Preek zondag 28 juni 2020

Preek zondag 28 juni 2020
Schriftlezing: Psalm 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De meest intense ervaring van God wordt in de Bijbel verwoord met zien, aanschouwen.
Dat kan beide kanten op:
De ervaring dat je door God gezien wordt, maar ook dat jij als mens God ziet.
Zo eindigt Psalm 17 ook:
Ik zal Uw aangezicht aanschouwen en ik zal verzadigd worden met Uw beeld.
God van zo dichtbij ervaren, dat je Hem ziet: Zijn aangezicht, Zijn beeld.
Waardoor je merkt dat het maar niet voor de vorm is dat de Bijbel spreekt
over God die naar je toekomt, maar dat je Hem ook zo van nabij ervaart en zelfs ziet.
Het aanschouwen van Gods aangezicht – dat is een intense ervaring,
meer dan even vluchtig zien,
meer dan even een flits waarvan je je afvraagt of het niet een droom was.
Maar een langdurige ervaring, waarbij je helemaal met God vervuld wordt,
zodat je het gevoel dat je helemaal verzadigd wordt.
Als je dat in het vooruitzicht wordt gesteld, kun je daar al helemaal gelukkig van worden,

zoals dat in de berijming ook gezongen wordt.
Het vooruitzicht zelf kan die vreugde al geven, omdat je weet dat dit je kan overkomen.
Je zou het kunnen betrekken op het moment van overlijden,
als je hier de ogen sluit en je ze in de heerlijkheid van de Heere weer mag opendoen
en dat je dan onze God zelf, de grote, ontzagwekkende God mag zien van nabij
– dat kan kracht geven om die laatste tocht aan te vangen,
De tocht door de dood heen, de doodsjordaan over te steken,
als je weet dat daarna zoiets geweldigs te wachten staat: de ontmoeting met de Heere zelf.
Zo zal dat laatste vers in de berijming ook wel gezongen zijn:
Maar – blij vooruitzicht, dat mij streelt – ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Uw goddlijk beeld.

Zou dat alleen maar iets zijn voor als je aan het einde van je leven gekomen bent
en afscheid van het leven hier moet nemen en de ogen sluit om heen te gaan
en je ogen open doet in die andere wereld, de wereld van God?

Of zou het ook een ervaring kunnen zijn, die je hier op aarde kan overkomen?
Ik denk dat er heel wat gemeenteleden die zullen zeggen:
‘Zo’n intense ervaring heb ik nog nooit gehad, dat ik de Heere op deze manier mocht zien.’
Soms kunnen ze dan wel vertellen over een vader of een moeder,
die zo’n ervaring heeft gehad, die zorgde voor een hele verandering van hun leven.
Zelf hebben ze het niet meegemaakt en hopen daarop,
omdat je dan zeker weet dat je mag zeggen dat je van Christus bent,
omdat Hij dat dan door een bijzondere ervaring heeft duidelijk gemaakt.

Hier in deze psalm gaat het niet om een ervaring die iedereen zou moeten meemaken.
Hier is wat anders aan de hand.
Iemand in nood, die hoopt op de uitredding van God.
David die hoopt dat God partij zal kiezen voor hem.
David die zich niet veilig voelt tussen de mensen om hem heen,
omdat ze van alles over vertellen, waarvan hij weet dat het niet klopt.
Bij al die verhalen die over hem worden doorgefluisterd
voelt David een dreiging op hem afkomen.
Wie kan hij nog vertrouwen? Wie zal de zaken die hij bespreekt niet doorbrieven
naar iemand die deze informatie zal gebruiken tegen David?
Omdat hij niet in staat is om de verhalen die over hem verteld worden te corrigeren,
voelt hij zich machteloos.
Kwetsbaar ben je als er allerlei verhalen over je de ronde doen,
Waarvan je weet dat ze niet kloppen,
maar je bent niet in staat om ze uit de wereld te helpen.
Die verhalen vormen een beeld van je dat niet klopt,
maar de mensen om je heen nemen dat wel over en geloven dat je zo bent.

Dan is er maar Eén die kan helpen
en David richt zijn gebed dan ook tot God,
een smeekbede waarin hij aan de Heere vraagt om voor Hem op te komen.
Heere, luister.
Als de mensen om je heen niet willen luisteren naar wat jij te vertellen hebt
en niet bereid zijn om er bij stil te staan dat jouw verhaal wel eens anders kan zijn
dan de verhalen die ze over jou horen vertellen,
dan is het belangrijk dat de Heere wel naar je luistert
en niet zomaar achteloos aan jouw roepen en smeekbeden voorbij gaat.
Iemand die wel naar je luistert en niet de minste ook,
maar de Heere van hemel en aarde, de hemelse Rechter,
die in staat is om te oordelen of je gelijk hebt, omdat Hij ook je hart doorgrondt.
Hij weet hoe kwetsbaar je bent als er allerlei verhalen over je rondgaan
en de mensen om je heen niet bereid zijn na te gaan of het klopt wat er verteld is.
Maar dan is het wel belangrijk dat de Heere luistert
en dat er iets gedaan wordt, waardoor de situatie van David verbetert.
God zelf moet wat doen: Laat van Uw aangezicht mijn recht uitgaan.
David heeft in zijn eigen ogen een rechtvaardige zaak.
Als de hemelse Rechter een oordeel zal vellen, zal het niet anders zijn
dan dat David in het gelijk gesteld wordt.
Hij heeft voor God niets te verbergen.
Hij doet zich aan de buitenkant niet mooier voor dan hij in werkelijkheid is.
De Heere mag bij hem langs komen om hem aan een oordeel te onderwerpen.
David heeft ook de ervaring dat de Heere langs gekomen is
om na te gaan uit welk hout David gesneden is, ook van binnen:
U hebt mijn hart beproefd, het ‘s nachts doorzocht. U hebt mij getoetst.
Hier is de Heere als een keurmeester die kijkt hoe wij als mensen zijn.
Zoals een goudsmid keurt of het goud dat aangeboden wordt ook echt goud is,
zo kijkt de Heere of David wel met Hem leeft en van Hem is.
David verwoordt nogmaals die ervaring dat God toetst hoe het bij hem voor staat,
of David wel zo integer is als hij beweerd te zijn.
Of David wel zo trouw aan God is als hij in zijn gebeden beweerd.
Psalm 26:2: Beproef mij, Heere, ja stel mij op de proef. Toets mijn nieren en mijn hart.
Ook daar een nagaan hoe het van binnen gesteld is,
In de ruimte van ons hart, die wij voor veel anderen verborgen kunnen houden.
Alleen voor de Heere niet. Als Hij komt, dan moet alles open.
Ook de deur van ons hart en kunnen wij niets voor Hem verborgen houden.
David hoeft dat ook niet. Hij kan voor God verschijnen.

Hier in dit gebed verwoordt David hoe hij zijn best doet om zo te leven
zoals de Heere dat wil en in Zijn geboden voorschrijft.
Je merkt dat David weet dat hij niet perfect is en ook zijn fouten heeft,
maar je proeft ook dat hij zijn best doet, de strijd voert met die kanten in zichzelf:
Wat ik ook moge bedenken, het komt niet uit mijn mond.
David weet ook dat degenen die om hem heen die verhalen over hem rondstrooien
veel minder bezig zijn om hun gedrag door de Heere te laten corrigeren.
Wat de daden van de mens betreft – David stopt maar,
blijkbaar omdat het wat hij zou moeten vertellen te erg voor woorden is.
Hij wil aan God laten zien dat hij zich wel aan Gods geboden houdt.

Het is niet voor niets dat het boek van de Psalmen, dat vooral gebeden kent,
begint een psalm die aangeeft dat het uitmaakt hoe je leeft.
Je kunt meedoen met de mensen die niets om God geven
en je begeven in de kring van de mensen die zich niet houden aan wat God bepaald heeft.
Je kunt met hen meedoen, omdat zij het hier voor het zeggen hebben,
maar bij wie je wel moet accepteren dat zij spotten met wat van God vandaan komt.
Welzalig de man die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
niet zit op de weg van de spotters.
Het is niet voor niets dat het gebedenboek van het Oude Testament, de psalmen,
met deze zin begint.
Het is de toonsoort, waarin heel het gebedenboek staat.
Met andere woorden: bidden heeft ook te maken met hoe je leeft.
Je kunt niet tot God naderen als je niet bereid bent om Zijn geboden serieus te nemen.
Als je God om hulp vraagt, moet je ook accepteren dat Hij op Zijn beurt ook iets van jou wil:
Dat je aan Hem trouw bent en je leven inricht naar Gods geboden.
David benadrukt dat hier ook: Ik ben trouw geweest. Ik heb me niet laten meeslepen.
Ik ben U niet vergeten, maar heb U bij alles betrokken.
De richtlijnen van de Heere worden in de Psalmen vaak voorgesteld als een weg.
En dan niet als een weg die je moet zoeken,
waarvan je aan het begin niet weet waar je uitkomt.
Nee als een weg die er al ligt, die is aangelegd door de Heere.
Als je over die weg gaat, mag je ook bij Hem aankomen en weet je dat je goed zit.
Denk aan Psalm 23: U leidt mij in het spoor van de gerechtigheid.
In een wereld die zich vaak weinig van God wil aantrekken
en net doet alsof wij zelf de weg door het leven moeten uitzoeken
heeft God al een weg bepaald, waarover wij kunnen gaan.
Als je die weg gaat, weet David ga je in de sporen van God.
God zelf heeft die weg gelopen.
Heer toon mij uw plan; maak door uw Geest bekend

hoe ik U dienen kan en waarheen U mij zendt.

Als ik de weg niet weet, de hoop opgeef,

toon mij dat Christus heel mijn weg gelopen heeft.
Een weg waarop God is voorgegaan.
Het is misschien niet altijd de makkelijkste weg die God wijst,
maar wel een weg waarvan je weet dat je daar goed op loopt.
Het is niet een gevaarlijk bergpad dat zomaar opeens ophoudt,
of een glibberig pad waar je zo onderuit gaat en wegglijdt.
Je weet misschien niet altijd hoe die weg verloopt,
maar je weet wel dat het de goede weg is, Gods weg,
en dat je met Hem gaat.
23 jaar geleden zong ik samen met een aantal anderen deze psalm voor in de kerk.
Het was Tweede Paasdag.
Samen met een aantal andere jongeren deden we belijdenis van het geloof.
We zongen de berijming van vers 3:
Ik zet mijn treden in Uw spoor, opdat mijn voet niet uit zou glijden.
Niemand die voorin de kerk stond, kon vermoeden hoe de weg verder zou gaan.
Je hoopt allemaal dat je volhoudt op die weg, dat je er niet van afdwaalt.
De gemeente zong ons, belijdeniscatechisanten het vierde vers toe:
Maak Uwe weldaan wonderbaar, Gij die Uw kinderen wilt behoeden,
voor ‘s vijands macht en vreeslijk woeden en hen beschermt in ‘t grootst gevaar.
Die dag erop hoefde ik niet naar school – ik zat in het examenjaar
en werkte die dag in de supermarkt waar ik mijn bijbaan had.
Een groter contrast heb ik zelden gehad: dat bijzondere moment van die maandag,
de dag waarop Christus’ opstanding nogmaals werd gevierd
en wij als groep daar stonden om die Heer die gestorven en opgestaan was te belijden
en die dag erop, toen ik op de winkelvloer stond, de containers uit de vrachtauto reed,
de producten in de schappen zette, met collega’s op trok en klanten hielp.
Weg was het bijzondere gevoel. Nu ging het pas om de praktijk.
Welkom in de strijd wordt er vaak gezegd tegen nieuwe lidmaten.
De gemeente had het die dag ervoor niet voor niets gezongen: Wil hen behoeden,
zorg, Heere, voor hen als voor het meest intieme, het meest kostbare dat U hebt.
Een van de commentaren die ik raadpleegde bij de voorbereiding
gaf ook aan, dat het in deze psalm niet alleen gaat om een conflict tussen mensen,

maar dat in deze psalm de positie van de gelovige wordt beschreven
temidden van allerlei ongelovigen, die niet begrijpen hoe je kunt leven met de Heere.
In ieder geval gaat het om mensen die je tot diep in de ziel kunnen raken
en dat ook bewust doen omdat ze weten dat daar je zwakke plek is,
of je nu overhoop ligt met de mensen om je heen, omdat ze van alles over je zeggen
wat niet klopt en waarvan je merkt dat anderen die verhalen gaan geloven
of dat je kwetsbaar bent omdat er mensen zijn die je geloof belachelijk maken.
Als een loerende leeuw, iemand die er op uit is om je te verscheuren
die machtiger is dan jezelf, een tegenstander die kwaad wil of misschien de boze zelf.
Dan begrijp je dat het niet zomaar een ervaring is waar naar uitgekeken wordt
om God te zien van nabij, om Zijn aanwezigheid heel dichtbij te ervaren.
Het is Zijn aanwezigheid die je beschermt en bewaart,
die laat weten dat je op de goede weg zit, omdat het Zijn weg is,
die je begeleidt als anderen je laten vallen,
die je laat weten: Ik ben je God. Zit er maar niet over in.
Al ben je zelf kwetsbaar en voel je bedreigd, voel je je niet veilig.
Hoe kent Gij al mijn noden, waarin Gij trouw voorziet!

Wie komt tot U gevloden, wien Gij geen hulpe biedt?

U zal ik eeuwig eren, die eeuw’ge goedheid zijt!
U blijv’, o Heer der heren, geheel mijn hart gewijd!
Wat kan ik niet ontberen, wanneer uw hand mij leidt,
wat vuriger begeren dan uwe heerlijkheid.
Amen

Geestelijke rijpheid nodig om predikant te zijn

Geestelijke rijpheid nodig om predikant te zijn

Zeventwintig was ik toen ik bevestigd werd als predikant. Een jaar eerder had ik mijn studie afgerond, in mijn geval een gecombineerde opleiding van de studie godgeleerdheid en de kerkelijke opleiding. De morgen na mijn bevestiging was er een overdracht met de pastoraal medewerker die in de vacante tijd het pastoraat voor zijn rekening had genomen. Vanaf dat moment was ik de predikant van twee kleine gemeenten in Noord-Holland: Ilpendam en Watergang.

Wist ik eigenlijk wel wat ik moest doen? Wist ik wat de rol van een predikant was en was ik daar genoeg op voorbereid? In de weken voorafgaande aan mijn bevestiging dacht ik wel dat ik het wist, maar toen de bevestiging achter de rug was en het werk moest beginnen, wist ik nauwelijks wat ik moest doen. Ik pakte de eerste dagen maar wat boeken uit de kast om te kijken wat ik moest doen.

Voorleven
Nu ik dertien jaar verder ben, besef ik dat ik op me tot dan toe voorbereid had op taken die ik had als predikant. Ik had me nooit gerealiseerd dat veel belangrijker dan de taken die ik zou gaan verrichten, was dat ik iemand was op die plek die het leven met Christus voorleefde en dat het mijn taak was om de gemeenteleden te helpen bij het ontdekken van Gods aanwezigheid in hun leven. Terwijl ik zelf nog niet helemaal klaar was met mijn geestelijke ontwikkeling moest ik wel geestelijk leiding geven aan deze twee kleine gemeenten.

Geestelijke rijpheid
Juist een bepaalde geestelijke rijpheid is belangrijk om als predikant in een gemeente vruchtbaar te zijn. Over die geestelijke rijpheid die nodig is, schreef Craig Barnes een boek. Barnes is rector van het Princeton Theological Seminary en heeft als hoogleraar de taak studenten voor te bereiden op hun latere rol als pastor in een gemeente. Barnes grijpt daarbij terug op gravitas, een term uit de traditie van de Puriteinen.
People-M-Craig-Barnes-2018
Met gravitas wordt bedoeld dat de predikant genoeg geestelijke ervaring en levenservaring heeft opgedaan om de aanwezigheid van God op te merken in het leven van gemeenteleden. Die gemeenteleden houden zich vaak niet bezig met diepgaande geestelijke zaken, maar lopen tegen allerlei alledaagse dingen op die nauwelijks iets geestelijks lijken te hebben.

God aanwezig
Het is de kunst van de predikant om waar te nemen hoe God daarin aanwezig is. Om met de ondertitel van het boek van Barnes te spreken: om de heilige momenten in de gemeente te ontdekken in die alledaagsheid. Tijdens het lezen van dit boek bedacht ik dat het me mij erg geholpen had als ik geweten had, dat dit mijn rol was als predikant van een gemeente. Het had mij enorm geholpen als ik geweten had, dat ik niet alleen met hart, maar ook met ziel pastor was: oog voor Gods werk in mijn eigen leven en in de levens van gemeenteleden. Natuurlijk wist ik dat wel als theorie, maar het duurde een behoorlijke tijd voordat ik ontdekte hoe belangrijk dat ook voor mijzelf was.
download (1)
Fictief dagboek
Met Diary of a Pastor’s Soul heeft Barnes een boek geschreven om beginnende en ervaren predikanten te helpen die geestelijke rijpheid te ontwikkelen. Hij heeft voor een bijzondere vorm gekozen: een fictief dagboek van een predikant die in zijn laatste jaar als predikant is. Voordat hij met emeritaat gaat, maakt hij nog één keer een cyclus van het kerkelijk jaar mee. Per maand beschrijft hij zo’n vijf voorvallen die hij meemaakt, waarbij hij er voor zichzelf op reflecteert.

Het eerste voorval dat hij beschrijft is het afscheid van een vrouwelijke kerkrentmeester, die na 22 jaar kerkrentmeesterschap haast denkt dat de kerk van haar is en erg gehecht is aan het gebouw. Het gebouw lijkt haast heiliger dan de missie van de kerk op die plek. Zijn ontdekking is dat de vrouw iets belangrijks vertegenwoordigt: de kerkelijke traditie die ook vorm gekregen heeft in stenen gebouwen. De kerk gaat verder terug dan onze persoonlijke ervaringen.

God houdt van routine
Een andere ontdekking die deze predikant heeft gedaan is Gods voorkeur voor het gewone, het alledaagse. God houdt van routine. Het predikantschap bestaat daarom niet uit het doen van spectaculaire bezigheden, maar uit kleine dingen, die wel zo geloofwaardig mogelijk gedaan moeten worden. Het is dan de taak van een predikant om te zien hoe God in dat alledaagse, in die routine aanwezig is en werkt. Een belangrijke rol van de predikant in een gemeente is die aanwezigheid in het gewone waar te nemen en te helpen waarnemen.
download
Slachtoffer van populaire illusie
Dat alledaagse is niet altijd fraai: een gemeentelid die meldt gekwetst te zijn, dominante ouders die voor hun zoon willen bepalen welke studie hij moet gaan doen, een jongvolwassene die overambitieus is, gemeenteleden die geen afscheid hebben kunnen nemen van de vorige cantor-organist en moeite hebben met de huidige cantor-organist. Een van de gemeenteleden is in zijn ogen slachtoffer van de populaire illusie dat je je als mens je eigen leven moet samenstellen en dat je dat het beste kunt doen door steeds te kiezen, ook als het gaat om geloof: jij als mens bepaalt wat goed voor je is.

Wij zijn echter geen Schepper en daarom is het waardevol om elke zondag de geloofsbelijdenis uit te spreken, waarin we geloven in God die groter is dan onze keuzes en waarin we ons scharen in een traditie die dieper is dan onze voorkeuren.
Dit mooie boek van Barnes is ook heel geschikt om met elkaar als predikanten onderling door te spreken over wat de rol van een predikant is en om elkaar te helpen het heilige in het alledaagse te ontdekken.

N.a.v. M. Craig Barnes, Diary of a Pastor’s Soul. The Holy Moments in a Life of Ministery (Grand Rapids: Brazos Press, 2020)

Preek zondag 21 juni 2020

Preek zondag 21 juni 2020
Schriftlezingen (Bijbel in Gewone Taal): Psalm 62, Hebreeën 3:12-14, 4:9-11.
Jongerendienst

Deze preek wil ik beginnen met een gedeelte uit Jesaja 58.
Want in dit gedeelte zegt God het Hebreeuwse woord, waar X het over had.
In dit gedeelte zegt God: Hineni – zie, hier ben Ik.
Ik zal het lezen:

8. Als je dat doet, dan zul je echt gelukkig zijn.
Je zult lijken op de zon die stralend opkomt in de ochtend.
Volk van Israël, als jullie zo leven, zal het snel beter met jullie gaan.
En met mijn macht zal ik jullie overal beschermen.
9.Als jullie mij roepen, zal ik antwoord geven (Hineni).
Als jullie mij om hulp vragen, dan kom ik jullie helpen.

Hier zegt God: Hineni – Zie mij, Zie, hier ben ik.
De Heere God zegt dat tegen een volk dat naar Hem op zoek is:
Als jullie mij roepen, als jullie om hulp vragen.
Het is niet zo moeilijk om te bedenken dat je Gods hulp nodig hebt
en dat je soms roept tot God in de hoop dat God je hoort.
Hier zegt God: Als je tot mij roept, dan ben ik er. Hineni. Zie, hier ben Ik.
Als je mijn hulp nodig hebt, dan kom Ik eraan, Ik ben onderweg naar je toe.

Heb je dat in de afgelopen weken bedacht, toen je veel thuis was
en je niet naar school kon, je vrienden niet op kon zoeken?
Dat God er ook toen was. Dat Hij klaar stond om je te helpen?
Hineni – Zie, hier ben ik.

Dat Hebreeuwse woordje Hineni betekent: sta er even bij stil.
Neem even de tijd om dat op je te laten inwerken.
Om te beseffen dat God er ook is. Zelfs als alles helemaal anders is geworden.
Als alles wat vertrouwd is, voor een groot deel verdwenen is, dan is God er nog.
Heb je dat ook in de afgelopen weken gezien?

Ervaren dat Hij er ook dan is en daardoor je gesteund weten,
dat is best lastig als alles heel anders is geworden.
Want als je niet meer naar de kerk kunt, of naar catechisatie of de TOV-groep,
dan moet je dat zelf doen.
Dan moet je dat zelf bedenken dat God er is
en moet je dat zelf tegen jezelf zeggen: God is er ook nog
en alleen bij Hem vind ik rust, Bij Hem ben ik veilig. Hij redt mij altijd. (Ps 62)
Als je niet meer naar school hoeft, of naar de kerk,
dan valt je ritme weg.
Dan blijf je langer op bed liggen en dan mis je ook het moment
dat je als gezin met elkaar de dag begint.
Heb je er zelf aan gedacht om de dag met God te beginnen.
Om even die tijd te nemen, zoals dat Hebreeuwse woordje: Hineni.

Als je geen ritme hebt en geen structuur in de dag, dan schiet dat er gauw bij in.
Dan sla je dat snel over: denken aan God, even wat lezen uit de Bijbel, bidden,
er over nadenken hoe Hij je vandaag kan helpen bij alles.
Als je dat allemaal vergeet en je doet niet mee met de anderen thuis,
of je mist de dagopeningen op school, de gesprekken op catechisatie,
dan is het niet zo makkelijk om vol te houden.

Zoals het lied dat X hoorde aan het begin van de coronatijd
en dat op dat moment behoorlijk indruk op haar maakte:
Lord, there are times when I have to ask, ‘What?’
Heer, er zijn geregeld momenten, waarin ik niet om de vraag heen kan: Wat gebeurt er?

Times when your Love is not easy to ‘Spot’,

What of life’s purpose and what of me here?
Er zijn tijden waarop Uw liefde niet zo makkelijk is te ontdekken,
of waarop het doel van het leven, of waarom ik hier ben, niet zo makkelijk is te ontdekken.

Grant me some answers, Lord, make your will clear.
Geef mij wat antwoorden, Heer, maak Uw wil duidelijk.

Dan zijn we weer bij wat ik las uit Jesaja 58: Als jij roept, dan ben ik er.
Dan zul je Mij zien. Hineni. Zie hier ben Ik.

Je zult vast hebben gemerkt in de afgelopen weken
dat het helemaal niet zo eenvoudig werkt.
Integendeel: als je leven helemaal anders wordt, alles op zijn kop staat,
dan krijg je eerder vragen

Lord, there are times when I have to ask ‘Why?’

Times when catastrophe gives faith the lie.
Heer, er zijn geregeld momenten, waarin ik niet om de vraag heen kan: Wat gebeurt er?
Tijden waarop de de catastrofe de leugen geloofwaardig maakt.

Een van die leugens, die geloofwaardig lijkt in zo’n tijd is de gedachte dat God er niet is
en dat Hij alles maar laat gebeuren en Hij niet alles in de hand houdt
of de wereld in de steek laat.
Volhouden is dan juist moeilijk, want die leugen lijkt zo geloofwaardig
en je bent alleen en je mist dan anderen die tegen je zeggen: Houd vol,
geloof die leugen niet. Zie je dan niet, dat God er is.
Neem de tijd om te zien hoe Hij er toch is.
Neem voor jezelf de tijd om te ontdekken hoe Hij er dan toch is.

We lazen uit Hebreeën 3 en 4.
Vrienden, niemand van jullie mag ongelovig worden. Blijf vertrouwen op de levende God.

Maar hoe doe je dat dan? Hoe houd je vol?
Misschien was dat in de afgelopen weken ook wel voor jou de vraag:
Hoe doe ik dat? Ik wil God ervaren en zien hoe Hij er is.
Ik wil Hem niet kwijt raken, maar nu moet ik het allemaal alleen doen
en ik merk dat ik dat niet volhoud, dat er zo makkelijk de klad in komt
omdat ik helemaal geen structuur in de dag heb en weinig anderen zie.
In deze teksten uit Hebreeën wordt niet verteld hoe je dat doet.
Toch is het handig om te weten, hoe je dat doet, dat volhouden.

Ik zou aanraden om bij de gewone dingen te beginnen.
Om elke keer als je opstaat te bedenken dat je een nieuwe dag begint
en de zon ziet opkomen, dat je dan even bedenkt, al is het een minuut:
Deze dag krijg ik van God. Hij laat daarmee zien dat Hij voor mij zorgt.
Katholieken en Lutheranen slaan een kruisteken als ze de dag beginnen.
Daarmee zeggen ze tegen zichzelf: Ook deze dag ben ik van Christus,
die voor mij aan het kruis gestorven is.
Ik mag weten dat Hij bij mij is, mij helpt en draagt.
En ik weet dat ik de plicht heb om zo te leven, zoals Hij dat zou willen.
Dat zou je kunnen helpen, om zo elke dag met geloof te beginnen.
Of elke dag met een eenvoudig gebed. Al is het elke keer hetzelfde:
Dank U voor deze nieuwe morgen.
Als het je niet lukt om de Heere te zien in de gewone dingen,
dan zal het veel moeilijker zijn om God te zien op die bijzondere momenten,
waarop alles anders is en je bestormd wordt met vragen,
Vragen over de wereld, of vragen over jezelf.
Dan is dat net met een tiener, die zich afvraagt of haar ouders wel van haar houden,
terwijl ze niet zien, dat elke dag de tafel is gedekt, het brood wordt gesmeerd,
hij wordt uitgezwaaid, dat zij bij thuiskomst wordt begroet.

Misschien heb je het in de afgelopen weken ook lastig gevonden
om met God bezig te zijn, juist omdat al het vertrouwde weg was.
En neem je het jezelf kwalijk, of voel je jezelf ook schuldig,
dat je te weinig tijd besteed hebt aan de Heere,
terwijl je wel voor andere dingen de tijd hebt gehad.
Dat kun je ook tegen de Heere zeggen en vragen om vergeving
en vragen of Hij je wilt helpen.
Als er zoveel veranderd, dan lukt het vaak niet gelijk om daar op in te spelen.
Soms reageert het geloof wat trager.
Net zoals je bij een nare opmerking pas soms veel later door kunt hebben
hoe naar die opmerking eigenlijk was.
Zo kan het geloof ook een latere reactie geven.
Alles wordt anders en het lukt je niet om op dat moment God te zien,
en het lukt misschien ook niet om tot Hem te roepen,
want je vraagt je af of Hij je wel zou horen.
Geloven en bezig zijn met geloof gaat niet altijd gelijk goed.
Het is een oefening. Geregeld een les om te beseffen dat je onderweg bent.
Onderweg door het leven naar een ander land, waar er echte rust is.
De echte rust moet dus nog komen voor het volk van God.
10 Want als je Gods nieuwe wereld binnengaat, dan mag je uitrusten van al je werk.
Net zoals God uitrustte van zijn werk.

En dan volgt er weer een oproep, een aansporing om vol te houden:
11Laten wij dan ons uiterste best doen om dat land van rust binnen te gaan!
Er zijn momenten, en mogelijk dat deze tijd ook daarom zo is,
dat de Heere God ons stil zet om ons te laten beseffen:
Weet je dat er een heel andere tijd komt en dat je daar naar toe op weg bent?
Het land van de eeuwige rust.

Als God ons stil zet, is dat niet bedoeld om ons leven hier op te geven,
maar wel om ons eraan te herinneren, dat, ook al heb je nog een heel leven voor je
– en ik hoop dat je in dat leven nog veel mag doen –
dat je ook een toekomst hebt, een eeuwige toekomst.
Volhouden betekent vooral: dat je die toekomst niet uit het oog verliest.
Dat je bezig bent met school, met welk profiel je kiest en daarna welke opleiding,
dat je bezig bent met je werk, je bijbaantje, of een volledige baan,
en dat je weet: dat als allemaal belangrijk voor nu,
maar ik moet ook voorbereid zijn op die andere tijd, die nog komt.
Als je die toekomst in het oog houdt, is het ook makkelijker om het vol te houden.
Je doet het ergens voor, want je leeft ergens voor.
Je leeft voor God. Je leeft nu voor God en je zult straks voor God leven.
Dat helpt ook als je in een lastige tijd zit, waarop alles anders wordt.
Dan weet je: er komt een tijd waarin er helemaal geen zorgen zijn,
een land van rust en vrede, een land waar ik God nooit meer kwijt ben,
omdat ik dan bij Hem mag zijn en Hij bij mij is.
En als je dan God kwijt bent en je kunt Hem niet vinden,
omdat er zoveel vragen zijn, bedenk dan bij jezelf:
Die vragen kunnen hier niet opgelost worden
en ik weet dat er in mijn leven best moeilijke perioden zijn,
waarop het voor mijzelf pittig is.
Maar als ik volhoud en doorzet dan kom ik wel bij God aan.

Het is mogelijk om vol te houden
en dan kom ik weer terug op wat ik aan het begin van de preek las.
Jesaja 58: Als jullie mij roepen, zal ik antwoord geven (Hineni).
Als jullie mij om hulp vragen, dan kom ik jullie helpen.
Amen

 

Preek zondagavond 14 juni 2020

Preek zondagavond 14 juni 2020
Schriftlezing: Psalm 42

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Nadat mijn schoonmoeder overleden was, liet ze een bijbel na.
In deze bijbel ontbraken enkele bladzijden van de berijmde psalmen.
Op die bladzijden die in deze bijbel ontbraken bevatte ook Psalm 42,
de lievelingspsalm van mijn schoonmoeder.
De bladzijden zullen uit de bijbel geraakt zijn
omdat deze psalm tijdens de kerkdiensten veel gezongen is
en waarschijnlijk ook omdat ze thuis deze psalm vaak opgezocht zal hebben.
Zeker toen ze, nog geen 50, met borstkanker te maken kreeg.
Ze zal het vijfde vers vaak opgezocht hebben, al kende ze die uit haar hoofd:
Maar de Heer zal uitkomst geven, Hij die ‘s daags Zijn gunst gebiedt
‘k Zal in dit vertrouwen leven en dat melden in mijn lied.
Dat vertrouwen heeft ze zo vaak gezocht, dat deze bladzijden losgeraakt zijn.
En niet alleen gezocht, maar ook gevonden:
Gods lof zingen in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht
en mijn hart, wat mij moog’ treffen, tot de God mijns levens heffen.

‘In de psalmen kijk je de heiligen in het hart.’ (Maarten Luther)
Hij zal daarmee niet alleen bedoeld hebben, dat je in de psalmen ziet
hoe er over het leven van gelovigen allerlei stormen heen kunnen gaan
en hoe zij ook door diepe dalen gaan en dat ze daarin God kwijt kunnen zijn
en moeten zoeken en roepen naar God,
maar ook de Heere gevonden wordt in de donkere nachten die er zijn,
temidden van alle stemmen die het aan je vragen waar God is.
Hier in deze psalm wordt God gevonden in de herinnering en in het lied.
Midden in de nacht klinkt er een lied,
op het moment dat de dreiging het sterkst gevoeld wordt
en de ervaring dat God afwezig is op je neerdrukt,
is het lied, is bijvoorbeeld deze psalm er die je herinnert dat God er ook is,
Zelfs midden in de nacht en dat je dat tegen jezelf moet zeggen:
Hij heeft mij nu ook niet verlaten, al ervaar ik Hem niet
en al ervaar ik vooral een donkerheid en een leegte,
ik mag weten, ik mag erop vertrouwen dat de Heere weer van Zich laten horen.

Ook de herinnering voert naar God.
Eerst is de herinnering vooral pijnlijk, omdat toen God wel ervaren werd
en nu het niet mogelijk is om bij God te zijn,
Een heimwee naar de tijd dat je nog met anderen naar de kerk kon gaan,
dat er gezongen werd en dat je in de vreugde die er was en de zang die er klonk,
dicht bij God was,
zo dicht dat je ervoer dat je voor Gods aangezicht naderde,
dat je in de nabijheid van God kwam en merkte dat Hij er was.
Een pijnlijke herinnering, omdat het nu zo anders is,
en toch, die herinnering van toen, van Gods nabijheid destijds brengt weer bij God terug.
Het begint met het roepen naar God,
zoals een hert roept dat geen water kan vinden en dorst heeft
en hoopt dat er een ander hert is dat hem mee kan nemen naar water,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.
Dat is geloven op bepaalde momenten: roepen tot God, omdat je Hem niet vindt
en je hoopt dat er iemand is, die je mee kan nemen, naar God toe,
die je kan laten zien hoe God toch in je leven aanwezig is, als jij Hem niet ziet.
Een dorst naar God.
Als je God mist, raakt dat je diep in je bestaan, maakt dat je van slag en kun je niet verder.
Er kunnen allerlei redenen zijn, waarom God er op dat moment niet is.
Het kan zijn door eigen onachtzaamheid: je hebt het leven met de Heere verwaarloosd.
Het kan zijn dat je door diepe dalen gaat, een crisis,
Waarin je niet gelijk de leiding van de Heere ervaart.
Maar nu wordt God wel gemist, als een dorst die niemand anders kan lessen,
dan God alleen met Zijn aanwezigheid.
En zolang Hij er niet is, moet je zoeken en als je Hem niet vindt en je zoekt tevergeefs
wordt het een roepen, tot iemand je meeneemt,
of in de hoop dat je roepen de hemel bereikt en God zelf naar je toekomt.
Juist in de afwezigheid van God, juist als je Hem niet ervaart, niet kunt vinden,
kun je erachter komen hoe belangrijk het is, dat je Hem in je leven hebt.
De levende God – de God van het leven.
De dorst is niet naar een willekeurige God, maar naar de enige God,
de enige die leven kan geven, de enige die er is, de enige die uw roepen kan horen.
Ik heb ooit eens gelezen dat in de bijbel over de levende God wordt gesproken
om het verschil met afgoden aan te geven.
Naar afgoden kun je roepen, maar ze horen je niet.
Je kunt ze voor je zien, maar ze zien jou niet.
Je kunt ze aanraken, maar ze blijven onbewogen bij de crisis die je doormaakt.
Je zoekt hen tevergeefs, ze kunnen je niet helpen, omdat ze niet bestaan.
De levende God kun je niet zien, maar je kunt Hem wel zoeken
en je kunt wel voor Hem komen, in Zijn nabijheid, in Zijn aanwezigheid,
verschijnen voor Gods aangezicht.
Zo God te hebben ervaren is in deze psalm een herinnering, een kostbare herinnering,
maar wel iets van vroeger.
Dat is nu niet meer. Nu is er alleen de dorst, nu is er alleen het verlangen dat onvervuld is.
Nu is er alleen die leegte, waarin je roept en niemand lijkt te horen.
Het wordt er niet makkelijker op, omdat er stemmen zijn, die je zwakke plek weten.
Die je raken, omdat je zoekt en God niet lijkt te vinden
en het tegen je zeggen, al spottend: waar is dan je God?
Je zoekt Hem en je vindt Hem niet. Wat zegt dat over jou?
Heeft God nog wel een plek voor jou? Is Hij je niet vergeten?
Heeft Hij je niet uit Zijn gedachten verdreven?
Nu je het zo moeilijk hebt en God er niet blijkt te zijn: Wat zegt dat over God?
Heb je tevergeefs op God gebouwd?
Kun je niet beter op zoek gaan naar een ander die je wel hoort?
Het kunnen mensen zijn die zelf weinig met geloof hebben
en niet kunnen begrijpen dat je het zoeken naar God niet opgeeft,
omdat zij geen idee hebben van hoe het is om bij God te zijn
en niet weten wat je mist als je God niet hebt.
Het kan een stem in jezelf zijn, een stem van iemand die tegen je zegt:
Dat is niet voor jou weggelegd. Beeld je maar niets in dat jij God gaat vinden.

Een herinnering aan vroeger, toen je onbezorgd kon zingen van Gods goedheid.
En er andere mensen om je heen waren in de kerk, met wie je samenzong.
Je zong mee met de gemeente die de lof op God bezong.
Je trok samen op, met in je hart Psalm 122:
Ik ben verblijd wanneer men mij, godvruchtig opwekt, zie wij staan
gereed om naar Gods huis te gaan.
Je kwam in Gods huis, daar was Hij te vinden.
Misschien was het wel een avondmaalszondag, waarop u God zo sterk hebt ervaren
toen u in de kerk was en ervoer hoe Christus voor uw zonden gestorven was
en wist: Hij is ook voor mij gegaan. Ook mijn zonden heeft Hij weggedragen op Golgotha.

Als dat toen kon, waarom nu niet meer?
Natuurlijk, er wordt veel gemist als je weinig andere kerkgangers ziet
en je zit alleen op de bank of met je gezin, zonder dat je de anderen kunt zien vanavond.
Maar als God toen kon werken, als je toen Zijn aanwezigheid kon ervaren,
Waarom nu dan niet? Dat is toch niet afhankelijk van een kerkgebouw,
al helpt het wel om in een kerkgebouw te zijn, samen te kunnen zingen,
het orgel te horen, met andere kerkgangers even te kunnen spreken.
Maar ook nu we als gemeente niet samen komen, kan God er zijn.
Er zijn momenten dat je als gelovige jezelf ook weer tot de orde moet roepen.
Dat je jezelf moet wijzen op God,
jezelf eraan moet herinneren dat wat de Heere toen kon doen, dat Hij dat net zo kan doen.
Waarom dan die onrust? Geloof je niet dat God de wereld leidt?
Geloof je dan niet, dat de Heere u ziet?
Denk je nu echt dat je aan de aandacht van de Heere ontsnapt,
dat je uit Zijn hand gevallen bent en dat er niemand is die je opvangt.
Wat buigt u zich neer mijn ziel en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
Het bijzondere van deze psalm is dat het een tweegesprek is,
een dialoog van binnen, die je als mens met jezelf voert.
Aan de ene kant de twijfel die er soms kan zijn, het kwijt zijn van God,
die ervaring van vroeger zo missen, toen je zo dicht bij God was en nu niet meer
en tegelijkertijd aan de andere kant jezelf aanspreken, toespreken:
Hoe diep ik ook ga, God is aan mijn zijde
en ik mag op Hem hopen. Hij zal mij kracht geven, Hij zal mij uitredden.
Ik ken God en ik weet dat Hij mij niet laat zitten, want dat heeft Hij nooit gedaan.
Als ik aan de bijbel van mijn schoonmoeder denk,
dan is dat een tastbare herinnering dat ze zo de Heere steeds heeft gezocht en gevonden,
niet alleen omdat er bladzijden ontbreken, maar ook omdat je ziet dat hij veel gebruikt is.
Zo zal ze de Heere hebben gezocht en gevonden, als ze weer voor een chemokuur stond,
of als ze weer een boodschap kreeg dat het niet goed ging
en ze wist dat er een moment zou aanbreken dat ze afscheid moest nemen
van haar man, van haar kinderen en kleinkinderen.
Hoop op God – ook dan, want dan zal Hij ook voor hen zorgen en hen dragen,
zoals ze zichzelf gedragen wist door haar Heere.
Volkomen verlossing, misschien niet hier in dit leven,
maar wel in het leven in Gods heerlijkheid, omdat God Zijn Zoon had gezonden
die de schuld had betaald, een nieuw leven heeft verworven en toegang bood.
Ik zal Hem weer loven, omdat ik dat vooruitzicht heb.
Omdat ik weet dat als mijn leven hier ten einde gaat er een toekomst is,
een eeuwige toekomst bij de Heere,
waardoor ik mij kan overgeven in Zijn handen.
Hoe mijn leven verloopt, door welke dalen ik moet gaan, wat ik nog moet meemaken:
Het is goed zo, omdat het de Heere is Die mijn leven leidt.
Hij weet wat goed voor mij is.

Dat geloof hebben we niet altijd. We kunnen dat ook geregeld weer kwijtraken.
Zo is deze psalm heel realistisch in de verwoording
dat we geregeld heen en weer geslingerd kunnen worden:
De ene keer het vertrouwen en het geloof dat het goed komt en we geborgen zijn
en de andere kant weer dat gemis, de heimwee, God die ver weg lijkt.
Net of je een balling, ver bij God vandaan –
Ik denk aan u vanuit het land van de Jordaan: verder weg kan ik niet zijn.
Meer bij U vandaan kan niet. De uiterste grens.
De vraag is of ik nog ooit terug kom bij de Heere.
Weet Hij waar ik zit? Kan Hij mij hier vinden?
Hier lijken er andere machthebbers te zijn.
De duivel die je geloof aanvalt en die sterk je in de macht lijkt te krijgen.
De pijn die je doormaakt omdat je lichaam niet meer wil.
De zorg die je hebt omdat je weet dat je ziek bent geworden.
Die zorgen en die pijn, die worstelingen kunnen je doen lijken
dat andere machten sterker zijn dan God, als machtige bergen opdoemen.
De berg Hermon, de berg buiten Israël, die ook claimt een berg te zijn
waarop een god woont die de wereld lijkt te beheersen
en de Heere buitenspel lijkt te hebben gezet.
Als die zich sterk voordoet, lukt het niet om jezelf bij God terug te brengen,
om jezelf tot de orde te roepen en te herinneren dat God er zal zijn,
voor je zal zorgen en je zal dragen, dat wat er ook gebeurt het goed is,
omdat je in Gods hand bent.
Je ziet alleen maar wat anders. Je ziet jezelf heen en weer geslingerd.
Je ervaart niets van God, maar wel golven die over je heen slaan,
die op je leven inbeuken, die je alle houvast benemen.
Het kan er zelfs op gaan lijken dat God zich tegen je keert:
al Uw baren en Uw golven zijn over mij heen gegaan.
Hier wordt de ervaring verwoord dat de hele wereld vergaat,
de chaos de baas lijkt te zijn in de wereld,
of zelfs dat God je van Hem af wil duwen en je niet wilt redden,
Dat je weggedreven wordt op krachtige golven bij God vandaan.

Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij.
Maar de Heer’ zal uitkomst geven.
Het maar dat de gelovige houvast geeft en vertrouwen,
omdat je leven geen speelbal is van allerlei machten,
maar dat je leven geborgen is in de God die hemel en aarde schiep,
Die de machten die er zijn beheerst en in toom houdt.
Want Hij spreekt en het is er. Híj gebiedt en het staat er.
God zegt: tot hier toe. En dan heeft elke macht te gehoorzamen.
Ze kunnen niet over de grens die de Heere trekt.
Ik zal Zijn lof, zelfs in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht.
Zingen is iets bijzonders.
Zingen is geloven dat de stormen in je leven niet het laatste woord hebben,
maar dat er een God in de hemel is, de levende God, die alles in Zijn hand heeft.
Zelfs in de nacht, waarin je alles lijkt kwijt te raken, waarin er geen toekomst lijkt te zijn,
kun je van deze God zingen, omdat Hij uitkomst geeft.
Zijn gunst gebiedt, zingt de berijming die we zingen. Overdag genadig is.
Je niet los laat, je vergeeft, je in Zijn gemeenschap opneemt, bergt in Zijn trouw.
Dat geloof kan alleen de Heere je geven.
Maar je kunt er wel wat voor doen. Zeker op momenten dat het goed met je gaat.
In mijn eigen bijbel, waarin ik aantekeningen schrijf bij teksten,
kwam ik een aantekening tegen, wat ik eerder in een boek had gelezen:
In de nacht over en tot God zingen kan alleen diegene die zingt
en die in vroeger tijden heeft geleerd om de gemeenschappelijke ervaring met God
door zang en muziek uit te drukken.
Dat vertrouwen voeden hoeft niet pas als je het moeilijk hebt.
Het begint ermee dat je dat geloof en vertrouwen voedt op moment dat je daar tijd voor hebt
en niet pas als je midden in de crisis zit.
Dat je weet hoe je God kunt vinden en dat je die ervaring koestert en onderhoudt.
Dat is geen garantie dat je de Heere in een crisis gelijk vindt, maar het scheelt wel.
Het begint al heel klein: dat je elke dag bij het opstaan de tijd neemt,
al is het een minuut, om te beseffen dat je deze dag van de Heere krijgt,
de schepper van hemel en aarde, dat je ook deze dag, wat er ook komt, geborgen bent,
dat je deze hele dag die volgt met deze God te maken hebt,
zoals Hij je ook in de afgelopen nacht beschermd en behoed heeft.
Het is belangrijk dat je mensen om je heen hebt, die je dit voorleven,
Dat je soms heel tastbaar iets hebt, zoals een bijbel die laat zien
hoe iemand met de Heere heeft geleefd en de Heere steeds heeft gezocht.
Zodat je weet dat jij, dat u dat ook kunt: de Heere vinden in die nacht
en dat je kunt zien hoe die gunst, die genade er overdag is
en dat je weet, dat wat je overkomt, je weet dat je een God hebt.
En mijn hart, wat mij moog’ treffen, tot de God mijns levens heffen.
Amen

Preek zondag 7 juni 2020

Preek zondag 7 juni 2020
Spreuken 1

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Tijdens het diner op een bruiloft gaat de bruidegom staan om een speech te houden.
Hij tikt tegen een glas om aan te geven dat hij iets wil zeggen.
Als iedereen stil geworden is, haalt de bruidegom een papier te voorschijn
waar het verhaal op staat dat hij wil zeggen.
Dit verhaal heeft hij in de afgelopen weken overdacht en opgeschreven.
Het is een verhaal dat allereerst voor zijn ouders is bestemd.
De overige aanwezigen mogen het horen.
De bruidegom wil zelfs dat ze er getuige van zijn van wat hij tegen zijn ouders gaat zeggen.
‘Lieve pa en ma, dit is het moment om jullie te bedanken voor jullie opvoeding.
Ik besef dat ik voor jullie niet de makkelijkste ben geweest
en dat jullie heel wat zorgen om mij hebben gehad.
Jullie hebben je vast geregeld afgevraagd wat er van mij terecht moest komen.
Jullie zullen vaak ook voor mij gebeden hebben.’

Je kunt zien dat deze woorden zijn ouders raken. Ze zijn zichtbaar emotioneel.
De afgelopen dagen zijn er bij hen allerlei herinneringen aan vroeger bovengekomen:
herinneringen aan de kindertijd, aan de jeugd van hun zoon.
Vergeten zijn ze de periode niet waarin er geen land met hun zoon te bezeilen was.
Die periode was voor niemand makkelijk: voor hun zoon niet, voor hen als ouders niet.
Hun zoon ging de discussie aan en deed vaak wat zijn ouders juist niet goed vonden.
Hij nam school niet serieus, werd er geregeld uitgestuurd.
In het weekend ging hij uit en kwam dan laat thuis
En op zondag duurde het een tijd voor hij nuchter en wel beneden kwam.
Ze maakten zich zorgen over de vrienden met wie hij omging.
Ze hadden duidelijk een verkeerde invloed op hem.
Maar wat ze ook met hem wilden bespreken. Hij wilde nooit luisteren.
Ze zagen voor hun ogen gebeuren, dat het met hem de verkeerde kant op ging,
maar ze konden er niets aan doen. Ze moesten machteloos toezien.
Nu ze hem zo zien staan, hun zoon die hen bedankt voor de opvoeding die hij kreeg,
Beseffen ze, wat ze al eerder hadden gezien: hoe hun zoon is veranderd. Ten goede.
En ze horen hoe hun zoon positief kan terugkijken op wat zij hebben meegegeven.
Dank vult hun hart: God zij gedankt, dat Hij het leven van hun zoon ten goede keerde.
Misschien dat zij er zelf hun bijdrage aan hebben mogen leveren.
Misschien was het hun kersverse schoondochter die de juiste invloed had,
maar het is vooral het werk van God, die in het leven van hun zoon aanwezig was,
ook in de periode waarin hij er niets van wilde weten en met alles en iedereen overhoop lag.
Ook met God dus.

Mijn zoon, luister naar de lessen van je vader. Woorden die koning Salomo opschrijft.
Hij schrijft ze op voor zijn zoon, die later na hem koning zal worden.
Koning Salomo zou zijn zoon wel allerlei lessen willen meegeven,
die hij zelf in zijn periode als koning heeft geleerd, door schade en schande.
Hij merkt echter dat zijn zoon daar niet op zit te wachten.
Zijn zoon Rehabeam trekt liever met zijn eigen vrienden op
en bespreekt met hen allerlei zaken die bij het koningschap horen.
Hij krijgt wel les van de geleerden, die zijn vader heeft benoemd om hem op te leiden.
Maar zijn vader merkt wel, dat zijn zoon niet zo’n hoge pet van die geleerden op heeft.
Zijn zoon zoekt liever zijn eigen raadgevers uit, die minder ervaren zijn,
maar voor zijn gevoel wel meer in het leven staan en meer deze tijd begrijpen
en met hem kunnen nadenken over wat er nodig is voor een koning in deze nieuwe tijd.
Hij roept zijn zoon wel eens bij zich, om hem voor te bereiden wat er allemaal nodig is
om een goede koning te zijn over Israël, over het volk van God,
maar hij merkt dat zijn zoon zich tijdens dit onderwijs verveelt.
Hij heeft daarom maar besloten om iets op te gaan schrijven voor als hij er niet meer is
en zijn zoon koning geworden is en zich afvraagt hoe hij koning kan zijn.
Dan kan zijn zoon de raad van zijn vader lezen, overdenken en in praktijk brengen.
Zou hij dan wel naar de adviezen van zijn vader willen luisteren?
Hij zou zijn zoon allerlei waarschuwingen willen meegeven,
want de weg naar het koningschap is niet makkelijk
en hij, Salomo, weet maar al te goed dat het niet eenvoudig is om een goede koning te zijn.
Hij heeft zijn dienaar de perkamenten en inkt laten brengen om te schrijven.
Hij heeft het schrijfgerei al opgepakt en denkt na:
Wat was voor hemzelf de belangrijkste ontdekking, die goed is om door te geven?
Wat heeft hij zelf geleerd?
Als hij er zo overdenkt, weet hij dat wat hij geleerd heeft ook van waarde zou zijn geweest
als hij, Salomo, geen koning was geweest, maar een gewone burgerman of boer.
Hij heeft geleerd, dat het leven niet om hem draait, al is hij als koning nog zo belangrijk.
Als koning kun je makkelijk denken dat jij de belangrijkste bent
En dat alle anderen daarom naar jou moeten luisteren, omdat je hun koning bent.
Hij heeft geleerd dat het andersom is: als hij niet luistert naar de mensen om hem heen,
kan hij geen goede beslissingen nemen.
Als hij niet bepaalde raadgevers hebben, die tegen hem durven te zeggen,
dat hij niet goed bezig is en op de verkeerde weg is, dan gaat het niet goed.
Hij zou willen, dat zijn zoon ook tot dat inzicht komt.
Hij hoopt dat hij zelf daarin een voorbeeld geeft aan zijn zoon,
zodat Rehabeam in zijn voetsporen kan treden en als koning op een wijze manier regeert.
Rehabeam, mijn zoon, in dit boek vind je de lessen die ik zelf leerde,
waarvan ik hoop dat je die ter harte neemt.
Weet je waar het in het leven om draait, of je koning bent of niet?
Om het luisteren naar mensen die wijs geworden zijn in het leven,
mensen die een goed karakter hebben, die weten waar ze over praten,
mensen die niet aan zichzelf denken, maar eerlijk zijn en rechtvaardig.
Als Salomo zo deze woorden opschrijft, weet hij het: het begint allemaal bij God.
Bij luisteren naar God, weten dat je een God in de hemel hebt, die jou kent en ziet.

Dat is voor elke ouder een belangrijke vraag: wat geef ik aan mijn zoon of dochter door?
Hoe help ik hen om hun weg te vinden in het leven?
Wat kan ik doen, zodat zij iemand worden met een goed karakter,
iemand die eerlijk is en oprecht, iemand op wie je kunt bouwen?
Een tijd lang stonden in de EO-visie interviews met bekende personen,
waarbij een van de vragen was: welk levensmoment maakte het meeste indruk op je?
Veel mannen gaven aan dat de geboorte van hun kind het meeste indruk op hen maakte.
Voor mijzelf is dat het moment, was de avond waarop onze oudste geboren was
en de eerste kraamvisite, ouders, broers en zussen, zwagers en schoonzussen
weer naar huis waren en ook de zuster en wij met z’n drieën alleen in huis waren.
Er was een kind op de wereld gekomen, een klein meisje, dat van ons afhankelijk was.
Heel wat keren ben ik er die nacht uitgegaan om te luisteren of ze nog ademde.
Het was mooi en bijzonder, echt een geschenk uit Gods hand,
en toch ook een hele verantwoordelijkheid.
Een verantwoordelijkheid die ook nog eens toenam, toen ze werd gedoopt
en wij als ouders naar haar en naar God toe beloofden om haar op te voeden
in wat Salomo hier noemt de vreze des Heeren.
Ik weet dat heel wat ouders hier in de gemeente deze belofte heel serieus nemen
en hun opvoeding ook zo doen, dat ze deze belofte willen waarmaken.
Ze zijn heel dankbaar als hun kind belijdenis doet
of trouwt en in de kerk de zegen van God wil ontvangen,
omdat ze dan kunnen zien dat wat zij in hun opvoeding hebben willen meegeven
door God is gezegend en dat ze daar de vrucht van mogen zien.
Opvoeden is zo makkelijk nog niet. Voor een ouder niet.
Ook niet op andere plekken: in het onderwijs, in het kinderwerk en jeugdwerk van de kerk.
Die verantwoordelijkheid kan als een hele last ervaren worden.
Je wilt dat ze wijs worden, maar ze lijken je raad niet op te pikken
en helemaal je woorden niet eens te horen, zo vol van de eigen weg die ze gaan.
Je zou wel eens in de toekomst willen kijken, wat er van hen terecht komt
en weten of ze ook nog iets van je opgepakt hebben,
wat je hen voorhield als ouder, als leerkracht, als mentor, als catecheet.
Maar veel belangrijke dingen kun je ze niet geven.
Je kunt ze niet laten geloven. Je kunt hun karakter niet bepalen.
Je kunt ze alleen maar begeleiden en ondersteunen,
in de hoop dat ze meekrijgen waar het in het leven om draait.

Voor Salomo is het duidelijk waar het in het leven om draait
en hij houdt dat zijn zoon ook voor: het leven met God.
Dat je weet dat je leven in Gods hand is en door God geleid wordt.
Dat je ontzag hebt voor God, eerbied omdat God groot en heilig is,
omdat Hij je schepper is, die je het leven gegeven heeft en een doel met je leven heeft.
Ontzag voor God hebben, daar draait het in het leven om, daar begint het mee.
Dat is de basis voor een leven dat waardevol en de moeite waard is.
Als Salomo die woorden opschrijft voor zijn zoon,
probeert hij zich voor te stellen hoe zijn zoon deze woorden zal horen.
Ontzag voor God – vreze des Heeren: dat is niet God op een afstand houden,
omdat Hij te groot  en te heilig is  en jij te zondig, of dat je bang voor God moet zijn.
Integendeel: ontzag betekent juist dat je God betrekt
en dat je al je plannen en ideeën eerst aan de Heere voorlegt
omdat je weet dat God met jouw leven bezig is, een doel heeft.
Ontzag betekent dat je dat doel van God voorop kunt stellen.
Rehabeam, mijn zoon, je kunt wel denken het koningschap om jou draait,
maar het draait om God, want Hij is de echte Koning van Israël
en jij bent er alleen maar om in Zijn naam te regeren
en om als aardse koning iets van die hemelse Koning te weerspiegelen.
Ontzag voor God hebben, vreze des Heeren, is dat je zo leeft dat God in alles de eer krijgt.
Omdat je van God houdt en Hem op de eerste plaats wilt stellen.
Salomo ziet het al voor zich hoe het ook mis kan gaan met zijn zoon.
Dat er allerlei mensen invloed op hem willen krijgen, die verkeerde bedoelingen hebben.
Die alleen maar aan zichzelf denken of aan hun eigen belang.
Die hem mee willen trekken op een verkeerde weg.
Mensen die niet om God geven.
Mensen die er niet voor terugdeinzen om geweld toe te passen, om van anderen te stelen.
Om de macht die ze hebben te misbruiken door er zelf beter van te worden
en de spullen van anderen af te nemen.
Juist zij zullen proberen invloed op je uit te oefenen. En juist zij zullen je vleien.
Er is maar een middel dat je tegen die verkeerde invloed beschermt.
Er is maar een manier om steeds helder te krijgen wat verkeerd is en wat goed.
De vreze des Heeren – het ontzag voor God, dat is het beginsel van de kennis.
Beginsel is niet alleen dat wijsheid daar begint, daar start door eerst met God bezig te zijn.
Nee, zo met God bezig zijn, dat moet je steeds doen. Dat is de basis, het fundament.
Je leven wordt daardoor gedragen. Het geeft je houvast en stevigheid.
Salomo ziet het voor zich hoe zijn zoon moeilijke beslissingen zal moeten nemen,
die hij alleen als koning kan maken, beslissingen waar veel kritiek op zal zijn,
beslissingen, waarbij er veel stemmen die zullen zeggen: het moet anders,
Waardoor je twijfelt of je wel de goede keuze maakt.
Alleen het ontzag voor God geeft houvast. Als je het voor God neergelegd hebt,
dan weet je dat het standhoudt.

Waarom is nou die vreze des Heeren dat fundament?
Waarom begint het daar en waarom biedt dat houvast die je nergens anders vindt?
Vreze des Heeren – ontzag voor God hebben, dat toont zich door te luisteren.
Toen Salomo koning was geworden, kreeg hij een vraag van God: wat wil je hebben?
Salomo vroeg om een hart, dat opmerkzaam is, een hart dat kan luisteren.
Dat is vreze des Heeren: luisteren naar wat God te zeggen heeft.
Niet je eigen plan, niet je eigen mening, niet je eigen koers.
Vreze des Heeren betekent dat je je laat corrigeren.
Dat zijn ook de eerste woorden die Salomo opschrijft:
bekend worden met wijsheid en vermaning.
Vermaning betekent dat je je kunt laten corrigeren door de Heere.
Dat als de Heere zegt, dat het niet goed is, dat je luistert en het serieus neemt
en dat je dan niet alsnog zegt: Ik doe het toch, want ik wil het zo.
Dat je dat zegt, dat je dat volhoudt om het op je eigen manier te doen
kan voortkomen uit de gedachte dat je er zelf verantwoordelijk voor bent,
dat jij het moet doen, omdat niemand anders het doet.
Of omdat niemand anders dan jij beter weet hoe het moet.
Als je ontzag voor God hebt, dan word je op dat punt gecorrigeerd,
want je ziet dat God bezig is
en vooral dat Hij bezig is met wat jij, wat u niet voor elkaar krijgt:
geloof geven aan uw kind, Christus in het hart brengen.
je kind vormen tot iemand die luistert naar God en naar de mensen om zich heen.
Daarom is de vreze des Heeren het startpunt en het fundament,
omdat je leert zien dat God werkt, leidt, bestuurt
en dat je het in Zijn handen mag leggen.
Ontzag voor God uit zich praktisch in het luisteren,
bereid om te luisteren naar de mensen om je heen, die het goede met je voor hebben,
omdat je door hen heen wel eens de stem van God zou kunnen horen,
Die je iets te zeggen heeft, die jouw leven wil sturen, jouw karakter wil vormen.
Wijsheid toont zich door te luisteren en door bereid te zijn je te laten corrigeren.
In Spreuken is er ook een andere weg: de manier waarop de dwaas leeft.
Dwaasheid is als een iemand die je wil verleiden,
in de woorden van Salomo zijn zowel wijsheid als dwaasheid een vrouw,
omdat hij aan zijn zoon schrijft en wil laten zien dat ze beide invloed kunnen hebben,
hun stem laten horen en een weg aanwijzen.
Dwaasheid verleidt je om op de verkeerde weg te gaan en praat je naar de mond.
Iemand die net doet of ze je aanbidt, maar je meelokt in het net van de boze.
Dwaasheid is ik-gericht en is onverschillig naar God, naar de mensen toe.
Je wilt niet luisteren, want je weet het beter.
Je denkt dat je goed gekozen hebt, maar het is een dwaze weg, een weg zonder God.
Zo’n weg is niet goed voor ons, want die leidt ons bij God vandaan.
Begin nou bij God en blijf bij God. Alleen daar vind je leven.
Amen

Wachten op de Heere

Wachten op de Heere
De ogen van allen wachten op U (Psalm 145:15a)

In de afgelopen weken is er vaak uitgekeken naar een persconferentie: Wat zal de premier Rutte over de scholen zeggen? Mogen we weer naar de kapper? Wat is er mogelijk voor de kerken? Afwachten tot wat er weer mogelijk is. Heel wat mensen, van jong tot oud, keken gespannen via de televisie naar de uitzending. Daar konden we horen hoe het leven er in de komende weken uit zou zien.
Voor velen was het geen makkelijke tijd. Een aantal weken geen kinderen of kleinkinderen zien. Zorgen over het werk. De angst om ziek te worden. Degenen die ziek geworden zijn en daar nog lang niet van zijn hersteld. De vraag hoe lang we nog in deze situatie zitten en wanneer het weer normaal wordt.
Kingbird-feed-SR-390

Voor deze meditatie zocht ik naar een bijbeltekst die ook over wachten zou gaan. Ik kwam bij deze tekst uit Psalm 145 uit: De ogen van allen wachten op U. Ogen die wachten. Dat zeggen we niet zo snel. Het gaat om het wachten op de Heere. In deze Psalm wordt bezongen hoe de schepselen beseffen dat zij het voedsel uit Gods hand ontvangen. Zoals een jonge vogel wacht op het eten dat vader of moeder vogel komt brengen. Zo kijkt de gelovige uit naar de Vaderlijke zorg van onze Schepper. Wachtende ogen: Ogen die vol verlangen uitkijken. Ogen die willen zien wat de Heere doet. Die daar niet aan voorbij willen kijken, maar willen zien dat die zorg er inderdaad is. Wachten is in de Bijbel nooit afwachten. Maar wel het besef dat alles wat we hebben van de Heere komt. Gegeven wordt door de Heere. En dat de Heere zal geven wat we nodig hebben. De ogen van allen wachten op de Heere, totdat Hij geeft. Niet uit onzekerheid, maar uit geloof dat God zal geven. Als mens zijn we altijd in alles van de Heere afhankelijk. Nu in deze tijd beseffen we des te meer dat we van Hem afhankelijk zijn. We kunnen niet anders dan ons leven in Zijn hand leggen. We kunnen niet anders dan met onze ogen ‘wachten’. Dat betekent niet niets doen. Dat betekent actief zijn. In het zoeken van de Heere. In het zien hoe de Heere ook in een moeilijke tijd doorhelpt. In het ervaren dat de Heere kracht geeft om bezig te zijn. Wijsheid geeft om beslissingen te nemen. Dat kunnen wij niet uit onszelf. De Heere geeft dat. Daarom wachten we op Hem.

ds. M.J. Schuurman

Preek Tweede Pinksterdag 2020

Preek Tweede Pinksterdag 2020
Schriftlezing: 2 Korinthe 3: 1-6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Pinksteren is het feest van de zending:
Vanaf die dag in Jeruzalem, waarop de Geest werd uitgestort,
is het evangelie over heel de wereld gegaan naar gebieden en volken
die nog nooit van de Heere hadden gehoord.
Wanneer het evangelie in Nederland is gekomen weten we niet.
Mogelijk dat dit gebeurde 3 eeuwen na die eerste Pinksterdag in Jeruzalem,
toen een bisschop in Maastricht werd benoemd: Servaas.
De oudste kerk van Maastricht is naar deze bisschop vernoemd.
Servaas zou oorspronkelijk uit Armenië gekomen zou zijn
en hier terecht was gekomen om hier het evangelie te brengen.
Dat zou betekenen dat al 1700 jaar over Christus wordt verteld in ons land.
Bekender is Willibrord die rond 700 vanuit Engeland in Nederland kwam
en een kerk bouwde in Utrecht.
In de tijd dat Willibrord in Nederland aankomt
om hier boven de Rijn over Christus te vertellen,
is er in Maastricht een zekere bisschop met de naam Lambertus.
Naar deze Lambertus is onze Dorpskerk vernoemd: de Lambertuskerk.
Deze bisschop Lambertus moest eens vluchten en werd tijdens het gebed vermoord.
Er zijn heel wat verhalen over de zending te vertellen.
Verhalen over ons eigen land van lang geleden: 1700 jaar of 1200 jaar geleden.
Verhalen van iets minder lang geleden,
Ludwig Inger Nommensen, die in de 19e eeuw het evangelie bracht
aan de Bataks op Sumatra, een eiland in Indonesië.
Verhalen over de zendingswerk in China, India, Afrika.
Over Jim Eliot, die bij Indianen in Zuid-Amerika het evangelie wilde brengen,
maar bij aankomst samen met andere zendelingen werd vermoord.

In de laatste tijd is ons eigen land zendingsland geworden.
Er zijn kerken ergens anders op de wereld die naar ons land zendelingen sturen
om hier bij ons over Christus te vertellen.
Steeds meer mensen in ons eigen land zijn onbekend met de verhalen over Christus,
weten niet dat ze kunnen bidden, weten niet ze hulp kunnen zoeken bij de Heere,
weten niet dat ze hun zonden bij de Heere kunnen brengen en vergeving kunnen ontvangen
en steeds meer kinderen groeien op zonder de verhalen uit de Bijbel te kennen.
Ons eigen land is zendingsland geworden.
Om zendeling te worden hoef je niet meer te verhuizen naar een ander werelddeel.
Hier in Nederland is werk genoeg te doen voor een zendeling.
En ook als het ons niets lijkt om een zendeling of een evangelist te worden,
is er in onze eigen omgeving genoeg te doen, om hier te vertellen over Christus.
Want als wij dat niet doen, vertellen over onze Heere, wie zal het dan wel doen.
Als wij de verhalen niet doorgeven, de liederen niet aanleren,
anderen niet leren om te bidden, hoe zal dan het evangelie worden doorgegeven
en hoe zullen dan degenen die hier opgroeien zonder Christus te kennen
over Hem horen en met Hem in contact komen?

In Korinthe lijkt het erop, dat alleen de besten hierbij ingeschakeld mogen worden.
Degenen die de beste papieren kunnen voorleggen, liefst nog met aanbevelingen erbij.
Aanbevelingen vanuit de moedergemeente in Jeruzalem dat deze kandidaat geschikt is.
Of aanbevelingen vanuit andere gemeenten,
waar deze evangelisten eerder met veel zegen en succes hebben gewerkt,
zodat de gemeente in Korinthe niet opgescheept zit met een evangelist
die heel hoog van zichzelf opgeeft, maar in de praktijk er niet veel van terecht brengt.
Iemand die zich bewezen heeft, iemand die je met een gerust hart aan de gang kunt laten.
Die zichzelf redt in deze grote havenstad,
die mensen weet te vinden en weet vast te houden voor Christus en bij de gemeente brengt.
Als je zulke mensen binnen je gemeente krijgt, dan weet je dat je gemeente gaat groeien,
dan weet je dat er interesse zal zijn voor Christus bij buitenstaanders.
Omgekeerd weet je, dat als je een roeping hebt, een verlangen, een drive, een missie
om je leven in dienst van Christus te plaatsen en dienstbaar te zijn in het koninkrijk,
om je volop in te zeggen voor het evangelisatiewerk, fulltime als zendeling,
dat je weet dat je in de gemeente van Korinthe welkom bent
en weet je dat deze gemeente je volop zal steunen, ook in financieel opzicht.
Hier is een gemeente die het missionaire werk hoog in het vaandel heeft staan,
Deze gemeente vindt het belangrijk dat er vanuit haar eigen midden
mensen in de gelegenheid worden gesteld te werven voor Christus.
Deze gemeente wil wat betekenen voor Gods koninkrijk.
Ze wil Gods liefde uitdragen in de eigen stad, onder de mensen die ze kennen,
met wie ze samenleven in deze stad en van wie ze toch gescheiden zijn
omdat ze Christus niet kennen en gescheiden van God leven.

Wat ze in Korinthe alleen niet doorhebben, is dat de eisen zo hoog zijn:
Alleen de besten moeten ingezet worden.
Ja, dat heeft iets moois: als kerk laat je je beste mensen inzetten in de zending,
laat je de beste mensen die je hebt actief zijn in het evangelisatiewerk.
Die houdt je niet voor jezelf, ook niet voor jezelf als gemeente,
maar die stuur je erop uit om te winnen voor Christus.
Dat de beste mensen ingezet worden om te evangeliseren
En dat je degenen die het meest getalenteerd zijn, de meeste gaven hebben ontvangen
erop uit stuurt in de zending om elders nieuwe gemeenten te stichten,
dat is niet waar Paulus moeite mee heeft:
Hij is zelf er ook op uitgestuurd door de gemeente van Antiochië.
Waar hij wel moeite mee heeft, is dat op die manier over een deel van de gemeente
het oordeel wordt uitgesproken dat zij niet geschikt zijn
en als hij eerlijk is over zichzelf, dan is hijzelf ook niet geschikt
en hij heeft de kritiek op hem ook wel opgevangen, gevoeld, gehoord:
Er zijn betere apostelen, betere zendelingen en evangelisten dan hij, Paulus.
Zij kunnen die bewijzen, dat zij beter zijn ook voorleggen. Zij kunnen er over vertellen.
Vinden zij. En zij kunnen goede papieren voorleggen, anders dan Paulus.
Voor Paulus is iedereen een getuige en kan iedereen vertellen over Christus,
Want de Heere maakt niet alleen maar gebruik van superapostels,
maar ook van hele gewone gemeenteleden, die niets bijzonders kunnen vertellen
en voor hun eigen gevoel helemaal niets bijzonders laten zien.
Niet slechts een enkele bijzondere gelovige kan iets delen, iets laten zien, vertellen,
maar elke gelovige kan dat doen, ook al is dat op een hele eenvoudige manier.
De gemeente is een brief die door iedereen te lezen is.
En ook elke gelovige is een brief, die door iedereen te lezen is,
ook door mensen die niet gelovigen, die in die brief de liefde van God kunnen lezen.

De gedachte dat alleen bepaalde gelovigen die daar heel goed in zijn
in staat zijn om te vertellen over Christus kan vandaag ook nog wel voorkomen,
ook bij ons in de gemeente.
Een opa die weet dat zijn zoon niets meer met geloof heeft
en deze opa ziet dat zijn kleinkinderen opgroeien zonder iets over God te horen,
in hun opvoeding alleen iets meekrijgen over bidden als ze bij opa en oma komen
en alleen maar iets uit de Bijbel meekrijgen als ze bij opa en oma eten.
Deze opa zou zijn kleinkinderen meer willen vertellen over Christus,
maar hij ziet het niet zitten.
Met zijn eigen zoon heeft hij daar nog nooit over verteld.
Hij durfde toen al niet. Omdat hij het niet durfde heeft hij het aan zijn vrouw overgelaten,
aan de school, aan de dominee die op catechisatie mocht uitleggen.
Nu kan hij het niet aan zijn kleinzoon uitleggen, hoe graag hij het ook zou willen.
En dat hij het gaat doen wordt des te belangrijker, omdat niemand het anders doet
en zijn kleinzoon voor de rest van zijn leven nooit over de Heere hoort.
Was er maar iemand, die dit voor hem kon doen: een leerkracht op school,
of kon hij maar bij een club van de kerk komen waar hij toch iets meer zou horen.
Kon hij zijn kleinzoon maar met iemand van de kerk in contact brengen:
een jeugdouderling of een van de jongeren van de kerk.
Hij denkt echter niet aan zichzelf: Hij kan dat niet.
Daardoor vergeet hij dat hijzelf misschien wel voor de kleinzoon de juiste persoon is,
want zou zijn kleinzoon niet benieuwd zijn naar hoe zijn opa denkt
en waarom zijn opa gelooft en wat dat voor zijn opa betekent?
Die kleinzoon zou zijn opa misschien wel allerlei vragen willen stellen over geloof,
maar begint er niet over, omdat hij zelf niet durft:
hij merkt dat zijn opa daar liever niet over praat.

Een leesbare brief schrijft Paulus:
voor iedereen is het duidelijk wie die brief geschreven heeft
en iedereen die deze brief wil lezen is, is in de gelegenheid, is in staat om die brief te lezen.
Zo ziet Paulus de gemeente voor zich. Zo ziet hij ieder gemeentelid voor zich:
als iemand die de boodschap van God aan deze wereld, ook aan degenen die niet geloven,
zichtbaar maakt: Mijn liefde gaat ook naar jou uit, al ken je mij niet.
Ook jij mag tot mijn gemeenschap treden. Ook voor jou is Mijn Zoon gestorven aan het kruis.
Dat is niet voorbehouden aan een select groepje mensen, die bijzonder genoeg zijn.
Dat is niet alleen maar weggelegd voor een enkeling, die uit zichzelf bijzonder is.
God kan iedereen gebruiken om deze boodschap bekend te maken.
Want als God alleen maar bijzondere mensen, superapostelen zou kunnen gebruiken,
dan zouden de meeste gemeenteleden al niet in aanmerking komen.
Dan zou ook de drempel om christen te worden heel hoog zijn.
Dat zou aantrekkelijk kunnen zijn voor iemand die uitdaging zoekt,
iemand die graag een prestatie zoekt, iemand die graag wil laten zien wat hij kan.
Maar het merendeel zou afhaken, omdat ze aanvoelen, dat ze dit niet kunnen.
Hiertoe zijn ze niet in staat. Dit is voor hen niet weggelegd.
Als mensen dan zouden afhaken, zou de boodschap van genade niet kloppen.
Dan zou het niet waar zijn dat God ieder mens wil redden.
Dan zou het evangelie botsen met de uitstraling.
De boodschap zou zijn: iedereen mag komen. De uitstraling zou zijn: toch niet.
Jullie daar in Korinthe zijn een brief die de genade bekend maken.
Mensen in jullie omgeving kunnen het aan jullie zien, dat ook zij erbij mogen komen.
Dat ook zij kunnen gaan geloven en bij de gemeenschap van Christus mogen gaan behoren.
Denk niet te klein van jezelf.
God gebruikt jullie daar in gemeente, jullie die jezelf niet geweldig vinden
en anderen nodig hebben die het evangelie uitdragen,
anderen nodig hebben die indruk kunnen maken op jullie familieleden, vrienden, collega’s,
zodat ze onder de indruk raken van jullie geloof.
Jullie zijn het zelf, die God gebruikt om Zijn genade bekend te maken.
Jullie stralen dat uit, al weet je dat zelf misschien niet.
Jullie zijn als een leesbare Bijbel voor de mensen die nooit in de Bijbel lezen,
zodat zij door middel van jullie Gods stem kunnen horen, die ook hen roept.
Jullie maken daar in Korinthe Gods stem hoorbaar, ook zonder te praten.
Door wat je laat zien. Door wie je bent. Door hoe je je gedraagt.
Daaraan kunnen de mensen om je heen iets opmerken
en ze horen daarin een stem die tot hen spreekt.
Niet een stem van de vele goden in jullie stad, want die zijn stom en kunnen niet spreken.
Ze horen daarin de stem van de levende God, de enige ware God die er is,
die hen roept bij hun naam, die hen nodigt om tot hen te komen,
om hun leven aan Hem te wijden, te geven.
Jullie zijn stuk voor stuk levensboeken, waarin de Geest leesbaar maakt,
hoe zij kunnen gaan geloven en wat de Geest in hun leven wil gaan doen
hoe Hij hen gaat veranderen en gaat vormen naar het beeld van God.
In jullie levensverhaal, in jullie biografie, die voor hen te lezen is,
zien ze hoe dat werkt en proeven ze dat het ook bij hen mogelijk is.
Lezen ze een uitnodiging om ook te komen
en ook hun eigen levensverhaal door de Geest te laten herschrijven
als een verhaal waarin Christus het middelpunt is.

Zo met ons eigen levensverhaal, met wie we zijn en hoe we zijn,
hoe we ons gedragen en wat we zeggen, of we gastvrij zijn en betrokken op iemand of niet,
daarmee schrijft God ook door ons een brief aan de mensen om ons heen.
Ons gebruikt Hij om hen te laten weten dat ook zij in Hem mogen geloven.
Paulus bedoelt niet alleen dat het een opdracht is,
maar dat de Heere ons zo gebruikt, u, jou, mij,
zonder dat we altijd door hebben op welke manier wij gebruikt worden,
maar wel dat iedereen van ons gebruikt kan worden als een leesbare brief,
dat elk levensverhaal, ieders biografie een manier kan zijn,
waardoor Gods uitnodiging doorgegeven wordt.

Ons leven, zoals de Geest daarin werkt, is een manier van evangeliseren.
Jij bent de uitnodiging die God aan je vrienden, aan je collega’s schrijft.
U bent de brief die God aan uw kleinzoon of kleindochter schrijft.
Dat betekent niet dat u krampachtig elk moment moet opzoeken,
maar dat God u als persoon inzet, uw manier van leven, uw manier van doen.
Uw meeleven, uw humor, uw vriendelijkheid en betrokkenheid,
de principes die u hebt – alles waarin merkbaar is waarin de Geest werkt.
Die brief kunnen wij niet zelf schrijven. Wel overhandigen.
Wij kunnen de brief niet dicteren en niet bepalen hoe wij uitstralen,
Maar we hoeven het niet uit de weg te gaan
en hoeven het ook niet aan anderen over te laten.
Door ons heen schrijft God een brief, een leesbare brief, voor de mensen om je heen.
Dat is niet eerst een opdracht, maar een belofte.
Vanuit die belofte dat God ons een leesbare brief laat zijn, kunnen we wel aan de slag.
Door bijvoorbeeld uit te leggen, waarom je bidt en hoe je dat doet,
welke woorden je gebruikt, hoe je aan God denkt en je gebeden bij de Heere brengt.
Die leesbare brief is niet beperkt tot wat wij willen laten zien,
maar alles wat we laten zien is een leesbare brief
en het kan ook wel eens zo zijn dat de Heere die brief die wij laten lezen
anders schrijft dan wij zouden doen.
Zo kan die kleinzoon van die opa, die er niet over kan praten,
de brief allang gelezen hebben en iets van het geloof van opa hebben opgepikt,
terwijl opa denkt dat hij zelf die brief nog moet schrijven.
Het is niet onze brief die wij met ons leven schrijven,
maar wij zijn de brief van de levende God voor de mensen om ons heen.
Amen

Preek Eerste Pinksterdag 2020


Preek Eerste Pinksterdag 2020
Schriftlezing: Romeinen 8:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn studententijd preekte ik in een gemeente die wat moderner was dan ik gewend was.
Het was de zondag voor Pinksteren.
In de preek legde ik uit dat Christus naar de hemel was gegaan,
om vanuit de hemel ons de Heilige Geest te geven.
Na afloop van de dienst sprak ik met een van de oudere gemeenteleden.
Die zei tegen mij: ‘Bij ons hoor je niet zoveel over de Heilige Geest.’
En direct er achteraan zei ze: ‘U hebt wel wat van de Heilige Geest.’
Van die opmerking schrok ik best wel.
Niet alleen omdat het in deze gemeente bijna niet over de Heilige Geest ging,
maar vooral dat deze vrouw zei: “U hebt wel iets van de Heilige Geest.”
Daar klonk voor mij iets in door: ik heb de Heilige Geest helaas niet, maar u wel.
Ik was nog te onervaren om tegen haar te zeggen: U hebt de Heilige Geest toch ook?
Ik had ook kunnen zeggen: Dat u bij mij iets van de Heilige Geest merkt, is genade.
Ik ben daarin niet meer dan u en ook u kunt de Heilige Geest hebben.
Ik had ook dankbaar kunnen zijn, dat deze luisteraar opmerkte
dat de Geest door mij heen sprak en haar bereikte
en dat ik zo een middel mocht zijn om in deze gemeente over Christus te vertellen.
Maar ik schrok en ging vooral nadenken over de vraag: Heb ik de Heilige Geest wel?

Paulus is heel stellig naar de gemeente in Rome toe: U hebt de Heilige Geest.
En dat terwijl Paulus nog nooit in de gemeente van Rome is geweest
en alleen maar verhalen over deze gemeente gehoord,
heeft hij genoeg gehoord om te weten: jullie hebben de Heilige Geest.
Hij woont in jullie en Hij is in jullie actief bezig.
Paulus schrijft dat met dankbaarheid en zorg.
Tijdens het schrijven van deze brief probeert hij de gemeente voor zich te zien,
ook al kent hij deze gemeente niet.
Hij heeft gehoord dat ze in verschillende huizen bij elkaar komen in die grote wereldstad.
Deze gemeente bestaat uit 5 huisgemeenten, die in verschillende huizen bij elkaar komen.
Die huisgemeenten zullen verspreid zijn over de stad.
De ene huisgemeente komt wellicht bij elkaar in een grote villa, die in een luxe wijk staat.
De andere huisgemeente komt wellicht samen in een armere wijk.
Onderling hebben ze veel contact en weten ze dat ze bij elkaar horen.
Als hij zo aan de gemeente denkt, denkt hij ook aan de verhalen die hij gehoord heeft.
Leden van deze gemeente die opgegroeid zijn met de goden die Rome had
en nooit van de God van Israël hadden gehoord
en die de verhalen over Christus hebben gehoord en nu zijn gaan geloven.
Hij zal bijzondere verhalen hebben gehoord,
zoals hij zelf ook een bijzonder verhaal kan vertellen over hoe Christus in zijn leven kwam.
Anderen zullen niet zo’n bijzonder verhaal te vertellen hebben,
maar dat zij zijn gaan geloven is net zo goed een wonder, een wonder van de Heilige Geest.
U hebt de Heilige Geest.
Daarin klinkt de dank naar God toe: Dank U wel, Heere, dat U Uw Geest hebt laten werken
en dat daar in Rome een gemeente van Jezus Christus mocht ontstaan, die U wil dienen.
Ook daar in die grote wereldstad met die miljoenen mensen is het evangelie gekomen
en heeft de Geest harten voor Christus geopend.
Toch maakt Paulus zich ook zorgen over die gemeenteleden.
Ze hebben de Heilige Geest, maar laten ze de Heilige Geest ook in hun leven werken?
Daar in die grote wereldstad komt veel op hun af.
Ze zijn maar met weinigen, die in die grote wereldstad geloven in Christus:
5 kleine huisgemeenten, die samenkomen in de woonkamers van gemeenteleden.
Raken ze niet ontmoedigd? Houden ze het vol?
De tegenslagen waar ze mee te maken krijgen, lijden dat ze meemaken:
gaan ze daardoor niet twijfelen?
Een deel van de gemeente, met name de christenen met een Joodse achtergrond,
zijn verbannen uit de gemeente en dat gemis dat laat zich merken in de gemeente.
De gemeente heeft daar een behoorlijke douw van gekregen,
een teleurstelling dat degenen die van Christus zijn, dit niet bespaard is gebleven.
Hij, Paulus zelf, kan wel geloven dat het lijden van deze tegenwoordige wereld
niet opweegt tegen de heerlijkheid die er straks in de hemel zal zijn,
maar blijven de Romeinse gemeenteleden dat ook geloven?
Natuurlijk, ze hebben de Heilige Geest en dat weten ze,
maar beseffen ze nog wel, wat voor een wonder het is dat ze de Geest hebben
en dat ze zijn gaan geloven, dat ze Christus kennen en door Hem bij God mogen horen?
Als Paulus zo aan de gemeente in Rome denkt en voor de geest haalt
wat hij allemaal heeft gehoord over de gemeente en hoe de gemeente eraan toe is,
kan hij toch ook niet een andere zorg van zich afschudden.
Heeft dat oude leven, dat leven van vroeger, toen ze Christus nog niet kenden,
hen toch nog in de greep? Lopen ze het risico om niet terug te vallen in dat oude leven
en daarmee Christus kwijt te raken.
Paulus zou wel naar de gemeente toe willen gaan en het tegen hen willen roepen:
Jullie hebben de Heilige Geest!
Laat de Heilige Geest in je werken en je een nieuw mens maken,
laat de Heilige Geest jullie vormen naar het beeld van Christus!
De Heilige Geest maakt je zo’n ander mens, niet meer ongehoorzaam aan God,
maar van harte bereid om te leven in dienst van Christus.

Misschien volgt u deze dienst wel met dezelfde combinatie die Paulus heeft:
met dankbaarheid en met zorg over de gemeente,
met dankbaarheid en met zorg over enkele andere gelovigen die u goed kent,
of met dankbaarheid en en met zorg over uzelf.
Zou u dat trouwens over uzelf durven zeggen: Ik heb de Heilige Geest?
Zou je dat durven beamen: ja, ik laat me echt leiden door de Heilige Geest.
Ik ben allereerst bezig met wat God wil en dan pas met wat ik zelf zou willen.
Ik wil dat ik op Christus ga lijken.
Ik merk het aan mijzelf, dat ik echt een ander mens begin te worden:
Ik ben geduldiger geworden, milder geworden, ik ben meer bezig met de Heere,
ik neem meer tijd voor Hem dan eerder – en dat alles is ook voor mij een verrassing.
Dat moet de Heilige Geest wel zijn: Hij is met mij en in mij bezig.
Zou u dat van onze gemeente durven zeggen: U hebt de Heilige Geest.
Ik merk dat de Geest hier aan het werk is en ik kan daar de Heere voor danken.

Het kan zijn dat u net als Paulus ook een bepaalde zorg hebt over onze gemeente.
Die zorg kan samengaan met blijdschap en dankbaarheid over wat de Geest doet.
Het kan zijn dat u denkt: de Geest werkt in ons midden, maar zijn we ons dat wel bewust?
We kunnen als gemeente ook gemakzuchtig worden en denken dat het wel goed zit,
want de Geest werkt in immers in ons midden. Wij hebben immers de Heilige Geest?
Juist als het zo vanzelfsprekend wordt, kun je gaan verslappen in je geloof.
Dat begint nooit met opzet en dat gaat ook altijd heel geleidelijk aan.
Er is zelden iemand die zegt: ik ga nu stoppen met geloven. Ik heb het lang genoeg gedaan.
Het begint geleidelijk aan: je slaat een keer een kerkdienst over.
Je vergeet een keer te bidden. Je denkt wat minder aan de Heere.
Die ervaring dat de Geest in je werkte gaat vervagen. Dat is iets van even geleden.
Het kan ook zijn dat de oorzaak buiten jezelf lag:
Je hebt enige tijd geleden belijdeniscatechisatie gedaan.
De gesprekken die je had, waren goed voor je. Je leerde van wat anderen zeiden.
Maar omdat de belijdeniscatechisatie al weer even geleden is
heb je die gesprekken niet meer, waardoor je minder tot nadenken wordt aangezet.
Of je hebt een tijd lang een bijbelkring gevolgd, maar omdat je het druk had,
ben je daar al een aantal keer niet aan toegekomen
– en nu in deze tijd komt het er al helemaal niet van elkaar op te zoeken.
Omdat je die gesprekken niet meer hebt, niet meer hoort hoe anderen ermee bezig zijn,
mis je de prikkel om er zelf mee bezig te zijn en je geloof gaat zo heel zachtjes achteruit.
Het zou je zo goed doen als je weer een paar mensen hebt en tijd zou hebben
om bij elkaar te zijn en er weer samen over te spreken,
samen met de dingen van God bezig te zijn en elkaar aan te scherpen.
Nu je die gesprekken niet meer hebt, is er trouwens ook niemand meer die tegen je zegt:
Eerlijk gezegd maak ik me zorgen om je geloof.
Je hebt de Heilige Geest toch? Waarom gaat je geloof zo zachtjes achteruit?
Weet je dan niet dat je aan Christus toebehoort?
Besef je dan niet wat je allemaal kwijt raakt als je Christus kwijtraakt?
Heb je dan niet door dat je weer het risico loopt om in dat oude leven te komen
Waarbij je alles wat je van Christus hebt ontvangen, al het werk van de Geest,
dat je dat allemaal kwijt bent en je weer terug bent bij af?
Misschien maak je op die manier wel zorgen over jezelf, over de gemeente,
of over iemand die je van nabij kent
en je die ander wel willen wakker schudden en toe willen roepen:
Je hebt de Heilige Geest! Laat de Heilige Geest niet uit je leven weggaan.
Of je zou de gemeente wel wakker willen schudden:
Beseffen jullie dan niet dat de Geest zoveel kracht kan doen in onze gemeente
en dat het vanuit onze gemeente dan naar buiten uitstraalt,
Waardoor er mensen bij Christus komen, die Hem eerst niet kenden.

Paulus kan de zorgen die hij heeft over de gemeente niet voor zich houden.
Ze moeten het weten.
Ze moeten het weten daar in Rome, de gemeente die hij niet kent,
maar die hij toch een keer hoopt op te zoeken, als zijn Heer hem dat toestaat,
als de Geest de wegen van Paulus naar die gemeente leidt,
Ze moeten weten dat Paulus ook wel zorgen maakt over hoe het geestelijk ervoor staat.
Dat is nog niet eens het belangrijkste.
Paulus wil vooral dat ze weten van de Heilige Geest.
Wat de Heilige Geest bij hen kan doen in de gemeente, bij ieder van hen.
De Geest kan jullie opwekken uit de dood, de Geest maakt levend,
ook jullie zal Hij levend maken, ook jullie gaat Hij levend maken.
Want de Heilige Geest wordt gezonden door de Vader,
die Zijn Zoon uit het graf deed komen, deed opstaan uit de dood.
Diezelfde Geest zal ook in jullie werken en woont en werkt al in jullie.
Jullie hebben de Heilige Geest.
Paulus ziet al voor zich hoe de gemeente staande blijft dankzij deze Geest.
Dat ze bij elkaar blijven komen, elkaar blijven opzoeken,
Dat ze volhouden, ondanks de teleurstellingen die er zijn,
waardoor ze best het een en ander voor de kiezen hebben gehad.
Als de toekomstige heerlijkheid veel groter is dan het lijden dat er nu is,
dan geldt dat ook voor de tegenslagen die de gemeente nu moet meemaken.
Dan kan de gemeente wel door een diep dal gaan, een crisis
en dan zullen de gemeenteleden het best moeilijk hebben
en wordt er ook echt wel geschud aan hun geloof – Paulus denkt er heus niet licht over.
Hij kan zich zorgen maken over de gemeente,
maar hij weet dat de gemeente een Bondgenoot heeft, die Paulus’ zorgen kan wegnemen.
Daar in Rome staan ze er niet alleen voor. Ze hebben immers de Heilige Geest.
De Heilige Geest zal hen leiden.
Hij schrijft dat temidden van al de zorgen die hij heeft over de gemeente ook op
om te laten weten wat er bij hen gebeurt: De Heilige Geest zal jullie leiden.
De Geest woont in jullie, de Geest werkt in jullie.
Als Paulus dat opschrijft, weet hij ook dat hij zijn eigen zorgen in Gods handen mag leggen
en mag vertrouwen dat de Geest ook zal werken, daar in die gemeente.
Hij zal de gemeente bewaren en beschermen.
De gemeenteleden daar in Rome zijn nog op aarde, zijn nog niet in de hemel,
maar ze kunnen dankzij de Geest al wel in de hemel komen door te bidden.
Ze kunnen voor God komen met hun zorgen: houd de gemeente in stand,
laat de Geest niet bij ons vandaan gaan, laat ons volhouden in geloof.
Ze kunnen bij God komen met hun dankbaarheid: dank U voor Uw Geest,
Dank U voor Uw genade, waardoor ook in Rome het evangelie kwam,
dat wij over Christus mochten horen en dat wij erbij mogen horen, bij U en bij Uw volk.
Ze kunnen zich met weinig voelen, 5 kleine huisgemeenten in die grote wereldstad
en toch zijn ze niet met weinig, want ze kunnen bij God in de hemel komen.
Al wonen ze in een stad die stikt van de afgoden en tempels,
Zij kunnen bij de enige God komen, die er is, aan Hem hun zorgen en noden voorleggen,
Hem vragen om Zijn nabijheid en bewaring,
en ze weten dat Hij met hen aan de slag is om hen een ander mens te maken,
te vernieuwen naar het beeld van Christus
en ze weten dat ze eens daar mogen zijn, bij hun Heer in de hemel.
Dan zal alle tegenslag, al het pijn dat ze geleden hebben van hen afvallen
en mogen ze ingaan in de heerlijkheid van Christus.
Paulus schrijft dat ook aan de gemeente: U hebt de Heilige Geest.
De Heilige Geest zal dat allemaal aan u geven, omdat de Geest in u woont, in u werkt.

En aan ons? Want het is mooi om te horen hoe de Geest dat in Rome deed,
hoe we horen dat de Geest in die tijd in de gemeente werkzaam was.
Maar we willen ook horen hoe het bij ons zit. Of de Geest bij ons kan werken
en hoe je dat kunt waarnemen, hoe we verder kunnen gaan op die weg
of als we zorgen hebben, dat we zien en merken dat de Geest weer opnieuw werkt.
Dat is wel de belofte die God bij de doop geeft:
Nu dit kind in de doop aan Christus wordt gewijd, wordt gegeven,
zal de Geest met dit kind aan de slag gaan.
Dat is de belofte die er is als de gemeente luistert naar het Woord van God:
Nu wij die woorden horen, nu wij daarnaar luisteren, mogen we erop vertrouwen,
dat God ons daardoor aanspreekt.
Dat de Geest in onze gemeente werkt, merken we aan de kleine dingen:
Dat we kunnen bidden, dat er belijdenis gedaan gaat worden (zou vandaag gebeuren),
dat merken we doordat het gemeentezijn wordt gemist, het elkaar opzoeken,
het samen zingen tot eer van God.
Maar ook als we het niet merken, gaat de Geest wel door.
De Geest laat zich niet door ons tegenhouden, want de Geest is de Geest van God,
die Christus uit de dood heeft opgewekt.
Die Geest werkt in u, in de gemeente – ook in deze tijd.
Amen

Blog 14: Gods handelen in de Bijbel

Blog 14: Gods handelen in de Bijbel

Met zijn preekmodel “De Vier Pagina’s van de Preek” heeft Paul Scott Wilson geen nieuw preekmodel willen ontwerpen. Wat hij zou willen, is dat er in de preek meer gesproken wordt over wat God in onze tijd doet. Met zijn model wil hij een vorm aanbieden die Gods handelen in het heden een plek geeft in de preek.

Hij constateert dat het handelen van God maar minimaal in preken gebeurd. In de ene preek is wat God doet helemaal niet aan de orde. In de andere preek komt dat met een enkele zin of met een korte alinea aan de orde, waarbij in de rest van de preek de last toch weer bij mensen komt te liggen. Daarom is deze Pagina 3 noodzakelijk: aandacht in de preek voor het handelen van God in het Bijbelgedeelte.

Het handelen van God plaatst onze ‘trouble’ in het perspectief voor het kruis van Christus. Op deze pagina 3 komt de onvoorwaardelijke liefde, het genadig handelen van God ter sprake, zoals het Bijbelgedeelte dat verwoordt. Als er geen aandacht is voor het handelen van God, hoe kan de preek dan pastoraal zijn en tot vreugde leiden?
maxresdefaultEen voorbeeld aan de hand van Jesaja 6:

  • In Jesaja 6 geeft God aan Jesaja een nieuwe identiteit. De titel van Pagina 3 kan daarom zijn: God schept voor Jesaja een nieuwe identiteit.
  • Op Pagina 4 wordt dat handelen van God aan Jesaja vertaald naar vandaag en toegepast op de luisteraars. Een boodschap op deze pagina kan dan zijn: God schept in Christus voor ons een nieuwe identiteit.
  • Als we deze boodschap omkeren, krijgen we helder wat ‘trouble’ in de Bijbel en in ons dagelijks leven is. Op Pagina 1 kan de boodschap zijn: Jesaja voelt zich onwaardig.
  • Die onwaardigheid kan ook in de gemeente worden gevoeld. Daarom kan op Pagina 2 aan de orde komen: Velen in de gemeente voelen zich onwaardig.
  • Daarmee hebben we gelijk een vraag die leeft bij de luisteraars: Hoe kan ik waardig voor God worden?

images (1)
Pagina 1: Jesaja voelt zich onwaardig
Pagina 2: Velen in de gemeente voelen zich onwaardig
Pagina 3: God schept Jesaja een nieuwe identiteit
Pagina 4: God schept ons in Christus een nieuwe identiteit
Vraag die leeft: Hoe kan ik waardig voor God worden?

De boodschap van Pagina 3 kan misschien te theologisch klinken. Op de volgende pagina (Pagina 4: over het handelen van God in onze tijd) wordt uitgewerkt wat het handelen van God concreet betekent in het alledaagse leven.

Problemen die op deze pagina kunnen optreden:

  1. Predikers stellen het handelen van God maar kort aan de orde en leggen de focus weer op wat de kerkgangers moeten doen.
  2. Predikers verwarren imperatieven met genade. Imperatieven zijn opdrachten en normen en gaan over het handelen van de mens. Imperatieven horen, als ze in de preek gebruikt worden, thuis op pagina 1 en 2.
  3. Predikers verwarren zwakke werkwoorden, die geen handelingen uitdrukken, met genade: God hoort, God zorgt, God is aanwezig. Deze werkwoorden kloppen op zichzelf genomen, maar zijn te vaag over het handelen van God, waardoor de genade niet duidelijk zichtbaar wordt.
  4. Predikers maken Gods genade afhankelijk van ons handelen. Bijvoorbeeld: God nodigt ons uit om te … God wil dat wij … Dan veronderstellen we dat wij mensen aan Gods verzoek gehoor geven. Maar door onze zonde kunnen we dat verzoek ook naast ons neerleggen. Verander ze in krachtige stellingen:
    – God roept ons om te worden vernieuwd.
    – Door de doop maakt God je tot een kind van het licht.
    – God werkt in jullie en in de gemeente een krachtige vernieuwing
  5. Predikers slagen er niet in om een verband te leggen tussen ‘trouble’ en genade. Ze leggen daardoor teveel nadruk op het een of op het ander.
  6. Predikers verwarren ‘trouble’ en genade met probleem en oplossing
  7. Predikers maken gebruik van een preekvorm die geen ruimte biedt aan genade.

511h28bhz5l._sx334_bo1,204,203,200_
Aanwijzingen voor Pagina 3:
Op deze pagina wordt de bijbeltekst herverteld, waarbij de focus ligt bij Gods handelen, waarmee Hij redding (Christus) brengt of kracht (Geest) geeft.

  1. Visualiseer Pagina 3: ‘film’ het bijbelgedeelte
  2. met daarbij de regels van het vertellen: show, don’t tell.
  3. Gebruik verbeelding om een tekst te ‘verfilmen’. Zorg dat de details in de vertelling passen qua geografie en tijd.
  4. Verwerk ideeën of thema’s van de geloofsleer in de vertelling. Een groot deel van de gemeente zal niet vatten als de boodschap ‘God is een mysterie’ maar een keer kort wordt gezegd. Werk uit hoe God een mysterie is en wat dat inhoudt.
  5. Probeer de bijbeltekst zo min mogelijk te verstoren. Als er over een menigte wordt gesproken, laat dan een menigte zien. Als we karakters inbrengen, die niet in de Bijbel worden gemeld, begeven we ons op glad ijs. 
  6. Verbeeld het bijbelgedeelte door de tekst te bidden.
  7. Predikers zijn klaar om deze pagina uit te werken als ze kunnen voorstellen dat ze zelf daar hebben gestaan en hebben gevoeld hoe de wind door hun haren blies, op de antieke grond hebben gestaan, gekeken naar de mensen die deze handeling hebben meegemaakt.
  8. Maak van de boodschap geen doctrine of leerstuk, maar laat de boodschap een ervaring worden.
  9. Probeer een achtergrond te creëren voor teksten die geen achtergrond lijken te hebben, zoals de psalmen en de brieven. Probeer te achterhalen welke werkelijke gebeurtenissen er aan deze psalm of deze brief ten grondslag hebben kunnen liggen.
  10. Laat handelingen in een enkele korte scène zien. Vertel de verhalen. Laat de tekst werkelijk leven en niet verworden tot een lijstje met taken. Beeld je in dat je daar was.
  11. Zorg dat je één bijbelgedeelte (T), één boodschap (T), één thema uit de christelijke geloofsleer (D), één vraag of één verlangen die bij de luisteraar leeft (N), één beeld (I), één missie (M): The Tiny Dog Now Is Mine.

N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon. A Guide to Biblical Preaching. Revised and Updated (Nashville: Abingdon Press, 2019), 147-163

God laat met Zich spreken. Calvijn over het gebed

God laat met Zich spreken. Calvijn over het gebed

Bidden betekent: spreken met God. God laat met Zich spreken. Zondige, onreine, sterfelijke mensen mogen met de heilige God spreken. Voor de reformator Johannes Calvijn speelt bidden een grote rol in zijn theologie en in zijn praktijk van geloven.

Volgens Calvijn-onderzoeker Eberhard Busch is er in het onderzoek naar Calvijns theologie weinig aandacht geweest voor de betekenis dat bidden voor Calvijn had. Terwijl het wel het wel een belangrijk thema voor Calvijn is geweest. Het grootste hoofdstuk uit de Institutie gaat over bidden.  Ook in zijn uitleg van Bijbelboeken komt Calvijn steeds over bidden te spreken. Voor Calvijn zijn de basiselementen van een eredienst: preek, avondmaal en gebed.

Calvijn spreekt in zijn gebeden God vaak aan als Almachtige. Daarmee bedoelt Calvijn niet zomaar dat God alles kan, maar wil hij aangeven dat God in Zijn genade de zondaar uitnodigt om met Hem in contact te komen en in gemeenschap te treden. Wij zijn op God, onze Schepper, aangewezen. God houdt rekening met onze gebeden.
calvijn
Calvijn

1. Bidden en geloven
Bidden veronderstelt geloven. Calvijn: ‘Wij kunnen niet tot God bidden zonder te geloven.’ Bidden is daarom geen zelfgesprek, maar een gesprek met God.

Is geloof dan een sleutel om in de hemel te komen? Nee, want wij hebben als mensen die sleutel niet in eigen hand. Door te geloven erkennen wij dat ook. Maar God maakt in Zijn Woord de deur van de hemel open. God heeft tot ons gesproken en daarom kunnen wij met God spreken.

Gods Geest maakt het ons mogelijk ons in geloof tot God te wenden. ‘Wie niet door Gods Geest wordt geregeerd, kan niet van harte bidden. Wij weten dat het deze bijzondere gave van de Geest is, die ons hart opwaarts in de hemel opheft. Want wij bidden tevergeefs als wij niet geloven en ons niet bekeren.’

Wij zouden niet kunnen bidden als de Heere niet zelf eerst gesproken had. Daarom gaat geloven aan bidden vooraf. Geloven is de moeder van het gebed, aldus Calvijn. Het spreken van God tot ons en ons geloven in God gaat aan ons bidden vooraf. Gods spreken opent ons oor en ons hart, waardoor wij antwoord kunnen geven. Gods spreken tot ons laat zien dat God bereid is om ons een luisterend oor te bieden. Ons geloven en ons luisteren naar Gods spreken vindt in ons bidden een antwoord: daarmee beamen wij Gods spreken.

Ons bidden als ons antwoord is het hoogste dat wij als mensen kunnen aanbieden: ‘Het voornaamste offer dat God van ons vraagt is het aanroepen van Zijn naam.’ ‘Het aanroepen van Gods naam is de beste oefening van ons geloven en ons hopen.’ ‘Het voornaamste werk van ons geloof is het aanroepen van Gods naam.’ ‘Het beste middel tegen ons vermoeid-worden in geloof is het volhouden in gebed.’ In ons bidden komt naar voren dat de Geest in ons werkt, Die ons tot kinderen van God maakt.

Bidden staat voor Calvijn niet tegenover handelen. Door te bidden ontvangen wij de kracht om moedig te handelen. Het juiste handelen is eerst in gebed gaan. Bidden is de eerste juiste handeling.

Bidden is geen individuele zaak. Bidden is iets gemeenschappelijks. We bidden met elkaar en we bidden voor elkaar. ‘De christenmens heeft zijn gebeden zo vorm te geven dat ze op de gemeenschap betrokken zijn en iedereen insluiten, die in Christus zijn broeder of zuster is. Daarmee sluit hij alle mensen in die op aarde leven.’
Eberhard Busch
Eberhard Busch

2. Het bidden van ons zondaars
De belangrijkste vraag is niet of wij willen bidden, maar of wij mogen bidden. Wij zijn immers zondaars. In geloof komen wij voor Gods aangezicht. Voor Gods aangezicht krijgen wij het juiste inzicht over onszelf: wij fabriceren onze eigen goden die bij ons passen, onze eigen uitvindingen, producten van onze eigen verbeelding. Dat is ongeloof. De ware God schudt ons wakker uit deze waan.

We hebben vergeving nodig voor deze zonde als wij met God willen verkeren. Daarom is voor Calvijn het eerste gebed, dat de gemeente bidt bij het samenkomen, een gebed om vergeving.  Ook onze gebeden zijn zondig, maar in Zijn oneindige goedheid en genade wil God onze gebeden toch aannemen.

De zonde wekt ook vaak in ons de indruk dat onze gebeden niet bij God aankomen en dat wij tevergeefs bij God op de deur kloppen. Dat is een sterke aanvechting, waardoor de drang om te bidden onder druk komt te staan. Volhouden in gebed is geen makkelijke deugd. Ons ongeloof maakt ons wijs dat ons bidden geen zin heeft. Met het verdwijnen van de hoop verdwijnt ook onze ijver om te bidden. Ons vertrouwen toont zich door vol te houden als het gaat om gebed, ondanks deze aanvechtingen.

3. Gebedsverhoring
In Calvijns tijd kon de gedachte geuit worden dat gebedsverhoring afhankelijk is van de reine staat van de bidder. De mens moet zijn bijdrage leveren, zodat God het gebed verhoort. Voor Calvijn is bidden reeds een begin van de gebedsverhoring: onder alle twijfel is er toch de zekerheid dat God hoort.

Voor Calvijn zijn er twee vormen van gebedsverhoring: een voorlopige gebedsverhoring en een toekomstige definitieve verhoring. Dit is de spanning van het reeds en het nog niet.
zusammenlebenVerhoort God verkeerde gebeden? Volgens Calvijn niet. God kan ons niet aanzetten tot egoïstische of tot kwaadwillende gebeden. Bidden gebeurt naar Gods wil. Wie door God verhoord wil worden, moet niet in de eigen zooi blijven steken. Toch laat God Zijn zon schijnen over goede en over slechte mensen.  Gods barmhartigheid is onze troost, want geen enkel gebed komt zuiver voor Gods troon. Zelfs ons stamelen verdraagt God. Daarom bidden we nooit tevergeefs en is ons bidden nooit zinloos. We bidden in hoopvolle verwachting.

Verhoring door God heeft altijd heilzame betekenis. In de uitleg van Psalm 77:10 schrijft Calvijn: ‘Gods goedheid is onlosmakelijk verbonden met Zijn wezen, zodat het voor God onmogelijk is om niet barmhartig te zijn.’

4. Aanwijzing tot het juiste bidden
Er zijn volgens Calvijn wel aanwijzingen nodig voor het juiste bidden. Die aanwijzingen betreffen niet zozeer de vorm als wel het besef tot Wie je bidt. We kunnen niet onze egoïstische wensen uiten die tegen Gods wil ingaan. Alles in ons leven en daarmee ook ons bidden hoort te zijn tot eer van God.
Voor Calvijn zijn dit de aanwijzingen:

  • Bid met een regelmaat. Zoals Daniël driemaal daags op de knieën ging. Wie met regelmaat bidt, vergeet het bidden niet. 
  • Bidden heeft iets gemeenschappelijks, zoals het Onze Vader laat zien. In de eredienst worden daarom psalmen gebeden om het gemeenschappelijke uit te drukken.
  • Calvijn wil dat we bidden met de juiste instelling. Hoe ons hart is, is het belangrijkste bij het bidden. Toch gaat het bidden met het hart niet ten koste van de uiterlijke vorm. Want het is nodig dat ons bidden uitgesproken wordt. Een hardop gebeden gebed laat zien dat de bidder in de gemeenschap van de kerk van alle tijden en plaatsen treedt. We bidden daarom met hart en mond. Het is de plicht van het hart, dat zich uit met behulp van de tong.
  • Mag je voor jezelf bidden? Bidden mag volgens Calvijn nooit iets egoïstisch hebben. Ons bidden moet tot eer van God zijn en naar Zijn wil. We mogen God nooit voor ons karretje spannen. 
  • Bidden voor onszelf mag ook niet ten koste gaan van het bidden voor een ander. In het bidden gaat het om het geheel van de kerk van alle tijden en alle plaatsen. We zijn in ons bidden ook verbonden met degenen die ver van ons af staan.


N.a.v. Eberhard Busch, ‘Gott lässt mit sich reden’, in: Idem, Zum Zusammenleben geboren. Johannes Calvin – Studien zur seiner Theologie (Zürich: Theologischer Verlag Zurich, 2016), p. 9-20.