Preek zondagavond 2 juli 2017

Preek zondagavond 2 juli 2017
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Psalm 36

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 36 begint met een innerlijke stem:
De overtreding van de goddeloze spreekt binnen in mijn hart.

Er zijn heel wat stemmen in onszelf,
ook als je in een kerkdienst aan de avondmaalstafel zit:
– ‘Heb ik er wel goed aan gedaan om naar de tafel te komen,
Want ik heb er in de afgelopen tijd niet echt naar geleefd.’
– ‘Het avondmaal wordt altijd als iets bijzonders gebracht, maar ik voel van binnen niets.
Hoor ik wel iets te ervaren? Doe ik het niet goed, omdat ik niets binnen in mij merk?’
– ‘Wat is het fijn om bij Christus te zijn en mijn zonden achter te laten.
Ik neem mij voor om de komende tijd echt uit Christus te leven.
Ik was vanmorgen zo heel dicht bij Christus, dat wil ik echt vasthouden de komende tijd.’

Daar is avondmaal ook voor bedoeld, dat je de stem van Christus weer verneemt
En dat je je in de komende tijd ook weer laat leiden door Zijn stem
dat je niet ingaat om de andere stemmen die er zijn, die ook in je kunnen klinken.
Psalm 36 begint ermee dat bij bepaalde personen een andere stem klinkt,
die veel overheersender is, een stem waardoor iemand zich laat leiden.
De zonde die diep van binnen in iemand klinkt,
een stem die van binnen zegt: trek je niets aan van God.
Je hoeft in je doen en laten niet met God bezig te zijn.
Trek je eigen plan, een weg zonder God.
Het is voor iemand die gelooft een afschrikwekkend voorbeeld:
Zo wil je niet leven, zo los van God en alleen je eigen plan,
zonder dat je jezelf rekenschap geeft van God.
Je kunt juist dankbaar zijn, dat er in je eigen leven een andere stem heeft geklonken,
de stem van Christus, die je geroepen heeft om naar Hem toe te gaan,
een stem die in de afgelopen week misschien weer heel duidelijk geklonken heeft:
‘Zondag is het avondmaal. Kom naar de tafel en ontvang van Mij brood en wijn,
als tekenen van Mijn genade,
kom bij Mij aan tafel zitten, maak deel uit van Mijn gemeenschap,
kom een stukje brood nemen, kom een slokje wijn drinken,
proef dan weer Mijn genade, weet dan weer dat Ik voor jou aan het kruis ben gegaan.’

Je zou willen dat deze stem steeds de enige stem is, die in je klinkt,
die je luid en duidelijk de weg wijst, die je steeds meeneemt
en ervoor zorgt dat je naar al die andere stemmen niet meer luistert.
Toch klinken die andere stemmen nog steeds.
En dan zal het vast niet zo extreem zijn als bij de goddeloze,
waarbij alleen de zonde het voor het zeggen heeft
en waarin de stem van God wordt bespot: aan God heb je niets, zonder Hem ben ik beter af.
In de eerste dagen zul je zulke stemmen nog negeren of het zwijgen op willen leggen,
waarbij je aan de afgelopen zondag terugdenkt, en het brood en de wijn haast nog proeft,
en je jezelf nog ziet zitten aan de tafel,
je weet nog wat er door je heen ging, dat het weer indruk op je maakte,
wat Christus voor je heeft over gehad, dat het je weer greep: Christus is voor mij gestorven!
En je herinnert je nog heel duidelijk dat je het had voorgenomen,
om in de komende weken dicht bij Christus te blijven en alleen naar Hem te luisteren.
Misschien ook omdat er in de afgelopen periode juist de klad in gekomen was
en je wist, dat moet ik niet weer laten gebeuren,
want dan gaat het mijn geloof achteruit en dan raak ik Christus uit het oog.
En vanmorgen, bij het avondmaal was Hij er weer,
was er weer Zijn brood en wijn, was er weer die genade,
was het zoals Psalm 36 dat bezingt:
Zij worden verzadigd met de overvloed uit Uw huis;
U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven.
Het is iets wat je meekrijgt voor de komende weken, waar je op mag teren
en je zou het willen dat het er steeds weer voor je is,
zoals vers 11 in de NBV is vertaald: Toon aan uw getrouwen gedurig uw liefde.
Gedurig: aanhoudend, onophoudelijk, constant.
Laat er geen dag voorbij gaan zonder iets te zien, te merken van die liefde.
Laat mij steeds weer terugkomen bij die bron van het leven.
Want anders drogen wij net zo uit als het gras dat om het huis staat,
het is droog en bruin, het groeit lang niet zo goed als wanneer er water genoeg is.
Zo kunnen wij ook niet zonder die constante aanstroom van liefde.
En als er momenten zijn waarop ik vergeet om naar die bron te gaan,
dagen waarop ik vergeet om dit water van het leven te drinken,
zorg dan dat ik stil kom te staan, laat mij niet verder gaan zonder U.
Dwing mij desnoods om U weer onder ogen te komen,
want al denk ik dat ik zonder U kan, ik houd het echt niet lang uit.

Hoe voorkom je nu dat deze stem verdrongen wordt, door die andere stem
waar de psalm mee begint, de stem die diep van binnen kan klinken,
maar die je juist een andere weg wilt doen gaan, niet Gods weg,
maar bij Hem vandaan.
Ook in de komende tijd zullen we geen volkomen geloof hebben,
ook in de komende tijd zullen we God niet altijd met zo’n ijver dienen als we horen te doen,
ook in de komende tijd hebben we elke dag weer opnieuw strijd te voeren
– strijd omdat ons geloof en vertrouwen vaak zo zwak is,
– strijd omdat we de tekenen om ons heen, die spreken van Gods trouw en liefde niet horen:
hoog als de hemel is Uw liefde en tot de wolken Uw trouw
we horen deze stem die van Gods goedheid en liefde spreekt vaak niet.
er is strijd, omdat ook in ons die zonde blijft spreken,
wij komen daar niet helemaal los van,
We bevinden ons tussen twee werelden:
De wereld van de goddeloze en de wereld van God
en van beide kanten wordt aan ons getrokken:
Als een strijd die om ons gevoerd wordt, van God en de zonde,
van de boze, die aan ons trekt, die ook een stem in ons heeft, en tot ons spreekt,
die verleiding in ons kan laten opvlammen en daarbij ons geweten in slaap sust,
door te suggereren dat het helemaal niet zo erg is dat je je laat gaan.
Want iedereen doet dat, en niemand is perfect, de boog kan toch niet altijd gespannen staan.
Aan het einde van de psalm klinkt het besef door,
dat de boze je kan meetrekken, voor ons te sterk kan zijn.
Er klinkt een gebed om geen nederlaag te hoeven te leiden,
om niet meegesleurd te worden door een machtiger iemand.
Dat kan een mens zijn tegen wie je niet opgewassen voelt,
maar dat kan ook de boze zijn, die het steeds weer probeert
om je van Christus weg te leiden, op een andere weg,
een weg van minder moeiten, minder tegenstand.
Het is een gebed om dan Gods macht te zien, die zichtbaar werd op Golgotha
waar de macht van de boze werd gebroken,
om die macht ook concreet in je eigen leven te zien
als de boze op je afkomt, om je weer zijn kant op te trekken,
om je te doen vergeten dat je het zo goed had aan tafel bij de Heere Jezus,
om je te doen vergeten dat je zo overweldigd was door alles wat de Heere geeft,
de dankbaarheid en verwondering over God die in de psalm doorklinkt
een dankbaarheid en verwondering die er vanmorgen vast ook was,
en vaak in een kerkdienst, de verwondering over Gods trouw.
Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Die verwondering en die dankbaarheid kan weg zijn, als die andere stem luider klinkt,
die stem waartegen je moet vechten, maar die geregeld sterker is.
daarom dat naar de Heere toegaan om onder Zijn vleugels te schuilen

Daarom dat gebed: laat het niet gebeuren dat de boze sterker is.
Laat het niet gebeuren dat hij mij weer in zijn greep krijgt.
Ik heb juist vanmorgen aan de tafel toch weer gevierd,
dat ik ben bevrijd uit zijn macht,
dat ik die door de boze overweldigd was, gekidnapt, ontvoerd,
bevrijd ben uit die macht en weer in vrijheid mag leven.
Daar werd Hij gebonden, opdat Hij ons zou losmaken.
Vanmorgen is er gevierd, dat de boeien waarmee de boze u had vastgemaakt,
losgebroken zijn en dat hij u moest laten gaan,
maar hij zal niet rusten voor hij u weer terug heeft in zijn macht,
voordat zijn stem weer in u klinkt en u daaraan gehoor geeft.
Maar u heeft ook avondmaal gevierd om te weten
dat u mag leven onder de bescherming van Christus,
de toevlucht genomen onder de schaduw van Uw vleugels.

Weggehaald uit de wereld van de goddeloze,
al zal het niet voor iedereen zo extreem zijn als hoe de goddeloze wordt beschreven,
maar wel weggehaald uit de macht van de boze
om ons te laten leven in de andere wereld, waar Psalm 36 ook over spreekt,
een totaal tegenovergestelde wereld: die van Gods liefde en trouw,
die over heel de wereld gaat, die ieder mens wil bereiken,
een wereld waarin u nu al mag leven, door Christus’ genade.
Het heeft Christus heel wat gekost om ons daar te krijgen:
Hij gaf daarvoor Zijn eigen leven
en vanmorgen heeft u dat weer mogen vieren, dat Hij dat voor u over had,
dat Hij bereid was om Zijn leven te geven
voor mensen die naar de stem van een ander hadden geluisterd,
die op een weg gingen, die niet door Hem was uitgestippeld, die kozen voor het kwade.

Dat is nu die goedertierenheid, die trouw waar deze psalm zo uitbundig van zingt.
Die zo overweldigend groot is – die tot in de hemel reikt,
waar de hele aarde vol van is, die de sfeer is waarin we mogen leven,
de lucht die we mogen opademen, die we mogen inhaleren, als bevrijde mensen.
Avondmaal vieren is je geluk niet op kunnen,
omdat God zo genadig is geweest je mee te nemen naar Zijn wereld
in het geloof dat die oude wereld eens voorbij zal zijn
en er een nieuwe wereld zal komen, die weer helemaal vol van God zal zijn.
Waar de goddeloze, waar de hooghartige geen plek meer heeft,
Waar de boze er niet meer is, radicaal en voorgoed uit onze werkelijkheid verbannen.

De psalm neemt op die toekomst, die er na de Wederkomst zal zijn, een voorschot.
Het blijft niet bij het gebed, om verlossing en bescherming tegen die machtige vijand.
In het geloof wordt gezien dat degenen die nu macht hebben, geweldenaars zijn,
plaats zullen maken, zullen omvallen, onderuit zullen gaan,
omdat zij niet bestand zijn tegen die sterke Held, die ons terzijde staat.
Door God aan ons toegewezen.

Vraagt gij zijn naam?
Zo weet, dat Hij de Christus heet,
Gods eengeboren Zoon,
verwinnaar op de troon:
de zeeg’ is ons beschoren!

Avondmaal is schuilen bij deze held, die de vijand heeft verslagen,
die ons laat weten, dat we niet meer hoeven te vrezen,
dat we niet meer onder de indruk hoeven te zijn
dat we niet meer gevangen hoeven te zijn, niet meer machteloos.
Al zullen we nog steeds onderuit gaan en zullen we nog steeds verliezen,
we hebben iemand die met ons meestrijdt, die voor ons strijdt
die voor ons gestreden heeft, die de overwinning reeds heeft behaald
en vanuit die overwinning ons reeds geeft
om in de tijd die ons op aarde nog rest te strijden tegen alles
wat ons van de weg van God vandaan houdt.
Gebed en geloof gaan hier hand in hand, zoals zo vaak in het leven
en hoort dat niet altijd zo te zijn?
Dat we steeds bidden, schuilen bij God, vragen om Zijn bescherming
en tegelijk geloven en weten, dat Gods macht er is en zal zijn
en niemand ons uit de hand van Christus zal rukken,
zelfs niet degene die sterker is dan wij.


Dan kunnen we om ons heen nog zo veel zien,
dat tegen God in gaat, dat ons aangrijpt,
Waardoor we ons afvragen, waarom is er zoveel onrecht in deze wereld.
Als Gods macht over heel de wereld is en als Gods liefde over heel de wereld gaat,
waarom is er dan nog plek op deze aarde voor de goddeloze,
waarom kan er dan toch weer iemand opstaan die hooghartig is,
en in zijn hoogmoed tegen God strijdt en tegen de kerk.
Daar kun je aan lijden, zeker als je er zelf mee te maken hebt
dat er tegenstand is omdat je gelooft
Daar kun je aan lijden, omdat je weet dat er op deze wereld
broeders en zusters zijn die het minder riant hebben dan wij,
die weten wat het is om vertrapt te worden, die weten wat het is om opgejaagd te worden.
Waarom?
Als er al een antwoord te geven is, is dat wat de Heere Jezus zegt,
als Hij spreekt over het liefhebben van onze vijanden:
God laat Zijn zon schijnen over goede en slechte mensen
en laat het regenen over rechtvaardige en onrechtvaardige mensen,
zodat de goedheid van God die daaruit spreekt het hart zal raken
en een omkeer te weeg brengt, de ogen opent voor de Heere,
het verlangen opwekt om ook bij deze goede God te horen,
die ook aan mensen die Zijn genade niet verdienen royaal Zijn genade uitdeelt
en hen laat proeven van Zijn goedertierenheid
hen laat drinken uit de bron van het leven,
zodat ook zij de genadige God mogen leren kennen, Hem leren aanbidden,
zijn macht, zijn liefde, zijn trouw gaan bezingen,
samen met al die mensen door al de eeuwen heen
van wie het hart vol is geraakt van deze God,
die er helemaal lyrisch van kunnen worden hoe deze God is.
HEERE Uw goedertierenheid reikt tot in de hemel
ook ik ben daarmee in aanraking gekomen, het heeft ook mijn hart geraakt,.
Uw trouw is tot in de wolken
zo oneinding groot en toch ook voor mij,
Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid voor mij geworden. Ik kan er niet meer buiten.
Daarom keer ik steeds weer terug bij U, elke dag weer, vanwege dat wat U geeft.
De overvloed van Uw huis, Uw beek die vol is, de verrukkelijke gaven.
Want bij U is de bron van het leven – meer hebben wij niet nodig.
U bent voor ons alles geworden.
Amen

Advertenties

Heb lief! Over een verhaal van een Samaritaan die goed doet.

Heb lief! Over een verhaal van een Samaritaan die goed doet.
Eugene H. Peterson – Tell It Slant (2)

Lukas heeft in zijn evangelie een ‘reisverslag’ van de weg die Jezus gaat vanuit Galilea naar Jeruzalem. Hij gaat daarbij door Samaria heen. In het eerste hoofdstuk van Tell It Slant zegt Eugene H. Peterson dat Samaria grensgebied, tussenin is: niet het Galilea waar Jezus rondtrok en verkondigde en niet het Jeruzalem van de tempel en Golgotha. Samaria is het gebied waar mensen vijandig zijn of waar mensen vanwege hun onverschilligheid geen band met God hebben. Het eerste verhaal dat Jezus vertelt op die reis is het verhaal van een Samaritaan die goed doet: de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan (Lukas 10:25-37).

Drop-outs
Voordat Jezus dit verhaal vertelt, gaat de aandacht eerst naar 3 drop-outs, die Jezus niet kunnen of willen volgen:
– Een man die zegt dat hij Jezus wil volgen. Het antwoord van Jezus is dat Hij niet in hotels verblijft, maar geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. De man verdwijnt daarop uit beeld.
– Er is een man die Jezus wel wil volgen, maar dan op eigen voorwaarden.
– Een man die best Jezus een keer zou willen volgen, maar nu nog niet. Hij is er nog niet klaar voor. Jezus gaat niet in op deze voorwaarden. We volgen Jezus op de voorwaarden die Hij stelt.

Uitgezondenen
Als contrast van de drie drop-outs krijgen we te horen van 72 mensen die Jezus wel gehoorzaam zijn. Zij trekken er op uit op bevel van Jezus. Jezus bereidt hen voor op weerstand, op oppositie. Niet iedereen in Samaria zal enthousiast reageren op de boodschap dat het koninkrijk van God gekomen is.

Oordeel
De weigering om te geloven is een serieuze aangelegenheid, want Jezus spreekt in het oordeel. Alleen als Hij over het oordeel spreekt, heeft Hij het niet meer over Samaria, maar heeft Jezus het opeens over steden uit Galilea, waar Hij rondtrok, verkondigde en onderwijs gaf: de ‘evangelische driehoek’ van Chorazin, Bethsaïda en Kapernaüm.
Wat Jezus hiermee wil aangeven is: verwacht weerstand hier in Samaria, dat vijandig kan zijn of op zijn minst onverschillig zal reageren, maar ga er niet vanuit dat deze weerstand tegenover de boodschap van het aangebroken koninkrijk van God uniek is voor de vijandige of onverschillige Samaritanen. Ook in Galilea is er deze weerstand.

Verrast door vreugde
De 72 mensen die uitgezonden zijn, zijn overweldigd door de positieve reacties. Tijdens hun missie onder de Samaritanen worden de uitgezondenen ‘verrast door vreugde’. Bij terugkomst worden ze wel weer gewaarschuwd door Jezus: ze lopen het gevaar om het bijzondere centraal te stellen en dat ze daarbij de kern vergeten. De kern is dat ook hun eigen namen in de hemel geschreven moeten staan in het boek van het leven.

Reacties op de boodschap
Deze twee uitersten – de 3 drop-outs die Jezus niet kunnen of willen volgen en de 72 mannen die gehoorzaam op pad gaan en overweldigd worden door de positieve respons – geven een realistisch beeld van hoe er in dat vijandige of onverschillige Samaria op de boodschap van het koninkrijk van God gereageerd wordt. Deze verhalen laten zien dat het uitdragen van de boodschap onder mensen die vijandig of onverschillig zijn gepaard gaat met zowel teleurstelling als met grote vreugde.

Wetgeleerde
Dan komt er iemand bij Jezus. Iemand van wie niet de naam wordt genoemd maar wel de functie: een wetgeleerde. Vandaag de dag zou je kunnen zeggen: hoogleraar theologie, bijbelwetenschapper. Hij wordt geïdentificeerd met zijn werk. De taak van deze bijbelwetenschapper is om uit te maken of het beroep wat mensen doen op de Bijbel terecht is. Hij komt om Jezus aan de Bijbel te toetsen.

Toetsen
Het toetsen aan de Schrift is helemaal niet verkeerd. De intentie hoeft niet gemeen te zijn. Het werk van deze hoogleraar is een serieuze zaak. Niemand wil een messias die niet de toets van de Schrift kan doorstaan. De norm voor messias is daarvoor te hoog. Jezus wordt vaker getoetst en op de proef gesteld. Nog voor zijn publiek optreden wordt hij getoetst door de satan. Tegen het einde van Zijn missie op aarde wordt Hij op de proef gesteld in de hof van Gethsemané. Tijdens de laatste maaltijd geeft Jezus aan: ‘Jullie zijn altijd bij mij geweest in verzoekingen.’ (Lukas 22:28) Een van die toetsen is de vraag van de wetgeleerde.

Toets via vraag om persoonlijk advies
Er komt een deskundige bij Jezus om Hem te toetsen. De toets is verpakt in een serieuze vraag om persoonlijk advies over het verkrijgen van het eeuwige leven. Deze wetgeleerde weet wat hij doet. Hij weet dat als je iemand toetst door een vraag te stellen diegene ontwapend is en zich niet bedreigd voelt. Wanneer je iemand om persoonlijk advies vraagt is dat minder aanvallend dan wanneer je iemand ter verantwoording roept. Een vraag om advies laat iets van respect zien.

Wedervraag
De man is geen partij voor Jezus, want hij krijgt van Hem een vraag terug. Toen Elie Wiesel wel eens gevraagd werd waarom Joden zoveel vragen stellen, stelde hij een wedervraag: waarom niet?In de reactie van Jezus zien we hoe Jezus de taal gebruikt: niet om te verkondigen of om te interpreteren, maar om de conversatie aan te gaan. Een conversatie nodigt uit tot participatie en bewerkstelligt participatie. De wetgeleerde moet nu zelf een antwoord geven. De rollen zijn omgedraaid. Jezus keurt het antwoord goed en geeft de man een opdracht: handel op deze manier en je zult leven!

Zelfrechtvaardiging
Alleen als je je niet op je gemak voelt of als je zelf aanvoelt dat je niet helemaal goed zit, ga je jezelf rechtvaardigen. Wat gaat er dan mis? Waarover voelt de wetgeleerde is ongemakkelijk? Met zijn professionele competentie is niets mis. Hij kent de Schrift. Door de vraag van Jezus wordt hij gedwongen na te denken over zijn levenshouding, over hoe hij is. Misschien voelt hij aan dat hij niet betrouwbaar is in een relatie die hem op de weg van lijden kan brengen. Heeft elke relatie dat niet in zich? Misschien dat hij niet bereid is om zich in te zetten in een relatie die om liefde vraagt. Misschien dat hij zich niet waagt aan een relatie met God of de mensen om zich heen, omdat een relatie onzekerheden en risico’s met zich meebrengt.

Zelf getoetst
De wetgeleerde wordt nu zelf persoonlijk betrokken in de toets. Ook hij moet de toets ondergaan. De wetgeleerde, die ondanks de wedervraag en de opdracht van Jezus nog niet overtuigd is van Jezus’ orthodoxie, gaat opnieuw een vraag stellen: ‘Wat is uw definitie van “naaste”?’ Lukas geeft weer dat de man zichzelf wilde rechtvaardigen. De man is expert in godsdienstige gesprekken. Hij weet dat iemand zich – zelf een heel leven lang – kan verschuilen achter godsdienstige vraagstukken.Hij moet gedacht hebben dat hij met
zijn wedervraag zich er op een goede manier uit redde. Aangeven wat je naaste is, is ontzettend moeilijk. Het is gemakkelijker om te omschrijven wie God is dan om aan te geven wie je naaste is.

Stereotypen
Door een verhaal te vertellen daagt Jezus de man uit nog meer te participeren. Hij nodigt door de gelijkenis de man uit om over zichzelf na te denken. Op deze weg door Samaria vertelt Jezus een verhaal aan een Joodse deskundige op geloofsgebied. Bewust van de stereotypen die leven vertelt Jezus een verhaal over een man die over een Joodse weg gaat en overvallen wordt. Drie keer wordt deze man – is het een Jood? – in de steek gelaten: door de overvallers, door een priester en een Leviet. Net als de wetgeleerde waren de priester en de Leviet ingewijd in de betekenis van de torah. Zij waren ervoor om het volk te onderwijzen in het liefhebben van God en de naaste, om het volk in te wijden en aan te spreken. Het is een Samaritaan die de man verpleegt en wegbrengt naar een betere plek.

Naaste
De hele conversatie tussen de wetgeleerde en Jezus draait om vragen. De definitieve vraag komt bij Jezus vandaan: Wie werd een naaste? De wetgeleerde moet het antwoord geven: die barmhartigheid heeft laten zien. Het verhaal van Jezus definieert niet wat een naaste is, maar creëert een naaste. Het verhaal van Jezus doorkruist alle mogelijke definities van ‘naaste’. De vraag is voortaan: ben ik een naaste? ‘Je kunt een naaste niet definiëren; je kunt alleen een naaste zijn.’ (Heinrich Greeven)

Heb lief!
Het leidende woord, hoewel niet nadrukkelijk aanwezig, is een werkwoord in de gebiedende wijs: heb lief! Het gebod om lief te hebben is de rode draad door de gehele conversatie. Liefde als zelfstandig naamwoord is een ingewikkeld woord, waar psychologen, filosofen en theologen veel woorden aan gewijd hebben om de culturele uitingen, de emotionele reacties en de psychologische nuances te verwoorden. In de Bijbel is liefde niet een woord waarover gediscussieerd wordt. Liefde als zelfstandig naamwoord komt in de Schrift voor. Maar vaker is het een werkwoord: zo lief heeft God de wereld gehad.

Verbeelding
Als een gebiedende wijs vraagt het om een houding van gehoorzaamheid, om in praktijk gebracht te worden: heb lief! ‘Ga en doe net zo!’ zegt Jezus. Geen vragen meer, geen antwoorden, geen veilige woorden over God of christelijk jargon (godtalk). De verhalen die Jezus vertelt spreken tot onze verbeelding om ons tot liefhebben uit te nodigen. Geen onpersoonlijke discussies meer, maar gehoorzame participatie, gehoorzame volgelingen op de weg van Jezus door Samaria.

Antwoord
Begreep de bijbelwetenschapper de opdracht die in het voor hem zo vertrouwde liefdesgebod wel? We kunnen die vraag niet beantwoorden. We kennen alleen ons eigen antwoord en onze eigen verhalen.

N.a.v.: Eugene H. Peterson, Tell It Slant. A Conversation on the Language of Jesus in His Stories and Prayers.  Serie: Conversations in spiritual theology, deel 4 (Grand Rapids / Michigan: Eerdmans, 2008) 32-43.

Preek zondagavond 28 augustus 2016

Preek zondagavond 28 augustus 2016
Mattheüs 10:16-22 en Lukas 14:25-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Succes wordt soms aan aantallen gemeten.
Het valt mij op dat als er wordt nagepraat
over een bijzondere kerkdienst of een avond voor de kerk
altijd wel een vraag naar hoeveel mensen er waren.
Dat is dat toch wel mede bepalend of zo’n bijeenkomst een succes was.
Wanneer er minder mensen komen dan verwacht,
is zo’n dienst of avond minder goed verlopen.
Elk jaar zijn er ook altijd weer gemeenteleden die vragen
hoeveel belijdeniscatechisanten er zijn.
Ik begrijp het ook wel, want je wilt als gemeentelid
dat het goed draait in de gemeente
en goed draaien in de gemeente houdt in dat er veel zijn
die met de Heere bezig zijn, die Hem zoeken.
Achter de vraag naar de aantallen zit vaak het verlangen
dat er nog meer mensen in onze eigen gemeente naar Hem op zoek gaan.
Toch is het goed om de aantallen niet bepalend te laten zijn voor het succes.
Want een groot aantal zegt nog niet alles.

Als het om aantallen gaat, is Jezus heel succesvol.
Er komen steeds meer mensen op Hem af.
Daar zou je als kerk dankbaar voor zijn,
als je merkt dat er steeds meer mensen op Jezus en op Zijn boodschap afkomen.
Maar een grote mensenmenigte die op Jezus afkomt, is nog niet direct positief nieuws.
Al zou je denken van wel.
De evangelist Lukas heeft er oog voor, dat die grote mensenmenigte een belemmering is.
Als Jezus Jericho binnenkomt, wordt Hij opgewacht door een grote menigte.
Je zou denken: mooi, zo’n enthousiast onthaal voor Jezus.
Je zou willen wij in onze eigen tijd zoveel enthousiasme voor Christus zouden merken.
Maar het is diezelfde menigte die ervoor zorgt
dat Zacheüs niets van Jezus kan zien en in de boom moet klimmen.
De kinderen hebben dat verhaal onlangs nog gehoord tijdens de VakantieBijbelWeek.

Als er dan een grote menigte met Jezus meeloopt, is Hij op Zijn hoede.
In eerste instantie komt dat merkwaardig over,
want Lukas vertelt ons net daarvoor, dat Jezus zegt
dat het huis van God helemaal vol moet zijn.
Als er dan zoveel mensen op Jezus afkomen,
dan is dat toch direct een mooie vervulling van de wens van Jezus en van Zijn Vader.
Maar hoe lopen ze daar mee in de grote stoet om Jezus heen?
Wat is hun verwachting over de weg van Jezus?
Dit zijn mensen die iets moois verwachten – een parade.
Het is net als in de sport.
Als een sporter goed presteert, dan is een heel land opeens fan
en wordt hij enthousiast onthaalt bij thuiskomst.
Dat is zo voorbij als de prestatie tegenvalt.
Dan rest er de loservlucht. Je hoort niet bij de winnaars.
De mensen met Jezus meelopen maken al een winnaar van Hem.
Ze hebben niet door dat Zijn weg naar Jeruzalem geen triomftocht is,
maar een weg van lijden, van bespot worden.
Jeruzalem, waar de hele menigte Jezus bij Pilatus brengt
en wanneer Pilatus terugdeinst roept om het kruis voor Jezus.
Heden hosanna, morgen kruisig Hem.
De mensen die met Jezus meelopen zijn meelopers
en dat is geen eretitel: meeloper.
Ze doen mee, zolang ze het zelf zien zitten
en dat is wanneer ze onderdeel kunnen zijn van het succes
zonder dat het teveel kost
– feestvieren bij een inhuldiging waarbij een ander gepresteerd heeft.

Jezus spreekt deze meelopers aan.
Hij richt zich tot hen.
De belangrijkste missie die er ooit op aarde is geweest wordt onderbroken
om deze meelopers in de ogen te kijken,
te waarschuwen
– niet zo zeer de les te lezen, maar vanuit bewogenheid om hun ziel:
Je kunt wel naar me toe komen, maar dat is niet genoeg.
Want als je alleen maar naar me toe komt, dan kun je ook weer terug
en pak je je leven weer op, zoals het was.
Dan verandert er niets in je leven, het blijft bij het oude.
Je gaat alleen naar Jezus als je Hem nodig hebt,
als Hij voor jou een probleem op moet lossen,
een probleem dat jij niet meer kunt oplossen
en waarvoor je dan maar uiteindelijk naar Jezus gaat.
Je loopt met Jezus mee, omdat het zo goed voelt.
Nee, zegt Jezus, dat is maar het halve werk, er is meer nodig.
Wie bij mij wil horen, geef je alles.
Er is geen ontsnappingsroute waarbij je terug naar de wereld kunt gaan.
Je kunt niet achter Jezus aangaan,
waarbij je nog één been in de wereld hebt staan,
om als het tegenvalt toch nog terug te gaan.

Het is een scherpe zin, die Jezus hen voorhoudt:
Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
Het is een uitspraak die gemakkelijk verkeerd uitgelegd kan worden
door een leider van een bepaalde christelijke gemeente,
Die zegt: als je bij mijn gemeente hoort, mag je geen contact meer met je familie.
Bedoelt de Heere Jezus dat ermee: dat je geen contact meer mag hebben
en ook moet breken met je familie?
Hoe zit het dan met het gebod om vader en moeder te eren?
De Nederlandse vertaling zet ons op het verkeerde been,
want haat is in onze taal een intense emotie, waarbij je iemand echt niet mag.
Dat is niet wat Jezus bedoelt:
Hij zegt niet dat we een hekel moeten krijgen aan degenen die het dichtst bij ons staan.
Als je de tekst zo op je in laat werken, lijkt het alsof je een keuze moet maken: of-of.
Maar het gaat hier niet om een competitie,
waarbij je er maar één kan kiezen, die uiteindelijk het belangrijkst is.

Het woord dat de Heere Jezus gebruikt komt ook in het Oude Testament voor.
Jakob heb ik liefgehad, maar Ezau heb ik gehaat
moet de profeet Maleachi tegen het volk Israël zeggen.
Dat houdt niet in dat God een aversie tegen Ezau had
of tegen de nakomeling van Ezau, de Edomieten.
Deze tekst betekent dat Israël in het plan van God een bijzondere rol had.
Israël is het uitverkoren volk van God.
God koos Jakob uit, de tweede zoon, de mindere
en niet de eerste, de sterkste.
Als het moet kan God zich tegen Ezau keren,
dat wordt er bedoeld wat er in het Nederlands met haat vertaald wordt.
Als het er op aan komt, staat God aan de kant van Israël
en niet aan de kant van Ezau.

Als het moet, staan we aan de kant van Christus
en niet aan de kant van onze ouders, van je man of vrouw, van je kinderen.
De band met de ouders, met man of vrouw, kinderen is een sterke band.
Een kennis van ons is gestopt met motorrijden, omdat zijn vrouw dat niet meer wilde.
Iemand gaat minder werken om meer tijd te kunnen hebben voor de kinderen.
Iemand neemt het familiebedrijf over, omdat vader dat wil.
Een gezin verandert van kerk, omdat de kinderen het daar fijner hebben.
Keuzes die je maakt vanwege die sterke band.

Die band kan ook zo sterk zijn, dat het de keuze voor Christus beïnvloed.
Dat zie ik ook hier in Oldebroek.
Op de Bijbelkringen gaat het vaak over het avondmaal.
Dan vertelt de een:
– Toen ik belijdenis deed, zei mijn moeder tegen mij: ‘Je denkt toch niet dat je nu aan het avondmaal gaat? Daar horen wij niet.’
Toen ik aan de eerste keer aan het avondmaal ging,
zei mijn vader: ‘Ik schaam me voor je.’
Ik moet dan vaak aan deze uitspraak denken:
Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
Als het er op aan komt, is er een keuze nodig,
Waarbij je niet voor de lijn van je ouders kiest, maar voor wat Christus van je vraagt.
Niet de loyaliteit aan de ouders, kinderen – ook al is die band door God gegeven.

Ook niet wat anderen doen,
niet hoeveel er mee lopen,
maar wat jij doet, waar u voor kiest.
Als je die keuze niet kunt maken, dan kun je mijn discipel niet zijn.
Een scherpe uitspraak van de Heere Jezus.
Is die uitspraak bedoelt om mensen af te schrikken?
Bedoelt Hij te zeggen: ga maar naar huis, dit is toch niets voor jou?
Dit kun jij niet?
Nee, Hij bedoelt dat je niet alleen maar naar Hem toe moet komen
en met Hem mee moet lopen,
maar achter Hem aan moet gaan.
Hij bepaalt de route. Hij bepaalt de koers.
En dat kan een weg zijn, waarop er veel van je wordt gevraagd.
Het kan zijn dat je heel je leven moet geven, alles wat je hebt.
Als je dat niet kunt, kun je geen discipel zijn.
Geen halfheid, waarbij je afhaakt als er teveel van je wordt gevraagd
en nog terug naar huis kunt.

De weg van achter Jezus aan, is geen triomftocht,

waarbij je een groots onthaal krijgt en applaus van je medestanders,
Bemoedigende schouderklopjes krijgt en bewondering voor wat je doet.
Integendeel, het is een weg waarop een kruis op je schouders wordt gelegd,
dat kruis dat je moet dragen.
Zoals Christus het vertelt hier gaat om een kruis dat elke dag weer opnieuw
op je schouders wordt gelegd.
Op deze weg is daar geen ontkomen aan.
Dit dragen van het kruis achter Jezus aan, heeft een dubbele betekenis:
Het staat voor de spot die je ondervindt,
zoals Jezus werd bespot toen Hij aan het kruis hing.
Het dragen van het kruis kan ook inhouden,
dat je ook net als Jezus moet sterven – sterven voor je geloof,
sterven omdat je bij Christus hoort.
Heeft u dat wel eens gerealiseerd, dat dit ook eens van u gevraagd kan worden?
Christenvervolging is voor ons vaak iets uit een ander land: verder weg.
Maar als u voor de keuze staat: wat doet u dan?
Bent u dan in staat om tot het einde toe trouw te zijn?
Het gaat mij er niet om om paniek te zaaien, alsof hier binnen enkele jaren
een vervolging kan losbreken, omdat een islamitische stroming de macht heeft,
of dat we in een klimaat komen, waarbij het geloof steeds minder ruimte krijgt,
omdat we een overheid hebben, die fel tegen godsdienst is.
Het gaat er mij om, wat als het overkomt.
Bent u dan zo’n meeloper, die dan zegt: het was een mooie tijd,
maar het is voor mij nu tijd om af te haken? Dit doe ik niet? Dit kost mij te veel!
Als je zo rekent, maak je een verkeerde berekening.
De Heere Jezus vertelt twee voorbeelden van iemand die een inschatting maakt.
Als je iets wil bouwen, bereken je of je er geld genoeg voor hebt.

Stel je voor, dat je dat niet zou doen en zo maar begint.
Je graaft de grond weg en legt een fundament voor een huis,
maar dan blijkt het geld op te zijn en jarenlang ligt er alleen een fundament
terwijl het huis nooit gebouwd wordt,
je wordt door iedereen uitgelachen.
Het lijkt dan heel bijzonder: nou, hij gaat een huis bouwen.
Nou, hoeveel grappen zullen er niet gemaakt worden, als het huis er niet komt.
Vergeten een berekening te maken.
Je begint aan iets groots, maar uiteindelijk keert het zich tegen je.

Een koning die een oorlog voert
tegen een tegenstander die sterker is en beter getraind.
Die koning gaat alleen de strijd aan als hij weet dat hij kan winnen.
Je denkt vooruit, om na  te gaan wat de consequenties zijn.

Wat zijn de consequenties als je naar Jezus toekomt?
Het gaat er niet om dat je heel berekenend wordt, maar dat je alle feiten meeweegt.
Je kunt de berekening maken, dat het teveel kost
en dat je er daarom maar niet aan begint.
Je loopt even mee, maar als er meer gevraagd wordt, dan hoeft het niet meer.
Dan heb je vergeten de berekening te maken.
Op de begroting ontbreekt een belangrijke post,
namelijk de post van wat Christus heeft verdiend toen Hij in Jeruzalem was
aan het einde van Zijn lijdensweg, de weg waarop Hij het kruis droeg
en naar het kruis ging.
Je moet niet alleen tellen wat je te lijden hebt,
Je moet niet alleen tellen wat je opoffert, in moet leveren.
Ook als het gaat om je familie: je ouders, je man, je vrouw, je kinderen, jezelf
moet je wel de juiste berekening maken en alles meetellen.
Je moet Gods zorg voor hen meetellen,
Dat als het voor hen moeilijk wordt, omdat je achter Christus bent aangegaan
dat God zelf voor hen zorgt en niet van jouw zorg afhankelijk is.
God zal voorzien – is een van de namen van onze God en daar mogen we mee rekenen.
Je moet meetellen dat dit leven niet het enige is,
maar een leven komt.
Moest de Christus niet lijden en zo de heerlijkheid ingaan?
Wie achter Jezus aangaat, mag weten dat deze beloning er is,
die Christus daar op die heuvel buiten Jeruzalem.
Wie achter Hem aangaat, hoeft niet te rekenen of berekenend in het leven te staan,
Maar ontvangt door alles te wagen nog veel meer dan verwacht: Gods beloning.
Amen

Preek zondag 3 juli 2016
Psalm 119: 37: Wend mijn ogen af, zodat zij niet zien wat nutteloos is.
Maak mij levend door Uw woord.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Enige tijd geleden hoorde ik Robert Maaskant, een voetbaltrainer, vertellen
dat een van de taken van een trainer is: het in concentratie brengen van een speler.
Die taak is voor elke wedstrijd van belang,
maar helemaal in een wedstrijd waar er wat op het spel staat:
als een elftal kampioen kan worden.
Hij vertelde dat hij dan lette op de kleine details: of iemand zijn sokken anders doet,
naar de kapper is geweest voor een bijzonder kapsel om op te vallen
en dan iemand aansprak: Hou je kop erbij, want je bent al met iets anders bezig:
met de roem en de glorie van de overwinning,
terwijl de wedstrijd nog gespeeld moet worden.
Concentratie is het belangrijkste in sport – stelde hij.
Hoe waar die woorden waren, bleek die middag toen het Ajax niet lukte
om van De Graafschap te winnen en de concurrent PSV – onverwacht – toch kampioen werd.

Ik vind zulke gesprekken van groot belang, omdat ik daar veel van kan leren over geloof.
Het in concentratie brengen is een belangrijke taak voor de zondagse eredienst,
van de preek, van het huisbezoek.
Concentratie: je kop erbij houden.
We zouden ook kunnen zeggen: innerlijke discipline, je gedachten in de hand hebben,
leven in het nu – en niet alvast vooruit.
Dus nu bezig met het luisteren naar de preek, bezig met Gods woord
En als u alvast vooruit denkt naar de komende week,
bezig zijn met wat u nu hoort, kunt meenemen naar de volgende week.
Het valt me op in de kerk dat we vaak bezig zijn met de toekomst,
met wat nog moet komen, in plaats van wat er nu van ons gevraagd wordt.
We denken na over kerk2025 – en dat is heel belangrijk,
maar niet om kerk2016 te ontlopen.
We kunnen ook nadenken over een toekomst, waarvan we weten
dat het niet reëel is om dat te verwachten, maar we hopen er wel op:
Als het koor van de Dorpskerk maar weer eens vol zit.
Als degenen die zich hebben laten overschrijven naar andere kerken eens terugkomen.
Die verwachting kan opspelen als een predikant in een gemeente beroepen wordt:
Deze predikant zal ervoor zorgen dat de kerk weer vol is met jeugd, met jonge gezinnen.
Het zijn begrijpelijke verlangens,
maar ze kunnen het zicht benemen op wat er nu van ons gevraagd wordt:
We kunnen onze taak verwaarlozen, omdat we niet bezig zijn
met wat nu in deze tijd, vandaag, morgen, van ons gevraagd wordt, als kerk, als gelovige.
Wanneer we bezig zijn met de toekomst, zonder bezig te zijn met nu
zijn we kwetsbaar in ons geloof en kunnen we afgeleid worden,
zoals Engeland niet gefocust was op de wedstrijd tegen IJsland
en België dacht Wales wel even opzij te zetten na de vorige makkelijke overwinning.
Ook in het leven met Christus zijn we dan kwetsbaar
en kunnen we verrast te worden door Gods tegenstander
omdat we de concentratie niet hebben, onze kop er niet bij, geen innerlijke discipline,
maar alvast vooruit bezig zijn.
We zijn bezig met een toekomst, die we nog niet hebben
en die we daardoor – door dat gebrek aan concentratie – kunnen mislopen
en afgeleid worden van de weg, die Christus ons wijst
en die wij in gehoorzaamheid dienen te gaan.

Dat is verleiding.
Dat woord – verleiding – betekent: je wordt van de juiste weg af gebracht,
door een advies dat iemand geeft op het verkeerde been gezet: af-geleid van de weg.
Verleiding heeft ook iets: het wordt je mooier voorgespiegeld dan het is.
In het boek Spreuken kan dat een vrouw zijn:
Je ziet een vrouw, die er knap uitziet en je gaat als man op haar avances in,
omdat ze de suggestie wekt dat er iets spannends kan ontstaan tussen jullie.
Je bent al bezig met die fantastische toekomst met jullie samen.
Zonder dat je haar echt kent, ga je op haar avances in en ga je mee
en word je van de weg afgeleid.
Tijdens de woestijnreis is dat een beeld van God.
Als we een beeld maken van God, dan weten we zeker dat Hij in ons midden is.
Dan hebben we iets te zien,
dan is Hij concreet, zichtbaar en tastbaar in ons midden
en kan de glans van dat beeld over ons heen vallen.
Alle juwelen die het volk heeft worden afgestaan om dit beeld te maken.
Het volk dacht God nu eindelijk in het midden te hebben.
Niet meer daar hoog op de berg, onbereikbaar voor het volk, alleen via Mozes contact.
Het wist zeker: als dit beeld meegaat, dan weten we dat de HEERE meegaat.
Een optische illusie: je denkt iets te zien, maar je houdt je voor de gek.
Een lege huls: je hebt de buitenkant – een gouden beeld, maar er zit geen god in,
zelfs geen leven.
Je wordt ver-leid: je hebt het idee, dat je God bij je hebt, maar je bent Hem kwijt.
Je hebt alleen een prachtig beeld, zonder inhoud, leeg, doods.
IJdel – heet dat in de oude Statenvertaling.
Dat komt van idel (vruchteloos, zonder effect, het lijkt wat maar je hebt er niets aan).
We kennen dat nog als we het nu over ijdel hebben: iemand die voordoet alsof hij heel wat is, maar ondertussen zichzelf belangrijker maakt dan hij is.

En toch kunnen we er intrappen: dat we niet doorhebben dat het ijdel, leeg is,
dat je er in meegaat en dat je het niet doorhebt
dat je op die manier van de weg wordt af-geleid, dat je wordt ver-leid.
De afgoden, in het Hebreeuws het woord ‘ijdel’, ‘leegte’
– ze werden elke keer weer van stal gehaald, omdat ze de illusie gaven
van God binnen handbereik, een aanraakbare God – niet ver weg of hoogverheven.
En daarmee is een gelukkig leven, is zegen binnen handbereik.
Als het niet voor een tijd zou werken, zou het geen verleiding zijn.
De duivel maakt gebruik van leegte die heel wat lijkt
om ons van de weg af te leiden
en is er heel goed in om ons voor te spiegelen dat het heel wat is.
Hij is er goed in om de leegheid, de doodsheid te camoufleren, te verbergen
door het heel wat te laten lijken, maar het is nutteloos, leeg, ijdel.

Wees daarom kritisch op wat uw ogen zien, zodat u niet in de optische illusies trapt.
En leer uw kinderen kritisch te kijken naar wat ze zien
op tv, op internet, op reclameborden langs de weg, wat vrienden of klasgenoten laten zien.
Leer hen de discipline die nodig is voor een discipel van Christus:
de discipline om niet te ver vooruit te kijken, niet weg te dromen,
niet alleen met een verre toekomst bezig te zijn,
maar met de weg die God je wijst.

Daarom wordt gebeden om bescherming voor onze ogen,
zodat onze ogen niet de optische illusie opvangen,
een concentratie op de weg is, zodat we er geen oog voor hebben
voor wat ons van de weg van Christus kan afhouden.
Houd mijn ogen af van wat leeg is (NBV) – Wend mijn ogen af van wat nutteloos is.
Laat mijn ogen dat beeld niet opvangen, want anders loop ik het risico
dat ik er toch iets in ga zien en dat ik er in meega en zo afdwaal van de weg.
Verleiding heeft te maken met betovering: het fascineert.
Je ogen vangen het op en je gaat er over fantaseren: als ik het heb, als ik meedoe.
Of je vormt in jezelf er een innerlijk beeld van: als ik heb heb, als ik er aan meedoe,
dan heb ik het pas goed, dan leef ik echt, dan voel ik dat ik leef.
Reclame – zeker op tv – maakt daar volop gebruik van
door een ideale wereld voor te stellen: een harmonieus gezin, een prettige stemming,
pijn, zorgen, ingewikkelde keuzes – ze zijn niet nodig; je kunt voelen dat je leeft
en het is binnen handbereik. Zo te verkrijgen.
Er wordt een appèl gedaan op verlangen.
Het verlangen is terecht, maar niet zo makkelijk te vervullen als voorgesteld
en daarom een leegte, ijdel.
Als je er teveel oog voor hebt, kan het schadelijk voor je zijn.
Als je alleen maar beelden van een gelukkige familie ziet
– een vader, moeder en natuurlijk een zoon en een dochter –
kun je twijfelen of je het zelf in je eigen gezin wel goed doet, met die spanningen
je verlangt naar een harmonie, zoals die alleen bij geslaagde reclames bestaat,
waardoor je vergeet je af te vragen of God er een bedoeling mee heeft
met jouw geworstel met het bestaan dat verre van perfect is,
Waar je het zelf moeilijk mee hebt, omdat je niet weet hoe je het goed doen.
Terwijl dat juist een reden kan zijn, waarom de Heere u deze taak geeft.

Een afgod en ook de verleiding die de duivel gebruikt is vaak het voorspiegelen
van een perfect leven, een leven waarin je geslaagd bent,
waar je niet tegen je tekorten oploopt,
geen last hebt van je ongeloof of onvermogen om God met ijver te dienen.
De suggestie wordt gewekt dat het je goed afgaat.
Een leegte, omdat het hier niet bereikt wordt.
Nutteloos, omdat je iets najaagt, wat je hier niet kunt bereiken, omdat het pas in de hemel is.
Houd mijn ogen af van wat leeg is – dat is ook een gebed
om te mogen zien wat mijn taak is in het hier en nu,
in dat leven dat verre van perfect is, maar wel een leven waarin de Heere mij leidt
en mij vraagt in dit spoor te gaan, dat Hij mij wijst
en niet een weg die kiezen, dat iets mooiers belooft, maar wel een weg bij God vandaan.

Verleiding heeft te maken met betovering: het fascineert.
Je ogen vangen het op en je gaat er over fantaseren: als ik het heb, als ik meedoe.
Of je vormt in jezelf er een innerlijk beeld van: als ik heb heb, als ik er aan meedoe,
dan heb ik het pas goed, dan leef ik echt, dan voel ik dat ik leef.
Je kunt er kwetsbaar voor zijn, machteloos voor de beïnvloeding.
We zijn niet altijd zo sterk.
Het vraagt om een strijd tegen deze wereld, die vaak zoveel belooft,
maar als het er op aankomt, die belofte niet waarmaakt.
Het is de strijd tegen de duivel, die van die listen gebruik maakt,
omdat hij onze zwakheden kent en het ons niet gunt
dat we een gelukkig leven het Christus hebben, die onze ogen opent voor die illusies.
We vechten tegen onszelf, die vaak er toch intrappen.
Het willen geloven dat die illusie waar is, ook al weten we dat het niet kan.
Alleen redden we het niet.
Daarom is het een gebed, een vraag aan God die sterker is dan de verleiding,
die de listen van deze wereld doorziet.
Een vraag aan God dat Hij ons leven zo bestuurt,
Dat we niet in verleiding komen
Onze Heere heeft ons leren bidden: – leid ons niet in verzoeking
Wij kunnen dat niet aan.
Wij doorzien niet.
En dat kan ook zo van onszelf tegenvallen.
Overkomt het me weer, trap ik er weer in
en ik probeer nog zo mijn best te doen, scherp te zijn.
Ik scoor het eerste doelpunt en gelijk denk ik wel dat ik het weer kan
en dan, terwijl ik denk dat ik het aankan, kantelt de wedstrijd
en ben ik niet meer scherp en verlies ik in korte tijd mijn concentratie,
mijn gerichtheid op Christus.

We hebben een macht in ons nodig, die ons helpt,
die voor ons de illusies ontmaskert, de schone schijn doorprikt.
Die laat zien wat echt leven is
en dat dat echte leven alleen bij God te vinden is.
Slechts in uw spoor kan leven leven zijn.
Een gebed om God, dat Hij de teugels in handen neemt, ook van onze zintuigen.
Stuur onze ogen een andere kant op.
Laat onze ogen niet alle prikkels opvangen die er zijn in deze wereld.
Maar geef ons een concentratie, een innerlijke concentratie op het leven met u.
En als we met onze hoofd ergens anders zijn,
verkeerd kijken, te ver vooruit, zorg er dan voor dat we onze kop erbij houden.

Het is tegelijkertijd een gebed om inzicht – om openbaring, d.w.z. bekendmaking
van de weg: laat mij zien wat mijn weg is – uw weg die u mij wijst.
Laat die weg mij voor mij aanlokkelijk zijn, zodat het leven met U
hier op deze aarde al zo goed is, dat ik die weg wil gaan,
met heel mijn hart, met al mijn kracht, met alles wat ik heb.
Dat de Geest ons laat zien dat het leven met Christus fascineert, betovert.
Dat het voor ons als gelovige net zo is als bij Mabinty Bangura.
Zij woonde in een weeshuis
Toen zij 4 jaar oud was, zag zij een foto die haar leven veranderde.
Het was een westers magazine, met een foto van een ballerina.
‘Zo wil ik worden!’ dacht ze.
Ze scheurde de foto uit en stopte die in haar onderbroek,
zodat ze die foto altijd bij haar had en nooit zou kwijtraken.
Deze foto verbeeldde voor haar de hoop op een ander leven, op vrijheid,
op een langer leven dan in een Sierra Leoons kindertehuis gebruikelijk was.
Er kwam een Joods echtpaar uit de VS
dat haar meenam en haar een nieuwe naam gaf: Michaela DePrince.
Zo kwam Mabinty in New Jersey te wonen.
Daar bleek ze niet alleen liefde voor ballet te hebben, maar ook talent.
16 jaar nadat ze de foto zag, tekende ze een contract bij het Dance Theatre of Harlem
en was ze professioneel ballerina.

Een foto fascineert, aantrekkingskracht heeft,
een richting aangeeft en ook hoop op een ander leven biedt.
Laat mij uw wegen gaan en leven.
Voor christen is dat Christus – ik richt mij op Hem.
Laat mij op Hem geconcentreerd zijn.
Jezus die zelf ook verzocht werd door de duivel in de woestijn,
voor hij begon aan zijn rondwandeling.
Om van stenen brood te maken,
om van de tempel te springen,
om voor de duivel te knielen en zo alle koninkrijken op aarde te verkrijgen.
Laat mij elke dag het voorbeeld van Christus
en de strijd van onze Heer mij tot voorbeeld zijn.
Maar Hij is meer dan een voorbeeld alleen.
Hij kwam ook om ons te redden van een leeg leven, van een nutteloos leven,
een leven dat doods was, verloren.
Mijn Jezus, mijn redder.
Ik ben vrijgekocht en de prijs was hoog: Hij moest dat met Zijn leven betalen.
Het heeft Hem veel gekost, om ons vrij te kopen en te redden.
Laat mij het pad van uw geboden gaan.
Laat mij de strijd aangaan
en als ik dan toch weer in zonde val, toch kijk
en toch weer geloof in die illusie en van de weg naar het leven afwijk,
omdat ik gekozen heb voor een heilloze weg
open dan mijn ogen, roep mij terug, zet mij met mijn beide voeten op de grond.
Neem de illusie van mij af, ook al zal dat op dat moment een groot verlies zijn.
Laat mij niet aan de genade twijfelen en in de zonde blijven,
maar geef mij dan weer Uw Geest, zodat ik Uw weg ga, de weg naar het leven.
Maak mij levend door Uw Woord.
Het is een gebed – om uit de dood op te staan, uit het zinloze leven
en het echte leven, met God, in Christus weer te mogen hebben.
Geef mij de discipline, de concentratie op Christus.
Spreek mij aan, roep mij terug op uw weg, noem mij bij mijn naam.

En of een mens al diep verloren
en ver van U verzworven is,
Gij noemt zijn naam, hij is herboren,
vernieuwd door uw getuigenis.
Uw woord, dat spreekt uit alle talen,
heeft uit het graf ons opgericht,
doet ons in vrijheid ademhalen
en leven voor uw aangezicht.
Amen




Preek zondagmorgen 28 juni 2015

Preek zondagmorgen 28 juni 2015
Efeze 5:1-15
Tekst: Wees dan navolgers van God (vers 1a)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Sinds enkele maanden behandelen we in de kerkdiensten de brief aan de Efeze.
Kort na Pasen zijn we hiermee begonnen.
Toen ik aan deze serie begonnen ben,
heb ik aangegeven dat de rode draad in deze brief van Paulus
de groei in geloof is – volwassen worden in het geloof.
Daarbij heb ik ook aangegeven dat Paulus dat op een speciale manier doet,
namelijk door met de gemeente daarover in gesprek te gaan,
door hen aan te spreken.

Dat thema van groeien in het geloof, groei naar een volwassen geloof
pakken we vanmorgen op,
omdat Paulus daar over schrijft:
Wees dan navolgers van God.
Neem God als voorbeeld voor hoe je je hebt te gedragen.
Paulus gebruikt hier een woord dat de betekenis heeft van  nabootsen, nadoen, kopiëren van gedrag.
Neem God als voorbeeld voor je gedrag en doe Hem na, geeft Paulus aan.
We kennen dat nadoen ook uit de ‘gewone opvoeding’.
Een gezin met meerdere kinderen zit aan tafel.
De jongste kinderen houden de oudste in de gaten.
Ze luisteren heel goed welke grappen hij maakt
en merken dat hij opmerkingen maakt die het goed doen.
Ze nemen dat in zich op en als die jongste kinderen in hun eigen vriendengroep zijn
gebruiken ze die opmerkingen ook
en laten daarmee zien dat ze doorhebben hoe het in het leven werkt:
hoe je je in een groep hebt te gedragen, hoe je de lachers op je hand krijgt.
Ze zien hoe hij met hun ouders omgaat, hoe hij over de leraren op school praat,
hoe hij met zijn vrienden omgaat en zijn huiswerk doet (of juist niet).
Ze nemen dat heel goed in zich op en passen dat weer toe als het hen uitkomt.

In een bepaalde leeftijdsfase kunnen dat ook de ouders zijn.
Als we wel eens bij familie vandaan kwamen, zei Rianne op de terugweg:
Heb je gezien hoe de neven op hun vader gericht zijn.
Voortdurend letten ze op hun vader, zijn ze op hem gericht
en je ziet gewoon dat ze het gedrag en de houding van hun vader overnemen.
Zo wil ik ook zijn en daarom let ik goed op wat hij doet.
Dan kan ik mijn vader nadoen.
Dát bedoelt Paulus: let goed op God, zodat je Hem kunt nadoen,
zodat je Gods houding en Gods daden kunt kopiëren.
Wees navolgers van God – doe wat Hij ook doet.
Neem het goed in je op wat God heeft gedaan en wat Hij nog steeds doet.
Hebt u dat wel eens gedaan?
Zo vol aandacht naar Gods daden gekeken
en daarbij gedacht: zo moet ik ook doen en zo moet ik ook zijn? Net als God!
Ik denk dat er maar heel weinig mensen zouden zijn,
die als ze gevraagd worden naar een voorbeeldfiguur in hun leven,
iemand die een voorbeeld voor hen is,
weinig mensen die zouden zeggen: ik zou willen zijn als God.
Dat is nogal hoog gegrepen, vind u niet?

Maar laten we niet te snel terugdeinzen
door te zeggen dat het voor ons te hoog gegrepen is.
Want Paulus zegt niet, dat er enkelen zouden moeten zijn,
voor wie het weggelegd zou zijn om God als voorbeeld te nemen,
die in hun gedrag de Heere kunnen nadoen, kunnen kopiëren.
Deze aansporing om God als voorbeeld te nemen is niet alleen voor de kerkenraad.
Als Paulus zegt: wees navolgers van God, kopieer het gedrag,
leef zoals God zou doen,
dan heeft Hij de gehele gemeente op het oog – niemand uitgezonderd!

Wat heeft Paulus dan op het oog? Waarin kunnen we God dan nadoen?
Dat schrijft Paulus in het laatste vers van hoofdstuk 4:
Wees ten opzichte van elkaar vriendelijk en barmhartig
en vergeef elkaar, zoals God in Christus u vergeven heeft.
Zoals God met ons omgaat.
In de manier waarop de Heere met ons omgaat, kunnen we Zijn vriendelijkheid ervaren.
Vriendelijkheid is wel wat tam woord,
omdat we ook iemand die sullig is vriendelijk kunnen noemen.
Als we van God een vriendelijke God maken die een beetje sullig is,
hebben we Paulus niet begrepen.
Met het woord dat Paulus gebruikt, wil Paulus aangeven dat God in Zijn hart laat kijken.
In de manier waarop God met ons omgaat, wordt Gods hart, Gods karakter zichtbaar.
Zo is Hij en niet anders.
In plaats van vriendelijk zouden we ook kunnen zeggen: vol goedheid, genereus,
Hij gunt Zijn schepselen het beste, zelfs diegenen die van Hem niets meer willen weten.
Ook het tweede woord, barmhartig, heeft te maken met Gods hart
en ook daarin, in de manier waarop God met ons omgaat, kijken we God in het hart.
Barmhartig betekent: wat er met ons hier op aarde gebeurt,
dat raakt God diep in het hart.
God is in de hemel niet onbewogen, maar wordt diep geraakt door wat ons overkomt.
Ook in de vergeving, waar Paulus over spreekt, wordt het hart van God zichtbaar
zichtbaar in wat Hij doet.
Vergeving is bij God een royaal gebaar, waarbij Hij mensen uitnodigt
die bij Hem zijn weggegaan,
uitnodigt om weer in Zijn gemeenschap te leven, een royaal gebaar van genade.
Die goedheid van de Heere, Zijn barmhartigheid, Zijn royale uitnodiging
wordt het meest zichtbaar in het kruis op Golgotha, dat is het gebaar van God.
Hebt u dat ook ervaren?
Die vriendelijkheid van God, dat wil zeggen: Zijn goedheid, Zijn gulheid?
Hebt u dat ook ervaren, dat wat u bezighoudt God diep van binnen raakt?
Hebt u ook ervaren dat God u royaal uitnodigt
om bij Hem weer thuis te komen, terwijl we dat niet hebben verdiend?
Onverdiende genade – en dat is nu het hart van God.
Dat moet toch wel?
Dan hebt u ook Gods karakter leren kennen: zo is God!

Wees navolgers van God.
Neem die houding van God als voorbeeld, de manier waarop Hij met ons omgaat.
Neem die vriendelijkheid van God goed in je op,
want zo heb je ook te leven: zo vol vriendelijkheid,
niet met die bijbetekenis dat je een sullig persoon bent,
maar dat de mensen om je heen iets van je karakter ervaren,
dat je het goede met hen voor hebt, dat je bereid bent iets van jezelf te geven.
Neem het goed in je op dat God barmhartig is.
Dat je naar Hem toe kunt gaan met wat je bezig houdt
en dat je dan ook weet en gelooft dat het God tot diep in Zijn hart raakt.
We hebben de uitdrukking dat we ergens mee in de maag zitten,
we lopen ermee rond, we moeten daar steeds aan denken.
Dat is het woord barmhartigheid dat Paulus gebruikt.
Het raakt God wezenlijk, tot diep van binnen.
Met dat verschil dat God niet machteloos is, maar er iets aan kan doen.

Als we ons hart uitstorten voor God, dan luistert God daar aandachtig naar
en met bewogenheid.
Ik maak dat geregeld mee dat gemeenteleden hun hart uitstorten.
Ik kan er wel een boek over schrijven, zeggen ze dan.
Of soms voelen ze zich beschaamd dat ze zo bezig zijn met wat er in hun hart leeft
en dan zeggen ze: ik heb het wel veel over mijzelf,
moeten we het niet ergens anders over hebben.
Nee, zeg ik dan, u stort uw hart uit.
U kent toch het verhaal van Hanna, die door Eli weggestuurd wordt?
Dan zegt zij tegen Eli: Ik heb mijn ziel voor het aangezicht van de Heere uitgestort.
De ziel is dan als een emmer die helemaal vol is van verdriet of zorg
en met die ziel die helemaal vol is, komen we bij God
en in onze radeloosheid en onmacht kiepen we onze ziel uit voor de Heere.
Heere, ik weet niet meer wat ik er mee aan moet, ik hoop dat U er wat mee kunt.
Tegen die gemeenteleden zeg ik dan: U hebt ook uw ziel uitgestort voor God.
Hebt u dat wel eens ervaren, dat u met uw zorg en verdriet bij de Heere terecht kon?
Wees dan navolgers van God.
Laat de zorg en het verdriet van de mensen om u heen u dan ook raken,
tot diep van binnen.
Kijk niet te snel de andere kant op, want dat God ook niet bij u, bij jou.
Onverschilligheid is geen christelijke deugd.
Heb niet te snel een oordeel over anderen klaar,
waarin doorklinkt dat u het toch wel beter gedaan zou hebben
en kijk ook niet op anderen neer, want God kijkt ook u op niet neer.
Wees navolgers van God.
Als u reageert, neem dan God als voorbeeld voor hoe het zou moeten.
Laat u dan niet leiden door uw emoties of driften,
door wat er bij u, bij jou boven komt.
Laat u niet door wrok of boosheid leiden.
Ook niet als je met elkaar overhoop ligt en elkaar niet kunt uitstaan.
Ook niet als de ander je diep gekwetst heeft.
Laat je ook niet leiden door je eigen driften.
Je kunt verliefd worden op een andere man of vrouw,
maar dat wil nog niet zeggen dat je eraan moet toegeven.
Je kunt nog zoveel seksuele spanning in je opbouwen,
maar dat wil nog niet zeggen dat je die moet ontladen.
Je kunt nog zoveel willen hebben,
maar dat moet je niet gaan beheersen, zodat je daar dag en nacht mee bezig bent.

Wees navolgers van God – in Zijn barmhartigheid en in Zijn heiligheid.

Paulus zegt daar ook iets bij: wees navolgers van God als geliefde kinderen.
Wat we in Gods houding naar ons toe ervaren is liefde.
Als we in Gods hart kijken, zien we liefde.
Liefde die ons zondaren weer tot Zijn kind maakt.
We hebben het vanmorgen veel over de betekenis van woorden,
ook dit woordt kind heeft een bijzondere betekenis.
Het is een heel intiem woord, van een relatie tussen een vader en een kind.
Een vader die vol bewogenheid en vol liefde spreekt over zijn kind.
Hier de hemelse Vader die Zijn liefde tot voor Zijn kinderen,
kinderen die het heel bont gemaakt hadden
en zelf de band met die Vader hadden verbroken
en waarvan de hemelse Vader zei: en toch blijf je Mijn kind.
Ik doe er alles aan om je weer Mijn kind te maken.
Niet als een dwangmatige vader, want die zijn er
die hun kinderen niet los kunnen laten en met wie de band heel beknellend is,
maar als Vader in de hemel die ziet dat ze zonder Hem
diep ongelukkig en zelfs nog meer: voor eeuwig verloren zijn.
Maar dat niet over Zijn hart kan laten verkrijgen.
Onze verlorenheid raakt Hem tot diep in Zijn hart.
En daarom dat gebaar op Golgotha, een royaal gebaar van God
waarmee Hij zegt: het is vergeven.
Nee, geen goedkope vergeving; dure vergeving: het kostte Hem Zijn eigen Zoon
en die Zoon ging – gedreven door diezelfde liefde als Zijn hemelse Vader.

Wees navolgers van God.
Niet in dat offer, dat kunnen wij niet nadoen.
Maar wel in die liefde, in die houding die God naar ons toe had,
dat is een voorbeeld voor hoe wij met elkaar moeten omgaan.
Gods liefde komt naar ons toe, maar blijft niet alleen bij ons.
De liefde en genade van God die naar ons toekomt, maar van ons geen egoïsten
die alleen maar kunnen denken aan wat zij zelf willen hebben
en als zij het zelf maar goed hebben.
Die ander zoekt het maar uit.
Nee, omdat God ons kind maakt, willen wij dat anderen ook kind van God worden.
Ook al kunnen we ze misschien niet uitstaan.
Maar we hopen het beste voor onze vijanden en bidden zelfs voor hen,
omdat we ook vijanden van God waren,
maar omdat God voor ons alles over had, hebben we dat ook voor anderen.
In ons spreken over anderen,
in onze houding naar anderen toe
laten we zien hoe onze hemelse Vader met ons omgaat.
Aan de ene kant zijn heiligheid.

Als kinderen die de liefde ervaren.
Liefde die meer is dan een gevoel,
maar ook de houding van God naar ons toe,
waarbij God bereid is het hoogste en het liefste dat Hij heeft op te offeren, af te staan
om ons te winnen en weer kind te maken.
Wandel in die liefde, zegt Paulus.
Dat wil zeggen: laat de liefde van God je ook veranderen
zodat Zijn liefde ook van je afstraalt naar anderen toe,
zodat ze aan Gods kinderen mogen zien, Wie God is,
in Zijn heiligheid en in Zijn barmhartigheid, in Zijn zorgvuldige en liefdevolle omgang.

Wie het kruis aanvaardt,
wie gelooft dat Jezus gestorven is voor onze zonden,
kan niet anders dan accepteren dat Christus, die voor ons stierf
ons ook verandert naar Zijn beeld.
Het is allebei: of we geloven én gaan de weg in het spoor van Jezus
ook de weg van liefde en dienen,
of we gaan die weg niet, maar dan missen we ook Jezus.
Of Jezus is in ons hart en dat werkt ook door in onze houding
Of ons hart is niet van Jezus, maar wordt aangedreven door een andere kracht.
In dat geval is het zorgelijk, want dan is het afgodendienst
en kunnen we het koninkrijk van God niet binnengaan.
Zo scherp ligt het, zegt Paulus.
Kijk daarom hoe God is, neem aandachtig waar hoe de Heere met ons omgaat
en neem dat als voorbeeld voor hoe wij hebben te doen.

Maar kunnen we dat wel? God als voorbeeld nemen? Is dat niet te hoog gegrepen?
Dat is een vraag die mij tijdens de voorbereiding steeds weer bezig hield.
Kunnen wij de weg van de liefde wel kiezen, in het spoor van Jezus?
Dat kunnen wij toch niet?
Nee, dat kunnen we niet,
maar dat mag ons er niet vanaf brengen om een andere weg te kiezen.
Want we kunnen het wel tegenhouden,
door niet uit die genade te leven,
en Gods houding alleen maar voor onszelf willen houden
en niet onze houding, ons karakter, ons gedrag laten aanpassen door Christus.
We hebben deze weg te gaan, waarbij anderen aan ons merken
dat in ons hart Christus leeft
en dat er niet een andere macht over ons heerst.
We kunnen niet zonder de Heilige Geest,
die in ons wil komen wonen en ons tot leden van Christus wil  (zal!) heiligen.
De Heilige Geest is de kracht die ons aandrijft,
die ervoor zorgt dat de Heere Jezus in ons hart is
en ervoor zorgt dat de Heere Jezus effect heeft op ons karakter, onze houding
en ons ook aan het werk zet met de opdracht: wandel die weg, in het spoor van Christus.
Hij volbracht het, daarom kunnen wij die weg gaan
maar dan moeten wij die weg ook gaan.
zodat we met de woorden van onze mond en de overleggingen van ons hart
God welgevallig zijn.

Als we die weg niet gaan,
dan is het goed dat we wakker gemaakt worden
Ontwaak gij die slaapt en staat op uit de dood
en laat Christus over u heersen, ook over uw karakter, over uw houding naar anderen toe,
over uw manier van praten over anderen.
Daarom spreekt Paulus ons aan, zodat we groeien in het geloof
en Christus hoe langer hoe meer gestalte in ons krijgt.
amen

Preek zondagmiddag 8 februari 2015

Preek zondagmiddag 8 februari 2015
Nabetrachting en dankzegging Heilig Avondmaal

Markus 8:27-38

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Alleen wie zijn leven wil verliezen, kan het behouden.
Dat is de menselijke kant van avondmaal vieren: het leven verliezen aan Christus.
Dat is wat u vanmorgen aan het avondmaal weer hebt gedaan:
uw leven afgestaan aan de Heere Jezus.
Dat is ook de enige manier om uw leven te behouden:
door uw leven af te staan aan de Heere Jezus.
‘verlies’ noemt de Heere Jezus dat, maar wel verlies met de grootst mogelijke winst: behoud.
Als je van Jezus bent, heb je alles.
Als je niet van Jezus bent, heb je niets – hoeveel je ook bezit.

Toch voelt het als verlies.
Een boer heeft een redelijke boerderij.
Hij is in onderhandeling met de gemeente, die zijn grond wil kopen.
Als hij geen opvolger had, was hij er mee akkoord gegaan
en had hij de boerderij van de hand gedaan.
Hij heeft een zoon die de boerderij wil overnemen en al in de maatschap gekomen is.
Voor die zoon wil de boer een flink bedrag voor de grond
zodat op een andere plek een nieuwe boerderij kan worden aangekocht
en het bedrijf op die andere plek kan worden voorgezet.
Tijdens huisbezoek komen de onderhandelingen met de gemeente ter sprake
omdat het resultaat van die onderhandelingen van grote invloed is
op het verdere leven van de boer.
Wanneer de boer alles verteld heeft, zegt de ouderling:
‘Weet je wel dat je dit eens moet inleveren?’
De boer kijkt de ouderling geschrokken aan en stamelt: ‘Dat kan ik niet!’
Maar hoe staat het dan met je geloof, vroeg de ouderling,
want alleen wie bereid is om alles af te staan, kan echt leven vinden.
Wie zou wel kunnen wat Jezus zegt: Alleen wie bereid is om alles te verliezen, kan winnen?
Waarom hebben wij met deze opmerking van de Heere Jezus zo veel moeite?
Is dat, omdat we toch ons leven hier willen behouden?
Is dat, omdat we toch gericht zijn op het leven in het hier en nu
en het leven dat komt in Gods koninkrijk steeds weer uit het oog verliezen?
Dan de vraag van de Heere Jezus:
Wat baat het een mens als hij alles wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?
Wat hebt u er aan als u alleen maar gericht bent op het leven in het hier en nu?
Dat is slechts tijdelijk gewin.
We zongen dat in Psalm 49: We kunnen het niet meenemen als ons einde gekomen is.
Dan merken we wat de waarde is van het leven dat we hier op aarde hebben geleid.
Als ons leven wordt geoordeeld, niet naar aardse maatstaven
van aards succes en aardse welvaart,
niet of een leven succesvol of zinvol is geweest vanuit menselijke redeneringen,
maar wat het oordeel van Christus over ons leven is.
Wat heeft het je allemaal gebracht nu je voor Mij moet verschijnen?

Dat geldt niet alleen voor rijkdom en bezit.
Je leven willen behouden, kan ook door de leiding van God over je leven niet te accepteren.

Geef de heiland ’t roer in handen van je aardse levensschip

schreef mijn vader in het poëziealbum van mijn zussen.
Door de brood en de wijn te ontvangen
knielen we voor de Heere en zeggen we: Heere, U bent de kapitein op mijn levensschip.
Als het schip van mijn leven een bepaalde kant op gaat,
omdat U dat wil, is het goed.
Zo gemakkelijk is dat niet: het roer van ons leven uit handen geven
en te accepteren dat God ons leven stuurt,
zoals een kapitein de koers van een schip bepaalt.
Het  leven verliezen om het te behouden,
dat betekent: geloven, accepteren dat God in ons leven de kapitein is.
Dat betekent ook: Dat God ons leven stuurt op de weg achter Jezus aan.
Die weg achter Jezus aan is delen in het gebroken-zijn van Jezus.
Zoals het brood gebroken werd om heen te wijzen
hoe Christus voor ons verbroken is,
zo kan het brood ook wijzen op de weg die wij hebben te gaan.
De weg achter Jezus aan kan voor ons ook een weg zijn
waarin wij delen in het lijden van Jezus.
Delen in de verwerping van Jezus
Jezus roept ons niet tot een comfortabel leven,
Achter Jezus aangaan betekent geen leven van rust en vrede,
maar eerder van strijd en spanning.
Wie achter Jezus aan wil komen, die neme zijn kruis op zich.
Dat betekent dat we als gelovigen delen in de spot over Jezus.
Soms kunnen mensen heel venijnig reageren op wat Christenen doen
en dan vraag je je af of diegenen met die scherpe mening
ook werkelijk ooit een christen hebben gesproken.

Toen de schrijver Willem Jan Otten tot geloof gekomen was en zich had laten dopen,
gaf hij een verslag, een uitleg van zijn keuze om gedoopt te worden.
Hij kreeg een felle reactie: Kom terug, Willem Jan.
Beste collega, vriend, je gaat je leven verliezen. Wat doe je nu?

De catechisanten in de vorige gemeente vertelden dat wel eens,
dat toen zij aan medestudenten of aan collega’s vertelden dat ze naar de kerk ging,
ze soms vreemde blikken kregen: Jij? Dat had ik niet van je verwacht?
Misschien dat u dat op uw werk ook heeft.
Dan hebt u vanmorgen avondmaal gevierd en dan is er morgen uw werk, met de collega’s,
een grotere tegenstelling kan er niet zijn.
Morgen kan alle zegen vandaag wel weggenomen worden, lijkt het wel.
En je zegt maar niets, want ze gaan er toch mee aan de haal
en als ze kunnen, pakken ze je nog wel een keer terug.

Avondmaal vieren, aan de tafel aangaan, maakt ons ook vreemdeling.
Wij horen niet bij deze wereld.
Wij zoeken ons leven ergens anders.
We werken wel en een carrière kan ook voor ons van belang zijn,
maar dat is niet het hoogste in ons leven, want dat is Christus.
Als ik Hem niet had, was er van mijn leven niet veel meer over.
Zo geeft avondmaal aan dat er een afstand is, zoals de doop ook aangeeft.
Wanneer vroeger iemand werd gedoopt, gaf hij aan: ik doe afstand van mijn oude leven.
Ik ben niet meer de Romeinse heiden, die de Romeinse goden dien,
maar ik ga onder in het water van de doop en ik ben van Christus.
Ik beloof dat ik mij nooit meer zal inlaten met die andere goden,
ik beloof om afstand te houden en ik beloof dat ik alleen van Christus ben.
In de viering van het avondmaal leggen we de oude mens af,
de oude mens die hier wil meetellen, die uitsluitend op het leven hier en nu is gericht.

Zo heeft het avondmaal ook een aansporing en een vermaning:
een aansporing om achter de Heere Jezus aan te gaan
en alles wat ons in de weg staat om Hem geheel te volgen
uit ons leven weg te doen,
niet meer alleen gericht op het leven in het hier en nu,
want we zijn niet meer van hier, we zijn van Christus.
Een aansporing om zo ook te leven: van Christus zijn.

Van Christus – dat geeft aan ons een nieuwe naam:
niet meer van de wereld, maar van Christus.
Net als bij een bruiloft: dan krijgt de vrouw de achternaam van de man erbij.
Trouwen vraagt ook om overgave.
Een bruid kan niet zeggen: ik wil met je trouwen,
maar ik wil helemaal mijn eigen leven kunnen leiden.
Je moet niet denken dat ik mijzelf opgeef.
Trouwen heeft iets van zelfverloochening: je offert je eigen naam op
en je draagt de naam van je geliefde.
In de ogen van omstanders kan trouwen ook een offer zijn.
Bijvoorbeeld op het werk, als collega’s horen dat je gaat trouwen
en ze vinden je nog te jong: Nu al?
Moet je niet eerst je eigen leven leiden?
Voor de bruid is het geen gedwongen keuze, maar een keuze uit liefde.
Ik wil van mijn man zijn, ik wil zijn naam dragen,
ik ben van hem.
Een bruid heeft een nieuw bestaan bij haar echtgenoot.

Een christen heeft bij Christus een nieuw bestaan
ontvangt van Hem een nieuw bestaan.
Zoals een bruid niets anders wil dan van haar echtgenoot te zijn
en niet kan wachten om dat nieuwe leven samen te beginnen, daar naar uit kijkt,
zo is het voor de gelovige:
je wilt niet meer zonder Christus, je hebt er alles voor over
en dat wordt dan zelfverloochening genoemd en opgave en offer,
maar voor jezelf is dat het niet, omdat je dit wilt
omdat de liefde van Christus je gewonnen heeft.
Kruisdragen: dat is net als een meisje dat verkering heeft gekregen
Waarvan de hele familie zegt:
Dat is geen goede keus, je kunt het beter uitmaken,
hij past niet bij jou, je gaat er aan onderdoor, je moet bij hem teveel inleveren.
Gaat zo’n meisje overstag als heel de familie aangeeft: dit is geen goede partner?
Zo’n meisje zet vaak door,
zelfs als het ten koste gaat van het contact met de eigen familie.
Al moet ze alles afstaan en inleveren, ze gaat ervoor.
Als ze dan in de verkeringstijd samen eten, zijn ze samen.
Dan gaat het er niet om hoe bijzonder het eten is, maar dat ze elkaar samen hebben.
Als de maaltijd karig is en de kamer waar ze eten armoedig,
dan kunnen ze samen dromen van de toekomst
waarbij ze het samen eens goed zullen hebben.

Kruisdragen is dat heel de familie de keuze voor deze partner, voor Jezus niet begrijpt
of je collega’s dat niet begrijpen en dat nadrukkelijk laten weten
en er op aansturen dat je die vriend ook laat vallen.
In veel landen gebeurt dat ook, dat je je familie kwijtraakt als je Jezus gevonden hebt.
Dan heeft avondmaal de rijkdom van zo’n tafel in de verkeringstijd:
voor het oog armoedig, maar de beide geliefden hebben genoeg aan het samenzijn
En kijken vooruit naar de tijd die ze samen zullen doorbrengen.
Zo kijken we bij het avondmaal vooruit naar de tijd die we met onze Heere zullen doorbrengen
en we voor altijd bij Hem en helemaal van Hem zullen zijn.

Dan is het de aansporing van ons om ook zo te leven, nu al
dat we van Hem zijn.
Als een meisje zich schaamt voor haar vriendje en daar thuis bij de familie
helemaal niets wil vertellen, hem nooit wil meenemen,
nooit vertelt wie hij is en hoe hij is,
hoe kan het dan ooit een goede relatie zijn?
Hoe kan de bruid ooit geloofwaardig schitteren naast de bruidegom
als ze nooit voor haar liefde is uitgekomen
en dat terwijl ze van haar bruidegom zoveel krijgt.

Wie van Christus is, kan hier op aarde een weg gaan
Waarbij je veel kan kwijtraken van wat hier op aarde van waarde is.
Kan de spot en het onbegrip , als een vreemde worden gezien
of soms als iemand die een vijand geworden is,
omdat je de tradities van je cultuur en godsdienst verruilt voor Jezus.
Jezus zegt: wie dat allemaal verliest omwille van Mij en om het evangelie
die krijgt er alles voor terug.
Dat is de belofte van deze bruidegom.
Ik schaam mij dan niet voor Mijn Vader,
Ik schaam mij dan niet voor de heilige engelen.
Ik neem je op in Mijn gemeenschap: je bent van Mij.

Maar wie zich schaamt: Waarom zouden we ons schamen
Voor onze familie en vriendenkring?
Je ervoor schamen betekent dat de liefde niet oprecht is
het verlangen om samen te zijn en samen te leven niet echt gevoeld wordt.
Dat kan alleen terugkomen als we vernieuwd worden
door de Geest
en wij weer van Christus worden – van Hem geworden, geroepen: Kom achter mij.
Avondmaal: Vernieuwing van de liefde en het verlangen,
door het samen zijn met Christus weten: weer opgenomen te zijn in Christus’ gemeenschap.
Bevestiging: We zijn van Hem.
Amen

Preek zondag 11 januari 2015

Preek zondag 11 januari 2015
Bediening Heilige Doop
Markus 10:13-31

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat kunnen wij als grote mensen van jullie, kinderen, leren?
Dat heb ik ook aan jullie gevraagd toen ik bij jullie op bezoek was:
Wat kunnen papa en mama van jullie leren?
En dan bedoel ik niet: springen op de trampoline, zoals een van jullie zei.
Aan een van onze kinderen vroeg ik:
Wat kunnen wij van jou leren. Ze dacht enige tijd na
en maakte duidelijk dat wij van haar wel konden leren om te drijven op onze rug.
Ze is net met zwemles bezig, namelijk.

Maar bij die vraag: wat kunnen wij als grote mensen van jullie, kinderen, leren,
dan bedoel ik:
Wat kunnen wij leren van jullie als het gaat om de Heere Jezus?
Misschien vind je dat wel een rare vraag.
Want meestal gaat het andersom, toch?
Dat jullie, kinderen, leren van de grote mensen.
Van papa of mama, die met jullie lezen uit de kinderbijbel
en met jullie erover praten.
Aan wie je vragen stelt als je iets niet begrijpt.
Of het is de juffrouw op school die je de verhalen uit de Bijbel vertelt
en de liederen over de Heere God aanleert.

De Heere Jezus zegt echter dat wij als grote mensen ook van jullie kunnen leren.
Hij zegt het nog sterker: wij moeten van jullie leren,
want anders kunnen wij het koninkrijk van God niet binnengaan.
Wat wij van jullie kunnen leren is dus heel belangrijk!
Want dit zegt de Heere Jezus: Wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind
kan er beslist niet binnengaan
.
Zoals een kind ontvangt.
Wat bedoelt de Heere Jezus daarmee: zoals een kind ontvangt?
Het gaat de Heere Jezus om de afhankelijkheid  van een kind.
Als een kind iets wil, vraagt het aan de ouders.
Een volwassene kan zelf iets voor elkaar krijgen,
maar als een kind iets wil hebben, heeft het de medewerking van de ouders nodig.
Als een van onze kinderen iets bij de Intertoys wil hebben,
omdat ze daar een bon van hebben of iets hebben gezien bij Intertoys,
zijn ze van ons als ouders afhankelijk.
Als wij hen meenemen in de auto naar Elburg of Wezep,
kunnen ze in die winkel iets kopen.
Maar als wij daar geen tijd voor hebben, geen zin in hebben,
kunnen onze kinderen net zo vaak vragen als ze willen,
maar ze krijgen het niet.
Ze kunnen er niet zelf naar toe.
Die afhankelijkheid van een kind laat zich ook op een andere manier zien.
Dat weten de kinderen vast ook wel.
Misschien houd je niet zo van fruit
en heb je liever een mars of een snicker als je uit school komt,
of een lekkere gevulde koek of een mergpijp.
Je komt uit school en je hebt er al zo’n zin in
en dan krijg je van je moeder of van je vader iets gezonds:
een mandarijn of een appel, een stuk komkommer.
Dan kun je wel tegen je moeder zeggen: ik wil iets ongezonds, maar dat helpt niet.
Je moeder zegt dan: ‘Je krijgt dit of niks.’
Of je wilt tussen de middag lekker een snee brood met pasta,
maar je moeder zegt: ‘Eerst iets gezonds.
Pas als je worst of kaas hebt gehad als beleg mag je iets anders.’
Wie het koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal er niet binnengaan.
Alleen als je het ontvangt en anders niet
en de Heere Jezus zegt daarbij: kinderen zijn daar beter in dan volwassenen.
Waarom eigenlijk?
Omdat ze niet meetellen en omdat ze geen andere keuze hebben.
Volwassenen bepalen.
En omdat volwassenen zelf kunnen bepalen,
denken ze ook dat zij kunnen bepalen hoe zij Gods koninkrijk binnen kunnen gaan.
Als ze er maar wat voor kunnen doen.

Hoe dat gaat, hoe volwassenen denken en hoe zij ermee omgaan
zien we in het gesprek met die man
die een vraag heeft, waar hij mee rondloopt, waar hij mee zit, mee worstelt.
We kennen deze man ook wel als de rijke jongeling.
Het is geen verkeerde man. Integendeel.
Eentje van het meest integere soort.
Beter kun je ze niet hebben.
Hij is zo goed voor anderen.
Want als je naar de wet van de Heere leeft,
Steel je niet, bedrieg je niet, licht je niemand op,
ben je zo betrouwbaar als de tempel van Jeruzalem.
Deze man houdt zich aan Gods wet
en dat betekent ook dat hij de arme mensen uit zijn stad helpt.
Dat vertelt Markus niet, maar daar moeten we wel vanuit gaan. Markus veronderstelt dat,
omdat deze man zich aan Gods wetten houdt.
Als hij hoort dat er gezinnen zijn, waar de vader van overleden is,
kunnen ze bij hem terecht voor steun.
Hij doneert een fors bedrag aan de voedselbank
en heeft misschien wel een fonds opgericht om armoede in zijn omgeving te bestrijden.
Dat is ook een onderdeel van Gods wet!
Ja, hij is rijk.
Maar niet op een achterbakse manier rijk geworden.
Zo eerlijk als wat. Er is niets op hem aan te merken. Eerlijk verdiend..
Het is ook geen opschepper, niet iemand die trots door de stad loopt,
maar iemand die nederig is gebleven, bescheiden,
omdat hij weet dat hij zijn rijkdom van de Heere heeft gekregen
en dat de Heere aan hem die rijkdom met een doel heeft gegeven: om armen bij te staan.
Zo eentje waarvan je zegt: een sieraad voor de stad
Hij is er een van wie de mensen zeggen: Hij komt wel in de hemel.
Die komt er wel.

Maar daar twijfelt hij juist zelf aan.
En niet zo’n beetje ook.
Hij ligt er wakker van, van die vraag: is er voor mij wel een plaats in de hemel?
Kom ik er wel?
Heb ik wel genoeg gedaan voor de Heere?
Daarom klampt hij de Heere Jezus aan en legt de vraag die hem zo intens bezig houdt.
Hij gelooft, dat de Heere Jezus hem verder kan helpen.
Want hij valt voor Jezus op de knieën.
Een riskant gebeuren, want overtreedt hij daarmee niet het gebod
dat zegt dat je alleen God eer mag geven en niet aan mensen?
Hij laat zien dat hij in Jezus meer ziet dan de mensen om hem heen.
Knielen is een gebaar van aanbidding, waarmee je zegt: mijn leven is van u, meester.
Alles wil hij wel doen om in de hemel te kunnen komen.
Wat moet ik doen?

Doen of ontvangen: Voor volwassenen lijkt dat hetzelfde.
Als je er iets voor doet, kun je het ontvangen.
Je salaris krijg je, omdat je er iets voor doet, namelijk: je werkt ervoor.
Waardering krijg je, omdat je er iets voor doet: vrijwilligerswerk, een bepaalde prestatie als sporter.
Zo denkt deze man, die bij de Heere Jezus komt, ook over God: ·als ik er wat voor doe, dan is het ook voor mij.
Vertel mij wat ik moet doen en ik doe het, want ik wil dat eeuwige leven beërven.
Vanuit oprecht verlangen!
Er is een klein detail, maar wel veelzeggend
en het vormt de verbinding met de ouders die hun kinderen bij de Heere Jezus brengen.
Vanaf mijn jeugd heb ik mij aan de geboden gehouden.
Met 12 jaar, bar mitzwa, ben je volwassen. Vanaf die tijd kun je er wat aan doen.
Als kind nog niet. Toen telde hij nog niet mee en stelde het niets voor wat hij deed.
Zoals volwassenen over kinderen kunnen praten: ach ja, het is nog maar een kind.
Het stelt nog niet zo veel voor.
Kinderen zijn vooral grappig en aandoenlijk.
Als zij een oplossing voor een wereldprobleem hebben, is dat ontroerend,
maar je bereikt er natuurlijk niets mee.
Kinderen hebben geen invloed.
Kinderen mogen ook niet meepraten. Als je wat groter bent, zal ik het je vertellen.
Wie het koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal er beslist niet binnengaan.
Daar wil de Heere Jezus die man ook krijgen.
Hoe kan deze man, die alles heeft en zich van alles kan permitteren,
wat hij wil kan hij kopen. Hij kan zelf bepalen wie hij kan bijstaan met zijn geld.
Hij is in de positie om voor anderen een goed woordje te doen:
‘Wil je die oudste jongen van dat gezin een goede baan geven? Want zijn vader leeft niet meer.’
‘Die man heeft een grote schuld. Hier heb je een bedrag,
maar ik wil niet dat je het hem vertelt van wie het komt.’
Hoe wordt deze man weer kind?
Niet zozeer van karakter, want dat kan hij misschien zijn,
maar als kind die niet alleen leeft van vertrouwen op de hemelse Vader,
maar het ook moet hebben van wat de hemelse Vader geeft.
Wat moet ik doen?

Jezus zegt: je mist maar één ding. Je bent er bijna. Je hebt al bijna alles.
Eén ding heb je nog niet: dat je weer afhankelijk wordt van wat God geeft,
van wat Hij op je pad brengt.
Verkoop alles wat je hebt.
Moet je voorstellen dat de Heere Jezus dat zegt uit liefde voor deze man!
Verkoop alles wat je hebt!
Je krijgt er wel wat voor terug: een schat in de hemel.
Dat betekent: God geeft je wanneer je nodig hebt, Hij bepaalt wanneer je iets krijgt.
Verkoop je huis en je bezittingen, doe afstand van je positie in de maatschappij,
van de mogelijkheden dat jij bepaalt wie er geholpen worden.
Wees bereid om een totale nobody te zijn voor de mensen,
want het is voldoende als je voor God telt.
Als je Jezus volgt, als Hij bepaalt welke kant je leven opgaat.
Zou u dat kunnen? Zou u dat doen?
Al uw bezittingen verkopen en dan niet aan de kinderen geven,
maar aan de armen?
Het levert de man een diepe crisis op, een shock.
Alles wil hij wel doen, alles heeft hij er voor over: behalve alles opgeven.
Hij kan niet meer kind worden.
En niet alleen voor deze rijke man, die alles heeft, is het moeilijk om weer kind te worden,
zo afhankelijk van God te worden, zoals kinderen afhankelijk zijn van hun ouders.
Voor iedereen is het moeilijk, zegt de Heere Jezus.
Als je Jezus volgt, als Hij bepaalt welke kant je leven opgaat.
En tot de bereidheid om te volgen behoort ook bereidheid om te lijden
En dan bedoel ik niet wat er in Parijs gebeurde, maar in Nigeria en Irak en Syrië.
Christenen die gedood worden, omdat ze bij de Heere Jezus horen.
Dat komt hierna, want dan legt Jezus zijn leerlingen uit dat lijden erbij hoort: kruisdagen.
Leer hen hun kruis vrolijk dragen.

Ik heb hier een naald bij me.
Je kunt de naald al nauwelijks zien, zeker de mensen die achter in de kerk zijn niet.
Boven op de naald zit een klein gaatje waar het garen doorheen moet.
Je kunt dat nog slechter zien dan de naald, nog kleiner.
Eigenlijk had ik ook een kameel mee moeten nemen,
je weet wel, zo’n groot dier, het grootste dier dat er bij de leerlingen van Jezus bekend is.
Zou dat door het gaatje van de naald gaan?
Het is makkelijker om hier door dit kleine gaatje een kameel te laten gaan
dan dat iemand in het koninkrijk van God binnengaat.

Maar dan komt er toch niemand?
Dan komen de discipelen er niet, dan komt u er niet, dan komen de dopelingen er niet.
Maar wacht even, God is er ook nog.
Bij God is alles mogelijk.
En bij God gaat het er niet om, dat wij het verdienen, dat wij presteren,
Dat wij onszelf op de een of andere manier zien te worstelen door dat kleine gaatje.
Want beide verhalen, beide ontmoetingen rondom de Heere Jezus,
de ouders die hun kinderen brengen en de man die ontzettend veel heeft,
gaan niet alleen over het binnengaan in het koninkrijk van God,  maar gaan over God zelf.
Er is er maar Eén goed en dat is God.
En weet je wat dat betekent?
Dat God geeft.
Daarom was het de opdracht in de wet om aan de armen te geven,
zodat mensen die arm zijn door de rijken iets ervaren van Gods goedheid
en bij de giften die ze krijgen zeggen: God is goed!
Het was een eer voor de rijke jongeling om zo op die manier Gods goedheid uit te dragen.
Wat zal hij ervan genoten hebben, dat de mensen die hij hielp,
niet zozeer hem dankbaar waren, maar God.
Geloofd zij God met diepst ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag met Zijne gunstbewijzen.
Wat die rijke man vergat, was dat hij ook zelf van het ontvangen moesten leven.

De ouders die hun kinderen bij de Heere Jezus brachten, hadden het begrepen.
Bij Hem moeten we zijn.
Wat Jezus aan mijn kind kan geven, dat kan niemand anders geven.
Wat Jezus geeft, daaraan heeft mijn kind genoeg.
Daarom, ouders, heb je vandaag voor je kind, het beste gedaan, wat je kon doen.
Je hebt je kind, je kinderen, bij de Heere Jezus gebracht.
Zodat de Heere Jezus kan laten zien dat God goed is.
Zodat de Heere Jezus tegen je kind, tegen jullie kan zeggen:
Ik leg mijn hand op je, je hoort bij Mij, je bent van Mij.
Wat heeft je kind gedaan, waardoor het recht heeft op de doop, op de liefde van Christus?
Niets en juist daarom is het voor hen.
Het koninkrijk van God is voor hen die naar Jezus toegaan
en zeggen: Zegen mij, want zonder U kan ik niet.
Zelf heb ik niets, maar U kunt alles.
Wat leren wij van kinderen?
Ontvangen – aannemen,
maar ook dat God zal geven.
Voor God is niets onmogelijk. Hij wil u, jou, jullie kind, Zijn koninkrijk geven.
Hij wil het zelf: Zijn koninkrijk, Zichzelf geven, want God is goed.
Voor jou, voor je kind.
Amen