Preek over Genesis 16 (voorbereiding Heilig Avondmaal)

Preek over Genesis 16 (voorbereiding Heilig Avondmaal)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1)  Het leed van Saraï
Het leven van Abram en Saraï is nog niet af. Aan hun leven ontbreekt nog iets belangrijks: Saraï heeft nog geen kind gekregen.
Iemand die geen kinderen heeft gekregen daar op hoge leeftijd nog verdriet over hebben. Een verlangen naar een kind – dat verlangen werd niet vervuld. Dat onvervulde verlangen is een lege plaats, een gemis. Het verdriet is een vorm van rouwen: afscheid nemen. Afscheid nemen  van een leven waarnaar iemand zo verlangd kan hebben en dat niet kwam. Terwijl de omstandigheden verder goed waren, is er toch dat verdriet.
Anderen zouden wellicht wensen dat ze iets van de rijkdom van Saraï mochten hebben. Rijkdom kan het verdriet niet wegnemen. Ze mogen dan rijk zijn: aan wie moeten ze hun bezittingen doorgeven?

Voor Saraï was het nog extra pijnlijk: want kinderen was haar taak, zogezegd. Wanneer een vrouw geen kinderen had gebaard, werd het haar aangerekend. ‘Saraï, de onvruchtbare’ – zo zullen de mensen haar wellicht hebben genoemd.  Ze zal gevoeld hebben hoe mensen op een bepaalde manier naar haar gekeken hebben. O ja, de vrouw die geen kinderen kon krijgen. Ze zal het uit de ogen van de mensen hebben kunnen lezen: Die Abram, dat zijn vrouw geen kinderen kan krijgen. Meewarige blikken soms; misschien soms wel de scherpe opmerkingen als er iets voorviel: ‘Zeker geen ervaring met kinderen.’

De mensen zullen ook wel verder hebben gedacht: ‘Hoe komt het dat zij geen kind gekregen heeft? Waarom liet God dat niet toe?’ Zo’n vraag wordt al heel snel: ‘Wat heeft iemand gedaan? Wat heeft iemand misdaan?’
Saraï zal die gedachten ook hebben overgenomen. Want zo gaat dat toch, dat wat je in de ogen van anderen leest, dat je dat ook overneemt. Dat je over jezelf gelooft, dat het ook zo is.
Op een dag zegt ze het ook tegen Abram, haar man: ‘De Here heeft het me niet vergund. De Here heeft het me niet vergund om een kind te dragen, te baren.’
Is het verdriet? Is het teleurstelling? Is het pijn? Is het berusting?  Het verdriet dat Saraï met zich meedraagt, dat haar zo eigen geworden is, wordt nog eens versterkt. Niet alleen pijn, niet alleen schande. Het slaat ook nog eens terug op God. De Here heeft het niet vergund. Dat is de conclusie van het wachten op een zoon voor haar man. Ze twijfelt niet aan de Here, maar aan zichzelf. Want de Here had een zoon beloofd aan Abram.  Na al die jaren van wachten komt ze tot de conclusie: als de Here dat aan Abram beloofd heeft, ben ik niet de juiste vrouw voor Abram. Ik ben niet de juiste man.
Hij zal uit mij geen zoon ontvangen.

(2) De oplossing van Saraï
Maar op die manier blijven Gods beloften onvervuld. Er moet iets gedaan worden, zodat Gods beloften in vervulling gaan. Er moet gehandeld worden; anders komt van het werk van de Here niets meer terecht. Hoe moeilijk ook te accepteren, ze besluit om een pas op de plaats te maken.
Ze stelt het haar man voor: ‘Neem Hagar erbij als je vrouw. Zij moet mijn plaats innemen.
Haar zoon zal echter wel als mijn zoon gerekend worden. Op die manier zal mijn schande van mij afgenomen worden.’
Voelt u hoe diep de pijn van Saraï zit. Dat wachten tot Gods beloften zijn vervuld, dat kan ze niet meer dragen. Ze is tot heel veel bereid om haar verlangen vervuld te krijgen. Ze twijfelt niet aan de Here, maar aan zichzelf.

Hoe begrijpelijk haar pijn en verdriet ook zijn, wat er gebeurt is: Zij gaat voor de Here denken.
Gods beloften kunnen niet onvervuld blijven,  dus moeten wij naar wegen op zoek om Gods beloften tot vervulling laten komen. Haar pijn is zo groot, dat ze vergeet dat ze dat als mens niet kan. Hoe kunnen wij Gods beloften laten uitkomen? Ze vergeet ook dat ze God niet is. Zijkan niet overzien wat er gaat gebeuren. Zij kan niet, zoals de HERE wel kan, het verloop van alles overzien. Dat is de les voor ons.
Hoe vaak willen wij niet voor God denken: Here als u nou eens dit deed… in ons eigen leven, of in de kerk. We stippelen dan uit, hoe God het beste kan handelen. Maar daarbij vergeten we één ding:
we vergeten dat God ons opgedragen heeft om te verwachten. Wij willen vaak resultaat zien, maar dat is niet het resultaat wat de Here ons wil leren.

We willen als het goed is allemaal groeien in geloof – toch? Groei in het geloof is vooral groeien in het kunnen afwachten. Groeien in de acceptatie dat wij het niet kunnen. En ook niet hoeven te doen, omdat God het zelf doet. De Here heeft niet aan ons gevraagd om Zijn beloften in vervulling te brengen.
Dat klinkt als een harde boodschap, als iets wat we niet gemakkelijk accepteren. Maar net als Saraï kunnen wij het geheel niet overzien. Wij kunnen de omstandigheden niet overzien.
Saraï heeft bijvoorbeeld over het hoofd gezien, wat Hagar gaat doen. Ze heeft er in ieder geval niet op gerekend wat Hagar gaat doen.
Wat Saraï had bedacht, dat past helemaal in de regels van die tijd. Alleen wat Saraï niet bedenkt, is dat God geen mensen gebruikt. De Here schakelt mensen in, maar Hij gebruikt ze niet. Hij spant ons niet voor Zijn karretje. Hier komt iets van het oude leven van Saraï de kop op steken, dat Babelse leven: mensen zijn er voor jou – om gebruikt te worden om jouw doel te bereiken. Zo werkt de God van Abraham, Izaäk en Jakob echter niet.

(3) Het verzet van Hagar
Ook Hagar is er niet van gediend, van wat Saraï bedacht heeft. In haar ogen bekokstoofd. Want zij wordt gebruikt. Zij is slechts slavin. Zij moet het plan van Saraï vervullen. De plaats van Saraï innemen.
Als ze zwanger is, voelt ze zich groeien. Ze is geen ondergeschikte, maar gelijk aan Saraï.  Vanaf dat moment is het gedaan met de rust in huize Abram. Saraï dacht dat zij zomaar even over het lichaam van haar slavin kon beschikken. De slavin schik zich niet in haar rol.
Dat conflict is echter terug te voeren op dat besluit van Saraï: om het heft zelf in handen te nemen.
Eén daad kan verstrekkende gevolgen hebben. Het  verlangen van Saraï is zo sterk geworden, dat het ten koste gaat van Hagar. En van haarzelf.
Nogmaals: dat verlangen is begrijpelijk. Dat afwachten, dat wachten op de Here, is niet gemakkelijk. Dat zien we op tal van plaatsen in de Bijbel. De Here laat ons wachten om ons te oefenen in het wachten, om ons te leren het uit handen te geven, om het niet zelf te doen.
De gevolgen zijn groot. De verhoudingen in het gezin raken verstoord. Hagar komt in opstand. In haar welt de trots op. Ze is niet meer slechts een slavin, nee zij draagt de opvolger. Het kind dat geboren moest worden, moest voor Saraï de eer zijn, Saraï gelukkig maken. Dat laat Hagar niet toe. Zij wil niet dat Saraï ten koste van haar gelukkig wordt. De trots in haar groeit. Zij neemt Saraï’s plaats over. Dat gaat zo niet langer.

 Er moet partij gekozen worden. Op hoge poten komt Saraï bij haar man: ‘Weet je wel wat je gedaan hebt bij Hagar? Doe er wat aan.’
Maar wat kan Abram? Hij heeft zelf het plan van Saraï ten uitvoer gebracht. En als hij iets doet, wat gebeurt er dan met zijn zoon? Hij kan zijn zoon toch niet zomaar laten gaan? Hij legt de bal terug bij zijn vrouw. Die verantwoordelijkheid wil hij niet dragen: ‘Doe jij zelf er maar iets aan.  Je mag doen wat je wilt.’ Hij schuift zijn eigen verantwoordelijkheid van zich af.
Zo ontstaat er in dit gezin een patroon dat de verkeerde kant op gaat.

Als er éénmaal een spoor is in geslagen, dan is er geen weg terug. Saraï moet de fout herstellen die ze bezig, door in te grijpen. Ze moet haar eigen inschattingsfouten herstellen.
Saraï grijpt hard in de orde weer gehandhaafd te krijgen: ze vernedert Hagar. Iemand anders vernederen doe je alleen als je geen grip meer hebt op de situatie. Het is een allerlaatste poging om weer de regie terug te krijgen.  En waarschijnlijk ook om haar verdriet en haar pijn af te reageren. Een reactie die alle perken te buiten gaat. Hagar mag er niet meer zijn. Saraï laat haar eigen plan mislukken. Deze verwijdering, dit elkaar pijn doen, dat langs elkaar heen leven – dat heeft die ene oorzaak: Saraï wil de beloften van de HERE uit laten komen. En dat is het resultaat: een uit elkaar gespatte familie:
 – Saraï, een verbitterde vrouw die al haar frustraties afreageert.
– Een slavin die gebruikt is, maar die desondanks haar trots heeft en niet wil buigen en haar kans grijpt om haar eigen positie veilig te stellen. Als ze vernedert wordt, vlucht ze weg. Terug naar Egypte.
– Abram, betrokken maar die zijn verantwoordelijkheid niet wil nemen; het gaat tenslotte ook om zijn toekomst.
En dan te bedenken dat het hier om een familie gaat die door de Here is uitgekozen. Uitgekozen is om anders te zijn. Anders dan de wereld, anders dan Babel. En waar Saraï dacht het plan van God te kunnen vervullen, daar lijkt de vervulling verder weg dan ooit. Hoe moet de HERE dit tot een goed einde brengen? Deze chaos die door mensen is aangericht?

(4) De HERE
Waar is de HERE zelf? De HERE grijpt op een verrassende manier in. En dat viel mij op, omdat we op deze zondag ook gaan voorbereiden op het Heilig Avondmaal. Want wat doet de HERE? Hij herstelt de verhoudingen. Niet op de manier waarop Abram dat doet, maar op een manier die alleen bij Hem past. Hij baant nieuwe wegen, waardoor Saraï, Hagar en Abram weer in vrede met elkaar kunnen leven: Verzoening.
Dat vieren we ook aan de avondmaalstafel: verzoening. Verzoening met God en met elkaar. Die beide kanten zijn nodig. Als de onderlinge verhoudingen verstoort zijn, wordt ook onze relatie met God verstoord. Het belemmert onze relatie met God. We nemen het mee in ons gebed. Vergeef ons onze schulden. Ja dat willen we wel.  Dat al onze fouten uitgewist worden. En dat geloven we toch ook, dat dat kan door de HERE Jezus? Doordat Hij Zijn leven gaf, Zijn bloed uitstortte, onze schuld droeg.
Alleen dat andere: zoals ook wij vergeven onze schuldenaren. Hebt u dat wel eens gedaan? En als we kijken naar Hagar, Saraï en Abram: wie moet wie vergeven? Alleen door verzoening kunnen deze drie mensen verder.
Alleen verzoening is niet gemakkelijk. En dat is wat God komt doen. Als het gaat om vergeving slaan wij echter vaak één stap over. Vergeving willen we wel graag ontvangen. Soms kan de last ook te zwaar zijn van wat we elkaar aandoen. Weten we niet hoe dat moet: elkaar toegeven dat we elkaar pijn hebben gedaan. Of voelen we nog steeds wat die ander ons heeft aangedaan – waardoor wij niet kunnen vergeven.
 Een patstelling – hoe moet het verder? Hoe kan onze onderlinge relatie weer hersteld worden? Hoe kunnen we weer bij elkaar komen? En wie neemt de last van ons af, de last die wij naar God toe hebben. Misschien heel onbewust?

(5) Genoegdoening
Moet u eens kijken in dit verhaal hoe dat gebeurd. Een bijzondere manier, zoals alleen de HERE doet.
Hij zoekt Hagar op.  Hij stuurt een bode naar Hagar toe. Hagar die haast weer terug is in Egypte. Die bode roept haar terug. Die bode, de engel die namens de HERE komt, spreekt Hagar aan op haar verantwoordelijkheid. ‘Hagar, wat doe je hier? Waar kom je vandaan? Waar ga je naar toe?’  Tegenover die bode van de HERE is ze eerlijk: ze is op de vlucht. Dan zegt de engel tegen haar: Ga weer terug. Neem je plaats onder Saraï weer in.
Als je dat voor het eerst leest, dan denk je: Hè? Wat doet de HERE hier?  Stuurt Hij Hagar zomaar weer terug onder het harde regime van Saraï?
Nee, de Here geeft Hagar iets mee, waardoor ze het kan volhouden:  Dat de HERE niet alleen Abram en Saraï gedenkt, maar ook haar. Dat Hij ook voor haar een zegen heeft. Dat haar zoon ook belangrijk wordt. Zij is geen verschoppeling. Zijn kinderen mogen zich bezondigd hebben aan haar, de Here laat haar niet vallen. Hij herstelt de fouten die Abram en Saraï hebben gemaakt.
De HERE heeft het gezien, wat er is gebeurd. Zo is onze HERE. Wat ons overkomt – de HERE blijft er niet onverschillig onder! De HERE ziet het! Mijn oog zal op u zijn. Dat is onze troost, als wij te maken hebben met die ander. De HERE geeft aan Hagar een naam voor haar zoon. Een naam die haast een provocatie is voor Abram en Saraï. Die Abram en Saraï weer op een plek zet en er ook weer doet herinneren dat de HERE zijn beloften vervuld en niet een mens.
De HERE hoort. Hij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen. Dàt is het avondmaal. Dat de HERE onze nood heeft gezien en daardoor kunnen wij volhouden. Dat de HERE naar ons toekomt, zoals Hij ook naar Hagar toekomt. Dat vieren we aan die tafel.
Dat het avondmaal net zo’n bron wordt als de put bij Hagar: tastbaar bewijs dat de HERE naar ons omziet. Dat Hij ons recht doet.

Er zit ook een andere kant aan. Als de HERE ons recht doet, als Hij ons uitnodigt aan Zijn tafel, doet Hij dat ook met die ander. Die ander die voor je gevoel zo op je neer kan kijken. En dan zit je aan de tafel…
We vieren verzoening. Met God. Maar we zitten daar niet alleen. Avondmaal is geen onderonsje. We vieren dat in een gemeenschap – met elkaar . God vergeeft onze fouten, maar ook die van de ander. Dat vieren we aan de tafel. Dat Christus ons broeder en zuster maakt. Niet door te pijn te negeren. Maar door een familiediner te organiseren, waar Christus zelf de gastheer is. Dat je zelf gaat, maar die ander…
Dat is het koninkrijk van God, dat je afleert: Gelukkig ben ik niet als die. Of: die ander is zou lauw. Of Here, eerst moet hij de eerste stap zetten. De Here nodigt ons uit. Terwijl wij Zijn regie overnamen en dachten dat Hij niets deed. Dat we het beter zelf konden doen, beter dan de HERE.
De Here ziet het, maar Hij ziet ook naar ons om. En nodigt ons om bij Hem te komen. Gelijk ook Hij vergeeft onze schulden. Gelijk ook Hij vergeeft die ons iets schuldig zijn. Die vergeving geldt ook voor de ander.
Dat is het heel wat. Dat zouden wij niet kunnen bedenken… Dat vieren we tijdens het Heilig Avondmaal: dat Hij een nieuwe weg baant, naar de Vader, naar elkaar.
Amends. M.J. Schuurman

 

Preek over Genesis 14:1

Preek over Genesis 14
(tevens bevestiging ambtsdragers)

Het gebeurde in de dagen van Amrafel, koning van Sinear… (vers 1)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1) Introductie: geen gemakkelijk hoofdstuk
Wat is dit voor een hoofdstuk? Dit is één van die hoofdstukken uit de Bijbel, waar wij niet zoveel mee kunnen.
Ik weet niet op welk moment van de dag u voor uzelf leest uit de Bijbel.
Wellicht leest u ’s morgens met als doel om aanwijzingen van de Here te ontvangen voor deze dag, of kracht te putten voor de komende dag. Ik vrees dat we dan niet veel met dit hoofdstuk kunnen.
Wellicht leest u ’s avonds uit de Bijbel. Om de dag nog eens te overdenken. Om al wat er gebeurd is de revue te laten passeren. Om de Here te danken voor de zegeningen die Hij deze dag gegeven heeft. Om het verkeerde van deze dag te belijden. Na een dag bezig zijn zal dit hoofdstuk langs ons heengegaan zijn. Wat er staat, dringt niet meer tot ons door en bereikt ons hart niet. Terwijl we de Bijbel dichtslaan, weten we nauwelijks nog wat we gelezen hebben gelezen.
En als er in deze dienst ook ambtsdragers bevestigd worden: welke boodschap, welke bemoediging of les kunnen we aan hen meegeven voor hun werkzaamheden in de gemeente?
(2) De Bijbel als hemels brood
Dat dit niet gemakkelijk gaat, heeft ook te maken met de Bijbel zelf. De Schrift, het Woord van God is voedsel voor onze ziel. Vaak gebruiken we de Bijbel vooral als tussendoortje. Net zoals we om 4 uur ook een cup-a-soup nemen. Een opkikker en dan kunnen we er weer tegen aan. Zo lezen we vaak in de Bijbel om ons geloof een opzwieper te geven. Ons lichaam kan echter niet alleen op tussendoortjes functioneren. Zo kan ook ons geloof niet alleen op opzwiepers functioneren. Als we de Bijbel lezen, gaat het erom dat we wat de Bijbel zegt goed tot ons moeten laten doordringen. Kauwen en herkauwen. Alleen op deze manier kan de Bijbel ons voeden en sterken in het geloof.
Wie wil groeien in geloof, kan zich niet beperken tot de makkelijkere gedeelten. Vooral de verhalen die we voor ons eerste gevoel van ons afglijden, zijn stevige kost waar we tijden op kunnen teren.
Dit verhaal over al die koningen maakt het ons niet gemakkelijk. Soms kunnen we voedsel laten liggen, omdat we niet weten, hoe we dat moeten eten. Ook al is het nog zo gezond. Wat de boer niet kent… Hoe kunnen we van dit stevige brood een plak afsnijden, zodat we onze ziel hiermee kunnen voeden?
Om in het beeld te blijven – ik zet het mes in vers 1: Het gebeurde in de dagen van Amrafel, koning van Sinear… Dan worden er nog heel wat koningen genoemd. Om die Amrafel gaat het. Of beter gezegd: om het gebied war hij koning over is: Sinear. Kedorlaomer blijkt de hoofdpersoon te zijn, maar aan Amrafel kunnen we zien uit welk hout al deze koningen zijn gesneden. Met welk slag we te maken hebben.

(3) Sinear = Babel
Dat koninkrijk Sinear gaat terug op Nimrod. Hebt u wel eens van Nimrod gehoord?
In die tijd was er een spreekwoord over deze man. Als de mensen onder de indruk waren van wat iemand had gepresteerd, bewonderend opkeken naar wat iemand had bereikt zeiden ze: ‘Een echte Nimrod!’ Een geweldig jager voor het aangezicht van de Here. Dat klinkt toch vroom? Om in de prestaties die iemand bereikt heeft de hand van de Here te zien?
De Bijbel kent de keerzijde van deze man. De Bijbel onthult wie deze man werkelijk is: de eerste machthebber op aarde.
Je zou zo maar te boek staan. Als de eerste despoot. Als degene die de dictatuur heeft uitgevonden. Als degene ontdekt heeft wat men met macht kan doen: heersen over de ander. Een rijk dat draait op eigenbelang. Waar je eigen ik het middelpunt is. Macht om de hele wereld om je eigen ik te laten draaien.
Als we de Bijbel vluchtig zouden lezen, zouden we onder de indruk zijn van Nimrod. Zouden we denken: ‘Zo wil ik ook zijn! Zo gezegend door de Here!’ Wie de Bijbel al kauwend en herkauwend leest, denkt nog eens na over het feit dat Nimrod een jager genoemd wordt.
Waar komt de jager nog meer voor in de Bijbel?
In de psalmen:
8 hij ligt in hinderlaag bij de gehuchten,
in het verborgene doodt hij de onschuldige.
Zijn ogen bespieden de zwakke,
9 hij loert in het verborgene als een leeuw in de struiken;
hij loert om de ellendige te vangen,
hij vangt de ellendige, hem trekkend in zijn net.
10 Hij bukt, duikt ineen,
en de zwakken vallen in zijn sterke klauwen.
(Psalm 10)

In deze psalm komt de ware aard van de jager naar boven:
11 Hij zegt in zijn hart: God vergeet het,
Hij verbergt zijn aangezicht, Hij ziet het in eeuwigheid niet.

Het gebeurde in de tijd van de jager, in de tijd waarin de machthebbers zeiden: ‘God? Die knijpt een oogje toe! Hij ziet het toch niet, dus kunnen wij onze gang gaan.’ Het gebeurde in de tijd, waarin men zei: op God hoef je niet te rekenen! Hij speelt verstoppertje! Hij ziet het niet!
Dat was voor de Israëliet de diepste aanvechting: dat je gaat geloven, wat die spotters over de Here zeiden. Dat je gaat geloven dat de Here het niet ziet. Dat Hij niet komt als je Hem nodig hebt. Dat de Here onverschillig blijft bij al het leed dat je treft.
1 Waarom, HERE, staat Gij van verre,
verbergt Gij U in tijden van nood?
12 Sta op, HERE! o God, hef uw hand op,
vergeet de ellendigen niet.
13 Waarom smaadt de goddeloze God,
spreekt hij in zijn hart: Gij vraagt geen rekenschap.

Alsof onrecht, dat mij treft, aan U voorbij gaat? Alsof U er niets aan doet! In de dagen van Amrafel: een wereld waarin geen plaats is voor God. In heel de wereld geldt de wet van Sinear. Vanuit alle windstreken komt deze machtswellust.
In de dagen van Amrafel, waarin geen plaats voor God lijkt te zijn. Dat is alleen maar lastig, want God en streven naar eigenbelang gaat niet samen. Wanneer enkele steden in opstand komen, omdat ze vinden dat ze genoeg geknecht zijn, wordt deze opstand genadeloos neergeslagen. Alsof men met bulldozers en sloopwerktuigen komt. Onderweg verpletterd men nog enkele volkeren, die men op de weg tegenkomt. Niets kan deze machtswellust indammen. Zelfs de Here niet, lijkt het. In dat geweld wordt ook Lot meegenomen.

(4) God
Abram is een Hebreeër. ‘Vreemdeling’ betekent dat. Abram is vreemdeling. Niet alleen omdat zijn wortels elders liggen, maar ook omdat zijn hart een andere schat heeft. Kwam Abram niet uit Sinear? Hadden die koningen daarom Abram gespaard, omdat ze dachten dat hij hun bondgenoot, hun broeder was, één van hun?
Abram is vreemdeling omdat hij het jagen heeft afgeleerd.Het jagen naar eigen eer en glorie, naar succes.  Hij leeft niet meer voor zichzelf alleen. Hij is broeder van Lot, niet van de geweldenaars. Met een handjevol verslaat hij de vijand. Een gideonsbende: 318 man.
Hierin kunnen we zien hoe God werkt. Voor de koningen telt een enkeling niet. Alleen legers en massa’s slaven zijn interessant. Temidden die machtige legers zet God de wereld op z’n kop. Een enkeling is voor de Here genoeg om in te grijpen. Maar de Here kiest daarvoor niet de macht, waarmee die koningen kwamen. Als ik zwak ben, dan ben ik machtig door Hem die mij kracht geeft.
Temidden van die macht en al dat geweld laat de Here zien dat het ook anders kan. De spotter zegt: de Here verbergt zich. De gelovige zegt: de Here handelt anders. Niet door middel van macht of geweld, maar juist via de zwakke, de enkeling. Hij gebruikt mensen die voor deze wereld niet tellen, omdat ze niet meer mee kunnen jagen naar eigen eer en roem.

De gemeente bestaat uit mensen die uit die wereld zijn gered. Uit de wereld van Nimrod en Sinear, de wereld van het eigenbelang.
Paulus wist wat jagen was. Hij joeg op de christenen. Iedereen om hem prees hem om zijn jagen voor God en zelf dacht hij ook dat hij Gods wil ten uitvoer bracht. Toen kwam Christus in zijn leven: niet meer een leven waarin hij anderen de dood injoeg. De dood heerst niet meer in mij.
Abram is een vreemdeling, omdat hij net als Paulus is geroepen. Net als wij. Paulus zegt tegen de gemeente: u bent anders (Romeinen 8). Klopt dat? Of geldt voor ons wat Paulus de gemeente van Rome ook voorhoudt: stel u w leven niet in dienst van de ongerechtigheid en de zonde. Een ander leven. Vandaag de dag wordt er nagedacht over hoe christenen in onze samenleving anders kunnen zijn: een contrastgemeenschap. Dan geldt dat op dit punt: dat wij gered zijn van Babel.
Het gaat niet om indrukwekkende daden, maar om een houding. De ander is er niet meer om mij te dienen. Ik dien de ander, omdat Christus gekomen is om te dienen.Uit de nacht zijn wij ontkomen – uit de nacht van Babel.

(5) Brood en wijn
Niet alleen door de overwinning van die vreemdeling,van Abram, laat God merken dat Hij er is.
Er komt een koning-priester Melchizedek. Geen jager, maar een koning-knecht. Niet een koning die zegt: dat volk heb ik van God gekregen, zij moeten mij dienen. Nee, als priester dient hij zijn volk. Deze koning komt met brood en wijn.Gewoon voedsel in die tijd. Abram krijgt dit uitgereikt van de koning van de vrede. In een wereld die zo gemakkelijk verwordt tot Babel, waarin we ons eerder in Sinear wanen, vieren wij aan de tafel des Heren dat wij anders zijn: mensen die uit die wereld zijn weggeroepen en daardoor vrij van een wereld die leidt tot de dood. Temidden van hemelbestormers vieren wij dat onze God tot ons is afgedaald. In een wereld die niet meer van God wil weten, omdat God dienen niet past bij eigenbelang, gedenken wij dat God er is en ons tot Zijn gemeenschap maakt. De taak van ambtsdragers is om de gemeente te bewaren bij dat geheim. Om de gemeente eraan te herinneren waar ze vandaan komt: uit de wereld die Sinear/Babel heet. Dat is jullie enige taak. Om de gemeente eraan te herinneren wat die bevrijding heeft gekost (het offer van Christus). Om de gemeente voor te houden: niet meerstreven naar meer en meer, maar om de harten opwaarts te heffen in de hemel, waar Christus is – onze voorspraak bij de hemelse Vader. Als we als gemeente toch gaan jagen naar meer – meer van ons – ons af te remmen en te zeggen: zoek het leven buiten onszelf in Christus. God doet grote dingen: in brood en wijn laat Hij dat zien. Een gemeenschap die niet alleen het jagen heeft afgeleerd, maar ook verzoend zijn met God. Amends. M.J. Schuurman

Preek over Genesis 13

Preek over Genesis 13
Preek 4 in de serie over de Abrahamsverhalen

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1) Introductie
Laat mij niet mijn lot beslissen,
zo ik mocht, ik durfde niet

Beseft u wat we gezongen hebben? We hebben de regie van ons leven uit handen gegeven. Liever dat de Here ons leven leidt, liever dat Hij ons leidt op wegen die voor ons onbegrijpelijk zijn, dan dat wij zelf onze wegen kiezen. Voelt u aan wat wij daarmee zeggen? We doen afstand van de troon. In ons leven zijn er geen twee kapiteins op een schip.

Laat mij niet mijn lot beslissen,
zo ik mocht…

Wat een woorden! Woorden die we vol overgave, vol geloof kunnen zingen. Zou u deze woorden voor uw rekening kunnen nemen? Of zijn de woorden die volgen meer uw woorden?

Ach, hoe zou ik mij vergissen,
als Gij mij de keuze liet
.

Wat een zelfkennis. Er is moed voor nodig om dat te erkennen. Moed om dat onder ogen te zien: de wegen die wij kozen, zijn wegen waarin wij ons kunnen vergissen. Er is moed voor nodig om dat aan de Here te belijden: ‘Here, de wegen die gingen, waren onze eigen wegen en niet de wegen die u voor ons bestemd had.’ Vaak worden we door schade en schande wijs. Net als Abram.

(2) Heeft Abram iets geleerd?
Daar staat Abram. Hij is door de soldaten van de farao de grens overgezet en die soldaten wachten net zo lang tot ze er zeker van zijn dat Abram de weg naar Kanaän kiest en niet de weg terug naar Egypte.
Wat zou Abram hebben geleerd van wat er in Egypte gebeurde? Zou hij iets hebben geleerd?

Ach, hoe zou ik mij vergissen,
als Gij mij de keuze liet
.

Zou hij wat hebben geleerd? Over de Here? Over zijn eigen leven? Of zal hij de spottende, cynische, trotse woorden van de schrijver Nescio beamen: Niets heb ik, goddank niets, geleerd van het leven.
De dichter Jan Willem Schulte Nordholt bleef haken bij deze regel. Als dat zo is, dat je niets leert in dit leven, dat klinkt te mooi om waar te zijn. Hunkerend naar wat leren onderweg schreef hij:

Sommigen worden wijzer met de dag.
Verlangend om het leven af te leren
strijken zij voor zijn overmacht de vlag,
berustend sprekend over de wil des Heren.

Hij ziet het voor zich hoe deze mensen een zorgeloze avond hebben. Hij voelt de pijn als hij hierover nadenkt: dit geloof is voor hem te hoog gegrepen.

Elke keer als ik mij verdiep in de verhalen rondom Abram ervaar ik dat hij op een tweesprong staat. Voortdurend staat Abram op een tweesprong. Hier: heeft hij iets geleerd van het leven of niet? Is het: leer mij volgen zonder vragen of: niets heb ik, goddank niets, geleerd van het leven? Op deze tweesprong net over de grens van Egypte is déze keuze van belang. Daarom moeten we ook niet te snel vooruitgrijpen op die andere tweesprong: de keuze van Abram en Lot. Eerst: heeft Abram iets geleerd onderweg?

(3) Reisverslag
Om erachter te komen of Abram iets heeft geleerd onderweg, dienen we het begin van het hoofdstuk te lezen. Want daar kunnen we het uit opmaken. Wellicht zou u er over heen lezen, over dat verslag van de reis. Uit dat reisverslag kunnen we wel opmaken dat Abram iets geleerd heeft, maar nog niet alles. Pas als hij met Lot op de berg staat, heeft hij het begrepen. Nu nog niet helemaal; al heeft hij wel een bepaald vermoeden. De tocht die Abram gaat, die beschreven wordt in het reisverslag, laat hem langzaam de ogen opengaan. Zijn ogen gaan open voor hoe het er met hem voorstaat, met zijn geloof, zijn band met de Here.
Herkenbaar is het leven van Abram, vindt u niet? Gaat het in ons leven ook niet zo, dat we op het spoor van God zijn, een vermoeden van God hebben? Dat door het spoor terug onze ogen werkelijk opengaan voor wat de Here ons duidelijk wil maken?
Want dat doet Abram: hij volgt het spoor terug. Dat wordt er beschreven in het reisverslag: Abram gaat terug. Hij neemt exact dezelfde weg als hij heen naar Egypte is gegaan. Exact dezelfde weg terug. Als iemand die onderweg iets belangrijks is kwijtgeraakt, een sleutelbos of een portemonnee. Speurend de weg terug om het verlorene te vinden. Zo gaat Abram de weg terug om te zien waar hij God is kwijtgeraakt.
Abram blijft niet mokkend aan de grens zitten. Hij verzet zich niet tegen de manier waarop het leven met hem omgaat, waarop God hem behandeld. Hij blijft ook niet aan de grens zitten wachten op een bijzonder teken van God, een stem, een boodschap, een signaal. Hij gaat exatc dezelfde weg terug. En zo komt hij weer bij de Here uit.

(4) Thuis bij God
Lees maar: als Abram daar aankomt in de buurt van Bethel en Ai, staat er een altaar. Hij is er eerder geweest. Een altaar: tastbare herinnering aan een leven met de Here. Een leven in nauwe verbondenheid met God. Zoals dat bij ons ook kan zijn in een belijdenisdienst of een dienst waarin je je kind liet dopen. Wanneer we in ons leven God zijn kwijtgeraakt, gaan we ook wel eens naar zo’n bijzonder moment terug, waarop God tastbaar aanwezig was. Een moment waarop de Here nabij was.
Daar, bij dat altaar, de tastbare herinnering aan de Here, slaat Abram zijn tenten op. Moe van de reis. Moe van het zwerven. Want uiteindelijk kost de weg bij God vandaan veel, zeker om de weg weer terug te vinden. Eindelijk tuis. Thuis bij God. Hij zal mij geleiden naar grazige weiden, Hij voert mij al zachtkens aan waat’ren der rust. Daar op die plaats welt de dankbaarheid in hem op: ‘Here, ik was U kwijt. Ik verkoos het duister meer dan het licht door U geschapen. Wij dwaalden weg van onze Heer als redeloze schapen. Maar Here, nu heb ik U weer gevonden.’ Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U, o Heer.
Terug in het beloofde land! Terug in Gods aanwezigheid. Daar, in Gods aanwezigheid, is het goed. Daar geeft de Here zijn zegen. De kudden van Abram gedijen goed. Er worden lammeren en kalveren geboren. Er worden knechten in dienst genomen om het werk aan te kunnen. Abram zal bij het groter worden van zijn bedrijf hebben teruggedacht aan de belofte van de Here. De Here vervult nu zijn belofte. Hij heeft land. Zijn naam en faam groeit. De Here zou hem zegenen. Hier vervult de Here zijn beloften!

Totdat…

(5) Nieuwe levensles
Totdat het tot Abram doordringt. Niet dit is het leven dat de Here beloofd heeft. Dit is niet de zegen die de Here hem wilde geven. Dit is het leven dat hij zelf heeft opgebouwd. Zie, het beloofde land dat ík heb gebouwd. Zo succesvol. Dat moest wel van God komen.
Maar juist zijn bezit laat hem merken dat hij er nog niet is. Dat de Here hem niet hier wilde brengen. Abram en Lot worden zo rijk, dat ze elkaars concurrenten worden. Als de spanningen onder de herders toenemen en de conflicten aan Abram en Lot worden meegedeeld, gaan bij Abram de ogen open: Lot kan hier niet blijven! Had hij gedacht dat Lot de erfgenaam zou zijn?
Moet ik aan mijzelf denken, aan de belofte die de Here mij – Abram – gegeven heeft? Moet ik zorgen dat ik zelf de belofte vervul? Is het land van mij alleen? Lot was onder mijn hoede. Waarom heb ik hem uit Haran meegenomen? Had ik hem niet in Haran achter moeten laten? Ik moest mijn maagschap, mijn naaste verwanten verlaten. Vertrouwde ik er niet op dat de Here voor Lot zou zorgen? Bedoelde de Here te zeggen: wat er met Lot gebeurt, gaat Mij aan en niet jou, Abram? Wat er gebeurt: Abram zegt: Ik heb geleerd van het leven, goddank. Schijnen mij uw wegen duister. Een weg die ik moest gaan. Wat leren onderweg: niet de rust die ík kies, niet mijn geborgenheid, niet waar ik mij goed bij voel. De Here zal voorzien. Als de Here iets beloofd heeft, komt Hij zijn belofte na.

(6) Lot heeft niet geleerd
Abram heeft geleerd. Lot niet. Was Lot naïef? Ging de levensweg van Abram aan hem voorbij? Abrams ogen waren opengegaan. Voor Gods trouw, voor Gods weg. Lots ogen waren ook opengegaan. Alleen ziet hij iets anders: een prachtige oase, een paradijs op aarde. Zo mooi als Egypte, waar zij net vandaan kwamen, de zwarte bladzijde in het leven van Abram, waar Abram tot zijn schade en schande zijn levensles leerde. De ellende van Abram heeft Lot niet gezien. Lot had geen oog voor de schaduwkanten van Egypte; alleen de schoonheid van Egypte zag hij, de weelde. Dat was pas een land! Lots ogen gaan open: voor wat er in de wereld te koop is.
Dat onze ogen opengaan is niet alleen positief. In het paradijs gingen onze ogen ook open. Voordat er van de vrucht gegeten werd! De boom was goed om van te eten, een lust voor het oog, begeerlijk om er verstandig van te worden. (Genesis 3:6) Als een begeerlijke vrucht, rijp om te plukken ligt de oase voor de ogen van Lot. Zijn ogen gaan open voor de schoonheid. Omdat hij niets geleerd heeft van het leven. Of wilde leren. Daarom maakt hij een keuze met ingrijpende gevolgen.
Een begrijpelijke keuze: een leven vrij van zorgen, een goed leven. Het beste dat je aan je kinderen kunt geven. Je moet het beste uit het leven grijpen. Zo’n kans komt maar één keer in je leven voorbij. Dan ga je er toch voor?
Schijnen mij uw wegen duister. Zal Lot, als hij daar in Sodom zit, zich niet afvragen waarom de Here hem hier in Sodom bracht? Wat zijn doel was met Lot in Sodom? Waarom wilde God mij hier hebben?

(7) Opnieuw de belofte
Zover is het nog niet. Abram mag Lot laten gaan. Wat er met Lot zal gebeuren, dat is van later zorg. Of beter: zorg van de Here.
Als Lot gaat, gaat Abram ook zijnsweegs. En dan, pas dan, begrijpt Abram waar het naar toe moest in zijn leven. Als de Here met hem spreekt. Na al die omzwervingen, is daar de Here. Eindelijk. Maar Hij is er. Echt. Dan begrijpt Abram: Lot moest weg. Niet dat Lot aan zijn lot wordt overgelaten. Alleen: in het grote plan van de Here met Abram komt Lot niet voor. Pas als Lot is gegaan, komt er ruimte voor de Here. Zo kan het ook in ons leven gaan.
De scheiding tussen Abram en Lot was tragisch, tegen Gods wil. En toch, de Here kan ook wat tegen zijn wil ingaat, uiteindelijk tot een goed einde brengen. Eenmaal zie ik al uw luister.
Abram had een weg nodig. Dat moeten wij ook bedenken. Als de Here ons iets wil leren, gaat Hij met ons een weg. Die weg is geen Route du Soleil, een snelweg op weg naar onze vakantiebestemming. Maar de Here wil ons wat leren onderweg. Op reis naar het hemels Jeruzalem, naar de eeuwigheid, dienen we van dag tot dag te leven om te zien of we niets van God missen. Betekent soms ook dat we moeten omkeren, soms een lange weg terug totdat we de Here weer vinden.
Een weg waarvoor de Here onze ogen wil openen voor zijn zorg. Zelfs in de meest moeitevolle omstandigheden en ook in spanningen in de familie, het uit elkaar gaan, een weg door de diepte heen, kan Hij onze ogen openen. Ook Lots ogen gingen open. Hij zag zijn eigen toekomst voor zich. Niets geleerd van het leven. Net als Abram voorheen.
Laat mij niet mijn lot beslissen. Kunnen wij zo in het leven staan? Ach, hoe zou ik mij vergissen als Gij mij de keuze liet.
Maar er moet toch gekozen worden in ons leven? Voor een man of vrouw,voor een baan, een carrière? Dat klopt. Gods handelen kan ook door ons handelen heen gebeuren. Zelfs wanneer wij kiezen voor de uiterlijke schoonheid van Sodom, zelfs als wij kiezen voor de macht van Babel, die bedoeld is voor onze eigen eer en glorie. Een leven waarin wij ons laten leiden door de Here is bovendien geen gemakkelijk leven. Vaak denken we dat we er al zijn. En slaan we als Terach (die halverwege op weg naar Kanaän in Haran bleef steken) onze tenten vroegtijdig op. Of zwerven we als Abram rond op zoek naar onszelf een plaats te geven, de beloften die wij hebben ontvangen zelf tot vervulling te laten komen. Zelfs door die wegen heen, wegen die wij kiezen omdat die naar ons gevoel ons tot zegen zullen zijn, zelfs daardoorheen kan God zijn wil ten uitvoer brengen.
Dat God met ons een weg gaat, betekent dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God die er is in Christus Jezus. Niets. Zelfs niet ons dwalen. Zelfs niet ons ongeloof. Dwars daardoor heen kan God zijn wil ten uitvoer brengen: ons tot Hem leiden, op zijn weg brengen. Zalig hij, die durft geloven, ook wanneer het oog niet ziet.
Amen

ds. M.J. Schuurman
WAT LEREN ONDERWEG

Sommigen worden wijzer met de dag.
Verlangend om het leven af te leren
strijken zij voor zijn overmacht de vlag,
berustend sprekend over de wil des Heren.

Hun avond is een landschap wit en mild
met lange schaduwen tot aan de kusten,
hun liefde zo gelenigd en verstild
dat er niets rest dan bij elkaar te rusten

zoals bij God. Zo zou ik willen zijn
en niet als Nescio die heeft geschreven:
Niets heb ik, goddank niets, geleerd van ’t leven.
Dat is wel prachtig maar het doet zo’n pijn.

Trots doet zo’n pijn, wie kan er zo bestaan?
Wij zijn maar mensen die ten onder gaan.

                        Jan Willem Schulte Nordholt