De plek van ellendekennis op de geloofsweg

De plek van ellendekennis op de geloofsweg.
(In gesprek met de theologie van de Gereformeerde Gemeenten)

In zijn commentaar op de Heidelbergse Catechismus stelt Klaas Schilder bij zondag 2 dat de kennis van ellende niet mogelijk is zonder geloof. Hij zegt het daar in zijn commentaar als kritiek op Remonstranten en op bepaalde vooraanstaande personen uit de GKN van zijn tijd (prof. dr. V. Hepp, dr. P. Prins), die uitgaan van algemene Godskennis buiten het geloof om. Bij mensen die niet geloven zou er ook een bepaald besef zijn van onze vervreemding van God. Volgens Schilder is dat echter niet mogelijk. Die vervreemding, die er wel degelijk is, wordt pas erkend als iemand is gaan geloven.

Bij het lezen van die passage moest ik denken aan de Gereformeerde Gemeenten. Naar mijn idee gaat men daar uit van een fase van de kennis van onze ellende, die voorafgaat aan het geloof. Dan zou de theologie van de Gereformeerde Gemeenten in een bepaald opzicht dicht tegen de Remonstrantse theologie aanzitten. Dat wordt soms wel gezegd: dat de uitersten elkaar raken. Maar klopt mijn indruk van de theologie van de Gereformeerde Gemeenten wel? Ik besloot het op Twitter na te vragen.

Daaruit kreeg ik eigenlijk twee soorten antwoorden. Voor de een klopte het inderdaad dat de kennis van onze ellende voorafgaat aan het geloof. Wanneer je genoeg onder de indruk bent van de ellende is op er op een keer een moment dat de balans van ongeloof naar geloof omslaat. Anderen gaven echter aan, dat de kennis van de ellende wel degelijk onderdeel uitmaakt van het geloof. Afscheid nemen van de zonde, inzien hoe erg de zonde is, zou dan een eerste stap zijn in de weg van geloof. Mij werd ook verteld dat dit verschil in het plaatsen van de kennis van de ellende in de weg van geloof het onderscheid uitmaakt tussen de Gereformeerde Gemeenten en andere reformatorische kerken.

Een ander inzicht dat ik opdeed, was dat er onderscheid gemaakt wordt in kennis van God en in kennis van Christus. Wanneer iemand nog niet tot geloof gekomen is, is er wel kennis over God. Dat is dan alleen kennis over God-in-het-algemeen, de onbekende God. Dat is nog niet de Verbondsgod, nog geen kennis over Christus. Dat bracht mij in verwarring: wordt er onderscheid gemaakt tussen God en Christus? Na wat overwegingen begreep ik, dat het hier niet om een verschil in wezen gaat, maar om een verschil in kennen. In de fase waarin iemand nog niet gelooft, kan hij wel allerlei indrukken van God hebben, maar omdat hij nog niet gelooft, is het geen echte kennis over God. Echte kennis kan alleen komen uit geloof, uit een levende relatie met Christus.

Nu gaat het bij verschil in opvattingen tussen kerken vaak om wezenlijke vragen, die voor alle gelovigen van belang zijn. Dat het om zulke wezenlijke vragen gaat, wordt niet altijd duidelijk omdat het verschil vaak in polemiek wordt uitgevochten zonder uit te leggen om welke wezenlijke vraag het gaat. In de polemiek ligt men overhoop vanwege het antwoord dat gegeven wordt en de consequenties voor het preken en gemeentezijn die vaak heel zichtbaar kunnen zijn. Om een discussie te begrijpen is het van belang om helder te hebben welke vraag hier ten grondslag ligt. Het duurde voor mij ook wel even voor ik helder had om welke wezenlijke vraag het gaat.

Naar mijn idee gaat het hier om enkele wezenlijke vragen, die niet alleen binnen de reformatorische kerken spelen. Ik kwam op de volgende vragen: (1) Wanneer is het moment dat je als gelovige ‘omgaat’ van ongelovige naar gelovige? (2) Wat is voor een gelovige nodig om ‘om te gaan’? (3) Wanneer komt in het proces van overgaan van ongeloof naar geloof de mens in beeld? (4) Welke kennis over God heeft iemand in de fase waarin hij nog niet gelooft en wat verschilt die kennis met de kennis van wanneer iemand wel is gaan geloven?

Het is duidelijk dat de kennis over God (4) verschilt wanneer iemand nog niet gelooft van iemand die wel gelooft. Wie niet gelooft, kan God niet vertrouwen. De zonde zorgt voor wantrouwen. Wanneer iemand met wantrouwen naar een ander kijkt, is de kennis over de ander altijd gekleurd. Schilder zegt steeds: als iemand in zonde ligt, houdt hij de kennis over de eigen ellende en over wie God werkelijk is eronder. Diegene duwt de kennis over God weg om niet te hoeven geloven.

De overgang van ongeloof naar geloof is een wezenlijke (1). Het is niet minder dan de overgang van dood naar leven, van verloren zijn naar behouden worden. Voor veel mensen in de reformatorische kerken is die overgang ongrijpbaar, omdat er allerlei barrières opgeworpen zijn. Die barrières zijn er om je niet te vergissen en je niet rijk te rekenen. Om niet te denken dat je behouden zult worden, terwijl je nog in verloren staat bent. Een van die barrières is, dat in dit proces de mens er nergens aan te pas komt. Wanneer de mens er wel aan te pas zou komen, zou dat geen stand houden. Alleen als de hele weg Gods werk is, kan iemand gered worden.

Daarmee blijft de overgang iets schimmigs hebben. Bekering is eigenlijk een onmogelijkheid aan menselijke kant. Bekering gebeurt echter wel, omdat God iemand bekeert. Die onmogelijkheid wordt naar mijn idee ook breder dan de Gereformeerde Gemeenten gedeeld. Ook in de kerk waar ik opgroeide was bekering aan mensenkant onmogelijk. Dat bekering mogelijk was, kwam omdat God werkte. Hij zorgde ervoor dat een mens overstag gaat. Alleen moet een mens dat wel eigen maken, toe-eigenen (3). In de praktijk is het voor kerkgangers van belang om te weten, wanneer ze mogen zeggen dat ze geloven, dat ze van Christus zijn. Of nog een stapje eerder: dat ze de genade mogen aannemen? Daar verschillen kerken juist weer in.

In de kerk waarin ik opgroeide, kwam door de toe-eigening de mens in beeld. Dat had in de praktijk ook een voordeel, omdat je als kerkganger wist wanneer jijzelf aan de beurt was om iets te doen. Omdat dat bij andere kerken minder het geval is, krijgt bekering iets mysterieus. In de praktijk gaat het dan om een zo’n ingrijpende ervaring, dat je als mens weet dat je niet meer terug kunt. Dat gemeenteleden zo’n overgang van ongeloof naar geloof (of misschien meer van geloven naar durven accepteren dat je gelovig mag zijn) niet goed helder hebben, merk ik in de gemeente ook. Vaak gaan mensen een stap in geloof maken na een ingrijpende gebeurtenis, zoals een ervaring van overlijden of ziekte. Dat is echter gevaarlijk, omdat de overgang niet gekoppeld wordt aan de beloften van God of aan de Bijbel, maar aan de eigen ervaring.

Nu gaf ik aan dat het om wezenlijke vragen te maken heeft die voor iedere gelovige van belang zijn. De theologie van de Gereformeerde Gemeenten heeft iets kritisch naar allerlei ervaringen, die mensen dan weer duiden als ervaring van God: een zonneschijn, een regenboog, een vlinder die fladdert, een rustig gevoel dat over je komt, het gevoel gedragen te worden. Vanuit de theologie van de Gereformeerde Gemeenten bedenk ik nu: heb je dan echt met God te maken in die ervaringen? En is die kennis genoeg om zalig te worden of is er meer nodig?

Naar de Gereformeerde Gemeenten toe zou mijn vraag zijn: is de ene ervaring, die wellicht terecht bekritiseerd wordt omdat de link met de kennis die zaligmaakt niet helder is, niet ingeruild voor een andersoortige ervaring? Is het niet juist de beleving hier die op een dwaalspoor brengt en in plaats van iemand bij God te brengen om de zaligheid te ontvangen achter laat in een mistig gebied, waarin iemand de weg naar God niet kan vinden en daarmee de zaligheid dreigt mis te lopen?

Offeren, waarom moet dat eigenlijk?

Offeren, waarom moet dat eigenlijk?
De manier waarop Jezus sterft is niet willekeurig of toevallig

Iemand die sterft voor jou, voor je zonden. Het is een ergernis of een dwaasheid maar gewoon geaccepteerd wordt het nooit. Hoe moet je dat offer van Jezus duiden? De valkuilen zijn legio, zeker in een cultuur waarin we geen offercultus kennen.

Vanaf het moment dat Jezus stierf, hebben christenen nagedacht over de betekenis van dit sterven en over de betekenis van de manier waarop hij stierf. Al in de allereerste reflecties op de betekenis wordt Jezus’ sterven aan het kruis verbonden met God. Het kruis is geen toevallige gebeurtenis, maar in de ogen van Paulus het middel dat God koos om de mensen te bevrijden uit de macht van de zonde.

sllcrocifissoguidoreni
altaarbeeld van Guido Reni in de San Lorenzo in Lucina (Rome)

Het sterven van Jezus aan het kruis is allereerst een handelen van God, waarin God iets bewerkstelligt: Hij brengt daarin twee partijen bij elkaar die zonder dat kruis niet te verenigen zijn. In het sterven van het kruis wordt de mensheid, die in de macht van de boze en de zonde geraakt was, verenigd met God.

Verzoend
Aan het kruis wordt de mensheid verzoend met God. God hoeft niet verzoend te worden, aan zijn kant zit de fout niet. De mensen moeten verzoend worden met God. Voor Paulus gaat het sterven van Jezus aan het kruis niet buiten ons om. Als Jezus sterft aan het kruis, sterft elke gelovige op dat moment aan het kruis met Jezus mee, schrijft hij in Romeinen 6.

Op beeldende wijze
In de vier evangeliën wordt de betekenis van Jezus’ dood op beeldende wijze verteld. In Mattheüs, Markus en Lukas worden op cruciale momenten teksten uit Jesaja 53 verwerkt, waarmee zij willen aangeven dat er met het sterven van Jezus er iets gebeurd is in de relatie tussen God en mensen. Jezus sterft in de plaats van de mensen. Hij neemt het oordeel van God op zich en draagt dat weg. Zijn dood is een loskopen. Dat beeld wordt niet ontleend aan de slavenhandel, maar aan het vrijkopen van krijgsgevangenen die in de macht van de vijand zijn geraakt. Zo koopt de dood van Jezus de gelovigen vrij uit de macht van de zonde en de duivel.

Johannes legt andere accenten: zijn evangelie verbindt aspecten uit de tempelcultus met het Joodse Pesachfeest. Jezus is het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Jezus sterft bij Johannes op het moment dat het Pesachlam wordt geslacht. In alle vier de evangeliën staat Jezus dicht bij God of kan hij worden gezien als God zelf.
16th-St-Baptist-Ch-Wales
“The Black Christ of Alabama” – Gebrandschilderd raam in de 16th Street Baptist Church Birmingham (Alabama)

Onttronen van de kwade machten
Ook in de overige geschriften van het Nieuwe Testament is de dood van Jezus onderdeel van het handelen van God. De dood van Jezus onttroont de kwade machten, verslaat de duivel, verbreekt de macht van de dood. In zijn dood daalt Jezus in het dodenrijk neer om daar zijn overwinning te proclameren en aan te kondigen dat de gelovigen, die nu nog gevangen zijn in het dodenrijk, bevrijd zullen worden. In alle gevallen kan de betekenis van de dood van Jezus niet los gezien worden van zijn opstanding en binnengaan in de hemel.

Niet willekeurig of toevallig
De manier waarop Jezus sterft is ook niet willekeurig of toevallig. De dood aan het kruis is de meest vernederende en de meest gruwelijke vorm van ontmenselijking. Daarnaast is de kruisdood de meest eenzame vorm van sterven, want als Jezus sterft aan het kruis is hij ook door God verlaten, het is de totale vorm van Godverlatenheid.
william-congdon-crucifix-no.-2
William Congdon – Crucifix no. 2

Daarom hebben buitenstaanders en ook christenen geregeld moeite met deze vorm van sterven van Jezus aan het kruis. In de tijd van het Nieuwe Testament was de gedachte dat een God sterft aan het kruis de grootst mogelijke onzin en de hoogste vorm van Godslastering. Voor gelovigen is het moeilijk om te zien dat God ervoor kiest verworpen en vernederd te worden, dat Hij zijn zwakheid toont in plaats van zijn macht.

Moeite
Tegenwoordig hebben mensen niet minder moeite met de dood van Jezus, eerder meer. Een van de moeiten ontstaat als Jezus helemaal losgemaakt wordt van zijn eenheid met de Vader. Jezus wordt dan een mens, weliswaar een van de meest bijzondere, maar wel een mens. Dan valt het aspect weg, dat Jezus niet alleen mens is maar ook God en aan het kruis niet alleen als mens, maar ook als God daar hangt. Wanneer dat aspect van het God-zijn van Jezus wegvalt, ontstaat het beeld dat God de last van de zonde neerlegt op een mens. Dat een mens de volle woede van God over zich heen gestort krijgt.

Een ander probleem ontstaat wanneer Jezus als individueel mens gezien wordt en niet meer als representant van de hele mensheid. Dan wordt ingewikkeld om te zien wat de dood van Jezus met mij te maken heeft en raakt de gedachte uit beeld dat ik aan het kruis in de dood van Jezus meesterf.

Offer
Weer een andere moeite gaat over de beelden die gebruikt worden om de betekenis van het kruis uit te leggen. Neem het beeld van het offer, dat toegepast wordt op de dood van Jezus. Al gauw is de gedachte dat Jezus door God is opgeofferd, God slachtoffert een mens als Jezus voor een doel, dat God wil bereiken.

En dan is er nog de taal van de offercultus uit het Oude Testament die gebruikt wordt om de betekenis uit te leggen. Bij een offer in de tempel vloeide namelijk bloed. De oud-testamentische offercultus is voor ons moderne mensen moeilijk te begrijpen, omdat er met het bloedvloeien het idee ontstaat dat er iets wreeds gebeurt. De gedachte bij het offer is echter dat een dier de plaats van een mens inneemt. De kern van het offer is dat er één dier zijn leven geeft, waardoor een heel volk het leven van God ontvangt en verder kan blijven leven.

Bloed
Wanneer in Hebreeën gesteld wordt dat Jezus als hogepriester met zijn eigen bloed de hemel ingaat en voor God verschijnt, is dat een uitleg van de betekenis van Jezus’ dood: zoals het offer reinigt van zonden – een reiniging die nodig is om in gemeenschap van God te komen – zo is de dood van Jezus aan het kruis het definitieve offer. Jezus wordt niet door God geofferd, maar geeft zijn leven over in de dood. Dat doet hij bewust, met het oog op ons. Om ons vrij te kopen en te reinigen van de zonde.

Het uitleggen van de dood van Jezus aan het kruis is niet eenvoudig. We staan op heilige grond, omdat we hier te maken hebben met het meest diepe van Gods wezen, woorden schieten tekort. Woorden schieten ook tekort omdat we hier met het meest diepe in de geschiedenis van de mensheid in aanraking komen, namelijk de totale Godverlatenheid.

Daarnaast worden beelden, die in het verleden iets van dit heilige en diepe lieten zien, onbegrijpelijk doordat de tijden veranderen. Omdat we geen offercultus kennen, wordt het zoeken naar wat de Bijbel wil uitdrukken met het toepassen van het offer op Jezus’ dood. Bovendien hebben we een eeuw achter de rug waarin mensen rücksichtslos geslachtofferd werden. Er is een gevoeligheid ontstaan met betrekking tot een dood die gewild is door God.

Als we Jezus’ gewelddadige dood op Golgotha in verbinding brengen met Gods handelen, zoals heel het Nieuwe Testament doet, kunnen we er niet aan voorbij gaan dat God met het kruis op Golgotha meer doet dan vergeving en verlossing bieden: God rectificeert. Hij herstelt geschonden recht, dat wij als mensen God en elkaar hebben aangedaan. Wanneer wij als mensen het recht van een ander schenden, kunnen wij het nooit helemaal goed maken. Wij kunnen de persoonlijke schade die is aangericht bij de ander hooguit erkennen, maar rechtzetten niet.

Het bijzondere van het kruis is God zelf met Jezus’ dood, die mens is en ook God, zich verantwoordelijk maakt voor die schade en onze schuld op zich neemt, verzoent en ons en die ander herstelt.

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad 18 april 2019

Eugene Peterson was pastor voor predikanten

Eugene Peterson was pastor voor predikanten

Op 22 oktober overleed Eugene H. Peterson. Hij werd 85 jaar. Met zijn boeken, lezingen en interviews wordt Peterson gezien als een pastor voor predikanten. Van zijn boeken zijn alleen de eerste boeken vertaald, zoals
Een zaak van lange adem, Dragende delen en Onder de wonderboom. Met een Nederlandse vertaling van zijn eigen Bijbelvertaling The Message is men bezig.

peterson-square

Peterson was 26 jaar lang predikant van dezelfde gemeente: de Christ Our King Church in Bel Air (Maryland). Hij stichtte deze gemeente namens de Presbyteriaanse Kerk (PCUSA). Daarna werd hij hoogleraar Spirituele Theologie aan het Regent College in Vancouver. Hij publiceerde meer dan 30 boeken op het gebied van spiritualiteit. Het was vanwege zijn spirituele theologie, die hij in zijn boeken verwoordde, dat hij een pastor voor predikanten werd. Zijn boeken hielpen predikanten om spiritualiteit als het belangrijkste onderdeel van hun predikantschap te zien.

Spiritualiteit
Voor Peterson zijn spiritualiteit en theologie niet van elkaar los te maken. Spiritualiteit kan niet zonder theologie en theologie is alle onderdelen spiritualiteit. Spiritualiteit is voor Peterson leven met de levende God. Hij signaleerde dat spiritualiteit een modewoord was, maar dan wel een hele vage, elitaire invulling kreeg. Spiritualiteit had voor Peterson te maken met Jezus, die God-in-ons-midden is. Door Jezus is de spiritualiteit heel alledaags en concreet. Spiritualiteit heeft te maken met bidden, lezen in de Bijbel, werken, relaties binnen het gezin en vriendschap. Spiritualiteit is voor hem niets anders dan christelijk leven, een leven tot eer van God.

Kwijtgeraakt
Tijdens zijn predikantschap merkte Peterson dat de Amerikaanse kerk de alledaagse, door Jezus gevormde en op de levende God gerichte spiritualiteit was kwijtgeraakt. Zijn gemeenteleden waren meer Amerikaan dan christen, meer consument dan discipel. Christenen en kerk waren onderdeel van een consumptiemaatschappij, waarin alles snel voorhanden is en verlangens en behoeften direct bevredigd konden worden. Peterson begon daar discipelschap tegenover te stellen. Discipelschap was een zaak van lange adem: een moeizame weg van gehoorzaamheid die om volharding vraagt. God is niet ons idee of ons project.

1001004001376993
Afgoderij
Wanneer we de levende God vervangen door ons idee of ons project vervallen we in afgoderij, een verleiding die volgens Peterson de kerk voortdurend bedreigt. Snelle doelen kunnen in het geloof niet worden gehaald. Elke kleine stap die je zet is al een aankomst. Predikanten hield hij voor zich niet te laten imponeren door de megakerken, die vaak de media halen. Zulke megakerken zijn volgens hem bij uitstek gevoelig voor afgoderij en de consumptiementaliteit, die het moeilijk maakt om discipel te zijn. Predikanten doen er beter aan om trouw te zijn aan de lokale gemeenschap en daar in kleine kring het evangelie te leven, trouw en volhardend, puttend uit de Bijbel en steeds weer in gebed, in vertrouwen op God die werkt. De predikant leeft het evangelie van de opgestane Heer. Predikantschap heeft met de ziel te maken. Het woord ziel is uit de gratie geraakt en werd een term die alleen maar binnen geestelijke kring werd gehanteerd. Ziel was vervangen door zelf en dat onthult veel over de maatschappij waarin we leven. Wanneer we over ziel spreken, heeft onze identiteit met de levende God te maken. Wanneer we het hebben over zelf, is onze identiteit ik-gericht.
Peterson was zelf predikant geweest en kende de eenzaamheid en de verleidingen van het predikantschap. Na 6 jaar in zijn gemeente gestaan te hebben, raakte hij in een crisis. In die crisis kwam hij niet bij modellen en methoden uit, maar bij de traditie van de kerk. Vanaf die tijd wilde hij de rijke spirituele traditie doorgeven. Om zijn gemeente te helpen meer discipel dan Amerikaan te worden, vertaalde hij de brief van Paulus op een eigentijdse manier. Uit deze Galatenvertaling groeide een hele Bijbelvertaling: The Message.

Interview met Eugene H. Peterson over de vraag waarom hij The Message vertaalde

In een van de levensbeschrijvingen die ik las in de afgelopen dagen wordt Peterson beschreven als een protestantse monnik. Hij had ook iets wereldvreemds. Nadat hem gemeld werd, dat Bono van U2 met hem in contact wilde komen, vroeg hij verbaasd wie dat was. Toen zijn vertaling The Message miljoenen keren verkocht werd, vroeg hij een vriend wat hij eigenlijk met het geld moest doen dat hij met de verkoop verdiende.

Verwondering
Als predikant hield hij de maandag vrij. Dan hield hij zijn sabbat, omdat hij door te preken op zondag niet aan rust toe kwam. Dan trok hij er samen met zijn vrouw op uit. Eerst lazen ze iets uit de Bijbel, dan wandelden ze een hele tijd. Na afloop noteerden ze iets in hun dagboek. Maar meer dan wat ze onderweg gezien hadden aan vogels en planten was het niet. Peterson was ook dichter en schreef zelf gedichten. Steeds weer komt in zijn boeken de verwondering over God die overal terug te vinden is naar voren. In zijn boeken leert hij zijn lezers om oog te krijgen voor Gods werk in onze nabije omgeving. Peterson was ook lezer. Hij vond het als predikant van belang om grote literaire werken te lezen. In zijn agenda noteerde hij twee keer per week een blok van twee uur voor een gesprek met FD. Dan las hij Fjodor Dostowjeski om zijn gemeenteleden beter te begrijpen.

Eugene-Peterson-04

Gesprek
Gesprek is een kernwoord in Petersons spiritualiteit. Zijn boeken waarin hij zijn spirituele theologie uiteenzette noemde hij conversaties in spirituele theologie. Hij benadrukte dat gesprekken de alledaagse vorm is waarmee Jezus optrad. In zijn boeken benadrukt hij dat in een cultuur waarin het geloof niet meer bekend is, gesprekken over God, geloof, ziel minstens net zo belangrijk zijn als preken en onderwijs. Net zoals Jezus in Samaria (Lukas hoofdstuk 9-19) vooral gelijkenissen vertelde en gesprekken aanging. De boeken van Peterson zijn vaak met een twinkeling geschreven, hoopvol van toon en vol mooie anekdotes. Zijn werk blijft de komende tijd de moeite waard.

Gepubliceerd op 31 oktober 2018 in het Friesch Dagblad

Andere blogs over Peterson:
– Over zijn memoires ThePastor: blog over The Pastor
– Over Tell it Slant (deel 1): Tell it Slant deel 1
– Over Tell it Slant (deel 2): Tell it Slant deel 2
– Over Run with the Horses (Jeremia): Run with the Horses
– Over Een zaak van lange ademEen zaak van lange adem

Les 18: Belijdenisgeschriften

Les 18: Belijdenisgeschriften

Mirthe heeft geregeld met een collega gesprekken over het geloof. Deze collega is niet met het geloof opgegroeid en heeft veel vragen. Op veel vragen weet Mirthe zelf het antwoord niet. Wat gelooft ze eigenlijk zelf? En bestaat er niet een soort samenvatting van wat het geloof inhoudt?

Johan gaat wel eens met een vriend mee naar een andere kerk. Niet alleen de opzet van de dienst is anders, ook de boodschap van de voorganger is anders. Dat brengt Johan in verwarring. Wat gelooft hij zelf? Wat hoort hij te geloven?

Vraag 1: Waar haal jij je kennis over God en over het geloof vandaan?



Vraag 2: Als een collega of een vriend(in) meer wil weten over het geloof, wat bied je dan aan?


Uitleg
In de kerk bestaan er officiële samenvattingen, waarin we kunnen weten waar de kerk inhoudelijk voor staat. Dat zijn belijdenisgeschriften. Onze kerk, de Protestantse Kerk in Nederland, kent een aantal belijdenisgeschriften. In de belijdenisgeschriften staat wat de officiële leer van de kerk is. Deze belijdenisgeschriften zijn vaak ontstaan in een tijd, waarin er veel discussie was over wat de kerk hoort te leren.

De Protestantse Kerk is in 2004 ontstaan uit een fusie van 3 kerken. De Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk.
De Gereformeerde Kerken in Nederland en de Nederlands Hervormde Kerk hadden 6 belijdenisgeschriften:

  • de Apostolische Geloofsbelijdenis
  • De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
  • De geloofsbelijdenis van Athanasius
  • De Heidelberger Catechismus
  • De Nederlandse Geloofsbelijdenis
  • De Dordtse Leerregels

Deze geloofsbelijdenissen zijn ook in verschillende psalmboeken opgenomen. De laatste drie belijdenisgeschriften worden samen de drie formulieren van enigheid genoemd.


De apostolische geloofsbelijdenis
De apostolische geloofsbelijdenis gaat niet terug op de 12 apostelen. De naam geeft aan: de inhoud komt overeen met wat de apostelen geleerd hebben. Deze belijdenis is ontstaan als een belijdenis die nieuwe christenen opzegden bij hun doop. Deze nieuwe christenen lieten de Romeinse of de Griekse godsdienst, waarin ze opgegroeid waren, achter zich en gingen Jezus als hun Heer belijden.
Kenmerkend voor deze belijdenis is de indeling in drieën: eerst wordt iets beleden over God de Vader, daarna over God de Zoon en tenslotte over de Heilige Geest.

De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
In de 4e eeuw werd er gediscussieerd over de vraag of Jezus ook God als of dat Jezus minder dan God was. Op verschillende concilies (officiële vergaderingen) werd uitgesproken dat Jezus net zo goed God was als God de Vader en dat er toch maar één God is. Omdat er ook een Heilige Geest is, spreken we over God als drie-een.
De belijdenis is genoemd naar de verschillende plaatsen waar die concilies gehouden zijn: Nicea (325 na Christus) en Constantinopel (381 na Christus). Deze belijdenis is een uitbreiding van de apostolische geloofsbelijdenis. Deze belijdenis is de meest geaccepteerde belijdenis. Bijna alle kerken over heel de wereld accepteren deze belijdenis.

De geloofsbelijdenis van Athanasius
De geloofsbelijdenis van Athanasius is de meest onbekende geloofsbelijdenis. Ook deze belijdenis is ontstaan in een tijd waarin er werd gediscussieerd over de vraag over Jezus ook God was. Deze belijdenis is een felle verdediging van de gedachte dat God zowel uit Vader, Zoon en Geest bestaat en toch één is. Wie dat niet gelooft, kan niet behouden worden, zegt deze belijdenis. De geloofsbelijdenis is niet geschreven door Athanasius, maar vernoemd naar Athanasius, die de belijdenis van God als drie-één verdedigde.

 

De Nederlandse Geloofsbelijdenis
De Nederlandse Geloofsbelijdenis is in 1561 geschreven door Guido de Brès. In die tijd worden de protestantse gelovigen vervolgd vanwege hun geloof. In deze belijdenis legt De Brès uit wat protestanten geloven. Hij legt uit dat hun geloof niet afwijkt van wat de kerk altijd geleerd heeft. Hij legt uit waarom protestanten niet katholiek kunnen zijn. Ook legt hij uit dat protestanten geen Wederdopers kunnen zijn. Wederdopers hadden voor veel opschudding gezorgd. Niet alleen omdat ze voor de volwassendoop waren (volwassenen werden weder=opnieuw gedoopt), maar ook omdat er nogal wat vreemde praktijken waren bij de Wederdopers.

De Heidelberger Catechismus
De Heidelberger Catechismus is bedoeld om de gewone mensen in de kerk uitleg te geven over wat het geloof inhoudt. Thema’s die aan de orde komen:

  • de geloofsbelijdenis: Wat doet God in jouw leven en in de wereld waarin wij leven?
  • doop en avondmaal: hoe horen we bij Christus en hoe krijgen we deel aan de redding?
  • de Tien geboden: Hoe leven we als christenen tot eer van God? Hoe doen we Zijn wil?
  • en het Onze Vader: Hoe leren we bidden?

Je zou kunnen zeggen: een gelovige hoort zijn geloof op deze thema’s onder woorden te kunnen brengen. De belijdenis bestaat uit vragen en antwoorden. De leermeester stelde de vragen en de leerling gaf antwoord. Zo leerde de leerling zijn eigen geloof persoonlijk onder woorden te brengen.
Deze geloofsbelijdenis is in 1563 ontstaan in Heidelberg. Omdat op dat moment er een gemeente was van uit Nederland gevluchte protestanten, raakte deze belijdenis ook in Nederland bekend.
Deze belijdenis is opgedeeld in 52 zondagen. ‘s Middags konden de jongeren op catechisatie die zondag leren en in de middagdienst werd over die zondag in de kerkdienst gepreekt.

De Dordtse Leerregels
De Dordtse Leerregels gaan onder andere over hoe je gered kunt worden. In 1610 zei Arminius: God redt mensen op basis van hun geloof. Omdat God weet dat mensen gaan geloven, gaat Hij hen redden. De tegenstanders vonden dat Arminius de redding teveel afhankelijk maakte van hoe mensen zullen reageren. God is niet afhankelijk van onze reactie, van ons antwoord. In 1618 komt er een officiële vergadering in Dordrecht, waarin wordt aangegeven dat de kerk kiest voor de lijn van Arminius’ tegenstanders.

Norm of richtlijn?
Veel kerken in Nederland hebben deze 6 belijdenisgeschriften. Er is wel in de afgelopen eeuwen discussie geweest over hoe je ze moet gebruiken. De één ziet ze als norm waarvan je niet mag afwijken. Ook niet als individuele gelovige. De ander ziet de belijdenisgeschriften meer als richtlijn: zo zou je kunnen geloven. De één ziet ze als een samenvatting van wat er in de Bijbel staat. De ander zegt dat je je beter met de Bijbel zelf kunt bezig houden. Het is de moeite waard om de geloofsbelijdenis er steeds bij te pakken. Al kan de plechtige taal waarin ze geschreven zijn een belemmering zijn. Een belemmering om ze goed te kunnen gebruiken is, dat ze ook wel eens over thema’s gaan, die vandaag niet zo actueel meer zijn.
De officiële lijn is dat belijdenisgeschriften aangepast mogen worden, maar dat moet dan wel gebeuren op basis van wat er in de Bijbel staat.  

 

Vraag 4: De eerste vraag van de Heidelberger Catechismus is: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Probeer hiervoor je eigen antwoord te formuleren. Wat zou jij zelf op die vraag antwoorden?




Vraag 5: Vergelijk je antwoord met het antwoord uit de Heidelberger Catechismus.
– Welke thema’s heeft de Catechismus, die jij niet hebt?


– Welke thema’s heb jij die niet in de Catechismus staan?


Vraag 6: In de Heidelberger Catechismus worden de geloofsbelijdenis, doop en avondmaal, de Tien geboden en het Onze Vader uitgelegd. Waarover zou jij zelf meer uitleg willen hebben?


 

Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Op 7 oktober 1938 verschijnt er voor het eerst bij De Reformatie, een weekblad dat door Klaas Schilder wordt gerund, een bijlage van acht pagina’s over de Heidelbergse Catechismus. Schilder bedoelde dat als een groots project, dat twintig jaar in beslag zou nemen en in tien delen zou uitkomen. In augustus kwam het project stil te liggen vanwege het publicatieverbod dat Schilder van de Duitsers opgelegd kreeg. Na de oorlog kon de publicatie niet direct ter hand genomen worden, omdat het papier nog erg schaars was.

Zeven jaar lag het project stil. In die zeven jaar was heel wat gebeurd. Zoals vier oorlogsjaren en de voor Klaas Schilder traumatische ervaring van een kerkscheuring, waarbij hij buiten de Gereformeerde Kerken kwam te staan. Op het moment dat Schilder zijn werk met de Heidelbergse Catechismus weer oppakt, is het commentaar tot en met zondag 6 afgerond. Uiteindelijk zullen er vieren delen komen en is bij het overlijden van Schilder enkele jaren later de uitleg van zondag 10 nog niet afgerond.

Schilder vindt het voor de kerk nodig dat er een goede uitleg van de Heidelbergse Catechismus verschijnt. Hij gaat niet mee in het onderscheid dat Kuyper maakt tussen confessie en catechismus. Volgens Kuyper is de confessie binnenkerkelijk te gebruiken en de catechismus voor buiten de kerk.

Goede kennis van de belijdenis – en dus ook van de Heidelbergse Catechismus – is nodig om in begripsmatig opzicht onderscheid te maken tussen wat goed en kwaad is. Discretie noemt Schilder dat en hij ontleent deze term aan artikel 8 van de Dordtse Kerkorde. Discretie is nodig om de inhoud van het kerkelijk geloof en de kerkelijke belijdenis te kunnen onderscheiden van die van secten en ongelovigen. De publicatie van dit commentaar op deze catechismus staat in het teken van dit onderscheid maken, deze discretie.

Ook als het gaat om troost – de inzet van de Heidelbergse Catechismus – is deze discretie nodig, vindt Schilder. Dat lijkt een vreemde gedachte, want troost lijkt toch eerst iets van het gemoed en discretie lijkt meer iets van het verstand te zijn. Troost is echter meer dan een in het gemoed geraakt zijn. Om troost te kunnen ontdekken is het ook nodig om met het verstand onderscheid te maken tussen wat waar is en wat niet.

De gedachte dat troost vooral iets van het gemoed is, heeft voor Schilder iets positiefs: door dit bezwaar in te brengen, laat men zien dat men niet vatbaar is voor het rationalisme. Het rationalisme is een doorgeschoten gebruik van het verstand. In het rationalisme wordt de menselijke rede als enige kenbron gezien (en heeft de openbaring geen enkele mogelijkheid om een rol te spelen in het opdoen van kennis). Het probleem van dit rationalisme is voor Schilder dat het zich losgemaakt heeft van God en autonoom wil zijn ten opzichte van God.

In verzet tegen het rationalisme moet men echter niet doorschieten in het andere uiterste, waarbij het verstand buiten werking wordt gesteld en de menselijke rede geen enkele rol mag spelen. De rede blijft nodig om onderscheid te kunnen maken tussen wat waar is en wat niet. Volgens Ursinus is er om troost te kunnen ontdekken consideratie en ratiocinatie nodig. Consideratie betekent (aandachtige) overweging. Ratiocinatie betekent sluitrede, syllogisme. Ratiocinatie – een sluitrede, een syllogisme dus – maakt gebruik van wat reeds voorhanden is. Een sluitrede verzint die gegevens niet zelf; die gegevens zijn er al. Net zoals de posten debet en credit niet door een boekhouder (ratiocinatie) verzonnen zijn, maar reeds voorhanden zijn. Ratiocinatie is geen rationalisme, maar gaat de confrontatie aan tussen twee werkelijkheden: de werkelijkheid van het geloof en die van het ongeloof. Deze twee werkelijkheden bestaan. Met discretie worden deze twee werkelijkheden tegen elkaar afgewogen.

Een voorbeeld van zo’n discretie met behulp van een syllogisme kunnen we vinden in Prediker 7:25 en 27. In zijn eerste periode maakte hij zijn afwegingen op basis van zijn eigen ervaringen. In zijn tweede periode maakte hij zijn afwegingen op basis van Gods openbaringswoord. De eerste afweging stond in dienst van de zonde. De tweede afweging stond in dienst van God. Het tweede gebruik is goed gebruik van het syllogisme.

Het christelijk geloof dat gebaseerd is op Gods openbaringswoord heeft meer kennis dan de filosofie die gebaseerd is op menselijke ervaring en afweging. Filosofie kent niet de wet van God, die de menselijke ellende aanwijst. Filosofie heeft ook geen weet van het evangelie en kan daarom geen troost bieden. Omdat de kerk wel én de wet én het evangelie heeft, kan de kerk wel troost aanbieden. Dit verschil tussen filosofie (gestoeld op menselijke ervaring en gedachten) en kerkelijke belijdenis (gestoeld op Gods openbaringswoord) mag niet uit het oog worden verloren. Er is een christelijke logica nodig (zoals D.H.Th. Vollenhoven voorstelde); algemene logica houdt geen rekening met de zondeval.

Ursinus, degene die het meest heeft bijgedragen aan de Heidelbergse Catechismus, gaat van dit onderscheid tussen filofosie en kerkelijke belijdenis uit. Schilder kan niet in alles Ursinus volgen. Hij vindt dat Ursinus een onderscheid zou moeten maken tussen natuurlijke theologie en openbaring. Hij valt daar Ursinus niet te hard op aan, omdat de gereformeerde theologie in die tijd nog in de kinderschoenen staat en niet alle onderscheidingen al helder heeft. Kuyper heeft Ursinus op dit punt terecht gecorrigeerd in zijn E Voto dordraceno. Alleen voerde hij weer een verkeerde visie in: de algemene genade (gemeene gratie). Zie: hier.

Mogelijk heeft Ursinus gedacht aan De troost van de filosofie van Boëthius. Er zijn behoorlijke verschillen tussen de Catechismus en dit werk van Boëthius. Boëthius schreef voor geleerde mensen; de Catechismus is voor gewone mensen, werklui, kinderen bedoeld. Boëthius gaf de heidense filosofen teveel stem; de Catechismus ontzegde die ruimte terecht aan de heidense filosofen. Boëthius maakt een onderscheid tussen theorie en praktijk. Theorie is contemplatie en de praktijk is het actieve, concrete leven. Bij dat onderscheid is de contemplatie belangrijker dan het actieve, concrete leven. De Heidelbergse Catechismus maakt dat onderscheid niet en ziet theorie en praktijk gelijkwaardig. Theorie en praktijk staan in elkaars dienst en helpen elkaar. Discretie tussen filosofie, gestoeld op heidense kennis, en christelijk geloof, gestoeld op geopenbaarde kennis, is niet alleen noodzakelijk, maar heeft ook betekenis voor het actieve, concrete leven.

N.a.v. dr. K. Schilder, De Heidelbergsche Catechismus, deel I (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1949) 1-14 (§ 1)

Schilder, Van Ruler en Berkouwer

Schilder, Van Ruler en Berkouwer

klaas-schilder
Klaas Schilder

Tijdens het lezen van Christus en cultuur van Klaas Schilder (zie: hier) moest ik geregeld aan A.A. van Ruler denken. Het viel me op hoeveel parallellen er te trekken zijn. Ik heb ooit de registers van het Verzameld Werk dat uitgegeven wordt nagekeken op Schilder en het verbaasde mij dat ik zijn naam maar zo weinig tegenkwam. (Haitjema liet op een gegeven moment zijn leerling Van Ruler maar reageren in de polemiek die hij met Schilder had.)

De-hervormde-theoloog-prof-dr-A-A-van-Ruler-1908-1970
A.A. van Ruler

Goed, er zijn verschillen: Van Ruler heeft meer humor en twinkeling in zijn teksten dan de grimmige ernst bij Schilder. En of Van Ruler het catastrofale van het oordeel in de komst van Christus zou onderschrijven weet ik niet.  De komst van Christus als herstel van het werkverbond verschilt weinig van de gedachte van Christus als intermezzo. Dat we in een interim leven van het Duizendjarig Rijk, is voor Schilder een wezenlijk onderdeel van zijn theologie. Ook de waardering van het aardse leven is bij Van Ruler erg sterk. Net als de verwerking van de gereformeerde scholastiek bij beiden.

(Gezien de vele overeenkomsten is het niet zo verrassend dat de Theologische Universiteit van Kampen tegenwoordig betrokken is bij de heruitgave van Van Rulers teksten. Een beetje pijnlijk is het wel dat de heruitgave van Schilders werk op een gegeven moment gestaakt werd. Hopelijk krijgt Dirk van Keulen de kans om bij voltooiing van het Verzameld Werk van Van Ruler de kans om verder te gaan met het Verzameld werk van Klaas Schilder ;-) )

In het artikel ‘De andere zijde van het vraagstuk van de natuurlijke theologie’ (1959, opgenomen in Verzameld werk deel II: Openbaring en Heilige Schrift) zijn heel wat parallellen op te tekenen. In dat artikel komt een plagerijtje richting G.C. Berkouwer: Berkouwer is in zijn boek over algemene openbaring vergeten te omschrijven wat deze thematiek betekent voor de christen en de kerk (Het thema van Christus en cultuur!).

2816860_large_ee6c5bfa59674482bf217c061da5676e
G.C. Berkouwer

Naast Schilder heb ik wat met Van Ruler en Berkouwer. Het loont de moeite eens uit te zoeken wat de overeenkomsten en verschillen zijn. Naar mijn stellige overtuiging zijn de interacties tussen deze 3 theologen veel groter dan tot nu toe wordt aangenomen.

Waarom Klaas Schilder de gedachte van algemene genade afwijst.

Waarom Klaas Schilder de gedachte van algemene genade afwijst.
(N.a.v. zijn boek Christus en cultuur)

De gedachte van algemene genade (gemeene gratie) is afkomstig van Abraham Kuyper. Daarmee gaf hij een antwoord op de vraag hoe de bijdrage van niet-gelovigen aan de maatschappij, kunst en cultuur door gereformeerde christenen moet  worden gewaardeerd. Klaas Schilder heeft steeds fel verzet tegen de gedachte van een algemene genade. De gedachte van algemene genade botste met zijn visie op het werkverbond en op wat Christus op aarde kwam doen.

Gemeene gratie
Volgens Kuyper heeft God na de zondeval ons nog de mogelijkheid gelaten om toch een bijzondere bijdrage te leveren aan de cultuur en aan de kunst. Dat is een genade die aan ieder mens – gelovig of niet-gelovig – gegeven kan worden, want we hadden deze gave door de zondeval niet verdiend. De bijdrage van niet-gelovigen mogen we zien als een overblijfsel van het natuurlijk licht dat aan de schepping is meegegeven.

Werkverbond
De gedachte van algemene genade botst allereerst met Schilders visie op het werkverbond. Het werkverbond neemt een belangrijke plaats in de theologie van Klaas Schilder in. Dit verbond sloot God met de eerste mensen in het paradijs. De mensen kregen de plicht om de hof te bebouwen, de aarde te bewonen en zich te vermenigvuldigen. In het paradijs worden de mensen aangesteld als representanten, ambtsdragers, medewerkers van God. In het werkverbond krijgen de mensen een culturele opdracht. In deze opdracht zijn religie en culturele opdracht, zoals werk en kunst, één: alles staat in dienst van God en zijn eer. Dagelijks werk en geestelijke bezigheden zijn geen gescheiden werelden of concurrenten. Het gewone werk is net zo waardevol in de dienst aan God als geestelijke bezigheden.

Ontwikkeling
Bij de schepping is de aarde nog niet af. Als de wereld af was, zou er geen mogelijkheid om in zonde te vallen. Er is weerhouding. De aarde is geschapen met het oog op een geschiedenis die volgt. De aarde is geschapen met het oog om nog verder te ontwikkelen. Evolutie ná creatie noemt Schilder dit. De mens mag als medewerker van God helpen bij de ontwikkeling van de aarde naar de staat van de volgroeidheid. De bijdrage van de mens bestaat uit het ontwikkelen van wat er reeds in de schepping aanwezig is. Het werk van de mens is niet scheppen maar ontvouwen en ontdekken van wat reeds in de schepping ingeschapen is. Een ‘terugvinden en doen vinden van God in het uit-vinden van de toekomst’, noemt Schilder dit.

Koinoonia
De mens is geschapen met het oog op gemeenschap met God en met het oog op gemeenschap met de andere mensen. Deze gemeenschap met God en mensen onderling noemt Schilder koinoonia.

Storing
Met de zondeval komt alles overhoop te liggen. De zondeval is een storing van de door God bedachte geschiedenis. Door de zonde wordt de eenheid die God door het werkverbond in de schepping meegegeven heeft verbroken. De zonde zorgt voor schisma, scheuring, fragmentarisatie. De bijdrage van de mens aan de cultuur staat niet meer in dienst van God, maar in dienst van eigen ontwikkeling en ontplooiing. De mens wil wat er in de schepping is meegeschapen wel verder ontwikkelen, maar dan zonder onderdanigheid aan God. De mensen zijn daardoor gedwongen om te kiezen tussen óf de religie óf de cultuur. Kaïn koos voor de cultuur en offerde de religie op. Hij laat het einddoel van Gods voltooide wereld schieten en richt zich op de cultuur in het hier en nu. In deze wereld schept Kaïn een Babel. Seth had aan de religie genoeg en liet de cultuur schieten. Beiden zijn een vorm van zonde, omdat beiden een deel van Gods opdracht opgeven: Kaïn de dienst aan God; Seth de opdracht om op de aarde in Gods naam bezig te zijn met de cultuur. Seth trekt niet alleen uit Babel weg, maar uit de hele cultuur. De culturele opdracht is immers na de zondeval niet komen te vervallen. Het materiaal wordt niet vervloekt en blijft aan de schepselmatige structuren onderworpen. De opdracht om te bouwen en mee te werken aan de ontwikkeling blijft staan als goddelijke opdracht. Culturele uitingen zijn geen genadegaven, die na de zondeval worden toegekend, maar scheppingsgaven die in de schepping reeds besloten liggen en door de zondeval niet ongedaan gemaakt worden. Maar zowel Kaïn als Seth gaan er in mee de leefwereld onder te verdelen in verschillende gebieden, die niets meer met elkaar te maken hebben. De gedachte van de gemeene gratie is voor Schilder niets anders dan een excuus om aan de culturele opdracht te ontkomen en daarmee een leer die aanzet tot zonde. Als er gesproken wordt over algemene genade dient men in één adem ook algemene vloek of algemeen oordeel, algemene toorn te noemen.

Sunousia
Door de zonde is niet alleen de eenheid tussen culturele opdracht en religie verbroken, maar ook de eenheid tussen mensen onderling. Echte koinoonia is op de aarde niet meer mogelijk, omdat het gezamenlijk doel van het leven in dienst stellen van God niet meer door iedereen nagestreefd wordt. Eenheid is niet meer mogelijk. Gelovigen en ongelovigen leven wel op dezelfde wereld. Hun werelden zijn niet gescheiden. Voor het samenleven van gelovigen en ongelovigen heeft Schilder de term sunousia.
Een gemakkelijk samenleven is dat niet altijd. Vanuit de kant van de ongelovigen kan er tegenwerking komen: ongelovigen die de kerk en de religie dwarsbomen. Of verleiding doordat gelovigen onder de indruk raken van de culturele prestaties van ongelovigen. Dat is gevaarlijk, omdat elke cultuur in deze wereld sinds de zondeval en het uiteenvallen van doel en opdracht altijd moet eindigen in zonde, opgeven van religie en verzet tegen God. Elke godloze cultuur draagt de decadentie en verval reeds in zich.

Komst van Christus
Na de zondeval is direct een tegenzet van God gekomen: de komst van Christus (Jezus alleen is niet genoeg! De naam Christus mag niet weggelaten worden!) is aangekondigd. Zijn komst op aarde heeft een dubbele betekenis: Hij komt om zowel de wereld te redden als de veroordelen, als Heiland-Redder en als Heiland-Wreker. Dit oordeel wordt al in de geschiedenis ontvouwd.  Christus komt aan de ene kant om het werkverbond te herstellen als tweede Adam, maar Hij komt ook om de tegenstanders van God te ontbinden. Zijn komst in de geschiedenis is nodig om het doel van de schepping weer terug te brengen. Met de aankondiging van Zijn komst in de moederbelofte (Genesis 3:15) is de dubbele geschiedenis van verkiezing en verwerping begonnen. De geschiedenis is daarna niet meer een rustig kabbelend gebeuren, maar door de komst van Christus catastrofaal, omdat Zijn komst ook het oordeel met zich meebrengt. De komst van Christus markeert een definitief verschil. We leven sindsdien in het interim, de tussentijd tussen schepping en herschepping, tussen eerste schepping en herstel. In dit interim is de zonde er nog wel, maar overwonnen. Met de komst van Christus is het Duizendjarig rijk reeds aangebroken en leven wij in dat Rijk. In Christus zelf in de eenheid van het dienen van God en de culturele opdracht wel een éénheid. Die eenheid zal in de hemel worden hersteld. De nieuwe schepping is vooral een herschepping, een gezuiverde schepping. Deze nieuwe schepping was al in de eerste schepping aanwezig.

Actieve toelating
De zonde wordt wel overwonnen, maar niet van de wereld verbannen. Dat komt omdat de verwerping eerst nog vorm moet krijgen in de geschiedenis. Mensen zijn door hun keuze tegen God zelf verantwoordelijk voor hun verwerping. Was er geen geschiedenis geweest, dan hadden ze kunnen aandragen dat ze zelf niet verantwoordelijk zijn voor hun verwerping en dan lag alle verantwoordelijkheid voor de verwerping bij God. De geschiedenis moet wel uitlopen op een hemel en een hel. (Geen wonder dat twee andere belangrijke boeken van Schilder gaan over Wat is de hemel?  en Wat is de hel?)
Doordat ook de verwerping in de geschiedenis wordt ‘uitgerold’, krijgt de zonde een plek in de wereld. De zonde wordt actief toegelaten door God. Ook in de geschiedenis na het paradijs is er weerhouding. Nu heeft weerhouding een dubbele betekenis: aan de ene kant is nog niet alle kennis van de schepping volledig, aan de andere kant wordt Gods werk tegengewerkt. De zondige weerhouding heeft overigens ook weer twee kanten: God die tegengewerkt wordt en God die zich laat tegenwerken.

Temperantie
Naast de weerhouding van God is er ook een andere weerhouding: de weerhouding van de zonde. Schilder noemt dat temperantie. In tegenstelling tot de genade is de temperantie wel algemeen: zowel de redding als het oordeel zijn nog niet volledig. Hemel en hel zijn nog toekomst. In het interim zijn zowel God als Satan actief. Hoe dichterbij het eindpunt van de geschiedenis komt, hoe sterker de strijd wordt. Met de komst van de Antichrist is de laatste fase aangebroken. Dan is er voor de gelovige helemaal geen kans meer om cultureel bezig te zijn, omdat de Antichrist zich het alleenrecht van cultuur heeft toegeëigend. De grens tussen kerk en wereld is vervaagd.In die laatste dagen is de temperantie van de zonde minimaal. Er is een éénheid bereikt in de zonde. De bijdragen van degenen die van Christus zijn, die wedergeboren zijn, worden niet meer opgemerkt. Alleen de gelovige zal nog in staat zijn om in de cultuur de sporen van het paradijs te ontdekken. Degenen die bij de antichrist horen kunnen en willen dat niet meer zien. In het laatste der dagen zal er alleen maar stukwerk zijn, fragmenten, een afgeknotte pyramide. De gelovige ziet daarin het oordeel over de wereld en weet dat Babel eens door God vervangen zal worden door het nieuwe Jeruzalem. De gelovige weet: echte bijdrage kan alleen vanuit de mystieke unie van Christus. De bijdrage van een wedergeborene is cultureel altijd waardevoller dan welke andere culturele bijdrage dan ook.

Consequenties voor de culturele opstelling:
(1) Over cultuur kan niet meer gesproken worden, omdat met de zondeval de eenheid verbroken is. Daarom blijft elke cultuur in het interim fragmentarisch. Alleen in Christus wordt die eenheid hersteld.
(2) Elke culturele opstelling die de eenheid buiten Christus zoekt is een bedreiging. Een van de grootste bedreigingen is het pantheïsme: God als onderdeel van de ontwikkeling in de schepping en niet daarboven. (In feite ziet Schilder bij bijna al zijn opponenten – tot in het Barthianisme toe – dit pantheïsme opduiken.) Gelovigen hebben de taak om in deze sunousia (het samenzijn van gelovigen en ongelovigen) koinoonia (gemeenschap van gelovigen met Christus) te stichten.
(3) Het afzien van een bijdrage aan de cultuur is zonde. Culturele onthouding is Christus-verzaking. Doordat ongelovigen hun culturele plicht niet nakomen, ligt de plicht onevenredig zwaar bij gelovigen. Vanwege die onevenredige verdeling stellen de culturele uitingen van christenen niet altijd wat voor.
(4) De gedachte van gemeene gratie botst volgens Schilder op het gereformeerde geloof. Daarom is de gedachte van gemeene gratie geen antwoord op de vraag naar Christus en cultuur of van de bijdrage van de gelovige in de cultuur.
(5) Christus brengt alles samen (Efeze 1:10). In de verhoogde Heiland voert God het regiment over deze wereld, ten zegen en ten oordeel. Na het interim van het Duizendjarig Rijk en de tijd van de Antichrist komt de voltooiing van de geschiedenis. Omdat Christus het hoofd van de kerk is, is de kerk de meest relevante bijdrage aan de cultuur.
(6) In Christus krijgt ook de persoon die de culturele bijdrage levert waarde. Zowel de geboden als het heil is op het individu gericht. Alleen degene die op Christus is gericht behoudt in een tijd waarin de cultuur van Babel een zuigende werking heeft de persoon zijn eigenheid. Deze persoon wordt niet geroepen om weg te trekken uit de sunousia. Babel en de sunousia vallen niet samen. Daarom is de opdracht om uit Babel weg te trekken niet hetzelfde als de culturele arbeid te staken.
(7) De christen dient uit te gaan van de opdracht die meegegeven werd in het werkverbond. De belangrijkste bijdrage is om medewerker van God te zijn, midden in de sunousia ambtsdrager. De hoogste culturele bijdrage is daarom niet wat de kunstwereld voor norm aanhoudt. Het gewone alledaagse werk, gedaan als roeping vanwege het werkverbond, is van veel groter culturele waarde.

Evaluatie
Als theologische theorie vind ik Schilders visie erg waardevol. Vooral de robuuste theologie en zijn visie op de komst van Christus als redding én oordeel die zich in de tijd voltrekt scherpt mijn gedachten. Vooral de waardering van Schilder voor het gewone leven en de waardering voor het dagelijks werk waarin de mens medewerker van God mag zijn is in mijn ogen een heel waardevol inzicht.
Het zwakke punt van het betoog is de praktijk: het vraagt veel geloof en sterke retoriek om van culturele uitingen van niet-gelovigen te zeggen dat wat gelovigen doen waardevoller is.
Mij overtuigt de visie van Schilder niet. De gedachte van algemene genade helpt mij meer om de bijdrage van niet-gelovigen te kunnen waarderen.
Een nadeel is ook dat Schilder wel heel snel culturele uitingen en filosofische of theologische stemmen die anders zijn wel heel snel schaart onder de noemer pantheïsme en daarmee een bedreiging zijn voor de kerk en de gelovige. Een kwetsbaar punt is ook de positie van de gelovige of de wedergeboren. In de tijd waarin Schilder actief was, was er binnen en buiten de Gereformeerde Kerken niet voor niets een langlopende, intense discussie over wie nu wedergeborenen genoemd mogen worden.

N.a.v. Klaas Schilder, Christus en cultuur. Zesde druk, van verklarende aantekeningen voorzien door Prof. Dr. J. Douma (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen, 1988)