het wijntje is volgens mij een zinloze of overbodige toevoeging.

drank = plezier
Tenzij je uitgaat van de veronderstelling drank = plezier. Aleid Truijens schreef op 6 januari daar een column over in de Volkskrant. Daarin gaf ze aan, dat ze pas nu haar kinderen ruim volwassenen zijn, beseft hoe problematisch die veronderstelling is. Dat ze nu pas beseft dat zij de associatie drank = plezier heeft overgedragen op haar kinderen. DDie associatie is alom aanwezig. Neem de vanzelfsprekendheid van bier en wijn op de Nederlandse televisieprogramma’s. Of waarmee in het weekend de kratten bier uit de supermarkt worden gehaald. Waarmee supermarkten stunten met korting op kratten bier of waarmee flessen wijn in een kerstpakket zitten.

Dwars
Niet dat ik tegen alcohol ben. Maar er zit mij iets dwars. En dat komt niet omdat de alcohol nauwelijks tot mijn opvoeding behoort. Wellicht heeft het er mee, te maken dat op het eerste feestje waarbij bier aanwezig was, ik direct zag dat teveel bier ervoor zorgt dat je de controle over jezelf kwijtraakt. Het is vooral de gedachte drank = plezier. Of nog sterker: drank is onmisbaar voor plezier. Door de afgelopen jaren heb ik de schaduwzijde gezien. In de gevolgen van verkeersongevallen en de impact ervan. Of een ander: ‘Ik stap nooit meer met een nuchtere partner in bed.’ Of het verzoek om niet na een bepaalde tijd op de middag langs te komen, omdat zijn huisgenoot aangeschoten was. Misschien is die vanzelfsprekendheid van het alcoholgebruik wel het moeilijkst te doorbreken in de christelijke gemeenschappen. Het viel mij op, dat de eerste burgemeester die aangaf dat de verhoging van de leeftijdsgrens niet te zullen handhaven de burgemeester van Katwijk was. Ik ken niet alle details, maar merkwaardig vond ik het wel. In ieder geval laat het zien, dat de gedachte dat de overheid er is als dienares van God (Romeinen 13) in christelijke gemeenschappen geen vanzelfsprekendheid is.

Dorst
Het helpt natuurlijk niet om alleen te mopperen op de alcohol. En het helpt vast niet om de alcohol te verbieden. Wat al wel zal helpen is als die vanzelfsprekendheid van alcohol doorbroken wordt en als er besef is dat er ook een schaduwzijde is bij het gebruik van alcohol. En vooral oog hebben voor de dorst die achter het grote alcoholgebruik schuilgaat. De dorst naar meetellen, naar even een adempauze in een druk bestaan, naar het onderdrukken van pijn of somberheid. Daarom zou het mooi zijn als er oog en oor komt voor de werkelijke dorst. Een zin die mij aan het nadenken zette, was: Iedereen spreekt over mijn zuipen, maar niemand spreekt met mij over mijn dorst. Zou die dorst ook niet kunnen worden tot een dorst naar God (Psalm 42).

Leven
Om af te sluiten met een mooi voorbeeld, dat een collega eens vertelde. Aan het begin van het seizoen, kwam een catechisant uitdagend het lokaal binnen. ‘Dominee, ik heb in de vakantie alles gedaan wat God verboden heeft!’ ‘O ja, wat dan?’ ‘Nou, u weet wel, met drank en met vrouwen!’ De predikant: ‘Weet je wat je hebt gedaan? Je hebt naar leven gezocht. Heb je het ook gevonden?’
Het zou mooi zijn als we niet de associatie drank = plezier doorgeven, maar dat het leven in Christus te vinden is. Waarbij ik niet de suggestie wil wekken, dat de problemen makkelijk opgelost zijn maar dat we wel een ander Adres hebben om hulp te zoeken.

Geschreven voor HWConfessioneel

Ps. Rudolf Bohren wees eens op Efeze 5:18: de tegenstelling tussen vol worden van alcohol en het volworden van de Geest.

Zie ook het commentaar van collega Coen Wessel: neem geen genoegen met zelfdestructie http://coen-wessel.livejournal.com/21895.html

De verzoeking van Jezus in de woestijn (Mattheüs 4:1-11)

De verzoeking van Jezus in de woestijn (Mattheüs 4:1-11)

Interpretaties
In de loop van de geschiedenis zijn er verschillende soorten uitleg van Mattheüs 4:1-11 gegeven:
(1) Jezus’ verzoeking als model voor ons ethisch handelen.
De gelovige heeft met dezelfde verzoekingen te maken en leert door deze geschiedenis te overwinnen door een deemoedige gehoorzaamheid aan de ware God, door vast te houden aan Zijn Woord.
(2) Een christologische interpretatie.
In deze geschiedenis worden verzoekingen verteld die uitsluitend betrekking hebben op Jezus als de Zoon van God.
Deze interpretatie kan weer worden onderverdeeld in:
a) Typologisch: Jezus als antitype (het tegenovergestelde) van Adam of Israël.
b) Messiaans: een bepaald beeld van de messias, dat als problematisch wordt ervaren, wordt bekritiseerd.
c) Streng-christologisch: het gaat hier om de gehoorzaamheid van de Zoon van God aan de Vader.
3) Een interpretatie die aangeeft dat de boodschap van de tekst niet te reconstrueren is.

Kammler geeft zelf een streng-christologische interpretatie (2c), waarbij hij aangeeft dat deze tekst in het evangelie van Mattheüs moet worden gekoppeld aan de kruisiging en wil laten zien op welke manier Jezus een redder is.
Deze interpretatie wordt onder andere voorgestaan door Ulrich Luz en Thomas Söding, maar zij zijn in de ogen van Kammler niet consequent in deze interpretatie.

Contextuele inbedding
De perikoop over de verzoeking van Jezus is de afsluiting van wat Kammler beschouwd als het eerste grote hoofddeel van het evangelie van Mattheüs (1:1-4:11). In dit eerste deel wordt Jezus aan de lezer gepresenteerd en is al duidelijk wie en wat Hij is voordat Zijn openbare optreden beschreven worden:

– In Mattheüs 1:18-25 worden belangrijke christologische typeringen gegeven:
* Jezus dankt zijn leven en bestaan aan het unieke scheppend werken van de Heilige Geest. Daarmee wordt aangegeven dat God zelf de oorsprong en het leven van Jezus bepaalde.
* De naam Jezus geeft aan wat Jezus’ doel is: redding brengen van de zonde. Zie Psalm 130:8. Van Jezus wordt daarmee iets verwacht dat in de Joodse traditie alleen als een werk van God gezien werd: de vergeving van de zonde. Deze verlossing van de zonde is een belangrijk motief in het evangelie van Mattheüs. Zie de instellingswoorden van het Heilig Avondmaal.
* Jezus wordt getypeerd als Immanuël (dat betekent: God met ons): in persoon en werk is Jezus de heilvolle aanwezigheid van God.
In dit gedeelte gaat het om de goddelijke oorsprong, het goddelijk werk en het goddelijke zijn van Jezus.

Deze hoge christologie, namelijk Jezus als God en Zoon van God, komt ook terug in het vervolg:
– De heidense magiërs knielen voor het Kind en brengen het de hulde en eer die alleen aan God toekomt (2:11).
– Jezus wordt in Mattheüs 3:1-12 aangeduid als de Kurios (Heer) uit Jesaja 40:3. Hiermee wordt een uitspraak over God overgedragen op Jezus. Het komen van Jezus wordt gezien als het komen van God zelf.

De doop van Jezus
De doop van Jezus is in het evangelie van Mattheüs nauw verbonden met de perikoop over de verzoeking:
– In beide gevallen wordt Jezus door de Geest ergens naar toe geleid geleid.
– De duivel pakt op wat de stem uit de hemelen zei (3:17): Indien Gij Gods Zoon zijt…
– Het begin en het einde van de perikopen zijn op dezelfde manier opgebouwd.
– Het ‘zie!’ dat in beide gedeelten voorkomt.
– De stem uit de hemel heeft een equivalent in de engelen die uit de hemel komen om te dienen.
Zowel Mattheüs 3:13-17 als 4:1-11 zijn sleutelteksten in het evangelie van Mattheüs, die de theologische waarheid over Jezus onthullen: Jezus als de Zoon van God.

De doop van Johannes is in het evangelie van Mattheüs het antwoord van degenen die zich aangesproken voelen door Johannes’ oproep tot omkeer. Zij geven aan: als zondaars zijn wij voor God verloren en hebben een omkeer nodig.
Jezus laat zich, ondanks het protest van Johannes, ook dopen. Op deze manier kunnen Jezus en Johannes de gerechtigheid van God vervullen. In 3:15 krijgt gerechtigheid een voor het evangelie van Mattheüs unieke betekenis, omdat deze gerechtigheid alleen door Jezus en Johannes samen vervuld kan worden. Deze gerechtigheid is niet exemplarisch, maar sacramenteel.

De verzoekingen
In de doop klinkt het ‘Ja!’ van de Zoon van God tegen de weg naar het kruis. In het gedeelte erop, de verzoeking in de woestijn, wordt dat ‘Ja!’ op de proef gesteld. Daar zegt de Zoon van God ‘nee!’ tegen de verleidingen die hem van de weg van het lijden moeten afbrengen.
God zelf brengt Jezus in de woestijn om verzocht te worden. Het gaat hier om verleidingen die alleen Jezus kan weerstaan. De betekenis van de verzoekingen is dat Jezus hier een bewijs geeft van het feit dat Hij de Zoon van God is.

De eerste verzoeking
In de eerste verzoeking wordt Jezus door de duivel verleid om Zijn macht voor zichzelf te gebruiken. Daarmee legt het evangelie reeds een link met het kruis, waarin klinkt dat hij anderen heeft verlost maar nu zichzelf niet kan redden. Jezus is gekomen om in goddelijk erbarmen anderen te redden (14:14, 15:32). De duivel daagt hier Jezus uit om te bewijzen dat Hij Gods Zoon is. Jezus laat zien, dat Hij dat alleen kan bewijzen door anderen te redden – en niet zichzelf.

De tweede verzoeking
Wanneer Jezus gevangen genomen wordt, zegt Hij tegen Zijn discipelen dat er 12 legioenen engelen klaar staan om Hem te redden – indien nodig. Jezus wijst de uitredding van de hand. Hij moet juist de weg van het lijden gaan.
Rondom het kruis klinkt Psalm 22: Hij heeft op God vertrouwd. Als God een welgevallen in Hem heeft, laat Hij Hem dan redden, want Hij heeft toch gezegd dat Hij Gods Zoon is?
Opnieuw wordt duidelijk dat Jezus wel op God vertrouwd, maar dat vertrouwen niet kan gebruiken om Zichzelf te redden vanwege Zijn missie.

De derde verzoeking
In de derde verzoeking doet de duivel een poging om hem van de weg van het lijden af te houden. Wanneer Jezus hieraan gehoor zou geven, zou Zijn missie niet slagen. Want Hij kwam om de wereld te bevrijden van de zonde. Het Koninkrijk der hemelen is anders dan het rijk van de duivel.

De citaten uit het Oude Testament.
In dit gedeelte spreekt Jezus vooral citaten uit het Oude Testament:
– Als antwoord op de eerste verzoeking geeft Jezus aan, dat – als er geen brood is – de mens ook op een andere manier door God in het leven gehouden kan worden. Met dit citaat wordt duidelijk hoe Jezus aankijkt tegen de eerste verzoeking: als een twijfel zaaien bij de macht en zorg van God en daarmee twijfel zaaien aan Gods godheid.
– Ook de tweede verzoeking is een twijfel zaaien aan Gods vermogen. Jezus weerstaat deze verleiding omdat het hoogmoed en hybris is om een tastbaar bewijs van Gods werkzaamheid te eisen.
– De derde verleiding is zonde tegen het eerste gebod. Daarom kan Jezus niet knielen voor de duivel. De laatste en ultieme verleiding geeft aan hoe goddeloos de duivel is: hij wil Jezus bewegen tot een openlijke afval van God. Vanwege deze blasfemie stuurt Jezus de duivel weg.

Jezus overwint de verleidingen en bevestigt daarmee Zijn keuze voor de weg naar het kruis op Golghotha.

N.a.v. Hans-Christian Kammler, ‘Sohn Gottes und Kreuz. Die Versuchungsgeschichte Mt 4,1-11 im Kontext des Matthäusevangeliums’, Zeitschrift für Theologie und Kirche 100 (2003) 163-186.

Donderdagmiddagdochter

Donderdagmiddagdochter

Volgens de titel zou het boek Donderdagmiddagdochter gaan over het verlies van een dochtertje Evy, dat slechts één dag had geleefd.

Maar daar gaat het boek haast niet over. Het verdriet verpakt zich veel meer in frustratie over de charismatische pinkstergelovigen, die zijn vrouw steeds meer in hun wereld weten te krijgen. En over de onmacht om zijn vrouw nog te bereiken.

En over het eigen verleden: De verhuizingen die het gezin onderging, waardoor de hoofdpersoon nergens echt bij hoort. Over de autoritaire opvoedingsstijl van de vader. Over de depressiviteit van de moeder – door het overlijden van haar kinderen (hoewel in één zin slechts genoemd). Over zijn eigen verzet tegen het Vrijgemaakte wereldje zonder dat hij echt weet waar hij heen wil.

Het is een bizar boek soms. Door de echte namen te noemen heeft het boek iets van een afrekening. Bizar, omdat we een inkijkje krijgen in het uit elkaar groeien van man en vrouw. Dat waren de bladzijden waarvan ik dacht: dat wil ik niet weten. Ik vroeg me tijdens het lezen daarom af: waarom geeft iemand dit uit?

Vooral gaat het over onmacht. De onmacht van de buitenstaander. Overal staat hij buiten: buiten het gezin van herkomst, buiten het verdriet van zijn vrouw, buiten het geloof. Maar tegelijkertijd gaat het om iemand die er niet bij kan horen. Daardoor is het een treurig boek.

Een aangrijpend verhaal, zeker tussen de regels door – maar warrig opgeschreven.

Selfie

Selfie

Selfie werd onlangs verkozen tot het woord van het jaar 2013. Meestal heeft een selfie een ludiek karakter: even met een knipoog laten weten dat je ergens bent geweest. Tegelijkertijd is het selfie een mooi symbool de cultuur waarin onze kinderen en jongeren opgroeien.

Een selfie is een foto die iemand van zichzelf neemt. Dit selfie wordt met anderen gedeeld, bijvoorbeeld via facebook. Zo’n selfie wordt gedeeld om te laten zien, dat je ergens bent geweest: op een feestje met vrienden, op een bijzondere plaats. Of dat je in een gekke bui was.
Het selfie kwam in het nieuws toen paus Franciscus bij een ontmoeting met jongeren een selfie nam en toen Obama van zichzelf en enkele andere regeringsleiders bij de begrafenis van Mandela een selfie nam.

Vastleggen
Bij een selfie gaat het vaak om zelfspot. Tegelijkertijd laat het selfie ook iets anders zien. In onze cultuur moet tegenwoordig alles op de foto worden gezet. Daarvoor hoeven we niet alleen naar de jongeren te kijken, die bij elk uitstapje hun iPhone in de hand hebben en overal een foto van nemen.
Daar doe ik zelf aan mee: bijvoorbeeld met de afsluiting van de schaatstraining van mijn dochter stond ik – net als alle andere ouders – met een fototoestel in de hand.
Ik vergat daarbij dat het belangrijker was dat ik er was om te kijken naar het schaatsen van mijn dochter en dat ik genoot van het schaatsen van mijn dochter dan dat het op de foto werd vastgelegd om het met familie te kunnen delen.

De behoefte is er om alles vast te leggen. En dat niet alleen bij jongeren. Wij hebben vandaag de dag blijkbaar behoefte aan iets dat meer vastigheid biedt en meer uit het verleden vasthoudt dan onze herinneringen.

Zelfprofilering
We leven in een tijd van zelfprofilering. Een goed imago is van groot belang. Je moet goed voor de dag komen. Met een selfie dat gedeeld wordt, kun je zelf je imago creëren en in de hand houden. Zelfprofilering heeft een problematische kant, want er is sprake van een norm.
Deze norm wordt niet uitgesproken, maar moet je aanvoelen. Die norm kan behoorlijk hoog zijn. Zeker voor degenen die onzeker zijn over zichzelf. Zij hebben de neiging om vooral hun goede en sterke kant te presenteren en de zwakke kant weg te laten.

Mijn indruk is dat wij als mensen vaak ook een selfie maken om ons imago naar God toe overeind te houden. We willen dat God ons ziet, zoals wij zelf willen dat Hij ons ziet. Niet altijd willen we zijn, zoals we echt zijn. Maar anders: overeenkomstig de norm die wij onszelf opleggen of opgelegd voelen.

Beeldverbod
In deze tijd van zelfprofilering en van selfies krijgt het beeldverbod weer een actuele betekenis: beelden kunnen aan de ene kant heel scherp iets laten zien, maar aan de andere kant een (impliciete) norm kunnen voorhouden die een appèl op ons doen. En daarnaast wint ook de rechtvaardiging van de goddeloze aan betekenis. God bepaalt wie wij zijn. Het gaat om Zijn oordeel over ons leven en niet het selfie dat wij God voorhouden. Zijn oordeel is reddend en vol genade. Zijn liefde is onvoorwaardelijk en niet afhankelijk van de likes die wij krijgen.

We weten dat wel, maar soms moet dat ook weer gezegd worden omdat we dat vergeten.

Geschreven voor: HWConfessioneel