Preek zondag 10 juni 2018 morgendienst

Preek zondag 10 juni 2018 morgendienst
Wieringerwaard – Viering Heilig Avondmaal
Handelingen 2:37-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het avondmaal is bedoeld om onze band met God én de band met elkaar te versterken.
Door naar het avondmaal toe te leven, door aan de tafel aan te gaan,
door daar te zitten en brood en wijn te ontvangen wordt de band met Christus versterkt.
Daar is het avondmaal voor bedoeld: om zo weer intens met Christus bezig te zijn,
beseffen dat je Hem nodig hebt, om je zonden vergeven te krijgen,
om een nieuw leven te krijgen,
om gevoed en gesterkt met Christus, vergeven en vernieuwd, je plek weer in te nemen
in de kerk, in deze wereld.
Om daar ook de liefde, de barmhartigheid van God die je ontvangen hebt uit te stralen.
Over vergeving lezen we in Handelingen 2.
Op de Pinksterdag in Jeruzalem zegt Petrus tegen de aanwezigen op het tempelplein:
Jullie hebben Jezus gedood en wat jullie nu zien
is Geest van diezelfde Jezus die jullie gedood hebben, want Hij is opgestaan uit de dood.
Wat moeten we doen?, vragen die aanwezigen.
Petrus zegt: Bekeer je, want God heeft een geweldige belofte voor jullie:
Je kunt vergeving ontvangen én je kunt de Heilige Geest ontvangen.
Dat is onderdeel van diezelfde belofte: God geeft vergeving én geeft Zijn Geest aan ons.
We zien dat ook in het avondmaal.
We horen over vergeving die God door Christus wil geven.
In de afgelopen week bent u daar misschien wel heel erg mee bezig geweest.
U hebt nagedacht over uw eigen geloof, uw band met Christus
En je merkte dat er heel wat aan schortte,
Dat je geloof niet zo geweldig is als je van iemand mag verwachten
die de liefde en genade van God in Christus heeft ervaren.
Dat je leven niet zo geweldig is als je van een volgeling van Jezus zou verwachten.
Je kunt vatbaar zijn voor begeerten, die je op het verkeerde pad brengen, bij Jezus vandaan
Daar hebben we vergeving voor nodig: God die onze fouten vergeeft.
We hebben nodig dat ons hart van binnen gereinigd wordt.
In het avondmaal bevestigt Christus opnieuw: de vergeving is er.
Kom maar bij Mij aan tafel en ontvang brood en wijn,
Die wijzen naar Golgotha, waar Ik Mijn leven voor je gaf.
Als je het brood eet, dan proef je de vergeving, dan proef je de liefde.
Als je de wijn drinkt en in je voelt komen, dan weet je dat Christus je van binnen reinigt.
Je krijgt niet alleen vergeving.
Je krijgt nog meer, want er is iets nodig – Iemand nodig, om je hart te bewaren bij Christus,
om de leegte die er gekomen is, nadat je hart gereinigd, schoongemaakt is,
Te vullen, zodat de duivel niet de kans grijpt om in die leegte terug te komen.
God geeft ook Zijn Heilige Geest.
In het avondmaal gaat het ook om die belofte.
Als je hart gereinigd is door Christus, komt de Heilige Geest in je hart.
Hij zorgt ervoor dat je bij Christus blijft.
Deze belofte, zegt Petrus, is voor jullie, voor jullie kinderen en voor degenen die ver weg zijn
Een ruime belofte van Christus, de liefde stroomt naar je toe, maar stroomt ook verder.
Nodigend, op zoek naar een hart, waarin de liefde van Christus mag komen.
Aan het avondmaal wordt de band met Christus verdiept.
Ook de band met elkaar wordt verdiept aan de tafel van Christus.
We lezen dat ook in Handelingen 2: De gemeente die bij elkaar komt.
Er is trouw in de gemeente, de stap naar Christus is geen bevlieging
die enkele weken later weer over is.
Steeds weer komen ze bij elkaar om te luisteren wat de apostelen vertellen over Christus,
komen ze bij elkaar om elkaars verhalen aan te horen en hun ervaringen te delen.
Steeds weer merk ik hoe dat ook de onderlinge band verdiept,
Als je met elkaar optrekt, in een Bijbelkring, een gesprekskring,
of ‘s zondags voor of na de kerkdienst met elkaar spreekt over wat je bezighoudt.
Dat verbindt met elkaar, je wordt betrokken op elkaar en het verdiept je band met Christus,
Ze zoeken elkaar steeds weer op, de onderlinge gemeenschap groeit.
Ze geven niet op, als het even niet zo stimulerend is.
Ze blijven niet weg, maar ze geven niet op, ze gaan er steeds mee door.
Mensen die weinig met elkaar hadden,
misschien alleen maar het toeval dat ze in Jeruzalem waren juist op dat moment,
mensen die elkaar voorheen niet kenden, ze worden broeders en zusters.
Ook dat is een steeds voortdurend proces. Ze komen bij elkaar om het brood te breken.
Dat is avondmaal vieren, maar dat is ook een gemeenschap buiten het avondmaal om.
Het zijn de gewone maaltijden.
Je kunt niet over hen zeggen: op zondag, of bij het avondmaal is er een gemeenschap,
maar doordeweeks heb je niets met ze. Ze zoeken elkaar steeds weer op
om elkaar te stimuleren de weg van Christus te gaan.
De gemeenschap met Christus opent de ogen voor de mensen om je heen.
Als ze bij elkaar zijn, vergeten ze de band met God niet.
Ze bidden voor elkaar en met elkaar.
Als ze elkaar opzoeken staat de deur naar God open.
Christus leeft en door het gebed kunnen ze Hem zoeken, kunnen ze Hem vinden.
Ook dat vraagt om trouw en volhouden, niet zomaar opgeven.
Omgekeerd brengt de gemeenschap van Jezus’ leerlingen je weer bij Christus.
Met elkaar zoek je Zijn aangezicht in gebed.
De gemeente groeit in eenheid, samen gaan ze op weg.
Het is voor Lukas hét bewijs dat de Heilige Geest Zijn werk doet
dat het waar is wat Petrus zei: de belofte is ook voor hen.
Vanuit de gemeenschap gaat er ook iets naar buiten uit:
Buiten de kerk raken ze onder de indruk van de onderlinge liefde, de trouw in praktijk.
Dat brengt mensen bij de kerk, bij God. Is het een ideale gemeente daar in Jeruzalem?
Nee, daar gaat het niet op. Het gaat om de openheid voor de Geest
die Christus brengt en daarmee vergeving, een nieuwe start,
die je versterkt in de band met Christus, met elkaar
en zo gesterkt je plek in te nemen, in de kerk, in de wereld om je heen
om daar de liefde van Christus, die je vandaag mag ontvangen, door te geven. Amen

Advertenties

Preek zondagavond 3 juni 2018

Preek zondagavond 3 juni 2018
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Handelingen 2:37-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het geloof in de Heere Jezus Christus is geen eindpunt,
geen finish waarbij je kunt zeggen: ik heb het gehaald, nu is het klaar.
Ook de viering van het Heilig Avondmaal is geen eindpunt,
waarbij je kunt zeggen: hehe, ik heb de top behaald, nu zit het erop.
Nee, vanaf de viering van het Heilig Avondmaal begint het pas.
Ik kan me er altijd over verbazen dat de week van voorbereiding vaak zo intens is,
maar dat die intensiteit na de avondmaalsviering weer voorbij is.
We kunnen weer gewoon onze gang gaan.
Alle zaken die in een week van voorbereiding niet zo gepast zijn, doe je weer.

Als we iets uit Handelingen 2 kunnen leren is dat het geloof in de Heere Jezus
geen eindpunt is, maar het begin – begin van een heel nieuw leven,
waarbij alles in het leven anders wordt
en het leven van alledag in het teken van Christus komt te staan.
We zien dat aan vier onderdelen van het gemeentezijn dat Lukas aan ons doorgeeft:
(1) Volharden in de leer van de apostelen, (2) de gemeenschap,
(3) het breken van het brood, (4) de gebeden.
Het zijn 4 punten van de gemeente waardoor we kunnen zeggen:
Hier in deze gemeente is God aan het werk.

Als eerste wordt het volharden in de leer van de apostelen genoemd.
Hier is een gemeente die meer wil leren over God
en de tijd neemt om te luisteren naar wat Zijn dienaren over God hebben te vertellen.
Vaak wordt het volharden in de leer van de apostelen gekoppeld
aan het bijwonen van de kerkdienst, om daar als gemeentelid je plaats in te nemen.
Maar het is breder: dat je met elkaar erover doorspreekt,
hoe je Christus in jouw situatie kunt dienen.
De leer van de apostelen is niet alleen maar de preek of de inhoud van het geloof,
maar betekent ook de praktijk, hoe je er naar leeft
en dat niet alleen een predikant of een ouderling daarover vertelt,
maar dat je daar met elkaar als gemeente mee bezig bent.
Daar begint de opbouw van de gemeente van Christus:
dat je de tijd neemt om elkaar op te zoeken
en dat het daarbij niet alleen over koetjes en kalfjes gaat,
over wat je in de vakantie gaat doen of wat je in het weekend hebt gedaan,
hoe het was op je werk of wat je nu weer over je familie kunt vertellen.
Maar dat je dieper afsteekt en met elkaar erover nadenkt wat God jou te zeggen heeft.
en dat je er met elkaar over nadenkt hoe je bij gedoe in de familie
of bij werk dat veel van je vraagt hoe je bij Christus kunt blijven
en daar op je werk en in je familie iets van Christus kunt laten zien.
Dat is niet iets dat je zo maar helder hebt.
Daarvoor heb je medechristenen nodig, die je daarbij helpen
en die vertellen hoe zij het gedaan hebben.
Daarom zoeken ze elkaar binnen de christelijke gemeente op
om van elkaar te leren, om ervaringen uit te wisselen. om elkaar verder te helpen.
Steeds weer merk ik hoe op belijdeniscatechisatie en op Bijbelkringen
het gesprek met elkaar zo waardevol is: ervaringen uitwisselen, elkaar bevragen,
door het je scherpt in je geloof, het je opbouw
door er met elkaar erover te hebben wie Christus voor je is,
hoe Hij in je leven kwam, wat er gebeurde, wat het uitwerkte in je leven.
hoe u aan het avondmaal kon gaan, hoe u de vrijmoedigheid daarvoor kreeg
hoe je het geloof in praktijk brengt.
Ze volharden er in, zegt Lukas. Ze doen er moeite voor
en ze geven niet zomaar op als het niet lukt
en ze blijven niet weg als er geen direct resultaat oplevert
Volharden betekent dat je ermee doorgaat en niet zomaar opgeeft.
En ze gaan ermee door, ze volharden omdat ze merken dat het hen zoveel geeft,
Dat ze door elkaar op te zoeken en met elkaar door te spreken over het geloof
en te luisteren naar onderwijs over de Heere Jezus van degenen die meer weten
– ze merken  dat een geestelijke honger wordt gestild en dat hun geloof daardoor groeit.
Volharden – dat betekent dat ze zich ook niet zomaar van de wijs laten brengen
als er iemand anders met een andere boodschap komt.
Nee, Christus is hun alles en over Hem willen ze horen
en ze willen zo leven dat hun leven van Christus is.

Geloof heeft effect op het leven, heeft effect op wie je bent en wat je doet.
We zien dat aan de gemeenschap.
Door elkaar op te zoeken, door met elkaar te luisteren naar de apostelen,
door met elkaar te zoeken hoe je ernaar kunt leven, hoe je het praktisch maakt,
groeit er een onderlinge band.
Ze volharden ook in de gemeenschap, in de onderlinge band.
Gemeenschap betekent dat de onderlinge band groeit.
Dat gebeurt niet vanzelf.
Het is allereerst de Heilige Geest, die in deze mensen werkt,
die uitgestort is, die ook aan hen beloofd is en die nu merkbaar in hen groeit,
maar ze doen er zelf ook veel voor.
Als de Heilige Geest in je leven komt, zet Hij je aan het werk en schakelt Hij je in
en laat Hij je zien wat je kunt doen, hoe je je geloof in praktijk kunt brengen,
hoe het in jouw leven zichtbaar kan worden dat je van Christus bent.
Het eerste dat hier genoemd wordt, dat voorop staat is de gemeenschap.
Bovendien is het door die Geest dat wij als leden van één lichaam met elkaar in ware broederlijke liefde verbonden worden.
Je bent zelf degene die gehoor geeft aan de stem die je roept en je gaat.
Dat kan niemand anders voor je bepalen
en tegelijk: als je naar voren gaat, loop je niet alleen
en daar aan de tafel zit je niet alleen, of je nu aan de derde tafel zit of de eerste
en de avondmaalstafel is niet alleen beperkt tot de Dorpskerk,
maar we vieren met de Maranathakerk mee
en de andere kerken in Oldebroek,
al wordt het avondmaal daar wellicht op een andere manier gevierd:
uitbundiger of juist somberder.
We zijn verbonden met de kerk wereldwijd: de kerk in Malawi, de gemeenten in Oekraïene,
gemeenten op plaatsen die wij niet kennen.
Maar we kijken niet alleen wijd over de hele wereld,
maar ook heel dichtbij, heel concreet: naar de mensen die naast u gezeten hebben,
die tegenover je zaten, bij je aan de tafel.
Misschien ken je de namen niet eens, terwijl je al lang samen in de kerk zit
Wellicht kun je niet eens meer herinneren wie er tegenover je zat en hoe die ander erbij zat.
In de eerste gemeente is er een intens met elkaar meeleven:
Ze hebben alles gemeenschappelijk.
Zelfs wat ze hebben, wat iemand als bezit heeft dat wordt gemeenschappelijk gedeeld.
Niets is zo weinig of je kunt het delen.
Als je daarover nadenkt: alles gemeenschappelijk en alles delen schrikt dat misschien af.
Waar je zelf hard voor gewerkt hebt en voor gespaard hebt, waar je zuinig op bent,
om dat met een ander te moeten delen? We willen daar niet altijd aan denken.
Waarom ze kunnen delen is dat ze beseffen: wat we hebben is niet van ons.
Ons leven, dat is niet van ons, dat hebben we niet.
Onze spullen, die zijn niet van ons, want alles wat we hebben,
hebben we alleen maar gekregen van God, in bruikleen gekregen om Hem te dienen.
Als gemeenteleden alles met elkaar delen, ontstaat er niet een ideale samenleving,
maar wordt er iets zichtbaar van Israël, kunnen we zien hoe Israël wordt hersteld:
het volk dat in deze wereld geroepen is om tot zegen van andere volkeren te zijn,
dat geroepen is in hun manier van leven te laten zien dat er een God is
die deze wereld geschapen heeft, van wie deze wereld is
en die door iedereen aanbeden moet worden.
Als christenen zo leven, laten ze zien dat er een God is,
Die deze wereld niet heeft losgelaten, niet prijsgeeft wat Zijn hand begon,
Die bezig is en dat zichtbaar laat worden in mensen die hun hart openstellen voor anderen.
Als we het delen van onze bezittingen en goederen die we hebben een te grote stap vinden,
laten we dan beginnen met het delen van onze verhalen en ervaringen,
Laten we dan beginnen met te kijken wie er naast ons in de kerk zit
en naast ons aan de avondmaalstafel
voor diegene te bidden en met diegene mee te leven,
Dat je ziet wie de ander is en dat je open staat voor wat de ander bezig houdt,
Wat er gebeurt aan zorg en vreugde
dat je dat niet direct invult, maar de ander laat vertellen,
dat je meeleeft door een kaart te sturen, door iemand op te zoeken,
door niet te wachten tot de ander komt, maar zelf het initiatief te nemen.
Het is de liefde van God die liefde in je hart opwekt,
gezien worden door God die je anderen om je heen doet zien,
je verhaal bij God kwijt kunnen waardoor je open staat voor wat anderen je vertellen.
Steeds is het: je ontvangt van God en dat geef je weer door.
Daar heeft ook het derde mee te maken: het breken van het brood.
Dat kun je verbinden aan de viering van het avondmaal, maar het is ook hier weer breder.
Het breken van het brood houdt in dat je anderen thuis opzoekt,
niet alleen de mensen die veel aanloop krijgen en veel gezien worden.
Je zoekt ook degenen op die weinig mensen om zich heen hebben of zelfs niemand,
je zoekt niet alleen degenen op die een leuk en prettig leven hebben,
maar ook degenen die moeilijk kunnen doen, die voor je gevoel zo kunnen zeuren.
Je stapt hun drempel over, en daarmee ben je een bode van God die laat weten:
Ik zoek je op waar je bent.
Breken van het brood houdt ook in dat je je huis openstelt voor anderen,
Dat ze bij je mogen komen, dat ze mogen mee-eten.
Gemeenteleden die geen familie hebben en zo kunnen ervaren wat het is
om mensen om je heen te hebben, gezelligheid te hebben, genieten van een ander
en merken dat je ertoe doet, dat ook jouw verhaal belangrijk is.
Dat je gemeenteleden uitnodigt die, omdat ze alleen zijn, geen zin hebben om te koken,
of dat je extra kookt voor degenen die te veel aan hun hoofd hebben om goed te eten.
Elkaar thuis opzoeken en uitnodigen en je huisgezin delen
houdt in je de praktische consequentie trekt uit het avondmaal:
De gemeenschap van het avondmaal is niet alleen iets voor een keer in de 3 maanden,
waarbij je met elkaar voor in de kerk om de tafel zit.
Het avondmaal is een appèl op onze gewone maaltijden.
(Mooie voorbeelden: gastgezin, pleeggezin, anderen uitnodigen)

De gastvrijheid van Christus ervaren aan Zijn tafel doet een appèl op onze gastvrijheid.
Het is de Heere Jezus die te gast was bij zondaars en tollenaars,
Die tegen Zacheüs zei: Ik moet in je huis zijn.
Dat is wat er ook van de kerk gevraagd wordt en zeker van een kerk op een dorp.
Niet omdat we op een dorp zo van gezelligheid houden
en er niet tegen kunnen op een dorp dat iemand er niet bij hoort of buiten de boot valt,
maar omdat we geloven, dat iedereen gered kan worden en iedereen gered moet worden.
Daarom hebben we een taak als kerk om anderen op te zoeken waar ze zijn,
bereid om bij hen thuis te komen, bereid om anderen bij ons thuis uit te nodigen
voor dat grotere doel: dat ze in onze gastvrijheid en bereidheid om te komen
onze Heer leren kennen, Hem leren ontdekken, dat ook zij bij Hem mogen komen.
Jezus die meeliep de Emmaüsgangers en bij hen thuis de maaltijd gebruikte,
al waren ze niet zo gezellig en treurden ze over hun Heiland die gestorven was
en totaal hopeloos en zonder verwachting waren.
We delen ons leven met anderen en we delen het leven van anderen.
Daarom is het belang om als predikant, als ouderling je gemeenteleden te kennen,
Te weten wat hen bezig houdt, Oldebroeker met de Oldebroekers te zijn,
Oostewoldenaar met de Oostewoldenaars, Loose met de Loosen.
Ik heb wel eens gelezen – ik heb het nooit meer kunnen terugvinden –
dat evangeliseren op een dorp en kerkzijn op een dorp veel moeilijker is dan in de stad,
omdat de mensen hier alles van je zien:
Ze zien hoe je met je tuin omgaat, met je kinderen, wat je karakter is, je manier van leven.
Je kunt niets verborgen houden. Ze kunnen zien of het evangelie echt door je heen werkt.
Tegelijkertijd is er op een dorp, zo las ik – of het waar is, weet u wellicht beter
altijd de aarzeling, zeker bij een predikant of een kerkenraadslid:
Komen ze echt voor mij, hebben ze echte interesse?
Of is het een tussenstap naar een stap hogerop, verder met de carrière.
Kerkzijn op een dorp vraagt de lange adem, continuïteit, lange duur.
Niet even iets vluchtigs, maar volharden in het leven delen.
Echte interesse – het leven willen kennen
om daar op het dorp Christus voor te leven, het evangelie in praktijk te brengen
met je eigen leven als voorbeeld dat gezien mag worden.

Als vierde het gebed.
Dat is niet het sluitstuk, maar de climax.
DAt is het geloof dat God benaderbaar is, dat God leeft en regeert,
Dat God hoort en zich actief met deze wereld bezig houdt
en dat Hij niet te heilig is en te groots voor wie dan ook.
Volharden in het gebed, steeds weer God opzoeken met onze dank en gebeden,
de Heere benaderen voor onszelf en de mensen om ons heen,
voor mensen die niets met het geloof hebben: de mensen in je dorp, op je werk,
je gezin, je vrienden,
vanuit het geloof dat de belofte die er voor jezelf is, waarin je mag geloven,
dat die belofte ook voor anderen is.
Bidden is danken – steeds zien, steeds erkennen wat God je geeft.
Naar lichaam en ziel.
Bidden is vragen – voor jezelf, voor anderen.
Bidden is jezelf open stellen voor God en de taak die Hij je geeft.
Het is een uitvloeisel van het avondmaal, een gevolg van de liefde van God
die in je hart komt, waardoor je naar God teruggaat, en anderen meeneemt naar God toe.
Zo is de kerk een baken van hoop
in het bij elkaar komen in de kerkdienst, in het elkaar opzoeken thuis of Bijbelkring,
in het meeleven, in het delen in elkaars leven, in het helpen van elkaar,
in het gebed voor de wereld, dichtbij en ver weg
De kerk als baken van hoop dat God er is, dat Hij werkt, nu,
zoals Hij dat gedaan heeft en altijd zal werken,
tot Hij terugkomt zal er een gemeente zijn, die met Hem leeft, uit Hem leeft en tot Hem leeft.
Een gemeente die door God wordt gebruikt om Zijn koninkrijk te bouwen.
Amen

Preek zondagmorgen 3 juni 2018

Preek zondagmorgen 3 juni 2018
Viering Heilig Avondmaal
Handelingen 2:37-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vorige week heb ik gezegd: in de voorbereiding voor het avondmaal
moet u bij Christus uitkomen, anders is de voorbereiding niet ‘af’.
Bent u ook bij Hem aangekomen? Woont Hij in uw hart?
Dan mag u aangaan aan de tafel, bij Hem te gast zijn,
brood en wijn ontvangen – wat heenwijst naar het offer dat Hij bracht voor u op Golgotha.
Dan zal er in de afgelopen week ook een verlangen gegroeid zijn
om Christus hier aan Zijn tafel te mogen ontmoeten, bij Hem te zijn
om brood en wijn uit Zijn hand te ontvangen, om de vergeving te proeven.
Voor de één een diepe vreugde die er al vanaf de voorbereiding is,
voor de ander een worsteling die een week meegaat, maar waarin duidelijkheid is gekomen:
Ik mag aan de tafel komen, ik hoor daar te zijn, bij Hem, mijn Heer en Heiland.

Het kan ook zijn dat u er over nagedacht hebt en bij uzelf gedacht hebt:
Ik moet bij Christus uitkomen, maar hoe doe ik dat nu? Hoe weet ik dat ik bij Hem uitkom?
Het kan zijn dat jij daar in de afgelopen week geen helderheid over kreeg
en dat je maar besloten hebt, om – ook al heb je belijdenis gedaan – niet te gaan.
Hoe vaak je er ook op aangesproken bent, in een preek, op huisbezoek door een ouderling
of door iemand uit de familie, de eigen kinderen misschien wel.
Hoe kom je bij Christus uit?
Dat is hetzelfde als wat de aanwezigen op het tempelplein doen als ze Petrus horen:
ze nemen zijn woorden met vreugde aan.
De woorden van Petrus raken hun harten en ze beseffen: het is ook voor ons.
De belofte waar Petrus over spreekt,
de belofte dat God hun zonden vergeeft, de belofte dat God de Heilige Geest geeft aan hen.
Ze nemen zijn woorden aan. Dat betekent: ze geloven de woorden van Petrus
en ze merken dat ze geraakt worden.
Het doet hen goed, het maakt hen blij dat waar Petrus over spreekt ook voor hen is.
Dat zou ik nu ook wel willen, heb je in de afgelopen week gedacht.
Of u denkt bij uzelf: daar loop ik nu al jaren tegenaan,
dat ik wel zou willen geloven, dat ik kan zeggen: het is ook voor mij,
maar ik zou niet weten hoe ik dat doe. Bovendien: er is zoveel dat tegen mij spreekt.
Nou, dat hadden de aanwezigen op het tempelplein ook: zoveel dat tegen hen sprak:
Jullie hebben Jezus gekruisigd, zegt Petrus tegen hen.
Hoe groot onze zonden ook zijn en wat er ook u aanklaagt – Gods belofte is voor u!
Wat er nodig is, is dat u dat kunt nazeggen: Gods belofte is ook voor mij,
dat jij dat kunt beamen.
Dat je in je de wil voelt om het anders te doen. Niet meer zonder Christus, maar mét Hem!
Vaak maken we het veel ingewikkelder
en vinden we dat er eerst ons leven op orde moeten hebben
en dat geloven betekent dat je geen fouten en geen zonden meer doet.
Het is goed als u merkt dat het zo niet verder kunt en dat er wat moet gebeuren,
dat je zonden vergeven moeten worden, dat je geloof veel sterker zou kunnen zijn,

en je merkt dat wat je er ook aan probeert, hoe je er zelf mee bezig bent
en erover nadenkt, bidt en leest in de Bijbel, maar je merkt: ik kom niet verder.
Ik kom hier in de gemeente best een aantal gemeenteleden die wel verder zouden willen komen, maar niet weten hoe dat kan: een stap verder in geloof.
Dan horen ze een stem van een vader of een moeder, die hen waarschuwt:
Pas op, denk maar niet dat je zomaar aan het avondmaal kunt gaan. Daar hoor je niet.
En die stem is sterker dan de uitnodiging van de Heere Jezus die zegt: kom maar.
De stem die van binnen zegt: kom maar niet is dan sterker dan de stem van de Heere
die tegen je zegt: Kom, want alles is gereed, kom hier om mijn genade te proeven.
Kom hier bij Mij om een nieuwe start te maken.
Wat is er nog nodig? Wat heb je meer nodig dan Christus die zichzelf gaf aan het kruis?
Is het dan niet genoeg als je de woorden van Petrus hoort: het is voor, voor uw kinderen,
Zelfs voor diegenen die zich heel ver van Christus af voelen, voor hen is het.
het aannemen van de belofte van God, waar Petrus over spreekt,
dat doe je zoals je een geschenk, een kado aanneemt
bij een verjaardag, een jubileum, of omdat iemand op bezoek komt,
Zo’n geschenk, hoe klein ook, roept vaak verlegenheid op: waar verdien ik dit aan.
Het liefst zou je het niet willen aannemen, niet durven aannemen,
maar omdat het gegeven wordt, kun je het niet weigeren.
Zo kunnen we, mogen we niet de belofte van God weigeren waar Petrus over spreekt.

Al voelen we ons te klein, door onze fouten en tekorten, door ons ongeloof,
door de zonden die ons nog aanklagen.
Het avondmaal laat zien dat God geeft: Zijn genade, vergeving, een nieuw begin, Zijn liefde.
Laat Hem niet staan met het geschenk in Zijn handen, omdat u het niet durft aan te nemen.
Wijs Hem niet af, omdat jij te klein van jezelf denkt.
Denk niet, dat je eerst zelf van alles op orde moet hebben, voor je het mag aannemen,
want de belofte waar Petrus over spreekt is juist dat God de Heilige Geest in je hart geeft
die gaat opruimen, die ruimte maakt voor Christus,
die het verlangen wekt, die je meeneemt naar Christus toe, die je bij Hem houdt.
In Handelingen lezen we dat de aanwezigen de woorden met vreugde aannemen.
Lukas, die Handelingen schreef, meldt in zijn evangelie steeds van vreugde in de hemel.
Elke keer als er iemand tot inkeer komt,
elke keer als iemand de woorden van Christus aanneemt en Hem toelaat in zijn of haar hart,
is er ook in de hemel vreugde, kunnen de engelen in de hemel hun geluk niet op.
De vreugde, die in de harten van de aanwezigen komt, heeft een weerklank in de hemel,
waar de engelen gejuicht zullen hebben om al die mensen die hun hart openden.
Avondmaal is serieus, kan soms daarom een ernstige sfeer hebben,
maar avondmaal heeft ook iets vreugdevols, iets waar je blij van wordt,
waar je hart van opspringt: er is vergeving, een nieuwe start, de Geest in mijn hart,
de vreugde en het verlangen om bij Christus te zijn.
Ik had eigenlijk Psalm 122 moeten laten zingen: Ik ben verblijd wanneer met mij
godvruchtig opwekt: Kom ga met ons en doe als wij.
Amen

Preek zondag 27 mei 2018

Preek zondag 27 mei 2018

Handelingen 2:37-47
Voorbereiding Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Voor een dienst op een dankdag had ik eens een preek gemaakt
waarvan de strekking was dat we allemaal ondankbaar zijn
en dat we God toch wel meer dankbaar mogen zijn.
De volgende dag werd ik opgebeld door een gemeentelid
die mij emotioneel afvroeg waarom ik de preek tegen hem gericht had.
Als ik iets tegen hem had, dan had ik toch naar hem toe kunnen stappen
in plaats van de preek te gebruiken om hem de les te lezen?
Tijdens het maken van de preek had ik echter geen enkele keer aan hem gedacht
en het telefoontje overrompelde mij dan ook.
Het was voor mij een les om te merken dat je als predikant voorzichtig moet zijn
als de boodschap van de preek naar de gemeente toe is: jullie zitten fout.
Want degenen die zich aangesproken moeten voelen, doen dat niet
en degenen voor wie die boodschap niet bedoeld is, trekken zich het aan.

Bijzonder dat degenen die de boodschap van Petrus horen
dat zij verantwoordelijk zijn voor de dood van Jezus, die door God gestuurd is,
zich de boodschap aantrekken,
dat de woorden van Petrus hen diep in het hart raken.
Ze wijzen de kritiek van Petrus niet af
er is geen weerstand of verontwaardiging,
maar er daagt een besef dat ze echt iets verkeerds gedaan hebben.
Al hebben ze zelf misschien niet eens mee geroepen op het tempelplein
met de menigte mee, die riep om de kruisdood van Jezus.
Al hebben ze zelf misschien niet eens langs het kruis op Golgotha gelopen
en hebben ze toen niet meegedaan met de spot van degenen die daar waren.
Hun ogen gaan open voor wat er fout is gegaan
en ze beseffen dat ze niet kunnen zeggen: daar hebben wij niets mee te maken gehad.
Ze worden in hun geweten aangesproken, ze zijn verbijsterd over wat er gebeurd is
over wat door hun eigen volk gebeurd is.
Hun ogen gaan open dat ze niet Gods wil hebben uitgevoerd,
maar juist degene die door God gestuurd is hebben gedood: Gods eigen Zoon.

Vanmorgen bereiden wij ons als gemeente voor op de viering van het Heilig Avondmaal.
In de voorbereiding gaan we bij onszelf na, hoe dat met onszelf zit.
en onze band met God, hoe wij tegenover de Heere staan.
Dat moet u voor uzelf nagaan. Ik kan dat niet voor u invullen.
Ik kan niet voor jou invullen hoe het met jou zit.
Het gaat erom dat je eerlijk naar jezelf kijkt en eerlijk nagaat hoe het zit.
De mensen op het tempelplein die naar de woorden van Petrus luisteren,
horen twee kanten: aan de ene kant zit het goed mis, maar er is ook hoop.
Ook het formulier voor het avondmaal heeft deze twee kanten
en zegt tegen ons: denk er niet te licht over.
Denk niet te snel dat het wel goed zit, maar wees ook eerlijk als het niet goed zit.
Stop dat niet weg, maar kom dat onder ogen.
En tegelijkertijd dat bijzondere: God wil je vergeven en met je opnieuw beginnen.
Diezelfde twee kanten als in de woorden van Petrus:
Besef dat het goed mis zit en God alle reden had om ons weg te sturen

en dat God alle recht had om tegen ons te zeggen: nu is het voorbij.
Maar juist het bijzondere aan God is dat Hij zegt: Toch stuur ik je niet weg.
Al heb je Mij aan de kant gezet, Ik zet jou niet aan de kant.
Al laat je Mij los, Ik zal je niet loslaten en net zo lang met je bezig zijn
tot je tot het inzicht komt dat je zonder Mij niet kunt
en dat je zonder Mij alles mist in je leven.
We kunnen wat er mis is bij het volk Israël toen niet helemaal vergelijken
met wat er bij ons mis is.
Bij het volk Israël was het niet alleen een duidelijk afwijzing,

maar meer ook nog: het doden, uit de weg ruimen van Gods Zoon.
Als wij nadenken over wat er mis is, komen we vaak uit bij wat veel kleiner is:
geen tijd nemen voor God, de woorden die Hij tot je spreekt niet opnemen,
of al jaren het kloppen van Christus op de deur van je hart negeren,
aan alle aanwijzingen dat de Heere ook in jouw leven wil komen.
Of misschien gaat het toch wel verder en heeft de lijst met zonden,
waarvan gezegd wordt als dat in je leven speelt je niet naar het avondmaal mag.
Het kan zijn dat je God voor je eigen karretje gespannen hebt,
of dat je niet eerlijk geweest bent naar anderen toe
of zelfs gestolen of geroddeld hebt, dat je je huwelijk op het spel gezet hebt.
Het formulier zegt dat als het om ons hart gaat, om hoe het van binnen gaat
in onze gedachten, in wat we van plan zijn, in wie we zijn nauwelijks afwijken
van wat het hart van Israël was op de dag dat Christus werd gekruisigd.
Of het nu kleine zonden zijn, of dat we God negeren en Hem geen plek geven in ons leven
of dat we echt duidelijk tegen zijn geboden ingaan, het wijst op een hart
dat niet is zoals God ons geschapen heeft, een hart waarin niet Christus de koning is,
maar waarin heel wat moet gebeuren: waarin er een reiniging plaats moet vinden
– door het bloed van Christus, dat er een nieuwe weg ingeslagen moet worden,
opnieuw begonnen moet worden – met God.

Het bijzondere is dat het ook kan: opnieuw met God beginnen, ons hart gereinigd krijgen.
Wanneer je nadenkt over wat er mis is in je relatie met de Heere
is dat bedoeld om je weer bij de Heere uit te laten komen.
als Petrus het volk aanklaagt, omdat zij Christus hebben gekruisigd,
de Zoon van God hebben gedood die naar hen toegestuurd was,
volgt daarna niet als consequentie dat het nu allemaal voorbij is,
dat God van het verbond met Israël zegt: nu kan dat niet meer, het is over.
Nee, integendeel.
Petrus lijkt eerst de deur naar de hemel, naar God dicht te doen.
Er is geen plaats meer voor jullie bij God en daar hebben jullie het zelf naar gemaakt.
Maar als ze verslagen bij hem komen, tot diep in het hart geraakt,
verbijsterd over wat er gebeurd is, over wat ze zelf hebben gedaan
en ze niet weten hoe het verder moet en wat er van hen nog terecht kan komen
zet Petrus de deur naar de hemel wagenwijd open:
Als je je bekeert, als je naar God teruggaat, als je helemaal opnieuw begint
dan zal God je niet laten staan, je welkom heten, je vergeven en je opnieuw laten beginnen.
Bij de voorbereiding van het avondmaal gaat het er ook om dat je bij Christus uitkomt
en dat je van Hem de reiniging van je hart ontvangt.
Het gaat er volgens het formulier ook om dat je de belofte van God gelooft
dat al je zonden vergeven zijn, omdat Christus voor de zonden gestorven is.
Wanneer je in de voorbereiding niet uitkomt bij Christus,
maar alleen maar kijkt naar je fouten en tekorten – en dat kan terecht zijn,
dan is de voorbereiding niet af. Dan laat je iets wezenlijks achterwege.

Kun je de stap van het inzicht van wat allemaal mis is overslaan
en beginnen bij de belofte van God?
Is het erg als je getrokken wordt door die deur die Petrus wagenwijd openzet:
Want voor u is de belofte, ja en niet alleen voor uzelf, maar ook voor uw kinderen
en als je er nooit bij gehoord hebt, als je er niet in opgegroeid bent, als je ver weg staat
dan ook, want God roept je!
Mag je op basis van deze belofte komen? Of moet je eerst het besef hebben wat er mis is?
Ik denk dat het besef dat niet alles goed zit, dat er heel wat schort vanzelf wel komt,
dat je ook daarin groeit

en wanneer je Gods liefde voelt en geroepen wordt omdat je Gods genade merkt
dat je dan ook vooral moet komen, want ook dan wordt je door God geroepen!
Zovelen als onze God roepen zal.
Het gaat erom dat je komt, dat je luistert naar Gods roepstem.
De manier waarop maakt minder uit: het kan door schuldbesef,
maar dat kan ook doordat je onder de indruk van Gods genade bent gekomen,
dat Gods liefde tot je spreekt, dat je dankbaar bent voor Wie God is.
Je hoeft je leven niet eerst op orde te hebben.
Als je beseft dat je Gods hulp daarbij nodig hebt
En als je gelooft dat God de hulp daarvoor in de Heilige Geest geeft
is dat genoeg om te komen naar de tafel.
Want door naar het avondmaal te gaan – zegt het formulier –
geef je niet aan dat je het allemaal bereikt hebt, of dat je een perfecte christen bent,
nee, je beseft dat er nog zoveel is dat er aan je en in je moet gebeuren
en toch roept God je, zoals Hij de mensen op het tempelplein riep,
waarvan Petrus zegt dat het niet zomaar toevallige voorbijgangers zijn
maar mensen die Christus aan het kruis gebracht hebben.
Als voor hen de belofte is, waarom zou die belofte niet voor u gelden.
Als zij geroepen worden, waarom zou jij dan niet geroepen worden, door God zelf?
Voor u is de belofte – en Petrus bedoelt dan echt niet mensen die het op orde hebben,
maar mensen die beseffen: zo kan het niet langer, er moet wat gebeuren!
Voor u is die belofte – heel persoonlijk, je mag die belofte je eigen maken.
Er is niemand die hoeft te zeggen: voor mij is de belofte niet.
Voor u, voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn.
God heeft zoveel manieren om te roepen, zoveel als verschil tussen mensen is.
Het is persoonlijk voor u, maar ook voor degenen die bij u horen,
Voor uw kinderen – zegt Petrus.
Dat wil zeggen: voor degenen die geen deel hebben aan de dood van Christus
en die ook niet aangesproken kunnen worden op de daden van hun ouders.
Het zijn degenen die bij je horen, met wie je verbonden bent.
De belofte is niet voor hen pas als ze volwassen zijn en besef hebben,
maar je mag ze meenemen naar Christus toe.
Dat vind ik het mooie van de kinderdoop: dat je je kinderen helemaal mee mag nemen
naar Christus toe en dat ook voor hen Gods belofte al is.
Het is vooral deze tekst die de basis is voor de kinderdoop:
Gods belofte die ook geldt voor degenen die bij jou horen.
Het geeft aan hoe royaal Gods aanbod is, hoe wijd de deur wordt opengezet.
Diep, diep, diep als de zee, hoog, hoog, hoog als de lucht,
wijd, wijd, wijd als het water blauw, is Jezus’ liefde voor jou.

Ook voor allen die veraf staan – voor degenen die niet als kind gedoopt zijn,
voor degenen die geen christelijke opvoeding hebben gehad,
die in hun kindertijd nooit over de Heere Jezus hebben gehoord,
Gods belofte is ook voor hen. Voor deze belofte van God wordt niemand uitgesloten.
Veraf – dat is net als de Vader uit die bekende gelijkenis,
die al die tijd op de uitkijk stond, wachtend tot zijn zoon weer thuis zou komen
en terwijl hij in de verte kijkt, zijn zoon reeds ziet aankomen.
Allen die veraf zijn – al ben je ver van God verwijderd,
de vader komt met de armen wijd open aangesneld:
Welkom thuis, mijn zoon, je was dood, maar nu leef je weer.
Je hoeft het alleen maar aan te nemen

door tot inkeer te komen, door je te laten dopen.
De weg naar God terug te vinden en toegewijd aan Christus te worden.
Dat geldt voor iedereen – voor u, voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn.

Het is een belofte met een dubbele betekenis:
Het is vergeving van de zonden – God komt er niet meer op terug.
Een nieuwe start, waarbij God ons van binnen vernieuwt, reinigt.
het is weer mogelijk – door Christus – om bij God te komen, om Hem weer terug te hebben,
om aan Zijn tafel te zitten, om deel uit te maken van Zijn gemeenschap.
Maar dat is niet het enige: God geeft ons niet alleen onze plek terug bij Hem,
maar geeft ons ook iets in ons hart om bij God te blijven,
om zo te leven zoals God dat wil – vol van Hem
en vol verlangen om samen met Hem verder te gaan, op Zijn weg.
Hij geeft ons de Heilige Geest.
Hij laat het niet leeg in ons hart, maar geeft ons de Heilige Geest.
Bij de doop is het al beloofd dat de Geest in ons hart zal wonen

om daar ruimte te maken voor Christus,
om in ons hart dat verlangen te geven van Hem te zijn
en Hem nooit meer kwijt te raken.
Dat verlangen, gewekt door de Heilige Geest, is ons antwoord op Gods belofte.
Wat houdt u tegen om dat verlangen ook in praktijk te brengen
door volgende week naar voren te gaan en mee te doen met de andere leden
Die aan de tafel van Christus komen en daar brood en wijn van Christus ontvangen,

die daar aan de tafel gedenken en vieren dat Hij Zijn leven gaf
en dat het brood en de wijn daarop wijzen dat voor u persoonlijk, voor uw kinderen,
voor allen die veraf zijn de vergeving van zonden is, de belofte van de Heilige Geest.
Want voor u is de belofte, voor uw kinderen en voor allen die de Heere roepen zal
Amen

Preek Tweede Pinksterdag 2018

Preek Tweede Pinksterdag 2018
Ezechiël 37:1-14, Mattheüs 10:5-8

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Aan de dood kunnen wij niets doen.
Een dood dier kunnen wij niet levend maken. We kunnen alleen begraven.
Wanneer een mens gestorven is, kunnen wij aan hem of haar het leven niet teruggeven.
We moeten afscheid nemen.
Er zijn heel wat gemeenteleden die afscheid hebben moeten nemen
en die weten wat het is als iemand van wie je gehouden hebt nooit meer terugkomt.

Als de Heere Jezus Zijn leerlingen uitzendt, geeft Hij hen enkele opdrachten mee:
Verkondigen, zieken genezen, demonen uitdrijven, doden opwekken.
Moet u zich eens voorstellen, dat de ambtsdragers deze opdracht meekrijgen:
Ga Oldebroek in om de doden op te wekken!
Ik denk dat iedereen die deze opdracht krijgt, zich ongemakkelijk zou voelen.
Want wie zou er nu op ons woord opstaan uit de dood?
Het is eerder andersom: dat als we naast een dode staan, we de onmacht voelen,
moeilijk meer kunnen spreken, eerder fluisterend.
Soms kun je naast de kist staan om afscheid te nemen en denken:
Het lijkt wel of iemand slaapt; hij zou zo de ogen kunnen opslaan,
maar je weet dat het alleen maar een gedachte is en dat het niet zal gebeuren.
Aan de dood kunnen wij niets doen.

Als we het opwekken van de doden niet letterlijk op zouden vatten, maar figuurlijk
dan wordt het er niet veel beter op.
Mensen die geestelijk dood zijn opwekken uit hun dood,
mensen die geen levend geloof hebben, die geen band met Christus hebben.
We geloven dat mensen onder de preek opgewekt kunnen worden uit de geestelijke dood,
maar is dat vaak niet meer dan een theorie
en hebben we, als we naar de kerk gaan, niet veel vaker helemaal geen verwachting
dat wijzelf of dat anderen die in de kerk aanwezig zijn en de verkondiging horen
opgewekt zullen worden uit de dood.
In een van onze geloofsbelijdenissen belijden we over de Heilige Geest
dat Hij de Geest is die levend maakt, maar geloven we dat ook nog?
Dat Hij onszelf, de gemeente, de kerk kan opwekken uit de dood
En een nieuw leven kan geven?

We zullen wel niet zo snel de klacht aanheffen van het volk Israël,
de klacht die Ezechiël verwoordt:
Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden.
Ook omdat er mooie momenten zijn, die ons bemoedigen,
Zoals een mooie belijdenisdienst gisteren.
Dan kunnen we er weer even tegen.
Daardoor kunnen we niet zeggen dat wij als kerk leven in een tijd van ballingschap.
Er zijn nog teveel momenten die ons bemoedigen,
waardoor we kunnen zeggen dat de Geest ook werkt.
Toch kunnen we ook momenten hebben, waarop we twijfelen of de Geest nog wel werkt
en leven in een tijd waarin het allemaal zo doods is
en omdat wij niet in staat zijn om mensen die geestelijk dood zijn
of een gemeente die geestelijk niet meer levend is op te wekken uit die dood
kan er een pessimisme komen, de verwachting gaat weg dat er nog iets kan gebeuren.

In extreme mate was dat voor het volk Israël
en  ze hadden reden om daarover te klagen:
Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden.
We zijn er nog wel, maar levend zijn we niet meer.
We wonen hier in Babel, ver weg van het land waar we horen
en daar in ons thuisland is geen tempel meer, verwoest tijdens de oorlog.
We zijn overwonnen en onze God heeft ons verlaten.
We zijn er nog wel, maar stellen niets meer voor en hebben geen toekomst meer
en ook geen God.
Niet meer dan een hoopje botten. Niet alleen maar dood,
maar nog meer, al tijden dood, zodat elke hoop op een nieuw leven weg is.

Dat is de situatie als Ezechiël door Gods hand wordt opgepakt
en door de Geest wordt meegenomen naar een dal.
Het dal is een massagraf.
Onbegraven liggen de doden daar.
Een snelle ramp is er geweest, te snel om de overledenen nog te kunnen begraven.
Of een grote slag tijdens de oorlog waarbij de overwinnaar het niet de moeite vond
om de gesneuvelden van de overwonnen tegenpartij eervol te begraven
om zo de schande van de nederlaag nog eens extra te laten zien.
‘Waar de profeet gaat of staat, overal liggen de dorre mensenbeenderen verspreid,
naamloos, levenloos, als stille getuigen van het grote zinloze sterven
en de sprakeloze aanklacht tegen de elkaar bestrijdende wereldmachten.’ (dr. M. Dijkstra)
Ezechiël krijgt de opdracht om het dal rond te lopen
om het troosteloze op zich te laten inwerken.
Deze restanten van wat eens mensen waren liggen er al heel lang,
er is weinig meer over dan wat botten die her en der verspreid zijn.

Als Ezechiël rond heeft gelopen en genoeg indrukken op heeft gedaan
krijgt hij van de Heere, die hem hier neergezet heeft een vraag:
‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’
Mensenkind – een benaming waarmee God Ezechiël voortdurend aanspreekt.
Mensenkind – jij bent gelijk aan wat die mensen eerst waren en het kan jou ook overkomen.
Mensenkind, van wie het leven maar kort is,
voor wie de dood er ook eens aan komt en die niet in staat is om de dood tegen te houden
of degenen die in het dodenrijk zijn afgedaald in het leven terug te brengen.
Mensenkind, wat zeg jij er van, nu je zo hebt rondgelopen en dit hebt gezien:
Is er voor deze botten nog mogelijkheid dat het weer mensen worden die rondlopen,
die ademen en bewegen, die leven en een toekomst hebben?
Wat een vraag voor Ezechiël. Wat moet hij er op antwoorden?
‘HEERE, mijn God, dat weet U alleen.’
Dat antwoord kan op verschillende manieren opgevat worden.
Als een onmogelijkheid, maar omdat God dat van Ezechiël
vraagt kan hij er geen nee op zeggen en legt hij het in Gods handen.
Het kan zijn dat er een geloof is bij Ezechiël, omdat de Heere de God van het leven is.
Leven en dood – daar gaan wij mensen niet over, dat is in Gods hand.

Er is een Middeleeuws lied, dat later bewerkt werd door Maarten Luther
en in vertaling in het Liedboek voor de Kerken terechtgekomen is:
Midden in het leven zijn wij door de dood omvangen.
We kunnen wel doen alsof de dood ver van ons afstaat
en om daarmee geconfronteerd te worden, hoeven we niet net als Ezechiël
door Gods hand en met Gods Geest meegenomen te worden.
De dood is om de hoek, we zijn er door omgeven.
Wie is er die ons hulp biedt dat wij troost erlangen?

Dan komt de ongelooflijke opdracht op Ezechiël af,
een opdracht die een vraag is aan zijn geloof:
Geloof je werkelijk dat God weet of deze beenderen weer mensen kunnen worden?
Geloof je dat God in staat is om hier weer leven in te brengen, de kracht heeft?
Het is overigens niet alleen een vraag naar Gods macht,
maar ook een vraag of God dat wil.
Want doden die niet begraven zijn, een leger dat zo massaal verslagen is,
met zulke grote aantallen gesneuvelden, dat was een grote oneer, een schande,
een teken dat het leger van dit volk door de eigen God in de steek gelaten was.
Dat het volk dat verdiende dat het zo verslagen was.
Geloof je, Ezechiël, dat God weer naar Zijn volk terugkeert
en dat door Zijn terugkeer er weer leven is voor Zijn volk?
Als je dat gelooft – profeteert en de botten die je ziet liggen
zullen weer levend worden, op hun voeten staan en in staat zijn om Mij te loven.
Jouw woord zal Mijn kracht hebben, opstandingskracht,
Ze zullen levend worden en dan niet alleen maar schimmen of geesten,
maar echt mensen van vlees en bloed, hersteld zoals zij waren.
De botten die nu verspreid zijn, zullen bij elkaar komen, pezen en spieren krijgen,
organen en een huid erom heen
en bovendien de adem, zodat ze weer echt leven. Geest in hen.

Het woord ‘geest’ kan hier betekenen: Gods Geest, menselijke geest, adem, wind.
Al die betekenissen komen in dit gedeelte naar voren.
De overledenen die hier al zo lang liggen, ze zullen weer kunnen nadenken,
beslissingen kunnen nemen, ze zijn weer iemand, niet meer die anonieme doden,
waarvan niemand meer kan reconstrueren wie het is geweest.
Onbekend bij ons, maar bekend bij God.
Ezechiël doet het. Ik profeteerde zoals mij was opgedragen.
Ezechiël spreekt die doden aan, die zelfs geen oren meer hebben
en toch horen ze zijn woorden omdat het de woorden van God zijn,
die tot leven kan roepen wat eerst geen leven heeft,
die in het leven kan brengen wat in de dood was afgedaald.
De botten worden mensen van vlees en bloed, ze worden weer wat ze waren.
Rechtop staan ze, niet een, maar een heel leger, een grote menigte,
net als op de Eerste Pinksterdag in Jeruzalem.
Ze worden weer mensen, omdat ze net als de eerste mens in het paradijs
de adem van God ingeblazen krijgen, de Geest ontvangen die hen mensen maakt,
De Geest die levend maakt.
Een menigte die niet te tellen is.

Dit is Pasen en Pinksteren inéén: een wederopstanding uit de dood,
maar tegelijkertijd een wonder dat ons aangaat,
omdat het laat zien dat wij, als wij geestelijk dood zijn,
Als wij geen toekomst meer zien, het leven weer kunnen ontvangen.
En waar de weg onvindbaar scheen, mochten wij door geloof alleen
de tocht opnieuw beginnen.
Het is Kerst en Pinksteren inéén omdat de boodschap van Ezechiël is:
God heeft naar Zijn volk omgezien, zoals Zacharias zong bij de geboorte van zijn zoon.
Zijn volk – dat zijn wij, omdat God ook met ons een verbond gesloten heeft.
Dat is de kerk, die lang niet altijd het leven leeft van opgewekt uit de dood,
Zijn volk, dat is ook Israël dat nooit uit Gods aandacht en bewogenheid is.
Zij horen, daar in ballingschap, afgesneden van Jeruzalem, zonder tempel, zonder God,
dat God er voor hen is, dat ze opstaan, een nieuw leven ontvangen,
weer mogen leven – God is genadig.
Dan zult u weten dat ik de HEERE ben – HEERE is mijn naam:
de God van het verbond, dat God die er is als je Hem nodig hebt,
ook als je Hem niet verwacht, of geen recht meer hebt op Zijn genade.
Pinksteren: de kerk én Israël – God keert terug.
Ik ben de Heere, groot aan geduld en genade.
Niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.
Daarom kan in het lied dat Luther dichtte  ook een beroep op God gedaan worden.
Het is waar – in het leven zijn we door de dood omvangen en dat ligt aan onszelf,
maar er is een God van het leven, die Zijn Zoon gaf in die dood,
En die Zijn Geest uitzendt om ons weer tot leven te wekken
en het leven van Christus te geven.
Daarom kan in datzelfde Liedboek voor de kerken een avondmaalslied staan
van Muus Jacobse dat de zin van Luther omdraait: Midden in de dood zijn wij in het leven
want Eén breekt het brood om met ons te leven midden in de dood.
De Geest geeft ons dat leven. Ezechiël moet het zeggen tegen Israël:
Ik ben de HEERE en Ik zal doen wat Ik beloofd heb. Je krijgt dit leven weer.
En wij mogen het door de genade van Christus ook horen: Je krijgt het leven weer.
Ik ben de Heere en ik zal doen wat ik heb beloofd.
Ontwaakt gij die slaapt en sta op uit de doden en Christus zal over u lichten!
Amen

Preek zondag 20 mei 2018 Eerste Pinksterdag

Preek zondag 20 mei 2018 Eerste Pinksterdag
Handelingen 2:1-21
Openbare belijdenis van het geloof
Tekst: wij horen hen in onze taal over de grote werken van God spreken (vers 11b)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vijf gemeenteleden die hier voor in de kerk zitten
waarvan er vandaag 4 in het openbaar hun ja-woord aan Christus zullen geven.
Een van de 5 heeft dat vorig jaar al gedaan,
toen ze de doop mocht ontvangen in dezelfde dienst waarin haar zoon ook gedoopt werd.
In de afgelopen tijd zijn ze naar dit moment toegegroeid.
Dat gebeurde niet allemaal op dezelfde manier.
Bij de één was er al jong een relatie met de Heere Jezus,
bij de ander kwam dat pas veel later.
Bij de een hoorde geloof en ook kerkgang er al vanaf de kindertijd bij,
de ander werd niet gedoopt en hoorde op school de verhalen uit de Bijbel
en ging in de verkeringstijd mee naar de kerk.
Voor de een was er een ingrijpende ervaring,
zoals het overlijden van een vader of schoonvader of een broer of zwager,
een gebeurtenis die diepe indruk maakt,
zodat je dat nooit meer vergeet en je leven voor altijd gevormd heeft.
Bijzonder dat God er beide keren was, in de tijd van ziekte, rond het overlijden
en in de tijd na het overlijden, de tijd van het gemis.
Je zult je vader, je broer op deze zo bijzondere dag missen.
Als hij het meegemaakt had, had je vader, je broer het vast heel bijzonder gevonden.
Tijdens de belijdeniscatechisatie ging het er nogal eens over,
hoe het gemis jullie leven heeft gevormd, welk voorbeeld er was
en dan merkten we dat niet iedereen zo’n ervaring heeft.
Voor de één een heel bewuste keus om belijdenis te gaan doen,
voor de ander was er vooral aarzeling:
Leef ik wel op de goede manier? Past belijdenis doen wel bij mijn manier van leven.
De ander wilde juist belijdenis doen,
omdat er in de andere kerk geen belijdenis is
en omdat er in de opvoeding meegegeven was dat voor deelname aan het avondmaal
toch eerst de belijdenis nodig was, kwam de vraag om mee te doen.
Daarmee wordt in één geval de belijdenis ook een afscheid van de gemeente
waarin je bent opgegroeid, omdat je met je vriend een andere gemeente gevonden hebt
Die meer bij jullie samen past.
Op deze manier neem je op een mooie manier afscheid
Door het waardevolle uit de kerk van je kindertijd en jeugd mee te nemen.

Mooi was het om te zien hoe jullie in de afgelopen maanden zijn gegroeid in geloof.
De een onbevangen, steeds nieuwsgierig naar hoe de anderen het zagen.
De ander meer voorzichtig, net een tijd achter de rug die niet zo makkelijk was.
Groei was er omdat je er in de afgelopen maanden zo mee bezig was,
met elkaar in gesprek was, van elkaar hoorde hoe het ging.
Het ging misschien niet zoals op de eerste Pinksterdag,
waarbij er een grote groep mensen in één keer meegenomen werd door de Geest,
ging geloven en tot het besef kwam dat ze zonder Christus niet verder konden,
maar het is wel diezelfde Geest die toen het huis vervulde
waar ze allen eensgezind bij elkaar waren,
dezelfde Geest die in de afgelopen maanden in jullie werkte
door jullie te laten groeien naar het moment dat je in het openbaar ja kunt zeggen,
dezelfde Geest die nu hier in de kerk aanwezig is
en werkt om ruimte te maken voor Christus bij ieder van ons.

Als de Joden die in Jeruzalem aanwezig zijn hen horen spreken,
De leerlingen van Jezus over wie de Heilige Geest komt, zeggen ze:
We horen in onze eigen taal spreken over de grote werken van God.
Daar zijn we in het afgelopen seizoen ook steeds mee bezig geweest:
Wat betekent het nu voor jezelf dat God deze wereld heeft geschapen en ons ook.
Wat betekent het voor ons persoonlijk dat Christus stierf aan het kruis.
Hoe kan de Heilige Geest in mij werken?
Wat betekent het om bij een kerk te horen en voor ouderling of diaken gevraagd te worden?
Ik weet niet of we in de afgelopen maanden nou gezegd hebben:
Dat zijn de grote werken van God. Ik denk het niet.
De grote werken van God komen namelijk lang niet altijd op zo’n spectaculaire manier
zoals dat op de eerste Pinksterdag in Jeruzalem gebeurde
met geluid van een storm, vlammen van vuur die op de hoofden verschijnt.
Maar je hoort er over in verhalen die thuis uit de kinderbijbel worden voorgelezen,
Die op school of op zondagsschool worden verteld.
Je ziet aan je ouders wat die grote daden van God zijn
als zij op latere leeftijd belijdenis gaan doen
of als je merkt dat ze hun rust in de Heere vinden als het bericht komt
van een ernstige ziekte en het besef er is dat er over niet al te lange tijd
afscheid genomen moet gaan worden.
Je hoort over die grote daden van God als je er met opa en oma over kan praten
als je merkt dat kerkgang en geloof al generaties meegaat,
omdat de ouders van je opa aan de kerk een Bijbel hebben geschonken.
Zo hoor je in je eigen taal, in het Nederlands, misschien zelfs het Oldebroeks
vertellen over God en merk je dat het ook voor jou kan zijn
dat ook jij mag geloven en merk je dat er iets in je gaat groeien:
een verlangen om Hem beter te leren kennen,
een verlangen om gedoopt te zijn en er zo bij God te horen
een verlangen om deel te nemen aan het avondmaal.
Een verlangen dat gegroeid is binnen een gemeenschap,
van het gezin waarin je opgroeide, van de kerk waartoe je behoort,
net als de leerlingen van Jezus bij elkaar waren, 120 vertelt het vorige hoofdstuk,
en 10 dagen lang samen met elkaar wachtten op de komst van de Heilige Geest.
En of je nu hier in de kerk blijft en hier je plek gevonden hebt of naar een andere kerk gaat,
zo’n gemeenschap, waarin op de Heilige Geest gewacht wordt, hebben we allemaal nodig.

Daarom vind ik zelf de openbare belijdenis altijd heel waardevol
en voel me als predikant elk jaar weer bevoorrecht om gemeenteleden te begeleiden
naar het moment waarop ze ja zeggen tegen God.
Je kunt er vragen bij stellen of het noodzakelijk is, of zelfs bijbels
dat er belijdenis gedaan wordt in het openbaar, binnen de gemeente.
Is het persoonlijke antwoord dat je geeft naar God toe, in het verborgen, niet genoeg?
Ik zou dan de vergelijking willen maken met gisteren, de Royal Wedding:
de prins en zijn bruid hebben vast tegen elkaar al hun ja uitgesproken,
dat binnen de familie besproken hebben dat ze samen verder kunnen gaan,
maar hoe bijzonder het is om in het openbaar ja tegen elkaar te zeggen
was gisteren zichtbaar en is elke trouwdag zichtbaar.
Bijzonder is het ook om het openbaar ja tegen God te zeggen,
waarbij je er zelf naar toegroeit en dat verdiept je band met God,
dat heeft betekenis voor jezelf en ook voor iedereen die hierbij aanwezig is, een getuigenis.
En ook belangrijk: zonder belijdenis doen is onze doop niet af.
Een volgende keer preek ik over het einde van het hoofdstuk
waarin verteld wordt hoe veel mensen zich laten dopen na de toespraak van Petrus.
Op één na zijn jullie allemaal als kind gedoopt.
Je bent gedoopt, omdat je ouders geloven en doordat je verbonden bent met je ouders
ben je ook verbonden met de God van je ouders.
In het leven gaat het om zelfstandig worden, je eigen weg gaan:
Vier van jullie zijn er getrouwd, de vijfde gaat binnenkort trouwen,
je wordt zelfstandig, je gaat je eigen weg, los van je ouders
(al woon je er misschien dicht bij).
Zo gaat het ook in geloof: je groeit op bij je ouders.
Het mooie van de kinderdoop vind ik altijd dat je als ouders
je kind heel dicht bij de Heere Jezus mag brengen.
Misschien is dat ook wel hier in de kerk gebeurd, bij het doopvont hier.
Je kind hoeft alleen maar de laatste stap te doen: Gods belofte aannemen,
Zelf ja zeggen tegen God.
En daar heb je als ouders ook bij de doop ja op gezegd,
dat de opvoeding van je kind ertoe leidt dat hij of zij zelf ja tegen God zegt
En zijn of haar weg met Christus zal gaan.
Openbare belijdenis van het geloof geeft aan: dat ja mag heel persoonlijk zijn,
moet zelfs heel persoonlijk zijn,
maar het gaat de hele gemeenschap aan: je bent in de kerk gedoopt,
je bent toegezongen, er is voor je gebeden, er is met je meegeleefd,
leiding van de clubs en de (zondags)school, ouderlingen op huisbezoek
dan is het toch ook mooi als binnen die gemeenschap gezien wordt
dat het zaad dat gestrooid is, ontkiemt, vrucht draagt,
dat je ja gehoord wordt en als bemoediging ervaren wordt.
Wanneer dat gebeurt, wanneer je ja gehoord wordt,
komt er een kleine herhaling van het Pinksterfeest in Jeruzalem.
We horen dan geen grote stormwind, maar merken wel hoe de Geest werkt,
we zien geen vlammen van vuur boven jullie hoofd,
maar zien wel hoe de Geest over jullie gekomen is.
En het wordt weer waar wat de oude profeet Joël al eens aankondigde:
Ik zal Mijn Geest over iedereen uitstorten, ook over jullie.
Uw zonen en dochters zullen profeteren,
al is het voor jullie op een bescheiden manier,
omdat je het niet altijd even makkelijk vindt om over God te spreken.
Dromen en visioenen zijn er misschien niet geweest
maar dat de Geest over iedereen kan komen, kunnen we aan jullie zien
en dat geeft ook moed dat de Geest over ons allemaal kan komen,
zodat wij ook ja zeggen tegen God, zoals jullie dat vandaag doen.
Of misschien is dat al eens gebeurd en is vandaag een herbevestiging van dat ja.
Als je nog geen ja gezegd hebt, is dit een uitnodiging om er ook over na te denken,
en als je meer wilt weten in september mee te doen met de belijdeniscatechisatie
om erachter te komen wat de Geest in jouw leven doet,
wat Gods grote werken voor jou betekenen en hoe jij ja kunt zeggen tegen God.
Joël sprak over allerlei indrukwekkende verschijnselen: bloed, vuur en rookwalm,
de zon die verduisterd wordt.
Ook als die verschijnselen nog niet geweest zijn, blijft wat daarop volgt van betekenis:
namelijk dat er een dag aanbreekt dat Christus terugkomt
En wie hier op aarde ja gezegd heeft tegen Hem zal van Hem een ja horen:
Kom in mijn heerlijkheid binnen, wees waar Ik ben, in de hemel, in het Koninkrijk van God.
Als je naar Mij toe komt, Mij aanroept, zul je zalig worden, is er redding mogelijk, toekomst!

Ja zeggen betekent niet, dat je nooit meer twijfel hebt.
Daarom zongen we ook: Geest van hierboven, leer ons geloven,
hopen, liefhebben door Uw kracht.
Maar we zongen ook: Gij houdt ons bij de hand gevat.
U bent het die ons vasthoudt en dat blijft voor altijd ons gebed:
Houd mij vast, laat uw liefde stromen, houd mij vast, heel dicht bij uw hart.
Want we hebben het ontdekt, dat als we aan Uw voeten zijn zoveel leren:
veranderd worden, trots en twijfel wijken voor de kracht van Uw liefde.
Heer, Ik kom tot U, neem mijn hart, verander Mij, als ik U ontmoet, vind ik rust bij U.
gedragen door Uw Geest en de kracht van Uw liefde.
Amen

v

Preek zondagavond 13 mei 2018

Openbaring 22:6-21
Tekst: En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! (vers 17)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de afgelopen preken over Openbaring heb ik steeds gezegd
dat het niet zozeer om allerlei gedachten over de toekomst gaat,
maar dat het gaat om hoe wij in onze eigen tijd trouw zijn aan Christus.
Als je Openbaring leest, kun je niet je schouders ophalen
en zeggen: het gaat mij niet aan.
Nee, als je als gelovige, als gemeente in dit Bijbelboek leest,
besef je dat het steeds gaat om een keuze, een keuze voor Christus,
een keuze om Christus trouw te blijven
en dat in een wereld, die zoveel verleidingen heeft.
Het hele Bijbelboek is steeds een appèl op de gemeente.

Aan het slot van het Bijbelboek zien we twee keer kort iets van het effect
dat het Bijbelboek Openbaring op de gemeente heeft.
Het is maar één woord: Kom!
En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom!
Als je vers 20 meeneemt zijn het enkele woorden extra: Ja, kom, Heere Jezus!
Dat is dus de reactie bij de gemeente op wat Johannes doorgeeft: Kom!
Als Christus zich nog eenmaal voorstelt, aangeeft wie Hij is,
dat de Wortel, het nageslacht van David, de blinkende Morgenster is,
dan blijft het niet stil, maar komt er een roepen vol hartstocht: Kom!
Als U dat bent, blijf dan niet weg, maar kom naar ons toe!
Kom naar deze aarde!
We willen niet langer meer wachten.
Het liefste dat wij zouden willen is dat U in ons midden bent, bij ons hier op deze aarde.
Dat U terugkomt, zoals U van de aarde bent heengegaan.
Kom! – dat is de echo in de hemel en op aarde op wat Christus zegt over Zichzelf
En op wat Johannes aan de gemeenten meedeelt.

Dat roepen om de komst van Christus is uitzonderlijk.
Nee, niet voor de Geest, die gelijk is aan Christus,
Die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt.
De Geest op gelijke hoogte met de Zoon kan het appèl op Christus doen: Kom!
Maar voor de gemeente, ook al is zij de bruid, is het een waagstuk.
Want zij is niet aan Christus gelijk.
Christus is Heer
en het is een heel waagstuk om als ondergeschikte bij je Heer aan te kloppen: Kom!
Geen beleefdheid: ‘Zou u alstublieft willen komen!’
Nee, ‘Kom!’ Heel direct: Kom!
De bruid hoort de Geest roepen en kan niet achterblijven,
het verlangen wordt gewekt door de Geest.
Als de Geest het niet meer kan uithouden, als de Geest wil dat Christus komt,
dan moet de kerk die de bruid van Christus is,
op wie de liefde van Christus gericht is, die Zijn hart gewonnen heeft, niet achterblijven.

Het is de gemeenten ook opgedragen
in de brieven die de gemeenten van Christus kregen:
Die oren heeft, hoort wat de Geest tot de gemeenten zegt.
Let goed op, wees alert wat de Geest tegen jullie zegt en doe mee, stem ermee in.
En nu komt de Geest: Kom! En de bruid van Christus blijft niet achter: Kom!
De Geest is hier niet de gelijke van de bruid, van de gemeente.
Nee, de Geest is degene die de bruid op sleeptouw neemt,
Die aangesteld is door de hemelse Heer om de bruid voor te bereiden,
gereed te maken voor de komst van Christus,
om het verlangen in haar te wekken naar Christus,
die zorgt dat het vuur van het geloof niet uitgedoofd is, maar blijft branden.
Vandaag is het de zondag voor Pinksteren en na hemelvaart,
Een zondag die in het teken staat van het wachten op de komst van de Geest,

als een voorbereiding op het Pinksterfeest
waarop we vieren en gedenken dat de Geest gekomen is,
uitgestort als een regenbui over een dorstig land.
In de traditie van de kerk is aan elke zondag een bepaald vers uit de psalmen verbonden
en de eerste woorden van dat psalmvers vormden de naam van die zondag.
Zondag: ExaudiHoor, HEERE, mijn stem als ik roep. (Psalm 27:7)
Hoor mij als ik roep om de Geest.
Hoor mij als ik meeroep met de Geest: Kom!
Want met alleen de Geest doen we het niet, we willen dat Uzelf komt, terugkomt.
De Heilige Geest is daarin de voortrekker, moedigt ons aan en gaat voorop: Kom.
De Geest schakelt ons in, betrekt ons bij het plan van God, door ons mee te laten roepen,
door ons met reikhalzend verlangen uit te laten zien naar de komst van Christus,
zoals een bruid niet kan wachten tot het moment
waarop ze verenigd wordt met haar bruidegom.

Dat is de kerk: de gemeenschap die met de Geest meeroept om de komst van Christus,
Die door het roepen van de Geest het verlangen in zich op voelt komen
om ook bij Christus te zijn, Hem in je midden te hebben, van Hem en bij Hem te zijn.
De kerk wordt hier genoemd als de bruid.
Bruid betekent allereerst: liefde van de Bruidegom, liefde van Christus.
Christus die om de bruid geeft, het verlangen van Christus dat naar de bruid uitgaat.
Om haar als bruid te werven, kwam Hij ten hemel af.
Bruid, dat is in Openbaring de gemeente die door Christus is vrijgekocht,
bevrijd uit de macht van de boze.
Bruid, dat zijn de mensen die nieuwe kleren aan mogen:
Witte kleren als teken van een nieuw leven, gereinigd van de zonde
en na het overlijden opstaan in een verheerlijkt lichaam.
De bruid kijkt ernaar uit om van de Bruidegom te mogen zijn.
Kijkt uit naar de bruiloft, zoals in Openbaring het wordt genoemd: de bruiloft van het Lam.
De bruiloft moet nog komen:
het moment waarop de gemeente aan haar Heer verbonden wordt
als de Wederkomst is geweest en het oordeel is uitgesproken
en al degenen die van Christus zijn, die de nieuwe kleren hebben aangenomen,
Die hun zonden hebben laten afwassen, die geloofden en trouw bleven,
die volhielden in het geloof, ondanks vervolging en tegenstand mochten ingaan.
Uit het verhaal van Jozef en Maria, het bekende kerstverhaal, weten we
dat een bruid reeds van tevoren van de bruidegom was.
Niet pas op het moment van de bruiloft wordt de bruid van de bruidegom,
maar al eerder: als besloten is tot het huwelijk.
Ze horen dan bij elkaar, zijn al verbonden.
Op de bruiloft wordt het officieel: in het openbaar gevierd.
In de roep van de bruid, waarin ze met de Geest meeroept, geeft ze aan
dat ze verlangt naar het moment van de bruiloft om aan de zijde van de bruidegom te staan
zodat er geen scheiding meer zal zijn,
Ze zijn al van elkaar, al is er een afstand in tijd en ruimte, nog niet bij elkaar,
maar vanaf de bruiloft onafscheidelijk.
De gemeente, de bruid van Christus, verlangt ernaar onafscheidelijk te zijn van haar Heer.
Kom!

Ik kom spoedig heeft de bruidegom gezegd.
Aan het einde nog eens de herhaling: Ja, Ik kom spoedig. Het duurt niet lang meer.
Maar we zijn bijna 2000 jaar verder na het Bijbelboek Openbaring
en na het naar de hemel gaan van Christus.
Kunnen we nog wel spreken van spoed?
Hoelang moeten wij nog wachten totdat Christus komt?
Kunnen we er nog wel vanuit gaan dat Hij komt?
Mijn schoonvader vertelde geregeld dat hij meegemaakt had
dat een bruidegom op de dag van de bruiloft even wegging
om een pakje sigaretten te kopen.
De bruidegom kwam nooit meer terug, verdween voorgoed.
Hoe weten wij dat onze bruidegom ons niet laat zitten en toch komt?
Omdat dit geen aardse bruidegom is,
maar Christus die Zijn betrouwbaarheid heeft laten zien
door Zichzelf te geven om Zijn bruid te redden.
Omdat God en Christus samen één zijn
en God nog nooit een belofte niet is nagekomen.
Als Christus zegt dat Hij komt, mogen we ervan uitgaan, dat Hij komt
omdat Zijn woorden betrouwbaar zijn.
Christus benadrukt het nogmaals: Nageslacht van David, blinkende morgenster,
Alpha en Omega – begin en het einde, A -Z. Er komt niets voor Hem en niets na Hem.
B van belofte dat Hij zal komen, een belofte die vaststaat
en waar we niet aan hoeven te twijfelen
C van crisis, die ons er niet onder krijgt, hoe sterk de crisis zich ook toont.
D van duivel overwonnen, verslagen door Christus, niet langer een vijand.
Eenheid tussen gelovigen hier op aarde, al zijn ze in zoveel verschillende kerken onderverdeeld en eenheid tussen de kerk op aarde en de kerk in de hemel.
H van hemel waar Christus is en de plek waar we zullen zijn als Christus gekomen is.
K van kanker in welke vorm dan ook, een weg die je niet alleen hoeft te gaan
omdat Christus met je meegaat en je draagt, zelfs als de schaduw van de dood over je heen valt, Zijn stok en Zijn staf die je een uitweg wijzen.
De O van oorlog en alle rampen die er op aarde kunnen zijn
S van sterven, het einde van het aardse leven maar voor wie gelooft in Christus een doorgang in een nieuw leven.

Op al die momenten roept de bruid het de Geest na: Kom
En iedereen die het hoort – u, jij wordt opgeroepen dat ook te zeggen: Kom!
Dat Christus komt als je het moeilijk hebt om je te verlossen en te redden,
maar ook op de momenten waarop je gelukkig bent en het goed hebt. Kom!

 

Hoe moet je dat nu doen: die verwachting, dat uitkijken naar het moment
terwijl je gewone dagelijkse leven doorgaat?
Als morgen de wekker gaat, je kleren aantrekt om te gaan werken,
als de kinderen naar school gebracht moeten worden,
als je klaar moet staan vanwege de zorg voor een vader of een moeder,
als je weer voorraden moet aanleveren, bestellingen moet opnemen voor de komende week.
Als je offertes maakt voor over enkele weken, een begroting voor het komende jaar
of een meerjarenonderhoudsplan.
Dat kun je niet laten rusten, dat moet gedaan worden
en toch wordt van ons tegelijkertijd gevraagd om te wachten, om te verlangen
naar de dag dat Christus komt.
Hoe doe je dat?
Zoals een kind dat al maanden van tevoren naar de verjaardag kan uitkijken,
allerlei lijstjes al maakt, allerlei plannen voor het kinderfeestje.
Het moet naar school, speelt bij vriendjes en vriendinnetjes,
gaat trainen, naar muziekles en ondertussen droomt het over die dag.
Zijn we als volwassenen het dromen verleerd,
dromen over hoe het zal zijn als Christus terugkomt
omdat we hier op aarde nog zoveel hebben: een gezin, een baan, een carrière, toekomst,
allerlei zaken die we nog willen meemaken of willen bereiken?
Dat roepen van de Geest maakt de zorg voor het aardse bestaan niet onnodig.
Dat is ook onze taak, een roeping die ons door God gegeven is
En tegelijkertijd, daarbij, ook rekening houdend met die dag die eens dagen zal.

Hoe het niet moet, geeft Okke Jager weer in een gedicht: Kom haastig!

“Kom haastig, Jezus!” bidt de predikant.

“Ja, Amen,” zegt de boer, “wil spoedig komen!

Maar na de oogst, want van m’n nieuw stuk land

Heb ik nog nooit de opbrengst waargenomen.”

“Ja, Amen,” zegt Mevrouw, “maar mag ik voor

De bontjas die ik gisteren zag hangen

Eerst sparen en hem aandoen, als het Koor

Een avond geeft in “Christ’lijke Belangen”?”


“Ja, Amen,” zegt het kind, “maar nu nog niet,

Ik moet nog met vacantie naar de bossen.

Maar ik zal zwaaien, zodat U het ziet,

Als U ons onder schooltijd komt verlossen.”


“Kom haastig, Jezus!” bidt de predikant.

“Maar mag ik eerst die nieuwe lezing lezen,

Die ik gemaakt heb voor het Jeugdverband

Over “Gij zult het wel verstaan na dezen”?”


De beden komen in de hemel aan.

De cherubijnen zwijgen, die ze brachten.

En Jezus vraagt: “Kan Ik vandaag al gaan?”

Zijn Vader zucht: “Ge moet nog even wachten.”

De bruid kan niet meer wachten en zegt het de Geest na: Kom!
De bruid dat kan de kerk zijn die reeds in de hemel, reeds aangekomen in heerlijkheid,
bij Christus, in afwachting alleen nog van die ene dag, de Jongste Dag.
En zij die op aarde zijn – ze worden opgeroepen, zij die het horen, om in te stemmen: Kom!
Zodat de kerk in de hemel en op aarde klaar is om de Heer te ontmoeten,
de stem van Zijn liefde te beantwoorden als Hij gekomen is en dan zegt:
Kom, gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk  dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging van de wereld.
Amen.