Eerherstel voor Elihu?

Eerherstel voor Elihu?
Hoor dit aan Job!
Blijf staan en let op de wonderen van God (Job 37:14)

Eigenlijk weet niemand raad met Elihu. Veel hedendaagse uitleggers zien de redevoeringen van Elihu (de hoofdstukken 32-37) als een latere toevoeging. Iemand die het boek Job later las, zou het slot van Jobs toespraken wel erg kras vinden en daarom de toespraken laten volgen door de woorden van Elihu, om de woorden van Job toch aan te passen. Zijn woorden eindigen met een aanklacht tegen God Zelf, omdat hij zich door de Almachtige verkeerd behandeld voelt. In Elihu zien we iemand, die tegen Job ingaat en Job corrigeert: ‘Job zo mag je niet over God denken!’
Elihu zit op een andere lijn dan de andere vrienden van Job. Voor hen heeft het lijden van Job te maken met een fout die hij beging. Dat hij alles kwijtraakte, zou te maken hebben met een zonde, die bij niemand bekend is. Alleen Job en God zouden van die zonde afweten. Voor Elihu heeft de rampspoed die Job overkomt niet te maken met een zonde aan Jobs kant. Voor hem heeft God een doel met Job in wat Job overkomt. God wil Job door het lijden leren. De Heere wil Job voorkomen dat Job een verkeerde weg in slaat en neemt Hem daarom alles af. Zo leert Job inzien, dat met geld en rijkdom niet alles te verkrijgen is. Zo leert Job dat God boven alles staat. Job moet niet vragen naar het verleden, niet naar het waarom. Job moet vragen naar het waartoe, naar het doel dat God ermee heeft. Als Job zich oneerlijk door God behandeld voelt, dan moet hij niet tegen God ingaan. Job is immers maar een mens. Hoe kan hij als klein en nietig mens de heilige God doorgronden en Zijn plannen kennen? Elihu is van mening dat wij bij een ziekte hebben te kijken naar wat de Heere ons wil leren: een les in vertrouwen, een waarschuwing tegen verkeerde wegen. Elihu is van mening dat als een ramp een land treft gekeken moet worden naar het doel.
Wat is dan het probleem met Elihu? Elihu heeft zijn theologie op orde, zo lijkt het. Want wat Elihu zegt komt overeen met wat de Heere in Zijn toespraken tegen Job zegt. Ook daarin gaat het over de grootheid van God en dat Job Gods wegen niet kan doorgronden. Elihu zegt ook dat zijn inzichten niet door hemzelf bedacht zijn, maar dat hij deze lessen zelf van de Heere heeft geleerd. Maar dat is juist voor veel uitleggers het probleem: Plaatst hij zich daarmee niet teveel op één lijn met God? Is Elihu uiteindelijk niet teveel bezig met het verdedigen van de Heere tegen de verwijten van Job en is Elihu daardoor niet in staat om te zien wat Job allemaal is overkomen? Heeft Elihu wel oog voor alles wat Job is kwijtgeraakt? Job is niet alleen zijn bezittingen en zijn bedrijf kwijtgeraakt maar voor zijn idee ook God. Nou, dat is in ieder geval wat Elihu tegenspreekt: ‘Job, je bent God niet kwijt. Hij is met je bezig. Zie het als Zijn vaderlijke zorg. Zelfs in het afnemen van je goed en je gezin kunnen we Gods liefdevolle handelen zien. Ik zie daarin Gods bewogenheid met jou.’
Ook al heeft Elihu zijn gedachten over God op orde, ze zijn wel ingewikkeld toe te passen. Want voor wie is de overstroming in de Amerikaanse stad Houston een les? Welke boodschap valt er te leren in de overstroming in Zuid-Oost-Azië? Geen wonder dat hedendaagse commentaren voorzichtig zijn met de toepassing van Elihu’s woorden. Een commentator schrijft: Elihu’s woorden kun je alleen maar overnemen voor zover ze overeenkomen met de rest van de Schrift. Deze commentator is geen eigenwijze geleerde, die zomaar ingaat tegen de Bijbel, maar vol eerbied en ontzag wil luisteren naar Gods Woord.
Enkele maanden voordat mijn schoonmoeder overleed had ik een kort gesprek met haar over de zin van haar ziekzijn en haar lijden. Ze was al meer dan 13 jaar ziek en zeker in de laatste maanden werd ze steeds meer afgebroken. Toen ik aangaf dat ik daarin Gods hand niet kon zien, antwoordde stellig: ‘Ik heb liever dat dit uit Gods hand komt dan uit de hand van de duivel. Want als dit uit Gods hand komt, weet ik dat het nog ergens goed voor is.’ Ik begreep deze woorden niet, omdat ik zelf in die tijd erg worstelde met God en vaak het idee had dat God er niet was. Juist in die tijd had ik college over het bijbelboek Job gehad en ook het aanklagen van God door Job behandeld. In die aanklagende Job kon ik mijzelf herkennen. Deze woorden van mijn schoonmoeder zijn me altijd bijgebleven. Hoe meer ik er over nadacht, hoe meer ik ze kon begrijpen. Ook omdat ik in haar een echt geloof zag in de leiding van God in haar ziekzijn. Dat God er een les mee had, was voor haar juist een bemoediging. Dat hield haar op de been. Door haar levende getuigenis heb ik meer waardering voor Elihu gekregen.
Is het tijd voor eerherstel van Elihu? Ik kan pleidooien om de andere drie vrienden van Job serieuzer te nemen, omdat zij eerst een week zwijgen en door te zwijgen delen in zijn leed. Ze gaan hun lijdende vriend niet uit de weg. Ze laten hem niet in de steek, ook al zijn ze niet met hem eens. En Elihu? Hij verdient nog meer respect, want hij heeft nog langer gezwegen, ook al was hij nog minder met Job eens dan de andere vrienden. Elihu heeft ook goed geluisterd naar Job, want hij gaat op alle verwijten van Job naar God toe in. Hij vraagt Job om te kijken vanuit Gods perspectief: Hoor dit aan Job! Blijf staan en let op de wonderen van God. Job, zie je dan niet Gods zorg voor deze wereld en zie je niet dat je opgenomen bent in Gods plan?
En toch ben ik voorzichtig met volledige eerherstel van Elihu. Want dat gelovigen kunnen lijden aan Gods wegen die voor ons mensen onbegrijpelijk zijn komt overal in de kerk voor. Nadat ik over Elihu gepreekt had, werd dat ook door sommige ambtsdragers gedeeld. Deze worstelingen en aanvechtingen zijn heel serieus te nemen. Waarom ik ook voorzichtig ben om Elihu gelijk te geven is dat Elihu Gods handelen alleen in Zijn grootheid kan zien, in de macht die zich toont in de schepping. Gods handelen is niet alleen indrukwekkend. God kan klein worden, zo klein als een Kind in de kribbe. God kan kwetsbaar worden: kwetsbaar en naakt aan het kruis, door iedereen verstoten en uitgelachen. Daar aan het kruis droeg Christus niet alleen onze zonde weg, maar deelde Hij ook in ons lijden, in onze nood. Enkele dagen na de aanslagen van 11 september 2001 vertelde onze hoogleraar Dogmatiek hoe wij in die aanslagen en in die gruwelijke beelden iets van God kunnen waarnemen. Bij de restanten van die torens, waarin de vliegtuigen waren ingeboord, was een kruis zichtbaar, Zo deelt Christus in ons bestaan. Ook dat is het wonder dat we niet mogen vergeten en waar we oog voor mogen hebben. Als we dan niet weten waarom ons iets overkomt en als we ook niet begrijpen waartoe het ons overkomt, mogen we zien op onze Heere en Heiland die niet ver van ons is, maar ons draagt als wij ons kruis moeten dragen.

Meditatie voor de Veluwse Kerkbode

HEER JEZUS, DUIZEND VRAGEN

Heer Jezus, duizend vragen
te veel om mee te dragen:
waarheen, waarom, waartoe?
Kunt Gij geen antwoord geven?
O God, dit is geen leven,
wij worden zoveel vragen moe.

Hoe kan een mens geloven
dat iemand hoort, daarboven,
dat Eén ons zeker ziet,
dat die ons zal bevrijden
van lasten en van lijden –
wil Hij of kan Hij dat dan niet?

Wie kan ooit zeker weten
dat God niet wil vergeten
het land, de zee, de zon,
de mensen niet zal haten,
niet eenmaal los zal laten
het werk dat eens zijn hand begon?

Heer Jezus, al die vragen,
Gij hebt ze meegedragen,
die last, was dát uw kruis?
Dat Gij de schuld verzoende
geeft ons geduld voldoende:
het laatste antwoord wacht ons thuis.

A.F. Troost, Zingende gezegend nr 282.

Advertenties

Handboek missionair jongerenwerk (recensie)

Handboek missionair jongerenwerk (recensie)

In de laatste tijd zijn alle grote kerkverbanden in Europa zich bewust geworden van de missionaire uitdaging. Van degenen die de kerken zouden willen bereiken met is de bij de jongeren de uitdaging misschien wel het grootst. Alle onderzoeken geven aan dat de meeste jongeren vandaag de dag thuis of op school niets van het geloof meekrijgen. Op welke manier kunnen de kerken hen toch bereiken? Wat hebben de kerken jongeren, die niet of nauwelijks een godsdienstige achtergrond hebben, te bieden?

Om op die vragen een antwoord te kunnen bieden, is er in Duitsland een serie opgestart. Beiträge zur missionarischen Jugendarbeit. De eerste twee delen van deze serie zijn verschenen. Het eerste deel is een Handboek missionair jongerenwerk; in het tweede deel worden concepten en bijbehorende werkvormen uitgewerkt.

978-3-7615-6286-4

Persoonlijke geloofskeuze
Missionair jongerenwerk bestaat al vanaf de 19e eeuw, toen verschillende organisaties jongeren die van de kerk vervreemd waren probeerden te bereiken. Vaak waren het organisaties uit piëtistische hoek, waar de nadruk op een persoonlijke geloofskeuze voor Christus lag. Deze stroming heeft een theologische insteek en neemt het vertrekpunt in de zendingsopdracht die Jezus aan zijn discipelen gaf.

Maatschappelijk geëngageerd
Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde zich een nieuwe stroming. De jongeren die waren opgegroeid in het nazi-Duitsland moesten zich ontwikkelen tot vrije burgers, die van harte de democratische waarden konden onderschrijven. Deze meer maatschappelijk geëngageerde stroming heeft een meer sociaalpedagogische insteek: jongeren helpen bij hun ontwikkeling naar zelfstandige, mondige volwassenen.

Meerdere perspectieven
In het handboek worden beide stromingen samengebracht: missionair jeugdwerk is er op gericht om de jongeren te begeleiden tot worden van een zelfstandige, volwassen persoon, die vertrouwd geraakt  is met het christelijk geloof en mogelijk zelf ook leeft uit het geloof in Jezus Christus. Dit handboek beperkt zich niet tot één christelijke stroming, maar wil van betekenis zijn voor zowel het protestantse als het katholieke en het evangelische missionaire jeugdwerk.

Functies van de kerk
In het handboek wordt van het bijbelse spreken over zending en van de recente ontwikkelingen uitgewerkt wat dit betekent voor het missionair jeugdwerk. De eindredacteuren van het handboek zetten zelf wat lijnen uit. Zij gaan uit van 5 functies van de kerk: martyria (verkondiging), leiturgia (eredienst, vieren), koinonia (gemeenschap), diakonia (dienstverlening) en paideia (onderwijs, vorming en toerusting). Niet in elke vorm hoeft alle functies te hebben. Wel is het goed om aan de hand van deze functies te kijken of er niet iets over het hoofd gezien wordt.

Ontwikkeling
Geloven gebeurt vaak niet van de een op de andere dag. Pedagoge Martina Walter werkt uit met elke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden op persoonlijk vlak en op geloofsgebied bij een jongere. Walter werkt dat uit aan de hand van de fasen die Erikson en James W. Fowler reconstrueren.

Contact
Contact krijgen met deze doelgroep is ook niet altijd makkelijk. Nathanael Volke gaat in op de missionaire uitdaging van social media. Soms hebben kerken nog wel contact. De bekende godsdienstpedagoog Friedrich Schweitzer roept op ook de kerken die nog catechese hebben de catechese te zien als missionaire kans. Daniela Mailänder vraagt om de jongeren niet uit het oog te verliezen als ze volwassen geworden zijn.

Te druk
Een andere belemmering is het toenemende gebrek aan tijd bij jongeren. Kon het missionair jeugdwerk voorheen nog gebruik maken van de vrije tijd van jongeren, nu moet er geconcurreerd worden met een bijbaantje en activiteiten van school en sportclub die ook steeds meer in de vrije tijd wordt georganiseerd. Ook het vinden van leiding is lastiger geworden door de afname van vrije tijd. Dat vraagt om flexibele structuren en goede afstemming met andere verenigingen die ook voor deze doelgroep werken. Uitgewerkt wordt hoe men met scholen kan afstemmen of samenwerken.

Verschil in sociale milieus
Jongeren hebben niet allemaal dezelfde achtergrond. Dé jongerencultuur bestaat niet. In het missionaire werk wordt tegenwoordig rekening gehouden met verschillende sociale milieus. Heinzpeter Hempelmann werkt uit op welke manier het missionair jeugdwerk kan afstemmen op de verschillende milieus. Ernst-Ulrich Huster laat zien op welke manier er rekening gehouden kan worden met armoede. Sarah Koyyuru gaat in op missionair jeugdwerk met jongeren met een migrantenachtergrond. Karsten Jung laat de spanningen en de mogelijkheden zien van missionair jeugdwerk met jongeren die tot een andere godsdienst behoren.

Inhoud
Missionair werk is niet zonder inhoud. Daarom laat Jörg Kresse zien welke cursussen er voor jongeren zijn om hen met het geloof vertrouwd te maken. Steffen Kaupp gaat in op wat er nodig is om jongerendiensten een missionaire uitstraling te geven: voordat je een dienst organiseert moet je eerst de jongeren in beeld hebben. De missionaire kracht van een dienst neemt toe als je in vorm en inhoud kunt afstemmen op wat jongeren bezig houdt. Hoe meer ze wat er gezegd wordt in hun dagelijks leven herkennen en hoe meer de boodschap hen in hun dagelijks leven iets te zeggen heeft, des te zinvoller wordt zo’n dienst. Geloofsthema’s zeggen meer als ze verbonden worden met zingevingsthema’s. Deze zingevingsthema’s moeten niet als opstapje worden gebruikt om het alsnog over geloof te hebben, maar zinvol met elkaar verbonden worden.

978-3-7615-6395-3

Concepten en werkvormen
In het tweede deel worden concepten uiteengezet, die recent binnen de godsdienstpedagogiek zijn ontstaan, zoals jongerentheologie, creatieve bijbeldidactiek, biblioloog, Godly Play, performatieve godsdienstdidactiek, e.a.Daarbij worden werkvormen gegeven, waarbij heel concreet wordt uitgewerkt wat er nodig is om voor te bereiden, hoeveel tijd het kost en op welke manier zo’n vorm ingezet kan worden.

Conclusie
De beide boeken zijn een waardevolle bijdrage aan het missionaire debat. Ze bevatten genoeg uitdagingen, inzichten en praktische uitwerkingen  die ook in Nederland ingezet kunnen worden.

N.a.v. Florian Karcher / Gerco Zimmermann (Hg.), Handbuch missionarische Jugendarbeit (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2016).
Florian Kracher / Petra Freudenberger-Lötz / Gerco Zimmermann (Hg.), Selbst glauben. 50 religionspädagogische Methoden und Konzepte für Gemeinde, Jugendarbeit und Schule
(Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2017).

Zie Gods grootheid!

Zie Gods grootheid!
Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God!

(Job 37:14)

Hier is iemand aan het woord die zegt: Neem even de tijd om te kijken, te kijken om je heen naar wat er gebeurt in de schepping,  het mooie weer, de zon die zijn stralen uitzendt en voor warmte op aarde zorgt, de wolken die zich vormen in de lucht. De ene keer gaan ze snel voortgedreven door de wind, dan weer kan er een dreigende lucht zich opbouwen,  witte koppen op de wolken die onweer aankondigen. Je kunt met mooi weer weg gaan en halverwege slaat het weer om, zodat je met regen thuiskomt. Neem even de tijd om er naar te kijken, om te kijken wie daar de hand in heeft: God onze schepper. Daar moet je niet zomaar aan voorbij gaan! Je ziet daarin Zijn macht en grootheid, je ziet dat er een God is die zich actief met de wereld bemoeit, die wat er op de wereld gebeurt, niet zomaar aan zich voorbij laat gaan! En als je dat allemaal bedenkt, dan besef je dat je als mens tegen God niets in te brengen hebt. Wie zijn wij om te bedenken dat wij als mens het beter zouden doen dat God? God is voor ons te groot om echt te doorgronden, Hij is zo groot en wat Hij doet is zo indrukwekkend, wij kunnen God niet begrijpen, we kunnen niet overzien wat Hij allemaal doet.

In de zomervakantie zijn we in Oostenrijk in de bergen geweest. 
Het was wat regenachtig toen we onderaan de berg de kabelbaan naar boven pakten, bovenaan gekomen, zouden we verder gaan wandelen, meer naar de top toe. De zon brak door en het werd warmer. Rondom de top van de berg aan de overkant van het dal werd het donkerder en we hoorden de rommel van de donder en zagen wat bliksemflitsen. Gelukkig kwam dat onweer niet onze kant op. Het was allemaal indrukwekkend: de bergen, het onweer, het uitzicht over het dal, de wolken. Je ziet iets van Gods grootheid en toch, die ervaring gaat weer naar de achtergrond, als je weer thuis bent, waar het overigens ook mooi is en waar je Gods hand ook steeds in de schepping ziet. Sta er bij stil, je gaat er zo gemakkelijk aan voorbij, als je met je dagelijkse dingen bezig bent Vergeet je schepper niet te danken.

Ja, dat is waar, Elihu, je hebt helemaal gelijk: We kunnen God niet begrijpen, we zijn te klein om tegen God in te gaan of aan Hem rekenschap te vragen van wat Hij doet. Maar hoe zat het ook al weer met Job, die voor je zit? Al zijn bezittingen is hij kwijtgeraakt, van de een op de andere dag: al zijn schapen, zijn koeien, zijn kamelen, zijn hele bedrijf, misschien wel het grootste bedrijf dat er in die tijd was – helemaal weg. En dan  die tragedie met zijn kinderen, tien had hij er  en alle tien kwamen ze bij één gebeurtenis om het leven, nog niet zo heel lang geleden. Alles wat Job had was hij kwijtgeraakt, niet alleen zijn kinderen en zijn bedrijf, maar ook zijn vrouw misschien wel  en wat Job nog het meest raakte, was dat hij zijn God was kwijtgeraakt. In de gesprekken die Job met zijn vrienden had,  kwam dat elke keer weer naar voren, vol bitterheid: God heeft zich tegen mij gekeerd. Hij moet mij hebben, als een jager jaagt Hij op mij en ik heb geen moment rust, ik kan me nergens voor Hem verbergen.

Drie van zijn vrienden gaan er tegen in:  Job, wat heb je gedaan, dat God zo boos op je geworden is? Heb je misschien toch een zonde gedaan, waarvan wij niets afweten? Het zal een reden hebben, waarom God je straft. En die opmerkingen van zijn vrienden, hoe goedbedoeld ook, maakten Job wanhopiger: Is er dan niemand die voor mij opkomt? Ik zou wel een rechtszaak met God willen beginnen,  laat Hij maar aantonen dat ik mis zit en gezondigd heb; Hij zal niets kunnen aangeven. Hij zei het niet alleen tegen zijn vrienden, maar ook tegen God zelf:  Wat moet U van mij, waarom gaat U zo tegen mij tekeer? Wat heb ik U misdaan? Ik ben niet met andere vrouwen bezig geweest, voor de armen ben ik goed geweest, nooit heb ik iemand benadeelt – waarom toch God?

Al die tijd is Elihu stil geweest. als jongste heeft hij minder recht van spreken. Hij heeft minder wijsheid, minder levenservaring. Toch, als hij Job zo hoort, wordt het hem teveel. Er komt een boosheid in hem boven, een heilige woede, want Job, je hebt het wel over mijn God, over onze God, over de schepper van hemel en aarde, de hoogste God, de enige God die er is. Job, zo kun je niet tekeer gaan tegen God, besef je wel tegen Wie je het hebt? Job, je denkt dat God je wil straffen, maar dat kun je toch niet weten? Weet je, er is iets anders: God wil je wat leren. Door je alles af te nemen, wil Hij je laten weten dat je het met geld niet redt en dat je aan je bezit uiteindelijk niets hebt. Hij wil je waarschuwen tegen een verkeerde weg, Nu met deze weg, Job, met al je lijden, heeft Hij maar één doel: Jou dicht bij Hem houden. Het is een zorg van Hem, om je voor het verkeerde te behoeden. En moet je kijken hoe de schepping in elkaar steekt: de macht die God heeft! Over heel de schepping heeft Hij de macht, Hij regeert alles. Met Zijn macht kan Hij de rechtvaardigen, de gelovigen steunen en de mensen die oneerlijk zijn kan Hij onder de indruk laten komen, zodat ze stoppen en tot inkeer komen. Zie je God dan niet bezig in de schepping? Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God!

Wat Elihu over de schepping zegt, over verschijnselen die zich voordoen: 
regen en wind, ijs en storm, lichtflitsen en onweer, dat zijn niet zomaar verschijnselen, dat zijn verschijnselen in de natuur die aankondigen dat God zelf komt, op aarde. Ze kondigen Zijn komst aan, ze verkondigen het ons: maak je gereed, want God komt  om Zijn oordeel uit te spreken en het verkeerde, het zondige weg te doen en alles recht te zetten.

Het zijn mooie woorden over God. Het is een boodschap over God, die klopt.  En toch, in het boek Job is dat niet de laatste waarheid.  Job, de drie vrienden die steeds aan het  woord waren, ze hadden allemaal gelijk én ongelijk. Allemaal hadden ze een punt en toch niet de volle waarheid en daardoor zaten ze er allemaal naast, ook al is het niet helemaal onzin wat ze zeiden. Daarom moeten we goed kijken, op welke manier ze wel gelijk hadden. Elihu, hij had scherp gehoord wat Job aandroeg aan verwijten richting God, Elihu is een goede luisteraar, hij weet uit Jobs uitspraken te achterhalen, wat hem ten diepste beweegt. Elihu, hij is diep onder de indruk van Gods grootheid en er diep van overtuigd dat God deze wereld op een goede manier leidt,  zoals alleen God dat kan doen: eerlijk, rechtvaardig en betrouwbaar, heilig. Het leed van Job brengt hem niet van zijn stuk en gaat tegen Job in: Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God! Kijk je wel op de goede manier naar God?

Waarom is dat niet het goede antwoord? Omdat Elihu God zelf niet is.  Hij plaatst zichzelf op de lijn van God en plaatst zich daarmee tegen over Job.  En terecht, hij vraagt de aandacht voor Gods grootheid en toch: ziet hij Job zelf wel zitten? Elihu, hij heeft wel gelijk, als hij tegen Job zegt: Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God! Alleen kijkt hij puur naar de macht en de heerlijkheid van God, Gods grootheid. Maar God toont zich niet alleen in het grootse, in het indrukwekkende, maar soms juist heel stil en in het verborgen, God kan ook klein worden, klein als een kind in de kribbe, kwetsbaar en naakt aan het kruis, niet alleen toornend over het kwaad, maar juist ook de zonde dragend, delen in ons lijden, delen ook in onze verlorenheid, we begrijpen God niet, maar God is wel te vertrouwen. We zien God niet altijd en toch is Hij er, ook bij ons en voor ons. We hebben het idee dat Hij onze gebeden niet altijd hoort en toch, God is niet te groot voor onze gebeden. Zoals Hij voor de schepping zorgt, zorgt Hij ook voor ons. Al is dat niet altijd in zegen, wel in Zijn trouwe vaderlijke zorg.

Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden, waarlangs mijn voet kan gaan.

Preek zondagmorgen 27 augustus 2017

Preek zondagmorgen 27 augustus 2017
Schriftlezing: Romeinen 1:1-20
Tekst: 1:5

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze preek gaat over genade, het mooiste, het diepste waar het in de kerk over kan gaan!
Genade betekent: iets dat je krijgt, zonder dat je er recht op hebt of verdient,
sterker nog: je verdient het helemaal niet, je hebt er geen recht op en toch krijg je het.
Voor Paulus heeft genade alles te maken met God, die deze genade geeft.
Hij geeft aan mensen, aan ons, aan jou, aan u, aan mij, iets
Waar we geen recht op hebben
– een goedheid die God laat zien, zonder dat Hij daartoe verplicht is.

Genade als een geschenk, een cadeau van God, is bijzonder,
omdat het een breuk herstelt,
een breuk die ontstaan is tussen God en ons door onszelf.
Die breuk is er niet door God gekomen, maar door ons.
Die breuk is er gekomen – tussen God en ons, doordat wij als mensen hebben gezegd:
Wat God geeft is op zich wel best, maar niet genoeg,
we hebben meer nodig om echt een keuze te kunnen maken
tussen wat verkeerd is en wat goed is.
Wij willen dat zelf kunnen bepalen, zelf een inschatting kunnen maken
en dat God aan ons die keuze niet gegeven heeft,
laat zien dat God eigenlijk geen hoge pet van ons op heeft.
Weet je niet, zei de slang, dat je om echt mens te zijn, zelf de keuze moet kunnen maken
tussen wat goed is en verkeerd, dat je de keuze kunt overzien – God kan dat ook.
God heeft dat alleen maar achter gehouden, omdat Hij dat jullie niet gunt.
Zo werd er twijfel in ons hart gezaaid over God, twijfel dat wantrouwen werd:
Hoe kunnen wij God nu vertrouwen als Hij iets wezenlijks achterhoudt,
waardoor we echt mens zouden kunnen zijn
en zonder die keuze zijn we maar half.
Het is misschien goed bedoeld, ter bescherming van ons, maar we kunnen het zelf.
De breuk die er kwam, tussen God en ons, had ermee te maken
dat we niet meer onbevangen naar God konden kijken
en niet meer onbevangen, als dankbare schepselen, zijn zegeningen konden aanvaarden.
Sindsdien is het: bedoelt God het wel echt goed, zit er niet iets achter,
of houdt Hij niet iets achter, wat Hij ons niet wil geven?
We willen wel van God aannemen, maar onszelf niet helemaal overgeven aan hem.
OF er kan ook het effect zijn, dat we ons helemaal van God afkeren,
Dat we niets van hem willen weten en dat je tegenover Hem staat,
niet meer als iemand die bij Hem hoort, maar als iemand die vijandig gezind is, een tegenstander.
Het ingewikkelde alleen is, dat we dat kunnen camoufleren met heel veel godsdienst:
in de brief aan de Romeinen zijn dat aan de ene kant de heidenen,
die hun vijandige houding naar God toe verbergen onder het dienen van afgoden.
Heel gelovig, heel vroom, maar niet de echte God, niet de enige God die er is:
Vader, Zoon en Heilige Geest, maar nepgoden.
Voor Paulus is dat een manier om te verbergen dat je met God eigenlijk helemaal niets wil.
een andere manier, die ook in deze brief naar voren komt is die van de Joden,
die hun vijandschap verpakken in een vroom en toegewijd leven,
maar een leven zonder Christus en daarmee zonder God.
Er is op deze hele wereld niemand die uit zichzelf bezig is met God, met hoe God echt is.
Niemand die uit zichzelf God zoekt.

En dan genade: met genade grijpt God in, in het leven van mensen,
om die vijandigheid weg te doen,
om mensen die zich tegenover Hem hebben gesteld, in afwerende positie, in verzet,
– of dat nu openlijk is of gecamoufleerd –
te openen voor Hem,
zodat ze bij Hem gaan horen, zodat ze naar Hem toe gaan komen,
in Hem gaan geloven, Hem wel vertrouwen.
Onverdiend is het, wij konden uit onszelf niet zeggen:
U moet ons weer terugnemen!
Als dat al bij ons op kwam, dan hadden we geen enkele recht om aan te kloppen.
Wij, mensen, wij hadden het contact verbroken, wij gingen onze eigen weg,
Als we dat van onszelf al bewust waren, dat het een verloren weg was,
een weg bij God vandaan.
Genade is juist dat God komt, dat Hij dat wantrouwen wegdoet,
dat Hij alles herstelt wat door ons kapotgemaakt is
– Hij maakt het weer goed, Hij herstelt – terwijl wij het hadden vergooid, verbruid.
Genade is dat God een diepe knieval maakt, om onze rotzooi, onze puinhoop weg te doen
En daar zelf de rekening voor te betalen,
dat zelf te dragen.

Genade heeft alles te maken met Christus, Jezus Christus de Zoon van God,
die naar de aarde kwam, naar de mens geboren uit het geslacht van David
Jezus Christus, die niet alleen maar mens was, maar God
en wie dat niet zag bij het kruis kon dat zien bij de opstanding,
toen Jezus uit het graf kwam, Hij die in de dood was, de macht van de dood verbrak,
weer levend werd, toen werd het helemaal zichtbaar wie Christus was: de Zoon van God.
Paulus spreekt hier nog niet over het kruis op Golgotha,
maar dat hoort er voor hem volop bij.
Dat Jezus opgewekt werd uit de dood, werpt wel een nieuw licht op het kruis.
Toen Jezus uit het graf kwam en de macht van de dood bleek te hebben overwonnen,
was het duidelijk dat het kruis op Golgotha geen mislukking is,
geen fatale afloop van wat iets moois had kunnen worden,
maar dat het kruis onderdeel was van het plan van God
om genade aan mensen te geven.
Al onze zonden zijn vergeven, zegt het avondmaalsformulier,
en dat is enkel en alleen gebeurd, doordat Hij stierf aan het kruis.
Het is helemaal betaald, de schuld is helemaal weg, er hoeft niets meer bij.
En dat wordt ons nu gegegeven: alsof u dat zelf voor elkaar had gekregen.
Genade is dat God niet naar ons oude leven kijkt, waar die breuk is,
een kloof tussen God en ons die wij zelf hebben veroorzaakt
en die wij zelf niet kunnen overbruggen,
maar dat God naar ons kijkt, alsof Hij naar Christus kijkt.
Hij kijkt naar ons en ziet Christus staan.
Hij ziet geen zondaren meer, geen mensen die Hem afwijzen of uit de weg gaan,
geen mensen die niet bij Hem horen,
maar Hij ziet mensen naar wie Zijn liefde uitgaat:
geliefden van God, zo worden de gemeenteleden in Rome genoemd.
En daarmee bedoelt Paulus niet dat God van hen houdt,
omdat deze mensen zijn gaan geloven,
nee Gods liefde was er eerst en deze mensen hebben gehoor gegeven aan Zijn liefde,
hebben zich laten winnen door de liefde van God
Geliefden van God, als er al iets van hun kant in zit, is dat die liefde in hun hart is gekomen,
dat ze vanuit die liefde zijn gaan leven,
dat Gods liefde in hun hart gekomen is,
dat hun hart door Christus wordt bewoond en niet meer door de zonde.
Bij deze mensen in Rome is gebeurd, wat er ook bij Paulus is gebeurd:
Genade – genade dat je bij God mag horen, dat je in Zijn dienst mag komen,
dat Zijn liefde in je hart komt,
dat je alleen van Hem nog wilt zijn en van niets of niemand anders.
Elke keer als Paulus daarover spreekt, is er verwondering, verbazing,
dat die genade er ook voor hem is,
Want als er iemand is, die deze genade niet verdiende, die tegen God inging,
die God tegenwerkte was hij dat wel en toch: ook voor hem genade.
En die verwondering heeft Paulus ook, als hij ziet dat in Rome
er ook mensen zijn die deze genade ontvingen, voor wie het ook was.
Ik hoop ook, dat u, dat jij die verwondering kent, dat je verbaasd bent,
op een positieve manier verrast, dat God ook in jouw leven wilde komen,
dat die genade er ook voor u is.
Al mijn zonden vergeven, alleen om het lijden en sterven van Christus.
Dat wordt mij geschonken!
En volgende week mag ik in alle verwondering aan de tafel gaan,
de tafel van Christus, de tafel waarop de genade zichtbaar wordt:
– in het brood dat gebroken wordt,
Het brood dat wij breken is de gemeenschap met het lichaam van Christus,
gedenkt en gelooft, dat het lichaam van onze Heere Jezus Christus
is verbroken tot volkomen verzoening van al onze zonden.
– de wijn die wordt uitgegoten
De beker van de dankzegging, waarover wij de dank uitspreken
is de gemeenschap met het bloed van Christus,
gedenkt en gelooft, dat het kostbaar bloed van onze Heere Jezus Christus
is vergoten tot volkomen verzoening van al onze zonden.
– in de vele plaatsen die er om die tafel zijn: ook voor u, voor jou de genade van Christus!

Om die genade te ontvangen zijn er geen voorwaarden.
Ja, het avondmaalsformulier noemt 3 voorwaarden:
dat je ziet hoe hopeloos het met je gesteld is zonder Christus,
dat je de genade wilt aannemen
en dat je je door die genade laat veranderen tot een nieuw mens,

Die voorwaarden laten alleen maar zien, dat het zo, zonder genade, zonder Christus
niet verder kan en dat er iets moet veranderen
en dat er ook iets kan veranderen, omdat God dat heeft gedaan,
omdat Christus op aarde is gekomen.

Soms kun je weten dat er iets met je mis is, omdat je dat zelf merkt.
Iemand die last van zijn gezondheid heeft, gaat naar de dokter toe,
voor een onderzoek, voor medicijnen, voor een behandeling.
zo gaan we naar Christus toe, voor die genade.
Maar niet altijd weet je dat er iets met je mis is,
omdat je op dat moment nog niet iets verneemt.
Ik heb dat wel gezien dat mensen met een onderzoek meededen
en verwachtten dat er niet zo veel zou uitkomen, want ze voelden zich goed
en dat er uit het onderzoek heel iets ingrijpends naar voren komt.
Dat is wat het avondmaal ook laat zien:
Het zit goed fout en als er niets gebeurt, gaat het de verkeerde kant op,
dan kom je, als je leven ten einde gaat niet door het oordeel heen
en is er geen plek in de hemel.
Maar die uitslag, dat inzicht is bedoeld om er wat aan te doen
om van Christus die genade te ontvangen,
het formulier bij het avondmaal is heel scherp, niet om ons weg te sturen,
maar juist om wat mis is aan het licht te brengen, zodat er wat aan gedaan kan worden,
zodat Christus, onze arts, ons kan genezen, Zijn medicijn kan geven: Zijn genade.

Als je inziet, dat het zo – zonder Christus  – niet kan,
dan wijst God je niet af, maar dan neemt Hij je aan, dan neemt Hij je in genade aan,
dan is er een plek aan de tafel,
om dat medicijn te ontvangen: brood waarin je de liefde van Christus proeft,
waarmee je het weer weet, weer proeft, hoe daar op Golgotha
Jezus zich gegeven heeft,
wijn waarmee je weer weet, dat alles wat verkeerd is, wat jij verkeerd gedaan hebt,
weggewassen kan worden doordat Jezus gestorven is, Zijn bloed heeft gegeven.
Het is een geschenk – een kostbaar geschenk, dat je mag ontvangen,
dat er voor u is, het wordt gegeven:
Neem het aan. Ontvang het!

Het is een kostbaar geschenk: God heeft er alles voor over gehad,
Christus heeft alles gegeven.
Er zijn cadeau’s, bijvoorbeeld met een verjaardag, of een afscheid,
die je niet gebruikt, die je hebt staan, waarmee je niets doet, staan in de weg,
maar als iemand zo’n groot geschenk geeft, als iemand zijn leven geeft,
om jou alles te geven, om je te redden van een verkeerde weg,
dan kun je dat toch niet anders dan aannemen,
dat kun je dan toch niet naast je neerleggen, daar niets mee doen?

Ja, kostbaar is het, genade is niet goedkoop.
Het wil ook effect op ons hebben: gehoorzaamheid.
We moeten gaan luisteren naar God, alleen maar van Hem zijn.
U alleen, U behoor ik toe.
In het avondmaal gaat het er niet om, dat we foutloos zijn,
dat we die gehoorzaamheid in praktijk kunnen brengen,
zonder dat we dan nog enige fout maken.
Het gaat om een verlangen, dat we gehoorzaam willen zijn.
Dat is al genoeg voorwaarde: dat je niets meer anders wilt
en dat wanneer je dat niet kunt zijn, gehoorzaam, dat je er dan aan lijdt,
omdat je weet: ik doe God tekort, ik doe mijn Redder, mijn Heiland tekort.
Gehoorzaam zijn is ook dat je komt naar het avondmaal,
ook al is je hart bezwaart en durf je het niet, omdat je al je zonden ziet.
want dan doe je alsof die genade er niet voor je is,
alsof er voor u geen vergeving is.
Uiteindelijk is dat een uit de weg gaan van God,
ook al neem je God heel serieus.
Avondmaal zegt: God wil ons niet uit de weg gaan,
Hij neemt ons serieus, ook in onze zonde,
want daarvan wil Hij ons juist bevrijden en reinigen.

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,

Die van de straf voor eeuwig is ontheven,

Welzalig is de mens, wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.

Amen

Mogelijkheid om liefde te tonen

Mogelijkheid om liefde te tonen

Oudtestamenticus John H. Walton had in het voorjaar van 2005 een studente uit Indonesië in zijn colleges. Het land wad enkele maanden geleden getroffen door de tsunami. Walton vroeg haar naar haar familie. Ze waren allemaal gespaard. In de jaren ervoor waren alle christenen namelijk door militante moslims verdreven vanuit het kustgebied naar de binnenlanden. Daardoor werden wel de moslims getroffen en niet de christenen. De christenen zagen dit als een straf van God. Hun wijze en vrome predikant wist echter dit beeld te kantelen. De tsunami was voor de christenen mogelijkheid om hun liefde te tonen door hulp te geven aan degenen die hen dwars gezeten / vervolgd hadden. ( John H. Walton, Job, NIVAC in zijn toepassing bij de toespraken van Elihu, Job 32-37)

Preek zondagmorgen 20 augustus 2017

Preek zondagmorgen 20 augustus 2017
Afsluiting VakantieBijbelWeek 2017 (T)op Survival

c5c0f1c6-7c50-464a-9574-82dfeb5e661c

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is bijna twaalf uur en het begint al warm te worden,
te warm om nog iets te doen.
Toch loopt er iemand door de warmte om een klus te doen.
Het is een vrouw met een kruik om water te putten.
Je zou benieuwd zijn, waarom deze vrouw op dit tijdstip naar de put gaat
want water putten met deze warmte is geen doen.
Zou ze dat doen, om geen andere andere vrouwen tegen te komen?
vrouwen die over haar spottend aan kunnen kijken: ‘Jij hier, jij durft!’
vrouwen die verontwaardigd kunnen reageren als zij bij de put komt: ‘puh!’
of die met elkaar gaan smoezen en betrapt kijken,
omdat zij de roddels over haar toch opvangt.
Zou ze dat doen, om andere mensen uit de weg te gaan,
mensen die met haar geen raad weten, omdat ze een relatie met een man heeft,
waar het hele dorp over praat: ‘ze is niet getrouwd, moet je zien hoe ze leeft.’
‘Ik snap niet dat die man het bij haar uit houdt.
Ze heeft al 5 andere mannen gehad. Die mannen houden het niet bij haar uit.
Dan moet ze wel een vrouw zijn met wie je moeilijk samen kunt leven.’

De vrouw loopt daar door die warmte over de weg naar de waterput.
Af en toe schuilt ze misschien in de schaduw, maar ze gaat verder.
Het is voor haar een hele survival om daar te komen, een zware tocht,
met een kruik een eind lopen terwijl het warm is
En dan terug met een volle kruik water, een hele tocht.
En het zou best kunnen zijn dat haar hele leven een survival is,
dat er allerlei lastige hindernissen zijn, die ze steeds weer moet overwinnen,
de nare dingen die de mensen om haar heen over haar zeggen,
dat ze voelt dat er over haar geroddeld wordt,
en dat ze er niet in slaagt om een relatie goed te houden,
Dat de mannen met wie ze getrouwd is overlijden, of bij haar weg gaan.
Dat zal haar reputatie geen goed gedaan hebben
en dat geeft aan, dat het leven voor haar niet makkelijk is,
een overlevingstocht met veel hindernissen, elke dag weer een survival.

Ook in Oldebroek zijn er mannen en vrouwen, kinderen en jongeren
voor wie het leven elke dag weer een survival is,
een gescheiden moeder, die alleen de zorg voor de kinderen heeft
en daarnaast ook nog moet werken,
een gezin dat te weinig geld heeft om eten te kopen,
omdat er schulden zijn, of omdat beide ouders niet kunnen werken.
Volwassenen die zich schamen voor zichzelf, omdat ze een verslaving hebben
en daarom helemaal bedenken wanneer zij het beste naar de Emté kunnen gaan
om niemand anders tegen te komen.
Dat kan een tiener zijn, die het idee heeft: ‘Ik ben voor niemand belangrijk.
Niemand die mij ziet, niemand die mij echt kent.’

800_300_1_239031_0_nl_2017_vbw_map_web

Dan komt ze bij de put.
Wat zal ze geschrokken zijn dat daar een man zat.
Net zoals je als tiener bij jezelf kunt denken: ‘Als hij maar niet iets tegen mij zegt.’
En als hij dat wel doet, dat je voelt dat je rood wordt
en niet goed weet wat je moet zeggen.
Zo zal het ook bij deze vrouw geweest zijn.
Ze aarzelt om naar de put te gaan, want ze ziet dat het een man is, een Joodse man,
en ze weet dat het Joden niet toegestaan is om met mensen zoals zij om te gaan,
ze is een Samaritaanse
– dat heeft in deze tijd de betekenis ongeveer van een christelijke man
die een moslima of een vrouw die Jehova-getuige is tegenkomt.
En misschien weet ze ook wel, dat er Joodse geleerden waren in die tijd,
die heel streng waren en van mening waren
dat je als man niet een gesprek mocht beginnen met een vrouw.
Als hij me maar niet aanspreekt …

…. en dat doet hij toch: “ Geef mij water.”
Verbaasd kijkt ze de man aan: “ Hoe kunt u dat aan mij vragen.
U ziet toch dat ik een vrouw ben en ook nog een Samaritaanse.
Dat mag u toch helemaal niet aan mij vragen.”
“Je kent me niet, zegt de man, “anders had je aan mij die vraag gesteld.
Dan had je aan mij gevraagd: “ Geef mij te drinken.”
Ze snapt er helemaal niets van:
“ Nee, ik ken u niet en ik zie niets waarmee u water uit de put zou kunnen halen.”
“ Ik geef je ander water,”  zegt de man, “water dat je niet uit deze put kunt halen.
En het water dat ik je geef, is zo bijzonder, je krijgt daar nooit meer dorst van.
Het is zulk bijzonder water: je wordt er zelf een bron van,
anderen kunnen van jou dat water krijgen.”
Nooit meer dorst hebben, dat lijkt deze vrouw wel wat.
Dan hoeft ze nooit meer die zware tocht, nooit meer die survival te ondernemen
om hier bij de bron water te putten.

Wat zou dat voor water zijn, waar deze man over spreekt?
Zou er echt iets bestaan, waardoor je nooit meer dorst zou krijgen?
Over welke dorst zou deze man het hebben?
Over gewone dorst?
Of zou het gaan om iets waarmee ze graag geholpen wil worden.
Iets wat haar zelf niet lukt, maar wat ze wel graag zou willen.
Iemand die haar helpt om een goede relatie te houden,
zodat de mannen niet bij haar weg gaan, of sterven,
dat ze iemand wordt die wel iets voor elkaar krijgt,
al is het maar om gelukkig te zijn met een man
en gelukkig te zijn, zonder dat anderen in haar omgeving haar veroordelen.
Zou het om nog een ander verlangen gaan?
Verlangen om bij God te mogen horen?

Als een hert dat verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar U,
U alleen kunt mijn hart vervullen.

Je weet niet wie ik ben, zegt de man tegen die vrouw.
We weten het wel, we hebben het gelezen: het is de Heere Jezus.
Hij moest daar zitten, hier bij de put, om deze vrouw te ontmoeten.

Het is twaalf uur als deze vrouw en Jezus elkaar ontmoeten
en met elkaar in gesprek gaan.
Er is in het evangelie van Johannes nog een keer sprake van 12 uur.
Wie weet dat?
Het staat in Johannes 19:14.
Om twaalf uur wordt het startsein gegeven om Jezus te kruisigen.
Dat Jezus zal sterven aan het kruis, heeft met deze vrouw te maken.
Aan het kruis neemt Jezus alle zorgen van deze vrouw mee,
al het verdriet, alle pijn die ze heeft, alle spot en vernedering die ze heeft meegemaakt,
en ook de afstand tot God, alle fouten die zij heeft gemaakt in haar leven.
De Heere Jezus neemt dat allemaal mee, naar Golgotha.
Er zijn 7 kruiswoorden: 7 zinnen die de Heere Jezus aan het kruis heeft gezegd.
Misschien heb je ze wel geleerd op school, of thuis.
Ik denk dat er wel volwassenen zijn, misschien de ouderen, die ze hebben moeten leren.
Ik ben op zoek naar het vijfde kruiswoord.

“ Mij dorst” Ik heb dorst.
Dat is eigenlijk wat die vrouw had: dorst.
Jezus zegt: Ik ken je dorst om gelukkig te worden, om echt gezien te worden,
om bij God te horen, je verlangen dat je fouten van je afgenomen worden
en het verkeerde wordt weggedaan,
je dorst om eindelijk echt iets goed te doen, iets te kunnen betekenen voor God,
voor je vader of moeder, voor je man of vrouw, voor je vriend of vriendin.
Het kruis wordt een bron.
Misschien ben je in de vakantie wel bij water geweest:
aan zee, aan een beek of bij een waterval.
al dat water komt ergens vandaan: elke beek heeft een bron
van waaruit het water langs je stroomt.
Zo wordt Jezus aan het kruis een bron: levend water komt naar je toe.
Dat levend water is: Gods liefde, is de Heilige Geest.
Dat zegt Jezus tegen deze vrouw: je krijgt van Mij Gods liefde, je krijgt de Heilige Geest.
Ook al ben je een vrouw, ook al ben je een Samaritaan.
Je bent niet minder: al waren geleerden niet zo positief over vrouwen,
bij de Heere Jezus zijn ze wel belangrijk,
na de opstanding zijn de vrouwen de eersten die Jezus zien als levende
en de eersten die over Hem vertellen.
Ook deze vrouw gaat terug om over Jezus te vertellen.
Ook je afkomst is geen belemmering,
en ook als je niets goed kunt doen in het leven, als alles mislukt,
dan zegt Jezus tegen je:
Gods liefde is er ook voor jou, ook jij mag de Heilige Geest ontvangen.
Ook al is je leven een survival, elke dag enorme hindernissen die je moet overwinnen
Jezus zegt ook tegen jou: als je eens wist wat ik je zou geven,
als je eens wist, dat je Gods liefde, als je de Heilige Geest van mij kan krijgen,
dan zou je er om vragen.

maxresdefault

Nu kun je bij deze vrouw denken: zij heeft veel problemen in haar leven
en als zij haar problemen bij Jezus brengt, dan lost Hij ze op.
En dan denk je bij jezelf: ik heb helemaal niet zulke grote problemen.
Met mij gaat het eigenlijk best goed,
heb ik dat levend water van Jezus dan wel nodig?
Ja, iedereen heeft dat water nodig, dat levend water, die liefde van God en de Heilige Geest.
Niemand kan zonder God, niemand kan zonder de Heilige Geest en zonder Gods liefde.
Aan het kruis wordt Jezus een bron, zodat die liefde, zodat de Heilige Geest
naar iedereen toe kan stromen, naar jou, naar alle mensen op deze wereld.
Er is geen enkele belemmering meer om bij God te mogen komen.

Hij heeft voor mij een routeboek.
En als ik toch een keer verdwaal,
gaat Hij zelf naar mij op zoek.

Ik ga achter Jezus aan, hoe de weg ook gaat.
Hij is de beste Gids die er bestaat (Themalied VBW 2017)
Amen

Een volwaardige plek voor het Oude Testament in de christelijke eredienst

Een volwaardige plek voor het Oude Testament in de christelijke eredienst

In de kerk moet het Oude Testament volop klinken. Daardoor wordt elke kerkdienst weer duidelijk dat God de God van Israël is. En daarvan mag de christelijke gemeente zich wel wat meer bewust zijn, schrijft Jürgen Ebach

Heeft het Oude Testament een minderwaardige plaats in het christelijk geloof? Nee! is het stellige antwoord van Jürgen Ebach, die tot 2010 hoogleraar Oude Testament aan de universiteit van Bochum was. In de christelijke eredienst komt het Oude Testament volop tot klinken. Daardoor wordt het elke kerkdienst weer duidelijk dat God de God van Israël is. Daar mag de christelijke gemeente zich wel meer bewust van zijn, vindt Ebach.

csm_DEKT_Juergen_Ebach_wide_90073f50b9

Concrete eredienst
In zijn boek gaat hij de zondagse liturgie stap voor stap door vanuit de vraag: waar en hoe klinkt het Oude Testament in de concrete eredienst? Haast elke stap en elke formulering in de eredienst is te herleiden op of te verdiepen vanuit het Oude Testament. Een belangrijke vraag daarbij is: hoe kunnen we in de christelijke eredienst woorden en zinsneden uit het Oude Testament opnemen, zonder daarbij het Oude Testament van Israël af te pakken? Het gaat hem er vooral om verdieping door inzicht, dat het Oude Testament zoveel betekent voor de concrete eredienst.

Vragen
Dat doet hij steeds weer door vragen te stellen, bij de antwoorden die christenen geven. Dat is de theologische stijl die hem kenmerkt. Deze stijl van steeds weer vragen stellen heeft hij geleerd in het gesprek met Israël.

62061103

Waar woont God?
Ebach start zijn uiteenzetting met het kerkgebouw. Hij doet dat vanuit de vraag: waar woont God? Kun je zeggen dat er ruimten zijn waarin God dichter bij ons is en ook ruimten waar Hij verder is? Hij wijst erop, dat er in het Oude Testament verschillende stemmen zijn, die naast elkaar klinken en die niet geharmoniseerd moeten worden.

Er is een tempel waar het volk een cultus heeft om God te eren. Die tempel is echter te klein om God te kunnen bevatten, want als de hemelen al te klein zijn om God te kunnen bevatten, is een aards gebouw dat zeker. Het volk heeft wel een plek nodig om God te kunnen dienen, om te weten dat God in hun midden is. Het kerkgebouw is er voor de gemeente, om een plek te hebben bij God te komen.

Als de gemeente bij elkaar is in de naam van de Heer dan betreedt ze de ruimte van Gods zegen en bescherming. Het is kenmerkend voor de God van Israël dat Hij zowel in de hemel woont als op de laagste plaatsen, bij de minsten op aarde. God is benaderbaar, maar Hij wordt geen bezit. Zelfs niet van Israël.

Genderneutraal
Ebach spreekt niet zomaar over Hij als het gaat om God, maar wisselt tussen Hij en Zij. Ebach streeft naar een genderneutraal spreken over God. Hij is ook betrokken geweest bij de Bibel in gerechter sprache. God is niet mannelijk of vrouwelijk en in het Oude Testament zijn er ook vrouwelijke beelden van God, zoals God die als een hen is, die de kuikens verzamelt. Daarom is God meer dan een vader. Aan het begin van een kerkdienst kan volgens Ebach beter klinken: Wij vieren deze eredienst in de naam van God, die voor ons Vader en moeder is. Dat is voor Ebach geen meewaaien met genderneutrale winden, maar een gevolg van nauwkeurig luisteren naar de Schrift.

Naam
Op de weergave van de naam van God met Heer is Ebach dan ook kritisch. Liever heeft Ebach de weergave van Adonaj. Uit respect voor de Joodse traditie en om vast te houden dat de naam van God onuitspreekbaar is.

Psalmen
Ongelukkig is Ebach met de manier waarop psalmen in het Evangelische Gesangbuch terechtgekomen zijn. De onderdelen die weggelaten zijn, zijn voor Ebach juist wat de psalmen maken tot liederen van Israël: de zinnen over achtervolgd worden, over de goddelozen. Daarmee spreekt de kerk impliciet uit, dat die frasen stammen uit een primitievere fase van geloven, die de kerk is ontgroeid en waarin het Jodendom nog is blijven steken.

Schriftlezing
Als het gaat om de Schriftlezing voert Ebach een pleidooi voor zowel een oudtestamentische als een nieuwtestamentische lezing. Hij is blij met voorstellen om meer aandacht te geven aan het Oude Testament, zoals de nieuwe perikopenordening die meer oudtestamentische lezingen voorstelt.

383_08242_168870

Geloofsbelijdenis
Ook de apostolische geloofsbelijdenis brengt Ebach in gesprek met het Oude Testament. Hij wil deze belijdenis niet aanpassen, maar wel vragen stellen bij de belijdenissen, vragen bij de antwoorden, die hem, mondig mens, helpen om zijn geloof te belijden.

Een bijzonder voorstel is om de almacht van God te doordenken vanuit het berouw van God. Hij snapt de moderne kritiek op de almacht van God en wil die ook serieus nemen, maar gaat niet zover om te spreken over de onmacht van God. De almacht van God bestaat voor Ebach hierin, dat God in staat is om zijn eerder aangekondigde oordeel uit te stellen of op te heffen. God hoeft zich niet krampachtig aan de macht vast te houden of zich te laten leiden door de regels van de macht. God heeft de macht over de macht. En dat is volgens Ebach juist almacht.

Collecte
Veel aandacht besteedt Ebach aan de collecte, omdat de collecte zichtbaar maakt dat het in het dienen van God om gerechtigheid gaat. De Bijbelse gerechtigheid is geen iustitia, waarbij iedereen het zijne krijgt. Gerechtigheid is z’daka: iemand die zich solidair toont met een lager geplaatst iemand, die voor hem of haar op komt en zorgt dat er hem of haar recht gedaan wordt. In de Bijbel kan gerechtigheid niet los gezien worden van recht krijgen of recht gedaan worden.

Verkondiging
Kort gaat Ebach ook in op de verkondiging vanuit het Oude Testament. Hij wijst een een manier van preken af, die in het Oude Testament iets voorlopigs ziet, iets dat minder is of alleen maar belofte is en dat in het Nieuwe Testament compleet gemaakt wordt of vervuld wordt. Het gaat om een nauwkeurig lezen van de Schrift. Om te ontdekken wat de Schrift in en over onze tijd te zeggen heeft. Het gaat niet om goedkope actualisering, maar om de eigen tijd te begrijpen in het licht van de tekst.

Gepubliceerd in het Friesch Dagblad van 12 augustus 2017

N.a.v. Jürgen Ebach,
Das Alte Testament als Klangraum des evangelischen Gottesdienstes. Gütersloher Verlagshaus, 2016.