Het unieke karakter van de Afro-Amerikaanse prediking

Het unieke karakter van de Afro-Amerikaanse prediking

De prediking binnen de Afro-Amerikaanse kerken hebben een uniek karakter. Dat stelt Frank A. Thomas in zijn Introduction to the Practice of African American Preaching. Tegelijkertijd komt deze cultuur steeds verder van de realiteit van alledag af te staan.

Thomas is zelf Afro-Amerikaan en Nettie Sweeney and Hugh Th. Miller hoogleraar Homiletiek aan de Christian Theological Seminary te Indianapolis (Indiana) en rector van de aan dezelfde universiteit verbonden Academy of Preaching and Celebration. Hij is een warm pleitbezorger van de Afro-Amerikaanse prediking. Hij doet dat door onder andere preken uit de afgelopen eeuwen te publiceren en nu ook met deze introductie.

51yynlrbv6l-_sx331_bo1204203200_

Mondeling
Het unieke van deze preektraditie is onder andere het mondelinge karakter. Dat maakt het onderzoek al ingewikkeld: de meeste preken zijn niet op papier gezet en de preken die wel zijn gepubliceerd zijn vaak gelegenheidsgeschriften bij een jubileum van een kerk. Lange tijd is de de Afro-Amerikaanse preektraditie onzichtbaar geweest voor de bredere Amerikaanse samenleving en ook voor de homiletiek. In de vroegste fase werd de Afro-Amerikaanse preektraditie alleen bestudeerd door onderzoekers die zich met de Afro-Amerikaanse gemeenschap bezighielden, zoals cultureel antropologen en etnologen. De retorische kracht van preken werd pas zichtbaar in de tijd van de burgerrechtenbeweging uit de vijftiger en zestiger jaren van de twintigste eeuw. Onder andere door de preken en toespraken van Martin Luther King en andere betrokken Afro-Amerikaanse predikanten.

Gestudeerd
De Afro-Amerikaanse preektraditie dateert al uit de 18e eeuw, toen de Afrikanen naar Amerika werden gebracht om daar als slaven op de plantages de dienen. In de eerste tijd hielden zij vast aan hun godsdienstige tradities, die zij uit Afrika meebrachten. Ze deden dat vaak in het verborgen en ‘s nachts. In de 19e eeuw worden veel Afro-Amerikanen christen, door onder andere opwekkingsbewegingen binnen deze gemeenschap. In het noorden, waar de slavernij was afgeschaft, konden Afro-Amerikanen een opleiding volgen en studeren.en waren er ook gemeenten, vooral van Methodische snit, waarin blank en zwart gelijkwaardig lid waren. Hier kwam de intellectuele manier van preken op: Afro-Amerikaanse predikanten die aan een universiteit of een seminarie hadden gestudeerd. Hun preken hadden dezelfde geleerde, rationalistische inslag als de preken van predikanten van wie de oorsprong in Europa lag. Met deze preekstijl wilden de Afro-Amerikaanse predikers laten zien dat zij intellectueel niet onder deden.

58348
(Gardner C. Taylor (1918-2015), “the dean of the nation’s black preachers”,
van wie een preek wordt besproken als voorbeeld van Afro-Amerikaanse prediking. Bron foto: een in memoriam in Christianity Today)

Whooping
In het zuiden, waar de slavernij pas na de Amerikaanse Burgeroorlog werd afgeschaft, bleef de segregatie een veel grotere rol spelen: als Afro-Amerikanen christen werden, kregen ze hun eigen kerken. De voorgangers waren vaak lekepredikers, die het preken hadden geleerd door dat bij andere voorgangers af te kijken en die na te doen. Deze volkse preekstijl was eenvoudiger en emotioneel geladen. Deze predikanten maakten gebruik van whooping: een emotioneel appèl op de gemeente door zangerig te preken of zelfs te zingen en daarbij de gemeente om een antwoord te vragen. Ondanks hun gebrek aan opleiding waren deze predikers heuse dichters, die gebruik maakten van de kracht van de taal.

Retorica
Wat de Afro-Amerikaanse preken bijzonder maakt ten opzichte van de dominante preekstijl van predikanten van wie de oorsprong in Europa lag, was dat voor Afro-Amerikanen retorica niet verdacht was. De preek is geen theoretische uiteenzetting. De boodschap moet immers worden overdragen en dat kan niet zonder een emotioneel appèl op de gemeente.

Profaan
Bijzonder is de Afro-Amerikaanse preektraditie ook doordat er geen groot verschil is tussen de preek in een kerkdienst en verkondiging in het alledaagse leven. Vrouwen die in de kerkdienst niet mochten preken, konden dat wel doen binnen hun gezin of bij bijeenkomsten van de gemeenschap buiten de kerkdienst om. Wie de Afro-Amerikaanse preektraditie wil bestuderen, dient daarom ook breder te kijken dan preek tijdens de kerkdienst. Ook kent deze gemeenschap geen sterk onderscheid tussen heilig en profaan.

Jay-Z
Om dit te illustreren geeft Thomas een homiletische reflectie op de rapper Jay-Z. De song ‘Meet the Parents’ start met een begrafenis van een 15jarige jongen. Deze jongen is doodgeschoten, naar later blijkt door zijn eigen vader die zijn zoon na de geboorte verliet.

Predikanten kunnen veel van Jay-Z leren, aldus Thomas. Jay-Z wil met zijn songs maximaal effect sorteren. Predikanten mogen bij hun preken dat meer bedenken. Daarnaast wil Jay-Z authentiek zijn en contact houden met waar hij vandaan komt. Van rappers die door succes zich anders gaan kleden en gedragen, moet hij niets hebben. Jay-Z deinst er niet voor terug om moeilijke thema’s zoals geweld binnen de Afro-Amerikaanse gemeenschap en de verbroken gezinnen aan de orde te stellen. De details van de songs laten merken dat hij weet waarover hij het heeft. Predikanten doen er goed aan om niet alleen geestelijke thema’s aan de orde te stellen, maar ook wat er leeft in de maatschappij. Daarbij is het wel een vereiste dat zij weten waar ze het over hebben en zich daarover desnoods laten informeren.

Distantie
Thomas is onder de indruk van de geschiedenis van de prediking binnen de Afro-Amerikaanse gemeenschap. Hij maakt zich wel zorgen over de toekomst. Hij signaleert dat veel Afro-Amerikaanse kerken hun tieners niet kunnen vasthouden, omdat zij bepaalde thema’s uit de weg gaan. Bovendien zijn veel Afro-Amerikaanse kerken conservatief in hun opvattingen en thematiseren ze niet de tweederangspositie van de Afro-Amerikanen binnen de samenleving, het geweld tegen Afro-Amerikanen en het geweld binnen deze gemeenschap.

#BlackLivesMatter
Doordat de huidige beweging, die opkomt voor de rechten en de plek van de Afro-Amerikaanse gemeenschap, zoals #BlackLivesMatter, ook opkomt voor de rechten van de LBTQ-gemeenschap, distantiëren veel kerken zich van deze beweging. Bij de burgerrechtenbeweging uit de jaren’50 en -’60 waren de kerken meer betrokken. Ook toen ging het om een minderheid van de kerken en de predikanten. De angst van Thomas is dat de Afro-Amerikaanse kerken door hun afwijzende houding en het uit de weg gaan van deze maatschappelijke thema’s de band met hun jongeren kwijtraakt en de kerken irrelevant worden voor de opgroeiende Afro-Amerikanen.

Zie ook de websitie en het YouTubekanaal van Frank A. Thomas. Deze recensie verscheen ook op 28 februari in het Friesch Dagblad.

N.a.v. Frank A. Thomas, Introduction to the Practice of African American Preaching (Nashville: Abingdon Press, 2016)

Vragen bij hoofdstuk 11 Is zonde echt zo erg?

Vraag 1: Wat is volgens jou zonde? En wat is jouw antwoord op de vraag of zonde echt zo erg is?

Vraag 2: Welk lied of welke psalm ken jij die over zonde gaat? Helpt jou zo’n lied of zo’n psalm om te begrijpen wat zonde voor jou betekent?

Vraag 3: Op welke manier heb jij zelf met zonde te maken? Hoe herken jij zonde in je eigen leven? Hoe reageer jij op zonde in je eigen leven? (M.a.w.: Hoe zondig ben je?)

Vraag 4: Lees 1 Johannes 1:6 – 2:2 (vergelijk desnoods twee vertalingen)
a) Leef je in het licht of leef je in de duisternis?
b) Kun je nog zondigen als je van Christus bent (en dus in het licht leeft)? Hoe kan dat?
c) Hoe kun je van de zonde afkomen?
d) Moet je je niet druk maken over zonde, omdat iedereen fouten maakt (mening Henriët)? Of kan het je juist aan het twijfelen brengen of je wel een kind van God bent (mening Henk)?

Vraag 5: Hoe wordt in het boekje over zonde geschreven? Vergelijk dat met je antwoorden bij vraag 1 en 3. Wat zijn de overeenkomsten? Wat zijn de verschillen?

Vraag 6: Welke reden is er volgens het boekje waarom mensen laconiek over zonde doen? Ben je het daar mee eens?

Vraag 7:  Op zondagmorgen is er in de kerkdienst een moment van schuldbelijdenis. Dat gebeurt rondom de wet (of een vergelijkbaar Bijbelgedeelte), na de wet of in het gebed voor de Schriftlezing.
a) Kun je uitleggen waarom dat elke kerkdienst gebeurt? Kun je ook de plek in de dienst uitleggen? Vind je dat een logische plek? Of weet je een beter moment in de kerkdienst?
b) Heb jij zo’n moment van schuldbelijdenis nodig? Waarom wel/niet?
c) Helpt de wet, de psalm/het lied erna of het gebed jou daarbij? Zo niet, wat zou jou dan helpen?
d) Ontvang je ook vergeving na de schuldbelijdenis?

Vraag 8: Zonde heeft niet alleen de maken met wat je verkeerd doet, maar ook met wat er in je hart leeft. Waarom is dat belangrijk?

Vraag 9: Je moet eerlijk naar jezelf kijken. Hoe doe je dat?

Vraag 10: Zonde heeft niet het laatste woord. Waarom niet?


Biljarten om half tien

Biljarten om half tien (Heinrich Böll)

Met
Biljarten om half tien schreef Heinrich Böll een indrukwekkende en zeer gelaagde roman over innerlijke emigratie en staande blijven in een militaristische samenleving. Onlangs herlas ik deze roman weer en opnieuw was dat voor mij een intense leeservaring.

In Biljarten om half tien staat de familie Fähmel centraal, waarvan alle leden dubbel onder het militarisme van het Hindenburg-tijdperk en en nazi-regime hebben geleden, omdat degenen die hen door het militarisme leed hebben aangedaan in het naoorlogse Duitsland een toonaangevende maatschappelijke positie hebben bereikt. Zonder dat ze inzicht hebben getoond van wat ze in de voorgaande periode hebben veroorzaakt. Ze kunnen hoofd van de politie worden of zelfs in aanmerking komen om minister te worden.

De roman speelt zich af op één dag: zaterdag 6 september 1958. Dit is de dag waarop de pater familias zijn tachtigste verjaardag viert. Het is ook de dag, waarop de patronen,  waarmee de afzonderlijke familieleden zich tijdens het militarisme en het naoorlogse Duitsland op de been houden, verstoord raken of verbroken worden. De roman begint ermee dat Robert boos is, dat iemand hem is komen storen tijdens zijn gebruikelijke anderhalf uur biljarten, waarmee hij stipt om half tien begint. De roman eindigt ermee dat de oude Fähmel zijn decennialange gewoonte om op hetzelfde tijdstip in hetzelfde restaurant Café Kroner hetzelfde ontbijt te nuttigen beëindigt. Hij beseft dat hij met dit verbreken van het patroon ook zijn standbeeld onderuithaalt dat de gemeenschap wil plaatsen en dat is ook zijn bedoeling. Het is de dag waarop Schrella na jaren weer terugkomt, waarop Hugo door de familie Fähmel geadopteerd wordt. Het is de dag waarop Jozef Fähmel ontdekt dat zijn vader de abdij, die zijn grootvader, de oude Fähmel, heeft ontworpen en laten bouwen, heeft opgeblazen. Het is de dag waarop het georganiseerde feest in Café Kroner wordt afgezegd, omdat de oude moeder, die in een inrichting is opgenomen, haar diep gekoesterde wens om een representant van het militarisme neer te schieten, uitvoert.
Het jaar 1958 is een bijzonder jaar, omdat de oude mevrouw Fähmel nog een artikel uit de nazitijd herinnert die zich denkbeeldig in dat jaar afspeelt, over een Duitse boer met zijn gezin die een boerderij aan de Wolga heeft. Maar zij is opgenomen in een inrichting, dus niemand hoeft zich iets van haar fijngevoeligheid en inzichten aan te trekken.

De opgang van de familie Fähmel in de stad begint ermee als een jonge, dan nog vrijgezelle architect een wat uitzonderlijk ontbijt bestelt in Café Kroner en aangeeft dat voortaan te komen nuttigen op hetzelfde tijdstip. Daarmee begint hij met het creëren van zijn eigen legende. Het is zijn spel om het uit te houden in een militaristische samenleving. Hij doet mee aan een prijsvraag voor het ontwerp van een nieuwe abdij in de buurt. Tijdens zijn diensttijd, als hij voor het leger gebouwen moet ontwerpen en bouwen, gaat hij uit verveling een ontwerp maken voor die nieuwe abdij. Hij daagt daarbij twee bekende kerkarchitecten uit, die naar zijn idee troosteloos bouwen. Met zijn ontwerp wil hij bouwen aan een nieuwe toekomst van Duitsland, zijn impliciete poging het militarisme en de hiërarchische samenleving te doorbreken. In zijn ontwerp neemt hij namelijk mee dat er geen scheiding is tussen de broeders en de monniken en de abt als primus inter pares zal zijn. Met dit ontwerp wint hij en de abdij wordt onder zijn leiding gebouwd.

Nadat hij zich in de stad gevestigd heeft, trouwt hij met een dochter uit een aanzienlijk geslacht. Deze dochter verliest twee van haar broers bij een slag in de Eerste Wereldoorlog waarmee het vroeger zo aanzienlijke geslacht Kilb uitsterft. Zij heeft een grondige hekel aan het militarisme en aan degenen die zich daardoor laten meeslepen. In de Eerste Wereldoorlog durft zij in het openbaar de keizer en Hindenburg een nar te noemen. Dat is zo onvoorstelbaar, dat niemand het haar na durft te zeggen. Ook niet in het proces dat tegen haar wordt aangespannen. De tragiek is dat de kinderen wel opgroeien in een militaristische cultuur en daarmee besmet worden. Ze leren als kind gedichten over Hindenburg, wat de moeder verbiedt. De 7jarige Heinrich sterft in 1917 en het laatste woord komt uit dat gedicht: Hindenburg. Eén zoon blijkt geen weerstand te kunnen bieden aan het militarisme: Otto. Hij wordt daardoor besmet. Hij wordt een vreemde voor zijn eigen familie, omdat hij eet van het sacrament van de buffel en is zelfs in staat om zijn familie aan te geven. Hij sneuvelt in de oorlog. Extra wrang is, dat zijn moeder van hem zwanger was, toen zij de keizer en Hindenburg een nar noemde en de zwangerschap van haar wordt gebruikt als een excuus voor haar labiele situatie, waardoor ze haar straf ontloopt.

De andere zoon, Robert, wil zich niet laten meeslepen door het militarisme. Hij weigert om te eten van het sacrament van de buffel. Hij heeft een oog voor onrecht dat wordt aangedaan. Een weerloze klasgenoot, Alfred Schrella, die tijdens de veldsport kastiën wordt mishandeld door de bal hard tegen hem aan te gooien, wordt door hem gered. Hij wordt uitgenodigd voor een bijeenkomst, waar hij het tegenovergestelde leert: het sacrament van het lam. Omdat hij goed in formules is, fabriceert hij een bom, die gebruikt wordt als wraak tegen de gymleraar. De aanslag mislukt en Robert moet vluchten. Op voorspraak van zijn moeder, de enige keer dat zij een knieval voor het militarisme maakt, mag hij weer thuiskomen. Hij heeft dan inmiddels een kind bij Edith Schrella, de zus van Alfred. Omdat hij goed is in formules, wordt zijn straf kwijtgescholden en moet hij in dienst. Hij komt in dienst van een generaal, die alle zicht op de werkelijkheid is kwijtgeraakt en veel gebouwen in zijn omgeving laat opblazen, alleen maar om schootsveld te krijgen. Robert werkt hieraan mee, uit wraak op het militarisme.


In de laatste dagen van de oorlog blaast hij de abdij die door zijn vader gebouwd is op. Een daad die niet begrepen wordt door de Amerikaanse officier die hem ondervraagt. Voor zijn familie blijft dit geheim verborgen, tot die 6e september als zowel zijn vader als zijn zoon ontdekken dat Robert de abdij heeft laten opblazen. De reden waarom hij die abdij heeft laten opblazen is dat de monniken het SS-lied Es zittern die morschen Knochen hebben gezongen tijdens een kampvuur en daarmee het sacrament van de buffel hebben aangeboden. Na de oorlog neemt Robert nog twee keer wraak op wat er in de oorlog gebeurde. Twee keer maakt hij een rekenfout met betrekking tot de belasting. Een van de rekenfouten heeft betrekking op de Wilhelmsgracht, waar Robert door Nettlinger is gemarteld.
Roberts manier om het militarisme te ontlopen is om te denken in formules en door een strak geordend leven. Dat is zijn innerlijke emigratie. Er is er maar één, die hem kan bereiken in zijn innerlijke emigratie en dat is Edith. Edith wordt de moeder van zijn kinderen Jozef en Ruth. Edith komt in de oorlog om als het huis van de familie Fähmel wordt getroffen door een bom en Edith omkomt.

De oude Fähmel blijft koud onder de ontdekking dat zijn zoon de abdij heeft opgeblazen. Hij zou al zijn bouwwerken wel kwijt willen raken als hij degenen die overleden zijn, zoals zijn schoondochter Edith, terug zou kunnen krijgen. Ook wil hij geen standbeeld, omdat hij zijn zoon Otto niet heeft kunnen behoeden voor het militarisme. Hij weet dat de gemeenschap een standbeeld voor hem wil oprichten, maar hij krijgt er steeds meer weerzin tegen, omdat hij beseft dat hij te weinig heeft gedaan om zijn gezin te beschermen tegen het sacrament van de buffel. Hij had zijn handen vol om zichzelf te beschermen tegen dat militarisme. Alleen door een leven als een soort spel wist hij het vol te houden. Hij wil geen monument, ook geen monument in de vorm van stenen, zoals een herbouwde abdij.

Zijn vrouw heeft dit waarschijnlijk ook gemerkt dat de monniken niet weerbaar waren tegen het sacrament van de buffel. Tijdens de oorlog deelt ze alles wat ze van de abdij kreeg onder de armen uit, zodat de eigen kleinkinderen weinig te eten zouden krijgen. Zou dat voor de grootmoeder ook een weerzin tegen de monniken die van het sacrament van de buffel hebben gegeten, terwijl ze wisten dat er een ander sacrament is: het sacrament van het lam? Omdat zij dit eten bij de kleinkinderen weghoudt, wordt zij naar een inrichting weggebracht, maar vindt dat zij minder gek is dan degenen die van het militarisme houden en na de oorlog daar nog niet van genezen zijn. Vol wraak is zij om de personen die het militarisme haar gezin hebben binnengebracht neer te schieten. Na de oorlog wreekt zij zich uiteindelijk toch: het is de moord op het fatsoen. Omdat de oude patronen doorgaan en de militaristen hun invloed blijven behouden.
De familie Fähmel is onbuigzaam geweest. De familieleus, die overgenomen is van de familie Kilb is: Vol is uw rechterhand van geschenken. Deze leus staat voor de onbuigzaamheid, het verzet; de familie laat zich niet omkopen en eet niet van het sacrament van de buffel.

De roman is zeer gelaagd, onder andere door de vele toespelingen op het eten van het sacrament van de buffel (het militarisme) en het sacrament van het lam (kwetsbaarheid en weerloosheid). Alfred zegt tegen Robert dat hij door Nettlinger en anderen wordt getreiterd en gemarteld omdat hij niet kan eten van het sacrament van de buffel. Hij is een lam. Robert wil geen lam zijn, maar belooft vanwege Edith nooit van het sacrament van de buffel te eten. Hij wil geen lam zijn, maar kan volgens Alfred wel een herder zijn, die de schapen hoedt. Als Robert aan zijn moeder denkt, die op zaterdagavond de tafel dekt, moet hij denken aan haar Weid-mijn-lammeren-stem. Hugo, de jongen uit het hotel in wiens nabijheid Robert altijd om half 10 biljart, lijkt op het lam Gods. Hij wordt geadopteerd door de familie omdat zijn gezicht op dat van Edith lijkt. Er is ook een wat bizarre passage over een cultus van het lam. Dan wordt het sacrament van het lam heel letterlijk genomen. Alles wat van een lam afkomstig is wordt verheerlijkt.

In deze maatschappij waarin de oude patronen gewoon doorgaan, alsof er geen verschrikkelijke oorlogen zijn geweest en geen geliefden te betreuren zijn, breekt de familie Fähmel met het eigen patroon. Dat patroon was voor hen een innerlijke emigratie, om het vol te houden en niet besmet te worden. Het is hun manier om te spotten met het militarisme en de hardnekkigheid van die oude patronen. Hun daad van  verzet. Opnieuw een daad van verzet. Subtiel en impliciet een daad van verzet, zoals zij dat eerder ook deden. Ook de hoop breekt subtiel door: in de glimlach van de oude Fähmel, die het lachen was verleerd. In de ironie waarmee de oude Fähmel de taart in de vorm van de abdij, bedoeld als eerbetoon, aansnijdt, wetend dat hij zijn eigen monument in stukken snijdt.

Dit jaar is het 100 jaar geleden dat Heinrich Böll werd geboren.

Preek zondagmorgen 19 februari 2017

Preek zondagmorgen 19 februari 2017
Johannes 5:1-21
Tekst: Maar Jezus antwoordde hun:  Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook (HSV). Mijn Vader werkt aan één stuk door en daarom doe Ik dat ook (NBV).

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn studententijd, toen ik nog maar net preekte,
heb ik ooit een kritische reactie van een Jood gehad.
Terwijl bijna alle kerkgangers bij de uitgang zeiden: ‘Mooie preek!’
zei deze man bij het naar buiten gaan:
‘Jullie christenen zijn altijd zo somber, jullie missen de vreugde.
Voor ons Joden is dat, die vreugde, juist de kern van ons geloof.’
Het Joodse geloof is een leven vol vreugde
en het dienen van God is een vreugdevolle aangelegenheid.

Nou ja, zou u u kunnen zeggen, als christen ken ik ook wel vreugde.
Maar is dat dan niet veel meer een innerlijke vrede, die van binnen gevoeld wordt?
Wat die Joodse man bedoelde, was dat die vreugde niet alleen van binnen gevoeld wordt,
maar dat je jezelf onderdompelt in de vreugde van het kennen en dienen van God,
dat die vreugde je meeneemt en doortintelt,
ook in de moeilijke en donkere tijden die het volk van God kent.
Die vreugde wordt dan gevoed door de sabbat en de grote feesten het volk kent,
feesten waarop het Joodse volk viert dat Gods werk altijd doorgaat.
Hij liet dat zien in de uittocht uit Egypte (Pesach),
in Zijn begeleiding van het volk door de woestijn (Loofhuttenfeest).
God zit niet stil in de hemel, maar strijdt steeds weer opnieuw voor Zijn volk
en staat klaar om degenen die Zijn hulp nodig hebben, bij te staan.
Hij, Israëls wachter sluimert niet en slaapt niet.
Bij die feesten wordt daarbij stilgestaan en dat gevierd,
dat God niet met de armen over elkaar zit in de hemel en maar afwacht,
maar actief betrokken is op wat er op de aarde gebeurt – de aarde die Hij schiep.
Door Gods betrokkenheid te vieren wordt, het geloof in God gevoed
en ook de vreugde en is leven een leven met uitbundige vreugde.

De Heere Jezus gaat naar Jeruzalem om zich onder te dompelen in deze feestvreugde,
deze vreugde om Zijn Vader, die altijd bezig is met wat er op aarde gebeurt.
Op naar Jeruzalem, de stad van God, Zijn Vader!
Je zou verwachten dat Hij daar naar toe gaat, om net als Zijn Joodse broeders en zusters,
Zijn Vader te aanbidden in de tempel, het hart van de Joodse godsdienst,
daar waar de offers gebracht worden
en de geur van het verbrande vlees van de offers de geur is van verzoening met God,
de zoetige geur van de wierook, de geur van de gebeden die tot God worden opgezonden
en dat Hij in de geur van wierook en offer wordt meegenomen in de vreugde voor God.
Maar Hij gaat naar een andere plaats, minder uit het centrum, aan de rand,
vlak bij de poort waar een andere geur hangt,
van mensen die langdurig ziek zijn
en voor verzorging en verpleging afhankelijk zijn van anderen,
de geur van mensen die zich lang niet hebben gewassen,
omdat er niemand is die hen wast of misschien zelfs niet eens verschoont,
een plek waar de honderdduizenden die de stad voor God bezoeken niet snel zullen komen,
waar gezonde mensen, die er geen familie of bekende hebben, het niet lang uithouden.
Bethesda, het huis waar zieken zijn opgeborgen,
wachtend op dat ene moment dat er voor hen redding is uit het hopeloze bestaan,
als die engel het water aanraakt en de eerste die het water in gaat genezen wordt
en deze onheilsplek mag verlaten.
Bethesda, het is een plek ver weg van het feestgedruis in de tempel in Jeruzalem
en waar iemand die er voor het eerst komt,
zich afvraagt of het wel waar is, dat God in de hemel niet stil zit
en klaar staat om Zijn volk te helpen.
Want als God bewogen is met Zijn volk,
waarom dan juist niet met deze mensen,
die niet mee kunnen doen met de vreugde in de tempel
en veilig zijn opgeborgen in dit tehuis, zodat de pelgrims die de stad bezoeken
niet worden geconfronteerd met deze ellende.
Als Jezus in Jeruzalem aankomt, gaat Hij niet naar de tempel,
maar naar deze voor veel mensen uitzichtsloze plaats,
waar ze liggen te wachten, op dat voor hen gunstige moment.

We zongen aan het begin van de dienst: Waar Jezus komt, zal de nacht verdwijnen.
Het is de moeite waard om te kijken, waar Jezus komt.
Daar waar de vreugde in ieder geval ver weg is
en waar mensen zich afvragen of God hen niet vergeten is.

Keer eindlijk, Heer’, toch weder;
Mijn ziel buigt zich terneder,
Ai, red haar van ’t verderf.
Sla mijn ellende gade,
Tot roem van Uw genade,
En help mij, eer ik sterf.

Daar komt Jezus aan, in het huis van die wachtende zieken, blinden, kreupelen, verlamden.
Tussen al die mensen die daar lagen, is er één man die door Jezus wordt gezien.
Waarom die ene man en niet al die andere mensen?
Waarom helpt Jezus alleen deze ene man?
Met de genezing van al die andere zieken had Jezus toch duidelijk kunnen maken,
dat God inderdaad werkt en niet met de armen over elkaar, alleen maar zit toe te kijken.
Het is een vraag die gelovigen vandaag de dag ook wel kan bezig houden:
Al die mensen die ziek zijn, hoe zit het daarmee?
Waarom wordt niet iedereen beter? En waarom zijn er zoveel mensen die ziek blijven,
soms wel langdurig, net als deze man die 38 jaar lang daar ligt.
Waarom deze ene man?
Omdat Jezus de wanhoop van deze man ziet.
Mijn Vader werkt altijd en Ik ook, zal Jezus later zeggen.
Hij zit niet stil en heeft Zijn hart niet afgesloten,
maar ziet deze man die daar al 38 jaar lang ligt.
Ik heb me proberen voor te stellen hoe dat is: 38 jaar lang ziek te zijn
en daar maar te liggen.
Ik ben zelf nog geen 38. Dat hoop ik dit jaar te worden.
Ik kan het me ook niet voorstellen, hoe het is om verlamd te zijn.
In mijn vorige gemeente was er iemand, die eerst eenzijdig verlamd was
door een hersenbloeding en van wie later de goede kant nog erger getroffen werd.
Elke keer als ik haar bezocht had in het ziekenhuis,
voelde ik mij zo levendig, was ik bewust van mijn eigen lichaam, van wat ik kon:
opstaan en weglopen, naar buiten de gang op, met de trap naar beneden,
naar buiten, naar de fiets of de auto en dan wegrijden.
38 jaar lang ziek.
Sommigen denken, dat het te maken heeft met de geschiedenis van Israël in de woestijn,
die 40 jaar dat het volk door de woestijn moest trekken en dat dit teken
ook iets zegt over het volk Israël, dat verlamd was en door God genezen wordt.
In het evangelie van Johannes hebben de wonderen van Jezus een bijzondere betekenis,
het zijn nooit zomaar wonderen, Johannes gebruikt dat woord ook niet,
maar tekenen, die ergens naar verwijzen, die verwijzen naar wat Jezus komt doen.
Johannes noemt dit wonder geen teken,
maar naar mijn idee wijst het wel vooruit naar Pasen, naar de opstanding.
Want een man die al 38 jaar verlamd ligt.
Stel dat hij zo geboren is, dan heeft hij geen ander leven gekend,
dan dit liggend leven, altijd afhankelijk van anderen,
met het idee dat hij anderen alleen maar tot last is,
daarin bevestigd doordat hij door iedereen verlaten is.
Of stel dat hij opgroeide als een gezond persoon, maar later dit kreeg,
dan had hij zich in die bijna 4 decennia zich verzoend dat dit het is:
het wordt niet anders.

Jezus komt bij hem en stelt een vraag, die heel pijnlijk en weinig tactvol kan overkomen:
Wil je wel gezond worden?
Aan iemand die al zo lang ligt en geen hulp meer heeft, de vraag stellen
of hij nog wel verlangd naar een ander leven?
Zou hij er nog aan gedacht hebben, dat er een ander leven mogelijk is?
Wil hij het nog wel of heeft hij de hoop opgegeven?
Dit is het geworden, iets anders wordt het niet meer.
Dan die vraag van Jezus: wil je gezond worden? Wil je dat nog wel?
Een leven met een gezond en beweeglijk lichaam is zo onmogelijk geworden,
dat deze man daar niet eens meer over droomt.
De man kan die vraag ook niet horen, want hij geeft er geen antwoord op.
Hij kan alleen nog maar iets van zijn hopeloze situatie laten zien:
Ik heb niemand meer.
Niemand meer uit zijn oude leven als gezond persoon, die wist hoe hij was.
Geen familie meer die hem opzoekt.
Niemand die speciaal voor hem komt,
hem eten komt brengen, hem komt verschonen, hem komt voorlezen of vertellen.
Niemand die hem zal begraven en bij zijn begrafenis iets zal vertellen over hoe hij was.
Vergeten ben ik, als een dode, weg uit het hart,
afgedankt als gebroken aardewerk (Psalm 31:13)

Ik heb niemand meer, die mij helpt: een levende dode.
Deze woorden klinken op een sabbat, de dag van God,
tijdens een feest waarin de naam van de Heere wordt uitgeroepen: Ik ben die Ik ben,
Ik ben julie God, die voor jullie klaarstaat en opkomt,
die van Zich laat horen als jullie tot mij roepen.
Ik heb geen mens, zegt deze man, over God heeft hij het al helemaal niet meer,
een klacht die geuit wordt, maar niet zoals in de Psalmen gebeurt, naar God toe geuit wordt,
maar zomaar, als een opmerking waaruit blijft dat hij alle hoop heeft opgegeven.
Later als Jezus vertelt dat Hij de goede herder is,
en dat de schapen Zijn stem herkennen en opvolgen,
zegt Hij ook: Ik ben gekomen om het leven te geven in al Zijn volheid.
Tegen deze man zegt Hij niets over zichzelf,
ook niet dat Hij dé mens is, zoals Pilatus dat later zal zeggen: Zie de mens!
Ook niet dat Hij het Woord van God, het spreken van God
dat mens geworden is, net zo kwetsbaar en broos als die man die al zo lang ligt.
Alleen maar een opdracht voor de man die zich al die 38 jaar niet heeft kunnen verroeren
en die niemand om zich heen heeft om hem te helpen:
‘Sta op, neem je matras op en wandel.’
Geen aanraking of andere handeling waardoor er kracht overvloeit in die verlamde man.
Alleen enkele woorden, die ongelooflijke woorden: sta op!
Die man die levend dood was, geen hoop meer had: sta op!
Die later van Zichzelf zegt: Ik ben de opstanding en het leven,
Die later zelf opstaat uit de dood deelt Zijn opstandingskracht nu al uit: Sta op!
En om aan te geven dat deze man nooit meer terugkomt, klinkt er een 2e en 3e opdracht:
neem je matras op en ga heen! Je komt hier niet meer terug!
Je bestaan hier is voorbij, een nieuw bestaan, een nieuw leven!

Het is tijdens een feest van de Joden, op een sabbat.
Dat zijn niet zomaar wat losse opmerkingen van de evangelist,
maar geven aan waar het hier om gaat: om God die niet stil zit, maar altijd werkt!
Hij sluimert niet en slaapt niet, de bewaarder van Israël.
Er zit iets uitdagends, iets provocatiefs in die genezing op de sabbat van dat feest.
Je hoort het de Joodse leiders hardop denken:
Na die 38 jaar, had het niet een dag kunnen wachten, tot de sabbat voorbij is?
Maar voor Jezus is dit juist de kern van de sabbat:
dat mensen bevrijd worden van de boeien die hen gevangen houden,
dat ze opstaan uit de dood en van Jezus het leven in alle volheid krijgen,
dat ze erbij stil staan, dat God altijd werkt, altijd bezig is, nooit rust neemt.
En al houden wij geen sabbat: de zondag is daar ook voor bedoeld:
dat je het weet: de week die we begonnen zijn, gaan we in met God die nooit stil zit,
ook voor mij niet en zelfs het meest hopeloze kan veranderen,
zelfs de meest krachtige boeien van ziekte en dood kan verbreken,
op zondag de bevestiging van wat Jezus zegt: Ik werk ook altijd!
Mijn kracht die Ik in de opstanding liet zien,
waarmee Ik boeien van de dood verbrak,
Mijn kracht die ik liet zien op Golgotha
toen de macht van de zonde en de duivel verbroken werden, ze gelden altijd en elke dag.
Net als Mijn Vader werk Ik ook altijd.
We hebben een God die nooit vakantie neemt, nooit een dag vrijaf.

En de rustdag van God dan?
Hij rustte op de 7e dag?
Rusten houdt niet in dat God inactief is, en zich afzondert van de wereld
en er op uit trekt.
Elia zei dat over Baäl, om aan te geven dat de Heere toch echt een andere God is:
misschien is jullie god wel op vakantie of heeft hij zich terug getrokken om te rusten.
God is onvermoeibaar
en je zou kunnen zeggen: rusteloos om ons het goede te geven
en redding te brengen en ons te bewegen tot geloof
En ons geloof te beschermen en te bewaren tegen de aanvallen van de boze.
Wij hebben te rusten om dat te zien, om dat te geloven
en dat geloof te voeden, omdat we anders een week ingaan
en het vergeten dat er een God is die werkt.
Geen wonder dan dat wij als gelovigen dan niet werkelijk de vreugde hebben,
maar een zekere triestheid of wanhoop in ons meedragen,
omdat we dan vergeten dat God altijd werkt.
God breekt altijd de sabbat.
En wat God met de sabbat wilde laten zien,
Wordt voor christenen zichtbaar in Jezus: Hij is de sabbat, de vervulling van de sabbat.
Ook al houden we de sabbat niet meer, omdat we de zondag hebben,
als de dag van de opstanding van Christus, die we dan vieren, elke week weer
om voor onszelf te weten dat ons leven zich afspeelt binnen het bereik van de levende Heer,
vanuit de kracht van Zijn opstanding en de hoop op een nieuw en eeuwig leven.
Daarom moeten we de zondag ook niet teveel losmaken van van de sabbat,
één dag om te weten dat God altijd werkt, om die vreugde te vinden, ook als het tegenzit.
Wanneer je dat niet meer viert, dat God altijd werkt,
dan wordt het een vraag hoe dat zit met mensen die ziek zijn en niet beter worden.
Al die honderden, misschien wel duizenden in Bethesda, die niet genezen werden,
ook voor hen geldt dat God dag en nacht werkt en nooit rust.
Maar dat werken voor hen is niet altijd genezing.
Ook voor degenen die nu vandaag de dag met ziekte te kampen hebben,
of met een beperking, geldt: u bent niet buitengesloten van Gods werken, niet vergeten!
Het kan zijn dat u Gods werken op een andere manier leert kennen
dan wanneer u gezond bent.
Dat u iets merkt van wat de Heere Jezus in Zijn lijden heeft overgehad,
of dat je in de periode van ziekte merkt dat je naar de Heere toe gedreven wordt.
En vaak weten we niet waarom het gebeurt en waarvoor het zo moest zijn
en gaat God een weg, die wij zelf niet gekozen zouden hebben.
Maar we mogen wel weten en geloven,
Dat zelfs in het diepste dal Jezus kan komen: Waar U bent, zal de nacht verdwijnen.
Hoe sterk die nacht ook kan zijn, zoals dat met bijvoorbeeld depressiviteit kan zijn,
en hoe lang die nacht ook kan zijn, waaruit jezelf niet kan opklimmen,
de Heere heeft die macht wel, Hij is sterker dan welke macht ook.
Waarom Hij die macht niet altijd verbreekt, dat weten we niet altijd.
Dat is geen teken van ongeloof, of van te weinig bidden, van vergeten zijn.
Het is onze taak als gelovigen niet om daar een mening over te hebben,
maar om te blijven geloven, dat ook in deze wanhoop Jezus kan komen
en misschien wel gekomen is, maar dan op een niet zo zichtbare en tastbare manier.
Het is onze taak om het uit te houden en uit te zien, om te hopen en te verwachten
Omdat Jezus zegt: Mijn Vader werkt aan één stuk door en Ik doe dat ook!
Al weten wij niet altijd hoe Hij dat doet, wel dat Hij dat doet.

Nooddruftigen vergeet God niet,
Noch laat hen eindloos in ’t verdriet.
’t Ellendig volk mag op Hem wachten;
Hij zal hun hoop niet steeds verachten.
Amen

Vragen bij Hou(d)vast hoofdstuk 13

Vragen bij Hou(d)vast hoofdstuk 13 Gedreven door Zijn liefde. Over discipelschap

Vraag 1: Wat weet je over discipelschap? Is het voor jezelf een belangrijk thema?

Vraag 2: Aan welke psalm of welk lied denk je bij discipelschap? En aan welk gedeelte uit de Bijbel? Wat leer je hiervan?

Vraag 3: Gedreven door Zijn liefde – op welke manier werkt Christus’ liefde in jou door?

 

Vraag 4: Dat kun je wel zien! Waaraan kunnen mensen om je heen zien dat je christen bent? Wat zou je willen laten zien wat je nu (nog) niet laat zien?

 

Vraag 5: Bij Mattheüs 16:21-27:
a) Waarom moest Jezus lijden?
b) Waarom zou Petrus Jezus willen tegenhouden?
c) Hoe kunnen wij nu achter Jezus aankomen?
d) Wat kan het volgen van Jezus je kosten? Heb je dat ervoor over?
e) Wat levert het volgen van Jezus je op?

Vraag 6: Vind je het zelf moeilijk of makkelijk om in onze tijd Jezus te volgen? Wat is voor jou een belemmering om Jezus te volgen.
Wat zegt het boekje over het volgen van Jezus in deze tijd? Wat maakt het volgens het boekje dat volgen moeilijk? Herken je dat? Of juist niet?

Vraag 7 Discipelschap is: ‘God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf.’ In de rest van het hoofdstuk worden de beide kanten uitgelegd.
God liefhebben boven alles heeft te maken met: (1) geroepen worden, (2) een persoonlijke relatie, (3) gehoorzaamheid
Kun je van van jezelf vertellen: hoe is dat in jouw leven gegaan:
(1) wat heb je van roeping gemerkt? Wat dat iets bijzonders? Of ging dat meer geleidelijk aan? Welke gebeurtenissen kun je achteraf typeren als een roeping?
(2) Hoe ziet jouw persoonlijke relatie met God eruit? Hoe onderhoud je die relatie?
(3) Op welke manier ben jij gehoorzaam aan Christus? Doe je iets wat je als je niet zou geloven niet zou doen? En laat je iets na wat je als niet-gelovige wel zou doen?

Vraag 8 ‘Zijn naam belijden’ – dat kan op verschillende manieren:
– met je woorden: tegen anderen vertellen, getuigen
– met je daden: naastenliefde, eenvoudig leven, kruisdragen, zelfverloochening.
Op welke manier doe jij dat (a) met woorden, (b) met daden? Wat vind je zelf makkelijker? Verschilt je antwoord van vraag 3 & 4?


Vraag 9: Als christen heb je hoop, omdat je een wereld mag verwachten. Ben jij altijd hoopvol? Waarom wel/niet?

 

Preek zondag 12 februari 2017

Preek zondag 12 februari 2017
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Johannes 3:1-15
Tekst: Vers 14-15

Gemneente van onze Heere Jezus Christus,

Nu we vandaag met elkaar het avondmaal vieren,
staan we weer stil bij de betekenis van het kruis op Golgotha
en luisteren we naar de stem van Christus zelf, die tegen ons zegt:
‘Ik heb Mijn lichaam aan het kruis laten vastspijkeren, voor jou.
Mijn lichaam werd aan het kruis verbroken, voor u.’
Het brood dat u aangereikt krijgt, van Christus zelf,
onderstreept dat nog eens: Hij deed dat echt voor u,
om u een nieuw leven te geven, een eeuwig leven.
De beker met daarin de wijn die Christus jou aanreikt
herinnert jou eraan dat er een hoge prijs is betaald
om jou bij God terug te brengen
en die hoge prijs is dat het Christus Zijn leven heeft gekost:
Hij stierf aan het kruis op Golgotha.

Jezus laat aan Nicodemus al weten,
dat er op Golgotha een kruis zal staan dat voor Hem is bestemd.
De Zoon des mensen zal verhoogd worden:
Zijn lichaam zal aan een kruis worden vastgemaakt en omhoog getild worden,
boven de mensen uit, zodat iedereen kan zien, dat Hij aan een kruis hangt.
En dat zal niet zomaar gebeuren,
maar dat heeft een bedoeling – God heeft daar een bedoeling mee.
Om uit te leggen waarom Hijzelf daar aan het kruis hoog opgetild zal worden,
verwijst Christus naar een verhaal uit het Oude Testament.
Nicodemus, je kent het Woord van God heel goed.
Elke dag leef je in dat Woord van God.
Er is een verhaal uit de tijd dat het volk Israël door de woestijn ging,
vanuit Egypte naar het Beloofde Land.
Het volk moppert weer eens moppert over het brood dat ze krijgen,
manna – het brood dat de Heere hen uit de hemel geeft, vanuit Zijn zorg.
Ze zeggen tegen God: U hebt ons naar de woestijn gebracht
om ons hier te laten sterven, zonder water en zonder brood.
De hand van God, die hen uitleidde uit het harde bestaan in Egypte
en hen onderweg doet zijn naar een eigen land, dat de Heere hen heeft beloofd,
waar ze in vrijheid kunnen leven.
Ze kunnen alleen maar zien, dat God hen leidt om hen te vernietigen daar in de woestijn.
Een diep wantrouwen richting God, waardoor ze niet kunnen zien
dat de Heere juist het goede met hen voorheeft en hen wil leiden als herder, als Vader.
Dan komen er giftige slangen, door God gestuurd
en wie door die slang gebeten wordt, overlijdt.
Maar dan is er die slang, die Mozes van God omhoog moet richten.
En wie naar die slang kijkt, zal worden gered.

Zo zal de Zoon des mensen verhoogd worden,
net als die slang die omhoog getild werd
en redding bracht voor wie naar deze slang keek.
Wie naar dat kruis opkijkt, waarin Christus hing, hoger dan de mensen om Hem heen,
en gelooft dat Hij daar niet zomaar hing,
maar om ons te laten zien dat Hij daar hing aan het kruis, voor ons.
Opdat een ieder die gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.
Vanmorgen als we het brood breken, kijken we op naar het kruis waar Christus hing.
Als we de wijn aangereikt krijgen, zien we dat Christus daar lijden, in onze plaats
en mogen we geloven dat Zijn sterven voor ons alles betekent:
we hoeven niet verloren te gaan, maar mogen weten dat er eeuwig leven is.
Het brood dat gebroken wordt en dat op de schaal langs komt geeft aan:
dat eeuwige leven is er ook voor jou, voor u, pak het maar,
want daarvoor is Jezus gestorven
neem, eet en gedenkt gelooft dat Hij ook voor jou is verbroken.
Zoals er voor het volk Israël redding was, toen ze opkeken naar die slang en mochten leven,
zo is er redding voor ons, voor u, voor jou,
als je dat kruis voor ogen ziet en gelooft: dat deed Hij voor mij.
Het moest zo zijn, want daardoor mag ik komen bij God,
leven met God en daardoor mag ik bij Hem komen aan het avondmaal
en daar te gast zijn, het brood krijgen dat wijst naar Zijn sterven,
de wijn drinken die wijst naar Zijn bereidheid.
Het is Jezus zelf die het tegen ons zegt: Kijk naar mij op en zie wat ik voor je doe,
hoe ik daar hang aan het kruis, daardoor kun je leven.
En het is Christus zelf die ons roept om te komen:
Neem van het brood en proef dat die redding, dat eeuwige leven er ook voor jou is.
Drink de wijn en weet dat Ik het voor jou volbracht heb.
De Zoon des mensen – die moet worden verhoogd.
Jezus gebruikt een bijzondere aanduiding, die Nicodemus gekend zal hebben.
Zoon des mensen, dat is God die als rechter komt, om het oordeel uit te spreken.
De Zoon des mensen zal worden verhoogd,
Niet om het oordeel uit te spreken, maar om te zeggen:
Dat oordeel is voor Mij, zodat jij, zodat u vrijgesproken zal worden.
Kom naar Mijn tafel en wees Mijn gast,
zodat je het kunt ontvangen, zodat je het zelf kunt proeven, wat ik voor je heb gedaan,
zodat je zelf kunt zien, hoe dat kruis op Golgotha er stond,
hoog opgericht zodat het niet verborgen zou zijn wat daar gebeurde,
maar u, jij het ook zou kunnen zien en u, jij het zou weten: het is ook voor mij.
Ik mag dit geloven, ik mag deze genade aannemen.

Lof Hem, die door zijn kruis en dood
gena voor zondaars heeft bereid!
Lof Hem en zijne liefde groot,
alom en tot in eeuwigheid!

Amen

De liturgie van het gewone, alledaagse bestaan

De liturgie van het gewone, alledaagse bestaan
download
De voorkant van het boek was al genoeg: twee belegde boterhammen. En dan het onderwerp: vormen en manieren vinden om in het alledaagse bestaan bezig te zijn met God. Een mooi boekje van Tish Harrison Warren (Anglicaans priester en als moeder van een gezin maar te zeer bekend met het alledaagse bestaan): Liturgy of the ordinary. Sacred places in everyday life. Met dit boekje ben ik bezig vanwege een recensie voor het Friesch Dagblad.

Het dagelijkse leven kent ook een liturgie (net als een kerkdienst). Dat ontdekte Tish Harrison Warren toen ze in de Veertigdagentijd de dag begon met bed opmaken. Voorheen begon ze met haar mobiel eerst Facebook en Twitter te checken. Al scrollend ontbeet ze, waarbij ze chagrijnig op de vragen van haar kinderen reageerde. Over dat bed opmaken had ze wel eens iets gevraagd op Facebook en had toen veel reactie gekregen. Beginnen met opmaken is de dag beginnen met orde in de chaos scheppen. Toen ze zich meer ging verdiepen in die alledaagse liturgie ontdekte ze dat Lutheranen de dag beginnen met een kruisje slaan als teken dat ze de dag beginnen als gedoopte.

Nog twee citaten:
‘Tijdens zijn promotieonderzoek leerde mijn man Jonathan een voormalig Jezuïet kennen die nu een getrouwde hoogleraar is, een man die heiligheid uitstraalde, een provocateur en geliefd bij zijn studenten. Op een keer kwam een student naar hem toe met een klacht over Augustinus’ Confessiones die hij had moeten lezen: ‘Het is zo saai.’ ‘Je bent zelf saai,’ antwoordde deze professor.
Wat Jonathans professor bedoelde was dat als wij de rijkdom van het evangelie en van de kerk saai vinden, wijzelf in feite uitgehold zijn. We hebben ons vermogen verloren om ons te verwonderen over wat echt de moeite waard is. We moeten (opnieuw) gevormd worden als mensen die in staat zijn het goede, het ware en het schone te waarderen.’

‘Onze verslaving aan stimulansen, input en entertainment maken ons leeg. Ze zorgen ervoor dat wij niet meer in staat zijn om het bijzondere van het gewone, alledaagse leven in Christus te omarmen.
Zoals Kathleen Norris schrijft: ‘Net als de liturgie ontleent het schoonmaken betekenis aan de herhaling, van het gegeven dat het nooit af is, maar alleen even aan de kant gezet wordt tot de volgende dag. Zowel de liturgie als wat we eufemistisch “huishoudelijk werk” noemen hebben een intense relatie met zijn in het nu, een vorm van geloof in het heden waardoor de hoop gevoed wordt en het leven mogelijk wordt van dag tot dag.’
Dagelijks leven, de vaat, de kinderen die elke dag dezelfde vragen stellen en de zelfde verhalen steeds weer willen horen, en weer opnieuw, de windstilte van de avond – deze onderdelen zijn gevuld met herhaling. En veel van het christelijke leven houdt in dat we steeds hetzelfde werk doen en dezelfde gewoonten in de eredienst. We moeten ons steeds weer opnieuw met dezelfde geestelijke worstelingen bezighouden. Opnieuw en weer opnieuw hebben we berouw en geloven we.
Aan de muur van een nieuwe christelijke monastieke communiteit zag ik een uitspraak: ‘Iedereen wil revolutie. Niemand wil de vaat doen.’ Ik was een christen die verlangde naar revolutie en blijf zo’n christen: alles nieuw en heel maken en dat groots en meeslepend. Wat is langzaam aan het ontdekken ben is dat er geen revolutie plaatsvindt als de vaat niet gedaan wordt. De vorm van het spirituele leven en disciplines waardoor het christelijke leven onderhouden wordt zijn niet luidruchtig, hebben een herhalend karakter en zijn heel gewoon en heel alledaags. Ik zou het saaie graag willen overslaan en dat alledaagse willen inruilen voor een spannend christelijk leven waarbij ik de grenzen opzoek. Maar het dagelijkse van het christelijk geloof – het bed opmaken, de vaat doen, bidden voor mijn vijanden, het lezen in de Bijbel, het stille, het kleine – zo schiet Gods verandering wortel en groeit deze verandering in mij.’