Preek 1 januari 2015

Preek 1 januari 2015

Gemeente  van onze Heere Jezus Christus,

Op deze eerste dag van het nieuwe jaar
beginnen wij met het nieuwe begin dat God maakt.
Het gaat er niet om dat wij een nieuwe start maken.
Natuurlijk, voor ons kan een nieuw jaar een nieuwe start zijn,
Je hebt een goed voornemen,
je wilt dit jaar stoppen met een slechte gewoonte:
stoppen met roken, minder tijd achter internet
of juist een nieuw patroon in je leven brengen, zodat je een goede gewoonte ontwikkelt:
meer tijd voor het gezin, voor God, voor stille tijd.
Vanmorgen gaat het over een begin dat God maakt,
een nieuw begin
door Zijn Zoon te sturen:
Het begin van het evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God.
Dat begin van het evangelie is niet zomaar een begin,
zoals wij ergens mee zouden beginnen.
Maar het gaat erom dat Jezus het helemaal opnieuw doet,
ons leven, onze weg die wij door het leven gaan,
de weg van Israël, het volk van God
daarmee maakt Jezus een nieuw begin.
Het begin van Jezus’ missie op aarde is een nieuw begin voor ons allemaal.
En dat begin dat Jezus maakt met ons leven
is radicaler dan welke verandering wij ook kunnen doorvoeren
en snijdt dieper in ons dan het afleren van een slechte gewoonte
en brengt ons oneindig veel meer dan het aanleren van een nieuwe, goede gewoonte.

Het begin dat Jezus maakt is goed nieuws voor ons.
Daar kunnen we niet alleen een heel jaar mee door,
maar een heel leven
en met dat begin dat Jezus maakt, kunnen we ook het leven verlaten
en kunnen we als Gods tijd gekomen is
ook voor God verschijnen.
Jezus gaat een weg hier op aarde
en die weg dat is ook de weg van ons leven.
Hij doet die weg over.
Dat kunnen wij zelf niet.
We zouden zelf wel eens bepaalde keuzes willen overdoen,
omdat die achteraf zoveel hebben gekost
omdat we er zoveel last van hebben.
We kunnen het hooguit uitpraten en goedmaken,
maar overdoen kunnen wij niet.
Het begin van het evangelie: Jezus maakt met ons leven en voor ons een nieuw begin.
En boven die weg die Jezus voor ons gaat
waarmee Hij onze weg overdoet staat:  evangelie.
De komst van Jezus betekent: evangelie,
een bericht van Gods kant
waardoor ons leven weer tintelt van vreugde,
Waardoor we opleven en ons zo gelukkig voelen
zoals we ons nooit hebben gevoeld.
Het begin van het evangelie
en niet het begin van het oordeel van God of Zijn toorn,
niet het begin van ter verantwoording roepen,
maar het begin van het evangelie.
Zo begint God opnieuw.
Met uw leven en met mijn leven.

Dat Jezus een nieuw begin maakt met ons leven, met uw en mijn leven,
dat heeft Markus niet zelf verzonnen.
Want dat zou je tegen hem kunnen inbrengen:
Waarom zou God met mijn leven opnieuw willen beginnen?
Wat maakt mijn leven nou zo bijzonder?
Ja, dat de Heere met anderen opnieuw begint, maar met mijn leven?
Maar Markus heeft het niet zelf verzonnen.
Hij wijst op wat de Heere al eerder gezegd heeft:
 Zie, Ik zend mijn engel voor uw aangezicht uit.
Daarmee wil Markus zeggen: God heeft het al eerder gezegd
en wat Hij toen zei wordt nu waar.
Het nieuwe begin dat Jezus moet maken, doet Hij in Mijn Naam, zegt God.
en Jezus die komt, en ons leven overdoet, is God zelf.
Jezus die komt is niet alleen de Christus,
maar ook Gods Zoon
en dat betekent niet dat Jezus minder is dan God
maar komt namens God, als vertegenwoordiger van God,
als God zelf
en Hij komt om weer in ons leven te komen
en Zijn komst is een nieuwe weg
die misschien wel door mensen is gelegd,
door wat een ouderling zei of een vriendin,
door een goede raad van een gelovige opa,
voorgehouden door een vader of moeder,
maar het is een weg die in opdracht van de Heere wordt aangelegd in je leven
zodat God zelf over die weg naar je toekomt
en weer opnieuw met jou en voor jou begint.

Dat God opnieuw met ons gebeurt
is het duidelijkst te zien in de weg die Jezus gaat in de woestijn.
Hij wordt door de Geest uitgedreven.
Een merkwaardige formulering:
Want het zijn normaal gesproken de boze geesten, de demonen die uitgedreven worden.
Het zijn de inwoners van Kanaän die uitgedreven worden om plaats te maken voor Israël.
Het is Adam die uitgedreven wordt uit het paradijs.
Nu wordt Jezus uitgedreven in de woestijn.

Dat is een onverwachte wending,
want alles was in gereedheid gebracht:
Johannes had het volk opgeroepen om tot inkeer te komen,
ze hadden geluisterd en hadden zich laten dopen.
Ze waren er klaar voor om de Heere te ontmoeten:
de weg was klaar en de Heer kon over de weg naar hen toekomen.
en toen Jezus kwam om gedoopt te worden
ging de hemel open boven Jezus
om niet meer dicht te gaan,
de hemel werd opengescheurd
en God stelde Zijn Zoon voor: Dit is Mijn Zoon.
dat was toch een mooie start geweest?
Jezus verenigd met Zijn volk en iedereen die ervoor klaargemaakt was
om met Hem te leven.
Maar Jezus’ plaats is niet in de schijnwerpers.
we zullen dat in de komende tijd vaker zien,
dat Jezus zich terugtrekt als Hij teveel in de spotlights zal staan.
Zijn plek is niet in het centrum en ook niet aan de rand,
maar erbuiten, in de woestijn,
dat wijst al vooruit hoe Jezus zal eindigen,
aan het kruis buiten de stad,
dan zullen de soldaten Hem meenemen en naar buiten de stad brengen, naar Golgotha.

Hier is het de Geest die Jezus naar buiten leidt.
Voordat Jezus gestorven is aan het kruis,
moet Hij niet teveel en te vaak in het centrum staan.
Pas als Hij gekruisigd is geweest, dan weten we hoe God het bedoelde.
Daarom leidt de Geest Jezus weg van het centrum,
van de aandacht en de spotlight
naar de eenzaamheid
40 dagen lang is Jezus buitengesloten van de mensen,
in de woestijn, de plaats van Israëls ongehoorzaamheid en opstand steeds weer.
Daar waar niemand van de mensen Hem op het oog heeft,
is er één die Hem wel ziet en weet te vinden: de satan.
Satan ziet dat nieuwe begin voor de mensen niet zitten.
Gods schepselen, Gods mensen kon hij voor zich winnen.
Wat zou het mooi zijn als hij Gods eigen Zoon kon winnen.
Lukt het in hem niet om Jezus in het openbaar te verleiden,
dan misschien wel op die verborgen plaats, buiten de gemeenschap.
Niemand hoeft het te weten dat Gods Zoon een misstap begin.
Maar Jezus houdt het vol, al vertelt Markus het niet hier dat Jezus de verleidingen weerstaat,
we kunnen dat alleen vinden als we het evangelie verder vervolgen.

Jezus hield zich staande
ook omdat het naar buiten gestuurd worden ook aan iets anders herinnerde.
Israël moest namelijk één per jaar een bok de woestijn sturen,
op deze bok werd de schuld en de zonde van het volk van dat jaar gelegd.
Die bok, de zondebok, droeg de schuld en de zonde van het volk weg.
Jezus mag niet ingaan op de verleiding van de satan,
want dan kan Hij de zondebok niet meer zijn,
kan Hij geen nieuw begin meer brengen
omdat Hijzelf dan een nieuw begin nodig heeft.
Maar Jezus heeft geen nieuw begin nodig,
Hij is zelf het nieuwe begin: voor u en voor jou.
Daarom is Zijn weg voor u goed nieuws:
Hij maakt alle dingen nieuw, ook uw leven, al zou je zelf niet weten
hoe zo’n nieuw leven van je eruit zou zien.

We zien het al in de woestijn wat dat nieuwe leven moet worden.
Jezus verblijft bij de wilde dieren.
De wilde dieren, dat zijn de dieren die buiten het paradijs gekomen zijn
en wild geworden door de verkeerde keuze van Adam en Eva in de hof.
Jezus leeft met hen samen,
niet omdat Hij het op een akkoordje heeft gegooid,
of omdat Hij daar goed tussen past,
maar wel omdat het laat zien, wat Hij kwam doen.
De leeuw zal met het lam verkeren.
Naar buiten gedreven, daar waar de wilde dieren zijn,
waar satan zijn gang kan gaan,
daar in het verborgen en buiten alle schijnwerpers begint Jezus zijn taak:
om verzoening te brengen,
een nieuw begin voor de hele schepping,
het rijk van Gods vrede.
Een begin van God met Zijn nieuwe wereld.
Een nieuwe wereld waarvoor Christus moest komen
door God gestuurd
gekomen om onze weg te gaan, in onze plaats.
God zelf die komt!
God maakt een nieuw begin!
Vanuit het begin dat God maakt voor ons en met ons
kunnen wij het komende jaar in.
Amen

Preek 31 december 2014

Preek 31 december 2014
Schriftlezing: 1 Samuël 7

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,
In de laatste dagen van het jaar zijn er verschillende jaaroverzichten.
Elke krant en elke nieuwsrubriek op radio of televisie heeft wel zo’n jaaroverzicht.
Wat mij bij een jaaroverzicht opvalt is:
hoeveel gebeurtenissen ik van het afgelopen jaar al weer vergeten ben.
In het afgelopen jaar waren enkele gebeurtenissen
die zoveel aandacht kregen
dat daardoor andere gebeurtenissen naar de achtergrond verdwenen.
Het jaar 2014 was het jaar van de MH17, het vliegtuig van Malaysian Airlines
dat boven de Oekraïene uit de lucht geschoten werd.
Het was ook het jaar van meerdere vliegtuigongelukken,
waarvan ook een vliegtuig van diezelfde Malaysian Airlines helemaal verdween
en nooit meer teruggevonden is.
Het was het jaar waarop de IS veel in het nieuws was,
zozeer dat de bloedige burgeroorlog in Syrië, die ‘gewoon’ doorging
het nieuws amper meer haalde, behalve de strijd rondom Kobani.
Achter elk nieuwsbericht gaan de verhalen van tallozen verborgen,
van degenen die het meemaken: de burgeroorlog in Syrië, het verblijf in de vluchtelingenkampen,
de angst voor de opmars van IS, de komst van ebola naar het eigen dorp.
Daarom is het goed om op een jaar terug te blikken
om te zien wat er is gebeurd
en vooral om er bij stil te staan wat het voor de mensen betekent
die het hebben meegemaakt.

Daarom staan we ook stil bij degenen die in het afgelopen jaar overleden zijn,
omdat we hen niet willen vergeten.
We noemen nogmaals hun namen en overdenken hun leven
en zijn betrokken bij degenen die achterblijven.
Hier in de kerk gedenken we hen voor Gods aangezicht
en denken daarbij ook vol dankbaarheid eraan
hoe de Heere in hun leven heeft gewerkt.

Als mensen vergeten wij veel,
zeker als het ons eigen leven niet raakt.
Pas als het ons eigen leven raakt, dan vergeten we het niet zo snel.
Dan dragen we het met ons mee.
Of we moeten iets tastbaars hebben dat ons aan een gebeurtenis herinnert.
Samuël plaatst daarom een steen
om te voorkomen dat het volk Israël weer vergeet.
Want zo kort na de gebeurtenis is iedereen nog onder de indruk
van wat er is gebeurt:
van het verschrikkelijke onweer dat er is geweest
en van de bevrijding na al die jaren van onderdrukking door de Filistijnen.
Samuël houdt er rekening mee
dat de Israëlieten zullen vergeten wat er is gebeurd.
En vooral zullen vergeten wat de Heere voor hen heeft gedaan.
Samuël plaatst om die renen een steen
om dat vergeten tegen te gaan.
Hij plaatst de steen op een bepaalde plaats, tussen 2 dorpen in.
Steeds als ze er langs kwamen, kwamen ze langs die steen.
Die steen zorgde ervoor dat de herinnering levend bleef
aan wat de Heere voor Israël had gedaan.
Eben Haëzer.

Hebben we dat allemaal niet nodig?
Iets tastbaars waardoor we weer herinnerd worden aan wat de Heere heeft gedaan in ons leven.
De doopkaart of een belijdeniskaart,
een bord aan de muur met daarop de tekst van het trouwen of van belijdenis.
Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen.
Aan het begin van dit jaar heb ik een knielbank gekocht.
Het is een kleine lessenaar van ongeveer 1 meter hoog,
met onderaan een kussentje waar de knieën op moeten
en bovenop een plankje waar de armen op gelegd kunnen worden als ze gevouwen zijn.
Al maak ik er niet elke dag gebruik van,
het helpt me wel om meer met mijn gebed bezig te zijn,
gebed voor mijzelf, voor mijn gezin, voor u als gemeente.
Zo’n knielbank in mijn kamer is een herinnering voor mij om het gebed niet te vergeten.
Ik merk dat het mij helpt, zoiets tastbaars en zichtbaars,
dat het mij helpt om te bidden en dat ik het ook geregeld doe,
knielen op die knielbank voor de Heere in gebed.
Ik kan het u ook aanraden – iets tastbaars dat u helpt te herinneren aan het gebed,
dat jou helpt om stil te staan bij  Gods aanwezigheid in je leven.
Want door meer tijd voor gebed te hebben,
krijg ik ook meer oog voor wat de Heere doet in mijn leven, in mijn gezin, in de gemeente.
Vandaag op oudjaarsavond staan we als het ware ook bij een steen.
We kijken terug op het afgelopen jaar
en dan niet alleen naar wat er is gebeurd
maar we kijken ook terug hoe wij in het afgelopen jaar
Gods aanwezigheid hebben gemerkt in ons eigen leven.
Wat neemt u mee van Gods werken in uw leven
en wat mag jij van dit jaar echt niet vergeten?
We moeten ons meer oefenen in het opmerken van Gods aanwezigheid
en ons meer oefenen in het vasthouden van wat Hij heeft gedaan in ons leven.

Doet u dat niet, dan begeeft u zich in de richting van de gevarenzone.
Het hoeft niet direct met uw geloof mis te gaan.
en voor het uiterlijke kan alles gewoon op een gelovige manier functioneren,
maar innerlijk verandert er dan wel iets.
Dan is niet meer de Heere die de belangrijkste plek in je leven inneemt
en dan is het niet meer de Heere die aan uw leven richting geeft.
Je zet je hart dan open voor iets anders.

Kijk maar naar wat er in Israël gebeurde.
Samuël moet het volk eerst oproepen tot bekering,
want in het hart van het volk was er niet alleen plek voor de Heere.
Ze dienden Hem wel en ze waren druk met de Heere in de weer
en betrokken Hem er overal bij.
Maar er was in hun hart nog ruimte voor een andere god: Baäl.
Voor het geval de Heere niets van zich liet horen,
of voor het geval ze de Heere kwijt waren.
Dat waren echte problemen van die tijd.
U denkt misschien dat ze in de tijd van de Bijbel veel meer van God ervoeren dan wij
en dat ze allemaal heel dicht bij God leven
en dat wij in een heel andere tijd leven
omdat wij die aanwezigheid van de Heere vaak niet zo merken.
In de periode van Samuël is het ook donker en weinig te merken van Gods aanwezigheid.
Het leger van de Israëlieten wordt verslagen door de Filistijnen
en daarbij wordt de ark meegenomen naar het land van de Filistijnen.
De ark, dat is bij uitstek de tastbare herinnering van Gods aanwezigheid,
want de ark was de troon van God.
Bovenop de cherubim, de engelen die op de ark gemaakt waren, zetelde God
om vandaaruit het lot van Israël in Zijn hand te hebben, naar de gebeden van Israël te luisteren.
Vanwege die ark was de tabernakel een plek om naar toe te gaan
met je gebeden en vragen aan God.
De ark, de troon van God wordt meegeroofd.
Goed, de ark komt terug, maar er sterven 70 mensen omdat zij de ark aanraakten
en de ark raakt op een zijspoor.
De ark wordt ergens in een dorp geparkeerd
en er wordt een jongen ingewijd die voor de ark mag zorgen.
Ze waren de Heere kwijt en Hij liet ook niets van zich horen.
20 lang bleef het stil en gebeurde er niets.
20 jaar lang wordt er door de Israëlieten gebeden, gesmeekt tot God
of Hij wilde terugkeren, of Hij wilde opstaan tot de strijd en de vijanden verslaan.
20 jaar: dat zou betekenen dat we vanaf 1994 bezig waren naar de Heere toe te gaan
of dat we vanaf nu tot 2034 niets van de Heere zouden horen
en onze smeekbeden en noodkreten tevergeefs naar de Heere werden opgezonden
en dat we ook niet ergens naar toe konden gaan
omdat de ark, de troon van God, veilig ergens opgeborgen stond, onbereikbaar, geparkeerd.

Vandaar de Baäl, de astarte – goden die binnen handbereik waren
en hun effect hebben laten zien.
Zou het volk de spanning daarvan niet hebben ingezien,
niet hebben ingezien dat het wedde op 2 paarden?
Of is dat wedden op 2 paarden, op God en toch op iets anders,
meer een praktijk die wij er ook op na kunnen houden?

Na 20 jaar staat Samuël op.
Het eerste wat hij te zeggen heeft, is een kritische opmerking
over de gang van de Israëlieten naar de Heere, over hun gebeden.
Hij houdt het Israël voor: ‘Hoe serieus zijn jullie gebeden?
Hoe serieus hebben jullie God gezocht in die afgelopen 20 jaar?
Was dat met heel je hart?
Als je met je hele hart de Heere zoekt, als het ernst is,
doe dan al die andere goden weg.’

Daar zit wel een les voor ons in.
We kunnen dus de Heere zoeken,
maar in ons hart toch nog ruimte houden voor iets anders dan de Heere.
Nu we aan het einde gekomen zijn van het jaar 2014
kijken we ook terug.
Hoe hebt u de Heere gezocht?
Was dat met heel uw hart, of was er ook nog ergens ruimte
om voor iets anders om op te vertrouwen, om het daar van te verwachten.
Kan het ook bij ons niet zo zijn
dat God voor ons soms zo verborgen is, zo moeilijk te vinden,
dat we toch wedden op iets anders?
Het zoeken van de Heere betekent ook je hart leegmaken
en daar schoon schip houden,
zodat je hart alleen van de Heere is.
Het heeft ermee te maken dat je je hart richt op de Heere.
Dat de Heere je oriëntatiepunt is, je kompas waar je leven koerst.

Israël doet het, maakt schoon schip
en doet alle afgoden weg.
Dan doet Samuël nog iets,
misschien wel omdat hij de leegte beseft in het hart van de Israëlieten,
omdat de afgoden er uit zijn
en het spannend is om alleen op de Heere te vertrouwen.
Het is alsof hij naar zijn volksgenoten kijkt
en denkt: de eerste stap heb je gedaan en dat was geen makkelijke stap
om afscheid te nemen van alles wat je houvast biedt.
Hij zegt: kom naar Mizpa, dan zal ik voor jullie bidden.
Mooi is dat, toch? Samuël die aanvoelt dat het volk nog wankel op de benen staan,
het moet nu alleen maar op de Heere vertrouwen en niet leunen op iets anders.
Ze komen berouwvol en met een nieuwe toewijding aan de Heere.
Ze doen dat door water dat ze bij zich hebben, en water is in die omgeving
een schaars en kostbaar iets,
dat water dat zij zelf nodig hebben, gieten ze uit:
het is van de Heere.
Echt leven komt bij de Heere vandaan – ons leven is voortaan van u.
We verwachten het van u: bij U Heer is de levensbron.
Israël begint met een fris geloof, vol hernieuwd vertrouwen op de Heere, zo las ik ergens.

Maar tegelijkertijd is het maar een kwetsbaar gebeuren,
kijk maar als de Filistijnen komen.
De Filistijnen komen als Israël samengekomen is
om zich weer toe te wijden aan de Heere.
zo gaat het vaak het geloof:
je wijdt je opnieuw toe aan de Heere,
na een tijd waarin je het erbij hebt laten zitten, of halfhartig was, niet met héél je hart,
een nieuw en fris begin
en dan komt de dreiging, de aanval.
De Filistijnen komen eraan!
Dan komt het eropaan wat die nieuwe toewijding betekent.
Hebben ze zich tevergeefs aan de Heere toegewijd?
Was het allemaal voor niets?
Je proeft de paniek bij de Israëlieten,
maar ook wel het besef dat ze nergens recht op hebben: het is allemaal genade,
maar ze kunnen niet anders.
Als Samuël niet voor hen bidt, dan… Samuël is hun enige hoop.
Laat toch niet na voor ons te bidden.

Het is spannend voor het volk Israël.
Terwijl Samuël bezig is met het offer komen de Filistijnen dichterbij.
En ze vallen Israël aan terwijl Samuël het offer brengt.
Maar dan … gebeurt er iets.
Het is een omkeer voor Israël.
Het is een ingrijpen van God.
Want terwijl de Filistijnen onder het offer Israël bereiken en de strijd beginnen,
begint ook God, staat ook Hij op.
En dan blijkt Israël de Heere te leren kennen op een manier
waarop ze Hem 20 jaar lang niet hebben gekend
en misschien was er wel niemand onder het volk die er uit eigen ervaring over kon vertellen
en wisten ze het alleen van de verhalen die aan hen doorverteld werden

Dat de Heere een God is die voor je strijd
de strijd aanbindt tegen de tegenstanders en hulp biedt en uitredding brengt.
Op die dag deed de Heere een machtige donder rollen.
Dat is meer dan een natuurverschijnsel waarvan de Filistijnen schrikken.
Want het is niet zomaar hevig noodweer waardoor de Filistijnen moeten afdruipen.
Dat onweer, de rollende donder geeft aan
dat de Heere zelf afdaalt, vanuit de hemel en de strijd op aarde aanbindt
tegen de vijanden van Zijn volk.
God zelf komt op aarde.
De ark redde de Israëlieten niet. De ark werd meegenomen
en God deed toen niets, omdat ze dachten dat God wel zou komen.
Nu ze onzeker zijn of God wel komt en alleen maar zich kunnen vastklampen aan de Heere,
want andere goden hebben ze niet meer in hun hart,
komt God zelf. In al Zijn macht en majesteit.
Na 20 jaar stilte. Na al die jaren niets van zich te hebben laten horen.
een omkeer, omdat God zelf komt.
En de Filistijnen worden het land uitgejaagd, een bevrijding omdat God zelf komt.

Als alles achter de rug is plaatst Samuël een steen.
Wat God deed, dat mogen we als volk nooit meer vergeten.
Dat moet in ons hart blijven.
De steen van Samuël is geen monument, zoals je wel kunt zien in de dorpen in Frankrijk of Duitsland,
of een monument zoals bij de Slag van Heiligerlee (De eerste zege in de 80jarige worsteling voor de vrijheid). Geen nadruk op wat mensen hebben gedaan,
maar herinneren van God heeft gedaan.
Wij hebben een God die niet in de hemel blijft zitten toekijken.

Zo gaan wij dit jaar uit.
We denken er niet alleen aan terug wat mensen hebben gedaan,
prestaties of mislukkelingen, successen of falen, vergeving of schuld,
maar we herinneren ons wat de Heere heeft gedaan.
Tot hiertoe, tot 2014, heeft de Heere ons geholpen.
Wij mogen Zijn hulp nooit vergeten.
Amen

Liturgie:
* Gezang 292: 1, 5 (NH Bundel 1938)
Stil gebed. Gebed
* Psalm 89: 1, 3 Oude Berijming
Geloofsbelijdenis
* Psalm 72: 2, 7 Oude Berijming
Gedenken van degenen die overleden zijn
* Op Toonhoogte 17: 9, 10 (=Psalm 73 NB)
Gebed
Schriftlezing: 1 Samuël 7
Collecte
* Psalm 29: 1, 5, 6 Oude Berijming
Verkondiging
* Psalm 99: 1, 5, 7 Oude Berijming
Gebeden
* Gezang 293: 1, 2, 3 (NH Bundel 1938)
Zegen

Introductie en slot van de preek

Introductie  en slot van de preek

Luisteraars hebben de verwachting dat een preek te volgen is en hen meeneemt. In de introductie van de preek mag dankbaar gebruik gemaakt worden van deze verwachting.

Elke preek heeft een begin. Of een preek ook een introductie moet hebben is onderwerp van debat binnen de homiletiek. Voor de ene kant van het spectrum is er geen introductie nodig, omdat de eredienst de introductie op de preek vormt (Karl Barth). Aan de andere kant van het spectrum kan de preek als zelfstandig fenomeen los van de kerkdienst behandelt. De meeste hedendaagse homileten bevinden zich in het midden.

Theologische functie
Elk onderdeel van de preek heeft theologische implicaties. Zo ook de introductie van de preek. Barth keerde zich tegen de introductie, omdat een introductie een niet-bestaand aanknopingspunt tussen deze wereld en Gods Woord veronderstelde (vgl. Barths verzet tegen natuurlijke theologie).
De meeste homileten erkennen dat Barth een punt had, maar maken niet zo’n scherp onderscheid als hij maakte. Christelijke preken zijn in de Schrift geworteld, maar maken ook gebruik van andere gezaghebbende bronnen zoals ontmoetingen met de drie-enige God, de theologische traditie, sacramenten e.d.
De theologische functie van de introductie is om een connectie te leggen tussen de preek, de gezaghebbende bronnen en de wereld waarin wij leven.

Retorische functie
De luisteraars hebben vaak een bepaalde band met de predikant en gaan de preek met een bepaalde verwachting beluisteren. Een predikant is gastvrij ten opzichte van de luisteraars als hij aan het begin van de preek contact maakt met de luisteraars. (Of opnieuw contact maakt, omdat er in het voorgaande in de eredienst al interactie is geweest.) Een vorm van gastvrijheid is ook een overgang maken van wat er in de dienst net voorafgaande aan de preek gebeurde. Bewustzijn van de lichaamstaal is ook een vorm van gastvrijheid.
Een introductie van de preek bereidt de luisteraars door de woordkeus, de intonatie, door de voorafgaande stilte op wat komen gaat. Zelfs minimale introducties, zoals ‘Er was eens …’ of ‘Het thema van deze preek…’, laten al iets zien van wat er gaat komen.

Praktijk
De introductie van de preek wordt bedacht ten dienste van de luisteraars. De predikant kan gebruik maken van aandachttrekkers, zoals uitdagende stellingen of vragen, paradoxale bewerkingen of hyperbolen. Zulke aandachttrekkers hebben alleen zin als de predikant hier in de loop van de preek een antwoord op geeft.
Het is zinvoller – en moeilijker – om een introductie op te bouwen die anticipeert op de verschillende aspecten en elementen van de preek. Bijvoorbeeld: de introductie neemt iets uit het Bijbelgedeelte op en brengt dat in verband met een beeld uit de liturgie en maakt een toespeling op de betekenis daarvan voor het alledaagse leven als gelovige.
Mag er spanning in de introductie zitten? Graag zelfs, want het is verstandig om niet alle kruit in de introductie te verschieten. Te weinig informatie zorgt dat de luisteraars te hard moeten werken om te begrijpen waar de preek over zal gaan.

Slot
Het slot van de preek is een van de meest cruciale onderdelen van de preek. Tegelijkertijd is het slot vaak ook een van de meest verwaarloosde onderdelen van de preek. Het laatste woord van de preek kan mogelijk het meeste impact hebben. Het slot van de preek dient daarom voorbereid te worden. Het mooiste is als het slot een doorleefde conclusie of boodschap heeft. Deze conclusie of boodschap in het slot wordt ontleend aan het proces van preek voorbereiden. Met andere woorden: deze conclusie of boodschap ontstaat vanuit het ondergaan van de bepreekte Bijbeltekst.

Vormen
Er zijn verschillende afsluitingen mogelijk:
(1) Reflectie: in het slot krijgt gemeente de mogelijkheid om de boodschap te overdenken door middel van een (persoonlijke) vraag of een voorbeeldverhaal.
(2) Toepassing: Werk in de preek toe naar een punt waarop de luisteraar wordt gemotiveerd om zelf iets te doen.
(3) Viering: In de Afro-Amerikaanse homiletiek leeft de gedachte dat een preek altijd moet eindigen met goed nieuws. Niet vanuit een emotionele behoefte, maar omdat het evangelie ook hoop biedt. Een slot kan toeleiden naar het avondmaal of meenemen in de lofprijzing.

N.a.v. Harry J. Langknecht, ‘Introductions’, New Interpreter’s Handbook of Preaching (Nashville: Abingdon Press, 2008) 392-394.
Jerry Carter, ‘Conclusions’, idem, 372.

Preek Tweede Kerstdag 2014

Preek Tweede Kerstdag 2014
Van het allerhoogte naar het allerdiepste: de missie van Christus op aarde
Filippenzen 2:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Met Kerst vieren we dat onze God naar deze aarde is gekomen.
God zelf kwam de wereld binnen die Hij geschapen heeft.
U zult het Kindeke vinden, in doeken gewikkeld en liggend in de kribbe.
Een pasgeboren baby – dat is voor ons iets vertederends.
En Gods gebaar om als baby ter wereld te komen
en als pasgeboren baby in een kribbe te liggen
kan een vertederend gevoel oproepen: ach, wat lief.
God is naar de aarde gekomen en net als ons geworden,
geboren uit een moeder, een pril begin.

Als kind ter wereld komen – dat had in de tijd van de Heere Jezus een heel andere betekenis.
Dat was geen gebaar dat vertedering opriep,
want een baby dat was ongeveer het laagste wat je kon worden.
Paulus zegt het daarom op een andere manier:
Christus heeft Zich ontledigd door de gestalte van een slaaf aan te nemen.
Dat is de manier waarop God naar deze aarde komt: als een slaaf.
Op de laagste trap van de ladder,
lager dan een slaaf kun je niet worden.
Een slaaf is iemand die niet meer de baas is over zijn eigen leven.
Zo komt God in deze wereld:
Degene voor wie iedereen in deze wereld zou moeten buigen,
die boven iedereen staat,
wordt zelf het allerlaagste, niet meer de baas over eigen leven, maar een slaaf.

Vandaag loopt de actie Slaaf voor één dag af.
Bekende Nederlanders laten zich voor één dag verhuren
om op die manier aandacht te vragen voor mensenhandel,
want slavernij komt nog steeds voor,
mensen worden als slaaf verkocht.
Maar voor één dag kun je geen slaaf zijn,
want dan kies je ervoor om jezelf voor één dag ter beschikking te stellen.
En dan gaat het ook nog eens voor een opbod
met iets wat iemand graag doet:
een Tweede Kamerlid die een rondleiding geeft door het gebouw van de Tweede Kamer,
een spreker die in te huren is voor een lezing,
een kinderboekenschrijver biedt een pakket gesigneerde boeken aan.
Het is op zich een goede actie, voor een belangrijk probleem in onze tijd.
Maar slaaf-zijn, dat is niet iets voor één dag en ook niet iets waar je zelf voor kiest.

Dat je een slaaf bent, betekent vaak dat je geboren wordt in een stam
waar iedereen op neer kijkt, die mensen zijn minder, ze kunnen minder,
ze zijn minder waard.
Ze zijn er alleen om de betere mensen te dienen
en die laten de slaven voor hen werken zonder hen er goed voor te betalen.
De slaven, ze zijn van degenen bij wie ze in dienst zijn.
Ze werken niet alleen voor hen, maar ze zijn van hen.
Ze hebben niets in te brengen en hebben alleen maar te luisteren naar hun eigenaar.
Wie als slaaf geboren is, gaat ook als slaaf denken:
voelt zich minder en beschouwt zich ook minder als de ander
voor wie hij dient
en kijkt op tegen die anderen die meer zijn.
We kunnen in Amerika zien en aan de Zwarte Pietendiscussie in ons eigen land,
Hoe de slavernij soms nog generaties door kan werken
en het gevoel geeft minder te zijn of te moeten opboksen.

Paulus zegt over de komst van onze God naar deze aarde:
Christus komt in deze wereld als slaaf, als het allerminste.
Hij was het allerhoogste,
We kunnen niet hoog genoeg denken over Christus vóór Hij geboren werd.
Zelfs de engelen in de hemel prijzen Hem en staan onder Hem.
We kunnen alleen maar over spreken door Hem in een lofprijzing,
om Hem te prijzen voor Zijn grootheid,
samen met de Vader en de Geest, de enige God die er is en die leeft en regeert tot in eeuwigheid.
Van hetzelfde wezen als de Vader, door Wie alles is geworden.
Op zo’n hoge toon begint ook Johannes met zijn evangelie, als hij over Christus spreekt:
In het begin was het Woord en het Woord was het bij God en het Woord was God.
Je zou verwachten dat Paulus om die reden spreekt over Christus,
wijzend op de hoogheid, de grootheid van Christus,
reden genoeg om Hem te prijzen en alle eer te brengen.
Maar Paulus wijst juist op de stap die Hij zette, de stap de hemel uit.
Moet u zich dat eens voorstellen: Christus is de hoogste die er is,
niets is hoger dan God en daarom is niets hoger dan Christus.
Paulus zegt dan: moet je zien welke stap Christus heeft gezet.
Christus kwam de hemel uit, naar de aarde.
en niet zomaar naar de aarde, maar als het minste dat er op aarde is: onze Heer wordt een slaaf.
Waar zou het in onze tijd mee te vergelijken zijn?
Welke groep mensen staat in onze tijd het laagst aangeschreven?
Christus nam die laagste positie onder de mensen zonder te morren in.

Christus werd daarmee lager dan wij.
De meesten van ons behoren tot de middenklasse: de groep die niet rijk is en ook niet arm,
maar daar tussen in zit.
Sommigen zouden tot dat gedeelte van de middenklasse behoren die het goed hebben.
Over de middenklasse is wel eens gezegd
dat er de angst is om arm te worden, om het bezit en het geld en de positie die men heeft,
kwijt te raken en naar een lagere sociale klasse moet,
Waar er op je neer gekeken wordt, waar je afhankelijk wordt van de steun van anderen.
Middenklassers werken liever heel hard dan af te dalen naar een lagere klasse.
Arm worden, geld kwijtraken is dan een degradatie, een afgang.
Christus kende de angst voor die degradatie, voor die afgang niet.
Terwijl het voor Hem toch heel wat meer inleveren is
dan iemand uit de middenklasse die zijn geld en positie kwijtraakt.
Dat hakt er bij ons al in en we zouden er veel aan doen om dat te voorkomen.
Paulus schrijft over Christus: Hij heeft het niet als een roof geacht om aan God gelijk te zijn.
Daarmee bedoelt Paulus: Christus heeft zich er niet krampachtig aan vastgeklampt.
We hebben allemaal wel iets dat van ons is,
waar we geen afstand van willen doen.
Als je voor je verjaardag een mooi cadeau van Lego hebt gehad,
of een nog groter cadeau: als je van iemand een eigen pony hebt gehad,
en het is ook echt van jezelf, wil je dat niet kwijtraken.
Je wilt dat niet inleveren toch?
Voor sommigen is dat het wonen in Oldebroek, dat ze voor geen goud willen inleveren
en als er dan getrouwd wordt, heeft de ander geen keus dan te verhuizen naar Oldebroek.
En dan kunnen er nog bepaalde karaktertrekken zijn,
waarvan je zegt: als ik dit moet inleveren, dan raak ik mijzelf kwijt.
Dat behoort tot mijn diepste identiteit, mijn diepste wezen.
Als ik mijn eerlijkheid moet inleveren, zegt er iemand, dan ben ik niet meer mijzelf.
Of een ander: als ik mijn spontaniteit kwijtraak, dan word ik een ander.
Soms merk dat als iemand zijn werk kwijt raakt,
iemand in een crisis terecht komt, omdat iemand zich voor zijn werk heeft ingezet.
Christus raakte zijn positie kwijt: de hoogste die er in heel het universum te vinden is,
de gestalte van God.
Hij raakte al Zijn heerlijkheid kwijt, de hemelse heerlijkheid.
Hij heeft Zichzelf ontledigd, leeg gemaakt.
De oude Statenvertaling zegt zelfs: Hij heeft Zichzelf vernietigd.
De Hoogste die er is, die door iedereen geëerd en geprezen zou moeten worden
heeft Zichzelf vernietigd,
van Zijn hemelse glans en glorie was niets meer over
en ook niet van Zijn hemelse status,
Hij die Heer was, is een slaaf geworden – een slaaf!
Gestalte of glorie had Hij niet;
Als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante, dat wij Hem begeerd zouden hebben
.
Wat je van God niet zou verwachten, doet Hij:
Zichzelf leegmaken, vernietigen zelfs.
Zonder morren. Christus hield zich er niet krampachtig vast
als iets dat koste wat kost door Hem vastgehouden moest worden.
Hij zei niet: Die hemelse heerlijkheid, mijn goddelijke status hoort zo zeer bij Mij,
Ik kan gewoon geen mens worden, want dan raak Ik Mijzelf kwijt.

Hij is gegaan.
Naar de aarde, omdat Zijn Vader de opdracht had gegeven om naar de aarde te gaan.
En dan komen we bij de 2e reden waarom Paulus zegt
dat Christus een slaaf geworden is.
Het 1e was de lage positie. De 2e is de gehoorzaamheid.
Hij stribbelde niet tegen toen Hij het moest doen.
Ik denk dat wij allemaal ook wel iets kunnen bedenken
waarbij we tegenstribbelen.
De een houdt er niet van om de spullen van een ander op te ruimen.
Als kinderen de taak krijgen om mee te helpen met opruimen,
zullen ze zeggen: Ja, maar daar heb ik niet mee gespeeld.
Volwassenen hebben soms geen zin om een bepaalde opdracht uit te voeren,
omdat de opdracht van een bepaalde persoon komt
en ze kunnen het dan niet hebben dat die persoon de opdracht geeft.
Jezus gaat: Hier ben Ik, om Uw wil te doen.
Gehoorzaam als een slaaf
Gehoorzaam als aan Zijn Vader, gehoor gevend aan de opdracht.
Maar ook dienstbaar als een slaaf, om de mensen te dienen.
God die de mensen dient, die afstand doet van al Zijn heerlijkheid, macht en glorie.
Dat was Jezus’ missie: van het allerhoogste naar het allerlaagste.

De kerk heeft altijd vol gehouden dat Jezus op aarde ook God bleef,
maar dat Hij als God mens werd, ons mens-zijn aannam.
Hoe dat precies te werk ging, heeft voor veel discussie gezorgd:
welke goddelijke eigenschappen raakte Hij kwijt?
en wat betekent het ontledigen, het vernietigen?
Maar daar is het Paulus niet om te doen, om speculatie.
Het gaat om die stap: Christus was bereid om klein te worden, kleiner dan ons allemaal.
Hij was bereid om de minste te worden, minder dan ons allemaal.
Uit gehoorzaamheid, om ons te dienen.
Hij was bereid om vanuit het allerhoogste, de hemel, Zijn woonplaats,
naar het allerlaagste te gaan.
Zoals de geloofsbelijdenis het verwoord: nedergedaald tot in de hel.
Want dan kun je denken dat voor God er niets lager te bedenken is
dan te komen in onze rotzooi en modder,
lager te komen dan de kinderen die in de sloppenwijken opgroeien,
vaak zonder vader en moeder moeten opgroeien,
maar het was het begin van een lijdensweg.
Geen feestelijk onthaal.
Alleen wat herders, een van de laagste sociale klassen van die tijd.
Wat zonderlinge wijzen uit een ver land, die er een hele reis voor over hadden.
Maar verder niet welkom geheten.
Geen welkomstcomité, geen volksfeest omdat de Koning geboren is,
maar uiteindelijk het tegenovergestelde.
God die komt om ons te dienen en lager en minder wordt dan wij zijn,
wordt aan de kant geschoven, verworpen, eindigt aan het kruis,
door iedereen uitgekotst.
Zo komt God op deze aarde – minder dan wij en toch verworpen,
gekomen om ons te dienen, maar aan de kant geschopt.
Er werd op Hem neergekeken.
Toch bleef Hij tot het einde toe gehoorzaam aan God.
Jezus’ missie: van het allerhoogste naar het allerlaagste.

En dan zegt Paulus tegen de gemeente van Filippi
en ook tegen ons:
Laat die gezindheid in u zijn die er ook in Christus Jezus was.
Dat is de reden waarom Paulus spreekt over Jezus’ missie
Van het allerhoogste naar het allerlaagste.
Om ons, u en mij, aan te spreken op onze houding:
Laat die gezindheid in u zijn die er ook in Christus Jezus was.
De bereidheid om een slaaf te worden voor een ander,
Dat wil zeggen: bereid zijn om van onze troon af te komen.
De ander moet niet naar mij toekomen en pas als hij naar mij komt
kan de ruzie uitgepraat worden en kan er vergeven worden.
Nee, Jezus’ gezindheid om af te dalen en naar de vijanden van God te gaan
die Zich van Hem hadden afgekeerd.
Die het zich geen roof heeft geacht, er niet krampachtig aan vasthield,
Wat zou er gebeurd zijn als Christus had gezegd: de mensen hebben Ons pijn gedaan,
ze moeten maar naar Ons komen.
Dan pas is het vergeven en vergeten.
Nee, Hij kwam. Om te dienen.
Laat die gezindheid in u zijn,
als u vanmiddag uw familie opzoekt – de gezindheid van Christus Jezus.
Laat die gezindheid in u zijn,
als u vanmiddag of morgen of met nieuwjaarsdag de snelweg op moet, het verkeer in
– de gezindheid van Christus Jezus.
Of als u met uw buren in onmin leeft,
u het gevoel heeft dat anderen u niet voor vol kunnen aanzien.
Dat doe je niet uit zwakheid, omdat je je door een ander overruled voelt
of niet tegen de ander op kunt,
maar omdat je deelt in Christus
en omdat je deelt in Hem ook deelt in Zijn minder worden, Zijn lijden.
En dan ook niet door te zeggen: ‘Kijk mij eens lijden voor de goede zaak,
Ik doe dat tenminste, ik zie de ander dat niet doen!’
Nee, want als je deelt in Christus, zeg je niet: de ander moet eerst naar mij kijken!
Nee, je leert eerst naar de ander kijken, naar wat de ander nodig heeft,
om te dienen – zoals Christus ons kwam dienen.
Wees gehoorzaam aan God, zoals Christus gehoorzaam was.
Op die manier laat u zien waarom Christus kwam,
bent u een levende toepassing van de stap die Christus zette,
laat u zien wat het gebaar van Christus waarmee Hij de hemel verliet
en Zijn heerlijkheid opgaf, voor u betekent.

De weg van Christus ging door: van de kribbe naar het kruis,
van het kruis naar de troon in de hemel.
Dat is de beloning die Christus voor Zijn missie kreeg: de hoogste naam, de naam van God zelf
mocht Hij met eer dragen.
Hij die het laagst geworden is, mag weer het hoogst eindigen.
Paulus zegt niet dat het met u gebeurt, als u gaat dienen.
Iedereen zal door Christus aanbeden worden.
Iedereen zal door Christus geëerd worden
Dat is genoeg: de lof voor Hem die kwam, naar het allerlaagste, als slaaf
de lof van iedereen, tot eer van de Vader, de Vader die Zijn Zoon zond.
Amen

Focus en function statements

Focus en function statements

Het was de homileet Thomas G. Long die de begrippen focus en function in het proces van preken voorbereiden introduceerde. Met deze termen wilde hij predikantenhelpen om vanuit de Bijbeltekst de stap naar de preek te maken.
Homileten zijn al geruime tijd van mening dat het zinvol is om het onderwerp of de boodschap van de preek te formuleren in één zin (theme sentence). Het middel van focus en function is een van de methoden om zo’n theme sentence te formuleren.

Long sloot met zijn focus en function aan bij Fred B. Craddock. Craddock formuleerde 2 vragen als stap van exegese naar preek:
(1) Wat wil de tekst zeggen? Long noemde dit focus statement.
(2) Wat doet de tekst? Long noemt dit function statement.

Focus en function statements moeten in een korte, eenvoudige zin worden verwoord. Craddock en Long willen met deze vragen en met deze statements voorkomen dat de preek over een abstract onderwerp gaat. Volgens hen is dat wel het gevaar bij de klassieke methode om het onderwerp van de preek te formuleren.

Functie van de Bijbeltekst
Zij zijn van mening dat de retorische functie van de Bijbeltekst serieus genomen moet worden in de stap van exegese naar preekopbouw. Als een Bijbeltekst bijvoorbeeld een lofprijzing is, dient de preek dat ook te verwerken.  In dit model wordt de betekenis, het genre en de functie van de Bijbeltekst met elkaar verbonden.

Transformatieve kracht
Ook het dagelijks leven en de Bijbeltekst worden met elkaar verbonden, door oog te hebben voor de dramatiek in het woordgebruik in een Bijbeltekst. De tekst heeft wanneer de tekst gehoord wordt een veranderende kracht. Maar deze transformatieve kracht werkt alleen in de interactie met de luisteraar. (Tekst is zoals tekst bewerkstelligt. De Schrift is zoals de Schrift bewerkstelligt. De preek is zoals de preek bewerkstelligt.

Context
Kenmerkend voor deze methode is dat de focus en function statements die door een predikant geformuleerd worden niet de enige mogelijke focus en function statements zijn. Met deze focus en function statements houdt de predikant rekening met de hoorders en de context van de gemeente.

Voorbeeld
De preek gaat over de gelijkenis van de verloren zoon (lukas 15:11-32). Een formulering van de boodschap van de preek zou kunnen zijn: God wacht op het verheugende moment dat wij naar God terugkeren. Een variant hierop is: Iedereen heeft genereuze vergeving nodig. De predikant zal dan willen laten zien op welke manier zijn gemeenteleden ver van God leven. Door voorbeelden van zelfgenoegzaamheid te laten zien die voor de gemeente zouden kunnen gelden. Voor deze benadering geldt dat het ver-van-God-zijn niet aangepraat moet worden of bediscussieerd moet worden, maar dat de gemeente ervaart dat zij daadwerkelijk ver van God is. De predikant dient dan niet over de gelijkenis preken, maar vanuit de gelijkenis. Het vertalen naar het heden vraagt om zowel een rijke, speelse verbeeldingskracht als een zorgvuldige reflectie.

N.a.v. Don M. Wardlaw, ‘Focus and Function Statements’, New Interpreter’s Handbook of Preaching (Nashville: Abingdon Press, 2008) 187-188.

Zie ook: Thomas G. Long, The Witness of Preaching (1989)

Preek Eerste Kerstdag 2014

Preek Eerste Kerstdag 2014
Lukas 2:8-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een groep mensen is bij elkaar voor een opname van een tv-serie.
Het zijn bekende Nederlanders die zijn uitgenodigd door de EO
om na te denken over het verhaal van Jezus’ geboorte.
Vier afleveringen lang volgen ze de reis van Jozef en Maria naar Bethlehem.

Stelt u nou eens voor
dat er serie “Oldebroekers naar Bethlehem” is.
Geen bekende Nederlanders, maar Oldebroekers of Loosen uit onze eigen omgeving,
net als wij, met de ervaringen en de vragen die wij ook hebben.
En hier in de vertrouwde omgeving denken ze na over het verhaal van Jezus’ geboorte.
Laten we ons dat eens voorstellen,
Oldebroekers naar Bethlehem.
Dan niet met bestaande Oldebroekers, maar personages die Oldebroekers hadden kunnen zijn.


[film: Intro van “De sterren van Bethlehem]

Laten we de eerste Hennie noemen.
Hennie houdt van het Kerstfeest en al weken van tevoren kan zij zich erop verheugen.
Want met Kerst zijn alle kinderen en kleinkinderen bij haar thuis.
Ze maakt een feestelijke maaltijd klaar.
Als de kinderen dan allemaal bij elkaar zijn, geniet zij enorm.
Waar Hennie ook zo van geniet is de kerkdienst.
Want in de dienst op Eerste Kerstdag is Hennie niet alleen,
maar gaan haar kinderen en kleinkinderen ook allemaal naar de kerk.
Het is voor haar dan net als vroeger, toen haar man nog leefde en de kinderen klein waren:
met z’n allen naar de kerk.
Nu gaan haar kinderen niet vaak meer naar de kerk.
Ze heeft het er maar niet meer met hen over.
Ze wil de goede band met hun niet kwijtraken,
maar vaak zou ze willen dat ze vaker met haar meegingen.
Kom, niet piekeren, nu zijn ze allemaal mee.
Voor Hennie is dat Kerst: feest met elkaar
en met elkaar naar de kerk om te vieren dat de Heere Jezus geboren is.
Ze kan niet zonder haar kinderen en kleinkinderen én ze kan niet zonder de Heere Jezus.
Op deze dag komt dat zo mooi bij elkaar.
Wat is Hennie gelukkig.

Ook Henk is gevraagd voor deze tv-serie.
Henk is niet zo’n kerkganger.
Vroeger wel, als kind, toen ging hij wel.
In de loop van de tijd is er de klad ingekomen.
Druk met zijn werk, ’s morgens vroeg ging de wekker
en ’s avonds kluste hij bij, ging hij naar anderen toe.
Als hij niet naar anderen toeging, was hij wel in zijn schuur bezig,
een echte rommelschuur.
Henk was verrast dat hij gevraagd werd en hij moest er over even over nadenken,
maar hij deed het toch toen hij werd gevraagd.
Als hij zich voorstelt, legt hij uit waarom hij toch meedoet:
‘Ik ben er niet zo actief mee bezig. Ik geloof wel en ik zou er ook wel meer mee willen doen.
Dit is voor mij een kans om me er meer mee bezig te houden.’
In de eerste aflevering krijgt hij de opdracht om iets te maken
wat voor hem met Kerst te maken heeft.
Hij moet er even over nadenken, maar dan weet hij al wat.
Hij wil het nog niet vertellen wat het wordt.
Pas als het af is, zal hij er iets over vertellen.
We zien hem bezig met hout, met stro, met kleden.
We zien langzaamaan dat er iets omhoog komt:
een afdak, een soort schuur lijkt het wel.
Het blijkt een kerststal te worden, met Jozef en Maria en het kindje Jezus in de kribbe.
Er zijn dieren in de stal.
Herders knielen bij de kribbe neer bij het Kindje
en buiten de stal is te zien dat de wijzen er  aankomen op hun kamelen.
Henk moet lachen als de camera inzoomt op de kleding:
‘Die kleren heeft mijn vrouw genaaid. Daar is zij heel goed in.
Ik vind het fijn dat zij mee wilde werken.’
Dan komt zijn vrouw in beeld. Ze straalt:
‘Sinds mijn man meedoet, is hij toch wel veranderd.
Hij staat er meer open voor en praat er meer over dan voorheen.’
Dan zoomt de camera in op een bijzonder detail in de stal.
Achter de kribbe staat in de stal een kruis.
Een eenvoudig kruis.
‘Ja’,  zegt Henk, ‘Voor mij hoort dat er toch bij.
Daar zal straks Jezus aan hangen.’
Hij is even stil en zegt dan, stil: ‘Ik besef dat Hij daar ook voor mij gehangen heeft.’
Hij is zichtbaar ontroerd als zijn grote hand het houten kruis aanraakt.

Welke Oldebroeker zouden we nog meer kunnen zien in deze serie?
Laten we haar Alissa noemen.
Als zij voor het eerst in beeld komt, is zij wat onzeker en zegt zij voorzichtig:
‘Ik weet niet zoveel over Jezus.
Ik heb enkele voor het eerst het verhaal over Zijn geboorte gelezen.
Want ik heb het van thuis niet meegekregen.
De verhalen over Jezus zeggen mij steeds meer,
ik zou bij Hem willen horen,
maar ik weet niet of dat kan, want mijn ouders hebben mij niet laten dopen.
Dat is de vraag waar ik een antwoord op hoop te vinden:
Hoe kan ik bij Jezus horen? Hoe word ik van Hem?
Later zullen ze met zijn allen bij de kerststal van Henk staan
en dan zegt Alissa het:
‘Jullie horen maar mooi bij Jezus.
Maar ik niet, want ik ben niet gedoopt.
Ik zou zo graag bij Hem willen horen. Kunnen jullie mij dat vertellen?’
Dan doet Hennie iets wat zij nooit bij haar kinderen heeft gedurfd.
Ze slaat haar arm om Alissa heen en zegt:
‘Kind, Jezus is ook voor jou geboren.
Als je voor Hem knielt, wil Hij ook jouw Heer zijn!’
Echt? Alissa kijkt haar vol verwachting aan.
‘Ja’, gaat Hennie verder, zichzelf verbazend dat zij dit durft te zeggen:
‘En je kunt ook gedoopt worden. Als je in Hem gelooft!’
Dan gebeurt er wat bij Alissa – ze loopt naar de kerststal en knielt neer
voor het Kindje – voor Jezus en ze zegt het zacht:
‘Dat U ook voor mij gekomen bent en dat ik ook bij U mag horen,
dank U wel dat U gekomen bent, ook voor mij.’

De laatste is een beetje vreemde eend in de bijt.
Ronald lacht als hij dat hoort:
‘Ja, dat hebben ze bij mij altijd gezegd.
Ik kom wel van hier.
Ik ben er mee opgegroeid. Elke zondag ging ik 2 keer naar de kerk.
Ik moest. Als ik er niet uitkwam, stond mijn vader net zo lang te roepen,
tot ik eruit kwam en meeging naar de kerk.
En vooral met Kerst, man, hoeveel diensten en kerstvieringen hadden we wel niet!
Maar dat is niet de reden, waarom ik er niets meer mee heb.
Dat kwam, omdat mijn moeder…’
Ronald stopt even, ‘dat kwam, omdat mijn moeder … jong overleden is,
in de tijd waarin ik met mijzelf overhoop lag.
Wat is ze ziek geweest en wat heeft ze geleden.
Toen ik haar zo zag lijden, toen kon ik niet meer geloven.
Niet meer in een God van liefde die degenen die in Hem geloven zo laat lijden.
Waarom ik dan toch mee doe? Goeie vraag!
Misschien wel door mijn moeder.
Vlak voor ze stierf, zei ze het tegen mij: Ronald, ik hoop dat het ook voor jou is,
dat je met God leert leven. Dan zijn mijn gebeden verhoord.’
Knielen bij de kribbe: ik weet niet of ik dat kan, of ik dat wel wil…’

Gemeente,
4 verschillende reacties op het verhaal over Gods geboorte.
Wellicht lijkt één van de verhalen wel op uw verhaal.
Hebt u naar Kerst uitgekeken om dat te vieren:
de Heiland die geboren is, waar we als gemeente over mogen zingen.
Wat mooi om dat met elkaar ook te doen.
U bent hier in de kerk en dat betekent dat de geboorte van de Heere Jezus
u iets te zeggen heeft. Het laat u niet koud!
Dat is al heel mooi!
Dan bent u al heel ver op weg.
Dan lijkt u op de inwoners van Bethlehem die het verhaal van de herders horen
en zich daarover verwonderen.
Maar is dat genoeg: alleen die verwondering?
Is het genoeg dat Kerst u iets zegt
en dat u het belangrijk vindt om daarvoor ook naar de kerk te komen?

Wat moet er nog in uw leven gebeuren voordat u de stap neemt,
zoals de herders deden,
om te knielen voor de Heere Jezus en Hem te aanbidden:
‘Heere Jezus, U bent ook voor mij geboren!
Wilt U ook mijn Heer worden? Wilt U mijn leven ook aannemen?’

En wat moet er voor jou gebeuren
voordat je net als de herders alles achter laat
en niet rust voordat je ook bij de Heere Jezus bent
en neerknielt bij Hem,
omdat je weet en gelooft: Hij is ook voor mij geboren,
mijn Heer, mijn redder?
Waar wacht je op?
Totdat er ook bij jou een engel staat
Die het tegen je zegt: ‘Zie, ik breng je namens God een boodschap!’?
Zou je dan gaan?
Weet je dan niet, dat God al naar je toe gekomen is,
nog dichter naar je toe
dan een engel ooit naar je toe kan komen?
Dat het Kindje in die kleine kribbe God zelf is,
die naar deze aarde kwam
en dat Hij jou roept om naar Hem toe te gaan?

Of is er iets anders dat je tegenhoudt
om voor Hem te knielen, omdat je nog zoveel vragen hebt.
Vragen die je diep van binnen bezig houden
en waarmee je misschien nog nooit met iemand over hebt gesproken,
die in je boven komen als je naar de Heere Jezus toe wilt gaan.
Die door je heen gaan als je wilt knielen voor Christus,
de Heere die gekomen is in deze wereld,
God Zelf was Hij, die de afstand naar ons overbrugde.
Dacht je dat Jezus die vragen niet kende?
Hij is zelf mens geworden,
geen supermens,
maar een mens net als wij.
Hij kent je vragen en Hij roept je – met je vragen
naar Hem toe en zegt: Laat Mij met je praten,
Laat Mij je uitleggen, hoe Ik God in je leven terug kan brengen.
Je zult niet alles begrijpen en je vragen ook houden, in ieder geval de eerste tijd,
maar je zult ervaren dat God er is
en er niet alleen is, maar dat Hij voor jou naar deze aarde gekomen is
om jou op te zoeken.

Of je kunt niet knielen voor Hem,
omdat je zo weinig met Hem gedaan hebt
en je voelt: zo kan ik niet met de Heere leven.
er moet eerst iets gebeuren.
Niet een bijzondere verschijning, maar eerst een last weg uit mijn leven,
de zwarte bladzijde uit mijn leven.
Maar weet je niet,
dat dit Kind geboren is, naar jou toegekomen is,
om alles wat jij verkeerd gedaan hebt, te dragen aan het kruis.
Daarom werd Hij geboren en nu roept Hij jou toe:
Laat die zwarte bladzijde niet tussen ons instaan.
Daarom ben ik juist gekomen.
Kniel bij Mij neer en geef het aan Mij over.
Dan zal Ik je schuld wegnemen
en je zult vrede ontvangen – Mijn vrede die Ik je geef.

En weet je waarom Ik naar deze aarde kwam?
Heb je het de engel niet tegen de herders horen zeggen?
Omdat God om mensen geeft.
Een groter bewijs van liefde kunt u niet krijgen dan dit Kind in Bethlehems kribbe.
Want dat zegt jou, zegt u:
Ook voor u, en jou is Hij gekomen
om ook voor u en jou degene te zijn
die jou, die u in Gods Naam komt halen
om u en jou bij God terug te brengen.
Amen

Formuleren van het onderwerp van de preek

Formuleren van het onderwerp van de preek

Het is zinvol om in één zin het onderwerp van de preek te formuleren. In deze zin wordt verwoord welk idee de preek wil doorgeven of onderzoeken. Het formuleren van het onderwerp is een van de belangrijkste stappen in het preekvoorbereidingsproces.

Standaardregel in de retorica is dat het onderwerp in een eenvoudige zin wordt geformuleerd. Niet in een zin met bijzinnen.  Het onderwerp van de preek wordt geformuleerd met een constatering en een claim. De zin wordt in de tegenwoordige tijd geformuleerd.

Er zijn twee soorten preken: preken gebaseerd op een Bijbeltekst en preken gebaseerd op een thema. In themapreken is het onderwerp van de preek een paraplu of brengt eenheid in de preek aan. In preken gebaseerd op een Bijbeltekst wordt de formulering van het onderwerp ontleend aan de exegese van de tekst.

Stromingen
Vandaag de dag zijn er 3 stromingen binnen de homiletiek die een pleidooi voeren voor de formulering van het onderwerp. Er is ook één stroming die het formuleren van het onderwerp in één zin geen goede stap in het preekvoorbereidingsproces vindt.

1. De Bijbeltekst is bevat één boodschap
Er is een stroming binnen de homiletiek die aansluit bij de traditionele gedachte dat een Bijbelgedeelte slechts één boodschap bevatte. De exegese werd gestuurd door twee vragen:
(1) Wat is de historische setting van deze tekst?
(2) Wat is de objectieve betekenis van deze tekst?
Wat de tekst wilde zeggen was dan gelijk ook het onderwerp van de preek.

Halverwege de 20e eeuw kwam de gedachte op dat een Bijbelgedeelte meerdere boodschappen bevat. Het ontlenen van betekenis of boodschap aan de Bijbeltekst heeft ook te maken met de vooronderstellingen van de Bijbellezer.

Verandering
In 1958 publiceerde H. Grady Davis zijn Design for Preaching. Dit is in de Amerikaanse homiletiek een belangrijke publicatie: het begin van veranderingen en een voorloper van de New Homiletic.  Volgens Davis zijn de vragen die de traditionele exegese sturen niet de vragen de vragen die leiden tot het uitwerken van een preek. Het onderwerp van de preek is voor hem theologisch en heeft betrekking op een aspect van het evangelie van Christus. Het onderwerp van de preek is een idee dat groeit, gestuurd door de volgende vragen:
– Waar spreek ik over?
– Wat betekent dit? / Wat moet er gezegd worden?
Deze dubbele vraagstelling had een theologische en een retorische intentie. Deze twee vragen leidden tot de volgende 2 stromingen:

2. Onderwerp heeft een retorische achtergrond
De retorische stroming geeft aan dat een preek hetzelfde moet dan als wat het Bijbelgedeelte bij hen deed als eerste lezer /  hoorder (Fred B. Craddock, Thomas G. Long). In de preek dient de predikant te anticiperen op wat een Bijbelgedeelte bij de hoorders zal doen. Hierbij is het literaire genre van het Bijbelgedeelte ook van groot belang. Deze stroming wil recht doen aan de retorische intentie van de tekst. Zo publiceerde Thomas Long in 1988: Preaching and the Literary Forms of the Bible.

3. Onderwerp heeft een theologische achtergrond
De theologische stroming wil meer aansluiten bij de ontwikkeling van het evangelie in de Bijbeltekst, bijvoorbeeld door te focussen op het handelen van God in de Bijbeltekst (Bryan Chapell, Paul Scott Wilson). In deze stroming kan de preek uit twee contrasterende delen bestaan: vraag en antwoord, wet en evangelie, zonde en genade, Wilsons eigen model van de 4 pagina’s van de preek. Deze stroming wil recht doen aan de theologische intentie van de tekst.

Beide stromingen gaan ervan uit dat er niet alleen een idee wordt doorgegeven, maar dat een preek argumenten (logos), gevoelens en ervaringen (pathos) en karakter (ethos) communiceert. In deze beide stromingen zijn de literaire kenmerken van een Bijbeltekst van belang: genre, beelden, stijl. Het onderwerp van de preek is niet langer meer eens statische zin onderverdeeld in punten, maar een organisch idee dat groeit en beweging (moves) en een plot mogelijk maakt.

4. Geen onderwerp formuleren
Er is een aanzienlijk deel van de homileten die zich uitspreken tegen het formuleren van het onderwerp van de preek (Buttrick, Lowry). Zij vinden de preek dan teveel gestuurd wordt door een (cognitief) idee. Lowry is van mening dat het geformuleerde onderwerp van de preek vaak niet veel met de Bijbeltekst te maken heeft. Preken dienen bovendien evocatief te zijn en een open einde te hebben. Sommige homileten zijn van mening dat een preek aan een ronde tafel (d.w.z. door middel van overleg) gebeurt.

Praktijk
Of een predikant van tevoren een onderwerp van de preek formuleert, hangt samen met zijn of haar gehele homiletische theorie en theologie, met de visie op de Bijbel en de rol van de Bijbel in de preek en in het proces van preekvoorbereiding.
De discussie kan ook vanuit een praktisch oogpunt bekeken worden: elke preek moet ergens over gaan en eenheid (een rode draad) hebben. Het formuleren van het onderwerp kan beschouwd worden als een gedisciplineerde poging van de predikant om voor zijn of haar hoorders een samenvatting te maken van wat er gezegd wordt.
Het ontbreken van een van tevoren geformuleerd onderwerp kan het moeilijker maken voor de luisteraar om de preek te volgen. Het overslaan van deze stap in het preekvoorbereidingsproces kan een recept zijn voor gebrekkige communicatie. Wie zich in de traditionele werkwijze niet (meer) thuis voelt, kan zijn of haar winst doen met de theologische of de retorische stroming.

N.a.v. Paul Scott Wilson, ‘Theme Sentence’, New Interpreter’s Handbook of Preaching (Nashville: Abingdon Press, 2008) 207-209.