Blog 14: Gods handelen in de Bijbel

Blog 14: Gods handelen in de Bijbel

Met zijn preekmodel “De Vier Pagina’s van de Preek” heeft Paul Scott Wilson geen nieuw preekmodel willen ontwerpen. Wat hij zou willen, is dat er in de preek meer gesproken wordt over wat God in onze tijd doet. Met zijn model wil hij een vorm aanbieden die Gods handelen in het heden een plek geeft in de preek.

Hij constateert dat het handelen van God maar minimaal in preken gebeurd. In de ene preek is wat God doet helemaal niet aan de orde. In de andere preek komt dat met een enkele zin of met een korte alinea aan de orde, waarbij in de rest van de preek de last toch weer bij mensen komt te liggen. Daarom is deze Pagina 3 noodzakelijk: aandacht in de preek voor het handelen van God in het Bijbelgedeelte.

Het handelen van God plaatst onze ‘trouble’ in het perspectief voor het kruis van Christus. Op deze pagina 3 komt de onvoorwaardelijke liefde, het genadig handelen van God ter sprake, zoals het Bijbelgedeelte dat verwoordt. Als er geen aandacht is voor het handelen van God, hoe kan de preek dan pastoraal zijn en tot vreugde leiden?
maxresdefaultEen voorbeeld aan de hand van Jesaja 6:

  • In Jesaja 6 geeft God aan Jesaja een nieuwe identiteit. De titel van Pagina 3 kan daarom zijn: God schept voor Jesaja een nieuwe identiteit.
  • Op Pagina 4 wordt dat handelen van God aan Jesaja vertaald naar vandaag en toegepast op de luisteraars. Een boodschap op deze pagina kan dan zijn: God schept in Christus voor ons een nieuwe identiteit.
  • Als we deze boodschap omkeren, krijgen we helder wat ‘trouble’ in de Bijbel en in ons dagelijks leven is. Op Pagina 1 kan de boodschap zijn: Jesaja voelt zich onwaardig.
  • Die onwaardigheid kan ook in de gemeente worden gevoeld. Daarom kan op Pagina 2 aan de orde komen: Velen in de gemeente voelen zich onwaardig.
  • Daarmee hebben we gelijk een vraag die leeft bij de luisteraars: Hoe kan ik waardig voor God worden?

images (1)
Pagina 1: Jesaja voelt zich onwaardig
Pagina 2: Velen in de gemeente voelen zich onwaardig
Pagina 3: God schept Jesaja een nieuwe identiteit
Pagina 4: God schept ons in Christus een nieuwe identiteit
Vraag die leeft: Hoe kan ik waardig voor God worden?

De boodschap van Pagina 3 kan misschien te theologisch klinken. Op de volgende pagina (Pagina 4: over het handelen van God in onze tijd) wordt uitgewerkt wat het handelen van God concreet betekent in het alledaagse leven.

Problemen die op deze pagina kunnen optreden:

  1. Predikers stellen het handelen van God maar kort aan de orde en leggen de focus weer op wat de kerkgangers moeten doen.
  2. Predikers verwarren imperatieven met genade. Imperatieven zijn opdrachten en normen en gaan over het handelen van de mens. Imperatieven horen, als ze in de preek gebruikt worden, thuis op pagina 1 en 2.
  3. Predikers verwarren zwakke werkwoorden, die geen handelingen uitdrukken, met genade: God hoort, God zorgt, God is aanwezig. Deze werkwoorden kloppen op zichzelf genomen, maar zijn te vaag over het handelen van God, waardoor de genade niet duidelijk zichtbaar wordt.
  4. Predikers maken Gods genade afhankelijk van ons handelen. Bijvoorbeeld: God nodigt ons uit om te … God wil dat wij … Dan veronderstellen we dat wij mensen aan Gods verzoek gehoor geven. Maar door onze zonde kunnen we dat verzoek ook naast ons neerleggen. Verander ze in krachtige stellingen:
    – God roept ons om te worden vernieuwd.
    – Door de doop maakt God je tot een kind van het licht.
    – God werkt in jullie en in de gemeente een krachtige vernieuwing
  5. Predikers slagen er niet in om een verband te leggen tussen ‘trouble’ en genade. Ze leggen daardoor teveel nadruk op het een of op het ander.
  6. Predikers verwarren ‘trouble’ en genade met probleem en oplossing
  7. Predikers maken gebruik van een preekvorm die geen ruimte biedt aan genade.

511h28bhz5l._sx334_bo1,204,203,200_
Aanwijzingen voor Pagina 3:
Op deze pagina wordt de bijbeltekst herverteld, waarbij de focus ligt bij Gods handelen, waarmee Hij redding (Christus) brengt of kracht (Geest) geeft.

  1. Visualiseer Pagina 3: ‘film’ het bijbelgedeelte
  2. met daarbij de regels van het vertellen: show, don’t tell.
  3. Gebruik verbeelding om een tekst te ‘verfilmen’. Zorg dat de details in de vertelling passen qua geografie en tijd.
  4. Verwerk ideeën of thema’s van de geloofsleer in de vertelling. Een groot deel van de gemeente zal niet vatten als de boodschap ‘God is een mysterie’ maar een keer kort wordt gezegd. Werk uit hoe God een mysterie is en wat dat inhoudt.
  5. Probeer de bijbeltekst zo min mogelijk te verstoren. Als er over een menigte wordt gesproken, laat dan een menigte zien. Als we karakters inbrengen, die niet in de Bijbel worden gemeld, begeven we ons op glad ijs. 
  6. Verbeeld het bijbelgedeelte door de tekst te bidden.
  7. Predikers zijn klaar om deze pagina uit te werken als ze kunnen voorstellen dat ze zelf daar hebben gestaan en hebben gevoeld hoe de wind door hun haren blies, op de antieke grond hebben gestaan, gekeken naar de mensen die deze handeling hebben meegemaakt.
  8. Maak van de boodschap geen doctrine of leerstuk, maar laat de boodschap een ervaring worden.
  9. Probeer een achtergrond te creëren voor teksten die geen achtergrond lijken te hebben, zoals de psalmen en de brieven. Probeer te achterhalen welke werkelijke gebeurtenissen er aan deze psalm of deze brief ten grondslag hebben kunnen liggen.
  10. Laat handelingen in een enkele korte scène zien. Vertel de verhalen. Laat de tekst werkelijk leven en niet verworden tot een lijstje met taken. Beeld je in dat je daar was.
  11. Zorg dat je één bijbelgedeelte (T), één boodschap (T), één thema uit de christelijke geloofsleer (D), één vraag of één verlangen die bij de luisteraar leeft (N), één beeld (I), één missie (M): The Tiny Dog Now Is Mine.

N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon. A Guide to Biblical Preaching. Revised and Updated (Nashville: Abingdon Press, 2019), 147-163

Blog 13 – Checklist voor “Filmen” van “trouble” in de preek

Blog 13 – Checklist voor “Filmen” van “trouble” in de preek

In het preekmodel De Vier Pagina’s van de preek van Paul Scott Wilson is pagina 2 bestemd voor het “filmen” van “trouble” in de preek. Wilson geeft een checklist:
images (1)

  • Is er sprake van ontwikkeling van “trouble” in onze wereld op deze pagina?
  • Is het meeste van de “trouble” horizontaal?
  • Bevat de pagina 1 idee?
  • Wordt “trouble” theologisch uitgediept?
  • Is er een duidelijke link met Pagina 1?
  • Is deze pagina verwoordt als een film? Is duidelijk om welk onderdeel van de geloofsleer het draait?
  • Is er sprake van verdieping van theologische gedachten in de loop van deze pagina?
  • Zijn alledaagse issues op een adequate manier gethematiseerd als theologische issues?
    Uneasy_iPhone
  • Wordt er één behoefte, vraag of verlangen geïdentificeerd?
  • Helpt deze pagina de luisteraars na te denken over hun eigen worstelingen?
  • Weerspiegelt deze pagina de leefwereld van de luisteraars?
  • Kunnen de luisteraars mijn focus meemaken?
  • Laat ik pastorale zorg en verantwoordelijkheid zien bij de waarschuwingen tegen zonden en verkeerde keuzes?
  • Laat ik de personages voldoende spreken, terwijl ik zo min mogelijk hun gedachten verwoord?
  • Gebruik ik humor? Vermijd ik te heftige voorbeelden of te heftige taal?
  • Zijn de verhalen inclusief?
  • Laten ze een variëteit aan ervaringen zien?
  • Helpen zij om te bepalen wat goed moreel handelen is?
  • Zijn de voorbeelden en de gebruikte taal geschikt voor de kansel?
  • Wordt er één missie geïdentificeerd? Wordt er een belangrijke issue geïdentificeerd?
    preach_4pages
  • Vermijd ik details van geweld?
  • Komt het verhaal met de grootste emotionele of geestelijke impact aan het einde van deze pagina?
  • Vertel ik als prediker meer dan één verhaal, waarbij de camera op mij is gericht (in tegenstelling tot de verhalen die verteld worden vanuit het gezichtspunt van de prediker)?
  • Laat ik genoeg pastorale sensitiviteit en kwetsbaarheid zien in relatie tot de voorbeelden?
  • Heb ik empathie met de slechtste persoon die ik laat optreden?
  • Laat ik mijn eigen kwetsbaarheid ten opzichte van Gods Woord zien?
  • Spreek ik vanuit het geloofsperspectief? Ook als ik over (mijn) twijfel spreek?
  • Doet deze pagina een beroep op logos, pathos en ethos?
  • Laat ik de afzonderlijke delen van de preek goed op elkaar aansluiten? (Door herhaling van kernwoorden in de afzonderlijke delen. Door de volgende paragraaf duidelijk te laten aansluiten op de vorige.)


N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon. A Guide to Biblical Preaching. Revised and Updated (Nashville: Abingdon Press, 2018) 142-143.
511h28bhz5l._sx334_bo1,204,203,200_

Blog 12 – Filmen van ‘trouble’ in onze eigen wereld

Blog 12 – Filmen van ‘trouble’ in onze eigen wereld

Met dit blog wordt een oude serie over het preekmodel van Paul Scott Wilson opgepakt: De Vier Pagina’s van de Preek.

Hier blog 11.
preach_4pages
In het preekmodel van Paul Scott Wilson gaat pagina 2 over de ‘trouble’ in onze wereld. Wilson kiest voor het woord ‘trouble’ omdat het veel aspecten in zich heeft. Hij denkt onder andere aan:

  • Gods opdrachten en eisen aan mensen
  • Menselijke zonde(n)
  • Gebrokenheid
  • Lijden
  • Niet willen of kunnen handelen

Hoe kan die ‘trouble’ in een preek worden uitgewerkt? Door de ‘trouble’ op pagina 2 van de preek in woorden te ‘verfilmen’. Een korte (video)clip kan ook, maar de techniek mag niet meer meer aandacht vragen dan het evangelie.
511h28bhz5l._sx334_bo1,204,203,200_
Wilson ziet de volgende mogelijkheden om ‘trouble’ in een preek te ‘verfilmen’:

Vertel een verhaal van iemand die vergeving nodig heeft
Spreek op pagina 2 niet in het algemeen over de noodzaak van vergeving, maar vertel een verhaal  van iemand die vergeving nodig heeft. Door dat verhaal kunnen de luisteraars in zichzelf nadenken over het verlangen dat zij mogelijk zelf hebben dat ook zij vergeving kunnen ontvangen.

De accountant wist dat hij geld uit de zaak nam waardoor hij zijn baas ruïneerde, maar hij hoopte dat het niet zover zou komen dat hij …

Rachel bleef weg van het bed van haar moeder omdat ze haar nog steeds kwalijk nam hoe zij haar leven beïnvloed heeft. Nu komt ze eindelijk naar verpleeghuis om haar moeder te zien, maar het lijkt te laat om …

Jason heeft vier jaar vast gezeten voor hij hardop toegaf dat hij iets fout deed toen hij de winkeleigenaar doodschoot. Hij erkende dat omdat de gevangenispredikant …
images (1)Laat zien welk verlangen of welke behoefte er door de boodschap wordt beantwoord
Soms kan heel snel duidelijk worden welk verlangen of welke behoefte er door de boodschap van de preek wordt beantwoord. Een preek Chevis F. Horne heeft de boodschap hebben: Christus is ons voorgegaan in de dood. Een verlangen waar zijn preek op antwoordt is: Hoe leer ik om niet bang te zijn voor de dood?

Horne: Ik ben – net als mijn broeders en zusters – sterfelijk. Ik ben altijd aan de vooravond van mijn sterven. Ik zal eens overlijden en ik weet twee dingen over mijn dood: mijn dood komt sneller dan ik vermoed en ik zal er niet klaar voor zijn. De dood zal mij vinden terwijl ik nog bezig ben met een taak die ik niet heb afgerond. Elke avond leg ik mijn bezigheden opzij in de verwachting dat ik ze de volgende dag weer kan oppakken. Maar dan komt die morgen niet. Ik laat niet alleen mijn onvoltooide taak achter, maar ook mijn onvoltooide leven.

Op een zondag in 1989 preekt Ronald D. Sisk over Psalm 121 in San Francisco. De week ervoor is de stad getroffen door een aardbeving. Zijn boodschap: De Heer is onze hulp. In de tekst wordt reeds de vraag gesteld: Waar komt mijn hulp vandaan?

Sisk: Ze sloegen hun ogen op, net als wij deden afgelopen dinsdag toen we naar de plafonds boven ons keken die heen en weer schudden. Zo moesten de slachtoffers van Route 880 hebben gedaan in dat laatste afschuwelijke ogenblik van hun leven. Zij keken om zich heen zoals velen van ons hebben gedaan in de schok en het leed van de afgelopen week. Zij vroegen zich af wanneer het gevaar zich weer op hen zou storten. En schreeuwden het uit.
Waar komt mijn hulp vandaan? Hoe ga ik dit overleven? Hoe zorg ik dat ik veilig ben als het gevaar komt? Zal er iemand zijn die naar me omkijkt? Het is bemoedigend om te horen dat er zovelen waren die degenen die het meest waren getroffen wilden bijstaan. Buren hielpen buren. Vreemden hielpen vreemden. Velen deden iets bijzonders. Mensen brachten zichzelf in gevaar om anderen helpen als zij hulp nodig hadden. We kunnen elkaar helpen. Dat is een deel van het antwoord op de vraag van de psalmist. Maar de psalmist vroeg niet naar menselijke hulp. Hij vroeg de vraag die sommigen van ons in de Bay Area hebben gesteld en anderen sinds dinsdagmiddag 5:04 niet hebben aangedurfd te stellen. Hij vroeg: waar komt mijn hulp vandaan als er geen menselijke hulp meer mogelijk is.
Mijn hulp komt van de Heer.

Vertel een alledaagse gebeurtenis als een theologisch verhaal
Soms zien we de meest krachtige voorbeelden van horizontale ‘trouble’ als we het leven als een spiegel voorhouden en daarop reflecteren. Edmund Steimle deed dat in een preek:

Een leegstaand hotel, reeds lang rijp voor de sloop, wordt bewoond door een handjevol ouderen die daar leven, omdat ze nergens anders een plek hebben die zij zich kunnen veroorloven. Een bewoonster van 75 jaar, een vrouw bij wie de diagnose Parkinson is gesteld, die geen buren of vrienden had, vroeg om naar ‘huis’ gestuurd te worden naar gaar haveloze kamertje in dat vervallen hotel. Op haar nachtkastje stond een klein beeldje van de kerstman en naast haar bed was een door het vele knuffelen versleten knuffel. Wat als de bodem wegvalt? Wat dan?

Veel preken werden de ‘trouble’ niet theologisch uit. Barbara Brown Taylor vertelt een verhaal over een goede ober.

Ik herinner me de beste ober die ik ooit heb gehad nog als de dag van gisteren. Hij wist alles van de menu- en de wijnkaart. Hij vertelde daar alleen iets over als ik hem ernaar vroeg. Hij droeg zijn naam op een badge, maar noemde zijn naam geen enkele keer. Hij wilde niet dat ik mij hem zou herinneren. Hij wilde dat ik me de maaltijd zou herinneren. De maaltijd werd geserveerd onder een zilveren deksel.Toen hij het deksel optilde, zag ik een zalmfilet zoals ik die nog nooit had gezien. In mijn rechterhand had ik een vismes. Toen ik mijn vork liet vallen, hoefde ik niet eens op de grond te kijken omdat er naast mijn bord al een nieuwe vork lag. Het waterglas bleef steeds driekwart gevuld en de broodmand lag steeds vol met versgebakken brood, zonder dat ik merkte dat iemand iets deed. De bediening was voortreffelijk, omdat ze onzichtbaar gebeurde. Ik verliet het restaurant vol bewondering voor de vaardigheden van de ober. Hij gaf mij het gevoel een koningin te zijn, maar volgens Jezus was ik niet de ster van de avond, maar was de ober dat. ‘Want wie is belangrijker: hij die aanligt of hij die bedient? Is het niet hij die aanligt? Ik echter ben in uw midden als Iemand Die dient.’ (Lukas 22:27)

Werk de impact van ‘trouble’ uit
Predikanten zien het nogal eens niet zitten om de ‘trouble’ uit te werken. Zij noemen enkele aspecten van de ‘trouble’ en stappen dan gauw over op het goede nieuws. Zowel ‘trouble’ als ‘grace’ worden niet ervaren als zij elkaar verzwakken voordat de impact kan worden gevoeld. Elizabeth Achtemeier geeft een voorbeeld hoe (verticale) ‘trouble’ uitgewerkt kan worden. Zij benoemt het menselijk falen als het gaat om vrede sluiten en het falen te leven volgens Gods verwachtingen. Zij werkt dat uit. Niet om de luisteraar zich schuldig te laten voelen, maar als een manier om een belangrijk theologisch punt te maken: het probleem wortelt in de menselijke weigering te leven naar Gods wil.

We zijn het vergeten. Is dat niet zo? We hebben vergeten dat we niet begrepen kunnen worden of onszelf kunnen begrijpen buiten de relatie met God om. Nu hebben we onze eigen weg gekozen en hebben besloten onze eigen doelen na te volgen en de wereld te besturen volgens onze eigen concurrerende willen. De resultaten daarvan is de chaos die we elke morgen in de krant kunnen lezen.
We zijn zelf niet verantwoordelijk voor deze chaos, denken wij. Nee, het is het systeem. Het systeem is verkeerd. Als wij het systeem kunnen aanpakken door onze politiek te vernieuwen of onze economie of onze communicatie – kunnen we de vrede creëren waar we naar verlangen. En nu hebben we het ongemakkelijke gevoel dat we machteloos zijn om het goede te doen. Dat wij inderdaad een stel machteloze menselijke wezens zijn die onze sterkste wapens proberen te beheersen, zoals de historicus Raymond Aron eens zei. Een stelletje dat steeds weer met nieuwe en nog vindingrijkere manieren om onszelf te vernietigen. Toen captain Robert Lewis, co-piloot van de Enola Gay neerkeek op Hiroshima, vroeg hij verbijsterd: ‘Mijn God, wat hebben we gedaan?’ Natuurlijk, we deden wat we altijd deden als we ermee weg kunnen komen: een ander doden. Ondertussen maken we ons geen zorgen over wat God ervan vindt.
De Schriftlezing van vanmorgen vertelt ons dat we nooit vrede zullen hebben als we onze God verwerpen, omdat onze God geen genoegen neemt met minder dan Zijn overvloedige leven voor ons en Hij weet dat wij dat leven niet kunnen ontvangen tenzij we Hem gehoorzamen en vertrouwen.

In zijn preek over Lukas 14:25-33 voert Eric C. Kutzli de spanning naar het toppunt, terwijl hij ondertussen sensitief bezig is om te voorkomen dat de luisteraars in de verdediging schieten of afhaken.

Elke keer als ik deze tekst lees, struikel ik over dat moeilijke vers 26: ‘Wie niet HAAT … kan mijn discipel niet zijn.’ Het is verleidelijk om deze haat weg te redeneren, om alles goed te laten zijn. Maar de tekst zegt: Haat, Ontkenning, Verachting, Minachting.
Minacht je vader, je moeder. Veracht echtgenoot en kinderen, broers en zussen. Ontken jezelf.
Ik hou van mijn vrouw en kinderen, van mijn vrienden en familie. Dit kan ik niet doen. Maar er wordt nog meer gevraagd!
Neem het kruis op. Niet een klein gouden kruisje aan een ketting, maar een werkelijk zwaar houten kruis van de dood. Als je discipel wilt zijn, ga naar buiten en laat jezelf doden.
Dat is meer dan ik kan! Ik ben niet in staat om dit te doen.
Geef al je bezittingen op. Laat alles wat je hebt los. Geen geld, geen land, geen huis, geen kleren in je tas. Laat alles los, van je tennisracket tot je tandenborstel. Het moet gebeuren.
Ik zal je wat vertellen. Ik zal … als je wilt. Niemand van ons wil. Zouden we dit willen? Broeders en zusters, we hebben een probleem. Ontdekte je ooit bij de kassa dat je niet kunt betalen?
Ik zal u vertellen toen ik realiseerde wat de kosten zijn er voor mij geen enkele manier is waarop ik discipel zou kunnen worden. Hoe ik ook zou proberen. Als je discipel wordt, wordt de manier van betalen uit de oude wereld rechtstreeks in het hart getroffen. Het sterft en het kost moeite dat te erkennen.
Ik kan geen discipel zijn van de Heer Jezus Christus. Niemand kan discipel zijn. Hoe durven we onszelf christenen te noemen? We hebben geen enkel recht op dit privilege. Wat moeten we doen? [De preek gaat nu over naar pagina 3 en genade: Iemand anders heeft betaald.]

Let op de aaneenschakeling van woorden, gevormd door de herhaling van woorden als ontkenning, verachting, minachting, ik kan niet, jij kunt niet, loslaten, betalen, kosten, enz.

Vertel een voorbeeld uit je eigen leven
Als prediker kun je zelf te maken hebben met ‘trouble’. Predikers dienen echter voorzichtig te zijn met verhalen in de preek over zichzelf, vooral als de persoon van de prediker meer in de spotlights komt te staan dan God. Verhalen over ons eigen falen of over onze eigen gebrokenheid kunnen belangrijk zijn.
Joanna Adams vertelt een krachtig voorbeeld van gebrek aan vrede in haar eigen huis. De ‘trouble’ is horizontaal. Zij toont zich kwetsbaar naar de gemeente toe en naar het Woord toe:

Een jaar geleden zat ik in de kamer te kijken naar het journaal. Ik was alleen. Iedereen was weg, behalve onze puberzoon Sam. Sam en ik hadden net een discussie gehad die alleen een puber en een moeder kunnen hebben. Het was een stevige discussie over een van de brandende kwesties in deze tijd: wie de volle mand met kleren die in de was moeten mee naar boven neemt. We hadden ons verschil van inzicht niet bijgelegd en Sam verdween. De kat en ik hadden de kamer voor onszelf.
CBS News zond net die week een serie over de Tweede Wereldoorlog uit. Die avond lag de focus op de Sowjetunie. Het aantal omgekomenen en vermisten in de Sowjetunie bedroeg 20 miljoen.
De camera bracht eerst het krachtige, reusachtige oorlogsmonument, waar de Sowjets zo van leke te houden, in beeld. Daarna werd ingezoomd op een jong bruidspaar dat een bos rode tulpen aan de voet van de soldaat legde. Het leek de gewoonte van bruidsparen om zo hun huwelijk te beginnen. Bruid en bruidegom verschilden niet zoveel van Amerikaanse bruidsparen op hun trouwdag: dezelfde hoop, dezelfde dromen. Terwijl mij de tranen in de ogen sprongen en nadacht over de volgende bijeenkomst van de vredesbeweging, herinnerde ik de liefdesaffaire met oorlog in onze eigen wereld. Toen ik me dat herinnerde, werd ik bang. Net op dat moment kwam Sam de kamer binnen en ging hij zitten. Opeens bleek het belangrijkste in onze wereld te zijn dat we samen gingen praten om vrede te sluiten.

Zulke verhalen over een goed persoon vormen ons ethisch gedrag. Als je een verhaal volgt, is het het belangrijk om snel te focus weer terug te leggen bij de mensen die voor je zitten. Je zou kunne zeggen: ‘Er zullen er meer van ons zijn, die zo’n ervaring hebben, bijvoorbeeld als we …’

Ontwikkel een frisse blik op ‘trouble’
Predikers doen er goed aan om af en toe hun luisteraars te verrassen met wat origineels of creatiefs. Bijvoorbeeld een origineel of creatief idee, verhaal of voorbeeld. Richard Groves pakt het ingewikkelde en verrassende onderwerp Is seks altijd veilig? op. Het onderwerp zal op zichzelf de interesse wekken, maar let op de wending aan het begin van de tweede alinea om de aandacht te blijven trekken. Hij anticipeert op de reacties van de luisteraars. Het is niet zo moeilijk om de ‘trouble’ van dit onderwerp verticaal uit te werken, maar Groves blijft horizontaal:

Uiteindelijk zijn liefde en vertrouwen de enige voorzorgsmaatregelen die we kunnen treffen om seks in de diepste zin van het woord veilig te laten zijn. Voor liefde en vertrouwen scheppen we een omgeving waarin we vrij zijn om onszelf te kunnen zijn, om te ontspannen, om onze verdediging op te geven, om kwetsbaar te zijn.
‘O, ik zie het al aankomen’, hoor ik u zeggen. ‘Nu komt het deel over “alleen binnen het huwelijk”.’ Nee, dat is niet wat ik zeg. Ik zeg meer dan dat. Ik zeg dat zelfs binnen het huwelijk seks de potentie heeft om gevaarlijk te zijn. Praat maar met een echtgenote die misbruik binnen het huwelijk heeft ondervonden, als u mij niet geloofd. Zonde scheidt het fysieke van het geestelijke in het huwelijk net zo goed als daarbuiten. En seks wordt oppervlakking en dwingend, ondiep en bedreigend net zo goed binnen het huwelijk als daarbuiten. Liefde en vertrouwen, waardoor “naakt zonder schaamte” mogelijk wordt gemaakt, kan nooit voor lief genomen worden, zelfs niet binnen het huwelijk. Vooral binnen het huwelijk niet. Liefde en vertrouwen moeten gekweekt worden als de meest delicate bloemen. Als ze zo worden gekweekt, wordt er een tuin geschapen die geen Ede is, maar in zichzelf nog mooier is.

James Ayers geeft met verbeeldingskracht een frisse blik op de consequenties van menselijk handelen in Galaten 6:1-10. Hij denkt na over hoe karakter wordt ontwikkeld. Zijn verbeelding kan aangestoken zijn door Billy Sunday (1862-1935), die eens in een preek zei: ‘Niemand is ooit begonnen met de intentie om een dronkelap te worden.’

Welnu, we hebben allemaal onze keuzes te maken over wie we zijn. Ik zit vast in de handeling om te zijn wie ik ben. Ik zit vast in de handeling van zaaien – wilde haver? – zaaien, of planten, de soort persoon die ik ben en wat ik ga worden. Hou je niet voor de gek. God kan niet voor de gek worden gehouden. Wat we planten en kweken is de soort persoon die we willen zijn. Denk hier even over na. Hoe vaak ben je op iemand afgestapt die zei: ‘Toen ik opgroeide wilde ik een gemene, nare persoonlijkheid worden. Gierig, jaloers, hebzuchtig…’ Of naar iemand die zegt: ‘Ik zou wel een boos persoon willen zijn. Gemeen. Verkeerd. Ik zou wel iemand vol wrok willen zijn
Niemand vertelt dat hij zo zou willen worden. Maar een hoop van ons kunnen niet anders dan zo’n persoon te worden. Waarom zijn er boze mensen? Waarom zijn er jaloerse mensen? Waarom zijn er verbitterde mensen? Zij droomden van een leven gevuld met liefde, vreugde, vreugde, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtheid, zelfbeheersing. Daar droomden zij over. Maar dat waren niet de keuzes die zij maakten. Zij kwamen vast te zitten in een handeling of in het maken van keuzes. En wat zij bleven zaaien, groeide uit tot een oogst: zij werden de mensen die zij op deze manier zelf hadden gekweekt.tw

Kweek goed gedrag
Verhalen waarin goede morele keuzes worden gemaakt, zijn geschikt voor Pagina 2. Zij impliceren of stellen dat wat de luisteraars hebben te doen ingewikkelde of kostbare keuzes zijn waarin de last bij het individu of de gemeenschap terecht kom. Soms kan hetzelfde verhaal op Pagina 4 worden herverteld in het licht van Gods handelen, waardoor Hij mensen in staat stelt om het goede te doen. In zijn preek God verbeeld in schrammen en schoonheid vertelt John N. Jonsson het verhaal van zijn moeder, die in actie kwam tegen de Apartheid in Zuid-Afrika. In deze preek wordt op een bijzondere manier Christus als de Lijdende Christus getoond. Jonsson kwam thuis uit school en vond haar op de knieën in de Anglicaanse kerk achter hun huis. Toen hij haar vroeg waarom zij huilde, vertelde zij dat dat was vanwege de manier waarop de blanke buren haar vertelden dat de zwarten in hun eigen gebied behoorden te wonen.

In mijn jeugdige uitbundigheid antwoordde ik: ‘Maak je niet ongerust, mam. Op een dag zul je je beloning krijgen!’ Mijn moeder antwoordde: ‘Maar dat is niet waarvoor ik dit doe.’ Ik was een beetje verbaasd en wat van mijn a propos. ‘Maar waarom doe je dit dan allemaal en waarom laat je je raken door mensen die beter zouden weten?’ Mijn moeder antwoordde zacht maar beslist: ‘Wij deden dit allemaal, omdat we weten dat dit het juiste is om te doen.
Ik was op een bijeenkomst van predikanten. We discussieerden over de waarde van verschillende Bijbelvertalingen. We moesten allemaal vertellen wat onze favoriete vertaling van de Bijbel was. ‘Nou, wat is jouw favoriete Bijbelvertaling, John?’ vroeg iemand mij. Ik antwoordde: ‘Ik hou van mijn moeders vertaling.’

Vertel geen verhalen van lang, lang geleden. Behalve als je ze daarmee een fris perspectief kunt inbrengen, waarin er de gebeurtenissen naar het heden worden gehaald, zoals bij een recente documentaire.  Luisteraars vragen zich anders af of er geen verhalen uit de eigen tijd zijn. Jonsson vertelde iets uit zijn eigen jeugd. Een gouden regel: verhalen die dichter bij huis zijn in tijd en geografie lijken effectiever te zijn.

Stel ingewikkelde thema’s aan de orde
Grote sociale issues zijn niet gemakkelijk op een effectieve manier in een preek op een frisse manier theologisch aan de orde te stellen. Samuel D. Proctor hield een krachtige preek waarin gokken als een sociale zonde werd benoemd in plaats van als een individuele zonde.

In New Jersey, de staat waarin ik woon, kregen we te maken met bezuinigingen op budgetten. Zonder dat het veel rumoer gaf, lieten we casino’s openen in Atlantic City. Als je daar naar toe gaat – als je gelooft dat dit niet allereerst een sociaal probleem is, moet je maar eens gaan kijken wie daar gokken: oude mensen met hun Social Security gelden, arme mensen, vrouwen zonder echtgenotes en die alleen gaan, mensen met de bekende tekenen van onveiligheid. Daar zijn ze, om hun laatste kans te pakken hun levensomstandigheden te veranderen. We zouden eerder voor deze arme mensen moeten zorgen dan ons druk maken over de financiële situatie van onze staat. Ik heb mijn hele leven de auto’s van Brink zien rijden, maar ik had nog nooit een Brink-vrachtwagen met 14 wielen gezien tot ik in Atlantic City kwam die avond. Een vrachtwagen vol gevuld met het geld van arme mensen! Het budget van onze staat wordt de komende tijd aangevuld met dit geldt dat uit Atlantic City komt. Dat zegt niets over wat er uitgefilterd wordt uit Miami Beach en uit Las Vegas. We doen dit op de gebruikelijke manier: we lopen er met een grote boog omheen.
We hebben de pokken en de gele koorts kunnen overwinnen. We hebben polio en tuberculose kunnen uitbannen. We zijn in staat om afgescheurde ledematen te herstellen en kunnen huid transplanteren. Maar we zijn niet in staat om het morele klimaat van onze samenleving te veranderen. We kunnen niet de harten van mensen veranderen. We kunnen niet een zorgzame geest scheppen die omziet naar de mensen om ons heen.

Brian L. Harbour preekte over Clarence Jordan, die  in de jaren-’40 een boerderij stichtte in Americus (Georgia). Jordan noemde die boerderij Koinonia Farm. Arme blanken  en arme zwarten werkten en woonden hier samen. In 1954 stak de Ku Klux Klan het hele complex na een jaar van intimidatie en bedreiging in brand. Alleen het huis waar Jordan werd niet in brand gestoken. De KKK joeg alle gezinnen weg die niet weg wilden gaan. Jordan herkende de stem van een van de Klansmen toen de journalist van de lokale krant bij hem kwam kijken de volgende dag.

‘Ik hoorde het verschrikkelijke nieuws van jouw tragedie afgelopen nacht en ik ben gekomen om een verhaal te schrijven over je boerderij die voorbij is.’ Jordan ging door met schoffelen en planten. De journalist bleef bezig met prikkelen en porren, om iets uit de stille vastbesloten man te krijgen die meer bezig leek met plannen te maken dan met inpakken. Tenslotte zei de man met een schoolmeesterstoontje: ‘Nou, dr. Jordan, u bent twee keer gepromoveerd en u bent nu 14 jaar bezig met deze boerderij. Er is niets van overgebleven. Hoe succesvol bent u geweest, schat u in?’ Clarence stopte met schoffelen en draaide zich om naar de verslaggever en keek hem indringend aan en zij rustig maar duidelijk: ‘Meneer, ik denk niet dat u ons christenen begrijpt. Het gaat ons niet om succes. Het gaat ons om geloofwaardigheid.

Een klaagzang kan in elke preek worden opgenomen
Sharon E. Williams klaagt over het geweld binnen haar eigen gemeenschap. Haar horizontale ‘trouble’ ontwikkelt zich in toenemende mate tot een effectieve stellingname met betrekking tot vragen die binnen haar gemeenschap leven.

We weten in onze tijd dat vrede wordt verbroken door geweld. Zelfs op de christelijke reis. We zijn niet uitgezonderd van verkrachtingen, overvallen, moorden. Onze vrede met God, met familie en een ander zijn door geweld weggenomen. Eerder dit jaar begroef onze gemeente een moeder met twee kleine kinderen die wreed werden vermoord in hun eigen huis. Een kind van een ander gezin werd gearresteerd voor deze misdaad: de vreugde en de vrede van het gezin werden weggeroofd door geweld. Eenheid en liefde werden vervangen door verdeeldheid en verdriet.
Vanuit het niets valt het geweld het koninkrijk aan. Vanuit het niets – aanval! Vanachter gemaskerde gezichten – geweld en verwoesting! Vanuit de lucht en vanuit de aarde – lijden en dood. Het koninkrijk leidt. Het koninkrijk is weggenomen. Het lijkt niet eerlijk dat God ons geschapen heeft voor vrede en liefde en toch al dit geweld toestaat.
Het is niet eerlijk voor degene die geweld pleegt dat het toegestaan wordt dat het koninkrijk van ons genomen wordt. Is dat het koninkrijk van God: zo fragiel en kwetsbaar? Moeten wij dan, de zachtmoedigen en de armen – de wapens opnemen tegen dit geweld om voor onze eigen veiligheid te zorgen in deze gewelddadige wereld?

Laat is van de wereld zien
De meeste prekenbundels hebben slechts een enkele verwijzing naar een gebeurtenis elders op de wereld. Daarmee wordt God klein gemaakt. Als God irrelevant is voor de noden van de mensen die in het nieuws komen, hoe kunnen wij onze meer alledaagse ‘troubles’ met God verbinden? Die verwijzingen hoeven niet lang te zijn. John Killinger spreekt over deze wereld en geeft daarmee een krachtig getuigenis van Gods liefde. Hij heeft een lange opsomming van zinnen, die steeds beginnen met “God is betrokken bij…” Deze zinnen kunnen op Pagina 4 verwerkt worden. Maar de emotionele impact van deze paragraaf is het lijden. Het verlangen naar Gods handelen wordt duidelijk aan het einde van Pagina 2, waar hij overgaat naar Pagina 3.

Bovendien is God betrokken bij de pijn en het lijden van alle mensen. God is betrokken bij de honger van het kind van 7 jaar in Afrika dat gras eet om toch iets in zijn opgezwollen buik te hebben. God is betrokken bij de angst en de eenzaamheid van een tienermeisje dat net die morgen heeft ontdekt dat ze zwanger is. God is betrokken bij de wanhoop van een jong stel dat net hun kind heeft begraven. God is betrokken bij de zelfmoordgedachten van een oude man die wanhopig is door het gemis van zijn vrouw die een halve eeuw eerder overleed. God is betrokken in de pijn en verbijstering van een driejarig kind dat door de ouders doodgemarteld wordt. De woorden van de leerlingen spreken boekdelen: ‘Meester we vergaan! Bekommert u zich er niet om dat wij vergaan?’ Natuurlijk bekommert God zich erom. God is betrokken bij al onze problemen. God is betrokken bij al onze pijn.

Werk een onderdeel van het christelijk geloof uit
Expliciete reflectie op een onderdeel van de christelijke geloofsleer kan op elke pagina. In dit preekfragment werkte Paul Scott Wilson de verzoening uit om voor te bereiden op Pagina 3.

Niet alleen in Hollywood wordt gekozen voor geweld. U en ik kiezen ervoor als we blijven hangen in wrok, met haat gevuld zijn en degenen die ons iets hebben aangedaan allerlei ziekten toewensen. We hoeven niet ver te rijden op de Weg van de Wrok om de resultaten te zien van degenen die eerder deze route hebben genomen. De laatste bomaanslag. De jongste incident van godsdienstig of raciaal geweld. Op een bepaalde manier lijkt de haat tegen degenen die zulke daden doen gerechtvaardigd. Zij zouden moeten boeten voor hun daden. Degenen die over de Weg van de Wrok wandelen, voelen dat tot in hun botten.
Ieder van ons heeft er ervaring mee dat anderen verkeerd kunnen handelen. Bijvoorbeeld het bedrog van een echtgenoot. Of ontslag. Sommigen van ons ervoeren dat het lijkt of God je in de steek laat als je je gezondheid kwijtraakt of een partner moet verliezen. God zou dat nooit hebben mogen toelaten.
We moeten echter weten dat de Weg van de Wrok doodloopt. Deze weg loopt dood. Er is geen uitweg. Bewandel deze weg op eigen risico. Terwijl anderen de route in kaart hebben gebracht, het landschap hebben uitgegraven, de weg geplaveid, verkeersborden hebben geplaatst, de weg aangewezen en ons aangemoedigd – wij zijn degenen die ervoor kiezen om deze weg op te gaan. We zouden moeten stoppen voor we verder gaan. Ieder van ons heeft iets naar anderen toe verkeerd gedaan. Wij hebben anderen verraden. Wij zijn niet onschuldig. Wijzelf hebben anderen aangemoedigd deze Weg van de Wrok op te gaan. Als de waarheid wordt verteld is er aan het eind van deze weg een begraafplaats en in het midden een heuvel en op die heuvel staat het kruis waaraan Christus stierf. Wij misgunden anderen barmhartigheid. Als er geen genade voor onze vijanden is, is er ook voor ons geen genade.
[Pagina 3] Natuurlijk is er genade. Genade komt van God, die besloot dat iemand moest betalen voor het onrecht in de wereld, van God die zijn armen wijd aan het kruis uitspreidde, zodat iedereen Gods liefde zou kunnen ontvangen.

Gebruik punten desgewenst om één missie te ontwikkelen
In de preek gaat het om één missie. Niet alleen op Pagina 2. Maar die missie kan hier aan de orde worden gesteld. Als luisteraar beginnen we onze ‘trouble’ te kennen. De prediker kan een vraag aan de orde stellen. Wat kunnen wij doen? Gary W. Downing draagt punten aan om zijn argument op Pagina 2 te onderbouwen. Als hij racisme aan de orde stelt, identificeert hij drie punten die de gemeenteleden als hun missie zouden kunnen zien in de komende week: (1) inzicht, (2) geloof, (3) toewijding.

Wij moeten kiezen of wij de ander willen zien door natuurlijke, menselijke, racistische ogen of dat we elkaar willen zien als broeders en zusters. We kunnen met anderen op de vuist gaan of hen met een geweer tegemoet treden. Of we kunnen hen omarmen als kinderen van onze hemelse Vader. Dat zijn drie concrete stappen die we in antwoord op de Schrift kunnen nemen om de zonde van racisme in ons leven te overwinnen. Allereerst moeten we inzien dat racisme onder ons voorkomt. Hebben wij nooit een racistische mop verteld? Of ons op een racistische manier gedragen? Het tweede dat wij kunnen doen is geloven dat Jezus ons de kracht wil geven om racisme te overwinnen door zijn kracht in ons te laten werken. Het derde dat we kunnen doen om racisme te overwinnen is om ons met heel ons hart toe te wijden aan Christus voor de rest van ons leven.

Aan het einde van Pagina 2 zouden luisteraars moeten ervaren welke hulp zij dringend nodig hebben, omdat zij het zelf niet kunnen. Dat is het doel van Pagina 1 en 2. Onze boodschap is niet menselijke verantwoordelijkheid, maar Gods reddend handelen. Op Pagina 3, waar we nu naar toegaan, zullen we verkondigen wat God doet in relatie tot Pagina 1 en 2.

N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of a Sermon. A Guide to Biblical Preaching. Revised and Updated (Nashville: Abingdon Press, 2018), p. 129-143



Preek Tweede Paasdag 2020

Preek Tweede Paasdag 2020
Schriftlezing: Johannes 20:19-31

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Achter gesloten deuren – dat had u, dat had jij vast nooit kunnen bedenken
dat we nog eens op deze manier heel dicht bij de ervaring van de discipelen zouden komen.
Zij konden het huis niet uit.
Jij kunt je huis ook niet uit. Niet naar familie, niet naar vrienden, niet naar de kerk.
U kunt geen bezoek ontvangen. De deuren zijn gesloten.
Je bent alleen met elkaar als gezin. Daarmee moet je je redden in deze tijd.
En als je alleen bent, er niemand bij je in huis woont, kan het helemaal stil zijn,
Zeker in deze dagen, waarop veel mensen elkaar zouden opzoeken.
dan merk je gelijk hoe belangrijk het is om bij elkaar te kunnen zijn, om elkaar te ontmoeten.
Dat bij elkaar zijn is helemaal niet meer gewoon.
Echt een gemis om elkaar niet op te kunnen zoeken.
Nu kun je er ook achter komen hoe belangrijk het is dat je als gemeente samen kunt komen.
Dat u de andere kerkmensen kunt zien, dat u ziet wie er ook zijn,
Dat je samen zingt, tot eer van de opgestane Heer.
Ik las een uitspraak van iemand:
Als ik weer naar de kerk mag gaan en we zingen het U zij de glorie
dan loei ik het dak eraf.
Misschien herken je dat ook wel.
Voorheen zong je gewoon mee, zonder al te veel na te denken.
Maar nu besef je pas echt hoe bijzonder en hoe fijn het is om samen te kunnen zingen.

Op de dag dat Jezus is opgestaan, zijn de discipelen ook bij elkaar.
Tien mannen (want Judas en Thomas waren er niet), wellicht ook wat vrouwen erbij.
Dat is de eerste gemeente.
Tien, twintig mensen – dat zijn de aantallen die je in deze tijd bij begrafenissen hebt.
Heel intiem, dat wel, met de eigen kinderen, maar je mist die andere gemeenschap.
Zo begint de eerste gemeente van Jezus Christus: slechts een handjevol,
alleen maar wat gezinnen bij elkaar, enkele mannen, misschien wat vrouwen,
die elkaar opzoeken.
Ze zoeken elkaar op, omdat er een bijzonder bericht gekomen is van Maria Magdalena:
Ik heb de Heer gezien!
Dat is een boodschap waarvoor ze bij elkaar moeten komen.
Zelfs Johannes en Petrus komen hun huis uit en gaan de anderen opzoeken.
Ze doen wel de deur op slot, uit voorzorg. Stel je voor dat anderen horen dat het graf leeg is.
Blijkbaar voelen ze een bepaalde dreiging. Blijkbaar rekenen ze op gevaar.
Daar heeft de kerk dus vanaf het begin mee te maken gehad: met dreiging.
Het kan op bepaalde plaatsen gevaarlijk zijn om bij elkaar te komen in de kerk.
Daar kunnen de christenen in Sri Lanka over meepraten, vorig jaar Pasen.
Daar kunnen christen in Egypte over meepraten, die ook te maken hebben gehad
met bomaanslagen op de kerk terwijl een kerkdienst aan de gang is.
Wij hebben nu te maken met een andere dreiging: een gevaarlijk virus,
dat we niet moeten onderschatten. Hier in Oldebroek heeft dat de ronde gedaan
en over de berg, in Heerde, heeft het virus helemaal hard toegeslagen.
Het verdriet van een plaats niet zo ver hier vandaan
en het kan zijn dat u van dat verdriet het een en ander hebt meegekregen
omdat u familie hebt in Heerde, of vrienden, of collega’s die daar werken.
Een van de predikanten in Heerde komt uit Oldebroek en preekt hier ook wel.
De eerste Paasdag, de eerste keer dat de gelovigen bij elkaar zijn,
– je zou kunnen zeggen: de allereerste kerkdienst – staat ook in het teken van angst.
Achter gesloten deuren, in afzondering.
Misschien ook wel een “unheimisch” gevoel: niet weten wat ze er van moet denken.
En dan komt Jezus in hun midden.
Bij die leerlingen, die samen zijn, die ongemakkelijk bij elkaar zijn,
Iets gehoord hebben van Maria, waarvan ze niet goed weten of ze dat moeten geloven:
Ik heb de Heer gezien!
Maria die daar vast vol enthousiasme over verteld en die anderen die afwachtend kijken.
Ze zijn bij elkaar vanwege dat bericht dat Jezus weer leeft.
Zo komt de kerk voor het eerst bij elkaar, zo zijn de volgelingen voor het eerst samen,
Vanwege die boodschap dat Jezus leeft, dat Hij gezien kan worden, buiten het graf!
Daar begint de kerk mee – en dat we op zondag bij elkaar komen heeft hier de oorsprong.
Maar zoals Johannes er over verteld, lijkt het nog niet een heel overtuigde groep,
een groep die wat angstig bij elkaar is, in ieder geval de deuren goed gesloten heeft.

Bij die groep die de deuren goed heeft gesloten, verschijnt Jezus.
Hij is in hun midden, bij die groep die bij elkaar is vanwege dat bericht van Maria.
Zo zijn we ook bij elkaar vanwege dat bericht van Maria – “Ik heb de Heer gezien!”
En ook als u meekijkt en meeluistert, via de kerkradio, via de LOCO, via Youtube,
Jezus verschijnt ook bij u, bij jou in huis, terwijl je nu meeluistert of meekijkt.
Of je nu alleen bent, of als gezin meekijkt, Jezus verschijnt
en wat Hij tegen de leerlingen zegt, zegt Hij ook tegen u, tegen jou: Vrede.
Hij geeft je Zijn vrede, hemelse vrede, vrede die van het kruis van Golgotha komt.
Ook in deze tijd vol spanning en zorg, onrust en onzekerheid: Vrede.
Dat is wat de kerk is: een groep die bij elkaar is en die het niet altijd goed weet,
maar wel met Jezus in ons midden, de opgestane Heer, Die Zijn vrede geeft.
Vrede: het zit goed met God. Je leeft weer in harmonie met Hem.
Als je in deze tijd angstig bent en je angst niet kunt kwijtraken: vrede.
Als Christus verschijnt, zowel bij de discipelen als bij jou, bij u in de kamer,
dan mag je delen in Zijn vrede, in Zijn gemeenschap.
De opgestane Heer is bij je, in jullie midden.

En dan toont Hij wie Hij is: de gekruisigde. Ik ben voor jou aan het kruis gegaan.
Dat lijden, die wonden, dat onderging Ik voor jou, zodat jij Mijn vrede kunt ontvangen.
Neem het maar aan. Geloof het maar.
Ik kom speciaal naar je toe om je dat mee te delen, om je Mijn vrede te geven.
Dat brengt vreugde in hun leven.
Pasen betekent vreugde, omdat Jezus terugkomt – om Zijn gemeenschap te geven.
Omdat we Zijn vrede mogen ontvangen. Vreugde omdat Jezus er is.
Die vreugde kent u toch ook? Die vreugde heb jij toch ook?
Natuurlijk, die vreugde is er niet altijd en ben je ook kwijt.
Daarom geeft Jezus steeds Zijn vrede. Hij geeft het aan de discipelen meerdere keren.

Vanuit die vrede die Christus geeft, stuurt Hij hen er ook op uit.
Het is niet de bedoeling dat je in huis blijft zitten. Ja, nu in deze tijd wel.
Het is de bedoeling dat je die vrede uitdraagt. Dat hoeft niet altijd door te spreken.
Dat kun je ook doen door ergens te zijn en die vrede van Christus bij je te hebben
en vandaar uit te leven, die vrede van Christus door je heen te laten stromen.
Er zijn juist in deze tijd volop mogelijkheden.
Als je in het ziekenhuis werkt, of de thuiszorg en er komt heel wat op je af.
Je krijgt heel wat te horen en heel wat te zien.
Je kunt het ook mee naar huis nemen en er wellicht niet goed van slapen.
Voor de meesten in de zorg is dit een heftige tijd – en wellicht kun je daar over meepraten.
Toch kun je door je werk liefdevol te doen, zorgvuldig, met aandacht voor de mensen,
die vrede doorgeven, al zijn er ook beperkingen en kun je soms de zorg niet geven,
die je zou willen geven aan je mensen, omdat je ook om jezelf moet denken.
Ik wens je toe dat je dat werk vanuit deze vrede mag doen,
En ik hoop oprecht dat je merkt dat die vrede van Christus in je werkt
en door je heen werkt naar de mensen voor wie je werkt.

Dan doet Jezus iets bijzonders.
Hij blaast op Zijn leerlingen.
Net als Zijn Vader deed toen de allereerste mens, Adam, werd geschapen
en God Zijn Geest, Zijn adem in de mens blies en zo het leven gaf.
Zo leven de discipelen door deze Geest die Jezus over Zijn discipelen laat gaan.
Of denk aan dat merkwaardige visioen van Ezechiël – Ezechiël 37.
Een vallei vol dode skeletten krijgt hij te zien. Dat is er nog over. Totaal geen leven meer.
Maar als de Geest van God in hen komt, worden ze weer levend en staan ze op.
Als Jezus Zijn Geest over de leerlingen laat gaan, maakt Hij hen weer levend.
Hij geeft aan hen Zijn Geest, Zijn kracht om getuige te zijn.
Om te leven uit de opstanding en om die opstanding door te vertellen
om aan anderen te laten zien welk verschil het in je leven maakt dat Jezus is opgestaan,
dat je er een nieuw mens door wordt.
Dat je in staat bent om Zijn vrede door te geven.
Dat is de kerk met Pasen: we krijgen de Geest van de opgestane Heer.
We krijgen Zijn kracht, die in ons werkt en die ons getuige maakt, vredebrengers,
Gezanten van deze Christus die de dood overwon.
Jezus geeft aan de kerk de volmacht om namens Hem op te treden, om Hem te brengen.
We mogen als kerk zelfs in Zijn naam de zonden vergeven.
Elke keer als we bij elkaar komen als kerk en onze zonden beleden worden
en we vergeving ontvangen, dan zijn ze ook door Christus vergeven.
Dat is een hele verantwoordelijkheid die Jezus aan Zijn leerlingen geeft.
Zijn leerlingen die Hem in de steek hadden gelaten, die moeite hadden om te geloven,
Die eerst de ontmoeting met Hem nodig hadden
om te geloven dat Hij werkelijk opgestaan was.
Zij krijgen het gezag om de zonden te vergeven.
Als kerk krijgen we de volmacht, het gezag om de zonden te vergeven.
Ook het omgekeerde trouwens: als de zonden niet vergeven zijn, dan vergeeft Christus niet.
Dat is een hele verantwoordelijkheid die we niet zonder de Geest van Christus kunnen.
Alleen de Heilige Geest kent Christus zo goed, veel meer dan wij kennen.
Daarom kan dat niet buiten de Heilige Geest om.

Er is er een bij, die dit alles heeft gemist.
Ook dat kan blijkbaar: dat je hoort over Jezus die is opgestaan, maar dat je wegblijft.
Als jongere heb ik het altijd heel fijn gevonden dat Thomas in de Bijbel stond.
Dat gaf mij de ruimte om te twijfelen. Blijkbaar kan Jezus dat hebben
en heeft Hij het geduld om te wachten tot Thomas ook kan geloven
en heeft Christus het geduld om aan de voorwaarden van Thomas te voldoen.
Speciaal voor Thomas komt Hij nog een keer.
Voor die leerling die er de eerste keer niet bij was en dus ook de Heilige Geest heeft gemist.
Thomas heeft zo zijn voorwaarden: Ik moest Jezus’ littekens wel kunnen zien en voelen.
Ik heb niet genoeg aan jullie verhalen over de levende Christus.
Ik moet het zelf ervaren. Hij moet ook naar mij toekomen.
Ik heb het altijd weldadig gevonden dat er voor iemand als Thomas ruimte is in de kerk.
Zo groot is het vertrouwen dat Jezus steeds weer komt en zich ook aan Thomas laat zien.
Zij hoeven Thomas het geloof niet te geven.
Dat kan alleen Christus en dat zal Hij dan ook gaan doen.
Thomas zit er de volgende keer bij. Dat is op zich al een wonder.
Dat hij zich laat meenemen.
Misschien miste hij het contact met de andere leerlingen,
zolang opgetrokken en al staat hij erbuiten omdat hij het geloof niet heeft,
hij komt er toch bij.
We weten niet eens of Thomas wel geloofde dat Jezus nog een keer kwam,
al had hij wel die voorwaarde gesteld.
En Jezus komt ook. Speciaal voor Thomas. Nog een keer.
De aarzeling van Thomas is geen reden voor Jezus om weg te blijven.
Ook nu is Jezus de goede Herder, die de Zijnen opzoekt en terugbrengt.
Thomas, voor je ongeloof is geen reden. Ik leef. Kijk maar, voel maar de wonden.
Er zijn verschillende schilderijen gemaakt van deze ontmoeting van Thomas met Jezus,
waarin Thomas heel nauwkeurig de wonden van Jezus naspeurt,
soms zelfs met zijn vingers peutert in de wonden van Jezus
om zich echt ervan te vergewissen dat het echt Jezus is.
Mijn Heer, mijn God.

Steeds in het evangelie zijn er mensen op zoek naar Jezus,
en vaak hebben ze een hele weg om te ontdekken wie Jezus is
En Thomas, al twijfelt hij het meest van alle leerlingen, is een hoogtepunt:
Mijn Heer, mijn God.
Jezus weet alle barrières van ons ongeloof te doorbreken, te overwinnen.
Desnoods moet Hij speciaal voor ons komen, aan ons verschijnen.
Zalig ben je, als je kunt geloven, zonder dat je Jezus hebt gezien
en genoeg hebt aan de woorden.
Dan heb je het leven gevonden, nieuw leven, leven dat niet ophoudt bij de dood,
maar deelt in de opstanding van Christus.
Christus leeft en omdat Hij leeft, kunnen wij leven hier op aarde
en zullen we leven, ook na onze dood.
Dat leven krijg je door te geloven en als je gelooft krijg je dit leven.
Kunt u, kun jij net als Thomas Jezus belijden: mijn Heer, mijn God?
Amen

Preek Eerste Paasdag 2020

Preek Eerste Paasdag 2020
Schriftlezing: Johannes 20: 1-18.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Heer is waarlijk opgestaan! Halleluja!
Een mooiere boodschap is er niet te brengen op Pasen.
Christus bleef niet in het graf, maar stond op. Opgewekt door God. De dood overwonnen.
Het zou mooi zijn om daar in de kerk van te zingen, begeleid met koperblazers,
meegenomen door de muziek, meegenomen door de woorden.
Het is kaal om zo zonder kerkgangers te zijn,
kaal ook om met Pasen niet op familiebezoek te kunnen.
De allereerste Paasdag begint ook niet als een feest.
Donker is het nog als Maria naar het graf gaat.
Het is ook donker in haar leven, donker in haar hart.
Hoe moet het verder met haar nu Jezus dood is, haar Meester om wie ze zoveel gaf?
Hopeloos donker was ons leven, een bange droom, een lange nacht.
Waar was ons laatste licht gebleven: Christus die ons de toekomst bracht?
Pasen begint in de leegte, het gemis, met het verdriet om de dode Jezus.
En het wordt er niet beter op als Maria bij het graf komt: de steen is weg.
Maria kan maar één ding bedenken: Er is iemand geweest die het graf heeft opengemaakt en het lichaam van Jezus heeft meegenomen naar een onbekende plek.
Het lichaam van Jezus is er niet meer waar het was.
Niet meer in het graf, de plek om te zijn om te gedenken wie Jezus was.
De plek die de herinnering aan wie Jezus was moest vasthouden,
waar Zijn nagedachtenis bewaard zou blijven en gekoesterd zou worden – geschonden.
Niet alleen is Jezus nu dood, maar is ook Zijn lichaam weg uit dit graf.
Nu kan ze niet meer treuren op de plek, want Jezus is er niet meer.
Dat de steen weg, is het enige dat ze kan zien met haar ogen.
Het zijn nog niet de ogen van het geloof.
Ze kan alleen die steen zien die weggerold is en het graf open is
En omdat ze nog geen geloof heeft, kan ze alleen aan het ergste denken.

In paniek gaat ze weg en ze zoekt Petrus op en vertelt het hem:
Petrus, ze hebben de Heer uit het graf gehaald.
Ook gaat ze naar een andere discipel,
een discipel die voor Jezus een speciale betekenis heeft:
de discipel van wie Jezus houdt – later in het evangelie zal dat Johannes blijken te zijn.
Johannes, het lichaam van Jezus is uit het graf gehaald.
En waar ze het lichaam gelaten hebben, weten we niet. De plek is onbekend.
De paniek werkt aanstekelijk.
Eerst verlaat Petrus zijn huis en gaat op weg naar het graf
En ook Johannes gaat weg van het huis waar hij verblijft.
Als ze elkaar tegenkomen, gaan ze eerst gelijk op, maar Johannes is sneller.
Was er een aarzeling bij Petrus, omdat hij niet goed wist wat er te wachten staat
of omdat hij nog herinnerde aan de laatste keer dat hij Jezus zag,
het moment waarop hij zei dat hij Jezus niet kende?
Of was er een bepaalde verwachting bij Johannes, een stille hoop,
waardoor hij niet kon wachten om naar het graf te gaan.
Hield hij rekening met een andere mogelijkheid en was hij daarom sneller dan Petrus?
Zo kan het gaan: je komt bij elkaar en je trekt samen op
en toch is er bij de een eerder iets van het geloof, iets van het besef dat Christus werkt
en is er bij de ander, zoals bij Petrus aarzeling,
het geloof is soms te mooi om waar te zijn.
Voor ik verder ga, moet ik het wel eerst zeker weten, dat het waar is.

Zo is Johannes als eerste. Hij gaat een stap verder dan Maria.
Johannes werpt een blik in het graf. Het is wel hetzelfde kijken als Maria.
Hij ziet wel meer dan Maria.
Maria bleef buiten staan en maakte geschrokken rechtsomkeert.
Het geloof in de opgestane Heer moet groeien.
Het gaat stapje voor stapje, steeds een stap verder in het ontdekken van het geloof,
Steeds een stapje dichterbij.
Geloof in de levende Christus komt niet in één keer,
in ieder geval niet op de dag van Christus’ opstanding.
Steeds een stap verder van niet-begrijpen en niet-kunnen-geloven
en het gaat stapje voor stapje naar de ontmoeting met de levende Heer zelf.
Zo kan het ook bij u gegaan zijn, of bij jou: stapje voor stapje,
door allerlei twijfels heen, of aarzelingen, en toch: steeds een beetje verder.
Johannes kijkt in het graf, al een stap verder dan Maria, maar ziet nog op dezelfde manier.
Hij ziet de doeken liggen. Niet het lichaam. Alleen de doeken.
Hij gaat niet het graf in. Hij blijft buiten het graf staan en kijkt alleen.
Trekt hij een conclusie uit wat hij ziet? Dat wordt niet gemeld.
Het kan zijn dat hij denkt: de doeken liggen er, dan is het lichaam er nog.
Niets aan de hand, zorgen om niets. Ik hoef niet meer te weten. Het is goed zo.
Hoewel Petrus wat minder hard ging dan Johannes en later aankwam bij het graf,
gaat hij wel een stap verder. Hij gaat ook het graf in.
Hij ziet ook meer dan Johannes: hij ziet niet alleen de doeken liggen,
maar ook de doek die om het hoofd was gewikkeld. Die doek ligt op een andere plek.
Dan komt ook Johannes.
Hij gaat nu wel het graf in en ziet wat Petrus ziet,
maar bij hem wordt er iets meer gezegd: hij ziet en gelooft.
Weer een stapje verder dan hij eerst deed en nog weer een stapje verder dan Petrus.
Alleen is het de vraag wat voor een geloof dat is,
want er staat dat ze beiden het gebeuren niet op de Schrift betrokken
en dat ze wel het een en ander in het graf zagen, maar niet dachten aan Gods Woord
waardoor ze hadden kunnen weten dat Jezus was opgestaan.
Dat is ook Pasen: aan de ene kant wordt er verteld hoe het geloof in de levende Heer
steeds stapje voor stapje begint te dagen, omdat het zo onvoorstelbaar is wat er gebeurde
– in ieder geval onvoorstelbaar in ogen van mensen
en tegelijkertijd zit er altijd toch een verwijt in: jullie hadden het kunnen weten.
Jullie hadden het kunnen weten uit Jezus’  eigen woorden.
Jullie hadden het kunnen weten, als je de Schrift kende.
Er gebeurt verder ook niets.
Ze zijn bij het graf geweest, hebben in het graf gekeken, hebben de doeken gezien
en daar blijft het bij. Ze gaan weer terug naar huis.
Het gebeuren zet hun leven niet op z’n kop. Geen halleluja dat aangeheven wordt.
Geen vreugdedans op weg naar huis, of op weg naar de andere discipelen.
Nee, ze gaan weer naar huis.
Op de allereerste paasdag verandert er niets in het leven van de leerlingen.
Ja, ze zijn bij het graf geweest. Maar dat is het dan.
Net of ze gerustgesteld zijn dat Jezus er nog is.
Geen zoektocht naar Jezus, geen besef dat er ook maar iets gebeurd is.
Of het moet bij Johannes zijn.
Maar dat geloof kan bij hem ook nog betekenen, dat alles in orde is.
Dat hij nergens over hoeft in te zitten.

Ook bij Maria duurt het een tijd voor ze begrijpt wat er gebeurd is.
Voordat ze inziet en gelooft dat Jezus is opgestaan.
Daarvoor is er eerst een ontmoeting met de levende Christus nodig.
En zelfs dan, als ze Hem ontmoet, dan duurt het nog een tijd voor ze gelooft.
God heeft vaak een lange weg nodig om ons zo ver te krijgen
Dat we geloven dat Jezus werkelijk is opgestaan uit de dood.
Er zijn heel wat tekenen: de doeken liggen in het graf, netjes opgevouwen,
het doek om het hoofd van de Heer ligt op een andere plek.
Maria krijgt in het graf nog meer te zien: twee engelen.
Engelen zijn boden die door de hemelse Heer worden gezonden
om op aarde een speciale boodschap te brengen.
Maria blijft echter buiten het graf staan en ziet wel de engelen.
Die engelen zitten op de plek waar Jezus heeft gelegen.
In plaats van een dode engel twee hemelse gezanten die daar zitten.
Ze moeten zich wel verwonderd hebben over het feit dat het bij mensen zo lang duurt
voordat ze beseffen wat er gebeurd is en voor ze gaan geloven in de opgestane Heer.
Ze zeggen het dan ook tegen Maria: Waarom huil je eigenlijk?
Maria, dit is geen dag van tranen, al ben je bij het graf.
Bij dit graf hoef je niet te huilen. Hier mag je blij zijn, dansen van vreugde,
het uitzingen: Halleluja, loof de Heer. Hij is waarlijk opgestaan!
Maar Maria zit te diep in het verdriet, in de wanhoop dat haar Heer nu ook nog weg is.
Niet alleen dood, maar Zijn lichaam zelfs uit het graf verdwenen.
Ze hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar Hij nu gebleven is.
Jezus is al bij haar, zonder dat ze het weet.
Hij is bij haar, maar ze kan Hem niet zien.
Jezus is al in haar leven en zij bij Hem in Zijn gemeenschap
en toch, ze kan het nog niet zien,
nog steeds zit in haar hoofd dat Jezus is weggehaald uit de dood.
Dat Hij door God uit de dood zou kunnen weggehaald, komt niet bij haar op.
Wat zijn haar ogen verblind door de tranen. Ze kan niet zien wat er gebeurt.
Ook Jezus stelt de vraag naar het verdriet: Maria, waarom huil je eigenlijk op deze dag.
Ja, je bent bij een graf. Maar dit is geen graf om bij te huilen, om verdrietig te zijn.
Ben je naar iemand op zoek? Naar wie zoek je eigenlijk?
Door haar verdriet herkent Maria de stem van haar Heer nog niet.
Ze denkt dat het iemand is, die de zorg draagt voor deze tuin.
Aangesteld om deze tuin met het graf van deze bijzondere Meester te onderhouden.
Ze krijgt al meer te zien dan Petrus en Johannes.
Ze krijgt gezanten van God zelf te zien. Ze krijgt Jezus te zien.
Maar het verdriet is te sterk, de wanhoop heeft haar teveel in de greep
en wat er gebeurd is, gaat zo alle voorstellingsvermogen te boven.
Maria kan het nog niet geloven.
Ze hoort wel de stem van haar Heer, maar het dringt niet tot haar door.
Pas als ze bij haar naam geroepen wordt.
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij.
De stem van de Goede Herder, die de zijnen bij hun naam kent
en hen bij hun naam roept.
Dat brengt de ommekeer bij Maria teweeg.
Ze keert zich om: letterlijk, naar Jezus toe.
Maar het is ook figuurlijk: een ommekeer in haar leven, een bekering.
De ogen gaan open.
En als Maria zich omdraait als ze haar naam hoort, wordt het Pasen voor haar.
Staat zij op uit het ongeloof, staat zij op uit het verdriet
En wordt het nieuwe leven ook voor haar. Heer, mijn Meester, Ik hield zoveel van U.
Daar bent U weer. Levend en wel.
Het wordt Pasen voor Maria: Haar Heer is er weer.
Ze wil Hem weer in de armen sluiten. Maar het mag niet.
Niet omdat er een regel was van anderhalve meter afstand, zoals nu,
Ook nu kun je elkaar niet even omhelzen, wanneer je dat zou willen.
Of een troostende arm om elkaar heen slaan.
Misschien mist u dat wel: dat u uw dochter niet even kunt omhelzen
of dat u uw zoon een bemoedigende klop op de schouder kunt geven
of de kleinkinderen op afstand moet houden, of je niet naar vrienden toe kunt gaan.
Een rare tijd van afstand houden. Ook Maria moet afstand bewaken tot Jezus.
Om een andere reden: Jezus is onderweg naar de hemel, op de weg naar Zijn Vader.
Op weg naar huis, het huis met de vele woningen, waar Jezus plaats zal bereiden.
Maria wil Jezus voor altijd bij zich houden.
En dat kan ook. Ook wij zijn een gemeenschap met Christus, de levende Heer, bij ons,
Hij is in ons midden. Hij is ook bij u, bij jou thuis. We zijn met Hem verbonden.
Maar wel met Christus die in de hemel is en door Zijn Geest in ons midden is.
Daardoor is Hij ook bij ons, in ons midden aanwezig.

Het is voor u, voor jou wellicht een vreemd Paasfeest.
Niet naar de kerk. Geen bijzondere muziek in de kerk. Niet naar familie.
En toch: Jezus is in ons midden.
Het is een vreemd Pasen.
In de afgelopen dagen moest ik denken aan Sri Lanka,
Waar vorig jaar met Pasen diverse kerken getroffen waren door bomaanslagen,
Waarbij meer dan 300 doden vielen.
Toen werd er meegeleefd. Nu hebben we zelf onze zorgen,
al kun je die niet vergelijken met het verdriet en de pijn die er toen was gekomen.
We delen wel in dezelfde Heer, de Heer die de dood kent en in de dood is geweest
Maar ook weer levend geworden is en de dood heeft overwonnen.
Maria mag het gaan vertellen. Ze gaat opnieuw naar de discipelen toe.
Nu met een ander verhaal een andere boodschap: Ik heb de Heer gezien.
Dat letterlijk zien kunnen wij niet nazeggen en toch kunnen wij het zeggen:
Wij hebben de Heer gezien.  Als je ogen van het geloof hebt.
Als je zingt, als je over Hem hoort, over Hem spreekt, als Hij je naam noemt
en tegen je zegt: Ik leef en Ik maak jou ook levend, door je bij je naam te noemen.
Christus onze Heer verrees. Halleluja!
Amen

Preek Goede Vrijdag 2020

Preek Goede Vrijdag 2020
Schriftlezing: Lukas 23:33-49

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het was een bijzondere dag, toen dat kruis op Golgotha stond.
Dat kruis op Golgotha, waaraan de Zoon van God hing, veranderde de wereld.
Dat het kruis met Christus eraan zo cruciaal was voor de geschiedenis van onze mensheid
was voor de meeste toeschouwers op die dag niet te zien.
Zij konden alleen maar de spot drijven met die Man,
die Zich had voorgedaan als de Zoon des mensen, die als koning der Joden werd gezien.
De leerlingen konden ook niet zien wat het kruis op Golgotha betekende
voor hen en voor de gehele wereld en alle mensen die ooit geleefd hebben of zullen leven.
Zij konden alleen maar het verschrikkelijke zien, het einde van hun samenzijn met Jezus,
het einde van het leven van hun Meester in wie zij geloofden.
Pas nadat hun Heer uit de dood was opgestaan, was opgewekt konden zij begrijpen
dat hun Heer aan het kruis op Golgotha de macht van de duisternis verbrak.
Daarom kan deze dag, waarop we het sterven van Christus gedenken,
Goede Vrijdag noemen: een dag die zoveel goeds voor ons als mensen bracht.
Geen dag bracht meer goeds voor ons.
Dit is geen dag om te treuren, al mogen we er bij stil staan hoe diep Jezus moest gaan,
hoeveel Hij moest lijden om de macht van de boze te breken.
Dat Hij die macht alleen maar kon verbreken, ons alleen maar kon bevrijden
door Zijn leven te geven, door te sterven, door af te dalen in het rijk van de dood.
Als Lukas vertelt over het gebeuren op Golgotha wil hij dat ons ook laten zien:
Christus’ overwinning op de macht van de boze,
zodat wij geloven in Christus, zodat wij ons ook laten bevrijden uit die macht van de boze
en weer bij God gaan horen, door Christus in Gods gemeenschap leven.

Eerst lijkt het erop dat de boze gaat winnen en de duisternis het gaat winnen.
De menigte riep dat Jezus aan het kruis moest worden geslagen
en Pilatus geeft zich gewonnen en laat Bar-Abbas gaan
en geeft Jezus mee om gekruisigd te worden.
Lukas beschrijft in slechts een enkele zin wat er gebeurde:
Als ze op de heuvel aankomen, waar veroordeelden werden gekruisigd,
dezen ze met Jezus precies hetzelfde: ze maken Hem aan het kruis vast,
door Zijn handen en voeten te binden, of door Zijn handen en voeten vast te nagelen
en daarna het kruis met Jezus op te richten, zodat Hij daar hing tussen hemel en aarde.
De aarde wilde Hem niet meer, verbande Hem van de aarde en de hemel nam Hem niet op.
Uitgestoten van zowel aarde en hemel, hangend in een niemandsland.
Het kruis: een ergere dood kon je niet sterven,
want deze dood aan het kruis nam alle menselijke waardigheid van de gekruisigde af.
Dat was de betekenis van het kruis: degene die hier aan hangt,
is het niet meer waard om een mens genoemd te worden.
Niet door ons als mensen en en ook niet door God.
Daar hangt Jezus, met aan beide kanten van Hem een misdadiger.
Terwijl Jezus daar aan het kruis gebracht wordt en het kruis omhoog getild wordt,
spreekt Hij woorden uit, die niet zozeer voor mensen bedoeld zijn, maar voor Zijn Vader.
Een eerste teken dat de duisternis het niet gaat winnen op die heuvel.
Zo is Jezus koning, ook aan het kruis. Hij regeert met Zijn woorden
en Zijn woorden, die altijd de kracht hadden om zieken te genezen,
blinden de ogen te openen, doven hun gehoor terug te geven, doden op te wekken,
Zijn woorden hebben nu ook nog kracht, nu Hij aan het kruis geslagen is,
als Hij aan het kruis bidt tot Zijn Vader: Vader vergeeft het hun.
Dat is de reactie van de Zoon van God als Hij wordt afgewezen, wordt verstoten.
Hij doet wat Zelf wat Hij Zijn leerlingen heeft voorgehouden:
Maar Ik zeg tegen u die dit hoort: Heb uw vijanden lief; doe goed aan hen die u haten.
Zegen hen die u vervloeken, en bid voor hen die u belasteren.
Zo was het al aangekondigd toen de profeet sprak over de Knecht des Heeren
die zal lijden voor het hele volk: Hij heeft voor de overtreders gebeden.
Terwijl het duister wordt op Golgotha, omdat een wrede executie wordt uitgevoerd
en alle omstanders alleen maar kunnen spotten met die Man die daar hangt,
wordt in die woorden zichtbaar hoe Christus aan het kruis de duisternis doorbreekt
en sterker blijkt te zijn dan de macht van de boze.
Jezus bidt voor degenen die Hem aan het kruis brengen.
Zijn woorden zijn niet maar een vrome wens, Jezus die hoopt dat Zijn gebed wordt gehoord.
Nee, Zijn woorden hebben kracht en komen in de hemel aan
En worden verhoord omdat Jezus ze uitsprak, de Zoon des mensen,
de hemelse Rechter die over mensen oordeelt: Vader, vergeef het hun.
Zo regeert God door Christus: door Zijn liefde die redt.
Zo laat Christus Zijn macht aan het kruis zien:
Niet als geweldenaar die degenen die Hem aan het kruis bracht neerslaat,
maar voor hen bidt, zodat ook zij bevrijd kunnen worden uit de macht van de zonde,
Die boze macht, die hen tot deze daad aanzet, waardoor ze niet weten wat ze doen.
Zij weten niet wat ze doen. Terwijl ze als beul zijn opgeleid
en heel goed weten hoe ze iemand aan het kruis moeten slaan
zegt Christus dat ze niet weten wat ze doen en bidt daarom om vergeving.
Bidt Jezus voor de soldaten? Of bidt Hij ook voor de omstanders die spotten?
Bidt Hij voor de leiders van het Joodse volk die Hem aan het kruis hebben gebracht?
Ze weten niet wat ze doen, omdat ze niet weten Wie Jezus is. Ze kunnen het niet geloven.
Ze weten niet wat ze doen, omdat ze niet weten van het doel van Jezus’ komst,
Zijn missie om naar de aarde te gaan, Zijn weg naar Jeruzalem om te lijden en te sterven.
Dat is de slag die Jezus terugslaat, Zijn manier om de duisternis te breken,
om te bidden dat de zonde die hen gevangen houdt hen moet laten gaan
en dat er vergeving is voor al degenen die betrokken zijn bij Zijn kruisiging.
Zonder dat er sprake is van berouw. Zonder dat ze inzien wat ze doen.
Hij heeft voor de overtreders gebeden – en zo vervult de Knecht des Heeren Zijn taak,
laat Hij zien waarom Hij op aarde gekomen is.
Vergeving van zonden – dat is dat je daden je niet meer aangerekend worden.
Dat betekent dat ze niet meer tussen jou en God in staan.
Dat ze niet meer in rekening worden gebracht.
Ook die concrete daad, dat ze Jezus de nagels door Zijn handen en voeten sloegen,
ook dat roepen om Zijn dood aan het kruis, hun afwijzing van de door God gezondene.
Ook de gevolgen die dat had voor de relatie met God, de breuk die er was.
Daarom staat het kruis op Golgotha en daarom hing Jezus daar en gaf Zijn leven.
Zodat die zonden vergeven konden worden.
Zodat ook onze zonden vergeven kunnen worden.
Dat is wat het kruis zo cruciaal maakt, zo alles bepalend voor onze geschiedenis,
voor alle mensen die leven en geleefd hebben:  dat dit gebed ook voor ons geldt,
omdat Jezus Zijn leven ook voor ons gegeven heeft,
zodat ook voor ons die vergeving, die Jezus gebracht heeft, kan gelden.
Vader, vergeef het hun.
Jezus die bij Zijn hemelse Vader aanklopt, een appèl doet, bidt om vergeving.
Dat is een gebed, waarmee Jezus bidt dat ook wij, die veel later leven
en via de verhalen over de Bijbel horen over de kruisiging, die vergeving mogen ontvangen
en dat ook voor ons geldt dat onze zonden en alles wat we verkeerd hebben gedaan,
van ons afgenomen kan worden, vergeven kan worden, ons niet meer aangerekend worden.
Jezus brengt de soldaten, de Joodse leiders, het volk, iedereen brengt Hij bij Zijn Vader.
Ook ons brengt Hij bij Zijn Vader in de hemel: Vader, vergeef het hun.
Jezus’ woorden hebben macht, nog steeds.
Zoals het kruis en Zijn dood daaraan nog steeds effect heeft.
Jezus’ woorden aan het kruis halen ons uit de macht van de zonde
en Jezus’ sterven, Zijn overgave aan het kruis, zorgt ervoor dat er voor ons vergeving is.
Vader, vergeef het hun, want Ik heb Mijn leven gegeven.

Het bijzondere van het gebed van Jezus aan het kruis is dat er geen sprake is van berouw.
Dat heeft in de exegese voor aarzeling gezorgd: gaat het niet te makkelijk?
In de Bijbel moet toch altijd besef zijn van wat je gedaan hebt,
om van je zonden bevrijd te kunnen worden, is het toch noodzakelijk dat je berouw hebt.
Net als de zoon in de gelijkenis: Vader, ik ben het niet waard uw zoon genoemd te worden.
Of als die tollenaar in de gelijkenis: O God, wees mij zondaar genadig.
Dat ontbreekt hier: geen enkel besef dat ze iets verkeerds doen.
Dat komt pas later, op het tempelplein als Petrus tegen de mensen zegt:
Jullie hebben de messias gekruisigd, de Zoon van God, de door God gezondene.
Hier nog geen enkel inzicht.
Alleen de hamerslagen van de soldaten, die de spijkers door de handen en voeten slaan.
De soldaten die alleen maar een misdadiger zien, die ze moeten kruisigen.
Alleen de spot van de omstanders: Hij kan zichzelf niet eens redden,
ook al heeft Hij in Zijn leven zoveel anderen gered.
Bartimeüs heeft Hij gered. Zacheüs heeft Hij gered. Waarom Zichzelf dan niet?
Ze weten niet wat ze doen: Ze kunnen alleen maar Jezus afwijzen en bespotten.
Ze kunnen nog niet zien dat Hij daar hangt voor hen,
om de duisternis die hen gevangen houdt voor hen te verbreken,
de macht van de boze, waardoor ze niet weten wat ze doen,
omdat hun ogen verblind zijn en hun hart verhard.
Gelukkig is dat niet het laatste woord, want na Pinksteren blijkt
dat ook van deze mensen het hart verbroken kan worden en open kan gaan,
er geloof en berouw komt, bekering tot Christus.
Hier al is het gebed dat wat ze doen aan Christus hen niet aangerekend wordt,
Dat ze de gevolgen niet hoeven te dragen en dat ze bevrijd kunnen worden.
Paulus schrijft er over in Romeinen 5: God bevestigt Zijn liefde voor ons
dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.
Toen die mensen bij het kruis het nog niet door hadden
was Christus al voor hen gestorven.
Voordat wij begrepen dat het nodig is dat wij van die macht bevrijd worden
en losgemaakt worden uit de klauwen van de zonde
en hun schuld heeft weggedragen, nog voordat ze door hadden wat ze deden.
Dat is het wonder van het kruis. Dat is de genade van God.
Dat Hij al met ons bezig is en voor ons bezig was, voordat wij beseften,
voordat wij door hadden dat onze zonde van ons afgenomen moest worden
en voordat wij begrepen dat wij weer thuisgebracht moeten worden.
Vader, vergeef het hun. Toen is er al voor ons gebeden.
Toen al is dat gebed van Jezus voor ons verhoord, zodat wij ook zouden geloven,
Zodat ook wij die redding zouden ontvangen, die Jezus Zichzelf ontzegde.
Zodat wij het gaan beamen: Daar hing Hij voor ons, ook al hadden we dat eerst niet door.
Dat we het geloven: Hij droeg mijn schuld weg en zorgde ervoor dat Zijn Vader
ook mijn Vader in de hemel weer kon worden
en wij net als Jezus onze geest in Gods handen kunnen leggen als we sterven,
omdat we mogen weten dat God ons in Zijn heerlijkheid opneemt
en niet meer zal veroordelen, omdat Zijn Zoon dat oordeel gedragen heeft.
Voor die moordenaar klinkt het niet veel later:
Heden zult u  met mij in het paradijs zijn.
Onbegrijpelijk: iemand die een moord op zijn geweten heeft,
niet terugdeinsde om een gruwelijke daad te verrichten,
een familie in het verdriet heeft gestort door het leven van iemand te benemen,
een daad die wordt vergolden met de dood aan het kruis,
krijgt van Jezus te horen dat hij mee mag naar het paradijs,
Terwijl nog niet duidelijk is dat zijn berouw ook echt is en beklijft
en bereid is om het goed te maken.
Wij kunnen onze verkeerde daden ook niet goed maken.
We kunnen iets terugdoen, iets repareren, maar het helemaal goed maken
lukt niet, omdat er altijd de gevolgen zijn van onze zonden.
We kunnen alleen maar verder als ons vergeven wordt.
Dat kan alleen maar als Jezus Zijn leven geeft aan het kruis,
Als Hij met het offer van Zijn leven de macht van de duisternis breekt en ons bevrijdt.
Er moet eerst iets rechtgezet worden naar God toe
En omdat wij dat niet kunnen, doet God dat zelf, door Zijn Zoon te zenden.
Met Zijn dood verbreekt Jezus die duisternis, de macht van de boze,
Met Zijn dood zet Jezus de gevolgen van onze daden recht:
Dat wij tegen God kozen, de spot die er was, de afwijzing bij het kruis.
Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
Zij weten niet wat ze doen, omdat dit Gods weg was met Jezus.
Zijn Zoon die gezonden is, naar de aarde kwam met dat doel: het kruis.

Zijn missie is geslaagd. De strijd gestreden. De overwinning behaald.
Jezus kan het nu overgeven in de handen van Zijn Vader.
Het is goed zo. Het is volbracht.
De uittocht kan beginnen uit het rijk van de duisternis, uit de macht van de boze,
uit de macht van de zonde en de dood.
Vader, Ik kan Mij nu overgeven aan U. In Uw handen beveel Ik Mijn Geest.
Hiervoor moest Jezus komen en het is gebeurd.
We kunnen er alleen maar gelovig amen op zeggen.
We kunnen alleen maar ons in diepe dankbaarheid, diepe ootmoed overgeven,
vol verwondering, dat God dat voor ons over had en dat Jezus wilde gaan
en Zich niet heeft laten weerhouden of afleiden.
We zien bij de menigte, bij de Romeinse hoofdman na de dood van Jezus
dat ze beseffen dat er iets bijzonders is gebeurd, dat ook hen raakt.
Dit is geen gewone dood. Voorzichtig begint er iets te dagen van wat ze hebben gedaan.
Straks op het Pinksterfeest wordt het duidelijk:
Als Petrus hen voorhoudt wat ze hebben gedaan.
Maar dan is er voor hen ook die vergeving, waar Jezus voor gebeden heeft aan het kruis.
Vergeving, ook voor ons.
Want u komt de belofte toe, en uw kinderen en allen die veraf zijn,
zovelen als de Heere onze God naar zich toeroepen zal.
Amen

We moeten het weer meer over God hebben in de preek

We moeten het weer meer over God hebben in de preek
Recensie van Martin Nicol – Mehr Gott wagen. Predigten und Reden zur Dramaturgischen Homiletik

De preek en de kerkdienst hebben het in deze tijd niet makkelijk. Veel mensen in onze tijd zitten niet meer te wachten op een boodschap van God. Vaak is er sprake van desinteresse. Deze desinteresse geeft het beeld dat we leven in een samenleving waarin de afwezigheid van God vanzelfsprekend is. God wordt niet meer gemist.

Martin Nicol, emeritus hoogleraar Praktische theologie aan de Universiteit van Erlangen signaleert dat die vanzelfsprekende afwezigheid van God ook de kerkgangers en de kerkdienst beïnvloedt. In deze tijd waarin God niet meer gemist wordt is het ook moeilijker voor predikanten om het over God te hebben. Met zijn boek Mehr Gott wagen wil Nicol predikanten uitdagen om in een tijd waarin Gods afwezigheid vanzelfsprekend lijkt te zijn het meer over God te hebben.

We moeten het weer meer over God hebben in de preek. Dat lijkt voor de hand te liggen: elke preek gaat toch over God? Maar juist in een tijd en een samenleving waarin God niet meer vanzelfsprekend is, dreigt God ook uit de preek te verdwijnen.
2076
Altijd een waagstuk geweest
Nu is het nooit makkelijk geweest om te preken. De preek is immers een spreken over God en namens God en dat door een mens. Wie is als mens in staat en bevoegd om namens God te spreken? Is de menselijke taal wel toereikend om over God te kunnen spreken? Preken is in alle tijd een waagstuk geweest. Voor Nicol is de definitie van preken dan ook  het wagen om over en namens God te spreken. Voor preken is moed en durf nodig. Omdat het niet vanzelfsprekend is om het over God te hebben, maar ook omdat je als mens ook het risico loopt om je te vertillen.
978-3-525-57316-7_600x600
Spannend gebeuren
Preken is dan ook een spannend gebeuren, waarin twee werelden bij elkaar komen: de wereld van God en onze aardse werkelijkheid. In de kerkdienst wordt een kerkganger de werkelijkheid van God binnengeleid. Die werkelijkheid van God is net zo reëel als onze aardse werkelijkheid. Wel blijft die werkelijkheid van God een geheimenis houden. Die werkelijkheid is niet altijd zichtbaar en ervaarbaar.

Daarom helpt een kerkdienst en een preek de kerkganger om in die wereld te komen. In deze tijd waarin God niet meer gemist wordt is het des te urgenter de kerkganger te helpen om die werkelijkheid van God binnen te komen. Omdat voor Nicol in de kerkdienst en de preek deze twee werkelijkheden samenkomen, is de preek bij voorbaat een spannend gebeuren. Een saaie kerkdienst en een saaie preek kan eigenlijk niet.
safety-cover
Kunst van het preken
Een preek wordt niet spannend door te stellen dat de kerkdienst bij voorbaat een spannend gebeuren is. In een preek die gehouden wordt kan alle spanning weg zijn. Bijvoorbeeld door verkeerd taalgebruik, door gebrek aan respect voor het geheimenis, door een voordracht waarin er geen klik is met de luisteraar. Ook daarom is preken niet makkelijk en is preken een hele kunst. Nicol spreekt dan ook van de kunst van het preken. Hij schaart het preken dan ook onder de kunsten.

Leren van de kunsten
Net zoals schilderen, schrijven, componeren, drama, film, enz is preken een kunst. Van die andere kunsten kan de predikant veel leren als het om preken gaat. Van schrijvers en dichters kan geleerd worden welke taal je kunt gebruiken als je luisteraars in een andere wereld wil meevoeren. Van toneel kun je als predikant leren hoe je in een voordracht de luisteraars boeit en meeneemt en verplaatst in een andere werkelijkheid. Van muziek kun je leren hoe die andere wereld verklankt kan worden, waarbij het geheimenis toch geheimenis blijft.
Beethoven_Piano_Concerto_4_slow_movement_opening
Van dichters en schrijvers kan geleerd worden hoe een verhaal opgebouwd wordt. Samen met anderen heeft Nicol daarom een aantal jaar terug een taalatelier opgericht, waarbij predikanten zich oefenen in de creatieve kant van het schrijven van preken. Een preek spreekt voor hem in twee talen: in de taal van de theologie en in de taal van de kunst.

Dramaturgische homiletiek
In 2003 publiceerde Nicol een pamflet, waarin hij zijn visie op preken maken uitdagend uiteenzette. In 2006 publiceerde hij samen met Alexander Deeg een werkboek om te laten zien hoe zijn dramaturgische homiletiek in de praktijk werkte. Nicols visie heeft veel weerklank gevonden. Met dit boek blikt Nicol terug op wat zijn visie teweeggebracht heeft.

Zelf heb ik uit dit boek en eerdere boeken geleerd om mijn preken uitdagender en spannender te maken, meer te letten op de creatieve kant van de preek. Sinds Nicol ben ik als predikant bij de voorbereiding en tijdens het houden ermee bezig om luisteraars in de wereld van God binnen te brengen, waarbij ik ook bewust nadenk hoe ik dat kan doen. Wat ik vooral van Nicol geleerd heb, om plezier te hebben in het maken van preken door aandacht te besteden aan de creatieve kant.

Spanningen opzoeken
Ook heb ik van Nicol geleerd om bewust de spanningen op te zoeken. Voor Nicol zijn er 4 basisspanningen in de relatie tot God: de spanning tussen God en de wereld, tussen God en de mensen, tussen God en de machten en tussen God en de godsdiensten. In de preekvoorbereiding is het zaak om deze spanningen in de gaten te houden en bewust in te zetten.

Het vreemde van de Bijbeltekst
Bijvoorbeeld door oog te hebben voor het vreemde van de Bijbeltekst of de boodschap. Voor Nicol is die aandacht voor het vreemde ook principieel: Gods werkelijkheid heeft voor ons altijd iets vreemds, iets van een geheimenis. Daarnaast is spanning is een belangrijk thema voor hem, omdat in de kunst vaak bewust met spanning wordt gespeeld. De predikant kan van de andere kunsten leren hoe een preek bewust met de spanningen die er zijn om kan gaan en kan inzetten om de preek spannend te krijgen.

N.a.v. Martin Nicol, Mehr Gott wagen. Predigten und Reden zur Dramaturgischen Homiletik (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2019).

In gewijzigde en verkorte vorm opgenomen op de website van Het Goede Leven

“De vier pagina’s van de preek” – blog 11: Trouble in onze eigen wereld

“De vier pagina’s van de preek” – blog 11: Trouble in onze eigen wereld

Als Paul Scott Wilson in zijn preekmodel spreekt over ‘trouble’ heeft dat veel aspecten:

  • Gods opdrachten en eisen aan mensen
  • Menselijke zonde(n)
  • Gebrokenheid
  • Lijden
  • Niet willen of kunnen handelen

Waarom moet er eigenlijk over ‘trouble’ worden gepreekt?
Antwoord: omdat we in een gevallen wereld leven. Er is ‘trouble’ in ons en wij zijn in ‘trouble’. In Gods ogen zijn we schuldig. Als mens kunnen we dat aan de kant willen schuiven. Daarom hebben we het nodig om overtuigd te worden van onze zonde.

We hebben het nodig dat ons getoond wordt:
– dat onze wegen vaak doodlopen
– dat we onze vrijheid geregeld misbruiken
– dat onze onze sociale systemen ook te maken hebben met gebrokenheid
– dat onze oneigenlijke drijfveren tot naastenliefde ontmaskerd worden
– dat we beseffen hoe diep ons nee-zeggen tegen God gaat.

Er zijn gemeenteleden die betrokken zijn bij onrecht. Ook zijn er gemeenteleden die te lijden hebben gehad onder onrecht of daar nog steeds aan lijden. Lijden en gebrokenheid kan zich op vele manieren voordoen.


Het is nog niet eenvoudig om de zonde aan de kaak te stellen en de gebrokenheid te laten zien in de preek. Het is voor een preek van belang dat ‘trouble’ op een geloofwaardige manier aan de orde komt. Preken schieten vaak door naar het uiterste: of de ‘trouble’ komt te weinig subtiel in de preek aan de orde of juist veel te subtiel.

De volgende manieren kunnen de predikant helpen om ‘trouble’ in de preek aan de orde te stellen:

  • Ontwikkel een tweeledige visie op ‘trouble’:
    a) Trouble is verticaal: ‘trouble’ vanuit Gods ogen.
    – Bekeer je
    – Je mist God
    – Je hebt niet van je naaste gehouden als van jezelf
    – Ga naar de kerk
    – Je zou meer moeten doen
    – Eer je ouders
    – Je bent verkeerd
    Het risico voor de predikant is om de verticale ‘trouble’ zo te preken, dat de predikant zelf torenhoog uittorent boven de gemeente.
    Deze vorm van ‘trouble’ klinkt vaak in de imperatief (gebiedenden wijs).

    b) Trouble is horizontaal: trouble als een spiegel, reflecterend op de gevolgen van de val, de gebrokenheid van systemen, lijden van de kwetsbaren.
    – We leven in een angstige tijd
    – Deze vrouw lijdt aan kanker
    – Voor velen lijkt het leven betekenisloos
    – De oorlogen houden niet op
    – We hebben met racisme te maken
    – De opwarming van de aarde bedreigt het leven zoals we dat kennen
    – De vicieuze cirkels van kindermisbruik worden niet doorbroken
    – Velen zwerven dakloos over straat
    Deze vorm van ‘trouble’ klinkt vaak in de indicatief (beschrijvend)

    De ‘trouble’ komt vanuit het geloof ter sprake. Geen enkele ‘trouble’ is sterker dan Gods macht. Wilson constateert dat gemeenten vaak eerder openstaan voor de horizontale ‘trouble’, zeker als ze het op zichzelf moeten betrekken. Het is verstandig als je als predikant weet welke vorm van trouble je aan de orde moet stellen en of je de imperatief of de indicatief moet gebruiken.

  • Als je ‘trouble’ aan de orde stelt in de preek, laat het niet beperkt zijn tot de directe omgeving maar varieer en stel ook wereldwijde problematiek aan. Wanneer de trouble alleen uit de eigen omgeving komt, maak je als predikant Gods wereld erg klein.

  • Houd vroomheid en recht bij elkaar. In het Oude Testament werd geloof niet losgemaakt van de zorg voor de zwakken en kwetsbaren. De kerk is in heden en verleden vaak betrokken (geweest) bij de strijd tegen onrecht.

  • Zorg ervoor dat ‘trouble’ in de preek gekoppeld is aan de genade (dat is in het preekmodel van Wilson het handelen van God in het heden). Op elke pagina van de preek komt Christus naar de luisteraar toe. Het is niet de taak van de predikant om informatie door te geven, maar om het evangelie te verkondigen.


Aan het einde van Pagina 2 (‘trouble’ in onze eigen wereld) maakt de predikant een belangrijke overstap van de ‘trouble’ naar de genade en het handelen van God. De vragen van de luisteraars worden meegenomen en in verband gebracht met Gods handelen. Ons verlangen, onze nood, ons lijdt gaat God ontmoeten.

Het theologisch gebruik van verhalen om ‘trouble’ uit te werken
Volgens Wilson zijn er 3 manieren om ‘trouble’ uit te werken:

  • Verhalen over Gods oordeel over mensen
  • Verhalen die laten zien hoe de mens er aan toe is na de zondeval
  • Verhalen over Christus als lijdende knecht, waarin Christus lijdt aan onze zondigheid en gebrokenheid.


N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon. A Guide to Biblical Preaching (Nashville, 2018) 111-127

Deze tijd vraagt om confronterende prediking 

Deze tijd vraagt om confronterende prediking 

Een jaar of 16 was ik toen ik voor het eerst de Johannespassion van Bach hoorde. Een docent van de middelbare school had kaartjes met korting bemachtigd en een aantal leerlingen mocht mee. Ik kende het stuk niet. Van begin tot eind was het een overweldigende ervaring. Het openingskoor, de verschillende aria’s, de dramatiek, het maakte allemaal een enorme indruk op mij. Ik werd meegenomen in het lijdensverhaal van Christus. Zelden was ik zo dicht bij Christus gekomen. Bach betrekt de luisteraar er bewust in. 

Dat de kerkdienst ook zo’n overweldigende ervaring zal zijn, hopen veel kerkgangers. Ze hopen dat ze op zondag in de kerk een soort Bachervaring hebben, waardoor ze dicht bij Christus komen en ook dat ze er zelf bij betrokken worden. Dat hebben ze nodig om gevoed te worden in hun geloof. Vaak gaat dat verlangen niet in vervulling. Ze missen wat, maar kunnen niet onder woorden brengen wat.

Visie op de gemeente
Binnen de kring van de Gereformeerde Bond wordt de laatste jaren vaak de noodklok geluid: de prediking verandert en niet in gunstige zin. De luisteraar wordt niet meer aangesproken. Vooral mist men de confronterende aanpak, waarbij je als luisteraar voor de heilige God wordt gedaagd, waardoor je je schuld beseft en ook je vrijspraak in Christus hoort. De prediking zou daardoor vervlakken. Men zoekt naar een reden: waarom is deze aanpak verdwenen? Is de visie op de gemeente veranderd? Gemeenteleden worden niet meer gezien als ‘tweeërlei kinderen van het verbond’. Daarmee wordt bedoeld dat niet elke kerkganger een levend geloof heeft. Gaan predikanten ervan uit dat het wel goed zit met iedereen die in de kerk zit? Dat er geen waarschuwing meer nodig is? Die indruk leeft, maar deze kritiek heb ik altijd net iets te makkelijk gevonden.

Willen en doen
Zelf krijg ik die opmerking ook weleens van gemeenteleden: “Bij jou komt iedereen in de hemel.” Dat verbaast mij. Ik zou wel willen, maar daar ga ik niet over. Het is in ieder geval niet mijn insteek bij het maken van mijn preken. In mijn preken gaat het over wat gemeenteleden missen. Onlangs las ik een interview terug dat ik een aantal jaar geleden had met dr. Bert de Leede voor Maandblad Réveil. Het ging over hoe je over Christus kunt preken. De Leede zei toen: ‘In de verkondiging moet er veel sterker geïdentificeerd worden met het Woord van God, met de stem van Jezus. Zodat de hoorder de ervaring opdoet: Christus staat in ons midden. Hij staat midden in mijn leven. En Hij spreekt ons aan: “Sta op, o mens!” “Zweer de duivel en de zonde af!” “Ik veroordeel u niet!”’ De confronterende manier mag niet worden geschuwd: ‘Er is sprake van een breuk tussen God en mens. Verkondiging maakt scheiding. Als het voor hen geldt, moeten gemeenteleden ook kunnen zeggen: “Ik zit hier zonder bruiloftskleed. Ik sta er buiten!” Dit moet niet afgezwakt worden.’
Ik las deze woorden voor aan mijn vrouw. Ze keek mij meewarig aan en zei: ‘Zo preek jij niet.’ Die opmerking maakte mij duidelijk dat er een verschil is tussen wat ik zou willen in de preek en wat ik daadwerkelijk doe.

Preken voorbereiden is niet makkelijk. Ik vergelijk het wel eens met het componeren en uitvoeren van een Bachcantate. Een preek componeren en uitvoeren moet in één week tijd gebeuren en kost veel creatieve energie. De exegese gaat vaak nog wel. Maar dan de preek zelf. In de voorbereiding maak je zoveel keuzes en neem je zoveel beslissingen, dat het eindresultaat op de kansel op zondag kan afwijken van wat je daadwerkelijk wilt zeggen, zonder dat je dat zelf door hebt. In de beoordeling van preken moet meegenomen worden dat er een verschil kan zijn in intentie en uitwerking.

Kerkgang niet genoeg?
Voor de insteek van de preek maakt het uit of je als predikant mild of kritisch bent ten aanzien van de gemeente. In de loop der jaren ben ik door zowel het pastoraat als het voorgaan in de diensten onder de indruk geraakt van het geloof van gemeenteleden en ook van wat ze vanuit hun geloof doen voor anderen, zonder dat ze dat vaak zelf goed onder woorden kunnen brengen.

Er bestaat een bepaalde kritische visie op de gemeente – namelijk dat het bezoeken van de kerkdienst niet genoeg is. Ik kan niet zo goed overweg met deze gedachte. In meer gereformeerde en evangelische hoek gaat het erom dat kerkgangers ook hun steentje dienen bij te dragen. In bevindelijke hoek is kerkgang alleen niet genoeg, omdat je een waar geloof moet hebben. Maar de eredienst is het hart van de gemeente. Deelnemen aan de kerkdienst is niet zomaar iets. Naar mijn idee wordt daar in beide gevallen aan voorbijgegaan. Iemand die een kerkdienst bezoekt, kan per definitie niet alleen consument zijn. Alleen al vanwege de moeite die hij neemt de kerkdienst bij te wonen. Bovendien doet een kerkdienst altijd wat met de bezoeker. Is het niet door de preek, dan wel door het zingen of door de zegen, of door het gewoon ‘er zijn’ in de kerk, onder andere kerkgangers. Ze brengen wat en ze halen wat. Wat ze meebrengen voor zichzelf, voor de opbouw van hun geloof en de versterking van hun relatie met Christus valt niet altijd expliciet in woorden uit te drukken.

De gemeente aanspreken
Wanneer gesproken wordt over een vervlakkende prediking, worden meestal voorbeelden van vroeger aangehaald. De naam van ds. G. Boer wordt genoemd, of die van een andere vooraanstaande predikant uit het verleden. Ook wordt wel gezegd dat preken uitgaan van een lievige God, waarbij de gemeente niet geconfronteerd wordt met zonde of ongeloof. Laten we ervan uit gaan dat hier geen sprake is van nostalgie, maar dat men probeert onder woorden te brengen wat men mist. Vaak is dat de hierboven geschetste confronterende prediking. Dan is wel de vraag: waarom wordt deze vorm van preken zo gemist? Is er iets misgegaan in de overdracht?

Bij het maken van preken, zijn twee kanten te onderscheiden. De principiële kant: preken is het aanspreken van de gemeente in de naam van Christus. Maar er is ook altijd een praktische kant: Hoe doe je dat? Welke woorden gebruik je? Hoe gaat dat aanspreken van de gemeente? Welke plek neemt dat in de preek in? Dat zijn punten die iemand niet komen aanwaaien als hij een preek moet maken. Er moet op geoefend worden. Er moet nagedacht worden over wat goede praktijken zijn en wat niet.  We staan voor de uitdaging deze stijl opnieuw uit te werken voor deze tijd.

Geen materialen
Wat mij opvalt, is dat er nauwelijks materiaal is, waarin nagedacht wordt over een preekstijl waarin het confronterend aanspreken van de gemeente een plaats heeft. Als er geen materiaal voor is, is er kennelijk ook geen aandacht voor. Dan is het ook niet verwonderlijk dat deze preekstijl niet meer gehanteerd wordt.

Maar het ontbreken van het materiaal kan nooit de enige verklaring zijnvoor het uitblijven van een confronterende manier van preken. Heeft dat misschien met deze tijd te maken, waarin we niet veel meer van elkaar als gelovigen durven vragen en elkaar niet meer durven aan te spreken? Bijvoorbeeld uit angst dat mensen wegblijven of overstappen naar een andere gemeente?

Toch blijft een confronterende prediking nodig. “Zeg waar het op staat”, zeggen gemeenteleden weleens tegen mij. “Pak ons bij de lurven als het nodig is.”

Ik heb moeten leren dat gemeenteleden soms zo’n confrontatie nodig hebben om verder te groeien in geloof. Dat vraagt van mij wel, dat ik die confrontatie aandurf. En dat kan alleen als ik als predikant de gemeente ken in de sterke en zwakke kanten. Zo’n confrontatie werkt alleen als ik als predikant respect heb voor de gemeente. Ook is geloof nodig, dat God zelf de gemeenteleden door middel van de preek aanspreekt.

Verschenen in Maandblad Réveil. Bewerking van een eerder blog. 

“De vier pagina’s van de preek” – blog 10: Filmen van ‘trouble’ in de Bijbel

“De vier pagina’s van de preek” – blog 10: Filmen van ‘trouble’ in de Bijbel

Elke preek die op de Bijbel is gebaseerd belicht iets van ‘trouble’. In het preekmodel van Paul Scott Wilson gaat het er om dat die ‘trouble’ met woorden wordt verfilmd.

In dit preekmodel is ‘trouble’ in de Bijbel pagina 1. De ‘trouble’ die hier aan de orde komt is het omgekeerde van de boodschap van de preek.
images (1)
Paul Scott Wilson heeft de volgende tips bij het verfilmen in woorden van ‘trouble’. Zie voor de algemene richtlijnen voor verfilmen in woorden hier.

    • Werk ‘trouble’ uit. Niet door de Bijbeltekst te herhalen maar door daarbij de discussie over een Bijbeltekst te verwerken.
      In een preek over Lukas 10:25-37 doet Samuel D. Proctor dat: Jezus begint: “Een zeker man…” Hij vertelt daarbij niets over uit welke stam deze man komt, wat zijn ras is, zijn clan, zijn sociale klasse, zijn dialect en zelfs niet de taal die hij sprak. Wij weten daar niets over. Waarom zouden we kenmerken moeten weten? Jezus laat al die informatie achterwege! Gewoon homo sapiens. Dat is alles. Een zeker man, dat zou iedereen kunnen zijn, was gewoon onderweg van Jeruzalem naar Jericho. Als we vragen naar de achtergrond van de man, ruïneren we het hele verhaal. Jezus wil vanaf hier vertrekken.
      De reis was 17 gevaarlijke mijlen door een eenzame, droge, ruwe woestijn. Vandaag de dag nog steeds 17 eenzame mijlen. Het was bekend dat rovers en dieven de reizigers aanvielen. Deze man was geslagen door dieven en bleef halfdood achter. In het verhaal dat Jezus vertelt hebben ze de man zijn kleren uitgetrokken, zodat hij niet geïdentificeerd kan worden aan de hand van zijn kleren. Wij kunnen niets zeggen over de snit van zijn kleding. We kunnen niet vertellen of de man arm was met een goedkoop geweven stuk kleding of een rijke man die stof van dure purper droeg en zorgvuldig gemaakt.  We hebben geen enkele aanwijzing om onze vooroordelen hun gang te laten gaan. Alleen maar “een zeker man”. Jezus laat hem naakt achter, zodat we geen enkele aanwijzing met betrekking tot zijn status hebben. Hij heeft niets gezegd, zodat we zijn accent niet kunnen horen. We weten niet of hij “sjibbolet” zei of “sibbolet”.
      Zo, omdat hij daar lag zonder kleren en zonder iets te zeggen kunnen we niet zeggen wie daar lag. Jezus wilde dat we ons zouden focussen op het lijden van de man. Jezus liet elk detail achterwege. Hij was gewond! Zonder kleren en zwijgzaam lag de man daar. Hij kon iemand zijn van ons eigen ras en onze eigen klasse. Hij kon van een ander ras en een andere klasse zijn.  Jezus laat in het verhaal alleen een mens in nood, halfdood, in elkaar geslagen, beroofd ten tonele komen. Wij weten niet of hij een goede opleiding had of hij arm was. We weten niet uit welke familie hij kwam en in welke stad hij leefde. Zwaar ademend, bloedend, bijna dood – deze “zekere man” was achtergelaten om te sterven.
      511h28bhz5l._sx334_bo1,204,203,200_
    • Werk de vraag of het verlangen van de luisteraar uit.
      Wilson geeft een voorbeeld van een eigen preek over Johannes 3:1-20. Boodschap is: ‘God brengt Nicodemus tot geloof’. Pagina 1 van de preek is: ‘Nicodemus verlangt ernaar God te ervaren’. De vraag van de luisteraar, die in de preek wordt opgepikt is: ‘Hoe kan ik God ervaren?’ Het antwoord komt via pagina 3 (God brengt Nicodemus tot geloof) bij pagina 4: ‘God brengt ons tot Jezus’.
      Nicodemus is een man met een innerlijk conflict. Zelfs als hij zich haast door het stormachtige duister door de nauwe geplaveide straten van het oude Jeruzalem ligt zijn hoofd overhoop met zijn hart. Het kind in hem rebelleert tegen de volwassene. Er woedt een strijd onder zijn huid. ‘Zal ik gaan?’ vraagt hij zich af als hij zijn weg gaat langs slapende honden. ‘Zal ik gaan? Zal een rechter van de hoge raad naar een wonderdoener van boerenafkomst, die vandaag de tafels in de tempel heeft omgegooid?’ Hij trekt zijn hoed ver over zijn gezicht en beklimt de Olijfberg naar de plek waarvan gezegd werd dat Jezus daar gevonden kan worden.
      Hij weet nauwelijks wat hij wil zeggen. Hij vindt Jezus vlak bij de top, waar hij zit bij een klein kampvuur. Nicodemus stapt uit de schaduw van het duister in de lichtkring van het kampvuur, doet zijn hoed af, wacht en zegt dan op de bedachtzame toon, die hij leerde tijdens het onderwijs over de wet: ‘Rabbi, wij weten dat u een leraar bent, die door God is gezonden. Niemand kan deze tekenen en wonderen doen die u doet, zonder de aanwezigheid van God.’ En dan opeens, weet hij welke woorden hij heeft voor wat er in hem omging, waar hij eerst de vinger nog niet op kon leggen: hij bespeurt in Jezus de aanwezigheid van God. Hij weet veel over God. Hij heeft over God gestudeerd vanaf zijn kindertijd, jaren besteed aan het bestuderen van de Schrift en de rabbijnse wet. Maar hij weet niets van de aanwezigheid van God. Hij heeft veel informatie over GOd, maar verlangt naar een ervaring van God, de werkzaamheid van God in zijn leven. Je kan naar een theologische universiteit gaan en niets van God weten. Hij voelt te beschaamd om dat tegen iemand anders te zeggen, in verlegenheid gebracht door zijn verlangen naar God, hij voelt zich dwaas in zijn verlangen naar geloof. Hij durft nog niet te geloven dat de God naar wie hij zo verlangt hem op weg gebracht heeft om Jezus te ontmoeten.
      [Pagina 2] Veel mensen verlangen ernaar iets van God te vernemen in hun leven, zelfs zonder het te weten. Er is niet zoveel tijd vandaag de dag voor God. Twee jonge vrouwen komen elkaar tegen bij Starbucks…

 

  • Gebruik een bepalend beeld
    Barbara Brown Taylor gebruikt het beeld van Lukas als arts om eenheid in de preek te creëren:
    Ik denk dat Lukas nooit zijn werkzaamheden als genezer heeft beëindigd. Hij is alleen van medicijnen veranderd. In plaats van kruiden en specerijen voor te schrijven, warme compressen en bedrust. vertelt hij verhalen vol kracht om gebroken levens te verbinden en bange harten nieuwe kracht te schenken. In plaats van pillen en toverdrank stopt hij woorden in zijn zwarte tas, woorden zoals: ‘huil niet meer’, ‘wees niet bevreesd’, ‘uw zonden zijn u vergeven’, ‘sta op en wandel’. Zijn medicijn is het medicijn van het evangelie, wat Jezus’ medicijn was. Een medicijn dat werkte, vreemd genoeg, door middel van woorden.

  • Prikkel de zintuigen
    In een preek over Handelingen 16:16-40 werkt John M. Rottman levendig en vol humor uit hoe Paulus en Silas zingen in de gevangenis:
    Daar zitten ze in de inktzwarte duisternis van deze vochtige gevangenis. Onterecht beschuldigd, tot bloedens toe geslagen, hun voeten in blokken. Zij hebben verkondigd hoe Jezus de Heer van de wereld was, de redder van de kosmos. Elk klein hoekje van deze wereld behoort Hem toe. En nu overkomt hen dit.
    Paulus stelt voor om te gaan zingen.
    ‘Zingen? Nou, vooruit,’ zegt Silas weinig enthousiast, ‘jij begint.’
    Paulus begint te zingen uit Psalm 9 (misschien was het de oude berijming uit het oude psalmboekje van lang geleden):
    Ik zal met al mijn hart den Heer’,
    blijmoedig geven lof en eer.
    Je kunt Paulus onmiskenbare bas de psalm vol overgave horen zingen. Silas gaat meezingen met een onzekere tenorstem.
    Mijn tong zal mijn gemoed verzellen
    en al Uw wonderen vertellen.
    Twee Joodse mannen van middelbare leeftijd die een thuis zoeken in deze donkere wereld door samen een psalmduet te zingen. Je kunt je erover verbazen. Jezus is Heer van deze wereld. Elk klein hoekje behoort hem toe. Werkelijk!

  • Werk intermenselijke ‘trouble’ uit om empathie op te wekken
    In een preek over Hosea en Gomer vertaalt werkt Brown Taylor dit levendige beeld van de relatie tussen God en Israël uit:
    Op dit moment blijft de regen achterwege en de koeien geven weinig melk. Gomer was vertrokken. Ze had niet eens een briefje achtergelaten op de keukentafel: “Ik ben ergens anders naar toe gegaan waar ik het beter kan krijgen.” Waar is zij naar toe gegaan? Naar andere minnaars, die haar beloofden te geven waar haar hart naar verlangde? Met Baäl was er geen somber gepraat over betrokkenheid of eer, geen waar-was-je-afgelopen-nacht of heb-je-wel-eens-gedacht-wat-je-de-kinderen-aandoet. Alles was spontaan. Je deed wat je ingegeven werd, net zoals je voelde wat je ingegeven werd. De enige regel was dat je je er goed bij voelde op dat moment. Niemand kent je naam en je kent niemand anders naam. Maar dat deed er niet toe. Het enige dat er toe deed was dat je voelde dat je leefde op een fijne, intense manier. Israël kwam altijd weer thuis als ze genoeg had gekregen, of op de momenten dat ze realiseerde dat het gras aan de andere kant helemaal niet zo groen was als het leek. Op een morgen zou Jahweh de voordeur horen slaan en haar ruiken voor Hij haar zag: de geur van de sigaretten, haar muffe kleren, van oud bier. Dan zal ze de kamer binnenkomen en tegen de deuropening leunen en naar Hem kijken, een snee in haar bovenlip, een blauwe plek op haar bovenarm ten teken dat iemand haar hard had beetgepakt. Thuisgekomen bij haar echtgenoot, waar Hij haar bij de hand neemt en haar meeneemt naar het bad, haar de kleren uitdoet en zij haar magere armen omhoog doet voor hem zoals een kind.

  • Verfilm de tekst vanuit een verrassend perspectief
    Haddon Robinson werkt de ontmoeting tussen de slang en Eva uit als een film:
    De satan is niet alleen als persoon vermomd, hij vemomt ook zijn bedoelingen. Hij zegt niet: ‘Ik ben hier om je te verleiden.’ Hij wil alleen een godsdienstige discussie. Hij wil met haar discussiëren over theologie. Hij heeft niet de intentie om over zonde te praten. De slang opent de discussie door te vragen: ‘Heeft God echt gezegd: “Je mag van geen enkele boom eten?”’ Daar kun je niet over discussiëren. Satan wil alleen opheldering. ‘Kijk, ik wil dat je zeker bent van je exegese. Ik wil helder hebben wat God met je van plan is. Heeft Hij echt gezegd dat je nergens van mag eten?’ Je ziet het, de duivel is godsdienstig. Hij komt niet bij je aankloppen op de deur van je hart door te zeggen: ‘Mag ik een half uurtje van je leven en ik zal je daardoor naar de ondergang brengen.’ Nee, hij wil alleen maar met je praten over theologie. Hij wil alleen maar Gods woord interpreteren. Het is mogelijk, nietwaar, om over theologie te discussiëren, waarbij we onze ondergang tegemoet gaan. We kunnen niet op een abstracte manier over God spreken, als Hij een wiskundige formule is. Je kunt een theologie erop nahouden die je ertoe aanzet God ongehoorzaam te zijn.

    Nancy Hastings Sehested gebruikt voor een preek over Exodus 1:8-22 het verrassende perspectief van de 2 vroedvrouwen. Boodschap van de preek: ‘De God die leven schenkt begeleidt ons’.
    Farao had geen idee wat hij vroeg… Maar Sifra en Pua wisten wie zij waren. Zij wisten dat het hun roeping was om het leven te ondersteunen, niet om te assisteren bij het sterven. Zij wisten dat zij in Farao’s ogen geen macht hadden. Zij lieten Farao zijn gang gaan – om zijn eigen gedachten te hebben, om het op zijn eigen manier te doen. Ondertussen gingen zij door om het leven te ondersteunen. Het duurde niet lang voordat Farao erachter kwam dat zij hem ongehoorzaam waren. Hebreeuwse vrouwen wandelden met hun pasgeboren zoontjes om die baby’s vol trots aan anderen te tonen. De vroedvrouwen werden op het matje geroepen. ‘Ik kan geen burgerlijke ongehoorzaamheid tolereren in dit land,’ zegt Farao.
    De vroedvrouwen keken Farao recht in de ogen aan en beweerden met droge ogen dat de Hebreeuwse vrouwen hun kinderen zoveel sneller op de wereld brachten dan de Egyptische vrouwen en dat de kinderen, die zij baarden, al gevoed en gebakerd in de wieg lagen op het moment dat zij arriveerden. Sifra en Pua moesten vast gedacht hebben dat zo’n nobele leugen gemakkelijk door Farao geloofd zou worden. Want wat weet een Farao nou van kinderen die geboren worden? Wie zijn onze Farao’s nou eigenlijk?

  • Creëer een gebeurtenis; reporteer zo’n gebeurtenis niet
    We slogan toon, vertel niet omvormen in verbeeld, reporteer niet. Roep een ervaring op. Geef niet slechts een opsomming van feiten. Ook niet als het gaat om maatschappelijke of sociologische gegevens.
    Martin B. Copenhaver geeft daarvan een voorbeeld in een preek over Lukas 14:12-24:
    Jezus vertelde hoe je een feestje moest geven, terwijl hij zelf aanwezig was tijdens een feestje dat door een heel belangrijk persoon werd gegeven, een van de voorbeeldige personen, een toonaangevend figuur. Aan de tafel zaten invloedrijke priesters, succesvolle priesters en andere personen van maatschappelijk belang. (….) Tijdens deze feestmaaltijd, terwijl ze de koosjere kwartelpastei doorgaven, zei Jezus: ‘Als je een diner of een etentje geeft, nodig dan niet alleen je vrienden of je broers of je familie uit of je rijke buren, die jou op hun beurt ook weer zullen uitnodigen.

    Uit een andere preek van Copenhaver. Dit keer over Lukas 12:16-21:
    Ik probeer me voor te stellen hoe het zal zijn om door de weduwe van de rijke dwaas gebeld te worden. Dat is niet zo moeilijk voor te stellen, want ik krijg geregeld zulke telefoontjes. De boer is net overleden, zijn vrouw in shock. Ze vraagt: ‘Wat behoor ik nu te doen? Niemand heeft me verteld hoe ik dit moet doen.’ Al sprekend zoekt ze naar wat ze moet doen, en ik volg haar en luister alleen maar. Dan bespreken we de afscheidsdienst. Ik stel haar enkele vragen over haar man die nog maar pas is overleden. U weet dat ik hem niet zo goed ken. Ik kwam hem maar af en toe tegen. Maar nu we de afscheidsdienst voorbereiden, wil ik me een beeld vormen van de hele persoon, omdat ik in de overdenking de hele persoon recht wil doen en niet alleen die enkele vluchtige momenten dat we elkaar tegenkwamen. Daarom vraag ik haar: ‘Wat was belangrijk voor hem?’ De weduwe antwoordt: ‘Zijn familie is – was – heel erg belangrijk voor hem. Hij was echt trots op zijn kinderen, hoewel ik niet zeker weet of ze dat wel weten. Maar hij sprak vaak over hen. Zijn portemonnee was gevuld met hun foto’s.’ Ik vraag haar: ‘Waar besteedde hij zijn tijd aan?’ Zij antwoordde: ‘Met werken op de boerderij. Hij was erg succesvol. Aan de andere aspecten van het leven kwam hij niet echt toe. Ik heb het hem ook niet altijd makkelijk gemaakt. Ik wilde hem geregeld vragen wanneer hij zou stoppen om meer tijd voor elkaar te hebben. Hij zou mij steeds proberen gerust te stellen met woorden als ‘morgen’ of ‘binnenkort’, ‘dit ga ik niet eeuwig doen’, ‘op een dag’, ‘ik beloof je’. Hij meende dat echt. Ik weet dat hij dat meende.

  • Verfilm het verhaal door de context voor te stellen
    In de Week van Gebed voor de Eenheid van de Christenheid preekte Wilson over Romeinen 8:14-27. Brieven uit het Nieuwe Testament kunnen gemakkelijk als abstracte essays worden ervaren. Daarom wilde Wilson het Bijbelgedeelte dichterbij halen door aandacht te schenken aan de locatie van zowel degene die de brief schrijft als degenen die de brief ontvangen:
    Ons tekstgedeelte uit de brief van Paulus aan de Romeinen is een van de meest overvolle gedeelten uit het het Nieuwe Testament. Christenen roepen in hun lijden: ‘Abba, Vader’. Tegelijkertijd getuigen ze als kinderen van God. ‘De hele schepping’, schrijft Paulus, ‘kreunt in barendsnood tot nu toe.’ ‘Wij zelf’, voegt hij eraan toe, ‘kreunen ook innerlijk, terwijl we wachten op onze “adoptie”, de uiteindelijke “redding van onze lichamen”. En zelfs de Heilige Geest, die tot God bidt vanwege de kerk, komt tussenbeide met verzuchtingen die te diep zijn om te verwoorden. Het Griekse werkwoord stenazo betekent zuchten of kreunen, kreunen die te diep zijn om onder woorden te brengen. Zelfs de Heilige Geest zucht voor de kerk, verlangt naar de vervulling van Gods doelen.
    Waarom legt Paulus de nadruk op dat kreunen en zuchten? Paul schreef aan de kerk in Rome vanuit Korinthe, waar hij overwinterde, een schuilplaats had voor de winter. In zijn gedachten zijn die zuchten. Wellicht kreunt het houten dak onder het gewicht van de sneeuw of de bevroren regen en de arctische winden. Of hoort hij het kreunen van de houten schepen, die in de haven naast zijn huis zijn aangemeerd. Misschien hoort hij wel het kreunen van de vrouw in het huis naast hem, die aan het bevallen is van een baby. Want hij schrijft: ‘De hele schepping is in barendsnood tot nu toe.’ Wellicht roept hij zijn eigen kreunen in herinneringen, als hij terugdenkt aan de laatste marteling: zoals hij ergens anders schrijft: veertig stokslagen min één, drie keer geslagen met een roede, een keer gestenigd, vaak halfdood achtergelaten en in in veel gevallen zonder eten, schuilplaats en kleren. Misschien zucht hij wel hardop als hij zijn brief dicteert aan Tertius, zijn secretaris, die bij hem zit bij het licht van de flakkerende kaars in een tochtig huis, en zijn woorden opschrijft. Want we weten dat Paulus is geraakt door de verdeeldheid in de kerk. Heeft hij niet de verdeeldheid in de kerk van Korinthe pas proberen te overwinnen?
    als de lente komt en het weer veilig genoeg is om uit te zeilen over de Middellandse Zee om op de winden uit Afrika voortgedreven te worden, moet hij zich inschepen om  naar Jeruzalem te gaan om daar een scheuring proberen te voorkomen. Hij heeft bij de Griekse kerken geld ingezameld voor de armen in Jeruzalem. Sommigen in Jeruzalem hebben gezegd dat Paulus’ gemeenten afvallig zijn en dat Paulus zelf een afvallige is. Paulus zucht als hij denkt aan de mogelijkheid dat de kerk van Christus kan scheuren. Na Jeruzalem is Paulus van plan om door te zeilen naar de zeven heuvels van Rome om daar iets aan de verdeeldheid te doen. Enkele jaren geleden heeft de keizer Claudius de Joodse christenen uit Rome verbannen. Nu Claudius overleden is, vergiftigd door zijn vrouw, zijn de bannelingen na 6 jaar teruggekeerd naar hun oude gemeenten. Nieuwe leden vormen altijd een bron van conflict. Overal zijn problemen en alles wat Paulus verkondigt heeft met de eenheid van het lichaam van Christus te maken.

  • Ken de karakters
    De predikant moet de Bijbelse persoon tot leven wekken, net of het voor de luisteraar een mens van vlees en bloed is, die op dit moment leeft.
    In een preek stelt Suzan D. Johnson Esther de vraag wat het is om deze persoon te zijn.
    Esther was een Joodse vrouw die in Perzië leefde. Zij was in dat land gekomen op dezelfde manier AfroAmerikanen in de VS aankwamen: door middel van slavernij. Zij was tweede generatie van degenen die als slaaf waren weggevoerd. Niemand, behalve haar oude oom Mordechai, wist dat zij Joods was. Dat was een geheim. Hoe voelt dat om je identiteit te verbergen? Als je jezelf niet bekend kunt maken? 

 


N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon. A Guide to Biblical Preaching (Nashville: Abingdon Press, 2018) 95-107.