De troonsbestijging van de Opgestane en de troonrede die Hij houdt

De troonsbestijging van de Opgestane en de troonrede die Hij houdt
Exegetische, homiletische en catechetische opmerkingen bij Mattheüs 28:16-20

De oudtestamenticus Thomas Pola publiceerde in 2013 een aantal opmerkingen bij Mattheüs 28:16-20. Dit gedeelte staat bekend als de verschijning van de Opgestane of het zendingsbevel. Deze perikoop is de lezing voor  de 6e zondag na Trinitatis (van het eerste jaar). In veel gemeenten wordt op deze zondag dan stilgestaan bij de betekenis van de doop.

1) Deze perikoop is in twee delen te verdelen: in deel 1 (vers 16-17) handelen de leerlingen, in deel 2 (vers 18-20) handelt Jezus. Dit tweede deel heeft de nadruk. De beide delen zijn met elkaar verboden door de woorden leerling / jongere en leren. Zij vormen een motief in deze perikoop. Ook het werkwoord gaan / reizen verbindt de beide delen.

2) De 11 leerlingen representeren het nieuwe volk van God. Ze zijn op deze berg om een openbaring van Jezus te ontvangen.

3) De berg van deze openbaring is zonder naam. Dat is ongewoon, want meestal wordt er wel een naam genoemd. Maar ook bij de bergrede en de berg van de verheerlijking wordt de naam van de berg niet genoemd. Het lijkt erop dat voor Mattheüs de betekenis van de berg belangrijker is dan de lokalisatie. De bergen van de bergrede en van de verheerlijking roepen de herinnering op aan de Sinaï. Deze berg heeft trekken van de Zion. Ook deze berg heeft trekken van de Sinaï. In de geschiedenis van de exegese wordt gesproken over een “eschatologische Sinaï” (Ernst Lohmeyer). Volgens Joachim Gnilka gaat het om een gebeuren dat de beperkingen van ruimte en tijd overstijgt zonder aan werkelijkheid te verliezen.

4) In het evangelie van Mattheüs verschijnt de Opgestane zowel in Judea als in Galilea. Daarmee onderstreept Jezus Zijn claim als eschatologische heerser die het voormalige Zuidrijk en Noordrijk verenigt. Jezus vervult in het evangelie van Mattheüs de beloften van de eschatologische nazaat van David die beide delen zal verenigen (zie bijvoorbeeld Jeremia 30:1-31, 33:14-16; Ezechiël 34:20-31; 37:1-14).

5) In deze perikoop gaat het niet om een verschijning van Jezus, want Hij is daar reeds op de berg als de leerlingen daar aankomen. Was JHWH ook niet aan een berg verbonden (zie bijvoorbeeld 1 Koningen 20: 23, 28). Gedeelten uit de tijd van de ballingschap gaan er vanuit dat JHWH voortdurend op het als Sinaï getypeerde Zion woont (Exodus 25:8, 29:45v, 40:35). Aanduidingen die in de tijd voor de ballingschap met de Zion verbonden worden, worden nu aan de Sinaï verbonden.

6) Zodra de leerlingen Jezus zien vallen ze aan Zijn voeten om Hem te aanbidden. Jezus is voor hen zowel God als hun koninklijke heerser. Dit neerknielen functioneert in deze perikoop als acclamatie van het volk van de troonsbestijging van Jezus. Jezus zelf had geweigerd om ‘op een hoge berg’ voor de satan neer te knielen en wilde de satan niet aanbidden (Mattheüs 4:8-10).

7) De leerlingen die Jezus zien op de berg zijn een herinnering aan het volk van God, die de God van Israël op de berg Sinaï konden aanschouwen (Exodus 24:9-11). Dit motief van het aanschouwen van God wordt in Jesaja opgenomen, waarin gesproken wordt over een maaltijd van alle volken op een niet bij name genoemde berg.
In deze perikoop gaat het allereerst om de zending tot de volkeren. Wanneer deze boodschap gehoord wordt, zal het tot een eschatologische pelgrimstocht van de volkeren naar Jeruzalem komen (Zacharia 14:16-19).

8) In deze perikoop wordt niet gesproken over de hemelvaart van Jezus. Het gaat hier om de troonsbestijging van de Opgestane, die verhoogd is. Hij treedt aan als kosmische heerser.

9) Deze kosmische heerser die van God de volmacht heeft ontvangen en door God is opgewekt uit de dood gaat op de jongeren af om hen een troonrede te geven.

10) Het eerste deel van die troonrede is de zelfopenbaring van Jezus. Analoog aan de manier waarop JHWH Zich op de berg Sinaï presenteerde (Ik ben JHWH, uw God) dient er een formulering te komen waarin Jezus zichzelf voorstelt als de kosmische heerser: Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. De naam van Jezus is immers reeds bekend.
Vanuit de oudtestamentische traditie waarin JHWH Zichzelf voorstelt dient er een opdracht te komen. De opdracht die Jezus geeft is om op weg te gaan en alle volkeren tot leerlingen te maken.
De hemel en de aarde waarover Jezus de volmacht heeft gekregen, is de nieuwe kosmos. Met de volmacht wordt ook de traditie van de Mensenzoon opgenomen, die goddelijke volmacht heeft ontvangen (Daniël 7:14).

11)   (a)De opdracht die Jezus geeft heeft de structuur van Psalm 96:1-3. Deze psalm heeft als thema dat God koning wordt over heel de kosmos. Het gaat hier om een eschatologisch visioen dat verwoord wordt in een tijd van na de ballingschap (Perzische tijd). In de cultus in de tempel wordt die eschatologische tijd waarin JHWH over heel de kosmos regeert reeds in het heden ervaren. Het zendingsbevel heeft daarom de betekenis van de openbaring, het bekendmaken van het Koninkrijk van God aan alle volkeren.

(b) De redding waarover in Psalm 96:2 gesproken wordt kan in verband gebracht worden met de naam van Jezus. Het verkondigen wordt in de Septuagint met euangelisesthe vertaald. In dat woord klinkt het evangelie uitdragen door. Wanneer deze opdracht wordt vervuld komt volgens Mattheüs 24:14 het einde van de tijden.

(c) Oorspronkelijk trok Abram weg uit zijn vaderland, het land van de hoge culturen van het Tweestromenland, om een zegen te worden voor alle volkeren. Nu zendt de Zoon van Abraham (Mattheüs 1:1) Zijn leerlingen naar alle volkeren uit met de boodschap van de nieuwe werkelijkheid.

(d) Het zendingsbevel kan gelezen worden tegen de achtergrond van de roepingsgeschiedenissen uit het Oude Testament. Deze roepingsgeschiedenissen hebben niet een vast schema. Binnen dit genre van de troonsbestijging is de roeping een motief. Dit motief heeft de volgende kenmerken:
* het zien van God of van een engel
* mededeling van de opdracht
* degene die de opdracht ontvangt deinst terug voor het vervullen van de opdracht en wordt door JHWH of de engel gecorrigeerd (ontbreekt in deze perikoop)
* degene die op pad gestuurd wordt ontvangt de belofte dat JHWH meegaat

(e) Doel van de opdracht is om de volkeren te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Aan deze opdracht gaat vooraf dat alle volkeren tot leerling gemaakt worden en dat de volkeren geleerd wordt om de boodschap van Jezus te bewaren en te houden. Het hoofdwerkwoord is tot leerling maken. De woorden ga op weg en dopen zijn afhankelijk van dit hoofdwerkwoord. In het Grieks gaat het om participia. Catechese gaat vooraf aan de heilige doop!

(f) De kosmische heerschappij wordt niet met militaire middelen doorgezet, maar alleen door de woorden van Jezus die zorgvuldig zijn doorgegeven en bewaard.

12) Jezus had hen opgedragen om naar deze berg te komen (vers 16). De leerlingen dienen zelf andere volkeren tot leerling van Jezus te maken.  Zoals Jezus de leerlingen heeft geleerd (Mattheüs 5:1vv), zo dienen de leerlingen de volkeren te onderwijzen.

13) Daaruit volgt homiletisch: geloof en goede kennis van de verhalen over Jezus horen samen. Een zorgvuldige theologische opleiding voor verkondigers van het evangelie en godsdienstleraren is noodzakelijk, omdat de Opgestane daar zelf toe opdraagt. Bij die zorgvuldige opleiding hoort ook het leren van de Bijbelse talen (omdat via deze talen de werkelijkheidsopvatting van de Bijbel kan worden ontdekt).

14) Ook al is het wereldbeeld van de Bijbel, die immers een boek uit de Antieke Oudheid is, verouderd, de keuze om in de protestantse erediensten de lezing en de uitleg van een perikoop uit de Bijbel centraal te stellen is goed te rechtvaardigen. Het boek dat in de christelijke eredienst gelezen wordt, houdt ons voor om onszelf te identificeren met vormen van het volk van God. We kijken mee in het verleden, waarbij de historische distantie wordt overbrugd. In die gebeurtenissen ziet de lezer (of luisteraar) de van God verwachte toekomst. ‘Door historische waarneming ontmoeten wij God.’ (Heinzpeter Hempelmann) Door onszelf te identificeren met het volk dat geoordeeld wordt en dat de heilsdaden van God (zowel in OT als NT) mocht ervaren, zien we onze toekomst. Onze eredienst is ons heden ver vooruit. Zeker de verkondiging!

15) Met de kosmische heerschappij van Christus treedt een nieuwe hiërarchische ordening aan. In plaats van die ene davidische koning komt het nieuwe volk van God. In plaats van de unieke plaats van het volk van God komen alle volkeren. Eerst had Jezus de leerlingen geelrd. Nu zullen de leerlingen conform Zijn opdracht de volkeren leren.

16) Zoals JHWH eens de profeet Jeremia de opdracht gaf om in Zijn naam het oordeel en het heil over volkeren en koninkrijken te brengen (Jeremia 1:10), zo draagt Jezus het nieuwe volk van God op om Zijn woord te verkondigen. Beslissend daarbij is dat degene die gezonden wordt in optreden en levensstijl zijn of haar opdrachtgever representeert.

17) De opdracht gaat gepaard met de belofte dat Jezus zelf meegaat. Deze belofte gaf ook God mee aan profeten, koningen en anderen die in Zijn naam gingen. Het nieuwe is dat Jezus hier spreekt in plaats van God. Daarmee komen de leerlingen in de rang van profeten en koningen. Met deze belofte er altijd bij te zijn gaat ook de Immanuël-profetie (Jesaja 7:14) in vervulling. De heilvolle aanwezigheid van Jezus manifesteert zich tot het einde van de wereld op cultische wijze (door gemeenschappelijk gebed, in de christelijke eredienst).

18) Er zijn 11 leerlingen die de opdracht krijgen. Er ontbreekt er 1. Dat duidt op de gebrokenheid. Ook staat er dat er van deze 11 ook nog sommigen twijfelden. Ook al hebben we te maken met de troonsbestijging van de Opgestane, in deze wereld blijft het geloof in de spanning van gebed (oratio) en aanvechting (tentatio). ‘Ook degenen die twijfelen wachten op de woorden waarmee de Heer hen zal gebieden.’ (Ernst Lohmeyer)

19) In homiletisch opzicht past deze lezing bij de 6e zondag na Trinitatis. De heilige doop wordt hier gezien als gevolg van de catechese. De doop moet worden gezien in het kader van het aanbrekende Koninkrijk van God. Wat er over de kerk geleerd wordt (de ecclesiologie) is ondergeschikt aan dit Koninkrijk van God.

20) De verkondiger heeft duidelijk te maken dat het hier gaat om het totale en het definitieve: alle volmacht, alle volkeren, alles wat Ik u geboden heb, alle dagen.

N.a.v. Thomas Pola, ‘Der inthronisierte Auferstandene und seine Thronrede. Traditionsgeschichtliches, Homiletisches und Kathechetisches zu Matthäus 28,16-20’, Theologische Beiträge 44/2 (2013) 58-67

Advertenties

Een pleidooi om de Bijbel te lezen en te bestuderen in een (post)seculiere samenleving .

Een pleidooi om de Bijbel te lezen en te bestuderen in een (post)seculiere samenleving .

In 2003 werd in Duitsland het Jaar van de Bijbel gehouden. Ter gelegenheid daarvan schreef de nieuwtestamenticus Gerd Theißen een
bijbeldidactiek. Ik herlees dit boek, omdat ik begonnen ben aan een project met alternatieve invalshoeken voor het proces van het voorbereiden van de preek.

Gerd Theißen (ook wel geschreven als Gerd Theissen) was voordat hij hoogleraar Nieuwe Testament werd docent aan een middelbare school. Hij gaf Duits en godsdienst. Zowel als docent aan een middelbare school als hoogleraar Nieuwe Testament stimuleert hij anderen de Bijbel te lezen en te bestuderen. Dat is ook wat bijbeldidactiek moet doen: werven voor het lezen en bestuderen van de Bijbel.

home_2015
(bron: http://www.bijbelingewonetaal.nl)

Tegen de stroom in
Theißen beseft dat hij tegen de stroom in moet roeien. Het lezen in de Bijbel is niet meer populair. In ieder geval niet in de vrijzinnig-progressieve stroming van de kerk, waarin hij thuis hoort. Daarnaast heeft hij ook de tijd niet mee. Kan in een seculier tijdperk nog wel een pleidooi voor het lezen en bestuderen van de Bijbel gehouden worden.

gerd theissen
Gerd Theißen (bron: SCM Press)

De Bijbel heeft het imago ook niet mee. Voor jongeren is de Bijbel een boek voor volwassenen of voor ouderen. Als de jongeren het lezen van de Bijbel niet mee krijgen, zullen ze dat ook op school niet meekrijgen. Godsdienstdocenten staan vaak nog kritischer ten opzichte van de Bijbel dan de jongeren zelf. De Bijbel is bovendien een boek uit een heel andere tijd. Waarom dan in deze tijd de Bijbel lezen en bestuderen?

636240795271128496-1921481598_25376-reading_bible-1200

Vitaliteit
Een bijbeldidactiek moet op deze kritiek een weerwoord hebben, vindt Theißen. Die is in zijn ogen ook te geven: Het lezen en bestuderen van de Bijbel is altijd een kenmerk van vitaliteit van het protestantisme geweest. Dat de Bijbel niet meer geopend wordt, is in zijn ogen een teken dat het niet best met het protestantisme gesteld is.

Postseculier
Daarnaast is het tekort door de bocht om onze tijd seculier te noemen. We leven eerder in een postseculier tijdperk, waarin gelovigen, die tot verschillende godsdiensten te rekenen zijn, en ongelovigen in één samenleving leven. Deze samenleving is ook nog eens mede gevormd door de Bijbel. Alleen al vanuit cultuurhistorisch oogpunt kan de Bijbel niet gesloten blijven. Anders begrijpt men de eigen cultuur niet meer. Daarnaast spreekt de Bijbel ook vandaag de dag nog mensen aan, zowel gelovig als niet-gelovig, zowel christelijk als niet-christelijk.

Religieuze vragen
En al is de Bijbel een oud boek, de Bijbel heeft wel iets extra’s: de Bijbel zet mensen aan tot nadenken en reflectie, daagt mensen uit om contact te zoeken met God. Ook in deze postseculiere tijd worden religieuze vragen gesteld. Daarom is het nog maar de vraag of jongeren echt zo negatief over de Bijbel zijn, of dat het negatieve oordeel een gevolg van onkunde is.

De Bijbel is er ook voor andersgelovigen en niet-gelovigen
De Bijbel behoort niet alleen toe aan christenen. Ook Joden en moslims hebben (een deel van) de Bijbel. Ook hindoes en boeddhisten lezen in de Bijbel. Ook ongelovigen lezen in de Bijbel. Dat past ook wel bij de Bijbel. De canon van de Bijbel is – zeker wat het Oude Testament betreft –  gevormd met het oog op buitenstaanders (Ezra 7; de brief aan Aristeas). Het Nieuwe Testament is dan wel ontstaan voor intern gebruik, maar het Vroege Christendom was missionair ingesteld. Het lezen van de Bijbel door andersgelovigen of ongelovigen past bij de Bijbel.

Open bijbeldidactiek
Theißen wil daarom met een
open bijbeldidactiek komen: een bijbeldidactiek die zich niet alleen richt op christenen, maar ook andersgelovigen en niet-gelovigen uitdaagt om de Bijbel te lezen en te bestuderen. De Bijbel is niet alleen onderdeel van de religieuze vorming en ontwikkeling, maar zelfs onderdeel van de algemene vorming en ontwikkeling.

Er zijn naar zijn idee 3 manieren van gebruik van de Bijbel, waarin de drieslag van de praktische theologie zoals Dietrich Rössler die voorstaat zichtbaar wordt: kerkelijk, persoonlijk en publiek.

  • De Bijbel als belijdenisboek – de Bijbel is een boek van de kerk, een zichtbaar symbool dat het mogelijk is om in contact te komen met God.
  • De Bijbel als boek om te mediteren – de Bijbel voor persoonlijk gebruik.
  • De Bijbel als boek van algemene vorming en ontwikkeling – de Bijbel als publiek boek. 

N.a.v. Gerd Theißen, Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldidaktik (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2003) 12-26.

Ik heb al eerder over Gerd Theißen geblogd hier en hier. Zie voor bijvoorbeeld voor een vertaling van dit eerste hoofdstuk: hier.

Alternatieve homiletiek

Alternatieve homiletiek

In de afgelopen jaren ben ik heel wat benaderingen tegengekomen waarvan ik dacht: als ik deze benadering nu eens inzet in het preekproces, kan het mij heel veel opleveren. Hierbij een alternatieve homiletiek.

Deze alternatieve homiletiek is bedoeld als aanvulling op (en niet als vervanging van) het gebruikelijke proces van preekvoorbereiding. Voor mijzelf is de uitwerking hiervan een project waaraan ik tussen de bedrijven door mee bezig ben. In ieder geval in mijn reflectie. En misschien ook wel op papier

Opzet van elk hoofdstuk:
Wie – wat – uiteenzetting – toegepast op de preek – werkvormen – literatuursuggesties

I. Uitzoeken van de Bijbeltekst

1. De Bijbel elementair

2. Curriculum; einddoelen

3. Competentiegericht

4. Waar de kerk van leeft: zekerheid – gemeenschap – leer – sacrament (Christian Möller)

5. De geloofsbelijdenis als gids voor het persoonlijke leven (M. Craig Barnes)

II. Ontsluiten van de tekst

1. Biblioloog & bibliodrama

2. Lectio divina

3. Existentiële bijbeldidactiek (Ingo Baldermann)

4. Laaggeletterdheid

5. Kinder- en jongerentheologie

6. Meisjes en jongens als exegeten

7. Contextuele benadering

III. Boodschap van de preek

1. Elementarisering (Friedrich Schweitzer)

2. Basismotieven in de Bijbel (Gerd Theißen)

3. Motiverende gespreksvoering (Miller & Rollnick)

IV. Prediker

1. De basishouding van Carl Rogers

2. Communicatietheorie van Schulz von Thun

3. Transactionele analyse

4. Geloofwaardig leiderschap (Joke van Saane)

5. Minor poet (M. Craig Barnes)

6. Mystagoog (Henk van der Meulen; Paul M. Zulehner)

V. Hoorder en context

1. De ideale gemeente (bestaat niet) – Eugene Peterson / Reiner Knieling

2. Journalistieke benadering


3. Gevoeligheid voor de sociale milieus (Heinzpeter Hempelmann ea)

4. Dialogisch zelf (Hubert Hermans)

5. Levensloop: preken voor kinderen, jongeren, volwassenen, 50+, ouderen.

6. Pastoraat aan mannen

7. Kerk op het dorp

VI. Preek

1. Theo-poëzie

2. Leren van schrijvers, schilders, fotografen, filmmakers enz

3. De kunst afkijken van Bach en andere musici

4. Het kerklied als levensbegeleider (Michael Heymel)

5. Creative writing

6. Preek als kleinkunst; als song(tekst)

7. Marketing

8. Voetbal & kerk (Christian Möller, Michael Herbst, Thorsten Kapperer)

VII. Eredienst

1. Homiletische presentie

2. Enscenering; toneel


3. Performatieve godsdienstpedagogiek; kerk(ruimte)pedagogiek

4. Het gezangboek (Rainer Braun)


Preek zondagavond 9 april 2017

Preek zondagavond 9 april 2017
Johannes 19:1-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Elke keer als ik de verhalen over de kruisiging lees en daarover nadenk,
heb ik het gevoel dat ik heilige grond betreed.
Dan zie ik voor mij hoe de Heere Jezus daar staat voor de hogepriester,
Voor Pilatus voor Herodes.
Het valt mij dan zwaar om er een preek over te maken,
omdat ik dan alleen maar stil zou willen zijn
en willen toezien hoe de Heere Jezus die weg ging.
Het is niet alleen het lijden dat hij ondergaat, niet de pijn van de geseling, van de slagen,
de pijn van de lange doornen die in het hoofd gedrukt worden,
die mij stil doen zijn en mij de woorden ontnemen,
niet alleen de spot, die zo diep in de ziel van Jezus ingesneden moet hebben,
maar vooral het besef dat Hij die weg ging voor mij.
En ook het besef dat ik niet helemaal kan doorgronden wat Jezus moest doorstaan,
want omdat Jezus die weg ging naar Golgotha,
omdat Hij het oordeel van God over ons leven op zich nam,
hoef ik dat oordeel zelf niet te dragen.
Ik zou dan stil van verwondering willen zijn,
of iemand willen hebben die het voor mij verwoordt
wat het ontzaglijke is dat daar op die weg naar Golgotha en op Golgotha zelf gebeurde.

Zie de mens, zegt Pilatus.
Wat zien we dan?
Je zou denken een man die ineengekrompen is door de pijn
die de geselslagen op zijn rug hebben aangericht,
met een gepijnigd hoofd door de slagen en de doornenkroon.
Je zou denken dat je een lachwekkende verschijning zou zien,
een parodie op wat een koning is: de mantel die de soldaten om hem hebben gehangen,
De rietstaf in zijn hand.
De doornenkroon, waarschijnlijk een parodie op de goddelijke status die Jezus zou hebben.
Hadden de Joden niet aangegeven dat Jezus zichzelf Gods Zoon had genoemd
en had die opmerking Pilatus geen vrees ingeboezemd?
Met die doornenkroon, die een parodie zijn op de stralen
die goden op een afbeelding hebben, wordt die vrees weggenomen.
Want als je iemand kunt bespotten, geef je aan dat je niet onder de indruk bent,
spot is een vorm van verzet, van je nog niet gewonnen geven.
Zien we een gebroken man, geknakt door de pijn en de spot?
Nee, het is Jezus zelf die naar voren loopt, met de mantel om en de kroon op.
Pilatus kan Jezus willen tonen aan het volk,
maar het Jezus die zelf naar voren komt om zich te laten zien, om zich te tonen.
Heel subtiel legt Johannes, de evangelist, een link met de allereerste keer
dat Jezus in de openbaarheid kwam, toen Hij zich de eerste keer liet zien.
Toen was daar Johannes, die over Jezus zei: Zie, het Lam Gods,
dat de zonden van de wereld wegneemt.
Nu is het Pilatus die ook op Jezus wijst: Zie, de mens.
Voortdurend worden de lezers van het evangelie van Johannes, worden wij,
opgeroepen om Jezus te zien, op te kijken naar Hem
en kijken is bij Johannes altijd geloven in Hem,
die gekomen is vanuit de hemel, God om mens te worden op aarde.
Zie, kijk! Dat is een oproep om actief toe te kijken,
om het op ons te laten inwerken wat we zien
en met de ogen van het geloof te kijken.

Het geloof ziet meer dan Pilatus wil laten zien.
Het geloof ziet hier haar Koning staan
en geloof stoort zich niet aan de doornenkroon en de nepmantel,
omdat ook een echte kroon en een echte mantel nog te weinig is
om de heerschappij van deze Koning uit te drukken,
die niet een aards koninkrijk bestuurt, maar koning is van heel de wereld, heel de schepping,
ook over alle machten die er zijn en over de engelen.
Zie de mens, zegt Pilatus.
Ja zegt het geloof, dat we een mens zien,
dat is juist het bijzondere, want we weten dat deze mens hier op aarde kwam,
het Woord van God is vlees geworden en heeft onder ons gewoond
en wij hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid van de Eniggeborene van de Vader.
Hier, Pilatus, laat je zonder dat je het doorhebt, die heerlijkheid zien.
Want die heerlijkheid wordt niet zichtbaar in een kroon, een scepter, een mantel,
wordt niet zichtbaar in de macht die je hier op aarde hebt,
maar wordt juist zichtbaar in die doornenkroon, in die mantel die de spot wil aangeven.
Wordt straks nog het meest zichtbaar als op Golgotha een kruis staat opgericht
en daar deze Koning gehangen wordt voor het oog van heel de wereld.
Deze Koning zal vanaf het kruis Zijn heerlijkheid laten zien.
Pilatus, hoe je deze Koning ook wilt bespotten, je krijgt Hem niet klein.

Pilatus heeft een doel om Jezus op deze manier te laten zien.
Een beroep op het volk om Jezus vrij te laten.
Is Hij al niet genoeg gestraft met de geseling en die doornenkroon, met die bespotting?
Is deze vernedering, waarin al Zijn eer is weggenomen, niet genoeg straf,
om Hem de rest van Zijn leven te laten weten dat Hij geen pretenties meer moet hebben
om zich als koning van de Joden op te werpen.
Pilatus wil medelijden met deze Jezus, die zo te kijk staat.
Het geloof wil geen medelijden voelen,
want het geloof ziet hoe haar Koning deze stap naar voren zet
en daarmee aangeeft: Hier ben Ik, om Uw wil te doen.
Het geloof herinnert de woorden die Christus al eerder gesproken heeft,
dat een echte herder bereid is om Zijn te sterven voor Zijn schapen.
Het geloof ziet niet alleen haar Koning, maar ook haar Herder,
de goede Herder, die bereid is om een lam te worden,
het lam van God, zoals Johannes de Doper Jezus al aankondigde.
Het geloof weet dat deze dag, waarop Jezus getoond wordt door Pilatus en zichzelf toont,
niet zomaar een dag is, maar de dag is waarop het Paaslam wordt uitgekozen en geslacht
en het weet dat vandaag de uitspraak van Johannes:
Zie het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegneemt
een bijzondere betekenis krijgt, want het is vandaag de dag van dit Lam,
Christus die het Lam Gods is, dat zal sterven op de dag waarop het paaslam wordt geslacht.
Zie de mens, zegt Pilatus,
maar het geloof ziet meer dan een mens, meer dan een koning,
en herinnert zich de woorden van Abraham aan zijn zoon Izaak
op de dag dat hij zijn zoon Izaak moest offeren: dat God zelf in een lam zal voorzien.
Hier ziet het geloof dat lam gekomen, dat het offer van God zal zijn.

Hoe zie je dat dan, als je Jezus zo wel wilt zien, maar nog niet ziet?
Johannes vertelt ons daarom de verhalen, zodat als wij die verhalen horen
Jezus zien als degene die op aarde kwam, de koning, die mens werd en een lam,
zodat we gaan geloven
en wanneer we Jezus getoond zien, buigen voor Hem en zeggen:
U wordt hier getoond als Koning, U bent ook mijn Koning,
U wordt hier bespot en als ik niet zou geloven, zou ik meedoen in die spot
U wordt hier getoond als een koning die een lam wil zijn,
ik mag zien hoe U uw leven wilde geven, ook voor mij
Op Golgotha – als het lam van God dat ook mijn zonden weggedragen heeft.

Wanneer je die ogen van het geloof niet hebt, dan kun je Jezus zo niet zien.
Dan zie je Hem als iemand met een gevaarlijke pretentie,
iemand die onrust veroorzaakt en het zwijgen opgelegd wordt,
of als iemand die een pretentie heeft die ongepast is,
omdat Hij zichzelf aan God gelijk maakt, een godslastering die niet ongestraft mag blijven.
De mensen die voor Pilatus staan, zij moeten niets van Jezus hebben,
zij voelen geen mededogen en willen die ook niet voor Jezus tonen.
Het zijn Joden, schrijft Johannes.
Nu kunnen wij daar gevaarlijk mee aan de haal gaan
en de schuld aan de Joden toeschuiven, omdat zij Jezus hebben gekruisigd.
Ik denk niet dat Johannes dit aan ons doorgeeft, om ons beter te voelen,
alsof wij Jezus beter ingeschat zouden hebben
en wil in Hem geloofd zouden hebben, als wij daar hadden gestaan.
Het zijn niet alleen de Joden die Jezus hebben gekruisigd,
ook de Romeinen hebben hun aandeel
En als Johannes het toont dat de Joden riepen om de kruisiging van Jezus
om daarmee een boodschap door te geven, zou het zijn dat niemand van de mensen
zat te wachten op deze Koning die ook een lam wilde zijn,
op deze koning die zijn leven wilde geven voor de zijnen.
Hij kwam tot de zijnen, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen,
schrijft Johannes in het begin.

Het moet hem pijn gedaan hebben, dat zijn eigen volksgenoten niet in Jezus geloofden.
Johannes die zelf Jood was en wil geloofde, omdat zijn ogen open gegaan zijn
en nu niet anders meer dan met de ogen van geloof kan kijken.
Voor dr. Henk Vreekamp was dat een serieuze vraag,
waarmee hij een groot deel van zijn leven geworsteld heeft:
Het nee van het Joodse volk, van Gods volk, dat moeten we serieus nemen.
Blijkbaar past dat in de weg die God gaat met deze wereld en Zijn eigen volk,
dat Hij niet geloofd wordt, dat Hij aan de kant geschoven wordt
en dat als Hij zelf op aarde komt, dat Hij niet direct op geloof kan rekenen,
maar dat er geroepen wordt om een kruisiging.

Zie de mens, zegt Pilatus,
maar het volk roept dat ze deze Koning niet willen
en ze betuigen hun loyaliteit aan de keizer in Rome
waarmee ze ten diepste aangeven dat ze afscheid nemen van de Heere als hun koning.
Met Jezus verwerpen ze God als koning.
Dat moet ons bescheiden maken – ook wij kunnen God als onze koning verwerpen.
Het zegt vooral iets over God.
Zie de mens, zegt Pilatus.
Bij de Schriftgeleerden en de hogepriesters die voor Pilatus stonden,
had een bel kunnen rinkelen,
Want in hun eigen Schrift wordt er ook op deze manier een koning getoond,
als God Saul aan Samuël toont, Saul een bijzondere koning, want de eerste,
maar niet het voorbeeld van de goede koning,
een koning die uiteindelijk door God verworpen wordt.
Deze koning, Jezus, wordt Hij ook door God verworpen?
OF menen zij dat zij alvast het vonnis over deze koning moeten vellen – in Gods naam.

Kruisig Hem

(slot van de preek niet digitaal beschikbaar)

Preek Tweede Paasdag 2017

Preek Tweede Paasdag 2017
Johannes 20:11-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Maria blijft bij het graf.
Dat geeft aan dat zij niet van het graf kan loskomen,
ook al is Jezus daar niet meer te vinden, omdat Hij is opgestaan.
Zij mist haar Heer op een dubbele manier: eerst is Hij gestorven
en nu is Hij ook nog eens van haar weggenomen.
Ze zoekt het lege graf nog eens op, het laatste spoor dat ze van haar Heer had,
in de hoop toch nog iets van Hem op het spoor te komen.
Ze draalt daar rond bij het graf. Ze kan de moed niet vinden het graf te betreden.
Ze blijft daar buiten bij het graf staan.
Nu is er een uitspraak van Christus, die in het Johannesevangelie is opgenomen:

Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.
Wie naar Mij op zoek is, zegt de Heere Jezus, zal zeker niet door Mij buiten gezet worden.
Het verhaal van Maria Magdalena gaat daarom over het opgenomen worden
in de gemeenschap van Christus, over het weer vinden van Christus.
En het bijzondere bij Maria is dat hoe dieper zij in haar wanhoop en verdriet komt,
hoe dichter zij bij Christus uitkomt.
Dat is bemoedigend, want het verhaal van Maria Magdalena laat zien
dat op het moment dat wij Christus het meest kwijt zijn, Hij juist kan komen in ons leven
om ons op te zoeken en ons op te nemen in Zijn gemeenschap.
Haar weg begint buiten bij het graf en ze zal eindigen met een ontmoeting met de Heer zelf.

Buiten bij het graf is ze in verdriet.
Ze huilt. Dat is in de Bijbel niet alleen een emotionele reactie,
huilen is aanklampen bij God en je nood bij God brengen
in de hoop dat Hij je kan bijstaan en kan redden.
Er is er maar Eén die je nu nog kan helpen en dat is de eeuwige God.
Terwijl ze zich aan God vastklampt, heeft ze niet door dat God haar al geholpen heeft.
Haar wanhoop en teleurstelling is nog te groot
om te kunnen zien wat God reeds heeft gedaan.
Ze betreedt het graf in de hoop wat aanknopingspunten te vinden
die haar iets kunnen helpen over bij het op het spoor komen van de vermiste Jezus.
Zonder dat zij het weet, is haar afdalen in het graf,
voor haar gevoel een neerwaartse gang, dieper de put in, de weg om Hem te vinden.

Als Maria het graf binnentreedt, ziet ze weer iets anders dan de twee leerlingen zagen.
Ze ziet niet meer de doeken liggen die aangaven waar het lichaam van Christus lag,
maar nu zijn het engelen, boodschappers van God, die naar de aarde gekomen zijn
om goed nieuws te vertellen.
Het lichaam van Christus is weg en de plek is ingenomen door engelen,
die met hun witte kleren aangeven dat zij uit de hemel gekomen zijn, gestuurd door God zelf.
Deze boodschappers hebben alleen maar een vraag voor haar.
‘Maria, waarom huil je?’
‘Maria, waarom klaag je je nood bij God?’
Normaal gesproken wordt in de Bijbel de klacht van een gelovige serieus genomen.
God laat geen bidder staan!
Maar hier op deze plaats, waar een groot wonder is gebeurd,
waarin God reeds heeft ingegrepen en Jezus uit het rijk van de dood tevoorschijn trad,
is er geen enkele reden om te treuren, om te klagen.
Maria treurt waar de hemel open is en het graf is opengebroken en de dood verslagen.
Daarom vragen de engelen waar ze huilt, waarom ze haar nood klaagt bij God:
‘Maria, waarom huil je?’
‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem neergelegd hebben.’
In de christelijke traditie wordt gesproken over traagheid als zonde:
dat wil zeggen – lang tijd nodig hebben om te geloven wat God doet,
achterblijven en niet mee kunnen komen, terwijl God Zijn grote daden laat zien.
Geen oog hebben voor het handelen van God,
omdat dat niet past in je ervaring, in wat je meemaakt, in je manier van denken.
Traagheid is eigenlijk een onbewuste manier om God buiten je eigen werkelijkheid te plaatsen.
‘Ze hebben mijn Heer weggehaald.’
Ze – terwijl het hier over een daad van God gaat, maar Maria herkent de hand van God niet.

Zonder dat ze het doorheeft, wordt Maria door de vraag van de engelen in beweging gezet.
Terwijl ze onder woorden brengt waarom ze haar nood bij God klaagt,
draait ze zich om.
Maria wendt zich af van de engelen en van het lege graf,
alsof ze niet geconfronteerd wil worden met de leegte van het graf,
omdat daar het gemis van haar Heer zo duidelijk zichtbaar wordt.
Maria draait zich om, omdat ze die witte kleren van de engelen niet kan verdragen.
Maar juist als ze zich afwendt, is daar haar Heer.
‘Ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd.’
Maar Jezus, Hij is niet neergelegd, Hij staat, als teken van de overwinning die Hij behaalde,
Jezus Christus, triomfator, mijn verlosser, middelaar.
Ze ziet hem staan, ze zou Hem kunnen waarnemen, als de Overwinnaar, de Opgestane.
Maar ook hier die traagheid van haar ogen, van haar denken.
Ze ziet wel de feiten, maar ze ziet niet in wat er werkelijk is gebeurd.
Dan spreekt Jezus haar aan.
Dat is nu het pastoraat van onze Heer, dat Hij ons opzoekt, juist als we het moeilijk hebben
en met ons in gesprek gaat als we Hem niet verwachten,
om door dat gesprek te laten merken dat Hij er is, dat Hij leeft, dat Hij overwonnen heeft.
Opnieuw die vraag: ‘Waarom huil je?’  Maria waarom klaag je juist hier je nood bij God?
Als het al een verwijt zou zijn, is het een verwijt uit liefde, uit bewogenheid,
om haar verder te helpen in de weg van het geloof, om haar uit te dagen
en haar te brengen waar ze Hem kan zien en kan geloven dat Hij is opgestaan.
Daarom een vraag erachter aan: ‘ Wie zoek je?’  ‘ Naar wie ben je op zoek?’

Door deze vraag veert Maria iets op: deze man kan haar verder helpen.
Hij weet waar Jezus is.
De tuinman! De man die verantwoordelijk is voor het hele gebeuren hier!
Dat geeft aan dat de tuin waarin het graf van Jezus een tuin met allure was,
koninklijke status had en het graf van Jezus een monumentaal gebeuren,
waarbij iemand verantwoordelijk is gemaakt voor het beheer.
De tuinman, dat is voor Johannes niet zomaar een vergissing,
maar dat wijst terug naar de allereerste tuin die er was: de hof van Eden.
Bent u verantwoordelijk voor deze tuin?
Als U Hem hebt weggehaald – zeg mij dan waar U Hem gelaten hebt.
Maria is met Jezus in gesprek over Jezus zelf:
heeft Jezus zichzelf weggehaald uit het graf?
Waar is Hij dan achtergelaten? Waar is Hij dan gebleven?
Waar kan ik Hem vinden?

Dan is alleen haar naam genoeg.
Jezus spreekt haar aan bij haar naam:
Hij roept haar, persoonlijk en intiem, maar ook helder en duidelijk.
Zoals Jezus over zichzelf zei:
De herder roept Zijn schapen bij hun naam en leidt hen naar buiten.
Alleen door haar naam te noemen, wordt ze naar buiten geleid,
naar buiten de duisternis die haar gevangen houdt,
buiten het verdriet,
De stem die haar roept bij haar naam wordt herkend.
De Meester! Haar Heer! de Goede Herder!
Ze wordt geroepen –

En of een mens al diep verloren
en ver van U verzworven is,
Gij noemt zijn naam, hij is herboren (…)
Uw woord (…) heeft uit het graf ons opgericht.

Als je wilt weten wat wedergeboorte is, wat het betekent om opnieuw geboren te worden,
dan kunnen we dat hier zien in de reactie van Maria,
Die, als ze haar naam hoort noemen, zich omkeert,
omdat ze de stem herkent. Dat moet Jezus wel zijn.
Ze draait zich nu opnieuw om – merkwaardig eigenlijk,
Want ze was al van het graf afgekeerd en keek Jezus aan
en toch is daar een nieuwe omkering – zo ingrijpend, dat ze uitgeleid wordt,
opnieuw geboren, dat ze bij Jezus komt, omdat Hij haar roept.
Rabbouni, Meester.
In die uitroep klinkt vreugde door, liefde, intimiteit: ik heb U weer gevonden.
U bent er weer!

Zo verrast door vreugde is Maria, ze wil dit nooit meer kwijtraken.
Niet nog een keer Jezus kwijtraken. Hij is nu terug. Dit wil ze vasthouden.
Nee, zegt Jezus – houd me niet vast.
Het is niet meer zoals voor het kruis en voor het graf.
Het is niet meer als vroeger, dit is een nieuwe tijd.
Jezus, die net teruggekeerd is uit het graf, kondigt Maria direct aan
dat Hij opnieuw zal gaan.
Dat zal voor Maria niet eenvoudig geweest zijn:
Jezus teruggevonden en Hem gelijk weer moeten afstaan,
omdat Jezus verder gaat, nu naar Zijn Vader in de hemel.
Dat is Jezus’  weg, want door naar de Vader te gaan
kan Hij er meer bereiken dan Maria alleen.
Kunnen ook wij, nu vandaag de dag Jezus ontmoeten.
Niet alleen als we over Maria horen.
Dat kan ons wel helpen, die verhalen te horen
omdat we dan voor ons zien wat er gebeurt, we staan bij Maria en kijken toe
en zien hoe Jezus met haar bezig is, haar ontmoet en aanspreekt.
Jezus ging naar de Vader, om ook hier vandaag in ons midden te zijn
en om elk moment waarop we Zijn naam uitspreken, met elkaar spreken over Hem.
en als we geen erg hebben in Hem, dan kan Hij onze naam noemen,
ons roepen bij onze naam, zodat wij ook de stem van de goede Herder horen.
Maria, zegt Jezus, houd mij niet vast bij jou.
De tijd is veranderd.
Dat kunnen we ook zien in de manier waarop Jezus over Zijn leerlingen spreekt:
Het zijn niet meer leerlingen, het zijn niet meer vrienden,
maar het zijn broeders, het zijn kinderen geworden van de Vader in de hemel.
omdat er met Goede Vrijdag en Pasen zoveel is veranderd.
Een nieuwe gemeenschap bij het kruis,
een nieuwe gemeenschap – niet bij het lege graf, maar daar waar Jezus’ naam genoemd wordt, waar over Hem verteld wordt, waar van Hem getuigd wordt,
daar sticht Christus zelf gemeenschap, daar spreekt Hij zelf, daar is Hij zelf in het midden.
En Maria, zij mag een apostel zijn, getuige van Jezus
en door haar woorden heen spreekt Jezus de andere leerlingen aan:
Ik heb de Heer gezien!

Zo mogen wij voor elkaar een Maria zijn
naar elkaar toe getuigen: Ik heb de Heer gezien
en de Heer, Hij is dan bij ons, in ons midden
en maakt zelf een gemeenschap van broeders en zusters, die verenigd zijn in Hem,
de levende Heer.
Amen

 

Preek Eerste Paasdag

Preek Eerste Paasdag
Johannes 20:1-10

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Bent u blij? Bent u vol vreugde, omdat Christus is opgestaan?

Misschien zegt u daar wel volmondig ja op:
Ja, ik ben blij, verheugd, omdat Christus is opgestaan.
Naar het Paasfeest kijk ik al weken uit, om de opstanding van Christus te vieren.
Zeker als we met de gemeente samenkomen, het geloof in de opgestane Heer samen delen om samen als gemeente, met de kerk over heel de wereld en door alle tijden heen
de lof op Christus te bezingen, met de liederen die we zingen, met de koperblazers erbij:
Daar juicht een toon, daar klinkt een stem, U zij de glorie!

Of misschien zegt u: Ja, ik ben blij, Pasen is voor mij het belangrijkste feest.
Veel mensen zijn in een feeststemming met Kerst,
maar voor mij is wat wij met Pasen vieren echt de kern van het christelijk geloof.
Dat onze Heer opstond uit de dood, de dood heeft overwonnen
is een bevestiging dat het kruis op Golgotha zo’n ontzaglijke betekenis heeft,
dat ook mijn zonden zijn vergeven en dat ik bij God mag horen.

Of u zegt: Sinds ik een geliefde mis, een van mijn ouders, mijn man, mijn vrouw,

of zelfs een kind of een kleinkind, heeft Pasen voor mij een diepe betekenis gekregen:
ik heb afscheid moeten nemen en ik voel die lege plaats elke dag nog,
er gaat geen dag voorbij of ik denk aan degene van wie ik afscheid moest nemen,
maar ik weet dat er een dag komt, waarop er een weerzien is.
Ook al heb ik verdriet, ik ben niet zonder hoop,
omdat Christus uit de dood is opgestaan en de levende Heer gezegd heeft,
dat er een dag komt, waarop alle graven zullen opengaan
en degenen die reeds overleden zijn, zullen opstaan uit de dood.
Sindsdien trek ik mij op aan Pasen, aan de wetenschap dat de dood niet het einde is.
De Heer is waarlijk opgestaan!

Het kan ook zijn, dat u die vreugde helemaal niet hebt. Het is in uw leven niet zo vreugdevol.
Soms zijn er van die momenten dat je er even bovenuit getild wordt, dat je troost ervaart
maar er zijn ook heel wat momenten dat die troost er niet is en dat God ver weg is,
het is wel Pasen en ik zit hier wel, maar ik heb er – als ik eerlijk ben – weinig verwachting van
dat God mij vanmorgen opzoekt en hier in de dienst aanspreekt.
Daarvoor is er teveel gebeurd in mijn leven. Ik draag een hele last mee.
Het lijkt wel of er op mijn hart ook zo’n steen ligt als bij het graf van Jezus.
Maar die steen werd nog door de engelen weggeduwd.
De steen op mijn hart ligt er nog, geen engel die deze steen wegduwt om mij uit te laten.

Of misschien heeft u wel mensen om u heen, in de vriendenkring of in het eigen gezin
die niet meer kunnen geloven en er daarom niet zijn.
De verhalen van Pasen beginnen niet met de vreugde en ook niet met geloof.
Sterker nog, het dringt maar moeizaam door tot de vrouwen die het graf bezoeken
en ook tot de leerlingen, dat Jezus is opgestaan.
De Paasverhalen in alle vier de evangeliën laten zien dat degenen die het graf bezoeken
vooral rekening houden met een dode Jezus, met hun Meester, die in het graf ligt.
Zo hebben ze Jezus achter gelaten, in doeken gewikkeld,
waarmee ze Zijn lichaam hadden ingewikkeld, nadat ze het van het kruis gehaald hadden.
Het is vroeg op de morgen van de eerste dag, schrijft Johannes,
als Maria Magdalena naar het graf gaat.
Daarin schemert al iets door van het nieuwe, het onvoorstelbare, een nieuw begin,
zo bijzonder dat je vanaf deze dag gaat tellen:
die dag van Jezus opstanding, dat was de eerste dag van een nieuwe tijd.
De eerste dag: het is de twinkeling van de hoop, die God op aarde bracht.
Het is nog niet te zien, want het is donker, maar toch een nieuw begin,
want het begin van een nieuwe dag, dat betekent dat het donker bijna voorbij is
en dat de dag bijna in Gods licht zal staan
en deze keer niet een dag als andere dagen,
maar de eerste dag van een nieuw tijdperk,
waarin de macht van de dood verbroken is, waarin de vorst van deze wereld,
de slang, verslagen is.
O morgen van verblijden, o dageraad, o licht.
Zie na de nacht van lijden toont God Zijn aangezicht.
Het is nog donker, maar  de nacht is haast ten einde, de morgen niet meer ver.

Voor Maria is die nieuwe morgen nog niet te zien.
Ze heeft niet door dat ze reeds loopt in een nieuw tijdperk.
Het is voor haar nog donker.
Het graf is al leeg, de Heer is opgestaan,
maar Maria heeft er geen erg in, vol gedachten aan wat de afgelopen dagen is gebeurd.
Hoe Jezus aan het kruis ging en zij daar onderaan het kruis stond
en met eigen ogen gezien heeft dat Jezus stierf.
Wellicht was ze erbij toen Jozef van Arimethea en Nicodemus het lichaam van Jezus
van het kruis haalden, dat in een doek wikkelden en in het graf legden.
Dat was de laatste keer dat ze Jezus, haar Jezus, haar Heer zag.
Ze wilde Hem nogmaals bezoeken.
De reden wordt niet genoemd, misschien als eerbetoon of als pelgrimage,
of gewoon, zomaar zonder verwachting, om gewoon alleen maar even te zijn
waar de dode Jezus is gelegd, om nogmaals afscheid te nemen.
Je vindt er niks, zeggen gemeenteleden soms als ze aangeven
waarom ze niet zovaak naar het graf gaan.
Of als ze wel gaan, zeggen ze soms: ook al is hij er niet meer, je kunt nog even bij hem zijn.
In je gedachten denk je aan hem, je vertelt wat je bezig houdt,
je legt de ander voor wat je bezig houdt.
Je hoort wel niets terug, maar het is toch goed om er geregeld heen te gaan.
Johannes meldt niet de reden, alleen dat het donker was.
Voor Johannes is dat niet alleen om aan te geven dat Maria zo vroeg is,
voor dag en dauw, dat de zon nog niet is opgegaan,
maar laat dat voor hem zien hoe Maria naar het graf gegaan is.
Het licht is  bij Maria nog niet doorgebroken, nog gehuld in de duisternis van het verdriet,
van wanhoop wellicht, in ieder geval van ongeloof.
Dezelfde duisternis, waarin de wereld volgens Johannes gehuld is,
omdat de wereld God niet kent en niet wil kennen.
En toch, hoe sterk deze duisternis ook is, zij blijft niet in de duisternis.
De weg van Maria is daarom een weg voor iedereen die iets van deze duisternis weet heeft,
Of dat nu de duisternis is, waarin je niet kunt geloven
dat de opstanding van Christus echt verschil maakt, omdat de wereld hetzelfde lijkt,
of dat de duisternis van je depressiviteit is, die je ter neerdrukt,
en waaruit je jezelf niet kunt bevrijden, die je zelf niet kunt verbreken,
omdat deze duisternis zo sterk is, dat je je erdoor gevangen voelt.
De eerste dag kondigt Maria Magdalena aan, zonder dat ze het kan geloven,
omdat ze dat nog niet kan zien dat die nieuwe dag is aangebroken.
Maar deze weg die in duisternis begint, zal eindigen in het licht van Christus,
ze mag zelf de levende Heer ontmoeten en getuige van Hem worden.

Zover is het nog niet.
Zoals bij heel veel gelovigen dat gaat, breekt het geloof niet in één keer door.
Soms zijn er heel wat gebeurtenissen nodig,
dat kunnen ook vervelende en ingrijpende gebeurtenissen zijn,
waardoor je aan het denken gezet wordt, iets gaat ervaren van God,
Waarin Hij je – achteraf gezien – wil laten weten, dat je Hem op het spoor moet komen.
Geloven is vaak een zoeken en tasten, zeker in het begin
en dat zoeken en tasten kan een lange fase zijn en sommigen houden dat hun hele leven.
Het begint het eerste wat zij van Pasen waarneemt
en dat is niet de duisternis die zij ziet, dat is zonder dat ze zich ervan bewust is om haar heen.
Dat is ook niet het begin van de nieuwe dag, dat begin van een heel nieuw tijdperk is.
Dat neemt ze allemaal niet waar.
Het eerste wat ze ziet, maakt haar ongerust, roept paniek in haar op
en zorgt ervoor dat ze gehaast naar anderen loopt, tegen wie ze het moet vertellen.
Het graf is open!
Dat kan maar één ding betekenen: het graf is opengebroken door rovers.
Rovers die ervan uit gaan dat er wat te halen valt,
omdat er boven het kruis die woorden stonden: de koning van de Joden.
Dan moeten zijn onderdanen, die in Hem geloofden, vast een aantal waardevolle zaken
in de dood hebben meegegeven, om Zijn grootsheid, zijn majesteit uit te drukken.
Als je Johannes zou kunnen zien,
die dit verhaal doorvertelt, zou je de twinkeling in zijn ogen kunnen zien.
Grafroof bij de Koning van de wereld, die de vorst der duisternis onttroond heeft,
die het rijk van de dood geopend heeft en al degenen die overleden zijn
teruggevorderd heeft uit het dodenrijk.
Grafroof – is dat het enige dat je van een geopend graf kunt maken?
Paniek – is dat je reactie op de Heer die de dood verbrak en triomfeerde?
Ik denk dat wat Johannes hier beschrijft in de weg van Maria Magdalena
voor veel gelovigen vandaag de dag ook geruststellend kan zijn.
Dat je het niet gelijk door hebt en dat je veel moet leren, dat is niet alleen iets van nu,
maar dat komt ook in de Bijbel al voor.

Maria weet haar haast over te brengen op de twee discipelen waar ze naartoe gesneld is.
Ongerustheid is makkelijk door te geven,
misschien wel gemakkelijker dan een vertrouwen op de levende Heer.
Paniek is makkelijker door te geven dan geloof.
Geloof in de opgestane Heer vraagt een langere weg om eigen te maken
dan de gedachte dat het slecht gesteld is met deze wereld.
De twee leerlingen haasten zich daarom naar het graf,
om met eigen ogen te kijken wat er is gebeurd.
De ene discipel – zijn naam wordt niet genoemd, alleen dat Jezus’ liefde naar hem uitgaat –
komt als eerste bij het graf aan en ook hij kijkt.
Hij gaat verder dan Maria Magdalena, want Maria had aan de aanblik van het geopende graf genoeg om in paniek terug te gaan.
Deze leerling gaat een stap verder: hij  kijkt in het lege graf. Hij betreedt het graf niet.
Hij ziet de doeken liggen, de doeken waarin het lichaam van Jezus gewikkeld was.
Hij is gerustgesteld: van grafroof kan geen sprake zijn: de doeken liggen er nog.
De paniek van Maria is niet nodig.
De gebeurtenissen worden hier verteld als een mysterie dat langzaam onthuld wordt,
stap voor stap uit de doeken gedaan, totdat ze de levende Heer ontmoeten.
Maar het gaat stap voor stap, totdat de echte waarheid onthuld wordt.
De tweede stap, na de eerste stap van Maria Magdalena, van deze discipel
is dat hij de doeken ziet, maar tegelijkertijd gaat de aandacht uit naar iets dat er niet is
en waarvoor Maria gehaast en vol paniek bij hen aanklopte.
Maar Johannes, heeft een andere interpretatie dan Maria.
Wat hij er van maakt, is nu nog niet duidelijk. Eerst komt de derde stap, van Petrus.
Als Petrus bij het graf aankomt, gaat hij het graf wel in.
Hij gaat al verder dan die andere discipel, die aan de ingang van de graf bleef staan
en alleen maar naar binnen keek.
Petrus ziet al iets meer dan de andere discipel.
Wat er gebeurd is, wordt steeds beetje bij beetje onthuld.
Wat Petrus ziet, is dat de doek die om het hoofd gebonden was, ergens anders ligt.
Deze doek om het hoofd heen wordt niets gemeld
als Jezus van het kruis gehaald wordt en in doeken gewikkeld wordt.
Er is een andere gebeurtenis, waarin er wel van deze doek gesproken wordt.
Dat is als Lazarus uit het graf komt.
Lazarus is in doeken gewikkeld, zijn handen en voeten in doeken, maar ook zijn gezicht.
Dat wordt bij Lazarus speciaal erbij gezegd.
Voor Petrus wordt er al iets duidelijker wat er in het graf is gebeurd.
Het heeft iets met opstanding te maken, maar het is niet een opstanding als bij Lazarus.
Er is een verschil.
Maria had gelijk, dat het lichaam er niet meer was,
maar Maria had ongelijk door aan grafroof te denken.
Er is iets bijzonders gebeurd, het lijkt op wat er met Lazarus gebeurde en toch is het anders.
Wat dan?
Er staat: ze geloofden.
Dat klinkt heel mooi, dat lijkt erop alsof ze de volle waarheid van wat er gebeurd is, beseffen.
En toch, geloven is het evangelie een woord met veel betekenissen.
Johannes wil aan ons doorgeven: ze hebben iets door, maar wat ze doorhebben,
is dat het echte geloof? Zijn ze waar ze wezen moeten?
Ze hebben de ingrediënten om te geloven, maar hebben ze de juiste interpretatie.
Hij voegt er aan toe: Want zij kenden de  Schrift nog niet dat Hij uit de doden moest opstaan.
Ze zijn op het goede spoor,
maar wat er echt gebeurd is, dat hebben ze toch nog niet helemaal door.
Dat heb je pas door als je de Schrift erbij haalt
als Gods eigen woord uitleg geeft bij de gebeurtenissen,
anders heb je alleen maar een menselijke interpretatieen kun je,
ondanks dat je de gegevens hebt en de feiten ziet, toch de verkeerde conclusie trekken.
Ik kwam tegen, dat wat deze twee discipelen geloofden,
was dat Jezus reeds naar de Vader is gegaan.
Jezus is opgenomen in de hemel, zoals in het Oude Testament gezegd wordt
van bijvoorbeeld Henoch: Hij wandelde met God en was niet meer.
Of van Elia, die met vurige wagens en paarden van de aarde werd opgenomen in de hemel.
Had Jezus dat niet gezegd, dat Hij vooruit zou gaan?
Zou Jezus naar de hemel zijn gegaan? Naar het Vaderhuis met de vele woningen?
Ze zien het en geloven, maar niet wat de Schrift heeft aangekondigd.
Ze gaan weer naar huis.
Voor deze twee is er geen reden tot paniek, zoals bij Maria Magdalena.
Ze kunnen weer gaan. Ze weten genoeg.
Ja, genoeg voor henzelf, maar niet genoeg volgens de Schrift.
Omdat ze naar huis gaan, missen wat er is gebeurd.
Alleen Maria, die blijft, zij zal de Heer ontmoeten – daar zal het morgen over gaan.
Wat Johannes ons wil doorgeven, is dat het geloof in de Opgestane maar moeilijk doordringt.
Het gaat niet om zomaar wat feiten: een open graf, doeken die afgewikkeld zijn,
een hoofddoek apart gelegd.
Het gaat wat om niet zichtbaar is en wat alleen uit de Schrift gehaald kan worden,
omdat dat woorden van God zelf zijn
en onthullen wat het doel van God door alle tijden heen is.
Bij Pasen schiet ons gewone menselijke kennen tekort,
onze zintuigen kunnen uit zichzelf niet alles zien.
Onze ogen zetten ons op het verkeerde been,
een klein geloof ziet alleen maar kleine dingen, heeft Jaap Zijlstra in een kerstlied gedicht.
Nou ja, geloof in Jezus die ten hemel is gevaren is geen klein geloof, zou je kunnen zeggen.
Het is een onvolledig geloof.
Het is een geloof dat alleen maar genoegen neemt met wat zichtbaar is.
Maar daarmee redden we het niet.
Als we alleen maar kijken naar wat we zien, dan komen we tekort.
Dan zien we een gesloten kist, met daarin onze geliefde
en zien we dat die kist in de aarde neergelegd wordt
en weten we dat er weer opnieuw grond overheen zal gaan en daarna een steen.
Maar ogen die hebben leren kijken door de opstanding van Christus
die zien dat een lichaam wordt gezaaid in de afwachting op de opstanding op de Jongste Dag.
Als we met aardse ogen kijken naar het nieuws op tv zien we ellende en rampspoed,
zien we regeringsleiders, die geen einde kunnen maken aan de strijd in Syrië
(of vul hiervoor maar een ander land in),
regeringsleiders die zo onvoorspelbaar zijn dat deskundigen niet weten wat er komen gaat.
Maar in geloof kunnen we zien dat God door alles heen deze wereld leidt naar Zijn doel,
de dag waarop de levende Heer uit de hemel terugkomt
om te oordelen de levenden en de doden en dat aan Zijn koninkrijk geen einde komt.
Dat koninkrijk dat begonnen is aan het kruis: “Het is volbracht!”
Al doorbrak op die eerste dag, nog niet te zien voor Maria Magdalena,
Al schitterde in een leeg graf, verborgen aanwezig in de afgeworpen doeken,
stralend in die hoofddoek op een andere plek.
De discipelen gaan naar huis, dat zou voor ons het einde kunnen zijn, een anticlimax,
dat was het – zoals je na een kerkdienst naar huis kan gaan, zonder dat het je iets deed.
Ook al zeggen we over de kerkdienst dat je daar God ontmoet,
maar je kunt thuiskomen, zonder dat er in de kerk iets met je gebeurde.
Voor Johannes is dit niet het einde, zijn verhaal gaat door, omdat God doorgaat,
omdat Christus zich steeds beetje bij beetje onthult
voor ogen die zo traag doorhebben wat er gebeurde.
Voor ogen die de nonverbale aanwijzingen van God niet oppikken,
omdat ze blijven hangen in wat zij gewend zijn, of wat zij vermoeden,
maar nog niet doorhebben, dat er zo iets nieuws is gebeurt,
en dat toch ook al in de Schrift is aangekondigd:
Zie – Ik maak alle dingen nieuw. Zoals Jesaja al aankondigde: Jesaja 25:
Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde, want de HEERE heeft gesproken.
Op die dag zal men zeggen: zie dit is onze God,
wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons verlossen,
Dit is de HEERE, wij hebben Hem verwacht
en zullen ons verheugen en verblijden in Zijn heil.

Bent u blij?
Natuurlijk er is veel, dat die vreugde kan wegnemen,
maar zie, het is gebeurd wat God reeds aankondigde in Zijn Woord.
Het graf is open, de doeken zijn afgeworpen, de hoofddoek ligt op een andere plek.
Jezus is opgestaan uit de dood, heeft het graf geopend en leeft.
En voor ons oog verrijst een heerlijk vergezicht.
Hem zij de glorie, want Hij die overwon, zal nooit verlaten wat Zijn hand begon. Amen

Preek Goede Vrijdag 2017

Preek Goede Vrijdag 2017
Schriftlezing:  Genesis 3, Johannes 19:17-37

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er is een afbeelding die voor mij de Bijbel in een plaat samenvat: Eva ontmoet Maria.
Het is een afbeelding met een ontmoeting van de twee vrouwen.
Eva met een vrucht in de hand, kijkt naar beneden, schuldbewust.
Aan haar ogen is te zien dat ze beseft dat ze met haar daad veel kapot gemaakt heeft.
Voor haar staat Maria, zichtbaar zwanger, met haar ene arm troostend om Eva geslagen,
met haar andere hand heeft ze de hand van Eva vast
en heeft de hand van Eva op haar eigen buik gelegd,
een gebaar waarmee ze aangeeft: wacht maar op het Kind dat uit mij geboren wordt.
Dat zal geboren worden om alles te herstellen.
Op de afbeelding is ook een slang te zien, die zich heeft gekronkeld om de benen van Eva
als teken dat deze slang in Eva een prooi gevonden heeft.
Maar Maria heeft haar voet op de kop van de slang.
En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw,
en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht.
Dat zal u de kop vermorzelen en u zult het de Hiel vermorzelen.

eve mary

Eva ontmoet Maria.
Het leven van beide vrouwen gaan over een ingrijpende verandering in onze geschiedenis.
Een wissel omgezet.
We hebben het gelezen in Genesis 3, hoe Adam en Eva werden weggestuurd
uit de hof van Eden
en dat bij de ingang van de hof twee engelen staan, die weg versperren.
Het is niet meer mogelijk om in de hof van Eden, in het paradijs te verkeren.
Het paradijs was niet alleen een volmaakte wereld,
een wereld zonder pijn en verdriet, zonder lijden, zonder zonde,
maar ook een plek waar Adam en Eva samenleefden met de Heere God,
Waar Hij hen opzocht om, waar Adam en Eva zich mochten verheugen op Zijn komst.
Dat was voorbij.
De engelen versperren de toegang:
Het leven in het paradijs is voorbij, er is geen terugweg meer mogelijk.
En dat ligt niet aan God, maar dat ligt aan wat er in het paradijs gebeurde,
Wat Adam en Eva deden.
Dat we niet bij God kunnen horen, dat ligt aan ons mensen.
Er is aan onze kant iets misgegaan.
Niet aan Gods kant: Hij is dezelfde gebleven.
Na de zondeval is Hij dezelfde als voor de zondeval, maar wij mensen zijn veranderd
en omdat wij veranderd zijn kunnen we niet in Gods nabijheid blijven.

Vergelijk het met een man die bij een groot bedrijf werkt.
Hij is de rechterhand van de directeur.
Bij een belangrijke beslissing die hij moet nemen, gaat hij niet naar de directeur,
maar naar de concurrent en neemt een beslissing die voor de concurrent goed uit komt
en nadelig is voor zijn eigen directeur.
Als de directeur erachter komt, wat zijn rechterhand heeft gedaan, wordt de man ontslagen.
Dan kunnen we zeggen: de man wordt ontslagen, omdat zijn directeur boos is, beledigd,
maar de fout ligt bij de man zelf, die het vertrouwen heeft beschaamd
en de concurrent in de kaart gespeeld heeft.
Het gaat er niet om dat God beledigd is, in Zijn eer is aangetast of boos
en dat die boosheid of beledigdheid ontladen moet worden op het kruis van Golgotha,
maar wij hebben, in Adam en Eva, het zelf onmogelijk gemaakt om bij God te kunnen blijven.

Vergelijk het met een man die een goed huwelijk heeft.
Hij en zijn vrouw hebben het goed, in materieel opzicht, de klik, er is liefde en vertrouwen
en toch legt de man het aan met een andere vrouw.
Zijn vrouw komt erachter en zet hem het huis uit.
Dan kan hij zeggen: Ik ben het huis uitgezet, omdat mijn vrouw er een punt achter zette.
Zij was boos. Zij wilde niet meer dat ik bij haar in een huis ben.
Dat is de schuld bij de ander leggen.
Wij kunnen niet bij God in het paradijs blijven, omdat er aan onze kant iets mis is gegaan.
Daarvan kunnen we doen dat het iets heel kleins is, iets onbenulligs,
het eten van een vrucht
zoals iemand ook over het doorvertellen van bedrijfsgeheimen luchtig kan doen
of over het er op na houden van een andere relatie.
Het eten van de vrucht betekent dat we het kwade leren kennen
en dat in alles wat we daarna doen, dat kwade meekomt
en dat kwade kan zijn: wantrouwen naar God toe,
dat we Hem niet helemaal vertrouwen en Hem daarom maar niet meer benaderen.
het slechte denken van God,
denken dat Hij het ons niet gunt om meer te weten of meer te zijn,
dat het niet Gods oneindige wijsheid is, maar door jaloezie gedreven.
en als God iets vraagt, het tegenovergestelde doen.
Buiten het paradijs.
Eva die schuldbewust naar beneden kijkt en beseft:
voor mij geen plaats meer bij God en ik kan het niet zelf herstellen.
Zoals de man die bedrijfsgeheimen verkoopt, het niet meer kan herstellen
en geen recht meer kan doen gelden op zijn positie in het bedrijf, omdat hij het verbruid heeft.
Zoals die man die het buiten zijn huwelijk zocht, geen recht meer heeft
om zijn plek thuis op te eisen, maar alleen thuis mag komen als zijn vrouw het toestaat.
De kerk zegt over, wat daar in het paradijs misging en wat in Genesis 3 beschreven is,
dat het niet een kleine vergissing is, die zomaar even goedgemaakt kan worden,
maar dat het een brutale aanval op God was, een daad van opstand, rebellie.

Een wissel omgezet – dat gaat om een trein die een andere kant opgaat
en niet meer terug kan gaan.
Een wissel omgezet, dat gebeurde in het paradijs,
Waarbij de wegen van God en ons mensen uit elkaar gingen,
niet omdat God veranderde, Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid Dezelfde,
maar omdat wij mensen voor een verandering kozen, een ingrijpende verandering,
Die ook effect had op onszelf.
Wij veranderden, zodat wij niet meer bij God kunnen zijn.
Adam en Eva die uit de hof gaan en de engelen die de weg blokkeren,
Dat is niet alleen een straf, maar ook een bescherming voor ons,
omdat wij niet kunnen bestaan bij God die zo heilig is, omdat wij onze heiligheid kwijtraakten.
Met Eva zijn we buiten het paradijs terecht gekomen, een wissel omgezet,
onmogelijk om uit onszelf nog bij God uit te komen.

Johannes heeft gebruikt een woord om de wereld buiten het paradijs aan te geven:
Donkerheid, duisternis, het is de wereld waarin het licht van God ontbreekt.
Als hij het over de wereld heeft, heeft dat woord de betekenis
van de wereld die God de rug toegekeerd heeft
en Gods aanwezigheid niet kan, niet wil verdragen
– ook de aanwezigheid van Christus niet: kruisig Hem!
Het is een wereld waarin God niet de baas is, maar de overste van de wereld,
Dat is die slang die zich om de benen van Eva heeft gekronkeld om haar onderuit te sleuren
en verder weg te voeren bij God vandaan.
De wereld buiten het paradijs – dat is een gevangenis, een slavenbestaan,
vergelijkbaar met het leven van de Hebreeën in Egypte.

Bij Eva staat Maria.
Ze heeft haar arm om Eva heen geslagen, om haar te troosten en op te beuren
en pakt de hand van Eva vast en legt haar hand op haar buik.
Eva, wees getroost, treur niet langer om wat jij fout gedaan hebt.
Jij kunt het niet zelf herstellen, maar in mij groeit Gods Zoon, die gekomen is
om wat fout gegaan is te herstellen, om de breuk te helen,
om jouw schuld van je af te nemen en mee te nemen op het kruis.
Wanneer wij bewust een fout maken,
waarvan we weten dat we een ander daarmee benadelen, kunnen wij dat niet herstellen.
Wanneer je op een negatieve manier over een ander gesproken hebt
omdat je er van geniet om over een ander te roddelen,
en misschien daarmee over jezelf wilt doorgeven dat je heel wat beter bent,
dan kun je het kwaad dat je gestrooid hebt, niet allemaal wegkrijgen.
Wanneer iemand een ander bedrogen heeft, kan het vertrouwen niet zomaar hersteld worden.
Als iemand een moord pleegt en aangehouden wordt en veroordeeld wordt,
betekent de gevangenstraf nog niet dat degene die vermoord is terugkomt.
Kunnen wij, wanneer wij het naar God toe verbruid hebben, het zelf dan wel goedmaken
En herstellen welke schade wij aangericht hebben,
zelf de wissel ombuigen naar het goede spoor en weer in Gods gemeenschap komen?
Maria zegt tegen Eva: dat zal mijn Kind doen.
Maria, die zelf leefde buiten het paradijs
en haar Zoon, niet zomaar een kind, maar Gods eigen Zoon die mens werd
haar Zoon wordt ook geboren buiten het paradijs
en heeft maar één doel: opnieuw een wissel omzetten,
terug naar het goede spoor, om voor de mensen een nieuwe mogelijkheid te geven
toch weer in Gods nabijheid te komen,
niet omdat God veranderd is,
maar omdat aan het kruis onze positie ten opzichte van God veranderd wordt.
De zondeval was de eerste wissel, bij God vandaag,
het kruis is ook weer een wissel, terug naar God.
Maria staat bij Eva en kan Eva troosten: verlies je hoop niet,
want mijn Zoon, die niet alleen mijn Zoon is, maar Gods Zoon,
zal naar het kruis gaan en zal het daar uitroepen, voor iedereen hoorbaar:
Het is volbracht.
Machtige woorden, die voor ons als mensen zo’n wereld van verschil tonen.
Een overwinningsuitroep aan het kruis – vol troost voor de mensen die het willen geloven:
Niet langer heeft het kwade dat de slang gezaaid heeft door zijn listig spreken
meer het laatste woord, maar zijn macht en invloed is verbroken,
een nieuwe tijd is aangebroken, een wissel die is omgezet,
een nieuwe tijd waarin het weer mogelijk is om bij God te horen en bij God te komen.
Wat voor ons mensen niet mogelijk was, heeft God gedaan.
Het is volbracht – woorden waarmee de poorten van het paradijs, van de hemel opengaan,
het kruis als sleutel, waardoor geopend kan worden
Niet een instrument in onze handen, maar in Gods handen.
Het is volbracht, omdat aan het kruis Gods eigen Zoon zich gaf als het paaslam.
Niet alleen de poorten van de hemel zijn open gegaan,
maar ook de poorten van Egypte, waarachter wij gevangen zaten
en waarin de overste van de wereld ons niet liet gaan.
Het is volbracht – dat zijn de poorten van het slavenbestaan van de zonde die opengaan,
de duivel die moet laten gaan, omdat dat Nageslacht van Eva gekomen is
om hem de kop te vermorzelen.
Het is volbracht – dat is: de kop die is vermorzeld, de overwinning is behaald.
Aan het kruis staan daarom de nieuwe Eva en Adam, wordt wel gezegd.
Maria die de rol van Eva heeft en Johannes die de rol van Adam heeft.
Aan het kruis worden ze door de Heer aan elkaar toegewezen.
Bij het kruis, waar het ‘Het is volbracht!’ klinkt, is er daar die nieuwe gemeenschap
omdat nu de Heiland die sterft als het paaslam met Zijn dood de wissel omzet
en het uitroept: Het is volbracht.
Een nieuwe gemeenschap, waarin niet meer de duisternis de macht heeft,
Waarin niet meer de zonde de boventoon voert,
waarin niet meer de slang om de benen kronkelt,
Een nieuwe gemeenschap van mensen die bevrijd zijn: Zoon, zie uw moeder,
moeder, zie uw zoon.
In de Vroege Kerk werd het kruis nogal eens als boom afgebeeld,
de levensboom uit het paradijs, onbereikbaar geworden
door de zonde en door de engelen die de weg versperren.
Maria die de nieuwe Eva mag zijn en Johannes die de nieuwe Adam mag zijn,
ze staan opnieuw bij de boom, niet meer de boom van kennis van het goede en het kwade,
maar de boom van het leven, Christus aan het kruis, die voor hen het leven is
en Zijn leven aan hen schenkt, waardoor zij mogen leven.
Niet meer de verleiding om een vrucht te pakken. Niet meer de breuk,
maar het herstel, omdat het klonk vanaf het kruis: Het is volbracht.

zo mag het elke zondag klinken, en elke keer als u in Gods Woord leest
en vandaag in het bijzonder: Het is volbracht.
Mogen we bij het kruis staan dat voor ons de boom des levens is geworden,
herstel van wat verbroken is, die wissel die God heeft omgezet
waardoor wij weer terug kunnen komen.
Bij dat kruis mag het “Het is volbracht!” voor ons een loflied zijn,
Waarin we zingen van de bevrijding die onze Heer gaf, die wilde sterven aan het kruis,
Christus ons Paaslam, U hebt het volbracht.
Het is volbracht – we mogen het geloven, dat ook voor ons de poort is opengegaan.
De poort van Egypte, de poort van het paradijs.
Om uit te trekken, naar het Beloofde Land, het huis met de vele woningen, het Vaderhuis.
Daar mogen we voor eeuwig zingen: Het is volbracht! Door Christus onze Heer!
Amen