Preek zondag 17 juni 2018

Preek zondag 17 juni 2018
Schriftlezing: Handelingen 6:1-7

Gemeente van onze Heere Jezus,

Peter wil graag iets voor de ouderen van de kerk doen.
Hij heeft als diaken gemerkt dat er in de zomer heel wat ouderen zijn,
Die zich alleen voelen, omdat de kinderen op vakantie zijn
en veel activiteiten van de kerk een aantal maanden stil liggen.
Hij heeft het er met een paar andere gemeenteleden over.
Ze denken mee en er ontstaat tijdens een avondje nadenken
het idee om in de zomer voor de ouderen een maaltijd klaar te maken.
De ouderen van de gemeente krijgen een uitnodiging om te komen
en de maaltijd zal door het groepje klaar gemaakt worden.
Ze bedenken wat ze allemaal zullen klaarmaken voor die avond.
Omdat het een avond is die met de kerk te maken heeft,
wordt er ook gekeken naar een paar liederen die ze samen kunnen zingen die avond.
Peter en de anderen hebben er steeds meer zin in
en ze hopen dat het een mooie avond zal worden,
een avond waarop de ouderen de gemeenschap ervaren
en weten dat er in een tijd waarin zij zich alleen voelen ook aan hen gedacht wordt
en dat ze de avond een verrijking voor hun leven met Christus vinden.
Als die avond er is, blijkt het inderdaad een mooie avond te zijn.
Er hebben best wat ouderen zich opgegeven.
De organisatoren en de ouderen genieten zichtbaar van deze avond.
De kater komt enkele dagen later, als Peter benaderd wordt door een oudere,
die hem nogal boos aanspreekt en vraagt waarom hij niet uitgenodigd is.
Peter schrikt als hij op deze manier aangesproken wordt
en weet even niet wat hij moet zeggen.
Hij stamelt maar wat: ‘We hebben niemand bewust overgeslagen.
Het moet een vergissing zijn geweest. Ik zal nakijken wat er mis is gegaan.’
Als ze bij elkaar komen voor de evaluatie blijken de anderen ook aangesproken te zijn.
Ze denken na over wat er mis is gegaan
en dan komen ze erachter dat ze vooral de ouderen hebben uitgenodigd die ze kenden,
van wie ze zeker waren dat ze bij de kerk hoorden.
De gemeenteleden, die klaagden dat ze niet waren uitgenodigd,
hebben ze niet bewust gepasseerd. Daar was geen opzet bij.
Ze denken samen erover na,
hoe ze in het vervolg kunnen voorkomen dat ze gemeenteleden passeren.

In de gemeente van Jeruzalem gaat het ook mis,
waardoor er gemeenteleden klagen over de gang van zaken.
Lukas vertelt niet helemaal duidelijk waar we aan moeten denken.
Het gaat om weduwen, die alleen maar Grieks spreken
en niet het Aramees of het Hebreeuws beheersen.
Waarschijnlijk vrouwen die uit het buitenland waren teruggekeerd
en in Jeruzalem – voordat ze over Christus hoorden – hun eigen synagogen hadden.
Het is alleen niet duidelijk of deze vrouwen worden gepasseerd bij het uitdelen
en dat zij minder voedsel uitgereikt krijgen dan de vrouwen die Hebreeuws spreken.
Een vrouw van wie de man overleden was, was vaak aangewezen op de steun
van familie of van de mensen om haar heen
en dan kon ze vanuit de kerk gesteund worden.
Of gaat het er juist om dat ze bij het uitdelen van de gaven worden overgeslagen
en dat niemand hen gevraagd heeft om een taak op zich te nemen?
Het NT wordt ook gemeld dat weduwen een taak binnen de gemeente kunnen hebben.
Waarom zouden we gelijk moeten denken aan vrouwen die hulp moeten krijgen
en niet aan vrouwen die mee doen in het bestrijden van de nood die er is.

Er is ook onduidelijkheid over wat de oorzaak is dat deze vrouwen niet gezien worden.
Lukas lijkt de nadruk meer te leggen op de oplossing van het probleem,
zodat de eenheid binnen de gemeente niet verbroken
wordt door onenigheid tussen twee groepen.
De reden waarom ik toch wat langer wil stil staan bij de mogelijke oorzaken
is dat in vers 1 wordt gesproken over het aantal leerlingen van Jezus Christus dat toeneemt.
Er komen mensen bij de gemeente die over Jezus hebben gehoord,
Die in hun hart openstellen voor Christus.
Dat is voor hen niet alleen iets van hun hoofd, iets waar ze over nadenken,
het is niet alleen iets van hun hart, een soort innerlijk gevoel,
maar het heeft effect op hun hele leven.
Ze willen in alles leerling van Jezus zijn: ze willen hun geloof ook in praktijk brengen.
We zagen dat de afgelopen weken hoe verschillende leerlingen van Jezus Christus
geraakt waren door het evangelie, door de woorden en de daden van Christus,
Dat ze akkers en huizen verkochten om de armere gemeenteleden te kunnen steunen,
zodat zij geen gebrek zouden hebben.
‘ Bovendien is het door die Geest dat wij als leden van één lichaam met elkaar
in ware broederlijke liefde verbonden worden, zoals de heilige apostel spreekt:
Omdat het brood één is, zijn wij, die velen zijn,  één lichaam,
want wij allen hebben deel aan het ene brood.’  (avondmaalsformulier)
Ze willen naar het evangelie leven. Elke keer weer opnieuw.
De Heilige Geest werkt in hun hart en dat komt in hun handelen naar buiten.
Het zijn geen opportunisten of mensen die slechts in naam christen zijn,
maar er ook echt naar willen leven.

In de gemeenschap van mensen die echt willen leren van Jezus,
die Zijn woorden willen bewaren in hun hart en ernaar willen leven,
worden vrouwen over het hoofd gezien, vrouwen die weduwe zijn en alleen Grieks spreken.
Ik dacht altijd dat dit komt, omdat de gemeente groter werd,
dat het een gebrek aan organisatie was en de apostelen daar gewoon niet aan toe kwamen.
Nu ik er zo mee bezig was in de afgelopen week denk ik dat er iets anders speelt.
Heeft het met de taalbarrière te maken dat ze niet worden betrokken?
Of heeft te maken met een ander netwerk, waarbij ze de juiste connecties missen,
waardoor ze over het hoofd worden gezien?
Komen ze niet in beeld omdat ze onbekend zijn?
Dat kan ook in de kerk nu nog gebeuren: je kijkt al gauw naar de mensen die je kent.
Hen benader je en betrekt ze erbij, hen nodig je uit voor activiteiten,
zoals dat gebeurde bij de activiteit die Peter had georganiseerd.
Zonder dat je er van bewust bent, sla je mensen over die er wel bij horen,
omdat je ze niet kent, omdat je geen connectie met ze hebt.
Misschien gaat het nog wel dieper en hebben de vrouwen die Grieks spreken
met hun achtergrond in het buitenland wel een minder strakke manier van leven,
zoals christenen in Nederland in gebieden waar weinig christenen zijn
vaak heel andere regels hebben over wat je wel en niet doet, bijvoorbeeld op zondag.
Dan was de gedachte: laten we deze vrouwen maar niet inzetten,
want stel dat er gezinnen zijn die een heel strikte manier van leven hebben,

dan kunnen zij zich storen aan de vrouwen met minder strikte regels
of kunnen die vrouwen, zonder dat ze het weten, voor anderen een bron van ergernis zijn.
Wat er ook aan de hand is, voor de apostelen gaat het om iets heel fundamenteels,
om iets dat de identiteit van de gemeente op het spel zet.
Als ze dit door laten gaan, dan is de gemeente geen gemeente van Jezus Christus meer.
Ze geven de vrouwen die klagen gelijk,
niet om ervan af te zijn, maar omdat ze merken door de klacht die de vrouwen hebben
Dat er iets grondig mis dreigt te gaan in de gemeente van Christus,
Waardoor de gemeente zou ophouden te bestaan.
De gemeente kan dan nog wel bij elkaar komen, maar kan dan niet meer zeggen
dat ze zich door Jezus laten leren en dat ze van Hem zijn.
Het is een zaak die de hele gemeente aangaat en daarom wordt iedereen erbij geroepen.
Dit gaat iedereen aan.
‘Het is niet goed als wij ons met de tafels bezig moeten houden,’ zeggen ze.
Je kunt dat zo opvatten dat ze bedoelen dat ze te druk zijn met wezenlijker zaken
en dat zoiets kleins als tafelschikking, bepalen wie welk eten mag krijgen
en wie ingeroosterd wordt voor het bedienen en opscheppen aan tafels minder is
dan het werk dat de apostelen doen.
Maar ik denk dat het juist niet om iets minderwaardigs gaat.
Hoe het aan de tafel toe gaat, is een praktische uitwerking van het geloof.
Als je aan tafel gaat, naast wie je plaats neemt, wie ingeroosterd worden voor het bedienen,
wie er allemaal eten krijgen – dat heeft allemaal te maken met de band met Christus.
Het is helemaal niet minderwaardig om daarmee bezig te zijn.
De 7 mannen die gevraagd worden zijn nodig om juist toe te zien
Dat de leer van Jezus niet alleen maar iets van het hoofd is of van het hart,
onzichtbaar voor anderen, een leer die geen betekenis heeft voor je omgang met anderen.

Integendeel: juist daar aan de tafel komt het christenzijn tot uitdrukking.
Zoals je op een dorp niet alleen door op zondagmorgen of op zondagavond laat zien
dat je christen bent door naar de kerk te gaan,
maar op maandag ook hoe je met je buren omgaat en je collega’s,
hoe je op het voetbalterrein je christenzijn niet in de kleedkamer achterlaat bij je tas,
maar meeneemt het veld op in respect voor de tegenstander en de scheidsrechter,
oog voor de mensen die daar zijn, voor de supporters die wat achteraf staan
en er zo te zien niet bijhoren niet te negeren maar hen ook te betrekken.
Dat over het hoofd zien, dat vergeten anderen te betrekken kan heel onbewust gebeuren.
Daarom zijn er 7 wijze mannen nodig, die meer zien, die zien hoe het tussen mensen werkt,
hoe relaties functioneren, die aan de manier waarop mensen aan tafel gaan
merken wanneer er iemand wordt overgeslagen en daar wijs op kunnen reageren.
Wijsheid is in de Bijbel altijd iets praktisch, iets dat je doet vanuit je geloof,
dat je in praktijk brengt wat je geleerd hebt van Christus.
Je bent opgenomen in Gods gemeenschap, als een schaap dat afgedwaald was,
Teruggebracht en daarom krijg je een scherp oog voor degenen die dreigen af te haken
omdat ze het idee hebben dat er voor hen geen plek is in de gemeente.
Al is dat wellicht een gevoeligheid van hun kant.
Er zijn mannen nodig die niet gelijk beledigd raken als deze vrouwen klagen
Dat ze gepasseerd worden, maar beseffen dat het echt om iets wezenlijks gaat.
Ze hebben de Geest ontvangen die hen helpt om situaties in te zien en te handelen.
Zodat de gemeente weer gemeente is.
Want als deze mannen hun taak niet op zich nemen, kunnen de apostelen niet werken.
Het blijft alleen maar theorie dat aan de buitenkant blijft, het bereikt je hart niet,
je gaat er niet naar leven. Het evangelie van Christus verandert je niet.
Deze mannen worden aangesteld om de gemeenteleden te helpen om Christus’ woorden
in praktijk te brengen en ernaar te leven.
Als je naar de namen kijkt, zijn het mensen die vertrouwen genieten van de vrouwen}
die eerder hebben geklaagd dat zij niet gezien zijn.

Omdat vroeger gedacht werd dat het in dit gedeelte ging om een probleem bij het uitdelen
en er arme gemeenteleden werden overgeslagen, zag men hier het begin van de diakonie.
Dat was ook de reden waarom ik dit gedeelte had gekozen voor de preek.
Om ook na te denken over onze diaconale roeping als gemeente.
Dat is niet alleen een taak voor diakenen, maar voor elk gemeentelid
en het is de taak van diakenen om die roeping te stimuleren.
Alleen is het de vraag of hier het begin van de diakonie ligt.
Het heeft wel iets moois om hier het begin van de diakonie te zien.
Want dan zou de diakonie begonnen zijn bij de tafel,
je zou zelfs kunnen zeggen bij de avondmaalstafel, bij het gedenken van Christus’ dood.
Elke keer als het avondmaal is, hebben ook diakenen dienst.
Dat is niet alleen maar omdat het praktisch is, maar dat is omdat de diaken aan de tafel
ons eraan herinnert dat het leven met Christus altijd een praktische kant heeft,
naar de mensen om ons heen.
In het trouwformulier: Vergeet daarbij niet, dat uw gezin deel uitmaakt
van een grotere gemeenschap.
U draagt ook een bredere verantwoordelijkheid:
voor de medemens in nood, voor de kerk en voor de maatschappij.

Vanavond komt het evangelie tot ons als een opdracht:
om het leven met Christus in praktijk te brengen, in relatie tot de mensen om ons heen.
Het evangelie is nooit alleen maar een opdracht.
We kunnen deze opdracht nooit uitvoeren zonder de kracht van God, zonder Zijn Geest.
Als je leest in Handelingen 6 kun je je afvragen of God wel aan het werk is.
Er wordt niets gezegd over wat God doet.
Er gebeurt wel van alles, maar heeft dat met God te maken?
Allereerst kunnen we zien dat de Heere werkt door de groei van de leerlingen,
niet alleen in aantal, maar ook in diepgang, in hoe levens veranderd worden.
Zouden we ook niet in de klacht van de weduwen Gods hand mogen zien,
die de gemeente herinnerd aan haar roeping?
Moeten we als gemeente niet meer open moeten staan voor wat God ons te zeggen heeft?
Vanmorgen was ik in de gemeente(n) waarin ik bevestig ben als predikant.
De predikant die zij wilde beroepen, had aangegeven niet beroepen te willen worden.
Dat was een teleurstelling. De gemeente moet weer verder zoeken naar een predikant.
Tegelijkertijd hoorde ik hoe gemeenteleden zelf bepaalde taken opgepakt hadden
en dat gemeenteleden zelf op pad gingen om ouderen van 75 jaar en ouder te bezoeken.
Ze kwamen bij mensen, die op papier nog wel lid waren, maar al lang niet meer kwamen.
Ik hoorde het verhaal dat iemand die bezoek ontvang graag wilde dat er gebeden werd
En dat ze graag het krantje Lichtspoor weer wilde krijgen,
want dat gaf ze weer door aan een zus en die gaf het ook weer door aan een ander.
Wanneer het in de gemeente niet loopt, zoals wij graag zouden willen zien
kan het zijn dat de Heere ons iets wil leren en de ogen wil openen voor wat onze roeping is.
De apostelen laten zien dat ze die les van God oppikken
en ze betrekken de gemeente erbij en ook in de keuze van deze 7 mannen
kunnen we Gods hand zien.
In onze kerkelijke traditie word je niet zozeer geroepen door een uitzonderlijke ervaring
maar is het appèl dat de gemeente op je doet om een taak te vervullen al Gods roepstem
die je niet zomaar naast je neer mag leggen zonder erover na te denken.
Er zijn 7 mannen te vinden die wijs zijn en die de Geest hebben – ook Gods hand!
Nadat deze mannen zijn gezegend – ook Gods hand – en zijn aangesteld
gaat de groei van de gemeente weer verder: Het woord groeit.
Mensen die de woorden horen, nemen die woorden ter harte
en veranderen hun levens – hun levens worden veranderd door de woorden van Christus.
Dat levens veranderen, wordt ook voor de buitenwereld zichtbaar.
Buiten de kerk wordt gemerkt dat er binnen de kerk een andere omgang is met elkaar.
Een band van liefde, openheid, betrokkenheid op elkaar, omzien naar elkaar.
Geloven is niet alleen iets van de zondag of iets dat onzichtbaar is,
maar het effect wordt zichtbaar.
Anderen zien dat Gods Geest hier in deze gemeenschap werkt.
Ze willen er meer van weten, ze komen en gaan geloven.
De gemeente die groeit is de gemeente die bereid is te luisteren,
bereid is om op zoek te gaan naar wat er mis gaat en dat laat corrigeren
omdat ze merkt dat de Heere Zelf daarin een weg wijst.
Zo wordt ze een instrument in Gods hand,
de liefde van God die ontvangen wordt, wordt doorgegeven,
maar niet zonder dat die liefde ons veranderd.
We worden andere mensen – anders naar God toe en anders naar elkaar.
Daarmee worden we weer, zoals we geschapen zijn: beelddragers van God.
Anderen kunnen aan ons zien wie God is, niet dat wij dat wel even doen,
maar Hij gebruikt ons om Zijn liefde en genade uit te stralen op anderen te nodigen. Amen

 

Advertenties

Preek zondagavond 10 juni 2018

Preek zondagavond 10 juni 2018
Handelingen 4:32-5:11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Bijbel kent een aantal aangrijpende verhalen.
Ook het plotselinge sterven van Ananias en Saffira is zo’n aangrijpend verhaal
dat de Bijbel aan ons doorverteld.
Het is een gedeelte uit de Bijbel dat je niet zomaar even leest uit de Bijbel,
maar een verhaal dat indruk maakt, waar je wel over na moet denken,
omdat het confronteert,
confronteert met God, Wiens heiligheid hier in het geding is.
Dat het plotselinge overlijden van Ananias en Saffira, direct nadat hun leugen bekend wordt,
zorgt voor diep ontzag voor God bij de aanwezigen kunnen we goed indenken.
Welke boodschap er uit te halen valt voor de komende week is nog niet zomaar duidelijk,
of het moet de waarschuwing zijn, dat God niet met zich laat spotten,
dat je God niet kunt bedriegen.

Er komen gelijk wel vragen als je het gebeuren van Ananias en Saffira leest:
Waarom zo’n zware straf, dat ze direct overlijden,
een plotselinge dood die blijkbaar door de aanwezigen wordt gezien
als een ingrijpen van God die deze misstap van deze twee mensen niet door de vingers ziet.
En waarom krijgen zij geen mogelijkheid om tot inkeer te komen,
terwijl eerder in het Bijbelboek Handelingen voor degenen van wie Petrus zegt
dat ze Jezus aan het kruis hebben gebracht wel een mogelijkheid is om te bekeren
En hun zonden vergeven te krijgen.
Waarom is er voor deze twee mensen geen tweede kans, geen bekering, geen vergeving?

Een van de boeken die ik er met preken maken op na sla, zegt:
Probeer altijd in een preek evangelie te brengen.
Deze man heeft zelf een voorbeeld gegeven van hoe je toch evangelie kunt brengen
als er in een gedeelte het evangelie ontbreekt of lijkt te ontbreken
met een preek over Genesis 3.
Maar hoe je hier in het gebeuren van Ananias en Saffira evangelie kunt vinden
dat vraagt wel het nodige aan denkwerk, aan zoeken. Wat heeft het ons te zeggen?

Wat mij opviel bij het lezen, is dat er het steeds om hart gaat en om voeten.
Als in hoofdstuk 4 vers 32 gesproken wordt over de eenheid die er in de gemeente is,
Wordt er gesproken over een éénheid van hart en ziel.
Ik denk dat het niet zomaar is.
In de Bijbel is het hart meer dan als wij over hart spreken.
Bij ons heeft hart vooral te maken met liefde voor iemand,
of met compassie, betrokkenheid op iemand.
Als de Bijbel spreekt over ons hart, dan is dat breder.
In je hart gebeuren ook alle beraadslagingen die je hebt, alle overdenkingen en gedachten,
De beslissingen die je neemt, worden altijd vanuit het hart genomen.
Hart dat is welke innerlijke gevoelens je hebt, emoties,
Je hart, dat is wie je van binnen bent.
Ziel lijkt daar trouwens op –  ziel dat is de gesprekken die je in jezelf hebt:
Hart en ziel, dat is ook waar God de mens aanspreekt.
Dat is niet alleen maar een innerlijk gebeuren, dat ben je helemaal.

Nu wordt van de eerste gemeente gezegd dat ze één van hart en één van ziel zijn.
De Heilige Geest werkt zo in de gemeenteleden dat er een verbondenheid groeit.
Niet alleen een verbondenheid waarbij ze elkaar opzoeken,
maar er ook een diepe verbondenheid groeit, een innerlijke betrokkenheid op elkaar.
Hier is geen gemeentelid die van een ander zegt: Ben ik mijn broeders hoeder?
Hier zien we de kracht van de Heilige Geest: mensen die elkaar voorheen niet kenden,
groeien samen, worden één van hart en één van ziel.
Mochten er mensen zijn, die voorheen heel erg met zichzelf bezig waren,
egocentrisch gericht, zichzelf in het middelpunt zetten: de Geest geeft hen een nieuw hart
en opent de deuren van hun hart voor de ander.
Dat het hart opengaat voor Christus is al een hele bekering,
maar dat het hart van iemand voor een ander opengaat, dat je bekeerd wordt
van een houding waarbij je alleen maar op jezelf gericht bent, is niet minder ingrijpend.

Dat is, zoals we hier zien, gevolg van een hart dat open gaat voor Christus,
dan gaat het hart ook open voor anderen.

Er ontstaat een sfeer van een open hart voor elkaar, een sfeer van verbondenheid,
omzien naar elkaar, zoals je dat in elke gemeente graag zou zien.
Er is niemand die iets tekort heeft.
Als er iemand in de gemeente is, die iets tekort heeft,
dan is er een gemeentelid dat het financieel goed heeft.
Hij verkoopt een stuk land, of verkoopt zelfs een huis,
zodat degene die in de knoei komt te zitten, geen eten meer heeft, geholpen wordt.
Het verschil tussen rijk en arm valt weg.
Ze hebben alles gemeenschappelijk, schrijft Lukas.
Dat wil niet zeggen dat iemand zomaar kan beschikken over de bezittingen van een ander
of dat je bij lidmaatschap van de gemeente al je bezittingen moet afgeven.
Maar het is een delen in elkaars noden en zorgen, bijspringen wanneer dat nodig is.
Weten van elkaar, wanneer je iets nodig hebt.
dat hoeft niet verborgen te blijven uit angst voor schaamte er niet meer bij te horen.
Hier blijkt dat het geen theorie is, niet alleen een mooi verhaal
dat de gemeente één van hart en één van ziel is, maar praktijk, werkelijkheid.
Zo had God het bedoeld.
Het is steeds weer een terugkerend patroon: Als het nodig is, laat iemand in de gemeente
zijn of haar hart spreken, verkoopt iets binnen de gemeente de nood te lenigen.
Het gebeurt helemaal vrijwillig, niemand wordt gedwongen.
Het gaat Lukas niet om hoeveel, om wie er allemaal meedoen,
maar om het gebaar van vrijgevigheid – liefde van Christus die het hart opent voor anderen.


In het hart van Ananias en Saffira gaat het mis.
Hoe kan dat gebeuren dat in een hart dat aan Christus toebehoort het zo mis kan gaan?
Het is ook de vraag die Petrus aan Ananias en Saffira stelt:
Hoe heeft de duivel jullie hart weer terug kunnen veroveren?
Ananias en Saffira – ze lijken op iemand die de sfeer niet goed aanvoelt,
niet ziet wat er echt in een groep gebeurt, niet merkt dat het om het hart gaat,
hoe je je van binnen opstelt.
Ze zien alleen maar wat er aan de buitenkant gebeurt.
Blijkbaar heeft het gebeuren van Barnabas iets bij hen losgemaakt.
Barnabas die een stuk land verkoopt en de opbrengst van het land bij de apostelen brengt.
Hij legt het geld aan de voeten van de apostelen – daar zijn de voeten.
Steeds als er geld aan de gemeente wordt gegeven wordt dan aan hun voeten gelegd.
Dat hebben ze gezien, Ananias en Saffira.
en wat ze ook hebben gezien – of misschien dachten ze dat bij de anderen te zien,
want alleen God kan in het hart van anderen kijken,
en hoe vaak zitten wij niet mis in het beoordelen van anderen?
Wat ze hebben gezien is dat Barnabas een speciale plek innam
omdat hij een bijzondere naam van de apostelen gekregen heeft: zoon van vertroosting.
Iemand die in staat is om anderen op te beuren,
of een ander zo kan aanspreken dat de ander zegt: Je hebt gelijk, ik moet het anders doen.
Iemand die met gezag een ander kan corrigeren
en op het juiste spoor kan brengen: het spoor van Christus.
Met ernst en bewogenheid. Met humor als dat nodig is.
Iemand die je in het hart kan raken en daar integer en zorgvuldig mee omgaat.
Deze Barnabas heeft gemerkt dat er weer behoefte is aan een bijdrage aan de gemeente
en hij verkoopt een stuk land.
Er wordt niet bij vermeld welk stuk land – of het een stuk land is op Cyprus of in Israël,
er wordt ook niet verteld hoe hij aan het stuk land kwam,
terwijl in de Bijbel wordt gezegd dat een Leviet geen grondbezit mag hebben.
(Maar vanaf de 1e eeuw voor Christus zien we vaker dat een Leviet een stuk land heeft,
Vooral Levieten in de diaspora, Levieten die buiten Israël wonen)
Er wordt ook niet gezegd dat hij geloofde dat de Wederkomst zo dichtbij was
dat hij het stuk land niet meer nodig heeft.
Hij verkoopt en legt de opbrengst bij de voeten van de apostelen neer.

Daarna gaat het gelijk door naar Ananias en Saffira.
Het wordt niet gemeld, maar je krijgt de indruk dat ze zien wat Barnabas doet.
Dat ze zien welk effect dat op de andere gemeenteleden heeft:
hoe Barnabas in achting stijgt, hoe er met waardering over hem gesproken wordt.
Er zijn uitleggers die vinden dat dit gedeelte op Genesis 3 lijkt:
Na de paradijselijke toestand binnen de gemeente, de eenheid, nu de zondeval.
Hoe ze – net als Adam en Eva – zich vergrijpen.
Er is een spreekwoord: Het bederf van het beste is het slechtste.
Maar het verschil is dat het anderen er niet in meegesleurd worden in deze val.
Er wordt ook een vergelijking gemaakt met Achan, die na de val van Jericho
een kleine schat vindt en dat niet afdraagt aan Jozua, maar het voor zichzelf houdt.
In ieder geval bij alles wat ze gezien hebben aan de handeling van Barnabas,
Ze hebben niet de reden gezien, ze hebben niet gezien dat zijn hart open ging,
dat hij anderen binnen de gemeente wilde troosten, bemoedigen, aansporen met zijn gift.
Het lijkt erop dat ze een gebaar willen maken, waardoor zij ook dat aanzien kijken.
Hoe mensen hen meer bewondering en respect behandelen:
Dat zijn Ananias en Saffira – zij hebben er ook een akker voor over gehad
en dat geld brengt Ananias bij de apostelen.
Hij doet Barnabas na, legt het ook aan hun voeten neer.
Hij heeft alleen een deel achtergehouden, met medeweten van zijn vrouw Saffira.
dan gebeurt hij waar hij niet op gerekend had:
Niet de eer en de bewondering: zo, Ananias, heb je dat allemaal voor de gemeente over.
Maar een scherpe vraag naar zijn hart, naar het waarom van zijn daden.
Waarom doe je zo, Ananias?
Het is een scherpe, verdrietige Petrus:
Ananias, waarom heb je je hart weer uitgeleverd aan de satan.
Je was door Jezus’  kracht toch bevrijd?
Het is de tactiek van de satan: eerst door druk van buitenaf de gemeente uiteen te drijven.
Tegenstand die er door de leiders van het volk is, apostelen die gevangen genomen worden.
Nu is het de tijd voor de tweede stap: als de gemeente één van hart is,
Wil de satan verdeeldheid brengen, zodat de eenheid van Christus verdwenen is
en hij vindt de zwakke schakel in het hart van Ananias en SAffira.
Niet het geld dat Ananias met medeweten van Saffira achterhoudt is het eerste probleem
dat door Petrus aangekaart wordt, maar Petrus raakt gelijk dieper:
Ananias, je hart is niet meer van Christus, er is een ander in je hart gekomen
en hij maakt nu de dienst uit – Ananias, waarom toch?
Petrus rekent het zwaar aan: bedriegen van de Geest.
Als we niet zien wat de ernst is van je hart weer opnieuw openstellen voor satan,
wat het aangrijpende is van de Geest bedriegen, dan begrijpen we dit verhaal niet.
Dan is het vooral verbijsterend en geeft het een vraag waarom God bedrog zo zwaar straft.
Het is in ieder geval niet dat Ananias het kan afschuiven:
Hij wordt verantwoordelijk gehouden. Waarom heb je dat gedaan?
Moet je nu zeggen dat Ananias niet echt heeft geloofd?
Dat zijn geloof maar voor een tijd was? Een schijngeloof? Dat het was voor anderen?
Om gezien en geprezen te worden?
Petrus gaat die kant niet op, maar roept hem wel ter verantwoording: Waarom?
Waarom ben je weer teruggevallen in dat oude leven? Waar is je hart dat vernieuwd was?
Waar brengen je voeten je?
Als je je door de duivel laat meenemen, dan kom je op de verkeerde weg.
Als je naar de apostelen toegaat om daar waardering en aanzien te verdienen,
een plek in de gemeente te hebben doordat je een aanzienlijk bedrag afstaat,
dan heb je daar niets aan als je niet werkelijk arm kunt worden.
Dan niet arm in de zin dat je geen geld meer hebt, maar arm van geest.
dat je merkt dat je de Heilige Geest nodig hebt,
zo nodig dat je die niet kunt bedriegen
en dat het nodig is jezelf te onderzoeken: welke Geest of geest laat in mijn leven toe?
Is het de Heilige Geest of is het juist een geest die mij van Christus afbrengt?
Ananias wil zijn hart niet afgeven, wil zijn leven niet verliezen.
wil wat verliezen – misschien wel een flink bedrag – maar niet zichzelf.
Het is niet het geld dat het probleem is.
Het is het hart, wat daarin omgaat en wat uit je hart naar buiten komt,
welke keuze er gemaakt wordt.
Het gaat om je voeten, naar wie je toe gaat en met welke reden.
Of je gaat om te winnen, of dat je gaat om iets te verliezen en daarmee alles te winnen.

Het hart van Ananias was niet voor anderen open.
Ja, hij hunkerde wellicht naar bewondering, naar hoe mensen tegen hem opkeken,
maar zag de gemeenteleden niet als gelijken, gelijkgestemden,
met dezelfde behoeften als hij, dezelfde worstelingen wellicht.
De gemeente is voor hem niet één hart en één ziel,
maar meer een podium, een plaats om applaus te krijgen,
gemeenteleden publiek die voor hem en zijn vrouw klappen.
Gemeenteleden zijn geen mensen, geen medemensen, een kinderen van God.
Ananias verbreekt de eenheid van hart,
niet vanwege het onrecht dat er binnen de gemeente is, niet vanwege een misstand.
Dan mag de eenheid verbroken worden voor het hogere doel,
Dat de gemeente weer op de weg van Christus komt.
Hier wordt de eenheid verbroken voor het pad dat hij voor zichzelf had uitgestippeld.
De gemeente is heilige grond, laat de Heere zien.
Het gaat om het werk wat de Geest doet – dat is het evangelie
en hier zien we een kant van hoe mensen daar aan voorbij gaan
of hoe ze dat werk van de Geest graag hun eigen kant om buigen
om er zelf van te profiteren.
Zo ver laat God het niet komen. Ananias sterft.
Als Saffira komt om het verhaal van haar man te bevestigen,
Te volharden in het kwaad, in de zonde
– zoals de gemeente volhardt in het breken van het brood, in de gebeden, in het omzien –
dan zijn de voeten van degenen die haar man begraven hebben, reeds te horen.
Het zijn niet de voetstappen van de vreugdeboden, die met de boodschap komen
Hoe lieflijk op de brengen de voeten van degene die het goede nieuws brengt
Geen boodschap van vrede, maar van oordeel.
Dat er grote vrees in de gemeente komt is goed te begrijpen.
Het is alleen geen vrees die op verbijstering lijkt, maar diep ontzag,
bewondering voor Gods heiligheid.
Ik heb ooit college gehad van een hoogleraar OT uit Zuid-Afrika,
die had voorgesteld om de vreze des Heren te vertalen met liefde, diepe liefde, vol ontzag
zoals een christen opkijkt naar de gemeente.
Hier wordt de groep mensen in Jeruzalem voor het eerst gemeente genoemd:
Ekklesia – bij elkaar gebracht om Christus heen, door de Geest,
Bewaard bij Christus – door diezelfde Geest. Mensen die het gemeen hebben
dat ze geloven, dat ze vertrouwen, dat ze hun leven overgeven, hun hart,
alles wat ze hebben aan Christus, omdat Hij hen alles geeft:
Getrouwe Heer’, Gij wilt mijn goed, mijn God, Mijn erfenis en ’t deel mijns bekers wezen. Amen

Preek zondag 10 juni 2018 morgendienst

Preek zondag 10 juni 2018 morgendienst
Wieringerwaard – Viering Heilig Avondmaal
Handelingen 2:37-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het avondmaal is bedoeld om onze band met God én de band met elkaar te versterken.
Door naar het avondmaal toe te leven, door aan de tafel aan te gaan,
door daar te zitten en brood en wijn te ontvangen wordt de band met Christus versterkt.
Daar is het avondmaal voor bedoeld: om zo weer intens met Christus bezig te zijn,
beseffen dat je Hem nodig hebt, om je zonden vergeven te krijgen,
om een nieuw leven te krijgen,
om gevoed en gesterkt met Christus, vergeven en vernieuwd, je plek weer in te nemen
in de kerk, in deze wereld.
Om daar ook de liefde, de barmhartigheid van God die je ontvangen hebt uit te stralen.
Over vergeving lezen we in Handelingen 2.
Op de Pinksterdag in Jeruzalem zegt Petrus tegen de aanwezigen op het tempelplein:
Jullie hebben Jezus gedood en wat jullie nu zien
is Geest van diezelfde Jezus die jullie gedood hebben, want Hij is opgestaan uit de dood.
Wat moeten we doen?, vragen die aanwezigen.
Petrus zegt: Bekeer je, want God heeft een geweldige belofte voor jullie:
Je kunt vergeving ontvangen én je kunt de Heilige Geest ontvangen.
Dat is onderdeel van diezelfde belofte: God geeft vergeving én geeft Zijn Geest aan ons.
We zien dat ook in het avondmaal.
We horen over vergeving die God door Christus wil geven.
In de afgelopen week bent u daar misschien wel heel erg mee bezig geweest.
U hebt nagedacht over uw eigen geloof, uw band met Christus
En je merkte dat er heel wat aan schortte,
Dat je geloof niet zo geweldig is als je van iemand mag verwachten
die de liefde en genade van God in Christus heeft ervaren.
Dat je leven niet zo geweldig is als je van een volgeling van Jezus zou verwachten.
Je kunt vatbaar zijn voor begeerten, die je op het verkeerde pad brengen, bij Jezus vandaan
Daar hebben we vergeving voor nodig: God die onze fouten vergeeft.
We hebben nodig dat ons hart van binnen gereinigd wordt.
In het avondmaal bevestigt Christus opnieuw: de vergeving is er.
Kom maar bij Mij aan tafel en ontvang brood en wijn,
Die wijzen naar Golgotha, waar Ik Mijn leven voor je gaf.
Als je het brood eet, dan proef je de vergeving, dan proef je de liefde.
Als je de wijn drinkt en in je voelt komen, dan weet je dat Christus je van binnen reinigt.
Je krijgt niet alleen vergeving.
Je krijgt nog meer, want er is iets nodig – Iemand nodig, om je hart te bewaren bij Christus,
om de leegte die er gekomen is, nadat je hart gereinigd, schoongemaakt is,
Te vullen, zodat de duivel niet de kans grijpt om in die leegte terug te komen.
God geeft ook Zijn Heilige Geest.
In het avondmaal gaat het ook om die belofte.
Als je hart gereinigd is door Christus, komt de Heilige Geest in je hart.
Hij zorgt ervoor dat je bij Christus blijft.
Deze belofte, zegt Petrus, is voor jullie, voor jullie kinderen en voor degenen die ver weg zijn
Een ruime belofte van Christus, de liefde stroomt naar je toe, maar stroomt ook verder.
Nodigend, op zoek naar een hart, waarin de liefde van Christus mag komen.
Aan het avondmaal wordt de band met Christus verdiept.
Ook de band met elkaar wordt verdiept aan de tafel van Christus.
We lezen dat ook in Handelingen 2: De gemeente die bij elkaar komt.
Er is trouw in de gemeente, de stap naar Christus is geen bevlieging
die enkele weken later weer over is.
Steeds weer komen ze bij elkaar om te luisteren wat de apostelen vertellen over Christus,
komen ze bij elkaar om elkaars verhalen aan te horen en hun ervaringen te delen.
Steeds weer merk ik hoe dat ook de onderlinge band verdiept,
Als je met elkaar optrekt, in een Bijbelkring, een gesprekskring,
of ‘s zondags voor of na de kerkdienst met elkaar spreekt over wat je bezighoudt.
Dat verbindt met elkaar, je wordt betrokken op elkaar en het verdiept je band met Christus,
Ze zoeken elkaar steeds weer op, de onderlinge gemeenschap groeit.
Ze geven niet op, als het even niet zo stimulerend is.
Ze blijven niet weg, maar ze geven niet op, ze gaan er steeds mee door.
Mensen die weinig met elkaar hadden,
misschien alleen maar het toeval dat ze in Jeruzalem waren juist op dat moment,
mensen die elkaar voorheen niet kenden, ze worden broeders en zusters.
Ook dat is een steeds voortdurend proces. Ze komen bij elkaar om het brood te breken.
Dat is avondmaal vieren, maar dat is ook een gemeenschap buiten het avondmaal om.
Het zijn de gewone maaltijden.
Je kunt niet over hen zeggen: op zondag, of bij het avondmaal is er een gemeenschap,
maar doordeweeks heb je niets met ze. Ze zoeken elkaar steeds weer op
om elkaar te stimuleren de weg van Christus te gaan.
De gemeenschap met Christus opent de ogen voor de mensen om je heen.
Als ze bij elkaar zijn, vergeten ze de band met God niet.
Ze bidden voor elkaar en met elkaar.
Als ze elkaar opzoeken staat de deur naar God open.
Christus leeft en door het gebed kunnen ze Hem zoeken, kunnen ze Hem vinden.
Ook dat vraagt om trouw en volhouden, niet zomaar opgeven.
Omgekeerd brengt de gemeenschap van Jezus’ leerlingen je weer bij Christus.
Met elkaar zoek je Zijn aangezicht in gebed.
De gemeente groeit in eenheid, samen gaan ze op weg.
Het is voor Lukas hét bewijs dat de Heilige Geest Zijn werk doet
dat het waar is wat Petrus zei: de belofte is ook voor hen.
Vanuit de gemeenschap gaat er ook iets naar buiten uit:
Buiten de kerk raken ze onder de indruk van de onderlinge liefde, de trouw in praktijk.
Dat brengt mensen bij de kerk, bij God. Is het een ideale gemeente daar in Jeruzalem?
Nee, daar gaat het niet op. Het gaat om de openheid voor de Geest
die Christus brengt en daarmee vergeving, een nieuwe start,
die je versterkt in de band met Christus, met elkaar
en zo gesterkt je plek in te nemen, in de kerk, in de wereld om je heen
om daar de liefde van Christus, die je vandaag mag ontvangen, door te geven. Amen

Preek zondagavond 3 juni 2018

Preek zondagavond 3 juni 2018
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Handelingen 2:37-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het geloof in de Heere Jezus Christus is geen eindpunt,
geen finish waarbij je kunt zeggen: ik heb het gehaald, nu is het klaar.
Ook de viering van het Heilig Avondmaal is geen eindpunt,
waarbij je kunt zeggen: hehe, ik heb de top behaald, nu zit het erop.
Nee, vanaf de viering van het Heilig Avondmaal begint het pas.
Ik kan me er altijd over verbazen dat de week van voorbereiding vaak zo intens is,
maar dat die intensiteit na de avondmaalsviering weer voorbij is.
We kunnen weer gewoon onze gang gaan.
Alle zaken die in een week van voorbereiding niet zo gepast zijn, doe je weer.

Als we iets uit Handelingen 2 kunnen leren is dat het geloof in de Heere Jezus
geen eindpunt is, maar het begin – begin van een heel nieuw leven,
waarbij alles in het leven anders wordt
en het leven van alledag in het teken van Christus komt te staan.
We zien dat aan vier onderdelen van het gemeentezijn dat Lukas aan ons doorgeeft:
(1) Volharden in de leer van de apostelen, (2) de gemeenschap,
(3) het breken van het brood, (4) de gebeden.
Het zijn 4 punten van de gemeente waardoor we kunnen zeggen:
Hier in deze gemeente is God aan het werk.

Als eerste wordt het volharden in de leer van de apostelen genoemd.
Hier is een gemeente die meer wil leren over God
en de tijd neemt om te luisteren naar wat Zijn dienaren over God hebben te vertellen.
Vaak wordt het volharden in de leer van de apostelen gekoppeld
aan het bijwonen van de kerkdienst, om daar als gemeentelid je plaats in te nemen.
Maar het is breder: dat je met elkaar erover doorspreekt,
hoe je Christus in jouw situatie kunt dienen.
De leer van de apostelen is niet alleen maar de preek of de inhoud van het geloof,
maar betekent ook de praktijk, hoe je er naar leeft
en dat niet alleen een predikant of een ouderling daarover vertelt,
maar dat je daar met elkaar als gemeente mee bezig bent.
Daar begint de opbouw van de gemeente van Christus:
dat je de tijd neemt om elkaar op te zoeken
en dat het daarbij niet alleen over koetjes en kalfjes gaat,
over wat je in de vakantie gaat doen of wat je in het weekend hebt gedaan,
hoe het was op je werk of wat je nu weer over je familie kunt vertellen.
Maar dat je dieper afsteekt en met elkaar erover nadenkt wat God jou te zeggen heeft.
en dat je er met elkaar over nadenkt hoe je bij gedoe in de familie
of bij werk dat veel van je vraagt hoe je bij Christus kunt blijven
en daar op je werk en in je familie iets van Christus kunt laten zien.
Dat is niet iets dat je zo maar helder hebt.
Daarvoor heb je medechristenen nodig, die je daarbij helpen
en die vertellen hoe zij het gedaan hebben.
Daarom zoeken ze elkaar binnen de christelijke gemeente op
om van elkaar te leren, om ervaringen uit te wisselen. om elkaar verder te helpen.
Steeds weer merk ik hoe op belijdeniscatechisatie en op Bijbelkringen
het gesprek met elkaar zo waardevol is: ervaringen uitwisselen, elkaar bevragen,
door het je scherpt in je geloof, het je opbouw
door er met elkaar erover te hebben wie Christus voor je is,
hoe Hij in je leven kwam, wat er gebeurde, wat het uitwerkte in je leven.
hoe u aan het avondmaal kon gaan, hoe u de vrijmoedigheid daarvoor kreeg
hoe je het geloof in praktijk brengt.
Ze volharden er in, zegt Lukas. Ze doen er moeite voor
en ze geven niet zomaar op als het niet lukt
en ze blijven niet weg als er geen direct resultaat oplevert
Volharden betekent dat je ermee doorgaat en niet zomaar opgeeft.
En ze gaan ermee door, ze volharden omdat ze merken dat het hen zoveel geeft,
Dat ze door elkaar op te zoeken en met elkaar door te spreken over het geloof
en te luisteren naar onderwijs over de Heere Jezus van degenen die meer weten
– ze merken  dat een geestelijke honger wordt gestild en dat hun geloof daardoor groeit.
Volharden – dat betekent dat ze zich ook niet zomaar van de wijs laten brengen
als er iemand anders met een andere boodschap komt.
Nee, Christus is hun alles en over Hem willen ze horen
en ze willen zo leven dat hun leven van Christus is.

Geloof heeft effect op het leven, heeft effect op wie je bent en wat je doet.
We zien dat aan de gemeenschap.
Door elkaar op te zoeken, door met elkaar te luisteren naar de apostelen,
door met elkaar te zoeken hoe je ernaar kunt leven, hoe je het praktisch maakt,
groeit er een onderlinge band.
Ze volharden ook in de gemeenschap, in de onderlinge band.
Gemeenschap betekent dat de onderlinge band groeit.
Dat gebeurt niet vanzelf.
Het is allereerst de Heilige Geest, die in deze mensen werkt,
die uitgestort is, die ook aan hen beloofd is en die nu merkbaar in hen groeit,
maar ze doen er zelf ook veel voor.
Als de Heilige Geest in je leven komt, zet Hij je aan het werk en schakelt Hij je in
en laat Hij je zien wat je kunt doen, hoe je je geloof in praktijk kunt brengen,
hoe het in jouw leven zichtbaar kan worden dat je van Christus bent.
Het eerste dat hier genoemd wordt, dat voorop staat is de gemeenschap.
Bovendien is het door die Geest dat wij als leden van één lichaam met elkaar in ware broederlijke liefde verbonden worden.
Je bent zelf degene die gehoor geeft aan de stem die je roept en je gaat.
Dat kan niemand anders voor je bepalen
en tegelijk: als je naar voren gaat, loop je niet alleen
en daar aan de tafel zit je niet alleen, of je nu aan de derde tafel zit of de eerste
en de avondmaalstafel is niet alleen beperkt tot de Dorpskerk,
maar we vieren met de Maranathakerk mee
en de andere kerken in Oldebroek,
al wordt het avondmaal daar wellicht op een andere manier gevierd:
uitbundiger of juist somberder.
We zijn verbonden met de kerk wereldwijd: de kerk in Malawi, de gemeenten in Oekraïene,
gemeenten op plaatsen die wij niet kennen.
Maar we kijken niet alleen wijd over de hele wereld,
maar ook heel dichtbij, heel concreet: naar de mensen die naast u gezeten hebben,
die tegenover je zaten, bij je aan de tafel.
Misschien ken je de namen niet eens, terwijl je al lang samen in de kerk zit
Wellicht kun je niet eens meer herinneren wie er tegenover je zat en hoe die ander erbij zat.
In de eerste gemeente is er een intens met elkaar meeleven:
Ze hebben alles gemeenschappelijk.
Zelfs wat ze hebben, wat iemand als bezit heeft dat wordt gemeenschappelijk gedeeld.
Niets is zo weinig of je kunt het delen.
Als je daarover nadenkt: alles gemeenschappelijk en alles delen schrikt dat misschien af.
Waar je zelf hard voor gewerkt hebt en voor gespaard hebt, waar je zuinig op bent,
om dat met een ander te moeten delen? We willen daar niet altijd aan denken.
Waarom ze kunnen delen is dat ze beseffen: wat we hebben is niet van ons.
Ons leven, dat is niet van ons, dat hebben we niet.
Onze spullen, die zijn niet van ons, want alles wat we hebben,
hebben we alleen maar gekregen van God, in bruikleen gekregen om Hem te dienen.
Als gemeenteleden alles met elkaar delen, ontstaat er niet een ideale samenleving,
maar wordt er iets zichtbaar van Israël, kunnen we zien hoe Israël wordt hersteld:
het volk dat in deze wereld geroepen is om tot zegen van andere volkeren te zijn,
dat geroepen is in hun manier van leven te laten zien dat er een God is
die deze wereld geschapen heeft, van wie deze wereld is
en die door iedereen aanbeden moet worden.
Als christenen zo leven, laten ze zien dat er een God is,
Die deze wereld niet heeft losgelaten, niet prijsgeeft wat Zijn hand begon,
Die bezig is en dat zichtbaar laat worden in mensen die hun hart openstellen voor anderen.
Als we het delen van onze bezittingen en goederen die we hebben een te grote stap vinden,
laten we dan beginnen met het delen van onze verhalen en ervaringen,
Laten we dan beginnen met te kijken wie er naast ons in de kerk zit
en naast ons aan de avondmaalstafel
voor diegene te bidden en met diegene mee te leven,
Dat je ziet wie de ander is en dat je open staat voor wat de ander bezig houdt,
Wat er gebeurt aan zorg en vreugde
dat je dat niet direct invult, maar de ander laat vertellen,
dat je meeleeft door een kaart te sturen, door iemand op te zoeken,
door niet te wachten tot de ander komt, maar zelf het initiatief te nemen.
Het is de liefde van God die liefde in je hart opwekt,
gezien worden door God die je anderen om je heen doet zien,
je verhaal bij God kwijt kunnen waardoor je open staat voor wat anderen je vertellen.
Steeds is het: je ontvangt van God en dat geef je weer door.
Daar heeft ook het derde mee te maken: het breken van het brood.
Dat kun je verbinden aan de viering van het avondmaal, maar het is ook hier weer breder.
Het breken van het brood houdt in dat je anderen thuis opzoekt,
niet alleen de mensen die veel aanloop krijgen en veel gezien worden.
Je zoekt ook degenen op die weinig mensen om zich heen hebben of zelfs niemand,
je zoekt niet alleen degenen op die een leuk en prettig leven hebben,
maar ook degenen die moeilijk kunnen doen, die voor je gevoel zo kunnen zeuren.
Je stapt hun drempel over, en daarmee ben je een bode van God die laat weten:
Ik zoek je op waar je bent.
Breken van het brood houdt ook in dat je je huis openstelt voor anderen,
Dat ze bij je mogen komen, dat ze mogen mee-eten.
Gemeenteleden die geen familie hebben en zo kunnen ervaren wat het is
om mensen om je heen te hebben, gezelligheid te hebben, genieten van een ander
en merken dat je ertoe doet, dat ook jouw verhaal belangrijk is.
Dat je gemeenteleden uitnodigt die, omdat ze alleen zijn, geen zin hebben om te koken,
of dat je extra kookt voor degenen die te veel aan hun hoofd hebben om goed te eten.
Elkaar thuis opzoeken en uitnodigen en je huisgezin delen
houdt in je de praktische consequentie trekt uit het avondmaal:
De gemeenschap van het avondmaal is niet alleen iets voor een keer in de 3 maanden,
waarbij je met elkaar voor in de kerk om de tafel zit.
Het avondmaal is een appèl op onze gewone maaltijden.
(Mooie voorbeelden: gastgezin, pleeggezin, anderen uitnodigen)

De gastvrijheid van Christus ervaren aan Zijn tafel doet een appèl op onze gastvrijheid.
Het is de Heere Jezus die te gast was bij zondaars en tollenaars,
Die tegen Zacheüs zei: Ik moet in je huis zijn.
Dat is wat er ook van de kerk gevraagd wordt en zeker van een kerk op een dorp.
Niet omdat we op een dorp zo van gezelligheid houden
en er niet tegen kunnen op een dorp dat iemand er niet bij hoort of buiten de boot valt,
maar omdat we geloven, dat iedereen gered kan worden en iedereen gered moet worden.
Daarom hebben we een taak als kerk om anderen op te zoeken waar ze zijn,
bereid om bij hen thuis te komen, bereid om anderen bij ons thuis uit te nodigen
voor dat grotere doel: dat ze in onze gastvrijheid en bereidheid om te komen
onze Heer leren kennen, Hem leren ontdekken, dat ook zij bij Hem mogen komen.
Jezus die meeliep de Emmaüsgangers en bij hen thuis de maaltijd gebruikte,
al waren ze niet zo gezellig en treurden ze over hun Heiland die gestorven was
en totaal hopeloos en zonder verwachting waren.
We delen ons leven met anderen en we delen het leven van anderen.
Daarom is het belang om als predikant, als ouderling je gemeenteleden te kennen,
Te weten wat hen bezig houdt, Oldebroeker met de Oldebroekers te zijn,
Oostewoldenaar met de Oostewoldenaars, Loose met de Loosen.
Ik heb wel eens gelezen – ik heb het nooit meer kunnen terugvinden –
dat evangeliseren op een dorp en kerkzijn op een dorp veel moeilijker is dan in de stad,
omdat de mensen hier alles van je zien:
Ze zien hoe je met je tuin omgaat, met je kinderen, wat je karakter is, je manier van leven.
Je kunt niets verborgen houden. Ze kunnen zien of het evangelie echt door je heen werkt.
Tegelijkertijd is er op een dorp, zo las ik – of het waar is, weet u wellicht beter
altijd de aarzeling, zeker bij een predikant of een kerkenraadslid:
Komen ze echt voor mij, hebben ze echte interesse?
Of is het een tussenstap naar een stap hogerop, verder met de carrière.
Kerkzijn op een dorp vraagt de lange adem, continuïteit, lange duur.
Niet even iets vluchtigs, maar volharden in het leven delen.
Echte interesse – het leven willen kennen
om daar op het dorp Christus voor te leven, het evangelie in praktijk te brengen
met je eigen leven als voorbeeld dat gezien mag worden.

Als vierde het gebed.
Dat is niet het sluitstuk, maar de climax.
DAt is het geloof dat God benaderbaar is, dat God leeft en regeert,
Dat God hoort en zich actief met deze wereld bezig houdt
en dat Hij niet te heilig is en te groots voor wie dan ook.
Volharden in het gebed, steeds weer God opzoeken met onze dank en gebeden,
de Heere benaderen voor onszelf en de mensen om ons heen,
voor mensen die niets met het geloof hebben: de mensen in je dorp, op je werk,
je gezin, je vrienden,
vanuit het geloof dat de belofte die er voor jezelf is, waarin je mag geloven,
dat die belofte ook voor anderen is.
Bidden is danken – steeds zien, steeds erkennen wat God je geeft.
Naar lichaam en ziel.
Bidden is vragen – voor jezelf, voor anderen.
Bidden is jezelf open stellen voor God en de taak die Hij je geeft.
Het is een uitvloeisel van het avondmaal, een gevolg van de liefde van God
die in je hart komt, waardoor je naar God teruggaat, en anderen meeneemt naar God toe.
Zo is de kerk een baken van hoop
in het bij elkaar komen in de kerkdienst, in het elkaar opzoeken thuis of Bijbelkring,
in het meeleven, in het delen in elkaars leven, in het helpen van elkaar,
in het gebed voor de wereld, dichtbij en ver weg
De kerk als baken van hoop dat God er is, dat Hij werkt, nu,
zoals Hij dat gedaan heeft en altijd zal werken,
tot Hij terugkomt zal er een gemeente zijn, die met Hem leeft, uit Hem leeft en tot Hem leeft.
Een gemeente die door God wordt gebruikt om Zijn koninkrijk te bouwen.
Amen

Preek zondagmorgen 3 juni 2018

Preek zondagmorgen 3 juni 2018
Viering Heilig Avondmaal
Handelingen 2:37-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vorige week heb ik gezegd: in de voorbereiding voor het avondmaal
moet u bij Christus uitkomen, anders is de voorbereiding niet ‘af’.
Bent u ook bij Hem aangekomen? Woont Hij in uw hart?
Dan mag u aangaan aan de tafel, bij Hem te gast zijn,
brood en wijn ontvangen – wat heenwijst naar het offer dat Hij bracht voor u op Golgotha.
Dan zal er in de afgelopen week ook een verlangen gegroeid zijn
om Christus hier aan Zijn tafel te mogen ontmoeten, bij Hem te zijn
om brood en wijn uit Zijn hand te ontvangen, om de vergeving te proeven.
Voor de één een diepe vreugde die er al vanaf de voorbereiding is,
voor de ander een worsteling die een week meegaat, maar waarin duidelijkheid is gekomen:
Ik mag aan de tafel komen, ik hoor daar te zijn, bij Hem, mijn Heer en Heiland.

Het kan ook zijn dat u er over nagedacht hebt en bij uzelf gedacht hebt:
Ik moet bij Christus uitkomen, maar hoe doe ik dat nu? Hoe weet ik dat ik bij Hem uitkom?
Het kan zijn dat jij daar in de afgelopen week geen helderheid over kreeg
en dat je maar besloten hebt, om – ook al heb je belijdenis gedaan – niet te gaan.
Hoe vaak je er ook op aangesproken bent, in een preek, op huisbezoek door een ouderling
of door iemand uit de familie, de eigen kinderen misschien wel.
Hoe kom je bij Christus uit?
Dat is hetzelfde als wat de aanwezigen op het tempelplein doen als ze Petrus horen:
ze nemen zijn woorden met vreugde aan.
De woorden van Petrus raken hun harten en ze beseffen: het is ook voor ons.
De belofte waar Petrus over spreekt,
de belofte dat God hun zonden vergeeft, de belofte dat God de Heilige Geest geeft aan hen.
Ze nemen zijn woorden aan. Dat betekent: ze geloven de woorden van Petrus
en ze merken dat ze geraakt worden.
Het doet hen goed, het maakt hen blij dat waar Petrus over spreekt ook voor hen is.
Dat zou ik nu ook wel willen, heb je in de afgelopen week gedacht.
Of u denkt bij uzelf: daar loop ik nu al jaren tegenaan,
dat ik wel zou willen geloven, dat ik kan zeggen: het is ook voor mij,
maar ik zou niet weten hoe ik dat doe. Bovendien: er is zoveel dat tegen mij spreekt.
Nou, dat hadden de aanwezigen op het tempelplein ook: zoveel dat tegen hen sprak:
Jullie hebben Jezus gekruisigd, zegt Petrus tegen hen.
Hoe groot onze zonden ook zijn en wat er ook u aanklaagt – Gods belofte is voor u!
Wat er nodig is, is dat u dat kunt nazeggen: Gods belofte is ook voor mij,
dat jij dat kunt beamen.
Dat je in je de wil voelt om het anders te doen. Niet meer zonder Christus, maar mét Hem!
Vaak maken we het veel ingewikkelder
en vinden we dat er eerst ons leven op orde moeten hebben
en dat geloven betekent dat je geen fouten en geen zonden meer doet.
Het is goed als u merkt dat het zo niet verder kunt en dat er wat moet gebeuren,
dat je zonden vergeven moeten worden, dat je geloof veel sterker zou kunnen zijn,

en je merkt dat wat je er ook aan probeert, hoe je er zelf mee bezig bent
en erover nadenkt, bidt en leest in de Bijbel, maar je merkt: ik kom niet verder.
Ik kom hier in de gemeente best een aantal gemeenteleden die wel verder zouden willen komen, maar niet weten hoe dat kan: een stap verder in geloof.
Dan horen ze een stem van een vader of een moeder, die hen waarschuwt:
Pas op, denk maar niet dat je zomaar aan het avondmaal kunt gaan. Daar hoor je niet.
En die stem is sterker dan de uitnodiging van de Heere Jezus die zegt: kom maar.
De stem die van binnen zegt: kom maar niet is dan sterker dan de stem van de Heere
die tegen je zegt: Kom, want alles is gereed, kom hier om mijn genade te proeven.
Kom hier bij Mij om een nieuwe start te maken.
Wat is er nog nodig? Wat heb je meer nodig dan Christus die zichzelf gaf aan het kruis?
Is het dan niet genoeg als je de woorden van Petrus hoort: het is voor, voor uw kinderen,
Zelfs voor diegenen die zich heel ver van Christus af voelen, voor hen is het.
het aannemen van de belofte van God, waar Petrus over spreekt,
dat doe je zoals je een geschenk, een kado aanneemt
bij een verjaardag, een jubileum, of omdat iemand op bezoek komt,
Zo’n geschenk, hoe klein ook, roept vaak verlegenheid op: waar verdien ik dit aan.
Het liefst zou je het niet willen aannemen, niet durven aannemen,
maar omdat het gegeven wordt, kun je het niet weigeren.
Zo kunnen we, mogen we niet de belofte van God weigeren waar Petrus over spreekt.

Al voelen we ons te klein, door onze fouten en tekorten, door ons ongeloof,
door de zonden die ons nog aanklagen.
Het avondmaal laat zien dat God geeft: Zijn genade, vergeving, een nieuw begin, Zijn liefde.
Laat Hem niet staan met het geschenk in Zijn handen, omdat u het niet durft aan te nemen.
Wijs Hem niet af, omdat jij te klein van jezelf denkt.
Denk niet, dat je eerst zelf van alles op orde moet hebben, voor je het mag aannemen,
want de belofte waar Petrus over spreekt is juist dat God de Heilige Geest in je hart geeft
die gaat opruimen, die ruimte maakt voor Christus,
die het verlangen wekt, die je meeneemt naar Christus toe, die je bij Hem houdt.
In Handelingen lezen we dat de aanwezigen de woorden met vreugde aannemen.
Lukas, die Handelingen schreef, meldt in zijn evangelie steeds van vreugde in de hemel.
Elke keer als er iemand tot inkeer komt,
elke keer als iemand de woorden van Christus aanneemt en Hem toelaat in zijn of haar hart,
is er ook in de hemel vreugde, kunnen de engelen in de hemel hun geluk niet op.
De vreugde, die in de harten van de aanwezigen komt, heeft een weerklank in de hemel,
waar de engelen gejuicht zullen hebben om al die mensen die hun hart openden.
Avondmaal is serieus, kan soms daarom een ernstige sfeer hebben,
maar avondmaal heeft ook iets vreugdevols, iets waar je blij van wordt,
waar je hart van opspringt: er is vergeving, een nieuwe start, de Geest in mijn hart,
de vreugde en het verlangen om bij Christus te zijn.
Ik had eigenlijk Psalm 122 moeten laten zingen: Ik ben verblijd wanneer met mij
godvruchtig opwekt: Kom ga met ons en doe als wij.
Amen

Preek zondag 27 mei 2018

Preek zondag 27 mei 2018

Handelingen 2:37-47
Voorbereiding Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Voor een dienst op een dankdag had ik eens een preek gemaakt
waarvan de strekking was dat we allemaal ondankbaar zijn
en dat we God toch wel meer dankbaar mogen zijn.
De volgende dag werd ik opgebeld door een gemeentelid
die mij emotioneel afvroeg waarom ik de preek tegen hem gericht had.
Als ik iets tegen hem had, dan had ik toch naar hem toe kunnen stappen
in plaats van de preek te gebruiken om hem de les te lezen?
Tijdens het maken van de preek had ik echter geen enkele keer aan hem gedacht
en het telefoontje overrompelde mij dan ook.
Het was voor mij een les om te merken dat je als predikant voorzichtig moet zijn
als de boodschap van de preek naar de gemeente toe is: jullie zitten fout.
Want degenen die zich aangesproken moeten voelen, doen dat niet
en degenen voor wie die boodschap niet bedoeld is, trekken zich het aan.

Bijzonder dat degenen die de boodschap van Petrus horen
dat zij verantwoordelijk zijn voor de dood van Jezus, die door God gestuurd is,
zich de boodschap aantrekken,
dat de woorden van Petrus hen diep in het hart raken.
Ze wijzen de kritiek van Petrus niet af
er is geen weerstand of verontwaardiging,
maar er daagt een besef dat ze echt iets verkeerds gedaan hebben.
Al hebben ze zelf misschien niet eens mee geroepen op het tempelplein
met de menigte mee, die riep om de kruisdood van Jezus.
Al hebben ze zelf misschien niet eens langs het kruis op Golgotha gelopen
en hebben ze toen niet meegedaan met de spot van degenen die daar waren.
Hun ogen gaan open voor wat er fout is gegaan
en ze beseffen dat ze niet kunnen zeggen: daar hebben wij niets mee te maken gehad.
Ze worden in hun geweten aangesproken, ze zijn verbijsterd over wat er gebeurd is
over wat door hun eigen volk gebeurd is.
Hun ogen gaan open dat ze niet Gods wil hebben uitgevoerd,
maar juist degene die door God gestuurd is hebben gedood: Gods eigen Zoon.

Vanmorgen bereiden wij ons als gemeente voor op de viering van het Heilig Avondmaal.
In de voorbereiding gaan we bij onszelf na, hoe dat met onszelf zit.
en onze band met God, hoe wij tegenover de Heere staan.
Dat moet u voor uzelf nagaan. Ik kan dat niet voor u invullen.
Ik kan niet voor jou invullen hoe het met jou zit.
Het gaat erom dat je eerlijk naar jezelf kijkt en eerlijk nagaat hoe het zit.
De mensen op het tempelplein die naar de woorden van Petrus luisteren,
horen twee kanten: aan de ene kant zit het goed mis, maar er is ook hoop.
Ook het formulier voor het avondmaal heeft deze twee kanten
en zegt tegen ons: denk er niet te licht over.
Denk niet te snel dat het wel goed zit, maar wees ook eerlijk als het niet goed zit.
Stop dat niet weg, maar kom dat onder ogen.
En tegelijkertijd dat bijzondere: God wil je vergeven en met je opnieuw beginnen.
Diezelfde twee kanten als in de woorden van Petrus:
Besef dat het goed mis zit en God alle reden had om ons weg te sturen

en dat God alle recht had om tegen ons te zeggen: nu is het voorbij.
Maar juist het bijzondere aan God is dat Hij zegt: Toch stuur ik je niet weg.
Al heb je Mij aan de kant gezet, Ik zet jou niet aan de kant.
Al laat je Mij los, Ik zal je niet loslaten en net zo lang met je bezig zijn
tot je tot het inzicht komt dat je zonder Mij niet kunt
en dat je zonder Mij alles mist in je leven.
We kunnen wat er mis is bij het volk Israël toen niet helemaal vergelijken
met wat er bij ons mis is.
Bij het volk Israël was het niet alleen een duidelijk afwijzing,

maar meer ook nog: het doden, uit de weg ruimen van Gods Zoon.
Als wij nadenken over wat er mis is, komen we vaak uit bij wat veel kleiner is:
geen tijd nemen voor God, de woorden die Hij tot je spreekt niet opnemen,
of al jaren het kloppen van Christus op de deur van je hart negeren,
aan alle aanwijzingen dat de Heere ook in jouw leven wil komen.
Of misschien gaat het toch wel verder en heeft de lijst met zonden,
waarvan gezegd wordt als dat in je leven speelt je niet naar het avondmaal mag.
Het kan zijn dat je God voor je eigen karretje gespannen hebt,
of dat je niet eerlijk geweest bent naar anderen toe
of zelfs gestolen of geroddeld hebt, dat je je huwelijk op het spel gezet hebt.
Het formulier zegt dat als het om ons hart gaat, om hoe het van binnen gaat
in onze gedachten, in wat we van plan zijn, in wie we zijn nauwelijks afwijken
van wat het hart van Israël was op de dag dat Christus werd gekruisigd.
Of het nu kleine zonden zijn, of dat we God negeren en Hem geen plek geven in ons leven
of dat we echt duidelijk tegen zijn geboden ingaan, het wijst op een hart
dat niet is zoals God ons geschapen heeft, een hart waarin niet Christus de koning is,
maar waarin heel wat moet gebeuren: waarin er een reiniging plaats moet vinden
– door het bloed van Christus, dat er een nieuwe weg ingeslagen moet worden,
opnieuw begonnen moet worden – met God.

Het bijzondere is dat het ook kan: opnieuw met God beginnen, ons hart gereinigd krijgen.
Wanneer je nadenkt over wat er mis is in je relatie met de Heere
is dat bedoeld om je weer bij de Heere uit te laten komen.
als Petrus het volk aanklaagt, omdat zij Christus hebben gekruisigd,
de Zoon van God hebben gedood die naar hen toegestuurd was,
volgt daarna niet als consequentie dat het nu allemaal voorbij is,
dat God van het verbond met Israël zegt: nu kan dat niet meer, het is over.
Nee, integendeel.
Petrus lijkt eerst de deur naar de hemel, naar God dicht te doen.
Er is geen plaats meer voor jullie bij God en daar hebben jullie het zelf naar gemaakt.
Maar als ze verslagen bij hem komen, tot diep in het hart geraakt,
verbijsterd over wat er gebeurd is, over wat ze zelf hebben gedaan
en ze niet weten hoe het verder moet en wat er van hen nog terecht kan komen
zet Petrus de deur naar de hemel wagenwijd open:
Als je je bekeert, als je naar God teruggaat, als je helemaal opnieuw begint
dan zal God je niet laten staan, je welkom heten, je vergeven en je opnieuw laten beginnen.
Bij de voorbereiding van het avondmaal gaat het er ook om dat je bij Christus uitkomt
en dat je van Hem de reiniging van je hart ontvangt.
Het gaat er volgens het formulier ook om dat je de belofte van God gelooft
dat al je zonden vergeven zijn, omdat Christus voor de zonden gestorven is.
Wanneer je in de voorbereiding niet uitkomt bij Christus,
maar alleen maar kijkt naar je fouten en tekorten – en dat kan terecht zijn,
dan is de voorbereiding niet af. Dan laat je iets wezenlijks achterwege.

Kun je de stap van het inzicht van wat allemaal mis is overslaan
en beginnen bij de belofte van God?
Is het erg als je getrokken wordt door die deur die Petrus wagenwijd openzet:
Want voor u is de belofte, ja en niet alleen voor uzelf, maar ook voor uw kinderen
en als je er nooit bij gehoord hebt, als je er niet in opgegroeid bent, als je ver weg staat
dan ook, want God roept je!
Mag je op basis van deze belofte komen? Of moet je eerst het besef hebben wat er mis is?
Ik denk dat het besef dat niet alles goed zit, dat er heel wat schort vanzelf wel komt,
dat je ook daarin groeit

en wanneer je Gods liefde voelt en geroepen wordt omdat je Gods genade merkt
dat je dan ook vooral moet komen, want ook dan wordt je door God geroepen!
Zovelen als onze God roepen zal.
Het gaat erom dat je komt, dat je luistert naar Gods roepstem.
De manier waarop maakt minder uit: het kan door schuldbesef,
maar dat kan ook doordat je onder de indruk van Gods genade bent gekomen,
dat Gods liefde tot je spreekt, dat je dankbaar bent voor Wie God is.
Je hoeft je leven niet eerst op orde te hebben.
Als je beseft dat je Gods hulp daarbij nodig hebt
En als je gelooft dat God de hulp daarvoor in de Heilige Geest geeft
is dat genoeg om te komen naar de tafel.
Want door naar het avondmaal te gaan – zegt het formulier –
geef je niet aan dat je het allemaal bereikt hebt, of dat je een perfecte christen bent,
nee, je beseft dat er nog zoveel is dat er aan je en in je moet gebeuren
en toch roept God je, zoals Hij de mensen op het tempelplein riep,
waarvan Petrus zegt dat het niet zomaar toevallige voorbijgangers zijn
maar mensen die Christus aan het kruis gebracht hebben.
Als voor hen de belofte is, waarom zou die belofte niet voor u gelden.
Als zij geroepen worden, waarom zou jij dan niet geroepen worden, door God zelf?
Voor u is de belofte – en Petrus bedoelt dan echt niet mensen die het op orde hebben,
maar mensen die beseffen: zo kan het niet langer, er moet wat gebeuren!
Voor u is die belofte – heel persoonlijk, je mag die belofte je eigen maken.
Er is niemand die hoeft te zeggen: voor mij is de belofte niet.
Voor u, voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn.
God heeft zoveel manieren om te roepen, zoveel als verschil tussen mensen is.
Het is persoonlijk voor u, maar ook voor degenen die bij u horen,
Voor uw kinderen – zegt Petrus.
Dat wil zeggen: voor degenen die geen deel hebben aan de dood van Christus
en die ook niet aangesproken kunnen worden op de daden van hun ouders.
Het zijn degenen die bij je horen, met wie je verbonden bent.
De belofte is niet voor hen pas als ze volwassen zijn en besef hebben,
maar je mag ze meenemen naar Christus toe.
Dat vind ik het mooie van de kinderdoop: dat je je kinderen helemaal mee mag nemen
naar Christus toe en dat ook voor hen Gods belofte al is.
Het is vooral deze tekst die de basis is voor de kinderdoop:
Gods belofte die ook geldt voor degenen die bij jou horen.
Het geeft aan hoe royaal Gods aanbod is, hoe wijd de deur wordt opengezet.
Diep, diep, diep als de zee, hoog, hoog, hoog als de lucht,
wijd, wijd, wijd als het water blauw, is Jezus’ liefde voor jou.

Ook voor allen die veraf staan – voor degenen die niet als kind gedoopt zijn,
voor degenen die geen christelijke opvoeding hebben gehad,
die in hun kindertijd nooit over de Heere Jezus hebben gehoord,
Gods belofte is ook voor hen. Voor deze belofte van God wordt niemand uitgesloten.
Veraf – dat is net als de Vader uit die bekende gelijkenis,
die al die tijd op de uitkijk stond, wachtend tot zijn zoon weer thuis zou komen
en terwijl hij in de verte kijkt, zijn zoon reeds ziet aankomen.
Allen die veraf zijn – al ben je ver van God verwijderd,
de vader komt met de armen wijd open aangesneld:
Welkom thuis, mijn zoon, je was dood, maar nu leef je weer.
Je hoeft het alleen maar aan te nemen

door tot inkeer te komen, door je te laten dopen.
De weg naar God terug te vinden en toegewijd aan Christus te worden.
Dat geldt voor iedereen – voor u, voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn.

Het is een belofte met een dubbele betekenis:
Het is vergeving van de zonden – God komt er niet meer op terug.
Een nieuwe start, waarbij God ons van binnen vernieuwt, reinigt.
het is weer mogelijk – door Christus – om bij God te komen, om Hem weer terug te hebben,
om aan Zijn tafel te zitten, om deel uit te maken van Zijn gemeenschap.
Maar dat is niet het enige: God geeft ons niet alleen onze plek terug bij Hem,
maar geeft ons ook iets in ons hart om bij God te blijven,
om zo te leven zoals God dat wil – vol van Hem
en vol verlangen om samen met Hem verder te gaan, op Zijn weg.
Hij geeft ons de Heilige Geest.
Hij laat het niet leeg in ons hart, maar geeft ons de Heilige Geest.
Bij de doop is het al beloofd dat de Geest in ons hart zal wonen

om daar ruimte te maken voor Christus,
om in ons hart dat verlangen te geven van Hem te zijn
en Hem nooit meer kwijt te raken.
Dat verlangen, gewekt door de Heilige Geest, is ons antwoord op Gods belofte.
Wat houdt u tegen om dat verlangen ook in praktijk te brengen
door volgende week naar voren te gaan en mee te doen met de andere leden
Die aan de tafel van Christus komen en daar brood en wijn van Christus ontvangen,

die daar aan de tafel gedenken en vieren dat Hij Zijn leven gaf
en dat het brood en de wijn daarop wijzen dat voor u persoonlijk, voor uw kinderen,
voor allen die veraf zijn de vergeving van zonden is, de belofte van de Heilige Geest.
Want voor u is de belofte, voor uw kinderen en voor allen die de Heere roepen zal
Amen

Preek Tweede Pinksterdag 2018

Preek Tweede Pinksterdag 2018
Ezechiël 37:1-14, Mattheüs 10:5-8

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Aan de dood kunnen wij niets doen.
Een dood dier kunnen wij niet levend maken. We kunnen alleen begraven.
Wanneer een mens gestorven is, kunnen wij aan hem of haar het leven niet teruggeven.
We moeten afscheid nemen.
Er zijn heel wat gemeenteleden die afscheid hebben moeten nemen
en die weten wat het is als iemand van wie je gehouden hebt nooit meer terugkomt.

Als de Heere Jezus Zijn leerlingen uitzendt, geeft Hij hen enkele opdrachten mee:
Verkondigen, zieken genezen, demonen uitdrijven, doden opwekken.
Moet u zich eens voorstellen, dat de ambtsdragers deze opdracht meekrijgen:
Ga Oldebroek in om de doden op te wekken!
Ik denk dat iedereen die deze opdracht krijgt, zich ongemakkelijk zou voelen.
Want wie zou er nu op ons woord opstaan uit de dood?
Het is eerder andersom: dat als we naast een dode staan, we de onmacht voelen,
moeilijk meer kunnen spreken, eerder fluisterend.
Soms kun je naast de kist staan om afscheid te nemen en denken:
Het lijkt wel of iemand slaapt; hij zou zo de ogen kunnen opslaan,
maar je weet dat het alleen maar een gedachte is en dat het niet zal gebeuren.
Aan de dood kunnen wij niets doen.

Als we het opwekken van de doden niet letterlijk op zouden vatten, maar figuurlijk
dan wordt het er niet veel beter op.
Mensen die geestelijk dood zijn opwekken uit hun dood,
mensen die geen levend geloof hebben, die geen band met Christus hebben.
We geloven dat mensen onder de preek opgewekt kunnen worden uit de geestelijke dood,
maar is dat vaak niet meer dan een theorie
en hebben we, als we naar de kerk gaan, niet veel vaker helemaal geen verwachting
dat wijzelf of dat anderen die in de kerk aanwezig zijn en de verkondiging horen
opgewekt zullen worden uit de dood.
In een van onze geloofsbelijdenissen belijden we over de Heilige Geest
dat Hij de Geest is die levend maakt, maar geloven we dat ook nog?
Dat Hij onszelf, de gemeente, de kerk kan opwekken uit de dood
En een nieuw leven kan geven?

We zullen wel niet zo snel de klacht aanheffen van het volk Israël,
de klacht die Ezechiël verwoordt:
Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden.
Ook omdat er mooie momenten zijn, die ons bemoedigen,
Zoals een mooie belijdenisdienst gisteren.
Dan kunnen we er weer even tegen.
Daardoor kunnen we niet zeggen dat wij als kerk leven in een tijd van ballingschap.
Er zijn nog teveel momenten die ons bemoedigen,
waardoor we kunnen zeggen dat de Geest ook werkt.
Toch kunnen we ook momenten hebben, waarop we twijfelen of de Geest nog wel werkt
en leven in een tijd waarin het allemaal zo doods is
en omdat wij niet in staat zijn om mensen die geestelijk dood zijn
of een gemeente die geestelijk niet meer levend is op te wekken uit die dood
kan er een pessimisme komen, de verwachting gaat weg dat er nog iets kan gebeuren.

In extreme mate was dat voor het volk Israël
en  ze hadden reden om daarover te klagen:
Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden.
We zijn er nog wel, maar levend zijn we niet meer.
We wonen hier in Babel, ver weg van het land waar we horen
en daar in ons thuisland is geen tempel meer, verwoest tijdens de oorlog.
We zijn overwonnen en onze God heeft ons verlaten.
We zijn er nog wel, maar stellen niets meer voor en hebben geen toekomst meer
en ook geen God.
Niet meer dan een hoopje botten. Niet alleen maar dood,
maar nog meer, al tijden dood, zodat elke hoop op een nieuw leven weg is.

Dat is de situatie als Ezechiël door Gods hand wordt opgepakt
en door de Geest wordt meegenomen naar een dal.
Het dal is een massagraf.
Onbegraven liggen de doden daar.
Een snelle ramp is er geweest, te snel om de overledenen nog te kunnen begraven.
Of een grote slag tijdens de oorlog waarbij de overwinnaar het niet de moeite vond
om de gesneuvelden van de overwonnen tegenpartij eervol te begraven
om zo de schande van de nederlaag nog eens extra te laten zien.
‘Waar de profeet gaat of staat, overal liggen de dorre mensenbeenderen verspreid,
naamloos, levenloos, als stille getuigen van het grote zinloze sterven
en de sprakeloze aanklacht tegen de elkaar bestrijdende wereldmachten.’ (dr. M. Dijkstra)
Ezechiël krijgt de opdracht om het dal rond te lopen
om het troosteloze op zich te laten inwerken.
Deze restanten van wat eens mensen waren liggen er al heel lang,
er is weinig meer over dan wat botten die her en der verspreid zijn.

Als Ezechiël rond heeft gelopen en genoeg indrukken op heeft gedaan
krijgt hij van de Heere, die hem hier neergezet heeft een vraag:
‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’
Mensenkind – een benaming waarmee God Ezechiël voortdurend aanspreekt.
Mensenkind – jij bent gelijk aan wat die mensen eerst waren en het kan jou ook overkomen.
Mensenkind, van wie het leven maar kort is,
voor wie de dood er ook eens aan komt en die niet in staat is om de dood tegen te houden
of degenen die in het dodenrijk zijn afgedaald in het leven terug te brengen.
Mensenkind, wat zeg jij er van, nu je zo hebt rondgelopen en dit hebt gezien:
Is er voor deze botten nog mogelijkheid dat het weer mensen worden die rondlopen,
die ademen en bewegen, die leven en een toekomst hebben?
Wat een vraag voor Ezechiël. Wat moet hij er op antwoorden?
‘HEERE, mijn God, dat weet U alleen.’
Dat antwoord kan op verschillende manieren opgevat worden.
Als een onmogelijkheid, maar omdat God dat van Ezechiël
vraagt kan hij er geen nee op zeggen en legt hij het in Gods handen.
Het kan zijn dat er een geloof is bij Ezechiël, omdat de Heere de God van het leven is.
Leven en dood – daar gaan wij mensen niet over, dat is in Gods hand.

Er is een Middeleeuws lied, dat later bewerkt werd door Maarten Luther
en in vertaling in het Liedboek voor de Kerken terechtgekomen is:
Midden in het leven zijn wij door de dood omvangen.
We kunnen wel doen alsof de dood ver van ons afstaat
en om daarmee geconfronteerd te worden, hoeven we niet net als Ezechiël
door Gods hand en met Gods Geest meegenomen te worden.
De dood is om de hoek, we zijn er door omgeven.
Wie is er die ons hulp biedt dat wij troost erlangen?

Dan komt de ongelooflijke opdracht op Ezechiël af,
een opdracht die een vraag is aan zijn geloof:
Geloof je werkelijk dat God weet of deze beenderen weer mensen kunnen worden?
Geloof je dat God in staat is om hier weer leven in te brengen, de kracht heeft?
Het is overigens niet alleen een vraag naar Gods macht,
maar ook een vraag of God dat wil.
Want doden die niet begraven zijn, een leger dat zo massaal verslagen is,
met zulke grote aantallen gesneuvelden, dat was een grote oneer, een schande,
een teken dat het leger van dit volk door de eigen God in de steek gelaten was.
Dat het volk dat verdiende dat het zo verslagen was.
Geloof je, Ezechiël, dat God weer naar Zijn volk terugkeert
en dat door Zijn terugkeer er weer leven is voor Zijn volk?
Als je dat gelooft – profeteert en de botten die je ziet liggen
zullen weer levend worden, op hun voeten staan en in staat zijn om Mij te loven.
Jouw woord zal Mijn kracht hebben, opstandingskracht,
Ze zullen levend worden en dan niet alleen maar schimmen of geesten,
maar echt mensen van vlees en bloed, hersteld zoals zij waren.
De botten die nu verspreid zijn, zullen bij elkaar komen, pezen en spieren krijgen,
organen en een huid erom heen
en bovendien de adem, zodat ze weer echt leven. Geest in hen.

Het woord ‘geest’ kan hier betekenen: Gods Geest, menselijke geest, adem, wind.
Al die betekenissen komen in dit gedeelte naar voren.
De overledenen die hier al zo lang liggen, ze zullen weer kunnen nadenken,
beslissingen kunnen nemen, ze zijn weer iemand, niet meer die anonieme doden,
waarvan niemand meer kan reconstrueren wie het is geweest.
Onbekend bij ons, maar bekend bij God.
Ezechiël doet het. Ik profeteerde zoals mij was opgedragen.
Ezechiël spreekt die doden aan, die zelfs geen oren meer hebben
en toch horen ze zijn woorden omdat het de woorden van God zijn,
die tot leven kan roepen wat eerst geen leven heeft,
die in het leven kan brengen wat in de dood was afgedaald.
De botten worden mensen van vlees en bloed, ze worden weer wat ze waren.
Rechtop staan ze, niet een, maar een heel leger, een grote menigte,
net als op de Eerste Pinksterdag in Jeruzalem.
Ze worden weer mensen, omdat ze net als de eerste mens in het paradijs
de adem van God ingeblazen krijgen, de Geest ontvangen die hen mensen maakt,
De Geest die levend maakt.
Een menigte die niet te tellen is.

Dit is Pasen en Pinksteren inéén: een wederopstanding uit de dood,
maar tegelijkertijd een wonder dat ons aangaat,
omdat het laat zien dat wij, als wij geestelijk dood zijn,
Als wij geen toekomst meer zien, het leven weer kunnen ontvangen.
En waar de weg onvindbaar scheen, mochten wij door geloof alleen
de tocht opnieuw beginnen.
Het is Kerst en Pinksteren inéén omdat de boodschap van Ezechiël is:
God heeft naar Zijn volk omgezien, zoals Zacharias zong bij de geboorte van zijn zoon.
Zijn volk – dat zijn wij, omdat God ook met ons een verbond gesloten heeft.
Dat is de kerk, die lang niet altijd het leven leeft van opgewekt uit de dood,
Zijn volk, dat is ook Israël dat nooit uit Gods aandacht en bewogenheid is.
Zij horen, daar in ballingschap, afgesneden van Jeruzalem, zonder tempel, zonder God,
dat God er voor hen is, dat ze opstaan, een nieuw leven ontvangen,
weer mogen leven – God is genadig.
Dan zult u weten dat ik de HEERE ben – HEERE is mijn naam:
de God van het verbond, dat God die er is als je Hem nodig hebt,
ook als je Hem niet verwacht, of geen recht meer hebt op Zijn genade.
Pinksteren: de kerk én Israël – God keert terug.
Ik ben de Heere, groot aan geduld en genade.
Niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.
Daarom kan in het lied dat Luther dichtte  ook een beroep op God gedaan worden.
Het is waar – in het leven zijn we door de dood omvangen en dat ligt aan onszelf,
maar er is een God van het leven, die Zijn Zoon gaf in die dood,
En die Zijn Geest uitzendt om ons weer tot leven te wekken
en het leven van Christus te geven.
Daarom kan in datzelfde Liedboek voor de kerken een avondmaalslied staan
van Muus Jacobse dat de zin van Luther omdraait: Midden in de dood zijn wij in het leven
want Eén breekt het brood om met ons te leven midden in de dood.
De Geest geeft ons dat leven. Ezechiël moet het zeggen tegen Israël:
Ik ben de HEERE en Ik zal doen wat Ik beloofd heb. Je krijgt dit leven weer.
En wij mogen het door de genade van Christus ook horen: Je krijgt het leven weer.
Ik ben de Heere en ik zal doen wat ik heb beloofd.
Ontwaakt gij die slaapt en sta op uit de doden en Christus zal over u lichten!
Amen