Laten zien hoe de Bijbel ervaringen verwoordt

Laten zien hoe de Bijbel ervaringen verwoordt
Jongeren en de Bijbel (3)

De Bijbel kan voor jongeren dichterbij komen als zij ontdekken, hoe de Schrift hen helpt om ervaringen te verwoorden. Dat stelde ik in mijn vorige bijdrage. Alleen, hoe ontdekken jongeren dat de Bijbel hen helpt? De vraag is dan: op welke manier kunnen jongeren in aanraking met de Bijbel worden gebracht, die hen raakt en verder helpt? 

Deze vraag kunnen we bijvoorbeeld vanuit de didactiek benaderen: welke lessituatie is geschikt om dit verband te leggen tussen het leven van een jongere en de woorden of de tekst van de Bijbel?
Een catecheseles wordt vaak in fasen verdeeld: een introductie op het thema, een fase waarin de inhoud wordt overgedragen en een fase waarin de verwerking plaatsvindt. De eerste neiging zou zijn om een Bijbelgedeelte in de fase van de kennisoverdracht aan de orde te stellen. In de introductie van de les zou begonnen kunnen worden met een stelling of het tonen van een cartoon, een schilderij of een andere afbeelding. De catecheet of de leerkracht heeft van tevoren al bedacht welke inhoud hij aan de orde wil stellen en hoopt op deze manier de jongeren zover te krijgen, dat zij de inhoud in zich willen opnemen en verwerken. Het is wel van belang dat jongeren de vrijheid hebben om hun eigen weg in geloof gaan of hun eigen mening te vormen.
In de catechesemethode Reflector wordt bij het thema ‘feest’ het verhaal van Belsazar (Daniël 5) aangeboden.


Omdat dit verhaal een negatief beeld van feest neerzet, wordt jongeren de vrijheid ontnomen zelf een positief gevoel bij het thema te hebben. Bovendien wordt op deze manier een Bijbelverhaal ondergeschikt gemaakt aan de persoonlijke mening van de auteur van deze methode. Niet alleen de jongeren missen de vrijheid om met de Schrift bezig te zijn, ook de Schrift wordt de vrijheid om op de jongeren in te werken ontnomen.
Een Bijbelgedeelte dat in de inhoudsfase aangeboden wordt, kan alleen van betekenis zijn als het jongeren stimuleert, uitdaagt, prikkelt of zelfs provoceert om hun eigen weg in geloof te gaan. Daarbij is niet de catecheet of de methode de stimulator of de prikkel, maar de Bijbeltekst. Een methode of een catecheet kan wel behulpzaam zijn door verschillende perspectieven te laten zien of achtergrondinformatie te geven. Als het maar dienstbaar is aan de ontmoeting of confrontatie tussen de jongere en de Bijbeltekst.
Maar waarom zou een gedeelte uit de Bijbel niet al aan het begin van een les aan de orde komen? Een Bijbeltekst als Jesaja 9:1 kan genoeg oproepen: Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Dit is een tekst die verschillende vragen kan oproepen: Is deze uitspraak een feit of een belofte? Verwoordt het een ervaring uit het verleden of een toekomst? En wat is duisternis? In de tijd voor Kerst (de donkere dagen!) roept de duisternis andere associaties op dan wanneer deze tekst op het bord geschreven wordt in een tijd van Tweede Kamerverkiezingen. De catecheet kan de jongeren stimuleren om verder na te denken wat die duisternis inhoudt. Door bijvoorbeeld verschillende afbeeldingen te laten zien en een keuze te maken welke het beste erbij past.


Käthe Kollwitz, Die Gefangenen (1908)

Door de jongeren zelf te laten tekenen of schilderen. Of door hen een gedicht te laten maken over de duisternis. Er kan een gesprek ontstaan naar aanleiding van vragen als: Wat als die duisternis zelf is veroorzaakt? Of juist andersom: duisternis als een macht die je overweldigt (zoals depressiviteit). 
 Renu Röthlisberger, Richtung Berlin 4 (2008)

Er kan een gesprek ontstaan over de betekenis en de werking van het licht. Wat kan het licht bewerkstelligen in deze duisternis? Daarbij kunnen de jongeren zelf of de catecheet inbrengen dat het mogelijk is om Christus als dit licht te beschouwen. Wat is daar de betekenis van? (De afbeeldingen of de tekenopdracht kan ook na dit gesprek gegeven worden, waarbij ze verwerken wat het effect is van het licht op het volk in de duisternis.)
De catecheet kan inbrengen dat Jan Willem Schulte Nordholt een geschiedenis schreef van de zwarte inwoners van Amerika met de titel: Het volk dat in duisternis wandelt en daarbij het gesprek brengen op slavernij en onderdrukking en daarbij het gesprek brengen op het perspectief van daders en slachtoffers.
Het is ook mogelijk om muziek te laten horen. Jesaja 9:1 is op verschillende manieren berijmd of op muziek gezet. Wat vinden zij van de berijmingen of de melodieën die in het Liedboek van de Kerken zijn opgenomen? Is er een Bachcantate met deze Bijbeltekst, een Engels koorwerk, een hedendaags klassiek werk, een popsong? Welke muziek past het beste? Hoe zouden zij het zelf doen?
Op deze manier ontdekken jongeren dat een Bijbeltekst niet alleen hun ervaringen kan verwoorden, maar hen ook uitdaagt om na te denken over zichzelf en de wereld waarin zij leven.

ds. M.J. Schuurman

Advertenties

Preek Psalm 69

Preek zondagmiddag 22 januari 2011 

Verlos mij, o God,
want het water is tot aan de ziel gekomen.
Ik ben gezonken in bodemloze modder,
waarin men niet kan staan;
ik ben gekomen in de waterdiepten
en de vloed overspoelt mij.

Ik ben moe van mijn roepen,
mijn keel is ontstoken;
mijn ogen zijn bezweken,
omdat ik steeds hoop op mijn God.
(Psalm 69:2-4)

Gemeente van onze Heere  Jezus Christus,

‘We zijn niet zo van die praters.’ Zo’n uitspraak dient als verklaring waarom over bepaalde zaken niet gesproken wordt. Zaken die wel van groot belang zijn, maar die diep van binnen leven. Bijvoorbeeld wat er in ons omgaat. Of hoe wij ons geloof beleven. Lang niet altijd wordt daarover gesproken. Ook niet tussen man en vrouw of tussen ouders en kinderen.
‘We zijn niet van die praters.’ Soms klinkt daar een ondertoon in door: zei mijn man maar wat meer over wat er in hem omgaat. Zei mijn moeder maar meer over hoe zij haar geloof beleeft, wat er voor haar belangrijk is in het leven met de Heere. Het kan las een gemis ervaren worden als je niet echt weet wat er in de ander omgaat. Als je maar moet aanvoelen wat er in de ander omgaat.
‘We zijn geen praters.’ Daarmee wordt ook vaak bedoeld: het is mij niet geleerd om hierover te praten. Mijn ouders hebben mij nooit geleerd, hoe ik moet praten over wat er in mij leeft of hoe ik mijn geloof beleef. Soms hoor ik ouderen met bewondering over jongeren praten. Zij vinden het bewonderenswaardig dat deze jongeren zo vrijuit over hun geloof kunnen praten. Of zo makkelijk spreken over wat hen bezig houdt.
Soms kan het ook een verlangen zijn: kon ik maar woorden vinden voor wat er in mij omgaat. Kan ik maar woorden vinden om het met mijn man of vrouw te delen. Kon ik maar de juiste vragen bedenken, die mij bij het hart van mijn man of vrouw brengen.
‘We zijn geen praters’. Dat geldt niet alleen voor onderlinge gesprekken. Dat kan ook voor het contact met de Heere gelden. Hoe kan ik woorden vinden voor wat er in mij om gaat om dat naar de Heere toe uit te spreken? Er kan onmacht zijn om  met elkaar over bepaalde zaken, die diep liggen, te spreken. Het kan ook zijn dat die onmacht om woorden te vinden ook naar de Heere toe geldt. De blokkade om met elkaar over bepaalde zaken te spreken, kan ook naar de Heere toe gelden. Vaak gaat het dan om worstelingen en vragen, om boosheid en teleurstelling.
Mijn ervaring is dat als er iets ingrijpends gebeurt in het leven, dat dan de weg naar God toe nogal eens geblokkeerd kan raken. Terwijl er wel een behoefte is aan contact met God, aan nabijheid van de Heere. Maar wordt die weg dan niet meer gevonden. Verbittering, verdriet, teleurstelling kan de weg naar God blokkeren, omdat er geen woorden te vinden zijn voor wat er in je omgaat.
De weg kan ook geblokkeerd raken, omdat er geleerd is dat je niet boos op God mag zijn: ‘niet klagen, maar dragen en bidden om kracht.’ Terwijl het je aanvliegt, je het wel uit zou willen schreeuwen: waarom? God doe er wat aan! ‘Niet klagen, maar dragen en bidden om kracht’ kan kracht geven – evenals andere teksten over vertrouwen op God. Maar op zulke teksten kun je ook afknappen, omdat je er radeloos en wanhopig van geworden bent, zodat je intens verlangt naar iemand die je ziet of hoort: ‘Red mij!’
Zo begint Psalm 69 ook (in ieder geval wel in de NBV): Red mij!
We kunnen het als vanzelfsprekend beschouwen dat deze vraag tot God wordt gericht. Het is immers een psalm, een gebed? Maar zo vanzelfsprekend is dat niet. Hier wordt het zwijgen naar God verbroken met een schreeuw: red mij, o God.
Daarmee is deze roep om hulp geen fles die in de zee gegooid wordt, in de hoop dat er iemand is die deze fles vindt, maar wordt het gebed gericht tot de levende God. Red mij, God! Geen stille hoop dat er iemand is in je nabijheid, die aanvoelt wat er in je omgaat en merkt dat het niet goed met je gaat. Een roep tot God, omdat je bijna ten onder gaat.
Want het water is tot aan de lippen gekomen. Ik denk dat iedereen deze ervaring wel kent: je bent in het water gevallen en je kunt niet zwemmen. Of je bent met elkaar in het zwembad, je duwt elkaar onder water, maar het duurt langer dan je eigenlijk kunt hebben. Je krijgt het benauwd.
Hier, in deze psalm, gaat het om water dat plotseling is opgekomen en je kunt nog maar net je hoofd boven water houden. Zo kun je je ook voelen. Letterlijk, maar ook figuurlijk. Red mij God, want ik ga bijna ten onder! Ik red het niet meer!
Bij deze psalm moet ik altijd denken aan de mevrouw voor wie ik deze psalm geregeld gelezen heb. Ze was niet van onze kerk. Ze kwam helemaal niet in de kerk. Ik kwam met haar in aanraking, nadat een geestelijk verzorger van een verzorgingstehuis mij opgebeld had. Ik had op een doordeweekse dag een dienst in dat verzorgingstehuis, waar hij werkzaam was. Hij zei mij: ‘Deze vrouw heeft een vraag: “Waarom laat God mij lijden?” Ik mag zelf niet over die vraag spreken, want ik ben een humanist. Wil jij deze vraag met haar bespreken?’
 Toen ik bij haar kwam, kwam het verhaal er met horten en stoten eruit. Hoe haar moeder jong was overleden en haar vader zo boos op God was, dat hij de Bijbel weg deed. Zo groeide deze vrouw op zonder Bijbel en zonder God. Ze had altijd wel het besef dat er een God was. Ze trouwde een man die van God en de kerk niets moest weten. Nadat haar man was overleden, werd haar dochter ernstig ziek en overleed. De laatste momenten mocht zij er niet bij zijn, omdat het te emotioneel voor deze moeder was. Vlak voor dat haar dochter overleed, werd zij – terwijl zij protesteerde –  weggedragen. Sindsdien werd ze elke morgen wakker met dat ene beeld en elke avond kon ze daardoor niet in slaap komen. ‘Bestaat God wel?’ vroeg ze zichzelf af, ‘Hoe kan er dan zo’n verdriet in mijn leven zijn?’ Maar even later: ‘Maar als God niet bestaat, waar is mijn dochter dan?’ Ze kwam er niet uit en liep er in vast.
Nadat ze dit mij verteld had, las ik de eerste verzen van Psalm 69: Red mij, God, want het water staat mij aan de lippen. Ik zink weg in modder, waar ik niet in kan staan. Die woorden raakten haar diep: ‘Nu weet ik dat God bestaat!’ Dat ging een aantal keer zo, totdat ik haar niet meer op haar kamer aantrof. Later kwam ik haar tegen op een gesloten afdeling.
Deze psalm gaf woorden aan wat haar overkwam. En het bijzondere van deze psalm is dat deze woorden ook de weg tot God openen. Wat is het geheim van deze woorden? Ik denk dat het te maken heeft met de beelden die worden gebruikt. Beelden die we kunnen eenvoudig begrijpen, maar die ook iets dieps verwoorden.
Ik ben gezonken in bodemloos modder. Tijdens een zoektocht op internet naar afbeeldingen bij deze woorden, kwam ik een foto tegen van een paard dat was weggezakt in de modder. Verscheidene boeren en brandweerlieden waren bezig dit paard te redden.
Ik ben gezonken in bodemloze modder. Dat is niet alleen een beeld dat we ons kunnen voorstellen, maar er kunnen omstandigheden zijn waarin wij het gevoel hebben dat wij zelf wegzakken in de modder. Dat we geen grond meer onder de voeten hebben. Als we bijvoorbeeld een boodschap krijgen, die ons leven op z’n kop zet.
Ik lees deze psalm ook wel als iemand de uitslag gekregen heeft, dat het niet goed is. ‘Red mij, God, ik zink weg in de modder!’ Een schreeuw naar God, die verwoordt wat er met ons aan de hand is.
Het wordt aan de Heere gemeld, hoe het er met ons voor staat. Er wordt een appèl gedaan op God. Hij moet wel ingrijpen! Heere, als U niet ingrijpt, ga ik reddeloos verloren! Dan blijft er van mij niets meer over! Verlos mij! Red mij!
Je kunt je voelen alsof je meegesleurd wordt in een kolkende rivier, die alles in je leven kapot sleurt. Psalm 69 roept het beeld op van een beek die in de zomer droog staat, maar na de regentijd kan veranderen in een kolkende, gevaarlijke rivier (een wadi), die plotseling kan opkomen en je kan verrassen en meesleuren. Geen houvast.
En God dan? Is die er dan? Die kolkende watermassa, het ingrijpende bericht, kan je zo meesleuren, dat je zelfs bij God geen houvast meer vindt – als een drenkeling die bijna verdrinkt. ‘Ik ben moe van het roepen. Mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken – is God er wel?’
Als die vraag opkomt, als die vraag je beklemt, is dat toch de ervaring dat de grond onder je voeten wegvalt? Dat je uit Gods handen valt? En als je uit Gods handen valt, wie vangt je dán op? Alleen God kan redden. Daarom de roep tot God: Verlos mij! Want Ú bent  de enige die mij kan redden!
Daarom is deze roep tot God niet alleen een uiting van wanhoop, maar ook van geloof. De Heere is de enige die mij kan redden. Die mij in mijn diepe val kan opvangen en redden. Al is het soms een vertwijfeld, angstig geloof: Heere, doe het dan! Verlos mij!
Hier in deze psalm is deze roep tegelijk een anker dat naar God toe wordt uitgeworpen. Het begin van een lange weg met God, waarop Hij er uiteindelijk toch blijkt te zijn.
We hebben met elkaar ook het slot gelezen, de lofprijzing waar deze psalm mee eindigt: de Heere hoort! Ook de lofprijzing is hier geen vanzelfsprekendheid. Niet  iets waarmee je hoort te eindigen. Maar een diepe ervaring dat de Heere werkelijk gehoord en gered heeft.
Voor wie het gevoel heeft dat alle grond onder de voeten wegzakt, zal het antwoord, de verlossing wellicht te vroeg komen. Het is al heel wat, dat de nood bij God gebracht wordt.
Psalm 69 wil een reisgenoot zijn op de moeilijke weg, waarbij deze psalm ons leidt naar God. Al kan het een lange tocht zijn voor u om bij de dankbaarheid uit te komen. Ook als we roepen tot God, zoals Psalm 69 ons dat leert, wordt de weg naar God geopend. Wordt het stilzwijgen doorbroken. Deze psalm is een metgezel, door God zelf gestuurd.  Deze psalm benoemt wat er met ons gebeurt en geeft daarmee erkenning voor wat er ons wordt aangedaan. God hoort. En al kan het lang duren voor er antwoord komt en is de oplossing ver weg, God is er van op de hoogte! Hij weet ervan.

Je kunt niet dieper vallen
dan louter in Gods hand
waarmee Gods hangt ons allen
barmhartig ondervangt
.

Ooit monden alle paden
door schade, schuld en dood
toch uit in Gods genade
hoe groot ook onze nood.

Wij zijn door God omgeven
in ruimte en in tijd
en zullen in Hem leven
en zijn in eeuwigheid.

(Arno Pötzsch)

Amen

Deze preek is geschreven vanwege het thema: Hoe de Bijbel helpt om onze ervaringen te verwoorden

Bijbel lezen in een pastoraal gesprek

Bijbel lezen in een pastoraal gesprek

Wanneer een gesprek afgesloten wordt met het lezen uit de Bijbel, is het mooi als dat gedeelte aansluit op het gesprek. Dat kan op verschillende manieren:

(1) Verwoorden van ervaringen of emoties
In een gesprek kunnen veel ervaringen verteld worden. In een gesprek kan het ook gaan over wat er in de ander omgaat.
Ervaringen en emoties worden in de Bijbel vaak verwoord. In veel psalmen worden verschillende ervaringen en emoties verwoord: angst, eenzaamheid, tegenstand, gevangenzijn.
Wanneer iemand hoort dat zijn ervaringen of emoties verwoord worden in de Bijbel, geeft dat erkenning: wat ik voel of meemaak, doet er toe. Bovendien kan zo’n Bijbelgedeelte helpen om deze ervaringen en emoties naar God toe uit te spreken. Het begin van Psalm 69 vind ik zelf altijd een mooi voorbeeld.

Ik luister bijvoorbeeld naar iemand, die vertelt dat zijn collega hem een gemene streek heeft geleverd. Het woord ‘gemeen’ neemt hij echter niet in de mond. Hoewel ik merk dat hij erg gekwetst is door die streek, praat hij voorzichtig-afwegend, bijna respectvol. Opeens vraag ik hem: ‘Bent u eigenlijk helemaal niet geërgerd?’ Hij: ‘Geërgerd?’ Hij lacht als een boer met kiespijn. Daarop zeg ik: ‘Ik moet aan een paar gedeelten uit de Bijbel denken. Daar gaat het er toch anders aan toe…’ Zijn reactie: ‘Wat bedoelt u?’ Ik zeg (zo kort mogelijk) iets over het ‘gebed tegen de ander’. Ik spreek over de ‘eenzijdigheid’ daarvan en over de ‘mogelijkheid om na te denken voor scheldwoorden voor de ander’. Vaak moet ik dan nog een voorbeeld noemen, vaak werkt deze opmerking als introductie om meer te vertellen over datgene wat verborgen aanwezig is.
Soms spreekt ik direct over de wraakpsalmen. Ik zeg bijvoorbeeld: ‘Het komt mij voor dat er met u iets aan de hand is, wat ik ook uit bijbelse wraakpsalmen ken.’ Ook het zonder waardeoordeel uitspreken van het woord ‘wraak’ door de predikant (!) heeft vaak tot gevolg dat men zich gesterkt voelt om meer te vertellen. Maar het kan ook anders gaan, dat het woord ‘wraak’ namelijk vooral de weerstand vergroot: ‘Wraak? Dat is het werkelijk niet. Ik vraag u…’ Ook dit kan verder helpen, want vaak helpen de overdrijvingen die door een pastor worden ingebracht, om de blik van de ander te wenden. Daarna kan iemand in een discussie met deze overdrijving zijn eigen positie bepalen. Als pastor kan ik hier op inhaken: ‘U zegt, dat het geen wraak is, wat is het dan wat u wenst?’ Daarop zegt de ander: ‘Ik vind het stom, dat hij kan uithalen wat hij wil en dat hij steeds er weer goed van af komt…’
Een andere reactie op het begrip wraakpsalm kan gewoon zijn: ‘Wat bedoelt u daarmee?’, of ook: ‘Wat houdt dat in?’ Na een korte inleiding (‘Dat zijn gebeden van mensen, die zich heel onrechtvaardig behandeld voelden’) noem ik en citeer ik enkele kenmerkende uitspraken. En opnieuw: vaak is dit voor een gesprekspartner voldoende stimulans om van zijn of haar kant meer te vertellen over wat er aangedaan is. Om te vertellen wat men zo woedend maakt en wat men die ander allemaal zou kunnen aandoen. En dat is, zoals vaak benadrukt is, een belangrijke stap in het leren om te gaan met pesterijen.
Uit: Peter Bukowski, De Bijbel ter sprake brengen, p. 72-73.

Op verschillende stations van de begeleiding probeer ik terug te grijpen op de psalmen als spraakhulp, waarbij ik in dit geval bewust de geschreven tekst als hulp neem. In de inleiding zeg ik bijvoorbeeld: ‘Ik merk, hoe moeilijk het voor mij is om uw moeiten te begrijpen’ – u moet het goed begrijpen: ik benoem mijn moeilijkheden, niet die van mijn gesprekspartner – ‘ik zou u graag een gebed willen voorlezen. Misschien zegt het iets over hoe u zich voelt.’ Ik lees dan bijvoorbeeld:

Van verdriet kwijnt mijn oog, mijn ziel en mijn lichaam. (…)
mijn kracht struikelt (…)
Voor allen die mij benauwen, ben ik tot een smaad geworden,
voor mijn buren allermeest,
en voor mijn bekenden tot een schrik (…)
Vergeten ben ik, uit het hart, als een dode;
ik ben geworden als gebroken vaatwerk.’ (Ps. 31:10-13)

Vaak kunnen zulke klaagwoorden, die komen uit de diepte van de ziel, mijn gesprekspartner bereiken: Een gesprekspartner kijkt mij, nadat ik deze woorden heb voorgelezen, aan en zegt: ‘Dat klopt.’ Ik vraag terug: ‘Hoe bedoelt u?’ Daarop zegt zij: ‘Dat van die buren…’ En ze begint te vertellen, hoe steeds meer vrienden en buren haar mijden, omdat duidelijk is geworden dat haar ziekte niet meer genezen kan worden. Hoe langer zij vertelt, des te meer bespeur ik teleurstelling en bitterheid.
Een ander werd door een enkel beeld aangesproken. Hij verwijst daarnaar: ‘Ja, dat van dat gebroken vaatwerk…’ Ik stimuleer hem om te schilderen wat hij beleeft. Ik heb daarbij de ervaring opgedaan, dat het begrip gebed, dat door deze psalmteksten wordt ingebracht, vaak werkt als permissie gevoelens en omstandigheden te vertellen, terwijl men hiervoor dacht dat men zich ervoor diende te schamen.
Het zij nog een keer met nadruk gezegd: deze fase van het zich klagend uitspreken is ongelooflijk belangrijk en mag niet onderbroken worden door een goedbedoelde belofte. Daarom lees ik de passages die over de dank en het vertrouwen gaan, die aan het einde van de psalm zijn te vinden (zoals Ps. 22:23-32) in dit stadium niet voor. Op een later tijdstip kan het zinvol zijn om de bijbelse beelden van vertrouwen of hoop in het gesprek in te brengen. Vaak vraagt een gesprekspartner hoe zo’n geciteerd gebed verder gegaan zou zijn en of het de bidder heeft geholpen. Maar het kan ook zijn, dat ik zelf nog een keer verwijs naar de psalmen. Het gaat mij er vooral om het bijbelse realisme in het gesprek in te brengen, dat met betrekking tot verandering en hoop rekening houdt met een lange weg. Dit realisme heeft er weet van, dat genade en geluk samen gaan: ‘al ga ik door een dal van diepe duisternis’, God is bij mij. Het is heilzamer om de eigen levensweg als een woestijnreis leren te zien, dan om steeds weer op te breken door droombeelden van een snelle ommekeer.
Uit: Peter Bukowski, De Bijbel ter sprake brengen, p. 76-78

(2) Vinden van zingeving en identiteit
Ingrijpende gebeurtenissen zorgen ervoor dat iemand heel anders tegen zichzelf (of de wereld waarin hij leeft) gaat aankijken. De Bijbel kan ook helpen om een (nieuwe) zin van het leven te vinden. Of een Bijbelgedeelte kan helpen bij de zoektocht naar identiteit. Een Bijbelgedeelte kan helpen om anders tegen iets of tegen zichzelf aankijken (dit heet: reframing).

Een gesprek met een alcoholist: de man klaagt tegen mij over zijn leed. Omslachtig vertelt hij wat het effect van zijn verslaving is op zijn leven met zijn familie en in zijn beroep. Hij heeft al vaak geprobeerd om te breken met zijn verslaving, maar het wil steeds maar niet lukken. Natuurlijk heeft hij ook gedacht aan een ontwenningskuur, maar dat is een te grote stap. Bovendien hoort men veel negatieve berichten over de instelling en anderen is het ook gelukt zonder zo’n kuur. Het gesprek beweegt zich in een kring van jammeren en besluiten die niet van harte onder ogen worden gezien. Daarna vervalt hij weer in zelfspot en zelfmedelijden. Ook op mijn vraag of hij iets van mij verwacht , antwoordt hij dubbel: ‘Ik zoek toch op de een of andere (!) manier hulp.’ (Stilte) ‘Maar raad heb ik niet nodig. Mijn oren tuten nog van goede raad.’ (Stilte)
Na een poosje zeg ik: ‘Nu u dat zo allemaal vertelt, schiet mij een verhaal te binnen: iemand die al heel lang ernstig ziek is, praat met Jezus. Hij zegt: “Help mij!” Maar Jezus zegt tegen hem: “Wilt u dan werkelijk gezond worden?” (Zie Joh. 5:6) Mijn gesprekspartner antwoordt: ‘Dat is wel heel erg wrang. En als ik het zo zeggen mag, dan vind ik die vraag van die Jezus ook wel een beetje dom. Als die zieke niet gezond zou willen worden, dan had hij er niet om gevraagd.’
‘Ik geloof, dat Jezus eerst zeker wil zijn, of de zieke werkelijk wil,’ antwoord ik.
‘Wat bedoelt u met ‘werkelijk wil’?’ vraagt de ander.
Hieruit ontstaat een gesprek over het verschil tussen wensen en willen. Uit het gesprek volgt, dat willen iets te maken heeft met besluiten en met verantwoordelijkheid, die genomen dient te worden. (Alleen als ik werkelijk iets wil, dan ben ik in staat om andere dingen daarvoor na te laten….)
Uit: Peter Bukowski, De Bijbel ter sprake brengen, p. 50-51.

De heer K. laat merken dat hij er ernstig over nadenkt om zelfmoord te plegen. Ik ken zijn lijdensverhaal, dat hem zo vertwijfeld laat zijn. Daarom heb ik alle reden om zijn poging serieus te nemen. Twee motieven keren in allerlei variaties steeds weer terug, in datgene, wat hij mij vertelt: ‘Ik heb toch al zo veel dingen geprobeerd. Nu is het genoeg.’ En: ‘Ik kan het niet meer aan om anderen tot last te zijn. Ik ben nutteloos.’ Ik krijg snel door dat een bemoediging geen resultaat boekt. Hij is zo gevangen in zijn vertwijfeling dat er niet valt te denken aan het gezamenlijk ontwikkelen van perspectieven. Ook voor een geestelijke bemoediging is hij op een bepaalde manier immuun. Hij is afkomstig uit een piëtistische familie (freikirchlich) en die afkomst is een onderdeel van zijn probleem. Ik krijg steeds meer de indruk dat het werkelijk ‘genoeg’ is voor meneer K. (Ik moet denken aan het gedicht van Rilke over de panter: ‘Het is hem, alsof er duizend tralies zijn en achter de tralies geen wereld.’) En toch heb ik tegelijkertijd een grote angst om het gesprek te beëindigen, omdat hij de laatste stap van zijn vertwijfeling daadwerkelijk zou kunnen doen. Ik vraag me af hoe ik ‘tijd zou kunnen rekken.’
Tenslotte zeg ik: ‘Hoe u nu zo over uzelf praat, dat lijkt op, wat de mensen eens over een boom zeiden, toen Jezus erbij was. De boom was helemaal verdord en gaf geen vruchten meer. De bezitter zei: “Hij is nutteloos. Weg ermee!” (Zie Luc. 13:6vv) ‘Precies,’ zegt meneer K., ‘weg ermee!’ (Het leek mij, dat hij opgelucht was, dat ik met hem ‘instemde’. Zoekt hij het gesprek met mij op om uiteindelijk zichzelf ervan te overtuigen, dat ook een predikant uit de Landeskirche hem niet kan helpen?) Ik ga verder: ‘Jezus gaf als antwoord: “Geef hem nog een jaar!”
Ik had niet verwacht, dat mijn gesprekspartner zo geraakt zou worden door deze zin. Hij mompelt deze zin nog enkele keren voor zich uit. Dan herhaalt hij de zin nog een keer hardop en zegt dan tegen mij: ‘Een goede zin!’ Ik vraag hem wat hij zo goed vindt aan deze zin. Hij antwoordt dat hij de tip van dat ene jaar erg goed vindt. Hij vond het beter, dan alleen een mogelijk bevel van Jezus om de boom zo te laten staan. ‘Een jaar – daarin kan nog veel gebeuren. En wanneer er niets gebeurd, dan is het einde te overzien.’ Later vraag ik hem, of hij zichzelf nog een jaar zou willen geven. Ik spreek een vervolggesprek af, waarin wij zouden overleggen, hoe hij deze tijd zou kunnen gebruiken. Tot slot schrijf ik de uitgesproken zin nog op een kaartje en ik vraag hem, of hij dit kaartje steeds bij zich wil dragen.
Uit: Peter Bukowski, De Bijbel ter sprake brengen, p. 52-53.

 

Preek 23 januari morgendienst

Preek 23 januari morgendienst
1 Koningen 8: 29
: Over het huis, de plaats waarvan U gezegd hebt: Mijn naam is er

Introductie op het Bijbelgedeelte
Een kerkgebouw is meestal herkenbaar als kerk. Stel je voor dat je Oldebroek niet zou kennen en je voor het eerst door Oldebroek rijdt, dan zouden de dorpskerk en de Maranathakerk herkenbaar zijn als kerk. Onze kinderen herkennen een kerkgebouw in ieder geval wel. Als we langs een kerk rijden in een andere plaats, zeggen ze: “Iemand anders zn kerk.” Als we langs de dorpskerk of langs de Maranathakerk rijden, zeggen ze: “Onze kerk.”
Wat is het bijzondere van een kerk? In deze week wordt de Actie Kerkbalans gehouden. De opbrengst van deze actie is onder andere bedoeld voor de kerkgebouwen. Waarom zouden we geld inzamelen voor een kerkgebouw?
Omdat de kerk niet zomaar een gebouw is, maar het huis van God. De kerk is de plaats waar de Heere woont. Toen we de drempel van de kerk overstapten, stapten we het huis van God binnen. We komen bij Hem in huis.
Moet u eens voorstellen, dat we hier in het gebouw, waar we bij elkaar zijn, in het huis zijn waar de Heere woont. In dit gebouw ontmoeten wij de Heere. Heel de kerkdienst is er op afgestemd, dat wij de Heere kunnen ontmoeten.
In de preek gaat het over de kerk als het huis, waarin de Heere woont. Het gaat over het gebed, dat Salomo uitspreekt bij de ingebruikname van de tempel.

Schriftlezing: 1 Koningen 8:22-36

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hoe bent u vanmorgen naar de kerk gekomen? Met welke instelling zit je hier? Je kunt hier in de kerk zitten, omdat je van je ouders moet. Ze vinden dat je mee moet gaan naar de kerk. Naar de kerk gaan op zondagmorgen kan zo’n vaste gewoonte zijn, dat we er nauwelijks meer nadenken waarom  we gaan en wat we doen in de kerk. Het kan zijn dat we in de afgelopen week zo druk waren, dat we het eerste deel van de kerkdienst missen, omdat we eerst tot rust moeten komen.
Met welke instelling je gekomen bent, hangt ook af van hoe je tegen het kerkgebouw aankijkt. Hoe u, hoe jij naar de kerk gekomen bent, hangt ook af van wat je verwachtingen zijn van de dienst. Het maakt nogal uit of u gekomen bent, omdat u God wilde ontmoeten of dat het een verplicht sociaal gebeuren is (dat je ook nog eens niets doet). In het ene geval ben je er op gespitst iets van God op te vangen en wil je van Hem horen. In het andere geval laat je het gewoon over je heen komen. Je ziet het wel wat het met je doet.
Die laatste houding kan ook voortkomen uit onkunde. Omdat er nog nooit iemand is geweest die je heeft uitgelegd, dat je in de kerk in Gods huis bent. Kerkgang is in jullie gezin een vaste gewoonte, zonder dat iemand uitlegt waarom jullie eigenlijk naar de kerk gaan. Wellicht heb je nooit geleerd, hoe jij je kunt instellen op de ontmoeting met de Heere. Niemand die je uitlegde wat je zelf kunt doen om de Heere hier tegen te komen. Als dat bij u of bij jou het geval is, hoop ik dat deze preek ertoe bijdraagt dat je de kerk gaat zien als de plaats waar God te ontmoeten is.

De kerk is de plaats waar God woont. Daarmee lijkt de kerk op de tempel. Daarom heb ik vanmorgen een Bijbelgedeelte gelezen dat over de tempel gaat. We hebben vanmorgen een gedeelte gelezen van het gebed dat Salomo uitspreekt bij de inwijding van de tempel. In dat gebed zegt Salomo tegen de Heere: deze plaats, waarvan U gezegd hebt: “Mijn naam zal daar zijn.”  De tempel in Jeruzalem was de plaats, waar de Naam van God aanwezig was. En dan niet voor eventjes, maar voor altijd. De tempel is een woning voor God.
Een woning wil zeggen: een thuis, een vaste plek. Als iemand je zoekt, kun je daar gevonden worden. Als iemand je iets wil toesturen, kan hij dat naar je huis sturen. De tempel was het huis van God. In de tempel kon de Heere worden opgezocht. Offers van dankbaarheid konden in de tempel bij de Heere worden gebracht. De tempel was niet zomaar een woning, maar was een paleis. In het Oude Nabije Oosten regeerde de koning vanuit een paleis. De tempel was de plaats waar de troon van de Heere stond: Hij troonde op de ark van het verbond. De ark van het verbond was Zijn troon. De tempel was ook gebouwd als een paleis. De mensen in Israël bezochten de tempel ook omdat ze de Heere als koning beschouwden. Wie hulp nodig had, ging naar de koning. Zo ging men in de tempel aan de Heere hulp vragen. Wie ziek was, ging naar de tempel om genezing te ontvangen. Een koning werd geacht om recht te spreken. Had je een conflict met iemand anders en was je niet eerlijk behandeld, dan hing je naar de konig om jouw zaak voor te leggen aan de koning in de hoop dat hij eerlijk zou vonnissen. In de psalmen wordt er geregeld over gesproken dat iemand naar de tempel gaat met de vraag: Heere, er is iemand die mij oneerlijk behandeld heeft. Wilt u rechtspreken? Wilt Ú mij recht doen? (Bijvoorbeeld Psalm 27)
De mensen in Israël geloofden dat als zij naar de tempel gingen, dat zij ook daadwerkelijk voor de Heere zelf stonden. Bekende en geliefde psalmen zingen daar ook van: God des levens, ach wanneer zal ik naad’ren voor uw ogen? Psalm 73 geeft de worsteling van Asaf weer, die het allemaal niet meer snapt. Waarom gaat het mensen die nergens aan doen en oneerlijk zijn voor de wind en hij, die trouw is aan de Heere, heeft een moeilijk leven. Bijna had hij gedacht: Er is geen God – totdat hij in de tempel kwam om God te ontmoeten. Toen kreeg hij antwoord op zijn worstelingen.
De tempel is de plaats waar God op aarde woont. En al is de kerkgebouw anders dan een tempel, toch geldt wat voor de tempel gold ook voor het kerkgebouw.  Ook als we in de kerk zitten, zijn we voor Gods aangezicht. We zijn hier op een bijzondere plaats, waar de hemel de aarde raakt. Een plaats waar een verbinding is tussen hemel en aarde, omdat God zelf hier aanwezig is.
Die aanwezigheid hebben wij niet zelf bedacht. Het is de plaats, waarvan God gezegd heeft: Mijn Naam zal hier zijn. De plaats waar we onze gebeden tot God kunnen richten. De plaats waar we naar toe kunnen als we op zoek zijn naar God. Als ik daarover nadenk – ik weet niet hoe dat u vergaat – dan maakt het mij stil. We zijn hier op heilige grond, omdat God zelf ook hier is.
Je kunt op verschillende manieren tegen de Maranathakerk en de dorpskerk aankijken. De een moet er niet aan denken om in de Maranathakerk te zitten en kiest altijd voor de dorpskerk. De ander vindt het juist in de Maranathakerk zo knus en intiem. Maar in wezen zijn de dorpskerk en de Maranathakerk hetzelfde: de plaats waarvan de Heere heeft gezegd: Mijn Naam zal daar zijn. Als u langs een van de kerken rijdt, mag u dat bedenken: dit is de plaats waarvan de Heere heeft gezegd: “Mijn Naam zal daar zijn”. De stenen roepen het u toe. Ze verkondigen het van de daken: God is er en Hij waakt over u. Het kerkgebouw is een heenwijzing naar God die er nog is: hier woont Mijn Naam.
Dat betekent dat de grote en heilige God, die alles geschapen heeft wat er is, op aarde een woonplaats heeft. Dat betekent dat Hij, de grote en heilige God, tussen mensen wil wonen en door mensen opgezocht wil worden. Salomo vroeg zich in zijn gebed af of dat wel kan: “Maar de hoogste hemel is zelfs niet in staat om U te bevatten, hoe kan een gebouw op aarde U en Uw heerlijkheid bevatten?”
Mijn Naam: dat is geen afzwakking. Zo van: Ik ben Zelf te groot om op aarde te wonen, jullie moeten het maar doen met Mijn Naam. Nee, met die Naam geeft de Heere aan op welke manier Hij aanwezig is. Die Naam luidt: Ik ben die Ik ben (Ex. 3). Die Naam drukt uit: Als Ik aangeef dat Ik ergens ben, dan ben Ik er ook. Je kunt er zeker van zijn, dat je Mij daar zult ontmoeten. Ik ben die Ik ben: Ik houd Mij aan Mijn woord. Die Naam geeft ook aan dat de God van het verbond hier woont. Bij het betreden van een kerkgebouw gaat het niet zomaar om een religieus gevoel, maar om de God van Abraham, Izak en Jakob, de God van Israël. De Naam van God geeft aan: Ik ben er! Die Naam is er in Gods huis. Je hoeft er noot aan te twijfelen. Maar die Naam zegt nog meer. De Naam mogen we ook vertalen met: Ik zal er voor je zijn. Ik sta klaar. De Naam van God drukt actiebereidheid uit, een strijdende God. Als je komt met je nood, staat Hij – bij wijze van spreken – al met Zijn handen uit de mouwen. Als je oneerlijk behandeld bent, staat Hij klaar om in te grijpen en je recht te doen.
De kerk is de plaats waar je door de Heere wordt gezien. Je mag er zeker van zijn dat de Heere je gebeden hier hoort. Al heb je die gebeden niet verwoord. Soms kan het meer een vorm van zuchten zijn. Al ervaar je niet altijd dat de Heere de gebeden hoort, toch is het zo.
Als je de kerk binnenstapt, stap je de wereld van God zelf binnen, de plaats waar de hemel open is. Net zoals Stefanus mogen wij omhoog kijken en de Heere Jezus in de hemel zien. Tegelijkertijd mogen we weten dat de Heere op aarde aanwezig is. Juist hier in de kerk. Hij is nederig geworden. De kerk is de plaats, waar de Heere vanuit de hemel Zich voor over buigt, Zijn oor neigt, om onze gebeden te horen.
In de kerk ontvangen we ook de zegen. De aanwezigheid van de Heere gaat met ons mee, wordt ons toegezegd en beloofd. Het kerkgebouw is een teken dat we er niet alleen voor staan, want de eeuwige God gaat mee. Als we voor de Actie Kerkbalans geld ophalen, doen wij dat voor het huis van de Heere, de plaats waarvan Hij gezegd heeft: Mijn Naam zal daar zijn.
Daarmee is de kerk ook een voorbode van de hemel, de plaats waar we met God mogen zijn en de plaats, waarin Hij alles in allen zal zijn. Van die heerlijkheid mogen we in de kerk al iets zien, omdat Zijn Naam hier zal zijn.
Amen

ds. M.J. Schuurman

Je kunt niet dieper vallen dan louter in Gods hand

Je kunt niet dieper vallen dan louter in Gods hand

Je kunt niet dieper vallen
dan louter in Gods hand
waarmee zijn heil ons allen
barmhartig ondervangt.

Ooit monden alle paden
door schade, schuld en dood
toch uit in Gods genade
hoe groot ook onze nood.

Wij zijn door God omgeven
in ruimte en in tijd
en zullen in Hem leven
en zijn in eeuwigheid.

                                               Tekst: Arno Pötzsch / Vertaling: Hans Mudde

Dit lied citeerde ik gisteren aan het slot van de preek. Het is een mooi lied, doordat het heel beknopt laat zien dat ons leven, op alle wegen die we kunnen gaan, toch elke keer uitkomen bij God.
Het lied sprak mij nog meer aan toen ik de achtergrond van dit lied ontdekte. Dit lied is in Nederland ontstaan ten tijde van de Tweede Wereldoorlog en circuleerde in 1941 binnen de Duitse gemeenschap in Nederland. Het lied is geschreven door Arno Pötzsch, een predikant die behoorde tot de Bekennende Kirche en fel tegenstander was van het Hitler-regime. Hij  was hier in ons land gestationeerd als vlootaalmoezenier. In die tijd moest hij gesneuvelde matrozen begraven, gewonde soldaten bezoeken in lazaretten, hen troosten en bemoedigen. Ook moest hij geregeld gedeserteerde soldaten, die opgepakt waren en ter dood veroordeeld waren, in hun laatste momenten bij staan. Vanuit die ervaringen schreef hij dit lied.
Hij schreef bewust een eenvoudig lied. ‘In kritieke omstandigheden gaat het niet zozeer in individuele invallen, originele beelden of om mysterieuze cryptische taal, maar veel meer om een eenvoudige ervarings- en verstaanshorizont en om een belijdenis die de geborgenheid van mensen in God duidelijk en kernachtig onder woorden brengt.’
Het korte lied bestaat uit drie delen: in de eerste strofe wordt een ‘jij’ aangesproken, het tweede strofe is algemeen gehouden en de derde strofe richt de blik op de geloofsgemeenschap (‘wij’). Kernachtig brengt dit lied de kritieke omstandigheden onder woorden: vallen, paden die door schade, schuld en dood gaan. In het Duitse origineel is er sprake van noodlot (Schicksal), schuld en dood.
Vallen verwoordt de tragiek: het gevoel in de afgrond te vallen. Het gevoel in een diep gat te vallen, te pletter te vallen zonder dat er iemand is die je opvangt. Pötzsch richt onze blik op Gods hand, die ons in onze val toch opvangt. De uitleg van dit lied in Liederkunde zum Evangelischen Gesangbuch (deel 9) wijst op regels van de dichter Rainer Maria Rilke: Wir alle fallen … Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen / unendlich sanft in seinen Händen halt. Rilke laat open wie die Einer is, die ons opvangt, terwijl Pötzsch op Gods hand wijst. Op de achtergrond staat dan Psalm 139: Gods hand die ons altijd omsluit.
Vallen heeft in de christelijke traditie nog een tweede betekenis: in zonde vallen. We kunnen als mensen ook vallen door wegen te kiezen die bij God vandaan voeren. We kunnen vallen als we voor een zondig leven kiezen. Dan krijgt het beeld van het (om)vangen een heel andere betekenis, namelijk: redden van een wereld uit de verlorenheid en schuld. Een beeld uit de Bijbel is de herder, die het verloren schaap opzoekt; de Mensenzoon die gekomen is om het verlorene te zoeken en te redden.
De tweede strofe bevat een waarheid die in algemene zin wordt gesteld: Ooit monden alle paden door schade, schuld en dood toch uit in Gods genade hoe groot ook onze nood. Deze waarheid is geen algemene waarheid, maar een geloofde waarheid, die gedragen wordt door wat God zelf zegt en door de gemeenschap die in de derde strofe erbij betrokken wordt. Deze gemeenschap is niet alleen een gemeenschap van levenden, maar ook een gemeenschap met degenen die reeds zijn voorgegaan. Maar bovenal is deze gemeenschap waar de slotstrofe van zingt de gemeenschap van Christus. Niets kan ons scheiden van de liefde die er is in Christus (Rom. 8:31-39). De gemeenschap van Christus redt uit alle schade, schuld en dood. Ook als de dood op ons afkomt, zullen wij leven. Ook als we door de dood heengaan, zijn we er nog. Zijn ze er zelfs tot in eeuwigheid – in die gemeenschap in Christus.
Dit is een geloof, waarmee een gelovige aan het graf kan staan en ondanks de tragiek toch een troostvol woord kan uitspreken. Dit is een geloof, dat degene die gewond geraakt is in een oorlog waarvoor hij zelf niet gekozen levensmoed geeft. Dit is een geloof dat degene die terechtgesteld wordt, omdat hij zich niet meer voor een bepaalde zaak kon geven, de hoop ontvangt dat hij de goede keuze heeft gemaakt. Dit is een geloof dat houvast biedt als we het gevoel hebben in een afgrond te storten, omdat we het niet meer aankunnen. Dit is een geloof dat ons bij God terugbrengt op het moment dat wij ons leven en dat van anderen moedwillig vergooid hebben.
Een geloof –dat wil zeggen: geen menselijke prestatie, maar de band die God geeft en die door niets, geen schade, geen schuld, geen dood vernietigd kan worden. In Zijn genade monden onze wegen toch – ondanks alles – uit.

ds. M.J. Schuurman

Op het lied berust copyright bij de Stichting HKE. Hier een link naar het origineel, waar ook een melodie gegeven wordt die geschreven is door Hans Jansen: http://www.hans-jansen.com/mp3/sound/sound543.1218270567.pdf?PHPSESSID=b4e12760fe0f1ebe1b6bac4a45eed2dc

Preek op zondag 8 januari 2012

Preek op zondag 8 januari 2012
Morgendienst – doopdienst

Schriftlezing: Psalm 138 en Mattheüs 3:13-17
Tekst: De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien; Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig; laat de werken van Uw handen niet los.  (Psalm 138:8)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Een bijzonder moment voor jullie, doopouders: de doop van je kind. Het kind dat je nog maar pas uit Gods hand hebt ontvangen, mag je weer bij God brengen. Het is een voorrecht om je kind uit Gods hand te ontvangen. Het is net zo’n groot voorrecht om je kind weer bij de Heere te mogen brengen. Volgens het doopformulier laat de doop zien, dat er een innige band is tussen de Heere en je kind. Een hechte band, die vanuit de Heere wordt gelegd. Een band tussen de Heere en je kind. Een innige band – dat heeft iets intiems. De zorg waarmee de Heere jullie kind deed ontstaat en geboren deed worden, diezelfde zorg zal jullie kind ook begeleiden op heel zijn leven.
De doop is een onderstreping van Gods belofte aan jullie als ouders en aan jullie kind. Mocht je ooit twijfelen of de zorg van de Heere er wel zal zijn voor je kind, dan mag je terugdenken aan de doop. Toen werd de belofte luid en duidelijk uitgesproken: ‘Ik wil je God zijn!’ Deze belofte werd zichtbaar in de doop.
Nu klinkt deze belofte tegen een bepaalde achtergrond. De Heere zal die band met jullie niet verbreken, maar we weten dat die band vanuit ons helemaal zo hecht niet is als vanuit God bezien. En waar zit dat in? Hoe komt het dat wij mensen bij God vandaan kunnen gaan? Soms heel nadrukkelijk, als een kind dat van huis wegloopt, de deur met een klap dichtgooit en blij is om zijn eigen leven te kunnen leiden. Soms gaat het heel onbewust, zoals een boot die wegdrijft van de kade omdat de boot niet meer vast ligt. Hoe komt dat? Dat heeft te maken met de zonde, waarin wij en onze kinderen ontvangen en geboren zijn. Dat wij – en onze kinderen- in zonde ontvangen en geboren zijn, helpt ons niet verder als ons niet wordt uitgelegd wat die zonde betekent.
Ik kan de betekenis van zonde het beste door een verhaal over een doopgesprek te vertellen dat ik tegenkwam:
Een dominee komt bij kersverse ouders op doopbezoek. Tijdens het doopbezoek praat de vader honderduit. Vol trots vertelt hij wat hij allemaal niet geregeld heeft voor zijn kind. Allerlei spaarregelingen en voorzieningen, zodat het pasgeboren kind later zou kunnen studeren en een mooi leven voor zich zou hebben. Op een gegeven moment onderbreekt de predikant deze vader en vroeg hem:
‘Wilt u eigenlijk wel dat uw kind gedoopt wordt?’
‘Hoezo?’ vraagt de vader verbluft.
‘Nou,’ zegt de predikant, ‘Weet u dat u – als u uw kind laat dopen – concurrentie krijgt van de hemelse Vader?’
Op dat moment deed de moeder, die tot dan toe steeds gezwegen had, haar mond open en vroeg indringend: ‘Mag ons kind gedoopt worden?’ Ze besefte dat de zorg voor haar kind van God af moest komen.
In zonde en ontvangen – dat betekent dat wij als mensen liever ons eigen kunnen vertrouwen dan de zorg van God. Het gaat om dat vertrouwen. Het is niet verkeerd om goed voor je kind te zorgen en allerlei zaken te regelen, zoals een spaarrekening. Maar het is wel verkeerd als we daar op gaan rekenen in plaats van te vertrouwen op de zorg van God.
Tijdens de doopzitting is er gesproken over wat het betekent om God lief te hebben boven alles. Een van jullie vertelde dat dit ook betekent dat je God moet liefhebben boven je kind. Een onmogelijke keuze, zoals je als moeder ook niet zou kunnen kiezen tussen je man of je kind. Als de Heere de concurrentie aangaat, is dat niet met ons kind, maar met onszelf. Waar hebben wij het meest vertrouwen in: in onze zorg voor ons kind, of in de zorg van de Heere voor Zijn kind? En die innige band, waar de doop over spreekt, de zorg van de hemelse Vader, komt deze zorg pas om de hoek kijken als wij niet meer kunnen zorgen?
In dat geval hebben wij Psalm 138:8 veranderd in: De Heere zal voltooien, wat wij niet meer kunnen afmaken. De Heere komt dan om de hoek kijken als wij het niet meer redden. Dan gebruik je de Heere als een soort kit: je huis is afgebouwd, maar er zijn nog enkele tochtgaatjes. Om het behaaglijk te hebben, smeer je die tochtgaatjes dicht met kit.
De doop zegt dat wij niet meer op deze manier kunnen denken. God is de eerste in het leven van je kind. Ook wat betreft de zorg.
Met de doop belijd je als doopouder niet alleen dat wij als mensen eerder vertrouwen op onze eigen zorg voor ons en ons kind, maar met de doop komt er nog iets bij. Iets dat wezenlijk is en we niet mogen vergeten. Met de doop van je kind belijd je ook dat er iets in je leven is veranderd. Dat je wel vertrouwen hebt gekregen in Gods zorg. Dat je wel gelooft dat Gods zorg het beste is voor je kind. Dat je kind nergens in betere handen is dan bij God.
De doop geeft aan dat er iets in jullie leven is gebeurd, waardoor je je kind uit handen kunt geven en in Gods handen kunt leggen. Het binnendragen in de kerk en het wegdragen uit de kerk laat dat ook zien.
Want je kind uit handen geven en toevertrouwen aan de zorg van een ander doe je niet gemakkelijk. Dat gaat tegen je natuur in. De eerste keer dat je oppas vraagt voor je kind, vraag je iemand die je helemaal vertrouwt, goed kent. Als je een afspraak hebt, ben je er met je hoofd niet bij, maar ben je met je gedachten thuis, bij je kind. Ondertussen kijk je geregeld op je mobiel. Is er al gebeld? En ook als er niet gebeld is, zou je zo snel mogelijk naar huis willen.
Het is met de zorg van de Heere niet anders. We kunnen onze kinderen pas aan Hem toevertrouwen als wij onszelf kunnen toevertrouwen aan de Heere. Het kan ook zijn dat we gemakkelijker ons kind aan de Heere toevertrouwen dan onszelf. In dat geval zou het wel eens kunnen zijn dat de Heere jullie een kind heeft geschonken om het vertrouwen aan ons te leren. Zodat we niet alleen ons kind bij de Heere brengen, maar ook onszelf.
Vertrouwen wil zeggen: de Heere zal het voor mij voltooien. Hoe vaak gaat dit geloof niet gepaard met gebed: Heere, wilt U dat dan ook doen? Net zoals in Psalm 138: laat het werk van Uw handen niet los. Breng het ook tot en goed einde!
Geloven bestaat hier op aarde uit deze twee elementen: (1) vertrouwen en geloof dat de Heere het zal doen, (2) gebed: Heere wilt U dat ook doen? Deze twee elementen worden bijeen gehouden door de trouw van God. Psalm 138 spreekt over goedertierenheid, dat wil zeggen: de trouw van God waarmee de Heere zegt: ‘Ik kom Mijn belofte na. Ik heb niet voor niets een verbond gesloten.’
Dat we die belofte geloven, dat we houvast zoeken en vinden in deze trouw van God, heeft te maken met de komst van de Heere Jezus. Aan het begin van Zijn optreden werd Hij gedoopt. Met de doop liet de Vader Zijn Zoon zien aan het volk Israël en vanmorgen ook aan ons: ‘Dit is Mijn geliefde Zoon. Als je wilt weten, hoe Ik Mijn werk voltooi, kijk dan naar Mijn Zoon.’
Hij kwam om elke keer dat wij op onszelf vertrouwden en niet op God weg te nemen. Als we deze Jezus die gedoopt wordt zien, wordt ons niet de spiegel voorgehouden. Nee, zoals Jezus zijn we niet. Wij hebben vanuit onszelf niet Zijn trouw en zijn niet zoals Hem gehoorzaam.
De Heere Jezus laat zien wat Hij van ons leven zal maken. Hoe Hij ons trouw en vol vertrouwen maakt.
 De belofte dat God Zijn werk in ons voltooit, betekent dat we Christus in ons leven ontvangen. Elke keer als je zegt: ‘Ik vertrouw’, mag je weten dat Christus je verandert. Elke keer als je dat vertrouwen niet hebt, mag je erop vertrouwen, dat Hij om ons strijdt – om sons weet terug te brengen bij God.
Die spanning van vertrouwen hebben en vertrouwen kwijt zijn kenmerkt het leven op aarde. De doop geeft aan, dat eens die spanning voorbij zal zijn – als we het Koninkrijk van God binnen mogen gaan. Dan zal de Heere voltooien, wat Hij hier op aarde al begon.
Gezegend ben je als je dit vertrouwen mag hebben. Gezegend is je kind als je dit aan hem mag voorhouden en voorleven: dat de Heere het zal voltooien.
Amen

ds. M.J. Schuurman

Verwoording van ervaringen en gevoelens

Verwoording van ervaringen en gevoelens
Jongeren en Bijbel lezen (2)

Hoe kunnen jongeren gestimuleerd worden om de Bijbel te lezen? Daarvoor moeten zij met de Bijbel in aanraking komen op een manier die vooroordelen doorbreekt en negatieve ervaringen doet vergeten. Het is een uitdaging om een jongeren te laten zien, dat de Bijbel hen wel wat te zeggen kan hebben.  Een belangrijke verbinding tussen het leven van de jongeren en de tekst van de Bijbel loopt via de ervaring.

De meeste jongeren zullen deze verbinding niet uit zichzelf leggen. Mijn indruk als ik met jongeren lees in de Bijbel dat zij eigenlijk niet weten wat zij aan het doen zijn. Het komt mij over alsof zij in een vreemde wereld stappen en niet weten wat zij er van moeten denken. Dat betekent in mijn ogen dat jongeren ook geholpen moeten worden bij het lezen van de Bijbel. Door bijvoorbeeld te laten ervaren of te laten zien, dat de Bijbel een boek vol ervaringen is.
Die ervaringen worden vaak met behulp van beelden en metaforen uitgedrukt. Een mooi voorbeeld vind ik zelf Psalm 69. Deze psalm begint met:
Red mij, God, het water staat aan mijn lippen,
ik zink weg in bodemloos slijk
en vind geen grond voor mijn voeten,
ik ben in diep water geraakt,
de stroom sleurt mij mee.

Om ons de situatie in te denken, hoeven we niet veel verbeeldingskracht te hebben. We kunnen ons een situatie voorstellen. Elke jongere kan een voorbeeld vertellen van wanneer het water letterlijk aan de lippen staat of waarin iemand letterlijk geen grond onder de voeten heeft. Het is de moeite waard om dan erover door te praten wat iemand voelt en beleeft. Op basis van dit gesprek kan een stap verder gemaakt worden. De psalm verwoordt niet alleen een letterlijke ervaring. De ervaring kan ook figuurlijk zijn. Ik lees de beginregels van deze psalm vaak als mensen te horen hebben gekregen dat zij ziek zijn of te maken hebben met een andere ingrijpende ervaring. De ervaringen die beschreven worden zijn: bijna verdrinken, meegesleurd worden, geen grond meer onder de voeten. Deze ervaringen kunnen ook toegepast worden op situaties, waarbij er een ingrijpende gebeurtenis plaatsvindt en het gevoel is dat er op dit moment geen enkele zekerheid meer is.
De ervaringen die in de Bijbel verwoord zijn doorbreken ook bepaalde taboes. Een van de taboes is de ervaring van Gods afwezigheid of de ervaring dat God Zich tegen je gekeerd lijkt te hebben. Veel gelovigen zijn van mening dat zij deze ervaring niet mogen hebben. Mijn indruk is dat veel jongeren vanwege deze taboes stagneren op hun geloofsweg. De ervaringen die zij hebben mogen niet zo zijn. Er zijn verschillende psalmen die zich afvragen waarom de Here zich afzijdig houdt:
ik ben als een gesneuvelde in een massagraf,
aan wie u niet langer denkt, losgerukt uit uw hand
. (Psalm 88:6)

Jongeren bevinden zich vaak in een periode van heftige emoties en gevoelens en zullen deze verwoorde emoties op zijn minst aan kunnen voelen. Wellicht herkennen zij deze gevoelens, omdat zij deze ook hebben. Psalm 88 gaat overigens nog verder: U hebt mij onder in de kuil gelegd, in het duister van de diepte  (vers 7). Psalm 88 is een van de heftigste psalmen, omdat deze psalm een van de weinige is die niet afsluit met de dank. Juist daarom is deze psalm geschikt voor veel jongeren. Zeker voor degenen die te maken hebben met depressiviteit of met teleurstellingen. Het mooie van deze psalm is dat niet alleen ervaringen en gevoelens verwoord worden, maar dat deze gevoelens en ervaringen uitgesproken worden naar God toe. Deze psalm daagt ons uit om onze negatieve gevoelens en ervaringen naar God toe uit te spreken. Ook onze teleurstelling over de weg die God met ons gaat of de klacht dat wij niets van Hem ervaren. Het uitspreken van de klacht naar God toe kan een weg zijn om Hem weer te vinden in tijden waarin Hij afwezig is. Psalmen kunnen ons helpen om woorden te vinden voor wat er in ons omgaat en kunnen ons helpen om dit naar God uit te spreken.
Niet alleen in de psalmen is de Bijbel een boek waarin ervaringen en gevoelens verwoord worden. Ook in de verhalen, de profetische teksten, de brieven, de evangeliën worden ervaringen en gevoelens verwoord. Daarvoor is het soms wel nodig om inzicht te hebben in het soort teksten.

ds. M.J. Schuurman