Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011) – 1

Ongecompliceerd over God spreken
Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011)

Over enkele weken houdt IZB Areopagus Studiedag IZB Areopagus over de verandering in de prediking in de afgelopen decennia.  Ter voorbereiding van de conferentie wordt gevraagd literatuur te lezen. Onder andere: Reiner Knieling – Was predigen wir? In een aantal blogs wil ik iets van de inhoud weergeven. Tot slot geef ik aan wat Knieling relevant maakt voor die conferentie. Vandaag deel 1: een introductie op het boek – ongecompliceerd over God spreken.

Preken gaan niet in op wat gemeenteleden vandaag de dag bezig houdt. Dat is de stelling van Reiner Knieling in zijn boek: Wat preken wij?

32591272z

Reiner Knieling is hoogleraar Praktische Theologie aan de Kirchliche Hochschule Wuppertal/Bethel en tegelijkertijd leider van een centrum voor vorming en toerusting van de VELKD.

rainer_knieling_0204-3

Hij promoveerde op de vraag hoe de inhoud van Kerst, Goede Vrijdag en Pasen en het hedendaagse levensgevoel in de verkondiging bij elkaar gebracht kunnen worden: Predigtpraxis zwischen Credo und Erfahrung.
Daarna verdiepte hij zich in de vraag wat concurrentie binnen de kerk betekent.
31nvzyvd3bl-_sx326_bo1204203200_
Daarnaast schreef hij een theologische doordenking van falen:
Mit Scheitern leben lernen. Erfahrungen, Verheißungen, Hilfestellungen.
download-1

 

Als praktisch-theoloog houdt hij zich onder andere bezig met gemeenteopbouw: gemeenten hoeven niet perfect te zijn. Daar schreef hij ook een boekje over: Plädoyer für unvollkommene Gemeinden.
download-2
Vrij recent publiceerde hij met Isabel Hartmann:
Gemeinde neu denken. Geistliche Orientierung in wachsender Komplexität.
download-6
Dit jaar deed hij een poging om de betekenis van het kruis op Golgotha uit te leggen. (Zie mijn recensie, geschreven voor het Friesch Dagblad).

download-4
Daarnaast is de relatie tussen mannen en de kerk een thema dat hem bezig houdt.  (Zie mijn recensie, geschreven voor het Friesch Dagblad)



Met deze boeken en studies wil hij ingaan op wat ‘gewone’ mensen bezig houdt. Hij doet dat door theologie en levenservaring met elkaar in gesprek te brengen:
– In zijn bezig zijn met gemeenteopbouw wil hij laten zien wat de rechtvaardigingsleer voor de gemeenteopbouw betekent.
– In zijn theologische doordenking van falen brengt hij een dialoog op gang tussen de zondeleer en hedendaagse ervaring en door deze dialoog het tragische naar voren.
– In zijn boek over het kruis wil hij de hedendaagse kritiek op het kruis op Golgotha serieus nemen en dat meenemen in zijn eigen ontwerp.


De thema’s waarin hij de inhoud van het christelijk geloof en de hedendaagse ervaring doordenkt, komen ook in zijn homiletiek Wat preken wij? terug.

Volgens Knieling is het de tijd om na decennia van aandacht voor de interactie tussen prediker en hoorder en vormgeving en voordracht van de preek ook aandacht te hebben voor de inhoud van de verkondiging. Volgens hem is het samen denken van de inhoud van het geloof en de hedendaagse ervaring noodzakelijk en ook mogelijk. Om die inhoud en die ervaring samen te denken is het hoog nodig tijd om de ontwikkelingen in de (Duitse) systematische theologie te verwerken in de hedendaagse verkondiging.

De thema’s die aan de orde komen, zijn:
* Falen
* Heil en gezondheid
* De kruisdood van Jezus
* Aandacht voor mannen
* Armoede en sociale gerechtigheid

Knieling wil predikanten stimuleren om bij deze thema’s ongecompliceerd (einfach) over God te spreken. Dat ongecompliceerde heeft volgens mij twee elementen in zich:
* eenvoudig, to the point
* vrijmoedig, onbevangen, zonder schroom

 

Israëlzondag 2016

Israëlzondag 2016

Komende zondag is het Israëlzondag. Dan staan we als kerk stil bij de onopgeefbare verbondenheid die er met Israël heeft. De kerk heeft veel aan Israël te danken: het hele Oude Testament en eigenlijk ook het hele Nieuwe Testament. Alleen van Lukas en van de Hebreeënbrief wordt soms getwijfeld of de auteur een Joodse achtergrond heeft. Daarnaast geloven we als kerk dat het verbond met Israël nooit is opgezegd door God. Israël is daarom een teken van Gods trouw door alle eeuwen heen. De reformator Calvijn is nooit een aanhanger geweest van de zogenaamde vervangingstheologie (de gedachte dat Gods verbond met Israël verbroken is). De relatie tussen Luther en de Joden was gecompliceerder: hij kon heel negatief én heel positief zijn over de Joden. In het Europa dat door het christelijk geloof gestempeld is geweest, is er wel ruimte geweest voor antisemitisme. Soms was dat op de kerk te herleiden, maar soms ook niet. Door de eeuwen heen zijn Joden vaak een minderheid geweest en hebben ze te maken met discriminatie en uitsluiting en vaak ook met geweld en vervolging. Met als dieptepunten de periode van 1933-1945. Geen wonder dat er vanuit de kant van de Joden geregeld grote argwaan bestaat ten opzichte van de kerk. Binnen de kerk is er door het besef van de grote vernietiging in de periode 1933-1945 en door de stichting van de staat Israël een nieuwe aandacht gekomen voor de relatie tussen kerk en Israël. Gelukkig zijn er ook intense gesprekken geweest waardoor over en weer respect is gegroeid. Zeker in Duitsland, maar ook in Nederland, hebben die gesprekken voor mooie resultaten gezorgd.

Wie over Israël spreekt, kan er niet omheen dat een groot deel van de Joden Jezus niet als messias erkent. Dat is een belangrijke vraag voor de kerk: wat zegt het als Gods volk de door God gezonden messias niet erkent? Wat zegt dat over de weg die God gaat in deze wereld? En wat zegt dat over hoe de kerk zich opstelt?
Wie over Israël spreekt, kan niet om de staat Israël heen. Dat maakt de thematiek misschien nog wel ingewikkelder. Is de staat Israël een ontwikkeling in Gods heilsplan? Maar waarom is het dan een seculiere staat? En dan de politiek van de huidige regering – hoe verhoudt die zich tot het plan van God in deze wereld? Denk aan de houding ten opzichte van de Palestijnen: al 50 jaar wordt er onderhandeld over vrede en de vrede lijkt steeds verder weg dan ooit. De politiek waarin het land van de Palestijnen wordt afgenomen en de minachtende houding van veel Israëlieten doet de zaak geen goed. Daar staat weer tegenover dat het volk Israël in het verleden vaak sterk bedreigd is en ook vaak toen het een eigen staat had. Bovendien geldt dat de leiders van de Palestijnen niet altijd om de gewone Palestijn lijkt te geven en corruptie een groot probleem is. Je zou de mensen die daar wonen vrede gunnen, maar de vraag is of die vrede er ooit kan komen.
Waar moet komende zondag de aandacht op gevestigd worden? Ik ben voorzichtig. Zeker over de huidige staat Israël en de politiek van Israël. Ik denk dat het bestaan van Israël als volk als zodanig al genoeg vragen aan de kerk stelt. Zeker in deze periode, waarin Deuteronomium aan de orde is, besef ik dat de woorden van God allereerst aan Israël zijn gericht. (Goldingay spreekt zelf over het Eerste Testament, omdat Oude Testament de suggestie heeft van ‘verouderd’). We ontvangen ze als het ware via-via. Daar ben ik dankbaar voor, dat we die woorden toch mogen ontvangen en ons eigen mogen maken. Welke weg de Heere met Zijn volk gaat, mogen we aan Hem overlaten. Ik bedoel dat niet vanuit onverschilligheid, maar vanuit de trouw die God steeds aan Israël toont.
Vorig jaar las ik het uitdagende boekje van de Engelse hoogleraar Oude Testament John Goldingay: Hebben we het Nieuwe Testament eigenlijk wel nodig? Zijn stelling was: het Nieuwe Testament bevatte niets nieuws ten opzichte van het Oude Testament. Alles wat het Nieuwe Testament bevat, staat reeds in het Oude Testament. Daarom vind ik het van belang, dat ook het Oude Testament aan de orde komt in de prediking en dan niet alleen de bekende gedeelten, maar ook de onbekendere. Zeker het Bijbelboek Deuteronomium dient aan de orde te komen. Dit Bijbelboek heeft het Nieuwe Testament misschien wel het meest gevormd. Alleen daarom al kunnen we niet om dit boek heen.
In eerste instantie had ik voor deze zondag Deuteronomium 6 gepland, waar de kernbelijdenis van Israël verwoord is. Door een kleine onoplettendheid van mijn kant is dit hoofdstuk al bij de doopdienst aan de orde gekomen. Op dit moment heb ik nog niet helder welk hoofdstuk uit Deuteronomium aan de orde komt.

Preek zondagmorgen 25 september 2016

Preek zondagmorgen 25 september 2016
Deuteronomium 12:1-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Deuteronomium is maar een taai Bijbelboek’,
zei een ouderling in de consistorie toen ik daar als gastvoorganger een dienst leidde.
‘In het begin is het nog wel te doen
met die terugblik op de woestijnreis,
maar op een gegeven moment krijg je al die wetten en regels.’

Vandaag zijn we bij een aantal van die wetten en die regels aangekomen
en misschien verwoordde die ouderling in de consistorie
ook wel uw mening over het Bijbelboek Deuteronomium: ‘taai’.
Als je Deuteronomium al leest, dan kun je gemakkelijk afhaken,
omdat het niet duidelijk is, wat je er mee moet.
Wat hebben die regels en die wetten uit dit Bijbelboek nu te maken
met mijn alledaagse leven?
Dat is  – denk ik – ook wat die ouderling bedoelde:
Ik kan weinig met die wetten en die regels,
omdat ze ver af staan van het leven dat ik heb.

Daarbij kunt u als lezer van deze 21e eeuw bij het 12e hoofdstuk
helemaal de wenkbrauwen fronsen:
is het vernietigen van de heiligdommen en de afgodsbeelden
niet iets van de Taliban en IS?
De taliban vernietigden ooit twee enorme, eeuwenoude beelden van Boeddha
omdat deze beelden ongepast waren volgens de islam.
En van IS is bekend dat ze oude kerken en oude Romeinse tempels verwoesten
in de gebieden die zij veroverd hebben.
Dat kan een tweede reden zijn – naast het taaie van Deuteronomium,
waardoor je dit Bijbelboek zou willen overslaan
en snel doorbladeren naar een volgend Bijbelboek
terwijl je ondertussen denkt: Er staan toch maar rare stukken in de Bijbel.

Ik hoop vanmorgen in de preek iets van dat taaie weg te kunnen nemen
én dat u ook begrijpt dat dit hoofdstuk minder met de IS en de taliban te maken hebben,
maar daarvoor maak ik even een omweg van wat ik dit weekend las.
Ik hoop u mee te kunnen nemen.

Taai – dat is het woord gebruikt werd door de ouderling – ver weg van het leven dat ik heb.
Maar wat is dat leven, dat u hebt? Hoe ziet jou leven eruit?
In het Nederlands Dagblad stonden dit weekend twee artikelen van collega’s van mij:
ds. Paul Visser (Amsterdam) en ds. Kees van Ekris (Zeist)
– beiden betrokken bij de IZB en daar zijn hun verhalen ook na te lezen.
Deze twee predikanten gaven aan, dat er in de kerk veel vermoeidheid én verveling is
en door die verveling en vermoeidheid verkruimelt het geloof van de kerkgangers.
De kerkgangers – ze doen nog wel mee met alles: met de kerkdienst,
met bijbelkring, leiden clubs,
maar onderhuids is er twijfel of het allemaal wel waar is,
of een bepaalde verveling: het raakt niet meer,
de preek niet, de liederen niet, de gesprekken niet
en je kunt het dan wel zoeken in een soort geloofskick, een oppepper,
maar die overschreeuwt alleen maar de verveling en vermoeidheid.
En als de kick is uitgewerkt, slaat de verveling en vermoeidheid des te harder toe.
Is dat wat u herkend?
Ik overval u er misschien mee, omdat u deze berichten niet gelezen hebt.
Is er in jouw vriendenkring deze verveling, of bij jezelf.
Merk je dat de woorden van God jou niet meer raken,
of bij je vrienden niet meer binnenkomen?
Of zeg je: ‘Hoe komen deze twee predikanten erbij.
Ze leven in een heel andere wereld dan ik.
Ik kom juist bevlogenheid en verlangen tegen.’?

Ik zou zelf zeggen dat er iets anders aan de hand is
en het zou wel eens over hetzelfde kunnen gaan als wat Visser van Van Ekris signaleren.
Dat het geloof los staat het dagelijks leven,
een eigen wereldje dat weinig verbinding heeft met de andere delen van ons bestaan.
Het geloof is er wel en op zondag en door de week probeer je het te voeden,
maar het is een eilandje in je leven,
af en toe heb je er aandacht voor – als je tijd hebt,
maar meestal gaat de tijd op aan iets anders,
omdat je ook veel te doen hebt.
Afgelopen week was ik op een Bijbelkring waar dit aan de orde kwam.
Het begon met het huishouden: het huis schoonmaken, de was wegwerken,
je werk, de kinderen die je aandacht wilt geven.
Is er dan nog wel tijd voor jezelf om op de bank je gaan zitten,
gewoon te zitten en wat na te denken over jezelf, of te lezen in een boek?
En als er zoveel is dat je aandacht opeist, zoveel dat gedaan moet worden,
waar haal je dan de tijd en de rust vandaan
om contact met de Heere te zoeken: tijd voor bidden, voor lezen in de Bijbel.
Als die tijd er is, dan ben je van binnen vol onrust
– onrustig in het hoofd, in je hart.
En daardoor kom je er niet toe om het contact met de Heere te zoeken, te verdiepen.
Ik denk dat het wel eens een van de grootste problemen binnen de kerk kan zijn:
dat gebed en het lezen uit de Bijbel niet meer gedaan wordt,
of wel gedaan wordt, maar dan zonder dat het echt iets oplevert voor je geloof.
Je zou misschien wel willen, maar het lukt je niet.

Juist dan kan dit taaie hoofdstuk 12 uit Deuteronomium zinvol zijn.
Dat Bijbelboek dat zoveel regels en wetten heeft,
die niets met ons leven te maken zouden hebben, wil ons laten weten:
alle aspecten van het leven behoren aan God toe.
Als je merkt dat het geloof een eilandje is,
dat helemaal los staat van de rest van je leven, hoort er bij jezelf een alarm af te gaan:
er gaat iets niet goed met mij,
want elk onderdeel van mijn leven hoort aan de Heere toegewijd te zijn.
In de wetten en regels die in Deuteronomium wordt daar een uitwerking aan gegeven:
hoe het leven in zijn geheel aan de Heere worden gewijd
en hoe je kunt voorkomen dat je geloof iets wat los staat van de rest van het leven.
Het gaat hier om geloof dat in praktijk gebracht wordt, geloof dat geleefd wordt.

In hoofdstuk 12 start een uitwerking van die geboden.
Eerder heeft Mozes al wat gezegd over wetten en regels, richtlijnen en geboden,
die het volk moet naleven.
Nu gaat hij dat concretiseren:
Dit zijn de verordeningen en de bepalingen
en wat ik jullie, volk, nu ga uitleggen, moet je heel nauwgezet in praktijk brengen.
Dus niet halfslachtig, of een beetje, niet als je een kwartiertje over hebt
maar met volledige aandacht en totale inzicht.

Mozes begint zijn uitwerking van de geboden door te zijn op het land
waar ze in terecht zullen komen: dat land wordt aan jullie gegeven.
Dat geeft de Heere aan jullie, omdat je Hij dat aan je voorouders heeft beloofd.
Wat je straks hebt: het huis, het stuk grond om je huis, waar je de groenten verbouwt,
de akkers waar je koren voor het brood en mais op groeit,
de weiden waar je vee op zal grazen
– dat is allemaal een geschenk van de Heere.
In dat land dat de Heere geeft, komen een aantal dingen samen,
die laten zien hoe de Heere God is van Israël:
allereerst een thuis, een plek om te wonen, waar je je kunt wortelen,
je hoeft niet meer te zwerven door de woestijn, vol bedreiging en steeds weer opbreken,
maar een thuis.
Het zal ook een thuis in vrijheid zijn:
niemand zal je opjagen, zoals dat gebeurde toen je nog slaaf in Egypte was.
En je zult het goed hebben in dat nieuwe land, dat Ik je geef:
Een leven in overvloed.
Dat land laat zien, dat Ik jullie zal zegenen: Ik heb het goede met jullie voor.
In dat land mogen jullie leven onder Mijn bescherming
en je mag er thuis zijn – en niet zomaar thuis,
maar bij Mij thuis, omdat Ik er ook woon – voor Mijn Naam zal er een huis zijn.
Je ontvangt dat allemaal als een geschenk van Mij,
omdat Ik jullie God wil zijn en Ik jullie als Mijn volk wil.
Dat land laat zien, dat Ik jullie liefheb, dat Ik jullie heb uitgekozen en voor jullie zorg.
Dat land is echte grond: tastbaar, concreet – je kunt er overheen lopen,
je kunt het voelen, zien, je vee kan er op grazen, je koren groeit erop.
Bij elk stukje van je land dat je ziet, elke keer als je met je hand de grond voelt,
je grond omploegt, of als je erover gaat om te zaaien en te maaien,
moet je bedenken: dit geeft God mij
en de Heere geeft mij dat niet zomaar, maar omdat Hij het goede met mij voor heeft.
Alles wat ik heb, wat ik bezit, spreekt van Gods goedheid, Gods trouw.
Ik heb dat niet zelf voor elkaar gebokst, maar gekregen omdat God voor mij zorgt.

Dat geschenk wordt niet meer van je afgenomen.
En de Heere wil dat je ervan geniet, van die overvloed die Hij je geeft.
Alleen wil Hij wel, dat je er met Hem van geniet – vers 12:
Blij worden met wat God geeft en die blijdschap met Hem delen:
je gaat naar God toe, je neemt de moeite om naar Hem toe te gaan,
je komt voor Hem te staan en zegt Hem – recht in het gezicht:
Heere, dank U voor alle overvloed die ik heb gekregen.
Vers 15: je hoeft niet karig te leven. Als God je zegent, mag je daarvan genieten.
Als je maar ziet, dat het van God komt
en dat goede dat je hebt, de overvloed, de rust, de vrede – uit Gods hand komt.

Die dankbaarheid kan zo weg zijn.
Dat je het goed hebt, dat kun je heel gewoon vinden,
zodat je vergeet stil te staan bij de Gever van al dat goeds: de Heere.
Daar gaat hoofdstuk 12 over: Hoe voorkom je dat je de Heere vergeet
als Gever van het goede, hoe voorkom je dat je vergeet te danken?
Hoe blijf je je ervan bewust dat wat je hebt van God komt ?
Allereerst door opruiming te houden, zegt Mozes tegen het volk. Weg met die heiligdommen
die er staan op dat land dat je van God hebt gekregen.
Dat is geen oproep tot Talibanachtige of IS-achtige praktijken,
maar een oproep om alle concurrenten van God bij je weg te doen.
Die bergen – daarbij moet u denken aan Psalm 121:
Ik kijk omhoog naar de bergen, waar komt mijn hulp vandaan?
Wie is het die mij ‘s morgens vroeg doet opstaan?
Waardoor ik de moed en de fut heb om aan de dag te beginnen?
Wie geeft mij de energie voor de dag en volhoudingsvermogen?
Wie zorgt ervoor dat ik werk heb, dat er klanten zijn voor mijn winkel of bedrijf?
Mijn hulp komt van de Heere.
Al het andere, dat suggereert jou te helpen, moet je wegdoen.
Die afgoden – ze zijn slechts een suggestie: ze beloven je iets moois,
maar kunnen je niet horen, niet zien, niet helpen – een illusie.
Misschien zeg je: ik kan de dag goed beginnen, omdat ik op tijd naar bed ga
en daarom heb ik energie genoeg, ik heb discipline in mijn leven.
Ik houd vol, omdat ik sport, twee, drie keer in de week: energie opdoen, hoofd leegmaken.
Maar dan graaf je niet diep genoeg, als je niet ziet dat het van God komt
en als je dat niet ziet, is het maar een lege bedoening
– of om met woorden van het Oude Testament te spreken: een afgod.
Een afgod kan iets goeds zijn, maar het wordt iets verkeerds
als je daardoor niet meer aan de Heere denkt.
Als je bijvoorbeeld denkt dat je je gezondheid te danken hebt aan een bepaalde kuur
of vitaminepreparaten en je vergeet dat God het je geeft.
En die heuvels, die bladerrijke bomen – dat zijn de gaven die God geeft, de overvloed.
Als je denkt dat dat je gelukkig maakt, zonder dat je er bij stil staat dat je ze ontvangt
uit Gods goede hand, waarmee Hij wil laten zien dat Hij voor je zorgen wil.
Dan knip je het geschenk los van de Gever.
Opruimen wat het zicht op God beneemt, waardoor je God niet meer ziet.
Je kunt het goed hebben, geen belemmering om iets te kopen,
je kunt gezond zijn, je kunt veel energie hebben om veel activiteiten te doen,
maar als er geen tijd en aandacht voor God is – wat koop je er dan voor?

Als je niet ziet hoe dichtbij God is – Zijn naam woont op aarde,
Hij is bereikbaar, je kunt naar Hem toekomen.
Dat is de kern van deze geboden en richtlijnen – vers 5!
Vers 5 geeft aan: je kunt voor God komen, je mag voor Hem verschijnen,
De grote en heilige God.
Het accent ligt op het komen voor God – God onder ogen komen.
Kun jij God onder ogen komen?
Als het einde van een mensenleven nadert, kunnen mensen daar heel diep over na denken:
Kan ik, mag ik voor God verschijnen?
En ook als ze midden in het leven staan kan er een schroom zijn:
Ik – wie ben ik dat ik zomaar voor God kan komen – met mijn vragen en gebeden?
Ja, dat kan, zegt de Heere. Kom maar.
Dat naar God gaan, dat voor God komen
– dat moet de kern van je leven zijn, daar moet alles om draaien.
Dat bij al de verschillende werelden waarin je in een week, of soms op een dag, komt,
Dat je één kern hebt: God, die dichtbij is, bekend bij Zijn Naam,
die een plek op aarde heeft.
Dat je daar naar toe gaat met wat je van Hem ontvangt.
Er worden offers genoemd: vlees van koeien en schapen om te offeren:
om te verbranden of te slachten en het dan weg te geven aan Levieten.
Offers zijn in het Oude Testament bedoeld om God te laten delen
in de overvloed die je van Hem krijgt.
Dit krijg ik van U, U geeft het aan mij en ik geef U er een deel van terug.
Ik houd niet alles voor mijzelf, maar ik sta een deel af
om mij weer te herinneren dat het van U komt.
Zoals wij dankdag hebben (een gift voor de kerk, boodschappen voor Dorcas).

Mozes zegt: dat moet je op één plek brengen en daar vier je feest – voor Gods aangezicht!
Ik heb me afgevraagd hoe we die ene plek nu moeten zien.
Waarschijnlijk gaat het om de tabernakel en later de tempel
en dan Jeruzalem als dé plek waar de Heere op aarde Zijn troon heeft.
Waar Mijn naam gevestigd is, waar Mijn woning is (vers 5).
Die ene plek naar mijn idee aan: er is een centrum in het land, een kern in het volk,
dat voor eenheid zorgt: en dat is God zelf en het dienen van God.
Diversiteit mag, je mag allemaal anders zijn,
geen stam, geen familie is dezelfde – je hoeft voor God geen eenheidsworst te zijn,
maar wel dat gemeenschappelijke in God
en dat je – hoe verschillend je allemaal ook bent – een plek samen hebt,
waar je met z’n allen naar toe gaat.
In de christelijke kerk heeft de kerkdienst die betekenis een beetje gekregen.
Het is niet helemaal het zelfde, maar wel bedoeld als de kern:
de kerkdienst als kern van jouw eigen leven,
omdat je de week op zondag begint met God
en dat je dat de hele week verder meeneemt.
Dat je samen komt, met elkaar.
Allemaal verschillende mensen, die in ieder geval één iets gezamenlijks hebben:
een God in de hemel, die ons de goede gaven geeft, vanuit de hemel
die een Naam op aarde heeft, vanuit het Nieuwe Testament gezegd:
Die op aarde kwam als mens: Jezus Christus.
Allemaal verschillend en toch samen één:
Niemand is meer dan de ander: mannen worden niet uitgesloten, maar vrouwen ook niet.
De kinderen horen er volop bij, evenals het dienstpersoneel dat ook mens is als wij.

Ook de Leviet – de Leviet is degene die geen bezit heeft,
die eraan herinnerd: jullie waren vroeger woestijnvolk zonder vaste plek,}
zwervend over dat stukje aarde, nu niet meer, maar die oorsprong mag je nooit vergeten.
De Leviet – die het je laat weten:
Dat stukje aarde dat je hebt om op te wonen, dat je van de Heere krijgt,
je hebt daar geen eeuwige stad. Je blijft er niet voor altijd.
Je echte thuis is bij God.
Hoe goed je het hier ook hebt, het goede leven, het echte thuis – dat komt nog.
Mozes zegt dat in vers 9: nu ben je er nog niet,
dat land dat ga je wel betreden.
Hij heeft dat tegen Israël in de woestijn, dat bijna de Jordaan oversteekt:
Een plek op aarde.
Zonder te doen dat die belofte van Israël afgelopen is en niet meer geldt
(volgende week is het Israëlzondag!)
zeggen we: hoe goed we het hier hebben,
hoeveel we ontvangen en hoezeer we met wat we krijgen naar God terug kunnen,
De echte rust, het echte thuis komt nog,
als we de Jordaan mogen oversteken en onze Heere Jezus Christus daar staat:
Welkom in het Vaderhuis met de vele woningen, dat zal je Thuis zijn voor eeuwig.

Zo gaan we door het leven: op reis naar die Stad.
Maar we hoeven ons niet van dit leven af te sluiten.
We mogen leven in overvloed en daarvan genieten, (Gezang 479!)
zolang we dat maar doen in het besef, dat het van God komt
en het besef dat dit leven hier op aarde niet het enige is, maar dat de echte rust nog moet komen.
Al die regels en wetten zijn bedoeld om dat besef levend te houden,}
om ons te bepalen bij God die geeft: niet karig maar overvloedig,
hier op aarde ons al doet delen in Zijn gemeenschap,
maar eens de poorten openzet van het Vaderhuis voor de eeuwige zegen. Amen

Vragen en opdrachten bij Psalm 25

Vragen en opdrachten bij Psalm 25

Lees vers 1-3
Welk beeld komt bij je op?
– Voor wie is dit een gebed?
– Zou jij dit bij God brengen? Wat stimuleert / belemmert jou om dit te doen?

Lees vers 4-7
Er wordt gesproken over een weg. Stel je een weg van Psalm 25 voor. Hoe ziet die weg eruit? Is het een rechte weg of een weg met bochten en kruisingen? Zijn er richtingaanwijzers en zo ja, wat staat er op? Zo niet, hoe zou je dan de weg kunnen vinden?
– Bij welke beslissing in je leven zou je willen dat God aan jou duidelijkheid geeft over wat je moet kiezen?
– Hoe zou God een aanwijzing aan jou kunnen geven? Wat is er voor nodig, dat je zo’n aanwijzing oppikt?
– Volg je die aanwijzing ook op? Wat heb je nodig om die aanwijzing op te kunnen volgen?
– Wat gebeurt er als je eerst zelf een keuze maakt en je vergeet te bidden of God de keuze duidelijkheid wil maken?

Lees vers 8-11
De psalm vertelt in lovende woorden over God: God is goed en waarachtig. Hij leidt zachtmoedigen in het recht.
– In welke woorden praat jij over God? Welke woorden zou jij gebruiken als je wilt vertellen over wat God voor jou betekent?
– Maakt het nog uit tegen wie je iets vertelt over God
– Wat vind je makkelijker: praten over God of praten met God? Of is er voor jou geen verschil?
– Heb je een idee waarom gevraagd wordt om de zonde niet meer te gedenken en de ongerechtigheid te vergeven? Zou jij daar zelf om durven bidden?

Lees vers 12-15
Er is sprake van vertrouwdheid met God, maar ook van ontzag: Vertrouwelijk gaat de HEERE om met wie Hem vrezen. Wat overheerst bij jou: het vertrouwelijke van God of het ontzag voor Hem? Kun je daar meer over vertellen hoe dat uitwerkt in je kijk op God, in je gebed, in je vertrouwen op Hem?

Lees vers 16-22
Als God vertrouwelijk met degenen die Hem vrezen omgaat, waarom moet er dan nog gebeden worden om door God gezien te worden?
– Kun je een voorbeeld vertellen dat God naar je heeft omgezien?
– Wat doe je als je Gods aanwezigheid niet ervaart?
– Hoe vind je God dan weer terug?

Geloven in deze tijd

Geloven in deze tijd
Lezing Vrouwenbond Oosterwolde, 21 september 2016

Hartelijk dank voor de uitnodiging om hier te mogen spreken. Wanneer ik voor zulke gelegenheden uitgenodigd wordt om te spreken, wil ik graag ingaan op iets wat de aanwezigen, wat u bezighoudt. Toen ik  gevraagd werd, heb ik met iemand van het bestuur overlegd, wat er eventueel zou kunnen spelen en zijn we uitgekomen het thema: Geloven in deze tijd.
We zijn samen op dit thema uitgekomen, omdat het van ons samen de gedachte was, dat het niet eenvoudig is voor jongeren, voor kinderen om te geloven. En ik voeg daar aan toe: misschien voor uzelf ook wel. Ook al bent u nu nog in een kerkelijke omgeving, maar heeft u voor uzelf wel moeilijk om in deze tijd staande te blijven.

Ik wil met u eerst gaan kijken in wat voor een tijd wij leven en dan kijken welke manier van geloven, welke houding van ons gevraagd wordt. In wat voor een tijd leven wij?

Onzekerheid
Ik denk dat voor veel christenen het een tijd is van onzekerheid, omdat wat je zelf vroeger hebt geleerd niet meer zo vanzelfsprekend is. Wat je zelf geleerd hebt over de kerk, over God, over geloof en wat je hebt willen doorgeven wordt door je kinderen niet zomaar meer overgenomen. U ging twee keer mee naar de kerk, omdat uw ouders ook gingen, maar u ziet bij uw kinderen dat ze maar één keer gaan, of zo af en toe, of helemaal niet. U bent opgegroeid binnen een bepaalde kerk, maar de kinderen kunnen in een heel andere kerk zitten, waar de diensten er heel anders aan toegaan,  er andere opvattingen over de doop zijn, een andere manier van preken. Nu kunnen we ons afvragen of de verschillen tussen de kerken  in Oosterwolde of Oldebroek wel zo groot zijn.

Andere wereld
Als ze naar de middelbare school gaan, in Elburg, Wezep, Kampen, kan de overgang groter zijn, omdat ze dan in aanraking komen met jongeren die veel minder bij de kerk betrokken zijn en wanneer ze gaan doorleren en gaan studeren  en naar Zwolle gaan, of Groningen, Utrecht, Amsterdam, is de overgang helemaal groot. 
Ooit gaf ik enkele maanden catechisatie op Marken. De kinderen bleven tot hun 12e op het eiland, omdat er een christelijke basisschool was. Vanaf hun 12e gingen ze naar Monnickendam of Volendam en kwamen ze echt in een heel andere wereld terug en die overgang had ook effect voor hun band met de kerk: Het was niet makkelijk om ze met 13 jaar nog te interesseren voor kerk of geloof. 
Tegenwoordig hoef je niet meer een eiland of het dorp uit om met een heel andere wereld in aanraking te komen. Je hoeft alleen maar een computer of een mobieltje met internetverbinding te hebben: snapchat, instagram, facebook, twitter – met een verzamelnaam: social media. Uw zoon of dochter kan verkeren in een wereld, waar u geen zicht op hebt en misschien ook een wereld, die u helemaal niet kent. Dat kan onzekerheid met zich meebrengen: Wat krijgt mijn kind te zien, te horen, te lezen en welke invloed zal dat hebben op de band met God, met de kerk?

Keuze
Niets is meer vanzelfsprekend: 
Het is niet meer vanzelfsprekend dat ze in Oosterwolde blijven wonen, dat ze gaan trouwen, dat ze bij de kerk blijven, dat ze geloven. Daar kunnen ze voor kiezen, maar ze kunnen er ook voor kiezen om dat niet te doen. Ze kunnen hun eigen keuze maken; ze kunnen hun eigen leven uitstippelen. Dat kan iets bevrijdends hebben: Je hoeft geen boerderij meer over te nemen als je echt niet wilt. Ik heb wel boeren begraven, die liever iets anders geworden waren dan boer, maar er was geen andere keuze dan het overnemen van de boerderij. Ik heb vrouwen ontmoet die graag hadden willen doorleren, maar niet konden, omdat ze de zorg voor het gezin moesten overnemen, omdat een moeder jong overleed, of er geen geld was om door te leren. Als je nu een eigen keuze wilt maken, is die keuze vaak ook mogelijk.

Keuzedwang
Alleen we leven in een tijd, waarin die keuzes niet alleen mogelijk zijn, maar ook gemaakt moeten worden. Als je wilt doorleren, dan moet je een keuze maken voor een bepaalde richting: wil ik als meisje de zorg in, of kies ik een economische richting. Welke van de vele opleidingen past het beste bij mij? Die keuze is niet zo eenvoudig: Want wie helpt hen om de juiste keuze te maken? Mijn moeder kon mij nooit met mijn huiswerk helpen om de middelbare school, omdat ze maar enkele jaren huishoudschool had gedaan en mijn schoolwerk gewoon niet begreep. Mijn vader had wel gestudeerd, maar in een andere tijd. Voor de meeste jongeren is het toch voor een deel zelf de weg uit moeten zoeken, waarbij ze door onervarenheid ook de verkeerde keuze maken en blijkt halverwege een andere keuze nodig. Zo’n zoektocht en verandering kan soms best ingrijpend zijn voor de jongeren. Op veel terreinen moeten ze kiezen en steeds meer hebben ze daardoor de druk om hun eigen leven ‘vorm te geven’. Ze kunnen niet zomaar terugvallen op de keuzes die u gemaakt heeft.

Druk
U moet niet onderschatten hoe groot de druk is. Want het lijkt mooi: een grote keuzevrijheid  en voor bepaalde groepen is het ook een verademing dat die keuzevrijheid er is. Maar die keuzevrijheid heeft ook een schaduwkant: namelijk de gedachte dat je een verkeerde weg kunt inslaan: de verkeerde vervolgopleiding kiest, de verkeerde partner, de verkeerde baan.
Dat de druk om te kiezen toegenomen is, heeft ook als oorzaak dat de normen hoger geworden zijn: Vervolgopleiding is nu niet meer voor een beter inkomen, een hoger salaris, maar de keuze voor een studie, baan, partner, enz. moet bijdragen aan het geluk.  De suggestie wordt gewekt dat het geluk binnen handbereik ligt. Dat komt door de toegenomen welvaart  (hoewel dat juist voor jongeren weer onder druk staat) en de verbeterde gezondheidszorg.

Niet mogen falen
Omdat de suggestie is dat het geluk binnen handbereik ligt, mag je niet falen: je mag niet vastlopen in je studie,  je mag niet depressief zijn. Het beste is niet goed genoeg. Mijn dochter gaf aan dat op sommige tieners op instagram de mooie foto’s die ze gemaakt hadden en geplaatst hadden, na enkele uren weer weghaalden, omdat ze te weinig reacties hadden opgeleverd waardoor ze gingen twijfelen of de foto’s wel mooi gevonden worden. Dat leidt tot een enorme spagaat: de druk om het beste van jezelf te laten zien en tegelijkertijd niet falen, niet tekort mogen schieten. Als het misgaat, hakt dat er enorm in. Het zou kunnen zijn, dat de jongeren van tegenwoordig minder weerbaar zijn en sneller van slag zijn bij een tegenslag, maar dat doet geen recht aan de complexiteit waarin jongeren zich bevinden. Ze moeten veel ballen in de lucht houden en in veel werelden actief meedoen.

Verschillende werelden
Tieners, twintigers en dertigers leven ieder persoonlijk in verschillende werelden. Ook dat heeft te maken met het moeten uitstippelen van de eigen levensweg. Er is niemand met wie ze al die verschillende werelden delen. Ze hebben de wereld van thuis, van school, vriendengroep, van games, social media, werk. 
In al die werelden kunnen ze een ander zijn. Op school kan iemand een grijze muis zijn, maar als gamer iemand die in een bepaalde game aan de top meedoet. Op school kan iemand een stille zijn, die nauwelijks buitenkomt, maar zeer actief op social media. Iemand kan in een heel degelijk gelovig gezin opgroeien, maar op school in een wereld terecht komen met medeleerlingen, medestudenten, die nauwelijks meer iets weten over geloof. Thuis een traditioneel gezin, waarin er geen tv is, of soms zelfs geen computer, maar op school of in de bibliotheek actief op internet. Jongeren kunnen vaak makkelijk schakelen tussen de verschillende werelden.
Dat leven in die verschillende werelden heeft iets positiefs en iets negatiefs: Het positieve is dat iemand in een nieuwe wereld een hele nieuwe kans heeft om zichzelf te ontwikkelen, zonder belemmerd te worden door het beeld dat anderen van hem of haar hadden in de kindertijd. Verlegen kinderen hebben door social media de gelegenheid om vriendschappen aan te gaan en te onderhouden en kunnen daardoor meer vrienden hebben dan ze zouden hebben zonder social media. Nadeel: dat niemand al die werelden kent. Soms werkt ook een akkefietje in de ene wereld door in de andere wereld(en): het pesten op school kan doorgaan op sociaal media, waardoor die wereld ook niet meer een veilige wereld is waarin ze zich kunnen terugtrekken.

Afhaken
Het gevaar kan zijn dat de kerk en de wereld van het geloof 
een wereld is die helemaal los komt te staan van de andere werelden waarin jongeren zich verkeren. Wat er in de kerk gebeurt in de kerkdienst, tijdens catechisatie, de clubs, dat heeft bijna geen betekenis voor de andere werelden. Dan haken jongeren af met 16 jaar of soms nog eerder: gaan ze niet meer naar de kerkdienst, naar catechisatie, naar de clubs. Ze zijn niet persé onverschillig, maar het geloof en de kerk heeft geen betekenis voor hen en ze kunnen er zonder, zonder dat ze voor hun gevoel echt iets missen.


Dit is een uitgebreide weergave van deze tijd:  
verschillende werelden, waarin iedereen zich bevindt, het eigen leven moeten uitstippelen, grote druk, omdat je dat leven moet uitstippelen, maar niet mag falen en weinig mensen om je heen die je kunnen bijstaan en helpen.
Wat betekent dan geloof in deze tijd? Wat kunnen wij voor elkaar betekenen? Wat kan de geloofsgemeenschap betekenen voor de tieners, twintigers, dertigers van nu? Is het een hopeloze zaak en kunnen we alleen maar hopen dat alles niet ineenstort? Of moeten we ons terugtrekken en alleen maar richten op diegenen die wel trouw blijven aan de kerk en aan het geloof?

Geen hopeloze zaak
Geloven in deze tijd is geen hopeloze zaak. Allereerst niet omdat God regeert. Ook in deze tijd. Dat is niet altijd makkelijk te zien, zeker niet als we om ons heen zien  dat de kerk en de manier van geloven die voor ons vertrouwd is onder druk staat of op bepaalde plekken helemaal dreigt te verdwijnen. Aan de gemeente van Korinthe schrijft Paulus:

Want Hij zegt: In de tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord, en op de dag van het heil heb Ik U geholpen. Zie, nu is het de tijd van het welbehagen, zie, nu is het de dag van het heil! (2 Korinthe 6:2)

Ook deze tijd is een tijd waarin de Heere werkt. 
Daarom is deze tijd niet hopeloos.

Authentiek geloof
Er is een tijd waarin nieuwe kansen ontstaan, ook voor de kerk en voor het geloof. 
Wat deze tijd van verschillende werelden tegelijkertijd,  de dwang het eigen leven te moeten vormgeven, de grote druk vraagt is een authentiek leven en een authentiek geloof. Een geloof dat oprecht is en dat jezelf in je opstelling, in je antwoorden en belangstelling oprecht bent en dat ook de kerk authentiek is.
Als je geloof eerlijk en oprecht is, hoef je je daarvoor niet te schamen en mag je dat uitdragen op een manier die bij je past. Dat hoeft geen geloof te zijn waarin alle vragen en twijfels overwonnen zijn. Integendeel, het kan juist helpen als anderen zien en merken dat u ook uw twijfels hebt en toch vasthoudt aan een leven met de Heere God.

Oprechte belangstelling
Een authentiek geloof kijkt niet neer op iemand die nog niet zo ver is, maar staat er naast: vanuit oprechte belangstelling voor de ander, betrokken op de ander, maar ook oprecht onbevreesd:  durven meeleven, vragen durven stellen,  nieuwsgierig  naar wie de ander is en hoe de ander doet.
Het valt mij vaak op aan ouders van wie de kinderen niet meer naar de kerk gaan dat het gesprek over geloof en de kerk stilvalt: ‘We kunnen er niet meer over praten.’ Maar dan zijn er toch nog andere onderwerpen waarover je kunt praten: Is je kind gelukkig, hoe houdt hij of zij het vol, waar krijgen ze kracht door, waar worden ze enthousiast van, wat geeft hen moed? En durf je deze onderwerpen zelf ook te delen met je kinderen, niet in perfecte antwoorden. Laat maar doorschemeren dat je zelf ook moet zoeken. Want als je overal een antwoord op hebt en als je geen twijfel hebt en alles zo zeker weet,
leg je de lat voor anderen hoog: een geloof zonder twijfel zullen zij niet snel bereiken.

Vanzelfsprekendheid
Wat het lastige is aan een authentiek geloof 
is dat de meesten van u niet op die manier opgevoed zijn. Over geloof werd nauwelijks gepraat. Daar waren vooral vaste vormen voor:  kerkgang, catechisatie, bidden voor en na het eten (en dan vaak niet hardop), zondag was een andere dag dan de andere dagen. Er werd vaak geen uitleg gegeven over waarom de dingen zo gebeurden. Waarom zat de kerkdienst op deze manier in elkaar. Waarom werden er in de kerk alleen maar psalmen gezongen. Hoe je moest bidden, hoe je de Heere Jezus kon vinden, op welke manier je steun en kracht uit het geloof putte. Er was een bepaalde vanzelfsprekendheid van het geloof, waardoor het idee was dat uitleg over het waarom van de dingen niet nodig was. Dat gebeurde gewoon zo. Heel veel van die gewoonten spreken niet meer aan en worden daarom niet meer in praktijk gebracht. Het geloof kan echter niet zonder bepaalde goede gewoonten. Als er geen vaste tijden zijn voor Bijbel lezen en gebed gebeurt dat als je er aan toe bent, maar wanneer ben je er aan toe en wanneer heb je er tijd voor?

Aan zichzelf te wijten
De kerk heeft het ook wel aan zichzelf te wijten dat zulke vormen niet meer werken. Als er geen uitleg komt over waarom de dingen zo gedaan worden, worden het lege vormen, die een kooi worden in plaats van een bescherming voor het leven met de Heere. Als de kerk niet de harten van de mensen weet te vinden door preken die te moeilijk zijn, is het geen wonder dat een nieuwe generatie het ergens anders zoekt: buiten de kerk of in een andere kerk.
Ik vraag dat wel eens na bij de zestigers van nu: Hoe was dat samen te rijmen: op zaterdag de liederen van Johannes de Heer bij het orgel en op zondag alleen maar de psalmen statig op hele noten? Dat werd toen niet als tegenstelling ervaren. Zo deed men gewoon. Nu zou men gaan denken: als het op zaterdag kan, waarom niet op zondag? Waarom alleen maar psalmen, die vaak nogal moeilijk zijn en niet liederen die dichter bij het hart liggen. Als we in Oldebroek liederen uit de bundel van Johannes de Heer zingen, worden die uit volle borst gezongen, meer dan bij de meeste psalmen. 
Dat is overigens niet alleen van vroeger of van traditionele kerken. Ik kom dat zelf ook tegen. Afgelopen zondag in de consistorie vertelde een ouderling dat zijn zoon liever naar YouthAlpha gaat dan naar een kerkdienst. Daarop zei ik tegen deze ouderling:  Dan doen we als kerk iets niet goed. Probeer met hem eens te achterhalen wat hem in die YouthAlpha aanspreekt en wat kunnen we daarvan in de kerkdienst terug laten komen.

Luisteren
Daarmee zijn we bij een volgende belangrijk punt van geloven in deze tijd: 
dat er oog is voor hoe de mensen in deze tijd iets beleven. Niet meer een kerkleiding die weet hoe het zit en de lijnen uitstippelt en alleen maar zegt: zo hoort het.
Maar een kerk die bereid is om te luisteren, ook naar stemmen die iets anders beleven, een andere mening hebben. Niet om daarmee in discussie te gaan, maar uit oprechte belangstelling en interesse: Wat is jouw gedachte en hoe ben je daartoe gekomen? Vertel maar, ik luister naar je. Ik kom er steeds meer achter hoe belangrijk het is  dat mensen zich kunnen uitspreken, dat eigen visie naar voren kunnen brengen, zonder dat die van tafel wordt geveegd, maar vooral ook dat ze over zichzelf kunnen vertellen. Pastoraat wordt in toenemende mate belangrijker. En dan niet van die bezoekjes waarbij ik als predikant even binnenkom en na 10 minuten al mijn Bijbeltje pak om iets te lezen en afsluit met gebed en daarna weg, maar een open houding, luisterend naar het levensverhaal van de ander. ‘Tevoorschijn luisteren’ (Margriet van der Kooi)

Levensverhalen
Het leven van de ander doet ertoe en is de moeite waard om verteld te worden: living human documents .
Omgekeerd doet uw leven en uw biografie er ook toe. De jonge generatie is vaak benieuwd naar wie de ander is, wat iemand heeft meegemaakt, hoe iemand daardoor is gevormd. In verzorgingstehuizen wordt nogal eens het project levensboek uitgevoerd: Iemand die uitvoerig over zijn of haar leven wordt geïnterviewd. Daar wordt een boek van gemaakt, inclusief foto;s. Vaak waardevolle boeken: je komt erachter wie iemand is, wat iemand heeft doorgemaakt, hoe iemand geworden is, zoals hij of zij is. Vol levenswijsheid.  Wanneer iemand authentiek is en echt wijs en verstandig is, wil de jonge generatie daar vaak van leren. De jonge generatie zit echt te springen om van die levenswijsheid te leren. Dan niet in de vorm van geboden: dit moet je doen, dat mag je niet doen, maar in de vorm van verhalen: Dit heb ik meegemaakt, dit heeft me gevormd. En daardoor heen wevend hoe God aanwezig was, of juist niet.

Gemeenschap 
Dat brengt me ook bij een volgende punt: de relatie, de gemeenschap. In deze tijd is de gemeenschap van groot belang. En dan niet in de vorm dat de gemeenschap bepaalt wie iemand is, maar dat er in die gemeenschap een plek is waar om jou gegeven wordt: Het doet er toe dat je er bent, je wordt gezien, je naam is bekend, er is belangstelling voor je en je wordt gemist als je er niet bent. Als kerk moeten we meer onze best doen voor dit soort gemeenschap. In deze omgeving vind ik trouwens veel indrukwekkende vormen van meeleven. Ik probeer dat zelf ook steeds meer te doen: Een felicitatie als iemand jarig is, even langsgaan bij een overlijden, een berichtje via facebook, even een vraag bij het schoolhek. Het winterwerk starten we daarom met een bbq bij ons in de tuin en bij de catechisaties is er gelegenheid om daarna een kwartier met elkaar wat anders te doen: wat drinken, tafelvoetbal, een gezellig praatje: even vragen hoe het op school was, op voetbal, een plagerijtje.

Inwijding
Wat ook van belang in deze tijd is, is inwijding (vertrouwd maken). Uitleg geven over waarom we iets doen,  de nieuwe generatie helpen bij het bidden, het aanleren van liederen, leren hoe ze de Bijbel kunnen lezen, wat ze met hun geloof kunnen in hun dagelijks leven.
Inwijding is ook vertrouwd maken door iets te doenAls gezin proberen we onze kinderen met de doop vertrouwd te maken door de doopdag van de kinderen te houden, elk jaar opnieuw. Door van Kerst en Pasen echt een feest te maken en daarbij duidelijk te maken wat het met Christus te maken heeft. De christelijke feesten moeten echt beleefd worden. Beleving en emotie – ze kunnen goed gebruikt dienstbaar zijn aan de geloofsoverdracht. Diensten moeten zo persoonlijk mogelijk gemaakt worden en zeker bijzondere diensten als doop-, avondmaals- en huwelijksdiensten. Het wordt in deze tijd steeds belangrijker om Bijbelverhalen na te spelen of af te beelden,
zodat er een beeld bij te vormen is.

Gods aanwezigheid
Tot nu toe heb ik vooral ingezoomd op vormen, op de praktijk. 
Tot slot nog iets over de inhoud van het geloof. Ik denk dat het steeds meer van belang is om zicht te hebben
op welke manier de Heere nu, in het heden aanwezig is: tijdens de kerkdienst, tijdens het avondmaal, in gesprekken onderling,  in de schepping, in de dingen die gebeuren.
Hiervoor ben ik predikant geweest van twee kleine gemeenten in Noord-Holland. Ik heb die tijd niet altijd even makkelijk gevonden en heb me vaak afgevraagd of God nog wel werkte. Tot ik een verhaal hoorde over een priester uit de communistische Sowjetunie:
Deze priester ging elke zondag naar de kerk, alleen. Er kwamen geen kerkgangers. De priester werd erom uitgelachen: hoe houd je het vol om alleen in de kerk te zijn. Het antwoord van de priester: Ik ben niet alleen, maar God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn aanwezig, samen met alle engelen voor Gods troon. Iedere kerkganger zal die vreugde alleen maar meer doen toenemen.
We moeten oog ervoor krijgen dat de Heere vaak via hele gewone, onopvallende dingen werkt: de zon die opkomt, mensen die naar de kerk komen, iemand die groeit in geloof, iemand die zich opgeeft voor belijdenis, iemand die in een tijd van ziekte de kracht vindt om dit kruis te dragen. Ik heb moeten leren om te letten op deze tekenen van Gods werkzaamheid. Sinds ik dat kan zien, ben ik ook veel ontspannender in mijn geloven en kan ik meer uit vertrouwen leven: God zorgt echt wel voor deze wereld.

Verborgenheid of afwezigheid
Tegelijkertijd is het goed om oog ervoor te hebben 
dat God niet altijd vanzelfsprekend aanwezig is. De Heere kan afwezig zijn of zich verbergen en Hij kan op een pijnlijke manier gemist worden. Het is van belang om – net als in de psalmen – de klacht over Gods afwezigheid bij de Heere zelf te brengen. 
Dat vraagt om volharding. Meer dan voorheen is volharding van groot belang:  volhouden in het geloven, in het gebed, het bidden, ook als je geen direct resultaat ziet, niet ontmoedigd worden, maar hoop houden.

Kruis
Nog een laatste thema: het kruis op Golgotha en het lege graf. Steeds meer kom ik erachter, hoe belangrijk het is om dat kruis op Golgotha door te geven als een levende werkelijkheid, niet als iets dat ooit in het verleden gebeurde alleen,  maar als iets dat nog steeds tot ons spreekt: het spreken van het kruis. (avondmaal, liederen van Johannes de Heer) Het is voor de kerk van nu, voor de jongeren van nu van belang om te laten zien hoe dat kruis op Golgotha betekenis heeft voor ons vandaag met onze wereld, onze werkelijkheid.
Bram van de Beek, hoogleraar theologie, verbleef in Zuid-Afrika en liep dagelijks van de plek waar hij verbleef naar de universiteit langs de sloppenwijken. Daardoor ontdekte hij, dat Christus God was die op aarde kwam om in onze misère en ellende af te dalen. God maakt vuile handen om ons te reinigen, te redden van een verloren bestaan.
Jan Muis, mijn hoogleraar dogmatiek, vertelde 15 jaar geleden kort na de aanslagen van 11 september hoe die aanslagen in verband gebracht kunnen worden met God: In een van de gebouwen die was neergestort werd door de afgebroken constructie een kruis gevormd, helemaal onbedoeld en ook niet opvallend: een herinnering van Christus, die ons laat weten: Ik ben afgedaald in het rijk van de dood, tot in de hel. Hij is opgestaan, en is de Levende.
Hij leeft niet alleen in de verhalen die verteld worden, maar leeft nu en omdat Hij leeft, kunnen wij leven. Omdat Hij leeft is ons leven nooit meer zinloos, nooit zonder doel, nooit zonder hoop. Omdat Hij leeft, kunnen wij geloven. Hij is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid. We beginnen elke kerkdienst met die machtige belijdenis:
Onze hulp is in de naam van de Heere,  Die hemel en aarde gemaakt heeft
Die trouw houdt en eeuwig leeft
en niet prijsgeeft wat Zijn hand begon.

Lezing Vrouwenbond Oosterwolde, 21 september 2016







Preek zondagmorgen 18 september 2016

Preek zondagmorgen 18 september 2016
Opening winterwerk
Schriftlezing: Exodus 17:8-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Je zou het moeten zien, hoe het volk daar is in Rafidim:
het uitgebreide kamp met al die tenten die zijn opgezet.
In de verte kunnen ze de berg Sinaï al zien liggen
en die berg Sinaï is de plek waar ze naar onderweg zijn.
Daar, bij de Sinaï moeten ze zijn, want dat is de berg waar de Heere God woont.
Daar bij die berg kunnen ze Hem ontmoeten,
daar zal Hij zijn en zal Hij bij hen komen en met hen meegaan
naar het land, dat Hij heeft beloofd aan Abraham, Izaak en Jakob.
Nog maar even en ze zijn bij die berg en kunnen ze God ontmoeten,
de God die hen uit Egypte bevrijd heeft.
Ze zijn nu op de laatste rustplaats vóór ze bij die bijzondere plek komen.

Ook de plek waar ze nu zijn, is een bijzondere plek: Rafidim!
Weten jullie waarom Rafidim een bijzondere plek voor het volk is?
Er is daar een waterstroom, een beek die uit de berg komt.
Die beek, die waterstroom was er nog niet toen het volk er aankwam.
Er was helemaal geen water en de Israëlieten hadden zo’n dorst
dat ze vol boosheid naar Mozes toegingen:
‘Geef ons water, want zo kunnen wij niet leven.
Is dat je plan geweest, Mozes, om ons uit Egypte te halen
om ons hier naar de dood te brengen, om ons te laten sterven?
Goed, in Egypte hadden we het slecht, maar konden we tenminste leven.
Nu hebben we vrijheid, maar we kunnen niet verder leven door deze dorst!
En God, waarom laat Hij niet zien dat Hij voor ons kan zorgen?’
Rafidim – dat is een plek waar het volk mopperde op God, ontevreden was over God.

De Heere hoorde die ontevredenheid en gaf Mozes een opdracht:
Pak je staf en sla ermee op de rots en er zal water komen.
Dat is het wonder van Rafidim – God geeft water op een plek waar geen water is.
Het volk hoeft geen dorst te leiden, omdat de Heere water geeft.
God zorgt – ondanks de ontevredenheid die er bij het volk was.

Op die plek zijn ze – die bijzondere plek waar God water geeft op een bijzondere manier,
een bijzondere plek, omdat ze vlak bij de Sinaï zijn, de berg van God.
En dan gebeurt er iets: een aanval!
Een groep mensen die in de woestijn wonen en de woestijn kennen
heeft gemerkt dat er een groot volk door de woestijn is gekomen
en heel onverwacht en zonder dat er aanleiding is hebben ze aangevallen.
Wat er precies gebeurt, is niet duidelijk, maar het lijkt erop dat het een laffe aanval is.
Het volk Israël, dat niet berekend is op een gevecht , wordt aangevallen.
Er is niemand aangewezen die voor de verdediging moet zorgen.
Dat moet allemaal nog geregeld worden
en het volk Israël is helemaal gericht op de Sinaï.
Het laffe van deze aanval is niet alleen dat het een onverwachte aanval is
op een volk dat er niet op berekend is om te vechten,
maar het laffe is ook dat de Amalekieten aanvallen,
vlak voordat het volk bij de Sinaï is.
Een aanval die er op gericht is om het volk bij de Sinaï weg wil houden:
Israël mag niet bij de berg komen, omdat ze God niet mogen ontmoeten.
Daarom is de aanval van de Amalekieten in herinnering gebleven.
Deze aanval van de Amalekieten heeft iets
van wat het Nieuwe Testament vertelt over de aanvallen van de duivel:
die aanvallen zijn erop gericht om je bij God weg te houden.

Wat heeft Mozes om terug te vechten tegen de Amalekieten
terwijl ze daar eigenlijk niet op voorbereid zijn?
Wat Israël kan helpen is: bidden en vechten.
Dat vechten mag Jozua doen.
Jozua wordt door Mozes geroepen
en krijgt de opdracht mee: Verzamel een aantal mannen en val de Amalekieten aan.
Terwijl Jozua gaat vechten, gaat Mozes een berg op om daar te bidden.
Deze staf heeft hij eerder gebruikt:
om op de rotsen te slaan
en nog eerder om een pad te maken door de zee, waardoor het volk kon gaan.
Bovenop de berg ging Mozes staan en deed zijn arm omhoog.
Dat kan een gebaar van gebed zijn geweest, naar God toe
of een gebaar van zegen: Israël, de kracht van God is voor jullie.
Het kan ook een gebaar zijn, dat voor de Israëlieten een teken is:
De hand van Mozes geeft aan, dat God zelf voor ons strijdt.
We hoeven niet bang te zijn, er is Iemand die ons helpt.
Zolang de hand omhoog was, zag je dat de Israëlieten beter werden in de strijd
en zag je dat ze de Amalekieten wisten terug te dringen.
Maar Mozes’ arm werd moe en hij liet zijn arm zakken
en toen ging het andersom: de Israëlieten moesten achteruit
en de Amalekieten werden steeds sterker.
Er waren twee mannen bij Mozes: zijn broer Aäron en een ander: Hur.
Zij zorgden ervoor dat Mozes kon gaan zitten
en hielden allebei zijn armen omhoog, zodat Mozes’ armen werden gesteund.
Zo bleef de arm van Mozes omhoog, de hele dag door, totdat de zon onderging.
Zolang de arm van Mozes omhoog bleef,
waren de Israëlieten, die bij Jozua waren, sterker dan hun vijand.
Zo werd het volk Amalek verslagen: door de strijd van Jozua,
maar ook door wat Mozes deed: zijn arm omhoog,
een gebaar van overwinning, zegen, gebed.

Toen de strijd voorbij was, zei de Heere tegen Mozes:
Mozes, dit moet je voor iedereen opschrijven.
Nooit zul je meer iets over Amalek te horen krijgen.
Daarmee gaat het om wat Amalek heeft gedaan: Amalek gunde het niet
dat Israël over een korte tijd God zou ontmoeten bij de berg Sinaï.
Mozes en Israël, wie jullie bij Mij weghoudt, blijft niet overeind staan,
maar zal uiteindelijk verliezen.
Als je moet strijden, moet vechten, dan zul je winnen
Als je je kracht bij Mij zoekt – dat zegt de Heere tegen Israël.

Vandaag is het startzondag, opening winterwerk.
Vanaf volgende week beginnen de clubs weer, de bijbelkringen
een week later de catechisaties.
We horen dit verhaal van het volk Israël, van Amalek, van Mozes en Jozua.
Wat heeft dit verhaal voor ons te betekenen?
Ik kijk even naar de kinderen: wanneer moeten jullie vechten?
En dan bedoel ik niet vechten op het plein, thuis of op straat omdat je ruzie hebt.
Maar vechten, omdat je aangevallen wordt,
omdat er iemand of iets is die niet wil dat je naar de Heere God toe gaat?
Bijvoorbeeld bij het bidden – het lukt niet, omdat je gedachten afgeleid worden.
Kun je dat vergelijken met zo’n aanval als de Israëlieten hadden?
Of je wilt geloven, maar je hoort in jezelf steeds een stem: Dat is niet voor jou.
Dat is voor anderen, die beter zijn dan jij.
Ook dat kan een aanval zijn, omdat het je niet gegund wordt, dat je bij God bent.
Of je denkt bij jezelf: ik heb helemaal geen geloof nodig. Ik red me prima zonder God.
Ook dat kan zo’n aanval zijn.
Zo wat voorbeelden, waarmee ik wil proberen om te laten zien
Dat ook jullie aangevallen kunnen worden.
En ik hoop dat je dan net als Mozes en Jozua doet:
Aan de ene kant terugvechten:
tegen die gedachten waardoor je er met je hoofd niet bij bent bij het bidden,
tegen die stem in jou, die zegt: Jij hoort niet bij God, het is niet voor jou.
tegen die gedachte: ik kan best zonder God.
Maar dat je ook doet, net als Mozes: bij wijze van spreken de arm omhoog:
Heere, ik verwacht uw hulp.
Heere, ik vecht, maar ik kan de strijd niet aan. Zonder Uw hulp verlies ik. Heere, help!
Wilt U voor mij vechten en die vijand verslaan? Want anders verlies ik.
Het kan best zijn, dat je bidden opgeeft. Misschien maar voor even,
omdat je moe wordt, of omdat je bij jezelf denkt: Het helpt toch niet.
Kijk dan om je heen: naar je vader en je moeder, naar de mensen die hier in de kerk zijn,
naar de clubleiding.
Zij zijn net als Aäron en Hur – zij helpen je, zodat jij volhoudt om te bidden.
Zij steunen je armen, zodat je het volhoudt en zodat je met Gods kracht kunt winnen.
Je ouders, de clubleiding, de ouderlingen en diakenen en alle andere mensen in de kerk:
ze zijn net als Mozes.
Terwijl jij aangevallen wordt, wordt er voor jou gebeden.
Ook al zie je dat misschien niet.
Er zijn mensen die voor jou bidden, die je misschien helemaal niet kent.
Er zijn mensen die thuis voor je bidden,
misschien wel hele oude mensen die niet meer in de kerk komen,
maar die aan jullie denken en voelen: ik moet voor de kinderen, de jongeren bidden.
We bidden in de kerk, voor dat een vergadering begint, voordat een clubavond begint.
Er zijn in de kerk verschillende gebedskringen: op maandag en op woensdag.
Er wordt voor jou gebeden.
Als je aangevallen wordt, denk daar dan aan: Ik ben niet alleen, maar zovelen die voor mij bidden en de grote God, die sterker is dan wie ook – Hij strijdt voor mij.

Ik kijk ook even naar de clubleiding, naar degenen die catechese geven,
zondagsschool of kindernevendienst verzorgen, een Bijbelkring leiden.
jullie mogen het de kinderen, de tieners voorhouden: de echte strijd is al gestreden
en Christus heeft de overwinning behaalt.
Op club mogen jullie aan de kinderen, de tieners voorleven.

Of het kan zijn dat je zelf aangevallen wordt, waardoor de weg naar God geblokkeerd raakt.
Dat kan de onverschilligheid zijn,
die je soms merkt in de gemeente, bij medeclubleiders misschien wel
waardoor jezelf moedeloos wordt.
Dat kan je eigen twijfel zijn: ik doe dit, maar kan ik dit eigenlijk wel?
Of het gebrek aan resultaat: wat heeft het voor een zin dat ik dit doe?
Of misschien wel je eigen drukte. Zoveel dat je aandacht vraagt.
Allemaal venijnige aanvallen – en je kunt je zo weerloos voelen.
Zo wat voorbeelden, waarmee ik wil proberen om te laten zien
Dat ook jullie aangevallen kunnen worden.
En ik hoop dat je dan net als Mozes en Jozua doet:
Aan de ene kant terugvechten:
Die moedeloosheid moet mij niet gaan overheersen, want dan word ik zelf onverschillig.
Die twijfel moet niet te sterk worden, want wil ik niets liever dan stoppen als leid(st)er.
Dat gebrek aan resultaat – kan ik niet meer vertrouwen dat God ook mijn werk zegent?
Ook voor jullie geldt – hef je arm omhoog:
Een teken van gebed, van zegen voor jouzelf en wat je doet (ook in die strijd),
een teken dat de overwinning in Gods hand ligt.
Wat er ook gebeurt, niets is sterker dan Hij, niets is tegen Hem opgewassen.
Ik verwacht het in alles van Hem – in Zijn kracht.
In Hem zijn we meer dan overwinnaars.
Als we aangevallen worden, mogen we weten: de echte strijd is al gestreden
en Christus heeft de overwinning behaalt.
En mocht je toch de moed verliezen: kijk om je heen en zie de mensen
die als een Mozes voor jou bidden,
of als een Aäron en een Hur zijn, die jou steunen in het gebed,
zodat je vol blijft houden in de strijd en ook in het gebed.
Zodat je mag weten: Zoals het de HEERE was, die tegen Amalek strijdt,
zo zal Hij voor mij strijden. Hij heeft dat belooft: Elke generatie opnieuw. Amen

Neemt het respect voor de predikant af?

Neemt het respect voor de predikant af?

Op zijn blog plaatst collega K. van der Geest een hartenkreet: in de kerken ontbreekt steeds meer het respect voor de predikant. Terwijl de predikant steeds meer doet aan nascholing en reflectie, vindt er door de gemeenten een haast persoonlijke afrekening plaats. Dat gebeurt doordat gemeenteleden de overstap naar andere gemeenten maken of door losmaking van predikanten als de samenwerking niet meer werkt. In het blog geeft Van der Geest een aantal voorbeelden van de pijn die er onder predikanten leeft weer.

Zonder de pijn aan de kant te willen schuiven, wil ik aangeven dat er meer te zeggen valt dan het steeds meer ontbrekende respect voor predikanten. Die hartenkreet is heel serieus te nemen. Door collega’s binnen en buiten ‘zijn’ kerk, door landelijke kerk(en) en gemeenten.  Die pijn wil ik zelf heel serieus nemen en is op bepaalde punten ook wel herkenbaar. Toch zou ik willen aangeven dat het goed voor een predikant en voor de samenwerking in een gemeente kan zijn om te om te kijken waar die pijn vandaan komt en hoe die pijn veroorzaakt wordt. Zowel pijn, als het toewijzen van schuld en het aangeven dat respect ontbreekt kunnen een belemmering vormen om te kijken naar wat er in de communicatie tussen predikant en gemeente gebeurt. Sterker nog: zolang die pijn niet goed geanalyseerd is, zal de communicatie tussen predikant en gemeente daardoor vertroebeld worden en zullen ze nog meer uit elkaar groeien. Mijn eigen ervaring is dat het mogelijk is om door een intensieve reflectie op wat er innerlijk bij iemand in de communicatie gebeurt en intense reflectie op hoe er in de communicatie wordt gereageerd helpend en helend zijn in het werk in de gemeente.

In vaktermen gesproken: het gaat hier om congruentie en om het verschil tussen inhoud en betrekking in de communicatie:
* Congruentie: Kun je als predikant waarnemen wat er gebeurt als er iemand iets tegen je zegt of aan je schrijft? Heb je van jezelf helder dat het gebeurt en waar die emotie vandaan komt en waar die emotie voor staat?
* Inhoud en betrekking: in de communicatie gaat het er niet alleen om wat er inhoudelijk wordt gereageerd, maar ook om de relatie. Men denkt op de inhoud te reageren, maar reageert onbewust op wat er in de relatie gebeurt. Men reageert op de inhoud, omdat die gehoord wordt, maar heeft niet helder dat de inhoud niet persé datgene is wat gecommuniceerd wil worden.

Ik ga op de voorbeelden in, maar zie die als casussen. Mijn reactie moet niet als een reactie op de personen die in de voorbeelden aan de orde komen, maar als mogelijke alternatieven in deze casus.

Het blog begint met een meisje van 18 jaar, dat haar predikant mailt door hem met de voornaam aan te schrijven: ‘Hoihoi, ik wil even iets aan je vragen, Klaas!’ Hij geeft aan, dat hij dat niet prettig vindt, omdat hij hierin respect voor zijn leeftijd en voor zijn ambt opmerkt. Dat kan. Maar dat is niet de enige mogelijke reactie. Hij had het ook fijn kunnen vinden, dat hij voor een meisje van 18 ondanks zijn leeftijd benaderbaar is. Dat ze dat doet op een manier waarop hij dat zelf op die leeftijd niet zou doen, kan hij door de vingers zien. Hij kan het ook fascinerend vinden: zo wordt er dus gecommuniceerd door jongeren.
De mail valt echter verkeerd. Dat is op zich niet zo problematisch. Dat gebeurt heel vaak in de communicatie. Een echtelijke ruzie kan ontstaan, doordat een opmerking – onverwacht vaak – verkeerd valt. In dit voorbeeld is de betrekking voor het meisje dusdanig dat zij aan haar predikant een vraag durft te stellen en dat doet op de manier waarop zij dat gewend is te doen.
Er kan een reden zijn, waarom deze predikant in dit voorbeeld zich respectloos behandeld voelt. Het behoort tot de professie van de predikant om te achterhalen, waarom hij in deze situatie op deze manier reageert.
Dat begint met de waarneming van het gevoel en de emotie die deze vraag oproept. Heeft hij helder dat hij geprikkeld is over de manier waarop de vraag is gesteld? Zo niet, dan zal de irritatie mogelijk in het antwoord doorwerken. Of hij steeds een neutraal antwoord, maar bouwt in zichzelf wel een irritatie op die in een volgende situatie mee gaat spelen.
Als hij helder heeft, welk gevoel de vraag oproept, kan hij besluiten of hij dat teruggeeft, of dat hij dat gevoel voor lief neemt en de vraag als zodanig belangrijker vindt dan het gevoel dat het oproept. In dit geval reageert de predikant door de mail te ondertekenen met: ds. X. Voor hem is het duidelijk dat hij heeft aangegeven: ik sta er op om met mijn titel en achternaam aangeschreven te worden, ook als het communicatiemedium van de mail wat laagdrempeliger is. Het is de vraag of de catechisant dit signaal oppikt, omdat de predikant zijn gedachten niet onder woorden brengt, maar verpakt en veronderstelt dat die ander dit signaal oppikt. Dat is het lastige in de communicatie: impliciete boodschappen zijn voor de zender duidelijk, maar voor de ontvanger niet omdat dit signaal verpakt is. De frustratie bouwt bij de zender op, omdat hij duidelijk denkt te zijn in zijn signaal en de ontvanger blijft onwetend over de toenemende frustratie.
Hierbij gaat het om de congruentie in de communicatie: geeft de predikant een reactie die congruent is aan zijn innerlijk gevoel.

De waarneming van het gevoel kan worden aangevuld met verdere reflectie: Wat is de reden waarom deze predikant met zijn titel en achternaam aangesproken of aangeschreven wordt. En is het bij degenen die op hem reageren duidelijk dat hij zo aangesproken wil worden. (In het geval is het fascinerend dat het voorbeeld staat op een blog dat de voornaam van de predikant draagt en ook nog eens niet het officiële ds, maar pastor.)
Daarnaast kan het zinnig zijn, om in de eigen biografie na te gaan, waar deze emotionele reactie vandaan komt. Dat kan van alles zijn: lastig vinden om familiair aangesproken te worden, voorvallen waarbij in een familiaire communicatie een innerlijke schade werd aangericht, de frustratie over een autoritair patroon in vroeger tijd, enz. Nogmaals: dat kan zo zijn. Het is van belang, om te beseffen dat de gehele eigen geschiedenis opeens in een klein voorval onbewust kan opspelen, zonder dat de zender of ontvanger dat weten. Er wordt dan niet alleen gereageerd in de huidige communicatie, maar het verleden aan voorvallen speelt op, speelt mee. Het is de kunst om in de communicatie dat verleden niet onbewust te laten mee te spelen, maar bewust te zijn van die pijnpunten. Hoe meer bewustwording, des te meer kan iemand in het ‘nu’ van de communicatie zijn. En hoe minder helderheid over de manier van communiceren en reageren, des te meer miscommunicatie.
In het voorbeeld kan het dus zo zijn, dat de predikant een kribbige mail terugschrijft. Het meisje ontvangt verbaast die kribbige reactie en deelt dat met de ouders. De ouders vertellen in de gemeenschap, dat de predikant zo’n reactie heeft gegeven en zien weer een bevestiging in wat zij al vinden, namelijk dat de predikant niet goed is in communicatie en niet goed is in jongeren. Door die bevestiging van het (voor)oordeel neemt het vertrouwen in deze predikant nog meer af. (Gelukkig zijn er nog talloze manieren om het misverstand recht te zetten: tijdens belijdeniscatechisatie ontdekt dit meisje dat haar predikant zich veel positiever opstelt, de ouders maken de predikant mee tijdens een pastoraal gesprek, enz.)

Pijn
Het blog gaat over predikanten die losgemaakt worden. Losmaking is aan de orde wanneer de samengaan van predikant en gemeente niet meer vruchtbaar is. Aan losmaking gaat een pijnlijk proces vooraf. Die pijn is vaak na de losmaking niet voorbij, maar kan toenemen. Bijvoorbeeld in de vorm van rouw over een roeping die niet goed ingevuld kon worden. Van der Geest wil aandacht vragen voor de pijn die losmaking veroorzaakt bij predikanten. Hij wil ook onder de aandacht brengen, dat die pijn er niet alleen is bij predikanten die losgemaakt zijn, maar ook breder onder predikanten leeft: namelijk het gemak waarmee predikanten door de gemeente worden afgerekend en het gebrek aan vertrouwen van gemeente of kerkenraad in de predikant.

Wat het blog lastig maakt, is dat de pijn die gesignaleerd wordt tot een soort algemene praktijk wordt gemaakt en dat in het beschrevene predikant en gemeente of kerkenraad vooral tegenover elkaar staan, waarbij vooral gemeente of kerkenraad de boosdoener zijn omdat predikanten al decennia op zichzelf reflecteren. Voorzichtig zou ik willen vragen of het wel terecht is om alles bij de ander neer te leggen. Ik zou juist de schuldvraag willen laten rusten en willen nagaan of er geen andere mogelijkheden zijn.

Respect als stopbord
In het blog wordt de kaart van respect gespeeld: gemeenten en kerkenraden hebben tegenwoordig te weinig respect voor de predikant. Dat lijkt een theologische norm: de gemeente hoort te weten hoe je een predikant hoort te benaderen. Het ingewikkelde is, dat die norm impliciet is en per tijd verschilt én dat respect ook iets uit de communicatiepsychologie is. Wanneer iemand vindt dat hij respectloos behandeld is, deelt hij een rode kaart aan degene uit naar degene die iets naar hem zegt of mailt: dit mag jij op deze manier niet tegen mij zeggen. Het is een stopbord op betrekkingsniveau: heb het lef niet om dichter bij te komen. Door die rode kaart uit te delen, hoeft er ook op de inhoud van de communicatie niet gereageerd te worden.

Van nature geneigd
Er worden enkele voorbeelden gegeven van predikanten die losgemaakt zijn. De eerste is een oudere predikant die met toewijding zijn pastorale werk doet (meer eigenlijk dan nodig is waarbij hij zichzelf niet spaart), maar in de prediking niet goed overkomt.
Voordat ik naar de casus ga, wil ik een van de eerste vragen uit de Heidelberger Catechismus aanhalen en toepassen op predikant en gemeente. Wat is onze ellende? Dat wij van nature geneigd zijn God en onze naaste te haten. Voor mijzelf heb ik dat ooit eens toegepast op mijzelf als predikant: Van nature ben ik, predikant, geneigd om God en mijn gemeente te haten. Toen vielen voor mij wat puzzelstukjes op zijn plek. Ik haal deze catechismusvragen naar voren om aan te geven, dat toewijding op zich heel mooi is, maar dat er achter die toewijding een veel minder geestelijke wereld schuil kan gaan (kan gaan – niet: gaat).
Het zou de moeite waard zijn om met deze predikant na te gaan, waarom hij zo veel tijd aan het pastoraat besteed. Daar kunnen hele mooie redenen voor zijn: omdat het zijn hart heeft, omdat hij de pastorale nood van de gemeenteleden opmerkt. Maar die redenen kunnen heel wat minder geestelijk zijn: in de huidige of een eerdere gemeente is deze predikant steeds om zijn preken bekritiseerd. Ter compensatie stort hij zich op het pastoraat. Om waardering te ‘kopen’ of om de preekvoorbereiding te ontlopen. In zijn verleden kan hij vaak over het hoofd gezien zijn, waardoor hij een drive heeft dat bij anderen te voorkomen. Hij kan moeite met de planning hebben en gaat op elke impuls van het pastoraat in.

Zichzelf niet sparen
Dat hij zichzelf spaart is echter niet gezond. Hij kan hard werken om de kritiek uit de gemeente te willen pareren: zien jullie dan niet hoe hard ik werk? Net als bij respect is dit een rode kaart op het gebied van inhoud en betrekking: jullie mogen niet dichterbij komen en ik heb het recht om alles wat jullie naar mij toe communiceren naast mij neer te leggen. Het vraagt echter reflectie van de predikant waarom hij zichzelf niet spaart. Geldt het gebod van de sabbat voor de gehele gemeente, maar is de predikant uitgesloten? Is de predikant sterker dan onze Heer zelf, die zich op aarde af en toe terugtrok om te bidden, om te rusten, om te eten? Werkt de predikant echt wel zo hard, of is dat alleen maar eigen beeldvorming? Wat gebeurt er als de predikant zijn eigen planning onder de loep neemt en uren schrijft? Zijn er taken, die deze predikant met een gerust hart kan afstoten of kan delegeren? Wat heeft deze predikant nodig om zich geestelijk op te laden en te voeden? Kan het zijn dat de kerkenraad wel eens heeft gevraagd om taken over te kunnen nemen, maar dat deze predikant dat geweigerd heeft? Kan het zijn, dat de eigen afwerende houding van de predikant mede de oorzaak is dat er innerlijk geen ruimte is voor eigen groei in geloof en afnemend vertrouwen in de gemeente?

Voorspelbare preken
De kritiek is dat de preken voorspelbaar zijn. Dat lijkt een duidelijke reactie op de prediking. Maar wat bedoelen gemeenteleden daarmee. Mensen zijn niet altijd duidelijk in de communicatie en zeggen vaak iets op een gebrekkige manier om iets duidelijk te maken. Als de verhouding met de gemeente nog vertrouwt is, kan de predikant bij bepaalde gemeenteleden (belijdeniscatechisanten, leden van een Bijbelkring, kerkenraad) vragen of ze met hem op ontdekkingstocht willen om te kijken wat er met die voorspelbaarheid bedoeld wordt. Wanneer dat helderder is, kan er gemakkelijker een andere invulling van de preek komen. Wat wordt er mee bedoeld?
– Denkt de predikant theologisch te schematisch, waardoor er geen ruimte is voor een dialoog, voor een andere mening of voor twijfel?
– Is door de drukke pastorale werkzaamheden de exegese erbij ingeschoten, waardoor de predikant terugvalt op de exegese die hij in zijn jeugd heeft meegekregen?
– Is de predikant te gespannen voor wat de preek met de gemeente doet, waardoor zijn voordracht krampachtig wordt?
– Heeft de predikant moeite om iets van zichzelf te laten zien in de prediking?
– Wat belemmert deze predikant om zijn ervaring in het pastoraat te laten terugkomen in de preek? (Niet in de zin van anekdotes uit zijn praktijk, maar thematisering van wat hij in de pastorale gesprekken tegenkomt)
– Gaat de predikant teveel op in de gemeente, waardoor hij geen zicht heeft op wat er buiten in de wereld gebeurt en er dus voor veel gemeenteleden geen connectie is met hun eigen leefwereld?
– Is de predikant zelf iemand die op harmonie is gericht, waardoor hij het niet aandurft om geloofstwijfel of spannende thema’s aan de te stellen?
– Raakt de predikant murw door het zien van alle leed in zijn pastorale praktijk, waardoor hij niet meer de vrijheid en frisheid heeft voor een opbouwende preek?
– Komt de predikant er niet toe om af en toe vrij te nemen, om lichamelijk, geestelijk en mentaal uit te rusten waardoor hij niet meer bij zijn creativiteit of eigen gevoel kan?
Zo maar wat vragen om aan te geven dat één enkele opmerking op verschillende manieren bedoeld zijn. Het loont daarom de moeite om door te vragen naar wat er werkelijk bedoeld wordt. Maar dat vraagt wel geestelijke en innerlijke ruimte en die ruimte staat onder druk als iemand zichzelf niet spaart.

Briljante theoloog
Het tweede voorbeeld gaat over een briljante theoloog, die werkelijk vooruit kan denken. Eerst even over dat briljante. Want het hangt af van de theologie wat als briljant geduid wordt. Hier dus in het kader van vernieuwing en het weten te inspireren voor gereformeerd geloven in deze tijd.  Hier gaat het wel om een theologisch principe, namelijk dat van de kerk als gemeenschap (van mensen die heiligen en zondaars tegelijk zijn). Wat is theologisch briljant als er geen connectie met de gemeente is? Dan zou deze briljante theoloog kunnen leren op welke manier hij voor de gemeente inzichtelijk maakt waar hij mee bezig is. Hij zou zich kunnen bezinnen op hoe hij de gemeente kan betrekken bij zijn idealen. Ook zou hij kunnen overwegen of de kritische stemmen vanuit de gemeente juist niet zinvol zijn om zijn ideaal beter uitvoerbaar te maken. Het is zowel op communicatief als theologisch gebied te gemakkelijk om de gemeente hier slechts verwijten te geven. Ook voor een briljante theoloog geldt het dubbele gebod van de liefde: God liefhebben boven alles en de naaste als zichzelf. Het zou mooi zijn als hij leert om zijn briljant theologiseren in dienst weet te stellen van kerk of gemeente. Het kan zijn dat er in biografisch opzicht een pijnpunt zit (deze man heeft nooit geleerd om goed te communiceren, heeft het in de opvoeding niet meegekregen om relaties aan te gaan, heeft nooit geleerd om zijn gedachten voor anderen begrijpelijk te maken – om enkele mogelijkheden te noemen) waardoor de communicatie van de ideeën niet goed verloopt. Ook voor briljante theologen is empathie in het pastoraat een voorwaarde: ben ik als hoogopgeleide in staat om de gedachtengangen, de gevoelens van de laagopgeleide gemeenteleden te begrijpen?

(Ooit heb ik me verdiept in de briljante theoloog Klaas Schilder, die ik theologisch hoog heb, maar die in de gemeentepredikant eigenlijk voortdurend vastliep.).

Roeping
Naast de kaart van respect wordt ook de kaart van de roeping gespeeld. Dat vind ik bij mijzelf herkenbaar: als predikant ben ik geroepen om op een bepaalde plek te komen werken. De predikant is nog een van de weinigen die in het gebied van zijn werk komt wonen. Steeds vaker is het zo, dat onderwijskrachten niet meer wonen in de plek waar zij werken. Zelfs bij wethouders wordt de mogelijkheid geboden om buiten de gemeente te blijven wonen. Predikanten gaan vaak wonen in een gebied, dat ze niet bij voorbaat kennen. Dat maakt hen kwetsbaar, want wie zegt er dat er een klik komt, een veilige sfeer van wederzijds vertrouwen die er nodig is om vruchtbaar te werken? Predikanten gaan vaak met een bepaalde roeping naar een gemeente. Dat is een intiem gebeuren, waarbij het contact met Christus gezocht wordt. Toch kan er meer over gezegd worden. In een gereformeerde traditie is een verwijzing naar roeping alleen niet afdoende. Een roeping mag ook getoetst worden door (bevoegde) anderen. Het zou goed zijn om bij een beroep uit een bepaalde gemeente met vertrouwde anderen door te spreken in hoeverre hier sprake is van een roeping. Welke menselijke factoren moeten uitgefilterd worden? Welke menselijke overwegingen mogen best een plek krijgen. Mag je weg omdat de woonkosten hoog zijn? Mag je blijven, omdat je vrouw een baan heeft of kinderen hun vertrouwde plek op school hebben? Welke reden heb ik om op een beroep in te gaan of af te wijzen? Vervolgens: hoe werkt die roeping door in de concrete werkzaamheden op een nieuwe plaats en hoe blijft die roeping tijdens het werk op de nieuwe plaats levend?
Voor gemeenten is hier ook een belangrijke taak weggelegd: in hoeverre zijn gemeenten bereid om een werkelijk reëel beeld te schetsen door ook de problematiek en de spanningen eerlijk in kaart te brengen? Weet de gemeente expliciet te maken welke verwachtingen er daadwerkelijk leven? Wil men vernieuwing of wil men juist alles bij het oude laten? En wiens wens is dat: van de gemeente of van degenen die toevallig op dat moment in de kerkenraad zitten? Dat is nogal van belang bij het beroepingswerk. Is er een werkelijke veilige sfeer voor een nieuwe predikant om te aarden en zijn werk te doen? In hoeverre is de gemeente eerlijk in het beroepen van een bepaalde predikant? Welke zorg besteed men aan de predikant als hij er daadwerkelijk is.
Er leven nogal onterechte vooroordelen. Toen ik wat jonger was, was een van de factoren om mij te beroepen dat ik zo goed met de jeugd overweg zou kunnen. Dat was niet gecheckt. Ik zie dat oudere collega’s dat vaak veel beter kunnen. Door hun levenservaring of doordat ze kinderen in die leeftijd hebben. In de kerk, waar levenservaring van groot belang is, vind ik het verbazingwekkend dat oudere predikanten minder beroepen krijgen.

Begeleiding
Wat het blog duidelijk maakt, is hoe belangrijk begeleiding door de landelijke kerk is. Ook na losmaking hoort er optimale zorg vanuit de kerk te zijn. Bijvoorbeeld door geestelijke begeleiding, of door een predikant onderdeel te laten zijn van een werkgemeenschap, zodat ze toch merken dat ze – ondanks de losmaking – volwaardig ambtsdrager binnen de kerk zijn. Het zou goed zijn om die begeleiding niet pas in conflictsituaties te bieden, maar al vanaf de opleiding. Zoals psychiaters en psychotherapeuten zelf in therapie moeten, kan het voor de predikant ook goed zijn om een geestelijk begeleider te hebben. Een regel in het pastoraat is, dat pas degene die zelf pastorale zorg voor zichzelf heeft, ook in staat is om pastoraat te bieden.

Vertrouwen
Werken in de kerk vraagt om onderling vertrouwen: van de predikant naar de gemeente toe en van de gemeente naar de predikant toe. Er kunnen allerlei redenen zijn, waarom dat vertrouwen er niet is of niet meer is. Dat hoeft niet altijd aan de predikant zelf te liggen. De gemeente kan door de spanningen, die voor een buitenstaander nog verborgen gehouden worden, een onveilige plek zijn. Het kan een biografische oorzaak hebben bij de predikant, waardoor hij zich niet kan of durft te geven. Vertrouwen groeit als predikant en gemeente zich aan elkaar geven. Niet voor 100%. Dat kan alleen binnen het huwelijk en het gezin. Een predikant hoeft niet alles met zijn gemeente te delen. Maar helemaal niets delen van zichzelf kan een behoorlijke aanslag op het vertrouwen zijn. Het kan goed zijn om helder te hebben wat je wel en wat je niet van jezelf deelt binnen de gemeente, het pastoraat en in de prediking. Iets van jezelf geven werkt uitnodigend. Wie iets van zichzelf geeft, nodigt de ander ook iets van zichzelf te geven. Je kunt alleen niet de voorwaarden bepalen van wat de ander mag of moet geven. De ander blijft daar vrij in. Het is ook niet goed om teveel te geven, omdat je dan te kwetsbaar wordt en beschadigd kunt raken.

Ontbreekt het respect en vertrouwen steeds meer? Ik weet dat niet. Ik ben ‘slechts’ 10 jaar predikant en kan niet anders dan in deze tijd predikant te zijn. Het is soms best spannend om predikant te zijn: krijg ik het vertrouwen, houd ik het vertrouwen, is de chemo niet ooit eens onverwacht voorbij? Tegelijkertijd wil ik mij niet door die angst laten leiden. Ik ben nu geroepen om in deze tijd predikant te zijn en niet in een andere tijd. Het is een complexe tijd, maar het is geen hopeloze tijd omdat God ook nu nog steeds werkt. Door mensen heen. Niet alleen door predikanten heen, maar ook door gemeenteleden heen. Gelukkig zijn er manieren om zicht te krijgen op hoe ik het doe en hoe ik overkom, wat en waarom ik het doe en hoe in de gemeente kan werken. Dat is slechts genade. Die genade gun ik anderen ook: dat ze met vertrouwen en tot zegen in de gemeente van Christus mogen werken.