Overdenking middagdienst 15 september 2019

Overdenking middagdienst 15 september 2019
Kolossenzen 3:12-17

Twee weken geleden waren we in een klein kerkje in het land van Maas en Waal.
Er waren meer Oldebroekers aanwezig in de diensten op die zondag
omdat Jasper Lensen werd bevestigd tot predikant.
Na afloop van de morgendienst sprak ik met een van de kerkenraadsleden.
Hij had zo genoten van het zingen in de dienst.
Nu kunnen ze daar in Poederoijen zelf ook best zingen,
maar met de aanwezigheid van Oldebroekers had hij echt gemerkt in de kerk.
Het had de vreugde, die er al was door de komst van weer een eigen predikant,
nog meer vergroot.
Als je het hebt over samen gemeente zijn, kun je niet om het bij elkaar komen op zondag
en om het zingen tijdens de dienst heen.
Want samen gemeente zijn gebeurt niet alleen op de Bijbelkring of op gemeenteavonden,
dat zeer zeker ook, en ik ben blij dat ze er zijn,
maar ook op zondag als je bij elkaar komt en samen zingt.

De dichter Willem Barnard verwoordde dat eens in een gedicht:

Tussen het zingende kerkvolk

Soms, als ze hun longen te boven zingen,

het dak bol staat van geluid,

kijk ik mijn ogen uit:

alles verandert, de dingen

staan stil te dansen, het altaar haast swingende,

pinkstertongen worden de kaarsen en de gezichten

van de gewoonste stervelingen glanzen van licht.

Ik verwonder mij tot ik versta:

zonder die tranen in mijn ogen

had de wereld zich niet bewogen,

gingen de dingen niet opgetogen


al dat geloven achterna.


Wat zouden we zijn als we als gelovigen niet meer zouden kunnen zingen?
Dan zou ons geloof heel wat kouder zijn, minder opgetogen, meer wankel.
Hoe vaak gebeurt het niet, dat je iets zingt dat haast niet te geloven is,
maar je zingt het en omdat je het zingt samen met anderen, ga je het weer geloven.
We zongen de geloofsbelijdenis, een versie van Jaap Zijlstra:
Ik geloof in God de Vader
die een bron van vreugde is
Dat kun je gewoon zeggen en dan is het ook waar,
maar als je het zingt, krijgt het nog meer een vorm van lofprijs
en neemt het ons nog meer mee.
Door te lijden en te sterven
– groot is het geheimenis –
schenkt Hij mij het eeuwig leven
dat uit God en tot God is.

Je kunt tobben of dat eeuwige leven wel voor je bestemd is,
maar dan heb je wel net gezongen dat God het ook aan jouzelf geeft:
schenkt Hij mij het eeuwig leven.
Dat getob is even weg en je zingt het met overgave.

We zongen over eeuwig leven.
Er zijn momenten waarop het soms moeilijk te geloven is dat er een eeuwig leven is,
dat je geloof wordt aangevochten.
Dan is het nodig om ervan te zingen, dat je het weer weet, weer gelooft:
Er is een eeuwig leven en God schenkt dat. Hij schenkt het ook aan mij.

Toen mijn opa werd begraven, ik was 12 jaar, het was mijn eerste begrafenis,
zongen we bij het uitdragen van de kist ‘k Heb geloofd en daarom zing ik.
We zongen van genade, van ontferming en verlossing,
door het bloed van Golgotha.
Later in mijn tienertijd werd geloven voor mij moeilijker, omdat ik ging twijfelen
of er wel een God was, of er wel eeuwig leven was.
Ik leerde de eerste regel van het lied,
dat gezongen werd bij de begrafenis van mijn opa en dat ik daarna nooit meer vergat,
om te draaien: Ik zing opdat ik geloof.
Er zijn momenten, tijden in je leven, waarop je niet zingt, omdat je gelooft,
maar zingt om te gaan geloven, om weer moed te krijgen,
om er boven uitgetild te worden.
Het is niet voor niets volgens mij dat veel melodieën van psalmen en gezangen te hoog zijn.
Ik moest een keer een groep mannen begeleiden tijdens een kerstviering.
Ik kon de toonhoogte van het orgel stellen. Ik zette de toonhoogte stukken lager.
De mannen genoten, want nu konden ze bij de juiste toon en konden ze voluit zingen.
Ze hoefde niet meer een octaaf lager te zingen.
Het is niet voor niets, dat de melodieën hoog zijn.
Het is bedoeld om ervoor te zorgen, dat je boven je uit gaat zingen.
Dat als je niet kunt geloven, dat je meegenomen wordt, door de melodie
op de juiste toonhoogte om God te loven.

Kun je nog zingen, zing dan mee.
Zo heette het boekje dat we vroeger gebruikte op de zondagsschool.
Soms kun je niet zingen, omdat het niet kunt geloven.
Als je verdrietig bent, omdat iemand gestorven is,
Als je teleurgesteld bent, in mensen of in God, is het niet makkelijk om te zingen.
Dan mompel je maar wat mee, als je al je mond kunt open doen.
Aan Niek Schumann, hoogleraar Liturgiek in Kampen, werd eens tijdens college gevraagd:
‘Gelooft u nu alles wat u zingt?’
‘Natuurlijk niet! Ik zing het opdat ik het gá geloven.’
We lazen met elkaar enkele verzen uit Kolossenzen:
onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht, met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.
De manier waarop het geschreven is, is vreemd.
Tenminste, je zou er een ‘en zing’ tussen verwachten.
onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht, en zing psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.
Het staat er echter niet. Je kunt ook het zo lezen,
dat je elkaar als gemeenteleden vermaant en onderwijst door te zingen,
Voor de ander te zingen, met de ander te zingen,
zo te zingen dat je de ander meeneemt in de lof op God,
meeneemt in het vertrouwen dat de ander op dat moment niet heeft.
In deze brief komen die woorden onderwijzen en elkaar terecht wijzen ook voor:
in hoofdstuk 1:28: onderwijs en terecht wijzen,
met als doel zodat iedereen volgroeid is in Christus.
Onderwijzen en terecht wijzen hebben met opvoeden te maken,
iemand te laten rijpen tot volwassenheid.
Dat doe je door onderwijs te geven: uitleg over hoe het leven in elkaar zit.
Dat doe je ook iemand terecht te wijzen wanneer dat nodig is.

Ik las een keer bij een hoogleraar Godsdienstpedagogiek,
die een keer een kleinzoon meemaakte tijdens een bruiloft:

Toen mijn oudste kleinzoon 15 jaar oud was, hadden wij een bruiloft van een vriendin van de familie. Tijdens de bruiloft zag ik dat mijn kleinzoon in een boek las. Ik vroeg hem naderhand wat hij gelezen had. Een krimi, zei hij. Vanuit mijn liberaliteit heb ik toen gezwegen en geleden. Later dacht ik: wat heb ik deze mens eigenlijk aangedaan door hem niet te laten merken hoe ik erover dacht? Hoe moet hij sterk worden als hij mij steeds meemaakt met de vriendelijkheid van een weekdier? Toen zei ik tegen hem: “Het was laf en respectloos. Je hebt geen respect getoond voor wat voor anderen heel belangrijk was. Je was laf door erbuiten te blijven staan als het je niets zegt.” Later hebben wij een mooi en ernstig gesprek hierover gehad. Dat had ik heb ontnomen als ik niets had gezegd.

Deze hoogleraar zei: je wordt alleen sterk als je ook weerstand krijgt.
Dat geldt ook voor het geloof in Christus: je groeit alleen naar volwassen geloof,
Als je ook weerstand krijgt.
Als je hoort wanneer je je teleurstelling moet opgeven,
of het blijven hangen in twijfel kinderachtig wordt,
of als je voor de zoveelste keer geen gehoor geeft aan de uitnodiging om aan het avondmaal te gaan, of belijdenis doen weer voor je uitstelt.
Elkaar opvoeden én terecht wijzen. Dat kan dus ook door te zingen.

Een mooi voorbeeld – waar ik mee wil afsluiten – is Paulus zelf.
Toen hij in de gevangenis zat in Filippi.
Daar zitten ze in de inktzwarte duisternis van deze vochtige gevangenis. Onterecht beschuldigd, tot bloedens toe geslagen, hun voeten in blokken. Zij hebben verkondigd hoe Jezus de Heer van de wereld was, de redder van de kosmos. Elk klein hoekje van deze wereld behoort Hem toe. En nu overkomt hen dit.

Paulus stelt voor om te gaan zingen.

‘Zingen? Nou, vooruit,’ zegt Silas weinig enthousiast, ‘jij begint.’

Paulus begint te zingen uit Psalm 9 (misschien was het de oude berijming uit het oude psalmboekje van lang geleden):

Ik zal met al mijn hart den Heer’,

blijmoedig geven lof en eer.

Je kunt Paulus onmiskenbare bas de psalm vol overgave horen zingen. Silas gaat meezingen met een onzekere tenorstem.

Mijn tong zal mijn gemoed verzellen

en al Uw wonderen vertellen.

Twee Joodse mannen van middelbare leeftijd die een thuis zoeken in deze donkere wereld door samen een psalmduet te zingen. Je kunt je erover verbazen. Jezus is Heer van deze wereld. Elk klein hoekje behoort hem toe. Werkelijk!
We hebben elkaar nodig in de gemeente: ook om samen te zingen.
Om gedragen te worden door het geloof van elkaar ook tijdens het zingen.
Als de een niet kan zingen, niet kan geloven, dan zingen wij als anderen voor die ander
en geloven voor die ander, tot hij of zij dat zelf weer kan.
Zo zijn we als gemeente door God aan elkaar gegeven,
om elkaar op te bouwen in het geloof.
Amen

Preek zondag 15 september 2019 – morgendienst

Preek zondag 15 september 2019 – morgendienst
Start van het winterwerk en presentatie doelen diaconale winteractie
Thema: Kom, doe mee! (aangereikt door HGJB). Schriftlezing: Nehemia 2.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is feest in het paleis, een groot feest dat door de koning is georganiseerd.
Voor dit feest heeft Nehemia de opdracht gekregen om voor de wijn te zorgen,
een belangrijke taak die hij heeft gekregen,
Want er mag natuurlijk alleen maar de beste wijn geschonken worden.
De wijn zal er aan bijdragen dat de vreugde van het feest alleen maar groter wordt.
Want wijn verdrijft de somberheid en zorgt ervoor dat mensen vrolijk zijn.
Somberheid kun je tijdens zo’n feest niet gebruiken.
Maar Nehemia is wel somber.
Terwijl iedereen om zich heen vrolijk is en in stemming komt voor het feest
dat straks groots gevierd zal worden, voelt Nehemia zich eenzaam
tussen al die vrolijk gestemde mensen.
Hij kan niet vrolijk zijn.
Ook al is het voor hemzelf deze maand een bijzondere maand,
want in deze maand Nisan wordt Pesach, Pascha gevierd,
het feest waarop Israël viert dat het uit Egypte werd bevrijd en mocht gaan
naar het beloofde land in Kanaän.
Hij is somber, omdat hij moet denken aan die andere feestmaand,
Waarop zijn broer uit het verre Juda bij hem in Susa kwam,
het was de maand kislew, de maand waarin herdacht werd
dat de tempel weer in gebruik genomen werd,
dat er in Jeruzalem weer tot God gebeden kon worden, dat er geofferd kon worden.
Dat was mooi nieuws en het was fijn om zijn broer na zo’n lange tijd weer te zien,
maar wat zijn broer vertelde over Jeruzalem houdt hem nog steeds bezig.
Ook nu tijdens het feest dat de koning organiseert.
Zijn broer vertelde dat de mensen die in Jeruzalem woonden het erg moeilijk hadden.
Het gaat slecht met hen, want ze worden door iedereen bespot,
omdat de stad geen muren en poorten meer had.
De muren en poorten waren verwoest en door het vuur verbrand.
Een teken dat de stad door God gestraft was en in de steek gelaten.
De stad was zonder bescherming.
Wilde dieren konden de stad zomaar binnen komen en voor gevaar zorgen.
Rovers en dieven konden ‘s nachts de stad binnen komen om te stelen.
Het had Nehemia geraakt, want Jeruzalem was niet zomaar een stad,
maar de stad van God.
De Heere had deze plek uitgekozen: daar in Jeruzalem stond Zijn troon op aarde.
Daar kon je naar de Heere toe gaan om raad te vragen in belangrijke kwesties,
om genezing als je ziek was, om bescherming voor als je onderweg moest.
Sinds kort was de tempel weer herbouwd, maar de stad was nog incompleet.
Sterker nog, een gewonde stad, zonder enige bescherming.

Als hij tijdens het feest rondloopt om te kijken of het goed gaat met de wijn
en om te kijken of hij voor de koning nog wijn kan inschenken,
moet hij denken aan de stad Jeruzalem
en ziet voor zich hoe de graven van zijn voorouders door rovers zijn geplunderd.
Hij kan gewoon niet vrolijk zijn.
Toen zijn broer bij hem gekomen was met dat verhaal over Jeruzalem,
de stad die nog steeds verwoest was, vroeg hij zich af waarom hij hier in Susa was,
zoveel duizenden kilometers van Jeruzalem vandaan.
Waarom was hij niet daar in Jeruzalem? Daar in de stad van God zou hij iets kunnen doen!
Is er soms een reden, waarom hij hier aan het hof van de koning een belangrijke taak heeft,
zoals later Esther gekozen werd tot koningin om het volk te redden?
Nehemia besluit om dat aan de Heere voor te leggen, de God Israël,
de God van zijn voorvaderen, de Heere die Jeruzalem heeft uitgekozen om er te wonen.
We hebben daar een naam voor, voor het tijd nemen voor God om je vragen voor te leggen:
Stille tijd.
Hij heeft een speciale vraag aan God:
Wilt U ervoor zorgen dat de koning helpt om mijn plannen uit te voeren.
Nu loopt hij op het feest, terwijl hij denkt aan Jeruzalem en ook aan zijn gebed.
Hij voelt spanning in zich: zou de koning hem willen helpen?

De koning ziet dat er met Nehemia iets aan de hand is.
Hij ziet dat het gezicht van Nehemia anders staat.

Zou er iets met hem aan de hand zijn? Zou hij ziek zijn?
Hij vraagt het aan Nehemia: “Wat is er met je aan de hand? Je ziet er zo anders uit!”
Nehemia had wel gehoopt dat de koning hem zou willen helpen,
maar of hij erop had gerekend?
In zijn hart is er een gebed tot God in de hemel, Die hoger is dan iedereen
En ook in staat is om het hart van de koning aan te sturen,
zodat de koning van Perzië bereid is om Nehemia te helpen
met zijn plan om iets voor Jeruzalem, dat zoveel verder ligt.
Nehemia heeft de hulp van de koning nodig,
want hij zal heel wat tegenslag krijgen onderweg.
Er zullen mensen zijn die niet willen dat de muur overeind komt
En het juist mooi vinden als Jeruzalem zo kwetsbaar is.
Dan kunnen zij van buitenaf de baas spelen over Jeruzalem, of makkelijk aanvallen.
Hij beseft dat hij daarom ook niet zonder Gods hulp kan.
Daarom bidt hij tot God, een gebed in zichzelf.
De aardse koning hoort het niet, maar de hemelse koning, de God van de hemel wel.

De koning stemde ermee in,
maar nu was het zijn beurt om somber te worden.
Hij was blijkbaar op Nehemia gesteld.
Een muur is niet zo maar gebouwd, dat kost veel tijd.
Een muur bouwen kun je niet alleen.
Het bouwen van een muur is net als in de werken in de kerk: dat kun je niet alleen.
Je hebt anderen nodig.
Bij de bouw van een muur, en ook bij het werken in de kerk, heb je een team nodig.
Je hebt elkaar nodig: door samen te werken kun je pas echt wat bereiken.
Soms is het wel nodig als er een is die begint, het voortouw neemt,
zoals Nehemia het gevoel krijgt dat hij iets moet doen voor Jeruzalem, de stad van God.
Of iemand die begint met het idee om een gemeentedag te organiseren,
waarbij anderen kunnen aanhaken en kunnen meedoen.
Daarom: Kom doe mee!
We hebben elkaar nodig als gemeenteleden, om de weg van Christus te gaan
en met Gods hulp de gemeente helpen bouwen.

Na een lange reis komt Nehemia aan.
Bij zijn aankomst weet niemand wat hij komt doen.
Zouden ze aangevoeld hebben wat Nehemia kwam doen?
Of was het niet opgevallen.
Nadat hij is aangekomen, doet Nehemia de eerste paar dagen niets.
Waarschijnlijk moet hij uitrusten van de reis.
Enkele dagen nadat hij is aangekomen, wil Nehemia toch weten
Wat er aan de hand is, hoe de stad erbij ligt.
Hij heeft gehoord dat de stad er niet best bij lag, van zijn broer.
Hij heeft er iets van gezien toen hij in de stad kwam.
Nu wil hij met eigen ogen kijken wat er nodig is,
Hij is hier niet gekomen om niets te doen. Er is actie nodig.
Want anders blijft de situatie zo.
Als Nehemia iets wil gaan doen, moet hij wel eerst weten wat er nodig is.
Er moet een aanpak komen, idee voor wat er allemaal nodig is.
Je kunt niet zomaar beginnen.
Dat geldt voor het werk in de gemeente ook:
Soms is er ook actie nodig, moet er wat gedaan worden:
Een tov-groep geleid, catechisatie gegeven, huisbezoeken afgelegd.
Daar heb je voorbereiding voor nodig.
Je moet weten wat er nodig is, wie je moet bezoeken of wat je moet vertellen over God.
Er is dit seizoen ook een andere actie: De diaconale winteractie.
Elk jaar weer halen we geld op voor goede doelen.
Ook dit jaar weer 3 doelen, waarmee we organisaties steunen die het geloof uitdragen.

Die nacht gaat Nehemia op pad.
Hij gaat ‘s nachts, omdat hij nog niet wil dat anderen weten, waarom hij hier is.
Hij wil de stad rond om te zien hoe het met de muur is,
om te zien wat er allemaal gedaan moet worden.
In het donker gaat hij op pad.
Onderweg schrikt hij en zijn schrik wordt steeds groter.
De hele stad is een ruïne, de stad van God ligt er onbeschermd bij.
Op bepaalde plekken kan hij niet komen door de stenen die er liggen.
Nehemia had gehoord dat het erg was met de muur, maar zo erg?
De volgende morgen gaat Nehemia vertellen over het doel van zijn komst,
Dat hij gekomen is om de muur van de stad te herbouwen.
Dat hij dat niet alleen kan maar ook de hulp van de inwoners nodig heeft.
Samen kunnen ze bouwen.

Er zijn ook mensen, die als ze van het plan horen, er niet blij mee zijn.
Die mensen wonen niet in Jeruzalem, maar ergens anders in het land.
Zij vonden het wel prettig als de muur van de stad niet was herbouwd.
Want dan konden zij de baas spelen over Jeruzalem,
of dreigen de stad aan te vallen.
Er ontstaat ruzie tussen Nehemia en de mensen die buiten de stad wonen.
Zij zeggen tegen Nehemia: Wat jij doet is verkeerd.
Je wilt in opstand komen tegen de koning van Perzië.
Je mag de muur van de stad niet herbouwen.
Nehemia is echter niet bang, want hij heeft iets bijzonders: Rust in God.
Hij weet: de Heere heeft mij hier gebracht. Hier is mijn taak.
En als God mij roept om deze taak uit te voeren, zal Hij mij helpen en beschermen.
Door de muur om de stad heen, heeft de stad weer een toekomst:
Ze zijn veilig achter de muur.
De muur is meer dan een stenen muur alleen.
De muur staat voor de bescherming die God geeft.
Er was al een tempel in de stad: God woonde er al. Hij had er al Zijn huis.
Nu is er ook een muur: een teken dat God de stad beschermt.
Je kunt naar God toe als je bescherming zoekt: Toevlucht.
De psalmen zingen er steeds van (en ook andere liederen)
dat we een toevlucht bij God kunnen vinden.

Dit verhaal van Nehemia kun je ook toepassen op wat een gemeente nodig heeft.
Ook de gemeente heeft een muur nodig: bescherming tegen gevaar van buitenaf.
Daarmee bedoel ik niet de mensen van buitenaf,
zoals Nehemia last had van mensen die buiten de stad woonden.
Maar een muur, die ons beschermd tegen gevaar van de duivel,
die de gemeente wil binnendringen en mensen wil weghalen bij God vandaan.
Kom doe mee, zegt Nehemia tegen de leiders van Jeruzalem.
Ik kan het niet alleen, ik heb jullie hulp nodig, zoals ik ook de hulp van de koning nodig heb.
MEt de hulp van anderen kunnen we zien dat God helpt.
Zo hebben we in de gemeente ook de hulp van elkaar nodig.
We kunnen het niet alleen. Het geldt ook voor de gemeente: Kom doe mee.
Daarom: Kom, doe mee. Zet je in voor de gemeente,
Om je handen uit de mouwen te steken en je steentje bij te dragen,
maar ook om je handen uit de mouwen te steken om te bidden.
Wat is er dan nodig?
Gebed, toewijding aan God, zoals Nehemia ook steeds aan de Heere dacht}
en eerst alles aan de Heere voorlegde.
Daarom beginnen we de kerkdienst ook in de kerk,
omdat we niet zonder Gods zegen en kracht kunnen.
Om de gemeente te bouwen zijn er twee dingen nodig: bidden en werken.
Als je bidt, moet je niet met de armen over elkaar gaan zitten.
Want het kan zijn, dat God juist jou iets wil laten doen.
Onze actie kan ook niet zonder gebed. Want als we wel aan de slag gaan,
Wij bouwen – maar we kunnen het niet alleen.
Als God de stad niet bouwt, zegt Psalm 127, bouwen we tevergeefs.
Als God de gemeente niet opbouwt, is alles tevergeefs wat we doen in de kerk.
Hoe hard we ook werken, hoeveel activiteiten we hebben, hoeveel geld we ophalen.
Daarom zingen we ook:
Heft uw handen naar omhoog,
slaat naar het heiligdom uw oog
en knielt eerbiedig voor Hem neer.
Dan mogen we van de Heere ook iets verwachten:
De zegen van de Heere, die over ons daalt. Zijn gunst die uit Sion over ons straalt.
Amen

Preek jongerendienst 8 september 2019

Preek jongerendienst 8 september 2019
Thema: Eerst dit! Over tijd nemen voor God
Schriftlezing: 1 Koningen 19:1-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dé plek waar jongeren gretig zijn naar stilte.
Kun jij je dat voorstellen?
Dat je op een plek bent waar het heel stil is
en dat die stilte je goed doet,
dat je in die stilte God ervaart
En dat je daarom meer van die stilte zou willen hebben?
Kun jij je dat voorstellen?

Stilte is meestal toch iets ongemakkelijks.
Als je alleen thuis bent, dan luister je iets via Spotify of kijk je iets via Netflix
om de stilte maar niet op te merken.
Het eerste wat je doet als je wakker wordt, is muziek opzetten,
of je telefoon aandoen om te kijken of er nog berichten voor je zijn.
Je wilt niet stil worden en stil zitten, omdat je iets wilt doen, je wilt actie,
je wilt verder, voelen dat je leeft. Stil worden vertraagd alleen maar, is saai.

Dé plek waar jongeren gretig zijn naar stilte.
Het is een bericht over een docent op de middelbare school,
die elk jaar een reis organiseert voor zijn leerlingen,
Waar ze een klooster bezoeken, waar stilte een onderdeel is van het bestaan.
Die docent weet ook dat zijn leerlingen niet enthousiast zullen worden
bij het idee dat ze naar een plek gaan waar het vaak stil is
En waar ze leren om de stilte te waarderen.
Daarom zijn er altijd leerlingen, die de vorige keer geweest zijn
om de nieuwe groep enthousiast te maken voor de reis.
Het klooster van Taizé waar de reis naar toe gaat, kent drie momenten van gebed.
Drie keer luiden de klokken om iedereen te roepen naar de kerk om daar te bidden.
In de kerk nemen de meesten een plek op de grond.
Tijdens de dienst worden er eenvoudige liederen gezongen, die geregeld worden herhaald.
Nadat die liederen gezongen zijn, volgen er 10 minuten van stilte.
De hele kerk, gevuld met een grote groep, is stil.
De eerste paar keer is die stilte voor de nieuwkomers ongemakkelijk.
Maar na een paar dagen krijgt de stilte betekenis en raakt het de jongeren diep.
In die stilte ervaren ze: ze ervaren zichzelf, ze ervaren God.
Een paar reacties na afloop van de leerlingen:

  • De stilte is zo intiem, ook al ben je met heel veel.
  • De stiltes geven me zoveel inzicht.
  • Eerst keek ik naar anderen, maar toen ik mijn ogen sloot kwam ik thuis bij mezelf.
  • In de stilte voel ik wat mijn hart te zeggen heeft.
  • In de stilte leerde ik bidden.

Stilte is moeilijk te bereiken.
Niet alleen om je heen – dat is al ingewikkeld. Of een groep stil krijgen.
Het moeilijkste is misschien wel: jezelf, van binnen stil krijgen.
Van binnen, innerlijk stil worden.
Want van binnen gebeurt er van alles.
Als het stil wordt komt dat naar boven, soms wel een heel gevecht,
discussies met anderen, of soms een heel gevecht met jezelf,
of misschien wel met God.
Zou dat de reden zijn, waarom het moeilijk is, om tijd te nemen voor God.
Niet omdat we druk zijn en er niet aan denken,
maar omdat we niet durven: niet durven te luisteren naar wat er van binnen gebeurt.
De gevechten die er zijn, met anderen, met jezelf, met God.
Als het stil wordt om je heen en je niet meer afgeleid wordt door de geluiden om je heen
merk je wat er van binnen gebeurt, het gevecht dat er kan zijn.
Durf jij die stilte aan?

Elia staat in de stilte, waarin hij voelt dat God er is, een stilte waarin hij God hoort spreken.
Waarin hij weet nu ben ik echt bij God,
hier is Hij.
Het had wel even geduurd voor hij hier in de stilte bij God was aangekomen
en de Heere zelf kon ontmoeten.
Het was een lange weg, een weg waarop hij in gevecht was met God.
Op die weg waren er ook momenten waarop hij dacht het hoeft niet meer.
Hij had niet gedacht dat hij hier zou aankomen,
want het begon met de bode van Izebel.

Die bode had een triomfantelijke  blik in de ogen, alsof hij tegen Elia wilde zeggen
je kunt de strijd wel tegen Baal aangaan, maar je verliest het toch.
Je bent maar een eenling en wat kun je nu in je eentje beginnen tegen een god
Soms kan een enkele opmerking,
of een enkele blik je helemaal van de kaart brengen
en zorgen dat al het vertrouwen dat je had in God,
en de ervaring dat Hij er is, is dan zomaar weg.
Van je geloof is niet veel meer over op dat moment.

Het overkomt Elia ook als die bode van Izebel daar staat.
Er knakt iets in hem.
Alle ervaringen van eerder, toen Achab hem met de dood bedreigde
en hij door God verborgen werd gehouden bij de beek Krith
en gevoed werd door de raven,
toen hij bij de weduwe in Zarfath was en daar veilig was en te eten had,
dat is allemaal vergeten, het helpt hem op dit moment niet meer.

Zo kan alles wat je aan ervaringen met God hebt opgedaan opeens weg zijn.
Als de bode met die boodschap bij Elia komt, raakt hij in paniek.

Dan gaat hij op de loop.
We weten niet of hij wegvlucht, zo ver mogelijk bij Izebel vandaan
en de dreiging die van haar uitgaat of dat Elia naar God toe gaat.
Misschien is het ook wel allebei: op de vlucht voor Izebel en op zoek naar God.
En misschien is het ook wel zo,
dat hij op zoek is naar God,
niet om bij Hem te schuilen,
maar om Hem de waarheid te zeggen,
het uit te roepen waarom het allemaal niet opschiet bij zijn volk,
Dat ze maar niet willen luisteren naar hem en naar God, niet willen geloven.
Het zou best kunnen zijn dat Elia weggaat, niet om de stilte te vinden,
maar om het gevecht met God aan te gaan: waarom doet U mij dit aan.
Waarom mag ik geen succes hebben.
Het leek net wat te worden en nu wordt het ondergraven door Izebel
die haar bode stuurt.

Wat wil Elia eigenlijk vinden? Wil hij God vinden?
Als hij de woestijn inloopt, is daar niets te vinden,
op de geluiden van de wind na, de stilte, zelfs geen reactie van God.

God die hem naar Achab stuurde om aan te zeggen dat het 3 jaar droog zou zijn,
naar de beek stuurde, naar Zarfath, later weer naar Achab.
Nog maar net op de Karmel liet hij zo geweldig van zich horen,
dat iedereen die er bij was uitriep: De Heere is God.

Maar nu hij God weer nodig heeft, is het stil.
Hij verneemt niets van God.
Hij gaat het gevecht met God aan: neem mij maar weg, laat mij maar sterven.

Nu gaat het er in deze jongerendienst
om dat je tijd neemt voor God
en niet zomaar doorholt met waar je mee bezig bent.
Want voor je er erg in hebt ben je zo druk, dat je ‘s avonds op bed ligt
en bij jezelf denkt: o, ja, ik heb helemaal geen tijd gehad om aan God te denken.

En dat je op dat moment te moe bent om je lamp aan te doen, te lezen en te bidden.
Daarom is het goed om een vast moment te nemen
Waarop je tijd besteedt aan de Heere God.
Ik weet wel, als je net begint aan de dag en je moet naar school,
dan heb je daar niet altijd tijd voor.
En als er anderen in huis zijn, dan geneer je je misschien ook wel om die tijd te nemen.
Wat zullen ze wel niet van me denken.

Je wilt het wel, maar het voelt zo ongemakkelijk om er overdag mee bezig te zijn.
Of je zou wel willen, maar je weet niet hoe dat moet.
Maar het kan ook zo zijn, dat al besteedt je niet heel nadrukkelijk tijd,
dat je wel bezig bent met God, dat je op zoek bent om iets te merken,
net zoals Elia wel iets van God zou willen merken omdat hij Hem nodig heeft.

Ook als je niet uit de Bijbel leest en vergeet te bidden
kun je in gevecht zijn met God, van binnen, zonder dat anderen dat merken.
Dat je het liefste net als Elia naar Hem toe zou willen gaan
en dat je het uitroept wat je dwarszit en dat je zou merken dat God je hoort.
Soms kun je zo druk bezig zijn met God, willen dat Hij naar je luistert
En dat je iets van Hem merkt, dat je niet merkt dat Hij er al is.

Elia ligt onder de struik te wachten tot zijn einde komt.
Tot God hem haalt, of een engel stuurt om hem te begeleiden naar de hemel.
Er komt wel een engel, maar niet om hem te halen, om hem mee te nemen,
maar om hem nieuwe kracht te geven: sta op.

Dat is hier meer dan dat Elia wakker gemaakt wordt om te gaan eten,
maar sta op uit je ongeloof, je paniek, je wanhoop,
begin opnieuw maar nu weer met God, begin een nieuw leven.
Opstaan heeft hier iets van opstaan uit de dood.

Maar als Elia gegeten heeft, rolt hij zich weer op zijn zij en slaapt verder.
Opnieuw komt de bode van God, die niet zoals de bode van Izebel komt zeggen
Dat zijn leven bijna voorbij is, maar dat hij verder moet gaan, in Gods kracht:
Sta op en eet, Elia je hebt nog lang te gaan.

Daar was God al om hem, Elia, nieuwe kracht te geven,
Genoeg om een aantal dagen vooruit te gaan, om bij God aan te komen.
Als hij bij God op de berg komt, dan is hij nog niet klaar om God te ontmoeten.
In zijn hart is nog dat gevecht, de vraag waarom moet mij dit overkomen.

Waarom kan het niet op een andere manier? God, waarom laat U het zomaar gebeuren?
Als God vraagt aan Elia: Wat doe je hier.
moet Elia eerst het een en ander aan verwijten eruit gooien.
Israël heeft uw verbond verbroken en ik ben de enige.

Over bidden wordt gezegd dat het praten met God is.
Het is dan niet een gesprek zoals wij hebben, omdat de Heere niet terugpraat.
Is midden vaak niet meer: praten tot God, roepen en schreeuwen,
misschien niet hard, maar in jezelf zonder dat iemand het hoort, tot God.
Net zoals Elia eerst moet aangeven wat hem dwarszit, tot 2 keer toe.

Dan komt reactie van God, anders dan Elia had verwacht:
God laat zich niet zien in een geweldige storm,
ook niet in een aardbeving, of vuur.
Storm, aardbeving en vuur komen vaak voor als GOd zich van zijn geweldige kant laat zien,
als Hij wat doet, als Hij orde op zaken stelt, als koning alles rechtzet.
Maar daarin is God niet.
De Heere is in een nauwelijks hoorbaar briesje, je merkt het niet op na zoveel natuurgeweld.
Als Elia uitgeraasd is, kan hij Gods stem horen. Elia, het is niet voorbij.
Als je niets van Mij merkt, wil nog niet zeggen dat ik er niet ben.
Ik ben er juist onopvallend,
zoals je die engel bijna niet opmerkte, en je weer omdraaide en verder sliep.
En nu in deze stilte, bijna niet hoorbaar.

Ik ben Mijn kracht en die kracht kan ik laten zien, maar ik doe het niet altijd.
Als jij het gevoel hebt, dat je nog de enige bent die overgebleven is,
wil nog niet zeggen dat het met Mij is afgelopen.

Daarom is het goed voor ons om stil te worden,
om goed te luisteren en te zoeken waar God is.
Eerst dit: manieren om stil te worden zoeken.

Soms in hele indrukwekkende dingen, maar vaker in de stilte,
dat je Hem nauwelijks opmerkt, dat je denkt: 

Hij gaat juist aan mij voorbij.
Er is een verhaal in het nieuwe testament over Jezus die ook voorbij loopt
zonder dat de discipelen merken dat Hij het is.

Het stormt en ze zijn bang en ze denken dat Jezus een spook is.
Dan zegt Jezus: Ik ben het.
Stil worden voor God, tijd nemen betekent, dat je naar Gods stem luistert:
dat God tegen je zegt: Ik ben het. Ik ben hier voor jou.
Ik geef je nieuwe kracht. Je staat er niet alleen voor.
Open je hart voor mij.
Amen

Na votum en groet
In mijn kindertijd hadden we thuis in christelijk maandblad voor kinderen.
Daarin stond altijd een stripje over Kobus.
De ene keer kwam hij dommig uit de hoek, de andere keer had de strip een serieuze toon.
Een stripje was ik nooit vergeten:
De strip begint ermee dat hij ‘s morgens wakker schrikt door zijn wekker.
Daarna zie je hem alleen maar rennen en haasten.
Op alle plaatjes is hij druk met activiteiten: snel aankleden, eten, tanden poetsen,
naar school, thuis huiswerk maken, sport.
Op het laatste plaatje ligt hij moe in bed en schiet opeens overeind:
Ik heb de hele dag niet aan God gedacht.
Eerst dit!


Dé plek waar jongeren gretig zijn naar meer stilte

Het wonder van Taizé: duizenden stille jongeren in een kerk. Deze docent gaat er ieder jaar met een groep leerlingen naartoe en verklaart wat er precies gebeurt.

Ieder jaar gaan mijn collega en ik in de eerste week van de zomervakantie met een groepje bovenbouwleerlingen naar Taizé. De uitnodiging gaat al in januari uit. Wat vertellen we ze over die bijzondere plek in Bourgondië, waar ieder jaar duizenden jongeren elkaar ontmoeten? Dat het een onvergetelijke ervaring is? Dat de ontmoetingen met mensen van allerlei nationaliteiten de moeite waard zijn? Dat je er stil kunt zijn? Het is steeds weer moeilijk de juiste woorden te vinden.

Zoiets zweverigs zeker?

Gelukkig zijn er de Taizé-gangers van vorig jaar. Zij maken graag een rondje door de klassen en hebben geen moeite met het uiten van hun enthousiasme. Hun lichaamstaal is duidelijk en hun woorden eenduidig: je moet er écht naar toe – en eenmaal daar begrijp je wel waarom. Reacties krijgen ze nauwelijks. Niemand denkt erover zijn nek uit te steken en te reageren op zoiets zweverigs. Daar wil je niet bij horen.

Daarna de voorlichtingsbijeenkomst. De leerlingen druppelen langzaam binnen. Het lokaal is nooit te klein. We houden een praatje, vertellen hoe een dag in Taizé eruitziet, dat het gaat om ontmoeten, vieren, gebed en stilte. En dan is de pauze weer voorbij. De eerste stap is gezet. En elk jaar denken we: zou het lukken dit jaar? Waarom willen we dit, waarom al die moeite voor een kleine groep leerlingen? De belangrijkste vraag van collega’s is vaak: ‘Hoeveel gaan er mee?’

Maar diep in ons hart weten we het heel goed: we hoeven maar te denken aan de leerlingen van de afgelopen jaren, aan hun verhalen, hun emoties. En de vele oud-leerlingen die we altijd weer in Taizé ontmoeten.

Gretig naar meer stilte

In Taizé roepen de klokken drie keer op een dag op tot gebed in de kerk waar bijna iedereen op de grond zit. Wij, begeleiders zoeken de enkele bankjes die langs de kant staan op, niet alleen vanwege hun hoogte, maar ook om op een bescheiden plaats aan de zijkant te zitten. En na de mooie gezangen, die vaak herhaald worden en in weinig woorden een snel te begrijpen werkelijkheid uitdrukken, is het tien minuten stil. Waar je als docent in een klas met dertig soms de rust moet afdwingen, gaat dat hier vanzelf. In die grote kerk met wel drieduizend aanwezigen. Omdat ze met zoveel zijn, geeft die stilte ze geen spanning. Ze gaan er haast gretig voor zitten en ondergaan de stilte intens. In de loop van de week verdiept hun gevoel zich hierbij en krijgen die tien minuten moeiteloos hun invulling.

Taizé ontroert

Ook ’s avonds laat zijn er in halfdonkere kerk vooral jonge mensen, zittend op de vloer. De kaarsen branden nog. Ze zingen met elkaar de mooie Taizé-liederen. Heel zachtjes en met veel gevoel. Een enkeling begeleidt subtiel op gitaar of fluit. Tussendoor is het stil, echt stil. Langs de zijkant, iets hoger hebben we uitzicht op al deze jonge mensen. Het ontroert ons steeds weer. Sommigen lopen samen even weg en komen weer terug. Soms geëmotioneerd. Het kan allemaal. Ze ervaren de stilte en daarin verbinding. Die voelen wij begeleiders zelf ook; we zij niet zomaar toeschouwers.

De broeders van Taizé geven woorden aan die stilte en onze leerlingen onderschrijven deze woorden met overtuiging. Ze vertellen ons dat dit is wat ze hier, met of zonder God, ten diepste zoeken, in hun bestaan met zoveel dilemma’s.

Een vorm van eenvoud

De broeders schrijven:

Hoe kunnen we die innerlijke stilte bereiken? Soms zwijgen we, maar binnen in ons woedt een heftige discussie met denkbeeldige gesprekspartners of zijn we in een gevecht gewikkeld met onszelf. Rust creëren in de ziel veronderstelt een vorm van eenvoud. Stilte maken in mijzelf, dat is toegeven dat mijn zorgen niet veel kunnen uitrichten. Stilte maken, dat is aan God overlaten wat buiten mijn bereik en vermogen ligt. Een moment van stilte, hoe kort ook, is als een sabbatrust, een onderbreking die je als zaligmakend ervaart, even een moment om jouw zorgen aan de kant te schuiven.

Reflectie op Taizé door de jongeren

Op een grasveldje in Ameugny, even buiten Taizé, reflecteren ze aan het eind van de week op hun beleving van de stilte:

  • De stilte is zo intiem, ook al ben je met heel veel.
  • De stiltes geven me zoveel inzicht.
  • Eerst keek ik naar anderen, maar toen ik mijn ogen sloot kwam ik thuis bij mezelf.
  • In de stilte voel ik wat mijn hart te zeggen heeft.
  • In de stilte leerde ik bidden.

Ze vinden elkaar in de gesprekken die hierop volgen, in herkenning en in een gevoel van saamhorigheid. De bereidheid om naar elkaar te luisteren is groot. En wij begeleiders voelen grote dankbaarheid voor wat we weer met onze leerlingen mogen beleven.

 

“De vier pagina’s van de preek” – blog 11: Trouble in onze eigen wereld

“De vier pagina’s van de preek” – blog 11: Trouble in onze eigen wereld

Als Paul Scott Wilson in zijn preekmodel spreekt over ‘trouble’ heeft dat veel aspecten:

  • Gods opdrachten en eisen aan mensen
  • Menselijke zonde(n)
  • Gebrokenheid
  • Lijden
  • Niet willen of kunnen handelen

Waarom moet er eigenlijk over ‘trouble’ worden gepreekt?
Antwoord: omdat we in een gevallen wereld leven. Er is ‘trouble’ in ons en wij zijn in ‘trouble’. In Gods ogen zijn we schuldig. Als mens kunnen we dat aan de kant willen schuiven. Daarom hebben we het nodig om overtuigd te worden van onze zonde.

We hebben het nodig dat ons getoond wordt:
– dat onze wegen vaak doodlopen
– dat we onze vrijheid geregeld misbruiken
– dat onze onze sociale systemen ook te maken hebben met gebrokenheid
– dat onze oneigenlijke drijfveren tot naastenliefde ontmaskerd worden
– dat we beseffen hoe diep ons nee-zeggen tegen God gaat.

Er zijn gemeenteleden die betrokken zijn bij onrecht. Ook zijn er gemeenteleden die te lijden hebben gehad onder onrecht of daar nog steeds aan lijden. Lijden en gebrokenheid kan zich op vele manieren voordoen.


Het is nog niet eenvoudig om de zonde aan de kaak te stellen en de gebrokenheid te laten zien in de preek. Het is voor een preek van belang dat ‘trouble’ op een geloofwaardige manier aan de orde komt. Preken schieten vaak door naar het uiterste: of de ‘trouble’ komt te weinig subtiel in de preek aan de orde of juist veel te subtiel.

De volgende manieren kunnen de predikant helpen om ‘trouble’ in de preek aan de orde te stellen:

  • Ontwikkel een tweeledige visie op ‘trouble’:
    a) Trouble is verticaal: ‘trouble’ vanuit Gods ogen.
    – Bekeer je
    – Je mist God
    – Je hebt niet van je naaste gehouden als van jezelf
    – Ga naar de kerk
    – Je zou meer moeten doen
    – Eer je ouders
    – Je bent verkeerd
    Het risico voor de predikant is om de verticale ‘trouble’ zo te preken, dat de predikant zelf torenhoog uittorent boven de gemeente.
    Deze vorm van ‘trouble’ klinkt vaak in de imperatief (gebiedenden wijs).

    b) Trouble is horizontaal: trouble als een spiegel, reflecterend op de gevolgen van de val, de gebrokenheid van systemen, lijden van de kwetsbaren.
    – We leven in een angstige tijd
    – Deze vrouw lijdt aan kanker
    – Voor velen lijkt het leven betekenisloos
    – De oorlogen houden niet op
    – We hebben met racisme te maken
    – De opwarming van de aarde bedreigt het leven zoals we dat kennen
    – De vicieuze cirkels van kindermisbruik worden niet doorbroken
    – Velen zwerven dakloos over straat
    Deze vorm van ‘trouble’ klinkt vaak in de indicatief (beschrijvend)

    De ‘trouble’ komt vanuit het geloof ter sprake. Geen enkele ‘trouble’ is sterker dan Gods macht. Wilson constateert dat gemeenten vaak eerder openstaan voor de horizontale ‘trouble’, zeker als ze het op zichzelf moeten betrekken. Het is verstandig als je als predikant weet welke vorm van trouble je aan de orde moet stellen en of je de imperatief of de indicatief moet gebruiken.

  • Als je ‘trouble’ aan de orde stelt in de preek, laat het niet beperkt zijn tot de directe omgeving maar varieer en stel ook wereldwijde problematiek aan. Wanneer de trouble alleen uit de eigen omgeving komt, maak je als predikant Gods wereld erg klein.

  • Houd vroomheid en recht bij elkaar. In het Oude Testament werd geloof niet losgemaakt van de zorg voor de zwakken en kwetsbaren. De kerk is in heden en verleden vaak betrokken (geweest) bij de strijd tegen onrecht.

  • Zorg ervoor dat ‘trouble’ in de preek gekoppeld is aan de genade (dat is in het preekmodel van Wilson het handelen van God in het heden). Op elke pagina van de preek komt Christus naar de luisteraar toe. Het is niet de taak van de predikant om informatie door te geven, maar om het evangelie te verkondigen.


Aan het einde van Pagina 2 (‘trouble’ in onze eigen wereld) maakt de predikant een belangrijke overstap van de ‘trouble’ naar de genade en het handelen van God. De vragen van de luisteraars worden meegenomen en in verband gebracht met Gods handelen. Ons verlangen, onze nood, ons lijdt gaat God ontmoeten.

Het theologisch gebruik van verhalen om ‘trouble’ uit te werken
Volgens Wilson zijn er 3 manieren om ‘trouble’ uit te werken:

  • Verhalen over Gods oordeel over mensen
  • Verhalen die laten zien hoe de mens er aan toe is na de zondeval
  • Verhalen over Christus als lijdende knecht, waarin Christus lijdt aan onze zondigheid en gebrokenheid.


N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon. A Guide to Biblical Preaching (Nashville, 2018) 111-127

Deze tijd vraagt om confronterende prediking 

Deze tijd vraagt om confronterende prediking 

Een jaar of 16 was ik toen ik voor het eerst de Johannespassion van Bach hoorde. Een docent van de middelbare school had kaartjes met korting bemachtigd en een aantal leerlingen mocht mee. Ik kende het stuk niet. Van begin tot eind was het een overweldigende ervaring. Het openingskoor, de verschillende aria’s, de dramatiek, het maakte allemaal een enorme indruk op mij. Ik werd meegenomen in het lijdensverhaal van Christus. Zelden was ik zo dicht bij Christus gekomen. Bach betrekt de luisteraar er bewust in. 

Dat de kerkdienst ook zo’n overweldigende ervaring zal zijn, hopen veel kerkgangers. Ze hopen dat ze op zondag in de kerk een soort Bachervaring hebben, waardoor ze dicht bij Christus komen en ook dat ze er zelf bij betrokken worden. Dat hebben ze nodig om gevoed te worden in hun geloof. Vaak gaat dat verlangen niet in vervulling. Ze missen wat, maar kunnen niet onder woorden brengen wat.

Visie op de gemeente
Binnen de kring van de Gereformeerde Bond wordt de laatste jaren vaak de noodklok geluid: de prediking verandert en niet in gunstige zin. De luisteraar wordt niet meer aangesproken. Vooral mist men de confronterende aanpak, waarbij je als luisteraar voor de heilige God wordt gedaagd, waardoor je je schuld beseft en ook je vrijspraak in Christus hoort. De prediking zou daardoor vervlakken. Men zoekt naar een reden: waarom is deze aanpak verdwenen? Is de visie op de gemeente veranderd? Gemeenteleden worden niet meer gezien als ‘tweeërlei kinderen van het verbond’. Daarmee wordt bedoeld dat niet elke kerkganger een levend geloof heeft. Gaan predikanten ervan uit dat het wel goed zit met iedereen die in de kerk zit? Dat er geen waarschuwing meer nodig is? Die indruk leeft, maar deze kritiek heb ik altijd net iets te makkelijk gevonden.

Willen en doen
Zelf krijg ik die opmerking ook weleens van gemeenteleden: “Bij jou komt iedereen in de hemel.” Dat verbaast mij. Ik zou wel willen, maar daar ga ik niet over. Het is in ieder geval niet mijn insteek bij het maken van mijn preken. In mijn preken gaat het over wat gemeenteleden missen. Onlangs las ik een interview terug dat ik een aantal jaar geleden had met dr. Bert de Leede voor Maandblad Réveil. Het ging over hoe je over Christus kunt preken. De Leede zei toen: ‘In de verkondiging moet er veel sterker geïdentificeerd worden met het Woord van God, met de stem van Jezus. Zodat de hoorder de ervaring opdoet: Christus staat in ons midden. Hij staat midden in mijn leven. En Hij spreekt ons aan: “Sta op, o mens!” “Zweer de duivel en de zonde af!” “Ik veroordeel u niet!”’ De confronterende manier mag niet worden geschuwd: ‘Er is sprake van een breuk tussen God en mens. Verkondiging maakt scheiding. Als het voor hen geldt, moeten gemeenteleden ook kunnen zeggen: “Ik zit hier zonder bruiloftskleed. Ik sta er buiten!” Dit moet niet afgezwakt worden.’
Ik las deze woorden voor aan mijn vrouw. Ze keek mij meewarig aan en zei: ‘Zo preek jij niet.’ Die opmerking maakte mij duidelijk dat er een verschil is tussen wat ik zou willen in de preek en wat ik daadwerkelijk doe.

Preken voorbereiden is niet makkelijk. Ik vergelijk het wel eens met het componeren en uitvoeren van een Bachcantate. Een preek componeren en uitvoeren moet in één week tijd gebeuren en kost veel creatieve energie. De exegese gaat vaak nog wel. Maar dan de preek zelf. In de voorbereiding maak je zoveel keuzes en neem je zoveel beslissingen, dat het eindresultaat op de kansel op zondag kan afwijken van wat je daadwerkelijk wilt zeggen, zonder dat je dat zelf door hebt. In de beoordeling van preken moet meegenomen worden dat er een verschil kan zijn in intentie en uitwerking.

Kerkgang niet genoeg?
Voor de insteek van de preek maakt het uit of je als predikant mild of kritisch bent ten aanzien van de gemeente. In de loop der jaren ben ik door zowel het pastoraat als het voorgaan in de diensten onder de indruk geraakt van het geloof van gemeenteleden en ook van wat ze vanuit hun geloof doen voor anderen, zonder dat ze dat vaak zelf goed onder woorden kunnen brengen.

Er bestaat een bepaalde kritische visie op de gemeente – namelijk dat het bezoeken van de kerkdienst niet genoeg is. Ik kan niet zo goed overweg met deze gedachte. In meer gereformeerde en evangelische hoek gaat het erom dat kerkgangers ook hun steentje dienen bij te dragen. In bevindelijke hoek is kerkgang alleen niet genoeg, omdat je een waar geloof moet hebben. Maar de eredienst is het hart van de gemeente. Deelnemen aan de kerkdienst is niet zomaar iets. Naar mijn idee wordt daar in beide gevallen aan voorbijgegaan. Iemand die een kerkdienst bezoekt, kan per definitie niet alleen consument zijn. Alleen al vanwege de moeite die hij neemt de kerkdienst bij te wonen. Bovendien doet een kerkdienst altijd wat met de bezoeker. Is het niet door de preek, dan wel door het zingen of door de zegen, of door het gewoon ‘er zijn’ in de kerk, onder andere kerkgangers. Ze brengen wat en ze halen wat. Wat ze meebrengen voor zichzelf, voor de opbouw van hun geloof en de versterking van hun relatie met Christus valt niet altijd expliciet in woorden uit te drukken.

De gemeente aanspreken
Wanneer gesproken wordt over een vervlakkende prediking, worden meestal voorbeelden van vroeger aangehaald. De naam van ds. G. Boer wordt genoemd, of die van een andere vooraanstaande predikant uit het verleden. Ook wordt wel gezegd dat preken uitgaan van een lievige God, waarbij de gemeente niet geconfronteerd wordt met zonde of ongeloof. Laten we ervan uit gaan dat hier geen sprake is van nostalgie, maar dat men probeert onder woorden te brengen wat men mist. Vaak is dat de hierboven geschetste confronterende prediking. Dan is wel de vraag: waarom wordt deze vorm van preken zo gemist? Is er iets misgegaan in de overdracht?

Bij het maken van preken, zijn twee kanten te onderscheiden. De principiële kant: preken is het aanspreken van de gemeente in de naam van Christus. Maar er is ook altijd een praktische kant: Hoe doe je dat? Welke woorden gebruik je? Hoe gaat dat aanspreken van de gemeente? Welke plek neemt dat in de preek in? Dat zijn punten die iemand niet komen aanwaaien als hij een preek moet maken. Er moet op geoefend worden. Er moet nagedacht worden over wat goede praktijken zijn en wat niet.  We staan voor de uitdaging deze stijl opnieuw uit te werken voor deze tijd.

Geen materialen
Wat mij opvalt, is dat er nauwelijks materiaal is, waarin nagedacht wordt over een preekstijl waarin het confronterend aanspreken van de gemeente een plaats heeft. Als er geen materiaal voor is, is er kennelijk ook geen aandacht voor. Dan is het ook niet verwonderlijk dat deze preekstijl niet meer gehanteerd wordt.

Maar het ontbreken van het materiaal kan nooit de enige verklaring zijnvoor het uitblijven van een confronterende manier van preken. Heeft dat misschien met deze tijd te maken, waarin we niet veel meer van elkaar als gelovigen durven vragen en elkaar niet meer durven aan te spreken? Bijvoorbeeld uit angst dat mensen wegblijven of overstappen naar een andere gemeente?

Toch blijft een confronterende prediking nodig. “Zeg waar het op staat”, zeggen gemeenteleden weleens tegen mij. “Pak ons bij de lurven als het nodig is.”

Ik heb moeten leren dat gemeenteleden soms zo’n confrontatie nodig hebben om verder te groeien in geloof. Dat vraagt van mij wel, dat ik die confrontatie aandurf. En dat kan alleen als ik als predikant de gemeente ken in de sterke en zwakke kanten. Zo’n confrontatie werkt alleen als ik als predikant respect heb voor de gemeente. Ook is geloof nodig, dat God zelf de gemeenteleden door middel van de preek aanspreekt.

Verschenen in Maandblad Réveil. Bewerking van een eerder blog. 

Waar blijven de mannen?

Waar blijven de mannen?

Op 17 september wordt het preekfestival in Amersfoort gehouden. Wie naar de aangeboden workshops kijkt, ziet dat er aandacht is voor veel doelgroepen: kinderen, jongeren, ouderen, zelfs meerdere workshops over vrouwen. Als deze doelgroepen zo nadrukkelijk aandacht krijgen is het opvallend dat één doelgroep ontbreekt: de mannen.

Dat past bij de signalen, die aangeven dat mannen het moeilijk hebben in de kerk, omdat er geen specifieke aandacht voor hen is. In Duitsland waarschuwen de mannenbewegingen binnen de katholieke als de grootste protestantse kerk al geruime tijd, dat mannen afhaken. De Männerarbeit der EKD heeft berekend dat het aandeel mannen onder de kerkverlaters beduidend groter is dan het aandeel van vrouwen. In 2017 lieten in de leeftijd van 25-39 jaar 113.000 mannen uitschrijven tegen 81.000 vrouwen.

David Kuratle en Christoph Morgenthaler, die een boek schreven over pastoraat aan mannen, houden er rekening mee, dat mannen zich er op moeten instellen dat zij een minderheid zijn binnen het ambt, onder de kerkbezoekers en bij kerkelijke activiteiten. Kuratle en Morgenthaler schatten, dat slechts 30% van de pastorale gesprekken met mannen wordt gevoerd. Zij signaleren zelfs dat mannen geregeld door hun vrouwen buiten het pastorale gesprek gehouden worden. Vaak met de opmerking dat ze niets met de kerk of het geloof hebben.

Als ik aankaart, dat er binnen de kerk weinig aandacht is voor mannen, krijg ik steevast de reactie dat de kerk lange tijd toch een mannenbolwerk is geweest. Daaruit spreekt impliciet de gedachte, dat er oog is geweest voor alle mannen. Uit onderzoek blijkt echter dat lang niet elke man zich identificeerde met de mannen die aan het roer stonden. Dat mannen dominant zijn in de kerk, wil nog niet zeggen dat participatie in de kerk voor mannen aantrekkelijk is.

De manier waarop de mannen, die de leiding hebben in de kerk, zich presenteren en gedragen kan een drempel zijn. Niet alleen de thema’s, die in de preek aan de orde komen, kunnen voor een afstand zorgen, maar ook de manier waarop er over mannen gesproken wordt.

Clichématige beelden over mannen hebben vaak de overhand in de exegese. In deze weken ben ik bezig met de verhalen over Jakob. Daarin kan Ezau gemakkelijk overkomen als de echte man: een avonturier, een jager die erop uittrekt en zijn grenzen verlegt, terwijl Jakob een moederskindje is die zich in de buurt van de tent ophoudt. Deze clichébeelden ontnemen de boodschap op de betekenis van deze verhalen, die de lezer de twee wegen uit Psalm 1 willen voorhouden.

Waar in de exegese al enkele decennia aandacht is voor de manier waarop de Bijbel vrouwen ten tonele voert, is er sinds enkele jaren pas aandacht voor de manier waarop de Bijbel over mannen bericht. Daarbij is het goed de verhalen niet vanuit onze eigen beelden en verwachtingen te lezen, maar nauwkeurig te lezen hoe de personages worden uitgebeeld.

Dat de relatie van mannen met geloof en kerk zo moeizaam is, komt doordat zij minder dan vrouwen geneigd zijn om in religieuze taal te spreken of hun ervaringen religieus te duiden. Door hun opvoeding of door de beelden die zij hebben meegekregen over man-zijn, zijn mannen van bepaalde generaties vaak niet goed in staat om te spreken over hun gevoelens. In een tijd waarin gevoel en beleving steeds meer aandacht krijgen en steeds meer eisen worden gesteld aan communicatie en empathie hebben zij het moeilijk. Daarbij komt, dat als mannen hun leven of over geloofsbeleving spreken, zij vaak begrippen gebruiken die bij vrouwen tegen de borst stuiten.

Er is nog een hele wereld te winnen volgens Reiner Knieling, die zich vanuit zijn interesse voor contextualisatie van het evangelie zich bezig houdt met het thema mannen & de kerk. Het mooiste zou er volgens hem zijn als er – in navolging van de feministische theologie – een leerstoel zou komen voor een specifiek op mannen afgestemde theologie, waarbij alle theologische disciplines hun bijdrage leveren.

Ps. Ik ben gewoon op het preekfestival te vinden en aan enkele workshops deel te nemen.

Moeten mannen over hun innerlijke gevoelens kunnen praten?

Moeten mannen over hun innerlijke gevoelens kunnen praten?
– Pastoraat aan en door mannen; Blog 2

In mijn vorige blog, waar ik een introductie gaf op pastoraat aan mannen, meldde ik dat mannen vaak anders communiceren dan vrouwen. Mannen communiceren over hun innerlijke gevoelens door te vertellen over wat zich buiten hen afspeelt. De vraag die daarbij opkomt is: moeten mannen wel over hun innerlijke gevoelens kunnen praten?

(Een intermezzo, omdat ik even afstap van de lijn van het boek van Kuratle & Morgenthaler) 

Voordat ik iets meer zeg over deze vraag, eerst even een voorbeeld van hoe mannen praten over hun innerlijke gevoelens door te praten over iets dat buiten hen is:

Een keer klaar
Een predikant-in-opleiding komt in het ziekenhuis op bezoek bij een man van 33, die een bedrijfsongeval heeft gehad. Als de predikant-in-opleiding de zaal betreedt, staat de man bij het raam en kijkt naar buiten. Wanneer de predikant-in-opleiding aan de man vraagt hoe het gaat, vertelt hij dat hij nog een keer onder het mes moet, omdat zijn arm niet wil.

Patiënt: ‘Ik weet dat mijn elleboog stijf blijft. Daar heb ik mij al bij neergelegd. maar nu moet het toch een keertje klaar zijn? Misschien kan ik mijn arm helemaal niet meer gebruiken of moet mijn arm eraf. Weet u, dominee, dan vraag je je toch echt af of onze lieve Heer dat wel wil? Ik kan toch niet voor invalide gaan spelen? Met 33 jaar arbeidsongeschikt zijn? Nee, dat wil ik niet?’
Predikant-in-opleiding: ‘Ben je bang dat je niet meer zult kunnen werken?’
Patiënt: ‘Niet meer is teveel gezegd. Maar aan een bureau hangen en rekeningen betalen, dat is niets voor mij.’
Predikant-in-opleiding: ‘Misschien heeft je baas nog wel ergens een plek voor je, waar je kunt doen wat je wel leuk vindt?’
Patiënt: ‘Ach, dan moet ik steeds mijn arm meeslepen. Dan vraag je je toch af, waar ik het aan verdiend heb om met 33 jaar al invalide te zijn? Of kijk naar die Pool’ (hij wijst naar de man verderop in de zaal. ‘Hij is hier gekomen omdat hij hier een paar cent meer kon verdienen dan thuis. En nu heeft hij bij een bedrijfsongeval zijn beide benen verloren. Heeft thuis vrouw en kinderen? Dan vraag je je toch af: waarom zit deze wereld zo in elkaar?

Wel aangevoeld?
Als de predikant-in-opleiding dit gesprek in zijn intervisiegroep inbrengt, komt de vraag op of hij wel aangevoeld heeft wat de man, die hij bezocht, bezig hield. Er is een gesprek over het verlies van zijn arm en van zijn werkplek. Hij verwijst ook naar een man die ook een ernstig bedrijfsongeval heeft gehad. Wat houdt de man bezig?

Het is niet zijn verlies van werkplek, want daar is nog wel een mouw aan te passen. Het gesprek begint ermee, dat hij zich afvraagt of hij nu niet genoeg operaties heeft ondergaan. Hij meldt dat hij onzeker is of hij zijn arm nog wel kan behouden. Nu heeft hij zijn arm nog wel. Verderop in zijn gesprek verwijst hij naar iemand die al wel lichaamsdelen is kwijtgeraakt.

Bang
Dat geeft het vermoeden dat deze man bang is om zijn arm te verliezen. Hij wil heel graag zijn arm behouden en heeft zich erbij neergelegd dat zijn arm niet helemaal meer zal doen wat hij wil. Blijkbaar is hij bang dat hij, als zijn arm moet worden geamputeerd, hij meer verliest dan zijn arm. Wellicht iets aan zijn status als goede werknemer, als man, als sporter. Of vul maar in.

De angst dat zijn lichaam niet meer compleet zal zijn en dat hij daardoor aan status verliest, verwoordt hij door te vertellen over de operatie, over zijn arm die niet wil en zijn zaalgenoot die uit Polen komt en reeds twee benen is kwijtgeraakt.

Noodzakelijk?
Is het nodig dat hij over zijn innerlijke gevoelens weet te praten? Is het voor elke man noodzakelijk om dat te kunnen? Moet je als gesprekspartner niet accepteren dat het typisch iets voor mannen is om dat niet te kunnen?


De rol van innerlijke gevoelens
Om daar een antwoord op te kunnen geven, is het nodig om te kijken naar de rol die innerlijke gevoelens spelen. Innerlijke gevoelens geven vaak feilloos aan hoe iemand zich op een bepaald moment of in een bepaalde situatie voelt.

Zeker in gesprekken en relaties spelen de innerlijke gevoelens een rol. Zij laten voelen of iemand blij is met de opmerking van een gesprekspartner. Of registreren dat iemand door een opmerking, door een gebaar of een gezichtsuitdrukking wordt herinnerd aan iemand anders, die een belangrijke rol in zijn of haar leven speelde.

‘Doe de deur even dicht!’
Als een vrouw in de woonkamer tegen haar man zegt: ‘Doe de deur even dicht!’ kunnen daar verschillende innerlijke gevoelens bij bovenkomen.
Het kan het gevoel zijn van hulpvaardig willen zijn. De opdracht kan ook een gevoel van irritatie opleveren, omdat er sinds hij is thuisgekomen nog niet het idee heeft gehad dat er echt contact is geweest. Ze heeft hem niet echt gezien sinds hij thuisgekomen is en nu heeft ze hem opeens nodig, omdat ze zelf niet naar de deur wil lopen.

De opdracht of de intonatie kan herinneren aan zijn eigen moeder, met wil de man niet echt een goede band had, omdat hij steeds weer klusjes moest doen zonder dat hij voelde dat zijn moeder hem waardeerde. De opdracht kan verkeerd vallen, omdat de man vindt dat het er op lijkt dat zijn vrouw hem probeert op te voeden. Hij doet de deur niet dicht en denkt bij zichzelf: ‘Ik ben geen kind!’

Stemming
Een eenvoudige opdracht kan dus verschillende innerlijke gevoelens oproepen, die signaleren hoe de relatie op dat moment is tussen de man en de vrouw. Die gevoelens geven ook aan hoe de stemming van de man is. Deze gevoelens sturen de reactie van de man aan.

Als hij het gevoel heeft dat hij zich nuttig kan maken, zal hij wellicht vrolijk aan tafel gaan bij de maaltijd. Wanneer hij het gevoel heeft, dat zijn vrouw hem nog niet echt gezien heeft, zal hij met een innerlijke distantie aan tafel gaan en zich afwezig gedragen of kribbig reageren op alles wat zijn vrouw zegt.

Wanneer hij vindt dat zijn vrouw hem als een kind probeert op te voeden, kan hij zich kinderachtig gedragen. Ook als zijn vrouw hem ergens herinnert aan zijn dominante moeder, zal de man niet gelukkig aan tafel zitten en op zijn hoede zijn.

Waarnemen van innerlijke gevoelens
In contacten en relaties is het daarom belangrijk om de innerlijke gevoelens waar te nemen en te luisteren wat zij te zeggen hebben. Want zij geven aan hoe je je op dat moment in die relatie bevindt en wat er allemaal speelt.

Het ingewikkelde is vaak, dat die gevoelens onbewust waargenomen worden. Iemand voelt wel dat er iets aan de hand is, en merkt ook dat hij vanuit die gevoelens reageert. Vaak gebeurt dat echter zo impliciet en tussen de regels, dat de ander nooit opmerkt wat er aan de hand is.
Behalve dat de relatie stroef verloopt. ‘Er is weer wat op zijn werk gebeurt en hij reageert het op mij af’, denkt de vrouw. Ze voelt zich gepikeerd, want ze heeft haar best gedaan op de maaltijd om te laten zien dat ze echt voor haar man wil zorgen. Ze vindt dat hij ondankbaar is.

Niet geleerd
Mannen hebben vaak niet geleerd hun innerlijke gevoelens waar te nemen en daarnaar te luisteren. In hun opvoeding werd daar niet over gesproken. Ze hadden geen vader die dat deed. Als vrienden onderling, praatten ze over heel wat andere zaken. Onbewust kregen ze misschien mee, dat een man die zijn emoties toont een zwakkeling is en ze grendelden de toegang tot hun innerlijk af. Of ze schaamden zich voor hun innerlijke gevoelens, omdat het geen fijne emoties waren: schaamte, boosheid, wrevel. Of het is onmacht om aan te kunnen haken de gesprekken aan tafel, omdat er al van binnen een distantie was.

Congruentie
In de psychologische hulpverlening is congruentie van belang. Congruentie betekent, dat iemand in staat is om waar te nemen wat er in een situatie of na een opmerking van binnen gebeurt. Congruentie betekent ook dat iemand naar aan de ander in het gesprek of in het contact laat merken wat er van binnen gebeurt.

Zonder verwijt
Als een man in de opdracht van zijn vrouw om de deur dicht te doen, het gevoel heeft dat zij hem nog niet echt heeft gezien, kan hij dat verwoorden. Als iemand net naar zijn gevoelens heeft leren luisteren, zal dat als een verwijt gebeuren: ‘Hé, je merkt dus toch dat ik er ben.’ Hoe klinkt het zonder verwijt? ‘Ik merk dat we samen een belangrijke stap is overgeslagen. We hadden even moeten signaleren dat we er weer zijn. Ik ben binnengestapt zonder te signaleren dat ik thuis ben en jij hebt had ook duidelijker kunnen laten weten, dat je zag dat ik er weer was.’ Dan komt er ook ruimte om te vertellen, waarom iemand zo binnenstapt of de ander niet nadrukkelijk reageert op de binnenkomst.

Verwoorden
Is het noodzakelijk dat een man over zijn innerlijke gevoelens kan spreken? Noodzakelijk niet, maar het maakt een relatie wel eenvoudiger als hij in staat is om te verwoorden wat er van binnen speelt.

Daarbij kan het nodig zijn dat de gesprekspartner ook een stap zet naar de man toe, die niet goed in staat is om zijn innerlijk waar te nemen. De vrouw had de binnenkomst van haar man wat nadrukkelijker kunnen signaleren. Door even te stoppen met haar werkzaamheden. Door oog en oor te hebben voor hoe zijn dag was en door te laten merken dat ze het fijn vindt dat hij er weer is. Door hem te helpen om de omschakeling van zijn werk naar thuis te maken, zodat hij thuis ook echt aanwezig kan zijn als aanwezige echtgenoot en vader.

Bouwstenen voor conflict
Het is daarbij van belang om de manier van communiceren van zichzelf en van de ander te begrijpen. De vrouw kan bij binnenkomst van haar man ook allerlei innerlijke gevoelens waarnemen, die bouwstenen opleveren voor een conflict. Omdat zij zich niet gezien voelt. Omdat hij aan haar vader doet denken. Omdat zij voorziet dat de maaltijd weer een bron van ergernis wordt. Omdat zij denkt: ‘Moet ik hem alweer opvoeden?’

Van belang is ook om goed te luisteren en te registreren wat de man zegt en aan te voelen, waarom hij dat zegt. Niet door in te vullen, maar ook door te checken of een bepaalde gedachte klopt. In het gesprek met de man in het ziekenhuis had de predikant-in-opleiding verscheidene mogelijkheden aan te haken bij wat de man letterlijk zei en daarmee de gevoelslaag aan te boren, die de man eigenlijk wil communiceren:
– ‘Nog een operatie…!’
–  ‘Je arm wil nog steeds niet!’
– ‘Je bent er voorlopig nog niet klaar mee!’
– ‘Dat ongeval heeft echt een impact voor je!’
– ‘Zo, dat is niet niets.’
– ‘Na die operatie moet alles goed zijn?’
Wanneer een pastor in staat is om door middel van de juiste woorden de gevoelslaag te bereiken, geeft de pastor erkenning aan de man. Door die erkenning is de man meer in staat om zijn angst waar te nemen. De pastor helpt dan ook de patiënt om te vertellen wat hem hem werkelijk bezig houdt.

Tempo in het gesprek
Wat ik nog niet verwerkt heb, is het tempo in gesprekken. Omdat mannen vaak niet geleerd hebben om naar hun innerlijke gevoelens te luisteren, kost het hen tijd om in een gesprek antwoord te geven op een vraag naar hoe zij iets zien of beleven. Daarbij komt dat ze vaak ook testen of het gesprek veilig genoeg is om wat zij zelf vinden in te brengen. Is het gesprek niet veilig genoeg, dan trekken ze zich uit een gesprek terug. Of kiezen ze ervoor om over hun innerlijke gevoelens te praten door iets dat zich buiten hen afspeelt. Daarom is ook de Rogeriaanse voorwaarde acceptatie van groot belang voor een goed gesprek.

Verwijzingen naar andere blogs:
– Een psychologisch model van gespreksvoering, waarbij nadrukkelijk naar de innerlijke emoties gekeken wordt, is het model van Friedemann Schulz von Thun.