Preek zondag 16 februari 2020

Preek zondag 16 februari 2020
Schriftlezing: Lukas 7:36-50

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen vrijdag was de kerkenraad met aanhang bij ons thuis voor een gezellige avond.
Ik geloof dat alle aanwezigen het allemaal erg gezellig vonden
en wij hebben er zelf ook van genoten.
Het is mooi om dat te doen en bijzonder om dat te kunnen doen.

Anderen uitnodigen werkt ook alleen maar als je dat graag doet
en niet als het een verplichting is die je moet doen, waar je niet onderuit komt.
Stel dat je een feest of een avond moet organiseren,
niet omdat je het leuk vindt en omdat je er van tevoren al van kunt genieten,
maar omdat het moet, omdat je er niet onderuit komt
– je had het liever niet gedaan, maar je moet wel.
Dan is het maar de vraag of je op die avond echt een goede gastheer of gastvrouw kunt zijn.
Natuurlijk, het is mogelijk om te verbloemen dat je eigenlijk geen zin had in deze avond,
of dat je er niet op zat te wachten om deze gasten te ontvangen in je huis
door de avond heel goed te organiseren en een goede gastheer of gastvrouw te spelen.
Je zorgt dat het je gasten aan niets ontbreekt: er is genoeg te eten, genoeg te drinken,
de muziek spreekt aan en er is best een aardige sfeer.
De gasten gaat tevreden en voldaan naar huis.
Maar je was niet echt op die avond. Je hebt het uit plicht gedaan en niet uit liefde.
Je hebt het gedaan omdat het moest en niet omdat je ervan genoot.

Mocht je ooit zo een avond hebben gegeven, dan ben je in goed gezelschap,
want Simon de Farizeeër heeft de maaltijd waar Jezus bij was genodigd
georganiseerd uit een soort gevoel van plicht en niet vanuit liefde.
De naam Farizeeër staat bij ons niet goed bekend.
Wanneer je nu een Farizeeër wordt genoemd, is dat niet als compliment bedoeld.
Daarmee wordt bedoeld dat je gedrag niet klopt bij je geloof.
Je doet je vroom en gelovig voor, maar ondertussen ben je niet te vertrouwen,
ben je een heel ander mens: een huichelaar, je bent niet echt, niet oprecht.
Het is echter goed om te bedenken, dat Farizeeën in die tijd gezien werden
Als vrome mensen, die heel nauwkeurig probeerden te leven,
heel stipt volgens de wetten en de richtlijnen van de Heere.
Die stipte levenswandel riep vaak veel waardering en ontzag van anderen op:
Deze mensen wilden God in alles dienen.
Dat Jezus geen hekel had aan Farizeeën blijkt ook wel dat hij de uitnodiging aannam
van Simon de Farizeeër om bij hem de maaltijd te komen gebruiken.
Een uitnodiging voor een maaltijd kreeg je niet zomaar:
Samen eten drukte uit dat je bij elkaar hoort. Dat je samen iets deelt.
Samen eten drukte verbondenheid uit.
Je kunt je alleen afvragen of Simon die verbondenheid met Jezus voelde,
want hij toont zich niet echt een goede gastheer.
Jezus zegt het later tegen hem:
Je hebt mijn voeten niet gewassen, je had geen kus voor me over
en ook geen zalf om tijdens de maaltijd een aangename geur te hebben.
Nu was dat niet verplicht om een gast op die manier te onthalen.
Maar Jezus geeft aan dat Simon geen extra moeite heeft gedaan
om Jezus als gast binnen te halen en een fijne avond te geven
en Hem het gevoel te geven dat Zijn komst als gast werd gewaardeerd.
Er is een mogelijkheid dat Simon Jezus wel gastvrij heeft onthaald
en de voeten heeft gewassen, een kus heeft gegeven ter verwelkoming
en Zijn hoofd heeft gezalfd,
maar dat zo plichtmatig heeft gedaan, dat Jezus geen enkele verbondenheid voelde.
Simon deed het, maar dan achteloos, nonchalant, niet oprecht, niet gemeend.

Ook maaltijden die plichtmatig gehouden worden
in een gezelschap waar je niet onderuit kunt kunnen best goed uitpakken en goed verlopen.
Deze maaltijd verloopt echter op een ongebruikelijke manier.
Dat er mensen ongevraagd binnen kwamen wandelen, gebeurde vaker in die tijd.
Bij ons is een maaltijd iets privés.
Als je ergens bent en er wordt een feestmaal klaar gemaakt,
dan zorg je dat je weg bent voordat de feestelijkheden beginnen.
Je blijft alleen als je de uitnodiging krijgt om mee te doen.
Al wil je misschien graag meedoen, je gaat toch naar huis als je niet gevraagd wordt.
In die tijd was het heel gewoon als je ongevraagd binnen komt wandelen.
Dat een vrouw die in de stad bekend is met een bedenkelijke reputatie is niet opzienbarend.
Wat Simon opvalt is dat Jezus die vrouw niet kent
en dat valt Simon toch wel tegen van Jezus,
Want als Jezus een profeet zou zijn, dan zou hij toch wel weten wie deze vrouw is.
Nou ja, de naam is niet zo belangrijk, belangrijker is dat zij een zondares is.
Een profeet zou van een afstand de stank van de zonde al kunnen opsnuiven
en moeten kunnen zien wie er met God leeft en wie niet.
Een profeet die onwetend is wat betreft de zonde kan geen profeet zijn, is zijn oordeel.
Hij weet wel wie die vrouw is. Hij is geen profeet, maar weet wel dat die vrouw niet deugt.
We komen er niet achter waarom Simon deze vrouw kent.
Misschien is hij persoonlijk met haar in aanraking gekomen.
Misschien heeft hij zijn kennis over deze vrouw wel net als veel anderen in de stad
alleen maar van horen zeggen en kent hij haar eigenlijk alleen maar van de verhalen
die in de stad over haar worden verteld.
Waarom deze vrouw bekend is in de stad, wordt ook niet vermeld.
Het kan zijn dat Simon haar een levensgevaarlijke vrouw vindt,
die heel gemakkelijk mannen in haar bed weet te krijgen.
Het kan ook zijn dat haar zonde op een heel ander terrein ligt: dat ze een tollenaar is.
Welke zonde ze ook begaan heeft,
Simon weet dat je als gelovige een zondaar op afstand moet houden,
Want voor je het weet heeft die zonde ook jou besmet,
word je meegetrokken in de listen van de zonde die haar ook op het verkeerde pad brachten
en raak je ook net als haar buiten de gemeenschap met God.
Want welke zonde ze begaan heeft is hier niet zo belangrijk.
Waar het om gaat is dat ze door haar zonde geen relatie met God meer heeft.
Haar zonde heeft haar geïsoleerd van God.
Door haar zonde is God op een afstand gekomen, en zij kan dat contact niet herstellen.

raak het onreine niet aan,

ga uit haar midden weg, reinig u,

u die de heilige voorwerpen van de HEERE draagt! (Jesaja 52:11)



Dan zegt Jezus over die vrouw iets bijzonders: Zij komt om haar liefde te laten zien
en die liefde heeft voor haar een reden, want ze heeft vergeving ontvangen.
Alles wat ze heeft gedaan, telt niet meer voor God
en staat niet meer in de weg om te komen,
De relatie die verbroken was door de zonde is weer hersteld.
Uit de verschillende Nederlandse vertalingen die er zijn komt het niet helder naar voren,
maar deze vrouw komt niet om vergeving te ontvangen,
maar omdat ze die vergeving reeds ontvangen heeft.
En wat ze nu komt doen is laten zien dat ze die vergeving met heel haar wezen,
met alles wat ze heeft wil beantwoorden en Jezus geeft daar een bijzonder woord aan:
liefhebben.
Dat woord komt opeens in de gelijkenis die Jezus vertelt voor,
waardoor die gelijkenis, maar niet alleen die gelijkenis, maar het hele gebeuren
iets ontroerends krijgt waarvan je zou willen dat het jou ook overkomt.
Het begint met een zakelijk verhaal:
Er is iemand die geld heeft uitgeleend aan twee personen.
Beide personen kunnen het geld niet terug betalen.
De ene heeft een grotere schuld dan de ander.
De een heeft 50 penningen geleend – de waarde van 50 dagen salaris.
De ander heeft 500 penningen geleend – de waarde van 500 dagen werken.
Beiden kunnen ze het niet terug betalen.
Als je ooit een schuld hebt gehad, die je niet hebt kunnen terug betalen
dan weet je dat zo’n schuld al op je kan drukken en hoe het je beperkt in wat je kunt kopen
en als je een grotere schuld hebt, waarbij je anderhalf jaarsalaris moet terug betalen,
dan weet je dat die persoon enorme problemen heeft, waar hij niet meer zelf uit kan komen.
Die ander met een kleinere schuld ook niet.
Dan komt de man die hen het geld geleend heeft en bij wie ze de schuld hebben,
bij hen omdat hij weet dat ze dat geleende geld niet kunnen terug betalen.
Hij legt geen beslag op hun goederen. Hij gooit ze niet in de gevangenis.
Hij neemt geen onderpand mee, maar hij scheldt hen beiden het geld kwijt.
De vraag die Jezus stelt aan Simon naar aanleiding van die gelijkenis
heeft iets verrassends, iets ontroerends.
Jezus vraagt niet wie het meest dankbaar is, wie het meest geholpen zou zijn,
wie het meest opgelucht is, wie het meeste mazzel heeft gehad.
Hij vraagt een heel andere vraag: Wie zal de meeste liefde opbrengen?
Bij wie van de twee begint nu de liefde het meeste op te bloeien?
Wie van de twee zal nu echt gaan houden van de man van wie ze geleend hebben?
Liefde is meer dan dankbaarheid en opluchting, meer dan een verplicht dankjewel-zeggen,
maar liefde is het besef: vanaf nu horen we bij elkaar
en niet omdat we daartoe verplicht zijn,
zoals we door die schuld ook met elkaar te maken hadden,
maar omdat er ook een innerlijke verbondenheid is, genegenheid is.

Zou Simon geweten hebben dat Jezus met deze gelijkenis het over God heeft,
net zoals Simon ook aan God dacht toen de vrouw Jezus aanraakte
en bij zichzelf dacht: dat zal de Heere nooit tolereren,
namelijk dat een van zijn heiligen aangeraakt zou worden
door iemand die het spoor helemaal bijster is en van Hem is afgedwaald?
Zou Simon ook weten met welke van de twee mannen hij zichzelf moet vergelijken?
Het ligt voor de hand om te denken dat Simon de man is met de schuld van 50 penningen.
Maar is dat zo?
Ben je een grotere zondaar wanneer je makkelijk mannen verleidt of vreemdgaat?
Ben je een grotere zondaar wanneer je mensen geld afperst, bedriegt en bedreigt?
En ben je een kleine zondaar wanneer je jezelf beter en heiliger vindt dan anderen?
Wat is erger?
Een zonde begaan in het openbaar, of in jezelf op Gods troon gaan zitten
en oordelen over anderen?
Simon, die vrouw die achter Mij staat laat iets van die liefde zien die ze kan opbrengen,
die ze wil brengen omdat ze zoveel van Mijn Vader in de hemel heeft gekregen.
En jij dan? Hoe zit het met jouw liefde? Kun jij zoveel opbrengen als deze vrouw?
Want deze vrouw laat zien hoe je gastheer, gastvrouw kunt zijn
en hoe je Mij gastvrij kunt onthalen in je leven.

Wat is een grotere zonde: de verkeerde weg inslaan en bij God vandaan gaan
of je ogen en je hart sluiten voor iemand die op de verkeerde weg is
en van wie je weet dat hij of zij zonder God leeft en zo verloren is en verloren zal gaan?
En dat je vooral bezig bent om jezelf rein te bewaren en je niet te laten besmetten
door die zondige levensstijl die de ander heeft?
Het grote probleem voor Simon is die aanraking: Jezus die door die vrouw wordt aangeraakt
En Simon ziet daarin hoe de zonde van die vrouw wordt overgedragen op Jezus.
Hij heeft gelijk, maar in plaats dat hij beseft dat hij ook moet komen
om zijn eigen schuld bij Jezus te brengen en door Jezus weg te laten dragen
plaatst hij zich juist op een grotere afstand tot Jezus
En is het de vraag of hij nu niet degene is met die grootste schuld.
Simon kan niet geloven – althans nu nog niet.
We weten niet hoe het verhaal afloopt en wat het met Simon doet.
Het zou kunnen zijn dat Simon deze woorden ter harte neemt
en het voorbeeld van de vrouw volgt door ook zijn zonden in Jezus’ handen te leggen.
Het verhaal vertelt niet wat Simon doet, omdat het om onze reactie vraagt:
En wij? Leggen wij onze zonden in de handen van Jezus?
Ook de zonden die wij in onze gedachten doen moeten we daar brengen.
Ook de zonden die wij doen als we denken dat wij het beter doen

en heiliger zijn dan anderen en minder zonden doen.
Of de zonden dat je de verlorenheid van de ander niet wil zien.
Of de zonden dat je je ogen sluit voor de tekenen van liefde
die een ander wel kan opbrengen voor Christus terwijl het bij jezelf maar plichtmatig is.

Jezus neemt het gebaar van deze vrouw aan.
Hij laat de tranen op Zijn voeten komen.
Hij staat het deze vrouw toe dat ze Zijn voeten afdroogt
en dat ze Hem zalft met de zalf die ze meegebracht heeft.
Jezus aanvaardt wat deze vrouw komt brengen.

O, neem mijn leven, geest en hart, en laat mijn ziel in vreugd en smart,
bij U geborgen wezen!

Misschien hebt u de hele preek wel nagedacht over die tranen van deze vrouw
en denkt u bij uzelf: Ik heb nog iets gemist over die tranen.
Want zijn die tranen geen tranen van berouw?
Komt de vrouw niet met haar schuld bij Jezus om die bij Jezus te brengen?
Ik dacht ook eerst dat die tranen die de vrouw hier laat gaan
een teken waren van het besef dat haar zonden zo op haar drukten
en dat ze vol berouw bij Jezus kwam in de hoop dat Hij haar zou willen vergeven.
Maar die tranen gaan niet aan de vergeving vooraf.
Die tranen komen nadat ze vergeving heeft ontvangen.
Omdat ze weet dat haar vergeven wordt en vergeven is, daarom komt ze bij Jezus.
Dat is wat Jezus in de gelijkenis aan Simon uitlegt.
Die tranen, dat kussen van de voeten, daarmee laat ze zien dat ze begrepen heeft,
dat dat haar geloof is, dat haar zonden niet meer van haar zijn, maar van deze Jezus
van wie ze de voeten kust.

Die voeten van Jezus spelen een belangrijke rol in dit verhaal:
Zijn voeten zijn niet gewassen door Simon en de vrouw richt zich vooral op Jezus’ voeten.

Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van hem die het goede boodschapt, die vrede laat horen, die een goede boodschap brengt van het goede (Jesaja 52:7)

Dat is niet zomaar een tekst, maar het begin van een gedeelte,
Dat gaat over de Knecht des Heeren, die gekomen is om de zonden op zich te nemen,
om onze schuld te dragen, weg te nemen – van deze vrouw, van u, van jou van mij.
De Heere Jezus zag zichzelf als deze Knecht, was deze Knecht.
Gelukkig ben je als je bij Hem je zonden kunt brengen. Amen


Tips homiletiek

Tips homiletiek

Welke boeken zou je kunnen lezen als je wat meer wilt lezen over preken maken? Hierbij enkele tips.

Ik ben zelf erg weg van “The Four Pages of the Sermon” van Paul Scott Wilson. Met dat model laat hij zien dat de preek uit vier gelijke blokken bestaat, waarvan het twee blokken over de Bijbel gaan en twee blokken over het heden. Wat ook sterk is aan zijn model, is dat hij aandacht vraagt voor wat God doet. Dat moet de kern van de preek zijn. In zijn model besteedt hij veel aandacht aan hoe je tot de kernboodschap komt en hoe de afzonderlijke pagina’s worden opgebouwd.  Ik heb zowel de eerste als detweede druk. Deze drukken wijken wel wat af.

Twee boeken die op het model van Wilson voortbouwen zijn:

  • Actuality van Scott Hoezee. Hoezee denkt na over hoe de boodschap in het heden (zowel trouble als grace) in de preek kan worden uitgewerkt, bijvoorbeeld dmv verhalen. (Bespreking)
    actuality
  • Preaching Pictures van Peter Jonker. Jonker denkt na over het gebruik van beelden. Het eerste deel gaat over beelden in woorden. Het tweede deel over gebruik van powerpoint en film in de preek. (Bespreking)
    preaching-in-pictures

Paul Scott Wilson schreef ook een boek over verschillende stijlen in een preek: hoe kun je een getuigenis, een lofprijzing, een gebed, enz onderdeel laten zijn van je preek. Ik heb daar geregeld in gekeken: Setting Words on Fire.

In Broken Words werkt Wilson zijn model uit aan de hand van verschillende genres van bijbelteksten en soorten boodschappen.

Ook handig is dit handboek dat Wilson redigeerde. Daarin staan veel korte lemma’s waarin best handige tips te vinden zijn.

Mocht je Duits kunnen lezen: de Dramaturgische Homiletik van Martin Nicol is boeiend. Dat is een Duitse bewerking van de New Homiletic(s):
– Nicol bracht in 2003 een pamflet uit: Einander ins Bild setzen, waarin hij zijn visie bewust uitdagend neerzet.
51VJ1vZMrKL.SR160,240_BG243,243,243
– Wat later gaf hij samen met Alexander Deeg een Praxisbuch uit: Im Wechselschritt zur Kansel. Daarin werken ze veel praktische voorbeelden uit mbt woordgebruik, preekopbouw, spanning.
51iJKE6yV6L._SR600,315_PIWhiteStrip,BottomLeft,0,35_SCLZZZZZZZ_
– Vorig jaar bracht Nicol een boek uit met preken, waarbij hij ook een aantal aspecten van zijn theorie weer bespreekt: Mehr Gott wagen. (Zie deze bespreking)
Zijnliturgiek is ook aardig trouwens: Der Weg im Geheimnis. Ook met het oog op preken maken. (Zie de bespreking)
978-3-525-61050-3
De Predigtlehre van Wilhelm Gräb heb ik niet gelezen, maar ziet er uitdagend uit.
31dAp8dlI8L
Verder heb ik in mijn begintijd geregeld in Bohrens Predigtlehre gekeken en heb ik ook veel gehad aan Seelsorglich predigen van Christian Möller.


Daniel Overdorf  schreef 52 oefeningen om je preek te verbeteren. Vaak zinvolle tips. (Enkele voorbeelden)
51DTh2lGA6L._SX322_BO1,204,203,200_

Ronald J. Allen schreef veel boeken over preken maken, zoals over het houden van een themapreek en over een preek waarbij de je bijbeltekst vers-voor-vers volgt.

Ook wel aardig: Reiner Knieling: Was predigen wir. (bespreking)
32591272z

 

 

Film in de gemeente

Film in de gemeente
(Op verzoek geschreven voor Theologia Reformata – themanummer In ’t Beeldenrijk)

1 Introductie
‘Waarom maken we tijdens de jongerendienst geen gebruik van een filmpje. Zonder filmpje is een jongerendienst geen echte dienst voor jongeren.’ Een reactie tijdens catechisatie. Deze catechisante gaat verder: ‘Tijdens de kerstviering hadden we een mooi filmpje. Iedereen die dat filmpje ziet, is onder de indruk. Wacht, ik zal onze docent even app-en of ik dat filmpje mag hebben.’ Een andere catechisant reageert: ‘Welk filmpje bedoel je?’ ‘Als ik dat filmpje gekregen heb, zal ik het je laten zien.’ Ze krijgt een appje terug met een link naar het filmpje en laat het filmpje zien. De andere catechisant: ‘Ik kan me dat filmpje helemaal niet meer herinneren.’

Het tonen van een film(fragment) kan zo’n impact hebben, dat iemand nog tijden later kan herinneren wat er getoond werd en welke indruk het gegeven heeft. Ook geeft een film een gezamenlijke belevenis. Tegelijkertijd laat gesprekje zien dat kijkers een film verschillend bekijken en waarderen. Vanwege die gezamenlijke belevenis en vanwege die impact kan film een medium zijn om in de praktijk van de gemeente te gebruiken. Met de inzet van het medium wordt aangesloten bij de leefwereld van jongere maar ook volwassen gemeenteleden. Daardoor wordt er een verbinding gemaakt tussen de verschillende leefwerelden van gemeenteleden. Daarnaast bevatten films veel religieuze thema’s. Bij het gebruik van film kan worden getoond hoe godsdienstige thema’s in onze cultuur aan de orde komen.
Het gebruik van films vraagt wel om fijngevoeligheid, omdat door de impact een grens van wat gepast is eerder in beeld komt. Er zullen gemeenteleden zijn die al ongepast vinden om (bepaalde) films te gebruiken in het gemeentewerk. Ook kan een film een gebrek aan kwaliteit hebben, waardoor het tonen een negatief effect kan hebben. Het tonen van een film vraagt om een goede reflectie vooraf en om goede werkvormen voor tijdens of na het kijken.

2. Ontsluiten van Bijbelgedeelte of theologische thema’s
Film kan in  in de praktijk van de gemeente worden ingezet om een bepaald thema  of om een gedeelte uit de Bijbel te introduceren of te ontsluiten. Er kan op verschillende manieren een verbinding zijn tussen een gedeelte uit de Bijbel en een film: In een film kan een bijbelverhaal als historisch verhaal wordt naverteld. In een film kan een waarin een Bijbelverhaal geactualiseerd wordt, hetzij serieus, hetzij ironisch. Er kan ook een expliciete of impliciete verwijzing naar de de Bijbel in de film verwerkt zijn.
Films waarin verwijzing naar de Bijbel verwerkt is, waarom een Bijbelverhaal wordt naverteld of wordt geactualiseerd laten zien dat de verhalen uit de Bijbel nog steeds attractief zijn. Nogal eens zijn verfilmingen van de Bijbel van matige kwaliteit. Een matige kwaliteit hoeft echter niet altijd een belemmering te zijn om een film in te zetten. Bij een afsluiting van een catecheseseizoen liet ik de jongste groepen Road to Emmaus zien, een film waarin de twee Emmaüsgangers al discussiërend naar Emmaüs teruggaan. Aan de opbouw van een verhaal of het tot leven brengen is niet gedacht. Tot mijn verbazing waren de catechisanten onder de indruk van de film en begrepen ze daardoor het verhaal van de Emmaüsgangers beter omdat ze discussie voor hen was uitgebeeld. Dat opende mijn ogen ervoor dat jongeren niet altijd in staat zijn om gelaagde films goed te verwerken. 

Ondertussen is het heel gebruikelijk geworden om theologische thema’s aan de hand van een film aan de orde te stellen. Van den Brink en Van der Kooi geven in hun Christelijke Dogmatiek bij het hoofdstuk over de zonde en het kwaad als opdracht ‘om erin te komen’: ‘bekijk de film Le gamin au vélo (The Kid with the Bike, 2011). Hoe verschijnen hier zonde en kwaad? Wordt er een uitweg geboden?’ Een film kan dus worden gebruikt om een theologisch thema te ontsluiten. Het kan ook omgekeerd: dat het kijken van een film een aanzet geeft om over een theologisch thema na te denken. Toen ik in een kerstvakantie met een van kinderen meekeek met Frozen viel mij op hoeveel fragmenten uit deze film aan theologische thema’s doen denken. Een van de motieven in deze film is een hart dat bevroren is geraakt. In de eerste scène, de proloog, wordt op dat thema al gepreludeerd doordat hier mannen in beeld komen, die ijsblokken zagen en zingen over de kracht en het gevaar van ijs. Tijdens het kijken moest ik de uiteeenzetting van Jezus over het hart van de mens, dat volgens Hem  een bron zonde en kwaad is (Markus 7:6-23). Zo brengt een kinderfilm de kijker op reflectie over dogmatische loci als de antropologie en de zondeleer. In de bespreking kunnen ook de andere fragmenten in de film waarin het motief van het bevroren hart in het verhaal wordt uitgewerkt en kan dat in gesprek gebracht worden met de Bijbel en de dogmatiek.

3. Catechisatie
Inzet van film in de catechese vraagt volgens de godsdienstpedagoog Reinhold Zwick wel om een goede didactische onderbouwing en reflectie ( Reinhold Zwick, ‘Bibel im Film’, in M. Zimmermann & R. Zimmermann (Hg.) Handbuch Bibeldidaktik, 565-571.).
Jongeren in deze tijd van social media, internet en veel tv-kanalen overvoerd met beelden Daardoor het film als didactisch middel zijn aantrekkingskracht verloren heeft. Omdat de film een samenspel van een verhaal met extreem veel visuele en auditieve indrukken, kan een film niet getoond worden als pure illustratie en ook niet zonder goede duiding of verwerkingsopdrachten. Voor film in het onderwijs geldt volgens Zwick het adagium: het weinige is beter. Het is beter om slechts één film als uitgangspunt te nemen en aan de hand van die ene film steeds verschillende thema’s aan de orde te stellen.
Begeleiding door middel van kijkopdrachten vooraf of verwerkingen achteraf zijn onontbeerlijk (zie). Op deze manier kan op catechisatie een bijdrage worden geleverd aan mediacompetentie.

4. Kringwerk
In een gemeente kan er een filmkring zijn, waarbij men met elkaar een film bekijkt en daarover doorpraat. Bij zo’n filmkring wordt dan meestal een keuze gemaakt voor een bepaalde film en is de bespreking afhankelijk van wat de kijkers aan ervaringen verwoorden. Er kan ook gekozen worden om bepaalde pastorale thema’s aan de orde te stellen en daarbij een filmfragment uit te kiezen. Film kan ook gebruikt worden om diaconale of missionaire bewustwording te stimuleren.
Dat er rekening gehouden moet worden met kritische reacties waarbij de film geheel wordt afgewezen, laat de blog Al die seks in de kerk van Robert-Jan van Amstel zien. In dat blog reflecteert hij op de film Le tout nouveau testament, die niet goed werd ontvangen. Na afloop kwamen er kritische reacties: “Zonde dat het einde van de film moet klinken met een vloek.” “Moet dat nou, zo’n film met al die seks, in de kerk?” “Ik snap niet dat dit wordt vertoond in een huis van God.” “Ik wilde eigenlijk weglopen tijdens de pauze, want ik geneerde me voor wat ik zag.” Van Amstel geeft aan dat hij geen films laat zien om te provoceren. Om de reacties te kunnen duiden, sluit hij aan bij de drie lagen van normativiteit die Rinke van Hell onderscheidt ten aanzien van het kijken van films: het eerste niveau is de ethische normativiteit: past deze film bij de normen en waarden van de kijker? Het tweede niveau is het niveau van dogmatische normativiteit: past deze film bij hoe ik de wereld waarneem en duid? Het derde niveau is de esthetische normativiteit: laat deze film mij ruimte? Dit onderscheid gaf Van Amstel de verklaring waarom de film verkeerd viel: omdat een deel van de kijkers al op het eerste niveau van de ethische normativiteit moeite hadden met de film. De les die hij trok uit de reacties was om de film kort in te leiden en ruimte te bieden voor een goede nabespreking (zie:cometentiemodel mediawijsheid van de Raad voor Cultuur).

5. Preekvoorbereiding
Bij de preek kan een film zowel tijdens de voorbereiding van de preek worden gebruikt als tijdens de eredienst. Sinds de opkomst van de New Homiletic is het heel gebruikelijk om de film als voorbeeld voor de preek te zien. Een preek kan net zo worden opgebouwd als een film, waarbij een preek net als een film uit verschillende moves bestaat. Een preek wordt krachtiger en levendiger wanneer de inhoud van de preek wordt verbeeldend wordt weergegeven alsof de gemeente naar een film kijkt (Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon, p. 85-89.). Zonder deze verbeelding wordt de preek een tekst die naar de gemeente wordt gecommuniceerd, terwijl het beter is om in de preek een werkelijkheid op te roepen, te ensceneren waarin de hoorder kan instappen. De prediker kan van een goede film leren hoe een werkelijkheid wordt opgeroepen, hoe een verhaal wordt verteld en hoe een beeld wordt uitgewerkt, hoe spanning in een preek kan worden opgeroepen. De preek kan worden gecreëerd rondom een beeld of een scène, waarbij het mogelijk is om dat beeld of die scène steeds weer terug te laten keren in de preek (Peter Jonker, Preaching in Pictures). Dit beeld of deze scène helpt door de enscenering van de boodschap het doel van de preek te bewerkstelligen.

Een preek kan ook van een film leren om na te denken over het effect dat de preek heeft. Ooit las ik in de Filmkrant een interview met de acteur Mad Mikkelsen. Daarin vertelde hij over het effect dat een film kan hebben en de reden waarom hij graag  complexe persoonlijkheden speelt: ‘Taxi Driver had de grootste impact, dat was de eerste echte film die ik zag. Ik kwam de bioscoop uit en ik voelde me totaal verward over dat personage. Toen begreep ik waar de echte kracht van films ligt: niet dat ze je vertellen hoe je je moet voelen, maar dat ze je een vraag voorleggen die je zelf moet beantwoorden. Daarom houd ik ook meer van antihelden want die zijn meer dualistisch, meer complex. Het is saai om de goeierik te zijn.’ We kunnen deze uitspraken van Mikkelsen toepassen op de preek: Een goede preek schrijft niet voor hoe de hoorder dient te reageren, maar neemt de hoorder mee en laat het effect over aan de hoorder. Een goede preek brengt de Bijbelse personen in hun ambivalenties ten tonele. Wanneer die ambivalenties niet worden getoond, worden Bijbelse personen platte personages en saaie goedzakken, die nauwelijks van vlees en bloed zijn. Een goede preek legt de hoorder een existentiële vraag voor, waar de hoorder zelf op moet antwoorden. 

6. Eredienst
Tegenwoordig is het in veel kerken technisch mogelijk om een film te tonen tijdens de eredienst. Het gebruik van beelden als medium om een boodschap te communiceren of in contact te komen met God is niet nieuw in de kerkgeschiedenis: van iconen, fresco’s, beelden en schilderijen is in de loop van de eeuwen steeds weer gebruik gemaakt. Vandaag de dag dienen we alleen wel rekening te houden met een overvloed aan beelden in het dagelijkse leven. Dat vraagt om een zorgvuldige liturgische doordenking over het nut van film in de eredienst. Allereerst is het nodig om te overwegen of een fragment wel getoond moet worden: Net zoals bij het aanhalen van een citaat van een bekend theoloog in de preek het beter is om dat wat geciteerd wordt in eigen woorden weer te geven, kan het zinvol zijn om een filmfragment niet weer te geven of te verwijzen naar het desbetreffende fragment, maar het in eigen woorden te verbeelden. Is het tonen van een film een zinvolle bijdrage? Geeft het filmfragment nog ruimte aan de woorden van de preek of overstemt het de woorden van de preek? Is het filmfragment slechts bedoeld als illustratie of opstapje? Of daagt het de verbeelding van de kerkganger uit? Is er in de keuze rekening gehouden met de niveaus van normativiteit van Van Hell? De meest geëigende plek in de dienst om een filmfragment te tonen is voorafgaande aan de preek of tijdens de preek, waarbij de prediker na het getoonde fragment ingaat op wat er gezien is. De voorganger kan vooraf een introductie geven, waarin de gemeenteleden een kijkopdracht krijgen. Er kan ook voor gekozen worden zonder introductie te kijken. Daarbij moet men wel rekening mee houden dat de kijkervaring heel divers is en een aantal gemeenteleden het prettig vindt om te weten waar op gelet moet worden.

7. Pastoraat
Aan het gebruik van film in het pastoraat had ik niet gedacht als ik daar niet over had gelezen bij Margriet van der Kooi (Kleine meisje van de hoop, p. 139-141). Van der Kooi vertelt hoe zij aan een echtpaar met huwelijksproblemen de tip geeft om samen te kijken Hope Springs. De film toont een echtpaar dat terechtgekomen is in een sleur en alle intimiteit in het huwelijk gaandeweg is kwijtgeraakt. De man lijkt zich erbij neergelegd te hebben, maar de vrouw begint steeds meer te missen. Aan het begin van de film plaatst de vrouw haar man voor het blok om mee te doen met een therapie. Bij het bekijken van de film had ik zelf wel wat aarzelingen om de film aan pastoranten voor te stellen als kijktip, omdat de beide echtelieden worden aangespoord om hun seksuele fantasie te laten gaan. Daardoor gaat naar mijn idee een verkeerde suggestie uit van de film. Ook al vind ik deze film zelf geen goede suggestie om aan te raden, de tip om een film aan te raden is wel een goede. Het kijken naar een film kan een aanleiding zijn om over het eigen leven na te denken. Wanneer echtpaar elkaars taal niet spreekt, kan het samen bekijken van een film en daarover doorpraten een manier zijn om elkaars taal en beleving beter te leren kennen. Ook hier kan een goede introductie en goede verwerkingsopdrachten zinvol zijn.
Pastorale thema’s kunnen ook via film aan de orde worden gesteld in het kringwerk. Daarbij kan gedacht worden aan thema’s als rouw, eenzaamheid, schuld, het vinden van de eigen identiteit. Een voordeel van deze werkwijze is gemeenteleden zich gemakkelijker toegang hebben tot het thema: Ze zien hoe het thema wordt verbeeld. Wanneer ze uitgenodigd worden door de ogen van een bepaald personage uit de film kijken, hebben ze de mogelijkheid om het thema zelf van verschillende kanten te bekijken. Wanneer ze van tevoren niet bekend waren met een bepaalde thematiek, kunnen ze op deze manier daarmee kennismaken. Wanneer ze er wel mee bekend zijn, hebben ze een bepaalde veiligheid om over de het thema te spreken. Ze kunnen hun ervaring naar voren brengen via een personage zonder dat zij zichzelf hoeven bloot te geven. Wanneer zij wel graag iets van zichzelf delen, kan film hen aanknopingspunten bieden om te verwoorden wat hen bezighoudt.

8. Leiding geven aan de gemeente
Tijdens de klinische pastorale vorming, die ik volgde, kregen we de opdracht bij het blok leiderschap om een filmfragment van 5-15 minuten mee te nemen die voor ons iets laat zien over leiderschap. Een van de deelnemers liet het fragment zien uit de film Les hommes des Dieux, waarbij de abt van het klooster de rebellen de toegang tot het klooster ontzegt, omdat de rebellen wapens dragen. Na het kijken van het filmfragment ging het gesprek over de angst die er kan zijn en de moed die nodig is om leiding te geven in precaire situaties. Zelf liet ik de eerste 15 minuten van For Lions and Lambs zien, waarbij leiderschap op verschillende manieren aan de orde komt: een aanstormend politiek talent, mogelijk zelfs presidentskandidaat, die een topjournalist uitnodigt en haar een uur geeft voor een interview. Omdat ze daar niet op gerekend heeft, moet ze improviseren en voelt ze dat ze gebruikt wordt om een nieuwe strategie in Afghanistan te promoten. Het gaat over een professor, die een deal sluit met een luie student om hem te prikkelen bewuster met zijn studie en met zijn leven om te gaan. Het gaat over enkele soldaten die ingezet worden in de nieuwe strategie van de VS in Afghanistan. (Van deze soldaten blijkt later in de film dat zij briljante studenten van de professor waren, afkomstig uit lage sociale klassen, en door in dienst te gaan de lessen trokken uit de colleges van deze professor. Tijdens deze nieuwe actie sneuvelen zij, omdat de nieuwe strategie te riskant blijkt te zijn.) Ook al staan de werelden van de Algerijnse opstand, het Amerikaanse leger en van een Amerikaanse ver af van de kerkelijke gemeente, de vraag wat deze fragmenten ons leren over leiderschap in de kerkelijke gemeente brengt een zinvol en diepgaand gesprek op gang over welk leiderschap er nodig is in de gemeente.

9. Spiritualiteit
Dat een film heel goed in staat is om over spiritualiteit te gaan laten Silence en Les hommes des Dieux zien. Een film ook problematische kanten van geloven aan de orde stellen, zoals machtsmisbruik. Of komen gelovigen of geloofsthema’s op een karikaturale wijze aan de orde. Aan de andere kant zijn films met een bewust christelijke boodschap vaak veel te expliciet in het verbeelden van het geloof, waardoor de personages plat blijven en aan de kijker te weinig ruimte geboden wordt om er niet in mee te komen en daardoor averechts werken.

Hoe een film kan bijdragen aan de geloofsontwikkeling beschrijft Willem Jan Otten (Waarom komt u ons hinderen?, p. 8) als hij het begin van zijn kerstening koppelt aan het zien van de film Bad Lieutenant. Deze film is niet eens een goede film. Wanneer de hoofdpersoon, een corrupte agent weet dat hij alles zal verliezen, komt hij in de kerk waar een non eerder op het altaar is verkracht. Daar komt hij oog in oog met een kitscherig Jezusbeeld. Ondanks deze kitsch is deze film wel een van de aanzetten geweest van een proces die later uitmondt in zijn doop. Hij beschrijft hoe hij door deze scene zich ‘op zijn plaats gesteld’ wist. In het boek beschrijft hij hoe ook andere films hem gevoelig gemaakt hebben voor geloof.

10. Diaconaat
Dissolve betekent in de filmtechniek de overlapping van twee filmische beelden. Het ene beeld schuift in een tweede beeld. Twee beelden schuiven in de oordeelstoespraak van Jezus [Mattheüs 25:35] in elkaar en uiteindelijk is het ene beeld niet meer van het andere te onderscheiden. Het ene beeld: de verkrachte vrouw uit Sudan, die bij ons een herberg en een schuilplaats zoekt; het andere beeld: het gezicht van Christus. De beelden zijn niet meer van elkaar te scheiden.’ (Fulbert Steffensky, Orte des Glaubens, p. 25.) Het samen bekijken en bespreken van een film kan de ogen openen voor diaconale thema’s. Bij thema’s als de zeven werken der barmhartigheid, de strijd voor gelijke rechten, de strijd voor vrede en gerechtigheid, kan een film de complexiteit en de ambivalentie te laten zien van zowel de armoede of de nood als de hulpverlening. De kijker een inkijkje krijgt in deze wereld en tot nadenken genodigd wordt over de eigen wereld en het eigen handelen.

11. Werkvormen
Gebruik van film kan niet zonder werkvorm. Welke werkvorm zinvol is, hangt van de intentie waarmee een film wordt getoond. Als het gaat om een bespreking van de totale film, zoals bij een filmkring, kan volstaan worden met een korte introductie en een bespreking van de indrukken die de film bij de kijker achtergelaten heeft. Wanneer een film bij een bepaald thema is uitgekozen, kan vooraf aan het tonen van de film een kijkopdracht gegeven worden. De kijker kan gevraagd worden zich met een van de personages te identificeren. Deze opdracht kan nog verder gespecificeerd worden: gevraagd kan worden om na te gaan met wie men zich identificeert of juist iemand te kiezen met wie men niet zo snel zou identificeren. De opdracht kan gegeven worden hoe het in het getoonde fragment het thema aan de orde komt. Daarbij kan gelet worden op de technische kanten: cameraperspectief, personages, kleur, symboliek, muziek, verhaallijn, enz. Aan de hand van deze aspecten kan met elkaar besproken worden wat deze film wil communiceren. De kijker kan gevraagd worden om een het getoonde fragment te linken aan de Bijbel of de geloofsleer. Daarvoor hoeft niet expliciet iets uit de Bijbel of de geloofsleer aan de orde komen of via een impliciete verwijzing te gebeuren. Ook als de film geen expliciete of impliciete verwijzing heeft kan over de verbinding tussen de film en de Bijbel of geloofsleer worden nagedacht. Degene die de film toont kan op een karakteristiek punt in het verhaal de film stoppen en de kijkers vragen om na te denken over het vervolg. Dat kan via een groepsgesprek of door middel van een individuele creatieve schrijfopdracht. Andere creatieve verwerkingen zijn een gesprek aangaan met een van de personages of een monoloog bedenken die door een van de personages gezegd of gedacht kan worden. Een verwerking kan zijn om een recensie te schrijven of een recensie van een ander te bespreken. De kijkers kunnen na de bespreking van de film worden uitgedaagd om uit te werken, wat hoe hun film eruit zou zien als zij gevraagd worden voor een film over hetzelfde thema: welk verhaal, welke personages, welke symboliek, welke perspectieven, welke boodschap, wat voor muziek? 

12. Besluit
In dit artikel heb ik laten zien hoe film als medium kan worden ingezet binnen de kerkelijke gemeente. Verdere doordenking vraagt naar mijn idee de verschillende manieren waarop een film wordt bekeken en gewaardeerd. Het is naar mijn idee zinvol om na te gaan of een verschillende kijkervaring ook te maken kan hebben met een verschil in sociaal milieu. In de missionaire doordenking wordt tegenwoordig gekeken welk effect het behoren tot een bepaald sociaal milieu heeft op de binding met de kerk en aandacht voor godsdienstige thema’s. Onderzoeken hebben laten zien dat bij de verschillende milieus verschillende opvattingen bestaan over wat het ware leven is, over wat het leven zin geeft, over wie God is, over wat de waarde van de kerk, de eredienst, de doop, enz is. Gevoeligheid voor de sociale milieus kan helpen om films en thema’s te kiezen die op de doelgroep zijn afgestemd.

Gepubliceerd in Theologia Reformata jaargang 60, nr. 4. December 2017.  (met voetnoten en literatuurverwijzing)

We moeten het weer meer over God hebben in de preek

We moeten het weer meer over God hebben in de preek
Recensie van Martin Nicol – Mehr Gott wagen. Predigten und Reden zur Dramaturgischen Homiletik

De preek en de kerkdienst hebben het in deze tijd niet makkelijk. Veel mensen in onze tijd zitten niet meer te wachten op een boodschap van God. Vaak is er sprake van desinteresse. Deze desinteresse geeft het beeld dat we leven in een samenleving waarin de afwezigheid van God vanzelfsprekend is. God wordt niet meer gemist.

Martin Nicol, emeritus hoogleraar Praktische theologie aan de Universiteit van Erlangen signaleert dat die vanzelfsprekende afwezigheid van God ook de kerkgangers en de kerkdienst beïnvloedt. In deze tijd waarin God niet meer gemist wordt is het ook moeilijker voor predikanten om het over God te hebben. Met zijn boek Mehr Gott wagen wil Nicol predikanten uitdagen om in een tijd waarin Gods afwezigheid vanzelfsprekend lijkt te zijn het meer over God te hebben.

We moeten het weer meer over God hebben in de preek. Dat lijkt voor de hand te liggen: elke preek gaat toch over God? Maar juist in een tijd en een samenleving waarin God niet meer vanzelfsprekend is, dreigt God ook uit de preek te verdwijnen.
2076
Altijd een waagstuk geweest
Nu is het nooit makkelijk geweest om te preken. De preek is immers een spreken over God en namens God en dat door een mens. Wie is als mens in staat en bevoegd om namens God te spreken? Is de menselijke taal wel toereikend om over God te kunnen spreken? Preken is in alle tijd een waagstuk geweest. Voor Nicol is de definitie van preken dan ook  het wagen om over en namens God te spreken. Voor preken is moed en durf nodig. Omdat het niet vanzelfsprekend is om het over God te hebben, maar ook omdat je als mens ook het risico loopt om je te vertillen.
978-3-525-57316-7_600x600
Spannend gebeuren
Preken is dan ook een spannend gebeuren, waarin twee werelden bij elkaar komen: de wereld van God en onze aardse werkelijkheid. In de kerkdienst wordt een kerkganger de werkelijkheid van God binnengeleid. Die werkelijkheid van God is net zo reëel als onze aardse werkelijkheid. Wel blijft die werkelijkheid van God een geheimenis houden. Die werkelijkheid is niet altijd zichtbaar en ervaarbaar.

Daarom helpt een kerkdienst en een preek de kerkganger om in die wereld te komen. In deze tijd waarin God niet meer gemist wordt is het des te urgenter de kerkganger te helpen om die werkelijkheid van God binnen te komen. Omdat voor Nicol in de kerkdienst en de preek deze twee werkelijkheden samenkomen, is de preek bij voorbaat een spannend gebeuren. Een saaie kerkdienst en een saaie preek kan eigenlijk niet.
safety-cover
Kunst van het preken
Een preek wordt niet spannend door te stellen dat de kerkdienst bij voorbaat een spannend gebeuren is. In een preek die gehouden wordt kan alle spanning weg zijn. Bijvoorbeeld door verkeerd taalgebruik, door gebrek aan respect voor het geheimenis, door een voordracht waarin er geen klik is met de luisteraar. Ook daarom is preken niet makkelijk en is preken een hele kunst. Nicol spreekt dan ook van de kunst van het preken. Hij schaart het preken dan ook onder de kunsten.

Leren van de kunsten
Net zoals schilderen, schrijven, componeren, drama, film, enz is preken een kunst. Van die andere kunsten kan de predikant veel leren als het om preken gaat. Van schrijvers en dichters kan geleerd worden welke taal je kunt gebruiken als je luisteraars in een andere wereld wil meevoeren. Van toneel kun je als predikant leren hoe je in een voordracht de luisteraars boeit en meeneemt en verplaatst in een andere werkelijkheid. Van muziek kun je leren hoe die andere wereld verklankt kan worden, waarbij het geheimenis toch geheimenis blijft.
Beethoven_Piano_Concerto_4_slow_movement_opening
Van dichters en schrijvers kan geleerd worden hoe een verhaal opgebouwd wordt. Samen met anderen heeft Nicol daarom een aantal jaar terug een taalatelier opgericht, waarbij predikanten zich oefenen in de creatieve kant van het schrijven van preken. Een preek spreekt voor hem in twee talen: in de taal van de theologie en in de taal van de kunst.

Dramaturgische homiletiek
In 2003 publiceerde Nicol een pamflet, waarin hij zijn visie op preken maken uitdagend uiteenzette. In 2006 publiceerde hij samen met Alexander Deeg een werkboek om te laten zien hoe zijn dramaturgische homiletiek in de praktijk werkte. Nicols visie heeft veel weerklank gevonden. Met dit boek blikt Nicol terug op wat zijn visie teweeggebracht heeft.

Zelf heb ik uit dit boek en eerdere boeken geleerd om mijn preken uitdagender en spannender te maken, meer te letten op de creatieve kant van de preek. Sinds Nicol ben ik als predikant bij de voorbereiding en tijdens het houden ermee bezig om luisteraars in de wereld van God binnen te brengen, waarbij ik ook bewust nadenk hoe ik dat kan doen. Wat ik vooral van Nicol geleerd heb, om plezier te hebben in het maken van preken door aandacht te besteden aan de creatieve kant.

Spanningen opzoeken
Ook heb ik van Nicol geleerd om bewust de spanningen op te zoeken. Voor Nicol zijn er 4 basisspanningen in de relatie tot God: de spanning tussen God en de wereld, tussen God en de mensen, tussen God en de machten en tussen God en de godsdiensten. In de preekvoorbereiding is het zaak om deze spanningen in de gaten te houden en bewust in te zetten.

Het vreemde van de Bijbeltekst
Bijvoorbeeld door oog te hebben voor het vreemde van de Bijbeltekst of de boodschap. Voor Nicol is die aandacht voor het vreemde ook principieel: Gods werkelijkheid heeft voor ons altijd iets vreemds, iets van een geheimenis. Daarnaast is spanning is een belangrijk thema voor hem, omdat in de kunst vaak bewust met spanning wordt gespeeld. De predikant kan van de andere kunsten leren hoe een preek bewust met de spanningen die er zijn om kan gaan en kan inzetten om de preek spannend te krijgen.

N.a.v. Martin Nicol, Mehr Gott wagen. Predigten und Reden zur Dramaturgischen Homiletik (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2019).

In gewijzigde en verkorte vorm opgenomen op de website van Het Goede Leven

Preek zondag 2 februari 2020

Preek zondag 2 februari 2020
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Mattheüs 28:16-20 en Lukas 7:1-17.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er wordt nogal wat in de doop beloofd.
Door Christus in Wiens naam deze kinderen, jullie kinderen zijn gedoopt.
En ook door jullie als ouders wordt er bij de doop heel wat beloofd.
In de doop spreekt Christus deze kinderen die gedoopt zijn aan:
‘Ik ben voor jouw zonden aan het kruis gestorven.
Omdat Ik jou laat delen in Mijn dood en opstanding,
word jij bevrijd van jouw zonden en mag je weer delen in Gods gemeenschap.’
In de doop belooft Christus dat Zijn sterven en opstaan ook voor hen geldt.
Zijn dood is ook hun dood en Christus’ opstanding is ook hun opstanding.
En jullie beloven aan je kind, aan wie je vanmorgen de doop hebt meegegeven
dat je zult vertellen dat ze de dood van Christus ook voor hen geldt,
niet alleen maar als verhaal dat ze moeten kennen,
maar ook dat ze weten, dat ze geloven, dat ze ervaren dat in dat kruis op Golgotha
zij ook inbegrepen zijn, dat zij daar op Golgotha ook gestorven zijn
en dat ook dat geweldige van de opstanding van Christus, toen Hij uit het graf kwam,
een meer is dan een gebeurtenis die ze moeten weten,
maar dat zij door Christus ook dat nieuwe leven al hebben en zelf al zijn opgestaan.

Je hebt beloofd dat je je kind daarmee bekend maakt.
Dan beloof je ook heel wat voor jezelf:
Want je kunt er niet over vertellen als je zelf niet laat zien wat het betekent
dat Christus voor je gestorven is
en dat je een nieuw leven hebt gekregen door deze Heer.

Een manier om duidelijk te maken dat je door Christus een nieuw leven krijgt
is door te vertellen over onze Heere: door verhalen uit de Bijbel voor te lezen.
We hebben in deze dienst enkele verhalen gelezen over onze Heere Jezus.
In de beide verhalen uit Lukas wordt duidelijk dat onze Heere leven geeft.
Als Christus de stad Kapernaüm binnengaat,
wordt Hij door een delegatie van Joodse leiders gevraagd
om een zieke knecht van een Romeinse officier te genezen:
Hij is het waard, zeggen de Joodse mensen die dit verzoek bij Jezus brengen.
Kort daarna komt Jezus bij de stad Naïn een rouwstoet tegen:
Een groep vergezelt een weduwvrouw die haar enige zoon moet begraven.
Jezus laat de stoet stoppen, zegt tegen de vrouw dat ze niet moet treuren
en tegen de dode jongen, die daar op de baar ligt om begraven te worden: Sta op.
Twee bijzondere daden waarin we de macht van Jezus zien,
Diezelfde Jezus die aan het kruis de dood in ging
en in wiens dood we mogen delen.
Diezelfde Jezus die opstond uit de dood en ons meenam uit het graf.
Diezelfde Heere die naar de hemel ging
en in wiens naam deze kinderen vanmorgen zijn gedoopt.
De kunst is om aan je kinderen en ook voor jezelf deze verhalen over Jezus te vertellen
op zo’n manier dat je beseft dat ze ook over jou gaan.
Je vertelt over die zieke jongen en ondertussen terwijl je vertelt besef je zelf
en weet je ook je zoon of dochter duidelijk te maken,
dat wij net als die zieke jongen genezen kunnen worden
als de macht van diezelfde Heer die daar in Kapernaüm kwam en Zijn woord sprak
ook nu nog Zijn woord kan spreken en Zijn macht kan tonen.
Je vertelt zo over die moeder, die alleen verder moet,
omdat eerst haar man is overleden en nu ook haar zoon.
Je vertelt op zo’n manier dat je ervaart dat deze Christus die de baar liet stoppen,
over de macht van onze Heer, die tegen die dode jongen sprak
en met Zijn woorden vol macht de jongen wist te bereiken
die voor gewone menselijke woorden niet meer bereikbaar was.
Tijdens het vertellen ervaar je dat ook bij jou en bij je zoon of dochter
dit woord van Jezus macht heeft om ook jou, ook jullie op te wekken uit de dood.
Eén woord hoeft Jezus maar te spreken en dat ene woord heeft al macht.
Een enkel woord hoefde God maar te spreken om de aarde en de hemel te scheppen,
een enkel woord om het licht te scheppen,
om gedurende de 6 scheppingsdagen de aarde vol te maken
met allerlei dingen die verwezen naar de grootheid van God:
de wolken, de bloemen, de dieren en de mensen. Zo machtig is Hij!
U hoeft maar één woord te spreken, zegt de Romeinse officier via zijn vrienden tegen Jezus.
Jezus hoeft niet te komen om een ingewikkeld ritueel uit te voeren.
Jezus hoeft niet te komen om met magische krachten de jongen aan te raken.
Eén woord is al genoeg.
Zoals God met een enkel woord een hele wereld kan scheppen,
zo kan de Zoon van God die op aarde gekomen is om Gods macht op aarde te brengen,
zo is een enkel woord voor die Romeinse man al genoeg,
meer dan een enkel woord niet nodig, want dat ene woord heeft al kracht genoeg.
Niets is sterker dan dat ene woord, gelooft deze man.
Zelfs voor een dode heeft dat ene woord gezag: Sta op!
Het is in het Grieks ook één woord.
En zelfs de dood is niet opgewassen tegen dat ene woord,
omdat deze Heer macht heeft over de dood
en de dood moet de jongen laten gaan
en Jezus kan de jongen aan zijn moeder teruggeven
En de band tussen moeder en zoon, die door de dood was verbroken, weer herstellen.

Met de doop klonk dezelfde stem van dezelfde Heer,
al is er sindsdien heel wat gebeurd:
heeft deze Heer geroepen van het kruis dat het was volbracht
en heeft deze Heer zich na Zijn dood weer laten zien, omdat Hij opstond uit de dood.
Dezelfde Heer zond Zijn leerlingen erop uit om over over Hem te vertellen
en overal te dopen in Zijn naam.
Nu vanmorgen bij de doop van deze kinderen sprak diezelfde Heer:

‘Ik ben voor jouw zonden aan het kruis gestorven.
Omdat Ik jou laat delen in Mijn dood en opstanding,
word jij bevrijd van jouw zonden en mag je weer delen in Gods gemeenschap.’

Dat is toch bijzonder dat je aan je kind van vertellen,
dat ook in zijn of haar leven de stem van Christus geklonken heeft
en ook in het leven van je dochter of je zoon wilt werken.
Je vertelt dan dat je zelf ook geroepen bent door Christus
en dat je bent gaan geloven, zoals die Romeinse officier
en dat je die stem wel moest horen, zoals die jongeling die daar dood op die baar lag
en door de stem van Christus weer tot leven werd gewekt.

Dat klinkt wel heel stellig: dat je tot leven gewekt bent.
Misschien heb je er wel nog nooit zo over gedacht
omdat je geloof op een geleidelijke manier is gegroeid, omdat je er als kind over hoorde,
van je ouders, of in de kerk of op school
en heb je als kind, tijdens het luisteren naar de verhalen, er tussen gezeten
en kun je je zo weer voor de geest halen, hoe je daar bij zou staan
Als die Joodse mensen kwamen om een beroep te doen op Jezus voor die Romeinse man
om zijn geliefde knecht te genezen
en zie je jezelf meelopen in de stoet van Jezus, of juist in de stoet die uit Naïn kwam
om met die moeder mee te gaan om die jongen te begraven
en zie je het voor je hoe die jongen van zijn baar opstaat en met zijn moeder verenigd wordt.
Het kan ook heel stellig klinken, omdat je het geloof nog helemaal aan het ontdekken bent.
Je hebt er wel over gehoord, maar pas in de laatste tijd ben je er meer mee bezig gegaan
en nu mag je toch al je kind bij God brengen.

Nu mag je vanmorgen je kind, dat je van God gekregen hebt, bij deze Heer brengen.
Zodat Christus ook dat ene woord van macht spreekt tegen je zoon of dochter.
Dat is het bijzondere van de doop: je mag je kind zo heel dicht bij deze Heer brengen,
zodat hij of zij ook weet: Ik mag van deze Heer zijn.
Want die Romeinse officier dacht dat hij de waardigheid miste
waardoor Jezus niet bij hem in huis kon komen
en Jezus maar over een afstand dat ene woord zou spreken.
Dat was voor hem al genoeg.
En die moeder was Jezus voorbij gelopen als Jezus zelf niet de baar had stil gehouden
en tegen de moeder had gezegd: Huil niet
om aan haar zoon van wie ze afscheid genomen had te laten zien
dat door Zijn woord van leven en van redding degenen die nu huilen eens zullen lachen.
Voor die moeder gebeurde dat hier op deze aarde al.
En dat gebeurde om te laten zien dat de dood ons eens allemaal zal moeten laten gaan
en dat wie van deze Heer zijn bij Hem mogen zijn in Zijn heerlijkheid,
Waar ze het eeuwig leven van Hem mogen ontvangen.
Zoals Christus bij die baar stond en de baar met die jongen deed stil staan
en de jongen aansprak en hem het leven terug gaf,
zo zal Christus eens bij ons graf staan
En ons bij onze naam roepen, om ons te doen opstaan uit de dood.
Die jongen kwam terug in dit aardse leven, maar wij zullen dan in een eeuwig leven komen,
Waar je een verheerlijkt lichaam kunt krijgen,
Waar de tranen van je ogen worden gewist, omdat de dood er niet meer is.
Ik laat je delen in Mijn dood en opstanding, zegt deze Heer
en daarom is het nieuwe leven, waar Hij voor zorgt, voor jou als je in Hem gelooft,
zoals die officier in Jezus geloofde en die jongen door Hem werd opgewekt.

Wat is het bijzonder om je kind, dat je zo dierbaar is, zo dicht bij Hem te brengen.
Elke kerk heeft weer eigen manieren om hier op dicht bij Christus te komen.
De doop van een kind is een manier om je kind dicht bij Hem te brengen.
voor je kind een gebedje opzeggen of zingen als het slapen gaat,
en later voorlezen uit de kinderbijbel en liederen aanleren, meenemen naar de kerk,
op een christelijke school doen, zelf laten zien wat Christus voor jezelf betekent.
Elke kerk heeft weer zijn eigen manieren om dicht bij Christus te komen.
Hier in Nederland gebeurt dat in een kerkdienst op een zondag.
In Bulgarije is de kerk doordeweeks open en kun je zomaar even naar binnen glippen
om een kaarsje aan te steken en bij dat kaarsje je gedachten naar Christus te laten gaan
en zijn er personen uit de Bijbel die nu in de hemel zijn, zoals Daniël, Stefanus,
die ook al zijn ze nu in de hemel in de heerlijkheid van onze Heere
toch dicht bij kunnen zijn en die je helpen om dicht bij Christus te komen.
Als je dat gewend bent, moet je soms wennen aan hoe het hier in de kerk gaat.
Hoe je het ook gewend bent, vanmorgen hebben we deze kinderen bij Christus gebracht
en we hopen en bidden dat zij ook zullen geloven wat jullie geloven
en dat ze belijden wat jullie belijden.
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood
volkomen uitkomst geven.

Amen

Als de man verliest

Als de man verliest

Mannen gaan anders dan vrouwen om met teleurstelling en verdriet. 
Dat is in ieder geval de ervaring van Wim van Lent en Tim Overdiek. Zij hebben zich gespecialiseerd in behandeling van rouw bij mannen.

Tim Overdiek is een ervaringsdeskundige. In de tijd dat hij journalist was, kwam werd zijn vrouw aangereden door een motoragent en overleed zij na dat ongeval. Vanuit zijn eigen ervaring met rouw ontwikkelde hij zich tot therapeutisch coach. Wim van Lent is therapeut.
022818-Grief
Onderdrukken
De ervaring van Van Lent en Overdiek is dat mannen hun ervaring van verlies onderdrukken en negeren. Ze stoppen het diep weg in de hoop dat die ervaring weg is uit hun leven. Ze willen de controle niet over hun emoties en over hun leven niet verliezen. Ze verbergen hun innerlijke gevoelens kunnen en hun innerlijke gevoelens en gedachten verbergen voor de mensen om zich heen.

Of ze proberen de baas te zijn over hun emoties of hun eigen leven door over alles in hun leven extreme controle te willen hebben. Ze gaan hard werken, extreme eisen stellen aan zichzelf of aan de mensen om zich heen. Ze krijgen iets hards en onverschilligs.

Ontkenningsfase
Vaak hebben ze er niet door hoe ze eraan toe zijn. Ze hebben niet door dat ze vastlopen. Ze hebben niet door welk beslag ze leggen op de mensen om zich heen. De mannen die bij Van Lent en Overdiek komen, zitten vaak nog in de ontkenningsfase. Ze komen omdat hun partner hen gestuurd heeft onder de dreiging weg te gaan als er geen hulp gezocht wordt. Ze kloppen aan voor therapie omdat er een bepaalde agressie in hun gedrag is gekomen. Of omdat ze door een burn-out niet meer in staat zijn te werken.
3d-Als-de-man-verliest-600x600
Een man mag niet zwak zijn
In de meeste gevallen hebben de mannen, die bij Van Lent of Overdiek in de praktijk komen, geen zicht op wat er in hun leven is gebeurd. Veelal blijken er verlieservaringen uit de kindertijd of de jeugd een grote impact te hebben. Ze hebben op jonge leeftijd een vader of verloren. Een van de ouders was emotioneel en vaak fysiek afwezig door een psychische stoornis of door een trauma.

In de meeste gevallen was er geen tijd voor rouw. Als jongen hoorde je sterk te zijn. Ze hadden geen voorbeelden van mannen die hun emoties toelieten. Het voorbeeld dat ze om zich heen zagen was dat een man niet zwak mocht zijn, geen tranen mocht hebben en verder moest gaan. Een man mag niet zwak zijn. Ze hebben daardoor nooit geleerd om te voelen wat er in hen omgaat.

Wanneer er wel negatieve gevoelens waren, werden die weggedrukt. Ze gaan hun weg alleen. In het isolement. Veel mannen blijken door die verlieservaringen een diep gevoel van eenzaamheid met zich mee te dragen. Het is geen wonder dat onder mannen suïcide veel vaker voorkomt.

Ervaring van verlies onder ogen zien
Omgaan met verlies betekent voor Van Lent en Overdiek allereerst dat de ervaring van verlies onder ogen wordt gezien. De onmacht die een ervaring van verlies oplevert, wordt niet onderdrukt of weggeredeneerd, maar onder ogen gezien. Erkenning voor wat ze verloren hebben is een sleutelwoord: erkenning door henzelf, door hun omgeving, door de therapeut die hen begeleidt.
h_00000083B1363783573
Leren luisteren naar het innerlijk
Een tweede stap is inzicht in wat er is gebeurd: welke grote en ingrijpende gebeurtenissen zijn gebeurd. Inzicht ook in wat het met hen gedaan heeft. De mannen die bij Overdiek en Van Lent komen, moeten leren om te luisteren wat er bij hen in het innerlijk omgaat. Ze moeten leren om erover te praten, om inzicht te geven in wat er in hen omgaat.

Vader
In de gesprekken die Van Lent en Overdiek voeren, komt vaak ook de vader van degene die bij hen in therapie zit ter sprake. Van Lent en Overdiek sturen er vaak op aan om, als de vader nog leeft, mee te nemen voor een volgende gesprek. Vaak blijkt dat de opstelling en de houding van de vader vaak ook weer te maken te hebben met de verlieservaringen die deze vader heeft ondergaan.

Zelfhulpboek
Met Als de man verliest hebben Van Lent en Overdiek een zelfhulpboek geschreven. Geregeld wordt de man als lezer aangesproken. Om tot inzicht te komen. Of om te erkennen dat bepaalde stappen moeilijk is. Om een volgende stap te nemen. Van Lent en Overdiek brengen hun man-zijn ook ter sprake om te laten zien dat ze een bondgenoot zijn van de mannen die het boek lezen.

Omdat mannen allemaal over één kam geschoren worden en er in het boek geregeld een sfeertje is van mannen-onder-elkaar neemt voor mij de waarde van het boek wel iets af. Maar misschien helpt die sfeer juist andere mannen die het boek lezen na te gaan denken over wat ze hebben meegemaakt en zich open te stellen voor de inzichten die het boek geeft.

N.a.v. Tim Overdiek en Wim van Lent, Als de man verliest. Omgaan met tegenslag, verdriet en rouw (Amsterdam: Uitgeverij Balans, 2019)

In gewijzigde vorm gepubliceerd in Het Goede Leven

 

 

Preek zondag 26 januari 2020 middagdienst

Preek zondag 26 januari 2020 middagdienst
Lukas 8:22-39

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat kan er een chaos zijn in een mensenleven.
Heel wat mensen hebben stormen over hun leven zien heen gaan.
Ze hebben zoveel meegemaakt dat je als buitenstaander denkt:
hoe hebben ze dat allemaal volgehouden.
Denk aan degenen die in de Tweede Wereldoorlog een concentratiekamp
of zelfs een vernietigingskamp als Auschwitz hebben overleefd.
Morgen is het 75 jaar geleden dat dit kamp werd bevrijd door de Russen.
Voor velen was het daarna nog niet voorbij:
een warm onthaal was er in hun thuisland lang niet altijd
en vaak bleek later dat veel familieleden wel omgekomen waren.
Vaak hebben ze levenslang hun beschadigingen of trauma’s meegedragen
Waardoor hun eigen kinderen ook de gevolgen van de oorlog moesten dragen.
Hoe hebben ze dat kunnen doorstaan en hoe hebben ze dat volgehouden?
Alleen daarom al is het goed om er bij stil te staan wat er in de oorlog is gebeurd.
Hoeveel mensen geleden hebben en wat er allemaal voor leed is aangedaan.

Hoe hebben ze dat kunnen doorstaan en hoe hebben ze dat volgehouden?
Dat kan ook een vraag zijn als je hoort van een gezin met weer een tegenslag
of weer een ingrijpende gebeurtenis.
Een levensschip dat door de stormwind geteisterd wordt.
Dan kan het verhaal van de leerlingen bij Jezus in de boot herkenbaar zijn.
Als ze de storm hebben overleefd, omdat onze Heere de storm het zwijgen oplegde,
is het nog niet gedaan met de chaos.
Deze twee verhalen over de storm op het meer,
waar de leerlingen met Jezus doorheen gaan
en de man die ze ontmoeten aan de overkant van het meer,
die man door een heel leger van demonen in bezit genomen, horen bij elkaar.
Er zijn krachten die voor een mens te sterk zijn:
destructieve krachten, krachten die je als mens kapot willen maken
en naar de ondergang willen brengen.
Het moet aangrijpend en aandoenlijk zijn geweest om die man te zien:
Is dit nog een mens, die uitgemergelde man die hen schreeuwend tegemoet komt,
die geen kleren meer aan heeft en al jaren in de eenzaamheid verkeerd,
iemand die tussen de doden leeft en woont – leven kun je het bijna niet meer noemen.
Wat kan een mens afgetakeld worden, ontmenselijkt worden.
Hij is niet meer zichzelf en onbereikbaar.
Een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
Daarom kan hij niet meer onder de mensen wonen en leeft hij in afzondering.
Hij is te agressief om nog onder mensen te kunnen leven
en die agressie is met geen boeien of dwangbuis te beteugelen.
Een onrust die in hem huist en die hem wegdrijft uit de stad,
weg bij zijn medemensen vandaan die hij niet meer kan verdragen
en die hem niet meer kunnen verdragen.
Een onrust die een naam blijkt te hebben: Legio, legioen
– een heel leger leger aan demonen.
Is dit nog een mens: zo afgetakeld, zo zonder kleren en zo alleen.
Als hij daar in de graven onderuit zou gaan en iets zou breken,
zou het niemand opvallen.
Als hij zou overlijden, zou hij daar tijden liggen, zonder dat iemand hem mist
en zonder dat er nabestaanden komen om hem te begraven.
Levend begraven is hij als het ware, een levende dode.
Voor Lukas is die intense eenzaamheid, dat geweldige isolement
net zo aangrijpend en ontluisterend als die machten die in hem huizen.
Voor Lukas hoor je als mens onderdeel te zijn van een gemeenschap,
hoor je mensen om je heen te hebben die om je geven en er voor je te zijn
en raak je je menselijkheid kwijt als je nergens meer bij hoort
en geen contact meer hebt met andere levende mensen.
Hij is een man van de stad waar Jezus aan wal komt,
Een van hen is hij en toch hoort hij er niet meer bij en woont hij alleen.
Een Joodse exegete, die in bij de voorbereiding raadpleegde, zag hier iets in
van de verbanning van Adam en Eva uit Eden.
Zoals Adam en Eva niet meer in de tuin konden leven,
zo kan deze man niet meer leven in de stad.

Deze man laat zien wat er gebeurt als de destructieve krachten het voor het zeggen hebben
wat er gebeurt als de demonen vrij spel krijgen en een mensenleven kunnen beheersen.
Daarom moeten we voorzichtig zijn om wanneer het in de evangeliën om mensen gaat
die beheerst worden door demonen denken aan hedendaagse psychiatrische patiënten.
Daar wordt wel vaak aan gedacht, omdat wat de man laat zien in zijn gedrag
ook door mensen met een psychiatrische stoornis kan worden vertoond.
Ik denk dat we daar voorzichtig mee moeten zijn.
Niet alleen omdat je hedendaagse psychiatrische aandoeningen
niet kunt verbinden met wat in de bijbel wordt beschreven als bezeten door demonen.
Maar ook omdat je dan bepaalde facetten uit de bijbel niet ziet,
die wel van belang zijn om te begrijpen
wat hier in de confrontatie tussen Jezus en de demonen gebeurt.
Demonen die deze mens van elke gemeenschap met andere mensen
maar ook van de gemeenschap met God hebben beroofd
en Jezus die deze gemeenschap weer komt herstellen
en zorgt dat deze man, die niemand meer had, opgenomen wordt
in een nieuwe gemeenschap rondom Hem.
Wellicht is dat ook de reden voor Jezus om daar te komen en het meer over te steken,
de storm op het meer te trotseren en te laten zien wat Zijn macht is.
Het land van de Gerasenen, waar Jezus voet aan wal zet,
is een gebied waar een gewone Jood niet zou komen als het niet hoefde:
Heidens gebied, waar varkens werden gehoed,
waar men iemand tussen de doden liet wonen.
Als je in zo’n gebied komt, liep je het risico om onrein te worden
en wanneer je onrein was kon je de gemeenschap met God worden ontzegd.
Als Jezus in dat gebied voet aan wal zet, wordt Jezus niet bepaald welkom geheten.
De schreeuwende man die op hen afstormt, of eigenlijk zijn het die vele demonen
die bij deze man de regie hebben overgenomen en de man agressief laten zijn.
Maar verwonderlijk eigenlijk,
Want de demonen komen om Jezus tegen te houden,
maar halverwege hun schreeuwen verandert hun houding en hun taal.
Wat die demonen roepen is een soort lofprijzing:
lof uit de mond van de demonen voor Jezus die daar voet aan wal zet.
Denk aan wat Paulus schrijft in Filippenzen 2:
Opdat in de naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel en die op aarde en in het water onder de aarde zijn,
elke tong zal belijden dat Jezus Christus is de Heer.
Dat is wat hier ook gebeurt: In plaats van Jezus weg te kunnen jagen,
moeten ze hun meerdere erkennen in Jezus.
Er is geen sprake van strijd tussen Jezus en die demonen.
Ze merken bij aankomst al dat ze tegen Jezus niet opgewassen zijn.
Zoon van de allerhoogste God – ook al willen we niet, we moeten je gehoorzaam zijn.
Soms wordt het kruis, waar Jezus aan hing en de dood die Hij daar stierf,
gezien als het moment waarop Christus de macht van de boze en zijn handlangers verbrak,
maar in het evangelie van Lukas is dat al als Jezus erop uit trekt
en als overal het woord van God wordt verkondigd, door Hem of door Zijn leerlingen.
Als Hij zijn leerlingen erop uit stuurt, zegt Hij tegen hen bij hun terugkomst
dat Hij de satan uit de hemel zag vallen.
Hier moeten de demonen hun meerdere in Jezus erkennen.
Waar ze een mens in bezit kunnen nemen,
merken ze dat ze tegen Gods Zoon niet op kunnen.
Het krijgt iets kruiperigs wat die demonen doen: doe ons geen pijn.
Dat ze die mens waar ze in huizen pijn doen en vervreemden van zichzelf en anderen
houdt hen niet zo bezig, daar hebben ze geen moeite mee.
Maar zelf kunnen ze geen pijn verdragen: doe ons geen pijn, spaar ons alsjeblieft.
Ze merken dat ze echt niet tegen Jezus op kunnen,
Want ze moeten hun naam prijsgeven: Legio – legioen.
Ze moeten het gezag van Jezus wel erkennen.
Hij is inderdaad de Zoon van de allerhoogste God.
En Zoon van de allerhoogste God betekent niet dat Jezus minder is dan God,
maar de kracht van God en het gezag van God in zich draagt.
Die Man die nu voor hen staat is de hemelse rechter, die hen eens zal oordelen.
Ze beseffen met wie ze van doen hebben
en daarom nemen ze helemaal een onderdanige houding aan:
Stuur ons niet naar de afgrond.
Die afgrond is de onderwereld:
de plek waar de goddelozen en de kwade geesten zullen wonen
nadat Christus teruggekomen is en het oordeel heeft uitgesproken.
De demonen in de man voelen dat die tijd er aankomt,
maar hebben nog geen trek die straf nu al te ondergaan.
Ook de demonen willen genade.
Ook de demonen hebben er een hekel aan om voor altijd in de hel te wonen.
We zien hier de macht die Jezus heeft.
Wie is Hij naar wie de wind en de zee gehoorzamen?
Wie is Hij die de storm tot bedaren kan brengen?
Wie is Hij die de macht heeft over de demonen
en voor wie ze al op de knieën gaan als Hij in aantocht is.

Als de demonen uit de man weggegaan zijn, kan hij aan de voeten van Jezus zitten,
bevrijd van de machten die hem gevangen hielden, vrij om te doen wat hij zelf wil
en als een volgeling van Jezus die bij Jezus in de leer gaat
en in de gemeenschap van Jezus is opgenomen.
Opnieuw: waar U bent, zal de nacht verdwijnen.

Je zou denken dat iedereen, die er getuige van is, net zo blij en dankbaar is
als de man die de bevrijding heeft ontvangen,
dat ze hem weer willen opnemen in hun gemeenschap
omdat hij nu weer een van hen is en bij hen kan zijn
omdat die kwade geesten geen macht meer over hem hebben.
Net zo belangrijk voor Lukas als de bevrijding van de man door Jezus
en de macht van Jezus over de demonen is voor hem de reactie van de mensen uit de stad.
Ze willen dat Jezus weggaat.

Bij hen roept Jezus geen geloof op, maar angst.
Wie is Hij naar wie de wind en de zee gehoorzamen?
Wie is Hij die de storm tot bedaren kan brengen?
Wie is Hij die de macht heeft over de demonen
en voor wie ze al op de knieën gaan als Hij in aantocht is.
Dat is voor hen geen vraag van geloof, maar een manier om Jezus buiten te houden.
Hier zitten ze niet op te wachten: iemand die de strijd aangaat met de demonen onder hen.
Ze zitten te vast aan hun eigen demonen, ze willen geen schoon schip,
niet gereinigd worden vanbinnen, maar hun leventje leiden zoals ze deden.
Als ze konden verdienen aan het houden van varkens,
verboden voor Joden, omdat die onrein zijn, dan doen ze dat.
Liever iets meer verdienen, een goede baan, goed salaris, een goed leven
dan dat inleveren omdat je daardoor je op een hellend vlak begeeft
En je van God verwijdert.
Misschien dat ze Jezus ooit eens willen dienen, maar nu nog niet.
Ze maken een rekensom: redding van die ene die verloren was,
kost hen teveel, kost hen hun levensonderhoud en hun manier van leven.
Dat hebben ze er niet voor over.
De man die zijn gemeenschap weer terugkrijgt, weer mensen om zich heen,
blijft in feite alleen, omdat hij de enige is die met Jezus verbonden raakt.

Geen wonder dat hij mee terug wil met Jezus de boot in
en volgeling van Jezus wil zijn en hem volgen, zoals die vrouwen dat deden
die ook verlost zijn uit de macht van de boze. (begin hoofdstuk 8).
Jezus staat dat echter niet toe.
Hij heeft voor die man, die is gered, die is bevrijd een andere taak.
Blijven waar hij is, blijven bij de mensen die niet blij zijn met zijn redding,
bij de mensen zijn die zijn Redder hebben weggestuurd, omdat ze hem niet wilden
en het niet aankonden om de macht van Jezus in hun midden te hebben,
Voor wie als het er op aankomt de macht van de demonen misschien nog wel te verkiezen is
boven de macht en de bevrijding van Jezus.
Dat lijkt iets hards van Jezus, die hem weer de eenzaamheid instuurt
al mag hij nu wel onder de mensen zijn
– maar toch mist hij die diepe verbondenheid die er is als je samen een bent in Christus.
Toch is het een eervolle taak: hij is een levende getuige
het zichtbare bewijs dat Jezus in staat is om de boze te overwinnen,
de macht heeft om iemand weer terug te brengen in het leven
de liefde heeft om iemand weer tot een gemeenschap te brengen,
van mensen en van God.
Hij mag het vertellen, hij mag het uitzingen, het levende bewijs zijn
dat God werkt,
dat Christus sterker is dan alle chaosmachten die ons leven kunnen bedreigen.
Dankbaar geloofden, hoopten wij,
wat uw getuigen verkondden:
slechts onder uwe heerschappij
worden wij vrij van de zonde.
Daarom zoekt U elk mensenkind.
Amen