Vragen bij Mattheüs 25:1-13

Vragen bij Mattheüs 25:1-13: De gelijkenis van de 5 wijze en 5 dwaze bruidsmeisjes
hb_14.81.21) Dit gedeelte gaat over de verwachting van Christus’ komst. Kijkt u uit naar de Wederkomst van Christus? Kunt u iets vertellen hoe dat uitkijken er voor u uitziet?

2) De gelijkenis gaat over het Koninkrijk der hemelen (of, zoals de Bijbel in Gewone Taal zegt: Gods nieuwe wereld). Wat weet u van dat Koninkrijk der hemelen? Waarom zou Jezus een gelijkenis vertellen om daar iets duidelijk over te maken?

3) De gelijkenis gaat over het opwachten van de bruidegom. Wat is de taak van de 10 meisjes?

4) De vijf meisjes zonder olie zijn niet aanwezig op het moment dat de bruidegom arriveert. Wat is daar erg aan? Hadden zij zich kunnen voorbereiden? Waarom noemt Jezus de ene groep wijs en de andere groep dwaas?

5) Aan het begin van de gelijkenis slapen alle 10 meisjes. Heeft dat betekenis? Of is dat een detail dat we kunnen overslaan in de uitleg?

6) De bruidegom laat de meisjes, die later komen op het feest niet meer toe tot heeft het feest. Wat heeft dat ons te zeggen?

7) De opdracht om waakzaam te zijn (vers 13) is de toepassing van de gelijkenis. Op welke manier kunnen wij waakzaam zijn?

Vragen bij Mattheüs 5:1-16 (Bijbel in Gewone Taal)

Vragen bij Mattheüs 5:1-16 (Bijbel in Gewone Taal)

  1. Ik ben gelukkig als ik…………………………………..

  2. Kun je ook onecht geluk hebben? Kun je een voorbeeld geven?

  3. Jezus geeft uitleg over Gods nieuwe wereld. In andere vertalingen heet die nieuwe wereld van God het “koninkrijk van God”. Wat weet je over Gods nieuwe wereld / over het koninkrijk van God?

  4. Waarom geeft Jezus uitleg over die nieuwe wereld?

  5. Wat kan het je kosten als je nu al leeft volgens Gods nieuwe wereld? Heb jij dat er voor over?

  6. Als licht zul je opvallen, zegt Jezus. Waarom is dat nodig om op te vallen? Zou jij zo willen opvallen?

thumb
Afbeelding uit de Prentenbijbel van Marijke ten Cate

 

Preek hemelvaartsdag 2019

Preek hemelvaartsdag 2019
Daniël 7:7-14 en Mattheüs 28:16-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ze krijgen de opdracht om zich te melden in Galilea.
De laatste keer dat ze als groep bij elkaar waren, was in de tuin van Gethesemané,
toen Jezus opgepakt werd.
In plaats van Jezus bij te staan, zijn ze allemaal weggevlucht
en lieten ze Jezus in de steek.
En nu komt het verzoek om weer bij elkaar te komen.
Niet als voorstel van een van de andere leerlingen om als reünie bij elkaar te komen
en met elkaar te bespreken hoe ze de aanhouding en dood van Jezus kunnen verwerken,
maar een opdracht die tot hen komt van Jezus zelf. Hij is opgestaan!
De vrouwen kwamen het bericht brengen:
Ga naar Galilea en daar zullen jullie Hem ontmoeten.

Zo komen ze bij elkaar op die berg in Galilea.
Hier is het voor hen begonnen. Hier kwamen ze Jezus tegen en begonnen Hem te volgen.
Ze kijken elkaar onzeker aan.
De vorige keer dat ze bij elkaar waren, was Jezus er nog bij
en hadden ze hun mond vol over het bij Jezus blijven:
Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen, had Petrus gezegd
En de anderen hadden die uitspraak van Petrus beaamd:
Wij zullen U niet in de steek laten!
Nu ze zo bij elkaar zijn, herinneren ze zich dat ze zo overtuigd waren
van hun eigen moed en standvastigheid
en ze kijken elkaar beschaamd aan, omdat ze van elkaar weten:
We hebben dat niet waar kunnen maken. We zijn allemaal op de vlucht gegaan.
Allemaal hun eigen kant opgegaan.
Terwijl ze zich schamen over wat er is voorgevallen,
merken ze ook dat het een bijzondere situatie is: ze zijn weer als groep bij elkaar.
Er is iets dat hen samenbrengt: de kracht van de opgestane Heer.
Ze voelen aan dat er iets bijzonders gaat gebeuren: een nieuw begin.
Ze herinneren zich zijn woorden: Waar 2 of 3 in mijn Naam bij elkaar zijn,
ben Ik in hun midden.
Zou Jezus zelf komen? Of is Hij er al nu ze zo bij elkaar gekomen zijn?

Jezus is er inderdaad.
Hun Heer – opgestaan uit de dood.
Er is heel wat gebeurd nadat ze Hem voor de laatste keer zagen.
Ze hebben Hem de rug toegekeerd.
Ze hebben verhalen gehoord over hoe Jezus werd veroordeeld en gekruisigd.
Hoe Hij stierf en begraven werd.
En nu staat Hij weer in levende lijve voor hen.
Petrus, Johannes en Jakobus stoten elkaar aan.
Zoals Jezus aan hen verschijnt, dat komt hen bekend voor,
Toen ze met Jezus mee waren op een andere berg
en Jezus van gedaante veranderde: ze zagen Hem toen in Zijn hemelse heerlijkheid.
Toen bogen ze vol ontzag voor hem neer
en Petrus stelde enthousiast voor om een onderkomen te bouwen,
zodat ze Jezus samen met Elia en Mozes voor altijd bij zich konden houden
in die heerlijkheid, die hemelse glans en glorie die hen omstraalde.
Jezus wilde niet dat ze iets voor Hem en Mozes en Elia zouden bouwen.
Nu begint er iets te dagen, waarom ze dat toen niet mochten doen.
Jezus moest een andere weg gaan, die ze toen nog niet begrepen
en nu eigenlijk ook nog niet echt: de weg naar het kruis, de dood in.
Maar nu is Hij opgestaan en leeft en kunnen ze Hem hier ontmoeten.
Met z’n drieën ervaren ze weer dat bijzondere als toen op die berg
en nu gaan ze weer op de knieën, vol ontzag: U bent onze Heer.

Er zijn andere discipelen die nog niet zo ver zijn.
Ze zouden wel willen buigen, net als de andere discipelen al doen,
maar ze aarzelen.
Is dit wel de Jezus die ze kennen?
Er is een tweestrijd in hen: Ze voelen zich naar Hem toegetrokken en willen Hem aanbidden
Voor Hem op de knieën vallen
En toch is er iets in hen dat hen ervan weerhoudt.
Dit moment is te groots, om zo Jezus de opgestane Heer te ontmoeten.
Ze weten niet waar ze goed aan doen.
Kunnen ze wel voor Jezus buigen, nadat ze Hem de laatste keer in de steek lieten?
En met welke Jezus hebben ze te maken?
Wie is Hij? Toen ze in Caesarea Filippi waren, wisten ze het: U bent de Zoon van God!
Maar nu, nu Hij geleden heeft onder Pontius Pilatus, gekruisigd is, neergedaald in de hel,
opgestaan – Wie is Hij, die nu voor hen staat?
Wat is de gepaste reactie? Hoe ga je Jezus tegemoet?
Twijfel zorgt vaak voor innerlijke verwarring: Heb ik met Jezus te maken of niet?
Moet ik me neerbuigen Hem aanbidden? Of vergis ik me en heb ik niet met Jezus te maken?
Ze komen er niet uit. Wie helpt hen om te zien dat het echt om Jezus gaat?
Dat ook zij kunnen buigen voor Hem, net als de andere discipelen dat al wel kunnen.

Dan komt Jezus op hen toe.
Jezus, de opgestane, koning van hemel en aarde komt hun wereld binnen.

Niet met een heerlijkheid die hen verblindt,
of een macht die hen op een afstand houdt, of over hen heen walst.
Hij stapt op hen af. Hij stapt hun wereld in,
de wereld van de leerlingen, die niet goed raad weten met hun reactie,
die zich verscheurd voelen door de twijfel, waardoor ze niet kunnen buigen,
de wereld van de leerlingen, die weten dat ze de laatste keer dat ze bij Jezus waren
Er niet al te best voor de dag kwamen, die faalden als leerlingen van Jezus.
Zie ons voor U staan, zondig en onrein.

Vader, vol van vrees en schaamte,  buigen wij voor U.

Heel Uw werk, door ons vertreden, klaagt ons, mensheid aan bij U.
Christus maakt zich kleiner, zodat wij Hem kunnen ontmoeten,
zodat Hij bij ons kan zijn en wij Hem kunnen verdragen,
kunnen ontmoeten, kunnen aanbidden.
Hij treedt ook onze wereld binnen, onze kleine wereld, ons leven,
zodat wij Hem kunnen ontmoeten en aanbidden.
Dat is het enige antwoord op onze twijfel, op ons wel willen maar niet kunnen
dat Jezus zelf op ons toetreedt en zegt: Ik ben het, twijfel niet langer, geloof!
Waar er 2 of 3 in mijn naam bij elkaar zijn, daar ben Ik in het midden.
Zo treedt Jezus ons vanmorgen tegemoet,
Terwijl Hij in de hemel is, is Hij hier op aarde bij Zijn gemeente aanwezig.
Er is veel gediscussieerd over de vraag wat de hemelvaart betekent
voor Christus’ aanwezigheid op aarde.
Is Christus dan niet bij ons tot aan het einde van de wereld, zoals Hij ons beloofd heeft?
Wordt in de Heidelberger Catechismus gevraagd.
Dat is niet zomaar een theoretische vraag.
Dat is een vraag die ons geloof diep raakt: We kunnen niet zonder Zijn aanwezigheid.
En het raakt ook Jezus diep in Zijn wezen, in Wie Hij is.
Als Hij niet meer op aarde is, dan klopt de belofte niet die Hij gegeven heeft.
Dan kunnen we niet op Hem bouwen en staan we er alleen voor.
Daarom zegt de Catechismus: Zijn lichaam is in de hemel,
maar naar Zijn God-zijn, Zijn majesteit, Zijn genade, Zijn Geest is Hij hier op aarde.
Zo treedt Hij ook ons vanmorgen tegemoet.
Als Heer, die in de hemel woont en toch hier bij ons kan en wil Zijn,
als onze God en Heer, met Zijn macht en majesteit,
met Zijn genade, die Hij aan ons allemaal wil geven,
Aan ons, die net als de leerlingen zo vaak twijfelen en niet kunnen buigen,
al willen we soms wel, maar lukt het niet, of herkennen we Jezus niet.
Genade voor jou en mij, ons allemaal.
Zijn Geest die ons geloof geeft, leert geloven, helpt om Hem te beamen.
Zoals Jezus op de leerlingen afstapt en in hun wereld komt,
zo heel vertrouwd net als voorheen en toch zo anders, omdat Hij nu verheerlijkt is,
de hemelse Heer, die dood geweest is en zie: Hij leeft!

Zo komt Hij naar hen toe.
Hij heeft hen iets te zeggen, woorden die allereerst aangeven Wie Hij is.
Zijn woorden hebben gezag. Hier is niet een mens aan het woord, maar de Zoon van God.
Uit Zijn mond klinkt niet een veroordeling,
maar een bekendmaking die hen bemoedigt:
Aan mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Het zijn woorden die hen bekend voorkomen.
Niet dat Jezus al eerder, voordat Hij aan het kruis ging, zo gesproken heeft in die woorden,
maar nu begrijpen ze wel waarom Jezus steeds, toen Hij rondwandelde op aarde
sprak over de Zoon des mensen en dat Hij daarmee Zichzelf bedoelde.
De woorden van Christus die hen toespreekt herinneren hen aan Daniël 7,
Waarin aangekondigd wordt hoe iemand in de gestalte van een mens uit de hemel neerdaalt
namens God om God op aarde te brengen:
de persoon die uit de hemel komt wordt daarom ook wel Zoon des mensen genoemd.
Hun meester sprak er vaker over, toen Hij met hen optrok en onderwijs gaf.
Hij sprak toen over zichzelf:

Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap,

en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren.
Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden,

en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.

Die heerschappij is nu aan Mij gegeven, zegt Jezus om hen te bemoedigen
op dat moment dat sommigen nog niet goed weten wat ze moeten.
Geloof me maar! Je kunt Me vertrouwen! Je kunt je leven aan Mij geven!
Die macht om te heersen over heel de aarde heb ik gekregen.
Niet van de duivel, die aan het begin van Mijn optreden op aarde, na Mijn doop
Mij wilde verleiden, waarbij Ik dan voor hem zou moeten knielen.
De macht over heel deze aarde heb Ik ontvangen van Mijn hemelse Vader,
die Mij zond naar de aarde en ook jullie hemelse Vader is.
Hij heeft mij alle macht gegeven.
Ik heb jullie leren bidden: Uw wil geschiede in hemel en op aarde.
Nu Ik ben opgestaan uit de dood heb ik dat gezag ook gekregen
om te regeren, koning te zijn over hemel en aarde.
Bij Mijn geboorte kwamen wijzen uit het oosten om de pasgeboren koning te aanbidden,
om net als jullie te knielen, toen aan het begin van Mijn leven, knielden ze bij de kribbe.
Aan het kruis gaf Pilatus dat aan de mensen te kennen: Koning van Israël.
Hij wist niet dat Ik meer was: koning van de hele wereld, meer dan zijn heerser in Rome
en ook koning in de hemel.
Ik regeer en vanaf nu regeer ik vanuit de hemel ook over de aarde.
Waar Hij zit aan de rechterhand van de Vader.
De koning die aan het kruis hing en daar door iedereen bespot werd,
heeft de troon in de hemel bestegen.
Ieders oog zal Hem zien,ook degenen die Hem doorstoken hebben.

Tegen Zijn leerling zegt Hij: Jullie zijn nu mijn dienaren. Jullie staan in Mijn dienst.
Als koning van deze wereld, als jullie Heer heb Ik een opdracht voor jullie.
Ik heb jullie ooit een gelijkenis verteld over een koning, die zijn knechten erop uit zond
om gasten uit te nodigen voor de bruiloft van zijn zoon.
Zo stuur Ik jullie erop uit, over heel de wereld om zoveel mogelijk mensen te vertellen
over Mij: dat Ik over deze wereld regeer, dat de boze verdreven is, dat Ik heb overwonnen.
Houd het nieuws niet voor jezelf, maar vertel het overal waar je komt.
Laat iedereen het weten.
Nodig ze uit om naar het feest te komen.
Vertel zo over Mij, dat ze bij Mij willen horen, Mij willen dienen en volgen.
Zo verovert deze Koning de wereld: niet door geweld te gebruiken,
maar door Zijn dienaren, die net tevoren nog geaarzeld hebben of ze wel konden buigen,
die van binnen tweestrijd ervoeren.
Zij worden erop uit gestuurd om te vertellen, om uit te nodigen,
om anderen op te roepen Jezus te volgen, Zijn koninkrijk binnen te gaan.
Geen enkel volk is buitengesloten.
De Romeinen niet, die met hun bruut geweld de wereld veroverden niet.
Amerikanen en Russen niet.
De volken op de eilanden in Oceanië, voorbij Australië niet.
De volken uit Groenland en het noorden van Canada niet, de Inuït.
Degenen die op het verste puntje op deze wereld wonen niet.
Geen enkel volk wordt buitengesloten.
Of ze nu in tropische gebieden wonen of bij de poolcirkel.
Of ze nu in makkelijk bereikbare gebieden wonen, of dat ze moeilijk te bereiken zijn.
Ook hier zijn de zendelingen gekomen en hebben verteld.
Ook hier is over deze Heer verteld en zijn er volken gedoopt.
Vaak weten we niet zo veel van ons voorgeslacht, hooguit wat generaties terug.
Misschien komt u wel uit een familie, waar eeuw in eeuw uit al de kinderen werden gedoopt

in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Wellicht is dat nog niet zo lang geleden,
hebben je ouders zich als eersten van hun familie laten dopen.
Of ben je zelf de eerste, die de stap waagde om deze Jezus te volgen.

Als je bij Jezus hoort, ben je nooit uitgeleerd.
Steeds weer moet je ontdekken wat het betekent, dat Jezus over de aarde regeert.
Je raakt dat zo snel weer kwijt.
Vandaar dat die twijfel die de discipelen bezig houdt voor ons herkenbaar is.
We zeggen dan: gelukkig, ook zij waren niet de perfecte gelovigen.
Als zij hun zwakten hadden, soms ook faalden, dan is er ook voor ons hoop
en kunnen ook wij de weg van Jezus gaan.
Op de weg van Jezus leren we steeds weer wat het betekent om Zijn wil te doen.
Toen Jezus aan het begin van Zijn rondwandeling op aarde rondtrok
vertelde Hij al hoe Hij dat voor zich zag: Zijn leerlingen die Zijn wil deden.
Een licht in een donkere wereld door je manier van leven,
door hoe je je opstelt naar anderen toe.
Door je geloof, je hoop, je liefde het licht deze koning te verspreiden.
Als kerk als gemeenschap zo uit deze hoop te leven, zo te geloven, zo lief te hebben,
dat het zichtbaar wordt voor alle mensen, dat je van Christus bent.

Ja, dat laten zien, zo leven en getuigen. Wat brengen we ervan terecht?
En wie zijn wij, gelovigen die vaak wel willen, maar niet kunnen,
of die soms geen zin hebben, er niet op uit willen trekken. Of niet durven.
Nee, zegt Jezus, je moet niet naar jezelf kijken, naar wat jij te zeggen hebt, of durft.
Weet je niet dat Ik mee ga. Ik ben wel in de hemel, maar ook op aarde, bij jou.
Als jij in mijn naam ga, ga ik met je mee.
Er zal geen dag zijn zonder Mij. Alle dagen ben Ik bij je.
Ik geef je Mijn kracht, ik geef je Mijn aanwezigheid. Ik ben met je, alle dagen.
En eens zal deze wereld voorbij zijn. Zal de tijd erop zitten.
Het zal een tijd zijn, waarin heel wat gebeurt, met de aarde, met de kerk.
Als je die tijd meemaakt, zal het geen eenvoudige tijd zijn,
Niet eenvoudig zijn om vol te houden in geloof.
Maar je hoeft niet te wanhopen. Want ook dan ben Ik bij je.
Ik raak jou en deze wereld niet kwijt.
Voor altijd, tot deze wereld ten einde gaat,
dat is de dag waarop Ik terug kom op deze aarde. Houd moet en ga in mijn naam!
Amen

 

Preek zondag 14 april 2019

Preek zondag 14 april 2019
Mattheüs 26:47-68

Gemeenten van onze Heere Jezus Christus,

Van mensen die Israël bezoeken hoor ik terug dat Gethsemané altijd veel indruk maakt.
Je staat op de plek waar onze Heer en Heiland geworsteld heeft
en vroeg of de drinkbeker aan Hem voorbij mocht gaan.
Het maakt indruk om daar te zijn op de plaats, waar Jezus de mogelijkheid had
om nog terug te gaan en een andere weg te kiezen en het lijden uit de weg te gaan.
Het had zo anders kunnen lopen als Jezus de weg naar het kruis niet was gegaan.
Maar na die worsteling besefte Jezus dat Hij die weg moest gaan
en boog zich en gaf zich over aan het plan van God.
Het maakt indruk om daar te zijn, omdat je beseft hoe ingrijpend de gevolgen zouden zijn
als Jezus toch afzag van de weg naar het kruis
– en toch Hij ging!
Na de worsteling met Zijn hemelse Vader gaf Hij zich over: Uw wil geschiede.
Vanaf dat moment staat er een andere Jezus.
Niet meer een Jezus die er tegen opziet om de drinkbeker leeg te drinken,
maar een Jezus die bereid is om de lijdensweg te gaan.
Als Hij voor de derde keer bij Zijn leerlingen terug komt,
maakt Hij hen wakker om hen voor te bereiden op wat komen gaat:
Sta op, want Ik heb begrepen dat Ik deze weg moet gaan
en Mijn verrader komt er aan.
De leerlingen hebben nog niet de kans om de woorden van Jezus op zich te laten inwerken,
Want op het moment dat Jezus nog in gesprek is met Zijn leerlingen
om hen voor te bereiden op wat komen gaat,
komt Judas er al aan met een hele menigte om Jezus gevangen te nemen.
Een bijzonder moment op de weg, die Jezus gaat, namelijk Zijn instemming met Gods plan
nu de uitvoering van dat plan – de weg naar het kruis – dichterbij komt,
gaat gepaard met een dieptepunt in wat mensen kunnen doen:
Verraad en dan nog wel door een van de twaalf.
Een van de twaalf leerlingen, die door Jezus uitgekozen was,
Hem volgde op Zijn wegen, Zijn woorden hoorde en Zijn wonderen zag,
met Jezus optrok en met Jezus aan een tafel zat en de hand samen in de schotel doopte.

Verraad is een van de ergste dingen die je kan overkomen.
Iemand die als een vriend met je optrok en je op het moment dat je hem nodig hebt
je in de steek laat, je laat vallen,
zich tegen je keert en zich aansluit bij je vijanden.
Verraad is meer dan het verbreken van de band die je samen hebt.
Verraad is schending van trouw.
Dat maakt het zo erg.
Terwijl Jezus net nog gezien had, dat Zijn leerlingen niet met Hem konden waken
En sliepen terwijl Hij zich worstelend overgaf aan Gods plan,
wordt Hij nu geconfronteerd met één van Zijn intimi, door Hemzelf geroepen,
die Hem uitlevert aan de hogepriester en de oudsten van het volk.
Dat zijn Zijn leerlingen, die met Hem opgetrokken hebben:
De leerlingen die Hij vraagt te waken vallen in slaap
en een ander verraadt Hem en levert Hem uit.
Jezus, die ingestemd heeft met de weg die voor Hem bepaald is,
moet die weg alleen gaan.
Al Zijn leerlingen zullen Hem afvallen en kunnen Hem niet volgen op Zijn weg.
Het is niet eens zo, dat ze afhaken, maar er zit ergernis bij de leerlingen over deze Jezus.
Voor Hij de hof van Gethsemané inging, waarschuwde Hij al Zijn leerlingen:
Deze nacht is een nacht die jullie van je leven nooit zult vergeten,
Want jullie zullen allemaal over Mij heen vallen.
Ik ben niet de Jezus die jullie steeds voor ogen hebben gehad
en daarom zullen jullie allemaal bij Mij weggaan.
Alleen moet Hij die weg gaan.
Alleen is Hij tot overgave gekomen, zonder de steun van Zijn leerlingen,
Terwijl Hij wel gevraagd had dat ze met Hem zouden waken.

De eerste die weggegaan is, komt terug en begroet Hem als een vriend,
die hij lang niet meer heeft gezien, blij om elkaar weer te zien.
Een begroeting die er op duidt dat er veel bijgepraat moet worden
over wat ze hebben meegemaakt in de tijd dat ze elkaar niet hebben gezien.
Terwijl achter Judas de mannen staan met zwaarden en stokken in de hand,
klaar om een misdadiger te arresteren,
is de stap vooruit van Judas en zijn begroeting van zijn Meester een daad
om iedereen gerust te stellen: Maak je maar geen zorgen, er is niets aan de hand.
Ik las: de Judaskus heeft Jezus zwaar gewond en Zijn ziel en geest hittiger geschroeid,
dan Zijn gelaat (K. Schilder, Christus in Zijn lijden, I, 392)

Zou Judas willen weten, wat Jezus heeft gedaan en heeft doorgemaakt
in de paar uur dat ze elkaar niet hebben gezien?
Zou hij willen horen, dat Jezus geaarzeld heeft en geworsteld heeft,
maar net op het moment dat hij, Judas, aankwam vastberaden was te gaan?
Judas, die verrader wordt genoemd, op het moment dat hij Jezus begroet als een vriend.
‘Gegroet, meester.’
In menselijke communicatie kunnen veel lagen zitten.
Zo ook met deze twee woorden, die Judas tegen zijn Meester zegt als hij Jezus begroet.
Gegroet – dat kan de vreugde van het weerzien zijn,
de vreugde iets een belangrijke boodschap te vertellen die veel betekent,
zoals de engel Gabriël Maria aansprak: ‘Wees gegroet.’
Het kan ook een ironische toon hebben: Ik groet U, maar ik meen er helemaal niets van.
Ik doe alsof U veel voor mij betekent en dat ik blij ben U weer te zien,
maar in mijn hart minacht ik U,
zoals de soldaten Jezus al spottend en minachtend begroeten,
als zij hem omgekleed hebben tot een koning: ‘Wees gegroet, Gij koning der Joden!’
Aan de buitenkant zal het geleken hebben op de groet van de engel Gabriël,
maar Jezus zal ook die andere toon hebben opgevangen,
waarmee Hij later die nacht begroet zal worden door de soldaten.
‘Gegroet’ – al in dat ene woordje, in de begroeting, kan, net als in de kus,
een dubbele boodschap zitten: oppervlakkig gezien toenadering,
maar van binnen, in het hart afscheid en minachting, verraad.
Had Jezus in de Bergrede niet gezegd dat Zijn volgelingen moeten zijn:
mensen met een hart dat één is: één in het dienen van God.
Hier is Judas dubbelhartig: aan de buitenkant betoont hij zijn loyaliteit aan Jezus,
maar van binnen is er een ander die zijn hart gewonnen heeft: de boze.
Een ambivalente boodschap zit ook in de aanspraak ‘Meester’:
Judas geeft aan veel van Jezus’ woorden te hebben opgevangen, te hebben geleerd
een eerbetoon: er is nog nooit iemand geweest van wie ik zoveel leerde.
En toch zit er ook een afstand nemen, een stap achteruit,
want Meester is minder dan Heer.
Judas kan Jezus niet meer als Heer aanspreken, alleen nog als Meester.
Judas ontworstelt zich steeds meer aan Jezus, probeert zich van Jezus te ontdoen.
Zoals Jezus nog zo even op een knooppunt stond: Ga Ik die weg of niet?
Zo staat ook Judas op een knooppunt: Keer ik terug naar mijn Heer,
of neem ik steeds meer afstand en kies ik de tegenpartij en verraad ik Hem?
Je zou het Judas toe willen roepen: Weet je wel wat je doet?
Wat is er in je gevaren? Keer nog om nu het nog kan!
Zorg dat wat in je hart leeft, je niet gaat beheersen,

waardoor je Jezus verraadt – en het leven dat Hij alleen geven kan opgeeft.
Je kunt je afvragen of Judas wel echt in Jezus heeft geloofd.
Kan iemand die een echt geloof heeft Jezus kwijtraken,
zich aan Hem ontworstelen en tegen Hem keren?
Ik weet niet of we een antwoord op die vraag moeten weten.
Het is genoeg dat Judas voor ons een waarschuwend voorbeeld is
om het niet zover te laten komen dat je stap voor stap bij Jezus weggaat,
dat het geloof van je afglijdt, dat je teleurgesteld wordt
En uiteindelijk die laatste stap zet om je tegen Jezus te keren.
Keer om! Ga weer naar Jezus terug, niet om Hem met een Judaskus te begroeten,
maar op je knieën om Hem als je Heer te aanbidden!

In het antwoord dat Jezus geeft, zit ook die boodschap: Let op wat je doet Judas.
‘Vriend!’, zegt Jezus.
Het is een ongebruikelijk woord, dat alleen in het evangelie van Mattheüs voorkomt.
Buiten de Bijbel heeft het de betekenis, dat je iets gemeenschappelijks hebt.
Je hebt samen veel meegemaakt, je deelt ervaringen met elkaar.
Dan kan Jezus ermee bedoelen: Weet je niet meer, Judas, wat we samen mee maakten?
Ben je dat vergeten? Heb je dat verdrongen?
Weet je niet meer wat je in het met mij meelopen, achter Mij aan gaan allemaal hebt gezien?
Heb je niet gezien dat Ik het Koninkrijk der hemelen kom brengen
en dat jij daar in mag delen, dat jij bij Mij mag horen?
Mattheüs gebruikt het woord 3x
en in de twee andere keren klinkt er een waarschuwende toon in door:
Jezus gebruikt het in een gelijkenis, waarbij werklieden de hele dag werken in de wijngaard
en ook mensen die het allerlaatste uurtje nog even meehelpen.
Wanneer de mensen, die de hele dag hebben gewerkt protesteren,
Zegt de eigenaar: Vriend, dat hadden we toch afgesproken?
In de tweede keer is het opnieuw in een gelijkenis.
Er is een koning, die een maaltijd klaar maakt vanwege de bruiloft van zijn zoon.
De genodigden komen niet.
Er worden overal mensen vandaan gehaald.
Ze hebben niet de juiste kleren, maar krijgen de kleren van de koning,
zodat ze waardig kunnen deelnemen aan het feest.
Er is echter één man, de zijn eigen kleren aangehouden heeft.
Hij wordt door de koning aangesproken: Vriend, hoe ben je binnengekomen?
Vriend, zegt Jezus tegen Judas
En er klinkt de toon in door: ben je werkelijk Mijn vriend?
Ben je zoals je je voordoet, of ben je ten diepste, in je hart een ander?
Nog is het tijd om je te veranderen.
Je houdt Mij trouwens niet voor de gek, je kunt je van buiten nog zo mooi verpakken,
Ik kan je hart lezen. Ik weet wie je bent. Ik peil je motieven.
Ik weet wat je plan is.
De discipelen weten niet wat er speelt, want zij willen Jezus verdedigen
en een van de leerlingen grijpt een zwaard en zwaait om zich heen
om aan te geven dat ze Jezus niet laten gaan
en desnoods met hun eigen leven willen verdedigen,
maar ze hebben zitten slapen, toen Jezus worstelde
hebben nog niet begrepen wat Jezus hen uitlegde, toen Hij vertelde dat Judas eraan kwam.
Deze weg moet Ik gaan. Ik ben bereid om te gaan.
Hier ben Ik –
Toen zei ik: zie ik kom. In de boekrol is over mij geschreven.
Ik vind er vreugde in, mijn God, om Uw wil te doen.
Geen verzet bij Jezus, maar overgave.
De leerlingen van Jezus mogen niet voor Hem strijden.
De twaalf legioenen engelen moeten in de hemel blijven
en mogen niet afdalen naar de aarde om hun Aanvoeder bij te staan of te verlossen.
De rest van de uren die Jezus nog restten, tot Hij aan het kruis geslagen worden,
worden gekenmerkt door deze overgave, die verdiept is in de worsteling in Gethsemané,
Toen Jezus besefte dat Hij niet mocht afwijken, dat Hij de beker niet mocht afwijzen,
maar moest leegdrinken.
Het verraad brengt Hem niet van Zijn stuk.
Hoe de kus Hem ook geschroeid moet hebben, Hij blijft vastberaden.
Welke beschuldigingen er ook ingebracht worden, ook al zijn ze verzonnen
en is het daarmee net zo laag bij de grond als het verraad van Judas met de kus,
Jezus zwijgt om daarmee net als Judas een teken te geven, een hint:
Ik vecht niet terug, maar Ik stem er mee in. Dit is de weg die voor Mij is uitgetekend.
Twee keer klinkt het: Hiermee wordt de Schrift in vervulling gebracht.
Eerst als vraag aan de leerlingen: Heb je het dan niet door gehad?
Heb je niet opgelet toen je met Mij optrok? Ken je Gods plan niet?
Een tweede keer naar de menigte, die Jezus gevangen komt nemen:
Jullie denken, dat dit jullie plan is,
maar door jullie optreden heen, dat net zo vol kwaad is als de ontrouw van Judas,
werkt God aan Zijn plan, dat plan dat al aan de profeten werd onthuld,
Waar zij al spraken, om het volk op de juiste weg te brengen.
Steeds dwaalde het volk af en ging het bij Mij weg.
Dat jullie Mij aanhouden past in die lijn.
Een lijn, die niet alleen kenmerkend is voor IsraËl, maar die al begint in het paradijs
en die zal blijven totdat Christus terugkomt,
als Zoon des mensen, waarbij Hij aan het hoofd van alle engelen
op aarde neerdaalt om te oordelen de levenden en de doden.
Tot die tijd zal er steeds ongeloof en verzet zijn, maar dan definitief gebroken
en zal iedereen Hem zien WIe Hij is: de Christus, de Zoon van de levende God.
Dat wij geloven is alleen maar een wonder,
Een wonder, dat ons nee is omgedraaid in een ja,
dat Hij ons aansprak: Vriend en dat we daarin een waarschuwing hoorden
En wisten dat we op de verkeerde weg waren,
dat ons hart – anders dan bij Judas – wel geraakt werd door Zijn waarschuwing,
Waardoor ons hart voor Hem open gingen en we weer naar Hem toe gingen,
niet om Hem de Judaskus te geven, maar een gebroken hart.
Heer, U deed dat voor Mij. U was bereid voor Mij te gaan.

 

Ja, ik kost Hem die slagen,
die smarten en die hoon;
ik doe dat kleed Hem dragen,
dat riet, die doornenkroon;
ik sloeg Hem al die wonden,
voor mij moet Hij daar staan;
ik deed door mijne zonden,
Hem al die jamm’ren aan.

Laat mij toch nooit vergeten
die kroon, dat kleed, dat riet!
Dit trooste mijn geweten:
’t is al voor mij geschied!
Amen

Preek zondag 24 maart 2019

Preek zondag 24 maart 2019
Schriftlezing: Mattheüs 20:17-28

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Als ouder heb je het beste voor met je kind.
Je wilt niets liever dat je kind het goed heeft en gelukkig is en daar heb je veel voor over.
Daarom staan ouders op zaterdagmorgen vroeg langs de kant van het voetbalveld.

Of brengt en moeder hun dochter naar de manege, zodat haar dochter kan paardrijden.
Je wilt goed onderwijs voor je zoon of dochter
en dat ze in de klas of in de buurt aansluiting hebben en vrienden om mee te gaan.
Omdat je wilt dat ze een goede toekomst krijgen, zit je ze achter de broek
zodat ze hun huiswerk maken.

Wanneer het niet goed gaat met je kind, gooi je jezelf in de strijd.
Als er iets op school is en je merkt dat de school het niet oppakt,
dan stap je op de school af en wil je een gesprek met de leerkracht of directeur,
waarin je aangeeft wat er speelt en vraag je aan school om iets te doen.
En wanneer school het niet goed oppakt, kunnen ouders hun kinderen van school halen
en naar een andere school doen
– al betekent dat soms dat je elke morgen en elke middag verder moet rijden.

Omdat je het beste met je kind voor hebt, sta je als ouders hier voor in de kerk
om de zoon of dochter, die je uit Gods hand hebt ontvangen, weer bij de Heere  te brengen.
Waar zou je kind beter af zijn, dan in Gods handen?
Bij God die beloofd als onze Hemelse Vader te zorgen voor jouw kind,
als Zoon tegen je kind zegt: Ik ben voor jou aan het kruis gestorven,
Zodat je bij Mij kan komen om vergeving van je zonden.
De Heilige Geest die belooft in het hart van jouw kind te gaan werken,
om daar ruimte te maken voor de Heere Jezus,
zodat je kind van de Heere Jezus gaat houden en Hem wil gaan dienen.
Als ouders heb je ook beloofd, dat je je kind zult vertellen over de Heere Jezus
En dat je je zoon of dochter leert, welke regels er horen bij het geloof.
Dat doe je, omdat je het beste voor hebt met je kind:
Ze leren God kennen en ze leren met God te leven.

We lazen over een moeder die het beste met haar kinderen voor heeft.
Ze stapt op Jezus af met de vraag of haar twee zonen de mooiste plek mogen hebben
in het Koninkrijk, waarvan Jezus zorgt dat het er zal komen.
Ze zijn op weg naar Jeruzalem,
waarschijnlijk met een hele grote groep mensen uit Galilea,
die op reis zijn naar Jeruzalem om een van de belangrijke feesten daar te vieren.
Als Jezus onderweg zijn leerlingen even apart neemt, waagt ze haar kans
en klampt Jezus aan en knielt voor Hem neer op straat.
Had Jezus eerder niet gezegd, dat als je aan Hem vraagt, dat Hij het zal geven
en dat wanneer je bij Hem aanklopt Hij zal opendoen?
Ze heeft een vraag, niet voor zichzelf, maar voor haar twee zonen,
Die haar dierbaar zijn en die alles hebben achtergelaten om Jezus te volgen.
Het kan zijn dat die vraag al enige tijd bij haar leeft,
in ieder geval nadat ze Jezus heeft horen vertellen,
Dat er 12 tronen zullen zijn, waarop de leerlingen zullen zitten.
Ze zullen op die troon zitten met Jezus die koning en rechter over Israël zal zijn.
Nadat ze Jezus hier over heeft horen vertellen, is er een gedachte bij haar gekomen.
Als ik nu eens vraag aan Jezus of mijn twee jongens de beste plek mogen hebben.
Toen de groep onderweg ging naar Jeruzalem heeft ze steeds gekeken
naar een gelegenheid om Jezus aan te schieten en Hem deze vraag voor te leggen.
Ze heeft in de buurt van Jezus rond gelopen
en bij zichzelf gedacht: zal ik nu gaan? Of nog even wachten? Is dit een goede gelegenheid?
Als Jezus onderweg Zijn discipelen bij elkaar roept, even apart,
om hen iets te vertellen over het doel, waarom ze naar Jeruzalem gaan,
dan hoort de moeder alleen maar doel en Jeruzalem
en ze denkt aan wat Jezus zei over die twaalf tronen
en ze denkt: dan moet ik nu gaan. Dan is dit de gelegenheid om Jezus aan te schieten.
Ze verzamelt alle moed bij elkaar en waagt de stap.
Ze gaat voor Jezus op de knieën, om aan te geven dat ze een dringende vraag heeft
die ze alleen aan Jezus kan stellen, waar ze bij niemand anders mee terecht kan.
Het is ook een houding van eerbied: ik heb wel een vraag, maar u beslist over het antwoord.

Zo kun je als moeder of als vader ook bij Jezus aankloppen voor je kind:
Met een heel duidelijke vraag, die je alleen aan Christus kunt stellen
of met iets dat in je leeft, zonder dat je het precies kunt verwoorden,
waarvan je voelt: Ik moet wel bij Hem zijn, bij Hem aankloppen en Hij helpt me wel.

Voor de vrouw iets kan vragen, is Jezus haar al voor: Wat wil je?
Dat is fijn als iemand je tegemoet komt en het gesprek opent,
kom maar met je verhaal, steek van wal.
Het kan zijn dat er in de vraag van Jezus meer mee klinkt,
zonder dat deze moeder dat beseft.
Dat Hij wil laten merken, dat als je aan Hem iets vraagt, je ook bereid moet zijn
om te accepteren dat Gods wil anders kan zijn: Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.
Wat je voor je kind wilt, dat kan best belangrijk zijn, maar God kan een andere weg gaan.
Ben je bereid om de weg van je kind in Gods handen te leggen
En te accepteren en zelf op die weg mee te gaan, die je zelf niet hebt uitgestippeld?
Het kan ook zijn dat Jezus wil laten weten: je kunt wel een vraag hebben, iets willen,
maar ben je bereid om mij te volgen: Wie achter Mij aan wil komen.
In ieder geval geeft de vraag van Jezus aan dat Hij bereid is om naar onze vraag te luisteren
en er serieus op in te gaan, die niet aan de kant te schuiven
en tegelijkertijd weet Jezus dieper af te steken:
God kan wel iets anders voor hebben met onszelf of onze kinderen dan wij willen.
Zijn we dan nog bereid om Jezus te volgen?
Of haak je dan af, omdat God vooral moet doen wat jij wilt dat er gebeurt?

De moeder heeft voor haar jongens zo haar eigen dromen.
Als dat koninkrijk van U er zal zijn, mogen mijn twee jongens dan links en rechts van U?
Ze ziet haar jongens al zitten naast Jezus op die ereplaats:
Jezus die midden in Jeruzalem plaatsneemt op een troon
en dan links van zich kijkt of naar rechts om haar twee jongens om advies te vragen
of om te vragen een bepaalde taak voor Hem uit te voeren.
Je wilt het beste voor je kinderen toch? Soms is het beste nog niet goed genoeg.

Als Jezus gesprekken voert, heeft Hij een luisterend oor.
Hij neemt de tijd om te luisteren wat we te zeggen hebben, wat er in ons hart leeft.
Dat kunnen mooie en vrome overwegingen zijn, maar dat hoeft niet altijd.
Soms kunnen we zonder dat we het doorhebben, meer met onszelf bezig zijn dan met God.
En dat je zo met jezelf bezig bent, dat je vergeet waar het de Heere om te doen is.
Want waar ging het gesprek over, wat Jezus met Zijn leerlingen heeft
en waarin die moeder zomaar komt binnenvallen?
Jezus bereidt Zijn leerlingen voor op het doel in Jeruzalem.
Dat heeft die moeder wel goed gehoord,
maar ze heeft maar half gehoord waar het over ging, omdat ze een grootse droom had
Waarin ze haar jongens zag aan de zijde van Jezus zag.
Want Jezus heeft het over heel iets anders dat in Jeruzalem zal gebeuren:
Hij zal verraden worden en uitgeleverd, ter dood veroordeeld, bespot en gegeseld,
naar het kruis gebracht.
Weet je wel wat Mij te wachten staat daar in Jeruzalem?
Opnieuw zegt Hij het op een manier, waarop er meer in Zijn woorden zit.
Kun je de drinkbeker leegdrinken die voor Mij bestemd is?
De twee zonen die deze vraag krijgen, zien dan een mooie beker, goud of zilver,
die de waardigheid van Jezus zal uitdrukken, de waardigheid waarin zij mogen delen
als zij daar op die troon naast Jezus zitten.
Dat zal een hele verantwoordelijkheid zijn om uit die beker te drinken,
maar hun Meester hoeft hen niet te onderschatten.
Ze zijn al een tijdje met Jezus opgetrokken. Ze weten heus wel hoe Hij denkt.
En die verantwoordelijkheid over Israël willen zij wel met Jezus delen,
samen de schouders eronder: schouder aan schouder in Gods wijngaard te gaan.

Jezus heeft het echter over iets anders.
Die beker is niet iets koninklijks en heeft niets met status te maken.
De beker leegdrinken – dat is wat Jezus te wachten staat in Jeruzalem:
opgepakt worden en veroordeeld, gepijnigd en uitgelachen en bespot
en aan het kruis geslagen, omdat Jezus zegt dat Hij door God gestuurd is.
Boven het kruis zal het hangen: Dit is nou jullie Koning, beste Joden.
Dat Jezus gestorven is aan het kruis zul je in de opvoeding vertellen,
als je met je kinderen uit de kinderbijbel leest of later uit de gewone Bijbel.
Als je daarover leest in de Bijbel merk je dat het niet alleen is was dat mensen wilden,
maar dat het ook Gods wil was, dat Jezus aan het kruis gehangen werd.
In Gethsemané vroeg Jezus of de drinkbeker aan Hem voorbij mocht aan,
maar dat was niet de weg die Jezus moest gaan: Deze beker was voor Hem bestemd.
De beker die Jezus moet leegdrinken is de toorn van God.
Alles wat wij verkeerd gedaan hebben,
waarom we vanuit onszelf niet bij God horen, zit in die beker en Jezus zal die leegdrinken.
De doop laat dat ook zien, ook de doop van deze kinderen:
Zoals we zijn kunnen we niet Gods koninkrijk binnengaan. Er moet eerst wat gebeuren.
Met hen en met ons allemaal: opnieuw geboren worden.
Je bent net geboren en er wordt gezegd: je moet opnieuw geboren worden.
Dat betekent de doop ook: elk kind dat geboren is, moet opnieuw geboren worden.
Als een kind gedoopt wordt, betekent dat: ook dit kind is er nog niet.
Ook dit kind moet opnieuw geboren worden.
Maar dat kan ook, omdat Jezus die beker leeggedronken heeft,
die de Vader voor Hem bestemd heeft.
Dat is de dood aan het kruis.
Terwijl die twee leerlingen zich in mooie gewaden gekleed zien
en zien zitten op een mooie troon, met een gewichtige taak,
ziet Jezus een andere taak, ook gewichtig, maar zo anders.
Een troon van hout, niet waar je op zit, maar waar aan je hangt
en niet een troon waar je vol ontzag naar opkijkt, maar al spottend kijk je op.
Wat een grootspraak heeft die man gehad: denken dat Hij de koning van Israël is.
Niemand heeft toen willen zien, dat Hij aan het kruis bij uitstek de koning was.
Want een echte koning heerst niet, maar dient.
Een echte koning vraagt niet het leven, maar geeft Zijn leven,
offert zichzelf op om zijn dienaren te redden – in ieder geval de door God gestuurde koning.
Als Jezus aan Zijn houten troon hangt – het kruis op Golgotha –
zijn er inderdaad twee mensen naast Hem: geen leerlingen die glunderen van trots,
maar moordenaars, die hun straf dragen aan het kruis.
Beste moeder, wil je dat je jongens ook aan het kruis gehangen worden?
Misschien heb je dan toch mijn onderwijs wel gehoord en begrepen
toen ik tegen jouw jongens en tegen Mijn andere leerlingen zei,
Dat degenen die met Mij mee willen gaan, achter Mij aangaan ook hun kruis dragen.
Opdat zij hun kruis in de dagelijkse navolging van Christus met vreugde mogen dragen.
Het beste voor je kind is niet altijd het makkelijkste, maar wel het beste.

Gisteren waren we met de organisten en de kerkrentmeesters in een kerk,
Waarin aan de voorkant buiten een groot kruis stond
en binnen in een raam met allerlei kleine kruisen.
Door het raam met die kleine kruisen konden we het grote kruis buiten zien.
Door het kruis wat wij dragen, zien wij het grote kruis waar Jezus aan hing:
Het kruis waar de Zoon des mensen, Jezus, liet zien
dat Hij niet gekomen was om te heersen, maar om te sterven
en met Zijn dood kocht Hij ons vrij, vrij van de zonde, van de duivel.
De beker die Hij helemaal leeg moest drinken, de beker van Gods oordeel over ons,
Hij werd er helemaal in ondergedompeld – met een doop gedoopt.
Bij ons is de doop maar met een handje water,
maar de betekenis is wel dat je kopje onder gaat in dat water.
Zo ging Jezus helemaal – kopje onder zouden we kunnen zeggen – in Gods oordeel,
Hij bracht het er niet levend van af en werd begraven.
Maar Hij vertelde er gelijk bij: na 3 dagen sta ik op uit de dood.
De dood overwonnen en jullie vrijgekocht.
Als we een kind dopen, betekent dat ze verbonden zijn aan Christus
die zelf ondergedompeld werd in onze zonde en onze schuld, kopje onder ging,

het kruis moest dragen, voor ons bedoeld, zodat wij daar niet hoefden te hangen.
Jacobus en Johannes, de twee zonen van die moeder hoefden er niet te hangen
En wij ook niet. Gedoopt in de naam van de Zoon betekent:
Dat Jezus voor ons aan het kruis gestorven is.

Dan gaat het er nu om: geloof je dat voor jezelf? Dat je Christus nodig hebt?
Liefde Gods, zo rein en krachtig, bloed van Jezus, rijk en vrij.
Het beste dat je voor je kind kunt doen, is vertellen over deze Heer
en voorleven dat je van Hem je leven hebt terug gekregen, omdat Hij aan het kruis ging.
Vertellen over het geluk dat je krijgt door deze koning, die de troon beklom in Jeruzalem.
Zijn wieg was een kribbe, Zijn troon was een kruis.
Zo arm werd de Heiland voor u en voor mij. Amen



Preek zondag 10 maart 2019

Preek zondag 10 maart 2019
Mattheüs 13:24-43

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op zondagavond deden wij vroeger vaak spelletjes, zoals ezelen.
Dat spel speel je met kwartetkaarten, met 4 kaarten in de hand,
waarbij je om beurten een kaart doorgeeft.
Het was de bedoeling dat je dan een compleet kwartet bij elkaar kreeg.
Als je een compleet kwartet had, legde je de kaarten neer op tafel,
waarbij de anderen ook hun kaarten neer moesten leggen.
Wie als laatste de kaarten neerlegde kreeg een strafpunt.
We speelden een aantal ronden, waarbij het de bedoeling was
dat je zo min mogelijk strafpunten kreeg.  
Als mijn vader meedeed, wist je dat je goed moest opletten.
Als hij zijn kaarten compleet had, begon hij een verhaal te vertellen,
waardoor je afgeleid werd en niet meer met het spel bezig was,
maar bezig was met wat hij vertelde.
Dat was zijn tactiek om steeds te winnen en vooral om anderen strafpunten aan te smeren.
Er waren er die daar niet goed tegen konden.
Het is niet tegen de regels.
Je zou kunnen zeggen dat hij precies begreep hoe het spel werkt:
hoe je moet winnen en hoe je anderen strafpunten kunt bezorgen.

In de echte wereld zijn er ook mensen die weten hoe het spel werkt.
Ik heb altijd bewondering voor zulke mensen.
Iemand die in een klas de boel op stelten kan zetten
en net op tijd weet op te houden om geen straf te krijgen.
Of iemand die heel slim is in het zaken doen:
een handeltje weet op te zetten of geld weet te verdienen waar anderen niet zakelijk zijn.

In de echte wereld zijn ook mensen die verder gaan,
die zich niet aan de regels van het spel houden,
maar bewust vals spelen ten koste van anderen, om er zelf van te profiteren.
Een directeur van een goededoelenorganisatie, die geld uit de kas neemt,
Of een politieman die informatie doorgeeft aan een criminele organisatie.
iemand die drugs aan scholieren verkoopt om hen verslaafd te maken.
Iemand die bij een oudere aanbelt en vraagt om de pinpas mee te mogen krijgen
en vervolgens groot bedrag pint en de pinpas niet meer terugbrengt.
Dat zijn mensen die weten hoe het werkt, maar daar misbruik van maken
en profiteren van anderen – om er zelf beter van te worden.
Ik denk dat er maar weinig mensen zijn, die hier respect voor kunnen opbrengen.
Je wordt daar eerder boos om.
Je werkt zelf hard en op een eerlijke manier, voor een gewoon salaris
en dan hoor je over iemand op een oneerlijke manier aan veel geld kan komen
en zich van alles kan permitteren, waar jij alleen maar van kunt dromen.
Dat is ook onze wereld en zo zal onze wereld ook blijven,
met mensen die op deze manier valsspelen en alleen aan zichzelf denken.
Je kunt regels bedenken, maatregelen bedenken,
maar zulke mensen blijf je houden, die ook dan die regels weten te ontduiken
en aan controle weten te ontkomen.

Je zou willen dat er iemand is die zulke mensen weet te doorzien
en ze weet tegen te houden
of als ze hun slag slaan dat er iemand is die hen aanpakt en hen uitschakelt
en als ze schade hebben berokkent ervoor zorgt dat ze hun straf niet ontlopen.
In de tijd van Jezus keken ze naar Iemand die op deze manier orde op zaken zou stellen
en dat zou doen in naam van God
of God zelf die zou verschijnen in een mensengestalte: de Zoon des mensen.
om recht te brengen, om corrupte en oneerlijke mensen aan te pakken,
mensen die hun macht misbruiken voor eigen gewin zou ontslaan,
priesters die hun positie in de tempel misbruikten om er zelf beter van te worden
zou wegsturen,
zodat het er in de tempel en bij de overheid alleen maar integere mensen zouden werken
betrouwbaar, bewogen en mild voor de gewone mensen, streng voor oneerlijke mensen.
De Zoon des mensen zal als een rechter optreden.
Iedereen in Israël en ook buiten Israël zal voor de Zoon des mensen moeten verschijnen
en Hij zal weten wat iedereen heeft gedaan, ook in het verborgen.
Hij zal zelfs in het hart van mensen kunnen kijken.
Niemand zal zijn listig optreden nog kunnen verdoezelen,
niet door mooie verhalen, zelfs niet door vrome praatjes.
Iedereen die hier de dans wist te ontspringen, omdat hij wist hoe het werkt,
zal niet kunnen ontkomen aan de Zoon des mensen.
God zelf zou deze Zoon des mensen sturen en als Zijn werk klaar is,
zou God zelf komen om bij de mensen te wonen.
Voor de mensen die met oneerlijkheid en corruptie te maken hadden en daar aan leden
gaf de komst van de Zoon des mensen hoop: de wereld zou eindelijk eerlijk worden.
Jezus vertelde voortdurend over de Zoon des mensen
en deed dat op zo’n manier dat je kon opmaken dat Hij zelf die Zoon des mensen was.
Jezus is gekomen om orde op zaken te stellen
en de wereld eindelijk eerlijk en rechtvaardig te maken, gereed om God te ontvangen.
De verwachtingen raakten hooggespannen: nu gaat het gebeuren!
Eindelijk recht en gerechtigheid, een rechtvaardige wereld, zonder corruptie en eigenbelang
waarin eerlijke mensen niet meer de dupe kunnen zijn van de slechtheid van anderen.

Alleen … er gebeurt niets.
Ja, Jezus preekt, geneest, trekt rond, maakt mensen beter.
Best bijzonder allemaal en ze kunnen er op hun beurt blij van worden,
maar het is niet wat ze verwacht hadden van de komst van de Zoon des mensen.
Het is de vraag die Johannes de Doper bezighield, toen hij zelf in de gevangenis zat,
omdat hij Herodes had aangesproken op de relatie die hij had met zijn schoonzus.
Johannes had hem daar op aangesproken:
Dat je de baas bent in de land, betekent nog niet dat je je eigen gang kon gaan
en dat je maar kon doen wat je zelf wilde
en zeker niet als je de leider bent van Israël, het volk van God,
waarbij elke leider het volk moest voorleven volgens Gods richtlijnen,
zodat de gewone mensen daar ook naar gingen leven.
Johannes kon Herodes alleen maar aanklagen, veroordelen om zijn daad.
Ondertussen keek hij uit naar Jezus, die Herodes echt kon aanpakken,
de Zoon des mensen, die het als het om Herodes ging niet alleen bij woorden liet.
Als Johannes over Jezus hoort, gaat hij echter twijfelen.
Is Jezus wel de Zoon des mensen? Is Hij wel door God gestuurd om recht te spreken,
om in Jeruzalem als rechter op te treden, schoon schip te maken?
Bent U het of moeten we nog uitkijken naar iemand anders?

Het is ook een vraag die vandaag de dag kan bovenkomen
als je weer een verhaal hoort over mensen alleen maar aan zichzelf denken,
of als je er zelf mee te maken hebt gehad:
Waarom doet God er niet iets aan? Waarom blijft de wereld hetzelfde?
Waarom laat Hij mensen die zichzelf verrijken ten koste van anderen maar doorgaan?
Waarom is er nog steeds zoveel mis in deze wereld, ook al is Jezus gekomen?
We geloven toch toch dat er toen Jezus stierf aan het kruis en opstond uit de dood
iets beslissends is veranderd in deze wereld?
Waarom merken we dat niet en is deze wereld net zo oneerlijk als daarvoor?

Om een antwoord te geven op die vraag, vertelt Jezus een verhaal,
Een verhaal uit het dagelijks leven, waarin een overeenkomst zit met wat Jezus kwam doen,
met het Koninkrijk van God dat Hij op aarde kwam brengen.
We noemen die verhalen ook wel gelijkenissen:
Er is een gelijkenis, een overeenkomst in het verhaal met wat Christus kwam doen op aarde.
Een gelijkenis uit het dagelijks leven, herkenbaar voor de mensen,
waarin iets geks gebeurt, iets wat niet logisch is en daarin zit juist de boodschap.

Het is het verhaal van een rijke boer, die zijn land inzaait.

Het zaad komt van de vorige oogst of heeft hij gekocht.
Hij heeft er op gelet dat het zaad van goede kwaliteit is.
Zijn akker wordt ingezaaid en de boer kan dan wachten tot het graan opkomt.
Als na enige tijd het gewas opkomt, zien de knechten van deze man iets vreemds.
Het is niet alleen het zaad dat er gestrooid is dat opkomt.
Er komt ook een ander gewas op, dat ze niet hebben gezaaid:
de verschrikking van elke boer, want dat onkruid lijkt in het begin sterk op het graan,
maar de korrels van het onkruid zijn gevaarlijk om te eten, omdat ze giftig zijn.
Onkruid in een grotere hoeveelheid dan ze gewend zijn, een echte plaag.
Hoe kan dat nu zo zijn? vragen de knechten zich verbijsterd af.
Was het zaad dat ze ingezaaid hadden dan toch van slechte kwaliteit?
Zat er dan toch in de partij die ze kochten of gekweekt hadden een deel van dat onkruid?
Ze willen gelijk aan de slag, want dit onkruid kan de rest van de oogst aantasten,
kan het goede graan overwoekeren, ontneemt voedingsstoffen uit de bodem.
Het zal een heel karwei zijn om de akker schoon te krijgen, nog iets van de oogst te redden.
Dan komt het onverwachte in het verhaal van Jezus,
waarbij de luisteraars gedacht zullen hebben, dat Jezus van veel dingen verstand heeft,
maar niet van het boerenleven.
‘Laat het onkruid staan. Pas met de oogst zal het onkruid weggehaald mogen worden.’
De boer geeft zijn knechten de reden waarom ze het niet mogen doen:
Als je het onkruid wegschoffelt, trek je al gauw ook het goede gewas uit.
De toehoorders zullen met hun hoofd geschud hebben:
Dat is het risico van boer-zijn: je bent altijd iets van het goede gewas kwijt,
maar dat is altijd beter dan dat je hele oogst verloren zou kunnen gaan,
een risico dat zeker aanwezig is als je niets doet.

Jezus vertelt het zijn leerlingen
en zijn leerlingen voelen aan dat er een belangrijke boodschap in deze gelijkenis zit,
maar ze krijgen de betekenis niet helder.
Ze praten met elkaar erover wat de bedoeling is van dit verhaal van Jezus,
maar ze komen er niet uit. Het blijft voor hen gissen naar de juiste uitleg.
Ze kloppen daarom bij Jezus aan: Wilt u ons die gelijkenis uitleggen?
Wat bedoelde U daar eigenlijk mee?
Dan legt Jezus het verhaal uit:
De akker is de wereld, onze wereld waarin wij leven.
Het is dus niet alleen de kerk, maar onze hele wereld.
Het begon goed: er werd goed zaad gezaaid en je zou een mooie oogst kunnen verwachten.
Het begon zo mooi met de mensen: een ideale wereld,
een wereld waarin God bij de mensen was, waarin niemand tekort kwam of achterop raakte,
niemand buitengesloten werd, niemand aan zichzelf dacht, of leefde ten koste van anderen.
Hoe mooi had de wereld kunnen zijn als het zo gebleven was.
Soms kun je nog even een glimp opvangen van die mooie wereld,
als je onderdeel bent van een fijn gezin, een hechte familie,
als er mensen zijn die met je meeleven, een kaartje sturen of bellen
even bij je naar binnen lopen en wat voor je doen,
Die vragen hoe het gaat, die zeggen dat ze voor je bidden en dat ook doen.
Je zou willen dat de hele wereld zou was, maar je weet beter.
Soms kun je door één gebeurtenis er weer achter komen dat je niet in de ideale wereld bent.
Als er iemand geld steelt, of iemand een ander het leven zuur maakt.
Onkruid dat gezaaid is en dat om je heen opgroeit, je vergroeit er zelfs mee.
Het wordt onderdeel van jouw leven.

En toch is het enige dat God er aan doet: laat het staan. Haal het nog niet weg.
Want dan gaan de goeden onder de slechten lijden.
Het uitstel van die hemelse rechter, van het vonnis van de Zoon des mensen
heeft verschillende kanten:
Het heeft iets gedurfds – de oogst kan mislukken.
Het onkruid, de slechtheid van mensen kan zo sterk aanwezig worden
dat degenen die wel eerlijk willen leven, willen leven volgens Gods geboden,
er aan onderdoor kunnen gaan.
Het is niet makkelijk om als gelovige integer te zijn
als je om je heen zoveel oneerlijkheid merkt.
Het kan je de adem benemen, als goed graan dat verstikt tussen het onkruid,
niet tot eer van God kan groeien.
Het heeft iets barmhartigs: God wil niet dat de goeden eronder lijden.
Als de Zoon des mensen nu orde op zaken moet stellen,
kunnen degenen die goed leven, God trouw zijn, eerlijk willen zijn in deze wereld
er net zo goed op een verkeerde manier getroffen worden.
Wij zouden misschien de afweging maken: Liever wat goeden opofferen,
om te voorkomen dat het kwaad buiten de perken gaat en niet meer te houden is,
de hele akker, onze hele wereld infecteert – het duurt jaren om onkruid echt weg te krijgen.
Maar dat past niet bij Gods karakter – God zou oneerlijk worden.
En dat heeft te maken met het derde (naast het gedurfde en het barmhartige):
Het is ook confronterend – want wie zegt niet dat wij, dat u, dat jij, dat ik dat onkruid ben(t)?
Wie zegt dat wij aan de goede kant staan?
Het evangelie is aan de ene kant altijd bedoeld als troost, als houvast.
en het houvast is dat God weet wat Hij doet, weet wat Hij aan moet met het onkruid
en dat we mogen geloven dat het eens gedaan is met het kwade in deze wereld
en de mensen die oneerlijk zijn hun vonnis niet zullen ontlopen.
Maar het evangelie heeft ook altijd iets confronterends, waarbij we onszelf moeten nagaan:
Ben ik het waar Jezus het over heeft?
Deze gelijkenis is aan de ene kant bedoeld om ons moed te geven
als je niet opgewassen bent tegen de oneerlijkheid om je heen
en als je de druk of de verleiding voelt om overstag te gaan.
De gelijkenis is aan de andere kant bedoeld om tot inkeer te komen:
Kunnen wij wel voor de Zoon des mensen bestaan?

De boer wacht tot de oogst – beeld van het laatste oordeel.
Wat Jezus hier niet in de gelijkenis verteld, maar wat de discipelen wel zullen meemaken
is dat voor de oogst er zal zijn eerst iets anders gebeurt.
Voor de Zoon des mensen op de stoel van de rechter gaat zitten en iedereen zal oordelen
zal de Zoon des mensen een andere weg gaan,
zelf met de oneerlijkheid te maken krijgen,
met mensen die denken dat ze integer zijn en denken in naam van God te handelen,
en toch een groot onrecht begaan door Jezus naar het kruis te brengen.
De Zoon des mensen, die hier als boer getoond wordt die zaait
en die over de akker kijkt, waarin zoveel onkruid staat, zegt wacht maar.
Maar voor het zover is, dat de maaiers komen, zegt: Ik neem de verantwoordelijkheid.
De oneerlijkheid, de zonde, het onrecht, het vonnis neem ik op mij,
mee naar het kruis. Voordat jij het vonnis krijgt uitgesproken, heb ik dat al gedragen,
weggedragen, zodat je als het goede graan binnengedragen kunt worden,
in Gods koninkrijk, het hemels Vaderhuis.
Het uitstel is genade – tijd van genade. Laat wie oren heeft het oren! Amen




Preek zondag 3 maart 2019

Preek zondag 3 maart 2019 (1e lijdenszondag)
Mattheüs 8:1-17
Tekst: vers 2-3a, 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de bergen woont een man.
Hij is daar niet vrijwillig heen gegaan; hij moest.
Het begon met een kleine plek op zijn huid.
Eerst probeerde hij die plek nog voor anderen te verbergen,
maar de plek op zijn huid groeide over zijn hele lichaam
en hij kon niet meer voor anderen verbergen dat hij een huidziekte had.
Hij kon merken dat anderen ook konden zien, dat er iets met hem aan de hand was.
Ze deden een stap achteruit als hij in de buurt kwam en hij merkte dat ze hem nastaarden.
Hij voelde dat er over hem gesproken was.
Op een keer komt een van de belangrijkste mensen van het dorp bij hem langs
met een boodschap: ‘Zo kan het niet langer.
We willen dat je naar Jeruzalem gaat, naar de priester, om na te gaan
of je inderdaad met huidvraat besmet bent.’
De man op bezoek aarzelt even en zegt dan: ‘Je weet wat de gevolgen zijn als je dat hebt.’
De volgende dag gaat de man naar Jeruzalem.
Voor het antwoord hoeft hij niet te gaan, want hij weet zelf al welk antwoord hij krijgt.
Er zal een priester naar zijn huid kijken en zien zijn huid ook ander zijn vel is aangetast.
De priester zal bevestigen wat de dorpsoudste wist en hijzelf ook: je bent onrein.
Het zal wel uitmaken, hoe de priester dat oordeel zal uitspreken.
Welke toon hij gebruikt en hoe hij kijkt.
Zal er mededogen in zijn ogen te lezen zijn, compassie in de stem te horen zijn?
Zal de priester onverschillig en onbewogen zijn als hij zijn conclusie trekt,
omdat hij het zoveelste geval van huidvraat is, dat de priester te zien krijgt?
Als de man weken later, waarin hij allerlei testen moest ondergaan, thuiskomt uit Jeruzalem
wil de dorpsoudste weten wat het oordeel van de priester is.
Zwijgend overhandigd de man het officiële papier dat de priester heeft meegegeven.
Hij heeft al vaak nagedacht hoe dat verder zou moeten gaan als hij in Jeruzalem is geweest.
Nu is het zover.
Hij zal zijn vrouw en kinderen achter moeten laten en het dorp verlaten moeten
en gaan verblijven waar hij niemand tegen kan komen, die hij kan besmetten.
Afgezonderd ook van God, want hij mag niet meer in de tempel komen
of een eredienst in de synagoge bijwonen.
‘Je weet wat je te doen staat,’ zegt de dorpsoudste
en de man maakt zich klaar om het dorp voorgoed te gaan verlaten
en te gaan wonen in de bergen, waar hij niemand tegenkomen.
Als de man het dorp verlaat, komt er opeens een sterke emotie uit hem los.

De man schreeuwt het uit: ‘Ik ben niet de enige die ziek is.
Jullie ook, wij allemaal, we zijn allemaal ziek.
Als mijn ziekte iets laat zien, is dat we allemaal onrein zijn,
jullie net zo goed al is er bij jullie niets van te zien.’
Voortaan leeft deze man in de bergen, zonder dat iemand in zijn directe nabijheid komt.
Dan gebeurt er op een dag iets in de bergen waar hij in afzondering woont.
Een grote groep mensen trekt de bergen in en ze gaan allemaal zitten om één man heen.
Van een afstand ziet hij de mensen geboeid luisteren naar die ene man.
Over die man gaan geruchten rond: dat hij mensen geneest en rondtrekt door Galilea.
Alle aanwezigen gaan in zijn verhalen op.
Jezus – Zijn naam betekent Redder – is hier gekomen in zijn gebied,
waar anders niemand durft te komen, omdat de mensen bang zijn ook onrein te worden.
Hij hoort flarden van de toespraak van Jezus.
Over armen van Geest – mensen die niets in te brengen hebben
en de man herinnert zich maar al te goed hoe hij niets had in te brengen.
toen hij door de dorpsoudste uit het dorp werd verbannen omdat hij onrein was.
Zalig de armen van Geest, de mensen die niets in te brengen hebben.
Je zou denken dat ze het slecht getroffen hebben, maar voor hen is Gods koninkrijk.
Hij hoort hoe Jezus spreekt over het hart van de mens, dat besmet kan zijn door zonde
en de man beseft dat zijn aangevreten huid laat zien dat heel Israël is aangevreten
door de zonde en zonder dat men het wil zien net zo goed onrein is, net als hij.
Dan hoort hij de Man spreken over bidden:
Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden.
Er begint bij de man die verbannen is door zijn ziekte een verlangen te groeien:
Als ik zou vragen, dan wordt het mij gegeven. Als ik zoek zal ik vinden.
Als ik bij Jezus aanklop, zal hij voor mij opendoen.
Dat verlangen wordt bevestigd als Jezus klaar is met spreken, opstaat en weer onderweg gaat.
Jezus daalt af de berg naar beneden en loopt zijn wereld in,
Waar hij de verbannene om zijn onreinheid woont.
Jezus lijkt wel een herder die op zoek is naar een schaap dat verloren is geraakt.
Jezus lijkt wel een koning die zegt: Ik wil weten wat er omgaat bij mij dienaren
En niet alleen bij degenen die het goed hebben en hun leven op orde hebben,
maar degenen die er maar bij hangen, er niet bij horen, degenen die verbannen zijn,
want Ik ben ook hun koning.
Als Jezus naar beneden afdaalt, begeeft Hij zich op gevaarlijk terrein.
Jezus gaat naar de heggen en steggen, zoals Hij dat later zal zeggen,
naar het buitengebied waar de mensen wonen die niet vol meetellen, de uitgestotenen.

Vastberaden – Hij moest door dit gebied gaan.

De menigte gaat mee, die zoveel van Jezus’ woorden heeft gehoord,
De mensen die onder de indruk zijn van het spreken van Jezus:
Meer dan woorden van mensen alleen – God zelf sprak tot hen,
Bemoedigde hen, tilde hen boven alles uit, maar sprak hen ook confronterend toe,
plaatste hen voor God – hoe zit het met je hart, vanbinnen?
Dan ziet de menigte een man op Jezus afkomen
en ze deinzen allemaal achteruit, omdat ze zien dat deze man hier hoort
in dit gebied en niet tussen hen, een stap achteruit om zelf niet onrein te worden.
Hoe kijken al die mensen naar hem, die man die ziek is en onrein?
Zouden ze er iets van zichzelf in herkennen, van hoe het met henzelf is?
Dan komt die man aarzelend op Jezus af – en je merkt aarzeling bij de man.
Kan hij wel op Jezus afkomen? Zal Jezus hem niet wegsturen? Heeft hij het goed gehoord?
De man knielt voor Jezus neer: ‘U kunt mij reinigen. U bent daartoe in staat.
Maar ik weet niet of U wilt. Als U niet wilt, dan begrijp ik dat goed.’

De reactie van Jezus is eenvoudig, maar wel diep.
Een enkel woord: ‘Ik wil.’ En een gebaar: Jezus raakt de man aan.
Dat is een gebaar van tederheid, van barmhartigheid. Jij bent er ook één van mij.
Jij hoort er ook bij – ondanks al je onreinheid die je door je ziekte meedraagt.
Het gebaar van Jezus is veelzeggend: het is niet alleen een omarming.
Het is een gebaar, waarmee Jezus zegt: Ik neem jouw last op mij.
Jouw ziekte, jouw onreinheid, ze zijn niet meer van jou
En ze nemen niet meer een plek in jouw leven in, maar Ik neem dat op Mij,
Ik draag dat weg.
Jouw lijden is voorbij en dat is nu Mijn lijden geworden.
Inderdaad, je klopt bij Mij aan en Ik laat geen bidder staan.

Hier gebeurt een wonder – en dat wonder is niet alleen dat de man beter wordt
en daardoor weer terug kan keren naar huis.
In het gebaar dat Jezus maakt, door de man aan te raken, zegt Jezus:
Geef je last maar aan Mij: je ziekte, maar ook je onreinheid.
Het gebaar is er niet alleen voor de man, die bevestigd ziet,
Dat Hij er weer mag bij horen en dat dit voor iedereen zichtbaar geworden is.
Mattheüs geeft aan, wat er gebeurt, als Jezus zegt: Ik wil, als Jezus de man aanraakt:
Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen
Bijzonder aan wat Mattheüs hier doet, is dat hij zegt:
Jezus heeft onze zwakheden en ziekten op Zich genomen,
niet alleen van de man, die daar in de woestenij moest leven,
maar eveneens die van ons, van u en jou en mij: uw zwakheden en jouw ziekten.
Dat Mattheüs hier een vervulling ziet van de oude profetie van Jesaja,
zorgt in de uitleg wel voor een raadsel: Hoe kan Mattheüs hier nu een vervulling in zien?
Jezus is toch zelf niet ziek geworden? Hij maakt alleen maar mensen beter.
Hij begeeft zich wel onder zieken, raakt hen aan, maar blijft verder gezond.
Maar ik denk dat we hier dieper moeten kijken
en dat de zieken iets laten zien van hoe Israël voorstond in de tijd dat Jezus kwam.
De melaatse man hield de menigte een spiegel voor:
Met mijn ziekte laat ik zien, hoe jullie allemaal onrein zijn, niet zichtbaar, maar vanbinnen.
Alleen omdat het niet zichtbaar is, kunnen jullie dat nog uit de weg gaan.
Jullie zijn als de schoonmoeder van Petrus die haar vrijheid kwijt was
En op bed gebonden lag, doordat ze ziek geworden was.
Zo is Israël haar vrijheid kwijt en gebonden en heeft ze de bevrijdende macht nodig
die Jezus is en Jezus komt brengen.

Als de man met zijn huidziekte Israël een spiegel voorhoudt met zijn ziekte
– als het klopt, dat hij niet de enige die ziek is, maar het hele volk ziek is,
Al was dat niet zichtbaar en dat zij – net als hem – onrein zijn, al is dat innerlijk,
zodat ons ook iets te zeggen hebben?
Ik denk aan wat er aan het begin van het doopformulier wordt gezegd:

Door de ondergang in en besprenkeling met water
wordt aan ons de onreinheid van onze ziel aangewezen.
Dat geeft allereerst aan, dat we niet naar de buitenkant van iemand moeten kijken.
Voor de man was zijn buitenkant, zijn huid een reden om weggestuurd te worden.
De doop geeft aan, dat bij ons het van binnen zit, in ons hart.
Onreinheid geeft aan: zo, op deze manier kunnen we niet voor God verschijnen.
Als er niets met ons gebeurt, kunnen wij niet het Koninkrijk van God binnengaan.
Er moet wat met ons allemaal gebeuren, willen wij de hemel binnengaan.
Onreinheid hoeft niet persé zonde te zijn,
hoewel het formulier van de doop wel aangeeft dat de zonde de oorzaak is
van het onrein zijn van ons, niet alleen van dat kind dat gedoopt wordt, maar wij allemaal.
Onreinheid geeft aan, dat je niet bij God in Zijn nabijheid mag komen.
Het is vergelijkbaar met iemand die opgenomen moet worden in het ziekenhuis,
maar omdat de patiënt een bacterie onder de leden heeft,
moet hij of zij eerst op een aparte afdeling liggen,
om te voorkomen dat de bacterie zich over het hele ziekenhuis verspreidt.
Daarom moest de man, die de huidziekte had, in afzondering verblijven
en mocht hij pas weer naar huis als zijn huid helemaal gereinigd was.
Wij kunnen alleen bij God komen als onze onreinheid wordt gereinigd.

De man had er vast moed voor nodig om naar Jezus toe te gaan.
De blikken van de mensen in de massa, die hem aankeken, geschrokken, bang.
En in hemzelf wellicht het gevoel van schaamte,
omdat hij door zijn ziekte nergens meer bij hoorde, onrein was.

Dan zegt Jezus tegen de man, die met zijn huidziekte bij Jezus aanklopt
en eigenlijk helemaal niet bij Jezus mag komen,
maar aanvoelde, wist dat Jezus een bidder niet laat staan.
Dan zegt Jezus: Ik wil, word gereinigd.
Hij zegt dat ook tegen ons: Ik wil, word gereinigd.
onze zwakheden heeft Hij op zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen.
Als Jezus dat zegt: Ik wil, word gereinigd,
zegt Hij dat niet alleen tegen die man, maar ook tegen de menigte die toekijkt
En tegen ons, die het verhaal horen, en voor ons zien.
En al durven wij misschien niet te komen, omdat we beseffen dat we zo niet kunnen komen,
voelen we dat ons hart ons aanklaagt, omdat we zo niet voor God kunnen bestaan,
dan spreidt Jezus de armen uit en zegt: kom maar,
want Ik kwam juist, hier op deze aarde, Ik daalde de berg af om onder jullie te zijn.
Ik wilde niet alleen onder ogen zien, hoe jullie er aan toe zijn,
maar Ik wilde er ook iets aan doen.
Ik wil, word gereinigd.
Als Mattheüs aangeeft, dat hier Jesaja 53 wordt vervuld,
krijgt het gebeuren een nog diepere betekenis dan genezing alleen.
Hier tekent Mattheüs een lijn naar het kruis op Golgotha.
Als Jezus dat zegt: Ja, Ik wil, word gereinigd,
zegt Hij dat ook tegen de Vader in de hemel, Die Hem naar de aarde zond
met het doel om die onreinheid te dragen, weg te dragen op Golgotha.
Ja, Ik wil. Ik ben bereid om naar het kruis te gaan.
Dat is Mijn wil, Mijn doel.
Jezus weet, wat dat betekent: Inderdaad genezing voor deze man.
Genezing voor iemand met huidvraat is als opstaan uit de dood, opnieuw geboren worden,
wedergeboren, thuisgebracht, weer terug bij God.
Dat is de ene kant.
Er is ook een andere kant, die Jezus maar al te goed beseft
En waar Hij niet voor terugdeinst,
dat meeklinkt als Jezus zegt: Ik wil en dat zichtbaar wordt als Jezus Zijn arm uitstrekt
en deze man, die bij Hem komt, aanraakt.
Het kruis. Ja, Ik wil.
Voor Hemzelf zal het een weg van lijden zijn: onze zwakheden, onze ziekten.
Hij neemt dat op Zich, zodat wij die last niet meer hoeven te dragen.
Jezus blijft niet op een berg, ver verheven boven onze sores en onze ellende.
Zoals Hij niet in de hemel bleef, onbewogen voor wat er met ons was misgegaan.
Hij zei: Ik ben bereid om te komen, om in jullie plaats te gaan.
we hebben een God, die niet terugdeinst voor ons, niet een stap terug doet,
maar die bereid is om Zijn eigen heiligheid op te geven om ons weer heilig te maken.
Die als wij onrein zijn en niet bij Hem kunnen zijn, er een afstand hoort te zijn,
zelf de afstand overbrugt en aan onze kant komt, in onze wereld,
zelf bereid is om een verschoppeling te worden, verbannen te worden,
aan het kruis, buiten Jeruzalem.
Zoek en je zult vinden, klopt en er zal opengedaan worden.
Laat schaamte je niet tegenhouden en zie dat Jezus juist ook in jouw wereld gekomen is
En Zijn hand naar je uitstrekt: Ja ik wil, word gereinigd.
Amen.