Preek zondag 30 september 2018

Preek zondag 30 september 2018
Jesaja 43:1-7

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Vanmorgen zijn 4 kinderen gedoopt, die alle vier welkom waren.
Kinderen waarvan gehouden wordt.
Onze lieve zoon Renze Gerrit is geboren!

Op het kaartje van Jesse staat: Klein is de mens,
een zandkasteeltje langs het strand
maar kostbaar genoeg, om als parel te mogen liggen
in Uw eeuwige sterke vaderhand.

Bij Diede: Dat je hier bent, heb je niet zelf bedacht.
Er was een kracht die je ter wereld bracht.
We hopen dat je die kracht, die liefde heet,
overbrengt van mens tot mens. Dat is onze wens.

Heel trots zijn we op ons prachtige dochtertje Gerieke.

Mooi dat deze kinderen welkom zijn, er gelijk helemaal bij horen,
Dat van hen gehouden wordt,
dat ze iets kostbaars hebben: voor jullie en voor God.
Dat ze ook iets kostbaars hebben voor God is niet alleen iets
dat duidelijk wordt op de geboortekaartje.
Dat is vanmorgen ook zichtbaar geworden in het teken van de doop,
waarin God tegen deze kinderen heeft gezegd: Mijn liefde is ook voor jullie.
De liefde van God die jij hebt leren kennen, is er ook voor je kind.
We lezen over die liefde ook in Jesaja 43:1,
een tekst die vaker met de doop van een kind in verband wordt gebracht:
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij. Gods kind!

Nu moet daar wel iets bij gezegd worden, zowel over de liefde die in Jesaja klinkt
als de liefde van God die zichtbaar wordt in de doop:
Het is een liefde die herstelt, Gods liefde die weer goed maakt wat verstoord was,
heelt wat gebroken is geweest.
In het formulier wordt als eerste over de doop gezegd,
dat de doop laat zien dat wij van binnen schoon gewassen moeten worden, gereinigd,
omdat we geen rein, geen zuiver hart hebben.
Ook onze kinderen ontkomen daar niet aan.
Net zoals zij delen in de liefde die God voor ons heeft, delen ze ook in onze zonde.
Ook zij hebben Gods vergeving nodig, ook voor hen moest Christus aan het kruis gaan.
En dat is ook gebeurd – Gerieke, Jesse, Renze, Diede,
je bent gedoopt in de naam van de Zoon: Hij stierf voor jou aan het kruis.

Ook in Jesaja 43 is er sprake van liefde die weer goed maakt, wat verstoord was,
Weer heel maakt in een relatie wat gebroken was, de relatie tussen Israël en God.
Als we deze tekst los nemen,
is het een mooie tekst bij hoe meestal tegen de doop wordt aangekeken:
Dat God van je houdt en dat Hij als schepper voor je wil zorgen.
Maar dan gaan we eraan voorbij dat deze tekst hier in Jesaja niet bedoeld is
voor kinderen die in een warm nest geboren worden, die welkom zijn,
die met open armen worden ontvangen en in liefde en geborgenheid kunnen opgroeien.
Deze woorden komen tot het volk Israël, dat de weg kwijt is
en dat zich vertwijfeld afvraagt of God ooit nog wel iets van zich laat horen.
Een volk in crisis, omdat echt alles tegen zit.
De Israëlieten zijn uit eigen land weggehaald, gedwongen,
het was niet eens hun eigen keuze, het was niet eens een vlucht, maar gedeporteerd,
zoals in de oorlog veel mensen, waaronder ook bijna alle Joden, zijn gedeporteerd.
In hun hart leeft nog de herinnering aan hun vaderland, het door God beloofde land.
Dan zagen ze echter niet de mooie glooiende heuvels met de wijngaarden erop,
de uitgestrekte vlakten waar de schapen en koeien op graasden,
De steden schitteren in de zon.
Nee, ze zagen in hun herinnering hoe de huizen waarin ze woonden
in vlammen opgingen, aangestoken door de soldaten die hen dwongen weg te gaan,
en langs de weg veel dode mensen, die omgekomen waren door het oorlogsgeweld,
of uit pure wreedheid door de vijanden waren vermoord.
Een situatie waarvan je hoopt dat je die nooit hoeft mee te maken
en dat je kind zulke ellende bespaard blijft,
waarvan we weten dat er heel wat kinderen op deze wereld dat wel meemaken:
opgroeien in een oorlog, de ouders gedood, zelf kindsoldaat.
En dan zegt Jesaja, de profeet: Israël dat is niet zomaar iets dat je toevallig overkomt.
Nee, al die ellende, dat is de hand van God.
Het is geen vreemde die je dit aandoet, maar je eigen God.

Wie heeft Jakob tot buit gegeven en Israël overgeleverd aan rovers?
Is het niet de HEERE, Hij tegen Wie wij gezondigd hebben?
Want zij wilden in Zijn wegen niet gaan en niet luisteren naar Zijn wet (Jesaja 42:24)

Is dit een beeld van God die je aan je kind wil meegeven?
Je wilt toch een positief beeld van God meegeven aan je kind,
zodat je kind de Heere ook gaat leren kennen, gaat geloven,
zijn of haar weg met Hem gaat – aan Zijn hand door het leven?
Maar niet alleen de mooie dingen komen uit Gods hand.
Soms kan ook als het tegenzit in je leven dat uit Gods hand komen.
Ik zeg niet dat dit altijd zo is: dat als je leven ingrijpend verandert
Door een overlijden, door een scheiding, doordat je ontslagen wordt op je werk
dat altijd de hand van God is.
Hier zegt God dat tegen Israël wel: het is wel een hardhandige manier,
maar het is om je wakker te schudden,
om te beseffen dat je geen plek in je leven hebt voor Mij.
Als kinderen waren wij thuis denk ik niet altijd de makkelijkste voor mijn moeder.
Dan dreigde ze nogal eens: als je nu niet luistert, dan pak ik mijn koffers en ga ik weg.
Wij lachten altijd, want dat zou ze nooit doen. Een moeder doet dat niet.
Totdat ze op een keer ook echt weg ging. Weliswaar niet voor lang,
maar toch, om te laten weten dat ze ook echt wel weg kon gaan.

Door al die ingrijpende gebeurtenissen die Israël overkomen, wil God laten weten:
Jullie kunnen niet zonder Mij. Als je aan Mij voorbij gaat, dan blijft er weinig van je over.
Het schok-effect, de Heere die Zijn volk verlaat, heeft een ander effect op het volk:
God geeft niets om ons.
Wij zijn voor Hem niets waard. Hij ruilt ons zo in voor een ander volk,
dat veel sterker is, aantrekkelijker, echt meetelt in de wereldpolitiek:
Egypte met zijn indrukwekkende geschiedenis,
Nubië aan de rand van de wereld met de lange mensen die daar wonen,
een volk van dappere strijders,
Seba, een rijk en welvarend land.
Vergeten, in de steek gelaten door God.
Wat is er nog over van dat verbond, die eeuwig durende afspraak die de Heere maakte?

En dan komt de ommekeer: Maar nu.
Vanaf nu wordt alles anders. Wat je overkomen is, al die ellende, dat is nu voorbij.
Er komt een nieuwe tijd.
Als je vertalingen naast elkaar legt, dan is er een verschil in tijd.
In de NBV is het een verlossing die nog moet komen: Ik zal je vrijkopen. (toekomst)
In de HSV is het een verlossing die al geweest is: Ik heb u verlost (het is al gebeurd).
De eerste is: je merkt er nu nog niets van. Je zit midden in de ellende, de wanhoop.
De tweede is: terwijl jij er niets van merkt, is God allang bezig met je redding.
Net zoals dat bij de tweede belofte ook klonk, de belofte van de Zoon:
Ik ben voor jou aan het kruis gegaan. Dat is al gebeurd
En toch kun je nog zoveel narigheid meemaken, verkeerde keuzes maken,
ermee worstelen dat het nog niet zo is als het zo moeten in je relatie met God.
Ik ben al aan het kruis gegaan – Ik heb je al verlost.
Ik heb wel degelijk een bijzondere band met je, zegt de Heere
Dat is geen inbeelding: Ik zeg dat met gezag tegen je. Zo zegt de HEERE.
Ik heb een bijzondere band met je, Israël: Ik ben je Schepper, Ik heb je gevormd.
Mijn hand is in jouw leven te zien, Ik ben persoonlijk op je betrokken.
Jou heb Ik bij je naam geroepen, omdat Ik je wilde laten weten dat je bij Mij hoort,
dat je van Mij bent. Ik je God.
Ook al heb je er niets van gemaakt, heb je alles verknoeid,
was je niet met Mij bezig en ging je een groot deel van je leven aan Mij voorbij,
Ik noem je nog steeds met die bijzondere naam, die Ik je gaf: Israël.
Vanmorgen zijn de namen van de kinderen ook genoemd, bij de doop.
Ik heb je bij je naam geroepen. Je bent niet alleen van je ouders, maar ook van de HEERE.

Dat is maar niet voor even, voor nu alleen, maar voor een heel leven.
De belofte klonk dat de hemelse Vader voor je kind zorgt, dat Hij meegaat op de levensweg.
Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn.
Door rivieren, ze zullen u niet overspoelen.
In september wordt altijd de Slag om Arnhem herdacht met soldaten die aan een parachute
uit het vliegtuig naar beneden komen, als herinnering aan de Britten en Polen uit 1944.
De parachutisten waren nodig om de bruggen te veroveren.
zonder brug was het niet mogelijk om over de rivier heen te gaan.
Zo kunnen er in ons leven heel wat barrières zijn, waar je moeilijk overheen komt
en kan het zijn dat je kind, dat nu gedoopt is, voor een rivier staat waar hij niet over kan.
Of door het water moet waden, waar een gevaarlijke stroming staat die je mee kan sleuren.
Er zijn heel wat dingen waar je je kind voor wilt bewaren:
Voor het gevaar thuis of onderweg, voor pijn die anderen kunnen aandoen, voor pesten.
Er kan heel wat in een leven gebeuren:
je kind kan ziek worden en behandelingen of operaties moeten ondergaan
en je zit er naast en je kunt er weinig aan doen, alleen maar toekijken en steunen.
Of je wordt zelf ziek en kunt er niet meer zijn voor je gezin zoals je zou willen.
Er kan een oorlog komen, of een slechte toekomst voor de kerk.
Ik denk dat elke ouder naast de dankbaarheid voor de komst van een kind
ook altijd wel de zorg heeft: wat komt er van mijn kind terecht?
In welke tijd groeit ze op? In welke wereld gaat hij verkeren?
Wat zullen ze allemaal meemaken?

Wanneer je door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, geen vlam zal u aansteken.
Dat is een garantie die geen enkele ouder aan zijn of haar kind zal geven.
Je kunt het wel zeggen: Ik zal er altijd voor je zijn. Ik sta altijd voor je klaar.
Ik zal je overal voor beschermen.
Dat kunnen wij niet waarmaken.
En dan is er God, die zich vanmorgen bij de doop aan deze kinderen verbond.
Als Vader, Zoon en Heilige Geest.
Wat er ook in je leven komt, het zal je nooit helemaal kapot kunnen maken,
Hoe diep je ook moet gaan, je zult er nooit aan onderdoor gaan.
Hoeveel littekens er ook komen op je huid of op je ziel.
Er zijn momenten waarop dit te stellig overkomt.
Als je man heel onverwacht overlijdt en je nog zoveel samen had willen meemaken,
als het leven van je vader abrupt voorbij is.
Of je zoon komt vertellen dat zijn huwelijk over is en weggaat bij zijn vrouw
als je te horen krijgt dat je een ingrijpende operatie moet ondergaan
of chemokuren en je weet niet of je er ook echt baat bij zult hebben.
Juist in de afgelopen weken was het nieuws vol met ongelukken en rampen:
Oss nog niet zo lang geleden, gisteren Sulawesi, een aanslag maar net voorkomen.
En toch zegt de HEERE: IK ben bij je, Ik zal je niet verlaten.
Ik sta aan je zijde, hoe diep je ook moet gaan, hoe erg je ook moet lijden, je bent niet alleen.
Als ouder heb je je kind heel wat uit te leggen over God, over geloof.
Ook moeilijke vragen, zoals waarom mensen ziek worden of sterven.
Waarom er zulke rampen en drama’s gebeuren.
Ik denk niet dat je daar een goed antwoord op kunt geven:
Alleen maar dat wat er ook gebeurt God je niet los laat.
Een van de commentaren die ik nalas bij dit gedeelte:
Hier in deze tekst in Jesaja 43 komt het fundamentele geloof van Israël weer boven.
Dit is God, zoals Israël de Heere leerde kennen:
Na tijdenlange onderdrukking in Egypte ging de deur open.
Na jarenlange deportatie mochten ze terug naar huis, naar hun eigen land.
Juist als je je vertwijfeld afvraagt of er wel een God is, dan is Hij er.
Geloof op het nulpunt. Als je niet verder kunt zakken, niet dieper kunt gaan.
Het dodenrijk, de hel – ook daar ben Ik, zegt de Heere en Ik zal je eruit leiden.
Het is geen garantie van een zorgeloos leven.
Dat heeft bijna niemand.
Bijna iedereen kan wel meespreken over zorg, of gemis, of teleurstelling.
En toch is deze belofte niet een lege belofte.
Het is hier een concrete belofte aan Israël dat de verwoestingen in het land
Israël niet helemaal van de kaart hebben geveegd en dat Israël niet helemaal kapot is,
ook al is het ernstig beschadigd door het oorlogsgeweld.
Ik zie hier ook iets in van de dopeling die aan het kruis van Christus wordt verbonden,
maar ook aan de opstanding van Christus.
Wat er ook in je leven komt, je valt niet uit Gods hand, maar voor eeuwig geborgen.
Zelfs de dood, waar je tegen op kunt kijken, krijgt je niet uit Gods hand.
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven.
Amen

Advertenties

Gerrit Immink over de preek -1

Gerrit Immink over de preek -1

In deze dagen ben ik bezig met het boek van Gerrit Immink, Over God gesproken. Preken in theorie en praktijk. Immink was tot voor kort hoogleraar Praktische Theologie aan de Protestantse Theologische Faculteit. Toen ik in Utrecht studeerde heb ik een aantal colleges bij hem gevolgd. Praktische theologie bestudeert de praktijk van geloven, van de  kerk en van de gelovige. Bij het bestuderen ervan kan op verschillende facetten gelet worden. Bijvoorbeeld: Hoe gebeurt het? Welke vormen en rituelen worden gebruikt? Wat doet het met de mensen die betrokken zijn? Op welke manier is God erin aanwezig?

9200000085931893

In zijn boek beschouwt Immink als een samenspel: een samenspel van God en mensen, van predikant en luisteraars. Preken heeft daarom altijd iets dubbels. Wie preken onderzoekt kan kijken naar de menselijke kant van de preek en ook naar de manier waarop God in en door de preek werkt. Vanuit mijn studie weet ik dat Immink zich graag bezighoudt met zowel de menselijke kant als de manier waarop God in en door de preek werkt. Ook in dit boek komt dat naar voren. Bij de menselijke kant kun je kijken of de preek als toespraak goed is voorbereid en opgebouwd en als toespraak goed wordt gehouden. Aandacht voor welsprekendheid is daarom van groot belang.

Over God gesproken
Over de manier waarop God in en door de preek werkt is Immink voorzichtig. De preek is niet bij voorbaat het woord van God. Immink zegt liever dat in de preek over God wordt gesproken. Daarom de titel: Over God gesproken. God is wel in staat om de preek te gebruiken als de manier waarop Hij tot mensen komt. God mag wel in de dienst verwacht worden, geeft Immink aan. De mensen die luisteren naar de preek, doen dat om meer over God te horen en geregeld ook om God te ervaren.

Luisteraar
In zijn boek heeft Immink niet alleen aandacht voor de predikant maar ook voor de luisteraar. De kerkganger is tijdens de preek niet passief. De luisteraar is meer dan een consument. Tijdens de preek luistert de kerkganger naar het betoog en betrekt de luisteraar wat hij of zij hoort op het eigen leven. De kerkganger maakt geregeld een eigen toepassing. Of de gedachten dwalen af. Soms door een enkel woord of een enkele zin. Dan denkt de luisteraar hierover na, omdat hij of zij daar vol van is. De ene luisteraar heeft liever een preek waarover nagedacht moet worden. De andere luisteraar hoort liever een preek waarin hij of zij innerlijk wordt geraakt. Het gehoor van een predikant is altijd divers. Tijdens het luisteren speelt ook altijd de situatie van de luisteraar en de gemeente mee.

Band
Voor het luisteren naar de preek kan een band tussen predikant en luisteraar behulpzaam zijn. Wanneer een predikant net op bezoek geweest is of betrokken is geweest bij de begrafenis van een geliefde, kan er anders naar de preek geluisterd worden dan wanneer er geen sterke band is. Voor een deel van de kerkgangers is het belangrijk om een band met de predikant te hebben om in de preek meegenomen te worden.

De vanzelfsprekendheden zijn verdwenen
Een predikant heeft er rekening mee te houden, dat niet iedereen goed thuis is in de Bijbel of goede kennis heeft van de christelijke leer. Er zijn gelovigen, die – zoals Immink dat noemt – religieus laaggeletterd zijn. In de preek kunnen zij toch kennis opdoen over God en over geloof. Door televisie, social media als Facebook en Twitter komt zo ontzettend veel informatie binnen, dat er een gevoel kan ontstaan de wereld niet meer te overzien. Er is dan sprake van desoriëntatie. Zeker voor de jongere generaties in de kerk geldt dat, die toch niet meer zo makkelijk kunnen terugvallen op vertrouwde wegen als de oudere generaties. De vanzelfsprekendheden als een christelijke school, het leren van een psalm, het hebben van gelovige voorbeelden kunnen verdwenen zijn. De preek kan helpen oudere en jongere gemeenteleden richting bieden.

Toe-eigening
In het boek zal ook aandacht zijn voor de toepassing. Immink spreekt liever van toe-eigening, omdat toepassing de suggestie kan wekken dat de boodschap kant-en-klaar kan worden toegepast. In de toe-eigening gaat het om de vraag: Wat heeft deze Bijbeltekst mij in het hier-en-nu te zeggen? In de preek gaat het daarom om de uitleg van de Bijbel en om het helpen van de gemeenteleden bij het toe-eigenen van de boodschap van dit gedeelte.

Volgende keer: verschillende visies op de preek in de Nederlandse kerkgeschiedenis.

N.a.v. Gerrit Immink, Over God gesproken. Preken in theorie en praktijk (Utrecht: Uitgeverij Boekencentrum, 2018), p. 9-30 (=hoofdstuk 1: De preek als godsdienstig samenspel)

Aansporing om trouw te blijven aan Christus

Aansporing om trouw te blijven aan Christus
Recensie van Klaus Bergers monumentale commentaar op Openbaring

Tussen Pasen en Pinksteren dit jaar had ik een prekenserie over het bijbelboek Openbaring gepland. In het kerkblad had ik deze serie aangekondigd en vermeld dat ik over gedeelten zou preken, waarover niet vaak gepreekt wordt. Ik kondig altijd in het kerkblad aan over welke gedeelten ik preek, maar nog nooit werd ik zo vaak op aangesproken door gemeenteleden als deze keer. Tijdens deze serie over Openbaring had ik meer gesprekken over de preek en het bijbelgedeelte dan anders. Blijkbaar fascineert dit bijbelboek heel wat gemeenteleden.

Een van de redenen om te preken over Openbaring was dat er in de laatste jaren goede commentaren op dit bijbelboek verschenen zijn. Een van die commentaren was geschreven door de Duitse nieuwtestamenticus Klaus Berger.

180px-KlausBerger
Klaus Berger (bron: Kathpedia)

Historisch-kritische en meditatieve exegese
Ik heb wel wat met Berger: altijd goed voor een een provocatieve stellingname, nogal eens te provocatief, maar wel op basis van grondige kennis van de tijd van de Bijbel. Berger begon als historisch-kritisch exegeet, werkte van 1970-1974 in Leiden en daarna tot 2006 in Heidelberg. Hij hield zich bezig met de vormen en de genres waarin teksten geschreven zijn en verdiepte zich met name in Joodse apocalyptische geschriften. Halverwege zijn loopbaan ontdekte hij de meditatieve exegese uit de Middeleeuwen, met name de cisterciënzer spiritualiteit. Vanaf die tijd combineerde hij in zijn werk de wetenschappelijke exegese met deze kloosterspiritualiteit.

die-apokalypse-des-johannes-kommentar-978-3-451-34779-5-49193

Vanwege deze combinatie was ik benieuwd naar zijn commentaar op Openbaring. Zijn commentaar, resultaat van 50 jaar intensief bezig zijn met dit bijbelboek en uitgegeven in 2 dikke delen, is inderdaad een combinatie. Vanuit zijn kennis van de Joodse apocalyptische geschriften weet hij steeds parallellen aan te dragen, die helpen om de opbouw en de gebruikte beelden in Openbaring te begrijpen.

266px-Johannes_op_Patmos_Jeroen_Bosch
Jheronimus Bosch – Johannes op Patmos

Joodse traditie, Paulus
Hij laat zien dat Openbaring volop in de Joodse traditie staat, maar dan wel een volop christelijk geschrift. In die tijd betekende dat echter geen tegenstelling. Berger, die zich ook altijd verdiept heeft in de verhouding tussen de verschillende stromingen binnen het Vroege Christendom en de geschriften van het Nieuwe Testament gaat uitgebreid in op de relatie tussen Openbaring en Paulus. Ze werkten immers in dezelfde tijd en in hetzelfde gebied. Volgens Berger zijn er wel verschillen, maar zijn de overeenkomsten groter. Het grootste verschil tussen hen beiden is, is dat Johannes preciezer is waar Paulus rekkelijker is.

Pastoraal
Volgens Berger is Openbaring niet een boek dat over de toekomst gaat, maar over het heden. Openbaring is een pastoraal geschrift om te gelovigen, die net tot bekering gekomen zijn, aan te sporen om trouw te blijven aan Christus. Hun geloof staat onder druk, onder andere vanwege het Romeinse imperium dat hen als een gevaar ziet, maar ook vanwege de vele verleidingen die er zijn om zich in hun levensstijl aan te passen aan de omgeving. Johannes doet die aansporing door middel van beelden over de toekomst. Die beelden over de toekomst zijn, net als de geschriften van de Profeten, bedoeld om de ogen van de gelovigen te openen voor de tijd waarin zij leven. Ze leven in een tijd waarin twee machten met elkaar strijden: God de schepper van hemel en aarde en de duivel die de macht van God op aarde heeft willen overnemen.

Diabolische triniteit
Voor de gelovige manifesteert de duivel zich in verleiding tot aanpassing en in de druk door de overheid. Johannes kan de gelovigen bemoedigen door erop te wijzen dat de duivel God alleen maar kan nabootsen. Het beest uit de afgrond en het beest uit de zee zijn slechts diabolische imitaties van God, die zijn Zoon en zijn Geest naar de aarde zond. Met die twee beesten vormt de duivel een diabolische triniteit. De troost is dat die dreiging en verleiding slechts tijdelijk is: deze wereld gaat voorbij en er komt een nieuwe wereld. Wie trouw blijft, wacht in de nieuwe wereld een beloning.
800px-B_Valladolid_93
Beatus van Liébana – De apocalyptische ruiters

Berger laat zien dat  vanwege deze aansporing om trouw te zijn en de bemoediging dat God alles in de hand heeft dit bijbelboek in de geschiedenis van de kerk altijd gelezen is als troostboek. Vooral in tijden waarin de kerk onder druk stond door vervolging of in tijden waarin de kerk corrumpeerde en een instituut van macht en rijkdom werd, werd dit boek gelezen. Voortdurend haalt Berger laat zien hoe bijvoorbeeld Mozarabische christenen, christenen die in Spanje van de 8e tot de 15e eeuw leefden onder de Moorse overheersing in hun liturgie teruggrepen op Openbaring. Denk bijvoorbeeld aan de illustraties van Beatus van Liébana.

800px-B_Facundus_191v
Beatus van Liébana – De aanbidding van het beest

Kritisch beeld van de kerk
Preken en commentaren uit de Middeleeuwen laten een kritisch beeld van de kerk zien. Deze liturgieën, preken en commentaren hielpen de gelovige om zich niet aan te passen, maar hoop te houden op een andere tijd die door God gegeven wordt. Als dat niet in de aardse geschiedenis zal zijn, dan in de hemel of na de Wederkomst. Het Duizendjarig Rijk uit Openbaring moet dan ook niet opgevat worden als iets dat nog moet komen, maar is laat een dubbel perspectief op het heden zien: aan de ene kant op aarde nog de werkelijkheid van de diabolische imitatie, aan de andere kant het geloof dat deze hele werkelijkheid in Gods hand is, omdat de boze reeds verslagen is. Hoe fel de boze zich nog uit en met welke manifestaties hij God imiteert, het einde van zijn macht is aangebroken. Door dit dubbele perspectief weet de gelovige in welke tijd hij leeft en leert hij om zijn ziel niet voor deze korte tijd aan de duivel te verkopen.

Goslar_42-X3
Replica van de Dom van Goslar

Ontmaskeren
Dit commentaar is opgedragen aan de herinnering van de Dom van Goslar, de geboorteplaats van Berger. Deze Dom uit de 11e eeuw werd in de 19e eeuw afgebroken om plaats te maken voor een kazerne. Deze kazerne stond er slechts 80 jaar. Berger ziet hierin dat gelovigen steeds in de verleiding staan om het werk van Christus te vervangen door macht die imponeert. Hoe men dat ook probeert en hoe die macht imponeert, die macht is slechts tijdelijk. Luisteren naar Openbaring helpt om die imponerende macht steeds weer te relativeren en te ontmaskeren.

N.a.v. Klaus Berger, Die Apokalypse des Johannes. 2 delen (Freiburg / Basel / Wenen: Herder Verlag, 2017).

Gepubliceerd in het Christelijk Weekblad van 21 september 2018

De hervormde traditie duikt steeds meer op in het debat over de multiculturele samenleving.

De hervormde traditie duikt steeds meer op in het debat over de multiculturele samenleving.

Tijdens een bijeenkomst waar ik was,  sprak voor iemand mij geheel onverwacht zijn steun uit voor de PVV. Met als argument: Als je als land en als kerk geen stelling neemt tegen de islam, hoef je niet meer na te denken over orthodox-zijn in deze tijd, omdat je doordat de islam over enige tijd ons land overgenomen heeft een orthodox-christelijk geloof niet meer mogelijk is. Op dat moment besefte ik: dit is een punt waarop ik de hervormde traditie niet begrijp, omdat ik een christelijk-gereformeerde achtergrond heb. Nu ik al een aantal jaar meedraai binnen de hervormde stroom van de Protestantse Kerk in Nederland, zie ik dat deze hervormde traditie steeds weer opduikt in het debat over de multiculturele samenleving en het migratievraagstuk. Grofweg gezegd gaat het hier om een clash tussen de oude christelijk-historische lijn en de anti-revolutionaire lijn.

Binnen de hervormde, christelijk-historische stroom ligt de nadruk op de eenheid van de gehele samenleving. Verschillen mogen niet leiden tot een breuk: je hoort bij elkaar en als christen zonder je je niet af van de samenleving door aparte organisaties op te richten. Als kerk ben je dienstbaar aan de hele samenleving. In deze hervormde traditie is er ook veel oog voor traditie: je komt ergens vandaan. Deze traditie is niet toevallig ontstaan, maar laat een band zien van God met ons land. Nederland is een christelijk land en de overheid is er om de christelijke identiteit te beschermen. Niet voor niets is er in deze traditie veel nagedacht over theocratie. Binnen deze traditie is er moeite is met de multiculturele samenleving, omdat de komst van niet-christelijke migranten de christelijke identiteit van Nederland ondergraaft.

De anti-revolutionaire stroming, begonnen in de 19e eeuw met voormannen als Guillaume Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper, verzette zich tegen de eenheid in de samenleving, die gestalte kreeg volgens verlichte idealen, die in godsdienstig opzicht neutraal zouden zijn. De anti-revolutionairen stelden dat geen enkele levensbeschouwing neutraal is, maar altijd uit een bepaalde vorm van geloof voortkomt. De overheid is niet bevoegd om uit te spreken welke geloofsovertuiging de juiste is. De overheid kan slechts faciliteren.  Deze stroming is altijd een minderheid geweest, die de eigen plek heeft moeten bevechten binnen de kerk en de politiek. Omdat het geloof op alle terreinen zeggenschap heeft, wordt dit politiek uitgewerkt in een christelijke partij, die voortkomt uit de gereformeerde levensbeschouwing.
Daarom kan iemand uit de anti-revolutionaire traditie zich er zich druk over maken als  partijen als de PVV of FvD, zich opwerpen als beschermers van de christelijke traditie. Er mogen dan overeenkomsten zijn in concrete beleidskeuzes, deze partijen komen uit een andere levensbeschouwing. Binnen de christelijk-historische traditie is het niet vreemd om de keuze voor een partij als PVV of FvD te combineren met actieve kerkgang, zoals in het verleden ook nogal wat hervormden van de VVD waren. Men heeft daar altijd beseft dat het christendom ook buiten de kerk werd gewaardeerd door cultuurchristenen.

Als anti-revolutionairen iets willen bereiken kan er ook gekozen worden voor bondgenoten die niet voor de hand liggen. In de afgelopen decennia is er gekeken hoe moslims bondgenoten kunnen zijn. Wie zelf ruimte nodig heeft voor de eigen geloofsovertuiging, omdat geloof niet alleen maar een gedachte is maar het hele leven bepaalt, weet dat iemand van een ander geloof dat ook nodig heeft.

Juist het verschil in visie op de identiteit van Nederland en op de rol van de overheid zorgt voor een scherp debat. Het maakt voor het denken over de multiculturele samenleving uit of Nederland een christelijk land is of dat Nederland een land met een diversiteit aan geloofsbelevingen. Wie uit de (neo)calvinistische levensbeschouwing komt, zal eerder de multiculturele samenleving als feit accepteren, omdat hij zichzelf al een levensbeschouwelijke minderheid wist voor de komst van de multiculturele samenleving. Wie uit de hervormde traditie komt, zal daar meer moeite mee hebben, omdat deze multiculturele samenleving het moeilijker maakt om Nederland als christelijk land te beschouwen.
De veranderde samenleving legt vragen op tafel voor beide tradities. Welke uitdagingen geeft God door middel van de multiculturele samenleving aan kerken en christenen en hun positie in de samenleving? Is het mogelijk om een land een christelijke identiteit en geschiedenis te geven? Hoeveel eenheid is er nodig voor een samenleving en wanneer wordt eenheid een ideologie? Hoe neem je als (christelijke) minderheid verantwoordelijkheid voor de samenleving als geheel? Welke ruimte kunnen we bieden aan niet-christelijke gemeenschappen en wat is de rol van de overheid daarin? Welke verantwoordelijkheid hebben we voor degenen die deze veranderingen niet mee kunnen maken?

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad van 21 september 2018

Preek zondagavond 9 september 2018

Preek zondagavond 9 september 2018
Nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hebt u zichzelf wel eens als heilige gezien?
Ik denk dat niemand zo over zichzelf denkt,
ook niet degenen die vanmorgen aan het avondmaal zijn aangegaan.
Of misschien u juist dan niet, omdat u uzelf zondaar weet
en de genade van Christus nodig hebt, vergeving van zonden.
Als ik zou vragen of u uzelf als zondaar ziet,
dan zou het antwoord eerder instemmend zijn,
of omdat u dat herkent bij uzelf,
of omdat u dat zo vaak gehoord hebt dat u dat bent, dat u dat met moet geloven.

Paulus spreekt de gemeente in Korinthe wel zo aan:
De gemeente is gemeente van God,
dus niet zomaar een groep mensen, maar een groep bij elkaar gebracht door God,
waarin Hij met Zijn Geest werkt, vrijgekocht door het bloed van Christus,
apart gezet om voor Hem te leven.
Een gemeente van mensen die niet van zichzelf zijn, maar van God.
Een gemeente van heiligen – aan de heiligen in Achaje.
Kun je dat wel van een gemeente zeggen,
van de gemeente van toen in Korinthe en van Oldebroek nu,
een gemeente van God, heiligen in Achaje, in de omgeving van Oldebroek?
Zijn er niet onder ons die te weinig serieus geloven en er te weinig werk van maken?
In het verleden lag het ook gevoelig.
Toen ds. Noordegraaf hier in de jaren-’60 predikant werd,
kreeg hij ook met kritiek te maken toen hij zijn preek begon met: ‘Gemeente van Christus’.
Ad rem als hij altijd was, zei hij: ‘Ik kan toch moeilijk zeggen: “Gemeente des duivels”?’
De gemeente aanspreken als gemeente van God, of als gemeente van Christus
is een lofzang – niet zozeer op de gemeente zelf, maar op God,
de God die deze gemeente uitgekozen heeft, bij elkaar gebracht heeft en onderhoudt.
Wat de gemeente is, dat heeft de gemeente alleen maar aan God te danken,
de Vader van alle barmhartigheid, de God van alle vertroosting,
de Vader van onze Heere Jezus Christus.
Als u als gemeente van Christus aangesproken wordt,
is dat allereerst een dank aan de Heere:
Dank U, dat U Uw Zoon naar deze wereld zond, de dood in, om onze schuld te dragen.
Dank U wel, dat U hebt bent, die ons bij elkaar brengt
naar ons toe komt en ons aanspreekt, in ons midden wil zijn, onze God! mijn Vader!
Als de gemeente aangesproken wordt als gemeente van onze Heere Jezus Christus,
dan is dat ook een herinnering aan wat u bent, hoe jij hier zit.
Je bent hier, omdat God in je leven werkt, omdat Christus voor jou gestorven is,
omdat de Heilige Geest met jou bezig is, om in jouw hart te werken,
zodat jij ook gaat geloven in God, zodat je ook gaat beseffen: Ik hoor bij Hem.
Om zichtbaar te maken dat we gemeente van Christus zijn, wordt het avondmaal gevierd.
De tafel voor in de kerk een gewone tafel met gewone lakens er op,
wel met bijzondere schalen en bijzondere bekers,
en tegelijkertijd is het de tafel van Christus,
De koster heeft alles klaar gezet en toch: Christus is de gastheer.
Hij is aanwezig, Hij nodigt u, Hij reikt aan jou het brood aan en de wijn krijg je van Hem.
Met brood en wijn geeft Hij zichzelf: als herinnering aan wat Hij deed op Golgotha,
maar ook als bevestiging dat je nog steeds van Hem bent,
ondanks je fouten en tekortschieten, dat Hij je niet loslaat, al maak je er weinig van.
Hij reinigt je en begint met jou opnieuw.
Daarom: gemeente van God, daarom: heilig.
Je bent heilig.

Dat is niet om je een extra status te geven,
maar is bedoeld om je te laten weten: God is met je bezig.
Hij verandert je. Hij vergeeft en reinigt je van je zonden.
Heilig betekent: de Geest is in jou aan het werk, met jou aan de slag.
Heilig, dat betekent, zoals het avondmaalsformulier dat zegt,
dat je de waardigheid die je nodig hebt om bij Christus te komen aan tafel,
dat je die waardigheid ontvangt.
Die hebben we niet van onszelf.
Naar het avondmaal gaan is niet laten zien, hoe goed je het doet als gelovige,
nee, dat we daar kunnen zitten hebben we alleen aan Hem te danken.
We krijgen die waardigheid geschonken om het brood te mogen eten
en de wijn te kunnen drinken.
Als u vanmorgen niet kon aangaan, moet u dat eens voor uzelf bedenken.
De plek daar aan de tafel en de mogelijkheid om aan te gaan,
wordt u door Christus zelf aangeboden. Het is voor u betaald!
Maar misschien hebt u in de bank gezeten en gekeken en in uw hart meegedaan.
Of hebt u thuis bij de kerkradio de dienst gevolgd.
Soms hoor ik dat thuis op een eigen manier avondmaal meegevierd wordt.
De waardigheid om het avondmaal te vieren gaat niet pas in werking
als u naar voren loopt en aan de tafel aanschuift en brood pakt en wijn drinkt.
Nee, de waardigheid is er omdat Christus zichzelf gegeven heeft.
Vanaf het kruis op Golgotha stond wordt de waardigheid aangeboden.
U hoeft er alleen maar gebruik van te maken.
De enige voorwaarde is, dat u gelooft dat het ook voor u is,
maar dat betekent niets anders dan de waardigheid aannemen,
dat betekent niets anders dan u zichzelf door Christus met heiligheid te bekleden,
dat is niets anders dan accepteren dat de Geest ook met jou aan de slag is.

De gemeente waar Paulus aan schreef, daar in de havenstad Korinthe,
was echt niet de ideale gemeente, zodat ze van zichzelf konden zeggen
wij zijn nu echt het voorbeeld van hoe een gemeente van Christus moet zijn,
nee, ik denk dat ze zelf ook wel verbaasd waren dat Paulus hen aansprak
als gemeente van God, gemeenschap van heiligen.
Want ze hadden van Paulus gehoord dat er nogal wat aan te merken was
op hun geloof, te weinig vertrouwen in de opstanding van Christus.
op hun levenswandel, onder andere doordat een gemeentelid een relatie onderhield
die binnen een gemeente van God niet te accepteren was.
op hun omgang met elkaar, waar de liefde soms ver te zoeken was.
En toch: gemeente van God. En toch: heiligen in Achaje.
Dat bent u als gemeente en als gelovige ook: van God en heilig.
Niet om uzelf op de borst te kloppen: dat hebben we nu zelf bereikt,
nee: het is gegeven, niet omdat u, jij of ik daar recht op heb, niet zelf verdiend,
maar omdat Christus aan het kruis ging en onze schuld droeg
en het goed gemaakt is – verzoend met God: de breuk die er was, is geheeld.
Je bent weer van God en omdat God heilig is, wordt je ook weer heilig – heilig gemaakt.
Dat is een van de weldaden, waar het formulier over spreekt: gerechtigheid.
We ontvangen de gerechtigheid, die van Christus is.
Al blijft dat hier op aarde een proces, een werk dat nooit af is.
Zolang we hier op aarde zijn, heeft de Geest aan ons werk
om ons heilig te maken en heilig te houden.
Als ons leven op aarde voorbij is, dan leggen we het aardse leven af
En ontvangen we een nieuw lichaam, een eeuwig lichaam, verheerlijkt,
bekleed met de heerlijkheid die Christus heeft en van Christus komt.
Ook weer zo’n weldaad van Christus, waar het formulier over spreekt.

 

Zover is het nog niet.
Moet je al verlangen naar een leven in heerlijkheid?
In de brief aan de Filippenzen schrijft Paulus: als ik leef, leef ik voor Christus,
en als ik sterf ga ik er alleen maar op vooruit, dat is voor mij winst.
Hij zou daar al willen zijn, daar bij Christus in Zijn heerlijkheid,
maar beseft dat hij dan de gemeente op aarde moet achterlaten
en zolang hij op aarde is, kan hij de gemeente dienen, het geloof versterken, bemoedigen.


Zo’n sterk geloof heeft Paulus niet altijd gehad.
In de verzen die we leven, kunnen we opmaken dat Paulus door een diepe crisis is gegaan.
We baden vanmorgen, voordat we het avondmaal vierden:
Schenk ons ook Uw genade dat wij getroost ons kruis op ons nemen

Als we ons kruis hebben te dragen, dan hebben we die troost nodig.
Alleen kunnen we het niet.
Voor de een is kruis dat gedragen moet worden dat je ziek geworden bent,
voor een ander ruzie en verdeeldheid binnen het gezin,
of de zorg die je hebt voor je man of vrouw,
Kruis dragen is een weg die God met je gaat, die je niet begrijpt en die veel kost,
een weg die je alleen met Gods kracht kunt gaan,
getroost door de Vader, de God van alle vertroosting.
In mijn jeugd hoorde ik een keer een preek, volgens mij ook over deze brief.
Het thema was: Maximaal laadvermogen.
En de preek ging erover, dat de Heere nooit een last op je legt die je niet kan dragen.
Hij overbelast je niet. Hij overvraagt je niet.
Paulus zal dat, na de ervaring die hij heeft gehad, niet meer nazeggen.
Hij overzag het niet meer. Hij dacht dat hij het niet meer zou overleven.
Hij kon het niet meer aan en al het vertrouwen dat hij had was hij kwijt.
Het is niet helemaal duidelijk of Paulus hier verwijst
naar een van de keren dat hij in de gevangenis zat
en dacht dat het vonnis uitgesproken was en dat hij ter dood veroordeeld was,
of dat we moeten denken aan een ingrijpende ziekte, die hij maar net overleefde.
Toen hij weer verder mocht leven, uit de gevangenis kwam of herstelde van zijn ziekte,
ontdekte hij dat hij gedragen was.
Hij mocht weer verder leven: leven in genadetijd.
Hij was als het ware uit de dood opgestaan
en dat hij weer mocht verder leven, dat de Heere met hem verder wilde,
heeft hem iets geleerd en dat heeft hem enorm in zijn geloof gesterkt:
God wekt de doden op.
Al had ik het niet overleefd, ik was in goede handen,
dan zal mijn toekomst alleen maar beter zijn.
Ik hoor dat familieleden nog wel eens zeggen, als ze waken
bij hun man of vrouw, bij hun vader of moeder: hij, zij kan er alleen maar op vooruitgaan.
Als mijn vader beter wordt, is dat een zegen van de Heere, tijd die geschonken wordt,
maar als hij het niet haalt, als zijn tijd is aangebroken om te gaan,
dan gaat hij naar een plek waar het beter is dan hier, waar geen pijn is, geen verdriet,
bovenal waar de Heere is.
Wat hij geleerd heeft, geeft Paulus aan de gemeente door:
We moeten leren om ons leven uit handen geven.
Dat Jezus is gestorven aan het kruis en daarna uit het graf is gekomen,
dat is niet alleen maar een mooi verhaal,
maar dat zegt ook iets over onszelf.
In de brief aan de gemeente in Rome, die hij waarschijnlijk later schreef,
Zal hij geloven ook omschrijven als sterven met Christus en opstaan met Hem.
We zijn verbonden met Christus.
Als je als gelovige het moeilijk hebt, een kruis hebt te dragen,
verbindt je dat met de Heere Jezus die ook een kruis droeg.
Kruis dragen betekent niet dat God je losgelaten heeft.
Dat je het allemaal niet meer begrijpt en dat je niets meer van God hoort,
dat betekent nog niet dat de Heere Zich terug getrokken heeft.
Het kan ook zijn dat Hij je wil leren om echt op Hem te vertrouwen,
om je leven in Zijn hand te leggen,
dat je zegt: wat er ook komt – mijn leven is in goede handen.
Als ik er morgen niet meer ben, dan hoef ik niet bang te zijn,
hoef ik niet in paniek te raken en te denken dat ik heel wat zal mislopen.
God wekt de doden op.
De dood is voor ons een macht waar we niet tegen op kunnen,
waar je ook bang voor mag zijn, het is de laatste vijand,
maar je mag ook weten dat die laatste vijand verslagen is door Christus.
Er is er Eén die bestuurt.
Paulus past dat ook toe op de gemeente: je kunt als gemeente een moeilijke tijd doormaken.
Een tijd met veel overlijdens, of een tijd waarin mensen afhaken,
een tijd waarin je weinig ambtsdragers kunt vinden en weinig vrijwilligers beschikbaar zijn,
dat het allemaal doods is, dat je verlangt naar een opleving
maar dat je het niet meer verwacht van deze gemeente, omdat het leven helemaal weg is.
Vertrouw niet op je eigen kracht, verwacht het ook niet van mensen,
maar vertrouw op de Heere, geloof dat Hij de doden opwekt
en ook een doodse gemeente tot leven kan wekken.

Het kan zijn dat je nu geen kruis te dragen hebt.
Wat heeft dit gedeelte je dan te zeggen?
Dat je je voorbereid bent voor het moment dat de tegenslag, de crisis wel komt.
Laat je je daar niet door overvallen.
In de vorige gemeente zat een jongen bij de marine.
Hij werd voorbereid op een oorlog, om dan als soldaat ons land te verdedigen.
Dan was hij weer een aantal weken niet in de kerk en op catechisatie
en vertelde hijzelf of zijn moeder dat hij naar Noorwegen was voor oefening.
Oefenen in de kou, om te leren om in moeilijke omstandigheden paraat te zijn
en de opdracht te kunnen uitvoeren.
Zo moeten we als christen ook voorbereid zijn,
je in een goede tijd voorbereiden op de tijd dat je geloof onder druk komt te staan.
Steeds vaker ging deze jongen op training en steeds zwaarder werd de opleiding.
Hij wilde een training gaan doen die nog specialer zou zijn
dan de trainig voor marinier al was.
Hij kreeg echter een ongeluk waarbij zijn duim verbrijzeld werd.
De nog zwaardere training mocht hij niet meer doen
en hij moest binnen defensie zelfs naar een andere functie omkijken
en liet zich omscholen en ging de medische tak in.
Wij kunnen ons voorbereiden, maar als de crisis komt, als aan ons geloof geschud wordt,
kan het zijn dat ondanks al je voorbereidingen je toch onderuit gaat.
Dan worden we niet afgekeurd of afgedankt.
Hij weet wat maaksel we zijn, dat we stof zijn – zongen we vanmorgen.
God vraagt van ons niet dat we helden zijn, die boven onszelf uitstijgen
En meer kunnen leveren dan we van tevoren hadden gedacht.
Nee, Hij vraagt geen helden.
Alleen gelovigen die bereid zijn zich te laten troosten, die de troost aannemen,
die niet naar zichzelf kijken en hun eigen kracht of zwakheid,
maar alleen maar kunnen denken aan Christus
en die daaraan genoeg hebben
en weten: Hij is niet alleen gestorven voor mij, maar ook voor mij opgewekt.
Wat er ook met mij gebeurt – Hij zal ook mij opwekken.
Of dat nu overeind helpen is als je na een crisis onderuit gaat
of overeind helpen uit het graf. Gij geeft ons vrede, vergeving van zonden,en uw nabijheid, die sterkt en die leidt: Kracht voor vandaag, blijde hoop voor de toekomst. Gij geeft het leven tot in eeuwigheid.Amen

Volkskerk en multiculturele samenleving

Volkskerk en multiculturele samenleving

Sinds in predikant ben, heb ik de gedachte van de volkskerk leren kennen. Hoewel ik opgevoed in een heel andere kerkelijke traditie en het mij moeite gekost heeft om de gedachte van de volkskerk echt te leren kennen, heb ik deze traditie wel leren waarderen. Daarom verdedig ik deze vorm van kerk-zijn als een mooie vorm van kerkzijn, ook in een multiculturele samenleving.

Als ik pleit voor de volkskerk, zijn er altijd gelijk twee reacties: (1) de volkskerk is gelukkig een achterhaald model en wie daaraan vasthoudt is onverantwoord romantisch bezig, (2) de volkskerk past niet in een multiculturele samenleving of wie pleit voor de volkskerk heeft de multiculturele samenleving in wezen niet geaccepteerd.

Sporen
Ik kan alleen maar zeggen hoe ik er zelf in zit. Zoals ik al aangaf: ik kom niet uit deze traditie en had er weinig over gelezen voor ik predikant werd. Mijn reden om PKN te worden was een pragmatische én oecumenische, niet persé vanwege de volkskerk. Als predikant leerde ik de volkskerk wel kennen én waarderen. Niet alleen in Oldebroek, maar ook in Ilpendam in het best seculiere Noord-Holland kwam ik ook nog (sporen van) de volkskerk tegen. Maar Oldebroek is in die zin ook weer niet uniek. In delen van Gelderland / Overijssel / Friesland is deze manier van kerkzijn nog te vinden.

Incarnationeel
Voor mij is de kerk een van de vormen van incarnationeel gemeentezijn. Incarnationeel betekent: zijn waar de mensen zijn. Dit staat tegenover het model van de attractionele gemeente: je probeert aantrekkelijk te zijn, zodat mensen naar jou toekomen. Als vorm van incarnationeel gemeentezijn is de gedachte van de volkskerk in die zin weinig anders dan een pioniersplek met dezelfde gedachte. De volkskerk heeft wel een aantal voordelen: bestaande structuren, een lokale geschiedenis en lokale verworteling. De volkskerk is niet de enig mogelijke vorm, maar een vorm die op bepaalde plekken ook echt nog wel werkt en uit eigen ervaring in Noord-Holland: ook buiten de Biblebelt. Dat is geen romantiek of nostalgie, maar ervaring die mij verbaasde.

Betrokkenheid op de lokale mensen
Volkskerk is voor mij de principiële keus voor betrokkenheid op de wijk of het dorp waar je woont. Anderen kunnen lid worden, maar de principiële aandacht ligt bij de lokale gemeenschap. Praktische gevolgen: liefst elke zondag een eredienst in dit dorp,
liefst zoveel mogelijk ambtsdragers uit het dorp / de wijk, die het dorp of de wijk kennen en hun connecties hebben. De kinderen op dezelfde school, op dezelfde voetbalclub. Niet openlijk kiezen voor een politieke partij en zeker geen christelijke. Zo lijkt het op een gemeentestichting of pioniersplek. Verschil is echter de ontstaansgeschiedenis. De kerk en de gemeente maken al een eeuw, soms langer, deel uit van dit dorp of deze wijk. De kerk en dorp / wijk horen bij elkaar. Niet alleen voor de kerk. Ook voor de mensen.

Een kerk verwachten die bij je past
Wat voor mij verrassend was, was dat de volkskerkgedachte niet meer bij de kerkenraad aanwezig was, die vaak uit andere plaatsen kwam, maar nog wel bij de inwoners van het dorp. Zij verwachtten de kerk op een manier die bij hen paste. Deze mensen hoorden voor hun gevoel bij deze kerk. Enkele jaren voor mijn komst was een grote actie geweest om leden te vragen of ze uitgeschreven wilden worden. Bijna niemand wilde dat. Zij hoorden bij deze kerk. Zij beschouwden zich ook als christen. Zij haken af als er mensen uit andere plekken dominant worden binnen deze kerk en gaan de kerk met meer wantrouwen bejegenen. En toch, het blijft hun kerk. Hier wordt voor hen geloofd en gebeden. Een dorp moet én een café én een kerk hebben, hoorde ik vaak. De kerk is toch ergens de ziel van het dorp, of de hoeder van de ziel van de wijk. De gaven voor de kerk vanwege hun betrokkenheid op hun dorp of wijk.

Lange termijn
Deze mensen zijn vaak terughoudend naar de kerk toe, omdat ze willen weten of de kerk echt om hen geeft. Een predikant in een wijk of op een dorp moet niet na 4 jaar al weg, maar kiezen voor de lange termijn: 12 jaar of langer. En dan uit overtuiging kiezen voor dit dorp of deze wijk. Eén van hen worden. Missionair zijn op een dorp is daarom moeilijker dan in een stad, omdat er veel meer dan in een stad de lange adem nodig is. Mensen komen pas als ze weten, dat je echt om hen geeft en dat weten ze pas als je er echt een van hen wordt. Ik vermoed dat het in een oude stadswijk niet anders is. Daar heb ik echter geen ervaring mee.

Contact kwijt geraakt
Op veel plekken is de kerk met deze mensen het contact kwijt geraakt. Om verschillende redenen: te weinig menskracht, schaalvergroting waardoor de kerk het dorp uit ging (maar deze mensen niet mee gingen), botsing over politieke voorkeuren (zoals PVV-mentaliteit). Dit zijn de mensen die voor hun gevoel bij de kerk horen, maar de veranderingen niet mee maakten. Zijn nog steeds hervormd en hebben vaak weinig met PKN. Wat ze willen: af en toe een bezoek, met een jubileum bijvoorbeeld, begeleiding rondom sterven / begrafenis.

Problematisch
De term volkskerk is achteraf gezien problematisch. Vooral vanwege de term ‘volk’. Kerk voor allen in deze wijk of dit dorp had ook gekund. Zelf vat ik ‘volk’ in volkskerk op als de totale lokale gemeenschap. Volkskerk maakt geen selectie in doelgroepen, tenzij de de totale lokale bevolking van dit dorp en deze wijk als doelgroep beschouwt. Bij het loslaten van de term volkskerk raak je een van de kernpunten uit het oog: de lange historische verworteling. Net als bij elke erfenis geeft dat voordelen én nadelen.

Opwaarderen
Die verworteling wordt nogal eens theologisch opgewaardeerd. Dan is deze kerk een planting Gods, waarbij andersoortige kerken er eigenlijk niet zouden mogen zijn. Ook wordt deze visie politiek opgewaardeerd met theocratie (Van Ruler, Jvd Graaf, vrienden van Kohlbrugge). Deze theologische en politieke opwaardering maak ik niet mee. Ik zie het als een vorm van ketterij waarin er te weinig onderscheid gemaakt wordt tussen de nationale identiteit en de christelijke identiteit van een gelovige. Maar het zaad van een nationaal-religieuze identiteit is gezaaid in de afgelopen eeuwen en ontkiemd nog.  Het is teveel een ideologie, waarbij haast in dienst van de eenheid van de lokale gemeenschap wordt geplaatst. Die eenheid is er vaak, maar dan bij slechts een deel. Er is nauwelijks oog voor wie er buiten valt.

Eenheid niet kunnen meemaken
Het lastige voor denkers in de volkskerk-traditie is niet de seculiere omgeving. Want ook dan kun je volkskerk zijn. Het is niet alleen maar dorpsmatig. Het kan ook in de stad.( Zie P.L. deJong in “Sores en zegen” die er juist weer voor pleit.) Hét lastige voor volkskerk-denkers is degenen die om inhoudelijke reden de eenheid niet mee kunnen maken, zoals de kleinere reformatorische kerken, evangelisch en pinkster. Gelukkig heeft de PKN officieel een andere kerkvisie.

Afscheid
Is deze visie niet een romantische hang naar een ideaal verleden, dat nooit heeft bestaan? De leiding van lokale gemeenten en de leiding van de PKN heeft – vaak onuitgesproken – fscheid genomen van de volkskerk en zeker van de theologische en politieke opwaardering. Alleen lokaal wordt deze impliciet doorgegeven. Dat wreekt zich nu in het debat over de multiculturele samenleving. Veel voormalige hervormden gaan nog uit van een eenheid van de samenleving, die door God gegeven is. Zij voelen zich in de kou staan door hun kerk en hun partij. Het zijn de mensen die heel wat te verstouwen hebben gehad in economische neergang, aan verlies van verworteling (schaalvergroting van gemeenten), verlies van gemeenschap, omdat door import de wijk of het dorp van karakter verandert. De kerk die wegtrekt.

Zwart schaap
De multiculturele samenleving is een makkelijk zwart schaap. Niet omdat ze racistischer zijn (zelfs niet als ze voor zwarte piet zijn), maar omdat ze zien dat ze anders behandeld worden dan anderen. Terwijl zij al jaren wachten op een starterswoning of huurwoning krijgen nieuwkomers vrij snel in hun ogen een huis toegewezen. Ze krijgen opstartgeld, terwijl bezuinigd wordt op hun uitkering, op hun PGB, op hun huishoudelijke hulp. De nieuwkomers kunnen ze niet spreken door taalbarrière en andere culturele gewoonten.

Nostalgie?
Is het nostalgie om te verlangen naar een andere situatie? Dan net zoals de mensen in rouw die ik tegenkom, die verlangen naar de tijd van voor het gemis. Naar toen ze de wereld nog begrepen, de buren er nog voor hen waren, de overheid hen niet in de steek liet.
De enige manier om gehoord te worden, is via het stembriefje of door openlijk sympathie uit de spreken voor PVV, voor zwarte piet. Blijkbaar moet je provoceren om gehoord te worden, want anders wordt er niet geluisterd. Natuurlijk, er is geen weg terug. (Ik heb nu geen enkele moeite meer met de multiculturele samenleving, maar dat heeft wel even geduurd.) Maar in de vorming van de multiculturele samenleving zijn ‘we’ hele bevolkingsgroepen kwijtgeraakt.
De multiculturele samenleving nu vraagt nogal wat aan herziening van de eigen tradities: afscheid van de verweving nationale identiteit en geloof, afscheid van de ideologie van de samenleving als eenheid, bewust onderdeel zijn van je lokale omgeving.


Niet alleen de Biblebelt

Vaak wordt gedacht dat de volkskerk vooral op de Biblebelt voorkomt in plaatsen met hoge kerkelijkheid. Dat ligt veel genuanceerder. Volkskerk wordt namelijk niet bepaald door het aantal leden of de omvang maar door de principiële keuze voor de mensen van de lokale gemeenschap. Waarom je in de Biblebelt kunt spreken over volkskerk is niet dat het beleid van de kerkelijke gemeente op de lokale gemeenschap is gericht (vaak is dat juist niet zo!), maar dat de volkskerk nog leeft bij de randleden of afgehaakte mensen. Op de Biblebelt staat de volkskerk juist onder druk omdat veel (wijk)gemeenten kiezen voor een bepaalde identiteit, waarbij men eerder kijkt naar andere wijken of kerken dan naar de lokale gemeenschap. Vaak is er een tegengestelde visie op levensstijl.

Missionaire visie
In Nederland is er een specifieke visie op de volkskerk, waarin de volkskerk gekoppeld wordt aan de christelijke identiteit van Nederland en aan theocratisch denken. Die koppeling is niet wezenlijk.Wij zijn niet de enigen die nagedacht hebben over de volkskerk. Mijn invulling haal ik bij de oosterburen: Christian Möller, Manfred Seitz, Eberhard Winkler. Michael Herbst van het  Institut für Evangelisation un Gemeindeaufbau promoveerde op een missionaire volkskerk. In Duitsland is het concept van volkskerk nog steeds niet achterhaald. Wel is er kruisbestuiving met de Angelsaksische concepten van mission-shaped en Willow Creek bij het Institut für Evangelisation un Gemeindeaufbau. Ze kunnen elkaar verder helpen. volkskerk kan op verschillende manieren gedefinieerd worden. Die nationale invulling is niet noodzakelijk. Voor mij is het niet het enige model van kerk-zijn. Wel een model dat heel vruchtbaar is. Voor mij wegen de voordelen op tegen de nadelen. Grootste nadeel vind ik het gebruik van ‘volk’. Maar omdat het een ouder concept is, zou ik toch nog even vast willen houden aan de term.

Preek zondagavond 2 september 2018

Preek zondagavond 2 september 2018
Schriftlezing: Jesaja 40:12-31
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een oma maakt zich zorgen over haar kleinkinderen,
omdat ze niet meer naar de kerk gaan en weinig meer aan het geloof doen.
Ze zegt: ‘Mijn kleinkinderen hebben het te goed. Ze hebben God niet nodig.
EIgenlijk hebben ze het nodig dat het eens niet voor de wind gaat, dat het tegen zit.
Dan zullen ze merken dat ze God wel nodig hebben!’

Zou het?
Klopt het wat deze oma zegt, dat een crisis je dichter bij God brengt?
Ik begrijp het wel hoe het komt dat deze oma er zo over denkt.
Ze is zelf opgegroeid in een tijd waarin er heel weinig was,
Er werd hard gewerkt en weinig verdiend
En het weinige dat er was, werd gebruikt om het gezin te onderhouden.
Ze zal zelf als kind in die tijd tot de Heere gebeden hebben,
Dat Hij zal zorgen voor eten, voor werk, voor gezondheid
en ze zal het dankbaar als zegen ervaren hebben dat ze het zelf beter had
en dat haar eigen kinderen niet de armoede kenden die ze zelf had.

Dat een ingrijpende crisis je niet gelijk bij de Heere brengt, kunnen we zien bij het volk Israël:
Mijn weg is voor de Heere verborgen.
Dat is niet zomaar een klacht dat de Heere hen uit het oog verloren is,
maar de klacht dat God Zijn eigen volk de rug toegekeerd heeft
en niets meer met hen te maken wil hebben.
God heeft ons verstoten, zegt het volk, want dat zien we aan wat ons overkomt.
Wat hebben wij aan God? Hij heeft ons laten zitten, juist nu wij Hem zo nodig hebben!
Hier bij het volk Israël zorgt de tegenslag en de crisis er niet voor
dat ze God waren kwijtgeraakt en dat ze Hem weer moeten opzoeken,
maar is er verbittering gekomen, teleurstelling in God.
Waar bent U, nu we U zo nodig hebben?
Je hebt mensen, die als ze een konijn of een hond hebben
en daarvan af willen die niet naar een asiel brengen maar meenemen naar het bos
En daar in het bos hun konijn of hun hond achterlaten.
Of dat konijn of die hond dat niet overleeft, is hun zorg niet. Zij zijn er vanaf.
Zo voelt Israël zich: gedumpt door God, aan hun lot overgelaten.

Wat is er aan de hand?
Aan de woorden die hier gebruikt worden, kunnen we denken aan de ballingschap.
Het volk is niet meer in Kanaän, maar onder dwang weggevoerd naar Babel,
een vreemd en ver land, een trots land,
dat ook in alles laat merken dat het succes aan hun kant ligt.
Tegen hun goden is niemand opgewassen, ook de God van Israël niet.
Israël is maar een volk van stumperds, met een God van niks.
En bovenop het bittere gevoel dat ze door de Heere in de steek zijn gelaten
komt nog de vernedering van de Babyloniërs.
Op de middelbare school had ik een jongen in de klas, die wat merkwaardig was:
hij viel op, dikke brillenglazen, liep wat sloffend door de gangen,
als hij schreef kon je dat bijna niet lezen,
en hij had ook nog eens de pech dat hij klein was.
Het gebeurde wel dat oudejaars zijn tas te pakken kregen
en zijn tas neerlegden op een plek waar hij niet bij kon.
Hij moest wachten tot ze zijn tas teruggaven of tot ze weg waren
en een ander zijn tas kon teruggeven.
Zo voelde het volk Israël zich klein tussen de mensen van Babylon,
die hen op allerlei manieren lieten weten dat ze maar stumperds waren,
die nooit zo sterk en groot en succesvol konden zijn als zij.
Samen met hun goden stonden ze aan de top van de wereld.
Zij bepaalden hoe het er in deze wereld aan toe gaat. Zij hebben de touwtjes in handen.
Door die houding heen heeft hun geloof een extra knauw gekregen.
Israël bestaat nog wel, maar nog even, dan is het voorbij
Wanneer de wind zich over ’t land laat horen,

Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren;

Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.


Dan komt deze profeet: Waarom zeggen jullie dat eigenlijk?
Hoe komt er bij jullie zo’n negatieve stemming?
Heb je niet door dat het zelfbeklag is, dat je jezelf zielig vindt?
Weet je het dan niet?
Met zijn woorden wil de profeet het volk wakker schudden:
doe je ogen open en kijk om je heen!
Nou, dat is wat het volk juist steeds gedaan heeft: om zich heen kijken
en ze werden er alleen maar moedeloos van.
Onderworpen aan een machtig volk, waar ze niet tegen opgewassen worden
en geen enkel teken van God.

Nee, echt niet? Kijk dan nog eens beter!
Kijk eens naar de wereld waarin je leeft.
Jullie daar in Babel zijn misschien wel onder de indruk geraakt van hoe groot de wereld is.
Als je nooit ver weg hoeft te gaan, nooit op reis, dan kan de wereld overzichtelijk zijn.
Maar als je door de wereld trekt, al is dat gedwongen:
Als je door woestijnen en steppen moet, eindeloze vlakten waar geen eind aan komt
als je langs allerlei bergen moet en allerlei dalen, voel je je klein – wat is de mens?
Dan besef je iets van de grootheid van het universum.
Weet je het dan niet?
Je hebt in Babel voor de brede rivier de Eufraat gestaan
en je kon daar niet zomaar overheen, alleen via een pont, een brug of doorwaadbare plek.
En ze hadden wellicht nog herinneringen aan de zee, die uitgestrekt aan de kust lag.
Dat water, een nauwelijks te overwinnen barrière voor de mens
– God meet en weegt dat in Zijn handpalm.
En als je naar de hemel kijkt, kun je je klein voelen, het ontzaglijke heelal.
Het is voor God niet meer dan een span – afstand tussen duim en wijsvinger.
Het zand van de woestijnen en de eindeloze vlakten
– God heeft er alleen maar een maatschepje voor nodig om het af te meten.
De bergen die zo imponerend zijn, waar jij je zo klein bij voelt,
het zijn voor God niet meer dan gewichtjes die je nodig hebt voor een weegschaal.

Hier wordt de grootheid van God als troost gebruikt, als bemoediging.
Want de gedachte van Israël kan zijn dat voor de grote God, de schepper van het heelal,
ISraël te klein is om aandacht te schenken.
De laatste tijd is er aandacht voor de twee Armeense kinderen, Lily en Howick,
die uitgezet gaan worden naar Armenië.
Ze hadden een beroep gedaan op de minister, omdat hij een speciale bevoegdheid heeft
om ze toch hier in Nederland te laten,
maar de minister heeft al laten weten dat hij dat niet doet
En ook rechters hebben aangegeven dat zij naar Armenië gestuurd mogen worden.
In een poging om hier te mogen blijven hebben ze ook de koning aangeschreven.
Maar we kunnen ons voorstellen dat de koning zich er niet mee bemoeit,
zich de vingers er niet aan brandt, zich niet bemoeit met het beleid van het kabinet
en misschien ook wel meer heeft te doen dan hier aandacht voor te hebben.
Zo kan ook de gedachte zijn dat God te groot is om zich met mijn leven bezig te houden.
Maar nee, juist die grootheid van God is de troost.
Want voor ons kan de wereld waarin wij leven soms een ongelooflijke chaos zijn:
armoede die maar niet op te lossen valt, de dreiging van terreur waarin we al jaren leven,
miljoenen mensen die op de vlucht zijn voor oorlog, natuurrampen of honger.
Wat moeten wij nu van de burgeroorlog in Jemen denken, of van de sores in Venezuela?
Gisteren was het 14 jaar geleden dat er honderden kinderen omkwamen
tijdens een gijzelingsactie van school nr. 1 in Beslan.
Als je steeds verhalen hoort en beelden ziet van zulke ellende,
kun je wel gaan twijfelen of God bestaat en of Hij alles nog wel in de hand heeft.

Voor Israël kwam de twijfel ook op door wat ze zagen: immense beelden van goden,
van hout gemaakt en met goud overtrokken – indrukwekkend om te zien.
Als je die beelden zou zien, zou je het zo geloven: zij regeren.
Ho, wacht even, zegt de profeet.
Zo’n beeld? God?
Weet je niet dat de hemel te klein is voor God?
Hoe kan zo’n beeld, waar jij onder de indruk van bent, nu iets van God laten zien?
God is te groot voor zo’n beeld.
Je ziet de glimlach om de mond van de profeet.
Je weet toch hoe ze zo’n beeld maken?
En hoe ze met veel moeite zo’n beeld op de top van een berg plaatsen.
Ze hebben er van tevoren wel veel werk aan om te voorkomen,
dat zo’n beeld niet omkukelt, of niet door verslijt door de gevolgen van weer en wind.
Moet je nu om zulke goden druk maken?
Weet je dan zo weinig van je eigen God,
dat Hij de enige is die er is, dat alles uit Zijn hand komt?
Dat Hij hemel en aarde gemaakt heeft, en alles bestuurt?
Je kunt wel onder de indruk zijn van wat er in deze wereld gebeurt
En bang worden voor de toekomst, bijvoorbeeld vanwege de klimaatverandering.
Maar de Heere is in staat met één handbeweging het hele klimaat te veranderen.
Er zijn tijden waarin je bang kunt zijn voor terrorisme
En je afvragen wanneer Nederland aan de beurt is voor zo’n aanslag.
In het verleden is er wel vaker angst geweest voor iets dat zou gaan komen:
een derde wereldoorlog, de angst dat de Russen West-Europa zouden binnenvallen,
de dreiging dat er ooit ergens een kernbom zou vallen.
Ik wil niet zeggen, dat zulke angst onterecht is of onzinnig,
maar wel dat als de Heere het niet wil, dat het dan niet gebeurt.
Geen enkele macht, hoe dreigend ook, is in staat om verder te gaan
Als God de grens trekt en “Ho!” zegt.

Bij degenen die de macht over hen hadden, de Babyloniërs, zagen de Israëlieten
dat zij ook geloofden in de orde in de wereld.
Het was de orde van wie de sterkste is.
Dat was zo bepaald door de goden.
Overal zagen de Babyloniërs goden: in de zon, in de maan, in de sterren.
Vanuit het universum stuurden zij deze wereld aan
En zorgden zij dat de legers van Babylon onoverwinnelijke machten waren,
niet te stoppen, een grootmacht die alles verpletterde wat tegen hem in verzet kwam.
Kijk nou eens omhoog, naar de zon, naar de maan en de sterren?
Zijn dat echt goden?

Er is een kinderliedje van vroeger:
Weet gij hoeveel sterren kleven aan de blauwe hemelboog?
Weet gij hoeveel wolken zweven boven alle bergen hoog?
Al die duizenden tezamen, roept de Heer bij hunne namen.

Een iets afwijkende versie:

Weet gij hoeveel held’re sterren aan de blauwe hemel staan’

Weet gij hoeveel donk’re wolken boven alle bergen gaan’

Al die duizenden te zamen, Roept de Heer bij hunnen namen

En niet een ontglipt Zijn oog, en niet een ontglipt Zijn oog.

Een leger door God aangestuurd. Hij beveelt en ze gehoorzamen.
Of misschien moeten we bij wat Jesaja hier denken aan een kudde,
Zoals een herder zijn schapen bij elkaar roept,
zo roept de Heere de sterren tot zich en verzamelt ze.
Ze luisteren naar Zijn stem. Hoe kun je denken dat het goden zijn?

Geeft het troost en houvast als je weet dat God de wereld bestuurt?
Dat Hij alles in de macht heeft, dat Hij grenzen trekt?
Niet als God een anonieme macht is, die te groot is voor ons mensen,
Die geen rekening houdt met onze persoonlijke situatie,
die aan wat ons overkomt voorbij gaat.
Nee, zegt Jesaja: God is geen anonieme macht.
Hij kent de zon, de maan en de sterren bij hun naam.
Zo kent Hij ook jouw bij je naam en spreekt je aan, heel persoonlijk:
Jakob, waarom zeg je dat. Israël, waarom beweer je dat?
Zo gaat Hij ook met een ieder van ons persoonlijk het gesprek aan,
omdat Hij ons kent. Weet je niet dat ik jouw God ben?


Voordat je gaat denken dat God te groot is, dat Hij alleen maar van een afstand toekijkt
en aan jou voorbij gaat, het kinderlied gaat verder:
Aan die duizend-, duizendtallen heeft de Heer een welgevallen

En ook mij bemint Hij tee-eer, en ook mij bemint hij teer.
En ook de profeet gaat verder:
De Heere blijft niet van een afstand staan en haalt niet Zijn schouders op.
Nee, met Zijn grootheid en Zijn macht, komt Hij jou helpen.
Weet je, hoe sterk een leger ook is, ze moeten een keer halt houden
om uit te rusten en bij te tanken.
In de Tweede Wereldoorlog hielden de Duitse tanks net voor Duinkerken stil
omdat ze moesten bijtanken
en honderdduizenden Engelse en Franse soldaten konden ontkomen naar Engeland.
Een jaar later waren de Duitse soldaten vlak bij Moskou,
maar toen de herfst inviel, moest het leger stoppen, omdat er nauwelijks meer benzine was,
dat moest van ver worden aangevoerd.
Een van de redenen, waarom Nederland in 1944 niet helemaal was bevrijd,
was omdat de benzine, de tanks en vrachtwagens en soldaten
via Franse havens aangevoerd moesten worden.
Het lukte de Amerikanen, de Engelsen, Canadezen en de Polen niet
om de brug bij Arnhem te veroveren en zo een oversteek over de Rijn te hebben.
En wat voor legers geldt, geldt ook voor mensen.
Eens is de kracht op.
Als je jong bent, houdt je daar geen rekening mee.
Want moe word je alleen na een intensieve inspanning, zoals een (hardloop)wedstrijd.
Maar wie een bepaalde leeftijd passeert, komt er vroeg of laat achter,
Dat je niet meer alles kunt. Dat je bepaalde dingen moet laten schieten,
of dat je een beroep op de kinderen moet doen om het huis schoon te krijgen.
Moe kun je worden van tegenslag of verdriet, van een kruis dat je moet dragen.

God draait het om, zegt de profeet.
Wie sterk is, wordt moe – maar wie moe is, krijgt nieuwe kracht.
Degenen die denken nog heel wat in hun mars te hebben, moeten erkennen:
Hier is mijn grens, verder kan ik niet.
Je kunt onder de indruk zijn van de vitaliteit en de kracht van iemand anders.
Het is maar tijdelijk, zegt de profeet.
Je kunt onder de indruk raken van alles wat hier macht heeft – ook dat is maar tijdelijk.
Je kunt beter omhoog kijken naar God.
Ik hef mijn ogen op naar de bergen – waar komt mijn hulp vandaan?
Mijn hulp is van de Heere, die hemel en aarde gemaakt heeft.
De adelaar – eigenlijk gaat het hier om een gier, met een spanwijdte van meer dan 3 meter.
Een indrukwekkende vogel – koning van de dieren, die zijn vleugels uitslaat
En  op machtige wijze door de lucht zweeft op zoek om toe te slaan.
Dat ben je, Israël, als je op God vertrouwt.

Vertrouw je weg maar aan de Heere toe,
Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan,
zal ook wel wegen vinden, waarlangs uw voet kan gaan.
Waar voor ons mensen geen weg is, baant God een weg,
Israël mocht uit Babel wegtrekken, zoals eerder uit Egypte, terug naar huis,
een nieuwe uittocht.
Zelfs door de dood heen is er een weg, omdat Christus daarin afdaalde
en een weg baant en ons draagt door de dood heen.
Als Hij ons dan kan dragen tot in het Vaderhuis, kan Hij ons ook dragen
in het leven hier op deze aarde.
Amen