De terugblikken van ds. P.L. (Piet) de Jong en prof. dr. W(im) Verboom

De terugblikken van ds. P.L. (Piet) de Jong en prof. dr. W(im) Verboom

In 2018 publiceerden zowel Piet de Jong als Wim Verboom hun terugblik op hun werkzame leven als predikant en theoloog. De Jong doet dat in de vorm van memoires. Verboom schrijft een persoonlijke verantwoording.

De Jong en Verboom hebben gemeenschappelijk dat zij beiden van oorsprong van buiten de Nederlandse Hervormde Kerk hebben. De Jong groeide op in de Gereformeerde Gemeente van Zoutelande en later van Middelburg. Verboom heeft zijn wortels in de evangelisatie van Kollum. Verboom werd lid van de Gereformeerde Bond en werd later bijzonder hoogleraar verbonden aan de leerstoel die de Gereformeerde Bond in Leiden had. De Jong hield werd geen lid. Hij hield  juist wat afstand tot de Gereformeerde Bond en is in zijn terugblik vrij kritisch over de rol van de Gereformeerde Bond tijdens het fusieproces op weg naar de Protestantse Kerk in Nederland.

Beiden beschrijven hun ontwikkeling. Bij Verboom is het een weg van verdieping, met name als het gaat om thema’s als verbond en volkskerk. Toch was het bij hem ook een zoeken naar zijn positie tussen de twee stromingen binnen de Gereformeerde Bond: paste hij meer bij de verbondsmatige visie van dr. J.G. Woelderink of bij de meer bevindelijke insteek van ds. I. Kievit.
De Jong beschrijft meer ontwikkeling: hij begint als Kohlbruggiaan, maar groeit toch wat weg bij Kohlbrugge. De Jong ontwikkelt zich van dorpsdominee tot stadsdominee. Hij beschrijft hoe omstandigheden in zijn gezin hem vormen. Ook het pastoraat vormt hem: De ervaringen van de oorlog in zijn eerste gemeente in het Duitse Laar. De ervaring in Rotterdam met homo’s, met het missionaire werk en met de gevolgen van de slavernij. De ervaring van het werk van de Commissie van Bijzondere Zorg na de afsplitsing van de Hersteld Hervomde Kerk. Samen met anderen staat De Jong aan het begin van Kontekstueel.

Welk belang hebben deze memoires voor de beschrijving van de Nederlandse kerkgeschiedenis? Deze memoires bieden op zichzelf weinig nieuwe gegevens, maar dagen wel uit om naar een breder perspectief te kijken.

Wat bijvoorbeeld de aandacht trekt is dat bij beiden hun wortels buiten de Nederlandse Hervormde Kerk hebben. Hoe breed kwam dat verschijnsel voor? Waarom was deze kerk zo aantrekkelijk? Wat was er nodig om een plek binnen deze kerk te vinden? Wat namen ze mee en wat lieten ze achter? Welke bijdrage hebben zij gehad aan de ontwikkeling van de Nederlandse Hervormde Kerk? In de memoires worden deze vragen niet direct beantwoord. Toch kunnen ze ook van belang zijn voor de (voor)geschiedenis van de Protestantse Kerk in Nederland en vanwege de overgang van de ene naar het andere kerkverband de kerkgeschiedenis in het algemeen. De terugblikken van beiden kunnen ook benut worden om de rol van de Gereformeerde Bond binnen de Nederlandse Hervormde Kerk te beschrijven.

Benieuwd na het lezen van de beide terugblikken ben ik ook naar de betekenis van Kohlbrugge voor de Nederlandse theologiegeschiedenis. Mijn indruk is dat zijn betekenis voor een groot deel is uitgespeeld. Klopt deze constatering? Wat maakte hem voor eerdere generaties aantrekkelijk en waarom is zijn rol nu uitgespeeld? Tot slot zou er aandacht mogen zijn voor de betekenis van beiden op de Nederlandse theologiegeschiedenis.

N.a.v.
dominee Piet de Jong, Sores en zegen. Mijn verhaal met de kerk (Utrecht: Boekencentrum. 2018)
dr. Wim Verboom, Gouden oogst. Een halve eeuw theoloog in pastorie en universiteit (Utrecht: uitgeverij Boekencentrum, 2018).

Recensie voor het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis

Eerdmans Blogger Club

Eerdmans Blogger Club

Onlangs ben ik toegelaten tot de Eerdmans Blogger Club. Een hele eer!

Het eerste boek waarover ik mag bloggen is Christ and the Common Life. Political Theology and the Case for Democracy van Luke Bretherton.
maxresdefault

Maar eerst nog een ander boek over theologie en het publieke domein, dat al enige tijd op een recensie ligt te wachten: Awaiting the King. Reforming Public Theology van James K.A. Smith. Dat boek is bijna uit. Dus binnenkort hier een recensie.
51Jr8BZaqRL._SX331_BO1,204,203,200_

Als christen toegerust voor een taak in de wereld

Als christen toegerust voor een taak in de wereld
Proefschrift van Marinus de Jong over de visie van Klaas Schilder op kerk & wereld

Hebben christenen nog iets te zoeken in deze samenleving? Of is bijdragen aan de samenleving juist hun opdracht? Voor Klaas Schilder – bekend dan wel berucht van de vrijmaking in 1944, maar ook in vergetelheid geraakt – was dat geen vraag. Zijn visie op kerk, cultuur en maatschappij was onderwerp van promotieonderzoek.

Nederlandse christenen zijn onderdeel van een multireligieuze samenleving: er zijn nog meer religies. Daarnaast is de invloed van het christelijk geloof op de samenleving veel minder groot dan vroeger. Daarom kunnen we ook spreken van een postchristelijke samenleving. 

Dat roept vragen op naar de plek en de rol van de kerk in deze multireligieuze, postchristelijke samenleving: Moet de kerk zich volop inzetten in deze samenleving om zo het christelijk geluid te laten horen of moet de kerk zich juist afzonderen omdat de ontwikkelingen in de samenleving haaks staan op het evangelie? Moeten christenen maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid nemen of brengen ze zich dan in situaties, waarin ze maatregelen moeten nemen die afbreuk doen aan het christelijk geluid in de samenleving?

Marinus de Jong, sinds kort predikant van de gereformeerd-vrijgemaakte Oosterparkkerk in Amsterdam-West, promoveerde op 6 juni aan de Theologische Universiteit Kampen op deze vraagstelling. Hij deed in de afgelopen jaren onderzoek naar de theologie van Klaas Schilder (1890-1952), waarbij hij de visie van Schilder vruchtbaar wilde maken voor het heden.
D8Y-schXoAEfK1-

Dat hij Klaas Schilder als inspiratiebron nam, is verrassend. Zelfs voor iemand die onderzoek deed in Kampen. Want Schilder is een theoloog, die in de vergetelheid is geraakt. Zelfs in Kampen. 

Polemisch
De erfenis van Schilder in de Vrijmaking riep in de afgelopen decennia – zeker na de opening van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt – vooral verlegenheid op, omdat de theologie van Schilder vaak erg polemisch was.

Dat Schilder niet meer gelezen wordt, kan ook te maken hebben met een bepaald beeld van Schilder, dat werd doorgegeven. Dat was een beeld waarin alle spanning was weggehaald, en een beeld dat bepaalde Vrijgemaakten goed uitkwam.

Toen zijn leerlingen en volgelingen artikelen gingen heruitgeven, lieten ze ook wel artikelen weg die niet goed pasten bij het beeld van Schilder dat ze wilden doorgeven.

De Jong gaat achter dat beeld terug en wil laten zien dat Schilder soms moest zoeken naar zijn weg. Dat zijn theologie veel meer spanningen kende dan leerlingen wilden toegeven. Door die spanningen wordt de theologie van Schilder weer boeiender.

Schilder is zijn hele leven bezig geweest met de vraag, hoe de kerk zich moest opstellen in de wereld. Zelf afkomstig uit een arm arbeidersmilieu, ontwikkelde hij zich en klom zelf op tot professor. Voortdurend was hij bezig om in zijn eigen achterban te benadrukken, dat de kerk zich niet afzijdig moest houden van de wereld, maar daar haar plaats moest innemen.
Kaft-K-Schilder
Schilder stelde dat de mens een medewerker van God is en door God wordt gebruikt om Zijn weg in deze wereld te gaan. Voor Schilder was het ‘ambt van alle gelovigen’ van groot belang. Gelovigen waren vrijgekocht uit de zonde en waren nieuwe mensen geworden, die Gods gebod in praktijk konden brengen. Niet alleen de mensen aan de top zoals ambtsdragers en hoogleraren moesten hun bijdrage leveren, maar ook het gewone gemeentelid.

Vanuit de zondagse eredienst – voor Schilder het startpunt van het ambt van alle gelovigen – werden ook de gewone gemeenteleden in staat gesteld om hun bijdrage te leveren in de wereld: op hun werk, in het vrijwilligerswerk, in kunst en cultuur.

Zo’n bijdrage leveren, was volgens Schilder een goddelijk gebod. Wie zich daaraan onttrok, was ongehoorzaam aan Gods gebod. De Jong noemt deze lijn ‘kerk in de breedte’.
the-church-is-the-means-the-world-is-the-end-215x300
Cultuur
In de ogen van Schilder was de aarde niet een voorspel van de hemel (of van de hel), maar had de tijd hier op aarde een eigen waarde voor God. In deze tijd werkt God. Volgens De Jong is het handelen van God in de tijd hier op aarde de belangrijkste kern van Schilders theologie.

Dat handelen van God gaat al terug op de schepping. Bij de schepping van de mens kreeg de mens de opdracht om in de cultuur te werken. In het paradijs was er een eenheid van geloof en cultuur. Bij de zondeval raakte die eenheid versplinterd en koos de gelovige voor geloof en de ongelovige voor cultuur.

Zonder geloof is de cultuur echter onvolledig, hoe indrukwekkend de cultuuruiting ook kunnen zijn. Met de komst van Christus werd de eenheid van cultuur en geloof weer hersteld.

De nieuwe mensen, die door Christus zijn vrijgekocht, geven de cultuur een waarde, die een ongelovige niet kan geven.

Deze visie had wel nadelen. Hervormde theologen als Noordmans en Miskotte zagen deze opvatting leiden tot arrogante christenen, die wel weten hoe het zit. Daarnaast vonden ze dat deze visie te weinig kritisch was op de cultuur en daarmee een wereldgelijkvormigheid in huis haalde.

Noordmans en Miskotte hadden echter geen oog voor de sociale achtergrond van Schilder en zagen niet dat Schilder zijn eigen achterban wilde laten emanciperen.

Ware kerk
Een ander nadeel van deze visie is dat de nieuwe mensheid samenvalt met de concrete kerk. Het is dan een kleine stap om te zeggen dat je eigen kerk de ware kerk is. Schilder heeft dat nooit willen beweren en na de Vrijmaking in 1944 streed hij tevergeefs tegen die duidelijke koppeling die bepaalde Vrijgemaakten wel maakten.

Helemaal ongelijk hadden ze niet, omdat Schilder met zijn koppeling tussen de nieuwe mensheid en de concrete kerk wel die suggestie wekte.

Schilder streed echter niet voor de ware kerk. Hij was realistisch genoeg om te beseffen dat een kerkgenootschap nooit een ware kerk kon zijn, omdat het leven hier op deze aarde per definitie onaf is. Het gaat alleen om de wettige kerk. Daar zette hij zich voor in.

Om die reden polemiseerde hij met de Nederlands Hervormde Kerk, die door het kwijtraken van de binding aan de belijdenis volgens hem geen wettige kerk meer was. Omdat Schilder zich inzette voor een wettige kerk, hield hij zich veel bezig met de belijdenis en met de formele kant van kerkzijn, zoals de kerkorde en de vraag hoeveel pluriformiteit een kerk aankon.

Juist omdat het nadenken over de wettige kerk hem zo bezig hield, raakte het conflict in 1944 – dat uitliep op de Vrijmaking – hem diep. Vanwege meningsverschillen over de leer, die voor de oorlog hoop opliepen, wilde men in de oorlog duidelijke keuzes maken. Om vaart te maken, verlengde de synode de eigen zittingstermijn.

In Schilders ogen verloor de synode daarmee het gezag. Zeker toen de synode keuzes maakten, die tegen zijn visie inging, verzette hij zich tegen deze in zijn ogen niet-rechtsgeldige synode. 

Toen deze synode hem schorste, raakte dat hem persoonlijk diep. Naar zijn idee was hij aangepakt op de kern van zijn theologie. De schorsing door de synode was een traumatische ervaring voor hem.

De gevolgen waren echter paradoxaal. De groep die meegingen in de Vrijmaking begonnen vol bewijsdrang een nieuwe zuil op te bouwen. Soms tegen de zin van Schilder in.

De ‘synodalen’ (in de termen van Schilder: ‘synodocratischen’) bleven verdoofd achter. De Vrijmaking is een van de grote raadsels van de Nederlandse kerkgeschiedenis.

Eigenheid
Voor De Jong is het nadenken over de wettige kerk en het staan op Schrift en belijdenis de kerk in de diepte. In zijn proefschrift wil hij beide lijnen van Schilder combineren: een robuuste kerk die betrokken is op een wereld die op veel punten van haar afwijkt. Daarbij waakt de kerk steeds voor haar eigenheid en laat ze zich niet teveel beïnvloeden door wat de wereld wil.

Tegelijkertijd betekent de eigenheid van de kerk niet een terugtrekken van de wereld. Juist die eigenheid krijgt gestalte in de samenleving. Het publieke karakter van de kerk, haar staan in de wereld, is wezenlijk voor haar geloofwaardigheid.

Een goed proefschrift roept altijd vragen op, die uitdagen om verder op onderzoek te gaan. Een van de vragen die zijn proefschrift oproept, gaat over Schilder zelf. Er gebeurt iets in de jaren ‘30, waardoor de wind die Schilder eerst in de zeilen blies, zich tegen hem keerde en zelfs leidde tot zijn schorsing. Toen A.G. Honig als hoogleraar Dogmatiek aan de Theologische Universiteit Kampen moest worden opgevolgd, was Schilder de gedoodverfde opvolger. Als vanzelfsprekend werd hij het. Tien jaar later werd hij geschorst. Waren de verwachtingen die men had niet uitgekomen? Had hij zijn hand overspeeld?

Een andere vraag gaat over de praktische uitwerking van de kerkvisie die De Jong hier op basis van Schilders theologie neerlegt. De Jong pleit voor een kerk in de breedte en de diepte, een kerk die haar eigenheid bewaakt en tegelijkertijd volop haar rol heeft in de samenleving.

Mij werd alleen niet goed duidelijk hoe De Jong dat voor zich ziet. Bij Schilder – en ik vermoed dat De Jong hem hier volgt – gaat het via de gemeenteleden die op zondag in de kerk geweest zijn en daar aangevuurd zijn om hun taak op te nemen. Dan word ik nieuwsgierig: Wat voor soort kerkdienst is dat? Wat vraagt dat van de liturgie en de preek?

Naast deze vragen wil ik stellen dat De Jong Schilder terecht weer onder het stof vandaan haalt. Ontdaan van alle polemiek is Schilders theologie een waardevolle bijdrage om het gewone, dagelijkse leven als christen serieus te nemen. Dat dagelijks leven is niet alleen gezin of ethiek, maar ook werk, vrijwilligerswerk, kunst en cultuur.

Schilder daagt de gelovige uit om die terreinen niet te mijden. Persoonlijk zou ik iets voorzichtiger zijn met de identificatie van de gelovigen met de nieuwe mensheid, omdat de gevolgen van de zonde niet hier in het aardse bestaan al hersteld worden. Maar ook met die correctie biedt Schilder genoeg uitdaging om de roeping van God in onze samenleving als christen serieus gestalte te geven.

N.a.v. Marinus de Jong, The Church is the Means, the World is the End. The Development of Klaas Schilder’s Thought on the Relationship between the Church and the World (Uitgave: Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen).

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad

Naar een nieuwe onbevangenheid

Naar een nieuwe onbevangenheid

Lange tijd leek de secularisatie aan de Gereformeerde Bond voorbij te gaan. Althans voor andere delen binnen de Protestantse Kerk in Nederland, voor wie de Bond als heel stellig en robuust overkwam. Intern in de Gereformeerde Bond is het thema secularisatie al enige tijd wel degelijk een thema, waarover intensief wordt nagedacht. Alle conferenties voor predikanten voor predikanten binnen de Gereformeerde Bond, die ik in de afgelopen jaren heb meegemaakt, zijn allemaal te verbinden met het thema secularisatie. De ene keer is dat thema ligt de nadruk op wat er van de kerk verwacht wordt in een geseculariseerde omgeving. De andere keer ligt de nadruk op een missionaire houding. Op de onlangs gehouden predikantenconferentie lag de nadruk op de verlegenheid, die de secularisatie oplevert.

Die verlegenheid werd nog wel keurig verpakt in mooie lezingen, die de aandacht vroegen voor welke ontwikkelingen in de cultuur plaatsvinden. Tussen de regels door, in de nabespreking en in de wandelgangen was voor een goede verstaander de verlegenheid te merken. Er is sprake van afnemend kerkbezoek. In de meeste gevallen gaat het om de middagdienst, die minder bezocht wordt. Predikanten spreken gemeenteleden van wie de kinderen afgehaakt zijn. Of spreken gemeenteleden, die zelf aan het afhaken zijn of niet meer komen, omdat het geloof hen niets meer zegt. Vooral deze laatste ervaring zorgt voor veel verwarring en voor onzekerheid. De preken die voorbereid zijn, de diensten die gehouden worden, de bijeenkomsten die georganiseerd zijn, slaan dood op de onverschilligheid die er is als het gaat om God. Hij is niet meer nodig.

Als je met zo’n houding van onverschilligheid geconfronteerd wordt, heb je niets meer aan de gebruikelijke antwoorden. Een van de gebruikelijke reacties was de vraag naar een genadig God een veel dieper gravende vraag was dan de vraag of God bestaat. Maar als je te maken krijgt met mensen voor wie God geen issue is, dan hoef je ook niet aan te komen met de vraag of je wel voor God kunt bestaan.God doet er niet toe.
Op de conferentie zou het niet alleen gaan over de verlegenheid. De aandacht zou ook uitgaan naar wat uit onze traditie je als predikant op de been houdt. Dat is geen eenvoudige overgang: van de verlegenheid naar een element uit je traditie of een houding waarbij je je als predikant om weet te gaan met die verlegenheid bij jezelf en de onverschilligheid die je bij anderen waarneemt. Dat vraagt allereerst het toelaten van die verlegenheid. Dat vraagt ook te accepteren dat de tot dan toe gevolgde strategie om de gevolgen van de secularisatie te negeren, omdat ze vooral in andere delen van de kerk spelen, niet helpt.

Zulke ervaringen stemmen wel tot nadenken. In de huidige omgeving waar ik werk kom ik het niet direct tegen. Ik ben wel begonnen in een omgeving waarin voor de meeste mensen, die niet meer naar de kerk toe gaan, God er niet toe doet. Dat was voor mijzelf niet altijd eenvoudig. Het was allereerst een cultuurschok toen ik vanuit Veenendaal, waar de kerk er nog redelijk vanzelfsprekend bij hoorde, in een omgeving kwam waar de kerk slechts door enkelen werd bezocht. Ook voor de gemeenten die ik diende was dat niet eenvoudig. Al waren ze het wel gewend om als een van de weinigen uit hun eigen omgeving nog met geloof bezig te zijn. Ze waren zelf opgegroeid in een tijd waarin geloof er nog gewoon was en hadden gezien dat vrienden en familie de kerk vaarwel zeiden. Wat mij zelf altijd is bijgebleven is dat ik niet voorbereid was op het werken in zo’n omgeving, waarin geloof er niet meer bij hoort. Ik had er ook niet over nagedacht wat het betekent voor de kerk. Ik kwam er in die tijd ook nog niet aan toe, omdat ik nog volop bezig was om te ontdekken wat mijn taak en rol als predikant was.

Nu terugkijkend op die periode kan ik wel wat thema’s bedenken, die van belang zijn om op te pakken als het geloof nietszeggend aan het worden is. Het vraagt om nadenken over de eredienst en de preek: hoe kan de eredienst en de preek zo vorm gegeven worden dat de kerkganger in het geloof gevoed wordt, ook als je maar met weinigen bij elkaar bent? De inhoud van de preek moet er op gericht zijn om niet de nostalgie te voeden, maar om op de onbevangen manier van geloven weer te herontdekken. Dat vraagt om het serieus nemen en toelaten, dat het geloof lang niet iedereen wat zegt. Tegelijkertijd vraagt het ook om je vertrouwen op God niet te laten ondergraven door je verlegenheid. Zoals ik zei was ik er niet op voorbereid. De cultuurschok deed mij enorm twijfelen en ik slaagde er niet in om die twijfel buiten mijn preken te houden. Ik bedoel daar niet mee, dat twijfel niet in preken verwerkt mag worden. Wel dat de twijfel geen eindresultaat moet zijn. Twijfel bouwt de gemeente alleen op, als daarmee de weg naar God gevonden wordt. Bij mij raakte die weg juist geblokkeerd.

Terugkijkend had ik ook mensen om mij heen nodig, zoals collega’s, met wie je ervaringen deelt, die je begrijpen, maar die er ook in slagen om je uit de twijfel te leiden naar een nieuwe onbevangenheid.
Door de predikantenconferentie besefte ik dat die zoektocht naar een nieuwe onbevangenheid, waarbij de verlegenheid toegelaten wordt, een gezamenlijke zoektocht is geworden. Daarin kunnen we elkaar van dienst zijn. Door te luisteren naar elkaars onmacht en verlegenheid. Door samen te zoeken naar Gods wil en Gods aanwezigheid in deze tijd. Niet alleen binnen eigen kring, maar ook samen met andere delen van de kerk, waarin deze ervaring herkenbaar is en waar wellicht al wegen gevonden zijn naar die nieuwe onbevangenheid.

In gewijzigde vorm gepubliceerd in het Christelijk Weekblaad

Gesprekskring Eugene H. Peterson

Gesprekskring Eugene H. Peterson
Eugene-Peterson-04
Eugene Peterson werd een pastor voor predikanten genoemd. Zijn boeken zijn een bemoediging en een aanscherping voor predikanten. In zijn boeken vraagt hij aandacht voor de ‘gewone’ taken van de predikant: lezen in de Schrift, preken, wonen op een plek om daar het evangelie zichtbaar en hoorbaar te maken. Tegelijkertijd is hij kritisch op de consumptiementaliteit die er onder christenen (en ook onder predikanten) kan zijn. Het aardige van Peterson is dat hij naast aandacht voor spiritualiteit ook steeds aandacht vraagt voor het gewone, alledaagse. Voor Peterson zijn dat geen gescheiden werelden, maar horen ze bij elkaar.


In de jaren-’90 werd Peterson even bekend in Nederland. Boeken als Dragende delenOnder de wonderboomDavid en GodGesprek tussen vriendenLaatste woordenEen zaak van lange adem werden vertaald. Daarna verdween de aandacht voor Peterson, terwijl hij toen nog het meeste moest schrijven. Boeken als Tell It SlantRun with the HorsesPractice ResurrectionChrist Plays in 10.000 Plays, The Pastor kwamen uit zonder in Nederland veel aandacht te krijgen.


Het is de moeite waard om met collega’s eens wat van Peterson te lezen. Wil je meedoen? Laat het weten! (dsschuurman [at] hervormdoldebroek [punt] nl of via Twitter of Facebook).
Geef dan gelijk aan welk dagdeel het beste uitkomt en welk boek je graag zou willen bespreken met elkaar.

O ja, geef ook aan welke locatie. Het kan hier bijvoorbeeld in Oldebroek. Maar mag ook elders.

P.s. Mogelijk…  mogelijk… gaan er meer boeken van Peterson vertaald worden

Preek zondag 14 juli 2019

Preek zondag 14 juli 2019
Bediening Heilige Doop
1 Johannes 4:7-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je nieuwsgierig bent, hoe een stel bij elkaar gekomen is, kun je vragen:
‘Hoe zijn jullie bij elkaar gekomen?
Die vraag kan ook aan jullie, doopouders, gesteld worden:
vertel eens hoe het met jullie begon.
Als je elkaar wat beter kent en als je je nieuwsgierigheid niet kunt bedwingen,
kun je ook vragen: wie was nou de eerste? Wie zag wie nou staan?
Bij de een kun je een verhaal horen dat het liefde op het eerste gezicht was.
Bij een ander kun je een verhaal horen dat er een hele tijd overheen ging,
dat iemand echt zijn of haar best moest doen om de ander voor zich in te winnen.

Hoe zijn jullie bij elkaar gekomen? En wie is er begonnen?
Dat is een vraag, die je ook kunt stellen aan iemand die gelooft?
Wanneer is je relatie met God nu begonnen? Wanneer ben je gaan geloven?
Kun je iets vertellen over hoe je van God bent gaan houden?

Misschien heb je dat wel heel duidelijk wanneer dat begon.
Niet iedereen kan dat heel duidelijk aanwijzen, maar het kan wel.
En wie is dan de eerste: ben jij begonnen en moest je op God wachten?

Of is de Heere begonnen met jou en moest Hij op jouw antwoord wachten?
Moest Hij wel heel lang met je bezig zijn, je misschien wel wel veroveren?

God is begonnen, zegt Johannes in zijn brief.
God was als eerste met Zijn liefde voor ons en is naar ons op zoek gegaan
om ons hart te winnen voor Hem, net zolang tot we geloven,
tot we van Hem houden.
Ik denk dat iedereen dat wel kan beamen, als je nadenkt over wie er begonnen is:
Dat is de Heere. Hij was het eerst.
In je kindertijd en je jeugd is over Hem verteld en je hebt altijd al gelooft,
als kind al en je geloof groeide met je mee
terwijl je tiener was en later volwassen werd.

Of je hebt een tijd gehad, waarin het je niets zij, het raakte je niet, het liet je koud.
En later, als tiener, of nog later, toen je volwassen werd, was Hij daar
En kon je niet om Hem heen en ben je gaan geloven.
Of je nu als kind altijd al geloofde, of dat je later bent gaan geloven,
nog voor jij met God bezig bent geweest, is Hij al met jou bezig.
Of wellicht is de Heere nog met je bezig, omdat je nog niet gelooft.
Want dat kan ook, dat je je hart nog niet voor Hem hebt open gedaan.

God is de eerste in ons leven.
Dat is een van de redenen voor ons als gemeente om kleine kinderen te dopen.
Dat God de eerste is, begint al bij onze geboorte.
Want wij hebben er niet zelf voor gezorgd dat we er zijn.
En dat we er zijn, dat we geboren werden,
hebben we niet allereerst aan onze ouders te danken.

Dat we er zijn, dat we geboren zijn, hebben we aan God te danken.
Wij hebben allemaal ons bestaan aan de Heere te danken.
Hij wilde dat wij er zouden zijn.
Dat is nog niet genoeg reden om te dopen,
want dan zou doop een soort geboorteritueel zijn
een manier om een kind, dat net geboren is welkom te heten.
Dan zou het een soort kerkelijk kraamfeest zijn.

In de doop gaat het echter om meer.
Dat God niet alleen wilde dat wij er zouden zijn, maar ook dat we zouden geloven,
Geloven dat Jezus voor ons gestorven is
En dat we ons leven aan Hem geven,
van Hem houden en met Hem leven.
Ook daarin is God de eerste en daarom dopen we zo’n klein kind,
al begrijpt zo’n klein kind er niets van
en moeten zijn ouders de vragen beantwoorden.

Met de doop geven we aan dat we geloven in de Heilige Geest,
Die bij de doop de belofte geeft, ook al aan zo’n klein kind,
dat Hij in het leven van zo’n klein kind zal werken,
zodat zo’n klein kind ook gaat geloven,
om, zoals Johannes dat schrijft, zal belijden
dat Jezus de Zoon van God is,
zodat God in hem blijft en hij in God.

Natuurlijk is dat heel gewaagd, want we kunnen allemaal
voorbeelden aandragen
van personen, die ook als kind zijn gedoopt e
n die er niets meer van willen weten
of er niets meer aan willen doen.
Een reden waarom heel wat christenen moeite hebben met dopen van kinderen,
Want je moet als mens toch eerst aangeven, dat je Jezus als je Heer belijdt,
Dat je met God wil leven en dat Hij in je leven gekomen is
om de doop te kunnen ontvangen.

Dan is de doop pas mogelijk als wij ons antwoord hebben gegeven op God
En is de doop ons antwoord aan God,
een manier om te laten zien dat wij ons aan Hem geven.
Haal je dan de waarde van de doop niet naar beneden als je alle kinderen doopt
ook als je weet dat er een kans bestaat dat zo’n dopeling niet gaat geloven?

Nee, want we dopen omdat God de eerste is
en we dopen vanwege de belofte die God geeft bij de doop:
Dat de Heilige Geest ook in dit jonge kind zal gaan werken,
Zoals Hij dat bij een ieder van ons gedaan heeft en nog steeds doet.
Al betekent dat niet, dat iedereen gelooft.

Dat kan een van de raadsels zijn van het geloof: Waarom gelooft mijn kind niet.
Ik heb hem of haar toch ten doop gehouden, ook voor in de kerk gestaan,
ook geloofd dat Gods belofte voor mijn kind gold.
Dat je je kind hebt laten dopen en dat je veel gebeden hebt voor je kind
en dat je kind er niets meer mee doet, of zelfs er helemaal niets van wil weten,
kan een verdriet zijn voor ouders, kan het voor jezelf ook wel moeilijk maken
om zo onbevangen te geloven als je deed toen je je kind liet dopen.

NAtuurlijk geloofde je toen dat Jezus de Zoon van God was
en dat Hij door de Vader gestuurd was om ook voor jouw kind aan het kruis te gaan
en zo vergeving van de zonden van je kind te brengen.
Nu zeg je het voorzichtiger en zou je in ieder geval willen, dat je er iets van zag
dat de belofte die God deed, in het leven van je kinderen zou uitkomen.

Moeten we dan maar stoppen met het dopen van kinderen
en dat pas gaan doen als we zeker weten dat ze gaan geloven?

Ik denk het niet, want dan doen we tekort aan de belofte die God geeft
En dat is nu juist de basis: dat God de eerste is
en dat je als ouders steeds bij de Heere mag aankloppen:
Heere, U hebt het beloofd, als Vader, Zoon en Heilige Geest,

Dat U met ons kind bezig zou zijn, het geloof zou geven,
liefde voor U in zijn, haar hart zou wekken.
We blijven net zo lang bidden tot U het doet.

We hebben het steeds over het liefhebben van God en dat God de eerste is.
Maar er is ook een andere kant: dat wij die liefde afwezen
En dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat God ons liefheeft
En als eerste naar ons toekomt.

Dat is ook de reden waarom we kleine kinderen laten dopen.
Niet alleen omdat we geloven dat God de eerste is en Zijn belofte geeft,
maar ook omdat er aan onze kant iets mis is,
waardoor die liefde van God alle vanzelfsprekendheid voor ons mist.
We kunnen dat wel Johannes nazeggen: God is liefde.
Maar dan moeten we er wel bij zeggen, dat als het aan ons ligt,
wij die liefde niet hadden beantwoord.

En dat is ook nog een reden waarom we kinderen jong dopen,
om daarmee aan te geven dat ze die neiging, die wij als volwassenen ook kunnen hebben
en soms maar al te goed kennen: wat we aan die liefde van God voorbij gaan
en dat we ons tegen God keren, God overbodig verklaren
en Hem op het hart trappen door Hem in te ruilen
en niet Hem lief te hebben, maar het leven zoals we dat hier op aarde hebben/

Daar begint het doopformulier ook mee.
Het is alsof er wordt gezegd: ja ja, mooi allemaal een nieuwgeboren baby

zeer zeker een wonder waar je God dankbaar voor mag zijn
en je mag daarin verwonderd zijn over God als Schepper, die je dit kind geeft.

Maar besef wel, dat je kind ook kan deelt in de afwijzing van Gods liefde.
Alleen als God zelf er iets aan verandert, in zijn hart werkt, het geloof geeft,
alleen dan zal er wat aan veranderen.
En dan wordt ook het bijzondere van Gods liefde zichtbaar.
Dat God komt in een wereld, die niet op Hem zit te wachten,
ook al heeft Hij deze wereld geschapen.

Dat God geeft om een wereld die Hem de rug kan toekeren.
Gods liefde is wel sterker en daarom is ook dit kind gedoopt:
vanuit het geloof dat God ook in dit kind de zonde en de neiging tot zonde kan overwinnen

En een hart kan geven dat wel van God houdt en Hem gehoorzaam wil zijn en wil belijden.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest
verzekert ons de Heilige Geest dat Hij in ons zal wonen
en dat Hij ons tot leden van Christus heiligen wil.

God is de eerste – en dat God de eerste wordt zichtbaar in de doop,
maar gaat nog verder terug: naar het kruis op Golgotha
en nog verder terug: naar de kribbe in Bethlehem
en nog verder terug: naar het paradijs, waar God Adam en Eva opzocht
en een belofte gaf dat de macht van de zonde verbroken zal worden
en dat ze eens weer vrije mensen zullen zijn.

Die belofte is al uitgekomen voor wij geboren werden.
Er is maar één woord dat echt kan weergeven wat er gebeurde: liefde.
En dan niet liefde zoals wij daarover spreken en denken.
Als je vader of moeder wordt, houd je van je kind
en die liefde is er al voor je kind geboren is en je je kind nog niet hebt gezien.

Wat is die liefde dan?
Dat je om je kind geeft en dat je kind belangrijker is dan jezelf.
Dat als er iets met je kind is, dat je diep raakt.
En dat je niet zonder je kind kunt en dat je tot veel bereid bent om je kind gelukkig te maken.

Als Johannes spreekt over de liefde die God heeft,
Dan denkt Johannes aan de bereidheid dat Jezus wilde komen, uit de hemel op aarde,
aan de bereidheid dat Jezus zichzelf als offer wilde geven.,
Dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden en dat Hij ons inlijft in Zijn gemeenschap.
Liefde.

Die liefde van God voor ons – zichtbaar geworden aan het kruis
en op ons leven betrokken in de doop – vraagt om onze liefde.
Onze liefde tot God en tot andere christenen.

Die liefde tot andere christenen laat ik nu even rusten (omdat ik daar pas over preekte)
En richt me nu op de liefde tot God,
ons antwoord op Zijn liefde voor ons,
ons antwoord op het kruis dat op Golgotha staat, jouw antwoord op de doop die je kreeg.

Want de doop vraagt om een antwoord, om wat jij ermee doet.
Je ouders hebben je laten dopen, maar dat is bedoeld
om jou te laten antwoorden op de liefde van God.
Johannes spreekt over belijden, belijden dat Jezus de Zoon van God is.
Wat is dat belijden dan? Dat je “ja” zegt tegen God,
Hier ben ik Heer, Ik kniel voor U neer

omdat ik U iets zeggen wil

het zit heel diep in mij, het maakt me soms zo blij

en dan weer even stil

 

Ik wil U graag vertellen dat ik zoveel van U hou

het klinkt misschien eenvoudig maar ‘t is alles wat ik zeggen wou
Belijden is je liefde verklaren aan God, omdat Hij van jou houdt
en de eerste is en steeds naar jou op zoek is, om jou voor zich te winnen.
U alleen, U behoor ik toe.
Belijden is dat je zegt: Heere, ik wil het nu zelf,
De reden waarom mijn ouders mij hier bij de doopvont brachten om gedoopt te worden.
Ik ben van U, ik wil van U zijn. Ik wil niet meer bij U weggaan, maar leven met U.

Leven met U, altijd. Wie ben ik zonder U?

U bent om mij heen. Waar ik ga houdt U mij vast.

Wie ben ik zonder U? U bent om mij heen.

Waar ik ga houdt U mij vast. Wie ben ik zonder U?

U bent om mij heen. Waar ik ga houdt U mij vast.

Wie ben ik zonder U? U bent om mij heen.

Waar ik ga houdt U mij vast.
Amen

 

Preek zondag 7 juli 2019

Preek zondag 7 juli 2019
Schriftlezing: 1 Johannes 2:12-17, 3:1-6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Heb de wereld niet lief! schrijft Johannes aan de gemeente.
Dat is wel een heel radicale opmerking, waarbij we wel zouden kunnen denken:
Het kan ook minder. Je kunt je toch niet helemaal aan de wereld onttrekken?
Je leeft in de wereld, je hebt ermee te maken.
De wereld zie je om je heen, hoor je om je heen, ervaar je elke dag weer.
Daar leef je middenin.
Daar kun je toch niet zo makkelijk afstand van nemen.

Maar we begrijpen het als een man,
die alleen maar druk is met zijn werk en daar helemaal in opgaat,
en geen tijd meer heeft voor zijn vrouw en voor zijn gezin,
door zijn vrouw tot de orde wordt geroepen:
En nu ga je het anders doen. Anders moet je het zonder ons gaan doen.
Het kan ook omgekeerd: dat een man vindt dat zijn vrouw met zoveel dingen bezig is,
met werk, met allerlei andere activiteiten, dat hij tegen haar zegt:
Ja, hallo! Ik ben er ook nog.

Als een getrouwde man veel met een andere vrouw optrekt,
daar steeds op ongebruikelijke momenten is en vaker daar is dan thuis,
kunnen we het begrijpen dat zijn eigen vrouw gaat zeggen:
Nu moet je een keuze maken tussen haar en mij.
Dit gaat zo langer niet.

Als Johannes aan de gemeente schrijft, dat ze de wereld niet mag liefhebben,
bedoelt hij daarmee aan te geven dat God geen concurrentie duldt van de wereld.
Het is óf-óf: óf God óf de wereld. Het gaat niet samen op.

Daarom is voor ons de vraag: waar gaat je hart naar uit?
Wat houdt jou het meeste bezig?
Johannes schrijft aan zijn gemeente: als je nou serieus bezig bent met God,
als je met Hem wilt leven, dan is er geen ruimte om in de wereld op te gaan.
Je liefde mag niet naar de wereld uitgaan.
Wat bedoelt Johannes hier met de wereld?
Is dat de wereld waarin je leeft? En bedoelt Johannes dat je je daarvan moet afzonderen?
Alleen maar met de kerk en met geloof bezig zijn?
Bedoelt Johannes dat je met mensen, die niet geloven, moet breken
en alleen moet omgaan met andere christenen? 
Moet je het isolement kiezen en terugtrekken van de wereld?
Heel kort zou je de wereld kunnen uitleggen als:
dat deel van onze werkelijkheid dat met God niets te maken wil hebben.
Maar dan hebben we het nog niet helder, nog niet concreet.
Je moet in aan ongelovige mensen denken, tenzij ze heel bewust bezig zijn
om je aan te praten dat geloof onzin is en niet rusten voor jij breekt met God.
De wereld, zoals Johannes het hier bedoeld, is een soort sfeer, die je beïnvloed.
Die je opsnuift, die je om je heen ziet.
Bijvoorbeeld dat je het prima redt zonder God, dat je echt niet naar de kerk hoeft te gaan
en dat je niets mist als je de kerkdienst overslaat.
De wereld, dat is wat je voorgeschoteld krijgt in reclames:
dat het in het leven erom gaat dat je geniet, dat je wat je wil hebben kunt aanschaffen,
dat je geld meer wordt zonder dat je er veel voor hoeft te doen.
Wat je voorgeschoteld krijgt in films, via Netflix, via de personen die op tv komen.
Je visie op relaties, op je eigen relatie, op seksualiteit, op hoe je met elkaar omgaat,
Waar komt die vandaan: uit de Bijbel of wordt die aangereikt ergens anders vandaan?
Van de week was ik met een aantal collega’s bij elkaar, op een studiedag voor de IZB.
Iemand vertelde hoe vrienden uit elkaar gingen – christelijke vrienden
met als argument: je wilt toch niet zeggen dat wat in films getoond wordt niet waar is.
Maw: Als stellen in films uit elkaar gaan, waarom zou ik dat dan niet mogen.
Er is bijna geen enkele film, waarbij een relatie standhoudt, bijna altijd gaat het mis.
Dat is zomaar een voorbeeld van wat voorgeschoteld wordt:
Je hoeft niet te vechten voor je relatie, maar kies de makkelijkere weg,
Want jij moet gelukkig worden, jij moet tot je doel komen. Het gaat om jou.
Je leeft maar één keer.
En dan is de thematiek van relaties en seksualiteit maar één voorbeeld.
Dat zouden we kunnen rekenen tot wat Johannes hier de begeerte van het vlees noemt.

Johannes schrijft over meer: begeerte van de ogen.
Daarbij kun je denken aan verleidingen, die je ziet,
je ogen die de verleiding, die er in de wereld te koop is, indrinkt.
Je kunt dat ook ruimer opvatten, die begeerte van de ogen.
Namelijk: alleen maar serieus nemen wat je ziet, dat je geloof laten bepalen.
Als we in onze Noord-Hollandse tijd naar de kerk gingen,
gingen de meeste mensen die op straat waren niet naar de kerk.
Ze gingen hardlopen of fietsen.
Er zaten meer mensen op de dijk met een hengel te vissen in het kanaal
dan dat er mensen in de kerk zaten.
Als je dat ziet, dan kun je heel snel gaan rekenen:
De meeste mensen gaan niet naar de kerk en zullen de kerk niet van binnen zien.
De kerk stelt niet veel meer voor.
Vanmorgen reed ik naar Drenthe.
Ik reed iemand voorbij met een witte blouse en een stropdas. Vast een collega.
De meeste mensen die op de weg waren, zullen vast ergens anders naartoe zijn gegaan.
De begeerte van de ogen is dan kijken zonder rekening te houden met God.
Je gaat denken dat het niet veel meer is.
Vanmorgen in die gemeente kwamen we bij elkaar: een eenvoudige kerk
en als ik de mensen zo inschatte vooral eenvoudige mensen.
Ik heb ze niet geteld, maar meer dan 40 zullen het niet geweest zijn.
Maar je moet ook niet tellen, maar kijken wat er gebeurt: dat Christus er op aarde is,
als gastheer aan de tafel, Hij de hemelse Heer, die brood en wijn aanreikt,
en in dat brood en die wijn zichzelf geeft.
Als je met de ogen van het geloof kijkt, dan zie je dat al is de kerk op bepaalde plekken klein
God groot is en Zijn werk ontzagwekkend en de toekomst zeker.
Heb de wereld niet lief!  Want op korte termijn kan het je veel lijken te brengen,
maar op langere termijn, en ook als het gaat om je bestemming, je eeuwig heil,
dan kom je tekort.

Johannes kijkt niet alleen naar de toekomst: ook nu kom je tekort als je voor de wereld kiest.
Als je je liefde voor God inruilt voor liefde voor de wereld.
Hij spreekt de gemeente aan om hen te laten zien, hoeveel ze nu al van de Heere krijgen.
Johannes spreekt de kinderen, de ouderen en de jongeren omstebeurt aan.
Mooi toch, als iedereen afzonderlijk wordt aangesproken.
Allereerst de kinderen, die worden als eerste aangesproken, nog voor de volwassenen.
Wat betekent het voor jullie, kinderen, dat je niet van de wereld mag houden?
Dat God het belangrijkste in je leven moet zijn.
Belangrijker dan wat je later gaat worden. Belangrijker dan school, sport, vrienden.
Dat komt op de tweede plaats. Dat blijft wel belangrijk, maar het allerbelangrijkste blijft God.
Soms betekent dat, dat je niet mee kunt doen:
je kunt niet meedoen als gevloekt wordt, als er gepest wordt,
als anderen naar de winkel gaan om iets te stelen, mag je niet meedoen.
Van de wereld houden, betekent dat je God niet nodig hebt.
Dat je bijvoorbeeld zo snel bidt voor je eten, dat je nog geen 2 seconden je ogen dicht hebt
en eigenlijk helemaal niet beseft dat je bidt.
Dat doe je als je bij jezelf denkt dat je ook wel zonder bidden kunt.
Toen ik 7 jaar was, brak ik een keer mijn arm toen ik van een schommel viel.
Die zondag erop was er zondagsschool
en een zondagsschoolmeester wilde danken, dat ik bewaard was.
Ik wilde geen aandacht en zei dat het niet nodig was om voor mij te bidden of te danken.
Toen ik dat zei, schaamde ik mij gelijk.
Want ik gaf eigenlijk aan: ik kan ook wel zonder gebed.
Heb de wereld niet lief! schrijft Johannes. Hij zegt het ook tegen jou persoonlijk.
Want je zonden zijn vergeven. Als God je al zoveel geeft,
Dat alles wat je verkeerd gedaan hebt, je vergeven wordt,
Dat God daar niet meer aan denkt, dat Hij daar niet meer met je over begint,
omdat het ook weg is, vergeven,
dat je dan toch van de wereld houdt.
Je zonden zijn vergeven, schrijft Johannes, Christus is ook voor jou gestorven.

Nu worden de kinderen aangesproken, maar zijn we in de kerk niet allemaal kinderen?
Ook als je al lang in de kerk meedraait en veel preken gehoord hebt,
kun je het gevoel hebben, dat je nog maar net komt kijken, een beginneling bent.
Als je voor je gevoel nog maar net begint met geloven, blijf je kwetsbaar
voor de verleiding van de wereld en ga je er zo in mee.
Daarom schrijft Johannes: bedenk wat je allemaal gekregen hebt van je Heer.
Dat wil je toch niet kwijtraken door weer voor de wereld te kiezen, zonder God te leven?

Kinderen in de gemeente, of ze nu echt de leeftijd van een kind hebben,
of dat je nog maar net het evangelie hebt ontdekt, een pril geloof
hebben steunpilaren nodig.
Andere gemeenteleden, die de Bijbel kennen, die het geloof voorleven,
laten zien hoe je het leven met Christus in praktijk brengt.
MEt de ouderen in de gemeente bedoelt Johannes de steunpilaren in de gemeente.
Gemeenteleden die de verleiding van de wereld kunnen doorzien
en anderen daarvoor waarschuwen: Pas op!
Toen ik studeerde, was ik lid van een studentenvereniging.
In het eerste jaar waren er oudere studenten, die soms al 7 of 8 jaar studeerden.
Als jongerejaars had je er veel aan.
Ze vertelden hoe je bepaalde dingen moest zien
En hoe je kon voorkomen, dat bepaalde lastige thema’s nadelig uitpakten voor je geloof.
Na verloop van jaren namen die ouderejaars afscheid, omdat ze klaar waren met de studie
En ik weet nog, dat toen ik zelf in het 4e jaar kwam, ik opeens het besef had
dat ik nu zelf een ouderejaars was, een voorbeeldfiguur werd,
een soort steunpilaar moest zijn.
Je kunt niet kind blijven. Je moet opstaan en voortouw durven nemen.
Misschien heeft dat inzicht ook wel geholpen om predikant te worden.
Er is een moment waarop je niet meer kunt zeggen: Ik ben nog maar een beginneling.
Nee, er moet leiding gegeven worden.
Een moment, waarop je anderen, die minder ervaren zijn, raad moet geven, ondersteunen.
Uit moet leggen, hoe je in deze tijd afstand kunt bewaren tot de wereld.
Hoe je wel in deze wereld bent, zonder deze wereld lief te hebben.
Hoe je wel hier je plek hebt, leeft, contacten hebt, vrienden en collega’s,
maar dat je hart bij Christus blijft liggen.
Johannes spreekt de ouderen aan, de ervarenen in het geloof,
omdat ze het kinderlijke hebben afgelegd en iets stabiels hebben, een robuust geloof.
Want u kent God, zegt Johannes tegen die verder gevorderden.
Ik kijk degenen die al langer naar de kerk gaan aan.
Nu wil dat niet zeggen, dat als je lang naar de kerk gaat
ook zo’n stabiel voorbeeldfiguur bent.
Maar misschien zou u, zou jij het ondertussen al wel moeten zijn
en verschuil je je nog te gemakkelijk achter de gedachte: wie ben ik, ik kom maar net kijken.
U kent God, zegt Johannes. Hoe is dat met u en met jou?
Kun je dat nazeggen? Kun jij dat zelf ook zeggen: Ik ken God?
Kennen betekent hier niet: met je verstand kennen en alles over God kunnen uitleggen,
want God is te groot om door ons helemaal gekend te zijn.
Kennen betekent hier: relatie hebben.
Als ik aan een man zou vragen, ken je je vrouw?
Dan zal hij niet gaan vertellen over de schoenmaat en kledingmaat,
niet over de bankrekening, of wanneer ze jarig is.
Maar zal hij gaan vertellen over haar karakter en waarom ze zo bijzonder is
En wat ze voor hem betekent – dat is kennen.
In de Bijbel heeft kennen altijd een intieme betekenis, met iemand omgaan.
Kennen betekent: bidden, lezen uit de Bijbel en daarover nadenken, avondmaal vieren,
de kerkdienst bezoeken en je daar gesterkt voelen, je vertrouwen stellen op God.
Als je zo leeft, groeit ook je vertrouwen in God
en heb je de wereld ook niet nodig hoef je de wereld ook niet lief te hebben
En doorzie je de wereld en de nadelige gevolgen daarvan voor je geloof.
Je weet wat je aan God hebt en dat wat je omgang met God je biedt
De wereld je nooit kan bieden.
Johannes kan trouwens ook schrijven, dat kinderen de Vader kennen.
Dat is dus niet voorbehouden aan de doorgewinterden in het geloof.

Er is ook een tussengroep – tussen de kinderen en de steunpilaren: jongeren.
De jongeren, dat zijn degenen die net zelfstandig zijn, hun eigen leven kunnen leiden,
opgeroepen kunnen worden als het oorlog is om het land te verdedigen.
Nog niet helemaal klaar om een steunpilaar te zijn, daarvoor moeten ze nog groeien,
maar ze zijn ook geen kind meer.
Ze kunnen al wel verantwoordelijkheid nemen,
ze kunnen al heel wat aan en heel wat betekenen.
Je zou kunnen zeggen: dat zijn degenen die net belijdenis hebben gedaan.
Of binnenkort belijdenis zouden kunnen doen.
Op weg naar een stabiel en robuust geloof.
Af en toe gaan ze nog onderuit en verliezen ze het doel uit het oog,
maar ze groeien: jullie zijn sterk, zegt Johannes.
Jullie hebben de wereld overwonnen.
Je kent de aantrekkingskracht van de wereld, maar je bent in staat om nee te zeggen,
om ondanks de verleidingen die er in de wereld om je heen zijn,
de weg te gaan van Christus.
Je praat met je vrienden, die niet naar de kerk gaan, omdat je met hen bewogen bent,
het zijn altijd vrienden geweest en nu je zelf bent gaan geloven, houd je contact,
omdat je gunt dat ook zij gaan geloven.
Je weet dat ze zonder God leven en God niet eens missen.
Je raakt er niet meer door uit het lood, zoals eerst, omdat je nu weet wat je aan God hebt.
Omdat je ervaren hebt, dat Christus voor jou Zijn leven gaf en je redde.
Je kent de verleidingen van de wereld, maar je kent nog meer je Heer.
Je weet hoe films, reclames, boeken, de wereld waarin je leeft, je wil beïnvloeden,
maar je hebt het door en je bent er daardoor tegen bestand.
Je draagt een geheim in je dat je sterk maakt, waardoor je kunt overwinnen:
Gods Woord. God zelf doet je overwinnen. Hij zorgt ervoor dat je sterk bent,
dat je volhoudt tot het einde toe.
Je weet: deze wereld is niet alles, gaat voorbij.
Nee, God is mijn geluk. Hij is mijn Heer, mijn leven.
Je hebt het geleerd, ontdekt: Vertrouw op de HEER met heel je hart,
steun niet op eigen inzicht.
Denk aan hem bij alles wat je doet. Dan baant hij voor jou de weg.
Amen