In de eredienst gevormd voor de samenleving

In de eredienst gevormd voor de samenleving
Recensie van James K.A. Smith – Awaiting the King (2017)

Wat is de plek van christenen in de samenleving? Dat is een vraag die christenen al vanaf de 19e eeuw bezig houdt, toen niet meer het christendom, maar het liberalisme de bepalende factor in de maatschappij werd en de bestuursvorm democratie werd. De vraag werd nog acuter in de afgelopen decennia door de opkomende secularisatie en de toenemende marginalisering van de kerk.

Moet je je als christen afzijdig houden? Moet je je plek bevechten om de maatschappij om de negatieve gevolgen van de seculiere maatschappij tegen te gaan? Moet je daarvoor de politiek gebruiken? Moet je als christen juist positief in deze maatschappij staan? Voor veel christenen is het een zoektocht.
51Jr8BZaqRL._SX331_BO1,204,203,200_

Neocalvinisme
In het werk van de van oorsprong Canadese filosoof James K.A. Smith is die zoektocht te zien. Hij groeide op in een piëtistische gemeenschap, die meer afzijdig stond van de maatschappij. Tijdens het studeren ontdekte hij dat de neocalvinistische traditie, waarin hij opgegroeid was, met Kuyper en Bavinck juist een maatschappelijke betrokkenheid van christenen wilde stimuleren.

hauerwas-stanley-2
Stanley Hauerwas

Hauerwas
Nadat hij kennis maakte met de kritische visie van Stanley Hauerwas ontdekte hij dat zijn neocalvinistische traditie wel heel optimistisch en naïef was in hun houding naar de cultuur toe. Hauerwas is van mening dat de kerk een contrastsamenleving moet vormen vanuit het evangelie. De gelovige leeft wel in deze wereld, maar kan niet volop meedoen, omdat veel facetten in de maatschappij, en zeker in de politiek, botsen met de normen van het evangelie. In een tijd waarin veel evangelicale christenen zich in de VS verbonden aan de conservatieve stroming binnen de Republikeinse partij werd Hauerwas als kritische stem belangrijker.

Smith wilde een boek schrijven waarin hij wilde aangeven hoe zijn eigen neocalvinstische traditie, die optimistisch is over de rol van christenen in de samenleving, gecorrigeerd diende te worden vanuit de gedachten van Hauerwas. Hauerwas heeft er geen bezwaar tegen als christenen in de samenleving actief zijn. Hij wil vooral de kerk a-politiek houden. Wanneer de kerk in aanraking komt met politiek komt er een conflict met de normen van het evangelie.

Toch kon Smith het bij Hauerwas niet helemaal vinden. Smith vond dat Hauerwas, ondanks dat hij pleit voor gelovigen die een contrastsamenleving vormen, geen werkbare visie op de kerk in deze samenleving heeft.

maxresdefault (1)
Oliver O’Donovan

O’Donovan
Bovendien leerde door de Britse theoloog Oliver O’Donovan kennen. O’Donovan is, op basis van zijn studie van Augustinus, veel positiever over de huidige samenleving. Op allerlei manieren wordt onze moderne samenleving nog gestempeld door het christendom. Al willen velen dat niet meer zien, de christelijke wortels blijven onmiskenbaar.

2003spring_augustine_a_giant_out_of_his_time_1280x720
Augustinus
Door O’Donovan leert Smith Augustinus waarderen. Augustinus helpt Smith bij een visie die christenen niet stimuleert om zich terug te trekken van de samenleving en de politiek en zich alleen op de kerk te richten en de samenleving en de politiek alleen aan niet-christenen over te laten. Augustinus beschrijft in zijn boek De stad van God twee steden: een aardse en een hemelse stad. In de visie van Augustinus gaat het om twee samenlevingen, die tegenovergesteld van elkaar zijn en botsen. Het luistert wel nauw hoe deze visie van Augustinus wordt weergegeven.

Nogal eens wordt de visie van Augustinus zo weergegeven dat de stad van God niet van deze wereld is en dat christenen zich daarom niet met de maatschappij en zeker niet met de politiek moeten inlaten. Dat is echter niet wat Augustinus beoogde, volgens Smith. Het gaat om twee botsende visies over hoe een samenleving moet worden ingericht, over wat van burgers verwacht mag worden en wat toekomstige burgers in hun onderwijs en vorming moeten meekrijgen. Deze twee visies concurreren, omdat ze allebei een andere godsdienstige achtergrond hebben, die doorwerkt in de normen voor burgers en de normen voor onderwijs en vorming.

Liberale democratie
Ook al is onze liberale democratie seculier geworden, ze heeft wel een visie op wat van burgers verwacht mag worden en wat voor burgers nodig is. Net als het christendom heeft de liberale democratie daar rituelen voor om burgers te beïnvloeden met die visie en die normen. Daardoor zijn in zekere zin liberale democratie en christendom als concurrenten, omdat de liberale democratie de liberale normen en waarden wil meegeven. Die liberale normen en waarden komen niet altijd overeen met christelijke normen en waarden. De liberale democratie heeft daarom steeds moeite om het onderwijs en de vorming door de christelijke traditie.

Het christendom, en zeker de neocalvinistische traditie, is volgens Smith meer dan de liberale democratie in staat om ruimte te bieden aan andersdenkenden. Het neocalvinisme is ook opgekomen als een beweging die binnen de eenvormigheid van de liberale democratie de eigen stem te laten klinken.

Kritiekloos
Het zwakke punt van het neocalvinisme was, volgens hem, dat men tevreden was als men een plek aan tafel had gekregen. Had men eenmaal een plek aan tafel gekregen, dan liet men het specifieke christelijke geluid achterwege, omdat men teveel onder de indruk was van de seculiere wereld en accepteerde men die kritiekloos. Begonnen als een beweging om het specifiek christelijke geluid te laten horen, eindigde het als een beweging die Christus onbedoeld buiten de politiek hield.

Eigen geluid
Volgens Smith doet de overheid er in een liberale democratie er goed aan om verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen de ruimte geven dat eigen geluid te laten horen. Juist ten dienste van de democratie en de samenleving. Godsdienstige stromingen zijn beter dan het liberalisme in staat om de diversiteit van de multiculturele samenleving recht te doen en zijn beter in staat om tolerantie te waarborgen dan het liberalisme, is de mening van Smith.

De rol van de kerk
De rol van de kerk is om de christenen te vormen voor hun taak in de samenleving. Dat gebeurt onder andere in de eredienst. Die vorming is wel kritisch, omdat in de eredienst de christen belijdt dat Christus Koning is. De christen kijkt uit naar de wederkomst van die Koning. Zolang die Koning nog niet gearriveerd is, is elke samenleving voorlopig en geen enkele regeringsvorm of politiek perfect. Vanuit die relativering van het politieke kan de christen een constructieve bijdrage leveren aan samenleving en politiek.

Correctie van het neocalvinisme
Dat de taak van de kerk is om christenen te vormen ziet Smith als zijn eigen correctie op het neocalvinisme. In de strijd voor de eigen plek in de samenleving vergaten neocalvinisten dat het wezenlijk is hoe de christenen zich in de samenleving gedragen. De kerk is er om christenen te vormen als christenen, met christelijke deugden. Om zo als christen gevormd de plek in te nemen.

James K.A. Smith – Awaiting the King. Reforming Public Theology. Cultural Liturgies 3 (Grand Rapids, Michigan: Baker Academic, 2017).

Als christen toegerust voor een taak in de wereld

Als christen toegerust voor een taak in de wereld
Proefschrift van Marinus de Jong over de visie van Klaas Schilder op kerk & wereld

Hebben christenen nog iets te zoeken in deze samenleving? Of is bijdragen aan de samenleving juist hun opdracht? Voor Klaas Schilder – bekend dan wel berucht van de vrijmaking in 1944, maar ook in vergetelheid geraakt – was dat geen vraag. Zijn visie op kerk, cultuur en maatschappij was onderwerp van promotieonderzoek.

Nederlandse christenen zijn onderdeel van een multireligieuze samenleving: er zijn nog meer religies. Daarnaast is de invloed van het christelijk geloof op de samenleving veel minder groot dan vroeger. Daarom kunnen we ook spreken van een postchristelijke samenleving. 

Dat roept vragen op naar de plek en de rol van de kerk in deze multireligieuze, postchristelijke samenleving: Moet de kerk zich volop inzetten in deze samenleving om zo het christelijk geluid te laten horen of moet de kerk zich juist afzonderen omdat de ontwikkelingen in de samenleving haaks staan op het evangelie? Moeten christenen maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid nemen of brengen ze zich dan in situaties, waarin ze maatregelen moeten nemen die afbreuk doen aan het christelijk geluid in de samenleving?

Marinus de Jong, sinds kort predikant van de gereformeerd-vrijgemaakte Oosterparkkerk in Amsterdam-West, promoveerde op 6 juni aan de Theologische Universiteit Kampen op deze vraagstelling. Hij deed in de afgelopen jaren onderzoek naar de theologie van Klaas Schilder (1890-1952), waarbij hij de visie van Schilder vruchtbaar wilde maken voor het heden.
D8Y-schXoAEfK1-

Dat hij Klaas Schilder als inspiratiebron nam, is verrassend. Zelfs voor iemand die onderzoek deed in Kampen. Want Schilder is een theoloog, die in de vergetelheid is geraakt. Zelfs in Kampen. 

Polemisch
De erfenis van Schilder in de Vrijmaking riep in de afgelopen decennia – zeker na de opening van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt – vooral verlegenheid op, omdat de theologie van Schilder vaak erg polemisch was.

Dat Schilder niet meer gelezen wordt, kan ook te maken hebben met een bepaald beeld van Schilder, dat werd doorgegeven. Dat was een beeld waarin alle spanning was weggehaald, en een beeld dat bepaalde Vrijgemaakten goed uitkwam.

Toen zijn leerlingen en volgelingen artikelen gingen heruitgeven, lieten ze ook wel artikelen weg die niet goed pasten bij het beeld van Schilder dat ze wilden doorgeven.

De Jong gaat achter dat beeld terug en wil laten zien dat Schilder soms moest zoeken naar zijn weg. Dat zijn theologie veel meer spanningen kende dan leerlingen wilden toegeven. Door die spanningen wordt de theologie van Schilder weer boeiender.

Schilder is zijn hele leven bezig geweest met de vraag, hoe de kerk zich moest opstellen in de wereld. Zelf afkomstig uit een arm arbeidersmilieu, ontwikkelde hij zich en klom zelf op tot professor. Voortdurend was hij bezig om in zijn eigen achterban te benadrukken, dat de kerk zich niet afzijdig moest houden van de wereld, maar daar haar plaats moest innemen.
Kaft-K-Schilder
Schilder stelde dat de mens een medewerker van God is en door God wordt gebruikt om Zijn weg in deze wereld te gaan. Voor Schilder was het ‘ambt van alle gelovigen’ van groot belang. Gelovigen waren vrijgekocht uit de zonde en waren nieuwe mensen geworden, die Gods gebod in praktijk konden brengen. Niet alleen de mensen aan de top zoals ambtsdragers en hoogleraren moesten hun bijdrage leveren, maar ook het gewone gemeentelid.

Vanuit de zondagse eredienst – voor Schilder het startpunt van het ambt van alle gelovigen – werden ook de gewone gemeenteleden in staat gesteld om hun bijdrage te leveren in de wereld: op hun werk, in het vrijwilligerswerk, in kunst en cultuur.

Zo’n bijdrage leveren, was volgens Schilder een goddelijk gebod. Wie zich daaraan onttrok, was ongehoorzaam aan Gods gebod. De Jong noemt deze lijn ‘kerk in de breedte’.
the-church-is-the-means-the-world-is-the-end-215x300
Cultuur
In de ogen van Schilder was de aarde niet een voorspel van de hemel (of van de hel), maar had de tijd hier op aarde een eigen waarde voor God. In deze tijd werkt God. Volgens De Jong is het handelen van God in de tijd hier op aarde de belangrijkste kern van Schilders theologie.

Dat handelen van God gaat al terug op de schepping. Bij de schepping van de mens kreeg de mens de opdracht om in de cultuur te werken. In het paradijs was er een eenheid van geloof en cultuur. Bij de zondeval raakte die eenheid versplinterd en koos de gelovige voor geloof en de ongelovige voor cultuur.

Zonder geloof is de cultuur echter onvolledig, hoe indrukwekkend de cultuuruiting ook kunnen zijn. Met de komst van Christus werd de eenheid van cultuur en geloof weer hersteld.

De nieuwe mensen, die door Christus zijn vrijgekocht, geven de cultuur een waarde, die een ongelovige niet kan geven.

Deze visie had wel nadelen. Hervormde theologen als Noordmans en Miskotte zagen deze opvatting leiden tot arrogante christenen, die wel weten hoe het zit. Daarnaast vonden ze dat deze visie te weinig kritisch was op de cultuur en daarmee een wereldgelijkvormigheid in huis haalde.

Noordmans en Miskotte hadden echter geen oog voor de sociale achtergrond van Schilder en zagen niet dat Schilder zijn eigen achterban wilde laten emanciperen.

Ware kerk
Een ander nadeel van deze visie is dat de nieuwe mensheid samenvalt met de concrete kerk. Het is dan een kleine stap om te zeggen dat je eigen kerk de ware kerk is. Schilder heeft dat nooit willen beweren en na de Vrijmaking in 1944 streed hij tevergeefs tegen die duidelijke koppeling die bepaalde Vrijgemaakten wel maakten.

Helemaal ongelijk hadden ze niet, omdat Schilder met zijn koppeling tussen de nieuwe mensheid en de concrete kerk wel die suggestie wekte.

Schilder streed echter niet voor de ware kerk. Hij was realistisch genoeg om te beseffen dat een kerkgenootschap nooit een ware kerk kon zijn, omdat het leven hier op deze aarde per definitie onaf is. Het gaat alleen om de wettige kerk. Daar zette hij zich voor in.

Om die reden polemiseerde hij met de Nederlands Hervormde Kerk, die door het kwijtraken van de binding aan de belijdenis volgens hem geen wettige kerk meer was. Omdat Schilder zich inzette voor een wettige kerk, hield hij zich veel bezig met de belijdenis en met de formele kant van kerkzijn, zoals de kerkorde en de vraag hoeveel pluriformiteit een kerk aankon.

Juist omdat het nadenken over de wettige kerk hem zo bezig hield, raakte het conflict in 1944 – dat uitliep op de Vrijmaking – hem diep. Vanwege meningsverschillen over de leer, die voor de oorlog hoop opliepen, wilde men in de oorlog duidelijke keuzes maken. Om vaart te maken, verlengde de synode de eigen zittingstermijn.

In Schilders ogen verloor de synode daarmee het gezag. Zeker toen de synode keuzes maakten, die tegen zijn visie inging, verzette hij zich tegen deze in zijn ogen niet-rechtsgeldige synode. 

Toen deze synode hem schorste, raakte dat hem persoonlijk diep. Naar zijn idee was hij aangepakt op de kern van zijn theologie. De schorsing door de synode was een traumatische ervaring voor hem.

De gevolgen waren echter paradoxaal. De groep die meegingen in de Vrijmaking begonnen vol bewijsdrang een nieuwe zuil op te bouwen. Soms tegen de zin van Schilder in.

De ‘synodalen’ (in de termen van Schilder: ‘synodocratischen’) bleven verdoofd achter. De Vrijmaking is een van de grote raadsels van de Nederlandse kerkgeschiedenis.

Eigenheid
Voor De Jong is het nadenken over de wettige kerk en het staan op Schrift en belijdenis de kerk in de diepte. In zijn proefschrift wil hij beide lijnen van Schilder combineren: een robuuste kerk die betrokken is op een wereld die op veel punten van haar afwijkt. Daarbij waakt de kerk steeds voor haar eigenheid en laat ze zich niet teveel beïnvloeden door wat de wereld wil.

Tegelijkertijd betekent de eigenheid van de kerk niet een terugtrekken van de wereld. Juist die eigenheid krijgt gestalte in de samenleving. Het publieke karakter van de kerk, haar staan in de wereld, is wezenlijk voor haar geloofwaardigheid.

Een goed proefschrift roept altijd vragen op, die uitdagen om verder op onderzoek te gaan. Een van de vragen die zijn proefschrift oproept, gaat over Schilder zelf. Er gebeurt iets in de jaren ‘30, waardoor de wind die Schilder eerst in de zeilen blies, zich tegen hem keerde en zelfs leidde tot zijn schorsing. Toen A.G. Honig als hoogleraar Dogmatiek aan de Theologische Universiteit Kampen moest worden opgevolgd, was Schilder de gedoodverfde opvolger. Als vanzelfsprekend werd hij het. Tien jaar later werd hij geschorst. Waren de verwachtingen die men had niet uitgekomen? Had hij zijn hand overspeeld?

Een andere vraag gaat over de praktische uitwerking van de kerkvisie die De Jong hier op basis van Schilders theologie neerlegt. De Jong pleit voor een kerk in de breedte en de diepte, een kerk die haar eigenheid bewaakt en tegelijkertijd volop haar rol heeft in de samenleving.

Mij werd alleen niet goed duidelijk hoe De Jong dat voor zich ziet. Bij Schilder – en ik vermoed dat De Jong hem hier volgt – gaat het via de gemeenteleden die op zondag in de kerk geweest zijn en daar aangevuurd zijn om hun taak op te nemen. Dan word ik nieuwsgierig: Wat voor soort kerkdienst is dat? Wat vraagt dat van de liturgie en de preek?

Naast deze vragen wil ik stellen dat De Jong Schilder terecht weer onder het stof vandaan haalt. Ontdaan van alle polemiek is Schilders theologie een waardevolle bijdrage om het gewone, dagelijkse leven als christen serieus te nemen. Dat dagelijks leven is niet alleen gezin of ethiek, maar ook werk, vrijwilligerswerk, kunst en cultuur.

Schilder daagt de gelovige uit om die terreinen niet te mijden. Persoonlijk zou ik iets voorzichtiger zijn met de identificatie van de gelovigen met de nieuwe mensheid, omdat de gevolgen van de zonde niet hier in het aardse bestaan al hersteld worden. Maar ook met die correctie biedt Schilder genoeg uitdaging om de roeping van God in onze samenleving als christen serieus gestalte te geven.

N.a.v. Marinus de Jong, The Church is the Means, the World is the End. The Development of Klaas Schilder’s Thought on the Relationship between the Church and the World (Uitgave: Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen).

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad

Naar een nieuwe onbevangenheid

Naar een nieuwe onbevangenheid

Lange tijd leek de secularisatie aan de Gereformeerde Bond voorbij te gaan. Althans voor andere delen binnen de Protestantse Kerk in Nederland, voor wie de Bond als heel stellig en robuust overkwam. Intern in de Gereformeerde Bond is het thema secularisatie al enige tijd wel degelijk een thema, waarover intensief wordt nagedacht. Alle conferenties voor predikanten voor predikanten binnen de Gereformeerde Bond, die ik in de afgelopen jaren heb meegemaakt, zijn allemaal te verbinden met het thema secularisatie. De ene keer is dat thema ligt de nadruk op wat er van de kerk verwacht wordt in een geseculariseerde omgeving. De andere keer ligt de nadruk op een missionaire houding. Op de onlangs gehouden predikantenconferentie lag de nadruk op de verlegenheid, die de secularisatie oplevert.

Die verlegenheid werd nog wel keurig verpakt in mooie lezingen, die de aandacht vroegen voor welke ontwikkelingen in de cultuur plaatsvinden. Tussen de regels door, in de nabespreking en in de wandelgangen was voor een goede verstaander de verlegenheid te merken. Er is sprake van afnemend kerkbezoek. In de meeste gevallen gaat het om de middagdienst, die minder bezocht wordt. Predikanten spreken gemeenteleden van wie de kinderen afgehaakt zijn. Of spreken gemeenteleden, die zelf aan het afhaken zijn of niet meer komen, omdat het geloof hen niets meer zegt. Vooral deze laatste ervaring zorgt voor veel verwarring en voor onzekerheid. De preken die voorbereid zijn, de diensten die gehouden worden, de bijeenkomsten die georganiseerd zijn, slaan dood op de onverschilligheid die er is als het gaat om God. Hij is niet meer nodig.

Als je met zo’n houding van onverschilligheid geconfronteerd wordt, heb je niets meer aan de gebruikelijke antwoorden. Een van de gebruikelijke reacties was de vraag naar een genadig God een veel dieper gravende vraag was dan de vraag of God bestaat. Maar als je te maken krijgt met mensen voor wie God geen issue is, dan hoef je ook niet aan te komen met de vraag of je wel voor God kunt bestaan.God doet er niet toe.
Op de conferentie zou het niet alleen gaan over de verlegenheid. De aandacht zou ook uitgaan naar wat uit onze traditie je als predikant op de been houdt. Dat is geen eenvoudige overgang: van de verlegenheid naar een element uit je traditie of een houding waarbij je je als predikant om weet te gaan met die verlegenheid bij jezelf en de onverschilligheid die je bij anderen waarneemt. Dat vraagt allereerst het toelaten van die verlegenheid. Dat vraagt ook te accepteren dat de tot dan toe gevolgde strategie om de gevolgen van de secularisatie te negeren, omdat ze vooral in andere delen van de kerk spelen, niet helpt.

Zulke ervaringen stemmen wel tot nadenken. In de huidige omgeving waar ik werk kom ik het niet direct tegen. Ik ben wel begonnen in een omgeving waarin voor de meeste mensen, die niet meer naar de kerk toe gaan, God er niet toe doet. Dat was voor mijzelf niet altijd eenvoudig. Het was allereerst een cultuurschok toen ik vanuit Veenendaal, waar de kerk er nog redelijk vanzelfsprekend bij hoorde, in een omgeving kwam waar de kerk slechts door enkelen werd bezocht. Ook voor de gemeenten die ik diende was dat niet eenvoudig. Al waren ze het wel gewend om als een van de weinigen uit hun eigen omgeving nog met geloof bezig te zijn. Ze waren zelf opgegroeid in een tijd waarin geloof er nog gewoon was en hadden gezien dat vrienden en familie de kerk vaarwel zeiden. Wat mij zelf altijd is bijgebleven is dat ik niet voorbereid was op het werken in zo’n omgeving, waarin geloof er niet meer bij hoort. Ik had er ook niet over nagedacht wat het betekent voor de kerk. Ik kwam er in die tijd ook nog niet aan toe, omdat ik nog volop bezig was om te ontdekken wat mijn taak en rol als predikant was.

Nu terugkijkend op die periode kan ik wel wat thema’s bedenken, die van belang zijn om op te pakken als het geloof nietszeggend aan het worden is. Het vraagt om nadenken over de eredienst en de preek: hoe kan de eredienst en de preek zo vorm gegeven worden dat de kerkganger in het geloof gevoed wordt, ook als je maar met weinigen bij elkaar bent? De inhoud van de preek moet er op gericht zijn om niet de nostalgie te voeden, maar om op de onbevangen manier van geloven weer te herontdekken. Dat vraagt om het serieus nemen en toelaten, dat het geloof lang niet iedereen wat zegt. Tegelijkertijd vraagt het ook om je vertrouwen op God niet te laten ondergraven door je verlegenheid. Zoals ik zei was ik er niet op voorbereid. De cultuurschok deed mij enorm twijfelen en ik slaagde er niet in om die twijfel buiten mijn preken te houden. Ik bedoel daar niet mee, dat twijfel niet in preken verwerkt mag worden. Wel dat de twijfel geen eindresultaat moet zijn. Twijfel bouwt de gemeente alleen op, als daarmee de weg naar God gevonden wordt. Bij mij raakte die weg juist geblokkeerd.

Terugkijkend had ik ook mensen om mij heen nodig, zoals collega’s, met wie je ervaringen deelt, die je begrijpen, maar die er ook in slagen om je uit de twijfel te leiden naar een nieuwe onbevangenheid.
Door de predikantenconferentie besefte ik dat die zoektocht naar een nieuwe onbevangenheid, waarbij de verlegenheid toegelaten wordt, een gezamenlijke zoektocht is geworden. Daarin kunnen we elkaar van dienst zijn. Door te luisteren naar elkaars onmacht en verlegenheid. Door samen te zoeken naar Gods wil en Gods aanwezigheid in deze tijd. Niet alleen binnen eigen kring, maar ook samen met andere delen van de kerk, waarin deze ervaring herkenbaar is en waar wellicht al wegen gevonden zijn naar die nieuwe onbevangenheid.

In gewijzigde vorm gepubliceerd in het Christelijk Weekblaad

N.a.v. het zingen van het Wilhelmus in de kerkdienst: christelijk geloof en nationale identiteit

N.a.v. het zingen van het Wilhelmus in de kerkdienst: christelijk geloof en nationale identiteit

Afgelopen zondagmorgen, de dag na Koningsdag, zongen we als gemeente het Wilhelmus. Het had niet veel gescheeld of we zongen dit lied niet, omdat ik het vergeten was om op te geven. De organist was alert en vroeg of we geen Wilhelmus zouden zingen. Die zondag zag ik tussen de bedrijven door op Twitter dat opmerkingen dat men gelukkig geen volkslied zong of als er wel gezongen werd dat men demonstratief de lippen op elkaar hield. Ik kon het niet laten melding te maken dat we het Wilhelmus wel gezongen hadden en dat ik het belangrijk vond om dit lied te zingen. Daarna vroeg het Friesch Dagblad om een opinie-artikel. Hierbij mijn verhaal:

De allereerste reden om het lied toch te laten zingen in de dienst is omdat het traditie is. Als kind zong ik het al mee op de zondag na 31 januari. Ik heb het altijd mooi gevonden om in de kerk het Wilhelmus te zingen. Net als lied Een vaste burcht (waarvan ik later ook begreep dat het een problematisch lied is).
KBMI01_LblKBWouters22025-011_V

Dankbaarheid
In de laatste jaren heeft het zingen voor mij een dubbele betekenis gekregen. Aan de ene kant een dankbaarheid naar God toe voor de manier waarop ons land geregeerd wordt. Zeker als je ons land vergelijkt met landen waar een dictatuur heerst.

Nationale identiteit
Daarnaast ben ik me er steeds meer van bewust dat er in het verleden ook door de kerken de gemeenteleden is bijgebracht dat nationale identiteit en geloof bij elkaar horen. Noem het God, Nederland en Oranje. Deze verbinding leeft nog sterk binnen bepaalde stromingen van de Protestantse Kerk in Nederland en binnen bevindelijk-gereformeerde kerken. Het is een traditie die nog leeft. Wanneer ik als predikant zou vinden dat er afscheid genomen zou moeten worden van die traditie, zou er een grondige bezinning moeten zijn met de gemeente, waarin de voors en tegens tegen over elkaar worden afgewogen.
200px-Vlag_uit

Vluchtingen
Wat voor mij meespeelt is dat het Wilhelmus stamt uit een tijd van spanningen en oorlog. Het herinnert ons eraan dat we een geschiedenis kennen van verdreven-worden, op de vlucht zijn, opgevangen worden in de regio waar de buurlanden niet altijd zaten te wachten op de komst van de vluchtelingen uit de Nederlanden. In het Wilhelmus is een vorst aan het woord, die verbannen is. Hij houdt zijn onderdanen voor om trouw te blijven aan een vreemde mogendheid, ook al toont die mogendheid zich als een tiran. Het is een lied waarin onderdanen opgeroepen worden de toekomst in Gods handen te leggen. Het volkslied herinnert eraan, dat hoe ons eraan dat de vrede in ons land en de manier waarop we geregeerd worden, bijzonder zijn. Het had ook anders kunnen zijn. Ook als we het Wilhelmus niet herinneren, moeten we zoeken naar vormen waarin het verleden levende herinnering blijft.
adolf-van-nassau-dood
Graaf Adolf sneuvelt tijdens de Slag bij Heiligerlee (1568)


Waardering geschiedenis
De dieperliggende vraag, die bij het al dan niet zingen van het Wilhelmus rond Koningsdag hoort, is: hoe waarderen we de geschiedenis van ons land? Is het een toevallige samenloop van historische omstandigheden dat ons land zo gegroeid is? Of zien we daarin toch iets van Gods leiding?
6f93a4b9d6f0f38d156d5908e99603a81e357d7994b077b30a6926c3ca0b0ee2
Groepje saluerende verkenners tijdens het spelen van het Wilhelmus. Tilburg 4 november 1944 (Bron: regionaal archief Tilburg)

Heilige strijd
Men kan soms vaderlandse geschiedenis heel makkelijk koppelen aan het handelen van God. Voor Duitse predikanten was het enthousiasme voor de oorlog in 1914 een uitstorting van de Heilige Geest en de oorlog tegen het ‘perfide Albion’ een heilige strijd. Men ging het Oude Testament weer lezen en zag de parallel met de eigen tijd. Vanaf 1939 stopten kritische predikanten en geestelijken met het bekritiseren van Hitlers regering en gingen meedoen in de oorlog. Hun land was in oorlog. Politieke meningsverschillen waren aan de oorlog ondergeschikt. Heden ten dage is de steun van evangelicalen aan president Trump te zien als een verlangen naar een christelijke identiteit van de VS.

Voorzienigheid
In de laatste decennia wordt in de theologie zo’n sterk onderscheid gemaakt tussen het Gods handelen in Zijn voorzienigheid en de eigen geschiedenis, dat het twee losse categorieën zijn die niets meer met elkaar te maken hebben. Ik ben er zelf heel voorzichtig in om de ontstaansgeschiedenis van ons land en om onze huidige vorm van parlementaire geschiedenis Gods hand te zien. Maar helemaal niets van Gods voorzienigheid daarin is wel heel mager. Plaatsen we daarmee Gods handelen niet buiten onze werkelijkheid?

Oorlog
Voor veel gemeenteleden is er trouwens een band met de oorlog. De oorlog is nog lang niet voorbij. De oudste generatie heeft de oorlog als kind nog meegemaakt en de generatie eronder is opgegroeid in de schaduw van de oorlog. De voorliefde voor het Wilhelmus, niet alleen met 4 en 5 mei maar ook rond Koningsdag, is ook een manier om de herinnering aan wat de oorlog teweeggebracht heeft te herinneren.

Koningin_Wilhelmina_luistert_naar_het_Wilhelmus_dat_door_de_aanwezigen_wordt_gez,_Bestanddeelnr_900-4117
Koningin Wilhelmina luistert naar het Wilhelmus dat door de aanwezigen wordt gezongen bij het Van Abbemuseum. Eindhoven, 19 maart 1945 (bron: nationaal archief)

Zoektocht naar nationale identiteit
Voor mij heeft het Wilhelmus niet met nationalisme te maken. Ik ben wel van mening dat de zoektocht naar de nationale identiteit ook de kerken iets te zeggen heeft. Wie deze zoektocht verwaarloost laat deze groep christenen die hun nationale identiteit mede via de kerk verkregen heeft over aan cultuurchristenen die het christendom misbruiken voor hun eigen doel. Dat doel komt in de buurt van ons vorige volkslied: een bloed van vreemde smetten vrij.

Staatsburgerschap
Overigens is de verhouding tussen het staatsburgerschap en het geloof ook een kwestie die binnen de kerk speelt. Iemand twitterde dat hij in de kerk maar één identiteit heeft. Dat geloof ik niet. Elk mens bestaat uit meerdere identiteiten. Als kerkganger neem je die meerdere identiteiten mee de kerk in. De vraag is naar de relatie tussen die beide. Wat ik wel steeds meer waarneem, is dat er steeds meer moeite komt met de verhouding tussen de identiteit als staatsburger en die als gelovige. Er komt steeds meer distantie tussen beide. Voorheen werd die distantie afgewezen als dopers.
Nederland_Paspoort_Cover_2011
Gesprek
Dat er binnen de kerken overgegaan wordt op een andere opvatting vind ik op zich geen probleem. Wel dat het gebeurt zonder bezinning en zonder na te gaan waarom eerdere generaties een andere keuze maken. Ik zeg ook niet dat we die keuze op dezelfde manier moeten maken. Het gesprek met het voorgeslacht is wel belangrijk om te begrijpen wat er nu gebeurt en om de fouten die zij maakten zelf te voorkomen.

Geschreven voor het Friesch Dagblad

De hervormde traditie duikt steeds meer op in het debat over de multiculturele samenleving.

De hervormde traditie duikt steeds meer op in het debat over de multiculturele samenleving.

Tijdens een bijeenkomst waar ik was,  sprak voor iemand mij geheel onverwacht zijn steun uit voor de PVV. Met als argument: Als je als land en als kerk geen stelling neemt tegen de islam, hoef je niet meer na te denken over orthodox-zijn in deze tijd, omdat je doordat de islam over enige tijd ons land overgenomen heeft een orthodox-christelijk geloof niet meer mogelijk is. Op dat moment besefte ik: dit is een punt waarop ik de hervormde traditie niet begrijp, omdat ik een christelijk-gereformeerde achtergrond heb. Nu ik al een aantal jaar meedraai binnen de hervormde stroom van de Protestantse Kerk in Nederland, zie ik dat deze hervormde traditie steeds weer opduikt in het debat over de multiculturele samenleving en het migratievraagstuk. Grofweg gezegd gaat het hier om een clash tussen de oude christelijk-historische lijn en de anti-revolutionaire lijn.

Binnen de hervormde, christelijk-historische stroom ligt de nadruk op de eenheid van de gehele samenleving. Verschillen mogen niet leiden tot een breuk: je hoort bij elkaar en als christen zonder je je niet af van de samenleving door aparte organisaties op te richten. Als kerk ben je dienstbaar aan de hele samenleving. In deze hervormde traditie is er ook veel oog voor traditie: je komt ergens vandaan. Deze traditie is niet toevallig ontstaan, maar laat een band zien van God met ons land. Nederland is een christelijk land en de overheid is er om de christelijke identiteit te beschermen. Niet voor niets is er in deze traditie veel nagedacht over theocratie. Binnen deze traditie is er moeite is met de multiculturele samenleving, omdat de komst van niet-christelijke migranten de christelijke identiteit van Nederland ondergraaft.

De anti-revolutionaire stroming, begonnen in de 19e eeuw met voormannen als Guillaume Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper, verzette zich tegen de eenheid in de samenleving, die gestalte kreeg volgens verlichte idealen, die in godsdienstig opzicht neutraal zouden zijn. De anti-revolutionairen stelden dat geen enkele levensbeschouwing neutraal is, maar altijd uit een bepaalde vorm van geloof voortkomt. De overheid is niet bevoegd om uit te spreken welke geloofsovertuiging de juiste is. De overheid kan slechts faciliteren.  Deze stroming is altijd een minderheid geweest, die de eigen plek heeft moeten bevechten binnen de kerk en de politiek. Omdat het geloof op alle terreinen zeggenschap heeft, wordt dit politiek uitgewerkt in een christelijke partij, die voortkomt uit de gereformeerde levensbeschouwing.
Daarom kan iemand uit de anti-revolutionaire traditie zich er zich druk over maken als  partijen als de PVV of FvD, zich opwerpen als beschermers van de christelijke traditie. Er mogen dan overeenkomsten zijn in concrete beleidskeuzes, deze partijen komen uit een andere levensbeschouwing. Binnen de christelijk-historische traditie is het niet vreemd om de keuze voor een partij als PVV of FvD te combineren met actieve kerkgang, zoals in het verleden ook nogal wat hervormden van de VVD waren. Men heeft daar altijd beseft dat het christendom ook buiten de kerk werd gewaardeerd door cultuurchristenen.

Als anti-revolutionairen iets willen bereiken kan er ook gekozen worden voor bondgenoten die niet voor de hand liggen. In de afgelopen decennia is er gekeken hoe moslims bondgenoten kunnen zijn. Wie zelf ruimte nodig heeft voor de eigen geloofsovertuiging, omdat geloof niet alleen maar een gedachte is maar het hele leven bepaalt, weet dat iemand van een ander geloof dat ook nodig heeft.

Juist het verschil in visie op de identiteit van Nederland en op de rol van de overheid zorgt voor een scherp debat. Het maakt voor het denken over de multiculturele samenleving uit of Nederland een christelijk land is of dat Nederland een land met een diversiteit aan geloofsbelevingen. Wie uit de (neo)calvinistische levensbeschouwing komt, zal eerder de multiculturele samenleving als feit accepteren, omdat hij zichzelf al een levensbeschouwelijke minderheid wist voor de komst van de multiculturele samenleving. Wie uit de hervormde traditie komt, zal daar meer moeite mee hebben, omdat deze multiculturele samenleving het moeilijker maakt om Nederland als christelijk land te beschouwen.
De veranderde samenleving legt vragen op tafel voor beide tradities. Welke uitdagingen geeft God door middel van de multiculturele samenleving aan kerken en christenen en hun positie in de samenleving? Is het mogelijk om een land een christelijke identiteit en geschiedenis te geven? Hoeveel eenheid is er nodig voor een samenleving en wanneer wordt eenheid een ideologie? Hoe neem je als (christelijke) minderheid verantwoordelijkheid voor de samenleving als geheel? Welke ruimte kunnen we bieden aan niet-christelijke gemeenschappen en wat is de rol van de overheid daarin? Welke verantwoordelijkheid hebben we voor degenen die deze veranderingen niet mee kunnen maken?

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad van 21 september 2018

Volkskerk en multiculturele samenleving

Volkskerk en multiculturele samenleving

Sinds in predikant ben, heb ik de gedachte van de volkskerk leren kennen. Hoewel ik opgevoed in een heel andere kerkelijke traditie en het mij moeite gekost heeft om de gedachte van de volkskerk echt te leren kennen, heb ik deze traditie wel leren waarderen. Daarom verdedig ik deze vorm van kerk-zijn als een mooie vorm van kerkzijn, ook in een multiculturele samenleving.

Als ik pleit voor de volkskerk, zijn er altijd gelijk twee reacties: (1) de volkskerk is gelukkig een achterhaald model en wie daaraan vasthoudt is onverantwoord romantisch bezig, (2) de volkskerk past niet in een multiculturele samenleving of wie pleit voor de volkskerk heeft de multiculturele samenleving in wezen niet geaccepteerd.

Sporen
Ik kan alleen maar zeggen hoe ik er zelf in zit. Zoals ik al aangaf: ik kom niet uit deze traditie en had er weinig over gelezen voor ik predikant werd. Mijn reden om PKN te worden was een pragmatische én oecumenische, niet persé vanwege de volkskerk. Als predikant leerde ik de volkskerk wel kennen én waarderen. Niet alleen in Oldebroek, maar ook in Ilpendam in het best seculiere Noord-Holland kwam ik ook nog (sporen van) de volkskerk tegen. Maar Oldebroek is in die zin ook weer niet uniek. In delen van Gelderland / Overijssel / Friesland is deze manier van kerkzijn nog te vinden.

Incarnationeel
Voor mij is de kerk een van de vormen van incarnationeel gemeentezijn. Incarnationeel betekent: zijn waar de mensen zijn. Dit staat tegenover het model van de attractionele gemeente: je probeert aantrekkelijk te zijn, zodat mensen naar jou toekomen. Als vorm van incarnationeel gemeentezijn is de gedachte van de volkskerk in die zin weinig anders dan een pioniersplek met dezelfde gedachte. De volkskerk heeft wel een aantal voordelen: bestaande structuren, een lokale geschiedenis en lokale verworteling. De volkskerk is niet de enig mogelijke vorm, maar een vorm die op bepaalde plekken ook echt nog wel werkt en uit eigen ervaring in Noord-Holland: ook buiten de Biblebelt. Dat is geen romantiek of nostalgie, maar ervaring die mij verbaasde.

Betrokkenheid op de lokale mensen
Volkskerk is voor mij de principiële keus voor betrokkenheid op de wijk of het dorp waar je woont. Anderen kunnen lid worden, maar de principiële aandacht ligt bij de lokale gemeenschap. Praktische gevolgen: liefst elke zondag een eredienst in dit dorp,
liefst zoveel mogelijk ambtsdragers uit het dorp / de wijk, die het dorp of de wijk kennen en hun connecties hebben. De kinderen op dezelfde school, op dezelfde voetbalclub. Niet openlijk kiezen voor een politieke partij en zeker geen christelijke. Zo lijkt het op een gemeentestichting of pioniersplek. Verschil is echter de ontstaansgeschiedenis. De kerk en de gemeente maken al een eeuw, soms langer, deel uit van dit dorp of deze wijk. De kerk en dorp / wijk horen bij elkaar. Niet alleen voor de kerk. Ook voor de mensen.

Een kerk verwachten die bij je past
Wat voor mij verrassend was, was dat de volkskerkgedachte niet meer bij de kerkenraad aanwezig was, die vaak uit andere plaatsen kwam, maar nog wel bij de inwoners van het dorp. Zij verwachtten de kerk op een manier die bij hen paste. Deze mensen hoorden voor hun gevoel bij deze kerk. Enkele jaren voor mijn komst was een grote actie geweest om leden te vragen of ze uitgeschreven wilden worden. Bijna niemand wilde dat. Zij hoorden bij deze kerk. Zij beschouwden zich ook als christen. Zij haken af als er mensen uit andere plekken dominant worden binnen deze kerk en gaan de kerk met meer wantrouwen bejegenen. En toch, het blijft hun kerk. Hier wordt voor hen geloofd en gebeden. Een dorp moet én een café én een kerk hebben, hoorde ik vaak. De kerk is toch ergens de ziel van het dorp, of de hoeder van de ziel van de wijk. De gaven voor de kerk vanwege hun betrokkenheid op hun dorp of wijk.

Lange termijn
Deze mensen zijn vaak terughoudend naar de kerk toe, omdat ze willen weten of de kerk echt om hen geeft. Een predikant in een wijk of op een dorp moet niet na 4 jaar al weg, maar kiezen voor de lange termijn: 12 jaar of langer. En dan uit overtuiging kiezen voor dit dorp of deze wijk. Eén van hen worden. Missionair zijn op een dorp is daarom moeilijker dan in een stad, omdat er veel meer dan in een stad de lange adem nodig is. Mensen komen pas als ze weten, dat je echt om hen geeft en dat weten ze pas als je er echt een van hen wordt. Ik vermoed dat het in een oude stadswijk niet anders is. Daar heb ik echter geen ervaring mee.

Contact kwijt geraakt
Op veel plekken is de kerk met deze mensen het contact kwijt geraakt. Om verschillende redenen: te weinig menskracht, schaalvergroting waardoor de kerk het dorp uit ging (maar deze mensen niet mee gingen), botsing over politieke voorkeuren (zoals PVV-mentaliteit). Dit zijn de mensen die voor hun gevoel bij de kerk horen, maar de veranderingen niet mee maakten. Zijn nog steeds hervormd en hebben vaak weinig met PKN. Wat ze willen: af en toe een bezoek, met een jubileum bijvoorbeeld, begeleiding rondom sterven / begrafenis.

Problematisch
De term volkskerk is achteraf gezien problematisch. Vooral vanwege de term ‘volk’. Kerk voor allen in deze wijk of dit dorp had ook gekund. Zelf vat ik ‘volk’ in volkskerk op als de totale lokale gemeenschap. Volkskerk maakt geen selectie in doelgroepen, tenzij de de totale lokale bevolking van dit dorp en deze wijk als doelgroep beschouwt. Bij het loslaten van de term volkskerk raak je een van de kernpunten uit het oog: de lange historische verworteling. Net als bij elke erfenis geeft dat voordelen én nadelen.

Opwaarderen
Die verworteling wordt nogal eens theologisch opgewaardeerd. Dan is deze kerk een planting Gods, waarbij andersoortige kerken er eigenlijk niet zouden mogen zijn. Ook wordt deze visie politiek opgewaardeerd met theocratie (Van Ruler, Jvd Graaf, vrienden van Kohlbrugge). Deze theologische en politieke opwaardering maak ik niet mee. Ik zie het als een vorm van ketterij waarin er te weinig onderscheid gemaakt wordt tussen de nationale identiteit en de christelijke identiteit van een gelovige. Maar het zaad van een nationaal-religieuze identiteit is gezaaid in de afgelopen eeuwen en ontkiemd nog.  Het is teveel een ideologie, waarbij haast in dienst van de eenheid van de lokale gemeenschap wordt geplaatst. Die eenheid is er vaak, maar dan bij slechts een deel. Er is nauwelijks oog voor wie er buiten valt.

Eenheid niet kunnen meemaken
Het lastige voor denkers in de volkskerk-traditie is niet de seculiere omgeving. Want ook dan kun je volkskerk zijn. Het is niet alleen maar dorpsmatig. Het kan ook in de stad.( Zie P.L. deJong in “Sores en zegen” die er juist weer voor pleit.) Hét lastige voor volkskerk-denkers is degenen die om inhoudelijke reden de eenheid niet mee kunnen maken, zoals de kleinere reformatorische kerken, evangelisch en pinkster. Gelukkig heeft de PKN officieel een andere kerkvisie.

Afscheid
Is deze visie niet een romantische hang naar een ideaal verleden, dat nooit heeft bestaan? De leiding van lokale gemeenten en de leiding van de PKN heeft – vaak onuitgesproken – fscheid genomen van de volkskerk en zeker van de theologische en politieke opwaardering. Alleen lokaal wordt deze impliciet doorgegeven. Dat wreekt zich nu in het debat over de multiculturele samenleving. Veel voormalige hervormden gaan nog uit van een eenheid van de samenleving, die door God gegeven is. Zij voelen zich in de kou staan door hun kerk en hun partij. Het zijn de mensen die heel wat te verstouwen hebben gehad in economische neergang, aan verlies van verworteling (schaalvergroting van gemeenten), verlies van gemeenschap, omdat door import de wijk of het dorp van karakter verandert. De kerk die wegtrekt.

Zwart schaap
De multiculturele samenleving is een makkelijk zwart schaap. Niet omdat ze racistischer zijn (zelfs niet als ze voor zwarte piet zijn), maar omdat ze zien dat ze anders behandeld worden dan anderen. Terwijl zij al jaren wachten op een starterswoning of huurwoning krijgen nieuwkomers vrij snel in hun ogen een huis toegewezen. Ze krijgen opstartgeld, terwijl bezuinigd wordt op hun uitkering, op hun PGB, op hun huishoudelijke hulp. De nieuwkomers kunnen ze niet spreken door taalbarrière en andere culturele gewoonten.

Nostalgie?
Is het nostalgie om te verlangen naar een andere situatie? Dan net zoals de mensen in rouw die ik tegenkom, die verlangen naar de tijd van voor het gemis. Naar toen ze de wereld nog begrepen, de buren er nog voor hen waren, de overheid hen niet in de steek liet.
De enige manier om gehoord te worden, is via het stembriefje of door openlijk sympathie uit de spreken voor PVV, voor zwarte piet. Blijkbaar moet je provoceren om gehoord te worden, want anders wordt er niet geluisterd. Natuurlijk, er is geen weg terug. (Ik heb nu geen enkele moeite meer met de multiculturele samenleving, maar dat heeft wel even geduurd.) Maar in de vorming van de multiculturele samenleving zijn ‘we’ hele bevolkingsgroepen kwijtgeraakt.
De multiculturele samenleving nu vraagt nogal wat aan herziening van de eigen tradities: afscheid van de verweving nationale identiteit en geloof, afscheid van de ideologie van de samenleving als eenheid, bewust onderdeel zijn van je lokale omgeving.


Niet alleen de Biblebelt

Vaak wordt gedacht dat de volkskerk vooral op de Biblebelt voorkomt in plaatsen met hoge kerkelijkheid. Dat ligt veel genuanceerder. Volkskerk wordt namelijk niet bepaald door het aantal leden of de omvang maar door de principiële keuze voor de mensen van de lokale gemeenschap. Waarom je in de Biblebelt kunt spreken over volkskerk is niet dat het beleid van de kerkelijke gemeente op de lokale gemeenschap is gericht (vaak is dat juist niet zo!), maar dat de volkskerk nog leeft bij de randleden of afgehaakte mensen. Op de Biblebelt staat de volkskerk juist onder druk omdat veel (wijk)gemeenten kiezen voor een bepaalde identiteit, waarbij men eerder kijkt naar andere wijken of kerken dan naar de lokale gemeenschap. Vaak is er een tegengestelde visie op levensstijl.

Missionaire visie
In Nederland is er een specifieke visie op de volkskerk, waarin de volkskerk gekoppeld wordt aan de christelijke identiteit van Nederland en aan theocratisch denken. Die koppeling is niet wezenlijk.Wij zijn niet de enigen die nagedacht hebben over de volkskerk. Mijn invulling haal ik bij de oosterburen: Christian Möller, Manfred Seitz, Eberhard Winkler. Michael Herbst van het  Institut für Evangelisation un Gemeindeaufbau promoveerde op een missionaire volkskerk. In Duitsland is het concept van volkskerk nog steeds niet achterhaald. Wel is er kruisbestuiving met de Angelsaksische concepten van mission-shaped en Willow Creek bij het Institut für Evangelisation un Gemeindeaufbau. Ze kunnen elkaar verder helpen. volkskerk kan op verschillende manieren gedefinieerd worden. Die nationale invulling is niet noodzakelijk. Voor mij is het niet het enige model van kerk-zijn. Wel een model dat heel vruchtbaar is. Voor mij wegen de voordelen op tegen de nadelen. Grootste nadeel vind ik het gebruik van ‘volk’. Maar omdat het een ouder concept is, zou ik toch nog even vast willen houden aan de term.

Ook Augustinus was iemand met een dubbele culturele achtergrond

Ook Augustinus was iemand met een dubbele culturele achtergrond

Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in God. Het is een beroemde uitspraak van de kerkvader Augustinus (354-430). Volgens de Cubaans-Amerikaanse kerkhistoricus Justo L. Gonzalez is die onrust niet alleen een geestelijke onrust, maar laat die onrust ook een innerlijke worsteling tussen twee culturen zien.

augustinus (1)

Augustinus behoorde tot zowel de Romeinse als tot de Afrikaanse cultuur. De Romeinse cultuur kreeg hij van zijn vader Patricius mee en de Afrikaanse cultuur via zijn moeder Monica, die mogelijk van Berberse komaf was en christen was. Net als bij vele anderen, die ook een dubbele achtergrond hadden, zorgde de dubbele culturele achtergrond geregeld tot innerlijke botsingen. Die dubbele culturele achtergrond heeft de ontwikkeling van Augustinus bepaald en is ook terug te vinden in zijn theologische en kerkelijke stellingnames. Het heeft een tijd geduurd voordat Augustinus het christelijke geloof van zijn moeder kon verenigen met de cultuur van zijn vader. Hij moest een hele weg afleggen, via het Manicheïsme en het Neo-Platonisme, totdat hij bij bisschop Ambrosius in Milaan een vorm van christelijk geloof ontdekte die gecombineerd was met de Romeinse cultuur. Toch bleef Augustinus ook Afrikaan. Hij keerde na zijn bekering terug naar zijn geboortegrond en werd daar uiteindelijk bisschop van Hippo.

3249333776

Elite en gewoon volk
In de strijd tegen de Donatisten opereerde hij als Romein. Augustinus had door zijn verworteling in de Romeinse cultuur niet door, dat de strijd met de Donatisten ook een vorm van verzet was tegen de Romeinse kolonisatie van Noord-Afrika. Het christendom was in Noord-Afrika kreeg namelijk allereerst vooral aanhang onder het gewone volk. Nadat de Romeinen Carthago en de rest van Noord-Afrika hadden veroverd, gingen ze zich steeds meer als kolonisator gedragen en gebruikten Noord-Afrika als wingewest om de grootsheid van Rome te onderhouden. Er kwam een tweedeling: een Romeinse elite, vaak uit Rome afkomstig, en het gewone volk van de Berbers. Omdat het christelijk geloof door de Romeinse overheid vervolgd werd, zag het gewone volk in het christelijk geloof een vorm van verzet tegen de Romeinse kolonisator.
De vervolgingen gingen echter door en het gewone volk in Noord-Afrika kreeg daar ook mee te maken. Er waren gelovigen die trouw bleven aan het geloof. Er waren er ook die het geloof vaarwel zeiden of op de vlucht gingen. Nadat de vervolgingen voorbij waren, gaf dat een geweldig probleem voor de kerk. Radicale christenen, die later Donatisten werden genoemd, vonden dat degenen die hun geloof afzworen of op de vlucht gingen, opnieuw gedoopt moesten worden. Deze radicale stroming was erg populair onder de Berbers en was op vele plaatsen invloedrijker dan de katholieke kerk.

Reputatie
Nadat de bisschop van Carthago was overleden, werd snel een gematigde bisschop Caecilianus aangesteld. Caecilianus werd echter niet erkend door de radicale christenen. Er was hier sprake van een botsing van culturen in de kerk. Caecilianus stond dichterbij de Romeinse overheid dan zijn tegenstanders. Caecilianus had ook een Romeinse opvatting over gezag en zijn tegenstanders een Afrikaanse opvatting. In een Romeinse visie op gezag bepaalt het ambt de waardigheid. Wanneer iemand niet het juiste charisma heeft of een twijfelachtige reputatie wordt dat gecorrigeerd door het ambt dat waardigheid verleent. In de Afrikaanse opvatting gaat het om de waardigheid van de persoon. Iemand komt pas in aanmerking voor een ambt als hij een goede reputatie heeft, bekend staat als een wijs persoon, charismatisch is en gezag uitstraalt. Iemand die op de vlucht is geslagen of het geloof vaarwel heeft gezegd, heeft zijn gezag verloren. Dat gezag kan niet door de officiële kerk worden teruggegeven, maar door toonaangevende personen uit de gemeenschap, die in de tijd van de vervolging op een indrukwekkende manier standhielden. Augustinus koos later als bisschop in zijn strijd tegen de Donatisten voor de Romeinse opvatting voor gezag en werkte zelfs samen met de Romeinse overheid in de strijd tegen de Donatisten. Tot aan de verovering door de Arabieren bleven de Donatisten volop aanwezig. Wel viel deze stroming steeds meer uiteen in radicalere en ook gewelddadige fracties.

Goed en kwaad
In zijn strijd tegen Pelagius toonde hij zich meer als Afrikaan. Zo werd hij ook door zijn tegenstanders bespot: als de Punische Exegeet of de Afrikaanse Aristoteles. Augstinus werd door Pelagius aangevallen, omdat volgens Augustinus de mens vanaf geboorte een zondaar was. Daarmee kreeg volgens Pelagius God de schuld van de zonde. Volgens hem was de mens in staat om heilig te leven door zich aan Gods wet te houden. Alleen dan kan God volgens Pelagius de mens straffen voor zijn zonden en belonen voor zijn goede daden. Er was niet alleen verschil in levensstijl: Pelagius leidde een voorbeeldig ascetisch leven, terwijl Augustinus een turbulente jeugd had. Ook hier speelde het verschil tussen Romeins en Afrikaans gezag. Alleen dan in de visie op God. Volgens de Pelagianen was ook God onderworpen aan de wetten voor wat goed en kwaad is. Volgens Augustinus is het God zelf die bepaalt wat goed en kwaad is.

5150

Geuzennaam
Om de dubbele culturele achtergrond te kenschetsen en vooral om te laten zien welke complexiteit een dubbele culturele achtergrond meegeeft, typeert Gonzalez Augustinus als mestizo. Aanvankelijk was dit een scheldwoord voor Mexicanen, die als halfbloed (en daarmee minderwaardig) werden gezien.  In 1925 ging de Mexicaanse wetenschapper en presidentskandidaat dit woord als een geuzennaam gebruiken. Een halve eeuw later introduceerde Vergilio Elizondo, een vriend van Gonzalez, deze term in de theologie en de kerk. Gonzalez zelf is als Cubaans Amerikaan een van de toonaangevende theologen met een latino achtergrond en een wereldwijd gerespecteerd kerkhistoricus. Dat een dubbele culturele achtergrond niet eenvoudig is, deelt hij met veel christenen in de VS met een Latijns-Amerikaanse achtergrond. Vanuit de vele gesprekken die hij met hen heeft gehad, heeft hij dit boek over de dubbele achtergrond van Augustinus geschreven om te laten zien dat zij niet de enige zijn die met een dubbele achtergrond worstelen. Daarom droeg hij het op ‘aan de vele Latina’s en Latino’s, wiens mestizaje mij hebben verrijkt’. Hij schreef het oorspronkelijk in het Spaans, waarna hij het in het Engels publiceerde.

Justo L. Gonzalez, The Mestizo Augustine. A Theologian Between Two Cultures (Downers Grove: IVPress, 2016)

7283