“De vier pagina’s van de preek” – blog 11: Trouble in onze eigen wereld

“De vier pagina’s van de preek” – blog 11: Trouble in onze eigen wereld

Als Paul Scott Wilson in zijn preekmodel spreekt over ‘trouble’ heeft dat veel aspecten:

  • Gods opdrachten en eisen aan mensen
  • Menselijke zonde(n)
  • Gebrokenheid
  • Lijden
  • Niet willen of kunnen handelen

Waarom moet er eigenlijk over ‘trouble’ worden gepreekt?
Antwoord: omdat we in een gevallen wereld leven. Er is ‘trouble’ in ons en wij zijn in ‘trouble’. In Gods ogen zijn we schuldig. Als mens kunnen we dat aan de kant willen schuiven. Daarom hebben we het nodig om overtuigd te worden van onze zonde.

We hebben het nodig dat ons getoond wordt:
– dat onze wegen vaak doodlopen
– dat we onze vrijheid geregeld misbruiken
– dat onze onze sociale systemen ook te maken hebben met gebrokenheid
– dat onze oneigenlijke drijfveren tot naastenliefde ontmaskerd worden
– dat we beseffen hoe diep ons nee-zeggen tegen God gaat.

Er zijn gemeenteleden die betrokken zijn bij onrecht. Ook zijn er gemeenteleden die te lijden hebben gehad onder onrecht of daar nog steeds aan lijden. Lijden en gebrokenheid kan zich op vele manieren voordoen.


Het is nog niet eenvoudig om de zonde aan de kaak te stellen en de gebrokenheid te laten zien in de preek. Het is voor een preek van belang dat ‘trouble’ op een geloofwaardige manier aan de orde komt. Preken schieten vaak door naar het uiterste: of de ‘trouble’ komt te weinig subtiel in de preek aan de orde of juist veel te subtiel.

De volgende manieren kunnen de predikant helpen om ‘trouble’ in de preek aan de orde te stellen:

  • Ontwikkel een tweeledige visie op ‘trouble’:
    a) Trouble is verticaal: ‘trouble’ vanuit Gods ogen.
    – Bekeer je
    – Je mist God
    – Je hebt niet van je naaste gehouden als van jezelf
    – Ga naar de kerk
    – Je zou meer moeten doen
    – Eer je ouders
    – Je bent verkeerd
    Het risico voor de predikant is om de verticale ‘trouble’ zo te preken, dat de predikant zelf torenhoog uittorent boven de gemeente.
    Deze vorm van ‘trouble’ klinkt vaak in de imperatief (gebiedenden wijs).

    b) Trouble is horizontaal: trouble als een spiegel, reflecterend op de gevolgen van de val, de gebrokenheid van systemen, lijden van de kwetsbaren.
    – We leven in een angstige tijd
    – Deze vrouw lijdt aan kanker
    – Voor velen lijkt het leven betekenisloos
    – De oorlogen houden niet op
    – We hebben met racisme te maken
    – De opwarming van de aarde bedreigt het leven zoals we dat kennen
    – De vicieuze cirkels van kindermisbruik worden niet doorbroken
    – Velen zwerven dakloos over straat
    Deze vorm van ‘trouble’ klinkt vaak in de indicatief (beschrijvend)

    De ‘trouble’ komt vanuit het geloof ter sprake. Geen enkele ‘trouble’ is sterker dan Gods macht. Wilson constateert dat gemeenten vaak eerder openstaan voor de horizontale ‘trouble’, zeker als ze het op zichzelf moeten betrekken. Het is verstandig als je als predikant weet welke vorm van trouble je aan de orde moet stellen en of je de imperatief of de indicatief moet gebruiken.

  • Als je ‘trouble’ aan de orde stelt in de preek, laat het niet beperkt zijn tot de directe omgeving maar varieer en stel ook wereldwijde problematiek aan. Wanneer de trouble alleen uit de eigen omgeving komt, maak je als predikant Gods wereld erg klein.

  • Houd vroomheid en recht bij elkaar. In het Oude Testament werd geloof niet losgemaakt van de zorg voor de zwakken en kwetsbaren. De kerk is in heden en verleden vaak betrokken (geweest) bij de strijd tegen onrecht.

  • Zorg ervoor dat ‘trouble’ in de preek gekoppeld is aan de genade (dat is in het preekmodel van Wilson het handelen van God in het heden). Op elke pagina van de preek komt Christus naar de luisteraar toe. Het is niet de taak van de predikant om informatie door te geven, maar om het evangelie te verkondigen.


Aan het einde van Pagina 2 (‘trouble’ in onze eigen wereld) maakt de predikant een belangrijke overstap van de ‘trouble’ naar de genade en het handelen van God. De vragen van de luisteraars worden meegenomen en in verband gebracht met Gods handelen. Ons verlangen, onze nood, ons lijdt gaat God ontmoeten.

Het theologisch gebruik van verhalen om ‘trouble’ uit te werken
Volgens Wilson zijn er 3 manieren om ‘trouble’ uit te werken:

  • Verhalen over Gods oordeel over mensen
  • Verhalen die laten zien hoe de mens er aan toe is na de zondeval
  • Verhalen over Christus als lijdende knecht, waarin Christus lijdt aan onze zondigheid en gebrokenheid.


N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon. A Guide to Biblical Preaching (Nashville, 2018) 111-127

Deze tijd vraagt om confronterende prediking 

Deze tijd vraagt om confronterende prediking 

Een jaar of 16 was ik toen ik voor het eerst de Johannespassion van Bach hoorde. Een docent van de middelbare school had kaartjes met korting bemachtigd en een aantal leerlingen mocht mee. Ik kende het stuk niet. Van begin tot eind was het een overweldigende ervaring. Het openingskoor, de verschillende aria’s, de dramatiek, het maakte allemaal een enorme indruk op mij. Ik werd meegenomen in het lijdensverhaal van Christus. Zelden was ik zo dicht bij Christus gekomen. Bach betrekt de luisteraar er bewust in. 

Dat de kerkdienst ook zo’n overweldigende ervaring zal zijn, hopen veel kerkgangers. Ze hopen dat ze op zondag in de kerk een soort Bachervaring hebben, waardoor ze dicht bij Christus komen en ook dat ze er zelf bij betrokken worden. Dat hebben ze nodig om gevoed te worden in hun geloof. Vaak gaat dat verlangen niet in vervulling. Ze missen wat, maar kunnen niet onder woorden brengen wat.

Visie op de gemeente
Binnen de kring van de Gereformeerde Bond wordt de laatste jaren vaak de noodklok geluid: de prediking verandert en niet in gunstige zin. De luisteraar wordt niet meer aangesproken. Vooral mist men de confronterende aanpak, waarbij je als luisteraar voor de heilige God wordt gedaagd, waardoor je je schuld beseft en ook je vrijspraak in Christus hoort. De prediking zou daardoor vervlakken. Men zoekt naar een reden: waarom is deze aanpak verdwenen? Is de visie op de gemeente veranderd? Gemeenteleden worden niet meer gezien als ‘tweeërlei kinderen van het verbond’. Daarmee wordt bedoeld dat niet elke kerkganger een levend geloof heeft. Gaan predikanten ervan uit dat het wel goed zit met iedereen die in de kerk zit? Dat er geen waarschuwing meer nodig is? Die indruk leeft, maar deze kritiek heb ik altijd net iets te makkelijk gevonden.

Willen en doen
Zelf krijg ik die opmerking ook weleens van gemeenteleden: “Bij jou komt iedereen in de hemel.” Dat verbaast mij. Ik zou wel willen, maar daar ga ik niet over. Het is in ieder geval niet mijn insteek bij het maken van mijn preken. In mijn preken gaat het over wat gemeenteleden missen. Onlangs las ik een interview terug dat ik een aantal jaar geleden had met dr. Bert de Leede voor Maandblad Réveil. Het ging over hoe je over Christus kunt preken. De Leede zei toen: ‘In de verkondiging moet er veel sterker geïdentificeerd worden met het Woord van God, met de stem van Jezus. Zodat de hoorder de ervaring opdoet: Christus staat in ons midden. Hij staat midden in mijn leven. En Hij spreekt ons aan: “Sta op, o mens!” “Zweer de duivel en de zonde af!” “Ik veroordeel u niet!”’ De confronterende manier mag niet worden geschuwd: ‘Er is sprake van een breuk tussen God en mens. Verkondiging maakt scheiding. Als het voor hen geldt, moeten gemeenteleden ook kunnen zeggen: “Ik zit hier zonder bruiloftskleed. Ik sta er buiten!” Dit moet niet afgezwakt worden.’
Ik las deze woorden voor aan mijn vrouw. Ze keek mij meewarig aan en zei: ‘Zo preek jij niet.’ Die opmerking maakte mij duidelijk dat er een verschil is tussen wat ik zou willen in de preek en wat ik daadwerkelijk doe.

Preken voorbereiden is niet makkelijk. Ik vergelijk het wel eens met het componeren en uitvoeren van een Bachcantate. Een preek componeren en uitvoeren moet in één week tijd gebeuren en kost veel creatieve energie. De exegese gaat vaak nog wel. Maar dan de preek zelf. In de voorbereiding maak je zoveel keuzes en neem je zoveel beslissingen, dat het eindresultaat op de kansel op zondag kan afwijken van wat je daadwerkelijk wilt zeggen, zonder dat je dat zelf door hebt. In de beoordeling van preken moet meegenomen worden dat er een verschil kan zijn in intentie en uitwerking.

Kerkgang niet genoeg?
Voor de insteek van de preek maakt het uit of je als predikant mild of kritisch bent ten aanzien van de gemeente. In de loop der jaren ben ik door zowel het pastoraat als het voorgaan in de diensten onder de indruk geraakt van het geloof van gemeenteleden en ook van wat ze vanuit hun geloof doen voor anderen, zonder dat ze dat vaak zelf goed onder woorden kunnen brengen.

Er bestaat een bepaalde kritische visie op de gemeente – namelijk dat het bezoeken van de kerkdienst niet genoeg is. Ik kan niet zo goed overweg met deze gedachte. In meer gereformeerde en evangelische hoek gaat het erom dat kerkgangers ook hun steentje dienen bij te dragen. In bevindelijke hoek is kerkgang alleen niet genoeg, omdat je een waar geloof moet hebben. Maar de eredienst is het hart van de gemeente. Deelnemen aan de kerkdienst is niet zomaar iets. Naar mijn idee wordt daar in beide gevallen aan voorbijgegaan. Iemand die een kerkdienst bezoekt, kan per definitie niet alleen consument zijn. Alleen al vanwege de moeite die hij neemt de kerkdienst bij te wonen. Bovendien doet een kerkdienst altijd wat met de bezoeker. Is het niet door de preek, dan wel door het zingen of door de zegen, of door het gewoon ‘er zijn’ in de kerk, onder andere kerkgangers. Ze brengen wat en ze halen wat. Wat ze meebrengen voor zichzelf, voor de opbouw van hun geloof en de versterking van hun relatie met Christus valt niet altijd expliciet in woorden uit te drukken.

De gemeente aanspreken
Wanneer gesproken wordt over een vervlakkende prediking, worden meestal voorbeelden van vroeger aangehaald. De naam van ds. G. Boer wordt genoemd, of die van een andere vooraanstaande predikant uit het verleden. Ook wordt wel gezegd dat preken uitgaan van een lievige God, waarbij de gemeente niet geconfronteerd wordt met zonde of ongeloof. Laten we ervan uit gaan dat hier geen sprake is van nostalgie, maar dat men probeert onder woorden te brengen wat men mist. Vaak is dat de hierboven geschetste confronterende prediking. Dan is wel de vraag: waarom wordt deze vorm van preken zo gemist? Is er iets misgegaan in de overdracht?

Bij het maken van preken, zijn twee kanten te onderscheiden. De principiële kant: preken is het aanspreken van de gemeente in de naam van Christus. Maar er is ook altijd een praktische kant: Hoe doe je dat? Welke woorden gebruik je? Hoe gaat dat aanspreken van de gemeente? Welke plek neemt dat in de preek in? Dat zijn punten die iemand niet komen aanwaaien als hij een preek moet maken. Er moet op geoefend worden. Er moet nagedacht worden over wat goede praktijken zijn en wat niet.  We staan voor de uitdaging deze stijl opnieuw uit te werken voor deze tijd.

Geen materialen
Wat mij opvalt, is dat er nauwelijks materiaal is, waarin nagedacht wordt over een preekstijl waarin het confronterend aanspreken van de gemeente een plaats heeft. Als er geen materiaal voor is, is er kennelijk ook geen aandacht voor. Dan is het ook niet verwonderlijk dat deze preekstijl niet meer gehanteerd wordt.

Maar het ontbreken van het materiaal kan nooit de enige verklaring zijnvoor het uitblijven van een confronterende manier van preken. Heeft dat misschien met deze tijd te maken, waarin we niet veel meer van elkaar als gelovigen durven vragen en elkaar niet meer durven aan te spreken? Bijvoorbeeld uit angst dat mensen wegblijven of overstappen naar een andere gemeente?

Toch blijft een confronterende prediking nodig. “Zeg waar het op staat”, zeggen gemeenteleden weleens tegen mij. “Pak ons bij de lurven als het nodig is.”

Ik heb moeten leren dat gemeenteleden soms zo’n confrontatie nodig hebben om verder te groeien in geloof. Dat vraagt van mij wel, dat ik die confrontatie aandurf. En dat kan alleen als ik als predikant de gemeente ken in de sterke en zwakke kanten. Zo’n confrontatie werkt alleen als ik als predikant respect heb voor de gemeente. Ook is geloof nodig, dat God zelf de gemeenteleden door middel van de preek aanspreekt.

Verschenen in Maandblad Réveil. Bewerking van een eerder blog. 

“De vier pagina’s van de preek” – blog 10: Filmen van ‘trouble’ in de Bijbel

“De vier pagina’s van de preek” – blog 10: Filmen van ‘trouble’ in de Bijbel

Elke preek die op de Bijbel is gebaseerd belicht iets van ‘trouble’. In het preekmodel van Paul Scott Wilson gaat het er om dat die ‘trouble’ met woorden wordt verfilmd.

In dit preekmodel is ‘trouble’ in de Bijbel pagina 1. De ‘trouble’ die hier aan de orde komt is het omgekeerde van de boodschap van de preek.
images (1)
Paul Scott Wilson heeft de volgende tips bij het verfilmen in woorden van ‘trouble’. Zie voor de algemene richtlijnen voor verfilmen in woorden hier.

    • Werk ‘trouble’ uit. Niet door de Bijbeltekst te herhalen maar door daarbij de discussie over een Bijbeltekst te verwerken.
      In een preek over Lukas 10:25-37 doet Samuel D. Proctor dat: Jezus begint: “Een zeker man…” Hij vertelt daarbij niets over uit welke stam deze man komt, wat zijn ras is, zijn clan, zijn sociale klasse, zijn dialect en zelfs niet de taal die hij sprak. Wij weten daar niets over. Waarom zouden we kenmerken moeten weten? Jezus laat al die informatie achterwege! Gewoon homo sapiens. Dat is alles. Een zeker man, dat zou iedereen kunnen zijn, was gewoon onderweg van Jeruzalem naar Jericho. Als we vragen naar de achtergrond van de man, ruïneren we het hele verhaal. Jezus wil vanaf hier vertrekken.
      De reis was 17 gevaarlijke mijlen door een eenzame, droge, ruwe woestijn. Vandaag de dag nog steeds 17 eenzame mijlen. Het was bekend dat rovers en dieven de reizigers aanvielen. Deze man was geslagen door dieven en bleef halfdood achter. In het verhaal dat Jezus vertelt hebben ze de man zijn kleren uitgetrokken, zodat hij niet geïdentificeerd kan worden aan de hand van zijn kleren. Wij kunnen niets zeggen over de snit van zijn kleding. We kunnen niet vertellen of de man arm was met een goedkoop geweven stuk kleding of een rijke man die stof van dure purper droeg en zorgvuldig gemaakt.  We hebben geen enkele aanwijzing om onze vooroordelen hun gang te laten gaan. Alleen maar “een zeker man”. Jezus laat hem naakt achter, zodat we geen enkele aanwijzing met betrekking tot zijn status hebben. Hij heeft niets gezegd, zodat we zijn accent niet kunnen horen. We weten niet of hij “sjibbolet” zei of “sibbolet”.
      Zo, omdat hij daar lag zonder kleren en zonder iets te zeggen kunnen we niet zeggen wie daar lag. Jezus wilde dat we ons zouden focussen op het lijden van de man. Jezus liet elk detail achterwege. Hij was gewond! Zonder kleren en zwijgzaam lag de man daar. Hij kon iemand zijn van ons eigen ras en onze eigen klasse. Hij kon van een ander ras en een andere klasse zijn.  Jezus laat in het verhaal alleen een mens in nood, halfdood, in elkaar geslagen, beroofd ten tonele komen. Wij weten niet of hij een goede opleiding had of hij arm was. We weten niet uit welke familie hij kwam en in welke stad hij leefde. Zwaar ademend, bloedend, bijna dood – deze “zekere man” was achtergelaten om te sterven.
      511h28bhz5l._sx334_bo1,204,203,200_
    • Werk de vraag of het verlangen van de luisteraar uit.
      Wilson geeft een voorbeeld van een eigen preek over Johannes 3:1-20. Boodschap is: ‘God brengt Nicodemus tot geloof’. Pagina 1 van de preek is: ‘Nicodemus verlangt ernaar God te ervaren’. De vraag van de luisteraar, die in de preek wordt opgepikt is: ‘Hoe kan ik God ervaren?’ Het antwoord komt via pagina 3 (God brengt Nicodemus tot geloof) bij pagina 4: ‘God brengt ons tot Jezus’.
      Nicodemus is een man met een innerlijk conflict. Zelfs als hij zich haast door het stormachtige duister door de nauwe geplaveide straten van het oude Jeruzalem ligt zijn hoofd overhoop met zijn hart. Het kind in hem rebelleert tegen de volwassene. Er woedt een strijd onder zijn huid. ‘Zal ik gaan?’ vraagt hij zich af als hij zijn weg gaat langs slapende honden. ‘Zal ik gaan? Zal een rechter van de hoge raad naar een wonderdoener van boerenafkomst, die vandaag de tafels in de tempel heeft omgegooid?’ Hij trekt zijn hoed ver over zijn gezicht en beklimt de Olijfberg naar de plek waarvan gezegd werd dat Jezus daar gevonden kan worden.
      Hij weet nauwelijks wat hij wil zeggen. Hij vindt Jezus vlak bij de top, waar hij zit bij een klein kampvuur. Nicodemus stapt uit de schaduw van het duister in de lichtkring van het kampvuur, doet zijn hoed af, wacht en zegt dan op de bedachtzame toon, die hij leerde tijdens het onderwijs over de wet: ‘Rabbi, wij weten dat u een leraar bent, die door God is gezonden. Niemand kan deze tekenen en wonderen doen die u doet, zonder de aanwezigheid van God.’ En dan opeens, weet hij welke woorden hij heeft voor wat er in hem omging, waar hij eerst de vinger nog niet op kon leggen: hij bespeurt in Jezus de aanwezigheid van God. Hij weet veel over God. Hij heeft over God gestudeerd vanaf zijn kindertijd, jaren besteed aan het bestuderen van de Schrift en de rabbijnse wet. Maar hij weet niets van de aanwezigheid van God. Hij heeft veel informatie over GOd, maar verlangt naar een ervaring van God, de werkzaamheid van God in zijn leven. Je kan naar een theologische universiteit gaan en niets van God weten. Hij voelt te beschaamd om dat tegen iemand anders te zeggen, in verlegenheid gebracht door zijn verlangen naar God, hij voelt zich dwaas in zijn verlangen naar geloof. Hij durft nog niet te geloven dat de God naar wie hij zo verlangt hem op weg gebracht heeft om Jezus te ontmoeten.
      [Pagina 2] Veel mensen verlangen ernaar iets van God te vernemen in hun leven, zelfs zonder het te weten. Er is niet zoveel tijd vandaag de dag voor God. Twee jonge vrouwen komen elkaar tegen bij Starbucks…

 

  • Gebruik een bepalend beeld
    Barbara Brown Taylor gebruikt het beeld van Lukas als arts om eenheid in de preek te creëren:
    Ik denk dat Lukas nooit zijn werkzaamheden als genezer heeft beëindigd. Hij is alleen van medicijnen veranderd. In plaats van kruiden en specerijen voor te schrijven, warme compressen en bedrust. vertelt hij verhalen vol kracht om gebroken levens te verbinden en bange harten nieuwe kracht te schenken. In plaats van pillen en toverdrank stopt hij woorden in zijn zwarte tas, woorden zoals: ‘huil niet meer’, ‘wees niet bevreesd’, ‘uw zonden zijn u vergeven’, ‘sta op en wandel’. Zijn medicijn is het medicijn van het evangelie, wat Jezus’ medicijn was. Een medicijn dat werkte, vreemd genoeg, door middel van woorden.

  • Prikkel de zintuigen
    In een preek over Handelingen 16:16-40 werkt John M. Rottman levendig en vol humor uit hoe Paulus en Silas zingen in de gevangenis:
    Daar zitten ze in de inktzwarte duisternis van deze vochtige gevangenis. Onterecht beschuldigd, tot bloedens toe geslagen, hun voeten in blokken. Zij hebben verkondigd hoe Jezus de Heer van de wereld was, de redder van de kosmos. Elk klein hoekje van deze wereld behoort Hem toe. En nu overkomt hen dit.
    Paulus stelt voor om te gaan zingen.
    ‘Zingen? Nou, vooruit,’ zegt Silas weinig enthousiast, ‘jij begint.’
    Paulus begint te zingen uit Psalm 9 (misschien was het de oude berijming uit het oude psalmboekje van lang geleden):
    Ik zal met al mijn hart den Heer’,
    blijmoedig geven lof en eer.
    Je kunt Paulus onmiskenbare bas de psalm vol overgave horen zingen. Silas gaat meezingen met een onzekere tenorstem.
    Mijn tong zal mijn gemoed verzellen
    en al Uw wonderen vertellen.
    Twee Joodse mannen van middelbare leeftijd die een thuis zoeken in deze donkere wereld door samen een psalmduet te zingen. Je kunt je erover verbazen. Jezus is Heer van deze wereld. Elk klein hoekje behoort hem toe. Werkelijk!

  • Werk intermenselijke ‘trouble’ uit om empathie op te wekken
    In een preek over Hosea en Gomer vertaalt werkt Brown Taylor dit levendige beeld van de relatie tussen God en Israël uit:
    Op dit moment blijft de regen achterwege en de koeien geven weinig melk. Gomer was vertrokken. Ze had niet eens een briefje achtergelaten op de keukentafel: “Ik ben ergens anders naar toe gegaan waar ik het beter kan krijgen.” Waar is zij naar toe gegaan? Naar andere minnaars, die haar beloofden te geven waar haar hart naar verlangde? Met Baäl was er geen somber gepraat over betrokkenheid of eer, geen waar-was-je-afgelopen-nacht of heb-je-wel-eens-gedacht-wat-je-de-kinderen-aandoet. Alles was spontaan. Je deed wat je ingegeven werd, net zoals je voelde wat je ingegeven werd. De enige regel was dat je je er goed bij voelde op dat moment. Niemand kent je naam en je kent niemand anders naam. Maar dat deed er niet toe. Het enige dat er toe deed was dat je voelde dat je leefde op een fijne, intense manier. Israël kwam altijd weer thuis als ze genoeg had gekregen, of op de momenten dat ze realiseerde dat het gras aan de andere kant helemaal niet zo groen was als het leek. Op een morgen zou Jahweh de voordeur horen slaan en haar ruiken voor Hij haar zag: de geur van de sigaretten, haar muffe kleren, van oud bier. Dan zal ze de kamer binnenkomen en tegen de deuropening leunen en naar Hem kijken, een snee in haar bovenlip, een blauwe plek op haar bovenarm ten teken dat iemand haar hard had beetgepakt. Thuisgekomen bij haar echtgenoot, waar Hij haar bij de hand neemt en haar meeneemt naar het bad, haar de kleren uitdoet en zij haar magere armen omhoog doet voor hem zoals een kind.

  • Verfilm de tekst vanuit een verrassend perspectief
    Haddon Robinson werkt de ontmoeting tussen de slang en Eva uit als een film:
    De satan is niet alleen als persoon vermomd, hij vemomt ook zijn bedoelingen. Hij zegt niet: ‘Ik ben hier om je te verleiden.’ Hij wil alleen een godsdienstige discussie. Hij wil met haar discussiëren over theologie. Hij heeft niet de intentie om over zonde te praten. De slang opent de discussie door te vragen: ‘Heeft God echt gezegd: “Je mag van geen enkele boom eten?”’ Daar kun je niet over discussiëren. Satan wil alleen opheldering. ‘Kijk, ik wil dat je zeker bent van je exegese. Ik wil helder hebben wat God met je van plan is. Heeft Hij echt gezegd dat je nergens van mag eten?’ Je ziet het, de duivel is godsdienstig. Hij komt niet bij je aankloppen op de deur van je hart door te zeggen: ‘Mag ik een half uurtje van je leven en ik zal je daardoor naar de ondergang brengen.’ Nee, hij wil alleen maar met je praten over theologie. Hij wil alleen maar Gods woord interpreteren. Het is mogelijk, nietwaar, om over theologie te discussiëren, waarbij we onze ondergang tegemoet gaan. We kunnen niet op een abstracte manier over God spreken, als Hij een wiskundige formule is. Je kunt een theologie erop nahouden die je ertoe aanzet God ongehoorzaam te zijn.

    Nancy Hastings Sehested gebruikt voor een preek over Exodus 1:8-22 het verrassende perspectief van de 2 vroedvrouwen. Boodschap van de preek: ‘De God die leven schenkt begeleidt ons’.
    Farao had geen idee wat hij vroeg… Maar Sifra en Pua wisten wie zij waren. Zij wisten dat het hun roeping was om het leven te ondersteunen, niet om te assisteren bij het sterven. Zij wisten dat zij in Farao’s ogen geen macht hadden. Zij lieten Farao zijn gang gaan – om zijn eigen gedachten te hebben, om het op zijn eigen manier te doen. Ondertussen gingen zij door om het leven te ondersteunen. Het duurde niet lang voordat Farao erachter kwam dat zij hem ongehoorzaam waren. Hebreeuwse vrouwen wandelden met hun pasgeboren zoontjes om die baby’s vol trots aan anderen te tonen. De vroedvrouwen werden op het matje geroepen. ‘Ik kan geen burgerlijke ongehoorzaamheid tolereren in dit land,’ zegt Farao.
    De vroedvrouwen keken Farao recht in de ogen aan en beweerden met droge ogen dat de Hebreeuwse vrouwen hun kinderen zoveel sneller op de wereld brachten dan de Egyptische vrouwen en dat de kinderen, die zij baarden, al gevoed en gebakerd in de wieg lagen op het moment dat zij arriveerden. Sifra en Pua moesten vast gedacht hebben dat zo’n nobele leugen gemakkelijk door Farao geloofd zou worden. Want wat weet een Farao nou van kinderen die geboren worden? Wie zijn onze Farao’s nou eigenlijk?

  • Creëer een gebeurtenis; reporteer zo’n gebeurtenis niet
    We slogan toon, vertel niet omvormen in verbeeld, reporteer niet. Roep een ervaring op. Geef niet slechts een opsomming van feiten. Ook niet als het gaat om maatschappelijke of sociologische gegevens.
    Martin B. Copenhaver geeft daarvan een voorbeeld in een preek over Lukas 14:12-24:
    Jezus vertelde hoe je een feestje moest geven, terwijl hij zelf aanwezig was tijdens een feestje dat door een heel belangrijk persoon werd gegeven, een van de voorbeeldige personen, een toonaangevend figuur. Aan de tafel zaten invloedrijke priesters, succesvolle priesters en andere personen van maatschappelijk belang. (….) Tijdens deze feestmaaltijd, terwijl ze de koosjere kwartelpastei doorgaven, zei Jezus: ‘Als je een diner of een etentje geeft, nodig dan niet alleen je vrienden of je broers of je familie uit of je rijke buren, die jou op hun beurt ook weer zullen uitnodigen.

    Uit een andere preek van Copenhaver. Dit keer over Lukas 12:16-21:
    Ik probeer me voor te stellen hoe het zal zijn om door de weduwe van de rijke dwaas gebeld te worden. Dat is niet zo moeilijk voor te stellen, want ik krijg geregeld zulke telefoontjes. De boer is net overleden, zijn vrouw in shock. Ze vraagt: ‘Wat behoor ik nu te doen? Niemand heeft me verteld hoe ik dit moet doen.’ Al sprekend zoekt ze naar wat ze moet doen, en ik volg haar en luister alleen maar. Dan bespreken we de afscheidsdienst. Ik stel haar enkele vragen over haar man die nog maar pas is overleden. U weet dat ik hem niet zo goed ken. Ik kwam hem maar af en toe tegen. Maar nu we de afscheidsdienst voorbereiden, wil ik me een beeld vormen van de hele persoon, omdat ik in de overdenking de hele persoon recht wil doen en niet alleen die enkele vluchtige momenten dat we elkaar tegenkwamen. Daarom vraag ik haar: ‘Wat was belangrijk voor hem?’ De weduwe antwoordt: ‘Zijn familie is – was – heel erg belangrijk voor hem. Hij was echt trots op zijn kinderen, hoewel ik niet zeker weet of ze dat wel weten. Maar hij sprak vaak over hen. Zijn portemonnee was gevuld met hun foto’s.’ Ik vraag haar: ‘Waar besteedde hij zijn tijd aan?’ Zij antwoordde: ‘Met werken op de boerderij. Hij was erg succesvol. Aan de andere aspecten van het leven kwam hij niet echt toe. Ik heb het hem ook niet altijd makkelijk gemaakt. Ik wilde hem geregeld vragen wanneer hij zou stoppen om meer tijd voor elkaar te hebben. Hij zou mij steeds proberen gerust te stellen met woorden als ‘morgen’ of ‘binnenkort’, ‘dit ga ik niet eeuwig doen’, ‘op een dag’, ‘ik beloof je’. Hij meende dat echt. Ik weet dat hij dat meende.

  • Verfilm het verhaal door de context voor te stellen
    In de Week van Gebed voor de Eenheid van de Christenheid preekte Wilson over Romeinen 8:14-27. Brieven uit het Nieuwe Testament kunnen gemakkelijk als abstracte essays worden ervaren. Daarom wilde Wilson het Bijbelgedeelte dichterbij halen door aandacht te schenken aan de locatie van zowel degene die de brief schrijft als degenen die de brief ontvangen:
    Ons tekstgedeelte uit de brief van Paulus aan de Romeinen is een van de meest overvolle gedeelten uit het het Nieuwe Testament. Christenen roepen in hun lijden: ‘Abba, Vader’. Tegelijkertijd getuigen ze als kinderen van God. ‘De hele schepping’, schrijft Paulus, ‘kreunt in barendsnood tot nu toe.’ ‘Wij zelf’, voegt hij eraan toe, ‘kreunen ook innerlijk, terwijl we wachten op onze “adoptie”, de uiteindelijke “redding van onze lichamen”. En zelfs de Heilige Geest, die tot God bidt vanwege de kerk, komt tussenbeide met verzuchtingen die te diep zijn om te verwoorden. Het Griekse werkwoord stenazo betekent zuchten of kreunen, kreunen die te diep zijn om onder woorden te brengen. Zelfs de Heilige Geest zucht voor de kerk, verlangt naar de vervulling van Gods doelen.
    Waarom legt Paulus de nadruk op dat kreunen en zuchten? Paul schreef aan de kerk in Rome vanuit Korinthe, waar hij overwinterde, een schuilplaats had voor de winter. In zijn gedachten zijn die zuchten. Wellicht kreunt het houten dak onder het gewicht van de sneeuw of de bevroren regen en de arctische winden. Of hoort hij het kreunen van de houten schepen, die in de haven naast zijn huis zijn aangemeerd. Misschien hoort hij wel het kreunen van de vrouw in het huis naast hem, die aan het bevallen is van een baby. Want hij schrijft: ‘De hele schepping is in barendsnood tot nu toe.’ Wellicht roept hij zijn eigen kreunen in herinneringen, als hij terugdenkt aan de laatste marteling: zoals hij ergens anders schrijft: veertig stokslagen min één, drie keer geslagen met een roede, een keer gestenigd, vaak halfdood achtergelaten en in in veel gevallen zonder eten, schuilplaats en kleren. Misschien zucht hij wel hardop als hij zijn brief dicteert aan Tertius, zijn secretaris, die bij hem zit bij het licht van de flakkerende kaars in een tochtig huis, en zijn woorden opschrijft. Want we weten dat Paulus is geraakt door de verdeeldheid in de kerk. Heeft hij niet de verdeeldheid in de kerk van Korinthe pas proberen te overwinnen?
    als de lente komt en het weer veilig genoeg is om uit te zeilen over de Middellandse Zee om op de winden uit Afrika voortgedreven te worden, moet hij zich inschepen om  naar Jeruzalem te gaan om daar een scheuring proberen te voorkomen. Hij heeft bij de Griekse kerken geld ingezameld voor de armen in Jeruzalem. Sommigen in Jeruzalem hebben gezegd dat Paulus’ gemeenten afvallig zijn en dat Paulus zelf een afvallige is. Paulus zucht als hij denkt aan de mogelijkheid dat de kerk van Christus kan scheuren. Na Jeruzalem is Paulus van plan om door te zeilen naar de zeven heuvels van Rome om daar iets aan de verdeeldheid te doen. Enkele jaren geleden heeft de keizer Claudius de Joodse christenen uit Rome verbannen. Nu Claudius overleden is, vergiftigd door zijn vrouw, zijn de bannelingen na 6 jaar teruggekeerd naar hun oude gemeenten. Nieuwe leden vormen altijd een bron van conflict. Overal zijn problemen en alles wat Paulus verkondigt heeft met de eenheid van het lichaam van Christus te maken.

  • Ken de karakters
    De predikant moet de Bijbelse persoon tot leven wekken, net of het voor de luisteraar een mens van vlees en bloed is, die op dit moment leeft.
    In een preek stelt Suzan D. Johnson Esther de vraag wat het is om deze persoon te zijn.
    Esther was een Joodse vrouw die in Perzië leefde. Zij was in dat land gekomen op dezelfde manier AfroAmerikanen in de VS aankwamen: door middel van slavernij. Zij was tweede generatie van degenen die als slaaf waren weggevoerd. Niemand, behalve haar oude oom Mordechai, wist dat zij Joods was. Dat was een geheim. Hoe voelt dat om je identiteit te verbergen? Als je jezelf niet bekend kunt maken? 

 


N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon. A Guide to Biblical Preaching (Nashville: Abingdon Press, 2018) 95-107.

Preek Tweede Paasdag 2019

Preek Tweede Paasdag 2019
Schriftlezing: Lukas 24:13-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hem zagen ze niet
De weg naar Emmaüs is voor veel gelovigen bekend
en misschien hebt u die weg ook wel eens gelopen, van Jeruzalem naar Emmaüs.
Of loop jij op dit moment weg van Jeruzalem naar Emmaüs.
De weg naar Emmaüs ga je als je door teleurstellingen niet meer kunt geloven.
Je hebt er niet helemaal mee gebroken.
Je bent niet ongelovig geworden, maar het lukt niet meer om te geloven
omdat er iets gebeurde in je leven waardoor je teleurgesteld geraakt bent in God.
Voor Kleopas en zijn metgezel, die samen op weg gaan,
is de teleurstelling niet alleen dat Jezus gekruisigd werd en stierf en begraven was.
Dat had er al diep ingehakt en ontnam hen alle hoop.
Maar wat hen deed besluiten om de groep te verlaten en weer naar huis te gaan,
– misschien voorgoed afscheid van de groep van Jezus’ leerlingen –
was het verhaal waarmee de vrouwen kwamen aanzetten: dat Jezus was opgestaan.
In eerste instantie hadden alle aanwezigen meewarig gelachen: dat kan toch helemaal niet.
In de loop van de dag waren er echter meer berichten geweest
en begonnen anderen, die het eerst niet konden geloven, er toch van overtuigd te raken
dat er wat was gebeurd en zich begonnen af te vragen:
Zou het dan toch waar zijn dat Jezus opgestaan was uit de dood?
Dat was voor hen de druppel. Nu was het tijd om naar huis te gaan
en de anderen achter te laten. Dit konden ze niet aan.
Zo laten ze de gemeente in Jeruzalem achter en gaan ze hun eigen weg.
Het zijn kerkverlaters, die wel zouden willen geloven, maar het gewoonweg niet kunnen.
De teleurstelling is te diep, de berichten te ongeloofwaardig.
Daar houden ze het niet meer bij uit en gaan op weg naar hun eigen huis.

Onderweg praten ze hun teleurstelling en hun frustratie van zich af.
Met z’n tweeën spreken ze hun verbijstering erover uit,
dat de anderen de verhalen van die vrouwen toch lijken te gaan geloven.
Er klinkt verontwaardiging, boosheid in hun woorden door
en het is een heftig gesprek dat ze samen voeren,
zo heftig dat het de aandacht trekt van iemand anders die ook op die weg loopt.
Lukas vertelt er meteen bij, Wie die persoon is die mee gaat wandelen:
Het is de levende Heer, die opgestaan is uit de dood en zich hier aan hen laat zien.
Dat Jezus het is, kunnen ze echter niet zien.
Hun ogen zijn gevangen – te groot is de teleurstelling, te diep het verdriet.
Het verhaal van de Emmaüsgangers is een geliefd verhaal,
omdat het eerlijk is over de teleurstelling die ook gelovigen kan overvallen,
en niet verzwijgt dat het ook gelovigen kan overkomen, dat ze afhaken
omdat ze niet mee kunnen komen in de vreugde van Pasen,
zich buitenstaander voelen tussen al die anderen die de vreugde wel kennen.
Dat is niet de enige reden, waarom dit verhaal zo graag doorverteld wordt.
Ook omdat op die weg, waarop de teleurstelling de overhand heeft
en waarop je afhaken en niet meer mee kunnen komen Jezus zelf met hen mee loopt
met hen het gesprek aangaat, hen opzoekt in hun verdriet en teleurstelling,
zich aan hen voordoet als ze het geloof dreigen op te geven
en hen uitdaagt om te vertellen wat er in hun hart leeft.
Dit verhaal biedt hoop, want stel dat de opgestane Heer zo ook met jou of met u meeloopt
en aan jou vraagt: Wat is er nu gebeurd in je leven?
Vertel je verhaal eens aan Mij. Ik zal naar je luisteren.
Ik loop net zo lang mee, totdat je helemaal je verhaal gedaan hebt
en je al je teleurstellingen en pijn verteld hebt.
Hij zag je elk moment en telde elke traan.
Dat heb je wellicht niet door, dat de Heere in de hemel ook jouw verdriet en pijn kent.
Wellicht heb je eerder het gevoel dat je er alleen maar mee rondloopt
en het als een zware last meesjort, terwijl je zou willen dat de Heere je ziet
en je hebt het niet door, dat Hij al met je meeloopt en met je optrekt
en dat Hij het is, die naar de vragen luistert, die in je hart leven,
Die je voor je gevoel alleen maar aan jezelf stelt,
of hooguit deelt met iemand die je echt goed kent.
Heel je hart, al je pijn is bij Hem bekend.
Ga daarom maar het gesprek aan met Hem.
Omdat Hij van je hield gaf hij zijn eigen Zoon.
Hij wacht alleen nog maar totdat je komt.

[We luisteren naar: Nog voordat je bestond, kende Hij je naam]

O onverstandigen en tragen van hart!
Het is een heel verhaal wat Kleopas te vertellen heeft.
Eerst is hij verbijsterd dat hij deze man, die met hen mee gaat lopen,
moet vertellen wat er in Jeruzalem is gebeurd:
‘Bent u dan de enige vreemdeling in Jeruzalem?’
Soms is het te pijnlijk om het te vertellen en dat is het prettig als de ander het weet,
zodat je het niet uit de doeken hoeft te doen.
Maar als er iemand is, die oprecht luisteren wil, dan kun je je hart uitstorten
en dat is er ook wat er gebeurt met Kleopas.
Hij vertelt hoe bijzonder Jezus voor hem was:
een profeet waarin je de kracht van God kon merken.
Zowel God als het volk waren blij met wat hij deed.
Kleopas vertelt ook wat er fout is gegaan.
Hoe Jezus, ondanks dat Hij door God en de mensen geliefd werd,
een vernederende dood moest sterven, door middel van verraad en de dood aan het kruis
en hoe met de dood van Jezus alle hoop op het ingrijpen van God was vervlogen.
Nu Jezus gestorven is, zal er geen redding komen.
En wat moet er nu met hen en met het volk terecht komen?
Hij, Kleopas weet het niet meer.
Dat hij geen uitkomst meer ziet, geen hoop meer heeft,
Dat is nog niet eens het ergste.
Maar wat die vrouwen vertelden over het graf en Jezus die zou zijn opgestaan.
Maar ze hebben Jezus niet gezien. Hoe kunnen ze dan vertellen dat Jezus is opgestaan?
Dan is hij uitverteld. Zijn hele hart heeft hij kunnen luchten bij Jezus,
die met hem meeliep, zonder dat Kleopas door had
Dat hij de Heere Jezus informeerde over wat er met Jezus was gebeurd.

De reactie van Jezus op zijn verhaal had hij misschien niet verwacht.
Want in plaats van begrip en troost krijgt Kleopas met zijn metgezel te horen
dat het hen aan geloof ontbreekt, dat ze niet in staat zijn om te zien hoe God werkt.
Ondanks dat ze naar Jezus’  onderwijs geluisterd hebben, missen ze kennis over God
En hebben ze geen idee wat Zijn manier van werken in onze wereld is
En hun hart bevat niet het geloof om te kunnen begrijpen dat hier God aan het werk is.
Onverstandig en traag van hart zijn ze.
Daarmee bedoelt de Heere Jezus dat ze niet in staat zijn
om het onderwijs van Jezus op deze situatie kunnen betrekken.
Dat ze vergeten om de Bijbel er op na te slaan, om te zien wat Gods weg zou zijn.
Dat het zoveel tijd kost, dat hun hart open gaat voor het evangelie.
Dat hun hart er zo lang over doet om te geloven
En dat laat zien dat hun hart niet op Christus is georiënteerd.
Door het verdriet dat in hun leven gekomen is,
teleurstelling die hen zo diep geraakt heeft,

diep in het hart, hebben ze geen oog meer voor Gods werk
en missen ze de ogen van het geloof, waarmee ze Gods hand in het gebeuren zien.
Ze moeten dat gaan leren.
Ze moeten beseffen dat hier in de dood van Jezus en ook in Zijn opstanding
de Heere op een bijzondere manier aan het werk is.
Maar hoe leren ze dat?
Dat kunnen ze alleen maar leren door in de Bijbel te lezen
door daarin te zien hoe God zich bekend maakt, vertelt over Wie Hij is.
Ik ben die Ik ben, is Zijn naam waarmee Hij zich bekend maakte aan Mozes.
Verborgen aanwezig deelt U mijn bestaan.
Waar ik ben, bent U: wat een kostbaar geheim.
Als God zichzelf een naam geeft, Zijn naam bekend maakt,
heeft Hij een naam gekozen met een betekenis: Ik ben er, Ik zal er zijn – is de betekenis.
Of iets vrijer: Ik sta voor je klaar, Ik kom voor je op.
Het is het beeld dat God iets voor je doet, iets voor je bevecht, iets voor je regelt.
Maar wel op een bijzondere manier.
Gods weg is vaak niet de makkelijkste:
Jozef werd eerst in de put gegooid en raakte daarna in de gevangenis
Voor hij aan het hof van de farao mocht dienen als onderkoning.
Israël moest eeuwen in Egypte wonen en werd uiteindelijk als slaaf behandeld,
totdat het na een lange, moeilijke tijd van onderdrukking mocht uittrekken.
De reis in de woestijn duurde niet een jaar, maar 40 jaar.
Als God omwegen kiest om tot Zijn doel te komen
– en de voorbeelden uit het Oude Testament zijn aan te vullen –
waarom zou de Messias dan rechtstreeks naar de hemel gaan
zonder de weg naar het kruis te nemen, zonder de dood in te gaan.
Weten jullie dan niet dat dit Gods plan was, dat dit moest gebeuren?
Hoe kan Gods naam anders HEERE zijn? Ik ben die Ik ben,
als Hij er niet is in de diepte waarin jullie je bevinden.
Hoe kan Hij je bevrijden uit de gevangenis en de slavernij van de zonde
Als Hij die weg niet genomen had?

‘Ik ben die Ik ben’ is uw eeuwige naam.
Onnoembaar aanwezig deelt U mijn bestaan.
Hoe adembenemend, ontroerend dichtbij:
uw naam is ‘Ik ben’, en ‘Ik zal er zijn’.

[We luisteren naar – ‘Ik zal er zijn’, SELA]

Was ons hart niet brandende in ons?
Dit lied Ik zal er zijn heb ik al enkele keren meegemaakt tijdens een dienst
Waarin we afscheid moesten nemen, van iemand die overleden was.

In tijden van vreugde, maar ook van verdriet,
ben ik bij U veilig, U die mij ziet.

De toekomst is zeker, ja eindeloos goed.
Als ik eens moet sterven, als ik U ontmoet:
dan droogt U mijn tranen, U noemt zelfs mijn naam.
U blijft bij mij Jezus, laat mij niet gaan.

Als Kleopas en zijn metgezel zo in gesprek raken over de weg die God gaat,

Waarover al verteld wordt in het Oude Testament, gebeurt er bij hen iets.
Er wordt een verlangen geboren.
Als het al in de Bijbel staat, dan zou het wel eens waar kunnen zijn.
Als daar staat, dat de weg van Christus niet een mooie weg omhoog is,
maar een omweg, waarop Hij moet lijden, dan zou het wel eens waar kunnen zijn.
Als de weg van Jezus past in de weg die Jozef ging
en die Mozes ging,
als het paste bij de weg die zijn verre voorvader David moest gaan,
Toen hij op de vlucht was voor koning Saul en moest vrezen voor zijn leven,
dan is het niet vreemd als de Messias, die door God gestuurd is, de dood in ging.
dan moest dat wel gebeuren voor Hij de hemelse heerlijkheid in ging.

 

 

Hoe dichter ze bij Emmaüs komen, hoe meer de vreugde in hun hart komt.
Hoe dichter ze bij huis komen, hoe meer er geloof in hun hart komt.
De traagheid verdwijnt uit hun hart en ze worden steeds enthousiaster.
Zou het dan toch?
Zonder dat ze het weten, wordt de weg naar Emmaüs, de weg van twijfel,
De weg waarop ze afhaakten veranderd in een weg van geloof,
omdat Christus er zelf op meeloopt.
En in hun hart begint het langzaam aan te zingen.
Het is waar: onze Heer leeft. Hij is waarlijk opgestaan.
Nog steeds zien ze Hem niet en dat het in hen verandert hebben ze nog niet door.
Achteraf, als Jezus vertrokken is, nadat ze Hem hebben herkend,
geven ze aan dat er toen een verlangen in hen gewekt is,
een vuur dat brandt, het vuur van het geloof, dat niet meer dooft,
omdat het door de Heer zelf was aangestoken.
Was ons hart niet brandend in ons?

Gij hebt mijn weeklacht en geschrei
veranderd in een blijde rei !
Mijn rouwkleed hebt Gij weggedaan,
uw vreugdekleed deedt Gij mij aan,
dat ik zou zingen tot uw ere
in eeuwigheid, mijn God, mijn Heere !

Loop jij nog op de weg naar Emmaüs? Zie je dan niet dat Jezus met je mee loopt
om te horen wat er in jouw hart leeft
En om jou te vertellen hoe Hij er is in jouw leven
om jou het geloof te geven, het verlangen in jouw hart te wekken
om meer over Hem te weten te komen, om Hem meer te zien en te ervaren,
zodat ook in jouw hart het vuur van het geloof gaat branden.
Amen

Preek Eerste Paasdag 2019

Preek Eerste Paasdag 2019
Schriftlezing: Lukas 24:1-12.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de verhalen die Lukas ons vertelt gaat het er niet alleen om dat Jezus is opgestaan,
maar gaat het er ook om dat ook wij de opgestane Heer kunnen vinden.
Lukas gebruikt hier enkele woorden, die hij vaak in zijn evangelie gebruikt
en voor hem dus blijkbaar belangrijke woorden zijn: zoeken en vinden.
Nu is bij ons de volgorde vaak dat je eerst gaat zoeken en dat je daarna vindt.
Je bent iets kwijt, wat je nodig hebt en je gaat op zoek, totdat je het vindt.
Lukas vertelt daarover de verhalen van een herder die een van schapen mist
En op zoek gaat om dat schaap te vinden.
Of die vrouw, die een penning kwijt is: ze zoekt net zo lang tot ze vindt.
Je bent iets kwijt en dan ga je op zoek.
Bij de opstanding gaat het echter net andersom: de vrouwen vinden iets
en daardoor moeten ze op zoek.
Ze zijn helemaal niets kwijt, want ze weten waar Jezus is.
Althans dat denken ze te weten:
ze waren erbij toen Jozef van Arimathea het lichaam van Jezus van het kruis haalde
en volgden Jozef toen Hij met het lichaam van Jezus naar het graf ging
en zagen met eigen ogen hoe het lichaam van Jezus in dat graf werd gelegd.
Daar gaan ze nu naar toe, nu ze een dag hebben gewacht, omdat het sabbat was
En ze niet bij het graf terecht konden, omdat de sabbat een dag van rust was,
Een dag voor God.
Maar als ze bij het graf komen, vinden ze iets, waardoor ze alsnog moeten zoeken.
Het is de omgekeerde wereld, omdat God met de opstanding van Christus alles omkeert.
Ze vinden en daardoor moeten ze alsnog op zoek.
Als ze aankomen, vinden ze niet wat nog in hun gedachten was,
de plek zoals ze daar tijdens de hele sabbat aan hebben zitten denken.
Ze treffen de situatie zo aan dat de steen van het graf is weggerold.
Ze vonden de steen afgewenteld van het graf, zegt Lukas
en gebruikt daarmee het woord, waarmee hij wil laten weten
dat God naar ons op zoek is en ons vindt.
Maar als de vrouwen vinden, moeten zij op zoek.
Als ze de steen vinden, moeten ze op zoek naar het lichaam van Christus
En het wordt nog erger, want het lichaam is hier niet,
zoals de engelen tegen de vrouwen zeggen.
Het lichaam is kwijt – weg – en daarom moeten ze op zoek.
Het is de omgekeerde weg van God: God zoekt en vindt.
Als het om God gaat, is het voor ons mensen net omgekeerd:
We vinden iets, waardoor alles in een nieuw licht komt te staan
en blijken daarmee God te missen en moeten op zoek naar Christus
tot wij Hem vinden – en Hem net als de vrouwen kunnen ontmoeten als de levende Heer.
Ik denk dat Lukas in de verhalen over de opstanding die hij in zijn evangelie ons wil leren
over hoe Christus in ons leven komt.
Hoe wij nu vandaag de dag de levende Heer kunnen ontmoeten.
Dat begint dat met het vinden van een situatie, die voor onverwacht is,
Waar je niet op gerekend hebt en waardoor de schrik je om het hart slaat
omdat je beseft: Ik ben mijn Heer kwijt. Hij is hier niet!
Je had het kunnen weten, dat Hij hier niet is,
maar omdat je niet scherp genoeg bent geweest op de signalen van God
die vertellen waar Hij wel is, ben je Hem uit het oog verloren,
Terwijl je denkt dat Hij nog bij je is, is Hij er niet meer.
Het begint al als de vrouwen Jozef met de dode Jezus volgen
en ze denken dat Jezus naar Zijn laatste rustplaats op aarde wordt gebracht.
Nu Hij gestorven is en begraven, willen ze Zijn lichaam de laatste eer bewijzen.
Ze denken niet meer aan wat Jezus vertelde over dat Hij zou sterven
en daarbij ook aangaf dat Hij weer zou opstaan uit de dood.
Elke keer als ik dat lees, ook nu weer, vraag ik me af:
Hoe hebben ze dat kunnen vergeten,
dat Jezus zowel Zijn dood als opstanding had aangekondigd?
Wat de dood aan het kruis zo’n ingrijpende gebeurtenis,
Waardoor alle geloof dat ze in Jezus hadden in één klap onderuit ging?
Zou ons dat ook kunnen overkomen?
Je kent de verhalen dat Jezus is opgestaan en je gelooft dat.
Maar opeens is er iets, waardoor je dat geloof kwijt bent.
Je kunt alleen nog maar aan vroeger denken.
Psalm 42 heeft dat ook: vroeger ging ik mee met de menigte die vol vreugde was
en kon feestvieren, omdat ze God bij zich wisten,
maar nu, nu ben ik op een afstand en ik heb heimwee naar die tijd, dat ik bij God was:
Kon ik dat nog maar weer meemaken!
Ook de vrouwen bij het graf kunnen alleen nog maar aan vroeger denken:
De goede tijd dat ze veel van Jezus leerden.
Nu kunnen ze alleen nog maar een dode Jezus in ere houden
en dat willen ze doen: met specerijen en mirre
om het lichaam van Jezus zolang mogelijk in goede staat te houden.
Ze maken de specerijen en mirre klaar, maar kunnen niet naar het graf,
omdat het sabbat is.
Ook dat is weer een aanwijzing van God dat Hij er is,
want de sabbat is er om Gods daden te gedenken,
om erbij stil te staan hoe Hij de schepping gemaakt heeft:
op de 7de dag om te rusten van de schepping.
Om te vieren hoe ze uit Egypte zijn bevrijd: geen slaaf meer,
maar door Gods krachtige hand uitgeleid en nu vrije mensen.
Voor de vrouwen zal de dag van de sabbat vooral een dag zijn,
waarop ze niet naar het graf kunnen, omdat Gods  regels houden hen tegenhouden.
En er is haast bij, want als het lichaam niet gauw behandeld wordt,
Zal het lichaam vergaan.
Ze staan er niet bij stil dat ze goed voor een dode Jezus willen zorgen,
terwijl God al bezig is om Hem op te wekken.
Voor hen telt alleen de werkelijkheid dat Jezus dood is.
Dat God in staat is om alles nieuw te maken, opnieuw te handelen,
te komen met Zijn macht en majesteit – de sabbat was bedoeld om dat te overdenken
– de vrouwen staan daar niet bij stil en wachten tot de sabbat voorbij is
en op z’n allervroegst, wanneer de dag nog maar amper begonnen is, gaan ze.
Ze zitten nog bij de situatie, zoals ze die achtergelaten hadden.
Wat ze vergeten zijn, is dat in de tussentijd God ook kan werken.
Ik begrijp wel waarom ze dat vergeten zijn,
want wie houdt er nu rekening mee na een begrafenis
Dat degene die je weggebracht hebt weer zal opstaan uit de dood.
Daar is de dood te werkelijk voor. De dood is het einde van het aards bestaan.
Het is ook geen beter weten van Lukas als hij ons doorverteld
dat de vrouwen hadden kunnen weten dat Jezus zou opstaan.
Er klinkt wel een verwijt aan de vrouwen, uitgesproken door de engel.
Maar dat verwijt is voor ons bedoeld.
Hij wil tegen ons zeggen: betrek elke situatie op God
en houd rekening mee, dat God kan ingrijpen,
de hele situatie kan omkeren, zoals Hij Jezus uit de dood riep
en terugbracht in het leven.
Want Lukas tekent met de weg die de vrouwen gaan de weg voor ons,
Waardoor wij tot geloof kunnen komen:
De start van de weg naar het geloof kan beginnen op het moment dat je God niet kent.
Maar kan ook beginnen op het moment, dat je er geen rekening mee houdt
dat God iets kan doen. Dat je dat geloof hebt opgegeven.
De situatie is zoals je die achtergelaten hebt.
Wat je achtergelaten hebt, is een zieke man op een ziekenzaal in het ziekenhuis.
En voor jouw idee blijft het zoals je het de laatste keer achterliet.
Wat je achtergelaten hebt, is de crisis van je huwelijk
en je ziet niet meer dat het goed kan komen.
Of je denkt dat God niets met je te maken wilt hebben, dat jij niet bij Hem kunt horen.
De situatie is zoals hij is en er is niemand die het verandert.
Ben je dan niet net als de vrouwen die naar het graf gaan om een dode Jezus te vereren?
En als je dan iets aantreft dat je niet verwacht,
duidt je dat niet als een signaal dat God bezig is, dat God Zijn Zoon riep uit het graf,
maar is er schrik, paniek, je moet zoeken, omdat er iets niet klopt.
Voor de vrouwen is het paniek: waar is het lichaam van Jezus gebleven?
Hij zou hier toch moeten zijn? Ze hebben dat toch zelf gezien dat Hij hier neergelegd werd?
Maar hoe ze zoeken, ze vinden niet.
Ook hier is er de omgekeerde weg van God.
Als Hij naar ons op zoek gaat, vindt Hij ons, maar de vrouwen zoeken maar vinden niet.
Omdat ze Jezus zoeken tussen de doden.
Ze zoeken op een plek waar Jezus niet is en daarom vinden ze Hem niet.
Het zijn de engelen die het hen bekend maken dat ze op de verkeerde plek zoeken.
De vraag kan uitgesproken zijn met een verwijt in de stem:
Je had hier helemaal niet moeten zoeken. Je had beter kunnen weten.
De engelen kunnen de vraag ook met een glimlach hebben uitgesproken:
Hier zul je Hem niet vinden, want je zoekt op de verkeerde plaats.
Je gaat er nog vanuit dat Jezus dood is. Maar Hij is hier niet.
Juist dat ze Jezus niet vinden is evangelie.
Meestal is als je iets niet vindt, geen goed nieuws,
Want dan ben je iets kwijt en hoe langer je iets kwijt bent,
hoe kleiner de kans dat je dat wat je kwijt bent nog terugvindt.
Maar de vrouwen zijn alleen een dode Jezus kwijt,
maar dat is goed nieuws, want er is iets gebeurd:
God heeft ingegrepen. Hij heeft Zijn Zoon opgewekt.
Net zoals een ouder een kind roept, omdat het op moet staan,
tijd om uit bed te komen, zo heeft God Zijn Zoon geroepen uit het graf.
Tijd om uit het graf te komen. Opstaan!
Dat is de volgende stap in de weg van het geloof.
De vrouwen begonnen met een verkeerde Jezus en raakten die Jezus kwijt
en moeten zoeken.
Ze vinden Hem weer terug door de woorden van de engelen.
Nu zullen er hier niet in de kerk zoveel zijn die ook door een engel zijn gaan geloven.
Dat kan overigens wel, maar hoeft niet.
Het gaat om de woorden, die tegen je gezegd worden.
Dat kan inderdaad door een engel.
Het kan ook door wat je in een preek hoort, of een ouderling tijdens huisbezoek zegt.
Een meester of juffrouw op school over de Heere Jezus vertelt
of wat je onderling met elkaar deelt.
Dat je het vertelt en tegen elkaar zegt: Weet je dat niet meer dat Jezus is opgestaan?
Ben je dat vergeten?
Ben je vergeten dat de dood niet het laatste is?
Ben je vergeten dat Jezus de dood heeft overwonnen?
Ben je vergeten wat Gods plan was? Met deze wereld? Met jouw leven?
De volgende stap is geloof:
Ik denk dat in de meeste gevallen het geloof niet zo snel komt als bij deze vrouwen
en dat je vaak nog moet zoeken, zoals de vrouwen dat doet op een plek waar Jezus niet is.
En dat er iemand tegen je moet zeggen: Hij is hier niet! Hij is opgewekt!
God is aan het werk geweest.
Wat zoek je de Levende bij de doden?
Je moet op een andere plek zoeken, een plek waar je rekening houdt met God.
Waar zouden wij moeten zoeken als we Jezus willen vinden?
Voor Lukas is dat waar de woorden over Jezus klinken
of waar het sterven en opstaan van Christus wordt gevierd.
In de kerkdienst, bij het avondmaal, als je voor jezelf de Bijbel opendoet,
als je met elkaar over Christus praat, als er een Bijbelverhaal verteld wordt,
als je in jezelf nadenkt over Hem.
Dat zijn allemaal momenten dat je Christus kunt ontmoeten.
Maar het is niet makkelijk om op die woorden af te gaan.
Als de vrouwen de woorden van de engelen doorgeven,
wordt dat afgedaan als kletspraat – jullie hebben iets in je hoofd gehaald.
Het is in je bol geslagen.
Zo wordt er dus op het goede nieuws gereageerd.
Zelfs voor de volgelingen van Jezus is het moeilijk om de opstanding aan te nemen.
Zij moeten de weg van het geloof nog lopen.
Zij zitten nog in de fase waarin de vrouwen die dag begonnen.
Ongeloof wordt vaak maar moeilijk doorbroken.
Vaak is het veel makkelijker om te geloven dat het is zoals het is.
Ze halen hun schouders op.
Behalve één, die Jezus al was kwijtgeraakt:
Petrus, die Jezus kwijtraakte toen Hij Jezus verloochende.
Juist bij hem wordt er iets geraakt, waardoor hij gaat zoeken.
Hij vindt nog niet, maar denkt er wel over na.
Ook dat kan een eerste stap zijn in het vinden van Jezus:
Verwondering: er is iets gebeurd. Je begrijpt het nog niet,
maar je komt er toch niet los van.
Hij staat in het lege graf en ziet de doeken liggen.
Nee, Jezus is er inderdaad niet
– Hij vindt Jezus ook niet. Jezus zal hem vinden.
Zo gaat het vaak: Als je denkt te vinden, blijk je te moeten zoeken.
Maar als je niet kunt vinden, dan wordt je gevonden.
Dan vindt de Herder je. Dat is een troostvolle gedachte.
Amen

Preek Goede Vrijdag 2019

Preek Goede Vrijdag 2019
Schriftlezing: Mattheüs 27:33-56

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de beschrijving, die Mattheüs van het gebeuren op Golgotha geeft,
krijgt het kruis de minste aandacht.
Meer aandacht is er voor wat er om het kruis gebeurt:
Hoe de mensen, die zich om het kruis verzameld hebben, zich gedragen
en op de gebeurtenissen die plaatsvinden rondom het kruis.
Het enige dat Mattheüs vertelt over Jezus aan het kruis
is dat Hij weigert om te drinken, dat Hij de regel uit Psalm 22 uitroept:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten
en dat Hij vrij snel daarna overlijdt.
Voor de rest laat hij vooral het tafereel om het kruis zien.

Het begint al met de aankomst op de heuvel Golgotha.
De naam die de mensen aan deze plek hebben gegeven,
geeft aan dat het geen fijne plek is om te verkeren.
Schedelplaats betekent deze naam.
Het is niet helemaal duidelijk of de naam afkomstig is van de vorm van de heuvel,
die op een schedel zou lijken
of van de schedels die daar kunnen liggen, afkomstig van de mensen die gekruisigd zijn.
Meestal werden degenen, die gekruisigd werden niet begraven,
maar liet men hen hangen tot ze vergaan waren, of werden ze in de buurt neergegooid.
De naam geeft in ieder geval aan, dat het een lugubere plaats is om te zijn,
een plek waar een macabere sfeer hangt, de sfeer van de dood, van verdoemd-zijn.
Dit is het koninkrijk van deze koning: een rijk dat ten dode is opgeschreven.
Hier in dit land dat mag Hij koning zijn.
Alles wat er verder gebeurt,
is bedoeld om de vernedering van deze koning compleet te maken.
Bij aankomst op de heuvel Golgotha, waar het kruis opgericht zou worden,
krijgt Jezus een wat te drinken, alsof hij door kameraden wordt onthaald,
die samen willen vieren dat Hij als koning de troon zal bestijgen.
Maar in de wijn, die Jezus aangeboden krijgt, hebben ze iets gedaan,
waardoor de wijn niet te drinken is: met gal gemengd.
Voor het oog is het vriendschap die aangeboden wordt, kameraadschap.
Maar met het aanbieden van dit gemixte drankje,
wijn gemengd met spot, minachting, wordt Jezus op de ziel getrapt
en nog eens meer vernederd dan al gebeuren zal aan het kruis.
Het is wat in Psalm 69 beschreven wordt: Ze mengden gif door mijn eten
en lesten mijn dorst met azijn.
Alles wordt aangegrepen om Jezus nog eens extra te vernederen.
Jezus wil echter niet drinken: Hij weigert deze beker.
Niet omdat Hij de steek onder de gordel opmerkt in de beker die aangereikt wordt,
maar omdat Hij het lijden met volle bewustzijn wil ondergaan.
Hij heeft ingestemd om die andere beker leeg te drinken,
de figuurlijke beker die Hem door de Vader in de hemel is aangereikt
en omdat Hij daarmee instemde, die te zullen drinken.
Aan het kruis brengen en Hem koning maken van dit macabere koninkrijk
is nog niet vernederend genoeg. De vernedering gaat door.
Om aan te geven dat Hij helemaal niets voor voorstelt en zich niets hoeft in te beelden
Wordt het laatste dat Hij heeft, Zijn meest persoonlijke eigendom, Zijn kleren
verdeeld onder de soldaten die aan het kruis moeten waken
om te voorkomen dat de aanhangers van Jezus komen om Jezus van het kruis te halen.
Het laatste dat Jezus bij zich had, wordt Hem nog afgenomen.
Hij heeft geen volgelingen meer.
Ja, alleen wat vrouwen die in de verte kijken wat er gebeurt.
Ook geen eigendommen meer, zelfs geen kleren meer.
Hier hangt geen mens meer, maar minder dan een mens
van al het menselijke ontdaan.
Nog meer vernedering, steeds verder tot de diepste vernedering is bereikt.
Mattheüs, de evangelist, registreert wat er gebeurt, maar ziet ook met de oog van het geloof.
Hij ziet dat in de diepste vernedering waarin Jezus af moet dalen
tegelijk ook Gods plan ten uitvoer wordt gebracht, de Schriften worden vervuld (Ps 22).
Twee uitersten komen hier samen: het verwerpen van Gods Zoon,
waarmee God zelf door de mensen verworpen wordt
en het plan van God om de mensen te redden door deze dood.
Jezus die door de mensen verworpen en vernederd wordt, brengt juist daardoor redding.
Voor de mensen die daar lopen is dat niet zichtbaar.
Ze kunnen en ze willen dat niet zien.
Ze zien een machteloze man, die een te grote pretentie had, zichzelf Messias noemde
en vooral Mensenzoon, de goddelijke rechter die aan het einde van de tijden zou komen.
Moet je Hem daar zien hangen! Als dit een koning is…
Het is eerder een parodie op wat een koning hoort te zijn.
Zijn eer en waardigheid is Hem afgenomen.
Hij regeert niet vanaf een troon over een heel koninkrijk,
maar vanaf het hout op deze kleine heuvel,
Waar alleen maar opstandelingen en misdadigers aan het kruis worden getoond
om het volk te laten weten, dat het niet in hun hoofd moesten halen om in opstand te komen.
Hij – redding brengen? Hij kan zichzelf nog niet eens redden.
Wat had die Man aan het kruis ook al weer gezegd?
Dat Hij de tempel kon afbreken en in drie dagen weer op kon bouwen?
Mattheüs vermeldt nergens dat Jezus heeft gezegd dat Hij de tempel zal afbreken.
Als Jezus voor de hogepriester staat en zich moet verantwoorden,
wordt ook als beschuldiging naar voren gebracht:
Hij heeft gezegd dat Hij de tempel van God kan afbreken en in 3 dagen opbouwen.
Je proeft de verontwaardiging in die woorden:
het meest heilige gebouw dat er op de wereld bestaat, de plaats waar God woont,
waar Zijn aardse troon staat – afbreken en snel herstellen.
Als de brand van de Notre Dame al diep raakt,
dan kunnen we voorstellen dat het spreken over het afbreken van de tempel
nog dieper snijdt in de harten van de Joden.
De tempel afbreken betekent dat God er niet meer is,
dat Zijn woonplaats op aarde overbodig is geworden
of ontheiligd is, niet meer waardig om de heilige God te huisvesten.
Hoe durft Hij te zeggen, dat de tijd van God in Jeruzalem voorbij is
en de tempel geen functie meer heeft en daarom afgebroken kan worden.
En hoe kan zo’n gebouw, waar jaren aan gewerkt is, weer in 3 dagen opgebouwd worden?
Nu Jezus aan het kruis hangt, zie je hen daar onder het kruis over gniffelen:
Heeft Hij dat werkelijk gezegd? Hoe heeft Hij dat kunnen bedenken?

Ook hier moet Mattheüs aan eerdere woorden uit de Schrift denken, woorden uit Ps 22:
Ze kijken vol leedvermaak naar mij. Ze schudden hun hoofd als ze mij zien.
Het is leedvermaak waarom ze daar bij het kruis blijven staan:
Hoe heeft Hij dat allemaal kunnen bedenken? Zoon van God, Zoon des mensen?
waar is toch uw almacht thans, waar uw goddelijke glans?
Kan de spot je dieper raken dan wanneer ze over je machteloosheid beginnen
en je daarom uitlachen?
Anderen kon Hij wel helpen, maar nu Hij zelf in nood is, blijkt er van Zijn macht niets meer.
Anderen kon Hij op de goede weg helpen, maar nu er voor Hem geen uitweg meer is,
is Hij alleen en wordt Hij door niemand geholpen.
Zelfs God heeft Hem in de steek gelaten.
Hij vertrouwde toch op God?
Kan een vernedering dieper raken dan wanneer mensen je geloof raken,
je vertrouwen op God en zeggen dat de God in wie je gelooft er niet is,
zich niet laat zien, je in de kou laat staan.
‘De spotters die hem omringen wachten met huiverende sensatiebelustheid
op het ingrijpen van God, die toch zeker zijn messias niet de dood zal laten ingaan.
Een wending in de laatste minuut: (….) dat zou een bewijs zijn dat God hem goedgezind is.’
Als er al een antwoord van God komt is dat een duisternis die over het hele land valt
op het toppunt van de dag, er van uitgaande dat God de hand heeft in de schepping
en dat wat er gebeurt niet buiten Hem om gaat.
Alleen voor wie is die duisternis en wat heeft die duisternis te zeggen?
Duisternis is er op de aarde aan het begin van de schepping,
als God het licht nog niet geroepen heeft om te schijnen en het duister te verdrijven.
Het is een duisternis dat de wereld steeds kan bedreigen.
Duisternis is er in Egypte als de farao weigert om te buigen
en het gevecht aangaat met de God van Israël en Israël weigert te laten gaan.
In die duisternis moet de farao ervaren dat de God van Israël sterker is dan hij
en aan hem en zijn machtige rijk Zijn wil kan opleggen.
Duisternis is er op de berg Sinaï als de Heere daar verschijnt en Zijn geboden geeft,
een duisternis die aangeeft dat God te heilig is om zomaar tot Hem te komen.
Duisternis zal er zijn, zegt de profeet Amos als de Dag des Heeren aanbreekt,
de dag waarop God terug zal komen om de wereld en ook Israël te oordelen.
Het zal de dag zijn, waarop de Zoon des mensen terugkeert
om op de rechterstoel in Jeruzalem plaats te nemen en iedereen zal oordelen.
Wat voor duisternis valt er over het kruis heen?
Voor Jezus is de stilte de afwezigheid van God,
Want na 3 uur klinkt er een luide schreeuw van Jezus naar de Vader:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten.
De luide stem geeft aan dat Jezus nog bij volle bewustzijn is
en weet wat Hem overkomt, wat Hij moet doorstaan:
de duisternis die er over de aarde is als God er niet meer is.
Temidden van de spot en de hoon van de mensen aan de voet van het kruis,
laat God Jezus ook alleen zijn in het donker en trekt zich terug.
Dit is de beker die Jezus moet leegdrinken,
de beker van de toorn die voor Zijn volk bedoeld is
En die door de Koning van Israël plaatsvervangend wordt leeggedronken.
Bijna is het moment dat Hij Zijn leven geeft als offer voor de zijnen.
Voor Hij sterft, is er nog een keer de spot van degenen onder aan het kruis.
Ze moeten de tekst hebben herkend als een tekst uit de Bijbel,
maar ze doen net of ze Jezus verkeerd verstaan
en op dit heilige moment voor Jezus en voor de Vader in de hemel
komen degenen voor wie Jezus lijdt en Zijn leven opgeeft niet meer bij van het lachen.
Elia? Op dit moment? Ze stoten elkaar aan, hikkend van de lach: Hoor je om wie Hij roept?
Er is er een die denkt: Laat ik Zijn lijden verlengen door hem te drinken te geven,
maar de anderen duwen hem weg:
‘Laat dat. Wacht of Elia ook werkelijk komt om deze Koning te bevrijden.’
Maar het is al te laat, want terwijl ze zich opmaken om op Elia te wachten,
laat Jezus met een luide roep weten dat Zijn einde gekomen is
en zich overgeeft in de dood.
Voor de aanwezigen mag Zijn heengaan wellicht onverwacht komen,
voor Jezus zelf niet.
Dit is het moment.
Nee, Hij heeft zichzelf niet willen redden,
al moet de verleiding groot geweest zijn, omdat de omstanders de woorden gebruiken,
Waarmee de duivel aan het begin van Jezus rondgang op aarde naar Hem toe kwam:
Als je de Zoon van God bent, als je werkelijk door God gestuurd bent,
Als je een missie hebt, kom dan van het kruis af en wij zullen in je geloven.
Dan heb je ons, dan vallen we voor u op de knieën.
Dan is er geen lijdensweg nodig, maar gaan we achter u aan naar de troon in Jeruzalem.
Maar nee, Jezus slaat deze verleiding af en blijft volhouden op de weg,
De weg die voor Hem doodloopt, maar voor ons leven geeft.
Hij wilde zichzelf niet redden, omdat Hij niet aan zichzelf dacht,
maar aan al die anderen voor wie Hij leed, voor wie Hij daar aan het kruis hangt,
die door het offer aan het kruis gered kunnen worden,
Die aan de macht van de dood kunnen ontkomen, omdat Hij zich overgeeft in de dood,
die bij God kunnen horen, omdat Hij door God verlaten werd.
Die vergeving kunnen ontvangen, omdat Hij daar in de duisternis hing
en onze zonden wegdroeg.

Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,

hangt ten spot van snode smaders.

Zoon des Vaders,

waar is toch uw almacht thans,

waar uw goddelijke glans?

 

Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,

en Hij hangt er mijnentwegen,

mij ten zegen.

Van de vloek maakt Hij mij vrij,

en zijn sterven zaligt mij.

Amen

 

Offeren, waarom moet dat eigenlijk?

Offeren, waarom moet dat eigenlijk?
De manier waarop Jezus sterft is niet willekeurig of toevallig

Iemand die sterft voor jou, voor je zonden. Het is een ergernis of een dwaasheid maar gewoon geaccepteerd wordt het nooit. Hoe moet je dat offer van Jezus duiden? De valkuilen zijn legio, zeker in een cultuur waarin we geen offercultus kennen.

Vanaf het moment dat Jezus stierf, hebben christenen nagedacht over de betekenis van dit sterven en over de betekenis van de manier waarop hij stierf. Al in de allereerste reflecties op de betekenis wordt Jezus’ sterven aan het kruis verbonden met God. Het kruis is geen toevallige gebeurtenis, maar in de ogen van Paulus het middel dat God koos om de mensen te bevrijden uit de macht van de zonde.

sllcrocifissoguidoreni
altaarbeeld van Guido Reni in de San Lorenzo in Lucina (Rome)

Het sterven van Jezus aan het kruis is allereerst een handelen van God, waarin God iets bewerkstelligt: Hij brengt daarin twee partijen bij elkaar die zonder dat kruis niet te verenigen zijn. In het sterven van het kruis wordt de mensheid, die in de macht van de boze en de zonde geraakt was, verenigd met God.

Verzoend
Aan het kruis wordt de mensheid verzoend met God. God hoeft niet verzoend te worden, aan zijn kant zit de fout niet. De mensen moeten verzoend worden met God. Voor Paulus gaat het sterven van Jezus aan het kruis niet buiten ons om. Als Jezus sterft aan het kruis, sterft elke gelovige op dat moment aan het kruis met Jezus mee, schrijft hij in Romeinen 6.

Op beeldende wijze
In de vier evangeliën wordt de betekenis van Jezus’ dood op beeldende wijze verteld. In Mattheüs, Markus en Lukas worden op cruciale momenten teksten uit Jesaja 53 verwerkt, waarmee zij willen aangeven dat er met het sterven van Jezus er iets gebeurd is in de relatie tussen God en mensen. Jezus sterft in de plaats van de mensen. Hij neemt het oordeel van God op zich en draagt dat weg. Zijn dood is een loskopen. Dat beeld wordt niet ontleend aan de slavenhandel, maar aan het vrijkopen van krijgsgevangenen die in de macht van de vijand zijn geraakt. Zo koopt de dood van Jezus de gelovigen vrij uit de macht van de zonde en de duivel.

Johannes legt andere accenten: zijn evangelie verbindt aspecten uit de tempelcultus met het Joodse Pesachfeest. Jezus is het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Jezus sterft bij Johannes op het moment dat het Pesachlam wordt geslacht. In alle vier de evangeliën staat Jezus dicht bij God of kan hij worden gezien als God zelf.
16th-St-Baptist-Ch-Wales
“The Black Christ of Alabama” – Gebrandschilderd raam in de 16th Street Baptist Church Birmingham (Alabama)

Onttronen van de kwade machten
Ook in de overige geschriften van het Nieuwe Testament is de dood van Jezus onderdeel van het handelen van God. De dood van Jezus onttroont de kwade machten, verslaat de duivel, verbreekt de macht van de dood. In zijn dood daalt Jezus in het dodenrijk neer om daar zijn overwinning te proclameren en aan te kondigen dat de gelovigen, die nu nog gevangen zijn in het dodenrijk, bevrijd zullen worden. In alle gevallen kan de betekenis van de dood van Jezus niet los gezien worden van zijn opstanding en binnengaan in de hemel.

Niet willekeurig of toevallig
De manier waarop Jezus sterft is ook niet willekeurig of toevallig. De dood aan het kruis is de meest vernederende en de meest gruwelijke vorm van ontmenselijking. Daarnaast is de kruisdood de meest eenzame vorm van sterven, want als Jezus sterft aan het kruis is hij ook door God verlaten, het is de totale vorm van Godverlatenheid.
william-congdon-crucifix-no.-2
William Congdon – Crucifix no. 2

Daarom hebben buitenstaanders en ook christenen geregeld moeite met deze vorm van sterven van Jezus aan het kruis. In de tijd van het Nieuwe Testament was de gedachte dat een God sterft aan het kruis de grootst mogelijke onzin en de hoogste vorm van Godslastering. Voor gelovigen is het moeilijk om te zien dat God ervoor kiest verworpen en vernederd te worden, dat Hij zijn zwakheid toont in plaats van zijn macht.

Moeite
Tegenwoordig hebben mensen niet minder moeite met de dood van Jezus, eerder meer. Een van de moeiten ontstaat als Jezus helemaal losgemaakt wordt van zijn eenheid met de Vader. Jezus wordt dan een mens, weliswaar een van de meest bijzondere, maar wel een mens. Dan valt het aspect weg, dat Jezus niet alleen mens is maar ook God en aan het kruis niet alleen als mens, maar ook als God daar hangt. Wanneer dat aspect van het God-zijn van Jezus wegvalt, ontstaat het beeld dat God de last van de zonde neerlegt op een mens. Dat een mens de volle woede van God over zich heen gestort krijgt.

Een ander probleem ontstaat wanneer Jezus als individueel mens gezien wordt en niet meer als representant van de hele mensheid. Dan wordt ingewikkeld om te zien wat de dood van Jezus met mij te maken heeft en raakt de gedachte uit beeld dat ik aan het kruis in de dood van Jezus meesterf.

Offer
Weer een andere moeite gaat over de beelden die gebruikt worden om de betekenis van het kruis uit te leggen. Neem het beeld van het offer, dat toegepast wordt op de dood van Jezus. Al gauw is de gedachte dat Jezus door God is opgeofferd, God slachtoffert een mens als Jezus voor een doel, dat God wil bereiken.

En dan is er nog de taal van de offercultus uit het Oude Testament die gebruikt wordt om de betekenis uit te leggen. Bij een offer in de tempel vloeide namelijk bloed. De oud-testamentische offercultus is voor ons moderne mensen moeilijk te begrijpen, omdat er met het bloedvloeien het idee ontstaat dat er iets wreeds gebeurt. De gedachte bij het offer is echter dat een dier de plaats van een mens inneemt. De kern van het offer is dat er één dier zijn leven geeft, waardoor een heel volk het leven van God ontvangt en verder kan blijven leven.

Bloed
Wanneer in Hebreeën gesteld wordt dat Jezus als hogepriester met zijn eigen bloed de hemel ingaat en voor God verschijnt, is dat een uitleg van de betekenis van Jezus’ dood: zoals het offer reinigt van zonden – een reiniging die nodig is om in gemeenschap van God te komen – zo is de dood van Jezus aan het kruis het definitieve offer. Jezus wordt niet door God geofferd, maar geeft zijn leven over in de dood. Dat doet hij bewust, met het oog op ons. Om ons vrij te kopen en te reinigen van de zonde.

Het uitleggen van de dood van Jezus aan het kruis is niet eenvoudig. We staan op heilige grond, omdat we hier te maken hebben met het meest diepe van Gods wezen, woorden schieten tekort. Woorden schieten ook tekort omdat we hier met het meest diepe in de geschiedenis van de mensheid in aanraking komen, namelijk de totale Godverlatenheid.

Daarnaast worden beelden, die in het verleden iets van dit heilige en diepe lieten zien, onbegrijpelijk doordat de tijden veranderen. Omdat we geen offercultus kennen, wordt het zoeken naar wat de Bijbel wil uitdrukken met het toepassen van het offer op Jezus’ dood. Bovendien hebben we een eeuw achter de rug waarin mensen rücksichtslos geslachtofferd werden. Er is een gevoeligheid ontstaan met betrekking tot een dood die gewild is door God.

Als we Jezus’ gewelddadige dood op Golgotha in verbinding brengen met Gods handelen, zoals heel het Nieuwe Testament doet, kunnen we er niet aan voorbij gaan dat God met het kruis op Golgotha meer doet dan vergeving en verlossing bieden: God rectificeert. Hij herstelt geschonden recht, dat wij als mensen God en elkaar hebben aangedaan. Wanneer wij als mensen het recht van een ander schenden, kunnen wij het nooit helemaal goed maken. Wij kunnen de persoonlijke schade die is aangericht bij de ander hooguit erkennen, maar rechtzetten niet.

Het bijzondere van het kruis is God zelf met Jezus’ dood, die mens is en ook God, zich verantwoordelijk maakt voor die schade en onze schuld op zich neemt, verzoent en ons en die ander herstelt.

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad 18 april 2019