Achterlicht

Achterlicht

DSCN4554

Mijn achterlicht doet het niet meer. Al maanden rijd ik zonder achterlicht. Terwijl ik het als automobilist vervelend vind om een fietser tegen te komen zonder licht. Ik weet ook dat het gevaarlijk is om zonder licht te rijden en dat ik als predikant een voorbeeldfunctie heb. Onlangs heb ik mijn achterlicht proberen te vervangen, maar ik miste in mijn gereedschapskist de sleutel die ik nodig had om de schroeven los te draaien. In plaats van dat ik de desbetreffende sleutel bij mijn buurman haalde, liet ik het voor wat het was: ik haalde geen nieuwe sleutel en ik verving mijn achterlicht niet.
Nadat ik al een paar maanden zonder licht reed, ging ik er op letten of ik aangesproken werd. Of er iemand was die tegen mij zei dat mijn achterlicht het niet deed. Want dan zou ik écht mijn achterlicht vervangen. Omdat niemand mij aansprak liet ik het voor wat het was.

Ik ging er over nadenken. Als het aanspreken op een achterlicht al niet gebeurt, waar word ik dan wel op aangesproken? Zou ik aangesproken worden als ik niet meer naar de kerk zou gaan? Zou ik meer de Bijbel gaan lezen als er iemand was die tegen mij zei, dat ik wel erg weinig uit Gods Woord las? Zou ik meer vol van de vreugde zijn of liefdevoller over anderen spreken als iemand mij de spiegel voorhield? Als ik maar aangesproken werd, dan zou ik veranderen.

Paulus gebruikt een woord voor aanspreken. Dat woord heeft in oudere vertalingen een negatieve klank gekregen: ‘vermanen’. Dat woord roept het beeld op van iemand die iets tegen je zegt met een opgeheven vingertje. Iemand die van zichzelf vindt dat hij het beter doet.
Voor Paulus heeft dat woord niet de betekenis. Para-kaleoo heeft de betekenis van ‘erbij roepen’. Zoals de stem van Christus ons aanspreekt, zo spreekt iemand vol van Christus ons aan – als stem van Christus zelf. De ene keer aansporend en bemoedigend, dan weer corrigerend of confronterend als wij dat nodig hebben. Op het juiste moment troostend. Met als doel de ander bij de gemeenschap met Christus te bewaren. Als een herder voor de ander. In de gemeente van Christus zijn we verantwoordelijk voor elkaar. Wij zijn de hoeder van onze broeders en zusters. Vanuit die verantwoordelijkheid spreken wij elkaar aan: troostend als het nodig is, confronterend als het moet. Om de ander bij Christus te brengen of te houden. Het is niet alleen een taak voor ouderlingen op huisbezoek, maar een taak voor iedere gelovige.

Van rijden zonder achterlicht weten we dat het gevaarlijk is. Leven zonder God is eveneens gevaarlijk. Toch kunnen we doorleven met deze wetenschap zonder dat we er iets aan veranderen. Door elkaar aan te spreken zou er wellicht wel iets kunnen veranderen.

en hebben we Timotheüs gestuurd, onze broeder en Gods dienaar en onze medearbeider in het Evangelie van Christus, om u in uw geloof te versterken en te bemoedigen
(1 Thessalonicenzen 3:2)

Advertenties