In de eredienst gevormd voor de samenleving

In de eredienst gevormd voor de samenleving
Recensie van James K.A. Smith – Awaiting the King (2017)

Wat is de plek van christenen in de samenleving? Dat is een vraag die christenen al vanaf de 19e eeuw bezig houdt, toen niet meer het christendom, maar het liberalisme de bepalende factor in de maatschappij werd en de bestuursvorm democratie werd. De vraag werd nog acuter in de afgelopen decennia door de opkomende secularisatie en de toenemende marginalisering van de kerk.

Moet je je als christen afzijdig houden? Moet je je plek bevechten om de maatschappij om de negatieve gevolgen van de seculiere maatschappij tegen te gaan? Moet je daarvoor de politiek gebruiken? Moet je als christen juist positief in deze maatschappij staan? Voor veel christenen is het een zoektocht.
51Jr8BZaqRL._SX331_BO1,204,203,200_

Neocalvinisme
In het werk van de van oorsprong Canadese filosoof James K.A. Smith is die zoektocht te zien. Hij groeide op in een piëtistische gemeenschap, die meer afzijdig stond van de maatschappij. Tijdens het studeren ontdekte hij dat de neocalvinistische traditie, waarin hij opgegroeid was, met Kuyper en Bavinck juist een maatschappelijke betrokkenheid van christenen wilde stimuleren.

hauerwas-stanley-2
Stanley Hauerwas

Hauerwas
Nadat hij kennis maakte met de kritische visie van Stanley Hauerwas ontdekte hij dat zijn neocalvinistische traditie wel heel optimistisch en naïef was in hun houding naar de cultuur toe. Hauerwas is van mening dat de kerk een contrastsamenleving moet vormen vanuit het evangelie. De gelovige leeft wel in deze wereld, maar kan niet volop meedoen, omdat veel facetten in de maatschappij, en zeker in de politiek, botsen met de normen van het evangelie. In een tijd waarin veel evangelicale christenen zich in de VS verbonden aan de conservatieve stroming binnen de Republikeinse partij werd Hauerwas als kritische stem belangrijker.

Smith wilde een boek schrijven waarin hij wilde aangeven hoe zijn eigen neocalvinstische traditie, die optimistisch is over de rol van christenen in de samenleving, gecorrigeerd diende te worden vanuit de gedachten van Hauerwas. Hauerwas heeft er geen bezwaar tegen als christenen in de samenleving actief zijn. Hij wil vooral de kerk a-politiek houden. Wanneer de kerk in aanraking komt met politiek komt er een conflict met de normen van het evangelie.

Toch kon Smith het bij Hauerwas niet helemaal vinden. Smith vond dat Hauerwas, ondanks dat hij pleit voor gelovigen die een contrastsamenleving vormen, geen werkbare visie op de kerk in deze samenleving heeft.

maxresdefault (1)
Oliver O’Donovan

O’Donovan
Bovendien leerde door de Britse theoloog Oliver O’Donovan kennen. O’Donovan is, op basis van zijn studie van Augustinus, veel positiever over de huidige samenleving. Op allerlei manieren wordt onze moderne samenleving nog gestempeld door het christendom. Al willen velen dat niet meer zien, de christelijke wortels blijven onmiskenbaar.

2003spring_augustine_a_giant_out_of_his_time_1280x720
Augustinus
Door O’Donovan leert Smith Augustinus waarderen. Augustinus helpt Smith bij een visie die christenen niet stimuleert om zich terug te trekken van de samenleving en de politiek en zich alleen op de kerk te richten en de samenleving en de politiek alleen aan niet-christenen over te laten. Augustinus beschrijft in zijn boek De stad van God twee steden: een aardse en een hemelse stad. In de visie van Augustinus gaat het om twee samenlevingen, die tegenovergesteld van elkaar zijn en botsen. Het luistert wel nauw hoe deze visie van Augustinus wordt weergegeven.

Nogal eens wordt de visie van Augustinus zo weergegeven dat de stad van God niet van deze wereld is en dat christenen zich daarom niet met de maatschappij en zeker niet met de politiek moeten inlaten. Dat is echter niet wat Augustinus beoogde, volgens Smith. Het gaat om twee botsende visies over hoe een samenleving moet worden ingericht, over wat van burgers verwacht mag worden en wat toekomstige burgers in hun onderwijs en vorming moeten meekrijgen. Deze twee visies concurreren, omdat ze allebei een andere godsdienstige achtergrond hebben, die doorwerkt in de normen voor burgers en de normen voor onderwijs en vorming.

Liberale democratie
Ook al is onze liberale democratie seculier geworden, ze heeft wel een visie op wat van burgers verwacht mag worden en wat voor burgers nodig is. Net als het christendom heeft de liberale democratie daar rituelen voor om burgers te beïnvloeden met die visie en die normen. Daardoor zijn in zekere zin liberale democratie en christendom als concurrenten, omdat de liberale democratie de liberale normen en waarden wil meegeven. Die liberale normen en waarden komen niet altijd overeen met christelijke normen en waarden. De liberale democratie heeft daarom steeds moeite om het onderwijs en de vorming door de christelijke traditie.

Het christendom, en zeker de neocalvinistische traditie, is volgens Smith meer dan de liberale democratie in staat om ruimte te bieden aan andersdenkenden. Het neocalvinisme is ook opgekomen als een beweging die binnen de eenvormigheid van de liberale democratie de eigen stem te laten klinken.

Kritiekloos
Het zwakke punt van het neocalvinisme was, volgens hem, dat men tevreden was als men een plek aan tafel had gekregen. Had men eenmaal een plek aan tafel gekregen, dan liet men het specifieke christelijke geluid achterwege, omdat men teveel onder de indruk was van de seculiere wereld en accepteerde men die kritiekloos. Begonnen als een beweging om het specifiek christelijke geluid te laten horen, eindigde het als een beweging die Christus onbedoeld buiten de politiek hield.

Eigen geluid
Volgens Smith doet de overheid er in een liberale democratie er goed aan om verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen de ruimte geven dat eigen geluid te laten horen. Juist ten dienste van de democratie en de samenleving. Godsdienstige stromingen zijn beter dan het liberalisme in staat om de diversiteit van de multiculturele samenleving recht te doen en zijn beter in staat om tolerantie te waarborgen dan het liberalisme, is de mening van Smith.

De rol van de kerk
De rol van de kerk is om de christenen te vormen voor hun taak in de samenleving. Dat gebeurt onder andere in de eredienst. Die vorming is wel kritisch, omdat in de eredienst de christen belijdt dat Christus Koning is. De christen kijkt uit naar de wederkomst van die Koning. Zolang die Koning nog niet gearriveerd is, is elke samenleving voorlopig en geen enkele regeringsvorm of politiek perfect. Vanuit die relativering van het politieke kan de christen een constructieve bijdrage leveren aan samenleving en politiek.

Correctie van het neocalvinisme
Dat de taak van de kerk is om christenen te vormen ziet Smith als zijn eigen correctie op het neocalvinisme. In de strijd voor de eigen plek in de samenleving vergaten neocalvinisten dat het wezenlijk is hoe de christenen zich in de samenleving gedragen. De kerk is er om christenen te vormen als christenen, met christelijke deugden. Om zo als christen gevormd de plek in te nemen.

James K.A. Smith – Awaiting the King. Reforming Public Theology. Cultural Liturgies 3 (Grand Rapids, Michigan: Baker Academic, 2017).

Preek 21 juli 2019 avonddienst

Preek 21 juli 2019 avonddienst
1 Johannes 2:18-23, 1 Johannes 4:1-6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de brief die Johannes schrijft gaat het steeds over het kennen van God.
Nu zijn er, schrijft Johannes ook mensen, die ons een verkeerd beeld van God willen geven.
Ze doen dat expres, bewust.
Want ze willen dat we het beeld dat we van God hebben wordt ingeruild
voor een ander beeld.
In het beeld dat ze willen schetsen, past Christus niet.
Als je aan God denkt, moet je Christus weg-denken.
Als je aan God denkt, moet je niet aan Christus denken
en helemaal niet aan een Christus die hangt aan het kruis,
Die daar voor jou hangt.
Ze willen ons doen geloven, dat het beeld dat Johannes ons schetst, een omweg is,
een overbodige omweg,
want voor Johannes kunnen we God alleen kennen als we via Christus gaan.
Wil je buiten Christus om bij God komen, dan is dat niet mogelijk.
Als Johannes schrijft, dat we moeten bidden in de naam van Jezus
– dat zeggen we vaak aan het eind van het gebed: om Jezus’ wil, om Christus’ wil –
is dat niet een beleefde zin, die je nu eenmaal hoort te zeggen.
Nee, we zeggen dat we dit gebed alleen maar kunnen bidden
omdat we dat via Christus doen, omdat Hij voor ons de weg is tot God,
omdat we Hem hebben leren kennen.
Nu schrijft Johannes over mensen, die dat onzin vinden, overbodig.
Je kunt wel zonder dat om-Jezus’-wil.
Er is een weg buiten Jezus om tot God.
Je moet Christus inruilen. In plaats van Christus moet je God nemen.
In plaats van is in het Grieks: anti.
Anti-Christ betekent: je ruilt Christus in voor iets of iemand anders.
Antichrist kan ook betekenen: iemand die de plek van Christus overneemt
en Christus aan de kant schuift.
De antichrist komt eraan en er zijn nu al veel antichristen gekomen, schrijft Johannes.
Eén persoon, of één macht die groter is dan één persoon
die komt om de plek van Christus over te nemen en Hem overbodig te maken.
En die ene persoon of die ene macht krijgt grote invloed,
omdat voor de komst van die macht er al velen zijn, die zich laten beïnvloeden
en de plek, die Christus in hun leven innam, ingeruild hebben
en daarmee een lege plek hebben gecreëerd
die door die ene macht zo ingenomen kan worden.
Johannes legt niet uit, wie of wat hij op het oog heeft met die macht.
Dat kan bewust zijn, zodat we niet naar één kant kijken
en daardoor niet het gevaar zien dat van de andere kant komt.
Je wordt in de rug aangevallen.
Of je wordt beïnvloed zonder dat je er op bedacht bent
omdat je de tactiek niet kent die nu gebruikt wordt
om Christus in jouw leven van Zijn plek te krijgen.

Met die macht (of die persoon) die komt om de plek van Christus in te nemen,
wordt nog helderder waarom het kennen van God voor ons zo belangrijk is.
Alleen als je God kent, ben je in staat om te zien wat echt van God is.
Alleen dan ben je in staat om te zien dat wat je hoort echt door God gezegd wordt.
Heb je nu echt God in je leven? Of heb je de verkeerde in je hart?
Dat maakt nogal uit.
en als gelovige moet je, zegt Johannes, dat verschil kunnen zien.
Je moet in staat zijn als gelovige om onderscheid te maken
tussen wat wel van God komt en niet van God komt.
Dat zou wel eens een aardig criterium kunnen zijn
om te zien of iemand belijdenis van het geloof kan afleggen:
kun je bij iets aangeven of je met God te maken hebt of niet?
En zeker van ambtsdragers mag je ervan uit gaan,
dat ze dat verschil kunnen aangeven.
Iemand vertelt op huisbezoek een stukje levensverhaal,
allerlei gebeurtenissen die iemand meegemaakt heeft
En als ambtsdrager moet je in staat zijn om te zien of daarin God aan het werk is
of juist niet.
En dat is belangrijk, want er is in deze wereld een macht aan de gang
die ons juist bij God vandaan wil hebben en ons zover brengt dat we Christus inruilen
of een macht die de plek van Christus in ons leven wil overnemen.
Iemand die je – om het plat te zeggen – beduvelt.
Of om het anders te zeggen: de duivel die nog één probeert om een slag te slaan.
Want bewust een verkeerd beeld over God neerzetten,
en willen dat je Christus inruilt en uit je leven wegdoet
en via valse boodschappen invloed op je leven willen krijgen,
moeten we dat niet herleiden op de duivel die God tegenwerkt.

Dat is niet iets om ons bang te maken,
Want juist als de duivel zich roert, zegt Johannes,
mag je weten dat de Wederkomst dichtbij is: de laatste uur.
Daarom moeten we niet onder de indruk raken,
maar scherp blijven: beproef de geesten of ze uit God zijn.
De toets op basis waarvan je kunt bepalen of je met God te maken hebt
is dat je het in verband kunt brengen met Christus.
Dat je het kunt verbinden aan de komst van Christus op aarde.
In de afgelopen dagen is er veel aandacht geweest voor de eerste landing op de maan.
Er zijn in totaal 6 maanlandingen geweest.
Op de vierde missie ging James B. Irwin mee,
Een astronaut die zich later een wedergeboren christen noemde.
Hij zei: Op de maan werd het mij duidelijk dat het belangrijker is dat Christus
een voet op de aarde heeft gezet dan dat de mens een voet op de maan zette.
We kunnen als mens nog zulke technologische hoogstandjes creëren,
maar het belang ervan haalt het niet bij de komst van Christus op aarde.
Dat Christus een voet op aarde zette en dat daarmee God mens werd
en uit de hemel kwam en in onze wereld en onder ons kwam,
zodat we Hem konden zien en konden aanraken,
dat we konden zien hoe Hij de tekenen deed en vooral Zichzelf gaf aan het kruis:
dat is God – daar kennen we God.
Als je dat niet kunt accepteren, als je dat niet kunt geloven,
dan heb je God zelf ook niet.
Geen God zonder Christus, hoe mooi de verhalen over God ook gebracht worden.
Niet alles wat over God gezegd wordt komt ook echt van God.
Kun je dat in onze tijd ook nog merken, dat er over God gesproken wordt
zonder dat je echt iets merkt van Christus,
gelovigen voor wie het niet nodig was dat Jezus naar de aarde kwam?
Je kunt dan naar hele moderne kerken kijken, waar nauwelijks over Jezus gesproken wordt.
Of naar juist hele behoudende kerken waar Christus zo ver weg is
en het kruis zo onbereikbaar, dat je er niet komt.
Ik denk alleen niet dat het goed is om naar anderen te kijken,
maar naar de gevaren die wij zelf lopen, hier in onze omgeving
en binnen de kerk zoals we die hebben.
Om te voorkomen dat we in slaap vallen
en zonder dat we er erg in hebben gevaar lopen.

Nu kun je denken dat in slaap vallen niet zo erg is.
Als dat achter je bureau is of in een luie stoel is dat misschien niet erg.
Maar wel als je in een auto zit en onderweg bent en je ogen vallen dicht.
Dan raak je van de weg en bots je tegen een ander op of duik je een greppel in.
Daar wil Johannes ons voor waarschuwen, zodat we wakker zijn,
net als die 5 wijze meisjes, die voorbereid waren op de komst van de bruidegom.

Houd ons gemoed voor U bereid,
Opdat het blij Uw komst verbeid’,
Daar ’t in een stil vertrouwen leeft,
Dat Gij ons onze schuld vergeeft.

Bescherm ons, in den bangen tijd
Van zielsverzoeking en van strijd;
Laat nooit den bozen vijand toe,
Dat hij ons enig’ hinder doe.
Amen

Preek zondag 21 juli 2019 morgendienst

Preek zondag 21 juli 2019 morgendienst
Schriftlezing: 1 Johannes 5:13-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Bij iets voor een ander vragen kunnen we denken aan enkele meiden uit groep 8,
die samen op een groepje jongens afstappen.
Een van de meisjes heeft laten merken dat ze verliefd is op een bepaalde jongen,
maar ze durft het zelf niet te laten merken en zeker niet te vragen.
De vriendinnen durven het wel voor haar te vragen.
Ze gaan naar het groepje jongens toe en spreken de bewuste jongen aan:
‘Wil je verkering met haar?’
Het meisje zelf durft het niet te vragen en daarom doen zij het.
En de jongen om wie het gaat? Dat hangt ervan af.
Als hij haar leuk vindt, kan hij ermee instemmen.
Het kan ook zijn dat hij helemaal nog niet toe is aan verkering
en niet goed weet wat hij met deze vraag moet.

Je kunt ook denken aan iemand die voor een ander een baan of een stageplaats regelt.
Als je de opleiding dierenverzorging wil doen,
moet je al stage gelopen hebben bij een dierenarts.
Als je zelf geen dierenarts kent, kun je een beroep doen op iemand die wel contact heeft.
Je gaat naar diegene toe en vraagt:
‘Zou jij niet wat voor mij doen? Jij kent die dierenarts?
Kun je niet zorgen dat ik daar stage kan lopen? Want ik wil die opleiding graag doen!’

Soms kun je iemand nodig hebben die iets voor je doet, iets voor je vraagt.
Omdat je het zelf niet durft, of omdat je niet hoe je dat moet doen of waar je moet zijn.

In zijn brief schrijft Johannes over iets vragen voor een ander.
Dat kan zonder dat die ander het weet dat je het vraagt.
Je vraagt dat ook aan Iemand die je kent, niet iemand hier op aarde, maar aan God.
Als je de brief van Johannes leest, is dat iets dat je niet zomaar even doet:
naar God toe gaan om iets voor een ander te vragen.
Daar is moed voor nodig – vrijmoedigheid, een onbevangenheid,
waarbij je je niet laat terugschrikken voor de grootheid van God, voor Zijn heiligheid,
maar dat je in gebed gaat om tot Hem te naderen.
Of misschien zeg je wel: moed? Ik mag toch tot God gaan en bidden?
Als ik bid in de naam van Jezus mag ik dat toch doen?
En ik mag Hem toch alles vragen?
Dat heeft Jezus toch zelf gezegd en dat schrijft Johannes toch?
Ook al is God groot en heilig, ik mag toch naar Hem toe gaan omdat Hij dat zelf aangeeft?

Hier geeft Johannes een specifieke reden aan om naar God toe te gaan.
Om voor iemand uit de gemeente, waarvan je weet dat die gezondigd heeft
naar God te gaan – om te bidden om vergeving,
om niet uit de gemeenschap met God gezet te worden, maar om vernieuwing van het hart.
Je ziet dat iemand uit je gemeente op de verkeerde weg is,
of iemand die je kent van wie je weet dat hij of zij met Christus wil leven.
Je weet dat zonde betekent dat iemand de band met God doorsnijdt, bij God vandaan gaat.
Je weet ook: God ziet het ook en de Heere kan er voor kiezen om die ander weg te sturen.
Als de Heere dat zou doen, staat Hij in het gelijk.
Maar wat moet er dan terecht komen van diegene? Die ernst weet God toch ook?
Mag je dan een beroep doen op God, ook al weet je dat iemand zo tegen God is ingegaan?
Iemand die de richtlijnen van God kent? Die het leven met de Heere kent?
Die heeft ontdekt dat Christus redding en bevrijding geeft?
Iemand die de liefde van Christus ervaren heeft en ook nog beaamd heeft: U bent mijn Heer.
Ik kies niets boven U, naast U – geen enkele afgod kan mij bij U vandaan krijgen.
Je weet wellicht ook nog wel het moment dat diegene belijdenis deed.
Of je hebt op bijbelkring iemand zoiets geweldigs horen vertellen over de Heere
en nu dit…

Waar je concreet aan moet denken? Johannes noemt: Een zonde niet tot de dood.
Hij zegt niet, wat hij daarmee bedoelt.
Een zonde – niet tot de dood, betekent: niet helemaal met God breken.
Je wilt niet helemaal van God af.
In je hart ben je nog verbonden, maar je manier van leven staat er haaks op.
Denk aan: vreemdgaan, fraude, diefstal, als baas je personeel uitbuiten.
Johannes zegt: je moet over geen enkele zonde licht denken.
Er is geen enkele zonde, waarbij je je schouders moet ophalen
en kan denken: ach, dat is zo erg niet.
Maar er is wel verschil: Er zijn zonden, waarbij je de band met God bewust doorsnijdt.
Als bijvoorbeeld je bewust afscheid neemt van het geloof en breekt met Christus.
Je wilt geen christen meer zijn. Je geeft je geloof op.
In veel gevallen is zo, hoe erg ook, niet altijd een bewuste breuk met God.
Hij kan dan wel op een afstand staan, je kunt op dat moment niet aan Hem denken.
Als je bijvoorbeeld penningmeester van een club bent
en je merkt dat je niet gecontroleerd wordt en je staat er financieel niet goed voor
en je gaat op een verkeerde manier om met het vertrouwen dat je hebt gekregen
door een deel van de rekening naar jezelf over te maken,
breek je dan op dat moment met Christus?
Je laat wel merken, dat Christus niet meer alles bepaalt in je leven
en dat er een macht is die sterker is: de macht van het geld
of wellicht de schaamte dat je bepaalde dingen niet meer kunt afbetalen.
Om die ene zonde te verbergen heb je meerdere zonden nodig.
Je begeeft je op de verkeerde weg
en de weg naar God toe wordt moeilijker.
Als je beseft wat de gevolgen zijn van je daad, dan kun je moeilijk meer naar God gaan.
Of je verbergt je fout naar de Heere toe en bent niet eerlijk, niet open.
Of je weet dat je verkeerd zit en je blijft daarom maar weg bij God.
Daarom is ons gebed voor zo iemand nodig,
omdat hij of zij dan helemaal kan afhaken en kan wegraken bij God
of denkt in gemeenschap met God te leven, maar buiten die relatie staat
En niet verbonden is met de Heere.
Een gebed om vergeving voor iemand anders,
net zoals Mozes en Samuël voor het volk baden – zoals we zongen in Psalm 99.
Mozes die van de berg kwam en hoorde dat het volk danste voor een afgodsbeeld.
Nadat de Heere aangaf niet verder met het volk te gaan,
ging Mozes in gesprek met de Heere en zei dat ze zonder Hem niet verder kunnen gaan.
Zoals vrienden onder elkaar in gesprek zijn, deed Mozes een beroep op God:
Wij kunnen niet zonder U. Gaat U alstublieft mee met ons.
Bid voor die ander, zegt Johannes, zodat je de Heere op andere gedachten brengt
En Hij die ander niet loslaat, niet prijsgeeft, maar terugkeert
en verder gaat met Zijn werk in zijn of haar leven
– ondanks de fout die hij of zij heeft begaan.

Wat Johannes hier schrijft is bijzonder.
Allereerst het zien van wat de ander doet.
Dat is geen nieuwsgierigheid, niet zien wanneer je de ander op een fout betrapt,
Zodat je van jezelf weet dat je het beter doet.
Zien betekent hier betrokkenheid op elkaar, je hoort bij elkaar, je houd elkaar in het oog,
omdat je niet wilt dat die ander de weg met God kwijtraakt.
Wanneer het gaat om de ander zien, om zien wat de ander doet,
moet ik altijd denken aan de kassacursus die ik moest volgen.
Ik werkte vanaf mijn 16e in een supermarkt en moest ook kassa kunnen draaien.
Tijdens die cursus liet de hoofdcassière mij een aantal klanten afrekenen.
Op een gegeven zei ze: Vertel me nu hoe de afgelopen 3 klanten eruit zagen.
Een cassière moet de klanten zien
– dat werd mij ook al geleerd toen ik aantrad bij de vulploeg.
Dat geeft allereerst binding, maar had ook een tweede reden:
Wanneer je klanten ziet, heb je ook eerder winkeldiefstal door.
Dat gebeurt juist, wanneer medewerkers niet oplettend zijn en je anoniem behandelen.
Bij alle taken die je hebt, zoals het scannen van de producten en vragen om de flessenbon,
moet je ook zien wie de mensen zijn die bij je afrekenen.
Ik heb dat altijd onthouden en ik denk dat het ook voor de kerk van belang is:
Om je mensen te zien, de schapen die aan je toevertrouwd zijn op te merken,
niet aan ze voorbij te kijken, omdat je druk bent met andere activiteiten.
Zodat ze gezien zijn en zich gekend voelen,
maar ook om te voorkomen dat ze een verkeerde kant op gaan.
Uit bescherming voor hen. Niet uit bemoeizucht, maar uit bescherming.
De ander zien: vorig jaar hebben we verschillende doelen gesteund.
Toen ze op catechisatie kwamen vertellen wat ze deden,
lieten ze filmpjes zien van verschillende mensen,
Waarvan we zeggen: ze leven aan de rand van de samenleving,
zoals mensen die op straat zwerven, mensen die verslaafd zijn
en de vraag was: hoe kijk je naar hen? Wat zie je in hen?
Kun je nog zien dat het schepselen van God zijn,
die ook door Christus thuisgebracht moeten worden
en ook – net als wij – aan een nieuw leven moeten beginnen,
het nieuwe leven in Christus.
Vandaag hebben we geld opgehaald voor Stichting Ontmoeting,
‘Vastgelopen mensen worden door Ontmoeting ondersteund om hun leven weer op orde te krijgen. We leren hen om weer op eigen benen te staan, relaties aan te gaan en te onderhouden en de juiste keuzes te maken. Zo krijgen ze weer perspectief in hun leven.’
Hulp verlenen en bij te staan door ze te ontmoeten,
in de ogen te kijken, te zien wie ze zijn en wat ze hebben meegemaakt.

Wat de ander doet gaat je aan – heeft ook met u te maken.
Daarvan kunt u niet zeggen: dat is voor een dominee, wijkouderling, bezoekzuster.
Daar kunt u op z’n minst voor bidden.
Als je iemand niet durft aan te spreken, kun je het bij de Heere brengen.
Moet je het zelfs bij de Heere brengen – als je bewogen met die ander bent.
Je bent niet voor niets broeder en zuster. Dat betekent ook dat je voor elkaar bidt.
In veel gevallen kunnen wij de zonde niet uit iemand krijgen:
We zijn lang niet altijd in staat om een misstap van een ander goed te maken.
Wij zijn vaak niet in staat om iemand die verslaafd is van zijn verslaving af te helpen.
Door te bidden gaan we wel de strijd aan met de verleiding die op de ander vat heeft,
het gevecht met de zonde, door diegene om wie het gaat, bij de Heere te brengen.

Ook om een andere reden is het bijzonder, dat Johannes opdraagt om te bidden.
Want als je een ander uit je kerk een misstap ziet maken, ziet zondigen,
kun je ook teleurgesteld in die ander raken.
als de teleurstelling gaat overheersen, dan kun je niet meer goed kijken naar die ander.
Dan is alles wat die ander doet verkeerd.
Overal zoek je iets achter. Je kunt niets meer van die ander hebben.
Je kunt je gaan afzonderen van die ander, die ander gaan ontwijken.
Nee, zegt Johannes, niet ontwijken en ook niet afschrijven.
Ga in gebed voor die ander, voordat die ander nog verder wegdrijft bij God vandaan.
In de gemeente, waar Johannes aan schrijft,
heeft zich mogelijk een kerkscheuring voorgedaan:
een groep mensen stapte eruit, omdat ze andere opvattingen hadden over Christus,
Dan kun je als groep die achterblijft, daar sterk door geraakt zijn.
Dan kun je het gevoel hebben, dat die ander op jouw manier van geloven neerkijkt
En een andere kant op gaat, zich te goed voelt voor jou.
Of je voelt je in de steek gelaten.
Dan is het niet gemakkelijk om voor diegene te bidden en die ander bij de Heere te brengen.
Je moet wat in jezelf overwinnen.
Je trots, of je gekrenkt-zijn, je frustratie, je gevoel dat de ander je in de steek liet.
Ook dat mogen we bij God brengen, zoals we onszelf bij God brengen,
ook als we er zelf niet uit komen en overhoop liggen met onszelf,
omdat we merken dat er in onszelf allerlei gedachten en emoties zijn,
die niet goed zijn voor onszelf en voor ons geloof.
Johannes zegt er in een kleine zin iets groots bij: door te bidden geef je die ander het leven.
Je behoudt die ander in het leven door te bidden.
Zoveel kracht kan je gebed hebben, dat het de Heere bereikt
en de Heere iets doet, ingrijpt, de ander terugbrengt bij Hem.
Onderschat het gebed niet – ook niet in de strijd tegen de verleiding,
die vat op een ander lijkt te krijgen of heeft gekregen.

Dat bidden voor die ander heeft ook gevolgen voor onszelf:
Lieve kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden.
Dat kan overkomen als een wat onverwachte, abrupte afronding van de brief.
Maar het is hetzelfde als wat we doen in gebed voor die ander:
De strijd aangaan met de verleiding, die we tegen kunnen komen,
die vat op ons probeert te krijgen.
Lieve kinderen – Johannes spreekt ze aan op de band die ze met Christus hebben:
door Christus geliefd en door Zijn liefde kind van God geworden.
Als je die liefde kent, als je weet dat je kind van God geworden bent,
hoort daar ook strijd bij: strijd om jezelf te bewaren, te beschermen tegen verleiding.
Als je weet dat een weg niet goed voor je is, dan moet je die niet gaan.
Als je weet dat een keuze je bij de Heere vandaan brengt, moet je die tegengaan.
Je kunt je er niet achter verschuilen dat je ook maar een mens bent,
dat je ook je fouten maakt, want als je niet oppast, praat je je eigen fouten goed.
In de strijd tegen die verleiding, om onszelf te bewaren voor die afgoden,
hebben wijzelf ook gebed nodig.
Daar mag je best bij een medegelovige om vragen,
dat je broeder of zuster voor jou bidt en omgekeerd jij voor hem of haar.

Een paar weken geleden waren we als collega’s bij elkaar,
uitgenodigd door de IZB – ik heb volgens mij al eerder naar die ontmoeting verwezen
aan het einde van de morgen werden we gevraagd om degene met wie we in gesprek waren
in gedachten mee naar huis te nemen en een week voor die collega te bidden,
om volharding in het geloof, om vreugde in Christus, om te delen in de zorgen
En na een week eventueel op te bellen om te vragen hoe het gaat.
Het is een notie die in onze reformatorische traditie van groot belang is:
de zorg voor elkaar, voor elkaars geloof, elkaars zieleheil.
We zijn niet zomaar gemeente, maar als gemeente aan elkaar gegeven.
Broeders en zusters, die voor elkaar gaan – ook naar God gaan in gebed.
Zodat u, jij de mensen in de kerk om je heen draagt
en omgekeerd: jij ook wordt gedragen door de gebeden om je heen.
Het zou goed zijn als u, jij zo voor elkaar bidt
en niet wacht tot iemand gezondigd heeft,
maar al preventief bidt, zoals Jezus bad voor Simon:
Simon, Simon, zie, 

de satan heeft u allen opgeëist om te ziften als de tarwe.

Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoudt.
Amen

 

De terugblikken van ds. P.L. (Piet) de Jong en prof. dr. W(im) Verboom

De terugblikken van ds. P.L. (Piet) de Jong en prof. dr. W(im) Verboom

In 2018 publiceerden zowel Piet de Jong als Wim Verboom hun terugblik op hun werkzame leven als predikant en theoloog. De Jong doet dat in de vorm van memoires. Verboom schrijft een persoonlijke verantwoording.

De Jong en Verboom hebben gemeenschappelijk dat zij beiden van oorsprong van buiten de Nederlandse Hervormde Kerk hebben*. De Jong groeide op in de Gereformeerde Gemeente van Zoutelande en later van Middelburg. Verboom heeft zijn wortels in de evangelisatie van Kollum. Verboom werd lid van de Gereformeerde Bond en werd later bijzonder hoogleraar verbonden aan de leerstoel die de Gereformeerde Bond in Leiden had. De Jong hield afstand; hijwerd geen lid. Hij hield  juist wat afstand tot de Gereformeerde Bond en is in zijn terugblik vrij kritisch over de rol van de Gereformeerde Bond tijdens het fusieproces op weg naar de Protestantse Kerk in Nederland.

Beiden beschrijven hun ontwikkeling. Bij Verboom is het een weg van verdieping, met name als het gaat om thema’s als verbond en volkskerk. Toch was het bij hem ook een zoeken naar zijn positie tussen de twee stromingen binnen de Gereformeerde Bond: paste hij meer bij de verbondsmatige visie van dr. J.G. Woelderink of bij de meer bevindelijke insteek van ds. I. Kievit.
De Jong beschrijft meer ontwikkeling: hij begint als Kohlbruggiaan, maar groeit toch wat weg bij Kohlbrugge. De Jong ontwikkelt zich van dorpsdominee tot stadsdominee. Hij beschrijft hoe omstandigheden in zijn gezin hem vormen. Ook het pastoraat vormt hem: De ervaringen van de oorlog in zijn eerste gemeente in het Duitse Laar. De ervaring in Rotterdam met homo’s, met het missionaire werk en met de gevolgen van de slavernij. De ervaring van het werk van de Commissie van Bijzondere Zorg na de afsplitsing van de Hersteld Hervomde Kerk. Samen met anderen staat De Jong aan het begin van Kontekstueel.

Welk belang hebben deze memoires voor de beschrijving van de Nederlandse kerkgeschiedenis? Deze memoires bieden op zichzelf weinig nieuwe gegevens, maar dagen wel uit om naar een breder perspectief te kijken.

Wat bijvoorbeeld de aandacht trekt is dat bij beiden hun wortels buiten de Nederlandse Hervormde Kerk hebben. Hoe breed kwam dat verschijnsel voor? Waarom was deze kerk zo aantrekkelijk? Wat was er nodig om een plek binnen deze kerk te vinden? Wat namen ze mee en wat lieten ze achter? Welke bijdrage hebben zij gehad aan de ontwikkeling van de Nederlandse Hervormde Kerk? In de memoires worden deze vragen niet direct beantwoord. Toch kunnen ze ook van belang zijn voor de (voor)geschiedenis van de Protestantse Kerk in Nederland en vanwege de overgang van de ene naar het andere kerkverband de kerkgeschiedenis in het algemeen. De terugblikken van beiden kunnen ook benut worden om de rol van de Gereformeerde Bond binnen de Nederlandse Hervormde Kerk te beschrijven.

Benieuwd na het lezen van de beide terugblikken ben ik ook naar de betekenis van Kohlbrugge voor de Nederlandse theologiegeschiedenis. Mijn indruk is dat zijn betekenis voor een groot deel is uitgespeeld. Klopt deze constatering? Wat maakte hem voor eerdere generaties aantrekkelijk en waarom is zijn rol nu uitgespeeld? Tot slot zou er aandacht mogen zijn voor de betekenis van beiden op de Nederlandse theologiegeschiedenis.

N.a.v.
dominee Piet de Jong, Sores en zegen. Mijn verhaal met de kerk (Utrecht: Boekencentrum. 2018)
dr. Wim Verboom, Gouden oogst. Een halve eeuw theoloog in pastorie en universiteit (Utrecht: uitgeverij Boekencentrum, 2018).

Recensie voor het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis

*) In deze recensie stel ik dat Verboom van buiten de NHK komt. De vraag is in hoeverre dat terecht is, omdat de evangelisatie van Kollum wel op de NHK was georiënteerd. Toch denk ik dat het voor deze recensie een te onderbouwen typering is: (1) de evangelisatie was dan wel georiënteerd op de NHK, maar stond er toch wel los van, (2) in zijn boek is te merken dat Verboom zijn plek zoekt binnen de NHK (en GB), wat voor mij duidelijk maakt dat hij zijn plek niet van huis uit heeft meegekregen maar zelf heeft moeten zoeken.

Eerdmans Blogger Club

Eerdmans Blogger Club

Onlangs ben ik toegelaten tot de Eerdmans Blogger Club. Een hele eer!

Het eerste boek waarover ik mag bloggen is Christ and the Common Life. Political Theology and the Case for Democracy van Luke Bretherton.
maxresdefault

Maar eerst nog een ander boek over theologie en het publieke domein, dat al enige tijd op een recensie ligt te wachten: Awaiting the King. Reforming Public Theology van James K.A. Smith. Dat boek is bijna uit. Dus binnenkort hier een recensie.
51Jr8BZaqRL._SX331_BO1,204,203,200_

Als christen toegerust voor een taak in de wereld

Als christen toegerust voor een taak in de wereld
Proefschrift van Marinus de Jong over de visie van Klaas Schilder op kerk & wereld

Hebben christenen nog iets te zoeken in deze samenleving? Of is bijdragen aan de samenleving juist hun opdracht? Voor Klaas Schilder – bekend dan wel berucht van de vrijmaking in 1944, maar ook in vergetelheid geraakt – was dat geen vraag. Zijn visie op kerk, cultuur en maatschappij was onderwerp van promotieonderzoek.

Nederlandse christenen zijn onderdeel van een multireligieuze samenleving: er zijn nog meer religies. Daarnaast is de invloed van het christelijk geloof op de samenleving veel minder groot dan vroeger. Daarom kunnen we ook spreken van een postchristelijke samenleving. 

Dat roept vragen op naar de plek en de rol van de kerk in deze multireligieuze, postchristelijke samenleving: Moet de kerk zich volop inzetten in deze samenleving om zo het christelijk geluid te laten horen of moet de kerk zich juist afzonderen omdat de ontwikkelingen in de samenleving haaks staan op het evangelie? Moeten christenen maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid nemen of brengen ze zich dan in situaties, waarin ze maatregelen moeten nemen die afbreuk doen aan het christelijk geluid in de samenleving?

Marinus de Jong, sinds kort predikant van de gereformeerd-vrijgemaakte Oosterparkkerk in Amsterdam-West, promoveerde op 6 juni aan de Theologische Universiteit Kampen op deze vraagstelling. Hij deed in de afgelopen jaren onderzoek naar de theologie van Klaas Schilder (1890-1952), waarbij hij de visie van Schilder vruchtbaar wilde maken voor het heden.
D8Y-schXoAEfK1-

Dat hij Klaas Schilder als inspiratiebron nam, is verrassend. Zelfs voor iemand die onderzoek deed in Kampen. Want Schilder is een theoloog, die in de vergetelheid is geraakt. Zelfs in Kampen. 

Polemisch
De erfenis van Schilder in de Vrijmaking riep in de afgelopen decennia – zeker na de opening van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt – vooral verlegenheid op, omdat de theologie van Schilder vaak erg polemisch was.

Dat Schilder niet meer gelezen wordt, kan ook te maken hebben met een bepaald beeld van Schilder, dat werd doorgegeven. Dat was een beeld waarin alle spanning was weggehaald, en een beeld dat bepaalde Vrijgemaakten goed uitkwam.

Toen zijn leerlingen en volgelingen artikelen gingen heruitgeven, lieten ze ook wel artikelen weg die niet goed pasten bij het beeld van Schilder dat ze wilden doorgeven.

De Jong gaat achter dat beeld terug en wil laten zien dat Schilder soms moest zoeken naar zijn weg. Dat zijn theologie veel meer spanningen kende dan leerlingen wilden toegeven. Door die spanningen wordt de theologie van Schilder weer boeiender.

Schilder is zijn hele leven bezig geweest met de vraag, hoe de kerk zich moest opstellen in de wereld. Zelf afkomstig uit een arm arbeidersmilieu, ontwikkelde hij zich en klom zelf op tot professor. Voortdurend was hij bezig om in zijn eigen achterban te benadrukken, dat de kerk zich niet afzijdig moest houden van de wereld, maar daar haar plaats moest innemen.
Kaft-K-Schilder
Schilder stelde dat de mens een medewerker van God is en door God wordt gebruikt om Zijn weg in deze wereld te gaan. Voor Schilder was het ‘ambt van alle gelovigen’ van groot belang. Gelovigen waren vrijgekocht uit de zonde en waren nieuwe mensen geworden, die Gods gebod in praktijk konden brengen. Niet alleen de mensen aan de top zoals ambtsdragers en hoogleraren moesten hun bijdrage leveren, maar ook het gewone gemeentelid.

Vanuit de zondagse eredienst – voor Schilder het startpunt van het ambt van alle gelovigen – werden ook de gewone gemeenteleden in staat gesteld om hun bijdrage te leveren in de wereld: op hun werk, in het vrijwilligerswerk, in kunst en cultuur.

Zo’n bijdrage leveren, was volgens Schilder een goddelijk gebod. Wie zich daaraan onttrok, was ongehoorzaam aan Gods gebod. De Jong noemt deze lijn ‘kerk in de breedte’.
the-church-is-the-means-the-world-is-the-end-215x300
Cultuur
In de ogen van Schilder was de aarde niet een voorspel van de hemel (of van de hel), maar had de tijd hier op aarde een eigen waarde voor God. In deze tijd werkt God. Volgens De Jong is het handelen van God in de tijd hier op aarde de belangrijkste kern van Schilders theologie.

Dat handelen van God gaat al terug op de schepping. Bij de schepping van de mens kreeg de mens de opdracht om in de cultuur te werken. In het paradijs was er een eenheid van geloof en cultuur. Bij de zondeval raakte die eenheid versplinterd en koos de gelovige voor geloof en de ongelovige voor cultuur.

Zonder geloof is de cultuur echter onvolledig, hoe indrukwekkend de cultuuruiting ook kunnen zijn. Met de komst van Christus werd de eenheid van cultuur en geloof weer hersteld.

De nieuwe mensen, die door Christus zijn vrijgekocht, geven de cultuur een waarde, die een ongelovige niet kan geven.

Deze visie had wel nadelen. Hervormde theologen als Noordmans en Miskotte zagen deze opvatting leiden tot arrogante christenen, die wel weten hoe het zit. Daarnaast vonden ze dat deze visie te weinig kritisch was op de cultuur en daarmee een wereldgelijkvormigheid in huis haalde.

Noordmans en Miskotte hadden echter geen oog voor de sociale achtergrond van Schilder en zagen niet dat Schilder zijn eigen achterban wilde laten emanciperen.

Ware kerk
Een ander nadeel van deze visie is dat de nieuwe mensheid samenvalt met de concrete kerk. Het is dan een kleine stap om te zeggen dat je eigen kerk de ware kerk is. Schilder heeft dat nooit willen beweren en na de Vrijmaking in 1944 streed hij tevergeefs tegen die duidelijke koppeling die bepaalde Vrijgemaakten wel maakten.

Helemaal ongelijk hadden ze niet, omdat Schilder met zijn koppeling tussen de nieuwe mensheid en de concrete kerk wel die suggestie wekte.

Schilder streed echter niet voor de ware kerk. Hij was realistisch genoeg om te beseffen dat een kerkgenootschap nooit een ware kerk kon zijn, omdat het leven hier op deze aarde per definitie onaf is. Het gaat alleen om de wettige kerk. Daar zette hij zich voor in.

Om die reden polemiseerde hij met de Nederlands Hervormde Kerk, die door het kwijtraken van de binding aan de belijdenis volgens hem geen wettige kerk meer was. Omdat Schilder zich inzette voor een wettige kerk, hield hij zich veel bezig met de belijdenis en met de formele kant van kerkzijn, zoals de kerkorde en de vraag hoeveel pluriformiteit een kerk aankon.

Juist omdat het nadenken over de wettige kerk hem zo bezig hield, raakte het conflict in 1944 – dat uitliep op de Vrijmaking – hem diep. Vanwege meningsverschillen over de leer, die voor de oorlog hoop opliepen, wilde men in de oorlog duidelijke keuzes maken. Om vaart te maken, verlengde de synode de eigen zittingstermijn.

In Schilders ogen verloor de synode daarmee het gezag. Zeker toen de synode keuzes maakten, die tegen zijn visie inging, verzette hij zich tegen deze in zijn ogen niet-rechtsgeldige synode. 

Toen deze synode hem schorste, raakte dat hem persoonlijk diep. Naar zijn idee was hij aangepakt op de kern van zijn theologie. De schorsing door de synode was een traumatische ervaring voor hem.

De gevolgen waren echter paradoxaal. De groep die meegingen in de Vrijmaking begonnen vol bewijsdrang een nieuwe zuil op te bouwen. Soms tegen de zin van Schilder in.

De ‘synodalen’ (in de termen van Schilder: ‘synodocratischen’) bleven verdoofd achter. De Vrijmaking is een van de grote raadsels van de Nederlandse kerkgeschiedenis.

Eigenheid
Voor De Jong is het nadenken over de wettige kerk en het staan op Schrift en belijdenis de kerk in de diepte. In zijn proefschrift wil hij beide lijnen van Schilder combineren: een robuuste kerk die betrokken is op een wereld die op veel punten van haar afwijkt. Daarbij waakt de kerk steeds voor haar eigenheid en laat ze zich niet teveel beïnvloeden door wat de wereld wil.

Tegelijkertijd betekent de eigenheid van de kerk niet een terugtrekken van de wereld. Juist die eigenheid krijgt gestalte in de samenleving. Het publieke karakter van de kerk, haar staan in de wereld, is wezenlijk voor haar geloofwaardigheid.

Een goed proefschrift roept altijd vragen op, die uitdagen om verder op onderzoek te gaan. Een van de vragen die zijn proefschrift oproept, gaat over Schilder zelf. Er gebeurt iets in de jaren ‘30, waardoor de wind die Schilder eerst in de zeilen blies, zich tegen hem keerde en zelfs leidde tot zijn schorsing. Toen A.G. Honig als hoogleraar Dogmatiek aan de Theologische Universiteit Kampen moest worden opgevolgd, was Schilder de gedoodverfde opvolger. Als vanzelfsprekend werd hij het. Tien jaar later werd hij geschorst. Waren de verwachtingen die men had niet uitgekomen? Had hij zijn hand overspeeld?

Een andere vraag gaat over de praktische uitwerking van de kerkvisie die De Jong hier op basis van Schilders theologie neerlegt. De Jong pleit voor een kerk in de breedte en de diepte, een kerk die haar eigenheid bewaakt en tegelijkertijd volop haar rol heeft in de samenleving.

Mij werd alleen niet goed duidelijk hoe De Jong dat voor zich ziet. Bij Schilder – en ik vermoed dat De Jong hem hier volgt – gaat het via de gemeenteleden die op zondag in de kerk geweest zijn en daar aangevuurd zijn om hun taak op te nemen. Dan word ik nieuwsgierig: Wat voor soort kerkdienst is dat? Wat vraagt dat van de liturgie en de preek?

Naast deze vragen wil ik stellen dat De Jong Schilder terecht weer onder het stof vandaan haalt. Ontdaan van alle polemiek is Schilders theologie een waardevolle bijdrage om het gewone, dagelijkse leven als christen serieus te nemen. Dat dagelijks leven is niet alleen gezin of ethiek, maar ook werk, vrijwilligerswerk, kunst en cultuur.

Schilder daagt de gelovige uit om die terreinen niet te mijden. Persoonlijk zou ik iets voorzichtiger zijn met de identificatie van de gelovigen met de nieuwe mensheid, omdat de gevolgen van de zonde niet hier in het aardse bestaan al hersteld worden. Maar ook met die correctie biedt Schilder genoeg uitdaging om de roeping van God in onze samenleving als christen serieus gestalte te geven.

N.a.v. Marinus de Jong, The Church is the Means, the World is the End. The Development of Klaas Schilder’s Thought on the Relationship between the Church and the World (Uitgave: Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen).

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad

Naar een nieuwe onbevangenheid

Naar een nieuwe onbevangenheid

Lange tijd leek de secularisatie aan de Gereformeerde Bond voorbij te gaan. Althans voor andere delen binnen de Protestantse Kerk in Nederland, voor wie de Bond als heel stellig en robuust overkwam. Intern in de Gereformeerde Bond is het thema secularisatie al enige tijd wel degelijk een thema, waarover intensief wordt nagedacht. Alle conferenties voor predikanten voor predikanten binnen de Gereformeerde Bond, die ik in de afgelopen jaren heb meegemaakt, zijn allemaal te verbinden met het thema secularisatie. De ene keer is dat thema ligt de nadruk op wat er van de kerk verwacht wordt in een geseculariseerde omgeving. De andere keer ligt de nadruk op een missionaire houding. Op de onlangs gehouden predikantenconferentie lag de nadruk op de verlegenheid, die de secularisatie oplevert.

Die verlegenheid werd nog wel keurig verpakt in mooie lezingen, die de aandacht vroegen voor welke ontwikkelingen in de cultuur plaatsvinden. Tussen de regels door, in de nabespreking en in de wandelgangen was voor een goede verstaander de verlegenheid te merken. Er is sprake van afnemend kerkbezoek. In de meeste gevallen gaat het om de middagdienst, die minder bezocht wordt. Predikanten spreken gemeenteleden van wie de kinderen afgehaakt zijn. Of spreken gemeenteleden, die zelf aan het afhaken zijn of niet meer komen, omdat het geloof hen niets meer zegt. Vooral deze laatste ervaring zorgt voor veel verwarring en voor onzekerheid. De preken die voorbereid zijn, de diensten die gehouden worden, de bijeenkomsten die georganiseerd zijn, slaan dood op de onverschilligheid die er is als het gaat om God. Hij is niet meer nodig.

Als je met zo’n houding van onverschilligheid geconfronteerd wordt, heb je niets meer aan de gebruikelijke antwoorden. Een van de gebruikelijke reacties was de vraag naar een genadig God een veel dieper gravende vraag was dan de vraag of God bestaat. Maar als je te maken krijgt met mensen voor wie God geen issue is, dan hoef je ook niet aan te komen met de vraag of je wel voor God kunt bestaan.God doet er niet toe.
Op de conferentie zou het niet alleen gaan over de verlegenheid. De aandacht zou ook uitgaan naar wat uit onze traditie je als predikant op de been houdt. Dat is geen eenvoudige overgang: van de verlegenheid naar een element uit je traditie of een houding waarbij je je als predikant om weet te gaan met die verlegenheid bij jezelf en de onverschilligheid die je bij anderen waarneemt. Dat vraagt allereerst het toelaten van die verlegenheid. Dat vraagt ook te accepteren dat de tot dan toe gevolgde strategie om de gevolgen van de secularisatie te negeren, omdat ze vooral in andere delen van de kerk spelen, niet helpt.

Zulke ervaringen stemmen wel tot nadenken. In de huidige omgeving waar ik werk kom ik het niet direct tegen. Ik ben wel begonnen in een omgeving waarin voor de meeste mensen, die niet meer naar de kerk toe gaan, God er niet toe doet. Dat was voor mijzelf niet altijd eenvoudig. Het was allereerst een cultuurschok toen ik vanuit Veenendaal, waar de kerk er nog redelijk vanzelfsprekend bij hoorde, in een omgeving kwam waar de kerk slechts door enkelen werd bezocht. Ook voor de gemeenten die ik diende was dat niet eenvoudig. Al waren ze het wel gewend om als een van de weinigen uit hun eigen omgeving nog met geloof bezig te zijn. Ze waren zelf opgegroeid in een tijd waarin geloof er nog gewoon was en hadden gezien dat vrienden en familie de kerk vaarwel zeiden. Wat mij zelf altijd is bijgebleven is dat ik niet voorbereid was op het werken in zo’n omgeving, waarin geloof er niet meer bij hoort. Ik had er ook niet over nagedacht wat het betekent voor de kerk. Ik kwam er in die tijd ook nog niet aan toe, omdat ik nog volop bezig was om te ontdekken wat mijn taak en rol als predikant was.

Nu terugkijkend op die periode kan ik wel wat thema’s bedenken, die van belang zijn om op te pakken als het geloof nietszeggend aan het worden is. Het vraagt om nadenken over de eredienst en de preek: hoe kan de eredienst en de preek zo vorm gegeven worden dat de kerkganger in het geloof gevoed wordt, ook als je maar met weinigen bij elkaar bent? De inhoud van de preek moet er op gericht zijn om niet de nostalgie te voeden, maar om op de onbevangen manier van geloven weer te herontdekken. Dat vraagt om het serieus nemen en toelaten, dat het geloof lang niet iedereen wat zegt. Tegelijkertijd vraagt het ook om je vertrouwen op God niet te laten ondergraven door je verlegenheid. Zoals ik zei was ik er niet op voorbereid. De cultuurschok deed mij enorm twijfelen en ik slaagde er niet in om die twijfel buiten mijn preken te houden. Ik bedoel daar niet mee, dat twijfel niet in preken verwerkt mag worden. Wel dat de twijfel geen eindresultaat moet zijn. Twijfel bouwt de gemeente alleen op, als daarmee de weg naar God gevonden wordt. Bij mij raakte die weg juist geblokkeerd.

Terugkijkend had ik ook mensen om mij heen nodig, zoals collega’s, met wie je ervaringen deelt, die je begrijpen, maar die er ook in slagen om je uit de twijfel te leiden naar een nieuwe onbevangenheid.
Door de predikantenconferentie besefte ik dat die zoektocht naar een nieuwe onbevangenheid, waarbij de verlegenheid toegelaten wordt, een gezamenlijke zoektocht is geworden. Daarin kunnen we elkaar van dienst zijn. Door te luisteren naar elkaars onmacht en verlegenheid. Door samen te zoeken naar Gods wil en Gods aanwezigheid in deze tijd. Niet alleen binnen eigen kring, maar ook samen met andere delen van de kerk, waarin deze ervaring herkenbaar is en waar wellicht al wegen gevonden zijn naar die nieuwe onbevangenheid.

In gewijzigde vorm gepubliceerd in het Christelijk Weekblaad