Preek zondag 8 december 2019

Preek zondag 8 december 2019
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Jesaja 65: 17-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dat is nog eens een wereld waarin je je kind kunt laten opgroeien,
de nieuwe wereld waar Jesaja over spreekt:
Een wereld waarin je kind onbezorgd kan opgroeien.
Een wereld waarin je je als ouders geen zorgen hoeft te maken over je kind,
want je zoon of dochter zal opgroeien en oud worden.
Ze zullen aan het einde van hun leven kunnen terugkijken op een mooi leven.
Er zal geen ziekte zijn, waardoor ze jong afscheid moeten nemen van hun dierbaren.
Niemand zal door een ongeluk onverwacht overlijden.
Er zal geen oorlog uitbreken.
Ze zullen nooit op de vlucht hoeven te gaan of te wonen in kapotgeschoten huizen.
Als je zo’n leven mag krijgen, ben je inderdaad gezegend door de Heere.
Als dat nu eens het leven mag zijn, dat je dochter of zoon uit Gods hand mag ontvangen,
wat zul je dan zelf als vader of als moeder een stuk onbezorgder zijn.
Nooit hoef je dan je zorgen te maken dat je kind iets zal overkomen,
of dat ze zullen lijden, te maken zullen krijgen met tegenslag.
Je zult zelf ook niet het verdriet te dragen dat je je kinderen ongelukkig ziet.

Je hoeft niet eens naar een heel ander deel van de wereld te gaan
om te weten dat deze wereld niet binnen handbereik ligt.
Toen jullie zelf vader en moeder mochten worden, was er in andere gezinnen verdriet
dat ook voor jullie raakte,
waardoor jezelf ook weer besefte dat het een zegen is als je je kind mag zien opgroeien.
Waardoor je ook weer beseft dat deze wereld, die door Jesaja wordt aangekondigd,
er niet nu is, maar toekomstmuziek.
Jullie kinderen groeien op in een andere wereld,
Waarin het verdriet er wel zal zijn, waarin ze het nodige aan tegenslag zullen meemaken.
Je weet al van tevoren dat elk van deze drie kinderen op hun manier een kruis zullen dragen
en in het doopgebed baden we niet of hen dat kruis bespaard mag blijven,
maar dat ze de vreugde krijgen om dat kruis te zullen dragen,
omdat ze met het kruis dat ze zullen dragen achter Christus zullen gaan, hun Heer.
Zo’n gebed gaat nog eens dieper dan vragen om Gods bescherming
of dat je kind door het leven mag gaan onder de zegen van de Heere.
En als het formulier uitlegt wat het betekent om gedoopt te worden in de naam van de Vader
wordt er meer gezegd dan dat God je kind zal beschermen,
maar dat er ook heel wat kan gebeuren dat door je eigen ziel snijdt
en waar je zoon of dochter mee zal moeten worstelen, om uiteindelijk te ontdekken
dat het door God wordt gebruikt om je zoon, dochter te vormen als leerling van Christus
in het leven, dat zoals het formulier zegt: een voortdurend sterven is.

Daar kan het gehoor van Jesaja over meepraten dat het leven een voortdurend sterven is.
De mensen tegen Jesaja spreekt kunnen alleen maar aan vroeger denken,
omdat het heden te pijnlijk is:
Het heden is voor hen een stad in puin, waarbij er geen gebouw meer overeind staat.
Zelfs de tempel, de tastbare herinnering aan Gods aanwezigheid, lag in puin.
Voor de mensen die uit de stad weggevoerd werden, een teken dat God hen verlaten had.
Wat konden ze daar in dat vreemde land, waar ze niet thuis hoorden,
waar ze de taal niet spraken, waar hun God ver weg was, anders dan treuren.
Mijn tranen zijn mij tot voedsel, dag en nacht,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen: Waar is uw God?
Was dit de wereld waarin zij hun kinderen moesten laten opgroeien?
In een land waar ze niet thuis hoorden en nooit thuis zouden horen?
Waar ze voor altijd ballingen zouden zijn, omdat ze daar zonder God waren?
Hoe zouden ze hun kinderen de verhalen kunnen vertellen uit de Bijbel,
verhalen waarin naar voren kwam hoe geweldig de Heere was.
Hoe konden ze over de uittocht uit Egypte vertellen, over de reis door de woestijn
als hun kinderen niet naar Jeruzalem konden gaan om daar in de tempel
tot God te bidden en een offer te brengen uit dankbaarheid, of een offer voor hun zonden?

Dan is daar opeens de profeet met deze boodschap.
Moet je eens voorstellen hoe de mensen op zijn boodschap gereageerd zouden hebben?
Niet meer aan vroeger denken? We kunnen alleen maar aan vroeger denken,
want toen was het nog goed, omdat we toen wisten dat God onze God was.
Alleen maar blijdschap, alleen maar gejuich – zie je dat al voor je met ons,
Die alleen maar kunnen treuren om het gemis om God,
elke dag het verdriet om Jeruzalem in ons hart hebben, van heimwee niet kunnen slapen?
Eraan lijden te moeten zien dat hun kinderen in een heel andere tijd opgroeien
en veel moeten missen van wat zij wel nog meekregen in hun jeugd en kindertijd.
Weer wonen in je eigen huis en je eigen tuin kunnen bebouwen.
Weer thuis zijn op de plek waar je hoort, waar je hart ligt.
Ze kunnen er alleen maar van dromen.
Nu komt er iemand die door God gezonden wordt vertellen dat dit weer gaat gebeuren.
Moet je dit geloven? Ze zouden het wel willen.
De boodschap van de profeet zal zowel verlangen hebben opgewekt,
als een aarzeling: laten we ons niet te snel rijk rekenen want straks worden we teleurgesteld.
Te vaak hebben ze hier verdriet gehad.
Te vaak hebben ze een begrafenis hier meegemaakt, van kinderen die jong stierven,
ouderen die van verdriet wegkwijnden en de ballingschap niet aankonden en overleden
en begraven werden in een land ver van de plek waar ze begraven hadden willen worden.
Kun je dan nog wel getroost worden?

Het zijn ook niet de eigen woorden, waarmee de profeet komt.
Want dan zou het een goedkope troost zijn, die alleen maar nog meer pijn zou doen.
Het zijn woorden van God aan een volk met een kras op de ziel,
aan mensen die niet meer weten hoe ze het uit kunnen houden.
Het is de belofte van heel iets nieuws dat uit Gods hand komt.
Het bijzondere is niet zozeer dat er de nieuwe hemel en aarde aangekondigd worden,
maar de belofte dat God er weer zal zijn. Dat is de kern van de vreugde, de bron.
De vreugde dat God terugkomt en weer gediend kan worden.
Niet alleen een nieuwe aarde, maar ook een nieuwe hemel.
Niet meer een dichte hemel, afgesloten voor de smeekbeden van Zijn volk,
maar een open hemel, van waaruit God neerdaalt om onder Zijn volk te zijn.
God houdt zich aan Zijn verbond: Ik ben jullie God en jullie zijn Mijn volk.
Daar is de doop ook een teken van: van dit verbond.
Dat de hemel weer open kan zijn en God kan komen, uit de hemel op aarde,
zoals Hij kwam als Kindje in de kribbe om te komen ook voor onze zonden.
Niet alleen maar een nieuwe aarde, maar een nieuwe hemel.
Dat is nog meer dan Noach te horen kreeg, dat de aarde niet meer verwoest zou worden.
Een nieuwe hemel, dat betekent dat God niet onbewogen in de hemel blijft,
dat Hij nooit meer de oren zal sluiten voor de smeekbeden en dat Hij komt.
Dat zal zo nieuw zijn, dat hemel en aarde nieuw zijn.
Je kunt het niet meer vergelijken met eerder.
Dan zal het alleen maar goed zijn, dan zal er alleen maar zegen zijn. Alleen maar vrede.
Jullie kinderen worden gedoopt met diezelfde belofte,
dat God ook in het leven van deze kinderen, die gedoopt zijn, kan terugkomen
en niet pas als zij er naar vragen,
maar de doop betekent dat God al naar hen op zoek is, nog voordat zij zoeken naar God.
Dat de Geest bezig is om in hun hart te werken en een plek te maken voor Christus.
En het zal geschieden dat voordat zij roepen, Ík zal antwoorden,

terwijl zij nog spreken, Ík zal horen.
Nu jullie kinderen gedoopt zijn, zegt God dat tegen je kinderen, persoonlijk:
Ik ben jullie God. Nog voordat je naar Mij en om Mij roept, zelfs nog voor je kunt praten,
zal Ik je antwoorden.
Terwijl je zelf nog niet helder hebt, wat er in je omgaat en wat je nodig hebt,
terwijl je zoekt naar de woorden om te vertellen wat je dwars zit, ben Ik er al voor je,
zegt de Heere tegen deze kinderen in de doop.

Ik weet dat als ik het zo stellig is, er altijd wel gemeenteleden zijn, die zullen zeggen:
Betekent dat ook dat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde ook voor hen zal zijn?
Maar wacht even, is daar niet geloof voor nodig?
Die kinderen die gedoopt zijn, moeten toch zelf ook antwoord geven op de doop,
zelf antwoord geven op de liefde van God, Hem in geloof aannemen?
Ja, ook daarom worden ze gedoopt – om dat bij het opgroeien zelf te gaan geloven
wat God in de doop belooft: dat je een Vader in de hemel nodig hebt,
dat je Christus in je hart nodig hebt, dat je niet zonder de Geest kunt.
Daarom krijgen deze kinderen ouders toegewezen, die hen vertellen over Hem,
die mogen voorleven hoe het is om Christus te kennen.

God geeft leven, kwetsbaar leven

naar Zijn beeld gevormd.

Hij bedacht jou en Hij heeft je

toevertrouwd aan ons.

 

Hier in Gods gemeente

leggen wij op jou Zijn naam,

geven wij je terug aan Hem,

die jou heeft doen bestaan.

 

In het volste Godsvertrouwen

zegenen wij jou.

Hij zal met je meegaan

alle dagen; Hij is trouw.

Daarom zijn ze onderdeel van de gemeente en worden ze in een kerkdienst gedoopt,
zodat alle leden van de gemeente, hier in de kerk en thuis bij de kerkradio,
Deze kinderen meenemen in hun voorbeden en voor hen blijven bidden.
Zodat deze kinderen, die gedoopt zijn, niet alleen maar hun eigen ouders hebben
maar ieder ander in de gemeente als een voorbeeld om te zien hoe je kunt geloven,
hoe je Christus in je leven een plek geeft, Hem gehoorzaam bent.
Ze hebben jou als ouders nodig, ze hebben u en jou als gemeentelid nodig.

Want de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, is er nog niet zoals Jesaja aankondigde,
Misschien dat die nieuwe hemel er wel gekomen is,
toen God terugkeerde bij Zijn volk nadat Jesaja deze komst aankondigde,
of dat de hemel weer nieuw werd toen het Koningskind geboren werd in Bethlehem
en de engelen het Ere zij God uitzongen als teken dat de hemel weer nieuw is,
vol bewogenheid met mensen, vol genade voor zondaren op aarde.
Maar die nieuwe aarde – die is er nog niet.
Als je je kind laat dopen, zeg je tegen je kind:
je bent nu geboren op deze wereld, maar we kijken uit naar een nieuwe wereld,
die zal zijn zoals God die geschapen had, nog voor de zonde in de wereld kwam.
Waar een wolf en een lam samen optrekken en een leeuw en een rund hetzelfde eten.
Waar een slang zijn gif niet meer zal spuwen.
Een wereld waarin een president die moorden op zijn geweten heeft, geen plek meer heeft
en zijn straf niet kan ontlopen.
Waar je niet zomaar in de gevangenis kan belanden
als je je wilt inschrijven voor een opleiding, omdat je niet de juiste gegevens hebt.
Waar je geen gesteggel meer hebt met de belastingdienst.
Het is een wereld die wij ons gewoon niet kunnen voorstellen,
omdat er geen kwaad is en niemand een ander kwaad kan doen.
De belofte van deze wereld heeft Christus nog eens onderstreept
en er nog iets aan toegevoegd, namelijk dat Hij het kwaad dat wij doen,
dat deze kinderen zullen doen, al kun je je dat nu wellicht niet voorstellen
op zich zal nemen en wegdragen en het goedmaken,
zodat wij als mensen ook weer met God kunnen verkeren, kunnen samenleven,
zoals het lam en de wolf samen optrekken, samen met de rund en de leeuw.
Dat zou een vreugde zijn, als deze kinderen daar mogen binnen treden,
dat wij mogen binnen treden, dat wij allemaal daar met God mogen zijn,
omdat we in geloof mochten aannemen.
Als Jesaja deze nieuwe hemel en nieuwe aarde aankondigt, zegt hij er een klein woordje bij:
‘Zie!’
Die nieuwe hemel en nieuwe aarde zullen zichtbaar worden.
Wij zullen het mogen zien, mogen ervaren.
Zorg ervoor dat u het niet alleen zult zien, maar ook mag binnengaan,
dat je gelooft wat God in de doop belooft, dat je aanneemt, antwoord geeft.
Zolang zij het nog niet zelf kunnen aangeven, zullen wij voor hen bidden
en als ze het wel zelf kunnen aangeven, zullen we wellicht iets andere woorden gebruiken:

Herder, neem uw schaapje aan, hoofd maak het één van uw leden.
Wees zijn weg, wijs het zijn baan. Vredevorst wees Gij zijn vrede.
Amen

Ps. Deze tekst uit Jesaja 65:25 staat in een iets uitgebreidere vorm ook in Jesaja 11. Binnenkort hoop ik uit Jesaja 11 te preken – wellicht op nieuwjaarsdag. Dan zal ik deze beelden meer uitwerken.

 

Bij het eredoctoraat van Richard Mouw

Bij het eredoctoraat van Richard Mouw

Tot voor kort kende ik Richard Mouw niet. Als ik de catalogi van Amerikaanse uitgeverijen bekeek op boeken die binnenkort zouden verschijnen, kwam ik zijn naam wel eens tegen als hij weer een nieuw boek publiceerde over de taak van een christen in de wetenschap of in de cultuur. Ik vroeg die boeken niet voor een recensie aan, omdat ik verwachtte daarin niets nieuws te ontdekken. Pas in de laatste jaren begon ik hem te lezen, vooral via links op Twitter naar korte artikelen die door Mouw geschreven waren.

d5df152e20908e75d0017d93f2a154f3_XL

Ik ontdekte dat ik hem ten onrechte had genegeerd. Steeds meer en meer kwam het beeld naar voren van een wijze, vrolijke, erudiete man. Dit jaar vroeg ik zijn nieuwste boek wel aan om te recenseren: Restless Faith. In dat boek vroeg hij zich af of hij zich nog wel evangelical kon noemen, omdat veel evangelicals openlijk president Trump steunen. De houding in het boek blijkt karakteristiek voor Mouw: aan de ene kant loyaal aan de beweging waarmee hij zich verwant voelt, aan de andere kant bezorgd en kritisch.

Door die leeservaring wilde ik meer van hem lezen. Daardoor ontdekte ik dat hij een internationale belangrijke stem is van het neocalvinisme, een stroming die zijn oorsprong in Nederland heeft bij personen als Abraham Kuyper en Herman Bavinck. Dat neocalvinisme kreeg ik in mijn jeugd mee door onder andere het lezen van de kerkgeschiedenissen van P.A. de Rover en L. Praamsma. Zonder dat ik mij ervan bewust was, vormden die boeken mij.

Ik had wel het besef dat ik door het neocalvinisme gevormd was, maar hield toch afstand. Vooral omdat de Bijbelwetenschappen in het keurslijf van de dogmatiek werden geperst. Lezend in Mouw kom ik mijn eigen traditie tegen. Omdat Mouw zich niet in sjibboleths verliest, krijg ik door Mouw de gelegenheid om mijn eigen traditie meer onbevangen te waarderen.

De boeken van Mouw zijn voor mij een ontdekking en de neocalvinistische traditie een herontdekking. Gisteren was er in Kampen een klein symposium over Richard Mouw, voorafgaande aan het eredoctoraat dat hij ’s middags zou krijgen van de Theologische Universiteit Kampen. Uit de toespraken kwam het beeld naar voren van Mouw als een overtuigde calvinist die voortdurend het gesprek met andersdenkenden en andersgelovigen opzoekt: met Rooms-Katholieken, Mormonen, Joden. Zelfs de scherpe kritiek uit haast verwante gereformeerde kerken kon hij open ontvangen.

In de lezingen kwam ook naar voren dat Mouw die dialoog ook vanuit zijn theologische principe aan kon gaan. Van Kuyper heeft Mouw de gedachte van gemeene gratie geleerd: de gedachte dat ook in degene die anders denkt en gelooft Gods genade werkzaam kan zijn. Verscheidene van zijn leerlingen gaven aan, hoe centraal voor Mouw de goedheid van God is. Deze goedheid van God is er zowel voor gelovigen als ongelovigen. Deze goedheid van God, uitgewerkt in de gedachte van gemeene gratie is Mouws uitgangspunt.

Het bijzondere is niet alleen dat Mouw deze algemene genade thematiseert, maar ook belichaamt. In zijn dialogische opstelling en in zijn zoektocht om in de ander steeds het goede te waarderen, laat hij in zijn persoon zien wat die algemene genade inhoudt. Niet voor niets kreeg hij een liber amicorum uitgereikt met als titel: Generous Calvinist.

De betekenis van Mouw is niet te onderschatten. Tijdens het symposium sprak ik met predikant uit Zambia en een predikant uit Indonesië. Zij vertelden hoe het werk van Kuyper, dat door Mouw gepromoot werd, hen hielp om als kleine christelijke minderheid je niet terug te trekken uit de maatschappij, maar je maatschappelijk te engageren. Ook het werk van Richard Mouw kan daar een belangrijke bijdrage aanleveren. Reden om meer van Mouw te lezen.

(Een geluk voor mij is dat de thema’s waar Mouw zich mee bezig houdt raken aan mijn eigen onderzoek.)

En de Bijbelwetenschappen? Mouw zelf laat zien welke uitdagende rol de Bijbelwetenschappen kunnen hebben in de theologie. En anders laat dit interview van Eep Talstra wel iets zien van de rol die de Bijbel kan hebben binnen het neocalvinisme. 

Vragen bij Mattheüs 25:1-13

Vragen bij Mattheüs 25:1-13: De gelijkenis van de 5 wijze en 5 dwaze bruidsmeisjes
hb_14.81.21) Dit gedeelte gaat over de verwachting van Christus’ komst. Kijkt u uit naar de Wederkomst van Christus? Kunt u iets vertellen hoe dat uitkijken er voor u uitziet?

2) De gelijkenis gaat over het Koninkrijk der hemelen (of, zoals de Bijbel in Gewone Taal zegt: Gods nieuwe wereld). Wat weet u van dat Koninkrijk der hemelen? Waarom zou Jezus een gelijkenis vertellen om daar iets duidelijk over te maken?

3) De gelijkenis gaat over het opwachten van de bruidegom. Wat is de taak van de 10 meisjes?

4) De vijf meisjes zonder olie zijn niet aanwezig op het moment dat de bruidegom arriveert. Wat is daar erg aan? Hadden zij zich kunnen voorbereiden? Waarom noemt Jezus de ene groep wijs en de andere groep dwaas?

5) Aan het begin van de gelijkenis slapen alle 10 meisjes. Heeft dat betekenis? Of is dat een detail dat we kunnen overslaan in de uitleg?

6) De bruidegom laat de meisjes, die later komen op het feest niet meer toe tot heeft het feest. Wat heeft dat ons te zeggen?

7) De opdracht om waakzaam te zijn (vers 13) is de toepassing van de gelijkenis. Op welke manier kunnen wij waakzaam zijn?

Preek zondag 1 december 2019

Preek zondag 1 december 2019
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Jesaja 63: 7-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dat zijn woorden die je niet snel uit de mond van een vrome profeet zou verwachten,
Een profeet die namens God erop uit gestuurd wordt
om het volk in naam van God aan te spreken op hun gedrag en hen terug te roepen.
Dat een profeet niet staat te springen om te gaan, dat kunnen we ons nog wel voorstellen.
Of dat een profeet eraan lijdt dat er naar zijn boodschap niet wordt geluisterd
en over de eigenwijsheid van het volk klaagt bij Degene die hem gezonden heeft.
Maar hier klaagt de profeet God aan vanwege nalatigheid.
HEERE, waarom doet U ons afdwalen van Uw wegen?
Waarom verhardt U ons hart, zodat wij U niet vrezen.

Zegt de profeet nu dat hij en alle anderen uit het volk Israël er niets aan kunnen doen
Dat ze voor een verkeerde weg kozen en bij God vandaan gingen
en dat het aan de Heere ligt dat ze weggegaan zijn, omdat Hij hen niet tegenhield?
Dan zou je dat in de komende weken, als je met de aansporing van het avondmaal,
om een oprecht voornemen te hebben om God te dienen
kunnen zeggen, dat als je er niet in slaagt, dat je er niets aan kunt doen
en kun je naar God wijzen: had Hij maar beter opgelet en meer gedaan.
Had Hij maar ingegrepen; ik kan er niets aan doen. Het is mij ook maar overkomen.
Hij weet toch dat wij het uit onszelf niet kunnen?
Waarom heeft Hij mij dan niet tegengehouden toen ik die verkeerde keuze maakte?
Waarom heeft Hij mijn gang laten gaan toen ik in mijn geloof verslapte?
Hij wist toch ook wel dat er dan ik dan niet de juiste weg opging?

Hier wordt God niet alleen aangeklaagd voor nalatigheid,
maar wordt Hij er ook nog eens voor aangezien dat Hij bewust in mensen werkte
en dan niet door Zijn Geest te geven en het hart te openen voor Christus,
maar zo te werken dat het hart dicht ging en er geen ruimte kwam voor Hem.
Dat ligt niet aan ons, maar dat ligt aan U.
Wij hadden het ook graag anders gewild, maar ja, U besliste anders over ons.
De klacht tegen God is dus ook dat Hij harten afsluit voor Zijn woord.

Kun je wel zo tegen God spreken?
Als er over God geklaagd wordt, schrikken kerkmensen nogal eens

en geven ze aan zo kun je niet over God praten.
Hoe aangrijpend het ook is als je ziek wordt, of als een geliefde verongelukt,
je mag er God de schuld niet van geven
en God al helemaal niet ter verantwoording roepen, waarom Hij dat liet gebeuren.
Want wij zijn maar mensen en kunnen het geheel niet overzien.
Wij kunnen niet zien welke bedoeling de Heere ermee had.

Hij kan iemand willen stilzetten, of door alle ervaringen willen vormen in geloof.
Je kunt maar beter zwijgen en het aan God overlaten.

Dat is nu net niet wat de profeet doet.
Ook hij zal geleerd hebben dat je niet zo tegen God in kunt gaan, omdat Hij te heilig is.
Ook hij zal geleerd hebben dat je als mens niet moet bedenken
dat je God kunt aanklagen omdat je niet eens bent met de koers die Hij gaat.
En toch laat hij zich er niet door tegenhouden
en slaat een toon aan tegen God waarvan zijn ouders wellicht zouden schrikken
en de omstanders als ze hem zouden horen zich bezorgd zouden afvragen wat hij deed.
De profeet stormt het heiligdom van God binnen en roept het uit: waarom dan?
De profeet wil echter niet dat God hem gaat uitnodigen om er even goed voor te gaan zitten
zodat de Heere de kans krijgt om Jesaja uit te leggen wat er allemaal speelt.
Jesaja zit niet te wachten op een verklaring van God, een antwoord in woorden.

De profeet wil dat de Heere iets doet.
Dat de Heere doet, wat Hij voor eerdere generaties ook heeft gedaan,
namelijk uit de hemel komen en voor hen strijden, met hen meegaan.
Hij deed dat toen ze vanaf de Sinaï weer verder gingen door de woestijn
op weg naar het Beloofde Land.
Toen bleef Hij daar niet achter op de berg en bleef Hij niet werkloos in de hemel,
maar daalde Hij af en ging mee met het volk, Hijzelf persoonlijk,
Hij ging voor hen uit en baande de weg en bracht hen in Kanaän.
Elke barrière die er was, werd door Hem uit de weg geruimd.
Als er honger nodig was, gaf Hij eten. Als er dorst was, gaf Hij water.
Als ze niet verder konden, omdat er een zee was of een rivier de weg versperde,
zorgde de Heere dat er een weg door het water kwam en Israël kon gaan.

Waarom kan dat nu niet, wat de Heere vroeger wel liet zien?
Waarom kon Hij hen toen wel als een herder voorgaan
en heeft Hij dat niet gedaan toen de zonde vat kreeg op het volk?
Als Hij hen toen had tegen gehouden, hadden ze nu niet in Babel gezeten.
Als Hij toen hun hart niet had afgesloten voor Zijn woorden,
was het niet nodig geweest dat de Heere de tempel liet verwoesten,
ja Zelf tegen die tempel optrok, met Israëls vijanden,
om Zijn eigen woning in puin te leggen, te veranderen in een ruïne.
De profeet kan er niet bij. De God, die een verbond sloot met Israël,
die aangaf: Jullie zijn mijn volk en Ik ben jullie God!

De profeet wil geen verklaring van God, maar wil dat de Heere verandert,
verandert van gedachten om Israël niet meer bij te staan
en zich niet meer afzijdig houdt, maar weer tot Zijn volk komt.
Wat de profeet hier tegen God uitroept, is allereerst een roep om hulp, een wanhoopskreet.
Om aan de Heere te laten zien hoe het met Zijn volk gaat
nu God het aan Zijn lot heeft overgelaten: er is niet meer veel van over.
Was dat het waard? Is hiermee het doel van God bereikt?


De profeet is niet overtuigd van de weg die God gaat en gaat tegen de Heere in:
Heere, ziet U dan niet dat deze weg de mensen niet bij U brengt,
maar verder bij U vandaan doen gaan?
Heere, als U Uw volk weer bij U terug wilt hebben – want daar is het U toch om te doen? –
dan moet U een andere benadering kiezen!
De profeet die gestuurd is om Gods boodschap te brengen en hen over God te vertellen
twijfelt niet alleen over het effect van Gods boodschap, maar over God zelf.
Is dit nog wel de God die hij wil dienen, de God die hij heeft leren kennen.

Zo kunnen er zomaar vragen zijn over de weg die God gaat, vragen die over God zelf gaan.
Dat zijn niet alleen vragen die de profeet toen had, maar u, jij ook nu kunt hebben.
Waarom? Waarom moest dat zo gebeuren?
Dat je merkt door wat er in je leven gebeurt er van alles gaat schuiven.
Als dit mij overkomt, wat heb ik dan nog aan God? Is Hij dan nog wel mijn God?
Die vraag hoef je niet eens hardop te stellen, maar kan wel leven in je hart.
Omdat je dochter ziek werd en overleed.
Of een kind, een kleinkind overleed en je ook het verdriet van je kinderen ziet.
Je eigen huwelijk is voorbij en je bent gescheiden en hebt de pijn er nog steeds van
en begrijp je niet waarom je dit overkomen is.
Je kunt het niet meer opbrengen om naar de kerk te komen.
Je weet het niet meer te rijmen met God die een herder zou zijn.
Waarom had God niet eerder in gegrepen om je deze weg te besparen.
Hij wist toch dat je op deze weg Hem meer en meer zou kwijtraken.

Kun je zo wel over God praten? Kun je zo wel tegen God ingaan zoals de profeet dat doet?
Het gevecht met God aangaan: Waarom?
Professor Van de Beek geeft in zijn boek Gemeente van Christus aan
dat de werkelijke crisis in de kerk gaat om de vervreemding:
dat veel mensen in de kerk God niet meer ervaren zoals ze dat vroeger deden
en dat het geloof langzaam van hen afglijdt. De vraag of God er wel is.
Voorheen een voorbeeldig gezin, kerkenraadslid, avondmaalsganger, predikant.
Maar de ervaring van het leven botst op wat je altijd geleerd hebt.
Waarom God gaat U met mij deze weg?
De vraag van Van de Beek is of een kerkenraad deze diepgaande vragen
onder ogen durft te zien, niet alleen als vragen van anderen, maar ook van jezelf.
Kerkzijn betekent niet deze vragen wegduwen,
omdat je bang bent dat je God tekort doet.
Omdat je bang bent dat het een vorm van ongeloof is, die je moet overwinnen.
Want in die vraag “Waarom God?” zit het geloof dat God anders kan,
dat Hij een Redder kan zijn, zoals Jesaja dat zegt
onze Verlosser van oude tijden af is Uw Naam.
Jesaja is in gevecht met God om God zelf.

Om de passie die God had, de bewogenheid van God die je in de Bijbel leest,
Waar je over hoorde van je ouders en grootouders,
het geloof dat Christus neerdaalde in onze ellende, zo diep ging als wij,
door God verlaten werd, zodat wij nooit meer door God verlaten hoeven te worden.
Om de naam van God waar te laten zijn: Heere – Ik ben er, Ik sta klaar, Ik kom er aan.
Immanuël  – God met ons. Zelfs op de weg bij Hem vandaan.
Zelfs op de weg bij Hem vandaan. Zelfs daar is God er.
Als Jesaja in gevecht met God is, begint het te dagen hoe het zit.
Dat God niet afwezig is op onze dwaalweg, maar dat God ons die dwaalweg liet gaan.
Om te ervaren hoe het leven zonder Hem is.
God straft de zonde met de zonde, zegt Luther.
Als je niet met God wil leven, dan laat Hij je ervaren hoe dat is.
Dan houdt Hij je niet tegen, maar laat Hij je gaan.
Maar Hij laat je niet los.

Bij alle diepe vragen die in Jesaja gesteld worden over God
en hoe er ook met God geworsteld wordt, komt er toch steeds een besef
dat God er ook is, op een manier die je niet verwacht.
Niet in zegeningen die je ontvangt, niet in een voorspoedig leven,
maar aanwezig in de nood die over je heen komt.
De avondmaalstafel staat niet in een wereld, waarin alles gladjes verloopt,
maar waarin er veel is dat God aanklaagt, staat te midden van de waaroms.
We zien dan hoe Jezus werd verbroken.
Hij onderging zelf het lijden, Hij daalde neer onze Godverlatenheid.
Niet alleen om medelijden te hebben, te ervaren hoe het voor ons is.
Maar om onze schuld weg te dragen, om de weg vrij te maken naar God.
We vierden avondmaal in de tijd van advent.
We zullen binnenkort weer lezen en horen hoe er voor Hem geen plaats was.
Vanaf het begin van Zijn menswording was Zijn leven lijden.

We zijn vandaag begonnen met de adventsperiode.
Advent is niet zozeer een periode waarin we ons voorbereiden op het Kerstfeest,
maar ons voorbereiden op de Wederkomst van Christus.
Advent is ook geen tijd om de kerk alvast vol te hangen met kerstversieringen,
om alvast in de stemming voor het kerstfeest te komen.
Advent is de nood van deze wereld onder ogen te komen, en ook onze eigen nood zien.
Om ook onze eigen machteloosheid onder ogen te zien
en die machteloosheid niet weg te redeneren, maar te erkennen
en ermee naar God gaan: hier ben ik, ik kom er niet meer uit.
Ik zie dat ik afdwaal, ik voel dat mijn hart verhard is
En ik merk aan mijzelf dat ik me niet kan veranderen.
Ook al heb ik avondmaal gevierd.
Ik heb juist avondmaal gevierd, omdat ik besefte dat ik er zelf niet uitkom
en dat ik zelf niet in staat ben om mij een ander, een beter mens te maken.
Dat kunt alleen U.
Alleen U kunt mij terugbrengen als ik afdwaal. Ik zit te vast in mijn oude leven.
Alleen U kunt mijn hart openen, want ik wil niet altijd dat U in mijn hart ben
want dan heb ik het gevoel dat ik zoveel van mij moet inleveren.

Het is een appèl op God om iets te doen, om te komen, om te redden,
om niet met de armen over elkaar te zitten, maar in actie komen!
Het is meer een smeekbede dan het afschuiven van de schuld.
Het is meer een roep om hulp dan boosheid op God.
Machteloosheid, omdat je zelf niet meer kunt , de nood is te groot.
en het alleen nog maar van God kunt verwachten.
Dat is advent: roepen op God, omdat je gered moet worden.
Machteloosheid is echter niet het enige dat God van ons vraagt.
Niet alleen open handen: Wij kunnen het niet meer, doet U het maar.
Niet alleen het gevoel van falen: Wij brengen er niets van terecht.
Van schuld, omdat we van de zonde niet loskomen.
Daarnaast ook geloof: dat God met ons bezig is,
Al zien we daar zelf niet alles van en is het vaak voor ons verborgen.
Toch is het zo.

We vieren niet voor niets avondmaal,
waarin we vieren dat God met ons verder gaat, ondanks onze eerdere weg.
Dat Christus ons niet opgeeft en niet als hopeloos beziet,
maar dat Hij in ons werkt, om dat vertrouwen te werken,
om ons steeds meer en meer in Zijn dienst te laten staan.
Dat gaat door de diepte heen, door afdwalen – al weten we niet altijd waarom.
Wel dat God komt – vaak niet op een imposante manier,
niet zo krachtdadig waar Jesaja om vraagt: dat de hemel opengescheurd wordt.
Eerder haast onzichtbaar, eerder intiem dan opzienbarend.
Aan een avondmaalstafel, in een preek, een lied, in een regel die door je heen gaat.
In kracht die je voelt als je een moeilijke weg gaat,
in iemand die er voor je is en die je kan bijstaan en dat doet in Gods naam.
En als de hemelen wel openscheurden, zoals boven de velden van Efratha
en de engelen het over de aarde uitbazuinen, is er maar een klein groepje herders
dat er van hoort, dat het gelooft en gaat om te aanbidden.
God kan zeeën splijten en rivieren droogleggen om een pad te banen,
maar kiest vaak een andere weg, zoals Hij die koos aan het kruis,
om verbroken te worden, om in onze diepte te stappen, onze nood,
de nood niet alleen van verdriet, pijn, lijden, machteloosheid,
maar ook van onze zonde.
Om te komen als Redder.
Hoe diep Jesaja ook gaat, hoe intens de vragen ook zijn,
dat geloof dat God redder kan zijn, is hij niet kwijtgeraakt,
al ziet hij niet hoe God in zijn tijd redder is.

Advent is een tijd van uitzien, van geloven al zie je er niet altijd iets van.
Dat Christus weer zal komen om definitief te redden.
In het avondmaal wordt dat geloof, dat uitzien gevoed

Daarom zingen we in advent ook steeds over de komst van onze Heer,
de ene keer als gebed – Kom tot ons Heer, de wereld wacht.
De andere keer als belijdenis, bemoediging voor elkaar.

Vat moed, bedroefde harten,
uw Koning nadert al.
Vergeet uw angst en smarten,
daar Hij u helpen zal.
Er is weer nieuwe hoop:
Hij noemt u Zijn beminden,
in ’t woord laat Hij zich vinden,
in avondmaal en doop.

Hoort toe gij zwaarbeproefden,
uw Koning is niet ver!
Voor wie in ‘t duister toefden,
rijst nu de morgenster.
De Heer geeft in de nood
zijn wonderbare bijstand;
Hij slaat de laatste vijand.
Hij overwint de dood.
Amen


Preek zondag 1 december 2019 – morgendienst

Preek zondag 1 december 2019 – morgendienst
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Jesaja 63:7-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Avondmaal vieren op de eerste zondag van advent heeft iets moois, vind ik.
De vier adventsweken zijn bedoeld om ons te versterken
in de verwachting van de Wederkomst van Christus.
Daar is avondmaal ook voor bedoeld, om ons te versterken in die verwachting.
Want vieren we avondmaal niet totdat Christus komt?
Daar kun je naar verlangen dat Christus terugkomt,
ook in weken waarin het geen advent is, of waarin je niet bezig bent met avondmaal.
Omdat je er zo naar kan verlangen Christus te ontmoeten.
Je kijkt daarom uit naar Zijn komst, je bidt erom.
Je kunt ook om heel andere reden verlangen naar de komst van Christus,
omdat je in jezelf zoveel meemaakt,
of je ziet in de wereld hoe er geleden wordt en dat kan heel dichtbij zijn.
Je zucht onder hoe het in deze wereld eraan toe gaat
En je kijkt uit naar de dag deze wereld verlost zal worden
en Christus naar de aarde komt om al het leed, het kwaad te verdrijven
en deze wereld te vullen met Zijn heerlijkheid.
Je bent aangedaan, in je hart huil je over deze wereld en is er een roep naar God.
Net zoals het appèl dat Jesaja op de Heere doet:
Kijk neer uit de hemel en zie uit Uw heilige en luisterrijke woning.
Zo’n appèl op God om te komen naar de aarde,
om niet in de hemel te blijven toekijken – dat is de klank van advent.
Advent begint in de diepte, waar de nood ervaren wordt,
– de nood dat we het zonder God niet redden,
omdat we aan onze verlorenheid overgeleverd zijn, gebonden in de macht van de zonde.
Uit diepten van ellende, roep ik met mond en hart, tot U die heil kunt zenden.
Daar begint advent.
Ook het avondmaal begint daar:
bij het besef hoe ons leven zou zijn, hoe diep we weggezonken zijn, als we God niet kennen.
Hoe hopeloos we eraan toe zijn als we Christus niet hebben als Heer, als Redder.
Hopeloos in Gods ogen.
In het formulier klinken op de voorbereidingszondag woorden als vervloeking, oordeel.
Hier in Jesaja kunnen we merken wat dat met je doet.
Het aangrijpende als dat werkelijk zo is en het klinkt als een appèl op God,
Waar zijn Uw na-ijver en Uw machtige daden,

Uw innerlijke bewogenheid en Uw barmhartigheid? Ze houden zich jegens mij in.

Het is een roep omhoog, zoals dat ook in Psalm 130 gebeurde, uit de diepte,
een roep om redding, dat God komt, dat Hij Zelf komt, hier op aarde om te redden.
Als U zelf niet komt, dan blijft er niets meer van ons over.
Zelfs in de wanhoop, als het besef doorklinkt dat die veroordeling terecht is
en dat het aan ons kan liggen dat God niet van zich laat horen,
wordt de Heere aangesproken, aangeklampt om Zijn barmhartigheid:
We hebben U toch leren kennen als onze Vader?
We hebben toch steeds gemerkt dat U als Vader voor ons wil zorgen?
Maak ons weer tot Uw kind, wees weer onze Vader.
Laat ons hier niet alleen in onze zonde, waar wij verder bij U vandaan gaan.
In die roep naar omhoog, dat intense gebed tot de Heere om te komen,
om weer als een Vader te zijn, klinkt het geloof door dat God wil komen
en dat Hij wil komen om te redden.
Over God werd steeds als redder gesproken, door de ouders, grootouders,
iedereen die over God sprak van eerdere generaties wist het, heeft het ervaren
dat God je niet in de diepte, niet in de ellende achterlaat,
Zelfs niet in de ellende waar je zelf voor koos, omdat je bij God wegging.
Ook dat is advent: dat je mag geloven dat God komt om te redden.
Ook dat is avondmaal, dat we mogen geloven dat Christus kwam om te redden
en dat we mogen uitkijken naar die dag dat onze Redder nog eens zal komen
om voorgoed de zonde uit de wereld te bannen en ons helemaal te bevrijden
van de zonde die nu nog in ons werkt.
God is niet in de hemel gebleven, maar kwam op aarde om Zijn volk te leiden
door de woestijn naar het Beloofde Land Kanaän: Hij ging voorop.
Christus is niet in de hemel gebleven, maar kwam op aarde,
als kind in de kribbe om de weg naar het kruis te gaan
en Zijn leven te geven om ons te redden.
Aan het avondmaal mogen we geloven dat Hij nu ook niet in de hemel blijft,
maar – door Zijn Geest – hier op aarde komt om bij de tafel aan te schuiven,
om zelf de Gastheer te zijn en door brood en wijn heen Zichzelf te geven.
Neemt, eet, gedenkt en gelooft dat Zijn lichaam verbroken is tot volkomen verzoening.
Waar in Jesaja nog de roep naar omhoog klinkt, mogen we geloven
met de komst van Christus naar deze aarde dat de Heere deze roep altijd gehoor geeft
en dat naar ons toekomt.
Zo ook vanmorgen met Zijn genade, met vergeving, met tekenen die op Hem wijzen.
Dat Hij inderdaad onze Vader wil zijn en wij Zijn kinderen weer mogen zijn.
Dat Hij inderdaad onze redder wil zijn en dat aan ons wilt laten weten.
Zo komt onze Heere zelf naar ons toe, om ons te nodigen, te roepen aan Zijn tafel.

Kunnen wij voor Hem verschijnen? Kunnen wij Hem ontmoeten?
Niet als we komen zoals we zijn.
Wel als we aannemen wat Christus ons geeft:
De waardigheid om God te mogen ontmoeten, om Hem te ontvangen in ons hart
ontvangen we van God zelf. Zo kunnen we Hem ontmoeten.
Omdat Hij dat wil. Omdat Hij wilde komen, gekomen is.
Waarom zou u dan nog wachten?
Wat heb je nog meer nodig om te weten dat het ook voor jou is?
Kom om je geloof te versterken.
Kom om te ontvangen wat je Heer je geeft.
Kom om uit te zien naar die andere dag dat je Hem mag ontmoeten, voor altijd.
Amen

 

Aanbevolen commentaren

Aanbevolen commentaren

Commentaren op een Bijbelboek kunnen een belangrijke bijdrage leveren tijdens het preekproces: ze kunnen een tekst helpen begrijpen en woorden aanreiken voor de preek. Daarom ben ik altijd benieuwd naar wat zinvolle commentaren zijn op een Bijbelboek.

Meestal plan ik een serie van diensten, waarin ik langere tijd bezig ben met één Bijbelboek. Vooraf steek ik tijd in het zoeken van de juiste commentaren. Ik schaf pas commentaren aan als ik langere tijd over een Bijbelboek preek. Ik heb het voordeel dat ik voor een enkele dienst naar de bibliotheek van de Theologische Universiteit Kampen kan gaan om materiaal te kopiëren.

Hieronder een lijst met aanbevolen commentaren (op alfabetische volgorde):

Genesis
– Victor P. Hamilton (NICOT)
– Bruce K. Waltke (with Cathi J. Fredericks), Genesis. A Commentary (Grand Rapids: Zondervan, 2001).
– Gordon J. Wenham, Genesis 16-50. (WBC)

Exodus
– Thomas B. Dozeman, Exodus. (Eerdmans Critical Commentary)
– dr. C. Houtman, Exodus. Deel 1-3 (COT)

Deuteronomium
– Daniel I. Block, Deuteronomy. (NIVAC)
– Walter Brueggemann, Deuteronomy. (Abingdon Old Testament Commentary)
– Jack R. Lundbom, Deuteronomy. A Commentary (Grand Rapids: Eerdmans, 2013).

Richteren
– Daniel I. Block, Jugdes, Ruth. (NAC)
– J. Clinton McCann, Judges. (Interpretation)
– dr. Magdel le Roux, Richteren. (POT)
– dr. K. Spronk, Rechters. (VHB)

1 & 2 Samuël
– Walter Brueggemann, First and Second Samuel. (Interpretation)
– Eugene H. Peterson, First and Second Samuel. Westminster Bible Commentary (Louisville: Westminster John Knox Press, 1999).
– David Toshio Tsumura, The First Book of Samuel. (NICOT)
– Johanna W.H. van Wijk – Bos, Reading Samuel. A Literary and Theological Commentary (Macon, Georgia: Smyth & Helwys, 2011).

1 & 2 Koningen
– Mordechai Cogan, I Kings. (AB)
– Mordechai Cogan / Hayim Tadmor, II Kings. Anchor Bible (1988)
– Lissa M. Wray Beal, 1 & 2 Kings. (AOTC)

Job
– Jürgen Ebach, Streiten mit Gott. (Kleine Biblische Bibliotheek)

Psalmen
– dr. Th Booij, Psalmen III (POT)
– Walter Brueggemann / William H. Bellinger, Psalms (New Cambridge Bible Commentary
– John Goldingay, Psalms I-III (Baker Commentary on the Old Testament)
– Bernd Janowski / Friedhelm Hartenstein, Psalmen (BKAT)
– Manfred Oeming, Psalmen (NSK.AT)
– Erich Zenger / Frank-Lothar Hossfeldt, Psalms 2-3 (Hermeneia) (de Engelse versie is stukken goedkoper dan het Duitse origineel)
– Erich Zenger, Die Psalmen. Auslegung in zwei Bänden.
(Voorheen uitgegeven als: (1)
Mit meinem Gott überspringe ich Mauern, (2) Ich will die Morgenröte wecken, (3) Dein Angesicht suche ich, (4) Ein Gott der Rache? Feindpsalmen verstehen

Extra voor bij de Psalmen
– Bernd Janowski, Konfliktgespräche mit Gott. Eine Anthropologie der Psalmen
– Kurt Marti, Die Psalmen
– dr. G.Th. Rothuizen, Landschap (3 delen)
– Robert Spaemann, Meditationen eines Christen über die Psalmen (2 delen).

Spreuken
– Michael F. Vox, Proverbs 1-9 (AB)
– dr. E.W. Tuinstra, Spreuken I (POT)

Jesaja 40-66
– W.A.M. Beuken, Jesaja 40-66. 3 delen (POT)
– J.L. Koole, Jesaja 40-66. 3 delen (COT)
– Shalom M. Paul, Isaiah 40-66 (Eerdmans Critical Commentary)

Jona
– Friedemann W. Golka, Jona (Calwer Bibelkommentare)

Mattheüs
– W.D. Davies / D.C. Allison (ICC)
– John Nolland (NIGTC)
– R.T. France (NICNT)
– Ben Witherington (Smyth & Helwys)

Markus
– R. Alan Culpepper (Smyth & Helwys)
– Francis J. Moloney, The Gospel of Mark. A Commentary (Grand Rapids: Baker Academic, 2002)
– R.T. France (NICNT)

Lukas
– James R. Edwards (Pillar NTC)
– David E. Garland (ZECNT)
– Michael Wolter (HNT)

Johannes
– J. Ramsey Michaels (NICNT)
– Marianne Meye Thompson (NTL)
– Udo Schnelle (ThHK)
– Hartwig Thyen (HNT)
– Ben Witherington, John’s Wisdom

Handelingen
– C.K. Barrett (ICC)
– David G. Peterson (Pillar NTC)
– Eckhard J. Schnabel (ZECNT)
– Matthew L. Skinner, Intrusive God, Disruptive Gospel. Encountering the Divine in the Book of Acts (2015)

Paulus
– James D.G. Dunn, The Theology of Paul the Apostle
– Friedrich W. Horn (H.g), Pauls Handbuch
– Eduard Lohse, Paulus. Eine Biographie
– Michael Wolter, Paulus. Ein Grundriss seiner Theologie
– Oda Wischmeyer (Hg.), Paulus. Leben – Umwelt – Werk – Briefe

Romeinen
– Eduard Lohse (Meyers KEK)
– Richard N. Longenecker (NIGTC)
– Eckhard J. Schnabel (HTA)
– dr. Herman Ridderbos (COT)

1 Korinte
– Andreas Lindemann (HNT)
– Anthony C. Thiselton (NIGTC)

2 Korinte
– Murray J. Harris (NIGTC)
– Frank J. Matera (NTL)

Efeze
– Stephen F. Fowl (NTL)
– Michael Gese (Botschaft des Neuen Testaments)
– Harold W. Hoehner, Ephesians. An Exegetical Commentary
– Eugene H. Peterson, Practice Resurrection. A Conversation on Growing Up in Christ
– Frank Thielman (BECNT)

Filippenzen
– Moises da Silva (BECNT)

Hebreeën
– Knut Backhaus (RNT)
– Luke Timothy Johnson (NTL)
– Craig R. Koester (AB)
– dr. H.C. van der Meulen, Met het oog op Jezus. De prediking van de brief aan de Hebreeën

1 Petrus
– John H. Elliot (AB)
– Reinhard Feldmeier (ThHK)

1,2,3 Johannes
– Karen H. Jobes (ZECNT)
– Judith M. Lieu

Openbaring
– G.K. Beale (NIGTC)
– Klaus Berger (Herder)
– Craig R. Koester (AB)
– Ben Witherington (The New Cambridge Bible Commentary)

Theologie Oude Testament
– Walter Brueggemann
– John Goldingay
– Jörg Jeremias

– Bernd Janowski, Anthropologie des Alten Testaments
Ein Gott der straft und tötet?
– Jürgen Ebach, Das Alte Testament als Klangraum des evangelischen Gottesdienstes

Theologie Nieuwe Testament
– Ferdinand Hahn
– Ulrich Wilckens

Serie van Kurt Erlemann over nieuwtestamentische thema’s: 

  1. Wer ist Gott? Antworten des Neuen Testaments (2008)
  2. Unfassbar. Der Heilige Geist im Neuen Testament (2010)
  3. Jesus der Christus. Provokationen des Glaubens (2011)
  4. Trinität. Eine faszinierende Geschichte (2012)
  5. Vision oder Illusion. Zukunftshoffnungen im Neuen Testament (2014)
  6. Kaum zu glauben. Wunder im Neuen Testament (2016)
  7. Fester zum Himmel. Gleichnisse im Neuen Testament (2017)




     

Preek zondag 24 november 2019

Preek zondag 24 november 2019
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Jesaja 63:7-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Kunt u God ontmoeten?
Kunt u de Heere ontmoeten, volgende week aan Zijn tafel?
Kunt u de Heere ontmoeten als Hij morgen zou terugkomen op aarde?
Als de Wederkomst morgen een feit zou zijn?

Dat is een vraag die wij zelf eigenlijk niet kunnen beantwoorden,
Want Degene die alleen een antwoord zou kunnen geven op die vraag
of wij God kunnen ontmoeten is de Heere zelf.
Want wij kunnen denken dat het wel goed zit
en ons daarmee in slaap sussen terwijl het ondertussen niet goed zit.
Het zou ook kunnen dat als de Heere voor ons verschijnt
Hij ons duidelijk maakt dat we Hem helemaal niet kunnen ontvangen zoals we denken,
maar dat er eerst orde op zaken gesteld moet worden.

Dat God op een manier kan verschijnen waarop we niet rekenen
– daar kan Israël over meepraten.
Na een aantal verzen waarin de grootheid van God wordt bezongen,
is erop eens een verandering van toon: God is gekomen,
maar met de vreugde was het dan wel gelijk over:
Daarom is Hij voor hen veranderd in een vijand. Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.
Dat is wat, als God tegen je strijdt, je eigen God voor jou in een vijand veranderd.
Niet meer aan uw kant staat, niet meer aan jouw kant staat, maar zich tegen je keert.
Er wordt hier in dit hoofdstuk niet beschreven hoe Israël merkte dat God tegen hen was,
maar we kunnen er zeker van zijn dat het een diepe val geweest is
en dat Israël veel kwijt raakte wat niet gemist kon worden.

‘Als ik God niet zou kennen,
zou ik niet weten hoe ik door die moeilijke periode heen zou kunnen komen.’
Dat hoor ik nogal eens zeggen tijdens een bezoek.
Je kunt het je niet voorstellen, maar je zou voor je gevoel radeloos worden.
Hier gaat het om de ervaring dat je God wel kent,
maar dat Hij er niet voor je is als je Hem nodig hebt.
Dat als je Hem zoekt, Hij niet van zich laat horen.
Dat als je vraagt om Zijn steun, dat Hij je in de steek laat.
Dat als je roept om Zijn komst, Hij wel komt,
dan maar op een manier die je de angst aanjaagt en je denkt:
had ik maar niet gevraagd om Zijn komst.
Een vijand van Zijn eigen volk, tegen wie de Heere meermalen heeft gezegd:
Ik ben jullie God en jullie zijn Mijn volk. Een verbond dat voor eeuwig duurt.
Dan kun je nog zo mooi zingen over de grote daden van de Heere,
nog zo je mond vol hebben van de grootheid en de trouw van God,
maar dan sta je er wel alleen voor en krijg je geen steun van Hem.
Sterker nog, Hij gunt je geen moment rust en neemt je alles af wat je dierbaar is.

Zou ons dat ook kunnen overkomen,
dat de Heere aan ons verschijnt op een manier die we liever niet hebben?
Kan Hij ook tegen ons ten strijde trekken? Voor ons een vijand worden?
Laten we niet te snel zeggen dat dit nu iets voor het volk Israël is
en dat het ons niet meer kan overkomen, omdat we leven na de komst van Christus,
ook al zegt het avondmaalsformulier dat wij niet meer door God verlaten kunnen worden
omdat Christus de aan het kruis is gegaan en afdaalde in de hel,
door God verlaten werd, zodat wij niet meer door God verlaten hoeven te worden.
Want ook het volk Israël had de belofte gekregen dat God hen niet in de steek zou laten,
voor hen zou strijden, Zich persoonlijk met hun lot bemoeien en met hen meegaan.
Wat Israël hier in de woorden van de profeet overkomt, is ook voor Israël een schok geweest
een intense, aangrijpende ervaring, waarin ze beseften:
We hebben God niet meer, Hij staat niet meer aan onze kant. Wij zijn verloren.
Vijanden die het land aanvielen en stad na stad veroverden
En zelfs de meest heilige plaats, Jeruzalem,
Waarvan ze dachten dat die nooit zou vallen, omdat de Heere Zelf de muren beschermde
werd ingenomen en verwoest.
De Tempel, plaats waar God op aarde woonde, werd verwoest
alsof Hij daar nooit gewoond had, alsof Hij nooit iets met het volk had gehad,
Alsof die mooie verhalen over vroeger alleen maar inbeelding waren.
Zo gingen ze als gevangenen in een stoet naar Babel.
Als ze achterom keken zagen ze de restanten van de muren, wat brokstukken van de tempel
en ook de stad die in een ruïne was veranderd.
Niets meer van overgebleven en alles wat aan God herinnerde was weggevaagd.

Dan hebben we het hier nog een stuk beter:
Andere gelovigen met wie we samen een gemeente kunnen vormen,
om elkaar bij te staan en te wijzen op hoe God in ons leven bezig is.
Een kerk waar we mogen horen over God, mogen zingen over wat Hij voor ons doet.
Of rekenen we ons dan te rijk en moeten wij ook onder ogen zien
dat ook wij, net als het Israël uit de tijd van de Bijbel, God kunnen kwijtraken?
Hier in dit gedeelte gaat aan het wegblijven van de Heere wel het een en ander vooraf
En is de komst van God als vijand wel een reactie op wat er bij het volk gebeurt.
Zij daarentegen zijn ongehoorzaam geworden en hebben Zijn Heilige Geest bedroefd.

Voordat God Zijn volk in de steek laat, is Israël zelf al weggelopen bij God vandaan.
Ondanks alle zorg die de Heere heeft laten zien.
Ondanks Zijn eigen betrokkenheid, dat Hij persoonlijk is meegegaan
op de weg uit Egypte, via de Sinaï, door de woestijn naar het Beloofde Land.
Ze haalden hun schouders op over Gods grote daden,
ze werden niet meer warm van liefde en trouw die daarin zichtbaar werd,
dat verhaal van de uittocht en de woestijn was iets van lang geleden,
te lang geleden om er nog een verhaal van deze tijd te kunnen maken.
Zo raakte God steeds meer uit het hart, meer en meer.
Hoe dichtbij God ook kwam door zelf mee te gaan,
Hoezeer ze konden merken dat God in hun midden was,
het deed hen niets meer, het raakte hen niet meer
En zo gleed het geloof langzaam uit hun leven weg en gingen ze hun eigen gang.
Kan dat ook bij ons gebeuren?
Dat God zo langzaamaan uit ons leven wegglijdt?
Dat je bij jezelf denkt: de verhalen uit de Bijbel zijn wel een verleden.
Dat het je niets meer doet als het over God gaat,
dat geloof iets van de buitenkant wordt: je zit nog wel in de kerk,
maar in je hart is het leeg geworden
en je bent bezig om je eigen weg te gaan bij God vandaan.
Je hebt Hem niet meer nodig in je leven. Je redt het wel zonder Hem.
Wat je van Hem meegemaakt hebt is van vroeger. Het leven is nu anders geworden.
Meer je eigen regie over je leven. Je bidt niet meer of God je leven leidt.
God staat niet meer op de eerste plaats. Je hebt iets anders op de eerste plaats staan.

Je hebt je vertrouwen niet meer op God gesteld, maar op iets aards.
In het formulier wordt een verdere uitwerking gegeven aan de hand van de Tien Geboden:
dat je je eigen beeld van God maakt.
Dat je er vanuit gaat dat God altijd aan jouw kant staat, dat Hij je zegent.
Dat het succes dat je hebt met jouw gekozen koers
achteraf door God een stempel opgedrukt krijgt.
Dat je alles zo weet te draaien, dat God het met jou eens is
in plaats dat je zoekt naar Gods wil.
Er zit in het avondmaalsformulier een bezorgde toon:
Als het nu echt zo met je gesteld is, zit het niet goed en ben je op de verkeerde weg.
Dan kun je het wel tegen jezelf zeggen dat het goed zit,
maar kun je God niet ontmoeten, ook niet volgende week aan Zijn tafel.
Dan kom je niet eens voorbij de eerste stap van het zelfonderzoek,
waarin je eerlijk nagaat of er iets aan jouw kant mis zit in de relatie met God.
Of je Christus echt wel in je hart hebt, of dat daar een lege plek is
Waar Christus hoort te wonen.
Dat was waar het met het Israël uit de Bijbel misging,
het punt waar de weg werd ingeslagen bij God vandaan,
een weg van ongehoorzaamheid, een weg van het bedroeven van de Geest.
Het staat de Heilige Geest voor Gods merkbare aanwezigheid,
dat je weet en merkt, ervaart en ziet dat God er voor je is op dat moment.
Ook als er gesproken wordt over de Engel van Gods aanwezigheid
dan wil de profeet erop wijzen, dat God in eigen persoon met Israël meeging.
Nu komt God weer. Nu is het weer bemoeienis van God Zelf hoogstpersoonlijk.
Ook als Israël God losgelaten heeft en een eigen weg is ingeslagen.
Ook als God zich als een vijand toont van Israël is dat gedreven door Zijn zorg.
Hij kan Israël niet loslaten, omdat het Zijn volk is.

Als Hij zo tegen Zijn eigen volk ten strijde trekt,
is dat om weer in het hart te komen van al Zijn onderdanen.
Om weer als hun God gediend en geëerd, gehoorzaamd te worden.
Om hen te confronteren met de leegte in hun hart.
Om hen te laten beseffen dat ze Hem hebben losgelaten en dat Hij hen terug wil.
Dat is ook de reden waarom we ons voorbereiden op het avondmaal.
Om na te gaan of Christus wel in ons hart is.
Om na te gaan of ons geloof geen lege huls is, alleen maar buitenkant
met in ons hart een grote leegte omdat we Christus missen.

Soms kunnen we zo vast zitten in onze gedachte dat we gelovig zijn en God dienen
dat de Heere een confronterende manier naar ons toekomt.
Ons leven op de kop zet, ons alle zekerheid afneemt,
En zich zelfs kan voordoen als iemand die ons steeds moet hebben,
ons dit leven niet gunt, bezig is om steeds wat we hebben af te nemen.
Zodat je je kunt afvragen: Is dit God zoals ik Hem heb leren kennen?
Waar is de God van vroeger?
Waarom laat Hij mij zo diep wegzakken?
Waarom laat Hij mij aan mijn lot over?
Waar blijft Hij om mij te redden, nu ik Hem zo nodig heb?
Het kan een ervaring zijn, die elke gelovige kan overkomen.
Er is een uitdrukking voor: de donkere nacht van de ziel.
Momenten waarop het zo donker in je is, dat er geen enkel licht meer gloort
en je denkt: nu is het over met God en mij. Hij heeft mij verlaten.
Ook als gelovige kun je je worsteling met de Heere hebben.
Dat brengt de Heere niet in je leven, omdat Hij van u af wil.
Hij laat je dat niet doormaken omdat het over is.
Maar omdat Hij op hartstochtelijk naar u op zoek is
en niets liever wil dat jij je hart weer voor Hem opent en Hij in je kan komen.
Ja, Hij zoekt je op om je te herinneren aan je schuld.
Dat is niet om te laten zien dat er geen plaats meer bij Hem is,
maar zodat u naar Hem toekomt omdat u het zelf niet meer weet
hoe u daar los van kunt komen en het maar bij Christus brengt.
Hier is het. Ik kan er zelf niets meer van maken.
Dat ik hier ben, bij U, is voor mijzelf ook een verrassing.
Ik had het zelf niet verwacht dat ik durfde, maar ik ben gekomen omdat ik moest.
Ik kwam er zelf niet meer uit.
Zo donker werd het in mijn leven. Er is er maar Eén die mij kan redden: en dat bent U.
Dat je je herinnert hoe God vroeger werkte
en dat je die herinnering vastgrijpt om weer naar God te gaan
en tot Hem te roepen, Hem te smeken om Zijn hulp, Zijn redding.
Dat Hij op een andere manier naar je toekomt dan als vijand,
dan als een rechter die al je zonden en fouten opnoemt om je te veroordelen.
Al zou Hij daar wel het recht toe hebben.
Dat Hij naar je toekomt en zegt dat al je zonden vergeven zijn,
dat het weer goed zit.

Omdat God eerder al eens kwam naar deze wereld, nog voor wij geboren waren.
Dat Hij zelf als een kind geboren werd, in de stal van Bethlehem
om, nadat Hij was opgegroeid en verteld had over de nieuwe wereld die God brengt,
stierf aan het kruis, ook voor ons, voor u, voor mij, voor jou.
In deze week van voorbereiding gaat het om de vraag
of je kunt geloven dat dit ook voor jou is gebeurd,
dat u dat kunt aannemen, kunt geloven dat Christus ook voor u stierf
en uw zonden zijn weggedragen,
al zijn het voor je gevoel misschien dezelfde als drie maanden geleden.
Al kun je dat ook misschien niet eens als een belijdenis uitspreken,
maar meer als een gebed: Heere, red mij.
Kom naar mij toe, daal neer uit de hemel, om mij te redden,
Want als U niet komt, dan gaat het mis, dan is er niemand meer die mij kan redden
om mij terug te brengen bij U.

Wat denkt u: Wat zal de reactie van de Heere zijn als u zo tot Hem roept?
Wat zou de Heere voor jou doen als je zo tot Hem en om Hem roept?
Zou Hij onbewogen in de hemel blijven zitten, of afdalen en komen?
Vanuit de Bijbel weten we, zegt de Heere over Zichzelf dat Hij dan komt.

En kunnen wij dan de Heere ontmoeten?
Zijn wij dan in staat om Hem te ontvangen?
Want er is toch nog zoveel mis? Ons ongeloof – we zijn dat niet zomaar kwijt
en het kan steeds weer opvlammen.
Begeerten die ons op de verkeerde weg brengen. We zijn er niet zomaar los van.
En toch: je ontvangt een waardigheid om Hem te ontmoeten.
We kunnen Hem ontmoeten omdat Christus de weg baande,
omdat Hij al onze zonden op zich genomen heeft aan het kruis.

Daarom kunnen we avondmaal vieren.
In dat avondmaal proeven we in het brood en in de wijn de genade.
Zien we in het brood dat gebroken wordt, hoe Christus zich liet breken voor ons.
Zien we de wijn en denken we terug aan die dag dat Christus daar hing op Golgotha.
Hoe Hij de dood inging. Door God verlaten werd, zodat de Heere altijd naar ons terugkeert,
ons niet aan ons lot overlaat in de zonde, maar neerdaalt uit de hemel om ons te redden.
Wij hebben niet veel te bieden en kunnen alleen maar vragen:
Heere, kom om mij te redden, om mij terug te brengen bij U.
Om te geloven dat God dat ook zal doen.
Amen