Gespreksvragen over opnieuw geboren worden

Gespreksvragen over opnieuw geboren worden
N.a.v. Annie Berents – Karkdijk, Ja kom binnen Heer (p. 4-20)

Wedergeboorte: vraag 1-3
Ja, kom binnen Heer: vraag 4-7
De kamer: 8-10

  1. Opnieuw geboren worden heeft te maken met opnieuw beginnen. Wat zou u anders doen als u opnieuw mocht beginnen? Wat heeft God met dat opnieuw beginnen te maken?
  2. Van Nicodemus kun je zeggen: Hij verlangt naar Gods aanwezigheid in zijn leven. Herkent u dat verlangen? Wat doet u om die aanwezigheid te vinden (te ervaren)?
  3. p. 10: Mijn leven heeft eeuwigheidswaarde gekregen. Wat betekent dat voor het leven na dit leven? En voor het leven hier op aarde?
  4. Hoe herken je dat de Heere aan de deur van uw hart staat te kloppen?
  5. Welke reactie had u (of zou u hebben) als Christus bij uw hart aanklopt: verlegenheid, onwennigheid, of ….?
  6. Hoe kun je Hem binnenlaten?
  7. Gaat dat bij mannen anders dan bij vrouwen?
  8. Naar welke kamer of ruimte in uw hart zou Hij het eerst naar toe gaan? Wat treft Hij daar aan? Wat moet daarmee gebeuren?
  9. Wat is er nodig om met Christus in je hart op je gemak te raken?
  10. Bij alles wat je nu doet is Christus erbij. Dat betekent:(a) dat Christus op de troon van uw hart zit en niet meer uw eigen ik, (b) dat Hij de leiding heeft in uw leven. Wat herkent u ervan? Vind u het een fijn idee of juist niet?1001004002014734

Preek zondag 27 oktober 2019

Preek zondag 27 oktober 2019
Reformatieherdenking
Schriftlezing: Romeinen 1:1-17 en 1 Korinthe 15:1-11.

Meer dan 500 jaar geleden wordt een jonge monnik op reis gestuurd.
De abt, de overste van het klooster, stuurt hem naar Rome
om de paus in Rome een conflict binnen de kloosterorde in Duitsland op te laten lossen.
Deze monnik, Maarten Luther, draagt niet alleen de brief van zijn abt met zich mee,
maar onzichtbaar in zijn hart draagt hij nog iets anders mee,
een zwaar gevoel dat het tussen hem en God niet goed zit.
Enkele jaren ervoor was hij tijdens een onweersbui overvallen
en had toen een belofte afgelegd dat als hij bewaard zou blijven in het klooster zou gaan.
Die belofte om het klooster in te gaan had hij gehouden.
In het klooster vond hij echter niet de rust die hij zocht, de rust voor zijn hart.
Vol onrust sprak zijn hart in hem: ‘Het zit niet goed tussen jou en God.
Als je nu zult sterven, zul je verloren gaan, voor eeuwig verloren gaan.’
Wat hij ook probeerde in het klooster, door zichzelf te vernederen,
door veel te vasten en te bidden, door hard binnen het klooster te werken,
nergens kon hij die rust vinden die zijn ziel nodig had.
Nu hij op reis gegaan was naar Rome, de meest heilige plek die er dan op aarde was,
kon hij proberen om daar een goed geweten te krijgen,
de geruststelling dat tussen hem en God in orde was gemaakt.
Op zijn blote knieën beklimt hij de Heilige Trap, om door de pijn die hem dat doet
boete te doen voor de zonden die als een last op hem drukken.
Ook deze boetedoening helpt Luther niet.
Na enige tijd als Luther weer terug is uit Rome wordt hij aangesteld
als professor: hij moet studenten lesgeven uit de Bijbel.
Als hij een lessenreeks voorbereidt over de brief van Paulus aan de Romeinen
doet hij een ontdekking die zijn leven op zijn kop zet:
Als mens kun je het niet zelf voor elkaar krijgen dat het weer goed komt met God.
Je bent als zondaar niet in staat om je zonden te compenseren of goed te maken,
zelfs niet door jezelf enorm te pijnigen, of jezelf hard aan te pakken,
door hard te werken om bij God alsnog weer in een goed blaadje te komen.
Daarvoor is de zonde te aangrijpend, teveel een aantasting van Gods eer.
Het kan wel goed komen, doordat de Heere dat uitspreekt over je leven,
als een oordeel door een rechter over je leven geveld
en dan niet zomaar door een rechter, maar door de hoogste Rechter die er is,
die eens het laatste oordeel over ons leven zal uitspreken.
Het bijzondere van deze rechter is dat Hij vrijspraak geeft,
Een oordeel dat het weer goed zit tussen mij en God,
omdat deze Rechter zelf de straf heeft gedragen.
Luther ontdekte dat tijdens het lezen in de Romeinenbrief,
toen hij bezig was met het eerste hoofdstuk, waar hij las over de gerechtigheid van God.
Gerechtigheid is dat het weer helemaal goed zit,
dat de vertrouwensbreuk is geheeld, dat de zonden en de fouten die ik als mens deed
zijn rechtgezet en dat er niets meer tussen mij en God in staat
en we weer bij elkaar kunnen horen.
Luther dacht altijd dat die gerechtigheid – dus dat het weer goed zat tussen mij en God –
door onszelf moest worden hersteld.
Hij ontdekt dat Paulus echter iets anders bedoelde: ik maak het niet goed,
maar God maakt het goed.
Ik kan alleen maar geloven en geloven is alleen maar ontvangen:
de open handen ophouden, zodat God die kan vullen.
Het is genade en genade betekent niets anders dan dat die gerechtigheid,
het oordeel waarin God zegt dat het goed is en dat onze schuld weg is,
een geschenk van God is, dat God geeft aan ons.
Dat geschenk kunnen wij niet kopen, niet verdienen, ook niet door onze prestaties,
alleen maar ontvangen in geloof.

Het is niet voor niets, denk ik, dat Luther zich zo in Paulus herkende.
Hij zich in Paulus iemand die net als hij worstelde met schuld.
En dan niet een schuld naar medemensen toe, maar schuld naar God toe.
In de brief aan de Korinthe schrijft hij dat hij niet trots op zichzelf kan zijn
en dat hij zijn positie als apostel niet heeft verdiend door zo geweldig te presteren.
Integendeel, hoezeer het aan de buitenkant erop leek dat hij heel gelovig was
en hoezeer hijzelf ook dacht dat hij met zijn manier van leven God diende,
had hij God buiten zijn leven geplaatst, God buiten zijn hart gesloten
en zijn houding naar God toe werd gekenmerkt door puur wantrouwen.
Wat hij niet door had, was dat hij zich verzette tegen God
en van de Heere zijn vijand had gemaakt.
Als een rebel in opstand leefde tegen de God die Hem geschapen had.
En dan verschijnt Christus als Opgestane, de Heer die de dood overwon, aan hem, Paulus!
Aan hem, Paulus, die niets van die Jezus moest weten
en zijn volgelingen met alle mogelijke inzet vervolgde
omdat hij dacht dat hij daarmee God een goede dienst bewees.
Aan hem, die het werk van God op aarde wilde verwoesten,
die als een brullende leeuw tekeer ging, tegen de kerk van God op aarde,
verscheen Christus.
In die ontmoeting besefte Paulus wie hij was en hoe het ervoor stond met God.
Dat wat hij deed, helemaal geen dienst aan God was,
maar dat hij zich verzette tegen God en zijn hart voor hem had afgesloten.
Een ontijdig geborene noemt Paulus zich – NBV: een misbaksel.
Dat kan zijn dat de tegenstanders van Paulus in de kerk hem zo noemden
als ze het over Paulus had: Paulus was een gevaarlijk monster,
een tegenstander van God een middel in hand van de duivel.
Paulus kon je toen niet vertrouwen en kun je nog steeds niet vertrouwen
al doet hij of hij apostel is en het evangelie over Christus vertelt.
Het kan zijn dat Paulus daarmee bedoelde
dat Christus zo onverwacht in zijn leven is gekomen
dat Paulus het niet heeft zien aankomen.
Overrompeld door de komst van Christus in zijn leven
en dat zijn leven niet meer hetzelfde is als voorheen.
Mogelijk ook – het is niet helemaal duidelijk – dat Paulus hier doelt
op een baby die te vroeg geboren is en het daardoor niet overleefd heeft.
Dat hij zich in de periode van verzet tegen Christus zo ziet
en dat hij door de komst van Christus in zijn leven weer tot leven kwam,
Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ’t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Dood – dat is een vrij scherp beeld en het past bij wat Paulus hier zegt.
Ik was dood zonder Jezus en ik leef alleen omdat de Opgestane, de levende
naar mij toekwam en zich liet zien,
liet zien dat Hij de dood had overwonnen, echt ook Gods Zoon was.
Paulus spreekt hier niet alleen over de opstanding,
maar ook over wat er daarvoor gebeurde: dat Jezus in het graf werd gelegd,
dat Hij echt de dood is ingegaan.
En dat daarmee de opstanding echt een bijzonder gebeuren is,
een daad van God, een overwinning van onze Heere op de dood.
En het gaat Paulus ook om wat ervoor gebeurde:
Dat Jezus stierf aan het kruis voor onze zonden, zoals in de Schriften staat.
Christus, die door Paulus werd tegengewerkt, van wie Paulus niets moest hebben,
kwam Paulus vertellen dat Hij, Christus, voor Paulus aan het kruis was gegaan
en dat daar aan het kruis ook zijn zonden zijn weggedragen.
Dat daar aan het kruis het oordeel van God werd gedragen
door de gekruisigde Christus.
In die verschijning van Christus aan de grootste tegenstander,
de minste van de apostelen, die helemaal geen enkel recht heeft om apostel te zijn.

Dat kan Paulus wel over zichzelf zeggen, maar als je eens naar die anderen kijkt:
Petrus (Kefas, zoals hij hier genoemd wordt).
Kan hij vooraan in de rij staan van de apostelen en zeggen:
Ik ben zo’n geweldige apostel, want ik heb Jezus gevolgd tijdens zijn reizen.
Ik ben met hem meegeweest naar Jeruzalem en heb daar Zijn lijden en sterven gezien.
Ik had ook gezegd dat ik Hem tot in de dood zou volgen.
Nee, in de verschijning van Petrus komt dezelfde genade naar voren, die Paulus ontving:
Gods geschenk, waarbij Gód het weer goedmaakte,
verklaarde dat de schuld weg is, omdat Christus die door Petrus werd verloochend
aan het kruis ook de zonde van de verloochening heeft gedragen
en dat Christus bij Petrus kwam om dat te zeggen, dat verkondigen
en om te vragen om geloof: Geloof je Mij, Petrus, dat Ik ook voor jou stierf
en dat die schuld van verloochening,
die grote zonde waardoor Ik je voor altijd had kunnen wegsturen bij Mij vandaan,
maar Ik doe het niet. Ik kom je opzoeken en je weer bij Mij terug te brengen
en als je in Mij gelooft, dan is je schuld weg en is het weer goed met God.

En de twaalf dan – even afgezien van de vraag of hier Matthias bij gerekend moet worden.
Waar waren zij op het moment dat Jezus werd opgepakt?
Waar waren zij toen Jezus werd gekruisigd?
Lieten ze Hem niet allemaal in de steek?
En Jakobus – waarschijnlijk de broer van Jezus.
Deze broer van Jezus heeft niet in Jezus geloofd tijdens Jezus’ leven.
Pas nadat Jezus de dood inging en opstond en naar Jakobus toeging
om Zich aan Jakobus te laten zien, ging deze broer van Jezus geloven.
Welk recht heeft Jakobus om een apostel te zijn
als hij een groot deel van zijn leven niet wilde geloven dat Jezus Gods Zoon was
en pas ging geloven nadat hij Jezus als de Opgestane mocht zien.
Is dat niet eveneens genade?

En nu wijzelf: hoe zit het met ons? Met u, met jou, met mij?
Geldt wat voor Paulus geldt, en voor Petrus, en voor Jakobus
ook niet voor ons,
dat als wij geloven het alleen maar een geschenk is
omdat Christus in ons leven gekomen is.
Dat het alleen maar genade is als we geloven?
Maar dan ook even verder:
Want stel dat Christus niet gekomen was in jouw leven,
of als u niet zou geloven – misschien doe je dat ook wel niet
en is Christus nog niet in je leven gekomen – wat dan?
Wat dan als je voor God moet verschijnen en Hij een oordeel over je leven velt.
Als je wilt weten waar de Reformatie, de Hervorming van de kerk
met namen van Luther, Zwingli, Calvijn en zoveel anderen om gaat,
dan is dat wel een van de belangrijkste vragen geweest:
Hoe krijg ik een genadig God? Wanneer velt God over mij een genadig oordeel
als ik voor Hem verschijn en laat Hij mij binnen in Zijn koninkrijk?
Hoe kan ik voorkomen dat ik verloren ga?
Of anders gezegd: wanneer zal God anders besluiten en mij niet verloren laten gaan?
Van nature ben ik geneigd om God en mijn naaste te haten,
zegt de Heidelbergse Catechismus.
Daarmee bedoelt de Catechismus niet dat God ons zo geschapen heeft
in dat verzet tegen Hem, zelfs het haten van Hem.
Maar dat wij daar nog in leven, in die haat, als Christus nog niet gekomen is in ons leven.
De ontdekking van de Reformatie was,
dat wij allemaal dezelfde schuld hebben, als Paulus had, als Petrus had, als Jakobus had.
En dat niemand vanuit zichzelf kan zeggen: Ik kan uit mijzelf bij God komen.
Ik kan voor Hem verschijnen en het zelf weer goed maken, alle schuld bijleggen,
Ik kan zelf wel het wantrouwen en ongeloof uit mij aan de kant schuiven
en mij het geloof en vertrouwen geven waar God recht op heeft.
Nee, het kan alleen gegeven worden
en als het gegeven wordt, dan is het een groot geschenk,
zo’n groot geschenk dat je opgewekt wordt uit de dood, dat je van dood levend wordt
Een geschenk dat God wil geven, zonder dat wij van tevoren prestaties moeten afleveren,
vanuit onze eigen kracht onszelf omhoog werken, buiten de zonde stappen.
Dat kunnen we niet.
We kunnen alleen maar gered worden.
En dat wil God doen. Met u, met jou, met mij.
Door dat kruis dat op Golgotha stond.
U hoeft het alleen maar aan te nemen, te geloven,
dankbaar te zijn dat God u dit geschenk wil geven,
en dat ik in ruil voor het geschenk dat Hij mij geeft
aan Hem mijn oude leven mag geven, mijn schuld, mijn zonden
en dat die door Christus reeds zijn weggedragen aan het kruis.
Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ’t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Amen

De plek van ellendekennis op de geloofsweg

De plek van ellendekennis op de geloofsweg.
(In gesprek met de theologie van de Gereformeerde Gemeenten)

In zijn commentaar op de Heidelbergse Catechismus stelt Klaas Schilder bij zondag 2 dat de kennis van ellende niet mogelijk is zonder geloof. Hij zegt het daar in zijn commentaar als kritiek op Remonstranten en op bepaalde vooraanstaande personen uit de GKN van zijn tijd (prof. dr. V. Hepp, dr. P. Prins), die uitgaan van algemene Godskennis buiten het geloof om. Bij mensen die niet geloven zou er ook een bepaald besef zijn van onze vervreemding van God. Volgens Schilder is dat echter niet mogelijk. Die vervreemding, die er wel degelijk is, wordt pas erkend als iemand is gaan geloven.

Bij het lezen van die passage moest ik denken aan de Gereformeerde Gemeenten. Naar mijn idee gaat men daar uit van een fase van de kennis van onze ellende, die voorafgaat aan het geloof. Dan zou de theologie van de Gereformeerde Gemeenten in een bepaald opzicht dicht tegen de Remonstrantse theologie aanzitten. Dat wordt soms wel gezegd: dat de uitersten elkaar raken. Maar klopt mijn indruk van de theologie van de Gereformeerde Gemeenten wel? Ik besloot het op Twitter na te vragen.

Daaruit kreeg ik eigenlijk twee soorten antwoorden. Voor de een klopte het inderdaad dat de kennis van onze ellende voorafgaat aan het geloof. Wanneer je genoeg onder de indruk bent van de ellende is op er op een keer een moment dat de balans van ongeloof naar geloof omslaat. Anderen gaven echter aan, dat de kennis van de ellende wel degelijk onderdeel uitmaakt van het geloof. Afscheid nemen van de zonde, inzien hoe erg de zonde is, zou dan een eerste stap zijn in de weg van geloof. Mij werd ook verteld dat dit verschil in het plaatsen van de kennis van de ellende in de weg van geloof het onderscheid uitmaakt tussen de Gereformeerde Gemeenten en andere reformatorische kerken.

Een ander inzicht dat ik opdeed, was dat er onderscheid gemaakt wordt in kennis van God en in kennis van Christus. Wanneer iemand nog niet tot geloof gekomen is, is er wel kennis over God. Dat is dan alleen kennis over God-in-het-algemeen, de onbekende God. Dat is nog niet de Verbondsgod, nog geen kennis over Christus. Dat bracht mij in verwarring: wordt er onderscheid gemaakt tussen God en Christus? Na wat overwegingen begreep ik, dat het hier niet om een verschil in wezen gaat, maar om een verschil in kennen. In de fase waarin iemand nog niet gelooft, kan hij wel allerlei indrukken van God hebben, maar omdat hij nog niet gelooft, is het geen echte kennis over God. Echte kennis kan alleen komen uit geloof, uit een levende relatie met Christus.

Nu gaat het bij verschil in opvattingen tussen kerken vaak om wezenlijke vragen, die voor alle gelovigen van belang zijn. Dat het om zulke wezenlijke vragen gaat, wordt niet altijd duidelijk omdat het verschil vaak in polemiek wordt uitgevochten zonder uit te leggen om welke wezenlijke vraag het gaat. In de polemiek ligt men overhoop vanwege het antwoord dat gegeven wordt en de consequenties voor het preken en gemeentezijn die vaak heel zichtbaar kunnen zijn. Om een discussie te begrijpen is het van belang om helder te hebben welke vraag hier ten grondslag ligt. Het duurde voor mij ook wel even voor ik helder had om welke wezenlijke vraag het gaat.

Naar mijn idee gaat het hier om enkele wezenlijke vragen, die niet alleen binnen de reformatorische kerken spelen. Ik kwam op de volgende vragen: (1) Wanneer is het moment dat je als gelovige ‘omgaat’ van ongelovige naar gelovige? (2) Wat is voor een gelovige nodig om ‘om te gaan’? (3) Wanneer komt in het proces van overgaan van ongeloof naar geloof de mens in beeld? (4) Welke kennis over God heeft iemand in de fase waarin hij nog niet gelooft en wat verschilt die kennis met de kennis van wanneer iemand wel is gaan geloven?

Het is duidelijk dat de kennis over God (4) verschilt wanneer iemand nog niet gelooft van iemand die wel gelooft. Wie niet gelooft, kan God niet vertrouwen. De zonde zorgt voor wantrouwen. Wanneer iemand met wantrouwen naar een ander kijkt, is de kennis over de ander altijd gekleurd. Schilder zegt steeds: als iemand in zonde ligt, houdt hij de kennis over de eigen ellende en over wie God werkelijk is eronder. Diegene duwt de kennis over God weg om niet te hoeven geloven.

De overgang van ongeloof naar geloof is een wezenlijke (1). Het is niet minder dan de overgang van dood naar leven, van verloren zijn naar behouden worden. Voor veel mensen in de reformatorische kerken is die overgang ongrijpbaar, omdat er allerlei barrières opgeworpen zijn. Die barrières zijn er om je niet te vergissen en je niet rijk te rekenen. Om niet te denken dat je behouden zult worden, terwijl je nog in verloren staat bent. Een van die barrières is, dat in dit proces de mens er nergens aan te pas komt. Wanneer de mens er wel aan te pas zou komen, zou dat geen stand houden. Alleen als de hele weg Gods werk is, kan iemand gered worden.

Daarmee blijft de overgang iets schimmigs hebben. Bekering is eigenlijk een onmogelijkheid aan menselijke kant. Bekering gebeurt echter wel, omdat God iemand bekeert. Die onmogelijkheid wordt naar mijn idee ook breder dan de Gereformeerde Gemeenten gedeeld. Ook in de kerk waar ik opgroeide was bekering aan mensenkant onmogelijk. Dat bekering mogelijk was, kwam omdat God werkte. Hij zorgde ervoor dat een mens overstag gaat. Alleen moet een mens dat wel eigen maken, toe-eigenen (3). In de praktijk is het voor kerkgangers van belang om te weten, wanneer ze mogen zeggen dat ze geloven, dat ze van Christus zijn. Of nog een stapje eerder: dat ze de genade mogen aannemen? Daar verschillen kerken juist weer in.

In de kerk waarin ik opgroeide, kwam door de toe-eigening de mens in beeld. Dat had in de praktijk ook een voordeel, omdat je als kerkganger wist wanneer jijzelf aan de beurt was om iets te doen. Omdat dat bij andere kerken minder het geval is, krijgt bekering iets mysterieus. In de praktijk gaat het dan om een zo’n ingrijpende ervaring, dat je als mens weet dat je niet meer terug kunt. Dat gemeenteleden zo’n overgang van ongeloof naar geloof (of misschien meer van geloven naar durven accepteren dat je gelovig mag zijn) niet goed helder hebben, merk ik in de gemeente ook. Vaak gaan mensen een stap in geloof maken na een ingrijpende gebeurtenis, zoals een ervaring van overlijden of ziekte. Dat is echter gevaarlijk, omdat de overgang niet gekoppeld wordt aan de beloften van God of aan de Bijbel, maar aan de eigen ervaring.

Nu gaf ik aan dat het om wezenlijke vragen te maken heeft die voor iedere gelovige van belang zijn. De theologie van de Gereformeerde Gemeenten heeft iets kritisch naar allerlei ervaringen, die mensen dan weer duiden als ervaring van God: een zonneschijn, een regenboog, een vlinder die fladdert, een rustig gevoel dat over je komt, het gevoel gedragen te worden. Vanuit de theologie van de Gereformeerde Gemeenten bedenk ik nu: heb je dan echt met God te maken in die ervaringen? En is die kennis genoeg om zalig te worden of is er meer nodig?

Naar de Gereformeerde Gemeenten toe zou mijn vraag zijn: is de ene ervaring, die wellicht terecht bekritiseerd wordt omdat de link met de kennis die zaligmaakt niet helder is, niet ingeruild voor een andersoortige ervaring? Is het niet juist de beleving hier die op een dwaalspoor brengt en in plaats van iemand bij God te brengen om de zaligheid te ontvangen achter laat in een mistig gebied, waarin iemand de weg naar God niet kan vinden en daarmee de zaligheid dreigt mis te lopen?

Kerkelijk pionieren en jongerenwerk -2

Kerkelijk pionieren en jongerenwerk -2

Jongerenwerk doordenken vanuit de ervaring van Fresh Expressions of Church (in het Nederlands: kerkelijk pionieren) betekent: je onderdompelen in de leefwereld van jongeren, om daar permanent te blijven en dan te ontdekken wat het evangelie in een nieuwe context betekent. De theologische notie daarbij is de menswording van Christus: in Christus dompelde God zich onder in een specifieke cultuur.
Methode

Cultuur bestaat uit lagen:
(a) Materiële cultuur
(b) Sociale cultuur
(c) Normen en waarden
(d) Levensbeschouwing

Kerkelijk pionieren betekent een leren kennen op alle niveau’s. Daarbij wordt er volgens een bepaalde methode gewerkt, waarbij de volgende stappen worden gevolgd met de volgende stappen:
(1) dubbel luisteren: naar de cultuur en naar het evangelie
(2) vol liefde dienen en het goede doen
(3) opbouwen van gemeenschap
(4) oefenen van navolging
(5) opnieuw beginnen.

Dubbel luisteren
De eerste stap in deze methode is: dubbel luisteren. Want het gaat om luisteren naar zowel de cultuur als naar het evangelie. Dubbel luisteren bestaat overigens uit luisteren naar 4 zijden (ook wel “luisteren 360 graden” genoemd):
(a) naar de context
(b) lezen in de Bijbel en gebed
(c) luisteren naar de ervaringen van plaatselijke gemeenten die er reeds zijn en mensen in de buurt die het project een warm hart toedragen
(d) naar het geheel van de kerk en kerkelijke traditie: we moeten niet doen alsof alles nieuw is. 

Niemand kan geheel onbevoordeeld luisteren. Het luisteren zelf is al gestempeld door denkkaders, verwachtingen, theologische uitgangspunten en een wereldbeeld. In het luisteren klinkt achtergrondgeluid mee dat socio-cultureel is bepaald.

Teamverband
Daarom verdient het aanbeveling om in teamverband te ‘luisteren’:
– Verschil in team leidt tot nieuwe en onverwachte inzichten.
– Werken in teamverband veronderstelt bereidheid tot gesprek en andere inzichten.
– Werken in teamverband stimuleert creativiteit.

Analyse van de context
Een manier van luisteren is een “analyse van de context”:
(1) Zien waar de jongeren zijn, hun verlangens waarnemen.
(2) Zien wat Gods werk in deze plaats is, welke weg Hij gaat, welk plan Hij heeft.
(3) Wat de mogelijkheden en beperkingen zijn van je eigen team.

Op zoek naar Gods aanwezigheid
Wezenlijk onderdeel van kerkelijk pionieren is het op zoek gaan naar Gods aanwezigheid en plan, oa door lezen in de Bijbel en door gebed. Daarmee is kerkelijk pionieren een geestelijke herbezinning op de kern van het eigen geloof.

Het doen van het goede
Tweede stap na het “dubbel luisteren” in de manier van kerkelijk pionieren is: het goede doen. Dit doen van het goede is niet bedoeld om mensen (in dit geval jongeren) onderdeel van de gemeenschap te laten worden (al mag dat wel). Het is een doen voor en vooral ook met hen. Dat doen van het goede kan alleen na als team intensief betrokken te zijn op de doelgroep en met hen en met andere kenners en betrokkenen op de doelgroep in gesprek te zijn.

Dit doen van het goede is theologisch geïnspireerd: in de menswording van Christus. En vanuit de gedachte dat God reeds ergens is voor er een christelijke gemeenschap ontstaat. Bij dit doen van het goede gaat het niet om helpen als zodanig, maar om gelijkwaardige ontmoeting (‘op ooghoogte’). De houding waarmee dit goede nagestreefd wordt is van belang: het gaat niet om het verwennen van jongeren of het als buitenstaander beter weten wat ze nodig hebben. Maar hen helpen om zelf iets van hun leven te kunnen maken.

Gemeenschap
Derde stap voor kerkelijk pionieren is leven in gemeenschap. Ook in deze tijd is er een grote behoefte aan gemeenschap. Dat geldt ook voor jongeren. Maar traditionele vormen als jeugdclub werken bij hen niet meer. Uit onderzoek blijkt dat jongeren geen behoefte hebben om zich af te zetten tegen hun ouders. Integendeel: ze willen juist onderdeel zijn van de gemeenschap waarin ze opgroeien en daarin geborgenheid ervaren. digitalisering helpt hen om in contact met vrienden te blijven. Online in contact blijven is zelfs een van de belangrijkste redenen waarom ze online zo actief zijn.

Sociaal milieu
Welke vorm van gemeenschap gezocht wordt, verschilt per sociaal milieu. Jongeren verkeren het liefst in eigen milieu. Kerkelijk pionieren met jongeren uit verschillende milieus heeft weinig kans van slagen is de ervaring. Jongeren zijn niet meer plaatsgebonden. Wanneer ze naar een jeugdclub gaan, is dat uit eigen interesse of omdat ze door vrienden meegenomen worden. Jongeren die niet zo kerkelijk betrokken komen, komen niet dankzij, maar ondanks het geestelijke aanbod.
Het is de kunst voor een pioniersplek om de relaties met de jongeren zo vorm te geven, dat ze geïnteresseerd raken in het christelijk geloof. Door de relatie met en het beleven van de christelijke gemeenschap kunnen ze nieuwsgierig gemaakt worden.
(wordt vervolgd)

Preek zondag 13 oktober 2019

Preek zondag 13 oktober 2019
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Genesis 28:10-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je vader of moeder wordt, verandert er veel in je leven.
Je ontvangt iets moois uit Gods hand: een zoon of een dochter,
Waar je gelijk al van houdt, waar je zo mee verbonden bent.
Net of je zoon of dochter er altijd is geweest. Niet meer weg te denken.
Dat je het bijzonder zou vinden om een zoon of dochter te ontvangen
had je van te voren wel kunnen bedenken, maar dat je zó gelukkig zou worden?

Als je een kind mag ontvangen, maakt je dat niet alleen heel gelukkig,
maar ook heel verantwoordelijk.
Dit kind, dat je van de Heere hebt gekregen, is van jou afhankelijk.
En jij als vader of moeder hebt de taak om je kind op te voeden.
Kun je dat wel?
Er komt een moment, waarop je zoon of dochter het huis uit zal gaan.
Je wilt er nu vast nog niet aan denken, zo klein als hij of zij is.
Je wilt eerst van je kind genieten, je kind zien opgroeien.
Dat is voor later pas.

Als je vader of moeder wordt, ga je wel over later nadenken is mijn ervaring.
Hoe zal het leven van je kind zijn? In welke tijd groeit het op?
Wat zul je er zelf als vader of moeder van meemaken?

Als je aan ouders vraagt, wat ze van hun kind willen meemaken,
is het antwoord meestal: Ik wil mijn zoon of dochter zien opgroeien.
Totdat hij of zij volwassen is.
Als ik maar kan meemaken dat hij of zij tot haar bestemming komt.
Niet dat je de tijd daarna niet wilt meemaken,
maar dan kunnen ze in ieder geval op eigen benen staan
En zijn ze niet meer van je afhankelijk
En weet je wat er van je kind terecht komt.

Weten wat er van je kind terecht komt: dat is er voor Izaäk en Rebekka niet bij.
Want ze sturen Jakob weg naar het gebied, aar zijn moeder Rebekka vandaan kwam.
Hij gaat terug over de weg die Abram gegaan was naar Kanaän toe,
op het bevel van de Heere.
Jakob gaat de weg, die Eliëzer de knecht eerder was gegaan,
om voor de vader van Jakob een vrouw te zoeken in het land waar Abram vandaan kwam.
Waarom gaat Jakob weg?
Het is niet zijn eigen idee. Zijn vader en moeder sturen hem op pad.
Rebekka stuurt haar zoon, de zoon van wie ze zoveel houdt, naar haar eigen familie,
omdat ze bang is dat Ezau Jakob zou doden.
Izaäk stuurt Jakob niet weg, omdat hij bang is dat Ezau hem zou doden
zodra Izaäk overleden zou zijn.
Izaäk stuurt Jakob weg, omdat hij bang is dat Jakob net als Ezau
een vrouw zou kiezen hier uit de buurt, een vrouw uit de Kanaänieten.
Blijkbaar zijn de ogen van Izaäk opengegaan voor dat de keuze die Ezau maakte,
geen goede keuze is geweest.
(Het hoofdstuk waarin Izaäk Jakob zegent, terwijl hij Ezau had willen zegenen,
heb ik overgeslagen, omdat ik het niet voor elkaar zou krijgen
een preek te maken in een doopdienst.
Ik ben wel met dat hoofdstuk bezig geweest.
Ik ontdekte de Joodse uitleg, die aangaf dat Izaäk blind geworden was,
omdat hij zo graag keek naar zijn zoon Ezau die steeds verkeerde keuzes maakte,
blindgeworden door de zonde van zijn zoon Ezau door de vingers te zien.)
Nu zijn Izaäk en Rebekka samen in hun besluit om Jakob weg te sturen,
Ze konden het nooit eens worden in de voorkeur voor hun zonen
en konden elkaar tegenwerken, maar nu zijn ze een.
Daar gaat Jakob.
Nu moet hij zijn eigen weg gaan, zonder dat hij weet of hij ooit nog bij zijn ouders terugkomt.
Hij heeft de zegen ontvangen en daarmee de belofte van God dat dit land van hem is.
Nu Jakob gaat, is daar weinig van over.
Veel heeft hij niet bij zich. Alleen gaat hij op pad.
Een eenzame reiziger, die zijn eigen weg moet gaan, zijn eigen bestemming moet vinden.
Een vluchteling misschien zelfs, die er gauw vandoor moet gaan, om zijn leven te redden.
Zo moeten zijn ouders hem laten gaan, zonder dat ze weten of ze hem nog eens zullen zien.
Daar gaat Jakob, een reis vol onzekerheid, zonder te weten wat hem brengt.
De eindbestemming weet hij wel, maar de weg is vol gevaren.
Zal hij komen op de plaats waar zijn ouders hem naar toe gestuurd hebben?

Gaat hij wel alleen? Als gelovigen zullen we toch zeggen dat de Heere meegaat
op de reis die hij gaat afleggen?
Zijn vader heeft hem toch gezegend voor hij weg ging.

De Heer zij voor u om u de juiste weg te wijzen.
De Heer zij achter u om u in de armen te sluiten en om u te beschermen tegen gevaar.
De Heer zij onder u om u op te vangen wanneer u dreigt te vallen. 

de Heer zij in u om u te troosten als u verdriet hebt. 

Hij omgeve u als een beschermende muur wanneer anderen over u heen vallen. 

De Heer zij boven u om u te zegenen.
Zo zegene u God vandaag morgen en in eeuwigheid.

De zegen is in het Oude Testament altijd meer dan een goede wens,
zo’n wens die je als ouders ook kunt hebben voor je kind:
Ik hoop dat mijn zoon of dochter gelukkig wordt, een goed, fijn leven heeft.
De zegen is meer dan zo’n wens.
Met de zegen vertrouw je iemand toe in Gods handen.
Je brengt iemand voor de Heere en zegt: neemt U de zorg voor Uw rekening!
Dat zullen jullie vanmorgen ook tegen de Heere zeggen als het om je kind gaat.
Alleen als we in die verhalen over Jakob lezen tot nu toe,
horen we niet zoveel over wat de Heere doet.
We denken vaak dat de mensen in de Bijbel elke dag Gods stem hoorden,
maar in het leven van Jakob was God aanwezig zoals bij ons.
Je weet dat Hij er is, er zijn momenten dat je Hem ervaart
op momenten van geluk, zoals wanneer je kind geboren wordt, of gedoopt wordt,
of op moeilijke momenten, wanneer je ervaart dat je gedragen wordt.
Jakob moet dat in geloof aannemen, zoals wij dat ook moeten doen,
omdat we over Hem gehoord, omdat je bij anderen en bij jezelf gezien hebt
dat God werkt, maar zonder God gezien te hebben.
Zo moet Jakob gaan, in het geloof dat God meegaat,
door de zegen van zijn vader aan de bescherming van God is opgedragen.

Na een dag reizen gaat de zon onder.
Dat is meer dan alleen een aanduiding van tijd, dat de dag bijna voorbij is.
Het zegt ook iets over hoe het leven van Jakob gaat verlopen.
Dat de zon in zijn leven ontbreekt, dat de tijd dat hij weg is uit het land,
doorbrengt in één lange nacht.
Want pas bij terugkeer in het door God beloofde land wordt verteld dat de zon weer opkomt.
Het is een grote, onzekere tijd voor Jakob, waarbij hij niet weet of God er zal zijn.
Zo legt Jakob zich te slapen als eenzame reiziger in het open veld,
waarbij hij zomaar overvallen kan worden door rovers of wilde dieren.
Misschien heeft hij toen hij daar in slaap viel, met een steen onder zijn hoofd,
wel gedacht aan de tijd dat hij een klein kind was en door zijn moeder ingestopt werd,
waarbij zijn moeder een gebedje voor hem zong:
Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide oogjes toe,
Heere houdt ook deze nacht, over mij getrouw de wacht.
Op bepaalde kritieke momenten in je leven kan zo boven komen
wat je als kind van je ouders hebt geleerd, zoals je in de nacht toevertrouwen aan God.
Ook dat weten we trouwens niet of hij gebeden heeft.
Het kan ook zijn dat hij te moe was van het reizen om te bidden en gelijk in slaap viel.

Het wordt wel een bijzondere nacht,
een nacht die hij nooit meer vergeten zal en een nacht die hij nooit meer wil vergeten.
In de Bijbel is geloof vaak niet iets dat je komt aanwaaien als het je voor de wind gaat,
maar dat je vindt als je op een dieptepunt bent aangekomen, op een nulpunt,
Als je zelf niet verder kunt.
Dat je dan geloof vindt, onverwachts. Of nog beter: dat God jou vindt.
Zo is het ook met Jakob.
Als hij daar slaapt in het open veld, als hij op zijn kwetsbaarst is, gaat de hemel open.
Deze plaats is een poort naar de hemel, zal Jakob later zeggen.
Het gebeurt in een droom, maar voor Jakob zo echt dat hij God zelf ontmoet in die droom.
Hij ziet een ladder, of een grote brede trap die uit de hemel naar de aarde wordt geschoven
En op die ladder gaan de engelen van boven naar beneden.
Het moet wel een heel bijzonder moment voor Jakob zijn geweest,
Een intens, een heilig moment,
waarop je alleen maar verbaasd kunt zijn dat je dit mag meemaken.
Of sterker nog, zoals Jakob dat overkomt, dat hij bevreesd is.
Een heilige plek, waar Jakob God zelf krijgt te zien.
Niet helemaal duidelijk waar God staat: of boven aan de trap of op aarde bij Jakob.
Maar wel dat Jakob, die alleen op reis is en al slapend heel kwetsbaar is,
geborgen is in Gods aanwezigheid, veilig in Gods heilige nabijheid.
Dat is ook wat je als ouders in de doop voor je kind op hoopt,
dat je kind zo geborgen is in de aanwezigheid van Vader, Zoon en Heilige Geest
En zo heel het leven door in Gods aanwezigheid mag leven,
Die in de hemel is, maar ook op aarde.
Dat Hij zo over je waakt.
In de afgelopen week hebben we weer hier in ons dorp kunnen merken,
dat hoe nodig we de bescherming van de Heere hebben.
Ik denk dat de ouders hier voor in de kerk en alle ouders in de kerk
een gebed in hun hart hebben, altijd weer, maar in deze weken helemaal:
Heere, bescherm mijn kind en verlies mijn kind nooit uit het oog.
Wij kunnen ons kind maar tot op zekere hoogte beschermen,
maar de geborgenheid die U biedt, de bescherming die U in de doop belooft:
Om als Vader te zorgen, het kwade te weren
en als dat kwade toch komt, dat doen meewerken ten goede.
Geborgen ook in de genade van Christus, die aan het kruis ging.
Geborgen in het werk van de Heilige Geest, die ervoor kan zorgen
Dat we zo in de nabijheid van God zijn, zoals Jakob daar ligt te slapen en zijn droom krijgt.

Je kunt van alles bedenken over de engelen, die op de ladder op en neer gaan.
Hemelse gezanten van God, die uitgezonden worden om Gods kinderen te begeleiden
op de weg die ze door het leven gaan.
In de uitleg wordt ook wel geopperd dat de engelen die in Kanaän zijn
Jakob overdragen aan de engelen die in Mesopotamië werken
En dat die engelen, die als het morgen wordt over Jakob moeten waken
kennis komen maken met het mensenkind dat aan hun hoede is toevertrouwd.

Ik leerde vroeger als kind dat er aan mijn bed een engel stond om over mij te waken.
Soms was dat een wat griezelige gedachte, als er iemand in je kamer staat die je niet ziet.
Soms was het juist ook een hele geruststellende gedachte,
dat er iemand is die je namens de Heere bewaakt
En als ik ‘s nachts wakker was als mijn ouders sliepen hoefde ik dan niet bang te zijn.
De engelen die bij Jakob zijn, zijn alleen maar een bevestiging dat God zelf
zich over Jakob ontfermt,
Jakob die met zijn moeder zelf ervoor zorgde
dat de zegen van God over hem werd uitgesproken.
Jakob die op weg is naar een ander land, waar hij de weg niet weet; de taal wellicht ook niet.
Waar hij maar moet afwachten hoe hij, vreemdeling, zal worden ontvangen.
En of er een weg naar huis voor hem zal zijn, weet hij niet.
Zoals hij ook niet weet of er wel een vrouw zal zijn en kinderen om de zegen door te geven.

Wat Jakob wel mag weten, is dat God meegaat op Zijn weg.
Ik ben met U – dat is nu het kenmerk van onze God,
zoals Hij zich aan Jakob bekend maakte en ook aan ons bekend maakt
en tegen de kinderen zegt die vanmorgen zijn gedoopt: Ik ben met U.
Het is de naam die Jezus ook moet krijgen: Immanuël – God is met jullie.
Je bent niet zonder God. Nooit, op geen enkel moment.
Als je net als Jakob een onbekende toekomst tegemoet gaat
en je niet weet wat je te wachten staat.
We hebben ons leven niet in de hand.
We kunnen onze plannen maken maar hoe ons leven verloopt, dat kan zo heel anders gaan.
Je kunt zo maar door een heel diep dal moeten gaan,
Waarbij je niet weet waarom het je overkomt.
Waarom jij deze weg moet gaan en je niet weet waar je uitkomt.
Eigenlijk zijn we maar heel kwetsbare mensen,
maar wel met een machtig God.
En het bijzondere is dat die machtige God, die hemel en aarde maakte,
Die aan ons en aan de kinderen die geboren zijn het leven gaf, hun leven wilde,
dat die God heel dicht bij ons komt, meegaat op onze weg.
Hoe die ook verloopt.
Dat mogen we geloven, dat hebben we te geloven.
Soms mag je een bijzondere ervaring hebben, zoals Jakob die had,
dat de hemel boven je open ging, juist als je niets meer hebt, als je alles kwijt bent.
En wanneer je zo’n ervaring niet hebt, heb je de verhalen over God,
die vertellen dat Hij er toch is.
Gisteren zag ik een theoloog, iemand die voor zijn beroep veel met de Bijbel bezig is
een kinderboek had geschreven met als titel De maan is rond.
Hij had dat boek geschreven, omdat hij met zijn zoon in het ziekenhuis was geweest
op bezoek bij zijn pas geboren zusje en bij zijn moeder.
Dat pasgeboren zusje overleed echter op dezelfde dag als het geboren werd
en het zoontje vroeg zich af, waarom dat zusje niet mee naar huis ging.
Je zusje is naar de Heere Jezus gegaan, legde zijn vader uit.
Wil mijn zusje dan niet bij ons zijn?
Jawel, zei zijn vader, ze wil heel graag bij ons zijn, maar nog veel liever bij de Heere Jezus.
Het was een heel gesprek dat deze vader had op de weg van het ziekenhuis naar huis.
Opeens vertelde de vader iets over de maan: de maan is altijd rond.
Je ziet niet altijd de ronde maan: soms is de maan een sikkel, dan weer half vol
en een enkele nacht helemaal rond.
Zo, vertelde de vader, is het ook met God.
God is altijd goed, maar je kunt de goedheid van God niet altijd zien.
Al zie je de goedheid van God niet, toch is God wel goed.
Er kunnen nachten zijn, waarin het heel donker is en toch is God goed
en zullen er weer momenten komen, waarop je die goedheid van God weer kunt zien.

Vanmorgen zijn er ook namen voorgelezen van degenen die verkozen zijn
als ouderling, als kerkrentmeester, diaken of jeugdouderling.
De meesten zullen er vast tegen opzien, dat is niet niks.
Ik zou vanmorgen willen zeggen: kijk er niet teveel tegen op.
Je hoeft als ouderling God niet te brengen in een huis,
Want de Heere is er al, zoals Hij bij Jakob stond, die daar in het open veld sliep.
Je hoeft alleen maar als een engel te zijn: te wijzen naar God die er is.
Of misschien helemaal niets zeggen, maar gewoon geloven en uitstralen
dat Hij er is,
al heb je de woorden niet als er iets ergs gebeurd is en kun je alleen maar zwijgen.
Of zoals de vader die steeds met zijn zoontje naar de maan keek,
zo steeds kijken of je de goedheid van God weer ziet.
Niet door het donker weg te praten, maar door te wachten tot God zich weer laat zien.
En samen geloven, dat als het donker is,
de zon als het ware is ondergegaan over iemands leven
dat je weet: er is een open hemel, een ladder naar God, wij zien die ladder nu niet,
maar de hemel is open en in die open hemel kijkt God naar beneden en ziet Hij ons
en zegt Hij, net zoals Hij tegen Jakob zei: Ik ga met je mee.

Ik breng je thuis, zegt God tegen Jakob.
Daar zongen we eerder in de dienst ook over.
Maar dan nog dieper: brengt Hij mij thuis, hoe heerlijk zal dat zijn.
Thuis gebracht worden heeft ook de diepe betekenis
van iemand die de weg met God kwijt was, God uit het oog verloren is,
door God weer gevonden wordt.
De doop geeft aan, dat God zo steeds op zoek is naar iedereen die Hem kwijtgeraakt is.
En zo onverwacht kan komen, dat een plek die heel gewoon lijkt,
een poort naar de hemel kan zijn.
Dat is ons gebed dat het ook met de kinderen die gedoopt zijn mag gebeuren
En met ons allemaal:

Herder, neem uw schaapje aan,
Hoofd, maak het één van uw leden.
Wees zijn weg, wijs het zijn baan.

Gij alleen kunt het behouden.
Schrijf de naam door ons gegeven
in het levensboek ten leven.
Amen

Jakob in Bethel (Genesis 28:10-22)

Jakob in Bethel (Genesis 28:10-22)

Jakob vertrekt vanuit Berseba naar Haran. Hij gaat de omgekeerde route die Abram eerder ging. Grootvader Abram vertrok op Gods bevel uit Haran weg en kwam uiteindelijk in Beseba terecht. Beseba is het zuidelijkste punt van het Beloofde Land (
van Dan tot Berseba).

Vluchteling of pelgrim?
Is Jakob een vluchteling? Daar wijst de moordzucht van Ezau op. Ook de steen die Jakob gebruikt voor zijn hoofd wijst erop dat hij zonder iets mee te nemen wegtrekt. Als vluchteling heeft Jakob geen enkele bescherming meer. Hij valt buiten alle sociale garanties. Is Jakob een pelgrim met een vast doel voor ogen? Volgens Bruce K. Waltke start hier de pelgrimage van Jacob om op een heel eigen manier patriarch te worden.

Omlijst door onmoeting met God
Aan het begin van de weg naar Haran is er een ontmoeting met God. Dan wel in een droom. Ook bij terugkomst is er een ontmoeting met God. De ontmoeting met God omlijst zijn vertrek naar Haran. In de voorafgaande gedeelten is trouwens weinig te merken van Gods directe ingrijpen. Alleen als Rebekka niet zwanger wordt en Izak in haar nabijzijn bidt en als Rebekka de strijd in haar baarmoeder ervaart en er haast aan onderdoor gaat en tot God bidt, is er melding van Gods ingrijpen. De overige gebeurtenissen staan in het kader van Gods verborgen handelen: de ruil van het eerstgeboorterecht voor de zegen en de zegen die Jakob in de plaats van Ezau ontvangt. Omdat God verborgen handelt, weten we niet of Hij het handelen van Jakob goedkeurt of juist afkeurt.
big_25324832
(bron: Hoschentaschenbibel)

De plaats
Jakob komt op een plaats waarvan de naam niet genoemd wordt. Later blijkt het Bethel te zijn. Het blijkt een bijzondere plaats te zijn, waar hij slaapt in de tegenwoordigheid van God en waar hij de belofte van God meekrijgt. In de exegese wordt nogal eens de link gelegd dat Jakob bij zijn vertrek uit het Beloofde Land de aanwezigheid van God toegezegd krijgt op zijn reis buiten dit land. Dat wordt verbonden aan de gedachte dat goden van lokaal karakter hebben. Deze link is overtrokken, omdat Bethel geen grensplaats is. Wel is er de belofte dat Jakob in dit land terugkeert door Gods toedoen en het land krijgt.
Deze plaats, die nu nog geen naam heeft en later Luz blijkt te heten, wordt door de komst getransformeerd in een cruciale plaats: namelijk de plaats waar God Zijn aanwezigheid laat zien en Zijn toezeggingen doet.

1280px-El_sueño_de_Jacob,_por_José_de_Ribera
(José de Ribera)

’s Nachts
Doordat het donker wordt, kan Jakob niet meer verder reizen. De nacht is gevaarlijk en akelig. In de nacht tijdens de slaap is een eenzame reiziger, een eenzame zwerver kwetsbaar. De zon is ondergegaan. Dat de zon opkomt, wordt pas weer bij terugkomst in het Beloofde Land aangegeven. Je zou kunnen zeggen dat heel de reis, die Jakob onderneemt en zijn verblijf in Paddan-Aram, zich in het donker afspeelt. Waltke: Met deze zonsondergang begint Jakobs duistere reis, waarin hoe moet strijden met medemensen en met God.

Giordano_Jacob_31-003_photographer-unknown.jpg
(Luca Giordano – Jacob’s Dream)

Steen
Kenmerk van dit verhaal is dat details niet helder zijn en steeds anders ingevuld kunnen worden. Bijvoorbeeld: bereikt Jakob Bethel toevallig? Stuit hij erop? Of komt hij er gewoon aan? Een ander voorbeeld is de steen. Gebruikt Jakob de steen als kussen? Of heeft de steen een beschermende functie? Slaapt Jakob trouwens in het open veld of heeft hij een beschutte plek? Later wordt de steen rechtop gezet en met olie ingewijd als een herinnering aan Gods aanwezigheid op die plek. Mogelijk zelfs met de gedachte om die steen de kern van een cultus te laten zijn.

jakobs-ladder-kijkbijbel
(Kees de Kort – Kijkbijbel)

Ladder
Op die plek droomt Jakob. Een droom is in Genesis vaker een manier van God om Zich te tonen. Dromen gebeuren in het Oude Nabije Oosten nogal eens op een heilige plaats, waar er een verbinding is tussen hemel en aarde. In zijn droom krijgt Jakob ook iets te zien dat hemel en aarde verbindt. Helemaal duidelijk is het niet wat hij te zien krijgt. Is het een ladder? Is het een brede trap? Is het een soort zikkurat, zoals in het Oude Nabije Oosten vaker werden gebouwd om de aarde met de hemel te verbinden? Wat Jakob in zijn droom te zien krijgt, is het tegenbeeld van de toren die in Babel werd gebouwd. Die toren werd van onderop gebouwd om de hemel te bereiken. Deze trap of ladder wordt vanuit de hemel op de aarde geplaatst.
Michael_Lukas_Leopold_Willmann_001
Michael Willmann – De Jakobsladder (ca. 1691) (in 1945 verloren gegaan)

Engelen
Op die trap gaan de boden van God op en neer. Gaat het om engelen, die de bescherming hebben voor een bepaald gebied, waarbij de engelen van Kanaän Jakob overdragen aan de engelen van Mesopotamië? Zijn het de boden van God die de weg banen waarover God naar Jakob toekomt? Laten de engelen zien dat Jakob op de reis die hij gaat begeleid wordt door de hemelse boodschappers van God?

Aanwezigheid van God
Jakob ziet God zelf. Ook hier is het niet duidelijk wat Jakob te zien krijgt. Staat God bovenaan de ladder? Staat God naast Jakob? Sommige exegeten leggen de nadruk erop, dat het bijzonder is dat God zich toont aan een bedrieger en zien in Gods toezegging aan Jakob om mee te gaan een groter wonder dan de verschijning van God op deze plaats. Het is de eerste keer dat Jakob zelf iets van de Heere verneemt.

Zelfvoorstelling
Zoals vaker wanneer de Heere Zich bekend maakt, begint Hij met een voorstelling van Zichzelf: Ik ben de Heere, de God van je vader Abraham en je vader Izak. Het is de God van (aarts)vaders, die ook de God van het verbond zal zijn. Hij is de soevereine God, die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij is niet de God van dit stukje land alleen, maar van heel de aarde. Overal waar Jakob zijn voet zal zetten, zal Hij God en Heer zijn.

Belofte aan Abraham
Nadat de Heere bekend maakt, WIe Hij is, zet God de belofte aan Abraham verder. De zegen die Jakob van Izaäk heeft ontvangen wordt door God bevestigd. Alleen ligt hij daar. En toch krijgt Jakob te horen dat hij een groot volk zal worden. Weg uit zijn land moet hij en toch krijgt hij te horen dat hij terug zal keren en dat het land aan zijn familie zal toebehoren. God zal Jakob beschermen en Hij zal Jakob niet verlaten.
the-jacob-s-dream-4.jpg!Large
(Marc Chagall – Jakobs Droom, ca. 1963)

Reactie van Jakob
Als Jakob wakker wordt, beseft hij wat er is gebeurd: hij heeft een ontmoeting met God gehad. Eerbied overvalt hem. Hij wist niet dat deze plek een plek was waar God is. Had hij ooit rekening gehouden met God? Hij groeide op met Gods verborgenheid. Wellicht voelde hij zich verantwoordelijk dat zijn familie zorgvuldig met de zegen van God omging en had hij daarom Ezau de zegen afhandig gemaakt. Nu ontmoet hij de God die hij dient. Jakob is trouwens de eerste van de aartsvaders die vrees kent als hij God ontmoet.

Opgerichte steen
Om Gods aanwezigheid op deze plek te markeren richt Jakob een steen op en zalft die steen. Dat is in het licht van de rest van de Bijbel een merkwaardige handeling, omdat deze handeling overeenkomt met de inwijding van heilige stenen die de aanwezigheid van God op een plek markeren. Met de zalving werd zo’n steen een representant van God zelf. In het verhaal is de steen echter een herinnering aan de aanwezigheid van God. We lezen niet dat de steen later het centrum van een cultus wordt en dat de Heere aanbeden wordt door middel van deze steen. Wel zal later een tempel worden gebouwd op deze plaats. Er is echter geen verbinding tussen de instelling van die tempel en dit verhaal. Dat dit verhaal dan de oorsprong van de cultus in Bethel vertelt lijkt me een niet voor de hand liggende uitleg.
Jacob's_Vow_at__Bethel_1178

Gelofte
Voor Jakob vertrekt, legt Jakob een gelofte af, waarin hij herhaalt wat God hem toezegt. Er zijn uitleggers die in die gelofte zien dat Jakob God niet onvoorwaardelijk vertrouwt en Hem eerst voorwaarden stelt. Ook dit lijkt mij overtrokken. Jakob begint klein: met de alledaagse zorg die hij als reiziger nodig heeft, namelijk eten en drinken en kleding. De allereerste levensbehoeften. Daarna komt de wens dat Jakob in vrede mag terugkeren. Pas als laatste spreekt Jakob over thuiskomen met bezit. Mocht Jakob terugkomen met bezittingen, die hij in dat duistere deel van zijn leven heeft ontvangen, zal dat voor een deel gebruikt worden om de herinnering aan Gods aanwezigheid op deze plaats levend te houden.

Vragen bij Mattheüs 5:1-16 (Bijbel in Gewone Taal)

Vragen bij Mattheüs 5:1-16 (Bijbel in Gewone Taal)

  1. Ik ben gelukkig als ik…………………………………..

  2. Kun je ook onecht geluk hebben? Kun je een voorbeeld geven?

  3. Jezus geeft uitleg over Gods nieuwe wereld. In andere vertalingen heet die nieuwe wereld van God het “koninkrijk van God”. Wat weet je over Gods nieuwe wereld / over het koninkrijk van God?

  4. Waarom geeft Jezus uitleg over die nieuwe wereld?

  5. Wat kan het je kosten als je nu al leeft volgens Gods nieuwe wereld? Heb jij dat er voor over?

  6. Als licht zul je opvallen, zegt Jezus. Waarom is dat nodig om op te vallen? Zou jij zo willen opvallen?

thumb
Afbeelding uit de Prentenbijbel van Marijke ten Cate