Vragen bij Romeinen 7

Vragen bij Romeinen 7

1) In de preek zijn twee mogelijkheden om het ‘ik’ te duiden: hier spreekt (a) of de oude mens buiten Christus (Adam en zijn nakomelingen) of (b) hier spreekt de mens die reeds met Christus verbonden is. Welk ‘ik’ is volgens jou aan het woord? Waarom?

2) In de preek wordt een gedeelte van zondag 1 van de Heidelberger Catechismus geciteerd: mijn troost is dat ik eigendom ben van Christus, verlost uit de heerschappij van de duivel. Zou je dat van jezelf kunnen zeggen? Waarom wel / niet?

3) In de preek wordt gekozen voor de visie dat het ‘ik’ de oude mens is. Tegelijkertijd wordt er gezegd: dat oude leven ligt nog op de loer. Door veronachtzaming van de bevrijding kan de zonde weer macht over je krijgen. Wanneer gebeurt dat? Maak dat eens praktisch!

4) In de preek wordt de herinnering van het door Christus bevrijd zijn gekoppeld aan de herinnering aan de doop en aan de voorbereiding van het avondmaal. Op welke manier ben je bezig met je doop? Houd je je doopdag in herinnering? Welke andere vormen heb je om het besef levend te houden dat je gedoopt bent?

5) En hoe ga je om met het avondmaal? Hoe bereid je je voor? Waar ligt het accent op: op de zonde, op de verlossing of op de dankbaarheid? Waar blijkt dat uit?

6) In de preek wordt wel heel stellig gezegd dat het nieuwe leven voor mij is. Is dat terecht? Moet daar het accent op liggen? Of meer op de waarschuwing? Op welke manier zou een waarschuwing kunnen klinken, die mensen echt aan het nadenken zet en bij Christus brengt?

7) In de preek wordt gezegd dat je je ellende alleen door God (of door Zijn wet) kunt kennen. Ben je het daarmee eens? Hoe is dat bij jouzelf gegaan?

 

Advertenties

Preek zondag 12 november 2017

Preek zondag 12 november 2017
Schriftlezing: Genesis 3:1-6; Romeinen 7:14-26
Tekst: vers 20-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wie is die ‘ik’ waar Paulus over spreekt?
De ik die zegt: Want het goede dat ik wil, doe ik niet,
maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

Er zijn twee mogelijkheden:
De ‘Ik’ die hier spreekt is de oude mens, degene die niet van Christus is.
Of: de ‘ik’ is de gelovige, die reeds van Christus is, bij Hem hoort
en nog steeds – ondanks de band met Christus – een innerlijke worsteling in zich herkent:
de worsteling dat je in jezelf nog steeds een neiging hebt
om precies het tegenovergestelde te doen: het goede niet te doen en het kwade wel.
Wie is die ‘ik’ die hier aan het woord is?

Ik heb altijd meegekregen dat de ‘ik’ die hier aan het woord is
de gelovige is, die na verbonden te zijn met Christus
nog steeds in zich heeft om voor het verkeerde te kiezen.
Ook als je in Christus bent gaan geloven, ben je nog niet los
van die neiging die voor het verkeerde kiest.
Binnen in jezelf weet je dat je het niet moet doen,
maar je doet het toch, omdat er iets in jezelf sterker is waardoor je het toch doet.
Je weet dat je niet mag roddelen, maar toch is er die neiging
om dat verhaal toch door te vertellen – ook al ben je met Christus verbonden.
Je weet dat je iemand niet mag haten, en toch je hebt zo’n sterk gevoel
dat je iemand echt niet mag – ook al behoor je Christus toe.
Ook nadat we bij Christus zijn gekomen, aan Hem toebehoren,
heeft ons eigen ‘ik’ een neiging in zich die destructief is, die kapot kan maken,
dat ondanks alle waarschuwingen die je in de wet van God hoort, je er toch voor te kiest
omdat er in jezelf een neiging is die sterker is, die niet van God komt.
En al wil je het zelf niet, je doet het toch.
Een wil, een verkeerde wil, zondig en vijandig tegenover God, die de macht in je overneemt.

De vraag is alleen of deze uitleg wel helemaal recht doet
aan wat Paulus hier schrijft in zijn brief aan de gemeente in Rome.
Paulus is hier namelijk een verschil aan het uitleggen tussen vroeger en nu:
Vroeger in de tijd zonder Christus,
toen je Hem nog niet kende, toen je nog niet aan Hem verbonden was,
Toen je nog leefde in de macht van de zonde,
was je niet jezelf en kon je niet je eigen gang gaan,
maar was er een ander die over je heerste: de zonde was je te sterk.
Er is echter iets veranderd: een nieuw leven, een leven waarin die macht verbroken is.
Dat andere leven is ook zichtbaar gemaakt, gemarkeerd: door de doop.
De doop – ondergegaan in het water – betekent dat je een nieuw leven bent ingestapt.
De doop en ingaan in dat nieuwe leven betekent ook,
dat er ook een Ander gekomen is, die over uw leven heerst.
Niet meer de zonde die alle macht heeft in je leven,
die macht is verbroken en je hebt een andere Heer gekregen: Jezus Christus.
Je bent bevrijd!
Het is de troost waar zondag 1 van de Heidelberger Catechismus over spreekt:
Mijn enige troost in leven en sterven is, dat ik eigendom ben
van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus.
Hij heeft mij uit de heerschappij van de duivel verlost.
Geworden van een ander, de eigendom van een ander.
Ik behoor niet meer de zonde toe, maar Christus die voor mij stierf aan het kruis.

Ooit sprak iemand mij aan na een kerkdienst.
In de dienst had ik die eerste zondag van de Catechismus gebruikt als geloofsbelijdenis
en het had geklonken dat het een troost is, dat ik nu eigendom ben van mijn Heer.
Ze sprak mij aan, omdat ze zich stoorde aan het woord eigendom.
Het gaf haar helemaal geen troost dat ze eigendom geworden was van Christus.
Dat benauwde haar.
En toen vertelde ze haar levensverhaal.
Hoe ze vastgelopen was in haar relatie,
en dat ze in die relatie steeds meer zichzelf was kwijtgeraakt.
Ze had het gevoel dat ze steeds meer eigendom werd van haar man.
Die relatie was gesprongen, de breuk was heftig geweest
en nu ze op zichzelf woonde, kon ze weer zichzelf worden, vrij zijn, ademen, opleven.
Dat woord eigendom deed haar denken aan die relatie, waar ze juist net uit was.
Eigendom van Christus – dat gaf haar een benauwd gevoel.

Juist die bevrijding uit een band die knelt, waarin je niet meer jezelf kunt zijn,
maar gedwongen om anders te zijn dan je bent
En anders te doen dat je vanuit jezelf zou willen,
de ervaring van die bevrijding dat is juist wat Paulus hier wil aangeven}
en ook wat de Catechismus in het antwoord op zondag 1 aangeeft.
Nog intenser bij Paulus, bij de Catechismus,
Een echte bevrijding, omdat het oude leven, waarin er een macht over je heerst
verbroken is, de gevangenis van de zonde is opengegaan
En het mogelijk is dat die neiging die in ons is, gestopt wordt,
het niet meer voor het zeggen heeft
en dat het patroon om steeds het verkeerde te doen, het verkeerde dat God verboden heeft,
om dat toch te doen – dat het patroon verbroken is.
Romeinen 7 gaat over het oude leven, het schrikbeeld van een leven zonder Christus,
overgeleverd aan die destructieve macht die over ons wil heersen
en ons tegen God wil laten ingaan.
Zo was het vroeger – nu is het anders; God zij dank.
Dat was het oude leven – nu hebben we een nieuw leven ontvangen.
Door Christus onze redder, die ons bevrijdde uit die macht.
Waarom dan nog aandacht voor dat oude leven?
Waarom nog zo vertellen over dat oude leven, op zo’n levendige manier
waardoor je als gelovige, bevrijd en verbonden aan Christus,
jezelf nog kunt herkennen in wat Paulus hier in Romeinen 7 beschrijft?
Omdat dit oude leven nog op de loer ligt om je terug te trekken,
omdat de zonde je niet zomaar wilt laten gaan.

Onlangs was ik samen met Rianne in het Bevrijdingsmuseum in Groesbeek.
Toen we binnenkwamen, zei de mevrouw die bij de kassa zat:
Dit is een Bevrijdingsmuseum, geen oorlogsmuseum.
Er wordt wel over de oorlog verteld en dat maakte ook wel indruk.
De strijd die geleverd is in vanaf september 1944 tot in het voorjaar van 1945 in die regio
door de parachutisten en de grondtroepen, de vele soldaten die gesneuveld zijn.
(We zijn later ook bij een grote Canadese begraafplaats geweest,
indrukwekkend om daar te lopen, de leeftijden te zien
en ook te zien dat een aantal na de oorlog is overleden, waarschijnlijk aan verwondingen).
Het museum was een Bevrijdingsmuseum:
Het verhaal van de oorlog wordt verteld om aan de bezoeker te laten weten:
Je vrijheid is bijzonder. Daar is heel wat aan vooraf gegaan.
Er is een groot offer voor gebracht, door soldaten van ver weg,
die hier meestal vrijwillig kwamen om te strijden, om ons te bevrijden van een vijand.
Te bevrijden van een dictatuur.
Hoe ga je met die vrijheid om? Hoe waardeer je die vrijheid? Hoe vul je die in?
Dat de oorlog veel gekost heeft, dat was mij wel bekend.
Ook in Veenendaal, waar ik opgroeide, was dat besef er.
Omdat dit strijdtoneel geweest is, in de meidagen van 1940
en laat bevrijd als een van de laatste plaatsen.
Daar in dat museum en daar lopend in die regio van Groesbeek
maakte het weer indruk, welk offer er gegeven is.
En kun je het voorstellen hoe het leven er ongeveer uit zal zien
als we die vrijheid verkwanselen.
In een dictatuur terechtkomen zal niet snel gebeuren, daarvoor zit de vrijheid te diep.
Maar ook door onverschilligheid voor anderen, of door gemakzuchtig leven
zonder er bij stil te staan hoe bijzonder het is om in vrijheid te leven
dat we onze bevrijding te danken hebben aan dat offer dat gebracht is.

Zo schrijft ook Paulus over dat offer, dat Christus bracht voor onze bevrijding.
Een groot offer, we zijn bevrijd, we mogen in vrijheid leven.
Waar Paulus over schrijft, die macht die ons beheerste is verleden tijd, voorbij.
Maar pas op. Je moet er niet achteloos van worden.
Je moet scherp blijven, want die onvrijheid kan weer terug komen.
We kunnen onze vrijheid weer kwijtraken, weer in die gevangenschap van de zonde komen.
Daarom spreekt Paulus over deze ‘ik’.
Het is de ik van Adam, en niet alleen van de Adam die uit het paradijs is gestuurd,
maar van elke Adam die sindsdien leefde,
die erachter kwamen welke verwoestende gevolgen de zonde heeft gehad,
niet alleen op onze band met God, maar ook op ons innerlijk, op wat ons aanstuurt, aandrijft.

Hoe kom je er eigenlijk achter, dat de zonde verwoestend is.
Dat die verkeerde neiging er is, dat een ander in jou het stuur heeft overgenomen?
Ontdek je dat zelf? Kom je daar zelf achter, omdat je de negatieve gevolgen ervaart?
Nee, dat de zonde verwoestend werkt, daar kom je niet zelf achter.
Dat ontdek je door de wet.
De wet van God heeft verschillende betekenissen voor een christen.
Een van die betekenissen, een van de functies is dat de wet aanwijst  wat zonde is.
Het is de wet van God die de zonde ontmaskert, die de zonde onthult.
De wet, dat is Gods wil. De wet is heilig en komt bij God vandaan.
In dit gedeelte moet Paulus uitleggen waarom de wet goed is,
want hij heeft gezegd dat de zonde van de wet gebruik maakt om juist de zonde te doen.
Dat werkte aanlokkelijk: Wat je niet mag, dat ga je juist doen.
Wat God in Zijn wet verbood, dat ga je juist opzoeken, dat wil je doen.
Is de wet dan verkeerd, nee: de wet komt bij God vandaan.
Het zijn Gods woorden.
Maar de zonde is er mee aan de haal gegaan.
Toen God Adam verbood in het paradijs om niet van die ene boom te eten
liet God weten dat het niet goed is om te begeren,
dat het niet goed is om iets te pakken wat niet van jezelf is, wat God verboden heeft.
Maar juist daardoor werd die ene vrucht zo aantrekkelijk,
terwijl er duizenden andere vruchten waren, werd juist deze ene vrucht gegeten.
Als je niet mag roken of drinken, dan is het stoer om het wel te doen.
Als je niet veel te hard hard mag rijden of niet zonder licht mag rijden,
dan ga je dat juist wel doen. Om uit te dagen, te provoceren,
om zelf erachter te komen wat er zo slecht is
en dan valt het eerst vaak nog wel mee.
Zo maakt de zonde gebruik van de wet. Provocerend: Kijk mij eens doen wat verboden is
en het valt toch wel mee.

Nee, zegt Paulus het valt niet mee.
Het zorgt ervoor dat je niet meer jezelf bent, je vrijheid kwijt bent,
net als met een verslaving, dat je er niet tegenop gewassen bent, dat je het wel moet doen.
Het kwade dat ik niet wil, dat doe ik toch. Ik kan niet anders, die macht in mij.
Die macht in mij, die tegen God was, die ik in mijn leven heb toegelaten.
Die zorgt ervoor dat ik Gods wet niet meer kan houden.
Die zorgt voor een verscheurd ik, in mijzelf:

Mijn God, gewapend tot de tanden, voeren twee mannen in mij strijd:
één wil dat ik te rechter tijd voor U in liefde zal ontbranden,
de ander wil uw recht aanranden en drijft mij tot opstandigheid.

Ik zoek vrede, maar oorlog maak ik, roep vrede, en pleeg snood verraad.
Het goede willen geeft geen baat. Naar werken van vrede haak ik,
maar ‘t goede dat ik wil verzaak ik, en doe het kwade dat ik haak.

Kom mijn verscheurde hart genezen, o Heer, door uw genade groot;
Ik ben het zelf die weerstand bood. Herstel de eenheid van mijn wezen
en laat U dienen en U vrezen wie eens slaaf was van de dood.

Christus is gekomen, zegt Paulus – God zij dank.
Die verscheurdheid is niet het enige verhaal meer voor wie gelooft,
Die macht over je, die heeft niet meer het laatste woord over jou.

En toch is het goed om dat verleden, dat wat eens was, niet te vergeten,
omdat je er nog mee kunt worstelen,
Zoals er na de oorlog niet gelijk een nieuw bestaan was,
maar de schade hersteld moest worden van de steden die vernield waren,
huizen die bijgebouwd moesten worden, een woningnood die lang aanhield
En in Duitsland degenen die in Hitler en het nationaal-socialisme hadden geloofd
dat gedachtengoed uit hun hoofd moesten krijgen en anders moesten gaan denken,
anders leven, anders handelen, nu gericht op vrede en democratie.
Een nieuw leven, maar niet door dat oude leven te vergeten,
maar te herinneren als het verleden waar we vandaan kwamen, wat achter ons ligt
en wat ons steeds weer kan bedreigen als we losraken van Christus.

Ik kwam tegen dat dit gedeelte gelezen zou kunnen worden
bij een voorbereiding van het avondmaal.
Om weer helder te hebben waarom Christus moest komen, moest lijden, moest sterven
voor onze zonde die over ons leven gekomen was, omdat wij God inruilden
voor die andere macht, meer luisterden naar de slang dan naar God.
En dan dit gedeelte als verootmoediging.

Dit gedeelte zou ook gelezen kunnen worden als herinnering aan onze doop.
Meestal doen we niet zoveel met onze doop. Wellicht als er een doopdienst is.
Maar je zou op de dag waarop je gedoopt bent, dit gedeelte kunnen lezen.
Dat wat ik lees was mijn oude leven. Ik mag nu een nieuw leven hebben.
Maar ik moet wel waakzaam blijven.
Niet denken dat ik dat oude leven heb overwonnen,
maar dat ik dat nieuwe leven heb gekregen – genade van God, door Christus.
Dan lezen we dit gedeelte ook vanuit dankbaarheid.
zoals Paulus eindigt met dankbaarheid:
Ik ellendig mens, wie zou mij kunnen verlossen? Ik dank God, door Jezus Christus.
Ook bij de kinderdoop gaat het om dat verleden, dat wat eens was, dat oude leven
en het nieuwe leven dat gegeven wordt.
Belijd u dat deze kinderen, hoewel ze in zonde ontvangen en geboren zijn,
toch in Christus geheiligd zijn en daarom gedoopt horen te worden.
Ook voor onze kinderen mag het gelden: de macht van de zonde is al verbroken.
Dat nieuwe leven is er ook voor hen.
Ze zullen die strijd wellicht herkennen, maar ze hoeven niet hopeloos te zijn
als ze weer een nederlaag lijden, en toch weer een verkeerde keuze maken
en gehoor geven aan die neiging.
De zonde heeft de macht verloren – die neiging kan soms weer opvlammen,
die innerlijke strijd kan er zijn, je kunt er moedeloos van worden.
En toch, je mag danken, ook al lijkt het voor jezelf moedeloos,
Ik dank God, in Christus. Ons staat een sterke held terzij, die God ons heeft verkoren.
De strijd is reeds gestreden, de overwinning reeds behaald
en het is mogelijk om daar reeds in te delen,
maar dan moet je er wel naar leven.
Het verbond, dat ook met de doop twee kanten heeft: een leven in gehoorzaamheid.
Dat kan – ook al voel je vaak die neiging van de zonde.
Het kan, omdat Christus gekomen is, overwonnen heeft
en jou, u bevrijd heeft en Zijn Geest geeft om het goede te leren,
het goede te doen, te leven naar de richtlijnen en de geboden van God.
Dan wordt de wet niet alleen maar iets wat aanwijst waar het fout gaat
en de zonde onthult, ontmaskert, maar ook een aanwijzing voor hoe wij
moeten en ook kunnen leven – tot eer van God.
Ik kan dat niet uit mijzelf – ik was ten dode opgeschreven,
maar God kwam, in Christus, om mij te bevrijden en dat nieuwe leven te geven.

We vieren onze bevrijding door Christus:

W’ ontkwamen haast des vogelvangers net,

Den lozen strik, tot ons bederf gezet:

De strik brak los, en wij zijn vrij geraakt.

De Heer’ is ons tot hulp op ons gebed;

Die God, die aard’ en hemel heeft gemaakt.


Amen


Les 4 Vertrouwen op God in moeilijke tijden

Les 4 Vertrouwen op God in moeilijke tijden

Intro
Ouderling Jansen ziet op tegen het huisbezoek van vanavond. Toen hij een afspraak maakte met het Theo en Annemarie waar hij vanavond naar toe gaat, merkte hij door de telefoon een aarzeling bij Annemarie. Toch mocht hij komen. Hij houdt er rekening mee dat er heel wat komen gaat. Na een korte kennismaking zegt het echtpaar ook: ‘U ziet ons niet in de kerk. Eerlijk gezegd zijn we teleurgesteld geraakt in God.’ En dan volgt het verhaal: de moeder van de Annemarie is na een ziekbed jong overleden. Theo is enige tijd geleden zijn baan kwijtgeraakt en het ziet er niet naar uit dat hij binnenkort weer aan de bak kan. Ouderling Jansen voelt aan dat dit echtpaar de laatste tijd heel wat zorgen en spanningen heeft meegemaakt. Hij zegt het ook: ‘Jullie hebben heel wat te verduren gehad de laatste jaren. En voor jullie gevoel was God er niet.’

Marieke heeft ook het nodige meegemaakt. Ze was nog jong toen haar vader ziek werd. Haar vader leefde daarna nog vijf jaar. Soms waren er tijden waarin de ziekte even weg was. In de periode van spanning en ziekenhuisopname was Marieke veel met God bezig. Vaak bad ze dan intensief voor haar vader en voor de rest van het gezin. Wanneer het wat beter ging, raakte God wat op een tweede plan. Net of het niet meer nodig was om te bidden. Nadat haar vader overleden was, is ze nooit boos geweest op God. Ze mist vader. Elke dag. Hij leefde zelf dicht bij God en droeg zijn ziekte heel gelovig.

Vraag 1 Op wie lijk jij het meest?


Vraag 2 Wat zou jij zeggen als jij de ouderling was die bij Theo en Annemarie op bezoek zou komen?


Als er tegenslag in het leven is, zijn er twee manieren om daarop te reageren. De één wordt boos op God, of raakt teleurgesteld in Hem. Het wordt moeilijker om naar de kerk te gaan, om uit de Bijbel te lezen of te bidden. Er kan ook wel helemaal met God gebroken worden.
De ander wordt door tegenslag er bij bepaald dat hij of zij God nodig heeft. Iemand kan door tegenslag ervaren dat God hem of haar stil zet om te laten weten: Ik ben er ook nog! Vergeet je God niet. Iemand kan juist ervaren in een moeilijke periode dat de Heere heel dicht bij is en kracht geeft.
Het is van belang om je voor te bereiden op tegenslag en vooral ook hoe je in geloof met tegenslag zou kunnen omgaan. Tegenslag kan een hele test voor je geloof zijn: Blijf je dicht bij God? Of kom je juist ver bij Hem vandaan te staan? Je weet nooit van tevoren hoe je zal gaan reageren en toch is het verstandig om daar mee bezig te zijn.

Vraag 3 Weet jij hoe je reageert op tegenslag


Vraag 4: Hoe bereid jij je voor op tegenslag in je leven?

Bijbel
De rode draad van de Bijbel is dat God te vertrouwen is én dat Hij ons leven leidt. We zien zijn leiding in het volk Israël. We lezen in verhalen en in Psalmen hoe God leven van mensen leidt.
In de Bijbel kunnen we lezen dat tegenslag, ziekte of andere moeilijkheden vaak veel vragen oproept. Tegenslag maakt het niet altijd makkelijk om het vertrouwen op God te hebben. In Psalmen kunnen we lezen dat gelovigen God vragen of tot God roepen: Waarom? (Psalm 22)  Hoe lang moet dit nog duren? (Psalm 13) Bijna alle Psalmen eindigen met een lofzang of een uitspraak van vertrouwen. Alleen Psalm 88 niet. Het is geen ongeloof als er zulke scherpe vragen aan God gesteld worden. Integendeel. Vaak is het een teken van diep geloof: als er iemand was geweest die iets had kunnen doen, was dat God wel. Maar waarom doet Hij dat niet? In de Bijbel kun je door deze vragen bij God zelf te brengen, aan God zelf te stellen bij de Heere uitkomen.
Dat klinkt heel makkelijk. Nogal eens gebeurt het in een tijd van tegenslag, dat het gebed achterwege blijft. Iemand kan door teleurstelling of door boosheid niet meer bidden. Er kan alleen maar in boosheid of verbittering over God gesproken worden. De Bijbel houdt ons voor dat we beter tot God kunnen bidden.

Lees Psalm 42

Vraag 5 In Psalm 42 wordt er steeds gewisseld: Er wordt verteld hoe moeilijk het gaat. Vervolgens wordt er weer vertrouwen gevonden.  Dan zijn die moeiten er weer. Dan weer het vertrouwen op God. Waar herken jij je het meeste in? Hoe komt dat?



Vraag 6 Vestig je hoop op God, zorg dat je het vertrouwen weer terug krijgt, zegt David steeds in de psalm. Hoe doe jij dat: het vertrouwen in God weer terugkrijgen? Wat is daarvoor nodig?



Vraag 7 Op welke manier kunnen anderen – familie, vrienden, gemeenteleden – jou helpen om dat vertrouwen weer terug te krijgen?


In de Bijbel lezen we dat de Heere Jezus op aarde is gekomen. Hij kwam om te lijden en te sterven aan het kruis. Hij weet wat het is om te lijden, om pijn en verdriet te hebben. Soms kunnen gelovigen in hun eigen ziekte iets herkennen van het lijden van de Heere Jezus. Dat geldt niet voor elke gelovige.
De Heere Jezus kwam op aarde om met Zijn sterven ook te zorgen voor een nieuwe tijd, een tijd waarin er geen tegenslag, geen moeite, geen verdriet meer is. Als de Heere Jezus terugkomt, dan zal die tijd ook aanbreken. Tot die tijd kunnen ook gelovigen heel wat meemaken. Als je gelooft, dan blijven moeilijkheden je niet bespaard. Wel mag je weten dat er voor wie gelooft er ooit een heel andere tijd zal zijn: in de hemel bij God zal het alleen maar goed zijn. Dat we weten dat het anders zal worden, zien we ook in de opstanding van de Heere Jezus: de dood is overwonnen. In het Nieuwe Testament worden ook verhalen verteld, waarin de Heere Jezus zieken geneest. Die gebeurtenissen wijzen vooruit naar die nieuwe wereld, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
Hoop hebben betekent nog niet, dat je het niet moeilijk mag hebben. In de Bijbel staat ook dat de Heere Jezus huilt als Zijn vriend Lazarus gestorven is (Johannes 11:35). Dat is bij Hem geen verdriet uit machteloosheid, maar verdriet omdat Hij ziet wat de dood aanricht.

Als je zelf niet met tegenslag te maken hebt, kun je wel in je familie of vriendenkring daarmee te maken krijgen. Hoe moet je daarmee omgaan? Want je zegt al gauw de verkeerde dingen. Het beste is een meelevende houding, waarin je echt aandacht hebt voor de ander en allereerst luistert en dat je beseft dat het heel wat is wat die ander doormaakt. Soms kunnen mensen te kort door de bocht reageren. Tegen een ouder die een kind is verloren, kan er gezegd worden: ‘Maar je hebt je andere kinderen toch nog?’ Het verdriet van de ander wordt dan kleiner gemaakt, alsof het er niet mag zijn. Het is meestal niet nodig om God te verdedigen. Die neiging kan er wel zijn. Beter is het om te laten zien, hoe er in de Bijbel ook geworsteld wordt met Gods leiding of Gods afwezigheid. Vaak brengt dat iemand dichter bij God dan goedkope antwoorden.
In een tijd van tegenslag merk je hoe belangrijk het is als mensen om je heen staan. Medechristenen die met je meeleven, die voor je bidden, die je een kaartje ter bemoediging sturen, die aan je denken. Soms kan het zo zijn, dat als jij (even) niet kunt geloven, dat anderen dat voor jou doen. Tot jij weer dat vertrouwen in de Heere terug hebt. Wanneer mensen om je heen met je meeleven is dat echt een geschenk van de Heere.

Vraag 8 Welke steun is het voor jou dat de Heere Jezus ook geleden heeft?



Vraag 9 Heb je ervaring met andere christenen of gemeenteleden die met je meeleven? Op welke manier gebeurde dat? Gaf het je troost?



Vraag 10  Hoe voorkom je dat je bij iemand die veel meemaakt met te goedkope troost aankomt?



Vraag 11 Heb je ervaren dat mensen voor jou gebeden hebben?

 

Goed gereedschap is het halve werk

Goed gereedschap is het halve werk

Onlangs kwam er een boek uit dat geschreven is door Kees en Margriet van der Kooi. Prof. dr. C. (Kees) van der Kooi is hoogleraar Dogmatiek aan de VU. Zijn vrouw Margriet is ziekenhuispredikant in Woerden.

Samen schreven zij een boek over het belang van theologie in het pastoraat. Ze gaven het boek de titel mee: Goed gereedschap is het halve werk. Dit boek heb ik in één adem uitgelezen. De vraag is of dat wel verstandig is. Want het is ook een boek om heel aandachtig te lezen en steeds te overdenken. Ik geef uit het boek een aantal gedachten en citaten:

‘Als er een zo heel groot verdriet is, kan het gebeuren dat er geen tranen zijn, omdat we wel weten dat, als het verdriet eenmaal is losgebroken, de tranen niet toereikend zijn. Daarom is het volgens Kees en Margriet van der Kooi niet vreemd als het verdriet een ‘een tijdje in de wacht wordt gezet’.

– Een gezonde zondeleer spoort aan tot een soort realisme dat de wereld vanuit Gods genade inkijkt. De christelijke zondeleer heeft een verfijnd netwerk opgebouwd van onderscheidingen die men in het pastoraat kan gebruiken. Een belangrijke vernieuwing gebeurde door het verwerken van de inzichten van de contextuele benadering van Boszormenyi-Nagy. Patronen van kwaad die door de generaties heen blijven bestaan als ze niet ergens doorbroken worden. We zijn onderdeel van die patronen. Deze patronen die door de generaties heen worden doorgegeven kan met in theologisch opzicht vergelijken met erfzonde /tot in het 4e geslacht. Uitspraak van een psychiater, geciteerd in het boek: ‘Pas als een sterk kind opstaat dat de ban van familiegeweld, ingesteld, verslaving, criminaliteit doorbreekt kan er iets nieuws beginnen’. Die inspanning is vaak te groot en te onmenselijk. Margriet vd Kooi: We leven van het Verhaal dat er zo’n Kind is geweest.

– Goede theologie maakt onderscheid tussen wat we wel en wat we niet kunnen weten en tussen wat we wel en niet moeten willen weten.

– Menselijke ervaringen zoals moederschap en vaderschap kunnen op hun beste momenten een venster worden tot op God.

– Goed gereedschap
is het halve werk is pleidooi om woord ‘zielzorg’ weer in ere te herstellen. Er is een mens in het geding die persoon, eenheid en geheim is.

– Systematische theologie krijgt een verrassende zin en betekenis als we weer leren te denken vanuit verschillende concrete levenspraktijken.

– Goed gereedschap is het halve werk is een pleidooi voor herwaardering van de notie algemene openbaring – of liever: van de universaliteit van God.

– En een pleidooi voor onderscheiding der geesten (waarbij profetie en dromen niet afgewezen worden, maar wel getoetst mogen/moeten worden)

– Goede theologie maakt onderscheid tussen wat we wel en wat we niet kunnen weten en tussen wat we wel en niet moeten willen weten.

– We leven in een imperfecte wereld en de christelijke theologie is daarover realistisch. De mens is niet perfect, het leven is niet perfect.

– Gods voorzienigheid is niet een verklaring voor alles wat er gebeurt maar heeft meer met iets wat in de nood tegemoet komt.

– 
Gesprekken die bij het leven niet gevoerd zijn, kunnen niet altijd aan een ziekbed worden ingehaald.

Deuteronomium 26

Deuteronomium 26

Mijn God, hoe snel vergeet met zijn bevrijding.
Blijdschap valt licht ten offer aan ontwijding.
Gij HEER, die heilig zijt en heilig voorging,
vergeten zijn uw heil en uw verhoring. (Psalm 78:14, Nieuwe Berijming)

In Deuteronomium 26 geeft Mozes aan het volk een ritueel mee om de ervaring van bevrijding levend te houden: Elk jaar moet het eerste van het land worden verzameld en aan de Heere worden getoond. Dat moet ten overstaan van een priester gebeuren. Deze priester representeert God. Bij het aanbieden van een mand met de eerstelingen van de oogst moet men een verklaring, een belijdenis uitspreken:

Het land waar deze vruchten van geoogst zijn, is niet mijn eigendom. Dit land is eigendom van de Heere. Dat ik het mag gebruiken, heb ik te danken aan de belofte die God aan mijn verre voorouders heeft gegeven. Deze voorouders hadden geen eigen land. Ze zwierven als vreemdeling rond in dit land. Later trokken ze naar Egypte, waar we uitgroeien tot een groot volk. Wij werden door de Egyptenaren hard onderdruk, maar God hoorde onze noodkreten en verhoorde ons. De Heere leidde ons uit dit ellendige bestaan en gaf ons dit land, dat Hij had beloofd aan onze voorouders. Dit land van de belofte is een goed land. Heere, als dank dat ik deze grond mag bewerken en bebouwen en als dank voor die bevrijding zijn de eerste vruchten voor U.’

Van deze eerste opbrengst wordt een feestmaal gemaakt. De Levieten en de vreemden in dit land – beide groepen hebben geen eigen land tot hun beschikking – mogen deelnemen aan deze feestmaaltijd.

Als je nadenkt over die eerste oogst: Na het zaaien en bewerken van de grond en lang wachten is de eerste opbrengst niet voor jezelf. Van oogst van vorig jaar is misschien nog weinig overgebleven. Wat er nog is, is niet meer vers. Van dit vers geoogste graan zou je lekker brood kunnen bakken. Anders dan dat muffe brood met het graan van vorig jaar. Van de verse vruchten zou je een heerlijke salade kunnen maken. Anders dan die verlepte en beschimmelde vruchten die nog zijn overgebleven. De eerste oogst zou met een grote winst verkocht kunnen worden, zoals het eerste vaatje vers gevangen haring met enorme bedragen wordt geveild.
Het eerste, het verse wordt aan God gewijd. In een ritueel dat het besef levendig wil houden dat dit land geen eigendom is en dat we hier op welk stukje grond dan ook ‘geen blijvende stad’ hebben. Ook het land van de belofte, door de God van Israël aan Zijn volk gegeven, wordt nooit eigendom. Het besef eens vreemdeling te zijn geweest, ook in dit land, mag niet vergeten worden. Er is geen ‘garstige breite Graben’ tussen toen en nu. Van de ervaring van de voorouders mag Israël niet zeggen: wij zijn verder in tijd, wij zijn anders, wij wortelen in deze grond.

Vreemden zijn wij, ooit geroepen,
uitgetogen en geen plek
waar wij al thuis zijn. (Gezang 813 Nieuwe Liedboek)

De geschiedenis van zwerven en onderdrukking, van verhoring en uittocht is niet alleen de geschiedenis van onze voorouders maar ook van ons. Al is ons leven anders. Al is het contrast groot: Zij moesten zwerven, wij hoeven niet meer te gaan. Het verschil is in de eerste opbrengst van land steeds weer te proeven, te ruiken, te voelen, te zien. En het moet ook gehoord worden in de woorden die uitgesproken bij het aanbieden van die eerste vruchten: U bracht ons hierheen. Dit land gaf U aan ons, net als deze opbrengst, de eerste van dit nieuwe seizoen. We mogen nog veel verwachten. Maar voordat we alles binnenhalen, is het eerste voor U. Niet wat we overhouden of de restanten, maar het eerste dat anders naar onze keukens zou gaan, in onze pannen zou komen, in onze ovens, in onze voorraadschuren. Hier is het. Het is voor U. Dankdag staat dus hier aan het begin van de oogst, niet aan het eind.

Het eerste is voor God. Maar het mag, nu het gewijd is aan God, worden gebruikt voor een feestmaal van de hele gemeenschap. De Levieten en de vreemdelingen, zij delen in de vreugde. Zij ontvangen mede, wat wij weer van God terugkrijgen.

In de commentaren wordt gesteld dat dit ritueel de identiteit van het volk Israël vormt en bepaalt als volk van de Heere. Gods volk is een dankbaar volk. Het verse wordt gewijd aan God en gedeeld met anderen. Dit is er wat er elk jaar moet gebeuren.

In elk derde jaar, wanneer al weer enkele jaren van opbrengst zijn geweest, waarin een voorraad opgebouwd kon worden, wordt van die oogst een tiende gevraagd. Om de drie jaar is een tiende voor God. En dat wordt gegeven aan degenen die zelf geen opbrengst hebben, aan de sociaal kwetsbaren, aan degenen die snel aan het kortste eind trekken: de Levieten, de vreemdelinge, de weduwen en de wezen. Uitgebreid moet er voor de Heere worden verklaard dat er geen mooie sier wordt gemaakt, maar dat ook echt het tiende wordt gedeeld. Wat gedeeld wordt is opnieuw geen restant. Wat gedeeld wordt is geen eten dat onrein geworden is, omdat er tijdens een onreine periode toch van dat eten gebruik gemaakt is. Wanneer er voedsel dat rein gebleven is wordt gedeeld, wanneer degene die deelt eerlijk, zuiver en rechtschapen is, mag er ook gebeden worden om een nieuwe zegening, een nieuwe oogst.

In Deuteronomium worden aanwijzingen gegeven hoe het volk heeft te leven in dat nieuwe land, dat van God ontvangen wordt. In dat land dient de geschiedenis van Gods leiding en verhoring steeds een levendig besef te blijven. Dat ligt niet achter ze. Zoals de voorouders hebben geleefd in vertrouwen op de belofte die eens vervuld zouden worden, hebben ook de kinderen en het nageslacht te leven vanuit die belofte, dat het land en de oogst door God gegeven wordt. In Deuteronomium wordt vaak gesproken over ‘heden’, ‘nu’. Hier zijn aanwijzingen voor een toekomst, een toekomst die heden is voor degenen die Deuteronomium lezen. Dit heden is het heden waarin God werkt, die altijd heeft gewerkt en zal werken. Een heden dat ook een oordeel over de tijd is, als God wordt vergeten. Hoor Israël – Israël wordt geroepen in een samenleven met de Heere. Het volk leeft voor Gods aangezicht. Niet alleen als het in de tempel voor God verschijnt, maar ook daarbuiten, op de akker, in de werkplaats, in het dorp of in de stad. Dat leven voor Gods aangezicht schept verplichtingen naar God en de mensen, die door God ook tot de gemeenschap worden gerekend: de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, de armen. Dan is dankbaarheid niet alleen iets van woorden, maar ook iets heel praktisch.

In de Gereformeerde traditie is het vreemdeling-zijn bewaard gebleven. Zo ligt aan de Heidelberger Catechismus het vreemdeling-zijn ten grondslag: gevluchte gelovigen die hen heil in Heidelberg kwamen zoeken en daar vluchtelingengemeenten hadden. Ze hadden niets meer, misschien alleen wat handbagage. Hun thuis waren ze kwijt. En of ze ooit konden terugkeren? Wat hadden ze nog? Wat is hun houvast? Dat ze eigendom waren van Jezus Christus, hun getrouwe Zaligmaker. De ervaring van buiten het paradijs gekomen zijn, kon goed uitgelegd worden met hun eigen ervaring van balling-zijn. Waaruit kent u uw ellende (ellende = uitlandig = ballingschap)? De ‘aartsvader’ van de gereformeerde traditie was een vluchteling en verwerkte dat in zijn geschriften, zoals zijn commentaar op de psalmen (vgl. Herman Selderhuis, God in het midden. Calvijns theologie van de psalmen; Idem, Calvijn als vluchteling.)

Gebruikte literatuur
De commentaren op Deuteronomium van:

  • Daniel I. Block (NIVAC)
  • Walter Brueggemann (AOTC)
  • Jack R. Lundbom (Eerdmans)
  • Gerhard von Rad (ATD)

Verder:

  • Jürgen Ebach, ‘“Ein umherziehender Aramäer war mein Vater”. Fremdheitserfahrungen als Identitätsmoment des Volkes Israel. (Vortrag in der Karlskirche Kassel 2010)’, in Idem, Mehrdeutlichkeit. Theologische Reden 9 (Uelzen: Erev Rav, 2011) 128-141.
  • Christian Möller, ‘Gerhard von Rad. Oder: Homiletik als Stimmbildung’, in: Idem, Die homiletische Hintertreppe. Zwölf biograpgisch-theologische Begegnungen (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2007) 11-30.

 

Preek dankdag 2017 – morgendienst

Preek dankdag 2017 – morgendienst
Dienst met de kinderen van C.N.S. De Regenboog

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je ergens komt, waar je niet eerder bent geweest of waar je de weg niet kent,
dan heb je een plattegrond nodig, of iemand die de weg wijst,
Dat zal de man uit Ethiopië ook nodig gehad hebben op zijn reis.
Het was een lange reis die hij moest ondernemen, misschien wel maanden
om vanuit Ethiopië in Jeruzalem te komen.
Lange stukken door de woestijn, onder de warme zon met weinig water bij de hand.
Het was niet zomaar een reis, die deze man maakte.
Hij had gehoord van een God, die ver weg in Jeruzalem een tempel had,
waar je naar toe kon gaan om te aanbidden, de God van Israël.D
Deze man ging op reis.
Het belangrijke werk dat hij deed liet hij achter.
Misschien had hij wel eerst toestemming moeten vragen aan zijn koningin
Of hij wel mocht gaan op de gevaarlijke reis en of hij zo lang weg mocht blijven.
Onderweg had hij heel wat meegemaakt.
Hoe verder hij kwam, hoe meer er naar hem gekeken werd.
Hij merkte dat de mensen hem dan wat uit de weg ging, bang keken,
omdat hij er zo anders uitzag, een heel andere huidskleur: een heel donkere huid.
Hij was ook langer dan de meeste mensen die hij onderweg tegenkwam
en hij merkte dat de mensen tegen hem opkeken, onzeker en soms bang,
ook wel met bewondering (zie: Jesaja 18)
en hij voelde dat ze bij zichzelf dachten: Wat een sterke man is dat.
En hoe verder hij kwam, hoe verbaasder de mensen keken:
Waar komt deze zo heel donkere, grote, sterke man vandaan?
Het is niet zomaar een man, aan zijn kleding en aan zijn manier van reizen
merkte je dat deze man in zijn eigen land een rijke man was, een belangrijke baan heeft.

Deze man moet wel verwachten iets bijzonders in Jeruzalem aan te treffen,
want anders onderneem je niet die lange gevaarlijke tocht,
waarop je onderweg rovers kon tegenkomen,
waarop je dagenlang in de hitte moest reizen, honger en dorst kon lijden.
Reizen deed je vaak niet voor je plezier.
Daar in Jeruzalem zou hij de God van Israël ontmoeten, voor God mogen komen.
Onderweg zou hij steeds gevraagd moeten hebben:
Hoe kom ik in Jeruzalem uit? Of steeds de route hebben uitgestippeld:
Eerst naar naar de Nijl en dan naar Egypte en vanuit Egypte naar Jeruzalem,
steeds begeleid door mensen die voor dat stukje de weg kenden
en voor hem een gids konden zijn
of konden uitleggen welke weg hij moest nemen, waar hij moest stoppen,
Welk stuk van de weg gevaarlijk was, welk weer hij kon verwachten, hoe lang hij moest.
En dan komt hij aan in Jeruzalem, na een lange reis.
Toen hij vlakbij de stad kwam, kon hij de stad zien liggen, op een berg
en de muren van de tempel zien schitteren in de zon.
Wat een prachtig gezicht, indrukwekkend!
Hij wist het nu al, deze reis had hij niet voor niets gemaakt.
We weten niet of hij in de tempel mocht komen.
Als hij geen Jood was, niet besneden, dan mocht hij alleen aan de buitenste rand staan:
Het voorhof waar de heidenen mochten staan.
Zo konden ze er toch wat van meemaken en was zijn reis niet voor niets.
Bijzonder om er te zijn, om hier bij de God van Israël te zijn,
de dienst in de tempel een keer te mogen meemaken.
Een ervaring die hij nooit zou vergeten, die hij zijn leven lang met zich meedraagt.

Voor hij teruggaat naar huis, weer de lange weg terug,
koopt hij een boekrol waarop een stuk van de Bijbel staat.
Als herinnering aan zijn tijd in Jeruzalem
en om onderweg en thuis ook bezig te zijn met de God van Israël.
Zo gaat hij de weg weer terug.
Had hij de weg wel goed nagevraagd?
Op de terugweg gaat hij op een weg die helemaal leeg is,
een verlaten weg. Niemand die de weg ook kiest.
Dan ben je kwetsbaar als er rovers komen. Wie weet wat hij onderweg tegenkomt.
Hij is verdiept in zijn boek.
Zoals het de gewoonte was in die tijd, las hij hardop voor uit de boekrol.
Dan blijkt er nog een man op die verlaten weg te zijn,
want terwijl hij leest en probeert te begrijpen wat hij leest,
is er een man die bij de wagen loopt en tegen hem begint te praten.
‘Begrijp je wel wat je leest?’
Zou het plagerig bedoeld zijn? Of echte interesse?
Jij, man uit een heel andere land, andere cultuur,
jij die vast een lange reis hebt ondernomen,
je leest uit een bijzonder boek, uit het boek van God.
De man uit Ethiopië kijkt op wie hem aanspreekt.
Verbaasd: ‘Nee, hoe kan ik begrijpen wat er staat.
Ik heb toch niemand die mij uitlegt wat deze woorden betekenen.
Kunt u niet bij mij komen zitten en mij uitleggen waar die woorden over gaan?
Want moet u horen wat ik lees:

“Hij zweeg, hij deed zijn mond niet open.
Hij was zo stil als een lam dat geschoren wordt.
Hij werd meegenomen als een schaap dat geslacht gaat worden.
De mensen hebben hem slecht behandeld, maar God heeft hem gered.
Nu is zijn leven op aarde voorbij. Wie zal er nog over hem vertellen?”

en terwijl ik die woorden lees, vraag ik me af over wie de profeet het heeft.
Gaan die woorden over hemzelf? Of gaan ze over een ander?
Wie is die man die zwijgt? Wie is die man die op een lam lijkt, op een schaap.
door de mensen slecht behandeld, maar door God gered?
Ik moet meer over deze man weten? Kunt u mij daar meer over vertellen?’

En de man die in de wagen erbij komt zitten, kan dat inderdaad.
‘Ik ben Filippus, ik ben hier niet zomaar, maar er was een engel van God,
die tegen mij zei: Filippus je moet deze weg nemen.
Eerst begreep ik niet, waarom ik deze weg moest nemen,
maar nu ik u tegenkom, weet ik waarom de engel mij de opdracht gaf
om op deze weg te gaan lopen.
Weet u wie de man is over wie Jesaja het heeft?
Hij heeft het niet over zichzelf,
maar over iemand die nog niet zo lang geleden hier in dit land heeft geleefd.
Een bijzondere man, die heel veel mensen kon genezen
en bijzondere verhalen kon vertellen over God.
Hij kon dat, omdat Hij zelf door God was gestuurd en bij God vandaan kwam
uit de hemel, omdat Hij zelf God was, de Zoon van God, die een mens was geworden.
Hij is gestorven hier in Jeruzalem, nog niet zo lang geleden.
Maar na 3 dagen gebeurde er iets bijzonders: Hij werd weer levend!
Hij stond op uit de dood! God wekte hem weer tot leven
en Hij kon zich weer laten zien aan degenen die bij Hem hoorden.
Hij is inderdaad niet meer op aarde, maar nu in de hemel,
naast de troon van God, aan de rechterhand van God.
Hij is het, die samen met de Vader, over alles regeert,
ook over uw leven, over uw land.
Hij heeft ervoor gezorgd, dat u de reis naar Jeruzalem wilde gaan
en Hij heeft er ook voor gezorgd dat we elkaar ontmoeten,
zodat ik u over Hem kan vertellen.
Want wat deze Jezus, over wie deze woorden van de profeet gaat,
heeft er voor gezorgd dat mensen die heel ver van Jeruzalem wonen
en nu nog niet bij het volk van God horen wel mogen horen bij het volk van God.
Ook de mensen die aan de rand van de wereld horen
en voor hun gevoel ver bij God vandaan zijn,
deze Jezus heeft ervoor gezorgd dat ook zij bij God mogen horen.
Ook als je er niet mee opgevoed bent, of als je er nu voor het eerst over hoort.’
Als de man uit Ethiopië deze woorden hoort,
Dan beginnen zijn ogen te glinsteren.
De reis wordt nog mooier dan hij al was.
Hier op de terugweg krijgt hij iets extra’s wat hij in Jeruzalem nog niet had.
Dat hij bij het volk van God mag horen.
Dat wil hij ook, want de God van Israël is een bijzondere God.
Hij wil geen andere God meer dienen. Alleen maar deze God.
‘Wat een bijzonder verhaal over deze Jezus.
En mag ik doordat Jezus gestorven is ook bij God horen?’
‘Ja’,  zegt Filippus, als je het gelooft, dan mag je er ook bij horen.
‘Dat wil ik ook. Kan ik gedoopt worden?’
Wat bijzonder voor deze man, wat bijzonder voor Filippus.
En dan gebeurt het: de man wordt ook gedoopt.
De man gaat het water in, helemaal onder water, en komt weer boven:
Ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Als ik hier in de kerk kinderen doop – dat is afgelopen zondag nog gebeurd –
geef ik hen altijd een Bijbeltekst mee, die speciaal voor hen is bedoeld.
Deze man zou de woorden van Petrus mee kunnen krijgen op de Eerste Pinksterdag:
Want u komt belofte toe, en uw kinderen, en allen die veraf zijn.
zovelen als er door de Heere onze God naar Hem worden toegeroepen.

Ik mag erbij horen. De man hoort het en weet het doordat hij wordt gedoopt.
Blij verrast: Ook ik ben van God.
Ze mogen dan nog wel naar mij kijken alsof ik een vreemde ben,
iemand met een andere huidskleur, waar je tegenop kijkt, of waar je bang voor bent,
iemand die heel anders lijkt en toch: ook ik mag bij de Heere horen.
Blij verrast gaat hij naar huis.

Vandaag is het dankdag.
Jullie en wij allemaal zijn in de kerk gekomen
om vandaag op deze dag speciaal de Heere te danken
te danken voor wat Hij geeft: eten en drinken, kleding, werk voor je vader en moeder.
Als de Heere dat allemaal geeft, heeft Hij daar een bedoeling mee:
Dat we van Hem gaan houden, dat we zien dat Hij ook onze God wil zijn
en voor ons wil zorgen, voor alles wat we nodig hebben om hier op aarde te kunnen leven,
maar ook voor later, als ons leven voorbij is
om dan bij Hem in de hemel te mogen komen.
Zalig Hij die in dit leven – Jakobs God ter hulpe hebt.
Dan mogen ook wij blij verrast zijn vanwege alles wat God ons geeft.
Amen


 

Handelingen 8:26-39

Handelingen 8:26-39

Er rijd een man op de weg tussen Jeruzalem en Gaza. Deze man die uit Ethiopië komt, is in Jeruzalem geweest om de God van Israël te aanbidden. Op de terugweg leest hij hardop uit het Bijbelboek Jesaja. Tijdens deze rit komt hij Filippus tegen, die door een engel van God op pad is gestuurd naar deze weg.
Lukas, de schrijver van Handelingen, vertelt in enkele woorden wie deze man is: een eunuch, een belangrijke ambtenaar van Candacé, de koningin van Ethiopië. Deze man is belangrijk omdat hij over de financiën gaat. Het lastigste is hoe we deze typeringen moeten duiden en welke rol ze mogen hebben bij de uitleg van dit gedeelte.
Candacé is geen naam, maar een titel, vergelijkbaar met koningin. In dit gedeelte lijkt het erop alsof Lukas het als een eigennaam beschouwt. Deze koningin heerst over Ethiopië. Dat is niet het huidige Ethiopië, maar naar alle waarschijnlijkheid Nubië (het huidige Sudan), met als hoofdstad Meroë.
Vooral onduidelijk is hoe we de typering eunuch moeten zien en welke toegang hij tot de tempel in Jeruzalem heeft gehad. Moeten we van deze eunuch uitgaan dat hij gecastreerd is en dat hij als gecastreerde en als heiden geen toegang had tot de tempel? Het woord eunuch kan ook echter gebruikt worden voor een hoge ambtenaar en het is niet noodzakelijk te veronderstellen dat hij gecastreerd was.
Mocht deze man de tempel betreden? Als hij geen Joodse afkomst had, mocht hij alleen in het voorhof van de heidenen komen. Uitleggers, zoals Joseph Fitzmyer, werpen de mogelijkheid op dat deze man Joods was of een proseliet (een tot het Jodendom bekeerde heiden). Dat ontlenen ze aan de structuur van het boek Handelingen: pas in hoofdstuk 10 krijgt Petrus door middel van een visioen te weten dat ook heidenen gedoopt mochten worden. Alleen de manier waarop Lukas de afkomst van deze man verwoordt, is dat hij toch een heiden lijkt te zijn.
Waarom vertelt Lukas dit verhaal eigenlijk door? Er zijn vast meerdere verhalen die hij kende, die hij niet heeft opgenomen in zijn boek over de verspreiding van het evangelie.
Er spelen allerlei verwijzingen uit het Oude Testament mee:

  • De Nubiërs zullen zich met hun geschenken haasten naar God (Psalm 68:32)
  • Het rijzige volk met de glanzende huid, het alom gevreesde volk van de Nubiërs zullen tot Sion komen, waar de naam van HEER van de hemelse machten woont (Jesaja 18).
  • Vanuit de verstrooiing zullen ze komen, van de einden der aarde (Zefanja 3:10, Jesaja 11:11).
  • Nubië is de grens van de bekende wereld. Oa de grens van het rijk van koning Nebukadnezar (Daniël 3:1LXX) en Ahasveros (Esther 3:12LXX). Zie ook Genesis 2:13.
  • Wanneer Lukas met de eunuch bedoelde dat deze man gecastreerd was, speelt ook Jesaja 56 een rol.

Al deze teksten worden niet genoemd. Hooguit kan men ze als allusie (toespeling) opmerken. Een tekst die wel genoemd wordt, is de tekst die de Ethiopiër leest: Jesaja 53. Dit gedeelte is voor Filippus aanleiding om over Jezus te vertellen. De man vraagt daarna of er ook een belemmering is om gedoopt te worden. Die belemmering is er niet. De voorwaarde om te belijden, is een (heel oude) toevoeging. Zowel Filippus als de man verlaten de plek. Filippus is elders het goede nieuws aan het vertellen; de man reist met vreugde terug naar zijn vaderland.

Hoe past dit gedeelte in het geheel van Lukas-Handelingen? Allereerst de vreugde, die de man heeft en waarmee hij zijn weg vervolgt. Vreugde is er in de hemel en op aarde is iemand gelooft in Jezus.
Het verhaal past ook goed in de visie die Lukas heeft op zending. Lukas vertelt niet alles over de uitbreiding van de kerk. Over hoe het in Syrië, Egypte en gebieden ten noordoosten van Palestina aan toegaat, lezen we niet. Wel hoe het evangelie in Samaria, Klein-Azië, Griekenland en uiteindelijk in Rome komt. De leerlingen van Jezus moeten het goede nieuws tot aan het einde van de aarde brengen (Handelingen 1:8). De belofte van redding is er voor degenen die veraf zijn en die de Heer tot zich zal roepen (Handelingen 2:39). Nubiërs worden nog niet genoemd bij de volkeren die op het Pinksterfeest aanwezig zijn en dan de boodschap horen. Nu komt er een op eigen beweging naar Jeruzalem om voor de God van Israël neer te knielen en te aanbidden.
Het past ook in de visie van Lukas op Christus: Jezus als de vervuller van de beloften in het Oude Testament (Lukas 22:20, 24:27) en de redder van de zonden (Lukas 2:11,). Minstens net zo belangrijk als de visie op zending is het geloof dat gewekt wordt als de man over Jezus hoort vertellen vanuit de Schrift (Lukas 24:32). Voor Lukas was Jesaja 53 een belangrijke tekst, die hij op Jezus toepaste.
Voor de lezer uit die tijd is deze man in ieder geval een curieus figuur. Iemand die aan de rand van de beschaving woont. ‘Als er één persoon is in het Bijbelboek Handelingen die vanuit bepaalde culturele stereotypen “de (vreemde) ander” representeert, iemand “die aan de rand van de beschaving” woont, is dat wel deze man.’ (C.K. Barrett)

Homiletische gedachten
Dit gedeelte is door de HGJB gekozen als thema voor de dienst op dankdag, waarbij de kinderen aanwezig zijn. Dit verhaal kan helpen om dankbaar te zijn voor wat God doet in ons leven, dankbaar voor het geloof. Het thema is: Blij verrast. Dankdag is er om je dankbaarheid naar God te uiten en om een houding van dankbaarheid aan te leren.

Hoe kan een preek worden opgebouwd? Het verhaal is redelijk bekend. Om de aandacht te houden is er een inleven nodig die verrassend is. Het verhaal is ook niet al te uitgebreid: Filippus die de opdracht krijgt van de engel, de man op de terugweg die een boek leest, een gesprek over Jezus naar aanleiding van een Bijbelgedeelte, de doop en de terugweg. Er zijn wel heel wat ‘gaten’ in de tekst:

  • Waarom de man naar Jeruzalem gaat: uit behoefte, als opdracht van de koningin?
  • Wat hij in Jeruzalem deed: mocht hij de tempel in of niet?
  • Hoe hij terug reisde: was hij teleurgesteld of was hij juist dankbaar en geraakt dat hij daar in of bij de tempel mocht zijn?
  • Hoe kwam hij aan de boekrol van Jesaja? Waarom had hij die gekocht? Wat was er gebeurd als hij Filippus niet was tegengekomen?
  • Wat is de uitwerking? Hoe komt hij thuis? Spreekt hij er met de mensen om hem heen over Jezus? (Er is geen enkele aanwijzing dat er in de eerste eeuw in deze regio een kerk is ontstaan)

Hoe komt het Bijbelgedeelte terug in de preek? Ook dat kan op verschillende manieren:

  • Vanuit de ik-persoon  of vanuit de derde persoon? En welke persoon is dan de hoofdpersoon: Filippus, de kamerling of iemand uit de stoet van de kamerling of een andere persoon van buiten het verhaal?
  • Welke toegang tot het verhaal: moet de man een identificatiefiguur worden of een vreemde waarbij hij voor de kinderen iets curieus blijft houden?
  • Start in Nubië met de wens om naar Jeruzalem te gaan, de voorbereidingen, de reis, de aankomst en de terugweg.
  • Start in Jeruzalem. Eventueel een terugblik naar de reis ernaar toe. Vertellen hoe het in Jeruzalem is gegaan met het bezoek aan de tempel en het kopen van de boekrol. En dan de terugreis.
  • Vertellen vanaf de terugreis. Eventueel met flashbacks.
  • Vertellen met het vervolg en dan de aankomst. Eventueel met flashbacks.