Preken in een tijd van het creatieve gebod: Wees origineel!

Preken in een tijd van het creatieve gebod: Wees origineel!

We leven volgens de Duitse socioloog Andreas Reckwitz in een tijd van het creatieve gebod: Wees origineel! Dat heeft volgens praktisch-theoloog Julia Koll ook gevolgen voor de preekvoorbereiding.

Volgens Koll zijn er de afgelopen decennia de volgende typologieen ontwikkeld mbt creativiteit in de preekvoorbereiding:

Typologieën

(1) Creativiteit is een vrucht van goddelijke inspiratie, verkregen door mediteren (Emanuel Hirsch, Rudolf Bohren).

(2) Volgens Ernst Lange is het geen geestelijk gebeuren maar iets cognitiefs dat gebeurt als je de hermeneutische cirkel van tekst en situatie geregeld doorloopt. Dan krijg je creatieve invallen.

(3) Voor de vroege Josuttis was creativiteit iets psychologisch, dat geremd kon worden door perfectionisme en gestimuleerd door in brainstorm de gedachten de vrije loop te laten gaan.

(4) voor Gerhard Marcel Martin en Albrecht Grözinger heeft het creatieve van de preekvoorbereiding iets van het creatieve proces van een kunstenaar.

Martin Nicol en Alexander Deeg zijn met hun dramaturgische homiletiek verder gegaan op dat laatste spoor: creativiteit is onderdeel van het hele proces van preekvoorbereiding, van verzamelen en uitwerken tot verbeelden en evaluatie.

Koll mist twee elementen in de discussie in de afgelopen decennia:
(5) Creativiteit van de luisteraar.
(6) huidige context van het creatieve gebod: Wees origineel!

Moeten
De Duitse socioloog Andreas Reckwitz typeert onze tijd als de tijd van het creatieve gebod: Wees origineel! We willen van onszelf en moeten van onze omgeving origineel en creatief zijn. Of het nu gaat om de enscenering van ons eigen leven (Facebook, Snapchat, Instagram), of om de event-cultuur  of creative industry – steeds gaat het er om scheppend bezig te zijn aan de hand van kunstzinnige, esthetische idealen.

Invloedrijk
Maatschappelijk werken deze esthetische idealen door op alle terreinen, beroepsmatig en privé: als is gebaseerd op zintuiglijke waarneming en positieve gevoelens en emoties spelen een kernrol. De toename van de esthetiek in onze maatschappij heeft ermee te maken dat je gezien en opgemerkt wilt / moet worden.
Omdat dit op alle terreinen is gaan spelen is het creatieve gebod (‘Wees origineel!’) zo sterk en invloedrijk geworden. Dit creatieve gebod kon zo’n invloedrijke positie krijgen, doordat op het sociale terrein de economie de norm ging worden en alles, ook het privéleven, tegenwoordig via media (zowel mainstream, als social media) gaat.

Effect
Effect van de centrale plaats van dit creatieve gebod is een toenemend gevoel van belasting, het gevoel voortdurend overvraagd te worden (met burnout, depressie, verslaving enz als mogelijke gevolgen) en een toename van verstrooiing en afname van concentratie en aandacht.

Ambivalent
Als de analyse van Reckwitz klopt, dan is creativiteit een ambivalent maatschappelijk thema, waar niet alleen de predikant in de preekvoorbereiding mee te maken heeft. Ook het gehoor heeft een ambivalente houding mbt creativiteit.
Ook de eredienst en de preek hebben te maken met deze maatschappelijke ontwikkeling. Daarom: wie klaagt over het verlies van argumentatie en stevige inhoud in de preek ziet deze maatschappelijke ontwikkeling over het hoofd.

Scheppende kracht
In de homiletiek gaat het niet alleen om aan te sluiten of juist kritisch te reageren op de maatschappij, maar ook om het eigene van de Schrift. Daarom: welke vorm van preken past bij de scheppende kracht van het Evangelie?

Lange duur
Reckwitz schetst twee alternatieven. Hij geeft allereerst aanaan dat er in deze tijd een esthetiek van de herhaling gevraagd wordt. Deze esthetiek is een verzet tegen het activisme dat steeds op zoek is naar iets nieuws. Het gaat om aandacht voor niets steeds veranderd wordt of moet worden, maar voor de lange duur en voor wat voortdurende oefening vereist. Met behoud van het creatieve. Dat geeft ruimte aan de inbedding van de preek in de liturgie (zoals in de laatste decennia als steeds aangegeven wordt).

Onthaasting
Dat biedt voor de preek als middel tot ‘Entschleunigung’ (onthaasting, verlangzaming). Zoals Michael Meyer-Blanck dat verwoordde: zie het esthetische als een poging de hoorder een behuizing voor langere tijd te bieden, waar hij/zij rust vindt om na te denken. In die rust vindt de hoorder de mogelijkheid om op een creatieve manier God en de wereld te ontmoeten. Julia Koll: de onthaasting leidt tot hernieuwde waardering van concentratie en stilte (waarvoor geen creativiteitsacrobatiek nodig is). De verlangzaming in de preek richt zich niet op de beleving, maar op de verdieping.

Deelnemers
Een tweede alternatief van Reckwitz’ visie is creativiteit zonder publiek. Je richt je niet op een publiek van wie je de opmerkzaamheid moet verdienen, maar je gaat ervan uit dat er slechts deelnemers en betrokkenen zijn. Ook dat is niet nieuw in de homiletiek en de liturgiek: de hoorders zijn geen passieve consumenten, maar luisteraars die zelf actief betrokken zijn in het creatieve proces. Julia Koll pleit ook voor letterlijk meer betrokkenheid doordat gemeenteleden zich kunnen uiten. Vergelijkbaar met de jazzimprovisatie. Dit creatieve kan ook in het overige gebeuren in de gemeente opgepakt worden, bijv dmv biblioloog

Julia Koll, ‘Predigtkunst in Zeiten des kreativen Imperativs’, Praktische Theologie 52/3 (2017) 169-176.

Advertenties

Checklist preekvoorbereiding

Checklist preekvoorbereiding

Waar gaat dit Bijbelgedeelte over?

  • Personen:
  • Thema’s:
  • Achtergrond:
  • Opbouw / structuur:
  • Context:

Wat wil dit Bijbelgedeelte mij zeggen?

Is dat ook de boodschap voor de gemeente? Waarom wel / niet?
(Zo niet: Wat is dan de boodschap voor de gemeente?)

Wat is de praktische uitwerking van deze boodschap?

Hoe zal de gemeente op deze boodschap reageren?

Aan welk verlangen in de gemeente raakt deze boodschap?

Op welke manier corrigeert deze boodschap de gemeente?

Wat heeft de gemeente nodig om deze boodschap te kunnen ontvangen?

Wat mag de gemeente van de Heere (Vader – Zoon – Geest) verwachten?

Met welke bijbels-theologische thematiek hebben we bij deze boodschap te maken? Wat betekent dat voor deze preek?

Met welke dogmatische / systematisch-theologische thematiek hebben we bij deze boodschap te maken? Wat betekent dat voor deze preek?

Met welke praktisch-theologische thematiek hebben we bij deze boodschap te maken? Wat betekent dat voor deze preek?

Hoe kan deze boodschap worden uitgewerkt in de preek: thematisch of verhalend?

Wanneer en waarover de dialoog met de gemeente?

Op welke gemeenteleden richt ik mij in het bijzonder (+consequentie voor de preek):
kinderen / jongeren / volwassenen / ouderen
(nog) niet gelovigen  / beginnend gelovigen / gelovigen die al een tijdje deze weg gaan
mensen die zorg en verdriet hebben / mensen die het goed hebben
overig:

Welke concrete opdracht(en) krijgt de gemeente mee?

Hoe kan de preek het beste worden opgebouwd?

Wat is de beginzin?

Wat is de slotzin?



 

Handelingen 8:26-39

Handelingen 8:26-39

Er rijd een man op de weg tussen Jeruzalem en Gaza. Deze man die uit Ethiopië komt, is in Jeruzalem geweest om de God van Israël te aanbidden. Op de terugweg leest hij hardop uit het Bijbelboek Jesaja. Tijdens deze rit komt hij Filippus tegen, die door een engel van God op pad is gestuurd naar deze weg.
Lukas, de schrijver van Handelingen, vertelt in enkele woorden wie deze man is: een eunuch, een belangrijke ambtenaar van Candacé, de koningin van Ethiopië. Deze man is belangrijk omdat hij over de financiën gaat. Het lastigste is hoe we deze typeringen moeten duiden en welke rol ze mogen hebben bij de uitleg van dit gedeelte.
Candacé is geen naam, maar een titel, vergelijkbaar met koningin. In dit gedeelte lijkt het erop alsof Lukas het als een eigennaam beschouwt. Deze koningin heerst over Ethiopië. Dat is niet het huidige Ethiopië, maar naar alle waarschijnlijkheid Nubië (het huidige Sudan), met als hoofdstad Meroë.
Vooral onduidelijk is hoe we de typering eunuch moeten zien en welke toegang hij tot de tempel in Jeruzalem heeft gehad. Moeten we van deze eunuch uitgaan dat hij gecastreerd is en dat hij als gecastreerde en als heiden geen toegang had tot de tempel? Het woord eunuch kan ook echter gebruikt worden voor een hoge ambtenaar en het is niet noodzakelijk te veronderstellen dat hij gecastreerd was.
Mocht deze man de tempel betreden? Als hij geen Joodse afkomst had, mocht hij alleen in het voorhof van de heidenen komen. Uitleggers, zoals Joseph Fitzmyer, werpen de mogelijkheid op dat deze man Joods was of een proseliet (een tot het Jodendom bekeerde heiden). Dat ontlenen ze aan de structuur van het boek Handelingen: pas in hoofdstuk 10 krijgt Petrus door middel van een visioen te weten dat ook heidenen gedoopt mochten worden. Alleen de manier waarop Lukas de afkomst van deze man verwoordt, is dat hij toch een heiden lijkt te zijn.
Waarom vertelt Lukas dit verhaal eigenlijk door? Er zijn vast meerdere verhalen die hij kende, die hij niet heeft opgenomen in zijn boek over de verspreiding van het evangelie.
Er spelen allerlei verwijzingen uit het Oude Testament mee:

  • De Nubiërs zullen zich met hun geschenken haasten naar God (Psalm 68:32)
  • Het rijzige volk met de glanzende huid, het alom gevreesde volk van de Nubiërs zullen tot Sion komen, waar de naam van HEER van de hemelse machten woont (Jesaja 18).
  • Vanuit de verstrooiing zullen ze komen, van de einden der aarde (Zefanja 3:10, Jesaja 11:11).
  • Nubië is de grens van de bekende wereld. Oa de grens van het rijk van koning Nebukadnezar (Daniël 3:1LXX) en Ahasveros (Esther 3:12LXX). Zie ook Genesis 2:13.
  • Wanneer Lukas met de eunuch bedoelde dat deze man gecastreerd was, speelt ook Jesaja 56 een rol.

Al deze teksten worden niet genoemd. Hooguit kan men ze als allusie (toespeling) opmerken. Een tekst die wel genoemd wordt, is de tekst die de Ethiopiër leest: Jesaja 53. Dit gedeelte is voor Filippus aanleiding om over Jezus te vertellen. De man vraagt daarna of er ook een belemmering is om gedoopt te worden. Die belemmering is er niet. De voorwaarde om te belijden, is een (heel oude) toevoeging. Zowel Filippus als de man verlaten de plek. Filippus is elders het goede nieuws aan het vertellen; de man reist met vreugde terug naar zijn vaderland.

Hoe past dit gedeelte in het geheel van Lukas-Handelingen? Allereerst de vreugde, die de man heeft en waarmee hij zijn weg vervolgt. Vreugde is er in de hemel en op aarde is iemand gelooft in Jezus.
Het verhaal past ook goed in de visie die Lukas heeft op zending. Lukas vertelt niet alles over de uitbreiding van de kerk. Over hoe het in Syrië, Egypte en gebieden ten noordoosten van Palestina aan toegaat, lezen we niet. Wel hoe het evangelie in Samaria, Klein-Azië, Griekenland en uiteindelijk in Rome komt. De leerlingen van Jezus moeten het goede nieuws tot aan het einde van de aarde brengen (Handelingen 1:8). De belofte van redding is er voor degenen die veraf zijn en die de Heer tot zich zal roepen (Handelingen 2:39). Nubiërs worden nog niet genoemd bij de volkeren die op het Pinksterfeest aanwezig zijn en dan de boodschap horen. Nu komt er een op eigen beweging naar Jeruzalem om voor de God van Israël neer te knielen en te aanbidden.
Het past ook in de visie van Lukas op Christus: Jezus als de vervuller van de beloften in het Oude Testament (Lukas 22:20, 24:27) en de redder van de zonden (Lukas 2:11,). Minstens net zo belangrijk als de visie op zending is het geloof dat gewekt wordt als de man over Jezus hoort vertellen vanuit de Schrift (Lukas 24:32). Voor Lukas was Jesaja 53 een belangrijke tekst, die hij op Jezus toepaste.
Voor de lezer uit die tijd is deze man in ieder geval een curieus figuur. Iemand die aan de rand van de beschaving woont. ‘Als er één persoon is in het Bijbelboek Handelingen die vanuit bepaalde culturele stereotypen “de (vreemde) ander” representeert, iemand “die aan de rand van de beschaving” woont, is dat wel deze man.’ (C.K. Barrett)

Homiletische gedachten
Dit gedeelte is door de HGJB gekozen als thema voor de dienst op dankdag, waarbij de kinderen aanwezig zijn. Dit verhaal kan helpen om dankbaar te zijn voor wat God doet in ons leven, dankbaar voor het geloof. Het thema is: Blij verrast. Dankdag is er om je dankbaarheid naar God te uiten en om een houding van dankbaarheid aan te leren.

Hoe kan een preek worden opgebouwd? Het verhaal is redelijk bekend. Om de aandacht te houden is er een inleven nodig die verrassend is. Het verhaal is ook niet al te uitgebreid: Filippus die de opdracht krijgt van de engel, de man op de terugweg die een boek leest, een gesprek over Jezus naar aanleiding van een Bijbelgedeelte, de doop en de terugweg. Er zijn wel heel wat ‘gaten’ in de tekst:

  • Waarom de man naar Jeruzalem gaat: uit behoefte, als opdracht van de koningin?
  • Wat hij in Jeruzalem deed: mocht hij de tempel in of niet?
  • Hoe hij terug reisde: was hij teleurgesteld of was hij juist dankbaar en geraakt dat hij daar in of bij de tempel mocht zijn?
  • Hoe kwam hij aan de boekrol van Jesaja? Waarom had hij die gekocht? Wat was er gebeurd als hij Filippus niet was tegengekomen?
  • Wat is de uitwerking? Hoe komt hij thuis? Spreekt hij er met de mensen om hem heen over Jezus? (Er is geen enkele aanwijzing dat er in de eerste eeuw in deze regio een kerk is ontstaan)

Hoe komt het Bijbelgedeelte terug in de preek? Ook dat kan op verschillende manieren:

  • Vanuit de ik-persoon  of vanuit de derde persoon? En welke persoon is dan de hoofdpersoon: Filippus, de kamerling of iemand uit de stoet van de kamerling of een andere persoon van buiten het verhaal?
  • Welke toegang tot het verhaal: moet de man een identificatiefiguur worden of een vreemde waarbij hij voor de kinderen iets curieus blijft houden?
  • Start in Nubië met de wens om naar Jeruzalem te gaan, de voorbereidingen, de reis, de aankomst en de terugweg.
  • Start in Jeruzalem. Eventueel een terugblik naar de reis ernaar toe. Vertellen hoe het in Jeruzalem is gegaan met het bezoek aan de tempel en het kopen van de boekrol. En dan de terugreis.
  • Vertellen vanaf de terugreis. Eventueel met flashbacks.
  • Vertellen met het vervolg en dan de aankomst. Eventueel met flashbacks.

De troonsbestijging van de Opgestane en de troonrede die Hij houdt

De troonsbestijging van de Opgestane en de troonrede die Hij houdt
Exegetische, homiletische en catechetische opmerkingen bij Mattheüs 28:16-20

De oudtestamenticus Thomas Pola publiceerde in 2013 een aantal opmerkingen bij Mattheüs 28:16-20. Dit gedeelte staat bekend als de verschijning van de Opgestane of het zendingsbevel. Deze perikoop is de lezing voor  de 6e zondag na Trinitatis (van het eerste jaar). In veel gemeenten wordt op deze zondag dan stilgestaan bij de betekenis van de doop.

1) Deze perikoop is in twee delen te verdelen: in deel 1 (vers 16-17) handelen de leerlingen, in deel 2 (vers 18-20) handelt Jezus. Dit tweede deel heeft de nadruk. De beide delen zijn met elkaar verboden door de woorden leerling / jongere en leren. Zij vormen een motief in deze perikoop. Ook het werkwoord gaan / reizen verbindt de beide delen.

2) De 11 leerlingen representeren het nieuwe volk van God. Ze zijn op deze berg om een openbaring van Jezus te ontvangen.

3) De berg van deze openbaring is zonder naam. Dat is ongewoon, want meestal wordt er wel een naam genoemd. Maar ook bij de bergrede en de berg van de verheerlijking wordt de naam van de berg niet genoemd. Het lijkt erop dat voor Mattheüs de betekenis van de berg belangrijker is dan de lokalisatie. De bergen van de bergrede en van de verheerlijking roepen de herinnering op aan de Sinaï. Deze berg heeft trekken van de Zion. Ook deze berg heeft trekken van de Sinaï. In de geschiedenis van de exegese wordt gesproken over een “eschatologische Sinaï” (Ernst Lohmeyer). Volgens Joachim Gnilka gaat het om een gebeuren dat de beperkingen van ruimte en tijd overstijgt zonder aan werkelijkheid te verliezen.

4) In het evangelie van Mattheüs verschijnt de Opgestane zowel in Judea als in Galilea. Daarmee onderstreept Jezus Zijn claim als eschatologische heerser die het voormalige Zuidrijk en Noordrijk verenigt. Jezus vervult in het evangelie van Mattheüs de beloften van de eschatologische nazaat van David die beide delen zal verenigen (zie bijvoorbeeld Jeremia 30:1-31, 33:14-16; Ezechiël 34:20-31; 37:1-14).

5) In deze perikoop gaat het niet om een verschijning van Jezus, want Hij is daar reeds op de berg als de leerlingen daar aankomen. Was JHWH ook niet aan een berg verbonden (zie bijvoorbeeld 1 Koningen 20: 23, 28). Gedeelten uit de tijd van de ballingschap gaan er vanuit dat JHWH voortdurend op het als Sinaï getypeerde Zion woont (Exodus 25:8, 29:45v, 40:35). Aanduidingen die in de tijd voor de ballingschap met de Zion verbonden worden, worden nu aan de Sinaï verbonden.

6) Zodra de leerlingen Jezus zien vallen ze aan Zijn voeten om Hem te aanbidden. Jezus is voor hen zowel God als hun koninklijke heerser. Dit neerknielen functioneert in deze perikoop als acclamatie van het volk van de troonsbestijging van Jezus. Jezus zelf had geweigerd om ‘op een hoge berg’ voor de satan neer te knielen en wilde de satan niet aanbidden (Mattheüs 4:8-10).

7) De leerlingen die Jezus zien op de berg zijn een herinnering aan het volk van God, die de God van Israël op de berg Sinaï konden aanschouwen (Exodus 24:9-11). Dit motief van het aanschouwen van God wordt in Jesaja opgenomen, waarin gesproken wordt over een maaltijd van alle volken op een niet bij name genoemde berg.
In deze perikoop gaat het allereerst om de zending tot de volkeren. Wanneer deze boodschap gehoord wordt, zal het tot een eschatologische pelgrimstocht van de volkeren naar Jeruzalem komen (Zacharia 14:16-19).

8) In deze perikoop wordt niet gesproken over de hemelvaart van Jezus. Het gaat hier om de troonsbestijging van de Opgestane, die verhoogd is. Hij treedt aan als kosmische heerser.

9) Deze kosmische heerser die van God de volmacht heeft ontvangen en door God is opgewekt uit de dood gaat op de jongeren af om hen een troonrede te geven.

10) Het eerste deel van die troonrede is de zelfopenbaring van Jezus. Analoog aan de manier waarop JHWH Zich op de berg Sinaï presenteerde (Ik ben JHWH, uw God) dient er een formulering te komen waarin Jezus zichzelf voorstelt als de kosmische heerser: Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. De naam van Jezus is immers reeds bekend.
Vanuit de oudtestamentische traditie waarin JHWH Zichzelf voorstelt dient er een opdracht te komen. De opdracht die Jezus geeft is om op weg te gaan en alle volkeren tot leerlingen te maken.
De hemel en de aarde waarover Jezus de volmacht heeft gekregen, is de nieuwe kosmos. Met de volmacht wordt ook de traditie van de Mensenzoon opgenomen, die goddelijke volmacht heeft ontvangen (Daniël 7:14).

11)   (a)De opdracht die Jezus geeft heeft de structuur van Psalm 96:1-3. Deze psalm heeft als thema dat God koning wordt over heel de kosmos. Het gaat hier om een eschatologisch visioen dat verwoord wordt in een tijd van na de ballingschap (Perzische tijd). In de cultus in de tempel wordt die eschatologische tijd waarin JHWH over heel de kosmos regeert reeds in het heden ervaren. Het zendingsbevel heeft daarom de betekenis van de openbaring, het bekendmaken van het Koninkrijk van God aan alle volkeren.

(b) De redding waarover in Psalm 96:2 gesproken wordt kan in verband gebracht worden met de naam van Jezus. Het verkondigen wordt in de Septuagint met euangelisesthe vertaald. In dat woord klinkt het evangelie uitdragen door. Wanneer deze opdracht wordt vervuld komt volgens Mattheüs 24:14 het einde van de tijden.

(c) Oorspronkelijk trok Abram weg uit zijn vaderland, het land van de hoge culturen van het Tweestromenland, om een zegen te worden voor alle volkeren. Nu zendt de Zoon van Abraham (Mattheüs 1:1) Zijn leerlingen naar alle volkeren uit met de boodschap van de nieuwe werkelijkheid.

(d) Het zendingsbevel kan gelezen worden tegen de achtergrond van de roepingsgeschiedenissen uit het Oude Testament. Deze roepingsgeschiedenissen hebben niet een vast schema. Binnen dit genre van de troonsbestijging is de roeping een motief. Dit motief heeft de volgende kenmerken:
* het zien van God of van een engel
* mededeling van de opdracht
* degene die de opdracht ontvangt deinst terug voor het vervullen van de opdracht en wordt door JHWH of de engel gecorrigeerd (ontbreekt in deze perikoop)
* degene die op pad gestuurd wordt ontvangt de belofte dat JHWH meegaat

(e) Doel van de opdracht is om de volkeren te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Aan deze opdracht gaat vooraf dat alle volkeren tot leerling gemaakt worden en dat de volkeren geleerd wordt om de boodschap van Jezus te bewaren en te houden. Het hoofdwerkwoord is tot leerling maken. De woorden ga op weg en dopen zijn afhankelijk van dit hoofdwerkwoord. In het Grieks gaat het om participia. Catechese gaat vooraf aan de heilige doop!

(f) De kosmische heerschappij wordt niet met militaire middelen doorgezet, maar alleen door de woorden van Jezus die zorgvuldig zijn doorgegeven en bewaard.

12) Jezus had hen opgedragen om naar deze berg te komen (vers 16). De leerlingen dienen zelf andere volkeren tot leerling van Jezus te maken.  Zoals Jezus de leerlingen heeft geleerd (Mattheüs 5:1vv), zo dienen de leerlingen de volkeren te onderwijzen.

13) Daaruit volgt homiletisch: geloof en goede kennis van de verhalen over Jezus horen samen. Een zorgvuldige theologische opleiding voor verkondigers van het evangelie en godsdienstleraren is noodzakelijk, omdat de Opgestane daar zelf toe opdraagt. Bij die zorgvuldige opleiding hoort ook het leren van de Bijbelse talen (omdat via deze talen de werkelijkheidsopvatting van de Bijbel kan worden ontdekt).

14) Ook al is het wereldbeeld van de Bijbel, die immers een boek uit de Antieke Oudheid is, verouderd, de keuze om in de protestantse erediensten de lezing en de uitleg van een perikoop uit de Bijbel centraal te stellen is goed te rechtvaardigen. Het boek dat in de christelijke eredienst gelezen wordt, houdt ons voor om onszelf te identificeren met vormen van het volk van God. We kijken mee in het verleden, waarbij de historische distantie wordt overbrugd. In die gebeurtenissen ziet de lezer (of luisteraar) de van God verwachte toekomst. ‘Door historische waarneming ontmoeten wij God.’ (Heinzpeter Hempelmann) Door onszelf te identificeren met het volk dat geoordeeld wordt en dat de heilsdaden van God (zowel in OT als NT) mocht ervaren, zien we onze toekomst. Onze eredienst is ons heden ver vooruit. Zeker de verkondiging!

15) Met de kosmische heerschappij van Christus treedt een nieuwe hiërarchische ordening aan. In plaats van die ene davidische koning komt het nieuwe volk van God. In plaats van de unieke plaats van het volk van God komen alle volkeren. Eerst had Jezus de leerlingen geelrd. Nu zullen de leerlingen conform Zijn opdracht de volkeren leren.

16) Zoals JHWH eens de profeet Jeremia de opdracht gaf om in Zijn naam het oordeel en het heil over volkeren en koninkrijken te brengen (Jeremia 1:10), zo draagt Jezus het nieuwe volk van God op om Zijn woord te verkondigen. Beslissend daarbij is dat degene die gezonden wordt in optreden en levensstijl zijn of haar opdrachtgever representeert.

17) De opdracht gaat gepaard met de belofte dat Jezus zelf meegaat. Deze belofte gaf ook God mee aan profeten, koningen en anderen die in Zijn naam gingen. Het nieuwe is dat Jezus hier spreekt in plaats van God. Daarmee komen de leerlingen in de rang van profeten en koningen. Met deze belofte er altijd bij te zijn gaat ook de Immanuël-profetie (Jesaja 7:14) in vervulling. De heilvolle aanwezigheid van Jezus manifesteert zich tot het einde van de wereld op cultische wijze (door gemeenschappelijk gebed, in de christelijke eredienst).

18) Er zijn 11 leerlingen die de opdracht krijgen. Er ontbreekt er 1. Dat duidt op de gebrokenheid. Ook staat er dat er van deze 11 ook nog sommigen twijfelden. Ook al hebben we te maken met de troonsbestijging van de Opgestane, in deze wereld blijft het geloof in de spanning van gebed (oratio) en aanvechting (tentatio). ‘Ook degenen die twijfelen wachten op de woorden waarmee de Heer hen zal gebieden.’ (Ernst Lohmeyer)

19) In homiletisch opzicht past deze lezing bij de 6e zondag na Trinitatis. De heilige doop wordt hier gezien als gevolg van de catechese. De doop moet worden gezien in het kader van het aanbrekende Koninkrijk van God. Wat er over de kerk geleerd wordt (de ecclesiologie) is ondergeschikt aan dit Koninkrijk van God.

20) De verkondiger heeft duidelijk te maken dat het hier gaat om het totale en het definitieve: alle volmacht, alle volkeren, alles wat Ik u geboden heb, alle dagen.

N.a.v. Thomas Pola, ‘Der inthronisierte Auferstandene und seine Thronrede. Traditionsgeschichtliches, Homiletisches und Kathechetisches zu Matthäus 28,16-20’, Theologische Beiträge 44/2 (2013) 58-67

Een pleidooi om de Bijbel te lezen en te bestuderen in een (post)seculiere samenleving .

Een pleidooi om de Bijbel te lezen en te bestuderen in een (post)seculiere samenleving .

In 2003 werd in Duitsland het Jaar van de Bijbel gehouden. Ter gelegenheid daarvan schreef de nieuwtestamenticus Gerd Theißen een
bijbeldidactiek. Ik herlees dit boek, omdat ik begonnen ben aan een project met alternatieve invalshoeken voor het proces van het voorbereiden van de preek.

Gerd Theißen (ook wel geschreven als Gerd Theissen) was voordat hij hoogleraar Nieuwe Testament werd docent aan een middelbare school. Hij gaf Duits en godsdienst. Zowel als docent aan een middelbare school als hoogleraar Nieuwe Testament stimuleert hij anderen de Bijbel te lezen en te bestuderen. Dat is ook wat bijbeldidactiek moet doen: werven voor het lezen en bestuderen van de Bijbel.

home_2015
(bron: http://www.bijbelingewonetaal.nl)

Tegen de stroom in
Theißen beseft dat hij tegen de stroom in moet roeien. Het lezen in de Bijbel is niet meer populair. In ieder geval niet in de vrijzinnig-progressieve stroming van de kerk, waarin hij thuis hoort. Daarnaast heeft hij ook de tijd niet mee. Kan in een seculier tijdperk nog wel een pleidooi voor het lezen en bestuderen van de Bijbel gehouden worden.

gerd theissen
Gerd Theißen (bron: SCM Press)

De Bijbel heeft het imago ook niet mee. Voor jongeren is de Bijbel een boek voor volwassenen of voor ouderen. Als de jongeren het lezen van de Bijbel niet mee krijgen, zullen ze dat ook op school niet meekrijgen. Godsdienstdocenten staan vaak nog kritischer ten opzichte van de Bijbel dan de jongeren zelf. De Bijbel is bovendien een boek uit een heel andere tijd. Waarom dan in deze tijd de Bijbel lezen en bestuderen?

636240795271128496-1921481598_25376-reading_bible-1200

Vitaliteit
Een bijbeldidactiek moet op deze kritiek een weerwoord hebben, vindt Theißen. Die is in zijn ogen ook te geven: Het lezen en bestuderen van de Bijbel is altijd een kenmerk van vitaliteit van het protestantisme geweest. Dat de Bijbel niet meer geopend wordt, is in zijn ogen een teken dat het niet best met het protestantisme gesteld is.

Postseculier
Daarnaast is het tekort door de bocht om onze tijd seculier te noemen. We leven eerder in een postseculier tijdperk, waarin gelovigen, die tot verschillende godsdiensten te rekenen zijn, en ongelovigen in één samenleving leven. Deze samenleving is ook nog eens mede gevormd door de Bijbel. Alleen al vanuit cultuurhistorisch oogpunt kan de Bijbel niet gesloten blijven. Anders begrijpt men de eigen cultuur niet meer. Daarnaast spreekt de Bijbel ook vandaag de dag nog mensen aan, zowel gelovig als niet-gelovig, zowel christelijk als niet-christelijk.

Religieuze vragen
En al is de Bijbel een oud boek, de Bijbel heeft wel iets extra’s: de Bijbel zet mensen aan tot nadenken en reflectie, daagt mensen uit om contact te zoeken met God. Ook in deze postseculiere tijd worden religieuze vragen gesteld. Daarom is het nog maar de vraag of jongeren echt zo negatief over de Bijbel zijn, of dat het negatieve oordeel een gevolg van onkunde is.

De Bijbel is er ook voor andersgelovigen en niet-gelovigen
De Bijbel behoort niet alleen toe aan christenen. Ook Joden en moslims hebben (een deel van) de Bijbel. Ook hindoes en boeddhisten lezen in de Bijbel. Ook ongelovigen lezen in de Bijbel. Dat past ook wel bij de Bijbel. De canon van de Bijbel is – zeker wat het Oude Testament betreft –  gevormd met het oog op buitenstaanders (Ezra 7; de brief aan Aristeas). Het Nieuwe Testament is dan wel ontstaan voor intern gebruik, maar het Vroege Christendom was missionair ingesteld. Het lezen van de Bijbel door andersgelovigen of ongelovigen past bij de Bijbel.

Open bijbeldidactiek
Theißen wil daarom met een
open bijbeldidactiek komen: een bijbeldidactiek die zich niet alleen richt op christenen, maar ook andersgelovigen en niet-gelovigen uitdaagt om de Bijbel te lezen en te bestuderen. De Bijbel is niet alleen onderdeel van de religieuze vorming en ontwikkeling, maar zelfs onderdeel van de algemene vorming en ontwikkeling.

Er zijn naar zijn idee 3 manieren van gebruik van de Bijbel, waarin de drieslag van de praktische theologie zoals Dietrich Rössler die voorstaat zichtbaar wordt: kerkelijk, persoonlijk en publiek.

  • De Bijbel als belijdenisboek – de Bijbel is een boek van de kerk, een zichtbaar symbool dat het mogelijk is om in contact te komen met God.
  • De Bijbel als boek om te mediteren – de Bijbel voor persoonlijk gebruik.
  • De Bijbel als boek van algemene vorming en ontwikkeling – de Bijbel als publiek boek. 

N.a.v. Gerd Theißen, Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldidaktik (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2003) 12-26.

Ik heb al eerder over Gerd Theißen geblogd hier en hier. Zie voor bijvoorbeeld voor een vertaling van dit eerste hoofdstuk: hier.

Alternatieve homiletiek

Alternatieve homiletiek

In de afgelopen jaren ben ik heel wat benaderingen tegengekomen waarvan ik dacht: als ik deze benadering nu eens inzet in het preekproces, kan het mij heel veel opleveren. Hierbij een alternatieve homiletiek.

Deze alternatieve homiletiek is bedoeld als aanvulling op (en niet als vervanging van) het gebruikelijke proces van preekvoorbereiding. Voor mijzelf is de uitwerking hiervan een project waaraan ik tussen de bedrijven door mee bezig ben. In ieder geval in mijn reflectie. En misschien ook wel op papier

Opzet van elk hoofdstuk:
Wie – wat – uiteenzetting – toegepast op de preek – werkvormen – literatuursuggesties

I. Uitzoeken van de Bijbeltekst

1. De Bijbel elementair

2. Curriculum; einddoelen

3. Competentiegericht

4. Waar de kerk van leeft: zekerheid – gemeenschap – leer – sacrament (Christian Möller)

5. De geloofsbelijdenis als gids voor het persoonlijke leven (M. Craig Barnes)

II. Ontsluiten van de tekst

1. Biblioloog & bibliodrama

2. Lectio divina

3. Existentiële bijbeldidactiek (Ingo Baldermann)

4. Laaggeletterdheid

5. Kinder- en jongerentheologie

6. Meisjes en jongens als exegeten

7. Contextuele benadering

III. Boodschap van de preek

1. Elementarisering (Friedrich Schweitzer)

2. Basismotieven in de Bijbel (Gerd Theißen)

3. Motiverende gespreksvoering (Miller & Rollnick)

IV. Prediker

1. De basishouding van Carl Rogers

2. Communicatietheorie van Schulz von Thun

3. Transactionele analyse

4. Geloofwaardig leiderschap (Joke van Saane)

5. Minor poet (M. Craig Barnes)

6. Mystagoog (Henk van der Meulen; Paul M. Zulehner)

V. Hoorder en context

1. De ideale gemeente (bestaat niet) – Eugene Peterson / Reiner Knieling

2. Journalistieke benadering


3. Gevoeligheid voor de sociale milieus (Heinzpeter Hempelmann ea)

4. Dialogisch zelf (Hubert Hermans)

5. Levensloop: preken voor kinderen, jongeren, volwassenen, 50+, ouderen.

6. Pastoraat aan mannen

7. Kerk op het dorp

VI. Preek

1. Theo-poëzie

2. Leren van schrijvers, schilders, fotografen, filmmakers enz

3. De kunst afkijken van Bach en andere musici

4. Het kerklied als levensbegeleider (Michael Heymel)

5. Creative writing

6. Preek als kleinkunst; als song(tekst)

7. Marketing

8. Voetbal & kerk (Christian Möller, Michael Herbst, Thorsten Kapperer)

VII. Eredienst

1. Homiletische presentie

2. Enscenering; toneel


3. Performatieve godsdienstpedagogiek; kerk(ruimte)pedagogiek

4. Het gezangboek (Rainer Braun)


Preek zondagavond 9 april 2017

Preek zondagavond 9 april 2017
Johannes 19:1-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Elke keer als ik de verhalen over de kruisiging lees en daarover nadenk,
heb ik het gevoel dat ik heilige grond betreed.
Dan zie ik voor mij hoe de Heere Jezus daar staat voor de hogepriester,
Voor Pilatus voor Herodes.
Het valt mij dan zwaar om er een preek over te maken,
omdat ik dan alleen maar stil zou willen zijn
en willen toezien hoe de Heere Jezus die weg ging.
Het is niet alleen het lijden dat hij ondergaat, niet de pijn van de geseling, van de slagen,
de pijn van de lange doornen die in het hoofd gedrukt worden,
die mij stil doen zijn en mij de woorden ontnemen,
niet alleen de spot, die zo diep in de ziel van Jezus ingesneden moet hebben,
maar vooral het besef dat Hij die weg ging voor mij.
En ook het besef dat ik niet helemaal kan doorgronden wat Jezus moest doorstaan,
want omdat Jezus die weg ging naar Golgotha,
omdat Hij het oordeel van God over ons leven op zich nam,
hoef ik dat oordeel zelf niet te dragen.
Ik zou dan stil van verwondering willen zijn,
of iemand willen hebben die het voor mij verwoordt
wat het ontzaglijke is dat daar op die weg naar Golgotha en op Golgotha zelf gebeurde.

Zie de mens, zegt Pilatus.
Wat zien we dan?
Je zou denken een man die ineengekrompen is door de pijn
die de geselslagen op zijn rug hebben aangericht,
met een gepijnigd hoofd door de slagen en de doornenkroon.
Je zou denken dat je een lachwekkende verschijning zou zien,
een parodie op wat een koning is: de mantel die de soldaten om hem hebben gehangen,
De rietstaf in zijn hand.
De doornenkroon, waarschijnlijk een parodie op de goddelijke status die Jezus zou hebben.
Hadden de Joden niet aangegeven dat Jezus zichzelf Gods Zoon had genoemd
en had die opmerking Pilatus geen vrees ingeboezemd?
Met die doornenkroon, die een parodie zijn op de stralen
die goden op een afbeelding hebben, wordt die vrees weggenomen.
Want als je iemand kunt bespotten, geef je aan dat je niet onder de indruk bent,
spot is een vorm van verzet, van je nog niet gewonnen geven.
Zien we een gebroken man, geknakt door de pijn en de spot?
Nee, het is Jezus zelf die naar voren loopt, met de mantel om en de kroon op.
Pilatus kan Jezus willen tonen aan het volk,
maar het Jezus die zelf naar voren komt om zich te laten zien, om zich te tonen.
Heel subtiel legt Johannes, de evangelist, een link met de allereerste keer
dat Jezus in de openbaarheid kwam, toen Hij zich de eerste keer liet zien.
Toen was daar Johannes, die over Jezus zei: Zie, het Lam Gods,
dat de zonden van de wereld wegneemt.
Nu is het Pilatus die ook op Jezus wijst: Zie, de mens.
Voortdurend worden de lezers van het evangelie van Johannes, worden wij,
opgeroepen om Jezus te zien, op te kijken naar Hem
en kijken is bij Johannes altijd geloven in Hem,
die gekomen is vanuit de hemel, God om mens te worden op aarde.
Zie, kijk! Dat is een oproep om actief toe te kijken,
om het op ons te laten inwerken wat we zien
en met de ogen van het geloof te kijken.

Het geloof ziet meer dan Pilatus wil laten zien.
Het geloof ziet hier haar Koning staan
en geloof stoort zich niet aan de doornenkroon en de nepmantel,
omdat ook een echte kroon en een echte mantel nog te weinig is
om de heerschappij van deze Koning uit te drukken,
die niet een aards koninkrijk bestuurt, maar koning is van heel de wereld, heel de schepping,
ook over alle machten die er zijn en over de engelen.
Zie de mens, zegt Pilatus.
Ja zegt het geloof, dat we een mens zien,
dat is juist het bijzondere, want we weten dat deze mens hier op aarde kwam,
het Woord van God is vlees geworden en heeft onder ons gewoond
en wij hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid van de Eniggeborene van de Vader.
Hier, Pilatus, laat je zonder dat je het doorhebt, die heerlijkheid zien.
Want die heerlijkheid wordt niet zichtbaar in een kroon, een scepter, een mantel,
wordt niet zichtbaar in de macht die je hier op aarde hebt,
maar wordt juist zichtbaar in die doornenkroon, in die mantel die de spot wil aangeven.
Wordt straks nog het meest zichtbaar als op Golgotha een kruis staat opgericht
en daar deze Koning gehangen wordt voor het oog van heel de wereld.
Deze Koning zal vanaf het kruis Zijn heerlijkheid laten zien.
Pilatus, hoe je deze Koning ook wilt bespotten, je krijgt Hem niet klein.

Pilatus heeft een doel om Jezus op deze manier te laten zien.
Een beroep op het volk om Jezus vrij te laten.
Is Hij al niet genoeg gestraft met de geseling en die doornenkroon, met die bespotting?
Is deze vernedering, waarin al Zijn eer is weggenomen, niet genoeg straf,
om Hem de rest van Zijn leven te laten weten dat Hij geen pretenties meer moet hebben
om zich als koning van de Joden op te werpen.
Pilatus wil medelijden met deze Jezus, die zo te kijk staat.
Het geloof wil geen medelijden voelen,
want het geloof ziet hoe haar Koning deze stap naar voren zet
en daarmee aangeeft: Hier ben Ik, om Uw wil te doen.
Het geloof herinnert de woorden die Christus al eerder gesproken heeft,
dat een echte herder bereid is om Zijn te sterven voor Zijn schapen.
Het geloof ziet niet alleen haar Koning, maar ook haar Herder,
de goede Herder, die bereid is om een lam te worden,
het lam van God, zoals Johannes de Doper Jezus al aankondigde.
Het geloof weet dat deze dag, waarop Jezus getoond wordt door Pilatus en zichzelf toont,
niet zomaar een dag is, maar de dag is waarop het Paaslam wordt uitgekozen en geslacht
en het weet dat vandaag de uitspraak van Johannes:
Zie het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegneemt
een bijzondere betekenis krijgt, want het is vandaag de dag van dit Lam,
Christus die het Lam Gods is, dat zal sterven op de dag waarop het paaslam wordt geslacht.
Zie de mens, zegt Pilatus,
maar het geloof ziet meer dan een mens, meer dan een koning,
en herinnert zich de woorden van Abraham aan zijn zoon Izaak
op de dag dat hij zijn zoon Izaak moest offeren: dat God zelf in een lam zal voorzien.
Hier ziet het geloof dat lam gekomen, dat het offer van God zal zijn.

Hoe zie je dat dan, als je Jezus zo wel wilt zien, maar nog niet ziet?
Johannes vertelt ons daarom de verhalen, zodat als wij die verhalen horen
Jezus zien als degene die op aarde kwam, de koning, die mens werd en een lam,
zodat we gaan geloven
en wanneer we Jezus getoond zien, buigen voor Hem en zeggen:
U wordt hier getoond als Koning, U bent ook mijn Koning,
U wordt hier bespot en als ik niet zou geloven, zou ik meedoen in die spot
U wordt hier getoond als een koning die een lam wil zijn,
ik mag zien hoe U uw leven wilde geven, ook voor mij
Op Golgotha – als het lam van God dat ook mijn zonden weggedragen heeft.

Wanneer je die ogen van het geloof niet hebt, dan kun je Jezus zo niet zien.
Dan zie je Hem als iemand met een gevaarlijke pretentie,
iemand die onrust veroorzaakt en het zwijgen opgelegd wordt,
of als iemand die een pretentie heeft die ongepast is,
omdat Hij zichzelf aan God gelijk maakt, een godslastering die niet ongestraft mag blijven.
De mensen die voor Pilatus staan, zij moeten niets van Jezus hebben,
zij voelen geen mededogen en willen die ook niet voor Jezus tonen.
Het zijn Joden, schrijft Johannes.
Nu kunnen wij daar gevaarlijk mee aan de haal gaan
en de schuld aan de Joden toeschuiven, omdat zij Jezus hebben gekruisigd.
Ik denk niet dat Johannes dit aan ons doorgeeft, om ons beter te voelen,
alsof wij Jezus beter ingeschat zouden hebben
en wil in Hem geloofd zouden hebben, als wij daar hadden gestaan.
Het zijn niet alleen de Joden die Jezus hebben gekruisigd,
ook de Romeinen hebben hun aandeel
En als Johannes het toont dat de Joden riepen om de kruisiging van Jezus
om daarmee een boodschap door te geven, zou het zijn dat niemand van de mensen
zat te wachten op deze Koning die ook een lam wilde zijn,
op deze koning die zijn leven wilde geven voor de zijnen.
Hij kwam tot de zijnen, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen,
schrijft Johannes in het begin.

Het moet hem pijn gedaan hebben, dat zijn eigen volksgenoten niet in Jezus geloofden.
Johannes die zelf Jood was en wil geloofde, omdat zijn ogen open gegaan zijn
en nu niet anders meer dan met de ogen van geloof kan kijken.
Voor dr. Henk Vreekamp was dat een serieuze vraag,
waarmee hij een groot deel van zijn leven geworsteld heeft:
Het nee van het Joodse volk, van Gods volk, dat moeten we serieus nemen.
Blijkbaar past dat in de weg die God gaat met deze wereld en Zijn eigen volk,
dat Hij niet geloofd wordt, dat Hij aan de kant geschoven wordt
en dat als Hij zelf op aarde komt, dat Hij niet direct op geloof kan rekenen,
maar dat er geroepen wordt om een kruisiging.

Zie de mens, zegt Pilatus,
maar het volk roept dat ze deze Koning niet willen
en ze betuigen hun loyaliteit aan de keizer in Rome
waarmee ze ten diepste aangeven dat ze afscheid nemen van de Heere als hun koning.
Met Jezus verwerpen ze God als koning.
Dat moet ons bescheiden maken – ook wij kunnen God als onze koning verwerpen.
Het zegt vooral iets over God.
Zie de mens, zegt Pilatus.
Bij de Schriftgeleerden en de hogepriesters die voor Pilatus stonden,
had een bel kunnen rinkelen,
Want in hun eigen Schrift wordt er ook op deze manier een koning getoond,
als God Saul aan Samuël toont, Saul een bijzondere koning, want de eerste,
maar niet het voorbeeld van de goede koning,
een koning die uiteindelijk door God verworpen wordt.
Deze koning, Jezus, wordt Hij ook door God verworpen?
OF menen zij dat zij alvast het vonnis over deze koning moeten vellen – in Gods naam.

Kruisig Hem

(slot van de preek niet digitaal beschikbaar)