Preek zondag 14 januari 2018

Preek zondag 14 januari 2018

Bevestiging ambtsdragers
Schriftlezing: Mattheüs 14:13-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,
Broeders die afscheid nemen, die bevestigd of herbevestigd worden,

‘Geeft u hen te eten!’
Dat is nogal een opdracht! Jezus overvraagt Zijn leerlingen hiermee:
Zo’n grote menigte: 5000 man en dan de vrouwen en kinderen niet meegerekend,
hier in de woestenij waar niets te vinden, niets te halen is.
Dat kan Hij toch niet van ze verwachten?

En er is nogal niet wat gebeurd!
Deze zelfde dag nog hebben ze verschrikkelijk nieuws gehoord
over hoe Johannes de Doper werd onthoofd door Herodes.
Nadat Jezus dat te horen kreeg, trok Hij weg om alleen te zijn,
naar een gebied dat niet zo makkelijk toegankelijk was: afgelegen en onherbergzaam.
Hij kreeg echter niet de kans om alleen te zijn,
want zodra de menigte wist waar Jezus naar toe ging, gingen zij ook
en voor Jezus aan wal kwam, werd Hij al door een menigte opgewacht.
Tijd om na te denken over wat er gebeurd was met Johannes,
na te denken over het gevaar dat Jezus zelf liep en wat er moest gebeuren –  was er niet.
Hij moest weer aan de slag.
Hij wilde weer aan de slag toen Hij die mensen vroeg.
Terwijl Jezus zo bezig was met de menigte, met genezen, met onderwijs geven,
zullen de leerlingen niet zo snel vergeten zijn welke dreiging er boven hun hoofd hing,
waren ze vast niet vergeten wat de reden was, waarom ze hier waren.
De angst niet vergeten en weinig meegenomen:
We hebben niet meer dan 5 broden en 2 vissen
(in andere versies aangebracht door een jongen)
5 broden en 2 vissen – nog niet eens genoeg om Jezus en zijn 12 discipelen te voeden.
‘Geeft u hen te eten!’ – overvraagt Jezus hen niet?

Nu hebben we vanmorgen bevestiging van ambtsdragers.
Er wordt hen niet gevraagd om een menigte van 5000 mannen en nog meer te voeden.
Ze krijgen enkele taken binnen de diaconie of binnen het college van kerkrentmeesters,
of ze krijgen enkele straten toegewezen waar ze pastoraal verantwoordelijk voor zijn.
Ook bij u die (her)bevestigd wordt, kan dat gevoel leven
dat de Heere u wel deze opdracht geeft, maar dat u bij uzelf denkt:
Dat is teveel. Ik kan dat zelf nooit volbrengen.
De discipelen hadden 5 broden en 2 visjes, niet eens zoveel – en wat heb ik?
Ik vermoed dat er heel wat gemeenteleden blij zijn,
dat zij nu niet voor in de kerk zitten en in het ambt bevestigd worden,
ze zouden zich net zo overvraagd hebben als de discipelen
die een hele menigte moet voeden.

Voordat ik predikant werd, ben ik 2 jaar jeugdouderling geweest.
Enkele maanden nadat ik bevestigd was, kwam er een mail binnen van een gemeentelid:
De jongeren verlaten onze gemeente, je moet wat doen!
Daar werd een ingewikkelde problematiek op mijn bordje gelegd
met de gedachte erbij: los jij dat maar even voor ons als gemeente op.
Dat is nu toch jouw verantwoordelijkheid geworden?
Zo kan er ook naar de ambtsdragers gekeken worden, die (her)bevestigd worden:
jullie moeten ervoor zorgen dat de gemeente bloeit,
dat er geestelijke diepgang is, dat er belijdeniscatechisanten komen,
dat iedereen voldoende huisbezoek krijgt, de gemeente financieel er goed voorstaat.
dat de mensen die tekort komen niet over het hoofd worden gezien.
Het kan soms een patroon zijn om naar anderen te kijken: zij moeten het doen, oplossen.
‘Geeft u hen te eten!’
De vertrekkende broeders hebben dat misschien ook wel gehad:
dat er momenten waren dat je merkte:
er wordt van mij iets verwacht, dat ik niet kan waarmaken
en dat je stilletjes toch blij bent dat je periode erop zit en dat je niet meer hoeft.

‘Geeft u hen te eten!’
Zou de Heere Jezus dat zo bedoeld hebben?
Dat Hij hen een onmogelijke opdracht geeft, een opdracht die ze niet kunnen uitvoeren?
Ik denk dat Jezus hen iets wil leren.
Ze zijn leerling van Jezus.
Afgelopen week ging het op catechisatie over wat een discipel is.
De meeste catechisanten houden niet zo van leren.
School is saai, vervelend.
Een discipel is een leerling,
maar niet iemand die in zijn schriftje alleen maar aantekeningen maakt van wat Jezus zegt
zoals dat bij een docent op de middelbare school kan zijn:
‘Pak je schrift en schrijf op! En leer dit de volgende keer!’
Het is vooral leren door te doen,
zoals dat met trainen van voetbal is, met paardrijden, met muziek spelen.
Dat leer je door te doen. En steeds weer opnieuw te doen.
Het is meer een stage, waarbij je begeleider je steeds zelf iets laat uitproberen
Rij maar een ritje op de trekker, ga jij maar naar die klant, doe jij de volgende cliënt.
‘Geeft u hen te eten.’

Is dat een geruststelling? Dat het mag uitproberen? Dat u verantwoordelijkheid krijgt?
Je zou dan toch op weg geholpen willen worden,
even meelopen, de kunst afkijken, uitleg krijgen ondertussen, of begeleiding,
zodat je wel weet waar je mee bezig bent.
En dat is wat Jezus doet, juist op het moment dat er een crisis dreigt,
er groot gevaar zich aan de horizon aftekent: de dood van Johannes de Doper.
Een tegenslag voor het werk van Jezus, een grote dreiging zelfs:
je proeft er in dat er ook gevaar voor Jezus en degenen die bij hen horen.
Dan neemt Jezus hen mee, het schip in, naar de overkant.
Dat heeft iets weg van Mattheüs 2: het koningskind op de vlucht, Gods Zoon ongewenst
Er wordt al iets zichtbaar van het kruis van Golgotha hier in het leven van Jezus.
Een kruis dat ook Zijn volgelingen zullen dragen:
Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen en zijn kruis op zich nemen
en Mij volgen.
Er zijn heel wat broeders en zusters, die zo’n kruis te dragen hebben.
Afgelopen week presenteerde Open Doors een nieuwe ranglijst van landen,
Waarin christenen worden vervolgd.
Hier is er nog geen sprake van samen,
niet eens duidelijk of het van de leerlingen gewenst is dat ze meegaan en of ze meegaan
– want wilde Jezus niet alleen zijn?
en al gauw zijn de leerlingen in beeld en nog weer later een grote menigte.
Jezus zoekt een eenzame plaats op.
Dat is niet zomaar, niet voor niets.
Het roept de herinnering op aan het Oude Testament, de reis van het volk door de woestijn.
Ook die 5000 mannen (vrouwen en kinderen niet meegerekend)
is een herinnering aan de uittocht uit Egypte, het slavenhuis, onder Gods begeleiding.
Een moeilijke reis, waarop er vaak te weinig was: te weinig eten, te weinig drinken,
te weinig zicht op Gods leiding, te weinig zicht op aankomen in het land van belofte.
Is dat in het leven ook niet zo?
Dat je honger en dorst kunt hebben, naar God, naar antwoorden,
naar iemand die je bijstaat en ondersteunt, er voor je is, naar je luistert,
En dan kom je als ouderling bij iemand die een aangrijpend verhaal vertelt,
en je beseft: van mij wordt verwacht dat ik steun en troost geef
– geeft u hen te eten! –
maar wat heb ik in huis?
Je komt bij iemand die overhoop ligt met God en alleen maar kan zeggen: Waarom?
Je komt bij iemand thuis, je mag nog net binnenkomen,
maar interesse voor de kerk, voor God is er niet meer.
Je komt als diaken bij iemand thuis, die in de schuldhulpverlening zit,
een bijna leeg huis, je weet bijna niet waar je moet beginnen
en je vraagt je af of iemand uit de financiële zorgen kan komen.
Het grijpt je aan dat er hier in deze regio zoveel mensen naar de voedselbank moeten.
Of het is voor jezelf een woestijn.
Je hebt zelf zorg in je eigen gezin en je komt daardoor niet toe aan je bezoekwerk
of je gaat wel, maar innerlijk ben je er niet echt bij.
Jezus gaat Zijn leerlingen voor naar de eenzame plaats, naar de woestijn,
om te zorgen dat ze in Zijn Naam iets kunnen geven, kunnen uitdelen
waar op dat moment behoefte aan is: ‘Geeft u hen te eten.”

‘Geeft u hen te eten!’
Ik wist dat niet, maar dat is een regelrecht citaat uit het Oude Testament.
Het is niet het bekendste verhaal. Het gaat om iemand die Elisa de profeet opzoekt
en voor Elisa een klein geschenk meeneemt: 20 gerstebroden.
En dan zegt Elisa tegen zijn knecht: Geef iedereen die er is te eten.
Er waren 100 personen aanwezig en de knecht protesteerde: dit is niet genoeg.
Maar Elisa zei het nog eens: Geef hen te eten.
Want zo zegt de Heere: iedereen zal eten en je zult nog overhouden ook.
‘Geef hen te eten.’
Dat is niet alleen: Ga aan de slag,
maar ook: Ken je je Bijbel goed genoeg om te weten dat je het van God mag verwachten?
Sla Zijn Woord er maar op na, vergeet niet dat als Hij geeft, het genoeg is.
Je hoeft het niet alleen te doen, maar je mag terugvallen op God
die het weinige dat je bij je hebt zal vermenigvuldigen, zal aanvullen,
zodat je in ruime mate hebt, genoeg hebt, zelfs overhoudt.

‘Geeft u hen te eten.’
Dat is dus helemaal niet: los het alleen maar op, je kunt het!
Maar: vergeet je niet dat God je beloofd heeft, dat je voldoende zult hebben?
Dat als je in de woestijn komt, of dat nu dat je zelf in de woestijn komt
of dat je bij iemand komt die in een woestijn is,
dat God ook daar voor manna zal zorgen, elke dag weer opnieuw,
Dat je te eten hebt, dat je op krachten kunt komen, dat je niets tekort zult komen
ook al sta je op dat moment met lege handen, of maar zo’n klein beetje.
Ik stuur je niet de lege plaats in, de eenzaamheid, om daar vast te lopen,
om daar niet meer uit te komen, omdat je het niet meer weet en niet meer ziet,
maar omdat je dan juist herinnerd wordt aan je Heer, die er is, in de woestijn.

De Heer is mijn Herder! / In ’t hart der woestijn/  verkwikken en laven / zijn hemelse gaven;

Hij wil mij versterken / met brood en met wijn.

Zo mag je in vertrouwen gaan, dat de Heere zal voorzien, als u het antwoord niet hebt,
omdat God er is in de woestijn en Hij Zijn gaven geeft.
Dit gedeelte kan ook verbonden worden met het avondmaal: Er is brood dat Jezus geeft.
Ik heb in al die jaren gemerkt vooraf in de consistorie, tijdens en na afloop van de dienst,
dat het door de diakenen werd gezien als een van de mooiste taken:
het ronddelen van de schalen, het vullen van de bekers met wijn,
en misschien is dat wel de taak die het meest tot verdieping van het geloof leidde
en die het meest wordt gemist.
dienst doen aan de tafel, om iets namens de Goede Herder te mogen uitdelen

Herder – in het Oude Nabije Oosten is herder het beeld voor de koning.
Een koning hoort een herder te zijn.
Kijk nog eens hoe dit verhaal begint, met Jezus op de vlucht voor Herodes.
Twee koningen van Israël: Herodes en Jezus.
De een met zijn drinkgelag, zijn orgie, een feest in kleine kring van vrienden.
en zijn dronkemanspret kent een gruwelijk verloop: Johannes de Doper wordt gedood
en zijn hoofd wordt op een schaal de zaal binnengedragen, als een trofee.
Johannes de Doper die opriep tot bekering, het volk gereed maakte voor de messias,
die waakte over de ziel van de Israëlieten, die hen waarschuwde voor het verloren gaan.
En dan Jezus, die als Hij de menigte ziet geraakt is en Zijn hart laat spreken:
Genezing biedt en vertelt over het Koninkrijk van God
En van dat Koninkrijk iets laat zien door de mensen, Zijn onderdanen, eten te geven,
Een herder die voor Zijn volk zorgt, met hart voor Zijn mensen.
Dat is de les voor de leerlingen: Wees zo’n herder! Zie de nood van het volk
en haal het niet in je hoofd om zo’n heerser te worden als Herodes
die wel regeert, maar niet echt om het volk geeft.
‘Geeft u hen te éten.’
Jezus die ons leerde bidden: Geef ons heden ons dagelijks brood.
Het dagelijks brood, je gewone werk, het onderhouden van je gezin
dat is niet minderwaardig ten opzichte van het werk als ouderling of als diaken.

En tegelijkertijd spreekt er ook iets in van een andere wereld: Waarin geen honger meer is.
Het is een thema dat in het evangelie van Mattheüs steeds terugkomt:
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid
Als je in je werk als diaken, als ouderling, als kerkrentmeester moeite krijgt
met hoe het in deze wereld is geregeld,
bijvoorbeeld in de regelgeving, in hoe het in families toegaat, de gewoonten op een dorp,
je zou het willen veranderen, maar je weet: het is haast onbegonnen werk.
Als je in je werk als ambtsdrager merkt wat de gevolgen zijn
dat deze wereld niet meer de wereld is waarin God op de eerste plaats staat,
maar velen aan zichzelf denken.
en je bijdrage kan maar klein zijn en toch:
Als de Zoon des Mensen in al Zijn heerlijkheid komt, met de engelen
en het oordeel er is en zal zeggen: Ik had honger en jij hebt Mij te eten gegeven.
Je hebt Mij de schaal met gebroken brood bij het avondmaal gegeven.
Je hebt Mij geholpen met bonnen voor de voedselbank,
ervoor gezorgd dat ik weer uit de schuldhulpverlening kwam.
Je hebt dat gedaan voor Christus, in naam van Christus, de koning die de Goede Herder is.
Je wist troost te bieden, of met een juiste opmerking waardoor ik weer verder kon.
Of door juist weinig te zeggen en vooral te luisteren, door er te zijn

en op die manier te laten zien dat in mijn eenzaamheid Christus toch kan komen.

Ze aten en werden verzadigd
– het heeft al een klein beetje iets van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
In de woestenij is eten te vinden, is Christus te vinden
En ambtsdrager zijn is net als de leerlingen uitdelen van wat Christus geeft.
Het is een wonder, maar niet eens zo groots verteld:
Jezus kijkt op naar de hemel, zoekt contact met Zijn Vader, bidt en looft God als Schepper
en dat kleine beetje brood en die twee visjes – het blijkt genoeg te zijn.
Als ambtsdrager hoef je nooit te klein van God te denken
– geeft u hen te eten. Dat is niet wat je zelf in huis hebt,
maar God die zich toont, in de lege plaats, die het kleine beetje wat je hebt
vermenigvuldigt zodat je genoeg hebt om te delen,
om uit te delen van wat God geeft
En zo niet alleen te vertellen over God, maar Christus mag uitdelen. Amen

Advertenties

Les 9 De Heilige Geest

Les 9 De Heilige Geest

‘Ik weet niet wat ik mij bij de Heilige Geest moet voorstellen. Ik vind de Heilige Geest zo vaag.’ zegt Elizabeth tijdens de belijdeniscatechisatie. Pieter herkent zich daarin: ‘Ik hoor wel over de Heilige Geest. Zeker als het Pinksteren is. Maar wat de Geest nu eigenlijk doet, zou ik eerlijk gezegd niet weten?’

Vraag 1: Herken je in wat Elizabeth of Pieter aangeven? Of juist niet en heb je een beeld van wat de Heilige Geest doet?




Vraag 2: Werkt de Heilige Geest in jou? Waaraan merk je dat?




Uitleg
De Heilige Geest is vaak moeilijk voor te stellen. Zeker als je iemand bent die in beelden denkt. De Heilige Geest kun je niet als persoon voor je zien. Als er over de Geest gesproken wordt, worden in de Bijbel vaak woorden als wind, vuur, kracht gebruikt. Het ingewikkelde van de Heilige Geest is ook nog eens dat je de Geest zowel als Persoon en als kracht kunt zien.
De Heilige Geest is net als de Vader en Christus God. Samen zijn ze één.  Je kunt de Heilige Geest zien als God die in jou werkt: Hij maakt in je hart en leven ruimte voor Christus. Hij zorgt ervoor dat je gaat geloven. Hij verandert je als mens. Omdat de Heilige Geest ook God is, kun je ook tot de Heilige Geest bidden. Dat gebeurt niet zovaak, maar het kan wel.
De Heilige Geest zorgt ervoor dat je gaat geloven. De belemmeringen die er zijn om te geloven neemt Hij stuk voor stuk weg. In je hart maakt Hij ruimte voor Christus. En als je bent gaan geloven, zorgt Hij ervoor dat je geloof onderhouden wordt en dat je groeit in geloof. Groei in geloof kan zijn: Je interesseert je er meer voor. Je wilt meer tijd voor God nemen. Je denkt er meer over na. Je vertrouwen en liefde neemt toe.
De Heilige Geest zorgt ervoor dat je als mens verandert. Want als Christus in je hart woont, dan gaat ook in je karakter doorwerken: je wordt bijvoorbeeld milder of geduldiger, liefdevoller naar anderen toe.
De Heilige Geest werkt ook in de mensen om je heen. Hij zorgt er ook voor dat er mensen om je heen zijn van wie je het geloof kunt leren. Dat er mensen zijn die het geloof jou voorleven. Hij zorgt ervoor dat er een groep mensen om je heen is, een gemeenschap, een gemeente met wie je samen God dient. De Heilige Geest werkt in de kerkdienst, op de bijbelkring, in catechisatie. Als een lied, een tekst, een preek je aanspreekt, mag je dat ook zien als werk van de Geest.
De Heilige Geest werkt ook buiten de kerk. Bijvoorbeeld in ongelovigen die een mooi voorbeeld geven. In gaven en talenten die iemand heeft. Wanneer je dat tegenkomt bij iemand die niet gelooft, kun je God daar ook ruimhartig voor danken.

Vraag 3 Op welke manier ben jij in het geloof gegroeid?


Vrucht van de Geest
Het effect van de Geest op je karakter is de vrucht van de Geest. De Geest laat dat aan jou, uit jou groeien. De gedachte van de vrucht van de Geest komt uit Galaten 5:22:

De vrucht van de Geest is echter:
liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.


Daar gaat het om twee manieren van leven: een verkeerde, een zondige manier en een goede manier vanuit de Geest. Het gaat erom dat je als gelovige kiest voor de goede manier om te leven. Het mooie van deze vrucht van de Geest is dat deze vrucht vaak ongemerkt groeit. Anderen zien dat soms eerder dan jezelf. Het groeit aan je. Tegelijkertijd is de vrucht ook een opdracht: Wees liefdevol, wees vol blijdschap, wees gericht op vrede enzovoort.

Vraag 4: Wat zie jij in je eigen leven van de vrucht van de Geest?


Gaven van de Geest
De Heilige Geest geeft ook gaven, die gebruikt kunnen worden binnen de kerk. In onze tijd zou je kunnen zeggen: iemand die je weet te bemoedigen. Iemand die zondagsschool of kindernevendienst kan leiden. Iemand die je uitleg kan geven over het geloof. Iemand zorgzaam is. Iemand die goed kan luisteren. Vaak passen deze gaven goed bij wat je zelf al in huis hebt, bij wat je interesses zijn of wat je goed afgaat. Dan is het mooi om dat in de gemeente in te zetten en anderen daarmee mag dienen.
Als een taak je niet goed afgaat, mag er er toch op vertrouwen dat de Heilige Geest jou helpt. Zeker als je bidt om de leiding van de Heilige Geest.

Vraag 5: Welke gaven heb jij waarmee je anderen kunt dienen?




Als het om de Heilige Geest gaat, gaat het ook altijd om ervaring. De ervaring dat God er is. De ervaring dat God in je werkt. Dat je bijvoorbeeld enthousiast wordt. Dat je kracht krijgt. Dat je weet wat je moet doen. Wanneer je dat ervaart, is dat vaak een bevestiging dat de Geest in je werkt. Soms kan er ook een behoefte zijn om meer te ervaren dan het ‘gewone’ van het geloof. Als bevestiging voor jezelf. Of om anderen, die nu nog niet geloven, te laten zien dat het geloof echt waar is en echt werkt. Daarom kan er aandacht zijn voor speciale gaven, zoals iemand door gebed of door geloof te genezen.

Bijbel – Lezen: Johannes 14:15-26

 

Vraag 6: De Geest wordt Trooster genoemd. Waarom deze typering?





Vraag 7: Wat zal de Heilige Geest doen?






Uit het doopformulier
Als wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest verzekert ons de Heilige Geest dat Hij in ons zal wonen en dat Hij ons tot leden van Christus zal heiligen. Zo wil de Heilige Geest aan ons schenken wat wat in Christus hebben: de afwassing van onze zonde en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij uiteindelijk in de gemeente van de uitverkoren in het eeuwige leven geheel rein een plaats zullen ontvangen.

Les 8 Als God in je leven komt (geloof en bekering)

Les 8 Als God in je leven komt (geloof en bekering)

Voor Marije is geloof iets dat bij haar leven hoort. Als kind hoorde zij de verhalen uit de Bijbel. Thuis werd er gelezen uit de kinderbijbel. Op school werden de verhalen uit de Bijbel aan het begin van de morgen verteld. Ze ging als kind al mee naar de kerk en naar de zondagsschool. Als kind geloofde ze al. Ook toen ze tiener werd en nog weer later volwassen, bleef ze bezig met geloof. Ze heeft ook wel haar momenten van twijfel gehad. Toch mist ze het soms wel dat ze niet een moment kan aanwijzen. Ze geeft dat tijdens een Bijbelkring ook aan. Daarop reageert Jeroen: ‘Je mag daar juist heel dankbaar voor zijn. Ik heb wel zo’n vast moment, maar ik zou zelf graag willen dat ik eerder was gaan geloven.’

Vraag 1: Lijk jij meer op Marije of lijk jij meer op Jeroen?



Vraag 2: Wat is het mooie van een geloof dat je als kind al hebt meegekregen?




Vraag 3: Wat is het bijzondere als je later bent gaan geloven?


Uitleg
Wanneer ga je geloven? Dat is voor ieder verschillend. Voor de een is dat vanaf de kindertijd: Je hoort de verhalen van de Bijbel. Je leert psalmen en liederen op school of zondagsschool. Van je ouders leer je een gebed voor het slapengaan en bidden voor het eten. Je hebt al jong op God leren vertrouwen en dat vertrouwen is nooit weggegaan. Terwijl jezelf opgroeide en volwassen werd is het geloof meegegroeid. Een bijbels voorbeeld van iemand die als kind al geloofde was Timotheüs. Daarom wordt zo’n geloof ook wel eens Timotheüs-geloof genoemd.
Voor een ander kan er tijd geweest zijn waarin je niet geloofde. Omdat er niemand was die je over de Heere vertelde. Of jou leerde bidden.Het kan ook zijn dat je het in je kindertijd wel mee kreeg. Maar in die tijd zei het geloof je niets. Je was met heel andere dingen bezig. Dat veranderde. Dat kon geleidelijk aan zijn gebeurd. Je ging erover nadenken. Je ging weer naar de kerk en je raakte geïnteresseerd. Tot het nu zover gekomen is dat je op belijdeniscatechisatie zit.
Of opeens, heel onverwacht veranderde je. Door een plotselinge gebeurtenis, door een opmerking of een gedachte. Je veranderde enorm. Was je voorheen niet zo met geloof bezig, door die gebeurtenis, die gedachte of die opmerking kwam God opeens in je leven. Je had er niet op gerekend. Een onverwachte ommekeer was er voor Paulus. Zo’n abrupte ommekeer wordt daarom ook wel Paulus-bekering genoemd.
Op welke manier het ook gebeurt, God is altijd de eerste: Hij komt in je leven nog voordat je je ervan bewust bent. Geloof is een geschenk, genade. Hij kan in je leven komen door je gelovige ouders te geven of een vriend of vriendin die gelovig is. Hij kan daar een mooie gebeurtenis voor gebruiken zoals een relatie die je krijgt of een kind dat je mag ontvangen. Hij kan daarvoor ingrijpende gebeurtenissen gebruiken. De manier waarop Hij in ons leven komt, past bij wie we zijn en welke weg wij door het leven gaan. De Heere weet op welke manier Hij ons bij Hem krijgt. Wanneer je eerst niet geloofde, zorgt geloof voor een verandering in je leven. We noemen dat bekering. Dat betekent dat je omgekeerd wordt. Ging je eerst een weg zonder God, nu ga je een weg met God en door God geleid.

Vraag 4: Wat was er voor jou nodig om te gaan geloven? Of als je als kind al geloofde, wat heeft jou bij het geloof gehouden?



Vraag 5: Welke mensen zijn voor jou een voorbeeld in geloof geweest? Of hebben jou het geloof voorgeleefd? Hoe gebeurde dat?


Wat is geloven eigenlijk? Geloven is een eigen, persoonlijke relatie met de Heere: Je vertrouwt Hem. Je houdt van Hem. Geloven is niet alleen iets wat je met je verstand doet. Het is meer dan kennis alleen. Van mijn vrouw en kinderen kan ik bepaalde kennis hebben. Ik kan hun geboortedatum weten, hun lengte, hun interesses. Maar dan heb ik nog niet persé een relatie met hen. Relatie hebben betekent dat je om hen geeft en dat je je leven met hen deelt. Zo is dat ook met de Heere. Je weet wie Hij is, want je kent een aantal verhalen uit de Bijbel en je hebt Hem ervaren in je leven. Er is ook een relatie, waarbij je Hem vertrouwt en je leven aan Hem geeft.
Dat heeft ook gevolgen voor wie je bent en wat je doet. Want geloven houdt ook in dat je hart veranderd wordt. Was er eerst geen plek voor God in je hart, nu komt Christus in je hart wonen. Als Christus in je hart is, dan worden ook wat je doet, wat je denkt, wat je zegt, wat je ziet door Hem bepaald.

Vraag 5: Wat merk je zelf van die persoonlijke relatie met de Heere? Waar heeft het voor jou het meeste mee te maken?




Dat Christus in je hart komt, wil nog niet zeggen dat je een perfecte gelovige bent. Je zult als gelovige heel wat keren God en jezelf teleurstellen. We blijven vergeving nodig hebben. We hebben het nodig om steeds weer opnieuw te strijden: tegen zonde en verleiding, tegen ongeloof, tegen ongehoorzaamheid. Je zou kunnen zeggen dat we elke dag weer een bekering nodig hebben. Gelukkig staan we er niet alleen voor en mogen we weten dat Christus met ons meestrijdt en voor ons strijdt. Deze strijd die we hebben te voeren komt later nog een keer terug als thema.

Vraag 6: Op welke manier ben je veranderd sinds je (bewust) bent gaan geloven?



Vraag 7: Op  welke punten zou je zelf nog willen veranderen?


Bijbel. Lees: Johannes 1:44-52

Vraag 8: Filippus heeft geen bedenkingen. Nathanaël heeft heel wat aarzelingen. Op wie lijk / leek jij het meest?



Vraag 9: Waardoor kan Nathanaël Jezus wel volgen?



Vraag 10: Je zult veel bijzondere dingen meemaken, zegt Jezus tegen Nathanaël. Geldt dat voor jou ook?





Geloofsbelijdenis
Heidelberger Catechismus vraag en antwoord 60 (zondag 23)
Waardoor zijt gij rechtvaardig voor God?
Alleen door een echt geloof in Jezus Christus: al klaagt mijn geweten mij aan dat ik tegen alle geboden van God zwaar gezondigd heb en geen van deze geboden gehouden heb en nog steeds tot alle kwaad geneigd ben, toch schenkt God mij, zonder enige verdienste van mijn kant, louter uit genade, de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus. Hij rekent mij die toe alsof ik nooit zonde gehad of gedaan heb, ja alsof ik zelf al de gehoorzaamheid had volbracht, die Christus voor mij volbracht. Alleen door deze weldaad met een gelovig hart aan te nemen ben ik rechtvaardig voor God.

Preek nieuwjaarsdag 2018

Preek nieuwjaarsdag 2018
Exodus 33:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We zijn hier vanmorgen in de kerk om aan de Heere te vragen
of Hij met ons meegaat het nieuwe jaar in,
net als het volk Israël dat bij de berg Sinaï was aangekomen
om vandaar de Heere mee te vragen naar het land dat hen beloofd is.
Zo staan we op de drempel van een nieuw jaar, net begonnen
En we kijken een toekomst in en weten niet wat die toekomst ons brengen zal
met in ons hart het gebed: ‘Heere, wilt U ons niet alleen laten,
maar met ons meegaan en voor ons uitgaan?’

Want we moeten er niet aan denken, dat de Heere niet met ons mee zou gaan
en dat Hij niet voor ons uit zou gaan.
We moeten er niet aan denken, dat terwijl wij verder gaan in de tijd
de Heere achterblijft en Zelf niet meegaat.
Want wat zou er van ons terecht komen, als de Heere niet voor ons uit gaat
om de weg te wijzen?
Dan zouden wij niet weten welke kant we op moeten gaan
en zouden we een verkeerde weg inslaan die niet goed voor ons is.
Wat zou er van ons terecht komen, als de Heere niet voor ons uit zou gaan,
Om voor ons een weg te banen?
Dan zouden we ergens lopen waar geen weg is en zouden we struikelen en verdwalen.
Waar zouden we zijn als de Heere niet meegaat om ons onderweg te beschermen,
moed in te spreken en te dragen?

Daarom vanmorgen dit gebed van Mozes:
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Houd ons tegen, Heere, als wij wel verder gaan, terwijl U achterblijft
en wij dan verder zouden gaan zonder U in ons midden.

Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Het is een tekst die ik in het verleden nog wel eens in een trouwdienst werd meegegeven.
Je ziet het voor je: een jong stel, samen aan een nieuwe toekomst begonnen
en dan als herinnering van de dominee die de preek hield in de trouwdienst:
Vergeet de Heere niet mee te nemen in je reis door het leven.
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Hoe zou het zo’n jong stel vergaan?
In de eerste weken wordt dit advies misschien nog wel opgevolgd om God erbij te betrekken,
maar als het weer wat gewoon is om bij elkaar te zijn,
Als er weer gewerkt moet worden, als je weer verder gaat met sporten
en als er later kinderen komen, als er de gewone dagelijkse beslommeringen zijn,
dan kan dat er zo bij in schieten om de Heere erbij te betrekken.
Vaak helpt het om een vast moment te hebben,
zoals vanmorgen, aan het begin van een nieuw jaar, om de Heere weer mee te vragen.
Daarom zijn we hier in de kerk bij elkaar, om deze vraag bij de Heere neer te leggen.
Voordat we verder gaan, voordat we familie op gaan zoeken om nieuwjaar te wensen,
voor we in huis bezig zijn of buiten de rommel van de nieuwjaarsnacht opruimen:
Eerst even de tijd nemen om hier bij God te zijn,
voordat we opgeslokt worden door onze alledaagse bezigheden
om te voorkomen dat er zo een week voorbij kan zijn voordat we God hebben gevraagd
om met ons mee te gaan en voor ons uit te gaan.

Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Met minder dan God zelf doen we het niet.
Zelfs een engel die meegestuurd wordt is nog niet genoeg, want God zelf moet mee!

Er is een reden waarom de Heere tegen Mozes en tegen het volk zei:
Jullie moeten zonder Mij hier van deze berg verdergaan; Ik kán niet meegaan!
Want in het voorgaande had het volk een beeld van goud opgericht in de vorm van een kalf
en dat gouden kalf dat zij door Aäron hadden laten maken
zagen zij aan voor de God die hen uit Egypte had geleid
en ze hadden om de aanwezigheid van deze god gedanst en feest gevierd:
De Heere is in ons midden! Hij is er!
We hoeven er niet meer aan te twijfelen: We kunnen Hem zien, we kunnen Hem aanraken.
We kunnen Hem meenemen, we hoeven ons nooit meer af te vragen
of de Heere wel met ons meegaat en voor ons uitgaat, want we hebben Hem bij ons.
In dat gouden kalf dat meegaat, gaat God zelf mee.
Ze hadden het mis, want ze hadden zelf een god in elkaar geknutseld
die hun eigen zelf in elkaar geknutselde god aangezien voor de levende God,
aangezien voor de God die hen uit Egypte had uitgeleid.
Het was een vergissing, een verwisseling die de Heere hoog opnam:
Ze hadden God ingewisseld voor een ander
en het was geen vergissing die per ongeluk gebeurde, maar bewust.
Een halsstarrig volk – een volk dat de nek niet wil buigen, dat niet wil knielen,
maar trots en fier overeind wil blijven staan.
Met zo’n volk kan ik gewoonweg niet meegaan.
Daar is God te heilig voor en het volk zou het niet uithouden bij deze heilige God.
Het zou het niet uithouden bij deze heiligheid, maar daardoor vernietigd worden.
Het contrast tussen de heiligheid van God en de onheiligheid van het volk was te groot.
In die zin was het ook een bescherming dat God niet mee zou gaan,
maar dat er ‘slechts’ een engel mee zou gaan.

Door een engel mee te sturen zou het volk wel gespaard blijven.
Een engel konden ze nog wel verdragen, maar niet de heilige God.
Een engel, misschien ook net zo zichtbaar als dat gouden kalf
dat ze gemaakt hadden om God zichtbaar in hun midden te hebben.

Zo gek was het niet om een beeld te maken,
omdat er bij heel veel mensen de behoefte is om God te zien,
om Hem zichtbaar in je midden te hebben, om Hem te zien, te kunnen aanraken,
want dan weet je dat Hij er is, dat Hij meegaat.
Is Hij niet zichtbaar, dan kan er altijd de vraag zijn: Is Hij wel mee.
Maar juist als wij God zelf zichtbaar maken, zetten we ons op het verkeerde been,
dan kunnen we er te gemakkelijk vanuit gaan dat God meegaan,
omdat wij Hem zichtbaar maken.
De Heere kan alleen op Zijn eigen manier in ons midden zijn.
Niet op de manier waarop wij Hem willen hebben.
Omdat het volk dit niet accepteert
en steeds zichtbaar wil hebben en bevestigd wil zien, dat God er is, kan God niet mee.
Hij kan niet leven in een sfeer van wantrouwen, van voortdurend zich te moeten bewijzen.
Daarom: Ik kan niet mee. Jullie gaan en krijgen een engel mee,
zodat jullie wel veilig en wel in het land komen dat Ik beloofd heb,
maar jullie zullen het daar zonder Mij moeten doen.

Dan gebeurt er iets bij het volk, als Mozes met deze mededeling terugkomt.
Nu dringt het tot het volk door wat er is gebeurd bij dat gouden kalf.
Ze komen in actie, een actie die eerst wat vreemd overkomt:
De sieraden worden afgedaan en het volk gaat rouwen,
rouwen om het achterblijven van de Heere, terwijl het zelf verder moet.
Sieraden werden echter naar alle waarschijnlijkheid gebruikt
om als vrouw op te vallen bij de mannen,
door een prostituee om mannen te verleiden bij haar in de tent te komen.
Het afleggen van sieraden houdt in: we bieden ons niet meer aan andere goden aan.
We kiezen voor de ene God, de ware God, de God die ons werkelijk bevrijdde,
die ons uit Egypte hier bracht en die beloofd had om ons door de woestijn te geleiden.
Het is een gebaar van inkeer, van schuldbelijdenis,
een gebaar waarmee alle andere goden worden afgezworen:
We zijn alleen van Hem.
Zo beginnen wij ook dit jaar alleen met de Heere
en zeggen het tegen Hem: we zoeken het alleen bij U,
een andere god hebben wij niet nodig, wij zoeken niet ergens anders steun of geluk.
U bent onze Heer, wij hebben geen leven zonder U.
En dan staat er een regel bij: Vanaf die dag droegen de Israëlieten geen sieraden meer.
Nu hoeven wij niet zonder sieraden te leven,
die mogen wij best dragen,
maar de achterliggende gedachte is wel voor ons van belang:
We behoren alleen Christus toe, in ons leven, in ons sterven.
We bieden ons nergens anders aan, we flaneren niet om elders geluk mee te krijgen.
Voor ons geen ‘meidenmarkt’ waarop we ons aanbieden voor andere goden.

Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.

Dan doet Mozes iets gewaagds, waarmee Hij de Heere uitdaagt.
Als de Heere niet in het midden van Zijn volk kan wonen, dan maar een eindje erbuiten.
Als iedereen maar naar Hem toe kan gaan.
Als iedereen God maar kan zoeken en Hem kan vinden.
Wellicht is het zijn eigen tent geweest
en hij geeft het de naam, die de tent van God zou krijgen als die gebouwd zou worden,
De tent waarin God in het midden zou wonen.
Maar als God niet in hun midden kan zijn, dan zal de tabernakel ook niet worden gebouwd.
De tabernakel, de tent waarin de Heere woont tussen Zijn volk
en daarom een tent van ontmoeting van mens en God zal zijn.
Dan maar zijn tent buiten het kampement om daar God te raadplegen.
Want hoe kun je als mens zonder de raad en de bijstand van God?
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Het is een eigen initiatief van Mozes.
Daar zit ook iets hardnekkigs in, iets van protest.
Als U niet meegaat, Heere, dan zoeken we U steeds weer op.
Dan creëren wij een plek, waar we naar toegaan om U te zoeken,
net zolang tot we U vinden.
Het is een protest van Mozes tegen zijn God, die aankondigt niet mee te gaan
van Mozes die beseft, dat het volk niet zonder zijn God kan
en daarom op zoek moet naar een manier om God te blijven ontmoeten.
Deze hardnekkigheid van Mozes wens ik u en jou en ons als gemeente toe,
dat we niet rusten als God er niet is, maar dat we Hem blijven zoeken, blijven benaderen.
Als de Heere niet onder Zijn volk kan zijn, tussen de tenten van Israël,
dan maar net erbuiten, wat op afstand, een afstand die wel te overbruggen is.

Hier blijkt Mozes God te kennen en Gods weg met Israël te kennen.
Hij weet dat de Heere het volk niet achter kan laten,
niet op pad kan sturen zonder zelf mee te gaan.
Want God heeft Zijn naam verbonden aan dat volk.
Mozes gebruikt zijn bijzondere relatie die hij met de Heere heeft
om de Heere over te halen, te verbidden: U moet mee.
Mozes die vriend van God genoemd wordt
en als vriend tegen de Heere kan zeggen: U moet mee.
Als U werkelijk om mij geeft, als ik echt genade gevonden heb in Uw ogen,
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Mozes krijgt hier iets van Christus: tussen God en het volk in,
om een goed woord voor het volk te doen.
Laat hen niet zonder U verder gaan, dat gaat niet goed.
Dat weet U zelf ook.
Alleen als U zelf in ons midden bent, zijn we dat bijzondere volk.
Alleen dan kunnen we Uw weg gaan, de weg die U voor ons hebt uitgestippeld
Alleen dan kan Uw plan met deze wereld in vervulling gaan.
Verbidden: God op andere gedachten brengen,
door aan te knopen bij Zijn barmhartigheid, bij God zelf, Zijn eigen karakter, Zijn belofte.
Ik wens u toe dat u zo dit komende jaar steeds weer een beroep doet
op Gods barmhartigheid, op Zijn karakter, op Zijn belofte:
U hebt het zelf beloofd.
Als U dat niet doet, wat komt er dan terecht van Uw werk in deze wereld?
Wat komt er dan terecht van Uw kerk?
Wat komt er dan terecht van ons die U geroepen hebt tot Uw dienst?
Waar God zegt: Ik kan niet mee, zegt Mozes: U moet. Het kan niet anders.
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Zo vragen ook wij Gods aanwezigheid, God persoonlijk mee.
Het kan niet anders. Het moet.
Want wat komt er anders van ons terecht?
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Amen

Preek oudjaarsavond 2017

Preek oudjaarsavond 2017
Genesis 48

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We nemen in ons leven heel wat keren afscheid.
Als je van de basisschool verlaat en naar de middelbare school gaat.
Je weet dat al als je aan groep 8 begint: dit is het laatste jaar op deze school
en dat maakt groep 8 een bijzonder jaar.
Het hele jaar is anders: de cito-toets, schoolkamp, de musical.
Je werkt naar het afscheid toe, je leeft ernaar toe dat je naar een nieuwe school gaat.

Je neemt afscheid als je aan een nieuwe baan begint.
Je gaat niet meer naar deze locatie, vaak naar een andere plaats zelfs.
Afscheid van collega’s met wie je soms heel lang hebt samengewerkt.
Afscheid neem je bij een verhuizing: van de buren naast wie je woonde
met wie je soms veel hebt opgetrokken.
Als je naar een andere plaats verhuist,
neem je afscheid van mensen die je geregeld tegen kwam op straat, in de kerk, in winkels.

Afscheid neem je bij een overlijden,
zoals er ook in 2017 heel wat families afscheid moesten nemen
van een vader of een moeder, van een man, een vrouw, van een dochter, een zoon.
Van iemand uit je familie, van een vriend of vriendin, van een goede bekende.

Afscheid nemen is niet altijd makkelijk.
De Fransen hebben het spreekwoord: Afscheid nemen is een beetje sterven.
Bij het afscheid nemen raak je iets kwijt dat iets van jezelf was,
je raakt iets vertrouwds kwijt wat lang niet altijd wordt opgevuld.
Dat begint al als je afscheid neemt van de basisschool.
Je ziet niet iedere klasgenoot terug.
Soms kun je met iemand met wie je veel optrok nooit meer terugzien
omdat hij of zij naar een heel andere school ging.
De juffrouws en de meesters die je op de basisschool
die heel jou goed kende en die voor jou heel vertrouwd waren geven je geen les meer.
Als je van baan verandert kun je bepaalde collega’s gaan missen, de sfeer op het werk,
het doel dat je werk je gaf.
Er zijn er heel wat die als ze met pensioen gaan de moeite hebben om de draai te vinden
of die vervroegd met hun werk moesten stoppen het werk echt missen.
Je kunt buren missen, voor het vertrouwde loopje, even een praatje.
Soms kun je het gevoel hebben dat de hele buurt veranderd is.

En zeker als er iemand overlijdt met wie je een goede band hebt,
dan is afscheid nemen niet alleen maar een klein beetje sterven.
In het afgelopen jaar waren er heel wat van wie het overlijden onverwacht kwam.
Geen tijd om afscheid te nemen, om nog te zeggen wat je wilde zeggen.
Dan gaat de schok lang mee en komt het verlies nog veel harder aan
omdat je niet voorbereid bent op dat afscheid, omdat je nog veel samen had willen doen.

Van Jozef kun je niet zeggen dat hij geen tijd had om afscheid te nemen.
Na jaren waarin hij zijn vader niet heeft kunnen zien, mocht hij met hem verenigd worden.
Een tijd lang heeft Jakob nog in Gosen in Egypte mogen wonen.
Als er dan het bericht komt dat zijn vader ernstig ziek is,
Bedenkt Jozef zich geen moment en gaat naar zijn vader toe, nu het nog kan.
Hij neemt zijn zonen Manasse en Efraïm mee,
zonen die in Egypte zijn geboren terwijl Jozef al onderkoning was geworden.

Het wordt een intiem bezoek, zoals dat wel eens gebeurt
als iemand te horen krijgt dat hij of zij ernstig ziek is,
dat degene in de weken die nog overblijven iets deelt van wat er in hem of haar omgaat.
Het is een gesprek waarvan je hoopt dat zo’n gesprek er komt
in de laatste weken dat iemand nog te leven heeft: persoonlijk en heel intiem.
Ook een terugblik, heel open, over hoe de Heere heeft gewerkt in zijn leven.
De oude Jakob verzamelt nog eens al zijn krachten om te kunnen vertellen:
‘Toen ik het land uit moest vluchten, daar bij Luz, de plek die ik later Beth-El noemde
is God de Almachtige aan mij verschenen.’
God de Almachtige – dat is niet zomaar een naam van God,
maar de naam waarmee Hij Zich ook aan Abraham bekend maakte:
‘Ik ben God de Almachtige, wandel voor Mijn aangezicht.’
Dat was de opdracht voor Abraham. En Abraham kreeg een belofte mee.
Toen Jakob moest vluchten voor zijn broer Ezau verscheen God ook aan hem:
Jakob, Ik ga met je mee en Ik zorg dat je weer terug komt in dit land
en dat jouw nakomelingen dit land zullen bezitten.
God de Almachtige, dat is niet alleen de kracht van God,
maar ook de naam van God die Zijn belofte waarmaakt,
Zijn belofte nog eens meegeeft, juist als het er niet op lijkt dat die belofte in vervulling gaat.
Jakob, die het land dat hem beloofd werd, juist moet ontvluchten.
Hij mocht door Gods leiding, door Gods hulp echter terugkeren.
Degenen die afscheid moesten nemen van het afgelopen jaar, kregen ook de belofte mee
dat God er zal zijn op dagen waarop het gemis er is.
Ik hoop dat deze belofte ook uitgekomen is en dat u de Heere mocht ervaren.
Dat u mocht merken dat de Heere naar u toekwam, dat Hij aan u verscheen.
Of dat je dat, nu terugkijkend het afgelopen jaar op een andere manier mocht ervaren
dat de Heere aan je verscheen, dat Hij er voor je was.
Omdat je een kind mocht ontvangen, omdat je een relatie kreeg, mocht trouwen,
je studie afrondde, een jubileum mocht vieren.

God heeft mij gezegend, zegt Jakob.
Gezegend op het moment dat ik het land moest verlaten,
terwijl daar helemaal nog niets van zichtbaar was, wel meegegeven als belofte.
Nu hij oud geworden weer in een vreemd land is, herinnert hij zijn zoon,
die hij jarenlang dood waande en weer terug mocht zien aan deze belofte
dat zijn nageslacht niet hier in Egypte hoort, maar een thuis heeft in Kanaän.
Ook de zonen van Jozef, ook al zijn ze hier in Egypte geboren,
ze horen daar in Kanaän te wonen, dat is het thuis van Egypte.
Zij zullen, als het Gods tijd gekomen is, dit land verlaten,
zoals Jakob ook terugkeerde uit Mesopotamië, waar hij jarenlang Laban diende.

Want deze jongens van jou, die al geboren waren voor ik in Egypte kwam,
het is ook mijn nageslacht, de lijn van mijn lieve vrouw Rachel,
die ik het meest boven alles heb liefgehad.
Deze twee jongens van jou, geboren uit jou en je Egyptische vrouw,
Ze hebben voor mij dezelfde positie als Ruben en Simeon,
Dezelfde positie in het gezin als mijn oudste twee zonen.
Dat is een gevaarlijke beslissing van Jakob: om twee kleinkinderen te promoveren
en dezelfde rechten te geven als de twee oudste zonen.
Jakob wist toch wel dat er in zijn eigen leven ook een gedoe was over de zegen
die voor de eerstgeborene was bestemd,
Dat hijzelf als tweede zoon, en ook nog eens op de tweede plaats gesteld
de zegen ontving, volgens zijn oudere broer de zegen affutselde, aftroggelde.
Toch doet Jakob het, als eerbetoon aan Rachel die hem zo vroeg ontvallen is,
de vrouw van wie hij hield, een blijk van liefde voor deze vrouw voor wie hij 14 jaar werkte.
Wanneer iemand je ontvalt, kan dat gemis een leven lang mee gaan.
Na al die jaren is hij Rachel niet vergeten, ook al moest hij haar al vroeg missen.

Die zegen speelt een belangrijke rol in deze familie.
Deze familie is niet alleen begonnen met de opdracht van God om weg te trekken,
maar ook met de zegen van God
en de zegen van God is een rode draad in de geschiedenis van deze familie:
Abraham krijgt deze zegen.
Izak geeft deze zegen door aan Jakob, zijn tweede zoon
en nu gaat Jakob deze zegen weer doorgeven.
Het gezin waaruit Jakob en Jozef komen is een gezin waarin de zegen wordt doorgegeven.
Deze zegen is de dragende grond onder dit gezin, al die geslachten door.
Jakob heeft voor al zijn zonen een zegen.
Geen enkele van de 12 wordt buitengesloten van de zegen, niemand loopt de zegen mis.
Nu het einde van Jakob gekomen is, gaat hij de zegen ook weer doorgeven.
Bijzonder, zo’n gezin met de zegen van God als rode draad, als familieverhaal.
Bijzonder, om afscheid te nemen met de zegen,
om je kinderen, je kleinkinderen de zegen op te leggen.
Want de zegen opleggen, dat is God meegeven,
God die met jou meegegaan is, een leven lang, ook als je daar niet altijd de leiding van zag.
Je geeft de kracht van God door, de aanwezigheid van God door.
Je geeft door hoe God er voor jou was aan degene die na je komt.

Deze kleinzonen, ze betekenen niet alleen veel voor hem
omdat dit het nageslacht is van zijn lievelingsvrouw, de vrouw die hij zo moet missen,
maar deze twee jongens die met Jozef meegekomen zijn voor hem ook zichtbaar teken
van Gods leiding, dat God inderdaad de Almachtige is, zoals Hij aan hem verscheen:
God die Zijn beloften waarmaakt.
Die zijn leven zo geleid heeft dat hij niet alleen zijn zoon in de armen kon sluiten,
maar ook zijn kleinzonen.
Deze leiding, deze belofte geeft hij door aan de kinderen,
die voor hem het zichtbare teken zijn dat God leidt en werkt.
Zo gaat Jakob afscheid nemen van dit aardse leven,
door deze God en Zijn leiding door te geven.
Bij het afscheid nemen van 2017 willen wij zo aan elkaar Gods leiding en zorg doorgeven.
We nemen afscheid met een zegen, al wens u ik toe dat het niet betekent
dat we afscheid moeten nemen van het aardse leven,
maar dat de Heere ons nog veel gezegende jaren geeft.

Jakob geeft de zegen aan de twee zonen die Jozef heeft meegebracht.
Er wordt in de uitleg een heuse discussie gevoerd
of het nog maar jongens zijn of volwassen zonen.
Zijn ogen zijn dof geworden, maar zijn kleinzonen zien als zichtbaar teken kan hij nog wel.
Jozef zegt het ook: Het zijn de zonen die God mij gegeven heeft hier in Egypte.
Ook in Egypte werkt God, zoals Hij ook in Mesopotamië werkte.
Hij laat zich niet door grenzen tegenhouden.
De zegen die Jakob aan zijn kleinzonen meegeeft, zijn een lofprijzing op God.
God is mijn herder geweest, mijn leven lang.
Hij gaf mij een engel die voor mij uitgegaan is om mij op mijn weg te beschermen.
Moge die God die voor mij een herder was ook jullie herder zijn,
Moge Hij ook voor jullie Zijn engel vooruitsturen.’
Twee kleinzonen die daar voor de oude man op de knieën liggen,
De oude man voor wie het leven erbij op zit, die heel wat meegemaakt heeft
en ook mag terugkijken op Gods leiding in Zijn leven.
Hij legt zijn handen die heel wat hebben meegemaakt en vastgepakt, oud en gerimpeld,
op de hoofden van deze twee jongens om de zegen op hen te leggen.

Dan wil Jozef ingrijpen, als de zegen al achter de rug is.
‘Het is verkeerd, vader,’ zegt Jozef, ‘u zegent de verkeerde.’
Jozef pakt de handen die de zegen geven al op om ze te verwisselen,
maar nee, zegt Jakob, ik ken je jongens, ik weet wat ik doe.
Ik weet dat ik de jongste de belangrijkste zegen geef,
zoals ik als jongste ook de belangrijkste zegen krijg.
De eerste plaats is niet voor wie er recht op heb, maar voor de mindere.
Niet degene die vooraan staat, niet degene die de beste papieren heeft.
God kiest niet voor de hoogstgeplaatste, voor degene van wie de weg reeds is uitgestippeld
niet voor de rechtmatige opvolger, maar voor wie op het tweede plan is geraakt.
God doorbreekt de menselijke vanzelfsprekendheden.
Degene die het minst de zegen verwacht, krijgt de zegen.
Toch krijgen ze allebei de zegen.
Zegen is niet altijd direct resultaat.
Op de vervulling kan geregeld lang moeten worden gewacht.
Maar de zegen is wel de zegen: De kracht van God, Zijn bijstand,
Zijn aanwezigheid, Zijn leiding.
Het is een zegen die het verlangen opwekt om ook zo de zegen te ontvangen.
Moge God u maken als Manasse en als Efraïm.
Moge Hij voor u een herder zijn, moge Hij Zijn engel voor u uitsturen.
OOk in het komende jaar.
Zo nemen we van dit jaar afscheid als met Gods zegen, als gezegende mensen.
Amen

Nazareth

Nazareth

In de nieuwste “Theologische Beiträge” schrijft Rainer Riesner over wat er door archeologisch onderzoek bekend is geworden over Nazareth. Riesner is een nieuwtestamenticus die graag archeologische gegevens verwerkt in zijn exegese en reconstructie van het leven van Jezus en het Vroege Christendom.

Kon men in de 20e eeuw nog zeggen dat Nazareth niet bestond, inmiddels zijn er volop bewijzen voor een stichting van Nazareth in de 2e – 1e eeuw voor Christus (munten, scherven). Dat Jezus uit Nazareth afkomstig is geldt tegenwoordig als een van de weinige gegevens waarover onderzoekers eens zijn.

Tot aan de tweede eeuw was Galilea dunbevolkt doordat in de 7e en 6e eeuw de inwoners waren weggevoerd naar Assyrië of Babylonië. Vanaf de 2e eeuw komen er mensen uit Judea zich settelen in Galilea. De inwoners van Nazareth waren dus niet (half)heidens. Dat berust op een verkeerde uitleg van Mattheus 4:15.

Niet bij Josephus genoemd
Nazareth wordt niet bij Josephus genoemd. Vandaar dat men in de 20e eeuw dacht dat Nazareth niet bestaan heeft en men de naam Nazareth aan Jezus verbond om hem een torah-trouwe Jood te maken. Dat Josephus Nazareth niet noemt, heeft met de geringe omvang te maken. Op basis van de teruggevonden begraafplaats gaat men uit van een inwonersaantal van 200-500. Een andere reden waarom Josephus Nazareth niet noemt, is dat in dit kleine plaatsje niets gebeurde ten tijde van de Joodse Opstand. Nazareth werd ook niet verwoest, zoals wel eens wordt aangenomen.

Afgebroken
Omdat in de eerste onderzoeken geen muren gevonden werden dachten sommigen (die niet bij de opgravingen betrokken waren) dat men in grotten woonden. De huizen lijken echter afgebroken te zijn om er een kerk en klooster te bouwen.

Torah-trouw Joden
Bij opgravingen zijn kalkstenen vaten gevonden. Deze niet heel praktische vaten golden binnen het toenmalige Jodendom als cultisch rein (wat zou kunnen duiden op torah-trouwe Joden). Daarnaast is er een restant van wat duidt op een ritueel bad gevonden. Samen met de aanwijzing in Lukas 4:16-20 van een synagoge duidt dat op aanwezigheid van torah-trouwe Joden.
In een oppervlakte-onderzoek uit 2008-2009 kwam naar voren dat er een culturele kloof was tussen Nazareth en het nabijgelegen Sepphoris. In Nazareth grensde men zich meer af voor de hellenistisch-Romeinse omgeving dan in Sepphoris.
Nazareth was mogelijk net als de rest van Israël drietalig: Hebreeuws (vanwege Judese afkomst inwoners en taal van de vroomheid), Aramees en Grieks (vanwege handel met nabijgelegen Sepphoris).

Jodenchristenen
Mattheus brengt het geboorteverhaal vanuit het perspectief van Jozef. Zijn afkomst uit Nazareth is niet onmogelijk, omdat er bericht is van Julius Africanus (ca 160-240) dat hij verwanten van Jozef uit Nazareth sprak. Nog in de 6e eeuw na Christus is er sprake van een gemeenschap van Jodenchristenen in Nazareth. De gemeenschap van Jodenchristenen is in Israël in die eeuwen veel groter geweest dan gedacht. In Mattheus 2:23 wordt de woonplaats van Jezus verbonden met de profetie van Jesaja 11:1 (nzr, spruit). Ook de naam Nazareth komt het meest waarschijnlijk van het woord nzr (spruit). De volgelingen van Jezus worden geregeld Nazareeers genoemd (Handelingen 24:5, nosrim, nasrani).

Davidische komaf
Voor de geboorteverhalen zoals Mattheüs die vertelt is het wezenlijk dat Jezus een nakomeling van David is. Ook in Lukas komt deze gedachte naar voren, zelfs verbonden met zijn komaf uit Nazareth (Lukas 18:37). De uitroep van Nathanaël – ‘Kan uit Nazareth iets goeds voortkomen?’ is geen ontkenning van de davidische komaf van Jezus. Integendeel, juist een bevestiging. Wie niet ziet dat Johannes kennis heeft van de geboorte van Jezus in Bethlehem en zijn davidische afkomst, mist de ironie van Johannes (1:46, 5:29, 7:40-42). Johannes en zijn lezers hadden kennis van deze traditie.

Familie
Als de sporen van de familie van Jezus in Nazareth en zijn volgelingen tot in de 6e eeuw te vinden zijn, zijn de gegevens over Jezus in Nazareth mogelijk serieuzer te nemen. zoals de gedachte dat Geboortekerk gebouwd is op het woonhuis van Jozef en Maria.
In dat geval behoorde de familie van Jezus niet tot de armsten maar tot de (eenvoudige) middenklasse. Galilea was niet het armste deel van Israël maar bleek juist in die tijd economisch het meest stabiel te zijn.

Consequenties voor het onderzoek naar de historische Jezus
Consequenties voor het onderzoek naar historische  Jezus:
(1) Jezus groeide op in een vrome Joodse beweging.
(2) Hij behoorde niet tot de armsten van het land.
(3) Het is niet uit te sluiten dat Jezus Hebreeuws sprak.
(4) In de synagoge werd hij onderwezen in de traditie. Jezus was geen ongeschoolde autodidact, maar iemand die in zijn woonplaats werd geschoold. Met die kennis werd hij de messiaanse leraar leefde vanuit de Schrift van Zijn volk.
(5) davidische oorsprong was een levende traditie, die in Nazareth werd doorgegeven in de families die uit Judea afkomstig waren.

N.a.v. Rainer Riesner, ‘“Was kan aus Nazareth Gutes kommen?” (Johannes 1,46). Archäologie und Geschichte des Heimatortes Jesu’, Theologische Beiträge 48/8 (2017) 324- 339

 

Preken in een tijd van het creatieve gebod: Wees origineel!

Preken in een tijd van het creatieve gebod: Wees origineel!

We leven volgens de Duitse socioloog Andreas Reckwitz in een tijd van het creatieve gebod: Wees origineel! Dat heeft volgens praktisch-theoloog Julia Koll ook gevolgen voor de preekvoorbereiding.

Volgens Koll zijn er de afgelopen decennia de volgende typologieen ontwikkeld mbt creativiteit in de preekvoorbereiding:

Typologieën

(1) Creativiteit is een vrucht van goddelijke inspiratie, verkregen door mediteren (Emanuel Hirsch, Rudolf Bohren).

(2) Volgens Ernst Lange is het geen geestelijk gebeuren maar iets cognitiefs dat gebeurt als je de hermeneutische cirkel van tekst en situatie geregeld doorloopt. Dan krijg je creatieve invallen.

(3) Voor de vroege Josuttis was creativiteit iets psychologisch, dat geremd kon worden door perfectionisme en gestimuleerd door in brainstorm de gedachten de vrije loop te laten gaan.

(4) voor Gerhard Marcel Martin en Albrecht Grözinger heeft het creatieve van de preekvoorbereiding iets van het creatieve proces van een kunstenaar.

Martin Nicol en Alexander Deeg zijn met hun dramaturgische homiletiek verder gegaan op dat laatste spoor: creativiteit is onderdeel van het hele proces van preekvoorbereiding, van verzamelen en uitwerken tot verbeelden en evaluatie.

Koll mist twee elementen in de discussie in de afgelopen decennia:
(5) Creativiteit van de luisteraar.
(6) huidige context van het creatieve gebod: Wees origineel!

Moeten
De Duitse socioloog Andreas Reckwitz typeert onze tijd als de tijd van het creatieve gebod: Wees origineel! We willen van onszelf en moeten van onze omgeving origineel en creatief zijn. Of het nu gaat om de enscenering van ons eigen leven (Facebook, Snapchat, Instagram), of om de event-cultuur  of creative industry – steeds gaat het er om scheppend bezig te zijn aan de hand van kunstzinnige, esthetische idealen.

Invloedrijk
Maatschappelijk werken deze esthetische idealen door op alle terreinen, beroepsmatig en privé: als is gebaseerd op zintuiglijke waarneming en positieve gevoelens en emoties spelen een kernrol. De toename van de esthetiek in onze maatschappij heeft ermee te maken dat je gezien en opgemerkt wilt / moet worden.
Omdat dit op alle terreinen is gaan spelen is het creatieve gebod (‘Wees origineel!’) zo sterk en invloedrijk geworden. Dit creatieve gebod kon zo’n invloedrijke positie krijgen, doordat op het sociale terrein de economie de norm ging worden en alles, ook het privéleven, tegenwoordig via media (zowel mainstream, als social media) gaat.

Effect
Effect van de centrale plaats van dit creatieve gebod is een toenemend gevoel van belasting, het gevoel voortdurend overvraagd te worden (met burnout, depressie, verslaving enz als mogelijke gevolgen) en een toename van verstrooiing en afname van concentratie en aandacht.

Ambivalent
Als de analyse van Reckwitz klopt, dan is creativiteit een ambivalent maatschappelijk thema, waar niet alleen de predikant in de preekvoorbereiding mee te maken heeft. Ook het gehoor heeft een ambivalente houding mbt creativiteit.
Ook de eredienst en de preek hebben te maken met deze maatschappelijke ontwikkeling. Daarom: wie klaagt over het verlies van argumentatie en stevige inhoud in de preek ziet deze maatschappelijke ontwikkeling over het hoofd.

Scheppende kracht
In de homiletiek gaat het niet alleen om aan te sluiten of juist kritisch te reageren op de maatschappij, maar ook om het eigene van de Schrift. Daarom: welke vorm van preken past bij de scheppende kracht van het Evangelie?

Lange duur
Reckwitz schetst twee alternatieven. Hij geeft allereerst aanaan dat er in deze tijd een esthetiek van de herhaling gevraagd wordt. Deze esthetiek is een verzet tegen het activisme dat steeds op zoek is naar iets nieuws. Het gaat om aandacht voor niets steeds veranderd wordt of moet worden, maar voor de lange duur en voor wat voortdurende oefening vereist. Met behoud van het creatieve. Dat geeft ruimte aan de inbedding van de preek in de liturgie (zoals in de laatste decennia als steeds aangegeven wordt).

Onthaasting
Dat biedt voor de preek als middel tot ‘Entschleunigung’ (onthaasting, verlangzaming). Zoals Michael Meyer-Blanck dat verwoordde: zie het esthetische als een poging de hoorder een behuizing voor langere tijd te bieden, waar hij/zij rust vindt om na te denken. In die rust vindt de hoorder de mogelijkheid om op een creatieve manier God en de wereld te ontmoeten. Julia Koll: de onthaasting leidt tot hernieuwde waardering van concentratie en stilte (waarvoor geen creativiteitsacrobatiek nodig is). De verlangzaming in de preek richt zich niet op de beleving, maar op de verdieping.

Deelnemers
Een tweede alternatief van Reckwitz’ visie is creativiteit zonder publiek. Je richt je niet op een publiek van wie je de opmerkzaamheid moet verdienen, maar je gaat ervan uit dat er slechts deelnemers en betrokkenen zijn. Ook dat is niet nieuw in de homiletiek en de liturgiek: de hoorders zijn geen passieve consumenten, maar luisteraars die zelf actief betrokken zijn in het creatieve proces. Julia Koll pleit ook voor letterlijk meer betrokkenheid doordat gemeenteleden zich kunnen uiten. Vergelijkbaar met de jazzimprovisatie. Dit creatieve kan ook in het overige gebeuren in de gemeente opgepakt worden, bijv dmv biblioloog

Julia Koll, ‘Predigtkunst in Zeiten des kreativen Imperativs’, Praktische Theologie 52/3 (2017) 169-176.