Ook Augustinus was iemand met een dubbele culturele achtergrond

Ook Augustinus was iemand met een dubbele culturele achtergrond

Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in God. Het is een beroemde uitspraak van de kerkvader Augustinus (354-430). Volgens de Cubaans-Amerikaanse kerkhistoricus Justo L. Gonzalez is die onrust niet alleen een geestelijke onrust, maar laat die onrust ook een innerlijke worsteling tussen twee culturen zien.

augustinus (1)

Augustinus behoorde tot zowel de Romeinse als tot de Afrikaanse cultuur. De Romeinse cultuur kreeg hij van zijn vader Patricius mee en de Afrikaanse cultuur via zijn moeder Monica, die mogelijk van Berberse komaf was en christen was. Net als bij vele anderen, die ook een dubbele achtergrond hadden, zorgde de dubbele culturele achtergrond geregeld tot innerlijke botsingen. Die dubbele culturele achtergrond heeft de ontwikkeling van Augustinus bepaald en is ook terug te vinden in zijn theologische en kerkelijke stellingnames. Het heeft een tijd geduurd voordat Augustinus het christelijke geloof van zijn moeder kon verenigen met de cultuur van zijn vader. Hij moest een hele weg afleggen, via het Manicheïsme en het Neo-Platonisme, totdat hij bij bisschop Ambrosius in Milaan een vorm van christelijk geloof ontdekte dat gecombineerd was met de Romeinse cultuur. Toch bleef Augustinus ook Afrikaan. Hij keerde na zijn bekering terug naar zijn geboortegrond en werd daar uiteindelijk bisschop van Hippo.

3249333776

Elite en gewoon volk
In de strijd tegen de Donatisten opereerde hij als Romein. Augustinus had door zijn verworteling in de Romeinse cultuur niet door, dat de strijd met de Donatisten ook een vorm van verzet was tegen de Romeinse kolonisatie van Noord-Afrika. Het christendom was in Noord-Afrika kreeg namelijk allereerst vooral aanhang onder het gewone volk. Nadat de Romeinen Carthago en de rest van Noord-Afrika hadden veroverd, gingen ze zich steeds meer als kolonisator gedragen en gebruikten Noord-Afrika als wingewest om de grootsheid van Rome te onderhouden. Er kwam een tweedeling: een Romeinse elite, vaak uit Rome afkomstig, en het gewone volk van de Berbers. Omdat het christelijk geloof door de Romeinse overheid vervolgd werd, zag het gewone volk in het christelijk geloof een vorm van verzet tegen de Romeinse kolonisator.
De vervolgingen gingen echter door en het gewone volk in Noord-Afrika kreeg daar ook mee te maken. Er waren gelovigen die trouw bleven aan het geloof. Er waren er ook die het geloof vaarwel zeiden of op de vlucht gingen. Nadat de vervolgingen voorbij waren, gaf dat een geweldig probleem voor de kerk. Radicale christenen, die later Donatisten werden genoemd, vonden dat degenen die hun geloof afzworen of op de vlucht gingen, opnieuw gedoopt moesten worden. Deze radicale stroming was erg populair onder de Berbers en was op vele plaatsen invloedrijker dan de katholieke kerk.

Reputatie
Nadat de bisschop van Carthago was overleden, werd snel een gematigde bisschop Caecilianus aangesteld. Caecilianus werd echter niet erkend door de radicale christenen. Er was hier sprake van een botsing van culturen in de kerk. Caecilianus stond dichterbij de Romeinse overheid dan zijn tegenstanders. Caecilianus had ook een Romeinse opvatting over gezag en zijn tegenstanders een Afrikaanse opvatting. In een Romeinse visie op gezag bepaalt het ambt de waardigheid. Wanneer iemand niet het juiste charisma heeft of een twijfelachtige reputatie wordt dat gecorrigeerd door het ambt dat waardigheid verleent. In de Afrikaanse opvatting gaat het om de waardigheid van de persoon. Iemand komt pas in aanmerking voor een ambt als hij een goede reputatie heeft, bekend staat als een wijs persoon, charismatisch is en gezag uitstraalt. Iemand die op de vlucht is geslagen of het geloof vaarwel heeft gezegd, heeft zijn gezag verloren. Dat gezag kan niet door de officiële kerk worden teruggegeven, maar door toonaangevende personen uit de gemeenschap, die in de tijd van de vervolging op een indrukwekkende manier standhielden. Augustinus koos later als bisschop in zijn strijd tegen de Donatisten voor de Romeinse opvatting voor gezag en werkte zelfs samen met de Romeinse overheid in de strijd tegen de Donatisten. Tot aan de verovering door de Arabieren bleven de Donatisten volop aanwezig. Wel viel deze stroming steeds meer uiteen in radicalere en ook gewelddadige fracties.

Goed en kwaad
In zijn strijd tegen Pelagius toonde hij zich meer als Afrikaan. Zo werd hij ook door zijn tegenstanders bespot: als de Punische Exegeet of de Afrikaanse Aristoteles. Augstinus werd door Pelagius aangevallen, omdat volgens Augustinus de mens vanaf geboorte een zondaar was. Daarmee kreeg volgens Pelagius God de schuld van de zonde. Volgens hem was de mens in staat om heilig te leven door zich aan Gods wet te houden. Alleen dan kan God volgens Pelagius de mens straffen voor zijn zonden en belonen voor zijn goede daden. Er was niet alleen verschil in levensstijl: Pelagius leidde een voorbeeldig ascetisch leven, terwijl Augustinus een turbulente jeugd had. Ook hier speelde het verschil tussen Romeins en Afrikaans gezag. Alleen dan in de visie op God. Volgens de Pelagianen was ook God onderworpen aan de wetten voor wat goed en kwaad is. Volgens Augustinus is het God zelf die bepaalt wat goed en kwaad is.

5150

Geuzennaam
Om de dubbele culturele achtergrond te kenschetsen en vooral om te laten zien welke complexiteit een dubbele culturele achtergrond meegeeft, typeert Gonzalez Augustinus als mestizo. Aanvankelijk was dit een scheldwoord voor Mexicanen, die als halfbloed (en daarmee minderwaardig) werden gezien.  In 1925 ging de Mexicaanse wetenschapper en presidentskandidaat dit woord als een geuzennaam gebruiken. Een halve eeuw later introduceerde Vergilio Elizondo, een vriend van Gonzalez, deze term in de theologie en de kerk. Gonzalez zelf is als Cubaans Amerikaan een van de toonaangevende theologen met een latino achtergrond en een wereldwijd gerespecteerd kerkhistoricus. Dat een dubbele culturele achtergrond niet eenvoudig is, deelt hij met veel christenen in de VS met een Latijns-Amerikaanse achtergrond. Vanuit de vele gesprekken die hij met hen heeft gehad, heeft hij dit boek over de dubbele achtergrond van Augustinus geschreven om te laten zien dat zij niet de enige zijn die met een dubbele achtergrond worstelen. Daarom droeg hij het op ‘aan de vele Latina’s en Latino’s, wiens mestizaje mij hebben verrijkt’. Hij schreef het oorspronkelijk in het Spaans, waarna hij het in het Engels publiceerde.

Justo L. Gonzalez, The Mestizo Augustine. A Theologian Between Two Cultures (Downers Grove: IVPress, 2016)

7283

 

Advertenties

Interview met Justo L. Gonzalez over het waardevolle van mestizaje

‘Juist omdat zij nadenken omdat zij nadenken over hun vaak verwarrende culturele erfenis leveren de Latino en Latino theologen een zeer waardevolle bijdrage aan de theologie.’

Interview met Justo L. Gonzalez over het waardevolle van mestizaje

In zijn nieuwe boek The Mestizo Augustine: A Theologian Between Two Cultures, bekijkt de toonaangevende kerkhistoricus en theoloog Justo Gonzalez het leven en de erfenis van Augustinus vanuit wat in de Latino / Latina theologie mestizaje wordt genoemd: het hebben van een dubbele culturele achtergrond. De typering van Augustinus als zowel Romein als Afrikaan helpt om zijn theologie en zijn betekenis voor vandaag te begrijpen. Onlangs sprak zijn redacteur bij IVPress, David Congdon, met de auteur over dit boek

7283
U bent een bekend geworden met u veelgeprezen overzichten van de Christelijke theologie, de driedelige History of Christian Thought en de tweedelige Story of Christianity. Wat motiveerde u om u bezig te houden met Augustinus?

Gonzalez: Met Augustinus houd ik me al verscheidene jaren op verschillende manieren bezig. Het is onmogelijk om de westerse christelijke theologie te bestuderen zonder aandacht te hebben voor hem. Na de apostel Paulus is er niemand geweest die een grotere invloed heeft gehad op de loop van de christelijk theologie dan Augustinus.  Tegelijkertijd zorgde Augustinus’ eigen prestige dat hij het middelpunt werd van verschillende latere controverses, omdat elke partij zei hem aan hun zijde te hebben. Het meest belangrijke voorbeeld daarvan is de tijd van de Protestantse Reformatie, toen zowel Protestanten als Katholieken – en beide kanten waren overtuigd van hun gelijk – dat hun visie de steun had van Augustinus. Was zo fascinerend is: beide kanten hadden ook gelijk.

5150

Dit boek was oorspronkelijk in het Spaans gepubliceerd. Voor wie schreef u het Spaanse origineel? En wie had u voor ogen bij de publicatie in Engelse vertaling?

Gonzalez: Het boek kwam voort uit herhaaldelijke gesprekken met Latino’s en Latina’s over hun moeilijke situatie waarin ze gedwongen werden om na te denken over hun eigen identiteit. Veel van hen vertrokken uit het land van hun ouders en waren niet in staat om naar het land van hun ouders terug te keren. De ene keer vanwege politieke redenen. Een andere keer door immigratie. Vaak omdat in werkelijkheid het landen van hun ouders zozeer veranderd waren, dat deze landen in feite niet meer bestonden. Er was in hen een worsteling tussen de culturele achtergrond die zij willen bevestigen en de werkelijkheid waarin zij leven. Ze waren niet gelukkig in een van beide werelden.

Kunt u uitleggen wat mestizo en mestizaje betekent? Hoe kunnen deze termen vanuit de Latino / Latina theologie ons helpen om Augustinus beter te begrijpen?

De situatie die ik net beschreef wordt door Latina en Latino theologen bedoeld als zij spreken over mestizaje. In het Spaans was het van oorsprong een denigrerende term, bedoeld om degenen die tot een mengvorm van meer dan twee rassen behoren. Het woord mestizo is afgeleid van gemixt. De betekenis is gelijk aan halfbloed. Als je een mestizo was, was dat lange tijd iets om je voor te schamen.
In de afgelopen eeuw is de betekenis van het woord veranderd, vooral door het werk van de politicus en schrijver José Vasconcelos en de katholieke Mexicaans-Amerikaanse theoloog Virgilio Elizondo. Het woord verwijst nog steeds naar dat iemand behoort tot twee tradities, culturen en contexten en dat je tegelijkertijd bij geen van die tradities, culturen en contexten behoort. Nu geeft het woord echter een vorm van trots aan, iets waar je voor uit mag komen, vanuit de veronderstelling dat juist als twee culturen elkaar ontmoeten creativiteit het meest tevoorschijn komt.
Augustinus was ook een mestizo. Zijn moeder was een Afrikaanse. Zijn vader een Romein.  Zijn moeder wilde dat hij haar christendom, dat Afrikaanse boventonen had, zou aannemen en zou aanhangen. Tegelijkertijd hoopte zij dat hij promotie zou maken in een wereld die van hem vroeg dat hij zo snel mogelijk een Romein zou worden. (Dat is nu net de ervaring van veel immigranten van wie de ouders willen dat ze trouw blijven aan hun culturele achtergrond, maar tegelijkertijd voldoende thuis zijn in hun nieuwe wereld om op te klimmen in de maatschappij.)

Kunt u een voorbeeld geven hoe Augustinus’ bestaan ‘tussen twee culturen’ doorwerkt in zijn standpunt in een theologische controverse?

Gonzalez: Je zou mijn boek natuurlijk moeten lezen om de voorbeelden helemaal te begrijpen. Ten tijde van de Donatistische controverse ging het niet alleen om een theologische controverse (die ik herhaaldelijk heb beschreven in andere publicaties), maar ook tussen twee conflicterende visies op gezag, op wie gezag heeft en wanneer gezag geldt. In deze controverse koos Augustinus voor de Romeinse visie op gezag in plaats van de Afrikaanse. In de Pelagiaanse controverse wordt zijn Afrikaanse achtergrond duidelijk. Zijn tegenstanders noemden hem daarom ‘de Afrikaanse Aristoteles’.

We zijn gewend om Augustinus te zien als de grootste theoloog van het Latijnse westen. U typeert hem in uw boek als een herder en focust op zijn pastorale verantwoordelijkheden. Waarom is dat van belang?

Gonzalez: De beste theologie is pastorale theologie. Daarbij doel ik niet op wat in curricula vaak pastorale theologie wordt genoemd. Ik bedoel een theologisch perspectief dat ontwikkeld is in een pastorale context en dat ingaat op pastorale kwesties. Als iemand de geschriften van Augustinus vergelijkt, die hij schreef voor hij gedwongen werd om pastor te worden met zijn geschriften die hij schreef na zijn ordinatie, zijn de eerste geschriften solide uiteenzettingen, die intellectueel hoogstaand zijn, maar zijn de latere meer invloedrijk. Dat kwam omdat ze niet ingingen op wat hemzelf in intellectueel opzicht bezighield, maar omdat ze ingingen op wat er in de kudde speelde – niet alleen de lokale kudde van Hippo, maar in de gehele kerk. Zonder deze pastorale verantwoordelijkheden zou de theologie van Augustinus misschien vergelijkbaar zijn met de meest speculatieve geschriften, die hij kort na zijn bekering schreef.

Het boek is duidelijk meer dan een historische presentatie van Augustinus. U spreekt over hem als een ‘lens voor het Westerse Christendom’. Waarom is het van belang om Augustinus vandaag op een frisse manier te begrijpen? Wat kan hij de hedendaagse kerk in Amerika leren?

Gonzalez: Misschien moeten we beginnen met de negatieve betekenis van ‘lens’. westers Christendom is zo gevangen door Augustinus, dat ze ook al heeft men niet gehoord van Augustinus, het Nieuwe Testament toch door zijn ogen leest. Als we ontdekken dat we deze lens op hebben, kunnen we misschien elementen uit de vroeg-christelijke theologie ontdekken, die door Augustinus verduisterd zijn. Getinte glazen kunnen goed zijn, maar je mag niet vergeten dat je door zulke glazen kijkt. Positief opgemerkt: het was Augustinus, die – waarschijnlijk juist omdat hij een mestizo was, en zijn theologie laat dat zien – in staat was om veel van de christelijke erfenis te bewaren toen zich een nieuw mestizaje ontwikkelde in West-Europa. De westerse beschaving is geboren uit een mestizaje tussen een Romeinse en Germaanse cultuur. En een van de meest toonaangevende invloeden in die nieuwe mestizaje was zelf een mestizo: Augustinus.

Hoe verbindt uw boek uw werk dat u verricht met betrekking tot Hispanic theologisch onderwijs?

Gonzalez: De verbinding is er op verschillende manieren. Er komen mij nu drie connecties voor de geest. De eerste is dat het bevestigt dat het onderwerp dat het meest in de Hispanic theologie aan de orde komt tot een zeer waardevolle theologie kan leiden, waarin de conditie van mestizaje niet zo zeer een handicap is, maar een voordeel of een waardevolle hermeneutische lens. Het is niet iets gerings om Augustinus in dit opzicht als voorganger te hebben!
In de tweede plaats hoop ik dat mijn boek de aankomende generatie van Latino en Latina theologen om niet te bezwijken voor de druk van de academische wereld, die vooral abstracte speculaties prefereert boven een theologische reflectie, die solide gegrond is in het leven van de kerk. Als Augustinus dat kon doen, kunnen wij dat ook!
In de derde plaats hoop ik aan anderen op het spoor komen van de Latino en Latina wetenschappers en theologen. Juist omdat zij nadenken omdat zij nadenken over hun vaak verwarrende culturele erfenis leveren de Latino en Latino theologen een zeer waardevolle bijdrage aan de theologie. Ik zou willen zeggen: als je niet van mestizo theologie houd, ga je dan beklagen bij Augustinus!

Vertaling van een interview dat geleverd werd bij mijn recensie-exemplaar. Een recensie van dit boek verschijnt binnenkort in het Friesch Dagblad

De kerkdienst als multiculturele gebeurtenis

De kerkdienst als multiculturele gebeurtenis
Albrecht Grözinger over de prediking in een pluralistische maatschappij (2)

Wat kan de kerkdienst betekenen in een multireligieuze maatschappij? In zijn essay over de betekenis van de prediking komt Albrecht te spreken over de eredienst. De preek krijgt immers gestalte in een kerkdienst. In deze multiculturele samenleving is het goed om te bedenken dat de kerkdienst is door invloed uit verschillende culturen.

Het is niet vanzelfsprekend om de kerkdienst als een culturele gebeurtenis te zien. In de twintigste eeuw lag de nadruk op het gegeven dat de kerkdienst vooral haaks staat op de cultuur. Vanaf het begin is de christelijke eredienst ontstaan vanuit verschillende culturen.
De liturgische modewoorden van dit moment benadrukken niet het verschil van eredienst en maatschappij, maar in de overeenkomst: ritueel en enscenering. De ars liturgica is daarom de hoge kunst van syncretistische vormgeving.
In de multiculturele samenleving zijn rituelen en symbolen belangrijker geworden, omdat rituelen en symbolen helpen bij de vorming van identiteit. In een plurale samenleving is het juist ingewikkeld om een oriëntatie voor je leven te vinden. De eigen identiteit moet uitgevonden worden. In een risico-samenleving (Ulrich Beck) is ook de eigen levensweg een riskante onderneming. Rituelen en symbolen kunnen helpen bij overgangen en grenzen.
De eredienst is in de multiculturele samenleving een ritueel dat steeds meer verbleekt. De eigenheid van de eredienst kan wel worden herwonnen door:
* de eredienst te zien als ontmoeting met het heilige.
* de eredienst te zien als herinnering aan de Gottesgeschichte (God Story)
* de eredienst als actualisering van de Heilige Schrift.

Ontmoeting met het heilige
Manfred Josuttis heeft met zijn godsdienstfenomenologische wending het nadenken over het heilige weer ingevoerd. Zijn concept is kritisch ontvangen:
(1) Men vindt het heilige te vaag voor de God van de Bijbel. Volgens Grözinger klopt dit gedeeltelijk, want God heeft een Naam. De Here presenteert zich echter ook als de heilige God.
(2) Het begrip mist theologische correctheid. Volgens Grözinger ontnemen theologisch correcte begrippen vaak het zicht op de werkelijkheid.
Het heilige geeft het hedendaagse levensgevoel met betrekking tot religie goed weer: men is niet expliciet religieus, maar voelt zich zowel aangetrokken (fascinosum) als zeer onder de indruk (tremendum).

De hedendaagse eredienst richt zich vaak echter alleen op de aantrekkingskracht en vergeet de heimelijkheid. Daardoor wordt de kerkdienst vaak gekenmerkt door kleinburgerlijkheid. Het heilige is niet zo nabij dat het mij op de schouder klopt, maar geeft mij ook de ervaring van afstand en vreemdheid.
Als voorbeeld hiervan geeft Grözinger het gesprek weer met zijn kapper, toen hij zich vlak voor Kerst liet knippen. De kapper ging alleen naar de kerstnachtdienst. Dan moest hij het gevoel krijgen dat onze lieve Heer naast hem in de bank zat. ‘Hoe zou je daarop reageren?’ vroeg Grözinger nieuwsgierig. Zijn antwoord: ‘Ik zou me wild schrikken!’
Vandaag de dag is er behoefte aan ‘kardinale discretie’ met betrekking tot het heilige: heilig ontzag, het naderen met vrees en beven.

Rituele herinnering aan Gods geschiedenis
In de Schrift is de heilige een Persoon met een naam. Het ervaringsspoor van God in Jezus Christus moet merkbaar zijn in de eredienst. Enscenering van dit ervaringsspoor is daarom noodzakelijk. Maar nog meer de theologische reflectie op dit ervaringsspoor.
In de theologie wordt binnen de triniteitsleer (de leer over de drie-enige God) op deze geschiedenis gereflecteerd. De triniteitsleer verwoordt de veelvoud van de geschiedenis van God (God Story, Gottesgeschichte) in Oude en Nieuwe Testament. In de triniteitsleer gaat het om die levende geschiedenis. Het gaat om de trouw en betrouwbaarheid van God in zijn omgang met mensen. Deze leer verzandt echter vaak in speculatie.
In de eredienst wordt de triniteitsleer in rituelen vormgegeven. Vandaar de noodzaak tot enscenering. In elke kerkdienst gaat het om Gods handelen in de schepping, in zijn uitverkiezing van Israël (de triniteitsleer is bewust anti-marcionitisch), in Jezus Christus tot verlossing van schepping en mensheid.
De triniteitsleer biedt volgens Grözinger een goede basis voor de betekenis van de kerkdienst in onze plurale samenleving.
In deze samenleving hebben mensen vaak alleen via-via een indruk van een kerkdienst. In films ligt er vaak de nadruk op dat een kerkdienst iets van het verleden is. De eredienst is daarom van belang: het gaat om de actuele, levende geschiedenis van God. Het christendom is nog niet voorbij. Ook een kerkdienst is niet doods gebeuren, zoals het Latijn een dode taal is, maar wordt volop gepraktiseerd en volop doorontwikkeld.

Actualisatie van de Heilige Schrift
De verdere ontwikkeling van de eredienst  gebeurt binnen het protestantisme door de actualisering van de Schrift. In binding aan de Schrift ontstaat vrijheid voor verdere doordenking en ontwikkeling.
In de protestantse traditie is God zelf aan het woord in de verkondiging. Het gesproken woord is daarom het meest passend voor het woord van God. Voor de reformator Martin Luther gaat het in de preek om een actueel en publiekelijk woord van God:
* actueel: het woord gebeurt steeds weer opnieuw en wordt steeds weer opnieuw waargenomen.
* publiekelijk: het gaat niet om een privé-openbaring of een mysterieus gebeuren.
In de prediking gaat het dan om de actualisering van dit woord van God. Deze actualisering is door de nauwe binding tussen Godswoord en mensenwoord nooit zonder risico’s. Deze actualisering vindt plaats door middel van enscenering.
Dit woord enscenering (een woord uit de wereld van film en toneel) betekent: het materiaal is van een ander (het woord van God is van God), maar in de publieke vertoning heeft de uitvoerder een eigen verantwoordelijkheid (de prediker die de preek houdt). De liturg heeft dus oefening in enscenering nodig om de geschiedenis van God in de prediking en liturgie te kunnen ensceneren. Net als een interpretatie van een kunstwerk of de uitvoering van een muziekstuk is de opvoering van de God Story in de preek open.
Bij een enscenering is nagedacht hoe het ‘verhaal’ in een toneelstuk of een film het beste kan worden weergegeven. Een goede regisseur is in staat om een indruk achter te laten bij de luisteraar of kijker, al heeft hij het niet in eigen hand. Een bezoeker gaat naar huis met de ervaring dat er iets met hem gebeurde. Die analogie bedoelt Grözinger als hij de kerkdienst een gebeurtenis noemt. Door de opvoering van de geschiedenis van God gaat de luisteraar met een indruk naar huis. Er gebeurde iets, maar de prediker had dat niet in eigen hand

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. ALBRECHT GRÖZINGER, Toleranz und Leidenschaft. Über das Predigen in einer pluralistische Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2004) p. 37-57.

 

 

 
 
 
 

 

De preek als open kunstwerk

De preek als open kunstwerk
Albrecht Grözinger over de prediking in een pluralistische maatschappij (1)

Wat kan de prediking betekenen in een multireligieuze maatschappij? En hoe kun je dat als predikant aanpakken? Over deze vragen schreef de praktisch-theoloog Albrecht Grözinger in 2004 een uitgebreid essay: Tolerantie en hartstocht. Over de prediking in een pluralistische maatschappij.

Aan het begin van zijn essay signaleert Grözinger dat predikanten weinig vertrouwen hebben in de prediking. Tegelijkertijd merkt hij dat predikanten op zoek zijn naar de betekenis van de prediking in de hedendaagse samenleving. Om predikanten te helpen bij die zoektocht schreef Grözinger zijn boek.
Wie zich vandaag de dag wijdt aan de prediking dient afscheid te nemen van veel vanzelfsprekendheden. Het homiletische landschap is fundamenteel veranderd. De pluraliteit van onze samenleving kan niet meer ongedaan gemaakt worden. Aan de andere kant dient een prediker zich ook bewust te zijn van de hedendaagse gevaren en de oppervlakkigheden. Daarvoor is moed en vertrouwen nodig.
De huidige tijd wordt ook wel getypeerd als postmoderniteit. Grözinger vindt dat de postmoderniteit een positieve ontwikkeling is die veel nieuwe kansen en ruimten biedt voor de prediking. Om die kansen te laten zien, voert Grözinger een postmodern begrip in: het kwetsbare denken.
Dit begrip is afkomstig van de filosoof Gianni Vattimo. Het kwetsbare denken staat sceptisch tegenover ontologische claims en aannames. Wie op een kwetsbare manier denkt gaat niet uit van vast uitgangspunt, maar heeft een beweeglijke manier van denken. Interpretaties zijn principieel onaf. Een interpretatie is geen definitieve visie, maar opent een nieuw perspectief. Waarheid is geen bezit, maar wordt steeds weer opnieuw ontdekt.
Een essay is daarom bij uitstek geschikt om na te denken over de rol van de prediking in de postmoderniteit.

Als een kunstwerk
Als praktisch-theoloog heeft Grözinger veel nagedacht over het waarnemen (esthetiek). Volgens hem kan een preek op dezelfde manier worden waargenomen als een kunstwerk.
Tegenwoordig wordt een kunstwerk gezien als een autonoom object. Dat houdt in dat een kunstwerk niet hoeft te verwijzen naar een realiteit, maar zelf een werkelijk creëert. Een kunstwerk bevat niet een enkele boodschap, maar roept verhalen (story, Geschichte) op. Daarvoor bevat een kunstwerk bepaalde symbolen en codes. Die codes en symbolen vormen een eigen taal. Op basis van die codes, symbolen en taal ontvouwt een kunstwerk zijn werking.
Een kunstwerk is kwetsbaar. Doordat de gebruikte codes, symbolen en taal meerduidig zijn, kan iedereen zijn eigen verhaal ervan maken. Een kunstwerk is principieel open voor meerdere interpretaties. De definitieve interpretatie bestaat niet. Het kunstwerk ontvouwt zich voor wie zich openstelt voor (de werking van) het kunstwerk.
Wat voor een kunstwerk geldt, geldt ook voor de preek. Ook de preek is open voor meerdere interpretatie. Dat komt door de gebruikte codes, symbolen en taal. Hierdoor ontvouwt een preek zijn werking voorde luisteraar. Een preek verwijst wel naar de werkelijkheid: de werkelijkheid van God.
Toch is ook de preek autonoom. In een preek gaat het om wat de hoorder oppikt en niet wat de prediker eigenlijk bedoelde. Het effect van een preek kan niet afgedwongen worden. Een preek is vooral bedoeld als een uitnodiging om in de wereld van de preek binnen te stappen.

De impliciete luisteraar
De gemeente die bij elkaar komt, bestaat uit een gemengd publiek. Het open karakter van de preek doet recht aan de verscheidenheid van de gemeente en biedt voor al die verscheidene aanwezigen de mogelijkheid om de wereld van de preek binnen te stappen.
Als de preek vergelijkbaar is met een kunstwerk, kan men ook de preek als een kunstwerk bestuderen en analyseren. Net zoals Rudolf Bohren dat deed in zijn indrukwekkende Predigtlehre (1971), ontleent Grözinger inzichten aan de literatuurwetenschap. In de literatuurwetenschap is er sprake van de impliciete lezer.
Elk boek creëert zijn eigen lezer(s). Een schrijver heeft zijn boek voor deze lezer(s) geschreven. Volgens Grözinger is het een uitdaging om deze gedachte homiletisch (d.w.z. met het oog op de prediking) te doordenken: Is er een impliciete luisteraar? Welke luisteraar had de prediker op het oog toen hij deze preek voorbereidde? Welke signalen zendt hij uit naar deze impliciete luisteraar?
Grözinger wil de gedachte van de impliciete luisteraar uitbuiten. De prediker kan zich bewust gaan richten op die impliciete luisteraar. De onverwachte gast In deze multireligieuze samenleving is de impliciete luisteraar een onverwachte gast (Fremde Gast): iemand die voor eerst ergens komt, zomaar binnenstapt en er niet automatisch bijhoort, misschien wel verdwaald is en deze taal, symbolen en rituelen voor het eerst ondergaat.
In deze multireligieuze samenleving weten de luisteraars immers weinig van het christelijk geloof. Er is sprake van een breuk met de traditie.
Niets is meer vanzelfsprekend. Alle vanzelfsprekendheden zijn verdampt in het proces van individualisering en globalisering (Grözinger komt hier later op terug als hij de gedachte van Peter L. Berger over de gedwongen keuze verder uitwerkt). Het is niet meer vanzelfsprekend om christen te zijn. De samenleving is seculier geworden. De volkskerk bestaat niet meer.
We zijn vreemden geworden in wat eerst ons thuisland was. Daarbij zijn we vreemden voor onszelf geworden. Voor Grözinger is dat niet alleen negatief! Ook al is het leven als vreemde gast niet altijd even gemakkelijk, het kan wel veel vreugde bieden.
Een preek zou zich op deze onverwachte gast moeten richten: een gastvrije preek. Zodat die onvermoede gast ook de wereld van de preek binnen kan stappen en niet belemmerd wordt door een traditie waarmee hij niet vertrouwd is. Grözinger is niet tegen traditie, maar denkt vooral na hoe iemand die niet vertrouwd is met de traditie, toch kan deelnemen aan de preek. Zo’n gastvrije preek is volgens Grözinger ook geschikt voor iemand die zijn of haar thuis heeft in het kerkelijke milieu.

Kwetsbaar in een mediacultuur
Heeft de preek nog betekenis in een mediacultuur? Een preek is immers een kwetsbaar werk dat door de allerhande media gewoon verpulverd kan worden.
Grözinger denkt dat er ruimte is voor de prediking. De preek is een vreemde eend in de bijt. Door de vreemdheid kent de preek ook een zekere dwarsheid. Die vreemdheid en die dwarsheid bieden de preek een plaats in de postmoderne samenleving. De preek kan de luisteraar tijd geven. De preek kost niet alleen tijd, maar geeft ook tijd:
* De preek verbindt de luisteraar met een eeuwenoude traditie: godsdienstige en theologische kennis van generaties geleden worden op een eenvoudige manier doorgegeven. De luisteraar hoeft daar niet extreem veel moeite voor te doen.
* De preek kent een ernst, die in deze samenleving nauwelijks meer gevonden wordt. In de preek krijgt de luisteraar de tijd om na te denken over wat er in het leven echt toe doet. In de prediking moet aan ernst recht gedaan worden. Net zoals Martin Nicol wijst Grözinger erop dat schrijvers en journalisten, colleaga’s als het gaat om het gebruik van taal, vaak meer respect hebben voor de preek en aan de preek meer waarde aan de preek hechten dan predikanten.
* De luisteraar die naar de kerk komt, wil graag iets te weten komen. Over zichzelf of over God. De prediker spreekt voor een geïnformeerd publiek dat nog meer meegenomen en ingewijd wil worden. In de kwaliteit van de preek schuilt de aantrekkingskracht.
Wanneer de prediker weet waarover hij spreekt en ook concreet is, heeft de preek een niet te onderschatten waarde in deze multireligieuze en postmoderne samenleving.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. ALBRECHT GRÖZINGER, Toleranz und Leidenschaft. Über das Predigen in einer pluralistische Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2004) p. 9-33.